Verslag algemeen overleg over de slijtersziekte en destructieproblematiek bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte - Voedselveiligheid

Dit verslag van een algemeen overleg is onder nr. 40 toegevoegd aan dossier 26991 - Voedselveiligheid.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Voedselveiligheid; Verslag algemeen overleg over de slijtersziekte en destructieproblematiek bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte 
Document­datum 24-01-2001
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST50994
Kenmerk 26991, nr. 40
Van Staten-Generaal (SG)
Commissie(s) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2000–2001

26 991

Voedselveiligheid

Nr. 40

1  Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (RPF/GPV), M. B. Vos (GroenLinks), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Dijsselbloem (PvdA). Plv. leden: Van Vliet (D66), Depla (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van der Steenhoven (GroenLinks), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Karimi (GroenLinks), Kamp (VVD), Reitsma (CDA), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), Dijksma (PvdA), Belinfante (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), De Boer (PvdA), Te Veldhuis (VVD), Duivesteijn (PvdA).

2  Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Oedayraj Singh Varma (Groen-

VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 januari 2001

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op 7 december 2000 overleg gevoerd met minister Brinkhorst van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 8 mei 2000

inzake slijters (26 991, nr. 7); – de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 17 mei 2000

inzake circovirus/slijterproblematiek (26 991, nr. 12); – de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 25 juli 2000

inzake slijterproblematiek (LNV-00-609); – de brief van de Tweede Kamerfractie van de VVD d.d. 28 juli

2000 inzake slijters en IBR (LNV-00-617); – de brief van de minister van LNV d.d. 25 september 2000

inzake auditcommissie en onderzoeksrapporten slijters

(26 991, nr. 33); – de brief van de minister van VWS d.d. 3 oktober 2000 inzake rapport van de FVO over de slijterproblematiek (LNV-00-828); – de brief van de minister van LNV d.d. 16 oktober 2000 inzake destructieproblematiek bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte (27 400 XIV, nr. 8); – de brief van de minister van LNV d.d. 1 november 2000 inzake onderzoeksrapporten slijterproblematiek (LNV-00-894); – de brief van de minister van LNV d.d. 2 november 2000 inzake afschrift brief aan Oplaat (LNV-00-892);

Links), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Rouvoet (RPF/ GPV), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD). Plv. leden: Lambrechts (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA),

Örgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Schutte (RPF/ GPV), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD).

– de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 2 november 2000

inzake Masterseed Bayer (26 991, nr. 36); – de brief van de minister van LNV d.d. 13 november 2000

inzake Roozegaarde (LNV-00-945).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Aan het begin van het algemeen overleg overhandigt de minister van LNV aan de voorzitter antwoorden op schriftelijke vragen van de VVD-fractie. Deze antwoorden zijn als bijlage aan dit verslag toegevoegd.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Oplaat (VVD) meent dat de motie-Snijder-Hazelhoff c.s. (26 991, nr. 18) over het onderzoek naar de moederbatch van het IBR-vaccin niet is uitgevoerd. Het onderzoek moest uitgevoerd worden door een instituut dat op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de ontwikkeling van het vaccin, maar er is geen sprake geweest van een onafhankelijk onderzoek. Hij vraagt een toezegging van het kabinet dat dit alsnog zal plaatsvinden. De minister heeft geschreven dat de uitbreiding van de destructie-capaciteit in het kader van een eventuele uitbraak van mond- en klauwzeer te hoge kosten met zich brengt, terwijl deze extra capaciteit in de praktijk wellicht nooit gebruikt zal worden. De heer Oplaat vindt het van groot belang dat er in ieder geval direct wordt overgegaan tot beperkte nood-vaccinatie van gevoelige dieren, mocht tijdens de inventarisatieperiode blijken dat de destructiecapaciteit tekortschiet als gevolg van een omvangrijke uitbraak. Deze regel zou ook moeten gelden voor andere besmettelijke dierziekten.

Inzake de slijterproblematiek benadrukt de heer Oplaat dat het hem niet gaat om een incident op het bedrijf Roozegaarde, maar om de problemen die op veel bedrijven zijn geconstateerd. De Algemene Rekenkamer heeft deze constatering bevestigd. Het bedrijf Roozegaarde dient slechts als illustratie, omdat deze veehouder weigerde zijn dieren voor de slacht aan te bieden, omdat hij in het belang van de volksgezondheid om een onderzoek vroeg en omdat dit bedrijf als enige is geblokkeerd. De overige bedrijven blijven toevallig onder de norm van 20% voor slijterbedrijven, maar daar kan nog steeds 19% van de dieren deze ziekte hebben. De manier om onder de norm van 20% te blijven, is het constant vervangen van zieke dieren. De gehanteerde grens is dus in zekere zin willekeurig. De indruk bestaat dat de overheid de slijterproblematiek onderschat heeft. In mei ontkende de staatssecretaris na een onderzoek op tien bedrijven dat deze bedrijven als slijterbedrijven gekwalificeerd konden worden, maar zij gaf toe dat er in 1999 meer dieren zijn afgevoerd om gezondheidsredenen dan daarvoor. De heer Oplaat noemt de opstelling van de staatssecretaris naïef, omdat de afvoer van deze dieren er juist voor zorgt dat de bedrijven onder de norm voor een slijterbedrijf blijven. Sommige bedrijven hebben bijna 70% van hun veestapel vervangen. Bovendien zijn de vervangen zieke dieren zeer waarschijnlijk naar slachthuizen gegaan. Een dierenarts van de Gezondheidsdienst voor dieren (GD) heeft voor de rechter verklaard dat er in Nederland ruim honderd slijterbedrijven zijn. Maar omdat de koeien van deze bedrijven voor consumptie zijn geslacht en zijn vervangen door gezonde dieren, zijn deze bedrijven in het onderzoek van de GD niet als slijterbedrijven gekwalificeerd. Vindt de minister ook niet dat de staatssecretaris te gemakkelijk over de verklaring van de dierenarts is gestapt? Heeft zij de Kamer wel juist geïnformeerd? De heer Oplaat heeft zich geërgerd aan de aanvankelijk categorische ontkenning van de minister dat er producten van slijterkoeien in het Nederlandse voedselcircuit terecht zijn gekomen. Inzake de voedselveiligheid past de minister geen defensieve houding, maar zou hij het voorzorgsbeginsel moeten hanteren. Het is de heer Oplaat opgevallen dat de risico’s voor de volksgezondheid steeds zorgvuldig buiten beschouwing worden gelaten in de antwoorden van de bewindslieden over slijterkoeien die onverhoopt in de voedselketen terecht zijn gekomen. Alleen in het verslag van de Inspectie gezondheidsbescherming (IGB) wordt op dit aspect ingegaan naar aanleiding van een onderzoek op één specifiek bedrijf. De overheid bepaalt naar willekeur welke slijterkoeien wel en welke slijterkoeien niet voor consumptie geschikt zijn. Dit is merkwaardig, aangezien tussen slijterkoeien onderling weinig verschil bestaat. De risico’s van de slijterkoeien van het ene bedrijf gelden ook bij slijterkoeien van andere bedrijven. Er moet dan ook één criterium zijn aan de hand waarvan slijterkoeien beoordeeld worden. De ministers moeten duidelijkheid verschaffen: zijn slijterkoeien nu wel of niet gevaarlijk voor de volksgezondheid? Biedt de Nederlandse vleeskeuring voldoende waarborgen dat er geen vlees dat een gevaar vormt voor de volksgezondheid, in de consumptieketen terechtkomt? Vormt de mest van slijterkoeien een gevaar voor de volksgezondheid? Wat moeten de betreffende veehouders hiermee doen?

De heer Oplaat krijgt signalen dat er toch zieke dieren in de voedselketen belanden, zelfs koeien die besmet zijn met het bovine immunodeficiëntie-virus (BIV). Ook zouden er dieren van het bedrijf Roozegaarde voor consumptie geslacht zijn. Rapporten van de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (RVV) kunnen wellicht meer duidelijkheid bieden, maar de minister weigert inzage te geven in deze rapporten aan de betrokkenen. Staat er belastende informatie in deze rapportages? Is de minister bereid alsnog inzage te geven?

In de afgelopen weken heeft de minister voorzorgsmaatregelen inzake BSE genomen die niet stroken met zijn categorische bewering dat vlees van zieke dieren niet in het consumptiecircuit is gekomen. Hoe categorisch is die ontkenning nog? Hij beweert dat het zinloos is jonge runderen te onderzoeken op BSE, omdat zij deze ziekte niet kunnen overdragen. De heer Oplaat bestempelt deze opmerkingen als nonchalant en laconiek en hij vindt dat er serieus onderzoek moet plaatsvinden, als op een bedrijf klinische verschijnselen bij dieren worden waargenomen. Als een veehouder en een dierenarts sterke vermoedens van BSE hebben, mogen deze vermoedens niet worden genegeerd. Er zou bijvoorbeeld onderzoek van oudere runderen uit dezelfde veestapel kunnen plaatsvinden. Bovendien is in andere landen al eerder BSE vastgesteld bij runderen die na het diermeelverbod zijn geboren. Hij heeft twijfels over het BSE-draaiboek op dit punt en hij vraagt zich ook af of dit draaiboek wel goed gevolgd is. Moet dit draaiboek niet worden aangepast?

Tot slot stelt de heer Oplaat voor dat het kabinet een extern onderzoek laat doen naar de gang van zaken, specifiek gericht op het optreden en functioneren van alle betrokkenen bij de slijterproblematiek.

De heer Waalkens (PvdA) meent dat de slijterproblematiek moeilijk definieerbaar is. Zeker de gehanteerde norm van 20% slijterkoeien, alvorens een veehouderij tot slijterbedrijf bestempeld mag worden, is willekeurig. Op vrijwel ieder bedrijf loopt wel een slijterkoe rond. De consequenties van de norm voor een slijterbedrijf vormen dan ook een moeilijk probleem. De slijterproblematiek kan niet los gezien worden van de keuringssystematiek voor het slachtproces. Wat vindt de minister van LNV van het huidige keuringssysteem? Hoe staat de toetsing van levende dieren op slijterziekte in verband met de keuring van geslachte dieren voor menselijke consumptie? De Algemene Rekenkamer heeft aangegeven dat het toezicht niet zozeer een probleem is, maar wel de organisatie van het toezicht. Bestaan er technische onvolkomenheden of juridische lacunes in de keuringssystematiek?

Ook de heer Waalkens vindt dat de motie-Snijder-Hazelhoff c.s. niet naar behoren is uitgevoerd. Kan de firma Bayer niet gedwongen worden om de moederbatch beschikbaar te stellen voor een onafhankelijk onderzoek?

Wat bedoelt de minister als hij schrijft dat hij in «formele» zin met lege handen staat? Is er sprake van een lacune in de wet? De commissie van wijze mannen heeft in haar rapport geconcludeerd dat er in formele zin geen sprake is van belangenverstrengeling bij ID-DLO tussen de productie van het vaccin en de terbeschikkingstelling daarvan. Maar de indruk blijft hangen dat er informeel toch een vermenging van publieke taken en private taken is geweest. Alle organisaties waarbij dit risico bestaat, zullen minder van de publieke taak op zich mogen nemen. De heer Waalkens vraagt zich af hoe in dit verband de Nederlandse voedselautoriteit wordt ingericht.

De destructiecapaciteit met het oog op een eventuele mond- en klauwzeeruitbraak zou afgestemd kunnen worden op die van omringende landen. Hoever is deze afstemming gevorderd? Welke rol moet de overheid spelen bij de inrichting van de destructiecapaciteit? Voorts vraagt de heer Waalkens aandacht voor de dodingsmethoden die in het draaiboek zijn genoemd. Hoeveel voortgang is er geboekt bij het inzetten van markervaccins, niet alleen bij mond- en klauwzeer, maar ook bij varkenspest?

Nogmaals vraagt hij aandacht voor de motie-Waalkens/Ter Veer (27 400 XIV, nr. 23) over een centraal meldpunt voor veterinaire handelingen. Tot slot pleit hij voor het saneren van de 32 noodslachtplaatsen, zodat er zes of zeven adequaat ingerichte risicoslachtplaatsen komen, waar alleen sectie wordt verricht, zonder dat zieke dieren worden opgewaardeerd uit het oogpunt van economisch gewin.

De heer Atsma (CDA) vindt het nodig dat er nu eindelijk schoon schip gemaakt wordt met betrekking tot het slijterdossier. Centraal staat voor hem de rol van de overheid en hij ondersteunt dan ook het pleidooi van de heer Oplaat voor een breed onderzoek naar de gang van zaken. De situatie op het bedrijf Roozegaarde is de directe aanleiding voor het huidige debat over de slijterproblematiek. Zijn de koeien van dit bedrijf op de juiste wijze afgemeld? Is het systeem van identificatie en registratie wel waterdicht, zeker gelet op het rapport van de Rekenkamer? De Kamer heeft zich in de motie-Snijder-Hazelhoff c.s. duidelijk uitgesproken voor een onafhankelijk onderzoek naar het IBR-vaccin. Het valt te betreuren dat er onvoldoende gehoor aan deze oproep is gegeven. Het vervolgonderzoek inzake de slijterproblematiek wacht op de resultaten van het onderzoek naar de dieren uit Zelhem. Inmiddels is bekend dat een aantal van deze dieren zijn afgemaakt. Zal het diepgaande en onafhankelijke vervolgonderzoek nu plaatsvinden of is hiermee de kous af voor de minister? De afgelopen maanden zijn tal van suggesties gedaan over de mogelijke oorzaak van de slijterziekte. Op een aantal onderdelen van deze suggesties is de minister in zijn schriftelijke antwoorden niet ingegaan. Kan hij in een notitie deze suggesties eens integraal beoordelen en aangeven welke oorzaken in ieder geval uitgesloten kunnen worden? Een aantal veehouders heeft gevraagd om een onderzoek naar slijterziekte op hun bedrijf, maar in enkele gevallen is dit verzoek niet ingewilligd. De heer Atsma acht dit ontoelaatbaar. Als een veehouder om duidelijkheid vraagt, moet die er komen. Hij roept in dit verband de motie-Atsma/Stellingwerf (26 991, nr. 16) in herinnering, bedoeld om een onafhankelijke ombudsfunctie voor boeren te creëren.

Ontevreden is hij ook over de procedures voor blokkering van een veehouderij. Het is onbegrijpelijk dat de Kamer eraan te pas moest komen om te garanderen dat vee op een fatsoenlijke manier kon worden opgekocht. Het protocol moet worden aangescherpt op dit punt om meer duidelijkheid voor de veehouder te scheppen en om de barrières weg te nemen om problemen op zijn bedrijf te melden. De heer Atsma heeft signalen gekregen dat de slijterproblematiek op duizenden bedrijven voorkomt. Kan de minister een duidelijk inzicht in de huidige situatie geven? Kan hij met betrekking tot het vlees van slijter-bedrijven voldoende garanties geven om de voedselveiligheid te garanderen?

De heer Poppe (SP) vindt dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen BSE, BIV en slijterziekte. Hij vindt dat alle wensen van veehouders om hun dieren op deze ziekten te onderzoeken, gehonoreerd moeten worden. Het stoort hem dat er ruim twee jaar na de uitbraak van de slijter-ziekte nog niets bekend is over de aard en omvang van dit fenomeen. Volgens de heer Poppe is dit vooral te wijten aan laksheid van de overheid; de problematiek is nooit voldoende serieus genomen en de blokkade van het bedrijf Roozegaarde was geen stimulans voor veehouders om hun problemen te melden. De gehanteerde norm van 20% slijterkoeien is merkwaardig. Op veel bedrijven waar een vermoeden van slijterziekte bestond, bleek bij nader onderzoek niets aan de hand te zijn. Van in ieder geval één bedrijf weet de heer Poppe dat de zieke dieren vervangen zijn en voor consumptie geslacht zijn, waardoor het bedrijf niet als slijter-bedrijf aangemerkt kon worden. Het overheidsoptreden inzake de slijter-problematiek lijkt erg op het overheidshandelen tijdens de BSE-crisis. Kan er meer duidelijkheid worden verschaft over de oorzaak, de aard en de omvang van de slijterproblematiek? De heer Poppe heeft eerder in dit verband een retrospectief onderzoek voorgesteld. De auditcommissie heeft deze suggestie van de hand gewezen, maar in het onderzoeksrapport van ID-DLO over slijterkoeien staat hetzelfde voorstel. Wil de minister het advies nu alsnog overnemen? Is het geen verstandig idee om een enquête onder veeartsen te houden om kennis over de slijterziekte uit te breiden?

Het optreden van de Gezondheidsdienst voor dieren verdient geen schoonheidsprijs: veehouders werd verteld dat zij de enigen waren met een probleem en hen werd geadviseerd om zieke koeien maar af te voeren. Economische belangen van de sector hebben altijd vooropgestaan. Inzage in de controleverslagen van LNV en VWS over de tien vrijwillig aangemelde bedrijven wordt verhinderd. Kan de Kamer hier alsnog inzage in krijgen?

De heer Poppe betreurt het dat de adviseurs van de bewindslieden in zekere zin ook belanghebbenden zijn. Hij doelt op de GD, ID-Lelystad en de producent van het IBR-vaccin.

Het antwoord van de regering

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij benadrukt dat ook de regering zich zorgen maakt over de slijterproblematiek; er is nooit sprake geweest van onderschatting. Hij betreurt echter de suggestieve en soms weinig zakelijke toon van sommige leden. Het verwijt dat de regering informatie achtergehouden zou hebben, klopt niet en is ook niet overtuigend onderbouwd. De heer Roozegaarde heeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gevraagd om inzage in de rapporten van de RVV over de tien bedrijven waar mogelijk sprake was van slijterziekte. Om de privacy van de tien betrokken veehouders te beschermen, is dit verzoek afgewezen. In een kort geding heeft de heer Roozegaarde om een voorlopige voorziening gevraagd, maar ook dit verzoek is door de rechter afgewezen. Als de tien betrokken bedrijven geen bezwaar maken tegen openbaarmaking van de verslagen, zal het minister van LNV zich hiertegen uiteraard niet verzetten. De minister zal alle onderzoeken verwelkomen; transparantie is voor hem de leidraad in deze problematiek. In het geval van het bedrijf Roozegaarde herhaalt hij zijn stelling dat er geen restanten van zieke runderen in het humane consumptiecircuit terechtgekomen zijn. De heer Oplaat heeft gewezen op de verkoop en de slacht van een ziek dier van het bedrijf voor de menselijke consumptie op 25 oktober 1999, maar volgens de minister vond deze transactie plaats voor de blokkade van het bedrijf. Mocht er overigens toch vlees van zieke dieren van dit bedrijf in de consumptieketen zijn gebracht, dan is dat de verantwoordelijkheid van de heer Roozegaarde, die daarmee de geldende regels dan heeft overtreden. De heer Oplaat heeft beweerd dat de heer Roozegaarde tevergeefs heeft verzocht om een BSE-test voor drie pinken en een nuchter kalf. De minister stelt dat het onmogelijk is om bij dieren van een dergelijke jonge leeftijd iets zinnigs over BSE te zeggen. Bovendien is in de problematiek rond het bedrijf Roozegaarde nooit sprake geweest van BSE. Van de veestapel van dit bedrijf zijn overigens al 35 dieren getest, ook op BSE. Om deze drie redenen is het verzoek om een BSE-test afgewezen. Mest van zieke koeien vormt geen bedreiging voor de volksgezondheid en is daarom geen destructiemateriaal. Dit verklaart het advies van LNV aan de heer Roozegaarde om de mest gewoon uit te rijden.

De gehanteerde norm van 20% slijterkoeien is niet willekeurig. Melkkoeien gaan vier of vijf jaar mee; jaarlijks valt gemiddeld 20% van de veestapel uit. Het is dus niet abnormaal dat tussen de 10% en 20% van de dieren op een bedrijf verouderingsverschijnselen of slijterverschijnselen vertoont. Op het bedrijf Roozegaarde waren bijna alle dieren ziek, wat op een probleem duidde. Er is meerdere malen geprobeerd met de heer Rooze-gaarde tot overeenstemming te komen, maar dat is helaas niet gelukt. Volgens de rechter is deze veehouder niet de dupe geworden van het handelen van de overheid, maar van de ziekte van zijn dieren. Uiteraard vindt de minister ook dat in het algemeen een veehouder geen nadelige gevolgen mag ondervinden van zijn melding van problemen op zijn bedrijf. Maar er moet een duidelijke scheiding zijn tussen private en publieke verantwoordelijkheid. In dit verband wijst de minister er nog eens op dat er sprake moet zijn van samenwerking tussen overheid en veehouder in het verstrekken van informatie over de slijterproblematiek. Van meer structurele aard dan het probleem van bedrijf Roozegaarde is het probleem dat er nog steeds een verstrengeling is van particuliere en publieke verantwoordelijkheid in de veehouderij, de productie voor deze sector en het toezicht daarop. Er moet een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden komen, ook met het oog op de inrichting van de Nederlandse voedselautoriteit. Er bestaat overigens wel enig verzet van organisaties tegen het creëren van transparantie en het afbakenen van verantwoordelijkheden.

Tot nu toe hebben vier onderzoeken naar de slijterproblematiek plaatsgevonden, waarin drie bevindingen zijn gedaan. Ten eerste is er geen bijzonder verband tussen de slijterproblematiek en het IBR-vaccin. Volgens de minister is het dan ook belangrijk dat de IBR-vaccinatie doorgaat. Ten tweede is er helaas geen algemene oorzaak van de slijter-problematiek te duiden. Ten derde is duidelijk gebleken dat er wel een relatie is met managementproblemen op de veehouderij. Er lopen nog twee onderzoeken, die wellicht aanleiding geven tot een vervolgonderzoek. Het eerste lopende onderzoek richt zich op de correlatie tussen slijters en een wellicht te hoge productie; waarschijnlijk zal dit onderzoek in april zijn afgerond en kan een pilotproject worden gestart. Het is een breed opgezet onderzoek en de minister zegt de heer Atsma toe de Kamer de «terms of reference» hiervan te sturen. Het tweede lopende onderzoek richt zich op de dieren van het bedrijf Roozegaarde. Waarschijnlijk wordt dit onderzoek eind december, begin januari afgerond. De eerste bevindingen duiden niet op een speciale ziekte of op immuunsuppressie. Niettemin is de minister voorstander van een vervolgonderzoek om nog meer duidelijkheid te krijgen.

Voorts is er een onderzoek geweest van de auditcommissie naar de rol van ID-Lelystad. Hierbij is vastgesteld dat er geen sprake was van belangenverstrengeling. Ook is geconcludeerd dat een deel van het door ID-Lelystad en de GD opgezette onderzoek naar de slijterproblematiek voldoet als retrospectief onderzoek; een steekproefsgewijze controle van de dossiers van dierenartsen verdient dus geen aanbeveling. Het probleem bij de uitvoering van de motie-Snijder-Hazelhoff c.s. is dat de firma Bayer niet gedwongen kan worden de moederbatch af te staan voor onafhankelijk onderzoek als gevolg van het industrieel eigendomsrecht. Er is dus geen sprake van onwil van de minister. Om Bayer te dwingen de moederbatch af te staan, zal het industrieel eigendomsrecht aangepast moeten worden. De minister pleit naar aanleiding van dit incident overigens niet voor een herziening van de industriële eigendomsverhoudingen in Nederland.

Volgens de keuringsprocedure worden runderen twee keer gekeurd: voor en na de slachting. Alle SRM-elementen worden er bij de slacht uitgehaald. De keurende arts heeft in geval van gerede twijfel voldoende ruimte om een rund af te keuren. Daarnaast bestaat er een vangnet in de vorm van de Vleeskeuringswet. Er is goede wetgeving in Nederland om te voorkomen dat zieke dieren in het consumptiecircuit komen. Het systeem van identificatie en registratie is een complex systeem. Er wordt momenteel aan verbeteringen gewerkt. Er doen zich problemen voor in het I&R-systeem. Dat is een systeem van dubbele meldingen, dus kan er licht zitten tussen de melding van afvoer en aanvoer. De minister is voor een systeem van check, recheck, double check en final check. Per 1 januari komt er een bureau voor identificatie en registratie naar aanleiding van de motie-Ter Veer c.s. (25 600 XIV, nr. 15). Dit bureau moet bij uitvoering van de regelgeving op dit terrein vermenging van publieke en private taken uitsluiten.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport benadrukt dat de slijterziekte niets te maken heeft met BSE. BSE is een progressief verlopende aandoening van het centraal zenuwstelsel, waarvan de verschijnselen zich niet voordoen bij jonge dieren. Bij de slijterziekte gaat het om chronische vermagering, kreupelheden, doorliggen, slecht genezende wonden enzovoort. Deze verschijnselen treden ook bij jong vee op. In het algemeen is er bij de laatste ziekte sprake van weerstandsvermindering. Onderzoeksresultaten tot nu toe wijzen met name op omstandigheden en voeding als oorzaken. Het is echter niet zeker dat er ooit één duidelijk oorzaak bekend wordt; in het geval van weerstandsvermindering is die soms zeer moeilijk te achterhalen.

De procedure voor de vleeskeuring is correct: bij een algehele ziekte worden de dieren afgekeurd en bij plaatselijke afwijkingen vindt onderzoek plaats, waaruit moet blijken of alleen het plaatselijke deel of het hele dier moet worden afgekeurd. De melk van zieke dieren mag niet afgeleverd worden voor menselijke consumptie. Het kan zijn dat melk van het bedrijf Roozegaarde voor de blokkade toch voor consumptie is afgeleverd, maar melk wordt systematisch op een aantal gezondheidsparameters gecontroleerd en gepasteuriseerd. Door pasteurisatie worden bacteriën en virussen gedood, maar niet de sporenvormers. Er is echter geen aanwijzing dat de slijterziekte iets met sporenvormers te maken heeft. Kortom, het risico voor de volksgezondheid is minimaal en er zijn ook geen klachten bekend bij mensen in verband met de slijterziekte. Mest valt niet onder de Destructiewet, dus er zijn geen bijzondere bepalingen inzake de vraag of mest van zieke koeien al dan niet uitgereden mag worden. Of er wel bijzondere bepalingen moeten komen, hangt af van het onderzoek naar de slijterziekte.

Er is geen gevaar dat vlees van koeien die besmet zijn met BIV, mensen kan besmetten. BIV is soortspecifiek.

Nadere gedachtewisseling

De heer Oplaat (VVD) is niet overtuigd door de antwoorden van de minister van LNV, zeker niet inzake het bedrijf Roozegaarde. Hij pleit dan ook nogmaals voor een extern onderzoek naar het functioneren van alle betrokkenen in de slijterproblematiek: de ministeries, de RVV, de GD, dierenartsen en de betrokken boeren.

De heer Atsma (CDA) heeft er begrip voor dat het retrospectieve onderzoek van ID-Lelystad tijd in beslag neemt.

De heer Poppe (SP) is er niet van overtuigd dat de slijterproblematiek zo transparant wordt aangepakt als de minister van LNV voorstaat. Er loopt een aantal onderzoeken, maar geen retrospectief onderzoek naar aard en omvang van de slijterziekte. De heer Poppe pleit voor een dergelijk onderzoek, inclusief een enquête onder veehouders.

De heer Ter Veer (D66) vindt dat de VVD zich weinig consistent heeft opgesteld op dit dossier. Een voorstel van D66 van anderhalf jaar geleden om kadavers niet langer in het veevoer te verwerken heeft tot voor kort niet op steun van de VVD kunnen rekenen. Ook vindt hij dat de heer Oplaat zich niet constructief opstelt. Deze heeft nieuwe informatie waarover hij beschikte, te lang voor zich gehouden. De beweringen van de heer Oplaat over de aangescherpte voorzorgsmaatregelen, de WOB-procedure met betrekking tot de rapporten over de tien bedrijven en de getuigenverklaring van de dierenarts van de GD zijn onvolledig en suggestief. Bovendien zou de heer Oplaat zelf met een initiatiefwetsvoorstel inzake de mest van zieke dieren kunnen komen in plaats van de ministers ervan te beschuldigen onduidelijk beleid te voeren.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij constateert verheugd dat een meerderheid van de Kamer zijn algemene beleid voor de structurele versterking van het toezicht op de veehouderij steunt. Hij zou het echter betreuren als de Kamer nu vraagt om een extern onderzoek naar de problemen op het bedrijf Roozegaarde. De Kamer kan later op basis van de «terms of reference» altijd nog besluiten of er aanvullend onderzoek nodig is. Het laatste wat de minister wil, is van deze problematiek een politieke voetbal maken. Dit dreigt te gebeuren, doordat de problemen op het bedrijf Roozegaarde de discussie bepalen. Het incident op dit bedrijf mag niet de indruk wekken dat er structurele problemen in de Nederlandse rund- en melkveehouderij bestaan.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en

Visserij,

Ter Veer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en

Sport,

Essers

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en

Visserij,

De Lange

Bijlage                                                     Vragen VVD-fractie aan bewindslieden van LNV enVWS t.b.v. AO

7 december 2000

1

Kuntuuitsluiten dat er restanten van zieke runderen in de humane

consumptie terecht zijn gekomen?

Nederland heeft een uitstekend kwaliteitscontrolesysteem van vleeskeuring en melkcontrole dat ervoor zorgt dat er geen vlees en melk van zieke dieren in consumptie komt.

Het blijft wel mensenwerk Ik kan dus nooit de absolute garantie geven dat alles goed gaat.

Wat betreft de dieren van Roozegaarde herhaal ik wat ik bij de begrotingsbehandeling van 9 november heb gezegd: ik acht het uitgesloten dat vlees van zieke dieren in het consumptiecircuit gekomen is (categorisch «ja»)

2

Er is een verklaring van een dierenarts, waarin wordt gesteld dat deze geen feitelijke maatregelen heeft kunnen vaststellen om te bewerkstelligen dat het bloed van de runderen van bedrijf Roozegaarde in Tolbert separaat is opgevangen. Is deze waarneming van deze veterinair correct geweest?

Deze waarneming klopt.

Bloed wordt bij deze slachterij alleen separaat opgevangen als het wordt bestemd voor humane consumptie («goedgekeurd»).

Loopt het bloed tijdens het slachtproces weg in de opvangcontainer (via de put), dan wordt dit materiaal als HRM verwerkt.

Dit laatste was het geval.

3

De minister van LNV geeft aan dat het bloed en het restmateriaal van een vijftal dieren dat op 28 november 1999 in Lichtevoorde is geslacht als HRM is verwerkt. Deeltude opvatting dat het beter zou zijn geweest om al het materiaal als SRM af te voeren, zolang niet duidelijk was of er in dit specifieke geval sprake was van BSE?

Er was geen enkele aanwijzing dat op bedrijf Roozegaarde sprake was van

BSE.

Dus is er geen reden om dit als SRM af te voeren

4

De minister verklaart in de brief van2november 2000:«bloed is, zoals bekend, geen BSE risicomateriaal». Is het de minister bekend dat er recent bepaalde verdovingstechnieken bij het slachten van runderen zijn verboden? Klopt het dat dit verbod is ingegeven door het feit dat bloed mogelijk risicovol is wanneer hersendeeltjes in de bloedbaan komen door bepaalde verdovingstechnieken? Zo ja, hoe verhoudt zich dit gegeven tot de bewering van de minister dat bloed geen risicomateriaal is?

U plaatst het door mij gestelde in een geheel andere context dan bedoeld bloed is tot op heden geen BSE-risicomateriaal, ook volgens EU-maatstaven niet Als er nieuwe inzichten op dit vlak zijn dan zal ik niet nalaten deze te volgen Ik herhaal dat er bij Roozegaarde geen sprake was van BSE de regels van de destructiewet zijn dan ook zonder meer toepasbaar op de dieren van Roozegaarde

5

De minister van VWS heeft aangegeven om met extra eisen te komen

voor de verwerking van slachtbloed. Bloed uit slachterijen wordt onder

meer aangewend om gelatine, kleurmiddelen en bindmiddelen te maken voor menselijke consumptie. Waarom heeft het kabinet besloten tot deze maatregel, terwijl de minister van LNV beweert dat bloed geen risicomateriaal is?

Bij VWS is een regeling vrijwel afgerond om de hygiënebij het vangen van bloed in het slachthuis nadere uitwerking te geven. Deze regeling stelt echter geen extra eisen aan de verwerking van bloed. Bloed is geen specifiek risico materiaal, vanuit BSE-oogpunt is er dan ook geen noodzaak toe.

6

De inspectie Gezondheidsbescherming heeft op 29 november 1999 vastgesteld dat uitgesloten moet worden dat vlees op enige wijze voor humane consumptie of voor het dierlijke voedselcircuit beschikbaar komt. De betreffende inspecteur benoemt (art2van de destructiewet) de producten tot hoog-risico-materiaal (HRM). Maar HRM wordt na bewerking opnieuw gebruikt als grondstof voor veevoer en komt als zodanig opnieuw in het voedselcircuit terug. Dat lijkt interne tegenstrijdigheid binnen de destructiewet. Heeft de minister deze tegenstrijdigheid ook opgemerkt? Acht de minister de destructiewet op dit punt nog voldoende adequaat gezien het belang van voedselveiligheid?

Met deze zinsnede wordt verwezen naar de Vleeskeuringswet en wordt bedoeld «afgekeurd».

Niet wordt bedoeld: dieren moeten geheel als SRM worden behandeld.

Wel bedoeld: dieren moeten, m.u.v. de BSE-risicodelen, als HRM worden verwerkt.

Ik ben het met u eens dat het verwarrend is, tegenstrijdig is het echter niet.

7

In hoeverre is het mogelijk dat zieke dieren van zogenaamde slijterkoeien, die niet van een officieel slijterbedrijf komen, in de voedselketen terecht zijn gekomen?

Runderen die worden aangeboden voor de slacht worden 2x gekeurd:

voor en na het slachten.

De regelgeving geeft de keurende dierenarts voldoende ruimte om in geval van gerede twijfel een rund af te keuren.

Via het vangnet van de Vleeskeuringswet worden zieke runderen geweerd uit de voedselketen Zoals gezegd: het blijft mensenwerk Ik kan dus nooit absoluut garanderen dat alles goed gaat.

Alles is er echter op gericht te voorkomen dat zieke dieren in het consumptiecircuit komen.

8

Hoe beoordelen de bewindslieden de mogelijke gevolgen daarvan voor de

volksgezondheid?

Uit het vorige antwoord blijkt dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de volksgezondheid.

Uit de grote hoeveelheid afgerond onderzoek komt geen enkele aanwijzing dat er een gemeenschappelijke oorzaak is voor het slijterprobleem, dus ook geen besmettelijke oorzaak Hierbij heb ik ook de tussenresultaten van het onderzoek aan de dieren van Roozegaarde betrokken. Er is zelfs een aanwijzing dat het vooral zou gaan om bedrijfsomstandigheden en voeding (zie mijn brief van 1 november 2000 (VVM 2000/3620) Ik wacht de resultaten van het onderzoek van de dieren van Roozegaarde af voordat ik besluit welk vervolgonderzoek nog moet worden ingezet

9

Welke procedure wordt doorlopen indien keurmeesters van de RVV een

(in eerste instantie) onbekende ziekte vaststellen aan de slachtlijn?

Als een keurmeester vaststelt dat een karkas bekende of onbekende afwijkingen vertoont, wordt het karkas op een aparte lijn geplaatst (in het jargon: «onthouderslijn»).

De RVV-dierenarts is belast met de overall controle op de kwaliteit en uitvoering van keuringstaken door RVV-keurmeesters. Deze dierenarts oordeelt specifiek over alle karkassen op deze lijn en besluit hoe verder te handelen

10

Wanneer wordt in het kader van het BSE-draaiboek gesproken van een

verdenking van BSE?

In de praktijk wordt een rund waarvan het klinisch beeld duidt op BSE

door de houder of de dierenarts via het centrale meldnummer voor aangifteplichtige dierziekten gemeld bij de RVV. Zodra een melding is verricht, treedt de verdenkingsfase in werking.

Deze procedure is bij alle dierenartsen bekend.

Overigens geldt dat formeel de melding moet worden gedaan aan de burgemeester. Bij de eerstvolgende herziening van het BSE-draaiboek zal deze procedure worden geactualiseerd.

Voor alle duidelijkheid: de verantwoordelijkheid voor de melding ligt bij de veehouder en de dierenarts.

11

Op 18 oktober 1999 hebben veehouder Roozegaarde, zijn veterinair en een

tweetal veterinairen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) dieren

uitgezocht om op basis van hersenverschijnselen te onderzoeken op

onder meer BSE, BIV en BVD. Is er vanuit deze verdenkingen een melding

gevolgd in het kader van een draaiboek BSE bij de burgemeester of een

RVV-functionaris?

Neen.

Nogmaals: er is nooit sprake geweest van BSE op bedrijf Roozegaarde

Ik vind het belangrijk het volgende te vermelden De aandacht voor de hersenverschijnselen bij de runderen van de heer Roozegaarde heeft een geheel andere achtergrond dan een verdenking op BSE

Op bedrijf Roozegaarde zijn de problemen volgens de heer Roozegaarde ontstaan na de IBR-enting

In 1999 bleek, zoals bekend, een deel van de IBR-vaccins van Bayer zeer licht verontreinigd met BVD BVD geeft kans op geboorten van kalveren met hersenverschijnselen

12

Indien dit niet het geval is, welke actie is achteraf ondernomen? Welke

positie bekleed de GD?

Vanzelfsprekend is er geen actie gericht op BSE uit voortgekomen.

Als u doelt op de dierenartsen in dienst van de GD: ook deze dierenartsen hebben een meldplicht ten aanzien van BSE.

13

Op 18 oktober 1999 is door zowel de veehouder, als de dierenarts en dierenartsen van de GD gesproken overeen mogelijke verdenking van BSE. Wanneer is hierop actie ondernomen door één van de ministeries? Waaruit heeft deze actie bestaan?

Uit het feit dat de dierenarts en de GD geen melding hebben gedaan van een BSE-verdenking blijkt dat het klinische beeld van de dieren hen daar geen aanleiding voor heeft gegeven.

Voor de melding van BSE-verdachte dieren bestaat een vaste procedure die bij alle practici bekend is.

14

De minister van LNV stelt in de brief van2november nadrukkelijk dat er op geen enkele wijze sprake is geweest van een verdenking van BSE-gevallen op het bedrijf Roozegaarde. Hoe verhoudt zich deze stelling-name tot het verzoek tot BSE-onderzoek dat door de betrokken veehouder en zijn veterinair meermalen is gedaan?

Ik wil u het volgende in herinnering roepen.

De hele zaak Roozegaarde is aan het rollen gekomen doordat nagenoeg alle runderen op het bedrijf ziek waren! Zoals u inmiddels ook weet is BSE

geen ziekte die alle runderen van een bedrijf treft, maar slechts een enkel dier.

Het verzoek waar u naar vraagt betrof onderzoek van 3 pinken en een kalf.

Een dergelijk verzoek moet wel serieus zijn. Nog los van de verplichting van dierenarts en veehouder een BSE-verdenking officieel te melden.

BSE is bij jonge dieren niet aantoonbaar.

Ik neem aan dat u de EU-ontwikkelingen op het vlak van BSE nauwgezet volgt. Men hanteert de grens van 30 maanden.

Onderzoek was dus niet zinvol.

15

Waarom is een verzoek van de veehouder en zijn veterinair, dat tot 3x toe

is gedaan, om enkele dieren te onderzoeken op BSE, telkenmale niet

gehonoreerd? Welke garanties kuntugeven dat er geen sprake was van

eenBSE-besmetting?

Zie antwoord op vraag 14

16

De drie dieren die voor sectie zijn aangeboden bij de GD vertoonden allemaal hersenverschijnselen, waarbij BSE (als gevolg van de leeftijd van de dieren) niet kan worden uitgesloten. Klopt het dat dit volgens het BSE-draaiboek zou betekenen (par. 4.1.) dat het draaiboek BSE verder dient te worden gevolgd. Is dit gebeurd? Zo nee, waarom niet?

Onderzoek was juist op grond van de leeftijd niet zinvol.

Er was geen sprake van een BSE-verdenking nog van een officiële melding op bedrijf Roozegaarde. Het draaiboek is dus niet in werking gezet.

17

Heeft het feit dat BSE door de GD niet kon worden uitgesloten geleid tot uitvoering van par. 4.3 van het BSE-draaiboek? En zo nee, waar liggen dan de onderscheiden verantwoordelijkheden voor het niet verder uitvoeren van het draaiboek?

Zie antwoord op vraag 16.

18

De 147 dieren die in Tolbert zijn geslacht zijn noch door de veehouder, noch door de betrokken slachterij afgemeld. Klopt het dat de RVV aan de betrokken slachterij heeft gemeld dat afmelden van de dieren in het kader van I&R niet van belang zou zijn, omdat het geheel van afvoer, slacht en

destructie op andere manieren met voldoende waarborgen omkleed zou zijn?

De verantwoordelijk voor de afmelding in het I&R-systeem ligt bij de houder van de dieren en de slachterij waarnaar de dieren worden afgevoerd.

Roozegaarde had dus zelf moeten afmelden. Hij is daar door de GD meerdere malen op gewezen! Voor zover is na te gaan is door de RVV bij de afvoer van de 147 dieren geen opdracht gegeven terzake anders te handelen.

19

Zo ja, wat vindtuervan dat de RVV op een dergelijke manier met de

I&R-regeling omgaat?

Zie antwoord op vraag 18

20

Acht de minister de huidige I&R-regeling adequaat gezien de voorgaande

vragen? Zo nee, welke verbeteringen denktuaan te brengen?

Zoals bij u bekend is en wordt nog hard gewerkt aan verbetering van het

I&R-systeem

Deze verbeteringen worden echter niet ingegeven door voorgenoemde vragen

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.