Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën - Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Deze brief is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 35000 - Miljoenennota 2019.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën; Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Document­datum 18-09-2018
Publicatie­datum 18-09-2018
Nummer KST350002
Kenmerk 35000, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

35 000

Nr. 2 NOTA OVER DE TOESTAND VAN ’S RIJKS FINANCIËN

18 september 2018

Bijlagen

Blz.

1.

Budgettaire kerngegevens en plafondtoetsen

5

2.

Uitgaven en niet-belastingontvangsten

21

3.

Inkomstenkader bijlage MN 2019

32

4.

De Belasting- en Premieontvangsten

36

5.

Toelichting op de belastingontvangsten

57

6.

Rapport van de commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten

76

7.

EMU-saldo

77

8.

EMU-schuld

83

9.

Fiscale regelingen

87

10.

Toelichting op de fiscale regelingen

104

11.

Taakopdracht IBO's

132

12.

Overzicht risicoregelingen van het Rijk

145

13.

Normeringsystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

151

14.

Horizontale toelichting

156

15.

Verticale toelichting

223

16.

Regeerakkoord middelen op de aanvullende post

368

17.

Overzicht interventies financiële sector

377

18.

Schokproef overheidsfinanciën 2019

387

19.

Europese begrotingsregels, Europese steunfondsen en EU-programmalanden

394

  • 1. 
    Budgettaire kerngegevens en plafondtoetsen

1.1 Budgettaire kerngegevens

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

(in miljarden euro, tenzij anders aangegeven)

2018

2019

2020

2021

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

284,8

303,1

309,5

318,0

Netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

275,2

293,0

304,3

313,4

Rijksbegroting

124,8

140,3

143,8

146,2

Sociale Zekerheid

78,6

81,2

84,9

87,5

Zorg

71,7

71,4

75,6

79,8

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

2,7

0,3

  • - 
    0,7
  • - 
    0,6

Gasbaten

  • 1,9
  • 1,650
  • 1,5
  • 1,2

Zorgtoeslag

4,6

5,0

5,3

5,7

Overig

0,0

  • 3,0
  • 4,6
  • 5,1

Totale netto-uitgaven

277,8

293,3

303,6

312,9

EMU-saldo centrale overheid

7,0

9,8

5,9

5,1

EMU-saldo decentrale overheden

  • - 
    1,2
  • - 
    1,5
  • - 
    1,5
  • - 
    1,5

Feitelijk EMU-saldo

5,8

8,3

4,4

3,6

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

0,8%

1,0%

0,5%

0,4%

EMU-schuld

410

404

402

401

EMU-schuld (in procenten bbp)

53,1%

49,6%

47,7%

46,1%

Bruto binnenlands product (bbp)

773

813

841

870

Op basis van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB) verwacht het kabinet in 2019 303,1 miljard euro aan inkomsten op te halen via premie- en belastingontvangsten. Deze inkomstengroei van meer dan 15 miljard euro wordt onder andere veroorzaakt door economische groei en inflatie.

Ook de uitgaven van het Rijk stijgen. De uitgavenkant van de Rijksbegroting groeit van 277,8 miljard euro naar 293,3 miljard euro in 2019. De uitgaven onder het uitgavenplafond groeien in deze kabinetsperiode harder dan de inkomsten. Daar staat echter tegenover dat de uitgaven buiten het uitgavenplafond dalen. Het feitelijk overschot van de centrale overheid stijgt in 2019 naar 9,8 miljard euro. De verwachting is dat dit kabinet in 2021 een feitelijk overschot van 5,1 miljard euro realiseert. Mede-overheden - onder andere gemeenten, provincies en waterschappen - komen in 2019 naar verwachting uit op een tekort van 1,5 miljard euro. Het totale EMU-saldo als percentage van het bbp komt volgend jaar uit op 1,0 procent van het bbp.

De overheidsschuld daalt gestaag verder, niet alleen gemeten in euro’s, maar ook als percentage van het bbp. Voor 2019 verwacht het kabinet dat de schuld verder daalt naar 49,6 procent van het bbp. In 2021 is de verwachting dat de schuld 46,1 procent van het bbp bedraagt. Door een lagere schuld bouwt de overheid buffers op om eventuele nieuwe economische tegenwind op te kunnen vangen.

1.2 Plafondtoetsen

Het kabinet stuurt in zijn begrotingsbeleid op uitgavenplafonds die voor de hele kabinetsperiode worden vastgesteld. Voor het overgrote deel van de rijksuitgaven geldt een uitgavenplafond. Het totale uitgavenplafond is onderverdeeld in drie deelplafonds: Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg. Het kabinet toetst tijdens de kabinetsperiode het verwachte uitgavenniveau aan het vooraf afgesproken uitgavenplafond. Dit is de zogenoemde plafondtoets. Het uitgavenplafond geeft de maximale ruimte weer voor uitgaven binnen de kabinetsperiode en hoeft niet maximaal benut te worden.

Tabel 1.2 Plafondtoetsing totaalplafond

(in miljarden euro, - is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

  • 1. 
    Uitgavenplafond bij Startnota

278,3

294,7

307,4

317,9

  • 2. 
    Aanpassing uitgavenplafond vanwege loon- en prijsontwikkeling
  • 0,2
  • 1,1
  • 2,5
  • 3,6
  • 2. 
    Statistische correcties

0,0

  • 0,4
  • 0,2
  • 0,2
  • 3. 
    Aanpassingen vanwege conjunctureel effect WW en bijstand

0,1

0,1

0,1

0,1

  • 4. 
    Plafondcorrectie volumebesluit gas
  • 0,1
  • 0,3
  • 0,5
  • 0,7
  • 5. 
    Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (1+2+3+4)

278,1

293,0

304,3

313,4

  • 6. 
    Actuele raming uitgaven

275,2

293,0

304,3

313,4

  • 7. 
    Over/onderschrijding (7=6-5)
  • - 
    2,9

0,0

0,0

0,0

w.v. deelplafond Rijksbegroting

  • 1,8

0,9

0,4

0,6

w.v. deelplafond Sociale Zekerheid

  • 0,4
  • 0,5

0,0

0,0

w.v. deelplafond Zorg

  • 0,8
  • 0,5
  • 0,5
  • 0,6

Het uitgavenplafond wordt bijgesteld voor loon- en prijsontwikkeling, statistische correcties en mutaties in de WW en bijstand die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes. Daarnaast zijn conform de begrotingsregels de budgettaire gevolgen van het besluit over het volume van de gaswinning binnen het uitgavenplafond ingepast. De plafondbijstellingen worden bij de onderstaande uitgavenontwikkeling per deelplafond verder toegelicht.

Uit tabel 1.2 blijkt dat de uitgaven tijdens de kabinetsperiode het totaalplafond niet overschrijden. Vanaf 2019 zijn er overschrijdingen op het deelplafond Rijksbegroting die worden gecompenseerd door onderschrijdingen op de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg.

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Rijksbegroting

Tabel 1.3 Ontwikkeling uitgaven plafond Rijksbegroting

miljoenen euro (- is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Uitgavenplafond bij Startnota

126.574

139.811

144.273

147.135

2

Plafondcorrectie volumebesluit gas

  • 100
  • 300
  • 450
  • 700

3

Aanpassing uitgavenplafond vanwege loon- en prijsontwikkeling

  • 31
  • 238
  • 788
  • 1.143

4

Statistische correcties

  • 21
  • 407
  • 186
  • 140

5

Overboekingen met Sociale zekerheid en Zorg

157

519

509

425

6

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 1 t/m 5)

126.580

139.385

143.358

145.576

7

Uitgaven bij Startnota

126.574

139.811

144.273

147.135

151.348

25.029

8

Loon- en prijsbijstelling

  • 39
  • 160
  • 492
  • 695
  • 997
  • 1.309

9

Statistische correcties

  • 21
  • 407
  • 186
  • 140

25

182

10

Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

157

519

509

425

318

275

11

Extrapolatie uitgaven

0

0

0

0

0

129.923

12

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

  • 482
  • 64
  • 221
  • 345
  • 554
  • 639

13

HGIS

72

116

  • 27
  • 81
  • 78
  • 116

14

EU-afdrachten

  • 771

303

568

356

351

368

15

Inrichting LNV

50

63

44

39

37

37

16

Uitvoeringskosten Brexit bij douane en NVWA

34

92

101

101

102

102

17

Rijksbijdrage Groningen

100

100

100

100

100

100

18

Schikking ING

  • 624

0

0

0

0

0

19

Rente

  • 171
  • 339
  • 260
  • 295
  • 608
  • 347

20

Winst DNB en dividend staatsdeelnemingen

  • 238
  • 247
  • 153
  • 51
  • 50
  • 413

21

Onderuitputting

  • 1.900

0

0

0

0

0

22

Eindejaarsmarge

882

32

913

1.000

0

0

23

In=uit-taakstelling

  • 989
  • 32
  • 913
  • 1.000

0

0

24

Invulling in=uit-taakstelling

1.098

0

0

0

0

0

25

Kasschuiven

860

467

  • 474
  • 278

268

223

26

Overig

27

63

20

  • 94
  • 123
  • 167

27

Uitgaven bij Miljoenennota 2019 (=7 t/m 26)

124.807

140.317

143.802

146.176

150.140

153.249

28

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=7-1)

0

0

0

0

29

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (=27-6)

  • - 
    1.772

932

444

600

Bij Miljoenennota 2019 is er een verwachte overschrijding van het uitgavenplafond Rijksbegroting van 932 miljoen euro in 2019.

Plafondaanpassingen

Conform de begrotingsregels worden besluiten over het volume van gaswinning onder het uitgavenplafond gedekt. De technische uitwerking hiervan is dat het door dit kabinet genomen besluit om de gaswinning in Groningen te stoppen leidt tot een neerwaartse bijstelling van het deelplafond Rijksbegroting. Hierdoor is er minder budgettaire ruimte beschikbaar onder het plafond.

De loon- en prijsontwikkeling is lager dan tijdens de Startnota werd geraamd, wat leidt tot een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond. Daarnaast leiden statistische correcties tot een verlaging van het uitgavenplafond. De grootste statistische correctie betreft het gebruik van een Design, Build, Finance and Maintain-contract (DBFM) voor de het versterken van de Afsluitdijk. Als het kabinet kiest voor een DBFM-constructie, dan past het kabinet het gereserveerde budget aan het betaalritme van het DBFM-contract aan. In plaats van een hoge investering in een korte periode is de gebruiksvergoeding dan lager over een veel langere periode. Ten slotte veroorzaken overboekingen van de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg een opwaartse bijstelling van het plafond Rijksbegroting.

Uitgavenbijstellingen

De loon- en prijsontwikkeling is lager dan tijdens de Startnota geraamd, wat leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven aan deze post. De uitgavenreeks is niet gelijk aan de plafondaanpassing voor loon- en prijsbijstelling, omdat een gedeelte van uitgaven aan loon- en prijsontwikkeling betrekking heeft op de reeksen HGIS (Internationale Samenwerking) en het Gemeentefonds en Provinciefonds.

Statistische correcties leiden tot een uitgavenmutatie die gelijk is aan de mutatie van het uitgavenplafond. Overboekingen van de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg leiden tot een opwaartse bijstelling van de uitgaven onder het plafond Rijksbegroting. Ook deze bijstelling is gelijk aan de plafondaanpassing. Onder de post Extrapolatie zijn de geraamde uitgaven voor het jaar 2023 vastgesteld.

De hoogte van de uitgaven van het Rijk werkt via de normeringsystematiek door in de indexatie van het Gemeentefonds, Provinciefonds en het plafond van het Btw-compensatiefonds. De jaarlijkse indexatie van de fondsen heet het accres. Actualisatie van het uitgavenbeeld 2018 en verder laat zien dat het accres over de hele linie is gedaald. Meer informatie over het accres is opgenomen in bijlage 13 van deze Miljoenennota.

Sinds Startnota is het HGIS-budget diverse keren bijgesteld. De grootste overheveling van HGIS naar niet-HGIS betreft het budget voor crisisbeheersingsoperaties. De middelen blijven beschikbaar maar worden buiten de HGIS uitgegeven. Daarnaast is het HGIS-budget bijgesteld naar aanleiding van de laatste macro-economische inzichten (MEV) van het Centraal Planbureau.

De omvang van de Nederlandse EU-afdrachten wordt bepaald door de omvang van de Europese begroting en is daarnaast relatief ten opzichte van de overige lidstaten. Sinds Startnota hebben zich enkele mee- en tegenvallers voorgedaan op de EU-afdrachten. Door o.a. vertraging in uitgaven aan cohesiebeleid op de EU-begroting wordt er minder afgedragen in 2018. Verder zorgt de Spring Forecast 2018 voor structureel hogere afdrachten. Deze toename is het gevolg van enerzijds een verhoging van de raming van het Nederlandse BNI, die leidt tot hogere BNI-afdrachten en anderzijds een verlaging van de raming van de invoerrechten. Tot slot heeft het CBS dit jaar de resultaten gepresenteerd van een bronnenrevisie, waardoor het Nederlandse BNI van de jaren 2010-2017 opwaarts is bijgesteld. Via de jaarlijkse nacalculatie die de Europese Commissie uitvoert zullen de effecten van deze bijstellingen voor de afdracht van de lidstaten worden verrekend. Dat zal begin 2019 zijn. Vooruitlopend daarop is op de Aanvullende Post een reservering opgenomen.

Voor de inrichting van het nieuwe Ministerie van LNV en herinrichting van het Ministerie van EZK (beide voormalig EZ) wordt een generale bijdrage gedaan. Deze bijdrage wordt ingezet voor extra personeel, materiële kosten en voor uitvoeringskosten van EU-wetgeving. Daarnaast zijn er incidentele uitgaven voor onder andere de herinrichting van het departement en ICT-problematiek.

De brexit zorgt voor extra douaneformaliteiten waarvan de NVWA en andere landbouwgerelateerde keuringsdiensten een deel moeten uitvoeren. Voor deze extra inzet van de Douane en keuringsdiensten moet op korte termijn extra personeel worden geworven en opgeleid. Dit leidt meerjarig tot hogere kosten. Daarnaast zijn op begrotingen JenV en VWS kosten ingepast naar aanleiding van de brexit.

Voor «Groningen» is een reservering van structureel 100 miljoen euro per jaar gemaakt. De reservering houdt onder meer verband met de voortgaande gesprekken met de regio over het toekomstperspectief voor Groningen, de (mogelijke risico’s bij) publiekrechtelijke afhandeling van schademeldingen en de versterkingsaanpak en diverse organisatiekosten.

In 2018 heeft het Openbaar Ministerie een schikking met ING getroffen voor 775 miljoen euro. In de JenV-begroting is al rekening gehouden met te ontvangen bedragen vanwege afpakken. Daarom is het budgettair effect een meevaller van 624 miljoen euro.

De raming van de rentelasten wijzigt als gevolg van geactualiseerde rentestanden in de MEV-raming van het CPB en doordat de verwachte financieringsbehoefte is geactualiseerd.

De wijziging in de winstraming van DNB is met name gevolg van nieuwe marktverwachtingen door het rentebeleid van de ECB. De nieuwste winstramingen van de staatsdeelnemingen leiden tot autonome aanpassingen in de dividendraming. Beide effecten leiden tot hogere ontvangsten.

De post kasschuiven bevat zowel middelen die doorgeschoven zijn vanuit 2017 naar 2018 bij de Najaarsnota en FJR als middelen die zijn doorgeschoven van 2018 naar latere jaren. Voor een belangrijk deel gaat het hierbij om middelen die ter beschikking zijn gesteld in het Regeerakkoord en die niet in 2018 tot besteding komen. Zie ook paragraaf 1.3 van deze bijlage.

Bij de Voorjaarsnota 2018 hebben departementen een deel van de in 2017 niet bestede middelen via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2018. Als tegenhanger van de eindejaarsmarge is daarbij ook een in=uittaakstelling geboekt. De gedachte hierachter is dat er aan het einde van dit jaar weer in dezelfde mate als in 2017 sprake zal zijn van onderbesteding op de begrotingen. Bij de Miljoenennota 2019 is deze in=uittaakstelling voor 2018 volledig ingevuld.

Hiernaast verwachten het Ministerie van Defensie en het Ministerie van IenW een deel van de beschikbare investeringsmiddelen uit het jaar 2018 in latere jaren te besteden. Hiervoor geldt een 100 procent eindejaarsmarge. Hierop wordt geanticipeerd door de onderuitputting en bijbehorende eindejaarsmarge bij het Ministerie van Defensie en het voordelig saldo op het Infrastructuurfonds nu reeds budgettair te verwerken. Conform reguliere systematiek staat tegenover de toegevoegde middelen via de eindejaarsmargesystematiek een in=uittaakstelling op de Aanvullende Post van gelijke omvang.

De post overig bevat het saldo van de, veelal kleinere, resterende uitgavenmutaties op de departementale begrotingen. Het gaat hierbij onder andere om de bij voorjaarsbesluitvorming meerjarig lager geraamde uitgaven aan de huurtoeslag en om de extra middelen die in 2019 en 2020 zijn uitgetrokken voor de invoering van de Omgevingswet. De toelichtingen per dossier zijn terug te vinden in de verticale toelichtingen van de betreffende begroting.

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Sociale Zekerheid

Tabel 1.4 Ontwikkeling uitgaven plafond Sociale Zekerheid

miljoenen euro (- is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Uitgavenplafond bij Startnota

78.937

82.029

85.563

88.642

2

Aanpassingen uitgavenplafond vanwege conjuncturele effect WW en bijstand

115

77

87

59

3

Aanpassingen uitgaven plafond vanwege loon- en prijsontwikkeling

  • 83
  • 231
  • 632
  • 1.082

4

Statistische correcties

  • 9
  • 18
  • 51
  • 27

5

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

6

  • 153
  • 129
  • 69

6

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (=1 t/m 5)

78.967

81.705

84.838

87.523

7

Uitgaven bij Startnota

78.937

82.029

85.563

88.642

92.057

0

8

Conjuncturele effect WW en bijstand

115

77

87

59

  • 80
  • 239

10

Loon- en prijsontwikkeling

  • 83
  • 231
  • 632
  • 1.082
  • 1.371
  • 1.632

11

Statistische correcties

  • 9
  • 18
  • 51
  • 27
  • 28
  • 28

12

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

6

  • 153
  • 129
  • 69
  • 81
  • 81

13

Extrapolatie

96.156

14

AOW

  • 95
  • 103
  • 143
  • 129
  • 118
  • 114

15

Arbeidsongeschiktheid

  • 89
  • 33

15

53

86

136

16

Ziektewet

22

  • 6
  • 32
  • 39
  • 23
  • 32

17

Participatiewet

93

50

  • 47
  • 91
  • 115
  • 142

18

Wajong

  • 76
  • 46
  • 43
  • 40
  • 40
  • 37

19

Kinderopvangtoeslag

81

144

140

121

116

114

20

Kindgebonden budget

  • 94
  • 97
  • 72
  • 92
  • 106
  • 130

21

Transitievergoeding

0

  • 208

0

0

0

0

22

Eindejaarsmarge

84

23

In=uit taakstelling

  • 84

24

Invullen in=uit taakstelling

84

25

Kasschuiven uitgavenplafond Sociale Zekerheid

  • 324
  • 204

222

253

15

39

26

Overig

47

29

  • 11
  • 60
  • 61
  • 58

27

Uitgaven bij Miljoenennota 2019 (=7 t/m 26)

78.616

81.232

84.865

87.498

90.251

93.952

28

Over/onderschrijding Uitgavenplafond bij Startnota (=7-1)

0

0

0

0

29

Over/onderschrijding Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (=27-6)

  • 351
  • 473

28

  • 25

Bij Miljoenennota 2019 is er een verwachte onderschrijding van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 473 miljoen euro in 2019.

In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken het uitgavenplafond aan te passen voor de loon- en prijsontwikkeling en voor het conjuncturele effect van de WW en bijstand. Tevens wordt het uitgavenplafond aangepast voor statistische correcties en overboekingen met uitgavenplafonds Rijksbegroting en Zorg.

De uitkeringslasten van de conjuncturele component van de WW en bijstand zijn voor 2019 naar boven bijgesteld. Dit komt grotendeels door de verwerking van de realisatiegegevens van de bijstandsuitgaven. In de latere jaren worden de uitkeringslasten van de conjuncturele component van de WW en bijstand neerwaarts bijgesteld. Dit is voornamelijk het gevolg van lagere WW-lasten in verband met lagere werkloosheidsramingen van het CPB. De uitgaven aan loon- en prijsontwikkeling zijn neerwaarts bijgesteld, voornamelijk als gevolg van een lager dan verwachte contractloonontwikkeling. Tevens wordt het uitgavenplafond gecorrigeerd voor statistische correcties. Tot slot wordt het uitgavenplafond gecorrigeerd voor enkele overboekingen met de andere uitgavenplafonds.

Naast deze bijstellingen waarvoor het uitgavenplafond wordt aangepast, zijn er nog meer ramingen bijgesteld ten opzichte van de Startnota.

De uitgaven aan sociale zekerheid zijn geëxtrapoleerd naar het jaar 2023.

Bij de AOW treedt een meevaller op van 103 miljoen euro ten opzichte van de Startnota. Dit komt doordat de raming van het aantal AOW-gerechtigden, de uitgaven aan AOW-partnertoeslag, de gemiddelde AOW-opbouw en het aandeel alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) naar beneden zijn bijgesteld.

Op de arbeidsongeschiktheid treedt in 2019 een kleine meevaller op. Dit is voornamelijk het gevolg van een lager aantal WGA (Wet Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten)-uitkeringen. Door een lagere uitstroom en doorstroom naar de IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) slaat deze meevaller in latere jaren om naar een tegenvaller. De uitgaven aan de Ziektewet worden neerwaarts bijgesteld door onder andere een lager aantal uitkeringen.

De niet-conjunctuurgevoelige uitgaven aan de Participatiewet laten een tegenvaller zien. Dit komt onder andere doordat het macrobudget Participatiewet is aangepast voor de verwerking van statushouders in de bijstandsraming zodat de verhoogde instroom van statushouders al in het uitvoeringsjaar in het macrobudget wordt verwerkt.

Bij de Wajong treedt een meevaller op ten opzichte van de Startnota. Op basis van realisatiegegevens is de omvang van het Wajong-bestand licht naar beneden bijgesteld. Daarnaast is de gemiddelde uitkering van werkende Wajongers licht gedaald na het verwerken van nieuwe loonaanvullingsgegevens van werkende Wajongers.

De kinderopvangtoeslagraming is opwaarts bijgesteld. Het gebruik van de kinderopvangtoeslag in 2017 is sterker gestegen dan eerder werd verwacht; dit werkt structureel door. Daarnaast stijgt het gebruik van kinderopvangtoeslag in 2018 sterker dan eerder geraamd. Dit komt door gunstigere verwachtingen ten aanzien van de conjuncturele ontwikkeling. Bij het kindgebonden budget (WKB) treedt een meevaller op. De gunstigere economische ontwikkeling leidt tot hogere inkomens en daarmee lagere uitgaven aan het kindgebonden budget.

Bij de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid valt 208 miljoen euro vrij in 2019. De regeling kent terugwerkende kracht tot juli 2015. Aangenomen is dat er minder gebruik wordt gemaakt van deze regeling nu deze later ingevoerd wordt en de periode waarover de terugwerkende geldt langer is geworden.

Sinds de Startnota hebben verschillende kasschuiven plaatsgevonden onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Dit betreft onder andere een kasschuif transitievergoeding als gevolg van een latere invoeringsdatum en de voorfinanciering bijstand 2017 (bestuursakkoord verhoogde instroom asiel 2015). De voorfinanciering bijstand 2017 kent een grote onderuitputting omdat gemeenten maar beperkt gebruik hebben gemaakt van deze regeling. Om deze voorfinanciering mogelijk te maken zijn eerder middelen van de bijstand middels een kasschuif naar voren gehaald. De niet aangevraagde middelen op de rijksbegroting worden conform afspraak weer in de oorspronkelijke jaren teruggezet door middel van een tegengestelde kasschuif. Ook is er een kasschuif als gevolg de uitvoering van het amendement Van Weyenberg t.a.v. scholingstrajecten richting een kansberoep en een kasschuif vanwege een juridische verplichting vanuit de vorige kabinetsperiode voor de uitbetaling van de compensatieregeling zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (ZEZ).

Er is 84 miljoen euro aan eindejaarsmarge toegevoegd aan de begroting 2018. Door eenzelfde bedrag in te boeken als in=uit taakstelling zorgt het uitkeren van de eindejaarsmarge 2017 niet voor een belasting van het uitgavenplafond. Gedurende het jaar is de in=uittaakstelling ingevuld met de opgetreden onderuitputting. De post overig bevat diverse bijstellingen op basis van uitvoeringsinformatie en uitvoeringstoetsen van UWV, SVB, Belastingdienst en gemeenten. Er zijn onder andere meevallers op de Toeslagenwet (TW), Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW) en Wet Arbeid en Zorg (WAZO). Daarnaast zijn er tegenvallers op onder andere de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) en Algemene Nabestaandenwet (Anw). Ook drukt enerzijds het dalend aantal uitkeringsgerechtigden de uitvoeringskosten bij uitvoeringsorganisaties terwijl anderzijds er sprake is van meerkosten door verschillende ICT-dossiers bij de uitvoeringsorganisaties.

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Zorg

Tabel 1.5 Ontwikkeling uitgaven plafond Zorg

(in miljoenen euro; - is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Uitgavenplafond bij Startnota 2018

72.762

72.896

77.581

82.087

2

Aanpassingen uitgavenplafond vanwege loon- en prijsontwikkeling

  • 45
  • 590
  • 1.080
  • 1.396

3

Overboekingen met Rijksbegroting

  • 163
  • 366
  • 380
  • 356

4

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 1 t/m 3)

72.555

71.940

76.121

80.335

5

Uitgaven bij Startnota 2018

72.762

72.896

77.581

82.087

87.487

0

6

Loon- en prijsontwikkeling

  • 45
  • 590
  • 1.080
  • 1.396
  • 1.929
  • 2.150

7

Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale zekerheid

  • 163
  • 366
  • 380
  • 356
  • 237
  • 194

8

Extrapolatie

0

0

0

0

0

92.672

9

Actualisering uitgaven genees- en hulpmiddelen

  • 352
  • 349
  • 349
  • 349
  • 349
  • 349

10

Actualisering huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening

  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100

11

Actualisering wijkverpleging

  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100

12

Actualisering geestelijke gezondheidszorg

  • 243
  • 300
  • 300
  • 300
  • 300
  • 300

13

Actualisering overige Zvw-uitgaven

  • 91
  • 91
  • 91
  • 91
  • 91
  • 91

14

Lagere opbrengst eigen risico

0

141

146

149

165

202

15

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen

0

182

182

182

182

182

16

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100

17

Regelgeving veiligheid geneesmiddelen

0

70

70

70

70

70

18

HLA: huisartsenzorg

50

50

50

50

50

50

19

HLA: wijkverpleging

50

50

50

50

50

50

20

HLA: geestelijke gezondheidszorg

0

50

50

50

50

50

21

Hoofdlijnenakkoorden 2022

0

0

0

0

  • 818
  • 818

22

Ramingsbijstelling Wlz

  • 100
  • 223
  • 159
  • 165
  • 159
  • 158

23

Verlaging veronderstelde onderuitputting zorg in natura

54

54

54

54

54

54

24

Middelen interbestuurlijk programma

100

0

0

0

0

0

25

Ramingsbijstelling groei Wlz

0

  • 30
  • 110
  • 160
  • 160
  • 160

26

Kostenonderzoek Wlz

0

128

128

128

128

128

27

Overig

9

66

88

63

25

16

28

Uitgaven bij Miljoenennota 2019 (=5 t/m 27)

71.731

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

29

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota 2018 (= 5-1)

0

0

0

0

30

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 28-4)

  • - 
    824
  • - 
    502
  • - 
    492
  • - 
    569

Bij Miljoenennota 2019 is er een onderschrijding van het uitgavenplafond Zorg in de jaren 2018-2021. Dit is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond en een neerwaartse bijstelling van de uitgaven.

Aanpassing plafond

Ten opzichte van de CPB-raming bij Startnota is op basis van de MEV 2019 de raming van loon- en prijsontwikkeling in de zorg, en dus het uitgavenplafond Zorg, naar beneden bijgesteld. Het uitgavenplafond Zorg wordt verder verlaagd als gevolg van overboekingen naar het uitgavenplafond Rijksbegroting. Het gaat onder andere om middelen in het kader van het interbestuurlijk programma (- 100 miljoen euro. in 2018), overheveling van loon- en prijsbijstelling tranche 2018 naar de algemene uitkering van het Gemeentefonds voor de overgehevelde budgetten van Wmo en Jeugd (circa - 155 miljoen euro in 2019-2023), en overheveling van middelen voor zorginfrastructuur voor de langdurige zorg (- 90 miljoen euro in 2019-2021).

Bijstelling uitgaven

De uitgavenstanden in 2023 zijn geëxtrapoleerd op basis van de uitgavenstanden in 2022.

De uitgaven aan genees- en hulpmiddelen zijn in 2017 circa 350 miljoen euro lager uitgevallen dan geraamd. Deze lagere uitgaven worden onder andere verklaard door de lagere koers van het Britse pond (via de Wet geneesmiddelenprijzen), de scherpe inkoop door verzekeraars en de effecten van financiële arrangementen. De lagere uitgaven worden structureel verwerkt in de begroting.

In 2017 kwam de onderschrijding van de uitgaven aan huisartsenzorg uit op circa 200 miljoen euro. Deze onderschrijding is in lijn met voorgaande jaren. Deze onderschrijding hangt samen met de overschrijding bij de multidisciplinaire zorgverlening (circa 100 miljoen euro), waar de mogelijkheden groter zijn om meer zorg te leveren. In het bestuurlijk akkoord huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening 2019-2022 is afgesproken dat de onderschrijding in 2017 van 200 miljoen euro bij huisartsenzorg en de overschrijding van 100 miljoen euro bij multidisciplinaire zorgverlening structureel worden verwerkt in de begroting.

In 2017 kwam de onderschrijding van de uitgaven aan wijkverpleging uit op circa 100 miljoen euro.

In het bestuurlijk akkoord wijkverpleging is afgesproken de onderschrijding in 2017 voor een bedrag van 100 miljoen euro structureel te verwerken in de begroting.

In 2017 kwam de onderschrijding van de uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg (ggz) voorlopig uit op circa 300 miljoen euro. Dit lag in het verlengde van de onderschrijding uit eerdere jaren. De onderschrijding hangt onder meer samen met substitutie naar de praktijkondersteuner huisarts (POH-ggz) voor psychische klachten, een verschuiving van gespecialiseerde ggz naar basis-ggz en de scherpe inkoop van zorgverzekeraars. In het bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg 2019-2022 is afgesproken dat de onderschrijding in 2017 structureel wordt verwerkt in de begroting. De actualisering is voor 2018 gecorrigeerd met 57 miljoen euro, omdat voor dit jaar (incidenteel) middelen naar de begroting zijn overgeheveld voor het informatie- gegevensuitwisselingprogramma in de ggz (50 miljoen euro) en voor kwaliteitsmiddelen (7 miljoen euro).

De post actualisering overige Zvw-uitgaven betreft het saldo van diverse kleinere mee- en tegenvallers in de Zvw waaronder lagere uitgaven bij de geriatrische revalidatiezorg (- 19 miljoen euro) en bij de overige curatieve zorg (- 21 miljoen euro).

De opbrengst uit het eigen risico valt lager uit doordat een groter deel van de zorgkosten wordt gemaakt door mensen die het eigen risico al vol maken en doordat de totale Zvw-uitgaven naar beneden zijn bijgesteld (inclusief hoofdlijnenakkoorden 2019-2022).

In het regeerakkoord is vanaf 2019 een verhoging van het verlaagde BTW-tarief van 6 procent naar 9 procent opgenomen. Dit betekent dat de uitgaven aan zowel intramurale als extramurale genees- en hulpmiddelen toenemen. Het effect wordt geraamd op 182 miljoen euro.

De uitgaven aan geneesmiddelen zijn in 2018 naar verwachting lager dan geraamd. Dit is onder andere het gevolg van prijsdruk op geneesmiddelen. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgavenraming.

Vanaf februari 2019 treedt de Europese gedelegeerde verordening betreffende veiligheidkenmerken in werking. Dit is een onderdeel van de Europese richtlijn vervalste geneesmiddelen, de zogeheten Falsified Medicines Directive (FMD). Deze richtlijn heeft als doel om te voorkomen dat vervalste geneesmiddelen in het legale circuit terechtkomen. De uitvoering/implementatie hiervan werkt kostenverhogend en leidt tot extra uitgaven van 70 miljoen euro.

Om de ambities in het hoofdlijnenakkoord (HLA) huisartsen te realiseren, is afgesproken dat 50 miljoen euro per jaar beschikbaar blijft voor de sector. Deze middelen zijn onder andere beschikbaar om de juiste zorg op de juiste plek te realiseren, het versterken van de organisatiegraad van de eerste lijn en de inzet van praktijksondersteuners of e-health.

Om de ambities in het hoofdlijnenakkoord (HLA) wijkverpleging te realiseren, is afgesproken dat 50 miljoen euro per jaar beschikbaar blijft voor de sector. Deze middelen zijn onder andere beschikbaar om de juiste zorg op de juiste plek te realiseren, e-health te stimuleren en arbeidsproblematiek aan te pakken.

Om de ambities uit het hoofdlijnenakkoord (HLA) ggz te realiseren, is afgesproken dat 50 miljoen euro per jaar beschikbaar blijft voor de sector. Deze middelen zijn onder andere beschikbaar om de juiste zorg op de juiste plek te realiseren, de wachttijden te verminderen, arbeidsmarktproblematiek aan te pakken en richtlijnontwikkeling op peil te houden en te verbeteren.

De voor de jaren 2019-2022 gesloten hoofdlijnenakkoorden leveren een extra besparing op in 2022 en verder van 818 miljoen euro ten opzichte van de taakstellende besparing uit het Regeerakkoord. Ook voor het jaar 2022 zijn afspraken gemaakt over beperking van de groei, terwijl de taakstelling in het regeerakkoord na 2021 geen verdere oploop heeft.

Uit uitvoeringsgegevens blijkt dat er ruimte is tussen het beschikbare Wlz-kader voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten en de raming in de begroting. Dit wordt structureel verwerkt in de begroting en betekent een verlaging van de uitgavenraming in 2018 met 100 miljoen euro.

Naar aanleiding van actualisatiecijfers wordt de in de VWS-begroting veronderstelde onderuitputting van de Wlz-leveringsvorm zorg in natura vanaf 2018 verlaagd van 0,6 procent naar 0,3 procent. De in de begroting geraamde uitgaven vallen hierdoor 54 miljoen euro hoger uit. Het budget dat beschikbaar is voor inkoop van zorg in natura verandert niet.

Het Rijk en de VNG hebben in het Interbestuurlijk programma (IBP) afspraken gemaakt over de financiële consequenties van het Regeerakkoord. In het kader van het IBP heeft VWS 100 miljoen euro in 2018 beschikbaar gesteld voor gemeenten.

De beschikbare groeiruimte voor de Wlz wordt meer in lijn gebracht met de gerealiseerde uitgaven van de afgelopen jaren 2015-2017. Met deze ramingbijstelling is er voldoende groei beschikbaar om de verwachte uitgavenstijging conform de afgelopen jaren te accommoderen.

Op basis van een kostenonderzoek stelt de NZa per 2019 nieuwe tarieven vast voor de gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en extramurale ouderenzorg. Voor de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg leidt dit per saldo tot hogere maximumtarieven. Om te zorgen dat zorgaanbieders de kwaliteit van zorg kunnen blijven leveren wordt het Wlz-kader verhoogd. De hogere tarieven leiden naar verwachting tot hogere zorguitgaven per 2019 van 128 miljoen euro.

Overige mutaties

De post overige mutaties betreft het saldo van diverse kleinere mutaties waaronder extra middelen voor het verminderen van overgangsproblematiek van Wmo/Zvw naar Wlz («zorgval»), extra middelen voor het toegankelijk maken van de Wlz voor ggz-cliënten die langdurige zorg nodig hebben, lagere opbrengst van eigen bijdrage Wlz, lagere uitgaven als gevolg van het uit het basispakket halen van vitaminen, mineralen en paracetamol, en hogere uitgaven als gevolg van regelgeving op het gebied van marktordening van hulpmiddelen.

1.3 Budgettair overzicht maatregelen Regeerakkoord in 2019

Onderstaande tabel geeft weer hoeveel budget er in 2019 voor de thema’s uit het regeerakkoord beschikbaar is gesteld.

Tabel 1.6 Budgettair overzicht maatregelen Regeerakkoord in 2019

RA-maatregelen in 2019

(in miljoen euro, + is saldoverslechterend)

Stand in RA

Kasschuiven

Stand RA incl. kasschuiven

A

Openbaar bestuur

1.211

0

1.211

B

Veiligheid

431

99

530

C

Defensie

1.210

5

1.215

D

Bereikbaarheid

1.000

  • 23

977

E

Milieu

425

  • 14

411

F

Landbouw

160

  • 33

127

G

Onderwijs, onderzoek en innovatie

1.805

57

1.862

H

Zorg

101

20

121

I

Sociale Zekerheid

110

0

110

J

Overdrachten bedrijven

0

0

0

InvestNL

(500)

0

  • 500

K

Internationale samenwerking

438

0

438

L

Overige uitgaven

373

  • 84

289

M

IB-pakket

2.005

0

2.005

N

Pakket bedrijfsleven

  • 2.217

0

  • 2.217

O

Milieupakket bedrijven

  • 142

0

  • 142

De kolom Stand in RA toont het budget zoals dat in het Regeerakkoord (RA) voor de RA-maatregelen in 2019 is opgenomen.

De kolom Kasschuiven geeft weer welke kasschuiven er sinds het Regeerakkoord zijn verwerkt op deze middelen. De grootste kasschuiven hebben plaatsgevonden op de thema’s Veiligheid, Onderwijs, onderzoek en innovatie, en Overige uitgaven.

De kasschuif van 99 miljoen euro voor Veiligheid betreft met name RA-middelen voor het ondermijningsbestrijdingsfonds die uit 2018 naar 2019 zijn geschoven. De kasschuif van 57 miljoen euro op Onderwijs, onderzoek en innovatie is het saldo van verschillende kasschuiven, waarvan de grootste de schuif voor de aanpak van werkdruk primair onderwijs betreft. De kasschuif van - 84 miljoen euro op Overige uitgaven is het gevolg van de schuif van RA-middelen voor Regionale knelpunten uit 2019 naar latere jaren.

Nadere toelichtingen bij deze kasschuiven zijn opgenomen in Bijlage 15 Verticale Toelichting.

De laatste kolom geeft de som van de eerste twee kolommen. De bedragen in de laatste kolom zijn uitsluitend geactualiseerd voor de kasschuiven die hebben plaatsgevonden op de uitgaven. Overige budgettaire mutaties die sinds het regeerakkoord hebben plaatsgevonden op de RA-maatregelen, zoals het uitkeren van de loon- en prijsindexatie, zijn hierin buiten beschouwing gelaten.

1.4 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota

De visuele samenvatting bij de Miljoenennota biedt een toegankelijk overzicht van de belangrijkste cijfers voor het miljoenennotajaar. Deze presentatie verschilt op een aantal punten van de begrotingssystematiek zoals die wordt gehanteerde in de rest van de Miljoenennota en haar bijlagen. Deze bijlage behandelt de samenhang tussen de cijfers uit de visuele samenvatting en de rest van de Miljoenennota en geeft deze aansluiting weer in tabel 1.7.

De visuele samenvatting gaat uit van een netto-uitgavenbegrip; dat wil zeggen, de (bruto)uitgaven verminderd met de zogenaamde niet-belastingontvangsten. Dit zijn ontvangsten die tot de uitgavenkant van de begroting worden gerekend, waaronder boete-opbrengsten, leges en teruggevorderde toeslagen. Ook de aardgasbaten behoren begrotingstechnisch tot de niet-belastingontvangsten en komen als zodanig terug op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). In de visuele samenvatting is er echter voor gekozen om, mede vanwege de omvang, de aardgasbaten op te nemen aan de inkomstenkant van de rijksoverheid. Hierdoor vallen de totale inkomsten en uitgaven in de visuele samenvatting hoger uit ten opzichte van de Miljoenennotatabellen.

Een ander verschil in presentatie tussen de visuele samenvatting en de Miljoenennota betreft de individuele begrotingsposten. De visuele samenvatting gaat uit van een thematische indeling die niet exact aansluit bij de afzonderlijke begrotingshoofdstukken. Zo wordt het Btw-compensatiefonds in de visuele samenvatting samengevoegd met het Gemeentefonds en het Provinciefonds, terwijl het begrotingstechnisch wordt verantwoord op de begroting van Financiën. Een meer complex voorbeeld is de verwerking van de middelen bestemd voor internationale samenwerking (HGIS). In de visuele samenvatting worden al deze middelen gegroepeerd onder de uitgavenpost «Buitenlandse Zaken/Internationale Samenwerking», omdat het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze middelen coördineert. In de begrotingssystematiek worden deze middelen echter toegewezen aan verschillende begrotingshoofdstukken, zoals die van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Defensie. Het overzicht van de toewijzing van deze middelen is terug te vinden in tabel 2.9.

Tabel 1.7 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen

2019

Bron

Inkomsten

304,7

Tabel 4.6.1

Uitgaven

295,0

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

81,8

Plafond S totaal begrotings- en premiegefinancierd

81,2

Tabel 2.6 bijlagen MN

Plafond R Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid

0,6

Tabel 2.5 bijlagen MN

Zorg

79,7

Plafond Z totaal begrotings- en premiegefinancierd

71,4

Tabel 2.7 bijlagen MN

Plafond R Volksgezondheid, Welzijn en Sport

3,3

Tabel 2.5 bijlagen MN

Zorgtoeslag en TSZ

5,1

Hoofdstuk 16 artikel 8.1 en 8.3

af: HGIS Volksgezondheid, Welzijn en Sport

0,0

Tabel 2.9 bijlagen MN

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

38,5

Plafond R Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

38,5

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

0,1

Tabel 2.9 bijlagen MN

Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

32,5

Plafond R Gemeentefonds en accres Gemeentefonds

26,8

Tabel 2.5 bijlagen MN

Plafond R Provinciefonds en accres Provinciefonds

2,5

Tabel 2.5 bijlagen MN

Btw-compensatiefonds

3,2

Hoofdstuk 9 artikel 6

Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking

13,2

Plafond R Buitenlandse Zaken

9,5

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Buitenlandse Zaken

1,5

Tabel 2.9 bijlagen MN

bij: totale plafondrelevante uitgaven Internationale Samenwerking (HGIS)

5,3

Tabel 2.9 bijlagen MN

Justitie en Veiligheid

11,1

Plafond R Justitie en Veiligheid

11,1

Tabel 2.5 bijlagen MN

Defensie

10,0

Plafond R Defensie

10,2

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Defensie

0,2

Tabel 2.9 bijlagen MN

Infrastructuur en Waterstaat

9,5

Plafond R Infrastructuur en Waterstaat

9,5

Tabel 2.5 bijlagen MN

Rentelasten

5,5

Rentelasten staatsschuld

5,6

Hoofdstuk 9A artikel 11

Rentelasten schatkistbankieren

  • 0,1

Hoofdstuk 9A artikel 12

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

4,9

Plafond R Binnenlandse Zaken

4,8

Tabel 2.5 bijlagen MN

Economische Zaken en Klimaat

4,0

Plafond R Economische Zaken en Klimaat

4,1

Tabel 2.5 bijlagen MN

Financiën

1,7

Plafond R Financiën

10,2

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: Btw-compensatiefonds

3,2

Hoofdstuk 9B artikel 6

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0,8

Plafond R Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0,8

Tabel 2.5 bijlagen MN

Overig

1,8

Totaal inkomsten visuele samenvatting

304,7

Gas

1,7

Totale inkomsten

295,0

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

Totale netto-uitgaven visuele samenvatting

303,1

Gas

1,7

Totale netto-uitgaven

293,3

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

EMU-saldo centrale overheid

9,8

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

  • 2. 
    Uitgaven en niet-belastingontvangsten

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende manieren waarop de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de overheid worden weergegeven. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden transacties geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd: welke bedragen worden van de bankrekeningen van het Rijk afgeschreven. Bij het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt niet uitgegaan van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis: de uitgaven worden geboekt in de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.

Tabel 2.1 Netto-uitgaven naar type en plafond

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

Plafond Rijksbegroting

106.690

124.807

140.317

143.802

146.176

150.141

153.250

Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

20.835

22.078

23.118

24.174

25.067

25.712

26.386

Tabel 2.6

Plafond Zorg

7.277

7.593

2.331

2.286

2.279

2.221

2.217

Tabel 2.7

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

14.294

9.403

15.079

18.880

23.193

25.563

29.353

Tabel 2.8

Totaal begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

149.096

163.882

180.845

189.142

196.714

203.637

211.205

Tabel 2.4

Premiegefinancierde netto-uitgaven

Plafond Sociale Zekerheid

56.307

56.537

58.114

60.691

62.432

64.539

67.566

Tabel 2.6

Plafond Zorg

60.710

64.138

69.107

73.343

77.487

81.696

86.736

Tabel 2.7

Totaal premiegefinancierde netto-uitgaven

117.017

120.675

127.220

134.034

139.919

146.234

154.302

Totaal netto-uitgaven

266.113

284.557

308.065

323.176

336.633

349.871

365.507

Plafond Rijksbegroting

106.690

124.807

140.317

143.802

146.176

150.141

153.250

Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

77.142

78.616

81.232

84.865

87.498

90.251

93.952

Tabel 2.6

Plafond Zorg

67.986

71.731

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

Tabel 2.7

Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

251.819

275.154

292.986

304.296

313.440

324.309

336.154

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

14.294

9.403

15.079

18.880

23.193

25.563

29.353

Tabel 2.8

Totaal netto-uitgaven

266.113

284.557

308.065

323.176

336.633

349.871

365.507

Tabel 2.1. bevat alle netto-uitgaven van de rijksoverheid: de optelsom van de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een uitgavenplafond. De uitgaven mogen het uitgavenplafond niet overschrijden. Het uitgavenplafond is op zijn beurt gesplitst in drie verschillende deelplafonds: het plafond Rijksbegroting, het plafond Sociale Zekerheid en het plafond Zorg. De meeste netto-uitgaven vallen onder een van de drie plafonds. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder een plafond vallen, deze worden de niet-plafondrelevante uitgaven genoemd.

In het bovenste deel van de tabel zijn de uitgaven uitgesplitst in de begrotingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden betaald uit belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinancierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven per plafond opgeteld.

Tabel 2.2 Uitgaven begrotingen

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

De Koning

42

43

43

43

43

45

45

2A

Staten-Generaal

151

149

146

146

150

147

147

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

113

128

121

122

122

123

122

3

Algemene Zaken

62

68

67

67

69

71

71

4

Koninkrijksrelaties

359

489

109

105

103

90

90

5

Buitenlandse Zaken

8.364

9.328

9.977

11.036

10.780

11.019

11.339

6

Justitie en Veiligheid

13.053

12.725

12.738

12.339

12.184

11.906

11.988

7

Binnenlandse Zaken

875

5.703

5.482

5.586

5.550

5.629

5.777

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

38.053

42.561

41.984

41.595

41.582

41.788

42.115

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

8.542

8.048

7.370

7.276

7.349

7.625

6.977

9B

Financiën

6.724

7.359

7.534

7.046

6.698

6.834

6.815

10

Defensie

8.539

9.525

10.477

10.933

11.123

10.730

10.502

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.245

8.305

9.553

9.295

9.331

9.169

9.380

13

Economische Zaken en Klimaat

5.067

5.115

4.486

5.103

4.996

5.078

5.161

14

Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid

0

0

882

856

843

828

835

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

31.817

34.599

36.136

36.342

36.592

36.824

37.645

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

14.993

14.798

16.414

18.978

21.425

22.764

24.185

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.822

3.060

3.096

3.241

3.342

3.416

3.571

18

Wonen en Rijksdienst

4.272

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

27.906

29.169

30.148

30.042

29.875

29.700

29.523

51

Provinciefonds

2.570

2.314

2.408

2.372

2.271

2.251

2.241

55

Infrastructuurfonds

5.636

6.201

7.368

7.178

7.156

6.688

6.806

58

Diergezondheidsfonds

39

54

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

41

42

38

33

33

33

33

65

Deltafonds

950

1.103

1.043

1.118

1.105

1.264

1.272

AP

Aanvullende posten

0

620

5.917

9.527

13.387

18.310

22.331

90

Consolidatie1

  • 5.260
  • 6.388
  • 7.796
  • 7.565
  • 7.582
  • 7.417
  • 7.622

HGIS

Internationale Samenwerking2

(4.620)

(5.338)

(5.308)

(5.354)

(5.436)

(5.594)

(5.835)

Totaal

182.974

195.118

205.776

212.848

218.561

224.949

231.383

Noot 1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto» boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt.

Noot 2

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.2 geeft alle uitgaven zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleids- en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begrotingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld (dit wordt verderop nog verder toegelicht). Omdat inzicht wordt gegeven in de uitgaven en verderop in bijlage 7 het saldo van de overheid, zijn de uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 2.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

De Koning

0

0

0

0

0

0

0

2A

Staten-Generaal

4

4

4

4

4

4

4

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

6

6

6

6

6

6

6

3

Algemene Zaken

6

7

7

7

7

7

7

4

Koninkrijksrelaties

59

48

38

32

30

30

30

5

Buitenlandse Zaken

3.866

1.187

460

748

761

773

789

6

Justitie en Veiligheid

1.954

2.276

1.601

1.545

1.540

1.499

1.495

7

Binnenlandse Zaken

150

841

679

696

658

640

634

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.339

1.317

1.329

1.390

1.437

1.516

1.555

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

9.057

14.837

11.097

9.013

7.414

7.138

5.650

9B

Financiën

8.720

3.167

2.389

2.410

2.217

2.256

2.623

10

Defensie

378

522

312

281

279

280

333

12

Infrastructuur en Waterstaat

243

31

19

16

16

14

14

13

Economische Zaken en Klimaat

3.682

4.062

4.180

4.560

4.430

4.169

4.121

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

0

89

76

73

67

62

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.856

1.879

1.871

1.926

1.997

2.043

2.057

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

867

126

88

83

83

83

83

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

107

82

80

79

76

76

75

18

Wonen en Rijksdienst

783

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

0

51

Provinciefonds

0

0

0

0

0

0

0

55

Infrastructuurfonds

5.164

6.122

7.368

7.178

7.156

6.688

6.806

58

Diergezondheidsfonds

46

35

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

0

0

0

0

0

0

0

65

Deltafonds

851

1.075

1.043

1.118

1.105

1.264

1.272

AP

Aanvullende posten

0

0

34

68

105

142

148

90

Consolidatie1

  • 5.260
  • 6.388
  • 7.796
  • 7.565
  • 7.582
  • 7.417
  • 7.622

HGIS

Internationale Samenwerking2

(213)

(196)

(148)

(148)

(148)

(148)

(148)

Totaal

33.878

31.236

24.931

23.706

21.846

21.313

20.178

Noot 1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto» boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt.

Noot 2

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Dit betreft alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, het terugbetalen van studieschulden of de opbrengst van boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de niet-belastingontvangsten en verderop in bijlage 7 het saldo van de overheid, worden de ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld niet meegeteld.

Tabel 2.4 Netto-uitgaven begrotingen

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

De Koning

42

43

43

43

43

45

45

2A

Staten-Generaal

147

144

141

141

146

143

143

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

107

122

115

116

116

117

117

3

Algemene Zaken

55

61

60

60

62

64

64

4

Koninkrijksrelaties

300

441

70

73

73

60

60

5

Buitenlandse Zaken

4.498

8.141

9.517

10.288

10.019

10.246

10.550

6

Justitie en Veiligheid

11.100

10.449

11.137

10.794

10.644

10.407

10.493

7

Binnenlandse Zaken

725

4.862

4.802

4.890

4.892

4.989

5.143

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

36.714

41.244

40.655

40.204

40.146

40.272

40.560

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 515
  • 6.790
  • 3.727
  • 1.737
  • 65

487

1.327

9B

Financiën

  • 1.995

4.192

5.145

4.636

4.481

4.577

4.192

10

Defensie

8.161

9.003

10.165

10.653

10.844

10.450

10.169

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.002

8.274

9.533

9.280

9.314

9.154

9.365

13

Economische Zaken en Klimaat

1.385

1.054

307

543

566

909

1.040

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

0

794

781

770

761

772

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

29.961

32.720

34.265

34.416

34.594

34.782

35.588

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

14.125

14.672

16.326

18.895

21.342

22.681

24.102

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.715

2.978

3.016

3.161

3.266

3.341

3.496

18

Wonen en Rijksdienst

3.489

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

27.906

29.169

30.148

30.042

29.875

29.700

29.523

51

Provinciefonds

2.570

2.314

2.408

2.372

2.271

2.251

2.241

55

Infrastructuurfonds

472

79

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

  • 7

19

0

0

0

0

0

64

BES-fonds

41

42

38

33

33

33

33

65

Deltafonds

99

28

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

620

5.884

9.458

13.282

18.168

22.182

HGIS

Internationale Samenwerking1

(4.407)

(5.142)

(5.161)

(5.206)

(5.288)

(5.446)

(5.687)

Totaal

149.096

163.882

180.845

189.142

196.714

203.637

211.205

Noot 1

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.4 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer, oftewel de uitgaven (tabel 2.2) minus de niet-belastingontvangsten (tabel 2.3).

De volgende tabellen (2.5 tot en met 2.7) geven per deelplafond aan welke uitgaven er onder vallen, op welk begrotingshoofdstuk deze staan, en of de uitgaven begrotings- of premiegefinancierd zijn.

Tabel 2.5 Netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

De Koning

42

43

43

43

43

45

45

2A

Staten-Generaal

147

144

141

141

146

143

143

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

107

122

115

116

116

117

117

3

Algemene Zaken

55

61

60

60

62

64

64

4

Koninkrijksrelaties

98

282

50

52

51

38

37

5

Buitenlandse Zaken

4.498

8.141

9.517

10.288

10.019

10.246

10.550

6

Justitie en Veiligheid

11.100

10.449

11.137

10.794

10.644

10.407

10.493

7

Binnenlandse Zaken

725

4.862

4.802

4.890

4.892

4.989

5.143

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

34.872

39.139

38.538

37.924

37.677

37.634

37.905

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

13

5.969

5.548

5.627

5.642

5.835

5.140

9B

Financiën

4.506

4.836

5.172

5.038

4.955

5.094

4.712

10

Defensie

8.058

8.997

10.168

10.665

10.867

10.484

10.218

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.193

8.274

9.533

9.280

9.314

9.154

9.365

13

Economische Zaken en Klimaat

4.476

4.541

4.075

4.787

4.749

4.845

4.934

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

0

794

781

770

761

772

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

492

554

609

532

482

487

484

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.411

2.803

3.253

3.092

2.955

2.810

2.747

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.733

2.993

3.030

3.174

3.276

3.350

3.505

18

Wonen en Rijksdienst

3.489

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

18.494

19.543

26.501

26.482

26.359

26.227

26.090

51

Provinciefonds

2.570

2.314

2.408

2.372

2.271

2.251

2.241

55

Infrastructuurfonds

472

79

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

0

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

0

0

303

1.435

2.373

3.496

4.721

61

Accres Provinciefonds

0

0

42

153

245

351

466

64

BES-fonds

41

42

38

33

33

33

33

65

Deltafonds

99

28

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

0

546

1.049

1.516

1.998

2.481

81

Arbeidsvoorwaarden

0

0

1.907

3.722

5.398

7.086

8.769

86

Algemeen

0

590

1.985

1.271

1.321

2.194

2.073

HGIS

Internationale Samenwerking1

(4.372)

(5.109)

(5.127)

(5.206)

(5.288)

(5.446)

(5.687)

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

106.690

124.807

140.317

143.802

146.176

150.141

153.250

Totaal netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

106.690

124.807

140.317

143.802

146.176

150.141

153.250

Noot 1

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.6 Netto-uitgaven onder plafond Sociale Zekerheid

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

18.199

19.535

20.644

21.138

21.538

21.679

21.830

50

Gemeentefonds

2.636

2.543

1.933

1.846

1.802

1.760

1.719

AP

Aanvullende posten

0

0

542

1.189

1.727

2.274

2.837

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

20.835

22.078

23.118

24.174

25.067

25.712

26.386

40

Sociale verzekeringen

56.307

56.537

58.114

60.691

62.432

64.539

67.566

Premiegefinancierde netto-uitgaven

56.307

56.537

58.114

60.691

62.432

64.539

67.566

Totaal netto-uitgaven onder plafond Sociale zekerheid

77.142

78.616

81.232

84.865

87.498

90.251

93.952

Tabel 2.7 Netto-uitgaven onder plafond Zorg

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

500

511

597

539

517

444

427

50

Gemeentefonds

6.777

7.082

1.714

1.714

1.714

1.714

1.714

AP

Aanvullende posten

0

0

20

33

48

64

77

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

7.277

7.593

2.331

2.286

2.279

2.221

2.217

41

Zorg

60.710

64.138

69.107

73.343

77.487

81.696

86.736

Premiegefinancierde netto-uitgaven

60.710

64.138

69.107

73.343

77.487

81.696

86.736

Totaal netto-uitgaven onder plafond Zorg

67.986

71.731

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

Tabel 2.8 geeft per begrotingshoofdstuk de uitgaven weer die buiten het uitgavenplafond vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het begrotingstekort (EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen, de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenplafond zijn geplaatst, zoals de rente op de staatsschuld of de uitgaven aan de zorgtoeslag.

Tabel 2.8 Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

4

Koninkrijksrelaties

202

159

20

21

21

22

23

7

Binnenlandse Zaken

0

0

0

0

0

0

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.842

2.104

2.117

2.281

2.469

2.637

2.655

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 528
  • 12.758
  • 9.275
  • 7.365
  • 5.707
  • 5.348
  • 3.814

9B

Financiën

  • 6.501
  • 644
  • 26
  • 402
  • 474
  • 517
  • 520

10

Defensie

103

6

  • 3
  • 13
  • 23
  • 35
  • 49

12

Infrastructuur en Waterstaat

  • 191

0

0

0

0

0

0

13

Economische Zaken en Klimaat

  • 3.091
  • 3.488
  • 3.768
  • 4.245
  • 4.183
  • 3.936
  • 3.895

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

11.269

12.631

13.012

12.746

12.574

12.615

13.274

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

11.215

11.358

12.477

15.264

17.870

19.428

20.929

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

  • 18
  • 16
  • 13
  • 13
  • 10
  • 10
  • 9

58

Diergezondheidsfonds

  • 7

19

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

30

538

606

655

705

758

HGIS

Internationale Samenwerking1

(35)

(34)

(34)

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven buiten het plafond

14.294

9.403

15.079

18.880

23.193

25.563

29.353

Totaal netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

14.294

9.403

15.079

18.880

23.193

25.563

29.353

Noot 1

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.9 Overzicht HGIS uitgaven per begrotingshoofdstuk

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

5

Buitenlandse Zaken

1.373

1.521

1.479

1.490

1.530

1.511

1.548

6

Justitie en Veiligheid

31

46

33

33

33

33

33

7

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2

0

0

0

0

0

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

58

60

60

60

60

60

60

9B

Financiën

7

220

376

130

199

287

337

10

Defensie

215

287

206

206

206

206

206

12

Infrastructuur en Waterstaat

19

29

26

26

26

20

18

13

Economische Zaken en Klimaat

51

57

26

26

24

24

24

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

0

30

30

30

30

30

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

0

0

0

0

0

0

0

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

8

23

21

11

5

5

5

17

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

2.822

3.062

3.004

3.145

3.243

3.314

3.466

Totaal plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

4.586

5.306

5.262

5.157

5.357

5.492

5.730

9B

Financiën

35

34

34

0

0

0

0

Totaal niet-plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

35

34

34

0

0

0

0

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aardgasbaten. Onderstaande tabel 2.10 laat zien dat de aardgasbaten niet alleen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. Dit wordt gedaan omdat het EMU-saldo - volgens Europese methodiek - wordt berekend op transactiebasis, terwijl de rijksbegroting op kasbasis wordt opgesteld.

Tabel 2.10 Aardgasbaten

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Niet-belastingontvangsten

1.927

2.374

1.900

1.650

1.450

1.150

850

Vennootschapsbelasting

200

200

700

750

550

350

250

Totaal kasbasis

2.127

2.574

2.600

2.400

2.000

1.500

1.100

Niet-belastingontvangsten

  • 273
  • 204

400

  • 100

150

100

150

Vennootschapsbelasting

50

  • 50

50

50

50

0

0

Totaal kastransverschil (ktv)

  • - 
    223
  • - 
    254

450

  • - 
    50

200

100

150

Niet-belastingontvangsten

2.200

2.578

1.500

1.750

1.300

1.050

700

Vennootschapsbelasting

150

250

650

700

500

350

250

Totaal transactiebasis

2.350

2.828

2.150

2.450

1.800

1.400

950

  • 3. 
    Inkomstenkader bijlage MN 2019

Uitleg inkomstenkader

In het Regeerakkoord en de Startnota zijn de financiële afspraken en het begrotingsbeleid van het kabinet vastgelegd. Het inkomstenkader speelt een belangrijke rol binnen het begrotingsbeleid. Om de lastendruk voor burgers en bedrijven te beheersen, wordt bij het Regeerakkoord een pad afgesproken voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, die in de Startnota voor de duur van de kabinetsperiode in het inkomstenkader wordt vastgelegd.

Gedurende de kabinetsperiode kunnen er om verschillende redenen wijzigingen optreden in het inkomstenkader.

    • 1. 
      Nieuw beleid dat van na het Regeerakkoord dateert (tariefs- dan wel grondslagwijzigingen). Bij additionele lastenverlichting is compenserende lastenverzwaring nodig, en vice versa
    • 2. 
      Zorgpremies zijn inkomstenkaderrelevant. Fluctuaties in zorgpremies hebben in de huidige systematiek geen gevolgen voor het EMU-saldo, omdat zowel de zorguitgaven als zorgpremies zijn ingekaderd en de uitgaven voor de Zvw lastendekkend zijn gefinancierd. Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat zich een meevaller voordoet in de zorguitgaven. Dit geeft ruimte binnen de uitgavenplafonds. Tegelijkertijd leiden de lagere uitgaven automatisch tot lagere zorgpremies vanwege de lastendekkende financiering van de zvw. De lagere zorguitgaven leiden op die manier op twee plekken tot meer ruimte: meer ruimte voor uitgaven en lagere premie-inkomsten. Om de inkomsten op peil te houden, is dan dus compenserende lastenverzwaring nodig. Per saldo is het effect op het EMU-saldo dan nul. Incidentele wijzigingen in de premies die onder meer het gevolg zijn van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds en het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie worden niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd. Ook worden wijzigingen in de ZVW-premiegrondslag nadat de hoogte van de zorgpremies eenmaal zijn vastgesteld niet gecompenseerd binnen het inkomstenkader.
    • 3. 
      Maatregelen uit het Regeerakkoord en nieuwe maatregelen die onderdeel uitmaken van het inkomstenkader worden, voordat ze worden omgezet in wetgeving, eenmaal opnieuw geraamd («herijkt»). Hiermee wordt geborgd dat in de wet een zo goed mogelijke raming van de maatregel staat (het CPB certificeert deze ramingen ook). Het verschil tussen de oorspronkelijke raming in de Startnota en nieuwe raming moet volgens de begrotingsregels binnen het inkomstenkader worden gecompenseerd.

Het inkomstenkader beheerst alleen de beleidsmatige ontwikkeling van de lasten. Wijzigingen in de beleidsmatige lastenontwikkeling moeten gecompenseerd worden met tegengestelde lastenmaatregelen om te borgen dat de totale beleidsmatige ontwikkeling van de lastendruk gelijk blijft aan wat bij het Regeerakkoord en Startnota was voorgenomen. In 2019 wordt een groot deel van de lastenmaatregelen uit het Regeerakkoord in wetgeving omgezet. Deze maatregelen zijn dit jaar herijkt (zie punt 3 hierboven).

Verschillen in de (geraamde) belasting- en premiekomsten die niet het gevolg zijn van hierboven genoemde oorzaken, maar veroorzaakt worden doordat de conjunctuur zich anders ontwikkelt dan verwacht ten tijde van de Startnota, lopen in het saldo. Een hogere raming van de werkgelegenheid zal bijvoorbeeld leiden tot hogere inkomsten uit de inkomstenbelasting en hoeft niet gecompenseerd te worden binnen het inkomstenkader.

Stand inkomstenkader bij Startnota

Bij Startnota is een pad afgesproken voor de beleidsmatige lastenontwikkeling voor deze kabinetsperiode, die alle beleidsmatige aanpassingen in collectieve lasten (tariefs- dan wel grondslagwijziging) bevat, als ook budgettaire veranderingen in zorgpremies (die vanwege het verplichte karakter van de zorgverzekering tot ook inkomstenkaderrelevant zijn) en de zorgtoeslag. Figuur 1 laat de jaarlijkse ontwikkeling van het inkomstenkader zien zoals afgesproken bij Startnota. De beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 wordt bepaald door het basispad, dat bestaat uit maatregelen van eerdere kabinetten, en het effect van het Regeerakkoord. Het basispad bestaat uit een beleidsmatige lastenverzwaring van € 9 mld over de kabinetsperiode. De lastenverzwaring in het basispad komt voornamelijk door maatregelen van vorige kabinetten en doordat stijgende zorgkosten leiden tot hogere de zorgpremies. De maatregelen van het Regeerakkoord leiden tot een lastenverlichting van € 6,5 mld ten opzichte van dit basispad.

Figuur 1: Beleidsmatige lastenontwikkeling bij Startnota (in €mld, mutaties)

Veranderingen in het inkomstenkader sinds Startnota

Sinds Startnota heeft nieuw beleid en een herijking van maatregelen uit het Regeerakkoord (waarvan de meeste in het Belastingplan 2019 zitten) geleid tot een veranderende beleidsmatige lastenontwikkeling t.o.v. wat was beoogd bij Startnota (zie tabel 1).

Lagere zorgpremies

De raming van de zorgpremies in de ZvW (netto van de zorgtoeslag) in de periode 2018-2021 is op basis van de cijfers in de MEV lager dan waarmee gerekend was ten tijde van de Startnota, voornamelijk als gevolg van lagere zorgkosten. De premies zijn immers kostendekkend. Dit zorgt voor een lastenverlichting van voor burgers en bedrijven van € 0,5 mld deze kabinetsperiode, welke volgens de begrotingsregels gedekt moet worden met compenserende lastenverzwaring.

Herijking en nieuwe maatregelen sinds RA

Sinds Startnota heeft het kabinet een aantal nieuwe maatregelen genomen die relevant zijn voor het inkomstenkader. Het gaat hierbij onder meer om het aanpassen van de fiscale behandeling van converteerbare obligaties (coco’s) en de jurisprudentie met betrekking tot de regeling vervroegd uittreden (RVU). Daarnaast zijn veel maatregelen uit het Regeerakkoord herijkt. Daarbij is gebruik gemaakt van de actuele economische raming (de kMEV) en realisaties van belastinginkomsten die op het moment van herijking beschikbaar waren. Als gevolg de herijking en de nieuwe maatregelen was de lastenontwikkeling deze kabinetsperiode voor de augustusbesluitvorming per saldo € 0,4 mld lager dan beoogd bij Starnota (tabel 1).

Tabel 1: inkomstenkader (in mutaties)

In miljarden euro's, + is lastenverzwaring

2018

2019

2020

2021

Cum 2018-2021

Inkomstenkader na Startnota

2,1

3,8

  • 1,0
  • 1,6

3,4

Zorgpremies (mev 2019 t.ov. Startnota)

0,0

  • 0,5
  • 0,1

0,0

  • 0,5

Herijking maatregelen RA en nieuwe maatregelen

0,0

0,6

  • 0,6
  • 0,4
  • 0,4

Totaal te dekken augustus

0,0

0,2

  • 0,7
  • 0,4
  • 0,9

Maatregelen augustus

0,0

  • 0,2

0,7

0,4

0,9

Stand inkomstenkader MN 2019

2,1

3,8

  • 1,0
  • 1,6

3,4

Augustusbesluitvorming en maatregelen om het inkomstenkader te sluiten

De lastenontwikkeling was ten tijde van augustus € 0,9 mld lager dan beoogd bij Startnota. Tijdens de zogeheten augustusbesluitvorming is hiervoor dekking gevonden met compenserende lastenverzwaring. Conform de gebruikelijke systematiek zijn de lagere zorgpremies grotendeels gedekt door het nieuwe tarief eerste schijf en de aof-premie te verhogen.

Naast de dekking van de lagere zorgpremies zijn er overige maatregelen genomen tijdens de augustusbesluitvorming die ertoe leiden dat het inkomstenkader sluit. Deze kunnen worden opgesplitst in maatregelen voor burgers en voor het bedrijfsleven.

Maatregelen augustusbesluitvorming (burgers)

Nadat voor de zorgpremies is gecompenseerd, was er bij de augustusbesluitvorming ruimte voor een kleine structurele lastenverlichting voor burgers. Om het inkomstenkader ook jaarlijks te sluiten, wordt daarnaast een deel van de intensivering in de algemene heffingskorting uit het Regeerakkoord naar voren gehaald zodat deze in 2019 valt, en wordt er geschoven in de gefaseerde overgang naar het tweeschijvenstelsel.

Maatregelen augustusbesluitvorming (bedrijven)

Tijdens de augustusbesluitvorming is een aantal nieuwe maatregelen genomen, onder meer om het mkb tegemoet te komen. Zo wordt het box-2 tarief minder verhoogd dan in het Regeerakkoord voorzien, namelijk naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021. Daarmee komt het Box-2 tarief in 2021 1,6% lager uit dan eerder was beoogd. Daarnaast wordt per 2020 een reservering getroffen van € 100 mln. structureel om de lasten op arbeid voor het MKB te verlichten. Daarnaast verlaagt het kabinet de verhuurderheffing met structureel 100 miljoen in het kader van de woningmarktambities van woningbouwcorporaties. Het kabinet heeft ook besloten bestaande publiek-private infrastructuurprojecten te vrijwaren van de gevolgen van ATAD.

Om het inkomstenkader te sluiten en de aanvullende intensiveringen te dekken zijn twee maatregelen genomen die bij bedrijven neerslaan. Het hoge vpb-tarief wordt minder verlaagd dan beoogd in het Regeerakkoord. In 2021 komt het hoge vpb tarief daarom niet uit op 21% maar op 22,25%. Het lage tarief blijft ongemoeid, en daalt zoals beoogd in het Regeerakkoord. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gekozen om door middel van de zogeheten rekening courant (RC) maatregel lenen van de eigen bv door dga’s te beperken en belastinguitstel in box-2 tegen te gaan. Met deze maatregel worden deze schulden belast in box-2 voor zover ze meer bedragen dan € 500.000.

Sluiten inkomstenkader

Uiteindelijk hebben de additionele maatregelen in augustus ertoe geleid dat de lagere lastenontwikkeling in het inkomstenkader is gedekt met compenserende lastenverzwaring. Hierdoor sluit, conform de begrotingsregels, de lastenontwikkeling weer aan bij wat beoogd was bij Startnota (tabel 1).

  • 4. 
    De Belasting- en Premieontvangsten

4.1 Inleiding

Deze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belasting- en premieontvangsten gezamenlijk gepresenteerd.

Net als in hoofdstuk 2 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. Vanzelfsprekend zijn voor het EMU-saldo de belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis1 relevant. Daarnaast worden in overeenstemming met de Comptabiliteitswet de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabel aan het einde van deze bijlage. In deze tabel wordt tevens de aansluiting van de ontvangsten op kasbasis naar EMU-basis gemaakt.

De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI). In de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een nadere toelichting opgenomen van de ramingen voor de WLZ en de ZVW. De overige fondsen worden toegelicht in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In paragraaf 4.2 wordt de raming van de totale belastingen, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen weergegeven. De ontwikkeling in 2018 en 2019 ten opzichte van het jaar ervoor wordt op hoofdlijnen besproken. Vervolgens worden in paragraaf 4.3 de ramingen van de belasting- en premieontvangsten van 2018 (de Vermoedelijke Uitkomsten) vergeleken met de stand van het vorige ramingsmoment (Voorjaarsnota 2018), waarbij de belangrijkste ramingsbijstellingen worden toegelicht. Paragraaf 4.4 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2019 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Paragraaf 4.5 gaat over de bijstellingen van het ramingsmodel («expert opinion»). Paragraaf 4.6 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2022. Tot slot geeft paragraaf 4.7 een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2018 en 2019 op EMU-basis en op kasbasis. Voor een verdere toelichting op de raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 5 van deze Miljoenennota.

4.2 Ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2018 en 2019

Vooral door de economische groei ontvangt het Rijk in 2018 in totaal 13,3 miljard euro meer belasting- en premieontvangsten dan in 2017. Dit is te zien in tabel 4.2.1. De toename komt vrijwel volledig door de positieve endogene ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten. De endogene ontwikkeling is de ontwikkeling door niet-beleidsmatige ontwikkelingen, zoals economische ontwikkeling. De waarde van het bbp stijgt in 2018 met 4,8 procent2, en dat werkt ongeveer net zo sterk door in de belastinginkomsten. Beleidsmaatregelen leiden in totaal tot 0,4 miljard euro minder belasting- en premieontvangsten. Onderliggend is sprake van 1,0 miljard euro hogere zorgpremies. Onder andere het afschaffen van het pensioen eigen beheer3en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de fiscale eenheid (- 0,4 miljard euro) zorgen voor een neerwaartse beleidsmatige mutatie.

Tabel 4.2.1 Ontwikkeling inkomsten in 2017-2019

2017

2018

2019

Belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis

211,4

220,9

234,1

waarvan belastingen op EMU-basis

170,9

176,5

190,6

waarvan premies volksverzekeringen op EMU-basis

40,5

44,5

43,5

Premies werknemersverzekeringen

60,1

63,9

69,0

Totaal

271,51

284,8

303,1

Jaar-op-jaarmutatie

13,3

18,3

waarvan endogene groei

13,7

13,3

waarvan beleidsmaatregelen

  • 0,4

5,0

Endogene mutatie (in %)

5,0%

4,7%

Waardeontwikkeling bbp (in %)

4,8%

5,2%

Noot 1

De belastingontvangsten wijken af van het Financieel Jaarverslag Rijk 2017 door een definitiewijziging bij de BTW. Hier wordt in paragraaf 4.3 nader op ingegaan.

In 2019 groeien de belasting- en premieontvangsten met 18,3 miljard euro, waarvan 5,0 miljard euro door beleid. De economische ontwikkeling leidt tot een endogene inkomstengroei van 13,3 miljard euro, 4,7 procent. Van de beleidsmatige toename van de ontvangsten is 1,7 miljard euro het gevolg van de hogere zorgpremies, door hogere zorguitgaven.4 De premies werknemersverzekeringen gaan als gevolg van beleid van vorige kabinetten met 0,5 miljard euro omhoog.5 Het effect van het beleid van dit kabinet is met 2,7 miljard euro opwaarts. Figuur 4.2.1 laat zien tegenover de opwaartse mutaties bij de btw, vpb en milieubelastingen uit het Regeerakkoord een forse neerwaartse mutatie bij de loonheffing staat. Daarnaast is sprake van een fors opwaarts effect bij de inkomensheffing en de dividendbelasting. Dat hangt samen met de maatregelen in box 2 van de inkomstenbelasting. Uit de augustusbesluitvorming voor de begroting van 2019 heeft vooral de beperking van rekeningcourantschulden voor DGA’s een fors opwaarts budgettair effect op deze belastingsoorten (1,8 miljard).6 Daarnaast wordt geanticipeerd op het stijgende tarief van box 2.

In de jaren na 2019 is de beleidsmatige mutatie van het kabinetsbeleid neerwaarts.

Figuur 4.2.1: beleidsmatige jaar-op-jaar mutatie belasting- en premieontvangsten op EMU-basis in miljarden euro’s.

4.3 De belasting- en premieontvangsten in 2018

In tabel 4.3.1 wordt de nieuwe raming voor 2018 vergeleken met de stand bij Voorjaarsnota 2018. De nieuwe raming voor 2018 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2019 van het CPB en de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten tot en met juli 2018. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2018 is de raming van de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis per saldo nauwelijks bijgesteld.

De raming in de Voorjaarsnota 2018 was voornamelijk gebaseerd op het economisch beeld dat volgde uit het CEP 2018 van het CPB. Ten opzichte van het CEP 2018 is de verwachte waardeontwikkeling van het bbp in 2018 met 0,3 procentpunt neerwaarts bijgesteld.

Tabel 4.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2018 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Voorjaarsnota 2018

Vermoedelijke uitkomsten 2018

Verschil

Indirecte belastingen

87.501

87.983

482

Invoerrechten

3.186

3.099

-87

Omzetbelasting

52.881

53.145

263

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.131

2.222

91

Accijnzen

12.012

12.118

106

Overdrachtsbelasting

2.701

2.842

141

Assurantiebelasting

2.583

2.640

57

Motorrijtuigenbelasting

4.162

4.142

-21

Belastingen op een milieugrondslag

5.204

5.133

-72

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

268

1

Belasting op zware motorrijtuigen

182

182

0

Verhuurderheffing

1.714

1.714

0

Bankbelasting

478

478

0

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

132.909

132.720

-189

Loon- en inkomensheffing

103.663

102.658

-1.005

Dividendbelasting

3.442

3.917

474

Kansspelbelasting

509

512

3

Vennootschapsbelasting

23.004

23.696

692

Erf- en schenkbelasting

2.290

1.938

-352

Overige belastingontvangsten

311

219

-92

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

220.722

220.923

201

Premies werknemersverzekeringen

64.044

63.866

-178

Waarvan zorgpremies

40.427

40.315

-112

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

284.766

284.789

23

De raming van de totale indirecte belastingen is met 0,5 miljard euro opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2018. Een minder sterke volumeontwikkeling van de invoer zorgt voor een neerwaartse bijstelling van de invoerrechten (- 0,1 miljard euro). De geraamde btw-ontvangsten zijn mede bijgesteld door de aanpassing van het btw-begrip op EMU-basis door het CBS. Deze aanpassing heeft het CBS doorgevoerd bij de revisie van de nationale rekeningen in het voorjaar van 2018. Voor de btw-ontvangsten op EMU-basis voor 2018 gaat het niet langer om de kasontvangsten van februari 2018 tot en met januari 2019, maar om de btw-ontvangsten op transactiebasis. Ontvangsten en teruggaven over voorgaande jaren worden daarmee ook aan die jaren toegerekend. Bijvoorbeeld in de kas van 2018 is bijna een kwart van de btw-ontvangsten toe te rekenen aan eerdere jaren, vooral 2017. Andersom zal pas na afloop van 2019 grotendeels duidelijk zijn hoeveel btw er op transactiebasis - en dus ook EMU-basis - toe te rekenen is aan 2018. Op basis van deze nieuwe invulling van het EMU-begrip voor de btw-ontvangsten is de raming met 0,3 miljard euro opwaarts bijgesteld. Onderliggend neemt de waarde van de consumptie van huishoudens in 2018 harder toe dan geraamd in het CEP 2018.

De raming van de bpm is met 0,1 miljard euro opwaarts bijgesteld omdat het aantal verkochte nieuwe auto’s en vooral de gemiddelde bpm die daarover wordt geheven hoger uitvallen.

De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting en de assurantiebelasting zijn beide met 0,1 miljard opwaarts bijgesteld. Deze bijstellingen volgen voornamelijk uit de kasontvangsten tot en met juli. Tot slot worden de ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag (voornamelijk de energiebelasting) lager geraamd dan eerder (- 0,1 miljard euro).

De ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen zijn voor 2018 met 0,2 miljard euro omlaag bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2018. De raming van de loon- en inkomensheffing is met 1,0 miljard euro neerwaarts aangepast. Deze bijstelling zit voor het grootste deel bij de inkomensheffing (- 0,7 miljard euro) en volgt uit een minder positieve inschatting van de winsten van ondernemers en een minder sterke afname van de omvang van de hypotheekrenteaftrek dan eerder geraamd door het CPB. De bijstelling van de raming is in lijn met de in de eerst helft van het jaar gerealiseerde kasontvangsten. Bij de loonheffing is sprake van een relatief beperkte neerwaartse bijstelling (- 0,3 miljard euro) op basis van de uitspraak van de Hoge Raad over de RVU en de ontwikkeling van de gerealiseerde kasrealisaties tot en met juli. De inzichten over de contractlonenstijging zijn ten opzichte van de Voorjaarsnota vrijwel ongewijzigd, wel wordt de werkgelegenheidsstijging hoger ingeschat door het CPB.

De raming van de vpb-ontvangsten in 2018 is met 0,7 miljard euro opwaarts bijgesteld. Dit is een som van hogere vpb-ontvangsten op gas (0,5 miljard euro) en in mindere mate hogere overige vpb-ontvangsten (0,2 miljard euro). Ten opzichte van de raming in de Voorjaarsnota blijkt vooral het aanslagniveau over het winstjaar 2017 hoger uit te komen. Dat zorgt voor meer ontvangsten in de kas van 2018.

Bij de dividendbelasting geven de realisaties over het eerste halfjaar van 2018 aanleiding tot een positieve aanpassing van de raming met 0,5 miljard euro. Uit de aangiftegegevens blijkt dat deze hogere ontvangsten zowel volgen uit dividenduitkeringen van (grote) beursgenoteerde bedrijven als uit hogere dividenden van het MKB.

Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2018 is de raming van de schenk- en erfbelasting voor 2018 met 0,4 miljard neerwaarts bijgesteld naar 1,9 miljard euro. Normaliter komen belasting- en premieontvangstenramingen tot stand op basis van het laatst gerealiseerde jaar. Voor de schenk- en erfbelasting geeft de kasontvangst van het laatst gerealiseerde jaar (2017) een vertekend beeld door de vertraagde oplevering van de nieuwe ICT-systemen voor de schenk- en erfbelasting. Doordat niet geraamd kan worden op het recent gerealiseerde jaar, is de ramingssystematiek ongebruikelijk en de raming voor deze belastingsoort daardoor met onzekerheid omgeven.

De ramingssystematiek, die nu gebruikt is, wijkt af van de gebruikelijke ramingssystematiek op basis van macro-economische ontwikkelingen. Uit managementinformatie over door de zomertaskforce verwerkte aangiftes in de maanden juli en augustus is meer inzicht gekomen in de waarde van de opgelegde aanslagen. Dit inzicht leidt tot de neerwaartse bijstelling van de raming in 2018. In de raming is aangenomen dat de waarde van de opgelegde aanslagen gedurende de zomertaskforce representatief is voor de waarde van de nog op te leggen aanslagen. Volgens de huidige inzichten zal de realisatie daarmee dit jaar lager zijn dan in de Voorjaarsnota werd geraamd.

Ten slotte komen de ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen 0,2 miljard euro lager uit. Dat komt vooral door lagere ontvangsten uit de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en overige premies werknemersverzekeringen als gevolg van een minder sterke grondslagontwikkeling.

4.4 De belasting- en premieontvangsten in 2019

In figuur 4.4.1 zijn de 2019 geraamde belasting- en premieontvangsten opgenomen.

Figuur 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2019 op EMU-basis

Tabel 4.4.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde belasting- en premieontvangsten in 2019. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten tussen 2018 en 2019 en de endogene ontwikkeling, dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die vooral samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.

Tabel 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2019 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2018

Beleids-maatregelen

Endogeen

Endogeen in %

2019

Indirecte belastingen

87.983

3.865

3.928

4,5%

95.776

Invoerrechten

3.099

0

154

5,0%

3.253

Omzetbelasting

53.145

3.256

3.236

6,1%

59.636

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.222

  • 77

56

2,5%

2.201

Accijnzen

12.118

58

94

0,8%

12.270

Overdrachtsbelasting

2.842

0

6

0,2%

2.848

Assurantiebelasting

2.640

0

96

3,7%

2.737

Motorrijtuigenbelasting

4.142

8

140

3,4%

4.290

Belastingen op een milieugrondslag

5.133

734

4

0,1%

5.870

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

268

0

6

2,2%

274

Belasting op zware motorrijtuigen

182

13

3

1,9%

198

Verhuurderheffing

1.714

  • 126

132

7,7%

1.720

Bankbelasting

478

0

0

0,0%

478

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

132.720

  • - 
    1.223

6.646

5,0%

138.143

Loon- en inkomensheffing

102.658

  • 3.769

6.294

6,1%

105.183

Dividendbelasting

3.917

1.517

123

3,1%

5.556

Kansspelbelasting

512

0

27

5,2%

538

Vennootschapsbelasting

23.696

1.045

566

2,4%

25.308

Erf- en schenkbelasting

1.938

  • 16
  • 364
  • 18,8%

1.558

Overige belastingontvangsten

219

  • 14
  • 5
  • 2,2%

201

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

220.923

2.628

10.569

4,8%

234.120

Premies werknemersverzekeringen

63.866

2.421

2.684

4,2%

68.971

waarvan zorgpremies

40.315

1.679

1.366

3,4%

43.360

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

284.789

5.049

13.253

4,7%

303.091

In 2019 bedragen de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis naar verwachting 303,1 miljard euro. Ten opzichte van de meest actuele raming van de ontvangsten voor 2018 stijgen de ontvangsten in 2019 daarmee met 18,3 miljard euro. Beleidsmaatregelen zorgen voor 5,0 miljard euro hogere ontvangsten in 2019 ten opzichte van het jaar daarvoor. Het gaat om zowel maatregelen waartoe dit kabinet en vorige kabinetten eerder hebben besloten als maatregelen die het kabinet met deze Miljoenennota voorstelt. De verwachte endogene groei van de belasting- en premieontvangsten in 2019 bedraagt 13,3 miljard euro (4,7 procent). In de volgende paragrafen wordt nader op de endogene ontwikkeling ingegaan. In bijlage 5 van deze Miljoenennota staat een uitgebreidere toelichting op de ramingsmethodiek en wordt ingegaan op de raming op transactiebasis zoals opgesteld voor de grootste belastingsoorten.

4.4.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2019

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2019. Voor 2019 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 5,2 procent. De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten bedraagt in 2019 naar verwachting 4,7 procent. Daarmee ligt de groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2019 in lijn met de waardegroei van het bbp.

De endogene groei van de inkomsten uit de indirecte belastingen in 2019 bedraagt 4,5 procent. Deze ontwikkeling wordt voor een groot deel bepaald door de btw-ontvangsten, verreweg de grootste post bij de indirecte belastingen. De btw-ontvangsten hangen vooral af van de consumptieve bestedingen, de investeringen in woningen en de overheidsinvesteringen. De waardeontwikkeling van de particuliere consumptie is in 2019 met 4,9 procent vergelijkbaar met de totale economische groei in waardetermen. Binnen de particuliere consumptie neemt het aandeel van duurzame goederen toe, wat leidt tot hogere ontvangsten omdat deze goederen belast worden tegen het algemene btw-tarief. De investeringen in woningen nemen met 8,8 procent toe, terwijl de overheidsinvesteringen toenemen met 7,1 procent. Daarmee komt de endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten naar verwachting uit op 6,1 procent in 2019.

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten uit de bpm komt uit op 2,5 procent in 2019. De bpm-ontvangsten hangen af van het aantal autoverkopen en het aandeel van kleinere en/of zuinige auto’s daarin. De verwachting is dat het gemiddelde bpm-bedrag per auto in 2019 verder oploopt, in lijn met de conjuncturele ontwikkeling. In een opgaande conjunctuur worden gemiddeld vaak grotere en daarmee onzuinigere auto’s gekocht. De ontvangsten uit de motorrijtuigenbelasting - waarvoor het gewicht van de in Nederland geregistreerde auto’s de grondslag vormt - nemen naar verwachting met 3,4 procent toe in 2019 door een groter wagenpark. De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting komen in 2019 0,2 procent hoger uit. De verkoopprijzen zullen verder stijgen, maar het aantal transacties zal afnemen. De WOZ-waarde van sociale huurwoningen vormt de grondslag van de verhuurderheffing. Voor 2019 nemen de ontvangsten uit de verhuurderheffing naar verwachting met 7,7 procent toe. Een groei van zowel het volume als de prijs van ingevoerde goederen zorgen voor een toename van de ontvangsten uit invoerrechten. De ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag nemen met 0,1 procent toe. Deze ontwikkeling wordt vooral bepaald door de energiebelasting die voor meer dan 90 procent bijdraagt aan de totale ontvangsten uit belastingen op een milieugrondslag. De grondslag van de energiebelasting is het elektriciteits- en gasverbruik. Tot slot nemen de ontvangsten uit de accijnzen in 2019 met 0,8 procent toe.

De endogene ontwikkeling van de directe belastingen en de premies volksverzekeringen - de belastingen op inkomen en vermogen - bedraagt 5,0 procent in 2019. De qua omvang belangrijkste directe belastingsoort is de loon- en inkomensheffing7. Voor de ontwikkeling van de ontvangsten uit deze belastingsoort zijn vooral de verwachte loonontwikkeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van winsten van zelfstandigen van belang. De grondslag van de loon- en inkomensheffing wordt daarnaast ook beïnvloed door de omvang van de hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies. De ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing groeien in 2019 met 6,1 procent. Dat is met name het gevolg van een toename van de werkgelegenheid met 1,4 procent en hogere lonen (contractlonen +2,7 procent, incidenteel loon +0,7 procent). Ook groeien de ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing in 2019 door een lagere hypotheekrenteaftrek en hogere winsten van IB-ondernemers (dat zijn ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting).

De vpb-ontvangsten komen in 2019 2,4 procent hoger uit dan in 2018, op basis van de door het CPB geraamde groei van de bedrijfswinsten. De toename van ontvangsten uit de dividendbelasting met 3,1 procent ligt in het verlengde daarvan. Voor de dividendbelasting geldt dat de beleidsmaatregelen het overgrote deel van de groei van de ontvangsten in 2019 veroorzaken.

De raming van de schenk- en erfbelasting voor 2019 bedraagt 1,6 miljard euro. Deze raming komt tot stand door de raming van 2018 te corrigeren voor de incidentele ontvangst als gevolg van de inhaal van de achterstand in de aangifteverwerking. Vervolgens is, conform de gebruikelijke ramingssystematiek, de ontwikkeling van de relevante economische indicator op deze gecorrigeerde raming gezet. Doordat de kasontvangst van de schenk- en erfbelasting van 2017 vertekend is, en de ramingssystematiek voor 2018 ongebruikelijk is, is de raming voor 2019 ook ongebruikelijk en zeer onzeker. Vanuit een macro-economische benadering geredeneerd is, is de uitkomst voor de raming relatief laag, gegeven dat de relevante economische variabele (de huizenprijs) een flinke groei laat zien. Gegeven de onzekerheid en op basis van de huidige inzichten is dit echter de best mogelijke inschatting.

De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen - waar ook de zorgpremies onder vallen - nemen met 4,2 procent toe in 2019. Onderliggend gaat het om een positieve ontwikkeling van de grondslag door hogere lonen en meer werkgelegenheid in combinatie met de ontwikkeling van de aan de zorguitgaven gekoppelde zorgpremies.

4.4.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten

In 2019 nemen de belasting- en premieontvangsten met 5,0 miljard euro toe als gevolg van beleidsmaatregelen. In tabel 4.4.1 wordt het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2019 per belastingsoort getoond. Dit is zowel beleid van vorige kabinetten met in 2019 nog een op- of neerwaarts effect op de inkomsten ten opzichte van 2018, als (nieuw) beleid van het huidige kabinet dat in 2019 effect heeft.

Bij de indirecte belastingen is de beleidsmatige stijging per saldo 3,9 miljard euro. 3,3 miljard euro volgt uit hogere btw-ontvangsten. Dat komt door de verhoging van het verlaagde tarief naar 9 procent (3,0 miljard euro) en de aanpassing van de btw-sportvrijstelling na een uitspraak van het Europees Hof van Justitie (0,2 miljard euro). De verlaging van de bpm-tarieven uit Autobrief II zorgt voor beleidsmatig lagere ontvangsten uit de bpm.8 Bij de belastingen op een milieugrondslag zorgen de hogere belasting op het verbranden en storten van afval en in de energiebelasting de schuif van elektriciteit naar aardgas in combinatie met een verlaging van de belastingvermindering voor 0,7 miljard euro hogere ontvangsten. Deze maatregelen maken onderdeel uit van het Regeerakkoord. Dat geldt ook voor de hogere tabaksaccijns. Bij de verhuurderheffing wordt de heffingsvermindering uitgebreid en gaat het tarief omlaag.

Als gevolg van beleidsmaatregelen nemen de ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen met 1,2 miljard euro af in 2019. Het gaat om een saldo van vele maatregelen, voor een groot deel binnen de loon- en inkomensheffing. De beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing komt uit op - 3,8 miljard euro. Bij de loonheffing gaat het om - 4,5 miljard euro. Deze mutatie wordt vooral bepaald door het regeerakkoord met beleidsmaatregelen zoals de invoering van een tweeschijvenstelsel, een hogere ouderenkorting en hogere algemene heffingskorting. Bij de inkomensheffing is sprake van een opwaarts effect van 0,7 miljard euro. Dat hangt vooral samen met de maatregelen in box 2 van de inkomstenbelasting. De beperking van rekeningcourantschulden voor DGA’s door deze vanaf een half miljoen euro als een winstuitkering te behandelen heeft een fors opwaarts budgettair effect. Daarnaast wordt met extra winstuitkeringen geanticipeerd op het stijgende tarief van box 2. Dat leidt tot extra dividenduitkeringen van BV’s aan hun aandeelhouder(s) in 2019.

Beleidsmaatregelen zorgen voor een toename van de ontvangsten bij de vennootschapsbelasting in 2019 van 1,0 miljard euro. De verlaging van de tarieven naar 19 en 24,3 procent zorgt voor lagere ontvangsten. Daar staan in 2019 meer omvangrijke verbredingen van de grondslag tegenover. Het gaat onder andere om de beperking van de renteaftrek (earningsstripping maatregel), de beperking van de afschrijving van gebouwen tot 100 procent van de waarde en het afschaffen van de aftrekbaarheid van coco’s. De eenmalige derving in de kas van 2018 door de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de fiscale eenheid zorgt dat in 2019 sprake is van een opwaarts effect op de belastingontvangsten. Bij de dividendbelasting is sprake van een opwaarts effect wat voornamelijk het gevolg is van anticipatie op de tariefsverhoging van box 2 in 2020 en de beperking van rekeningcourantschulden voor DGA’s.9

Beleid met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen leidt per saldo tot 2,4 miljard euro hogere ontvangsten in 2018. Daarvan betreft 1,7 miljard euro het effect van hogere zorgpremies die voor 2019. De opbrengst uit de overige premies werknemersverzekeringen stijgt door beleid van vorige kabinetten met 0,5 miljard.10

In tabel 4.4.2 wordt de totale beleidsmatige mutatie in 2019 van 5,0 miljard uitgesplitst naar de opeenvolgende momenten waarop tot beleidmaatregelen is besloten en wanneer deze in de begroting zijn verwerkt en/of de ramingen zijn geüpdatet. Dit noemen we ook wel de «verticale mutaties» van de beleidsmatige ontwikkeling van de ontvangsten in 2019. Ook wordt zo inzichtelijk dat ook beleid van vòòr deze kabinetsperiode in 2019 nog budgettaire effecten heeft. Budgettair omvangrijk zijn met een opwaarts effect van 1,9 miljard vooral de hogere zorgpremies. Daarnaast zijn mutaties bij de premies werknemersverzekeringen die onderdeel uitmaakten van het arbeidsmarktpakket van Rutte II noemenswaardig (0,5 miljard euro)11. Vele andere maatregelen van vorige kabinetten met een budgettaire effect van per saldo 31 miljoen euro hebben ook nog effect op de begroting van 2019.

Tabel 4.4.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2019 (op EMU-basis, in miljoenen euro's)

Beleid vorige kabinetten

2.337

waarvan zorgpremies

1.895

waarvan arbeidsmarktpakket

473

waarvan overig

  • 31

Beleid Startnota

  • - 
    25

waarvan RA (inclusief effect RA op zorgpremies)

  • 235

waarvan NvW BP2018 (update ramingen)

  • 30

waarvan overig (btw sport)

241

Beleid verwerkt in Miljoenennota 2019

2.737

waarvan spoedreparatie Fiscale eenheid

339

waarvan zorgpremies

  • 103

waarvan augustusbesluitvorming en update ramingen (BP2019)

2.557

  • Verlaging box 2 tarief tov RA (- 1,6% in 2021 + update raming)
  • 385
  • Rekeningcourantmaatregel DGA’s

1.810

  • Lasten op arbeid (IB box 1, inclusief compensatie zorgpremies)

118

  • Vpb-maatregelen (update ramingen + nieuwe maatregelen)

236

  • Overig update ramingen en augustusbesluitvorming

778

waarvan overig

  • 56

Totaal

5.049

Het in de Startnota verwerkte beleid heeft - op basis van de op dat moment ingeboekte beleidsramingen - in 2019 per saldo vrijwel geen effect op de begroting van 2019. Lastenverlichtende en lastenverzwarende maatregelen uit het Regeerakkoord vallen in 2019 ongeveer tegen elkaar weg. Per saldo zorgt het Regeerakkoord voor 0,2 miljard euro lagere ontvangsten in 2019. Onderliggend is sprake van lastenverzwaringen bij de btw (verhoging lage tarief), milieubelastingen en de vpb (vooral beperking renteaftrek als onderdeel van ATAD) en een lastenverlichting bij de lasten op arbeid.

Beleid dat voor het eerst tot uiting komt in Miljoenennota 2019 is onder meer het wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid. De eenmalige derving in de kas van 2018 door de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de fiscale eenheid zorgt dat in 2019 sprake is van een opwaarts effect op de belastingontvangsten. De zorgpremies vallen iets later uit, daar staan compenserende maatregelen tegenover.

Daarnaast zijn de ramingen van alle maatregelen uit het regeerakkoord die onderdeel uitmaken van het pakket Belastingplan herzien op basis van de meest actuele inzichten. Vervolgens is tijdens de Augustusbesluitvorming het lastenkader weer gesloten. Daarbij geldt dat onder andere de (EMU)kaseffecten van de verlaging van het box 2 tarief en de rekeningcourantmaatregel voor directeur-grootaandeelhouders (DGAs) afwijken van het in het lastenkader verwerkte bedrag. Daarmee is het effect op het EMU-saldo dat volgt uit het updaten van de ramingen niet het lastenrelevante bedrag, op basis waarvan het lastenkader is gesloten.

Tabel 4.4.3 Budgettair effect van belasting- en premiemaatregelen 2019 (in miljoenen euro's)

Belastingen en premies op EMU-basis

Lasten-

ontwikkeling

Belastingen en premies op transactiebasis

Zorgpremies

1.679

1.136

1.679

Zorgtoeslag

0

  • 329

0

Premies werknemersverzekeringen

742

742

742

Aanpassing box 2 tarief

634

0

634

Rekeningcourant maatregel DGA's

1.810

50

1.810

Lage inkomensvoordeel (LIV)

0

437

0

ETS-veilingopbrengsten

0

  • 133

0

Opslag duurzame energie

0

656

0

Derving uitspraak HR fiscale eenheid

354

0

0

BTW

3.256

3.255

3.256

Pensioen in eigen beheer maatregel

  • 159

0

3

Box 3 aanpassingen Regeerakkoord

  • 451

226

232

Vpb-overig

820

989

893

Liquiditeitsverruimende maatregelen

  • 129

0

  • 38

Lastenverlichting op arbeid (loonheffing)

  • 4.490
  • 4.665
  • 4.489

Milieubelastingen

683

670

683

Overig

300

730

519

Totaal

5.049

3.766

5.924

In tabel 4.4.3 wordt een relatie gelegd tussen het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis12, het effect daarvan op transactiebasis en het effect op de lastenontwikkeling zoals relevant voor het inkomstenkader in 201813. Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, die relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het voor de meeste belastingsoorten om de één-maands-verschoven-kasontvangsten. Bij de ontvangsten op transactiebasis wordt - in dit geval - het beleid toegerekend aan het jaar waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit het effect op de ontvangsten volgt zich voordoet. Daarop sluit het op de lastenontwikkeling gebaseerde inkomstenkader zoveel mogelijk aan. Een uitzonderingen vormen anticipatie-effecten. De aanpassing van het box 2 tarief heeft anticipatie tot gevolg op EMU- en transactiebasis, maar zijn niet relevant voor het inkomstenkader en daarmee de lastenontwikking. Ook de rekeningcourantmaatregel gaat gepaard met anticipatie-effecten en kent daarnaast intertemporele effecten die ook niet relevant zijn voor het lastenkader.

Het budgettaire effect van zorgpremies in 2019 verschilt op lastenbasis van het effect op EMU-basis. Dit wordt veroorzaakt omdat incidentele wijzigingen in de premies zoals (1) het effect op de premies van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds, (2) incidentele bijstellingen in het saldo verzekeraars en (3) het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie, niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd maar wel relevant zijn voor het EMU-saldo.

Een ander verschil ontstaat door de zorgtoeslag. Vanwege de directe koppeling met de nominale premie is de zorgtoeslag wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, terwijl dit geen belasting- en premieontvangsten betreft. Dat geldt ook voor de SDE+, de ETS-veilingopbrengsten14 en het verschuiven van het lage-inkomensvoordeel (LIV) naar de uitgavenkant van de vergroting. Verschillen tussen de effecten op EMU- en transactiebasis ontstaan hoofdzakelijk door de duur van het aanslag- en aangifteproces van sommige belastingsoorten. Daardoor ontstaat bij een deel van de belastingsoorten een achterwaartse verschuiving bij de ontvangsten op EMU-basis. De eenmalige derving in de kas van 2018 door de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de fiscale eenheid is hier een (uitzonderlijk) voorbeeld van. Deze derving in de (EMU)kas van 2018 zorgt voor een opwaartse mutatie in 2019. Omdat het echter om de transactiejaren in het verdere verleden gaat is er op transactiebasis geen effect in 2019.

4.5 Bijstellingen van het ramingsmodel

In deze Miljoenennota maakt het Ministerie van Financiën de handmatige bijstellingen bij het ramingsproces inzichtelijk. Dat is lijn met een aanbeveling van de onafhankelijke commissie Toetsing raming systematiek belasting- en premieontvangsten, waarvan het eindrapport is opgenomen als bijlage 6 van deze Miljoenennota. Onderstaande tabel toont het effect dat deze ramingsbijstellingen (deskundigenoordeel; «expert opinion») hebben op de ramingen op EMU-basis als percentage van de desbetreffende belastingontvangst. Dat is immers relevant voor het EMU-saldo. Daarbij is expert opinion gedefinieerd als de handmatige bijstellingen van de ramingen op kas- of transactiebasis. Daarnaast kan de raming ook nog beïnvloed worden door aanpassing van de kas-transparameters of in het geval van de raming op EMU-basis via de omvang van het kas/EMU-verschil.

De eerste kolom toont de raming voor 2018 zoals eerder toegelicht in miljoenen euro’s. De tweede kolom bevat de bijstelling ten opzichte van de raming volgens het ramingsmodel als percentage van de raming in de eerste kolom. Per saldo komt de inkomstenraming 0,6 procent hoger uit door expert opinion. Over het algemeen zijn de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand juli de belangrijkste verklaring voor deze bijstellingen. Daarnaast is de raming van de erf- en schenkbelasting bijgesteld op basis van de meest recente informatie over de uitvoering, zoals reeds toegelicht. De bijstelling van - 1,2 procent bij de loon- en inkomensheffing hangt samen met de in het Financieel Jaarverslag 2017 nader toegelichte 1,2 miljard euro hogere opbrengst bij de afkoop van Pensioen in Eigen Beheer dan ex ante beleidsmatig ingeboekt. Deze incidentele meevaller zou zonder neerwaartse handmatige bijstelling van het model doorwerken naar 2018. Bij de vpb spelen vooral een bijstelling van de winsten in 2018 en de winsten over 2017 met kasontvangsten in 2018 een rol. Deze bijstellingen zijn op basis van de aangifte- en kasgegevens gedaan. Ook de bijstellingen uit eerder transactiejaren hebben een opwaarts effect. De raming van de dividendbelasting is bijgesteld op basis van de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand juli. Uit aangiftegegevens blijkt dat zowel beursgenoteerde ondernemingen als het MKB fors meer dividend uitkeren. De ramingsbijstellingen van bij een aantal indirecte belastingsoorten op basis van de kasontvangsten zijn mede toe te schrijven aan de keuze om meer algemene economische variabelen te gebruiken. De ramingsvergelijking van de BPM is daar een voorbeeld van.15 Ontwikkelingen specifiek op het terrein van autoverkopen zullen daardoor per definitie via bijstellingen in de raming verwerkt moeten worden.

Bij de ramingen van de belastingsoorten die op transactiebasis worden geraamd (btw, loon- en inkomensheffing en vpb) werken ook bijstellingen in nog niet volledig afgeronde ramingsjaren gedeeltelijk door in het niveau van de raming voor 2018. Een bijstelling van de transactieraming 2015 van de vpb komt bijvoorbeeld voor een deel in de kas van 2018 terecht. Daarnaast beïnvloedt een dergelijke bijstelling het «startniveau» voor alle latere jaren. Dat is de zogenoemde doorwerking.16

Tabel 4.5.1 bijstellingen ramingsmodel 2018

Raming 2018

Bijstelling ramings-

model in % raming

Indirecte belastingen

87.983

0,2%

Invoerrechten

3.099

  • 5,9%

Omzetbelasting

53.145

0,3%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.222

9,9%

Accijnzen

12.118

  • 1,1%

Overdrachtsbelasting

2.842

7,0%

Assurantiebelasting

2.640

2,1%

Motorrijtuigenbelasting

4.142

  • 1,9%

Belastingen op een milieugrondslag

5.133

  • 1,0%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

268

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

182

0,0%

Verhuurderheffing

1.714

0,0%

Bankbelasting

478

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

132.720

0,9%

Loon- en inkomensheffing

102.658

  • 1,2%

Dividendbelasting

3.917

9,0%

Kansspelbelasting

512

0,0%

Vennootschapsbelasting

23.696

6,7%

Erf- en schenkbelasting

1.938

19,9%

Overige belastingontvangsten

219

  • 34,2%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

220.923

0,6%

Omdat voor de raming van 2019 de raming van 2018 - en niet de gerealiseerde kasontvangsten - het uitgangspunt vormt werkt de expert opinion in 2018 één-op-één door naar 2019. Dat geldt in principe voor alle belastingsoorten. Bij de ramingen op transactiebasis kan het belang van een bijstelling afnemen door een verschil tussen de kas/transparameters waarmee de aansluiting tussen de raming op transactie- en kasbasis wordt gemaakt.

Bij een deel van de belastingen loopt de bijstelling in 2019 verder op ten opzichte van 2018, in lijn met de bijstellingen in 2018 op basis van de kasontvangsten. Bij de erf- en schenkbelasting doet zich het omgekeerde voor: de ontvangsten in 2018 zijn hoger als gevolg van de (eenmalig) in te lopen achterstand uit 2017. Dat zorgt in 2019 voor een neerwaartse bijstelling door expert opinion. Bij de dividendbelasting is onder andere sprake van een noemereffect: ondanks het doorwerken van het grootste deel van de bijstellingen in 2018 naar 2019 ligt het aandeel lager door de beleidsmatig fors gestegen inkomsten uit de dividendbelasting.

Tabel 4.5.2 bijstellingen ramingsmodel 2019

Raming 2019

Bijstelling ramings-

model in % raming

Indirecte belastingen

95.776

0,1%

Invoerrechten

3.253

  • 6,8%

Omzetbelasting

59.636

0,3%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.201

12,3%

Accijnzen

12.270

  • 2,0%

Overdrachtsbelasting

2.848

7,0%

Assurantiebelasting

2.737

2,0%

Motorrijtuigenbelasting

4.290

  • 2,3%

Belastingen op een milieugrondslag

5.870

  • 0,3%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

274

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

198

0,0%

Verhuurderheffing

1.720

0,0%

Bankbelasting

478

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.143

1,2%

Loon- en inkomensheffing

105.183

0,0%

Dividendbelasting

5.556

4,9%

Kansspelbelasting

538

0,0%

Vennootschapsbelasting

25.308

5,5%

Erf- en schenkbelasting

1.558

  • 6,3%

Overige belastingontvangsten

201

  • 37,3%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

234.120

0,7%

4.6 Meerjarige ontvangstenontwikkeling en raming

De ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten voor de periode 2018-2022 is weergegeven in tabel 4.6.1. De ramingen voor 2018 en 2019 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht.

Tabel 4.6.1. Meerjarige belasting- en premieraming (in miljarden euro's)

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

284,8

303,1

309,5

318,0

329,4

waarvan belastingen op kasbasis

175,7

189,1

193,1

198,9

205,2

4.7 De belastingraming 2018-2019

Tabel 4.7.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis.

Tabel 4.7.1 Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2018 - 2019 (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2018

Ontwerpbegroting 2019

Indirecte belastingen

87.983

95.776

Invoerrechten

3.099

3.253

Omzetbelasting

53.145

59.636

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.222

2.201

Accijnzen

12.118

12.270

  • Accijns van lichte olie

4.405

4.456

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.928

4.028

  • Tabaksaccijns

2.634

2.623

  • Alcoholaccijns

333

335

  • Bieraccijns

451

457

  • Wijnaccijns

367

371

Belastingen van rechtsverkeer

5.482

5.585

  • Overdrachtsbelasting

2.842

2.848

  • Assurantiebelasting

2.640

2.737

Motorrijtuigenbelasting

4.142

4.290

Belastingen op een milieugrondslag

5.133

5.870

  • Afvalstoffenbelasting

91

192

  • Energiebelasting

4.759

5.390

  • Waterbelasting

283

288

  • Brandstoffenheffingen
  • 1

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

268

274

Belasting op zware motorrijtuigen

182

198

Verhuurderheffing

1.714

1.720

Bankbelasting

478

478

Directe belastingen

88.253

94.648

Inkomstenbelasting

  • 2.574

1.986

Loonbelasting

60.765

59.701

Dividendbelasting

3.917

5.556

Kansspelbelasting

512

538

Vennootschapsbelasting

23.696

25.308

  • Gassector

700

750

  • Niet-gassector

22.996

24.558

Erf- en schenkbelasting

1.938

1.558

Overige Belastingontvangsten

219

201

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

149

141

Totaal belastingen

176.455

190.624

Premies volksverzekeringen (EMU)

44.467

43.495

Premies werknemersverzekeringen

63.866

68.971

waarvan zorgpremies

40.315

43.360

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

284.789

303.091

Tabel 4.7.2 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2018 en 2019 op kasbasis met op de laatste regels de aansluiting naar de totaalraming op EMU-basis.

Tabel 4.7.2. Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2018 - 2019 (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2018

Ontwerpbegroting 2019

Indirecte belastingen

87.060

94.182

Invoerrechten

3.093

3.241

Omzetbelasting

52.421

58.126

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.219

2.201

Accijnzen

11.986

12.250

  • Accijns van lichte olie

4.397

4.450

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.925

4.021

  • Tabaksaccijns

2.522

2.617

  • Alcoholaccijns

332

335

  • Bieraccijns

451

456

  • Wijnaccijns

359

370

Belastingen van rechtsverkeer

5.458

5.558

  • Overdrachtsbelasting

2.838

2.829

  • Assurantiebelasting

2.620

2.729

Motorrijtuigenbelasting

4.131

4.275

Belastingen op een milieugrondslag

5.113

5.863

  • Afvalstoffenbelasting

94

192

  • Energiebelasting

4.736

5.383

  • Waterbelasting

283

288

  • Brandstoffenheffingen

0

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

273

Belasting op zware motorrijtuigen

180

196

Verhuurderheffing

1.714

1.720

Bankbelasting

478

478

Directe belastingen

88.418

94.743

Inkomstenbelasting

  • 2.574

1.986

Loonbelasting

60.934

59.799

Dividendbelasting

3.917

5.556

Kansspelbelasting

508

536

Vennootschapsbelasting

23.696

25.308

  • Gassector

700

750

  • Niet-gassector

22.996

24.558

Erf- en schenkbelasting

1.938

1.558

Overige Belastingontvangsten

213

201

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

149

141

Totaal belastingen

175.692

189.125

Premies volksverzekeringen kas

44.301

43.320

Premies werknemersverzekeringen

63.866

68.971

waarvan zorgpremies

40.315

43.360

Aansluiting naar EMU-basis

930

1.674

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

284.789

303.091

  • 5. 
    Toelichting op de belastingontvangsten

5.1 Inleiding

In deze bijlage wordt de inschatting van de toekomstige belasting- en premieontvangsten nader toegelicht. Daarbij wordt op het gebruikte model en welke plaats dit model inneemt binnen het proces om te komen tot een inschatting van de belasting- en premieontvangsten voor het lopende (2018) en komende jaar (2019) ingegaan. De resultaten zijn gepresenteerd in deze Miljoenennota (paragraaf 2.3 en bijlage 4). Daarna wordt op de conclusies en de aanbevelingen van de onafhankelijke Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten ingegaan (bijlage 6). Vervolgens wordt in deze bijlage ingegaan op de inschatting van de belastingsoorten die als eerste naar belastingjaar (transactiebasis) geraamd worden (loon- en inkomensbelasting, btw en de vennootschapsbelasting), aan de hand van deze raming worden vervolgens de kasontvangsten bepaald.

5.2 Het doel van de raming van de belasting- en premieontvangsten en de politiek-bestuurlijke context

Een raming van de belasting- en premieontvangsten is nodig voor de raming van het begrotingssaldo (EMU-saldo). Het Ministerie van Financiën maakt immers de rijksbegroting op. De belasting- en premieontvangsten zijn in tegenstelling tot de totale overheidsuitgaven sterk afhankelijk van de economische ontwikkelingen. Zo leiden ceteris paribus hogere lonen en een grotere werkgelegenheid tot hogere loonheffingsontvangsten en hogere consumptieve bestedingen van huishoudens tot hogere btw-ontvangsten.

Overigens vormt de gevoeligheid van de belasting- en premieontvangsten voor macro-economische ontwikkelingen een onderbouwing om niet op het EMU-saldo te sturen bij de opstelling van de begroting. Volgens de begrotingsregels van het kabinet («trendmatig begrotingsbeleid») mogen de overheidsinkomsten meebewegen met de economische ontwikkelingen. Dat werkt stabiliserend op de economie. Binnen dit begrotingsbeleid leidt een opwaartse bijstelling van de inkomsten en daarmee van het EMU-saldo niet tot intensivering van de overheidsuitgaven of lastenverlichting. Fiscale beleidsmaatregelen zijn daarbij wel begrensd. Met het inkomstenkader heeft het kabinet als doelstelling vast te houden aan een pad van beleidsmatige lastenverlichting of lastenverzwaring over een kabinetsperiode (zie ook bijlage 3). Dat pad spreekt het kabinet bij de start van de kabinetsperiode af in de Startnota.

Een zo trefzeker mogelijke raming kan er - abstraherend van de economische ontwikkelingen die totaal anders kunnen uitvallen en beleidsbeslissingen - voor zorgen dat het uiteindelijk gerealiseerde EMU-saldo (relatief) in de buurt ligt van de raming in de begroting. Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat het gaat om een raming gebaseerd op een macro-economisch model. De uitkomsten van het belasting- en premiemodel blijven macro-inschattingen en zijn daarmee vooral sterk afhankelijk van de raming van macro-economische variabelen, die als basis in het model gebruikt worden.

5.3 Ramingsmethodiek Ministerie van Financiën

Voor deze inschatting (raming) van de ontvangsten gebruikt het Ministerie van Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten van het meest recente volledige jaar zoals aangeleverd door de Belastingdienst en de ramingen van macro-economische variabelen van het Centraal Planbureau (CPB) voor de toekomstige jaren. Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming van de macro-economische ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant op de economische ramingen van het CPB. Daarmee is gegarandeerd dat er niet politiek gestuurd kan worden op de cijfers over de economie. Naast de geraamde economische ontwikkeling beïnvloeden beleidsmaatregelen de belasting- en premieontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.

Vervolgens speelt zogenoemde «expert opinion» een rol. De uitkomsten van het model - de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen - worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten in het lopende jaar (als daar al sprake van is), informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifieke (beleids)informatie. Ook de trefzekerheid van het model in de meest recente jaren wordt daarbij bezien. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2018 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli van 2018 bekend en meegenomen in de raming.17 Voor een gedeelte is 2018 dus gerealiseerd. De mate waarin een ramingsjaar gerealiseerd is, hangt af van het ramingsmoment. De raming voor de belasting- en premieontvangsten voor 2019 is juist een voorbeeld van een raming, waar nog geen kasgegevens voor beschikbaar zijn. De raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2018 werkt wel door op de raming van deze ontvangsten voor 2019.

Een voorbeeld waarbij uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol speelt, is de vpb-raming voor 2016. Zo bleken ondernemingen vaker dan in het verleden om een (aangepaste) voorlopige aanslag gevraagd te hebben om op een later moment geen belastingrente te hoeven betalen. Ook het actiever opleggen van aanslagen door de Belastingdienst vormde een uitvoeringsgerelateerde verklaring voor de sterke stijging van de kasontvangsten in 2016. Deze stijging in 2016 ging overigens ten koste van de ontvangsten in 2017. Dergelijke «kasschuiven» spelen ook een rol in de overwegingen rond de raming voor de belasting- en premieontvangsten.

Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de bpm. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar. Deze informatie wordt naast de modeluitkomst gehouden en indien nodig wordt de modeluitkomst dan aangepast.

5.4 Reactie conclusie en aanbevelingen rapport Commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten

De Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten heeft op het verzoek van de Minister van Financiën een onafhankelijke toetsing verricht voor de systematiek van de raming van de belasting- en premieontvangsten. Voorzitter van de commissie was Honorair hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) Mr. C.A. (Flip) de Kam.

In zijn algemeenheid is de commissie positief over hoe het Ministerie van Financiën de belasting- en premieontvangsten raamt. De commissie concludeert dat het lastig is om de huidige ramingsmethoden op korte termijn te verbeteren. Afwijkingen tussen de raming en de uiteindelijke realisatie van de belasting- en premieontvangsten zullen altijd onvermijdelijk zijn. Dat blijkt ook uit de verschillen tussen ramingen en realisaties die in sommige jaren substantieel zijn. Gemeten over de periode 2003-2017 betekent een gemiddelde absolute voorspelfout van 3,4 procent voor het jaar 2017 een verschil van 9 miljard euro - 7 miljard euro wanneer het crisisjaar 2009 buiten beschouwing blijft.

De commissie heeft aanbevelingen geformuleerd om onderdelen van het ramingsmodel en de bij de raming gevolgde procedures te verbeteren. De aanbevelingen zijn in grote lijnen herkenbaar. De komende periode zal bezien worden in hoeverre de verschillende aanbevelingen opgevolgd worden. Hieronder wordt alvast op alle aanbevelingen kort ingegaan. Onderstaand staan deze aanbevelingen beschreven. Vervolgens wordt per aanbeveling de reactie gegeven.

De eerste aanbeveling luidt als volgt: «Onderzoek samen met het Centraal Planbureau of modelvariabelen dan wel vuistregels zijn te construeren die de voorspelkracht van de ramingen vergroten. Besteed daarbij in het bijzonder aandacht aan de raming van de opbrengst van de vennootschapsbelasting.»

Mogelijkerwijs zijn er variabelen met een sterkere voorspellende waarde te gebruiken dan de nu gehanteerde variabelen. De Commissie noemt als voorbeeld de grondslag van de vennootschapsbelasting. De nu gehanteerde variabelen weerspiegelen niet op een goede manier de fiscale winst, met verliesverrekening wordt bijvoorbeeld niet afdoende rekening gehouden. Dat komt mede door verschillen tussen de huidige variabele die hoofdzakelijk gebaseerd is op de commerciële winstontwikkeling die sterk afwijkt van de fiscale winstontwikkeling.18

In samenspraak met het CPB loont het de moeite om te kijken naar betere macro-economische variabelen, die de raming kunnen verbeteren. Het kan gaan om nieuwe variabelen, maar ook om een verbeterde trefzekerheid van reeds bestaande variabelen. De vraag zal voorliggen of het CPB deze variabelen kan verstrekken of ramen. Concrete voorbeelden van macro-economische indicatoren waarbij de kwaliteit bezien kan worden zijn de vpb-grondslag en de nieuwverkochte auto’s (van belang voor de bpm). De grondslag van de vpb is niet alleen afhankelijk van de winstgevendheid van bedrijven, maar ook van andere zaken zoals hoeveel verlies uit vorige jaren bedrijven nog kunnen verrekenen. De bpm is een heffing op nieuwverkochte auto’s. Mocht inzicht verkregen worden op en een goede raming te maken voor het aantal nieuwverkochte auto’s en de CO2- uitstootontwikkeling van deze auto’s, dan ligt het voor de hand om dit te gebruiken voor de raming van de bpm. Dit zijn concrete voorbeelden en is geen uitputtende lijst. Mogelijkerwijs zijn er meer mogelijkheden om de raming op dit vlak te verbeteren. Dat zal met het CPB bezien worden.

De tweede aanbeveling luidt: «Zoek samen met het Centraal Planbureau naar samenwerking met belastingramers in omringende landen om te profiteren van elders met belastingramingen opgedane kennis en ervaring.»

Mogelijk bestaan kennis en ervaring in omringende landen op het gebied van belastingraming waarvan het Ministerie van Financiën meer gebruik zou kunnen maken. Dat zou kunnen leiden tot betere belastingramingen. In samenspraak met het CPB loont het de moeite om te bezien met welke landen overleg over de belastingraming nuttig kan zijn. Met het in het kader van de commissie gedane onderzoek door het Ministerie van Financiën naar de methodiek en institutionele inbedding van belastingramingen is het buitenland (zie ook de bijlage van het rapport) is hiervoor reeds de eerste stap gezet.

De derde aanbeveling luidt: «Onderzoek of de opbrengst van andere belastingen (dan de premies voor de werknemersverzekeringen) trefzeker(der) kan worden geraamd met een microsimulatiemodel. Dit geldt primair voor de vennootschapsbelasting, dit gezien de omvang van de ramingsfout bij de huidige ramingsmethode.»

Volgens de commissie scoort de raming van de premies van de werknemersverzekering het beste van de onderzochte heffingen. Een mogelijke verklaring is het beperkte aantal beleidswijzigingen bij deze heffingen. Daarnaast is de grondslag van de premies werknemersverzekering - net als die van de loonheffing - erg robuust en daarmee relatief goed te ramen. Een andere mogelijke verklaring van de commissie is dat deze raming gebaseerd is op het microsimulatiemodel van het CPB. Het CPB raamt de premies werknemersverzekeringen immers met een microsimulatiemodel, en stelt daarom dat dit mogelijk ook de trefzekerheid van andere ramingen zou kunnen verbeteren. Om een aantal redenen is een bredere inzet van een microsimulatiemodel de beste manier om de trefzekerheid van de ramingen te verbeteren niet overtuigend:

    • • 
      Het CPB raamt de loonheffing en de inkomensheffing ook met een microsimulatiemodel. Uit het rapport van de commissie blijkt dat de absolute gemiddelde voorspelfout voor de loonheffing van de op een macro-economische vergelijking gebaseerde raming van het Ministerie van Financiën iets lager uitkomt dan de voorspelfout van raming van de loonheffing door het CPB. Dat verschil is niet significant, waarmee de uitkomsten van beide methodologische keuzes voor de loonheffing vergelijkbaar uitpakken. Dat geldt ook voor de inkomensheffing. Daarnaast blijkt de inkomensheffing ook als deze geraamd wordt door het microsimulatiemodel van het CPB een relatief lage trefzekerheid te kennen.
    • • 
      Tevens komt uit de landenvergelijking geen voorbeeld van een land naar voren, dat een microsimulatiemodel gebruikt voor de raming van de totale vpb-ontvangsten. Wel wordt in deze landenvergelijking geconstateerd dat vooral de raming van de vpb-opbrengst problematisch is qua trefzekerheid.

Het rapport biedt geen overtuigende onderbouwing dat een microsimulatiemodel tot een betere raming zou leiden. Een dergelijk ambitieus project zou dus zeer onzekere uitkomsten hebben. In zijn algemeenheid geldt dat microsimulatie ook in het buitenland vooral wordt toegepast voor het ramen van beleidsmaatregelen. Dat doet het Ministerie van Financiën ook, en steeds meer. Vooralsnog ligt daar de prioriteit en zal vooralsnog het verbeteren van de macroramingsmodellen het uitgangspunt vormen de komende periode. Omdat de ruimte om de trefzekerheid te verbeteren bij de vpb relatief groot is zal bezien worden of het mogelijk is meer zicht op verliesverrekening te krijgen via (micro)uitvoeringsinformatie, en dat te combineren met de macro-ramingsopzet.

De vierde aanbeveling luidt: «Raam de opbrengst van de loonheffing en de premies voor de werknemersverzekeringen in de toekomst met dezelfde methode». De commissie komt tot deze aanbeveling omdat de grondslagen van de loonheffing en de werknemersverzekering zeer vergelijkbaar zijn.»

Nader onderzoek naar een mogelijke ramingssystematiek kan hier lonen. De loonheffing raamt Financiën nu zelf met een macrovergelijking met gebruik van macrovariabelen zoals de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de lonen, terwijl de premies werknemersverzekeringen van het CPB worden overgenomen. Het CPB raamt de premies werknemersverzekeringen met een microsimulatiemodel. Mogelijk kan een schatting van een macrovergelijking van de premies werknemersverzekering de raming van de premies werknemersverzekering in lijn brengen met de raming van de loonheffing, omdat de grondslag van premies werknemersverzekering en de loonheffing grote overeenkomst vertonen.

De vijfde aanbeveling luidt: «Ga om de vier jaar systematisch na of de vergelijkingen van het ramingsmodel op onderdelen bijstelling behoeven.» De commissie beveelt aan op regelmatige basis de modelvergelijkingen te herschatten. De commissie oppert om eens in de vier jaar de vergelijkingen te herschatten.

Periodiek herschatten voorkomt dat de periode tussen twee momenten waarop herschat wordt te groot wordt en dat is een zinvol uitgangspunt. Het ligt voor de hand om in het najaar van 2018 te starten met het empirische herschatten van de ramingsvergelijkingen van het model. De vorige keer dat dat gebeurde was namelijk in 2015 en dat is in het komende najaar bijna vier jaar geleden.

De zesde aanbeveling luidt: «Onderzoek samen met de Belastingdienst op een resultaatgerichte manier of het mogelijk is meer gedetailleerde aangifte- en aanslaggegevens beschikbaar te stellen, waarbij een aanslag of aangifte gevolgd kan worden totdat deze leidt tot kasontvangsten. Zorg dat essentiële informatie over belangrijke keuzen in de handhaving en over verstoringen in de uitvoering tijdig ten dienste staat van de belastingramers.»

De beschikbaarheid van uitvoeringsinformatie kan de belastingraming wellicht verbeteren. Zo kan de aansluiting tussen de kasontvangsten en aanslag- of aangiftegegevens de raming verbeteren. Ook meer zicht op verliesverrekening en fiscale aftrekposten binnen bijvoorbeeld de vpb of inkomensheffing, kan de raming verbeteren. Het kan lonen om te bezien of deze informatie, verstrekt op een tijdige wijze, kan helpen bij verbetering van de raming. Tegelijkertijd geldt dat het genuanceerd ligt. Het moet gaan om bruikbare informatie. Ook zijn de informatiestromen binnen de Belastingdienst omvangrijk, niet alles is relevant voor de raming. De aansluiting tussen uitvoeringspraktijk en ramen is niet (altijd) evident.

De zevende aanbeveling luidt: «Vergroot de transparantie van opbrengstramingen door aanpassingen op het oordeel van deskundigen in een bijlage bij de raming te verantwoorden.» De commissie vraagt om het deskundigenoordeel voor de belasting- en premieraming te publiceren om de uitlegbaarheid van de raming te vergroten.

In bijlage 4 van de Miljoenennota wordt het deskundigenoordeel bij de raming van de verschillende belastingsoorten gepubliceerd en op hoofdlijnen toegelicht.

De achtste aanbeveling luidt: «Leg - waar mogelijk - systematisch vast in hoeverre geraamde en gerealiseerde budgettaire effecten van beleidsmaatregelen van elkaar verschillen en wat daarvan de oorzaken zijn.»

In de praktijk zal het zeer moeilijk zijn om deze aanbeveling vorm te geven voor alle maatregelen. De commissie geeft dan ook terecht de begrenzing aan «waar mogelijk». Vaak ontbreekt de benodigde informatie. Hoe de wereld zonder de beleidsmaatregel eruit had gezien, is achteraf niet vast te stellen. Voor een beperkt aantal gevallen is dit met enige mate van nauwkeurigheid wel mogelijk. De invoering van de afkoop van de Pensioen in Eigen Beheer van afgelopen jaar is een voorbeeld. Het streven zal zijn om in zoveel mogelijk gevallen aan de hand van meer uitvoeringsinformatie de ramingen aan realisaties te toetsen. Overigens werken eventuele incorrect geraamde beleidsmaatregelen niet meerjarig door in de belasting- en premieontvangstenraming. De belasting- en premieontvangstenraming neemt als startpunt de gerealiseerde ontvangsten van het voorafgaande jaar.

5.5 Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten

In het ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten wordt rekening gehouden met beleidsmatige en economische ontwikkelingen. Zo beïnvloeden beleidsmatige keuzes de hoogte van de belastingtarieven en de belastinggrondslagen. Economische ontwikkelingen beïnvloeden tegelijkertijd de belastinggrondslagen. Zo zal een aantrekkende huizenmarkt met gemiddeld stijgende huizenprijzen en een stijgend aantal woningtransacties leiden tot een hogere opbrengst van de overdrachtsbelasting. Het ramingsmodel bestaat ten slotte uit meerdere vergelijkingen. Elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort. Deze ramingsvergelijkingen zijn geschat.

Bovenstaand kan samengevat worden in onderstaande vergelijking:

Tt = Tt-1 + At + Et

Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t

Tt-1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1

At = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar t

Et = Effect van economische ontwikkelingen op ontvangst belastingsoort in jaar t

De geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is dus gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de verandering door beleid en de verandering als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming is dus de recentst gerealiseerde stand van de belasting- en premieontvangsten. Voor deze Miljoenennota is het recentst gerealiseerde jaar 2017. Nadere informatie over de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten over 2017 staat in het Financieel Jaarverslag Rijk 2017. Met deze stand van de belasting- en premieontvangsten in 2017 en de beleidsmatige veranderingen en geraamde veranderingen door economische ontwikkelingen zijn de belasting- en premieontvangsten voor 2018 geraamd. De raming voor de belasting- en de premieontvangsten voor 2019 maakt gebruik van de ramingsstand van de belasting- en premieontvangsten van 2018 en de beleidsmatige en geraamde economische veranderingen van 2019. De systematiek voor de raming voor de beleidsmatige veranderingen en de economische veranderingen wordt hierna toegelicht.

Beleidsmatige ontwikkeling

Beleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de belasting- en premieontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel wordt vanaf de begroting van 2018 ex ante met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect vastgesteld.19 In hoofdstuk 3 van de Miljoenennota 2018 is een box opgenomen over de systematiek van de eerste-orde-gedragseffecten. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect gaat dus over de best mogelijk inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende grondslag of tarief. Dat staat los van de economische impact. Dat wordt immers apart geraamd en opname zou daarmee leiden tot een dubbeltelling.

Endogene ontwikkeling

De verdere verandering van de belasting- en premieontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier dan bijvoorbeeld om hogere opbrengsten van een belasting door hogere consumptie van huishoudens of hogere lonen door een gunstige economische ontwikkeling. Om de belastingopbrengst van een bepaalde belastingsoort voor het aankomende jaar te ramen moet de endogene ontwikkeling geraamd worden.

De endogene ontwikkeling van elke belastingsoort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de desbetreffende belastingsoort. De raming van de macro-economische variabelen voor de raming van de belasting- en premieontvangsten van deze Miljoenennota heeft het CPB gepubliceerd in de Macro-economische Verkenning 2019 (MEV 2019).

De macro-economische ontwikkeling loopt vaak niet één-op-één met de endogene verandering van de belastingopbrengst. Daarom wordt de relatie tussen de relevante macro(-economische) ontwikkeling en de endogene verandering van de belastingopbrengst weergegeven door een coëfficiënt. In onderstaande tabel met de vergelijkingen staat de grootte van de coëfficiënten weergegeven. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. De coëfficiënten zijn vastgesteld op basis van een empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. Deze coëfficiënten zijn dus niet in beton gegoten. In 2015 zijn voor het laatst alle vergelijkingen van het model herschat en tegen het licht gehouden. De beschikbaarheid van (specifieke) macro-economische variabelen en de kwaliteit daarvan is een duidelijke randvoorwaarde bij het empirisch schatten van de ramingsvergelijkingen. Bij bijvoorbeeld de bpm en MRB is bij het herschatten van de vergelijkingen in 2015 gekozen voor koppeling aan het bbp in plaats van meer specifieke «auto»-gerichte variabelen vanwege de beperkte voorspelkracht van laatstgenoemde variabelen.

De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. Omdat de begroting en de verantwoording op EMU-basis - doorgaans de een-maands-verschoven-kas - plaatsvindt, wordt deze raming voor de meeste belastingsoorten gecorrigeerd met het verschil tussen de verwachte kasontvangsten in januari van jaar t en jaar t+1.20

De grootste belastingsoorten - de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing - worden niet op kasbasis geraamd.21 Die belastingsoorten worden op «transactiebasis» geraamd. Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit de belastingopbrengst voortkomt zich heeft voorgedaan. Deze ontvangsten komen verdeeld over verschillende kasjaren binnen. Dat maakt een betere raming mogelijk, mede omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst de kasrealisaties uit naar transactiejaren, maar door deze systematiek is de (op transactiebasis) gerealiseerde belastinginkomsten pas enkele jaren later bekend. De transactiebasisraming dient vervolgens vertaald te worden in kasontvangsten. Kas-transparameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasontvangsten. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belastingsoort en uitvoeringsinformatie van de belastingdienst. Met ingang van deze Miljoenennota publiceert Financiën de btw-ontvangsten voor de EMU-definitie op transactiebasis. Het CBS heeft voor de btw de EMU-definitie aangepast. De transactiebasisraming wordt vanaf heden dus gepubliceerd in tabellen met de EMU-definitie. Voor de kasraming van de btw dient nog wel gebruikt gemaakt te worden van kas-transparameters.

Verklarende variabelen

Afkorting

Variabele

arbvu

Arbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatie

bbpvu

BBP marktprijzen, volumemutatie

bbpwu

BBP marktprijzen, waardemutatie

Box2

Waardemutatie grondslag box 2

Box3

Waardemutatie grondslag box 3

Clpu

Contractloonstijging

hznpu

Huizenverkoop prijsmutatie

hznvu

Huizenverkoop volumemutatie

ihhyptr

Grondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait

incpu

Incidentele loonstijging

iond

Waardemutatie inkomen box 1 ondernemers

invpu

Invoer, prijsmutatie

invvu

Invoer, volumemutatie

ivswu

Investeringen in woningen, waardemutatie

oiwu

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

pcdwu

Consumptie van duurzame goederen, waardemutatie

pcvgvu

Consumptie van voeding en genot, volumemutatie

pcwu

Particuliere consumptie, waardemutatie

prpsv

Aftrekbare premies loonheffing, waardemutatie

Tcf

Tabelcorrectiefactor

verr

Waardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingen

winstwu

Waardemutatie winst marktsector

wozwu

Waardemutatie gemiddelde wozwaarde

Overzicht ramingsvergelijkingen

Belastingsoort

Ramingsvergelijking voor Et

Accijns op lichte oliën

  • 0,005 + 0,2 bbpvut + 1 * tcft

Accijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën

0,83 * bbpvut + 1 * tcft

Afvalstoffenbelasting

1 * bbpvut + 1 * tcft

Alcoholaccijns

  • 0,034 + 1,6 * pcvgvut

Assurantiebelasting

0,85 * pcwut

Bankbelasting

0

Belasting zware motorrijtuigen (bzm)

1,4 * bbpvut

Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)

  • 0,035 + 1 * bbpvut + 1 * tcft

Bieraccijns

0,5 * bbpvut

Dividendbelasting

1 * bbpvut

Energiebelasting

  • 0,022 + 0,6 * bbpvut + 1 8 tcft

Erf- en schenkbelasting

1 * hznput

Inkomensheffing

Box 1 ondernemers

1 * iondt

Box 2

1 * box2t

Box 3

1 * box3t

Eigen woning

1 * ihhyptrt

Inkomensheffing overig

1 * verrt

Kansspelbelasting

1 * pcwut

Loonheffing

0,6 * arbvut + 1,6 * clput - 0,6 * tcft - 0,7 * prpsvt

Motorrijtuigenbelasting (mrb)

1 * bbpvut + 1 * tcft

Omzetbelasting (btw)

0,61 * pcwut + 0,13 * pcdwut + 0,15 * ivswut + 0,11 * oiwut

Overdrachtsbelasting

1 * hznvut + 1 * hznbut

Rechten bij invoer en uitvoer

1 * invvut + 0,7 * invvput

Tabaksaccijns

  • 0,007 + 2,1 * pcvgvut

Vennootschapsbelasting

1 * winstwut

Verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

0,9 * pcvgvut

Verhuurderheffing

1 * wozwut

Waterbelasting

0,005 + 1 * tcft

Wijnaccijns

1,2 * pcvgvut

Als voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort nemen we de bieraccijns, een belastingsoort die op kasbasis wordt geraamd. Volgens bovenstaande vergelijking zijn de geraamde bieraccijnsontvangsten afhankelijk van de volumemutatie van de «consumptie van voeding en genot». De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie. Als het CPB een hogere consumptie van voeding en genot raamt, dan leidt dit tot hogere geraamde bieraccijnsontvangsten. De grootte van de coëfficiënt bedraagt 0,5 en betekent dat de bieraccijnsontvangsten met 1% stijgen ten opzichte van voorgaand jaar als het CPB een stijging van het volume van de consumptie van voeding en genot raamt met 2% in dat jaar. Deze uitkomst is ceteris paribus. Er zijn in dit voorbeeld geen beleidsmatige ontwikkelingen. Voorts wordt deze uitkomst uit het ramingsmodel in het lopend jaar 2018 vergeleken met de reeds gerealiseerde kasontvangsten in dat jaar. Dergelijke overwegingen spelen ook een rol bij de totstandkoming van de geraamde bieraccijnsontvangsten.

Hieronder wordt eerst de belasting- en premieontvangsten op kasbasis nader toegelicht en vervolgens de ramingen van de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, de btw en de vpb toegelicht.

5.6 De belastingramingen voor 2018 en 2019

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 5.6.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2017 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2018. Tabel 5.6.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2018 naar de Ontwerpbegroting 2019. De tabellen zijn op kasbasis. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar beleidsmatige mutatie en endogene mutatie. Beleidsmatige mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale beleidsmaatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 5.6.1 Raming belastingontvangsten 2018 op kasbasis (in miljoenen euro's)

2017

Beleidsmatige mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2018

Indirecte belastingen

83.428

200

3.432

4,1%

87.060

Invoerrechten

3.103

0

  • 10
  • 0,3%

3.093

Omzetbelasting

49.749

22

2.651

5,3%

52.421

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.039

  • 41

221

10,9%

2.219

Accijnzen

11.789

33

164

1,4%

11.986

  • Accijns van lichte olie

4.310

0

87

2,0%

4.397

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.906

  • 1

21

0,5%

3.925

  • Tabaksaccijns

2.450

36

37

1,5%

2.522

  • Alcoholaccijns

330

0

3

0,8%

332

  • Bieraccijns

445

0

6

1,3%

451

  • Wijnaccijns

349

  • 1

11

3,1%

359

Belastingen van rechtsverkeer

5.190

3

266

5,1%

5.458

  • Overdrachtsbelasting

2.715

3

120

4,4%

2.838

  • Assurantiebelasting

2.475

0

145

5,9%

2.620

Motorrijtuigenbelasting

4.060

6

65

1,6%

4.131

Belastingen op een milieugrondslag

4.968

177

  • 33
  • 0,7%

5.113

  • Afvalstoffenbelasting

91

0

3

3,6%

94

  • Energiebelasting

4.597

177

  • 38
  • 0,8%

4.736

  • Waterbelasting

279

0

4

1,3%

283

  • Brandstoffenheffingen

2

0

  • 2
  • 121,2%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

261

0

6

2,3%

267

Belasting op zware motorrijtuigen

173

0

7

3,9%

180

Verhuurderheffing

1.618

0

95

5,9%

1.714

Bankbelasting

478

0

0

0,0%

478

Directe belastingen

86.118

  • - 
    1.643

3.943

4,6%

88.418

Loon- en inkomstenbelasting

59.092

  • 1.132

399

0,7%

58.359

Dividendbelasting

3.660

  • 271

528

14,4%

3.917

Kansspelbelasting

470

18

20

4,3%

508

Vennootschapsbelasting

21.456

  • 246

2.486

11,6%

23.696

  • Gassector

400

0

300

75,0%

700

  • Niet-gassector

21.056

  • 246

2.186

10,4%

22.996

Erf- en schenkbelasting

1.441

  • 12

509

35,3%

1.938

Overige belastingontvangsten

289

  • 1
  • 75
  • 25,9%

213

Totaal belastingen op kasbasis

169.835

  • - 
    1.443

7.300

4,3%

175.692

Tabel 5.6.2 Raming belastingontvangsten 2019 op kasbasis (in miljoenen euro's)

2018

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2019

Indirecte belastingen

87.060

3.485

3.636

4,2%

94.182

Invoerrechten

3.093

0

148

4,8%

3.241

Omzetbelasting

52.421

2.931

2.773

5,3%

58.126

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.219

  • 74

56

2,5%

2.201

Accijnzen

11.986

53

211

1,8%

12.250

  • Accijns van lichte olie

4.397

0

53

1,2%

4.450

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.925

5

91

2,3%

4.021

  • Tabaksaccijns

2.522

48

47

1,8%

2.617

  • Alcoholaccijns

332

0

3

0,8%

335

  • Bieraccijns

451

0

6

1,3%

456

  • Wijnaccijns

359

0

11

3,2%

370

Belastingen van rechtsverkeer

5.458

0

100

1,8%

5.558

  • Overdrachtsbelasting

2.838

0

  • 9
  • 0,3%

2.829

  • Assurantiebelasting

2.620

0

109

4,2%

2.729

Motorrijtuigenbelasting

4.131

8

136

3,3%

4.275

Belastingen op een milieugrondslag

5.113

681

69

1,4%

5.863

  • Afvalstoffenbelasting

94

95

4

3,8%

192

  • Energiebelasting

4.736

586

61

1,3%

5.383

  • Waterbelasting

283

0

5

1,7%

288

  • Brandstoffenheffingen

0

0

0

0,0%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

0

6

2,4%

273

Belasting op zware motorrijtuigen

180

9

6

3,6%

196

Verhuurderheffing

1.714

  • 123

130

7,6%

1.720

Bankbelasting

478

0

0

0,0%

478

Directe belastingen

88.418

2.317

4.007

4,5%

94.743

Loon- en inkomstenbelasting

58.359

  • 231

3.657

6,3%

61.785

Dividendbelasting

3.917

1.517

123

3,1%

5.556

Kansspelbelasting

508

2

25

4,9%

536

Vennootschapsbelasting

23.696

1.045

566

2,4%

25.308

  • Gassector

700

0

50

7,1%

750

  • Niet-gassector

22.996

1.045

516

2,2%

24.558

Erf- en schenkbelasting

1.938

  • 16
  • 364
  • 18,8%

1.558

Overige belastingontvangsten

213

  • 12

0

0,0%

201

Totaal belastingen

175.692

5.790

7.643

4,4%

189.125

Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2018 komt op kasbasis 5,9 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2017 (zie tabel 5.6.1). Deze stijging is het saldo van de beleidsmatige mutatie van - 1,4 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 7,3 miljard euro. Voor 2019 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 13,4 miljard euro ten opzichte van 2018. Dit is het totaal van een beleidsmatige mutatie van 5,8 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 7,6 miljard euro (zie tabel 5.6.2). De hiernavolgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze beleidsmatige en endogene mutaties.

Beleidsmatige mutaties

De belastingontvangsten in 2018 nemen met 1,4 miljard euro af als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 5.6.3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2018 hebben plaatsgevonden.

Tabel 5.6.3 Effecten beleidsmaatregelen (waaronder nabetalingen) op belastingontvangsten in 2018 op kasbasis in mln euro

Kas 2018

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2018 (bijlage)

  • - 
    1.253

Mutatie vanwege nabetalingen

134

Mutatie vanwege beleid

  • 324

Totaal maatregelen

  • - 
    1.443

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord, maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen en maatregelen van eerdere kabinetten met effecten in 2018. Daarnaast hebben er mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 5.6.3 laat zien dat dit in 2018 dit tot een mutatie in de belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid van 0,1 miljard ten opzichte van wat in Miljoenennota 2018 aan nabetalingen werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, zijn eventuele verschuivingen sowieso niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.

Voor 2019 bedraagt de geraamde beleidsmatige mutatie van de belastingontvangsten per saldo 5,8 miljard euro (tabel 5.6.2). Deze mutatie betreft voor 0,8 miljard euro aan verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuivingen zijn zoals hierboven vermeld niet relevant voor het EMU-saldo. Het «echte» - dat wil zeggen voor het EMU-saldo relevante - beleidsmatige deel van de mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft de mutatie van 5,0 miljard euro. Een toelichting op de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten is te vinden in bijlage 4 van de Miljoenennota 2019.

Endogene mutaties

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2019 met 7,6 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 4,4 procent. Bijlage 4 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen vormen.

Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische zaken, (Begroting XIII). Deze bijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 5.6.4 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 5.6.4 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Jaar T

10.220

11.578

14.565

16.430

17.683

18.930

Jaar T-1

2.671

3.837

5.518

4.211

5.172

5.509

Jaar T-2

821

445

828

629

407

427

Jaar T-3

  • 154
  • 152
  • 172
  • 102
  • 154
  • 187

Jaar T-4 en ouder

  • 447
  • 101
  • 17
  • 112
  • 112
  • 120

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

13.111

15.607

20.722

21.056

22.996

24.558

Per saldo is de verwachte endogene mutatie van 2017 naar 2018 2,2 miljard euro bij de niet-gassector. Beleidsmaatregelen hebben in 2018 per saldo een neerwaarts effect op de ontvangsten (246 miljoen euro). De totale mutatie in 2018 komt daarom uit op 1,9 miljard euro. In 2019 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,5 miljard euro. Het beleidsmatige effect is opwaarts (1,0 miljard euro). Per saldo bedraagt de totale toename in de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2019 afgerond 1,6 miljard euro.

Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In eerste instantie wordt door inhoudingsplichtigen maandelijks loonbelasting afgedragen op basis van het loon of de uitkering van de belastingplichtigen. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens de belastingplichtige voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor zijn per saldo de opbrengsten van de inkomensheffing licht negatief, al wordt de «nulgrens» in de ramingsperiode overgestoken. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze bijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 5.6.5 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2017

2018

2019

Opbrengst op transactiebasis

100.941

102.230

102.973

Mutatie

1.289

743

waarvan endogeen

3.007

5.233

waarvan autonoom

  • 1.718
  • 4.490

Endogene groei (in %)

3,0%

5,1%

In tabel 5.6.5 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2018 en 2019 te zien. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2018 3,0 miljard euro. In 2019 wordt een endogene groei van 5,2 miljard euro geraamd. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel 5.6.6 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2019 van het CPB.

Tabel 5.6.6 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing

2018

2019

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

3,4%

1,4%

Contractloonstijging

2,1%

2,7%

Incidentele loonstijging

0,6%

0,7%

Tabelcorrectiefactor

0,8%

1,2%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2018 neemt de werkgelegenheid toe met 3,4 procent. De contractloonstijging komt uit op 2,1 procent en ook de incidentele loonontwikkeling draagt met 0,6 procent bij aan de stijging van de loonheffingontvangsten. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2018 van 3,0 miljard op transactiebasis. In 2019 neemt de werkgelegenheid met 1,4 procent toe. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 2,7 procent en 0,7 procent in 2019 positief uit. Per saldo leidt dit in 2019 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 5,2 miljard euro op transactiebasis.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de beleidsmaatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 5.6.7 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2017

2018

2019

Inkomensheffing op transactiebasis

79

1.493

4.525

mutatie

1.415

3.032

waarvan endogeen

1.809

1.291

waarvan autonoom

  • 395

1.741

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in zowel 2018 als 2019 positief, met een groei van respectievelijk 1,8 en 1,3 miljard euro. Onderliggend is er sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing tot gevolg. Tegelijkertijd trekken de inkomens van zelfstandigen, die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting aan in 2019.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 5.6.8 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2018 en 2019

2018

2019

Particuliere consumptie, waardemutatie

4,3%

4,9%

Investeringen in woningen, waardemutatie

11,4%

8,8%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

5,9%

7,1%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een laag btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten. In hoogconjunctuur is sprake van het omgekeerde.

De btw-ontvangsten op transactiebasis bedragen naar verwachting 53,1 miljard euro in 2018. Ook in 2019 wordt een positieve ontwikkeling naar 59,6 miljard euro verwacht.

Tabel 5.6.9 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2017

2018

2019

Omzetbelasting op transactiebasis

50.037

53.145

59.636

mutatie

3.108

6.491

waarvan endogeen

3.083

3.236

waarvan autonoom

25

3.256

Endogene mutatie in procent

6,2%

6,1%

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2018 positief: 4,3 procent. De investeringen in woningen vallen met een mutatie van 11,4 procent positief uit. Voorts nemen de overheidsinvesteringen met 5,9 procent toe. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (3,1 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2018 verwacht. In 2019 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 4,9 en 8,8 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 7,1 procent in 2019 positief. Dat leidt tot een positieve endogene ontwikkeling (3,2 miljard) van de btw-ontvangsten op transactiebasis. Beleidsmatig is in 2019 sprake van extra ontvangsten, voor het grootste gedeelte door de verhoging van het verlaagd btw-tarief.

  • 6. 
    Rapport van de commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten

Het rapport van de commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten is raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

  • 7. 
    EMU-saldo

Tabel 7.1 EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is overschot)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

1

Belasting- en premieontvangsten

271.278

284.788

303.090

309.483

317.951

329.441

341.354

Tabel 4.6.1

2

Totale netto-uitgaven

266.113

284.557

308.065

323.176

336.633

349.871

365.507

Tabel 2.1

3

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

  • 8.678
  • 10.502
  • 15.389
  • 19.405
  • 23.388
  • 25.135
  • 28.461

Tabel 7.2

4

Bij: Kas-transverschillen en overige posten

  • 4.360
  • 3.760
  • 647

159

389

  • 842
  • 1.191

Tabel 7.3

5

Bij: EMU-saldo decentrale overheden

  • 524
  • 1.169
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484

Tabel 7.7

6

EMU-saldo collectieve sector (1-2-3+4+5)

8.959

5.804

8.283

4.387

3.611

2.380

1.635

Tabel 7.1 geeft het EMU-saldo van de hele collectieve sector weer. Dit EMU-saldo (ook wel overheidssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in bijlage 2 en bijlage 4. Om tot het EMU-saldo te komen moeten hier nog een paar correcties op worden toegepast: sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo (zie tabel 7.2) en voor sommige posten telt een ander bedrag mee voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen (zie tabel 7.3).

Tabel 7.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is uitgave)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Rente-ontvangsten swaps

  • 1.210
  • 1.259
  • 1.354
  • 1.402
  • 1.386
  • 991
  • 614

Opbrengst beëindigen renteswaps

  • 1.547
  • 2.369

0

0

0

0

0

Studieleningen

1.842

2.104

2.117

2.281

2.469

2.637

2.655

Netto-verkoop staatsbezit

  • 5.727

350

280

0

0

0

0

Diverse leningen

317

183

38

  • 47
  • 136
  • 182
  • 195

Rijksbijdragen aan de sociale fondsen

19.333

20.630

22.239

24.541

26.745

28.011

29.810

Rente sociale fondsen

0

0

0

19

73

147

182

Kasbeheer

  • 4.393
  • 9.096
  • 7.887
  • 5.948
  • 4.373
  • 4.483
  • 3.362

Overig

  • 37
  • 41
  • 44
  • 39
  • 4
  • 3
  • 15

Totaal

8.678

10.502

15.389

19.405

23.388

25.135

28.461

De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan, maar die niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in tabel 7.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit zijn meestal ook niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente ontvangen op renteswaps en uit de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage en rente van het Rijk aan de sociale fondsen zijn niet relevant, omdat die een transactie is tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector, deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan schatkistbankieren bij het Rijk aanhouden.

Tabel 7.3 Kas-transverschillen en overige posten

(in miljoenen euro, + is EMU-saldoverbeterend)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

KTV gasbaten

204

  • 400

100

  • 150
  • 100
  • 150
  • 300

KTV EU-afdrachten

  • 2.630
  • 400

0

0

0

0

0

KTV LIV/LKV

  • 493
  • 441

0

0

0

0

0

KTV OV-jaarkaart

  • 747
  • 894

0

425

425

0

0

KTV Defensie

  • 12

0

0

0

0

0

0

Overige kas-transverschillen

  • 789
  • 74
  • 39

72

85

31

0

Mutatie begrotingsreserves

107

  • 166
  • 94

0

0

0

0

EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid

41

0

0

0

0

0

0

Overig

291

  • 882
  • 35

532

854

344

181

Subtotaal Rijk

  • - 
    4.028
  • - 
    3.257
  • - 
    68

879

1.264

225

  • - 
    119

Eigen risico dragers WGA/ZW

361

365

387

409

431

453

475

Zorgbemiddelingskosten

  • 764
  • 868
  • 966
  • 1.128
  • 1.305
  • 1.520
  • 1.546

Overig

72

0

0

0

0

0

0

Subtotaal sociale fondsen

  • - 
    332
  • - 
    503
  • - 
    578
  • - 
    719
  • - 
    874
  • - 
    1.067
  • - 
    1.071

Totaal

  • - 
    4.360
  • - 
    3.760
  • - 
    647

159

389

  • - 
    842
  • - 
    1.191

Tabel 7.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog een kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen, en de kosten van zorgverzekeraars.

Tabel 7.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector

(in miljoenen euro, - is tekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

EMU-saldo Rijk

6.894

  • 812

2.860

444

716

  • 307

14

EMU-saldo sociale fondsen

2.589

7.785

6.907

5.427

4.379

4.171

3.104

EMU-saldo decentrale overheden

  • 524
  • 1.169
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484
  • 1.484

EMU-saldo collectieve sector

8.959

5.804

8.283

4.387

3.611

2.380

1.635

EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)

1,2

0,8

1,0

0,5

0,4

0,3

0,2

Tabel 7.4 geeft de verdeling van het EMU-saldo over de verschillende onderdelen van de collectieve sector. In tabel 7.5 tot en met tabel 7.7 wordt het EMU-saldo per sector verder toegelicht.

Tabel 7.5 EMU-saldo Rijk

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

Belastingontvangsten

170.673

176.455

190.624

193.863

199.597

206.126

212.869

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

  • 149.096
  • 163.882
  • 180.845
  • 189.142
  • 196.714
  • 203.637
  • 211.205

Tabel 2.1

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

8.678

10.502

15.389

19.405

23.388

25.135

28.461

Tabel 7.2

Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen

  • 19.333
  • 20.630
  • 22.239
  • 24.560
  • 26.818
  • 28.157
  • 29.992

Tabel 7.2

Kas-transverschillen en overige posten Rijk

  • 4.028
  • 3.257
  • 68

879

1.264

225

  • 119

Tabel 7.3

EMU-saldo Rijk (centrale overheid)

6.894

  • - 
    812

2.860

444

716

  • - 
    307

14

Tabel 7.6 EMU-saldo sociale fondsen

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

Premie-ontvangsten

100.605

108.333

112.466

115.620

118.354

123.315

128.485

Ontvangen rijksbijdragen en rente

19.333

20.630

22.239

24.560

26.818

28.157

29.992

Tabel 7.2

Premiegefinancierde uitgaven

  • 117.017
  • 120.675
  • 127.220
  • 134.034
  • 139.919
  • 146.234
  • 154.302

Tabel 2.1

Eigen risico dragers WGA/ZW

361

365

387

409

431

453

475

Tabel 7.3

Zorgbemiddelingskosten

  • 764
  • 868
  • 966
  • 1.128
  • 1.305
  • 1.520
  • 1.546

Tabel 7.3

Overige uitgaven

72

0

0

0

0

0

0

Tabel 7.3

EMU-saldo sociale fondsen

2.589

7.785

6.907

5.427

4.379

4.171

3.104

Tabel 7.7 EMU-saldo decentrale overheden

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Belastinginkomsten

10.038

10.350

10.672

11.084

11.433

11.762

12.091

Rijksbijdragen

72.257

74.252

76.016

81.292

84.051

87.177

90.302

Overige inkomsten

14.878

15.309

15.604

14.763

14.994

15.230

15.467

Uitgaven decentrale overheden

  • 97.697
  • 101.079
  • 103.776
  • 108.624
  • 111.962
  • 115.653
  • 119.344

EMU-saldo decentrale overheden

  • - 
    524
  • - 
    1.169
  • - 
    1.484
  • - 
    1.484
  • - 
    1.484
  • - 
    1.484
  • - 
    1.484

Het overheidssaldo verbetert volgend jaar tot 1,0 procent van het bbp. Tabel 7.8 bevat de toelichting van deze verbetering.

Tabel 7.8 Horizontale toelichting EMU-saldo

(- is een verslechtering)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-saldo 2018

5,8

0,8%

Noemereffect

0,0%

Belasting- en premie-inkomsten

18,3

2,3%

Uitgaven aan zorg (inclusief loon- en prijsbijstelling)

  • 0,2

0,0%

Uitgaven aan Sociale zekerheid (inclusief loon- en prijsbijstelling)

  • 2,6
  • 0,3%

Loon- en prijsbijstelling Rijksbegroting

  • 2,5
  • 0,3%

EU-afdrachten

  • 1,0
  • 0,1%

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

  • 7,4
  • 0,9%

KTV's

1,4

0,2%

Aardgasbaten

0,2

0,0%

Rente staatsschuld

0,4

0,1%

Overig

  • 3,9
  • 0,5%

EMU-saldo lagere overheden

  • 0,3

0,0%

EMU-saldo 2019

8,3

1,0%

Het overschot van zowel 2018 als 2019 is bijgesteld. Dat is zichtbaar wanneer de verandering van het overschot niet van jaar op jaar (horizontaal) wordt bekeken, maar als ontwikkeling sinds de Startnota (verticaal).

Tabel 7.9 Verticale toelichting EMU-saldo

(in procenten bbp, - is een verslechtering)

2018

2019

EMU-saldo Startnota

0,5%

0,7%

Noemereffect

  • 0,0%
  • 0,0%

Belasting- en premie-inkomsten

  • 0,1%

0,0%

Aardgasbaten

  • 0,1%

0,0%

Loon- en prijsbijstelling

0,1%

0,2%

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

0,0%

0,0%

HGIS-uitgaven

0,0%

0,0%

EU-afdrachten

0,0%

0,0%

Overige uitgaven Rijksbegroting

0,1%

  • 0,1%

Uitgaven aan Sociale Zekerheid (exclusief loon- en prijsbijstelling)

0,0%

0,0%

Uitgaven aan zorg (exclusief loon- en prijsbijstelling)

0,2%

0,2%

Overig

0,0%

0,1%

EMU-saldo Miljoenennota 2019

0,8%

1,0%

Tabel 7.10 Historisch overzicht EMU-saldo

(in miljarden euro, - is tekort)

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

EMU-saldo

  • 10,7
  • 16,1
  • 9,7
  • 2,2

0,6

  • 0,6

1,3

BBP

501

513

529

551

585

619

647

EMU-saldo (in procenten bbp)

  • 2,1
  • 3,1
  • 1,8
  • 0,4

0,1

  • 0,1

0,2

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

EMU-saldo

  • 31,8
  • 33,5
  • 28,8
  • 25,6
  • 19,3
  • 14,5
  • 14,0

BBP

625

639

650

653

660

672

690

EMU-saldo (in procenten bbp)

  • 5,1
  • 5,2
  • 4,4
  • 3,9
  • 2,9
  • 2,2
  • 2,0

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-saldo

0,1

9,0

5,8

8,3

4,4

3,6

2,4

BBP

708

737

773

813

841

870

898

EMU-saldo (in procenten bbp)

0,0

1,2

0,8

1,0

0,5

0,4

0,3

  • 8. 
    EMU-schuld

Tabel 8.1 Financieringssaldo rijksoverheid

(in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

Belastinginkomsten (kasbasis)

169.835

175.692

189.125

193.095

198.909

205.438

212.181

Tabel 4.6.1

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

  • 149.096
  • 163.882
  • 180.845
  • 189.142
  • 196.714
  • 203.637
  • 211.205

Tabel 2.1

Af: kas-transverschil rentelasten

  • 1.273
  • 910
  • 940
  • 710
  • 640
  • 480
  • 1.210

Mutatie begrotingsreserves

107

  • 166
  • 94

0

0

0

0

Mutatie derdenrekeningen

  • 1.972

0

0

0

0

0

0

Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro

0

0

0

100

250

0

0

Financieringssaldo rijksoverheid

17.701

10.734

7.246

3.343

1.805

1.322

  • - 
    238

Tabel 8.1 geeft het financieringssaldo van het Rijk. Het financieringstekort is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt, of over heeft. Het financieringssaldo is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo een begrip op transactiebasis is, is het financieringssaldo dus op kasbasis. Dat betekent dat naast de belastingontvangsten en de uitgaven op de begrotingen er nog een aantal correcties moet worden toegepast. Ten eerste zijn de belastingen zoals die meetellen voor het EMU-saldo berekend op transactiebasis. Om tot de belastingen op kasbasis te komen moet het kas-transverschil hier dus vanaf worden getrokken. Hetzelfde geldt voor posten op de rijksbegroting die niet op kasbasis zijn. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringssaldo alleen de kasuitgaven meetellen. Daarnaast wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt.

Tabel 8.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector

(in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bron

EMU-schuld begin jaar

439.349

420.634

410.169

403.507

401.648

401.327

401.489

Financieringssaldo rijksoverheid

  • 17.701
  • 10.734
  • 7.246
  • 3.343
  • 1.805
  • 1.322

238

Tabel 8.1

EMU-saldo decentrale overheden

524

1.169

1.484

1.484

1.484

1.484

1.484

Tabel 7.4

EMU-saldo rest centrale overheid

  • 128

0

0

0

0

0

0

Schatkistbankieren decentrale overheden

  • 402
  • 900
  • 900

0

0

0

0

SNS/Propertize

0

0

0

0

0

0

0

Overig

  • 1.008

0

0

0

0

0

0

EMU-schuld einde jaar

420.634

410.169

403.507

401.648

401.327

401.489

403.211

EMU-schuldquote (in procenten bbp)

57,1

53,1

49,6

47,7

46,1

44,7

43,5

Het financieringssaldo werkt een op een door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 8.2 geeft de ontwikkeling van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld betreft de hele collectieve sector, dus ook het tekort van decentrale overheden en agentschappen heeft invloed op de EMU-schuld.

Tabel 8.3 Opbouw EMU-schuldquote

(in procenten bbp)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

EMU-schuldquote begin jaar

62,0

57,1

53,1

49,6

47,7

46,1

44,7

Noemereffect bbp

  • 2,4
  • 2,6
  • 2,6
  • 1,7
  • 1,6
  • 1,4
  • 1,4

Financieringssaldo rijksoverheid

  • 2,4
  • 1,4
  • 0,9
  • 0,4
  • 0,2
  • 0,1

0,0

EMU-saldo decentrale overheden

0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

EMU-saldo rest centrale overheid

  • 0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Schatkistbankieren decentrale overheden

  • 0,1
  • 0,1
  • 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

SNS/Propertize

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig

  • 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

EMU-schuldquote einde jaar

57,1

53,1

49,6

47,7

46,1

44,7

43,5

Tabel 8.3 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuldquote (de EMU-schuld in verhouding tot het bbp). Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote, dit is weergegeven als het noemereffect.

Tabel 8.4 Horizontale toelichting EMU-schuld

(+ is toename schuld)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-schuld ultimo 2018

410,2

53,1%

Noemereffect

  • 2,6%

EMU-saldo

  • 8,3
  • 1,0%

Renteontvangsten derivaten

  • 1,4
  • 0,2%

Schatkistbankieren

  • 1,9
  • 0,2%

Aan- en verkoop staatsdeelnemingen

0,3

0,0%

Studieleningen

2,1

0,3%

Kastransactieverschillen

2,5

0,3%

Overige financiële transacties

0,0

0,0%

EMU-schuld ultimo 2019

403,5

49,6%

Tabel 8.5 Verticale toelichting EMU-schuld

(in procenten bbp)

2018

2019

EMU-schuld Startnota

54,0%

51,0%

Noemereffect

  • 0,2%
  • 0,4%

Doorwerking lagere schuld t-1

0,3%

  • 0,7%

EMU-saldo

  • 0,3%
  • 0,3%

Renteontvangsten derivaten

0,0%

0,1%

Voortijdige beëindiging derivaten

  • 0,3%

0,0%

Aan- en verkoop staatsdeelnemingen

0,0%

0,0%

Kastransactieverschillen

  • 0,3%

0,0%

Overige financiële transacties

  • 0,2%

0,0%

EMU-schuld Miljoenennota 2019

53,1%

49,6%

Tabel 8.6 Historisch overzicht EMU-schuld

(in miljarden euro)

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

EMU-schuld

245

256

266

275

265

267

355

BBP

501

513

529

551

585

619

647

EMU-schuld (in procenten bbp)

48,8

50,0

50,3

49,9

45,3

43,1

54,8

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

EMU-schuld

356

380

402

434

448

457

447

BBP

625

639

650

653

660

672

690

EMU-schuld (in procenten bbp)

56,9

59,4

61,8

66,4

67,8

68,0

64,8

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-schuld

439

421

410

404

402

401

401

BBP

708

737

773

813

841

870

898

EMU-schuld (in procenten bbp)

62,0

57,1

53,1

49,6

47,7

46,1

44,7

  • 9. 
    Fiscale regelingen

9.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.22 Het betreft verschillende soorten regelingen, zoals aftrekposten, vrijstellingen, heffingskortingen en verlaagde tarieven.

Het monitoren van fiscale regelingen is van belang voor transparante Rijksfinanciën. De regelingen hebben immers een budgettair belang. In de hieronder gepresenteerde tabellen wordt inzichtelijk wat de omvang van de verschillende regelingen is en hoe deze zich ontwikkelt. Ook het evalueren van fiscale regelingen is essentieel om het beleid te kunnen verbeteren. Deze bijlage besteedt aandacht aan de evaluaties die afgelopen jaar zijn uitgevoerd en de evaluaties die gepland staan voor komende jaren. Aangezien het doel van deze bijlage is om beleidsrelevante informatie te leveren, is het getoonde overzicht van fiscale regelingen breder dan alleen de zogenoemde belastinguitgaven, die tot 2016 werden vermeld. Dit jaar is ook het budgettaire belang van de fiscale faciliteiten in de Natuurschoonwet toegevoegd aan het overzicht.

Een toelichting op de regelingen is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» en bestaat uit een beschrijving van de regeling, de doelstelling, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de regeling betrekking heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie, het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie en de ramingsgrond. In die bijlage staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2018 en 2019 in een beleidsmatig deel en een endogeen deel. Fiscale regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, worden niet in deze bijlage vermeld, maar zijn wel opgenomen in genoemde toelichtende bijlage.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht is opgenomen in paragraaf 9.3. De twee daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 9.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2019 worden aangekondigd en andere maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 9.5 presenteert de benchmarktoets en gaat in op de belangrijkste endogene ontwikkelingen en (technische) bijstellingen van het budgettaire belang. Tot slot schenkt paragraaf 9.6 aandacht aan de evaluaties in het fiscale domein die sinds de Miljoenennota 2018 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2018-2021.

9.2 Samenvatting

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van fiscale regelingen tussen 2014 en 2019. In 2018 en verder speelt een aantal beleidsmaatregelen een grote rol in de budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen. In het oog springen de uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, de afschaffing van de BPM-teruggaaf voor taxi’s en van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden, de beperking van het voordeel van de innovatiebox en de inkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling. Ook meer algemene maatregelen zoals de verhoging van het verlaagde btw-tarief, de verlaging van de (aftrek)tarieven in de inkomstenbelasting en de verhoging van de algemene heffingskorting hebben een effect op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Voor drie fiscale regelingen met een sterke groei van het gebruik, de salderingsregeling in de energiebelasting, de innovatiebox en de 30%-regeling, zijn door het kabinet voorstellen gedaan om de budgettaire kosten in te dammen. Enkele andere regelingen met een grote endogene bijstelling zijn de mkb-winstvrijstelling en de faciliteiten voor nulemissievoertuigen. Tot slot wordt naar aanleiding van de evaluaties van de EIA, MIA en Vamil de looptijd van de horizonbepalingen voor deze regelingen vijf jaar naar achteren geschoven.

9.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 9.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2014 tot en met 2019. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2014 en 2019. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen. Endogene ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die niet het gevolg zijn van beleid, maar van andere factoren die het gebruik van een regeling beïnvloeden, zoals de economische ontwikkeling.

Tabel 9.3.1. Fiscale regelingen 2014-2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Gemiddeld % groei '14-'192

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

237

216

218

212

225

222

  • 1,3%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

339

346

358

366

375

367

1,6%

Aftrek specifieke zorgkosten

284

265

269

269

269

254

  • 2,2%

Aftrek uitgaven monumentenpanden

58

57

66

53

67

0

n.v.t.

Onderhoudsverplichtingen aftrek

338

338

319

319

319

311

  • 1,6%

Belaste ontvangen alimentatie

  • 198
  • 198
  • 197
  • - 
    197
  • - 
    197
  • - 
    189
  • 1,0%

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

19.742

17.579

17.290

18.897

19.780

20.467

0,7%

Pensioen belaste uitkering

  • 12.269
  • 12.262
  • - 
    12.399
  • - 
    12.759
  • - 
    13.024
  • - 
    12.643

0,6%

Pensioen vrijstelling box 3

5.961

7.195

7.124

7.235

7.193

7.340

4,2%

Lijfrente premieaftrek

536

507

500

546

572

593

2,0%

Lijfrente belaste uitkering

  • - 
    346
  • - 
    368
  • - 
    370
  • - 
    381
  • - 
    389
  • - 
    378

1,7%

Lijfrente vrijstelling box 3

168

216

213

216

215

219

5,4%

FOR aftrek

165

157

164

169

170

168

0,4%

FOR belaste afneming

  • 111
  • 99
  • - 
    99
  • - 
    99
  • - 
    99
  • - 
    95
  • 3,0%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

523

515

507

523

544

554

1,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

  • - 
    415
  • - 
    410
  • - 
    397
  • - 
    412
  • - 
    428
  • - 
    426

0,5%

Reisaftrek OV

10

9

9

9

9

9

  • 2,9%

Middelingsregeling3

89

90

84

89

89

89

0,0%

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

13.492

13.207

12.549

11.244

10.269

9.806

  • 6,2%

Aftrek financieringskosten eigen woning

139

224

212

238

219

193

6,8%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

27

28

29

30

31

31

2,5%

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

23

25

27

29

30

30

5,5%

Eigenwoningforfait

  • 2.946
  • 3.069
  • 3.125
  • - 
    3.257
  • - 
    3.258
  • - 
    3.366

2,7%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

513

529

563

604

621

626

4,1%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

783

33

37

190

190

190

  • 24,7%

OVB Verlaagd tarief woning

1.723

1.949

2.521

3.000

3.075

3.241

13,5%

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing3

2

28

16

45

69

193

149,4%

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

10

10

10

0,0%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

896

946

978

979

971

955

1,3%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

25

25

26

27

28

30

3,9%

Vrijstelling groen beleggen box 3

50

47

46

44

39

37

  • 5,9%

Heffingskorting groen beleggen box 3

31

29

28

27

26

25

  • 4,5%

Heffingvrij vermogen box 3

1.410

1.456

1.594

1.155

919

900

  • 8,6%

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

33

35

35

37

37

38

3,0%

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek4

1.660

1.645

1.694

1.737

1.780

1.747

1,0%

Extra zelfstandigenaftrek starters4

106

95

102

107

112

112

1,2%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

  • 0,2%

Stakingsaftrek

15

14

14

14

14

13

  • 2,1%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

  • 0,9%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

  • 0,8%

Doorschuiving stakingswinst

232

245

250

262

273

276

3,5%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

96

98

100

102

104

106

2,1%

Mkb-winstvrijstelling

1.520

1.545

1.684

1.768

1.857

1.894

4,5%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

17

17

17

17

17

17

  • 0,4%

Innovatiebox

1.081

1.264

1.368

1.554

1.502

1.562

7,6%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

359

338

348

364

381

379

1,1%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

124

107

144

135

147

147

3,5%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

58

102

108

114

99

107

13,0%

VAMIL

25

30

20

27

40

32

5,1%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

120

116

  • 0,7%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

1.596

1.533

1.471

1.409

1.347

4,0%

Bosbouwvrijstelling

5

3

2

2

2

2

  • 16,1%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

7

7

11

11

11,4%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

104

110

114

118

123

128

4,2%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

16

16

16

0,9%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

406

379

430

430

430

430

1,2%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

199

203

207

211

215

219

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

5

6

6

6

7

7

4,6%

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

232

154

-

-

-

-

n.v.t.

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

780

769

1.208

1.182

1.163

1.205

9,1%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

-

-

-

25

25

25

  • 0,8%

30%-regeling

699

806

850

968

1.045

742

1,2%

Afdrachtvermindering zeevaart

113

113

112

111

111

111

  • 0,4%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

110

114

115

118

122

122

2,0%

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

21.695

22.426

19.707

19.765

19.818

21.612

  • 0,1%

Arbeidskorting

11.718

12.934

17.229

18.328

18.836

18.490

9,6%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.582

1.613

1.953

2.001

2.058

1.778

2,4%

Jonggehandicaptenkorting

173

179

178

178

178

180

0,8%

Alleenstaande ouderenkorting

508

521

517

509

480

456

  • 2,2%

Ouderenkorting

2.421

2.471

2.735

2.953

3.231

3.704

8,9%

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

83

106

126

127

136

161

14,1%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

31

26

25

29

23

22

  • 6,7%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

3

5

5

6

7

8

21,6%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

0

1

2

3

n.v.t.

Salderingsregeling

66

83

100

140

199

250

30,5%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

63

73

82

83

89

98

9,3%

Belastingvermindering per aansluiting

2.449

2.471

2.493

2.441

2.460

2.070

  • 3,3%

Omzetbelasting

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

7.075

7.267

7.744

7.983

8.264

6.844

  • 0,7%

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.512

1.568

1.644

1.684

1.682

1.378

  • 1,8%

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

928

970

1.194

1.173

1.196

981

1,1%

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

1.131

1.216

891

938

966

796

  • 6,8%

Verlaagd tarief overig

1.720

1.856

1.997

2.087

2.171

1.810

1,0%

Kleineondernemersregeling

130

141

152

159

165

172

5,7%

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

0

2

3

4

7

9

91,4%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

3

5

8

12

19

26

53,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

30

46

69

92

141

190

45,0%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

628

805

723

510

374

80

  • 33,7%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

44

38

54

90

68

68

8,8%

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

50

49

46

48

47

46

  • 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

11

12

15

13

12

12

0,9%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

24

25

25

25

25

26

1,5%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

738

765

801

826

873

909

4,2%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

14

15

15

15

15

15

1,1%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

45

48

51

58

61

64

7,2%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

32

25

22

19

17

14

  • 15,2%

MRB Kwarttarieven

118

125

133

141

150

159

6,1%

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

-

-

32

37

38

38

5,9%

Noot 1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Noot 2

Als de regeling nog niet bestond in 2014 of het budgettaire belang van 2014 niet bekend is, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het jaar dat de regeling bestaat.

Noot 3

Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

Noot 4

In de cijfers van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek zit een reeksbreuk tussen 2014 en 2015, omdat de berekeningswijze van het budgettaire belang is gewijzigd.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal over het gebruik van een regeling. Meestal betreft dit realisatiecijfers die volgen uit de aangiftegegevens van de Belastingdienst. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cursieve cijfers zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2015 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat - deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2015 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2016 gemaakt - deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen kwantitatieve informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. Doordat belastingplichtigen meerdere aftrekposten kunnen hebben, is met deze wijze van berekenen het budgettaire belang van de aftrekposten feitelijk niet optelbaar.23 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

9.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 9.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de betreffende wetsvoorstellen.

Tabel 9.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in vaste prijzen (x € miljoen)1

2018

2019

2020

structureel

Nota’s van wijziging Belastingplan 2018

Uitfaseren aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

24

52

1.117

Verhogen heffingvrij vermogen box 3

  • 122
  • 122
  • 122
  • 122

Verhogen effectief tarief innovatiebox naar 7%

124

124

124

124

Geleidelijk afschaffen uitbetaalbaarheid inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting

78

72

56

Verhogen en introduceren geleidelijke afbouw ouderenkorting

  • 430
  • 430
  • 430

Pakket Belastingplan 2019

Aftrekposten geleidelijk naar basistarief inkomstenbelasting

382

588

Verlagen eigenwoningforfait

  • 204
  • 862

Vermindering verhuurderheffing t.b.v. duurzame woningen

  • 26
  • 52
  • 104

Verkorten maximale looptijd 30%-regeling naar 5 jaar t.a.v. looninkomen

369

337

241

Verhogen algemene heffingskorting

  • 1.721
  • 2.778
  • 3.276

Verhogen maximum arbeidskorting en steiler afbouwen

766

  • 403
  • 1.201

Vast bedrag in de IACK naar 0 euro en verhogen opbouwpercentage

190

190

190

Geen IACK en arbeidskorting voor mensen met een ZW-uitkering zonder werk

66

165

Verlagen belastingvermindering per aansluiting energiebelasting

410

410

410

Verhogen verlaagd btw-tarief 6% naar 9%

2.987

2.987

2.987

Moderniseren kleineondernemersregeling btw

0

0

Verruimen Nederlandse btw-sportvrijstelling

225

225

225

Afschaffen BPM teruggaafregeling taxi’s

18

35

Overig

Afschaffen aftrek uitgaven monumentenpanden, omvormen tot subsidie

62

62

62

Verhogen budget MIA

  • 8
  • 8
  • 8

Verlagen budget Vamil

8

8

8

Noot 1

[+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [-] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe.

Naast deze maatregelen hebben ook enkele tariefsmaatregelen invloed op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Zo daalt door de invoering van het tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting het gemiddelde marginale tarief waartegen aftrekposten kunnen worden afgetrokken. Wanneer vanaf 2020 het maximale aftrektarief van een aantal aftrekposten wordt beperkt (vanaf 2023 nog maximaal het basistarief in de inkomstenbelasting), daalt het gemiddelde marginale tarief nog verder. De aanpassing van de tarieven in de energiebelasting heeft invloed op de fiscale regelingen op dat terrein. Het effect van specifieke en algemene beleidsmaatregelen op het budgettaire belang in 2019 is terug te vinden in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen».

9.5 Benchmarktoets en opvallende ontwikkelingen

Tabel 9.5.1 biedt inzicht in een aantal opvallende (endogene) ontwikkelingen in de ramingen van fiscale regelingen. De tabel presenteert de bijstelling in het budgettaire belang dat voor 2017 wordt geraamd ten opzichte van de Miljoenennota 2018 (de benchmark). Ook wordt de absolute endogene groei en de gemiddelde procentuele endogene groei per jaar tussen 2017 en 2019 gegeven. De tabel bevat alleen de fiscale regelingen waarbij de geraamde endogene ontwikkeling in 2018 en 2019 gemiddeld (absoluut) groter dan 8% per jaar is en/of de bijstelling voor 2017 (absoluut) groter dan 8% is.

Tabel 9.5.1. Nadere toelichting mutatie ten opzichte van benchmark 2017 (x € miljoen)1

2017 MN2018

Bijstelling 2017 MN2019

Bijstelling in %

Endogeen 2018-2019

Endogeen in % per jaar

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

574

  • 51
  • - 
    8,9%

47

4,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

  • 460

48

  • - 
    10,5%
  • 37

4,5%

Aftrek financieringskosten eigen woning

280

  • 42
  • - 
    15,0%
  • 36
  • - 
    8,0%

Vermindering verhuurderheffing

23

22

95,7%

108

60,4%

Mkb-winstvrijstelling

1.635

133

8,2%

181

5,1%

Innovatiebox

1.687

  • 133
  • - 
    7,9%

227

8,0%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

405

  • 41
  • - 
    10,1%

31

4,2%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

362

32,6%

  • 124
  • - 
    4,3%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

383

47

12,3%

0

0,0%

30%-regeling

901

67

7,5%

132

8,0%

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

24

5

23,2%

  • 12
  • - 
    19,9%

EB Salderingsregeling

120

20

16,7%

98

28,1%

EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

12

16,6%

0

0,0%

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.568

  • 396
  • - 
    25,2%

53

2,2%

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

660

278

42,1%

57

3,0%

BTW Verlaagd tarief overig

1.877

209

11,1%

180

4,2%

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

4

0

10,8%

6

63,0%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

12

0

0,0%

14

49,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

86

6

7,0%

101

45,5%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

529

  • 19
  • - 
    3,6%
  • 305
  • - 
    45,9%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

51

39

78,1%

  • 15
  • - 
    7,4%

Noot 1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

In navolging van het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte wordt het budgettaire belang afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling.24 Hierbij ligt de nadruk op de endogene ontwikkeling en niet op de ontwikkelingen die volgen uit beleidsmaatregelen. Hieronder wordt de ontwikkeling van een aantal posten nader toegelicht.

Algemeen

Vanaf dit jaar is de berekening van het budgettaire belang van de aftrekposten in de inkomstenbelasting gewijzigd. Het effect van de algemene heffingskorting op het verzilveren van het fiscale voordeel is nu consistent bij al deze regelingen berekend op basis van aangiftecijfers van de Belastingdienst. Dit beïnvloedt de berekende gemiddelde marginale tarieven. De omvang van dit effect verschilt sterk tussen de regelingen en heeft in slechts een paar gevallen geleid tot een substantiële bijstelling van de raming.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek en belaste uitkering

De raming van het budgettaire belang van de premieaftrek en de belaste uitkering in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in 2017 is omlaag bijgesteld ten opzichte van de raming voor 2017 in de vorige Miljoenennota. Dit komt met name door wijzigingen in de ramingsmethode. Ten eerste komt het gemiddelde marginale tarief en daarmee het budgettaire belang lager uit door de hierboven omschreven algemene aanpassing van de berekening van de samenloop met de heffingskorting. Ten tweede is voor de ramingsjaren na het laatste realisatiejaar op een andere, lagere raming van de groeivoet overgestapt. Voorheen werd aangenomen dat de premieontwikkeling de ontwikkeling van de pensioenpremie volgt. Inmiddels blijkt uit de realisatiecijfers dat de loonontwikkeling een betere voorspeller is.

Vermindering verhuurderheffing

Dit betreft de heffingsvermindering voor de aanpak van urgente maatschappelijke opgaven die in 2014 op verzoek van de Tweede Kamer is opgenomen en de heffingsvermindering voor bouw van goedkope huurwoningen die in 2017 is toegevoegd. De realisatie van de vermindering verhuurderheffing voor 2017 blijkt aanzienlijk hoger dan vorig jaar geraamd. Voor de jaren 2014 tot en met 2021 is er in totaal € 698,5 miljoen beschikbaar voor deze verminderingen van de verhuurderheffing. In april 2018 was voor ongeveer € 800 miljoen aan heffingsvermindering aangemeld. Rekening houdend met het feit dat niet alle aanvragen tot realisatie leiden, is de regeling per 1 juli 2018 stopgezet om te voorkomen dat het totale beschikbare budget overschreden wordt.

De heffingsvermindering wordt pas na realisatie definitief toegekend. Dit verklaart de geringe bedragen vanaf 2014 en de substantiële oploop vanaf 2017. De ramingen voor 2018 en 2019 zijn gebaseerd op de aangemelde investeringen, een inschatting van de mate waarin al deze investeringen worden geëffectueerd en het verwachte tempo daarvan. Tot en met 2019 wordt een totaal aan definitieve heffingsvermindering verwacht van € 353 miljoen.

De nieuwe heffingsvermindering voor verduurzaming van woningen, die in 2019 ingaat, zal in 2019 nog nauwelijks tot kosten leiden. Het gepresenteerde budgettaire belang betreft dus enkel de bestaande heffingsverminderingen.

Mkb-winstvrijstelling

Het budgettaire belang van de mkb-winstvrijstelling in 2017 wordt € 133 miljoen hoger geraamd dan vorig jaar. Dit komt met name doordat de voorlopige realisatie in 2016 hoger uitvalt dan verwacht. Op grond van deze ontwikkeling wordt voor de jaren 2017-2019 een groei van gemiddeld 5% per jaar verondersteld, terwijl in de vorige Miljoenennota nog was aangenomen dat het budgettaire belang van de mkb-winstvrijstelling na 2015 met 3% per jaar zou groeien.

Innovatiebox

De raming van het budgettaire belang in 2017 is € 133 miljoen naar beneden bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2018. Dit komt door verwerking van de meest recente realisaties en een aanpassing in de ramingsmethode. Op basis van realisaties uit 2015 wordt het percentage van de innovatiebox ten opzichte van de VPB-opbrengsten naar beneden bijgesteld. Dit verklaart € 89 miljoen van de neerwaartse bijstelling in 2017. Daarnaast wordt in de raming een correctie gedaan voor uit het buitenland ontvangen royalty’s, die weliswaar in de Nederlandse innovatiebox belast worden, maar waarop in verband met verdragen of het besluit voorkoming dubbele belasting, buitenlandse bronbelasting in Nederland verrekend kan worden. Voor deze royalty-ontvangsten wordt met een lager voordeel gerekend, omdat een deel al in het buitenland is belast. Het gaat om ongeveer 5,5% van de grondslag van de innovatiebox. Deze correctie verklaart de overige € 44 miljoen van de neerwaartse bijstelling in 2017. Beleidsmatig is de tariefsverhoging van 5% naar 7% verwerkt vanaf 2018. In 2019 is de tariefsverlaging in de VPB verwerkt. Hierdoor komt het innovatieboxvoordeel lager uit.

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Reguliere waardestijgingen van landbouwgrond (WEVAB) zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting door de landbouwvrijstelling. Op basis van recente aangiftecijfers heeft het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling een uitschieter naar boven in 2015. Dit is vermoedelijk het gevolg van landbouwers die in 2015 hun grond hebben geherwaardeerd. Een deel van de herwaarderingen moet naar aanleiding van rechterlijke uitspraken worden teruggedraaid, waardoor naar verwachting het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling vanaf 2016 weer geleidelijk zal dalen naar een lager niveau.

30%-regeling

In de vorige Miljoenennota werd een sterke groei van de 30%-regeling geconstateerd. Inmiddels wordt het budgettaire belang geraamd op € 968 miljoen in 2017 in plaats van € 901 miljoen in 2017. De opwaartse bijstelling komt door een hogere realisatie volgens de aangiftegegevens 2017 van de Belastingdienst. De endogene groei blijft naar verwachting hoog, met gemiddeld 8% per jaar tussen 2017 en 2019.

Energiebelasting

Net als vorig jaar blijkt de budgettaire omvang van de salderingsregeling in de energiebelasting hard te groeien. Ten opzichte van vorig jaar is het budgettaire belang van de regeling omhoog bijgesteld op basis van de prognose uit de Nationale Energieverkenning 2017 dat kleinverbruikers meer zonne-energie opwekken dan in voorgaande jaren werd ingeschat. In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is aangekondigd dat de salderingsregeling vanaf 2020 zal worden omgezet in een subsidieregeling.

In de energiebelasting zijn ook de teruggaaf kerkgebouwen en non-profit en de vrijstelling voor energie-intensieve processen opwaarts bijgesteld. Voor de teruggaaf kerkgebouwen is volgens de Belastingdienst naar verwachting sprake van een incidentele toename in 2017. De toename van de vrijstelling voor energie-intensieve processen valt grotendeels te verklaren doordat vanaf dit jaar in de raming rekening wordt gehouden met een aanvullende vrijstelling voor metallurgische procedés. Deze bijstelling is dus technisch van aard.

Btw-posten verlaagd tarief

De ramingen voor het verlaagde tarief in de btw zijn op de Nationale Rekeningen gebaseerd. Afgelopen jaar heeft het CBS een revisie doorgevoerd van de Nationale Rekeningen. Door de revisie is onder meer een herschikking van consumptiecategorieën doorgevoerd. Hierdoor is bij drie btw-posten sprake van een technische bijstelling. De consumptie van culturele goederen en diensten is met circa € 2 miljard neerwaarts bijgesteld, waardoor het budgettaire belang ongeveer € 300 miljoen omlaag is gebracht. Bij de arbeidsintensieve diensten bedraagt de technische bijstelling van het budgettaire belang circa € 250 miljoen opwaarts. De post verlaagd tarief «overig» is € 150 miljoen opwaarts bijgesteld, als gevolg van een revisie bij het onderdeel logiesverstrekking.

Auto

Door de opkomst van elektrisch rijden in Nederland, loopt het budgettaire belang van de fiscale regelingen op dit gebied op. Dit is ook vorig jaar geconstateerd en de bijstellingen ten opzichte van de raming van destijds zijn beperkt. Voor zuinige auto’s is de korting op de bijtelling afgeschaft per 2016 met overgangsrecht, waardoor het budgettaire belang geleidelijk afneemt. De teruggaaf van BPM voor taxi’s en openbaar vervoer kende een uitschieter naar boven in 2017 door met name de verkoop van bestelauto’s op aardgas die een hoge BPM hebben. De verwachting is dat het budgettaire belang weer terugzakt naar een lager niveau in 2018 en 2019, voordat de teruggaafregeling voor taxi’s wordt afgeschaft in 2020. Het niveau blijft vanwege anticipatie-effecten naar verwachting wel iets hoger dan voor 2017. De teruggaafregeling wordt gerespecteerd voor voertuigen die voor 2020 gekocht zijn, waardoor in 2018 en 2019 waarschijnlijk extra aankopen zullen plaatsvinden.

9.6 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2018. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evaluatieprogrammering voor de periode 2018-2021 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2018

In september 2017 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de evaluatie van de Kamerverhuurvrijstelling aan de Tweede Kamer aangeboden.25 In het rapport wordt de achtergrond van de regeling beschreven en de ontwikkeling van het aantal studenten en hun woonsituatie geschetst. Kamerverhuur door hospita’s lijkt vooral een geschikte woonvorm voor studenten als opstap naar andere woonvormen. In het evaluatierapport is geconcludeerd dat er geen reden is tot aanpassing van de regeling. De vrijstelling heeft een positief effect op de uitvoerbaarheid. Belastingplichtigen hoeven de inkomsten uit kamerverhuur niet op te geven in de aangifte als deze onder het bedrag van de vrijstelling blijven. De Belastingdienst heeft dan ook geen informatie over deze groep. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit het onderzoek is besloten dat er de komende jaren via de Landelijke Studentenmonitor en de gegevensverzameling in het kader van het Woononderzoek Nederland onderzocht wordt hoeveel hospita’s er zijn of hoeveel studenten bij een hospita woonachtig zijn. De evaluatie is aanleiding geweest om de raming van het budgettaire belang van de kamerverhuurvrijstelling te herzien. Dit is beschreven in hoofdstuk 5 van de evaluatie en ook in bijlage 6 van de Miljoenennota 2018. De raming komt uit op ongeveer een vijfde (€ 10 miljoen) van het bedrag dat in eerdere jaren werd vermeld in de Miljoenennota.

In maart 2018 is de evaluatie van de Werkkostenregeling (WKR) aan de Tweede Kamer aangeboden.26 De WKR is het systeem voor de behandeling van vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting. Kenmerkend aan de WKR is de vrije ruimte, waarmee werkgevers tot 1,2% van de loonsom onbelast vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers kunnen doen toekomen, naast enkele gerichte vrijstellingen. Dit systeem is in 2011 geïntroduceerd, met als voornaamste doel administratieve lastenreductie. De belangrijkste conclusie van de evaluatie is dat de administratieve lasten niet merkbaar zijn verminderd, maar dat er weinig animo is voor grote (systeem)wijzigingen. Zowel werkgevers als de Belastingdienst zijn gebaat bij rust in de regelgeving. Uit de evaluatie volgt een aantal kansrijke opties, gericht op vereenvoudiging van de uitvoering van de regeling. Dit zal worden uitgewerkt in wet- en regelgeving, na overleg met het bedrijfsleven. Op basis van de aangiften loonbelasting over 2015 en 2016 wordt vastgesteld dat 3-4% van de bedrijven eindheffing betaalt door overschrijding van de vrije ruimte. Grotere bedrijven betalen relatief vaker eindheffing dan kleinere bedrijven, maar de overschrijding van de vrije ruimte is bij hen wel een kleiner percentage van de loonsom. Het totaalbedrag dat wordt betaald aan eindheffing(en) in het kader van vergoedingen en verstrekkingen is gedaald door invoering van de WKR. Sinds 2015 is het mogelijk bepaalde gereedschappen belastingvrij te verstrekken als de werkgever deze noodzakelijk vindt voor de vervulling van de dienstbetrekking (het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium). Van de werkgevers die bekend zijn met het noodzakelijkheidscriterium (22% van het totaal), geeft ruim 70% aan geen uitbreiding van het noodzakelijkheidscriterium naar andere vergoedingen en verstrekkingen te wensen. Ook de intermediairs uiten over het algemeen niet de wens om op dit punt iets te wijzigen.

In juni 2018 is door de Minister van Economische Zaken en Klimaat de evaluatie van de Energie-investeringsaftrek (EIA) aan de Tweede Kamer toegezonden.27 In totaal is in de periode tussen 2012 en 2016 € 4,2 miljard aan energiezuinige investeringen met de EIA ondersteund. Dit heeft geleid tot een geschatte jaarlijkse energiebesparing van 12-27 PJ en een jaarlijkse CO2-reductie van 0,7 tot 1,5 Mton. Met name de attentiewaarde van de maatregelen op de Energielijst is een stimulans voor investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen. De dynamiek in de Energielijst en met name de voortdurende aanscherping van efficiencynormen is een belangrijke aanjager voor leveranciers en producenten om de zuinigheid van apparaten te verbeteren. De financiële prikkel draagt ook bij, maar het precieze aftrekpercentage is in beperktere mate bepalend voor de effectiviteit van de regeling. Het totale budgettaire belang voor de periode 2012-2017 komt uit op € 0,5 miljard. Gemiddeld genomen is het netto fiscale voordeel iets meer dan 11% van het investeringsbedrag. Beide zijn daarmee iets lager dan in de voorgaande vijfjaarsperiode (2007-2011). De onderzoekers concluderen dat de nationale kosteneffectiviteit van de EIA relatief gunstig is, namelijk € 15-17 per ton CO2-reductie - gecorrigeerd voor het aandeel freeriders. Het aandeel freeriders (gebruikers die de investering ook gedaan zouden hebben bij afwezigheid van de EIA) wordt geschat op iets minder dan 50%. Dit percentage is vergelijkbaar met eerdere evaluaties van de EIA en met andere subsidies of fiscale regelingen gericht op energiebesparing. Voor grote bedrijven geldt dat zij relatief vaker ook zonder de EIA tot energie-investeringen zouden zijn overgegaan. Het freeridereffect bij het mkb is in de afgelopen jaren verminderd door het minimale investeringsbedrag te verhogen naar € 2.500 conform de aanbeveling uit de vorige evaluatie. Op 1 januari 2019 loopt de periode van de huidige horizonbepaling van deze regeling af. Naar aanleiding van de positieve resultaten van deze evaluatie wil het kabinet de regeling continueren en hier een horizonbepaling met als datum 1 januari 2024 aan koppelen. In lijn met de aanbevelingen in het rapport beperkt het kabinet het huidige aftrekpercentage van 54,5% in het pakket Belastingplan 2019 tot 45%. Het netto belastingvoordeel wordt daardoor weliswaar iets verlaagd, maar blijft naar de mening van het kabinet op een voldoende niveau om ondernemers te prikkelen tot het treffen van energie-investeringen. Het vrijvallende EIA-budget blijft binnen de EIA beschikbaar en zal worden besteed voor verbreding van de EIA in verband met het Klimaatakkoord. Er zal onderzocht worden op welke wijze het freeridereffect kan worden verminderd.

In juni 2018 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de evaluatie van de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) aan de Tweede Kamer toegezonden.28 De onderzoekers concluderen in het evaluatierapport dat de regelingen er goed in zijn geslaagd om investeringen in bedrijfsmiddelen om te buigen richting het milieuvriendelijke alternatief. Ook wordt het beoogde effect op (door)ontwikkeling van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen bij een deel van de technieken bereikt. De totale investeringen met MIA\Vamil bedroegen in 2014 tot 2016 bijna € 5,5 miljard, waarvan 95% van het mkb afkomstig is. In totaal bedroeg voor de overheid het budgettaire belang tussen 2011 en 2016 circa € 743 miljoen, waarvan € 557 miljoen door de MIA en € 186 miljoen door de Vamil. Op basis van een enquête trekken de onderzoekers de conclusie dat tussen de 13% en 40% van de gebruikers freerider is. Zij zouden op hetzelfde moment dezelfde investering in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel hebben gedaan als de regelingen er niet waren geweest. Het percentage freeriders is relatief beperkt in vergelijking met andere fiscale of subsidieregelingen. Dat leidt tot de conclusie dat de MIA\Vamil een (kosten)effectief instrument is om milieuwinst te realiseren. De MIA/Vamil is een bijdrage in de meerkosten van de investering in het milieuvriendelijke alternatief. Per euro overheidsbudget wordt netto € 8,2 tot € 11,9 van de investeringen in het milieuvriendelijke alternatief geïnvesteerd. Deze ratio is vergelijkbaar met de periode van de vorige evaluatie. Op 1 januari 2019 loopt de periode van de huidige horizonbepaling van deze regelingen af. Naar aanleiding van de positieve resultaten van de evaluatie wil het kabinet de regeling continueren en hier een horizonbepaling met als datum 1 januari 2024 aan koppelen. Wat de aanbevelingen in het rapport betreft zal het kabinet zich inzetten om de dynamiek van de Milieulijst te vergroten door per techniek te bezien of milieucriteria versneld kunnen worden aangescherpt. Het kabinet acht het daarbij zeer wenselijk om het budgetbeslag door freeriders zo klein mogelijk te houden en om overstimulering te voorkomen. Uit de evaluatie blijkt dat er na 2013 voortdurend een onderuitputting is op het Vamil-budget en een lichte overschrijding op het budget van de MIA. In 2014 heeft een budgetschuif van MIA naar Vamil plaatsgevonden van € 8 miljoen, ter compensatie van de incidentele overschrijding in 2013 van het Vamil-budget als gevolg van de stimulering van zuinige auto’s. Inmiddels is de incidentele overschrijding ruimschoots gecompenseerd en het kabinet zal de structurele budgetschuif uit 2014 vanaf 2019 ongedaan maken.

Bij brief van 15 juni 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de regeling Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie in de energiebelasting (ook wel: de postcoderoosregeling).29 De onderzoekers concluderen dat de regeling erin slaagt om lokale energieproductie te stimuleren onder mensen die niet de mogelijkheid hebben om zonnepanelen op hun eigen dak te plaatsen. De realisatie van de postcoderoosregeling blijft echter achter bij de ambities die bij aanvang zijn geformuleerd. Hoewel verwacht wordt dat gebruik van de regeling nog zal toenemen, zal het totale opgestelde vermogen van postcoderoosprojecten klein blijven in vergelijking met projecten die gebruikmaken van de salderingsregeling of de SDE+. Tegelijkertijd is de postcoderoosregeling - net als de salderingsregeling - een relatief dure regeling per vermeden ton CO2 en zijn de uitvoeringskosten relatief hoog. De onderzoekers geven aan dat een terugleversubsidie, losgekoppeld van de energiebelasting, een logische toekomstige variant voor de postcoderoosregeling zou kunnen zijn. In de kamerbrief van 15 juni 2018 is in lijn met deze aanbeveling daarom onder meer aangekondigd dat zal worden onderzocht hoe projecten van energiecoöperaties met een kleinverbruiksaansluiting kunnen worden opgenomen in de opvolger van de salderingsregeling.

In juli 2018 heeft de Staatsecretaris van Financiën de tussentijdse evaluatie van de maatregelen uit de Wet uitwerking Autobrief II aan de Tweede Kamer gestuurd.30 In deze evaluatie wordt geconcludeerd dat de Wet uitwerking Autobrief II heeft geleid tot meer stabiele belastinggrondslagen en - met name in de bijtelling - minder marktverstoring en minder complexiteit. Tegelijkertijd biedt de fiscale stimulering in de BPM, MRB en bijtelling voor emissievrije auto’s een belangrijke bijdrage aan het versnellen van de transitie naar emissievrij rijden. De maximering van het bijtellingsvoordeel op elektrische auto’s boven de € 50.000 draagt bij aan het voorkomen van overstimulering. Vanaf de inwerkingtreding van de MRB-toeslag op oude vervuilende dieselauto’s draagt de fiscaliteit tevens sterker bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Het halftarief in de MRB maakt plug-in hybride auto’s aantrekkelijker voor de tweedehands markt. Uit de evaluatie blijkt dat er geen noodzaak bestaat om tussentijds in te grijpen met betrekking tot de maatregelen van de Wet uitwerking Autobrief II.

Evaluatieprogrammering 2018-2021

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2018-2021. Deze programmering is erop gericht om met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit relevante evaluaties af te leveren die voorzien in de informatiebehoefte van het parlement. De planning is afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen, zodat het beleid aan uitgaven- en inkomstenkant in de doorlichtingen integraal kan worden behandeld.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat het Ministerie van Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie.

Naast evaluaties van specifieke fiscale regelingen, is een aantal overkoepelende evaluaties gepland van de fiscale regelingen binnen een bepaalde belastingsoort. Deze evaluaties worden door het Ministerie van Financiën geïnitieerd en in samenwerking met betrokken departementen uitgevoerd.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

Tabel 9.6.1. Evaluatieprogrammering 2018-20211

Evaluaties per departement

Begrotingsartikel

2018

2019

2020

2021

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Fiscale regelingen eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

X

Vermindering verhuurderheffing

3: Woningmarkt

X

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

X

Financiën

Werkkostenregeling

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen overdrachtsbelasting

1: Belastingen

X

IB Middelingsregeling

1: Belastingen

X

Accijns teruggaaf LNG

1: Belastingen

X

Evaluatie Autobrief II

1: Belastingen

X

X

Fiscale regelingen eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

X

Vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen (met SZW)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen assurantiebelasting

1: Belastingen

X

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen BPM en MRB (met IenW)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen energiebelasting (met EZK)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen erf- en schenkbelasting

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen kansspelbelasting

1: Belastingen

X

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

X

Bankenbelasting

1: Belastingen

X

Infrastructuur en Waterstaat

Fiscale regelingen groen beleggen

21: Duurzaamheid

X

MIA en VAMIL

21: Duurzaamheid

X

Fiscale regelingen BPM en MRB (met FIN)

4: Wegen en verkeersveiligheid

X

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

X

Economische Zaken en Klimaat

Innovatie-instrumenten

2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

X

EIA

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

X

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

X

Fiscale regelingen energiebelasting (met FIN)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

X

Fiscale regelingen bedrijfsopvolging2

2: Bedrijvenbeleid

X

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vrijstelling nettolijfrenten en nettopensioen (met FIN)

8: Oudedagsvoorziening

X

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

IB Vrijstelling pleegvergoedingen (met FIN)

8: Tegemoetkoming specifieke kosten

X

Noot 1

Afgeronde en naar de Kamer verzonden evaluaties zijn vetgedrukt.

Noot 2

Zodra genoeg data beschikbaar is.

  • 10. 
    Toelichting op de fiscale regelingen

10.1 Inleiding

In deze bijlage worden de fiscale regelingen nader toegelicht. Voor elke regeling bevat de toelichting een korte beschrijving, de doelstelling, de ramingsgrond, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft en informatie over de laatst uitgevoerde en/of geplande beleidsevaluatie. Daarnaast zijn cijfers opgenomen over de verwachte ontwikkeling van het budgettaire belang van fiscale regelingen tussen 2018 en 2019.

Het overzicht van fiscale regelingen in deze bijlage is uitgebreider dan in de bijlage «Fiscale regelingen». Naast de regelingen die daar vermeld staan, bevat deze bijlage ongeveer twintig regelingen die in het verleden ook in die bijlage stonden, maar niet meer structureel worden gekwantificeerd, vanwege het beperkte beleidsmatige of budgettaire belang. Deze regelingen zijn verplicht op basis van Europese wet- en regelgeving of hebben een budgettair belang van kleiner dan € 5 miljoen.

Het departement dat bij elke regeling vermeld staat, is het departement dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft. De Staatsecretaris van Financiën en de bewindspersonen van het betreffende departement dragen ieder verantwoordelijkheid voor de regeling en de evaluatie daarvan, vanuit de invalshoek van hun eigen beleidsterrein. Het Ministerie van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wetgeving, de uitvoering van het fiscale beleid en de budgettaire verantwoording. Conform de rijksbegrotingsvoorschriften wordt het budgettaire belang van de fiscale regelingen ook extracomptabel op de departementale begrotingen opgenomen.

Tenzij anders vermeld, hebben bedragen en tarieven in de toelichting betrekking op het belastingjaar 2019. De jaartallen onder het kopje «Evaluatie» betreffen het beoogde jaar waarin de evaluatie wordt afgerond. De evaluatieprogrammering beperkt zich tot de lopende kabinetsperiode en is afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichting van het betreffende begrotingsartikel. Bij de meeste regelingen waar geen evaluatie is voorzien in de huidige kabinetsperiode, staat vermeld dat deze in de periode 2022-2025 worden geëvalueerd. In enkele gevallen wordt geen evaluatie gepland, vanwege het beperkte beleidsmatige of budgettaire belang van de regeling. Dit geldt bijvoorbeeld voor de regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving. In een aantal gevallen worden fiscale regelingen gezamenlijk geëvalueerd, zoals de regelingen in de energiebelasting in 2020.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld. In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen enkele informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het CBS en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom feitelijk niet optelbaar.31 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen. Bij regelingen die niet in de bijlage «Fiscale regelingen» zijn opgenomen, staat geen ramingsgrond vermeld.

10.2 Nadere uitsplitsing van de budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen

Tabel 10.2.1. Fiscale regelingen 2018-2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

Mutatie t.o.v. MN2018

2018

Beleid 2019

Endogeen 2019

Endogeen in %

2019

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

7

225

  • - 
    9

6

3,0%

222

Giftenaftrek inkomstenbelasting

8

375

  • - 
    15

8

2,3%

367

Aftrek specifieke zorgkosten

  • 13

269

  • - 
    15

0

0,0%

254

Aftrek uitgaven monumentenpanden

9

67

  • - 
    62
  • - 
    5

n.v.t.

0

Onderhoudsverplichtingen aftrek

  • 17

319

  • - 
    8

0

0,0%

311

Belaste ontvangen alimentatie

4

  • 197

8

0

0,0%

  • 189

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet- belaste premie

94

19.780

  • - 
    629

1.316

6,9%

20.467

Pensioen belaste uitkering

425

  • 13.024

754

  • - 
    373

3,0%

  • 12.643

Pensioen vrijstelling box 3

  • 234

7.193

0

147

2,0%

7.340

Lijfrente premieaftrek

7

572

  • - 
    18

38

6,9%

593

Lijfrente belaste uitkering

13

  • 389

23

  • - 
    11

3,0%

  • 378

Lijfrente vrijstelling box 3

  • 7

215

0

4

2,0%

219

FOR aftrek

8

170

  • - 
    5

3

1,8%

168

FOR belaste afneming

1

  • 99

4

0

0,0%

  • 95

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

  • 47

544

  • - 
    17

26

5,0%

554

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

48

  • 428

23

  • - 
    20

5,0%

  • 426

Reisaftrek OV

  • 1

9

0

0

0,0%

9

Middelingsregeling

3

89

0

0

0,0%

89

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

149

10.269

  • - 
    370
  • - 
    94
  • - 
    0,9%

9.806

Aftrek financieringskosten eigen woning

  • 31

219

  • - 
    10
  • - 
    17
  • - 
    8,0%

193

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

  • 1

31

  • - 
    1

1

3,6%

31

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

3

30

  • - 
    1

1

4,8%

30

Eigenwoningforfait

25

  • 3.258

136

  • - 
    244

7,8%

  • 3.366

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

  • 29

621

  • - 
    54

59

10,5%

626

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

0

190

0

0

0,0%

190

OVB Verlaagd tarief woning

128

3.075

0

166

5,4%

3.241

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing

9

69

26

98

103,2%

193

Kamerverhuurvrijstelling

0

10

0

0

4,2%

10

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

0

971

0

  • - 
    16
  • - 
    1,6%

955

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

0

28

0

1

4,3%

30

Vrijstelling groen beleggen box 3

0

39

0

  • - 
    2
  • - 
    4,0%

37

Heffingskorting groen beleggen box 3

0

26

0

  • - 
    1
  • - 
    4,0%

25

Heffingvrij vermogen box 3

  • 132

919

0

  • - 
    19
  • - 
    2,1%

900

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

n.v.t.

37

0

1

3,2%

38

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

60

1.780

  • - 
    97

64

3,8%

1.747

Extra zelfstandigenaftrek starters

4

112

  • - 
    5

6

5,2%

112

Meewerkaftrek

0

8

0

0

0,0%

8

Stakingsaftrek

0

14

  • - 
    1

0

0,0%

13

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

0

6

0

0

0,0%

6

Willekeurige afschrijving starters

0

8

0

0

0,8%

8

Doorschuiving stakingswinst

0

273

  • - 
    8

11

4,0%

276

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

0

104

0

2

2,0%

106

Mkb-winstvrijstelling

182

1.857

  • - 
    56

93

5,2%

1.894

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

0

17

0

0

0,0%

17

Innovatiebox

  • 177

1.502

  • - 
    72

132

9,2%

1.562

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

  • 29

381

  • - 
    16

14

3,8%

379

Energie-investeringsaftrek (EIA)

0

147

0

0

0,0%

147

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

0

99

8

0

0,0%

107

VAMIL

0

40

  • - 
    8

0

0,0%

32

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

0

120

  • - 
    4

0

0,0%

116

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

300

1.409

0

  • - 
    62
  • - 
    4,4%

1.347

Bosbouwvrijstelling

  • 4

2

0

0

0,0%

2

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

5

11

0

0

0,0%

11

OVB Vrijstelling cultuurgrond

0

123

0

5

3,9%

128

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

0

16

0

0

0,7%

16

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

47

430

0

0

0,0%

430

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

0

215

0

4

1,9%

219

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

0

7

0

0

4,3%

7

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

n.v.t.

-

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

-

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

0

1.163

0

42

3,6%

1.205

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

  • 4

25

0

0

  • - 
    1,2%

25

30%-regeling

91

1.045

  • - 
    386

55

8,0%

742

Afdrachtvermindering zeevaart

0

111

0

0

0,0%

111

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

  • 2

122

  • - 
    4

4

3,0%

122

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

  • 375

19.818

1.243

551

2,6%

21.612

Arbeidskorting

179

18.836

  • - 
    837

491

2,7%

18.490

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2

2.058

  • - 
    200
  • - 
    80
  • - 
    4,3%

1.778

Jonggehandicaptenkorting

0

178

0

2

1,1%

180

Alleenstaande ouderenkorting

  • 2

480

0

  • - 
    24
  • - 
    5,0%

456

Ouderenkorting

  • 6

3.231

430

43

1,2%

3.704

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

12

136

25

0

  • - 
    0,2%

161

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

0

23

2

  • - 
    3
  • - 
    11,6%

22

Teruggaaf energie-intensieve industrie

0

7

1

0

0,0%

8

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

1

2

1

0

3,9%

3

Salderingsregeling

33

199

0

51

25,6%

250

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

13

89

9

0

  • - 
    0,1%

98

Belastingvermindering per aansluiting

  • 51

2.460

  • - 
    410

20

1,0%

2.070

Omzetbelasting

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

  • 144

8.264

  • - 
    1.711

291

3,5%

6.844

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

  • 121

1.682

  • - 
    344

40

2,4%

1.378

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

  • 450

1.196

  • - 
    245

30

2,5%

981

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

286

966

  • - 
    199

29

3,0%

796

Verlaagd tarief overig

214

2.171

  • - 
    453

92

4,2%

1.810

Kleineondernemersregeling

  • 5

165

0

7

4,2%

172

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

7

  • - 
    1

3

47,4%

9

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

19

0

7

36,8%

26

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

14

141

  • - 
    3

52

37,8%

190

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

7

374

  • - 
    73
  • - 
    221
  • - 
    73,4%

80

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

22

68

  • - 
    5

5

8,0%

68

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

0

47

0

  • - 
    1
  • - 
    2,1%

46

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

  • 3

12

  • - 
    1

0

0,0%

12

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

0

25

0

1

4,0%

26

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

5

873

0

36

4,1%

909

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

0

15

0

0

0,0%

15

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

  • 4

61

  • - 
    1

4

6,7%

64

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

1

17

0

  • - 
    3
  • - 
    17,6%

14

MRB Kwarttarieven

  • 3

150

0

9

6,0%

159

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

  • 5

38

0

0

0,0%

38

Noot 1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

De kolom «Beleid 2019» omvat alle maatregelen uit 2019 en eerdere jaren omtrent de regeling zelf en substantiële wijzigingen in de primaire heffingsstructuur (zoals het verleggen van een schijfgrens of het wijzigen van een tarief) die in 2019 invloed hebben op het budgettaire belang van de regeling. De kolom «Endogeen 2019» geeft de ontwikkeling van het budgettaire belang ten gevolge van verwachte veranderingen in het gebruik van de regeling die niet het gevolg zijn van beleidsmaatregelen.

10.3 Toelichting individuele fiscale regelingen

Persoonsgebonden aftrek

Regeling:

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

Beschrijving:

Uitgaven boven € 250 ter zake van een opleiding of studie voor het verwerven van inkomen uit werk en woning kunnen onder voorwaarden worden afgetrokken. Het bedrag dat mag worden afgetrokken is, buiten de standaardstudieperiode, maximaal € 15.000. In het Regeerakkoord is afgesproken dat het kabinet inzet op het vervangen van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven door een individuele leerrekening. Dit voornemen wordt thans uitgewerkt en zal naar verwachting per 2020 worden ingevoerd.

Doelstelling:

Vergroten van de Nederlandse kennisinfrastructuur.

Ministerie:

OCW, artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Evaluatie:

Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven, CPB, 2016. Notitie Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgestelde afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Giftenaftrek inkomstenbelasting

Beschrijving:

Giften aan onder andere algemeen nut beogende instellingen (ANBI) zijn aftrekbaar. Periodieke giften geschieden op basis van een bij notariële of onderhandse akte vastgelegde verplichting om gedurende ten minste 5 jaren met onzekerheidsvereiste schenkingen te doen. Voor overige giften aan uitsluitend ANBI’s geldt een drempel van 1% en plafond van 10% van het verzamelinkomen. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s.

Doelstelling:

Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie giftenaftrek, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek specifieke zorgkosten

Beschrijving:

Bepaalde zorgkosten mogen worden afgetrokken. Hiervoor komt in aanmerking het deel van de kosten dat uitkomt boven het drempelbedrag en waarvoor geen vergoeding is gekregen van bijvoorbeeld de (aanvullende) zorgverzekering of de bijzondere bijstand. Onder omstandigheden geldt een verhoging van het in aftrek te brengen bedrag.

Doelstelling:

Tegemoetkoming van chronisch zieken en gehandicapten.

Ministerie:

VWS, artikel 8: Tegemoetkoming specifieke kosten.

Evaluatie:

Onderzoek naar gebruik aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten, FIN, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 34 550 IX, nr. 4. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek uitgaven monumentenpanden

Beschrijving:

In de Wet IB 2001 is een persoonsgebonden aftrekpost voor monumentenpanden opgenomen. Indien het een eigen woning of een bezitting betreft die in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing wordt betrokken, zijn 80% van de onderhoudskosten (minus ontvangen subsidies) aftrekbaar. Het voornemen is om deze fiscale aftrekpost per 1 januari 2019 te vervangen door een subsidieregeling.

Doelstelling:

Behoud van het culturele erfgoed.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen monumentenzorg, PwC, 2009. Kamerstukken II 2009-2010, 32 156, nr. 2. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgestelde afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Onderhoudsverplichtingen aftrek en belaste ontvangen alimentatie

Beschrijving:

Dit betreft het betalen en ontvangen van partneralimentatie. Omdat hierbij sprake is van inkomensoverheveling is betaalde alimentatie bij de alimentatieplichtige aftrekbaar en is ontvangen alimentatie bij de ontvanger van alimentatie belast. Ook de aftrekbaarheid van bepaalde andere onderhoudsverplichtingen zit verwerkt in de cijfers.

Doelstelling:

Het aansluiten bij draagkracht.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

Beschrijving:

Deze persoonsgebonden aftrekpost biedt de mogelijkheid om geleden verliezen op beleggingen in durfkapitaal in aftrek te brengen. Deze faciliteit is per 1 januari 2011 vervallen met inachtneming van een overgangsbepaling.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen in bedrijven van startende ondernemers en het bevorderen van de ondernemingszin.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie van de durfkapitaalregeling, Bureau Bartels B.V., 2005. Kamerstukken 2005-2006, 30 300 XIII, nr. 57. Geen evaluatie beoogd, omdat de regeling is afgeschaft.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Inkomensvoorzieningen

Regeling:

Pensioen fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Het werkgeversdeel van de pensioenpremie wordt niet tot het belastbare loon van de werknemer gerekend en het werknemersdeel van de pensioenpremie wordt in mindering gebracht bij het bepalen van het belastbare loon. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkeringen wel tot het belastbare loon worden gerekend en daarmee in de belastingheffing worden betrokken. Het opgebouwde pensioenvermogen valt niet in box 3.

Doelstelling:

Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.

Ministerie:

SZW, artikel 8: Oudedagsvoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Uitkomsten van MIMOSI voor de pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Gegevens van het CBS voor pensioenvermogen tot 2015 en uitkomsten van MIMOSI voor de ontwikkeling van het pensioenvermogen daarna.

Regeling:

Lijfrente fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een lijfrenteproduct betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht, binnen wettelijk bepaalde begrenzingen. Het opgebouwde vermogen valt niet in box 3. De uitkeringen worden belast in box 1. Onder lijfrenteproduct worden voorzieningen begrepen zoals een (tijdelijke) oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen of kleinkinderen. Deze lijfrenteproducten dienen ter compensatie van een pensioentekort.

Doelstelling:

Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.

Ministerie:

SZW, artikel 8: Oudedagsvoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 voor premieaftrek en uitkomsten van MIMOSI voor uitkeringen en vermogens.

Regeling:

FOR aftrek en belaste afneming

Beschrijving:

De FOR (fiscale oudedagsreserve) is een voorziening die ondernemers die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder voorwaarden) kunnen gebruiken om maximaal 9,44%, met een maximum van € 9.006, van de winst opzij te zetten om een oudedagsvoorziening op te bouwen. Uiterlijk bij staking van de onderneming kan deze FOR belastingvrij worden omgezet in een lijfrente. Als bij staking van (een gedeelte van) de onderneming of bij het bereiken van de AOW-leeftijd van de ondernemer blijkt dat de oudedagsreserve het ondernemingsvermogen overtreft, wordt het verschil beschouwd als afneming van de oudedagsreserve. Toevoegingen aan de FOR zijn aftrekbaar bij de bepaling van de belastbare winst. Afnemingen van de FOR worden als bijtelpost meegenomen bij de bepaling van de belastbare winst. De in het kader van de afneming van de FOR eventueel betaalde premies voor lijfrenten kunnen worden afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De latere lijfrente-uitkeringen zijn belast.

Doelstelling:

Het creëren van de mogelijkheid voor ondernemers om een oudedagsvoorziening binnen de onderneming op te bouwen. Als direct lijfrenten worden aangekocht, verlaat de premie de onderneming, ten koste van het ondernemingsvermogen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Arbeidsongeschiktheidsverzekering fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht. De uitkeringen worden belast in box 1.

Doelstelling:

Het stimuleren van de opbouw van een inkomensvoorziening ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.

Ministerie:

SZW, artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 voor premieaftrek en uitkomsten van MIMOSI voor uitkeringen.

Regeling:

Reisaftrek OV

Beschrijving:

Onder bepaalde voorwaarden mogen belastingplichtigen een forfaitair bedrag aan reiskosten voor per openbaar vervoer afgelegde woon-werkkilometers aftrekken in de inkomstenbelasting. Het forfait wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding.

Doelstelling:

Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer voor woon-werkverkeer.

Ministerie:

IenW, artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Middelingsregeling

Beschrijving:

Een belastingplichtige met wisselende jaarinkomens kan op verzoek inkomstenbelasting terugkrijgen door de verschuldigde belasting te herrekenen uitgaande van een gelijkmatige toedeling van het inkomen van drie opeenvolgende kalenderjaren aan die jaren. Teruggaaf wordt alleen verleend voor zover het verschil tussen de geheven belasting over het middelingstijdvak en de herrekende belasting over deze drie jaren meer bedraagt dan € 545.

Doelstelling:

Beperken van het progressienadeel bij (sterk) wisselende jaarinkomens.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2018.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aanslagen inkomstenbelasting t/m 2017. Budgettair belang is op kasbasis.

(Eigen) woning

Regeling:

Hypotheekrenteaftrek

Beschrijving:

Over eigenwoningschuld betaalde rente is aftrekbaar van het inkomen (hypotheekrenteaftrek). De afgelopen jaren is een aantal beperkende maatregelen doorgevoerd: sinds 2013 dienen nieuwe leningen in dertig jaar volledig en minimaal annuïtair afgelost te worden om in aanmerking te komen voor renteaftrek en sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek financieringskosten eigen woning

Beschrijving:

Kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld zijn aftrekbaar van het inkomen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

Beschrijving:

Periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning zijn aftrekbaar van het inkomen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

Beschrijving:

Als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden voor een periode van vijftien jaar na het tijstip van vervreemding van een eigen woning mede aangemerkt de renten en kosten van geldleningen voor een restschuld van die vervreemde woning. Van een restschuld is sprake, wanneer bij een vervreemding van een eigen woning in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 de op deze woning betrekking hebbende schuld tot een negatief vervreemdingssaldo heeft geleid. Het budgettaire belang vanaf 2018 betreft de gevallen die gebruik maken van de mogelijkheid om na 2017 voor een periode van maximaal vijftien jaar de aftrek toe te blijven passen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd.

Doelstelling:

Tijdelijke crisismaatregel ter bevordering van de doorstroming op de woningmarkt.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, aangezien de regeling afloopt na 2017.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Eigenwoningforfait

Beschrijving:

Huishoudens met een eigen woning dienen afhankelijk van de hoogte van de WOZ-waarde een percentage van de WOZ-waarde bij het belastbaar inkomen op te tellen. Deze regeling is de keerzijde van de aftrekbaarheid van rente en kosten voor de eigen woning.

Doelstelling:

Het doelmatig belasten van het voordeel in natura (het woongenot) van een eigen woning, door een forfaitaire benadering.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste post is.

Regeling:

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Beschrijving:

Aan eigenwoningbezitters zonder eigenwoningschuld of met een lage eigenwoningschuld wordt een aftrek toegekend ter hoogte van een deel van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten. In 2019 bedraagt dat deel 96,67%. Hierdoor hoeven eigenwoningbezitters met geen of een lage eigenwoningschuld in 2019 alleen over 3,33% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten belasting te betalen. De regeling wordt vanaf 2019 in een periode van dertig jaar uitgefaseerd.

Doelstelling:

Bevordering aflossing eigenwoningschuld en lastenverlichting eigenaar-bewoners met geen of een lage eigenwoningschuld.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

Beschrijving:

Voor schenkingen aan personen tussen de 18 en 40 jaar ten behoeve van de eigen woning geldt een eenmalige vrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 102.010.

Doelstelling:

Verminderen van de eigenwoningschuld van Nederlandse huishoudens.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2016. Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastingplichtigen in dat jaar zouden moeten betalen als de vrijstelling niet van toepassing was. Het is dus de fictief verschuldigde schenkbelasting over de schenkingen in dat jaar, gegeven de omvang van de schenkingen.

Regeling:

OVB Verlaagd tarief woning

Beschrijving:

Het reguliere belastingtarief in de overdrachtsbelasting bedraagt 6%. In afwijking hiervan geldt voor woningen een tarief van 2%. Dit tarief is uitsluitend van toepassing op de verkrijging van woningen of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd voor bewoning door particulieren. Het maakt geen verschil of de verkrijger de woning zelf gaat bewonen of dat de verkrijger de woning verhuurt aan een particulier.

Doelstelling:

Structureel bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Totale ontvangsten overdrachtsbelasting volgens raming CPB. Realisatiecijfers t/m 2016.

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Regeling:

Vermindering verhuurderheffing

Beschrijving:

Deze regeling is beschikbaar voor belastingplichtigen in het kader van de verhuurderheffing, die onder andere investeren in huurwoningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens. Het bedrag aan heffingsvermindering dat genoemd is in de investeringsverklaring van RVO, wordt van de verhuurderheffing afgetrokken. Het budget is € 698,5 miljoen over de jaren 2014 tot en met 2021. Met ingang van 2019 wordt een nieuwe heffingsvermindering geïntroduceerd. Het doel hiervan is het stimuleren van de verduurzaming van huurwoningen door verhuurders. Het beschikbare budget voor deze nieuwe heffingsvermindering loopt jaarlijks op met € 26 miljoen tot structureel € 104 miljoen in 2022.

Doelstelling:

Stimulering van maatschappelijk gewenste investeringen (zoals sloop, renovatie, transformatie en nieuwbouw van huurwoningen).

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Rapport evaluatie verhuurderheffing, BZK, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 32 847, nr. 248. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017. Raming 2018 en 2019 op basis van gegevens investeringsverklaringen RVO t/m juli 2018. Budgettair belang is op kasbasis.

Regeling:

Kamerverhuurvrijstelling

Beschrijving:

Indien de inkomsten uit verhuur - anders dan voor korte duur - van woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en onderdeel is van het hoofdverblijf van de verhuurder, niet meer bedragen dan € 5.246 per jaar, blijft het verhuurde deel van de eigen woning vallen onder de fiscale behandeling van de eigen woning, in plaats van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3. Het maximumhuurbedrag wordt jaarlijks op basis van de huurontwikkeling geïndexeerd.

Doelstelling:

Vergroten van het particuliere kameraanbod, met name voor studenten.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Evaluatie kamerverhuurvrijstelling, BZK, 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 33 104, nr. 12. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Raming zonder recente gegevensbron. Laatst gebruikte bron betreft cijfers VROM uit 2006 over aantal kamers.

Regeling:

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

Beschrijving:

In het overgangsrecht van de Wet IB 2001 zijn vrijstellingen voor bepaalde kapitaalverzekeringen, spaarrekeningen en beleggingsrechten opgenomen. Onder voorwaarden geldt een box 1-vrijstelling voor het voordeel (de uitgekeerde rente of het rendement op de premie/inleg) uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en beleggingsrecht eigen woning (BEW) waardoor deze niet in box 3 vallen. Per 1 april 2013 is de faciliteit vervallen en voor bestaande contracten ondergebracht in het overgangsrecht. Het kapitaal dan wel de inleg kunnen niet meer worden verhoogd en de looptijd kan niet worden verlengd. Tevens gelden er vrijstellingen voor andersoortige kapitaalverzekeringen waarvan de inkomsten vrijgesteld waren onder de Wet IB 1964.

Doelstelling:

Eerbiedigen van bestaande rechten op bepaalde vrijstellingen kapitaalsuitkeringen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, want de regeling is vervallen voor nieuwe gevallen.

Ramingsgrond:

Gegevens van DNB en het Verbond van Verzekeraars over levensverzekeringen t/m 2016.

Regeling:

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

Beschrijving:

Rechten op prestaties uit levensverzekering in verband met het overlijden van de belastingplichtige worden tot een bedrag van maximaal € 7.118 vrijgesteld van de rendementsgrondslag. De prestaties kunnen de vorm hebben van een kapitaalsuitkering of een uitkering in natura (het verzorgen van de uitvaart van de verzekeringnemer).

Doelstelling:

Sociaal beleid (aangezien sprake is van financiering van een begrafenis of crematie) en doelmatigheid (het voorkomen van administratieve lasten voor polissen met een financieel beperkte omvang).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatierapport Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkeringen bij overlijden in box 3, FIN, 2005. Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 2, bijlage 11. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Gegevens van DNB over overlijdensverzekeringen t/m 2015.

Regeling:

Vrijstelling groen beleggen box 3

Beschrijving:

Op grond van deze regeling is € 58.540 aan groene beleggingen vrijgesteld van de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing. Beleggers met een fiscale partner hebben gezamenlijk recht op een vrijstelling van € 117.080. Het bedrag van de vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen en beleggingen in groenprojecten.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Evaluatie MIA, Vamil en Groen Beleggen 2000-2004, VROM, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 30 535, nr. 11. De volgende evaluatie is beoogd in 2018.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016.

Regeling:

Heffingskorting groen beleggen box 3

Beschrijving:

De heffingskorting voor groene beleggingen sluit aan op de vrijstelling in box 3 voor groene beleggingen. De korting bedraagt 0,7% van het bedrag dat is vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen en beleggingen in groenprojecten.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Evaluatie MIA, Vamil en Groen Beleggen 2000-2004, VROM, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 30 535, nr. 11. De volgende evaluatie is beoogd in 2018.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016.

Regeling:

Heffingvrij vermogen box 3

Beschrijving:

Een algemene vrijstelling in box 3 van € 30.360 per belastingplichtige. Bij een rendementsgrondslag groter dan het heffingvrije vermogen, wordt het meerdere in de heffing betrokken. Het bedrag aan heffingvrij vermogen wordt jaarlijks geïndexeerd.

Doelstelling:

Doelmatigheid (vermindering van aantal belastingplichtigen).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

Beschrijving:

De Natuurschoonwet 1928 voorziet in fiscale tegemoetkomingen in de schenk- en erfbelasting, overdrachtsbelasting, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en onroerendzaakbelasting aan eigenaren van onroerende zaken als deze eigenaren hun onroerend goed als landgoed in stand houden en daarmee het natuurschoon bevorderen. Er zijn extra faciliteiten indien het landgoed voor het publiek wordt opengesteld.

Doelstelling:

Het natuurschoon en cultureel erfgoed behouden door landgoederen als geheel te bewaren en versnippering tegen te gaan. Stimuleren van particulier natuurbeheer en realisatie van nieuwe natuur en bos door particulieren op landbouwgrond. Openstelling van landgoederen voor het publiek.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie van de Natuurschoonwet 1928, Ecorys, 2014. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 90. De volgende evaluatie zal worden gepland bij invoering van de voorgenomen wijzigingen.

Ramingsgrond:

Aantal gerangschikte landgoederen volgens RVO t/m 2017. Geen aangiftecijfers beschikbaar, dus het budgettaire belang wordt voor alle jaren geraamd aan de hand van inschattingen van de Belastingdienst.

Regeling:

Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3

Beschrijving:

Voorwerpen van kunst en wetenschap vallen niet in de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing ook indien deze niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt. Voorwerpen van kunst en wetenschap die hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, zijn uitgezonderd van de vrijstelling om een ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van andere beleggingen te voorkomen.

Doelstelling:

Het particuliere kunstbezit en de kunstuitleen van particulieren aan musea in Nederland stimuleren.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, vanwege het beperkte budgettaire belang van de regeling.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3

Beschrijving:

Deze regeling bewerkstelligt dat voor de forfaitaire rendementsheffing de volgende bezittingen van de grondslag worden uitgezonderd: bossen, bepaalde natuurterreinen en de volgens de Natuurschoonwet als zodanig aangewezen landgoederen. Gebouwde eigendommen vallen niet onder de vrijstelling.

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling zal in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Regeling:

Zelfstandigenaftrek

Beschrijving:

De zelfstandigenaftrek is een aftrek in de IB van € 7.280 voor ondernemers die voldoen aan het urencriterium en die aan het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtige leeftijd nog niet hebben bereikt. Na de pensioengerechtigde leeftijd wordt de zelfstandigenaftrek gehalveerd.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Extra zelfstandigenaftrek starters

Beschrijving:

Startende ondernemers in de IB die in één of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer waren en bij wie in die periode niet meer dan tweemaal de zelfstandigenaftrek is toegepast, hebben recht op een extra zelfstandigenaftrek van € 2.123.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap en het bevorderen van de bereidheid om startersrisico te lopen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Beschrijving:

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid in de IB wordt geboden in de startfase van de onderneming ingeval niet aan het normale urencriterium van 1.225 uur wordt voldaan, maar wel aan een verlaagd urencriterium van 800 uur. De aftrekpost bedraagt € 12.000 voor het eerste jaar, € 8.000 voor het tweede jaar en € 4.000 voor het derde jaar. De aftrek kan niet hoger zijn dan de genoten winst.

Doelstelling:

Stimuleren van het starten van een onderneming vanuit een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen en SZW, artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Meewerkaftrek

Beschrijving:

Indien de partner van een ondernemer in de IB meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer die voldoet aan het urencriterium recht op de meewerkaftrek. De aftrek is afhankelijk van het aantal door de partner gewerkte uren in de onderneming en bedraagt tussen de 1,25% van de winst (indien ten minste 525 uur wordt meegewerkt) en 4% van de winst (indien ten minste 1.750 uur wordt meegewerkt).

Doelstelling:

Fiscaal faciliteren van arbeid in de onderneming van de partner zonder de verplichting tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Stakingsaftrek

Beschrijving:

Bij de staking van een onderneming of een deel ervan is van de behaalde stakingswinst maximaal € 3.630 vrijgesteld van belastingheffing in de IB. Op de in een kalenderjaar berekende stakingsaftrek wordt de in het verleden genoten stakingsaftrek in mindering gebracht.

Doelstelling:

De stakingsaftrek beoogt een verzachting van belastingheffing te geven over de stakingswinst. De stakingsaftrek is de voortzetting - zij het op een lager niveau - van de stakingsvrijstelling van de Wet IB 1964.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

Beschrijving:

Ondernemers in de IB die voldoen aan het urencriterium en in het kalenderjaar ten minste 500 uur hebben besteed aan werk dat bij een zogenoemde S&O-verklaring kwalificeert als speur- en ontwikkelingswerk, hebben recht op een aftrek van € 12.775. Voor starters wordt deze aftrek onder voorwaarden verhoogd met € 6.391.

Doelstelling:

Bevorderen van technologische vernieuwingen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie WBSO 2006-2010, EIM, 2012. Kamerstukken II 2011-2012, 32 637 nr. 32. De volgende evaluatie is beoogd in 2018.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Willekeurige afschrijving starters

Beschrijving:

Startende ondernemers in de IB kunnen op basis van deze regeling willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zijn aangeschaft in een kalenderjaar waarover voor hen de extra zelfstandigenaftrek starters van toepassing was.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, de budgettaire kosten zijn gebaseerd op een veronderstelling van het aantal gebruikers en hun investeringen.

Regeling:

Doorschuiving stakingswinst

Beschrijving:

Op verzoek is onder voorwaarden doorschuiving van stakingswinst zonder inkomstenbelastingheffing mogelijk in het kader van overdracht van (een deel van) de onderneming. Hiervan is sprake in geval van overlijden, echtscheiding, overdracht van de onderneming aan alle medeondernemers die gedurende drie jaar een gezamenlijke onderneming drijven, of in geval van inbreng van de onderneming in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap. De belastingplichtige voor wiens rekening de onderneming zal worden voortgezet, is verplicht de oude boekwaarden van de overgedragen vermogensbestanddelen over te nemen.

Doelstelling:

Ondersteunen van de continuïteit van de onderneming, in het kader van liquiditeitsproblemen die kunnen ontstaan als gevolg van de fiscale claim die rust op een bedrijfsoverdracht.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.

Regeling:

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

Beschrijving:

Onder voorwaarden wordt (op verzoek) een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht, erfrecht of schenking, van een aanmerkelijk belang niet als vervreemding aangemerkt. De verkrijgingprijs van de aandelen van de overdrager wordt dan doorgeschoven naar de overnemer.

Doelstelling:

Het waarborgen van de continuïteit van de onderneming, doordat op het moment van overgang niet hoeft te worden afgerekend over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de verkrijgingsprijs van de aandelen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.

Regeling:

Mkb-winstvrijstelling

Beschrijving:

De mkb-winstvrijstelling is een vrijstelling van een deel van de winst voor ondernemers in de IB. Sinds 2014 bedraagt de mkb-winstvrijstelling 14% van de winst nadat de winst is verminderd met de ondernemersaftrek.

Doelstelling:

Stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

Beschrijving:

De terbeschikkingstellingsvrijstelling bedraagt 12% van het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit terbeschikkingstellingswerkzaamheden, te weten het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een verbonden onderneming, werkzaamheid of vennootschap.

Doelstelling:

Het voorkomen van arbitrage tussen de verschillende boxen en een beter evenwicht in fiscale behandeling tussen enerzijds ondernemers en anderzijds houders van een aanmerkelijk belang.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Innovatiebox

Beschrijving:

Op verzoek en onder voorwaarden worden winsten uit zelf-ontwikkelde immateriële activa belast in de vennootschapsbelasting tegen een effectief tarief van 7%. Tot en met 2017 bedroeg het effectieve tarief 5%. Er kan gekozen worden voor toepassing van de forfaitaire regeling voor maximaal 3 jaar. Hierbij wordt van een belastingplichtige met een zelf-ontwikkeld immaterieel activum 25% van de winst aangemerkt als winsten uit immateriële activa met een maximum van € 25.000.

Doelstelling:

Stimuleren, aantrekken en behouden van speur- en ontwikkelingswerk en bevorderen vestigingsklimaat.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie innovatiebox 2010 tot 2012, Dialogic, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 111. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m 2015.

Regeling:

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Beschrijving:

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek over een gedeelte van het investeringsvolume. De hoogte van de aftrek is afhankelijk van de hoogte van de investering. De aftrek bedraagt maximaal € 16.051.

Doelstelling:

Bevorderen van investeringen van relatief geringe omvang, die in het algemeen gedaan zullen worden in het midden- en kleinbedrijf.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Geraamde endogene groei vanaf 2016 is gelijk aan groei investeringen overige vaste activa volgens CEP 2018.

Regeling:

Energie-investeringsaftrek (EIA)

Beschrijving:

De EIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst verleend voor door de Minister van EZK aangewezen investeringen in nieuwe energiebesparende bedrijfsmiddelen en maatregelen. De aftrek bedraagt vanaf 2019 45%. De EIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ten behoeve van een doelmatig energiegebruik.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie Energie-investeringsaftrek 2012-2017, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 91. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2017 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2018 en 2019 is budget.

Regeling:

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

Beschrijving:

De MIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst voor milieu-investeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen. Er zijn drie verschillende categorieën op de Milieulijst, waarbij respectievelijk 36%, 27% en 13,5% aftrek wordt verleend. De MIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ter bescherming van het milieu.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie MIA\Vamil, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 89. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2017 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2018 en 2019 is budget.

Regeling:

VAMIL

Beschrijving:

Op basis van de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) mag willekeurig worden afgeschreven op door de Minister van IenW aangewezen milieu-investeringen (Milieulijst) tot 75% van de aanschaf- of voortbrengingskosten. Deze regeling in de IB en Vpb leidt voor de belastingplichtige tot een liquiditeits- en rentevoordeel. De VAMIL is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ter bescherming van het milieu.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie MIA\Vamil, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 89. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2017 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2018 en 2019 is budget.

Regeling:

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

Beschrijving:

Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van het algemeen systeem van winstbepaling in de IB en Vpb, de winst uit zeescheepvaart op basis van deze regeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor een schip voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt dit voor een periode van 10 jaar.

Doelstelling:

Bevorderen en stimuleren van de zeescheepvaart in Nederland.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Raming zonder actuele gegevensbron; de raming is een conjunctuurvrije, gemiddelde schatting die gemaakt is ten behoeve van de laatste evaluatie.

Regeling:

Willekeurige afschrijving zeeschepen

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb biedt de mogelijkheid om vervroegd af te schrijven op zeeschepen. De regeling kan uitsluitend worden toegepast indien niet wordt gekozen voor de forfaitaire winstbepaling en bedraagt per jaar maximaal 20% van de af te schrijven aanschaffings- en voortbrengingskosten.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Beschrijving:

Op grond van deze regeling worden voordelen uit een landbouwbedrijf die verband houden met de waardeverandering van de grond, niet tot de fiscale winst (IB en Vpb) gerekend. De regeling is niet van toepassing als de waardeverandering optreedt in het kader van de bedrijfsuitoefening. Een waardestijging van de grond die de gebruikelijke waarde binnen een landbouwbedrijf te boven gaat is belast.

Doelstelling:

Instandhouding van de fiscale behandeling van grond ten behoeve van voordelen uit een landbouwbedrijf.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

IBO Agro-, visserij- en voedselketens, EZ, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 30 991, nr. 25. De regeling zal in 2019 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 11 (voormalig artikel 6 van EZK).

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Bosbouwvrijstelling

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb houdt in dat voor- en nadelen uit bosbouwbedrijf niet tot de winst worden gerekend. Het staat de belastingplichtige vrij te opteren voor het buiten toepassing laten van de vrijstelling. Toepassing van de facultatieve regeling blijft, indien gebruik wordt gemaakt van de optie, gelden voor een periode van ten minste 10 jaar.

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

Inkomensschattingen LEI en cijfers Belastingdienst t/m 2016.

Regeling:

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb voorziet in een (gedeeltelijke) vrijstelling voor aangewezen subsidieregelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur (SVNL en SKNL).

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

Subsidiebedragen provincies SVNL en SKNL.

Regeling:

OVB Vrijstelling cultuurgrond

Beschrijving:

Vrijgesteld is de verkrijging van cultuurgrond - daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop - die ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Voorwaarde is dat de exploitatie van de cultuurgrond voor een aaneensluitende periode van tien jaar wordt voortgezet.

Doelstelling:

Versterken van de economische structuur van de land- en tuinbouwsector.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

IBO Agro-, visserij- en voedselketens, EZ, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 30 991, nr. 25. De regeling zal in 2019 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 6.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2013.

Regeling:

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

Beschrijving:

Vrijgesteld van overdrachtsbelasting is de verkrijging door een familielid van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan (de continuering) van een onderneming. De regeling vindt slechts toepassing indien de overdragende ondernemer een ouder of grootouder betreft en de onderneming in haar geheel (al dan niet in fasen) wordt voortgezet door het verkrijgende familielid.

Doelstelling:

Stimuleren van overdracht onderneming aan de volgende generatie.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2013.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

Beschrijving:

Voor een geërfde of geschonken onderneming geldt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting respectievelijk schenkbelasting voor het ondernemingsvermogen. Indien de geërfde of geschonken onderneming voor een periode van 5 jaar wordt voortgezet, wordt de voorwaardelijke vrijstelling definitief. De vrijstelling bedraagt 100% van de going-concernwaarde van de onderneming tot een bedrag van € 1.084.851. Voor het meerdere geldt een vrijstelling van 83%.

Doelstelling:

Bevorderen continuïteit van de onderneming.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2015.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

Beschrijving:

ANBI’s zijn per 2006 geheel vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. Voor sociaal belang behartigende instellingen (SBBI’s) is de vrijstelling ingegaan per 2010.

Doelstelling:

Bevorderen van schenken en nalaten aan ANBI’s en SBBI’s.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie van de praktijk rondom ANBI’s en SBBI’s, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron. Laatste cijfers Belastingdienst uit 2005 toen het nog niet volledig was vrijgesteld. Trend is doorgetrokken.

Regeling:

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

Beschrijving:

Giften aan onder andere ANBI's zijn aftrekbaar. De totale aftrek bedraagt ten hoogste 50% van de winst met een maximum van € 100.000. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s.

Doelstelling:

Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie giftenaftrek, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m 2015.

Regeling:

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

Beschrijving:

De Research & Development aftrek (RDA) was een extra aftrekpost voor kosten en investeringen, zoals apparatuur en materialen, voor de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten. De RDA was een gebudgetteerde regeling. Vanaf 2016 is het budget van de RDA geïntegreerd in de WBSO.

Doelstelling:

Bevordering van speur- en ontwikkelingswerk in het bedrijfsleven.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, omdat de regeling is afgeschaft.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Loonbelasting

Regeling:

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

Beschrijving:

De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is van toepassing op werknemers die direct betrokken zijn bij speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering bedraagt 32% van het S&O-loon van die werknemers (40% voor starters). Voor zover het S&O-loon meer bedraagt dan € 350.000, bedraagt de vermindering 14% van het loon. De WBSO is een gebudgetteerde regeling. Eventuele overschrijdingen of onderuitputtingen van het budget uit t-1 worden ten laste/bate van het budget in t+1 gebracht. Vanaf 2016 is het budget van de RDA geïntegreerd in de WBSO.

Doelstelling:

Bevordering van speur- en ontwikkelingswerk in het bedrijfsleven.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

Innoveren en ondernemen met beleid, Dialogic, 2015. Kamerstukken II, 2014-2015, 30 991, nr. 23. De volgende evaluatie is beoogd in 2018.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst uit loonbelastingaangiften over gebruik WBSO t/m 2017. Cijfer 2018 en 2019 is budget.

Regeling:

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

Beschrijving:

Voor dga’s van startups gelden niet de normale regels voor de bepaling van het zogenoemde gebruikelijk loon. Zij mogen het gebruikelijk loon op het wettelijk minimumloon vaststellen.

Doelstelling:

Het stimuleren van startups.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Raming gebaseerd op aantal bedrijven met S&O-startersverklaring op basis van raming RVO, en andere rekenveronderstellingen.

Regeling:

Vrijstelling aandelenopties werknemers van startups

Beschrijving:

Indien tussen de werknemer en de startup aandelenopties worden overeengekomen, zorgt de vrijstelling ervoor dat het genoten voordeel uit de vervreemding of uitoefening van deze aandelenopties slechts voor 75% als loon wordt belast, voor zover het genoten voordeel niet meer bedraagt dan € 50.000. Daarnaast dient de toekenning van het optierecht reeds twaalf maanden geleden te hebben plaatsgevonden en geldt de mogelijkheid tot toepassing van de vrijstelling voor de duur van vijf kalenderjaren na toekenning van het optierecht.

Doelstelling:

Het stimuleren van het door werknemers investeren in de startup waar zij werkzaam zijn door middel van de aanvaarding van aandelenopties in plaats van regulier loon.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

30%-regeling

Beschrijving:

De werkgever mag aan ingekomen en uitgezonden werknemers onder voorwaarden een forfaitaire onbelaste vergoeding geven van maximaal 30% van het loon inclusief die vergoeding. Deze forfaitaire vergoeding komt in de plaats van de mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast te vergoeden. Naast deze forfaitaire vergoeding kan de werkgever aan deze werknemers ook de schoolgelden voor internationale scholen onbelast vergoeden of verstrekken. Vanaf 2019 wordt de maximale looptijd van de 30%-regeling ingekort tot vijf jaar.

Doelstelling:

De 30%-regeling dient ter compensatie van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking van ingekomen en uitgezonden werknemers. De regeling heeft als doel:

(a) het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is;

(b) een bijdrage leveren aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat; en

(c) verminderen van administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie 30%-regeling, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 84. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. De opbrengst bij afschaffing van de regeling is lager dan het vermelde budgettair belang, aangezien zonder de regeling de werkelijke kosten belastingvrij vergoed kunnen worden.

Regeling:

Afdrachtvermindering zeevaart

Beschrijving:

Deze vermindering mag worden toegepast ter zake van het loon van zeevarenden die werken op een Nederlands schip. De vermindering bedraagt 40% van het loon voor zeevarenden die in Nederland of in een ander EU- of EER-land wonen. Voor overige zeevarenden die onderworpen zijn aan de loonbelasting of premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen is het percentage vastgesteld op 10%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de sector met de daaraan verbonden werkgelegenheid en het in stand houden van een vloot onder Nederlandse vlag.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte loonbelasting t/m 2017.

Regeling:

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

Beschrijving:

De werkgever mag onder voorwaarden maximaal een maandsalaris belastingvrij uitkeren na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en opnieuw na een diensttijd van ten minste 40 jaar.

Doelstelling:

Sociaal beleid (uitkering bij jubilea buiten de heffing te laten).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen en CBS-tabellen over banen, leeftijdsklassen en anciënniteit.

Regeling:

Levensloopverlofkorting

Beschrijving:

Om de aantrekkelijkheid van de levensloopregeling als alternatief voor het spaarloon te vergroten, werd aan werknemers per jaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd een bij de opname van het tegoed te verzilveren tegemoetkoming toegekend in de vorm van een levensloopverlofkorting. De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft voor nieuwe gevallen. Voor deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een aanspraak ingevolge levensloopregeling hebben opgebouwd waarvan de waarde in het economische verkeer minimaal € 3.000 bedroeg, geldt een overgangsregeling tot en met 31 december 2021. Onderdeel van deze overgangsregeling is dat sinds 1 januari 2012 bij inleg in de levensloopregeling geen levensloopverlofkorting meer wordt opgebouwd, maar dat de op 31 december 2011 opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting niet vervallen en nog steeds kunnen worden verzilverd bij de opname van het levenslooptegoed. Het bedrag van de levensloopverlofkorting wordt ook na 2011 nog steeds geïndexeerd en bedraagt in 2019 € 215 per jaar waarin vóór 1 januari 2012 een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de reeds verzilverde bedragen.

Doelstelling:

Respecteren bestaande rechten.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, omdat de oorspronkelijke regeling is afgeschaft en er slechts sprake is van toepassing van overgangsrecht.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Overdrachtsbelasting (OVB)

Regeling:

OVB Vrijstelling stedelijke herstructurering

Beschrijving:

De vrijstelling stedelijke herstructurering bestaat uit drie onderdelen, te weten:

(a) de vrijstelling die het mogelijk maakt voor wijkontwikkelingsmaatschappijen huizen te verkrijgen zonder overdrachtsbelasting;

(b) de vrijstelling die het voor woningcorporaties mogelijk maakt om ter financiering van stedelijke herstructurering huizen zonder overdrachtsbelasting over te dragen aan een landelijk werkende toegelaten instelling; en

(c) de vrijstelling die ertoe strekt de verkrijging van onroerende zaken van wijkontwikkelings-maatschappijen door de deelnemers in een dergelijke maatschappij in bepaalde situaties vrij te stellen van overdrachtsbelasting.

Doelstelling:

Stimulering van stedelijke herstructurering.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Evaluatie WOM-regeling, Companen, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 79. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling inrichting landelijk gebied

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn verkrijgingen krachtens de Wet inrichting landelijk gebied. De vrijstelling bevordert de overdracht van de onroerende zaken via kavelruil en herverkaveling doordat de overdracht zonder overdrachtsbelasting kan plaatsvinden. Dit maakt het eenvoudiger om wegen, waterlopen en overige infrastructuur aan te leggen en gronden van eigenaren kunnen zo dichter bij elkaar worden gebracht.

Doelstelling:

Structuurverbetering van het landelijk gebied.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling Bureau Beheer Landbouwgronden

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn verkrijgingen door het Bureau Beheer Landbouwgronden.

Doelstelling:

Structuurverbetering van het landelijk gebied.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling natuurgrond

Beschrijving:

Vrijgesteld is de verkrijging van natuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. De vrijstelling is beperkt tot grond. Voor zover er opstallen aanwezig zijn, is de vrijstelling niet van toepassing. Als voorwaarde voor de vrijstelling geldt dat tot minimaal tien jaar na de verkrijging de natuurgrond nog steeds behouden en ontwikkeld wordt.

Doelstelling:

Bevorderen en behoud van natuurschoon in handen van private partijen.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Heffingskortingen

Regeling:

Algemene heffingskorting

Beschrijving:

De algemene heffingskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. Iedereen heeft recht op de korting, maar de hoogte is inkomensafhankelijk. De korting bedraagt maximaal € 2.477. Vanaf een belastbaar inkomen van € 68.509 bedraagt de korting nul.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Arbeidskorting

Beschrijving:

De arbeidskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen voor werkenden. De hoogte van de korting hangt af van de hoogte van het arbeidsinkomen. De korting bedraagt maximaal € 3.399 en bedraagt nul vanaf een belastbaar inkomen van € 90.745.

Doelstelling:

Stimuleren van arbeidsparticipatie en daarmee samenhangend, het verkleinen van de armoedeval.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Beschrijving:

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is een heffingskorting voor ouders met een arbeidsinkomen boven een bepaalde drempel. Een ouder komt in aanmerking als deze een werkende alleenstaande is of de minstverdienende van twee werkende partners, en als deze in het belastingjaar ten minste zes maanden een kind dat aan het begin van het belastingjaar jonger dan 12 jaar oud was, op zijn woonadres heeft staan ingeschreven. De korting bedraagt maximaal € 2.835.

Doelstelling:

Stimuleren van arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Jonggehandicaptenkorting

Beschrijving:

De jonggehandicaptenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die recht hebben op een uitkering volgens de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong-uitkering) of op ondersteuning bij het vinden van werk volgens de wet Wajong. De korting vervalt als de belastingplichtige ouderenkorting krijgt. De korting bedraagt € 737.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning jonggehandicapten.

Ministerie:

SZW, artikel 4: Jonggehandicapten.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Alleenstaande ouderenkorting

Beschrijving:

De alleenstaande ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die een AOW-uitkering voor een alleenstaande ontvangen, of die een AOW-uitkering voor een alleenstaande zouden ontvangen als ze minimaal één jaar verzekerd zouden zijn geweest voor de AOW. De korting bedraagt € 438.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning alleenstaande ouderen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Ouderenkorting

Beschrijving:

De ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die op 31 december van het belastingjaar de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De korting bedraagt € 1.596 voor verzamelinkomens tot en met € 36.783 en wordt voor verzamelinkomens daarboven met 15% afgebouwd tot € 0.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning ouderen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Energiebelasting

Regeling:

EB Verlaagd tarief glastuinbouw

Beschrijving:

Voor verbruik van aardgas in de glastuinbouw geldt in de eerste twee schijven een verlaagd tarief in de energiebelasting.

Doelstelling:

Het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de relatief kleinschalige energie-intensieve glastuinbouwsector bij de invoering van de energiebelasting, zoals deze met de degressieve tariefstructuur werd bereikt voor de andere energie-intensieve sectoren.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

Evaluatie energiebelastingtarief glastuinbouw, LEI, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 32 627, nr. 24. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

Beschrijving:

Non-profitinstellingen en gebouwen die ten dienste staan van de openbare eredienst of het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, hebben recht op teruggaaf van de helft van de betaalde energiebelasting.

Doelstelling:

Bieden van compensatie aan de beheerders van dergelijke gebouwen, aangezien kerken e.d. weinig betaald personeel hebben en geen vennootschapsbelasting betalen waardoor enig voordeel in de vorm van een terugsluis deze doelgroep niet bereikt.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie van de teruggaafregeling energiebelasting voor kerken en non-profit organisaties, FIN, 2005. Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 2, bijlage 12. Deze regeling is tevens geëvalueerd in de Brede heroverwegingen 1. Energie en Klimaat, 2010. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

EB Teruggaaf energie-intensieve industrie

Beschrijving:

Teruggaaf van energiebelasting voor het elektriciteitsgebruik boven de 10 miljoen kWh voor energie-intensieve bedrijven die deelnemen aan een convenant ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Doelstelling:

Primair maakt de regeling deel uit van de beleidsarme implementatie van de Richtlijn Energiebelastingen per 2004. Secundair wordt deelname aan een convenant ter verbetering van de energie-efficiëntie bevorderd.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

EB Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

Beschrijving:

Leden van coöperaties en Verenigingen van Eigenaren waar collectief duurzame energie wordt opgewekt komen in aanmerking voor een belastingkorting van 9,874 eurocent per kWh. De regeling geldt voor kleinverbruikers die in dezelfde postcoderoos wonen als waar de productie-installatie zich bevindt. De opgewekte duurzame energie wordt geleverd aan de energiemaatschappij, die de korting toepast op de energiebelasting over de elektriciteit die de leden geleverd krijgen van het net. De korting is gelijk aan het tarief energiebelasting dat drukt op die elektriciteit. Dit leidt er toe dat een lid geen energiebelasting betaalt over zijn energieverbruik van het net voor zover daar aan hem toe te rekenen duurzame opgewekte elektriciteit tegenover staat.

Doelstelling:

Het stimuleren van lokale duurzame opwekking van elektriciteit door particuliere kleinverbruikers.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

Evaluatie Regeling verlaagd tarief, Kwink, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 31 239, nr. 287. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Geen aangiftecijfers beschikbaar, dus het budgettaire belang wordt voor alle jaren geraamd aan de hand van inschattingen in het evaluatierapport van Kwink uit 2018 en rekenveronderstellingen.

Regeling:

EB Salderingsregeling

Beschrijving:

De salderingsregeling in de energiebelasting geldt voor kleinverbruikers die duurzame energie opwekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen. Per kalenderjaar wordt de van het net afgenomen elektriciteit weggestreept tegen de teruggeleverde elektriciteit. Voor salderen is de bovengrens het eigen jaarlijkse verbruik. Voor de geproduceerde elektriciteit boven het eigen verbruik ontvangt de kleinverbruiker van zijn energieleverancier een terugleververgoeding.

Doelstelling:

Stimuleren van energieopwekking middels zonnepanelen en het in overeenstemming brengen van de toepassing van energiebelasting met de praktijk van terugdraaimeters.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

De historische impact van salderen, PwC, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 239, nr. 251. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers ECN over elektriciteitsproductie uit zon-PV in huishoudens (NEV 2017).

Regeling:

EB en kolenbelasting Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

Beschrijving:

Deze post omvat de vrijstelling voor verbruik van aardgas voor metallurgische en mineralogische procedés in de energiebelasting, de vrijstelling voor verbruik van elektriciteit voor metallurgische en elektrolytische processen en chemische reductie in de energiebelasting en de vrijstelling voor duaal verbruik van kolen in de kolenbelasting.

Doelstelling:

Beschermen van internationale concurrentiepositie.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers CBS over energieverbruik t/m 2016. Raming 2017-2019 gebaseerd op cijfers uit NEV 2017.

Regeling:

EB Belastingvermindering per aansluiting

Beschrijving:

Per elektriciteitsaansluiting geldt een belastingvermindering. Deze is € 257,54 (exclusief btw). De vermindering geldt alleen voor onroerende zaken met verblijfsfunctie (zoals een huis of kantoor).

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan energie en ter compensatie van de invoering van het capaciteitstarief (een vast tarief voor transport van elektriciteit in plaats van een tarief per kWh).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

EB Stadsverwarmingsregeling

Beschrijving:

De stadsverwarmingsregeling geldt voor installaties voor stadsverwarming die grotendeels gebruik maken van restwarmte. De stadsverwarmingsregeling regelt dat het degressieve tarief in de energiebelasting van toepassing is op het aardgas dat wordt gebruikt voor deze installaties voor stadsverwarming. Zonder de regeling zou dat aardgas worden belast tegen het (hogere) blokverwarmingstarief.

Doelstelling:

Stimuleren van nuttige inzet restwarmte.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

EB en kolenbelasting Inputvrijstelling

Beschrijving:

Aardgas of kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minstens 30% en een elektrisch vermogen van tenminste 60 kilowatt zijn vrijgesteld van energie- en kolenbelasting. De gedachte hierachter is dat de opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.

Doelstelling:

Voorkomen van dubbele energiebelasting. Opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

EB Verlaagd tarief openbare laadpalen

Beschrijving:

Voor elektriciteit geleverd aan laadpalen met een zelfstandige aansluiting geldt over de eerste 10.000 kWh tijdelijk het lagere tarief van de tweede schijf in plaats van het hogere reguliere tarief van de eerste schijf. Het verlaagde tarief zal vier jaar van toepassing zijn, van 2017 tot en met 2020. Verder geldt een nihiltarief voor de elektriciteit voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting op het distributienet in de Wet opslag duurzame energie voor de periode van 2017 tot en met 2020.

Doelstelling:

De businesscase voor openbare laadpalen verbeteren.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening.

Evaluatie:

Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege beoogde afschaffing in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Omzetbelasting (BTW)

Regeling:

BTW Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde leveringen en diensten met betrekking tot water en de levering van voedingsmiddelen die voldoen aan de eisen van de Warenwetgeving, inclusief niet-alcolhoudende dranken, het verlaagde btw-tarief van 9%. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan voeding en water.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2015 definitief, t/m 2017 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor leveringen van geneesmiddelen die voldoen aan de definitie uit de Geneesmiddelenwet, voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen het lage btw-tarief van 9%. Ook geldt voor specifiek genoemde medische hulpmiddelen het lage btw-tarief van 9%. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan zorg.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2015 definitief, t/m 2017 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor leveringen van specifieke culturele goederen of diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Het gaat bijvoorbeeld om de levering en verhuur van boeken, tijdschriften, week- en dagbladen en kunstvoorwerpen en toegangverlening tot musea, kermissen, attractieparken, sportwedstrijden en -accommodatie, circussen, bioscopen, theaters, concerten, e.d. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van cultuur, kennisvermeerdering, recreatie en sport c.q. ondersteuning van de desbetreffende sectoren.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Evaluatie van de verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten, OCW, 2014. Kamerstukken I 2013-2014, 33 752 M. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2015 definitief, t/m 2017 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde arbeidsintensieve diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Het gaat om de diensten van kappers, fietsenmakers, schoenmakers, kleermakers en schoonmakers van woningen. Het verlaagde btw-tarief geldt tevens voor het schilderen, stukadoren, isoleren en behangen van woningen ouder dan twee jaar.Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren, aanpakken problemen op de woningmarkt en bestrijding van het zwarte circuit.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

Monitor effecten btw-verlaging arbeidsintensieve diensten, Research voor Beleid, 2002. Contra-expertise effecten btw-verlaging arbeidsintensieve diensten, CPB, 2003. Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 IXB, nr. 24. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2015 definitief, t/m 2017 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief overig

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde goederen en diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Deze categorie «overig» ziet onder andere op de sierteelt, het vervoer van personen en logiesverstrekking. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie btw-regeling sierteeltproducten, LEI, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 XIV, nr. 157. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2015 definitief, t/m 2017 voorlopig.

Regeling:

BTW Kleineondernemersregeling

Beschrijving:

De huidige Kleineondernemersregeling (KOR) bestaat uit twee onderdelen: een degressieve belastingvermindering indien de verschuldigde omzetbelasting niet meer bedraagt dan € 1.883, en een mogelijke ontheffing van bepaalde administratieve verplichtingen indien de verschuldigde omzetbelasting niet meer bedraagt dan € 1.345. De nieuw voorgestelde KOR betreft een facultatieve vrijstelling van omzetbelasting bij een omzet van maximaal € 20.000. De kleine ondernemers die hiervoor kiezen zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen. De nieuwe KOR treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Doelstelling:

Stimuleren en ondersteunen van kleine ondernemers en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

Cijfers btw-aangifte en aanvullende informatie van de Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

BTW Vrijstelling sportclubs

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn de diensten van niet-winstbeogende organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen. Het gaat met name om contributie en lesgelden. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht. Per 2019 wordt de sportvrijstelling verruimd zodat deze ook van toepassing is op sportgerelateerde prestaties door niet-winstbeogende

sportorganisaties aan niet-leden, zoals het ter beschikking stellen van sportaccommodaties.

Doelstelling:

Stimuleren c.q. ondersteunen van sportclubs en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

VWS, artikel 6: Sport en bewegen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling post

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn diensten met betrekking tot de levering van brieven tot een bepaald gewicht, bedoeld in artikel 16 van de Postwet 2009. De vrijstelling geldt alleen voor een verlener van de universele postdienst. Binnen de Europees Unie is een vrijstelling voor openbare postdiensten verplicht.

Doelstelling:

Voorkomen van administratieve lasten.

Ministerie:

EZK, artikel 1: Goed functionerende economie en markten.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn de diensten en daarmee nauw samenhangende leveringen door werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede door organisaties van politieke, godsdienstige, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke of liefdadige aard aan hun leden tegen een statutair vastgestelde contributie. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van hierboven bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling fondswerving

Beschrijving:

Deze regeling voorziet in een vrijstelling voor bijkomstige activiteiten van reeds vrijgestelde organisaties. Het gaat met name om activiteiten die zij ontplooien ter verwerving van de benodigde middelen voor hun vrijgestelde doelstelling. Om te waarborgen dat deze prestaties geen ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen veroorzaken, is de vrijstelling beperkt tot omzetgrenzen van € 68.067 per jaar voor leveringen en € 22.689 per jaar voor diensten (€ 50.000 voor sportorganisaties).

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstellingen medische zorg

Beschrijving:

Vrijgesteld van btw zijn medische handelingen die gericht zijn op de persoonlijke gezondheidskundige verzorging van de mens, alsmede voor de zorg verleend door instellingen waar men is opgenomen en de zorg op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan medische zorg.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Beschrijving:

Vrijgesteld van btw zijn diensten die naar hun aard diensten zijn door een journalist, schrijver of componist.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2022-2025.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling lijkbezorging

Beschrijving:

Leveringen door lijkbezorgers die in een rechtstreeks verband staan met de door hen verrichte kenmerkende en essentiële diensten zijn vrijgesteld van btw.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, vanwege het beperkte budgettaire belang van de regeling.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstellingen overig

Beschrijving:

Deze categorie «overig» ziet onder andere op de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken, betalingsverkeer, handelingen inzake waardepapieren, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Doelstelling:

Diversen, bijvoorbeeld om de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag te verhelpen of omdat het elders belast is.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regelingen zijn verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Auto

Regeling:

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

Beschrijving:

Voertuigen met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer zijn vrijgesteld van BPM. Deze vrijstelling geldt tot 1 januari 2021.

Doelstelling:

Stimuleren van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, cijfers van de Belastingdienst en de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2017/18» van de Stichting BOVAG-RAI.

Regeling:

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

Beschrijving:

Voor alle voertuigen met een CO2- uitstoot van 0 gram per kilometer geldt in de MRB een nihiltarief. Deze vrijstelling geldt tot 1 januari 2021.

Doelstelling:

Stimuleren van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2018. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

Beschrijving:

Bij privégebruik van een auto van de zaak geldt voor nieuwe auto’s vanaf 2017 een bijtelling in de loon- en/of inkomstenbelasting van 22% van de catalogusprijs. Bij privégebruik van een nulemissieauto van de zaak geldt in 2017 en 2018 een korting van 18% op de bijtelling. Hierdoor komt de bijtelling voor nulemissieauto’s in feite uit op 4%. In 2019 en 2020 is de korting van 18% gemaximeerd op € 9.000.

Doelstelling:

Stimulering van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2017/18» van de Stichting BOVAG-RAI en data van de Belastingdienst over de bijtelling.

Regeling:

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

Beschrijving:

Bij privégebruik van een auto van de zaak geldt voor auto’s van voor 2017 een bijtelling in de loon- en/of inkomstenbelasting van 25% van de catalogusprijs. Bij auto’s met lagere CO2- uitstoot dan bepaalde grenzen kan in 2017 en latere jaren door overgangsrecht een korting op de bijtelling van toepassing zijn.

Doelstelling:

Bevorderen van het gebruik van milieuvriendelijke auto’s.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2017/18» van de Stichting BOVAG-RAI en data van de Belastingdienst over de bijtelling.

Regeling:

BPM Teruggaaf en MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

Beschrijving:

Teruggaaf van belasting wordt onder voorwaarden verleend voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer. De BPM-teruggaaf voor taxi's wordt afgeschaft vanaf 2020.

Doelstelling:

Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en taxivervoer.

Ministerie:

IenW, artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.

Evaluatie:

Evaluatierapport Openbaar vervoer en taxivervoer in de MRB en BPM, IenM, 2006. Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 IXB, nr. 32. De voor 2018 geplande evaluatie is vervallen vanwege de voorgenomen afschaffing van de BPM-teruggaaf per 2020. De evaluatie van de MRB-vrijstelling taxi's en openbaar vervoer is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

BPM Teruggaaf en MRB Vrijstelling diverse voertuigen

Beschrijving:

In de BPM en MRB geldt voor diverse voertuigen een vrijstelling of teruggaafregeling. In de MRB betreft dit (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, vuilniswagens, aftrek voor het gewicht van een voor rolstoelinstallatie en voertuigen waar gewoonlijk slechts over een geringe afstand van de weg gebruikt gemaakt wordt. In de BPM betreft het (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, invalidenwagens en vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.

Doelstelling:

Deze regelingen kennen diverse doelstellingen, waaronder het dienen van het algemeen belang.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Het beperkte en ondergeschikte gebruik van de weg in de MRB, FIN, 2007. Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 IXB, nr. 17. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

BPM Vrijstelling bestelauto ondernemers

Beschrijving:

Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig (meer dan 10% van het totale gebruik van de bestelauto) in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt een vrijstelling van BPM.

Doelstelling:

Stimulering ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

Beschrijving:

Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig (meer dan 10% van het totale gebruik van de bestelauto) in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt een verlaagd tarief in de MRB.

Doelstelling:

Stimulering ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2018. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

Beschrijving:

Een verlaagd MRB-tarief is van toepassing op een bestelauto die wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte persoon in de cabine van het voertuig en voor het gelijktijdig vervoeren van een niet-opvouwbare rolstoel van die persoon.

Doelstelling:

Tegemoetkoming voor gehandicapten.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2018. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

Beschrijving:

Motorrijtuigen van 40 jaar en ouder zijn vrijgesteld van MRB.

Doelstelling:

Stimulering behoud van mobiel historisch erfgoed.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Budgettaire opbrengst van de oldtimermaatregel, FIN, 2015. Kamerstukken II 2014-2015, 34 002, nr. 100. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

Beschrijving:

Voor personen- en bestelauto’s rijdend op benzine, motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar, geldt een kwarttarief met een maximum van € 124 onder de voorwaarde dat er in de maanden januari, februari en december niet van de openbare weg gebruik wordt gemaakt.

Doelstelling:

Behouden van cultureel rijdend erfgoed in deze leeftijdsgroep waarmee niet dagelijks gebruik wordt gemaakt van de weg.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Budgettaire opbrengst van de oldtimermaatregel, FIN, 2015. Kamerstukken II 2014-2015, 34 002, nr. 100. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2017.

Regeling:

MRB Kwarttarieven

Beschrijving:

Voor kampeerauto’s, voertuigen voor particulier paardenvervoer, kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en rijdende werkplaatsen geldt een kwarttarief in de MRB. Het overgrote deel hiervan betreft kampeerauto’s.

Doelstelling:

Ontzien van voertuigen waarmee beperkt gebruik wordt gemaakt van de weg.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Het beperkte en ondergeschikte gebruik van de weg in de MRB, FIN, 2007. Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 IXB, nr. 17. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2018. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

Beschrijving:

Voor auto’s met een CO2- uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer maar minder dan 50 gram per kilometer geldt een halftarief in de MRB.

Doelstelling:

Stimuleren gebruik plug-in hybride auto.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2018. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Accijns

Regeling:

Accijns Vrijstelling communautaire wateren

Beschrijving:

Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van Richtlijn 2003/96/EG i moet voor leveringen van motorbrandstof aan de commerciële zeescheepvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Op grond van een internationaal verdrag, de Akte van Mannheim, moet vrijstelling van accijns ook worden verleend voor motorbrandstof voor de commerciële scheepvaart op de binnenwateren van de verdragslanden. Accijns is alleen verschuldigd voor zover het verbruik van een accijnsgoed in Nederland plaatsvindt. Omdat het overgrote deel van de motorbrandstof voor de zeescheepvaart niet in Nederland wordt verbruikt, zou hierover sowieso geen accijns verschuldigd zijn. Indien wel accijns zou zijn betaald, wordt op verzoek teruggaaf hiervan verleend.

Doelstelling:

Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor vaartuigen.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18. Geen evaluatie beoogd. De regeling komt voort uit internationale verdragen, dus het is niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Accijns Vrijstelling luchtvaartuigen

Beschrijving:

Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn 2003/96/EG i en internationale verdragen moet voor motorbrandstof voor de commerciële luchtvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Binnenlandse vluchten kunnen wel worden belast, hetgeen in Nederland in de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2012 ook gebeurde.

Doelstelling:

Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor luchtvaartuigen.

Ministerie:

IenW, artikel 17: Luchtvaart.

Evaluatie:

Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18. Geen evaluatie beoogd. De regeling komt voort uit internationale verdragen, dus het is niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Accijnzen overige regelingen

Beschrijving:

Overige regelingen die de accijns verminderen, zoals het verlaagd tarief voor kleine brouwerijen en teruggaafregelingen voor LNG en LPG.

Doelstelling:

Verschilt per regeling.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18. De teruggaafregeling voor LNG wordt geëvalueerd in 2018.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Afkortingen

BPM

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

EB

Energiebelasting

IB

Inkomstenbelasting

LB

Loonbelasting

MIMOSI

Microsimulatiemodel van het Centraal Planbureau (CPB)

MRB

Motorrijtuigenbelasting

OVB

Overdrachtsbelasting

VPB

Vennootschapsbelasting

  • 11. 
    Taakopdracht IBO’s

Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO’s) ontwikkelen alternatieven voor bestaand beleid.

IBO’s vinden plaats in opdracht van het kabinet en worden uitgevoerd door interdepartementale werkgroepen onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. Afgeronde IBO’s zijn te vinden op: http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/beleidsonderzoek/overzicht-afgeronde-ibos

Eind 2017 heeft het kabinet opdracht gegeven tot IBO’s op de volgende onderwerpen:

    • 1. 
      IBO Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt
    • 2. 
      IBO Grondvergoeding energievoorziening
    • 3. 
      IBO Mensen met een (licht) verstandelijke beperking

De Tweede Kamer is per brief geïnformeerd over de taakopdrachten32. Door een latere start is de oplevering van deze IBO’s uitgesteld naar oktober 2018. De rapporten zullen daarna, voorzien van een kabinetsreactie, aan de Tweede Kamer verzonden worden.

Daarnaast wordt middels deze miljoenennota opdracht gegeven tot de volgende IBO’s welke in 2018-2019 worden uitgevoerd:

    • 1. 
      IBO Toeslagen
    • 2. 
      IBO Deeltijdwerk
    • 3. 
      IBO Internationalisering van het onderwijs
    • 4. 
      IBO Luchtkwaliteit
    • 5. 
      IBO Koninkrijksrelaties

Hieronder volgen de taakopdrachten.

Taakopdracht IBO Toeslagen

Nederland kent bijna 50 regelingen die burgers van inkomensondersteuning voorzien. Binnen deze regelingen is onderscheid te maken naar inkomensvervangende regelingen en regelingen die inkomens aanvullen. Bekende inkomensvervangende regelingen zijn bijvoorbeeld de Algemene Ouderdomswet (AOW), de WW-uitkering en de bijstand. De toeslagen zijn regelingen die het inkomen aanvullen. Kenmerkend voor de toeslagen is dat zowel de toekenning als de omvang van de tegemoetkoming in veel gevallen afhankelijk is van de hoogte van het inkomen van de aanvrager.

De huurtoeslag, zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en kindgebondenbudget kenmerken zich doordat ze inkomensondersteuning op huishoudensniveau bieden. De huurtoeslag heeft ook als doel om de huren betaalbaar te houden. De zorgtoeslag om de zorg voor alle huishoudens financieel toegankelijk te houden. De kinderopvangtoeslag heeft samen met regelingen zoals de arbeidskorting en de IACK het doel om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Het kindgebondenbudget biedt inkomensondersteuning aan huishoudens met kinderen.

De Belastingdienst/Toeslagen draagt sinds 2006 zorg voor de uitvoering van de toeslagen, volgens de regels van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De beleidsmatige verantwoordelijkheid voor de (vormgeving van) toeslagen ligt bij de verschillende beleidsdepartementen. In het verleden zijn voor (individuele) toeslagen eerder interdepartementale onderzoeken gedaan naar mogelijke vereenvoudigingen van het uitvoeringsproces en het tegengaan van fraude en misbruik. Mede daardoor is het uitvoeringsproces inmiddels stabiel geworden. Niettemin worden de voorwaarden voor het recht op een toeslag en de gehanteerde uitvoeringssystematiek (door de burger) op onderdelen nog steeds als ingewikkeld en belastend ervaren, wat in bepaalde gevallen leidt tot schuldenproblematiek of niet-gebruik. Recente rapporten van de WRR en de RVS wijzen hier op: Het aantal huishoudens met risicovolle schulden breed bedraagt 20% van het totaal aantal huishoudens en de overheid is veelal een belangrijke schuldeiser. Ook de Nationale ombudsman ziet als één van de oorzaken voor financiële problemen van mensen het complexe stelsel van toeslagen en inkomensvoorzieningen.

Daarnaast zijn bepaalde aspecten van het toeslagensysteem deels een uitkomst van de manier waarop het bredere overheidsbeleid rondom inkomensondersteuning van burgers momenteel is ingericht. Ongeveer de helft van de Nederlandse huishoudens ontvangt een toeslag. Een relevante vraag is dan ook of het bieden van inkomensondersteuning aan burgers middels de toeslagen, in een breder perspectief en samenhang met andere regelingen bezien, niet op een andere, meer effectieve en doelmatige manier bereikt zou kunnen worden.

De stapeling van meerdere toeslagen en andere inkomstenregelingen zorgt ook voor een hoge marginale druk wat de arbeidsparticipatie nadelig beïnvloedt (armoedeval).

Doel van dit IBO is om in twee deelonderzoeken te kijken naar mogelijke verbeteringen. Het eerste deelonderzoek richt zich op verbetermogelijkheden die op de korte termijn (deze kabinetsperiode) binnen het huidige stelsel in gang gezet kunnen worden. Het gaat in dit onderzoek om het verkennen van maatregelen die gericht zijn op het beter faciliteren van burgers, op het verder terugbrengen van terugvorderingen en nabetalingen in aantal en hoogte daarvan, en het sneller waarnemen van veranderingen in de persoonlijke omstandigheden van burgers. Het tweede deelonderzoek heeft een bredere scope en richt zich op verbetermogelijkheden voor de lange termijn (na deze kabinetsperiode). In dit deelonderzoek zal onder meer worden gekeken naar het afschaffen van toeslagen en de mogelijkheid van compensatie binnen bijvoorbeeld de fiscaliteit, andere inkomensafhankelijke regelingen c.q. de stelsels van wonen, zorg en kinderen. Voor dit IBO geldt dat te onderzoeken varianten binnen de kaders van het huidige Zvw-stelsel blijven.

In dit deelonderzoek worden dus voor de termijn na deze kabinetsperiode varianten uitgewerkt die een herziening van het stelsel met zich meebrengen.

Organisatie van het onderzoek

De breedte van het onderzoek vertaalt zich in de bezetting van de werkgroep en ondersteuning. Leden van de werkgroep zijn: FIN II, FIN I, 2 werkgroepleden vanuit SZW (inkomensbeleid en toeslagen), VWS, BZK, AZ, EZK, SCP en CPB. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door een secretariaat met 3 secretarissen:. 1 secretaris van Fin I, 1 secretaris van SZW en 1 secretaris van Fin II. De voorzitter en secretarissen dragen er zorg voor dat de benodigde experts (van bv. departementen of onderzoeksbureaus) aansluiten bij werkgroepvergaderingen. Beide deelonderzoeken starten parallel in september 2018. Het secretariaat rondt haar rapport van het eerste deelonderzoek uiterlijk 1 april 2019 af. De rapportage van deelonderzoek 2 wordt uiterlijk 1 oktober 2019 opgeleverd. De omvang van elk deelrapport is niet groter dan 30 bladzijden plus een samenvatting van maximaal 5 bladzijden.

Deelonderzoek 1: verbeteringen binnen huidige stelsel van toeslagen

Het huidige toeslagenstelsel werkt met een maandelijkse uitbetaling van een voorschot. Dit voorschot is (deels) gebaseerd op een schatting van het vermoedelijk recht op een toeslag op basis van onder andere het verwachte inkomen. Tussen de schattingen en werkelijke situatie, zoals die pas na afloop van het toeslagjaar kan worden vastgesteld, zit voor veel burgers (enig) verschil. In dat geval hebben burgers teveel of te weinig toeslag als voorschot ontvangen. Dit leidt tot terugvorderingen of nabetalingen.

De kwetsbaarheid van het toeslagenstelsel is dat het (deels) afhankelijk is van inschattingen van burgers over hun inkomen en het tijdig doorgeven van wijzigingen die van invloed zijn op de hoogte van de toeslag. Het beroep dat dit stelsel doet op acties van burgers zelf blijkt soms problematisch. De verwachting ten aanzien van de zelfredzaamheid van burgers is niet voor alle toeslagontvangers realistisch. De WRR heeft daar in een recent onderzoek ook op gewezen Het aandeel toeslaggebruikers dat uit eigen beweging mutaties doorgeeft is al jaren naar schatting stabiel rond de 10%. Voorts ontvangen in de huidige systematiek de lagere inkomens hogere toeslagen. Bij terugvorderingen leidt dit automatisch tot hogere terugvorderingen. Een aantal maatregelen om bijvoorbeeld inkomensschattingen minder afhankelijk te maken van de burger, gerichte attendering voor bepaalde doelgroepen en ontwikkeling naar meer toezicht vooraf heeft positieve invloed gehad op het aantal en de omvang van de nabetalingen en terugvorderingen (zie ook de 2e evaluatie Awir). Desondanks is het zo dat gemiddeld 27% per toeslag, een deel van het voorschot terug moet betalen; bij de kinderopvangtoeslag is sprake van een terugvorderingpercentage van 40%. Om die reden moet het aantal en de omvang verder worden teruggedrongen.

Uitgangspunt van het toeslagenstelsel is, dat de primaire verantwoordelijkheid voor het aanvragen van toeslagen bij de aanvrager zelf ligt. Er zijn indicaties dat rond de 17% van burgers die recht hebben op bijvoorbeeld huur- en zorgtoeslag daar geen gebruik van maken. Bezorgdheid over het risico van het achteraf moeten terugbetalen van toeslagen die onterecht zijn toegekend of te hoog zijn vastgesteld en daardoor in de schulden komen, speelt in ieder geval bij een deel van deze groep een rol. Vanuit een gedragseconomisch perspectief is het daarom de vraag of de nadruk in het huidige stelsel niet teveel ligt op de exacte hoogte van de vergoedingen op basis van het actuele inkomen en te weinig op de zekerheid van de inkomensondersteuning. Zowel de literatuur over verliesaversie als recente inzichten over het niet-gebruik van verschillende toeslagen duiden hierop.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tijdens het Algemeen Overleg Belastingdienst met de Tweede Kamer op 14 december 2017 toegezegd contact op te nemen met leden van het Kabinet om binnen het systeem van toeslagen te kijken naar mogelijkheden om zowel het terugbetalen van toeslagen terug te dringen als wat er nog meer mogelijk is op het terugdringen van het niet-gebruik.

Opdracht aan werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd de volgende dingen te onderzoeken:

    • 1. 
      Wat zijn de oorzaken voor terugvorderingen bij de verschillende toeslagen? In hoeverre worden terugvorderingen veroorzaakt door niet doorgeven van inkomenswijzigingen, veranderingen in de huishoudsituatie of door andere factoren? Hoe verhoudt dit zich tot terugvorderingen veroorzaakt door andere factoren? Welk deel van de terugvorderingen wordt door toeslagontvangers als problematisch ervaren?
    • 2. 
      Zijn er specifieke groepen toeslagontvangers aan te wijzen die in grote mate te maken krijgen met hoge terugvorderingen? In hoeverre verschilt dit voor de vier toeslagen?
    • 3. 
      In hoeverre wordt de doelgroep volledig bereikt? Wat is de omvang van niet-gebruik van toeslagen en welke aanleidingen zijn hiervoor aan te wijzen? Wat kunnen beleidsdepartementen en de uitvoering doen om goed gebruik van toeslagen te stimuleren?
    • 4. 
      Welke beleidsalternatieven zijn er om de toeslagensystematiek aan te passen zodat deze doeltreffender en doelmatiger is? (In ieder geval gaat om het verminderen van de hoogte van het aantal terugvorderingen en het beter aansluiten bij het doenvermogen van burgers) Hierbij wordt in ieder geval de volgende twee opties geanalyseerd: werken met een vastgesteld inkomen uit het verleden (t-2) en het uitbetalen van een deel (zoals 90% van het voorschot), waarbij gebruik gemaakt kan worden van eerder onderzoek dat hier naar is gedaan. Ook kan er gekeken worden naar de voorstellen die gedaan zijn in het rapport «harmonisatie inkomensbegrippen».

De door de werkgroep uit te werken beleidsalternatieven dragen bij aan het verminderen van de schuldenproblematiek. Voor de beleidsalternatieven worden in ieder geval in kaart gebracht: het gemak voor de burger, het verbeteren van de inkomenszekerheid en mogelijke werkgelegenheidseffecten (marginale druk/armoedeval), vereenvoudiging van de uitvoering, de effecten op het aantal en hoogte van de terugvorderingen en nabetalingen, de vermindering van het niet gebruik en de budgettaire consequenties (programmakosten en uitvoeringskosten).

Beleidsvarianten

Het onderzoek rapporteert op basis van de gedane bevindingen over meerdere beleidsvarianten om de huidige toeslagensystematiek te verbeteren. De implicaties worden zoveel mogelijk gekwantificeerd. Uitgangspunt is dat de verschillende beleidsvarianten budgetneutraal zijn.

Deelrapport 2 stelselwijziging

Het huidige toeslagensysteem kent verschillende knelpunten. Zoals hierboven beschreven gaat het huidige stelsel uit van de verantwoordelijkheid van de burger, dit kan leiden tot problemen met terugvorderingen en niet-gebruik. Fraude is hierbij ook altijd een aandachtspunt. Voorts is de beleidsmatige verantwoordelijkheid voor en de vormgeving van de verschillende toeslagen verdeeld over drie departementen en wordt het karakter van de verschillende toeslagen verschillend gedefinieerd. Dit maakt het eveneens ingewikkeld voor de burger en moeilijk om tot vereenvoudiging en harmonisatie te komen. Daarnaast wordt er binnen het huidige stelsel op grote schaal geld rondgepompt. Dat is mede het gevolg van een op individueel inkomen gerichte inkomstenbelasting en toeslagen gericht op het versterken van de draagkracht van huishoudens. Circa 5 miljoen huishoudens komen in aanmerking voor één of meer toeslagen en ontvangen in totaal circa 12 miljard euro. Ook zorgt de stapeling van meerdere toeslagen en andere inkomstenregelingen voor een hoge marginale druk wat de arbeidsparticipatie nadelig beïnvloedt (armoedeval). Dit geldt met name indien huishoudens in aanmerking komen voor meerdere toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen. Iedereen met bijvoorbeeld minimumloon, een bijstandsuitkering en AOW-uitkering komen qua inkomensniveau voor een toeslag in aanmerking. Tot slot is sinds 2001 het aantal regelingen op het gebied van inkomensbeleid toegenomen, waarbij er een tegemoetkoming is gecreëerd voor vrijwel ieder huishouden (werknemers, ondernemers, gepensioneerden, gezinnen met kinderen, alleenstaande ouders etc.). De verschillende instrumenten zijn sinds 2001 fors in omvang toegenomen, terwijl tegelijkertijd de belastingtarieven in de eerste twee schijven ook zijn verhoogd.

Door de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen, de brede heroverwegingen en eerdere IBO’s zijn er opties verkend om het toeslagenstelsel te herzien. Zo is in de brede heroverweging onder andere gekeken naar het afschaffen en anders vormgeven van de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. En zo heeft in 2013 de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen gekeken naar de introductie van een huishoudentoeslag. Hierbij was voorgesteld om de zorgtoeslag, de huurtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderbijslag tot een huishoudentoeslag om te vormen. Dit bleek uiteindelijk in de uitwerking van dit voorstel door het toenmalige kabinet niet haalbaar te zijn. In 2016 zijn in het IBO «sociale huur» aanbevelingen gedaan voor de verbetering van de budgettaire beheersbaarheid van de uitgaven huurtoeslag en denkrichtingen voor een andere inrichting van dit stelsel verkend.

Opdracht aan werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd meerdere varianten uit te werken die een herziening van het stelsel met zich meebrengen. Hierbij wordt in ieder geval gekeken naar:

    • 1. 
      Kunnen toeslagen (deels) opgevangen worden binnen het instrumentarium van inkomstenbelasting en inkomensondersteuning, binnen de stelsels rond wonen, zorg, kinderen of via (gedeeltelijke) overheveling naar medeoverheden? Wat zijn de verschillende opties om toeslagen af te schaffen? In hoeverre zijn verschillende maatregelen nodig voor verschillende toeslagen en hoe verhoudt dat zich tot het uitgangspunt van harmonisatie en tot de doeltreffendheid en doelmatigheid? Neem hierbij ook de governancestructuur in acht.
    • 2. 
      Voor alle varianten wordt in beeld gebracht: het gemak voor de burger, het verbeteren van de inkomenszekerheid en werkgelegenheidseffecten (marginale druk/armoedeval), vereenvoudiging van de uitvoering, de effecten op het aantal en hoogte van de terugvorderingen en nabetalingen, de vermindering van het niet gebruik en de budgettaire consequenties (programmakosten en uitvoeringskosten). Bij de beleidsvarianten wordt ook gekeken naar de uitvoerbaarheid. De beleidsalternatieven dragen bij aan het verminderen van de schuldenproblematiek.

Beleidsvarianten

Het onderzoek rapporteert op basis van de gedane bevindingen over meerdere beleidsvarianten om het systeem van toeslagen te verbeteren. De implicaties worden zoveel mogelijk gekwantificeerd. Uitgangspunt is dat de verschillende beleidsvarianten budgetneutraal zijn. Daarnaast wordt er in ieder geval één beleidsvariant uitgewerkt die een besparing van 20% oplevert (waarbij zowel naar de uitvoeringskosten als programmakosten wordt gekeken).

Taakopdracht IBO Deeltijdwerk

Inleiding

Nederland is wereldkampioen deeltijdarbeid. Dit geldt voor mannen en vrouwen, maar in het bijzonder (jonge) vrouwen werken in vergelijking met andere landen erg veel in deeltijd. Ook is het verschil in het aantal gewerkte uren tussen jonge vrouwen en mannen (gemiddeld 29 tegenover 37 uur) in Nederland veel groter dan gemiddeld in Europa (35 uur versus 39 uur). Waar in andere Westerse landen ongeveer de helft van de participerende vrouwen een voltijdbaan heeft, geldt dit in Nederland slechts voor ongeveer een kwart. In veel landen wordt voor deeltijdwerk gekozen door moeders die zorg dragen voor (jonge) kinderen. In Nederland komt deeltijdwerk ook veel meer voor bij vrouwen zonder zorgtaken voor (jonge) kinderen.

Dat Nederland wat betreft deeltijdwerk zo sterk afwijkt van andere landen roept een aantal vragen op. Moeten we de Nederlandse uitzonderingspositie op dit punt negatief of juist positief waarderen? Is er reden om het aantal in deeltijd werkende vrouwen te willen verkleinen? En vormt dit aanleiding om onze instituties aan te passen om op die manier belemmeringen om meer te gaan werken weg te nemen?

Probleemstelling

Het gegeven dat er in Nederland erg veel in deeltijd wordt gewerkt kan je enerzijds zien als een weerspiegeling van voorkeuren en een uiting van welvaart: nergens wordt deeltijdarbeid op deze manier door werkgevers mogelijk gemaakt en deeltijdarbeid schenkt velen de gewenste balans tussen werk en privé. Nederlandse vrouwen blijken over het algemeen erg tevreden met hun deeltijdbaan. Anderzijds kan deeltijdarbeid ook worden beschouwd als onderbenutting van menselijk kapitaal en vrouwelijk talent, zeker als we bezien dat vrouwen in de toekomst hoger opgeleid zullen zijn dan mannen. Ook leidt het ertoe dat vrouwen minder vaak economisch zelfstandig zijn en minder vaak carrière maken dan mannen.

Het standpunt in dit vraagstuk is vermoedelijk niet los te zien van iemands visie op de rolverdeling van mannen en vrouwen, de verantwoordelijkheid voor zorgtaken (de zorg voor en ontwikkeling van kinderen en de zorg voor naasten (mantelzorg)), en de wenselijkheid om hier als overheid invloed op uit te oefenen. De bedoeling is niet om met dit IBO een standpunt in dit vraagstuk in te nemen. Het doel is om na een degelijke analyse beleidsopties te ontwikkelen die aan kunnen sluiten bij de verschillende visies op dit vraagstuk. Voor verschillende doelen die een politicus voor ogen kan hebben - totale arbeidsparticipatie vergroten, goede zorg voor het kind, meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld in termen van de eigen ontwikkeling, loon en carrièrekansen) en bij de verdeling van onbetaald werk, betrokkenheid van de vader bij de opvoeding van het kind en meer economische zelfstandigheid van met name vrouwen - moet dit IBO beleidsopties aanreiken.

Uitgangspunt is dat de verschillende beleidsvarianten budgetneutraal zijn. Daarnaast wordt er in ieder geval één beleidsvariant uitgewerkt die een significante besparing oplevert.

Opdracht aan de werkgroep

    • • 
      Inventariseren wat de kenmerken zijn van de groepen vrouwen en mannen die in Nederland in deeltijd werken.
    • • 
      Analyseren wat de motieven zijn van vrouwen en mannen om in voltijd of juist in deeltijd te werken.
    • • 
      Onderzoeken hoe instituties (arbeidsrecht, afspraken in cao’s, fiscale prikkels, de organisatie van onderwijs en kinderopvang, arrangementen rond mantelzorg) en sociale normen de voorkeuren van mannen en vrouwen om in voltijd of juist in deeltijd te werken beïnvloeden.
    • • 
      Analyseren hoe afwijkende voorkeuren, instituties en sociale normen kunnen verklaren dat deeltijdwerk - met name onder vrouwen - in Nederland veel populairder is dan in andere landen.
    • • 
      Onderzoeken wat de (statische en dynamische) gevolgen zijn van het relatief hoge aantal deeltijdwerkers in Nederland voor onze welvaart in breder perspectief, waaronder de economische ontwikkeling en de emancipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen.
    • • 
      Analyseren welke belemmeringen er zijn om meer (of juist minder) te gaan werken. Hierbij dient er aandacht te zijn voor zowel belemmeringen aan de vraag- als de aanbodzijde van de arbeidsmarkt en eventuele sectorale verschillen (bijvoorbeeld in de zorg- en onderwijssector).
    • • 
      Formuleren van beleidsvarianten ten aanzien van beleid dat impact heeft op de beslissing van mannen en vrouwen om meer of minder uren te gaan werken, waarbij beleidsvarianten uiteindelijk verschillende doelen kunnen dienen en er zowel oog is voor de kosten als de baten van de verschillende keuzes op de korte en lange termijn ten aanzien van die verschillende doelen.

Organisatie van het onderzoek

Leden van de werkgroep zijn: FIN, SZW, OCW, VWS, AZ, EZK, SCP en CPB. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door 1 secretariaat met 3 secretarissen. FIN-IRF/AFEP, OCW en SZW leveren een secretaris. Het onderzoek start in oktober 2018. Het secretariaat rondt haar eindrapport uiterlijk voorjaar 2019 af. De omvang van het rapport is niet groter dan 30 bladzijden plus een samenvatting van maximaal 5 bladzijden.

Taakopdracht IBO Internationalisering van het onderwijs

Inleiding

In 2016 studeren er 81.391 buitenlandse studenten in het Nederlandse hoger onderwijs (HBO en WO). Dat is ruim twee keer zo veel als in 2006. Van het totale aantal studenten in het hoger onderwijs komt nu 11,4% uit het buitenland. Deze cijfers maken duidelijk dat er een trend van internationalisering plaatsvindt in het hoger onderwijs. Ook in het mbo is de afgelopen jaren meer aandacht voor internationalisering.

In het regeerakkoord is over internationale studenten het volgende opgenomen: «Er komt een internationaliseringsaanpak die het voor zoveel mogelijk studenten mogelijk maakt een studie te volgen in het buitenland. We versterken de aantrekkelijkheid van het Nederlands onderwijs voor buitenlandse studenten, met behoud van de toegankelijkheid. « Hiervoor heeft het kabinet in juni 2018 haar internationaliseringsvisie naar de TK gestuurd. Een deel van de vragen die hieronder in deze taakopdracht staan, zijn in meer of minder mate al in deze brief aan de orde gekomen.

Verder zijn er nog onderzoeken van de SER (make it in the Netherlands) en de KNAW (verengelsing) die gebruikt zullen worden. Voor de visiebrief zijn er daarnaast nog onderzoeken uitgezet via de Onderwijsraad (naar de invloed van internationalisering op de kwaliteit van het onderwijs), het SCP (naar de toegankelijkheid van het onderwijs) en onderwijskundig onderzoek naar internationalisering via het NRO.

De snelle verandering van de studentenpopulatie roept een aantal belangrijke vragen op waar in het maatschappelijke debat veel aandacht aan wordt besteed. Welke prikkels hebben universiteiten om internationale studenten aan te trekken? Wat voor gevolgen heeft de internationalisering voor het onderwijsaanbod en de kwaliteit van het onderwijs? Wat zijn de effecten van het groeiende aanbod van Engelstalige opleidingen? Hebben de instellingen en de studentensteden voldoende capaciteit voor de hoge instroom van (buitenlandse) studenten? Leidt de internationalisering tot verdringing van Nederlandse studenten? Verschilt dit alles per instelling (bijvoorbeeld tussen grensregio’s en steden als Utrecht en Amsterdam)? In welke mate profiteren we van het investeren in het opleiden van buitenlandse studenten? Wat zijn de belangen van andere belanghebbenden, zoals het bedrijfsleven? Hoe verhoudt de internationalisering zich tot de situatie op de arbeidsmarkt? Trekken we bijvoorbeeld studenten aan op vakgebieden waar tekorten op de arbeidsmarkt zijn? Zou (verdere) internationalisering een uitkomst bieden in het MBO op vakgebieden waar tekorten zijn?

Probleemstelling

Internationalisering leidt potentieel tot een betere match tussen studenten en opleidingen, en mogelijk ook op de arbeidsmarkt nadat studenten zijn afgestudeerd. Ook kan internationale concurrentie tussen onderwijsinstellingen leiden tot een betere onderwijskwaliteit, meer specialisme en een grotere variëteit in het aanbod van opleidingen. Indirect kan het bovendien leiden tot kennisspillovers, het ontwikkelen van internationale vaardigheden en het versterken van handelsrelaties. Daarnaast heeft het CPB in 2012 berekend dat internationalisering van het hoger onderwijs een positief effect heeft op de Nederlandse economie vanwege de afdracht van belastingen en premies wanneer internationale studenten in Nederland blijven wonen en werken na afloop van hun studie33. Het huidige kabinet kondigt in het Regeerakkoord dan ook aan dat de aantrekkelijkheid van het Nederlandse onderwijs voor buitenlandse studenten moet worden vergroot.

Hier staat tegenover dat het belastinggeld kost om studenten uit de EER op te leiden. Daarnaast is het de vraag wat het met de kwaliteit van onderwijs doet als veel van de lessen in het Engels worden gegeven, terwijl niet alle docenten en studenten die taal even goed spreken. Gezien de snelle ontwikkeling van internationalisering is het belangrijk om te onderzoeken in welke mate deze mogelijke positieve en negatieve effecten optreden en op welke manier overheidsbeleid kan bijdragen aan een zo positief mogelijk netto effect.

Opdracht aan de werkgroep

De opdracht aan de werkgroep is om te onderzoeken welke kansen en risico’s er zitten aan de internationalisering van de studentenpopulatie, welke positieve en negatieve effecten er werkelijk optreden en welke beleidsinterventies geschikt zijn om de positieve effecten te vergroten en de negatieve effecten te beperken.

De grondslag van het IBO bedraagt tenminste de uitgaven aan de bekostiging voor internationale studenten in het MBO, HBO en WO en de middelen die door OCW (en mogelijk andere departementen) verder beleidsmatig aan internationalisering van onze studentenpopulatie worden uitgeven. Ook worden de uitgaven aan studiefinanciering voor Nederlandse studenten in het buitenland en buitenlandse studenten in Nederland hier bij betrokken. Er wordt gekeken naar de kosten en baten voor de Nederlandse economie en de kosten en baten voor de overheidsfinanciën in brede zin en niet alleen naar de onderwijsbekostiging.

Concrete vragen aan de werkgroep34:

    • 1) 
      Hoe ziet de in- en uitgaande internationale studentenpopulatie in het MBO, HBO en WO eruit?
      • a. 
        Hoe groot zijn de studentenstromen?
      • b. 
        Uit welke landen komen de studenten? Naar welke landen gaan de studenten?
      • c. 
        Welke studies doen de studenten?
      • d. 
        Waar (geografisch en qua arbeidsmarktsector) komen de studenten na hun studie terecht?
    • 2) 
      Hoe ziet het overheidsbeleid rondom internationalisering er nu uit? Welke prikkels hebben onderwijsinstellingen om buitenlandse studenten aan te trekken?
    • 3) 
      Hoe richten onderwijsinstellingen hun beleid rondom internationalisering in?
      • a. 
        Hoeveel opleidingen in Nederland richten zich op internationale studenten? Hoeveel opleidingen worden in het Engels aangeboden en hoeveel in het Nederlands?
    • 4) 
      Welke kansen en risico’s bieden internationalisering?
    • 5) 
      In welke mate worden die kansen en risico’s gerealiseerd in het MBO, HBO en WO?
    • 6) 
      Wat is er nodig om de positieve effecten van internationalisering te vergroten en de negatieve effecten te beperken? Waar schiet huidig beleid tekort en hoe kan het rijksbeleid het netto effect verbeteren?

De beleidsvarianten bevatten - conform IBO spelregels - minimaal één besparingsvariant, waarin beleidsopties staan die gekozen kunnen worden indien er significant minder middelen (-20%) beschikbaar zijn. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de onderwijsuitgaven. Bij de beleidsvarianten is er ook ruimte om naar niet-financiële maatregelen te kijken.

Organisatie van het onderzoek

Samenstelling

Leden van de werkgroep zijn OCW, EZK, FIN, SZW, AZ, SCP en CPB. De werkgroep kan aanvullend externe deskundigen bij het onderzoek betrekken. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, die wordt ondersteund door een secretaris vanuit OCW en een co-secretaris vanuit FIN.

Overig

De werkgroep start in oktober 2018 en rondt het eindrapport uiterlijk op 30 april 2019 af. De omvang van het rapport is niet groter dan 30 bladzijden plus een samenvatting van maximaal 5 bladzijden.

Taakopdracht IBO luchtkwaliteit

Onderwerp en probleemstelling

De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen decennia sterk verbeterd. In het grootste deel van Nederland liggen de concentraties onder de Europese normen. Er resteert nog een beperkt aantal overschrijdingen langs een aantal drukke straten in binnensteden en in gebieden met intensieve veehouderij. Ook al voldoen we aan de EU-normen, of zelfs aan de strengere advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie, dan doen zich nog steeds gezondheidsrisico’s voor. De totale omvang van milieu-gerelateerde gezondheidseffecten wordt volgens de Volksgezondheid Toekomstverkenning 2014 geschat op circa 6% van alle ziektelast in Nederland. Daarvan wordt ruim driekwart veroorzaakt door luchtverontreiniging. De gezondheidsraad pleit daarom in haar advies (2018) de luchtkwaliteit verder te verbeteren.

Vooruitkijkend ligt er een grote verdichtingsopgave van steden, waarbij mobiliteit, leefbaarheid en luchtkwaliteit onder druk kunnen komen te staan. In de komende jaren wordt er veel bijgebouwd in de steden. Daarnaast geven prognoses van het RIVM aan dat de dalende trend richting 2020 voor fijn stof minder zeker is dan die dan voor NO2. Bronnen van fijnstof zijn o.a. landbouw en verkeer. Van belang is om juist nu te bezien hoe gezien deze ontwikkelingen de verschillende belangen en doelmatigheid van beleid te borgen.

Het IBO luchtkwaliteit beoogt inzicht te krijgen in de effectiviteit van een mix aan maatregelen die genomen kunnen worden om de luchtkwaliteit te verbeteren en de bijhorende maatschappelijke kosten en baten hiervan, waaronder de potentiële gezondheidswinst. Ook geeft het onderzoek inzicht in hoe de effectiviteit van het geheel aan beleid bevorderd kan worden en hoe de samenwerking en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende actoren hieraan kan bijdragen.

Vragen

Het IBO geeft antwoord op de volgende hoofdvragen:

    • 1) 
      Wat is de meest kosteneffectieve en doelmatige set aan maatregelen om luchtkwaliteit (blijvend) te verbeteren?
    • 2) 
      Hoe wordt gezondheidswinst meegenomen in het luchtkwaliteitsbeleid? Hoe effectief en efficiënt is dat?
    • 3) 
      Kan de verantwoordelijkheidsverdeling en samenwerking tussen en binnen de verschillende overheden efficiënter en doelmatiger worden ingevuld?

Om de hoofdvragen te kunnen beantwoorden is antwoord nodig op de volgende deelvragen:

    • • 
      Waar staan we nu en wat zijn de scenario’s voor luchtkwaliteit zowel qua ambitie, als maatregelen?
    • • 
      Inhoudelijk komt de gezondheid meer centraal te staan i.p.v. het voldoen aan EU-regelgeving. Hoe wordt gezondheidswinst meegenomen in het beleid t.a.v. luchtkwaliteit en waar zijn verbeteringen mogelijk?
    • • 
      Welke beleidsalternatieven zijn er om de doelmatigheid van het bestaande beleid voor luchtkwaliteit te vergroten? In hoeverre kan versterking van het «vervuiler betaalt» principe bijdragen en wat is de rol van wet- en regelgeving?
    • • 
      Wat is de juiste mix van lokale en landelijke maatregelen?
    • • 
      Hoe kan het Rijk meer zicht hebben op de effectiviteit en doelmatigheid van lokale maatregelen?
    • • 
      Hoe te sturen op (luchtkwaliteits)doelstellingen wanneer verantwoordelijkheden bij andere partijen liggen? Gezien de verschillende opgaven die er liggen (w.o. verstedelijking); op welke wijze de verantwoordelijkheidsverdeling en samenwerking op Rijksniveau (o.a. IenW, LNV, EZK, VWS en BZK) vorm te geven om de (luchtkwaliteits-)doelstellingen te bereiken en zodat deze doelmatig en effectief is?
    • • 
      Hoe kunnen ambities van ruimtelijke ontwikkeling en (nieuwe) infrastructuur zo goed mogelijk op elkaar aansluiten rekening houdend met de aankomende ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit?

In de werkgroep zal worden besproken of er nog aanvullende/gewijzigde deelvragen noodzakelijk zijn om te komen tot beantwoording van de gestelde hoofdvragen.

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek start met een beschrijving van het huidige luchtkwaliteitsbeleid door Rijk en medeoverheden en onderlinge samenwerking en verantwoordelijkheidsverdeling. Hier wordt tevens aandacht gegeven bronnen van luchtverontreiniging. De werkgroep geeft vervolgens antwoord op bovenstaande vragen aan de hand van literatuuronderzoek, praktijkvoorbeelden en interviews met experts. Indien nodig kan de werkgroep besluiten tot een aanvullend onderzoek.

Organisatie van het onderzoek

Leden van de werkgroep zijn vertegenwoordigers van de ministeries Financiën, IenW, LNV, BZK, VWS, EZK en AZ. De werkgroep kan aanvullend externe deskundigen en stakeholders bij het onderzoek betrekken. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, die wordt ondersteund door een secretariaat vanuit de ministeries Financiën en IenW.

Overig

Het werkgroep start zo snel mogelijk na besluitvorming in de MR Streven is afronding van het IBO per 31 december 2018. De omvang van het rapport is niet groter dan 30 bladzijden plus een samenvatting van maximaal 5 bladzijden. In het regeerakkoord is opgenomen dat er een Nationaal Actieprogramma Luchtkwaliteit komt. Conclusies en aanbevelingen IBO Luchtkwaliteit kunnen worden benut voor de vormgeving van het Nationaal Actieprogramma Luchtkwaliteit waarin het toekomstige luchtkwaliteitsbeleid wordt vastgelegd.

Taakopdracht IBO Koninkrijksrelaties

Onderwerp

Sinds 10-10-10 zijn Curaçao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het Koninkrijk, net als Aruba dat tussen 1986 en 2010 een status aparte had. Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn bijzondere gemeenten van Nederland.

Zo’n acht jaar later zijn er verschillende onderzoeken gedaan naar het functioneren van Nederland in deze «nieuwe» setting.

Het rapport van de Commissie Spies evalueerde de uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur van de openbare lichamen in het rapport «Vijf jaar verbonden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Europees Nederland», de evaluatiecommissie wees op een «versnipperde en soms tegenstrijdige aanpak aan Nederlandse zijde».

De Commissie van Wijzen onderzocht in «Nabijheid of distantie» de politieke situatie van Sint Eustatius en de rol van Nederland daar in. De conclusies omschreven de bestuurlijke situatie op Sint Eustatius. De commissie heeft ook kritiek op Nederland. Zij signaleert een attitude bij Nederland die wordt gekenmerkt door desinteresse en het ontbreken van een gezamenlijke visie (versnippering).

Ook in het Eindverslag Evaluatiecommissie justitiële rijkswetten van het WODC wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan de Caribische delen van het Koninkrijk.

Daarnaast is in deze kabinetsperiode in het regeerakkoord ruim aandacht voor de samenwerking met Caribisch Nederland en de autonome landen binnen het Koninkrijk. Het kabinet investeert in de eilanden onder de voorwaarde dat goed bestuur en financiële verantwoording op een afdoende niveau is geborgd. Het Ministerie van BZK heeft daarin een sterkere coördinerende taak gekregen.

Deze coördinerende taak komt bovenop de governance zoals deze de afgelopen jaren plaatsvond, waarbij de beleidsvorming en regie lag bij een interdepartementale CN-tafel onder voorzitterschap van de SG van BZK. Aan deze CN-tafel werd ook de samenwerking tussen en met de verschillende sectoren in het Haagse en op de eilanden bewaakt, zonder te treden in zelfstandige bevoegdheden en operationele aansturing (van de rechtsketen (OM, politie, brandweer), inspecties en toezicht). De Rijksvertegenwoordiger is de bestuurlijke voorpost namens het kabinet naar de openbare lichamen. Inmiddels is de governance veranderd: er bestaat nu een laagambtelijk interdepartementaal overleg CN, een hoogambtelijke stuurgroep CN en daarboven volgt politieke besluitvorming.

Probleemstelling

In verschillende rapporten wordt beschreven dat het Nederlandse bestuur ten aanzien van Koninkrijksrelaties gefragmenteerd is en de inzet van departementen op het gebied van Caribisch Nederland verschilt. BZK heeft met dit Regeerakkoord een sterkere coördinerende taak gekregen. De financiering van taken op de eilanden is divers. Naast de vrije uitkering (BES-fonds), staan op veel departementale begrotingen ook nog artikelen/ opdrachten/ fondsen en departementale regelingen. Door deze versnippering van taken en middelen is de gewenste sterkere coördinerende functie door BZK lastig in te vullen en niet optimaal vorm gegeven. Om daar verbetering in te brengen is een scherper inzicht nodig of de middelen wel doelmatig en effectief besteed worden.

De sterkere coördinerende taak voor BZK, zoals vastgelegd in het regeerakkoord, maakt dit een goed moment hier nadere stappen in te zetten. Het Ministerie van BZK zal op korte termijn op dit thema ook voorlichting vragen aan de Raad van State. De uitkomsten daarvan worden na de zomer (2018) verwacht.

Een IBO heeft toegevoegde waarde bovenop de vele onderzoeken die reeds zijn gedaan, omdat een IBO juist een instrument is dat uitkomsten van eerdere onderzoeken samenbrengt en komt tot concrete beleidsvarianten. Ten overstaan van de voorlichting van de Raad van State moet het IBO ook van toegevoegde waarde zijn. Indien de uitkomsten van de voorlichting van de Raad van State daar aanleiding toe geven is het mogelijk in onderling overleg tussen de Minister van Financiën en de bewindslieden van BZK de richting van het IBO hier op aan te passen.

Doel

Uit talrijke onderzoeken is gebleken dat de aanpak van Nederland leidt tot versnippering, ineffectiviteit en suboptimale resultaten van beleid op de eilanden. De inzet zou moeten zijn om het maximale rendement uit de belastingeuro te halen zowel vanuit Caribisch Nederlands als Europees-Nederlands perspectief. Het IBO moet leiden tot onderbouwde varianten voor een andere beleidsmatige aanpak met een passende financiële constructie.

Daarnaast heeft het IBO als doel om te leiden tot verbetermogelijkheden en scenario’s voor versterking van de coördinerende rol van het Ministerie van BZK op het gebied van koninkrijksrelaties.

Onderzoeksvragen

Om tot dit doel te komen zijn de volgende stappen en onderzoeksvragen nodig:

    • 1. 
      Om het maximale rendement te halen moet onderzocht worden hoe de Nederlandse financiële bijdrage doelmatiger kan. Is er zicht op doeltreffendheid en doelmatigheid van de individuele stromen? En gezamenlijk? Op welke wijze zouden de middelen besteed worden als er 20% minder budget beschikbaar was.
    • 2. 
      Een eerste stap daarin is het verkrijgen van inzicht. Daarvoor dienen de volgende vragen beantwoord te worden:

    Inzicht wordt verkregen in de verschillende Nederlandse bijdragen richting de Caribische delen van het Koninkrijk. Welke geldstromen en instrumenten zijn er? Hoe groot is dit totaal? Welke projecten zijn er? Welke middelen zijn er bij uitvoeringsorganisaties beschikbaar voor het Caribische deel van het koninkrijk? Welke ministeries zenden medewerkers uit en ten behoeve waarvan? Hoe goed of slecht is de aansluiting tussen structurele beleidsmatige opgaven en structurele dekking? Wat zijn de spanningen die optreden en kansen die we missen ten aanzien van de geldstromen vanuit departementen en de vrije uitkering van de openbare lichamen? Welke sturing wordt gegeven vanuit het Rijk? Hoe wordt er verantwoord?

    Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke vraagstukken:

    • 3. 
      Op welke wijze kunnen eerder onderkende (financiële) vraagstukken als de armoede problematiek en de ontoereikendheid van de vrije uitkering (bijv onderhoud) worden opgelost?
    • 4. 
      Waar liggen kansen en verschillen tussen de bovenwinden en benedenwinden? Een strakke scheiding BES/landen, zoals vaak nu gehanteerd, miskent de werkelijkheid dat logische verbanden liggen op de assen bovenwinden-benedenwinden, maar ook de manier waarop Den Haag is ingericht, beleidsoverleggen zijn ingericht op «Caribisch» niveau. Op welke wijzen liggen er kansen en problemen door de indelingen die beleidsmatig zijn gemaakt, ook op het gebied de landen versus de BES?
    • 5. 
      Andere inhoudelijke vragen en discussies zijn hoe hoog moet de standaard zijn in de Caribische delen van het koninkrijk, moeten dit Nederlandse standaarden zijn?

Organisatie van het onderzoek

Samenstelling en timing

De samenstelling van de werkgroep wordt nog nader bezien. Inzet is echter om deze interdepartementaal breed te organiseren. De voorzitter wordt ondersteund door een secretaris van het Ministerie van Financiën en een secretaris van het Ministerie van BZK, daarnaast zullen nader te bepalen departementen deelnemen.

Het streven is om de werkzaamheden af te ronden in het voorjaar van 2019, zodat de uitkomsten ook kunnen worden gewogen in het kader van de voorjaarsnota.

  • 12. 
    Overzicht risicoregelingen van het Rijk

Tabellen 12.1, 12.2 en 12.3 geven een totaaloverzicht van directe en indirecte risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantieregelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar begrotingen en jaarverslagen van de betreffende vakdepartementen.

Garanties

Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Tabel 12.1 bevat de garantieregelingen van het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond of mutaties groter dan 100 miljoen euro zijn uitgesplitst weergegeven. Alle andere regelingen zijn samen- gevat in de post «overig». Het overzicht geeft de stand eind augustus weer. Ontwikkelingen daarna zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag Rijk 2018.

In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven.

Daarachter staat voor de jaren 2017, 2018 en 2019 het bedrag dat daadwerkelijk als risico is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd, genaamd de «uitstaande garanties». Onder de uitstaande garanties vallen ook de garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2018 en 2019 worden garanties verleend en komen garanties te vervallen. Dit is terug te lezen in de kolommen «geraamd te verlenen» en «geraamd te vervallen».

Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, het zogenaamde plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In tabel 12.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond gelijk gesteld aan de uitstaande garanties. Bij internationale organisaties is gekozen het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM en ESM) en de garanties aan een aantal internationale financiële instellingen.

Tabel 12.1 Door het rijk verleende garanties (in miljoenen euro)

b

a

omschrijving

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantieplafond

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantieplafond

Totaal plafond

2017

2018

2018

2018

2018

2019

2019

2019

2019

V

43

Garantie IS-Raad van Europa

176,7

176,7

176,7

176,7

VIII

7

Bouwleningen academische ziekenhuizen

176,6

12,7

163,9

163,9

176,6

VIII

14

Achterborgovereenkomst NRF

341,6

16,2

43,7

314,1

314,1

380,0

VIII

14

Indemniteitsregeling

284,3

119,6

156,5

247,3

247,3

300,0

IXB

2

Deposito Garantiestelsel (DGS) BES-eilanden

135,0

65,0

70,0

70,0

70,0

70,0

IXB

2

Single Resolution Fund (SRF)

4.163,5

4.163,5

4.163,5

4.163,5

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

9.768,9

9.768,9

9.768,9

9.768,9

IXB

3

De Nederlandsche Bank (DNB) winstafdracht

5.700,0

5.700,0

IXB

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

5.493,0

5.493,0

5.493,0

IXB

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

340,5

31,2

309,3

309,3

309,3

IXB

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

687,9

12,3

675,6

675,6

675,6

IXB

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

42.649,1

33,6

42.615,5

42.615,5

42.615,5

IXB

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

589,1

589,1

589,1

589,1

IXB

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

34.154,2

34.154,2

34.154,2

34.154,2

IXB

4

European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM)

2.820,0

60,0

2.880,0

2.880,0

2.880,0

IXB

4

European Investment Bank (EIB)

9.895,5

9.895,5

11.796,0

11.796,0

IXB

4

European Stability Mechanism (ESM)

35.445,4

35.445,4

35.445,4

35.445,4

IXB

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.350,0

50,0

2.400,0

2.400,0

2.400,0

IXB

4

Wereldbank

4.326,7

78,4

4.248,3

4.248,3

4.248,3

IXB

5

Exportkredietverzekering

16.719,6

10.000,0

10.000,0

16.719,6

10.000,0

10.000,0

10.000,0

16.719,6

10.000,0

XIII

2

Borgstelling MKB Kredieten (BMKB)

1.820,6

765,0

523,1

2.062,5

765,0

765,0

471,0

2.356,5

765,0

XIII

2

Garantie Onderne-mingsfinanciering (GO)

593,1

400,0

104,3

888,8

400,0

400,0

104,1

1.184,7

400,0

XIII

2

Groeifaciliteit

118,9

135,0

26,8

227,1

135,0

105,0

26,1

306,0

135,0

XIII

2

Microkredieten

103,4

3,4

100,0

30,0

0,6

129,4

130,0

XIII

2

MKB-financiering

68,2

200,0

68,2

68,2

268,2

XIII

4

Aardwarmte

70,5

66,6

23,8

113,3

66,6

66,6

18,0

161,9

66,6

XIV

11

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

399,3

60,0

40,0

359,3

120,0

60,0

45,0

374,3

120,0

XIV

12

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

364,9

18,7

346,2

19,1

327,1

383,6

XVI

2 en 3

Instellingen voor de gezondheidszorg

312,5

1,4

62,8

251,1

38,7

212,4

251,1

XVII

41

Development Related Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE)

55,0

55,0

55,0

55,0

110,0

55,0

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

5,8

24,0

29,8

24,0

53,8

140,0

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

51,0

50,0

101,0

50,0

151,0

675,0

XVII

45

Garanties Internationale samenwerking - Netwerk internationaal ondernemen (IS-NIO)

154,8

16,8

138,0

15,2

122,9

138,9

XVII

45

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

2.180,9

2.180,9

2.180,9

2.180,9

Overig

353,8

0,4

10,7

343,5

28,5

0,4

17,5

326,4

0,6

243,9

Totaal

182.638

12.180

16.964

177.595

11.640

11.556

10.755

180.296

11.542

154.570

Tabel 12.2 bevat de uitgaven en ontvangsten behorende bij de door de staat verstrekte garanties in 2018 en 2019. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten zijn gedaan worden hier weergegeven. De in de tabel getoonde uitgaven betreffen de schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies, provisies en dergelijke als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Tabel 12.2 Uitgaven en ontvangsten op de door de staat verstrekte garanties (in duizenden euro)

b

a

omschrijving

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2018

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2019

2018

2018

2019

2019

IXB

1

Garantie procesrisico's

245

  • 245

245

  • 245

IXB

2

DGS BES-eilanden

1.000

1.000

1.000

1.000

IXB

2

Terrorismeschades (NHT)

875

875

875

875

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

614

614

614

614

IXB

3

Tennet

4.800

4.800

4.800

4.800

IXB

5

Exportkredietverzekering

62.700

280.422

217.722

70.600

256.172

185.572

XIII

2

Borgstelling MKB krediet (BMKB)

41.835

33.000

  • 8.835

41.835

33.000

  • 8.835

XIII

2

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

6.646

13.000

6.354

11.745

13.000

1.255

XIII

2

Groeifaciliteit

8.850

8.000

  • 850

8.972

8.000

  • 972

XIII

4

Aardwarmte

6.000

2.291

  • 3.709

4.700

4.700

XIV

11

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

3.125

2.925

  • 200

3.125

2.925

  • 200

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

7.000

2.300

  • 4.700

7.000

500

  • 6.500

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

5.000

3.000

  • 2.000

5.000

3.000

  • 2.000

XVII

45

Garanties Internationale samenwerking - Netwerk internationaal ondernemen (IS-NIO)

2.520

2.520

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico’s uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen niet als verplichting opgenomen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 12.3.

Het risico uit de achterborgstellingen (in tabel 12.3) is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen (in tabel 12.1). Bij achterborgstellingen worden de risico’s soms gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door de rijksoverheid. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door de rijksoverheid gedekt. Bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) wordt de gehele positie met gemeenten gedeeld.

Per achterborgstelling zijn er verschillende mogelijkheden om eventuele schade te dekken. Het WSW beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties ter hoogte van € 3,1 miljard. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun. Saneringssteun wordt bekostigd via een heffing aan corporaties en deze middelen lopen via een risicovoorziening op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle woningcorporaties zijn op basis van de wet verplicht om deze heffing te betalen. Er kan tot maximaal 5% van de huursom (circa € 700 miljoen) per jaar worden geheven. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken.

De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal van de stichting aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op de rijksoverheid. Bij het WEW geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.

Tabel 12.3 Achterborgstellingen van het Rijk (in miljoenen euro)

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Totaal Achterborgstellingen

286.205

296.721

308.907

Stichting Waarborgfonds Zorg

8.148

7.064

6.550

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

81.000

82.800

85.700

Waarborgfonds Eigen Woningen

198.000

202.350

208.600

Bufferkapitaal

Stichting Waarborgfonds Zorg

281

287

294

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

407

351

290

Waarborgfonds Eigen Woningen

1.104

1.248

1.381

Obligo

3.327

Stichting Waarborgfonds Zorg

227

212

197

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

3.100

3.100

3.100

  • 13. 
    Normeringsystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

Uitgangspunten

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

De normeringsystematiek «samen trap op, samen trap af» bestaat sinds 1994 en bewerkstelligt een evenredig, actuele, inzichtelijke en beheersbare indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het betreft één integrale indexatie voor zowel loon-, prijs- als volumeontwikkelingen. Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben via de normeringsystematiek direct invloed op de omvang van de fondsen («samen de trap op, samen de trap af»). De jaarlijkse toe- en afname van het Gemeentefonds en het Provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de Rijksuitgaven wordt het accres genoemd.

Doel van de normeringsystematiek is dat budgettaire lusten of lasten op rijksniveau evenredig worden doorvertaald naar de ontwikkeling van de fondsen voor decentrale overheden. De evenredigheid, is met de keuzes uit het Regeerakkoord Rutte III, met ingang van 2018 versterkt, door een koppeling in de normeringssystematiek aan de totale rijksuitgaven. Deze bredere basis zorgt voor meer stabiliteit in de accresontwikkeling. Immers, verschuivingen tussen de verschillende budgettaire deelplafonds hebben niet langer effect op de accresontwikkeling.

Presentatie en berekening van de accresontwikkeling

Bij de bepaling van de omvang van accresrelevante uitgaven (aru) vormen de netto-uitgaven van het Rijk onder het uitgavenplafond het startpunt. Netto wil zeggen dat de Rijksuitgaven worden gesaldeerd met de niet-belastingontvangsten. Op de netto-uitgaven onder het uitgavenplafond (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf. Het saldo (C) geeft de accresrelevante uitgaven (aru) en vormt de basis voor de accresberekening. Het accres (G) is vervolgens het product van de grondslag (E en H) en de aru in procenten (D).

Tabel 13.1 Normeringssystematiek GF en PF

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Uitgaven Rijksbegroting

124.807

140.317

143.802

146.176

150.140

153.249

Uitgaven Sociale zekerheid

78.616

81.232

84.865

87.498

90.251

93.952

Uitgaven Zorg

71.731

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

  • A) 
    Netto uitgaven onder uitgavenplafond

275.154

292.986

304.296

313.440

324.307

336.153

  • B) 
    Correcties
  • - 
    40.586
  • - 
    42.289
  • - 
    43.793
  • - 
    44.815
  • - 
    45.919
  • - 
    47.074

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-Compensatiefonds

  • 23.270
  • 31.814
  • 33.024
  • 33.830
  • 34.906
  • 36.100

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

  • 17.651
  • 10.527
  • 10.515
  • 10.668
  • 10.771
  • 10.834

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

274

119

138

44

33

33

w.v. financieringsverschuivingen

0

  • 142
  • 411
  • 411
  • 411
  • 411

w.v. overige correcties

61

75

20

50

135

238

  • C) 
    Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

234.568

250.698

260.504

268.625

278.388

289.079

  • D) 
    Ontwikkeling aru (%) = (Ct - Ct-1)/Ct-1

5,70%

6,88%

3,91%

3,12%

3,63%

3,84%

Gemeentefonds

  • E) 
    Grondslag (t-1)

16.739

17.731

25.845

26.857

27.572

28.441

  • F) 
    Accres (= E * D)

955

1.219

1.011

837

1.002

1.092

  • G) 
    accres cumulatief

955

2.174

3.185

4.022

5.024

6.117

Provinciefonds

  • H) 
    Grondslag (t-1)

2.570

2.314

2.409

2.467

2.443

2.512

  • I) 
    Accres (= H * D)

147

159

94

77

89

96

  • J) 
    accres cumulatief

147

306

400

477

566

662

De accresontwikkeling stijgt over de gehele kabinetsperiode onder andere door de loon- en prijsontwikkeling en Regeerakkoordmiddelen. Deze laatste ontwikkeling is met name zichtbaar in 2019.

Tabel 13.2 Accres Gemeentefonds

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Tranche 2018

955

955

955

955

955

955

Tranche 2019

1.219

1.219

1.219

1.219

1.219

Tranche 2020

1.011

1.011

1.011

1.011

Tranche 2021

837

837

837

Tranche 2022

1.002

1.002

Tranche 2023

1.092

Cumulatief accres Gemeentefonds MN2019

955

2.174

3.185

4.022

5.024

6.117

Tabel 13.3 Accres Provinciefonds

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Tranche 2018

147

147

147

147

147

147

Tranche 2019

159

159

159

159

159

Tranche 2020

94

94

94

94

Tranche 2021

77

77

77

Tranche 2022

89

89

Tranche 2023

96

Cumulatief accres Provinciefonds MN2019

147

306

400

477

566

662

Bepaling accresrelevante uitgaven (aru)

Om de aru te berekenen wordt uitgegaan van de netto Rijksuitgaven onder het uitgavenplafond inclusief drie type correcties:

    • 1. 
      Rijksuitgaven aan gemeenten en provincies

    Uitgaven onder het uitgavenplafond die het Rijk overmaakt naar gemeenten en provincies worden uit de aru gecorrigeerd. Deze overdrachten zijn immers bestemd voor de financiering van uitgaven door gemeenten en provincies zelf en maken derhalve geen onderdeel uit van de rijksuitgaven waarop de trap-op-trap-af van toepassing is. Het corrigeren van de overdrachten is ook nodig om een onbedoelde doorwerking van accres op accres in hetzelfde jaar te voorkomen. Rijksuitgaven die op deze wijze gecorrigeerd worden zijn onder andere de algemene-, decentralisatie- en integratie-uitkeringen van het Gemeentefonds en Provinciefonds, de uitgaven van het Btw-compensatiefonds, de bijstand en de integratie uitkering sociaal domein.

    • 2. 
      Uitgavenmutaties in de WW als gevolg van conjunctuur

    In de begrotingsregels van het kabinet Rutte III is afgesproken dat gedurende de regeerperiode het uitgavenplafond gecorrigeerd wordt voor mutaties in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur. Het Rijk hoeft zodoende mee- en tegenvallers in de WW uitgaven als gevolg van conjunctuur niet op te vangen binnen het uitgavenplafond en zijn om deze reden ook niet accresrelevant.

    • 3. 
      Financieringsverschuivingen gedurende de kabinetsperiode

    Financieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar zonder correctie wel effect zouden hebben op het accres. Dit zijn dus schuiven tussen accresrelevante uitgaven en niet-accresrelevante uitgaven. Bij een schuif is per saldo geen sprake van meer of minder uitgaven op rijksniveau, maar is alleen sprake van een andere financieringsbron. Denk bijvoorbeeld aan overhevelingen van departementale begrotingen naar het Gemeentefonds en Provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen de inkomsten- en de uitgavenkant.

Grondslag

De normeringsystematiek is van toepassing op alle middelen die worden verantwoord onder het Gemeentefonds en Provinciefonds en vallen onder het uitgavenplafond Rijksbegroting. Daarmee is de grondslag waarover de normeringsystematiek wordt uitgekeerd dus breder dan alleen de algemene uitkering van beide fondsen.

Voor de berekening van het accres in jaar t wordt de grondslag van het voorgaande jaar (t-1) genomen. Het accrespercentage in jaar t betreft immers ook de groei van de aru ten opzichte van het voorgaande jaar (t-1). Als de aru met x procent stijgen in jaar t groeien het Gemeentefonds en het Provinciefonds via het accres in jaar t ook met x procent. Hiermee wordt het principe van trap-op-trap-af gewaarborgd.

Dit heeft tot gevolg dat mutaties in de grondslag altijd met een jaar vertraging doorwerken in de normeringsystematiek. Via taakmutaties kunnen departementen geld toevoegen of onttrekken aan één van beide fondsen, dit werkt door als grondslagmutatie. Uitgangspunt is dat bij taakmutaties geen jaren ontstaan zonder indexatie van deze overgehevelde budgetten. Dat betekent dat bij overheveling van of naar het Gemeentefonds of Provinciefonds het verantwoordelijke departement een reeks overhevelt met indexatie over het lopende jaar.

Het Btw-compensatiefonds

Gemeenten en provincies kunnen de door hen betaalde btw onder voorwaarden terugvragen uit het Btw-compensatiefonds (BCF). Hierdoor speelt btw geen rol meer in de afweging tussen in- of uitbesteden. De bijdrage van het Rijk aan het BCF is geplafonneerd. Dit plafond groeit jaarlijks mee met de uitkomst van de normeringssystematiek. Als er minder geclaimd wordt uit het fonds dan het plafond, dan wordt de ruimte onder het plafond gestort in het Gemeentefonds en Provinciefonds. Als er meer wordt geclaimd uit het fonds dan het plafond, dan wordt het bedrag boven het plafond teruggevorderd uit het Gemeentefonds en Provinciefonds. Hierdoor zijn het BCF en het Gemeentefonds en Provinciefonds communicerende vaten.

Wanneer het Rijk een taak decentraliseert naar een gemeente of provincie, dan wordt er ook een toevoeging gedaan aan het BCF. Hierdoor hebben decentralisaties geen effect op de ruimte onder het plafond van het BCF.

Tabel 13.4 Geraamd plafond BCF

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

  • A) 
    BCF-Plafond

3.346

3.569

3.708

3.824

3.963

4.115

Grondslag

3.326

3.411

3.497

3.574

3.665

3.665

w.v. overhevelingen i.v.m taakmutaties

6

0

-

-

-

-

w.v. accres

15

158

211

250

297

450

  • B) 
    Uitgaven

3.225

3.225

3.225

3.225

3.225

3.225

w.v. Gemeenten

2.821

2.821

2.821

2.821

2.821

2.821

w.v. Provincies

404

404

404

404

404

404

  • C) 
    Ruimte onder plafond (=A-B)

121

344

483

599

738

890

w.v. Gemeenten

106

301

423

524

645

778

w.v. Provincies

15

43

61

75

92

111

  • 14. 
    Horizontale toelichting

Horizontale toelichting

In deze bijlage wordt per begroting een toelichting gegeven op het verloop van de uitgaven en niet-belastingontvangsten vanaf 2018 tot en met 2023.

De totalen per begroting zijn exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen. De HGIS-uitgaven en niet-belastingontvangsten worden separaat gepresenteerd en toegelicht.

De cijfers van de afzonderlijke begrotingen luiden in miljoenen euro’s in constante prijzen van het jaar 2018. Een uitzondering hierop vormen de premiegefinancierde uitgaven van SZW en VWS, deze luiden in lopende prijzen.

De Koning

I DE KONING

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

43,1

43,3

43,3

43,4

44,8

44,8

totaal niet-belastingontvangsten

1

Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

Uitgaven

8,2

8,4

8,4

8,5

9,9

9,9

2

Functionele uitgaven van de Koning

Uitgaven

28,9

28,9

28,9

28,9

28,9

28,9

Ontvangsten

3

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Uitgaven

6,0

6,0

6,0

6,0

6,0

6,0

Artikel 1 Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

Op dit artikel worden de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis verantwoord. De lichte stijging in de uitgaven vanaf 2019 e.v. wordt veroorzaakt door de doorwerking van de stijging van de ambtenarensalarissen volgens de systematiek van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis op de uitkering van de leden van het Koninklijk Huis. In 2021 is de Prinses van Oranje, achttien jaar en ontvangt vanaf dat moment een grondwettelijke uitkering. Dit is in 2021 (naar rato) 0,1 mln. euro en vanaf 2022 het jaarbedrag van 1,5 mln. euro.

Artikel 2 Functionele uitgaven van de Koning

Op dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven zoals de inzet van luchtvaartuigen.

Artikel 3 Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven in het kader van voorlichting, het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet van de Koning.

Staten-Generaal

IIA STATEN-GENERAAL

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

148,6

145,5

145,5

150,4

147,3

147,4

totaal niet-belastingontvangsten

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

1

Wetgeving en controle Eerste Kamer

Uitgaven

12,6

12,5

12,5

12,5

12,5

12,5

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

Uitgaven

32,1

31,5

31,5

33,1

32,0

32,0

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Wetgeving en controle Tweede Kamer

Uitgaven

104,5

102,0

102,0

105,3

103,3

103,3

Ontvangsten

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4

Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

Uitgaven

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

Ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

10

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

  • 2,0
  • 2,0
  • 2,0
  • 2,0
  • 2,0
  • 2,0

Artikel 1 Wetgeving en controle Eerste Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Eerste Kamer. In 2018 is de eindejaarsmarge 2017 toegevoegd.

Artikel 2 Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

De uitgaven ten behoeve van oud-leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement worden beïnvloed door verkiezingen. In het jaar van de verkiezingen stijgt het beroep op de aanspraken op wachtgeld en dit neemt na verloop van tijd weer af tot het moment dat uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn. In 2021 nemen de daarom uitgaven weer toe.

Artikel 3 Wetgeving en controle Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Tweede Kamer. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van de ambtelijke organisatie voor het ondersteunen van het constitutionele proces van de Tweede Kamer, de financiering van de digitale en fysieke infrastructuur van het parlement en de kosten van de fracties. In 2021 als er uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn, nemen de uitgaven voor fractiekosten weer toe met uitloop naar 2022. Dit komt voornamelijk omdat er na verkiezingen tijdelijk zowel de fractieondersteuning op basis van de oude samenstelling van de Tweede Kamer, als de fractieondersteuning op basis van de nieuwe samenstelling wordt gefinancierd.

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van interparlementaire activiteiten.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

De inspanningsverplichting van de Staten Generaal voor de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s van de kabinetten Rutte- Verhagen en Rutte-Asscher staat deels op artikel 10 nominaal en onvoorzien.

Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

127,9

121,4

121,7

122,3

122,8

122,4

totaal niet-belastingontvangsten

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

1

Raad van State

Uitgaven

62,6

59,8

59,1

59,1

59,2

58,7

Ontvangsten

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

2

Algemene Rekenkamer

Uitgaven

31,9

30,2

31,3

31,8

32,3

32,3

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

3

De Nationale ombudsman

Uitgaven

18,8

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

Ontvangsten

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

4

Kanselarij der Nederlandse Orden

Uitgaven

5,4

4,3

4,3

4,3

4,3

4,3

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

6

Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Uitgaven

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

7

Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

Uitgaven

2,9

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8

Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

Uitgaven

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9

Kiesraad

Uitgaven

2,4

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

10

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

Artikel 1 Raad van State

De uitgaven van de Raad van State zijn in 2018 hoger doordat er middelen voor het ICT-project KEI zijn meegenomen uit 2017.

Artikel 2 Algemene Rekenkamer

Vanuit 2017 zijn er middelen doorgeschoven naar 2018. Ook zijn incidenteel middelen aan 2018 toegevoegd voor een reorganisatie van de Algemene Rekenkamer. Naar aanleiding van de Taken Middelen Analyse zijn voor borging van de uitvoering van de wettelijke taken van de Hoge Colleges van Staat in deze kabinetsperiode extra middelen aan artikel 2 toegevoegd vanaf 2019 oplopend tot 3 mln. vanaf 2022.

Artikel 3 Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman maakt in 2018 meer kosten in het kader van een transitie om de organisatie te verbeteren en nieuwe taken in te passen. Naar aanleiding van de Taken Middelen Analyse zijn voor borging van de uitvoering van de wettelijke taken van de Hoge Colleges van Staat in deze kabinetsperiode extra middelen aan artikel 3 toegevoegd vanaf 2018 oplopend tot 1,9 mln. vanaf 2019.

Artikel 4 Kanselarij der Nederlandse Orden

De Kanselarij der Nederlandse Orden maakt gebruik van een verouderd ICT-systeem voor de aanvraag van decoraties. Dit systeem wordt vervangen en dat leidt tot een oploop van het budget in 2018.

Artikel 6 Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 7 Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 8 Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 9 Kiesraad

Vanaf 2018 zijn de uitgaven voor de Kiesraad overgeheveld van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar de begroting Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad.

Algemene Zaken

III ALGEMENE ZAKEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

68,0

67,3

67,4

69,2

71,3

71,4

totaal niet-belastingontvangsten

7,0

6,9

6,9

6,9

6,9

6,9

1

Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Uitgaven

62,9

62,3

62,3

64,1

66,3

66,3

Ontvangsten

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4

Kabinet van de Koning

Uitgaven

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Ontvangsten

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

5

Cie voor toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Uitgaven

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

Artikel 1 Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Dit artikel bestaat onder andere uit de bijdrage voor het agentschap Dienst Publiek en Communicatie, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). Voor de jaren 2018 tot en met 2020 is de bijdrage voor het categoriemanagement overgeboekt naar het Ministerie van Financiën; de middelen voor het categoriemanagement voor 2021 en verder staan nu nog op de begroting van AZ.

Artikel 4 Kabinet van de Koning

Het Kabinet van de Koning (KvdK) draagt zorg voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van zijn staatsrechtelijke taken en fungeert als schakel tussen Koning en Ministers.

Artikel 5 Cie van toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017) is er een Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en een afdeling klachtenafhandeling van deze Commissie ingesteld. Zij houdt toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). De Commissie toetst zowel het handelen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan de juridische kaders die er voor deze diensten bestaan. De afdeling klachtenbehandeling onderzoekt en behandelt klachten, alsmede meldingen over het vermoeden van een misstand.

Koninkrijksrelaties

IV KONINKRIJKSRELATIES

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

488,7

108,8

104,6

103,2

90,4

90,4

totaal niet-belastingontvangsten

48,1

38,3

31,9

30,5

30,4

30,4

1

Versterken rechtsstaat

Uitgaven

47,3

40,4

39,7

39,7

27,7

27,7

Ontvangsten

4,0

4

Bevorderen sociaaleconomische structuur

Uitgaven

11,7

11,2

15,7

14,4

14,3

14,3

Ontvangsten

6,4

5

Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

Uitgaven

172,4

28,5

28,5

28,5

28,5

28,5

Ontvangsten

37,7

38,3

31,9

30,5

30,4

30,4

6

Apparaat

Uitgaven

22,9

21,4

19,1

18,8

18,4

18,4

7

Nog onverdeeld

Uitgaven

7,2

1,1

1,6

1,7

1,5

1,5

8

Wederopbouw bovenwindse eilanden

Uitgaven

227,2

6,0

Artikel 1 Versterken rechtsstaat

Het kabinet heeft besloten tot verlenging van de rechtshandhaving in Sint Maarten van 2018 tot en met 2021. Daarom liggen de budgetten tot en met 2021 hoger. Daarnaast is 2018 hoger door overlopende facturen uit 2017. Verder is bij de start van dit kabinet de budgetverantwoordelijkheid voor de Kustwacht overgegaan naar de Minister van Defensie. Middels een nota van wijziging zijn de uitgaven en ontvangsten overgeheveld. De bijdragen van de landen Curaçao en Sint Maarten voor de kustwacht zijn in 2017 niet ontvangen en worden in 2018 alsnog voldaan.

Artikel 4 Bevorderen sociaaleconomische structuur

De lagere uitgaven in 2019 komt door verwerking van het wisselkoerseffect op de toeslag voor pensioenen. Ontvangsten, bestaande uit rentebetalingen over leningen aan Aruba, zijn vanaf 2019, verplaatst naar artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen. Naast de rentebetalingen in 2018, vindt ook de eindafrekening van het Fonds Desaroyo Aruba plaats. Conform afspraak blijven deze middelen beschikbaar voor Aruba en worden deze de komende twee jaar ingezet voor kinderbescherming en ter versterking van de rechtshandhaving op Aruba.

Artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

Dit artikel geeft de schuldsanering van de voormalige Nederlandse Antillen weer in de vorm van de meerjarige aflossings- en rentereeksen. Vanwege het verloop in het aflossings-en renteschema nemen de uitgaven na 2018 af. De ontvangsten zijn in 2018 en 2019 hoger door verwerking van de wisselkoeseffecten.

Artikel 6 Apparaat

In de jaren 2018 en 2019 zijn er middelen beschikbaar voor ondersteuning van de benoemde regeringscommissaris op Sint-Maarten. Verder liggen de uitgaven in 2018 en 2019 hoger als gevolg van het verwerken van de effecten van de wisselkoers.

Artikel 7 Nominaal en onvoorzien

Een deel van deze middelen is gereserveerd voor het meerjarig opvangen van valutaschommelingen. Het saldo van de wisselkoersreserve uit 2017 van 6,4 mln. is toegevoegd aan 2018. Vanaf 2019 is er 1 mln. beschikbaar, De resterende middelen worden op een later moment toegekend aan de relevante beleidsartikelen.

Artikel 8 Wederopbouw Bovenwindse eilanden

Bij 2e Suppletoire begroting 2017 is een artikel aangemaakt voor Noodhulp en Wederopbouw Bovenwindse Eilanden, naar aanleiding van de orkanen Irma en Maria. De afspraak is dat de kosten voor noodhulp centraal gefinancierd worden vanuit de begroting Koninkrijksrelaties. Daarvoor is 55 mln. bij Najaarsnota 2017 toegevoegd. De niet-bestede middelen (19 mln.) zijn doorgeschoven naar 2018. De middelen voor de wederopbouw staan op de Aanvullende Post bij Financiën (550 mln. voor Sint Maarten en 67 mln. voor Saba en Sint Eustatius). Een deel van deze middelen is in 2018 en 2019 overgeboekt naar de begroting Koninkrijksrelaties, bijvoorbeeld voor de eerste tranche middelen aan de Wereldbank voor de wederopbouw van Sint Maarten.

Buitenlandse Zaken

V BUITENLANDSE ZAKEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

7.807,3

8.496,4

9.546,0

9.250,0

9.508,3

9.790,9

totaal niet-belastingontvangsten

1.083,3

383,7

671,7

685,2

696,7

712,8

43

Europese Samenwerking

Uitgaven

7.807,3

8.496,4

9.546,0

9.250,0

9.508,3

9.790,9

Ontvangsten

1.083,3

383,7

671,7

685,2

696,7

712,8

Relatie begroting van Buitenlandse Zaken en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat uit HGIS uitgaven/ontvangsten en niet-HGIS uitgaven/ontvangsten. De HGIS uitgaven en ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS uitgaven en ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 3 Europese Samenwerking

De meerjarige ontwikkeling van het artikel Europese samenwerking wordt bepaald door de doorwerking van de jaarlijkse nominale ontwikkeling van de EU-begroting in de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU.

In de jaren t/m 2020 stijgen de EU-afdrachten met name als gevolg van een ophoping van cohesiebetalingen in het laatste jaar van het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) door eerdere vertragingen. Vanaf 2021 komt de raming van de EU-afdrachten op een lager niveau, omdat de raming van 2020 (en 2019) verhoogd is vanwege deze vertragingen en er in de raming vanuit wordt gegaan dat die vertragingen voor het einde van het MFK worden ingehaald. Na 2021 stijgen de afdrachten jaarlijks licht mee met de stijging van het BNI.

De ramingssystematiek voor 2021 en verder wijkt af van de ramingssystematiek tot 2020. De betalingenplafonds tot 2020 liggen nominaal vast in de huidige MFK-verordening. Vanaf 2021 zal het volgende MFK gelden, waarvoor nog geen betalingenplafonds zijn vastgesteld. In de raming voor 2021 en verder wordt daarom op dit moment uitgegaan van een betalingenplafond van 0,95% van het Europese BNI in 2021, wat overeenkomt met het uitgangspunt bij het afsluiten van het huidige MFK.

De ontvangsten presenteren met name de perceptiekostenvergoedingen die Nederland ontvangt. In 2017 zijn de ontvangsten aanzienlijk hoger dan in de jaren erna. Dit komt doordat Nederland de bedongen korting op de afdrachten over 2014-2016 met terugwerkende kracht in 2017 in de kas heeft ontvangen.

Justitie en Veiligheid

VI JUSTITIE EN VEILIGHEID

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

12.678,5

12.704,8

12.305,2

12.150,7

11.873,2

11.954,3

totaal niet-belastingontvangsten

2.275,7

1.600,6

1.544,9

1.539,8

1.499,2

1.495,0

31

Politie

Uitgaven

5.833,5

6.032,8

5.994,4

5.880,5

5.779,3

5.788,1

Ontvangsten

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

32

Rechtspleging en rechtsbijstand

Uitgaven

1.447,5

1.497,6

1.462,1

1.466,1

1.449,5

1.446,9

Ontvangsten

177,1

182,0

187,3

225,4

223,8

219,6

33

Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

Uitgaven

773,2

729,0

725,2

715,1

709,2

713,5

Ontvangsten

1.744,0

1.200,4

1.234,0

1.191,5

1.152,5

1.152,5

34

Straffen en beschermen

Uitgaven

2.615,5

2.686,8

2.539,7

2.540,3

2.535,7

2.536,8

Ontvangsten

120,2

97,7

98,0

98,0

98,0

98,0

36

Contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleid

Uitgaven

278,5

272,0

262,9

264,5

264,4

264,4

Ontvangsten

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

37

Migratie

Uitgaven

1.287,6

1.063,6

937,2

918,7

904,8

904,5

Ontvangsten

207,0

96,8

3,0

3,0

3,0

3,0

91

Apparaatsuitgaven kerndepartement

Uitgaven

400,1

410,6

411,5

404,0

404,6

405,9

Ontvangsten

26,9

21,1

20,1

19,4

19,4

19,4

92

Nog onverdeeld

Uitgaven

39,4

9,4

  • 30,9
  • 41,4
  • 177,4
  • 108,9

Ontvangsten

93

Geheim

Uitgaven

3,1

3,1

3,0

3,1

3,1

3,1

Artikel 31 Politie

De Politie ontwikkelt zich in enkele jaren naar het met de vorming van de Politie beoogde pad. De vorming van de Nationale Politie voortvloeiend uit het regeerakkoord van kabinet Rutte I leidt tot een gering aflopende reeks voor de uitgaven aan de politie in de laatste jaren van deze periode. Er is in deze opstelling nog geen rekening gehouden met het volledige budget dat ter beschikking wordt gesteld door het kabinet Rutte III.

Artikel 32 Rechtspleging en rechtsbijstand

De uitgaven op dit artikel laten een stijging zien in 2019 vanwege het verwachte negatief eigen vermogen van de Rechtspraak van 40 mln. in 2018. Om dit negatieve eigen vermogen tot nul aan te vullen is in 2019 een bedrag van 40 mln. opgenomen.

Artikel 33 Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

De uitgaven in 2018 zijn hoger dan de jaren daarna. Dit is te verklaren door de incidentele overhevelingen uit het Regeerakkoord: digitalisering van de strafrechtketen (15 mln.) en intensivering in de aanpak van het afpakken crimineel vermogen (30 mln.).

Bij de ontvangsten zijn naar aanleiding van het Regeerakkoord structurele ramingsbijstellingen voor boetes en transacties doorgevoerd. In de Miljoenennota 2017 is besloten de ramingen voor opbrengsten uit grote schikkingen en afpakken meerjarig te verhogen. Dit verklaart de stijging van ontvangsten in 2019 en 2020. In 2018 heeft het Openbaar Ministerie een schikking met ING (775 mln.) getroffen. Dit verklaart de stijging in ontvangsten in dat jaar.

Artikel 34 Straffen en Beschermen

De uitgaven op dit artikel tonen op termijn een licht dalende reeks vanwege de doorverdeling van de taakstellingen op personeel en materieel uit o.a. het regeerakkoord Rutte II en de maatregelen uit het Masterplan DJI. Verder hangt de daling samen met het verminderen van de overcapaciteit door Rutte III. De hoge stand in 2019 wordt veroorzaakt door een kasschuif samenhangende met frictiekosten te maken bij het sluiten van de gevangeniscapaciteit. Bij de ontvangsten is, door afroming van het eigen vermogen en van de positieve resultaten van de agentschappen, het niveau in 2018 hoger dan in andere jaren.

Artikel 36 Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid

De uitgaven aan Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid dalen vanaf 2020 doordat er budget voor de Landelijke Meldkamer Organisatie wordt overgeboekt naar de politie.

Artikel 37 Migratie

Door het na-ijleffect van de hoge asielinstroom in de periode 2015-2017, liggen de geraamde uitgaven voor migratie in de jaren 2018 en 2019 hoger dan de basisraming in de jaren daarna. De verhoogde ontvangsten in die jaren zijn onttrekkingen uit de asielreserve.

Artikel 91 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op artikel 91 staan de apparaatsuitgaven van het kerndepartement JenV. Deze hebben een stabiel verloop.

Artikel 92 Nominaal en Onvoorzien

Artikel 92 is een verdeelartikel. Dit niet-beleidsartikel wordt gebruikt voor het parkeren van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen budgettaire taakstellingen. In 2018 heeft het kabinet 30 mln. voor Cybersecurity geserveerd. De middelen zijn toegevoegd aan de begroting van JenV als coördinerend departement. Deze middelen zijn in afwachting van verdere verdeling op artikel 92 gestald. Daarnaast zijn middelen gereserveerd voor problematiek op de JenV-begroting. Per saldo leidt dit tot negatieve standen in 2020 en verder. In verband met een kasschuif samenhangende met een ander kasritme van de pensioenkosten bij de Politie is in 2022 eenmalig een afwijkend bedrag opgenomen.

Artikel 93 Geheim

De uitgaven op artikel 93 blijven nagenoeg stabiel.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

5.702,7

5.481,3

5.586,2

5.549,6

5.629,2

5.777,2

totaal niet-belastingontvangsten

840,8

679,4

696,3

657,8

640,5

634,5

1

Openbaar bestuur en democratie

Uitgaven

51,9

59,3

56,3

52,2

48,2

48,2

Ontvangsten

22,4

22,0

22,0

22,0

22,0

22,0

2

Nationale veiligheid

Uitgaven

258,8

274,3

276,4

281,8

279,4

279,0

Ontvangsten

13,2

13,2

13,2

13,2

13,2

13,2

3

Woningmarkt

Uitgaven

4.153,1

4.104,2

4.291,9

4.445,6

4.598,2

4.749,9

Ontvangsten

523,2

521,0

516,0

478,0

462,0

456,0

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

Uitgaven

266,1

209,0

167,7

23,9

23,7

18,4

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet

Uitgaven

103,6

102,9

93,9

62,2

57,6

51,5

Ontvangsten

8,8

3,8

3,8

3,8

3,8

3,8

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

Uitgaven

192,4

174,5

172,7

167,5

110,3

110,4

Ontvangsten

6,5

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

7

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Uitgaven

28,5

33,4

29,2

28,0

26,9

26,9

Ontvangsten

0,6

0,5

0,5

0,1

0,1

0,1

8

Kwaliteit Rijksdienst

Uitgaven

71,3

Ontvangsten

36,5

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

Uitgaven

119,5

117,3

117,2

118,8

120,3

128,2

Ontvangsten

174,1

99,8

121,7

121,6

120,3

120,3

11

Centraal apparaat

Uitgaven

445,1

399,8

369,5

360,8

356,9

357,0

Ontvangsten

54,4

17,4

17,4

17,4

17,4

17,4

12

Algemeen

Uitgaven

12,4

6,6

11,4

8,9

7,7

7,7

Ontvangsten

0,9

13

Nog onverdeeld

Uitgaven

Artikel 1 Openbaar bestuur en democratie

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen toegevoegd vanuit artikel 4 voor Kwaliteit woonomgeving. Vanuit artikel 6 zijn middelen toegevoegd voor Burgerschap. Vanuit artikel 7 zijn middelen toegevoegd voor een deel van Overheid als werkgever en een deel van Pensioenen en uitkeringen. Daarnaast zijn tot en met 2021 middelen beschikbaar voor grensoverschrijdende samenwerking en voor de gezamenlijke opzet en inrichting van het interbestuurlijk programma. De ontvangsten betreffen de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de WOZ.

Artikel 2 Nationale veiligheid

De middelen in het Regeerakkoord Rutte-III voor cybersecurity zijn vanaf 2019 toegevoegd aan de begroting van BZK (8 mln. in 2019, 9 mln. in 2020 en vanaf 2021 structureel 12 mln. per jaar). Deze middelen betekenen een intensivering voor de AIVD voor zijn wettelijke taken op het gebied van cybersecurity. Daarnaast zijn in 2017 de middelen voor de uitvoering van de wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) gefaseerd toegevoegd. Dit resulteert in een geleidelijke oploop van het budget tot en met 2021.

Artikel 3 Woningmarkt

Dit artikel bestaat grotendeels uit het budget voor de huurtoeslag en deze neemt toe. Dit komt met name doordat boveninflatoire huurverhogingen tot hogere huurtoeslaguitgaven leiden, ondanks dat deze beperkt worden door de huursom. Daarnaast komt dit doordat de huurtoeslag in nominale prijzen wordt gepresenteerd.

Artikel 4 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

De hogere uitgaven in 2018, 2019 en 2020 hebben voornamelijk betrekking op de afspraken uit het Energieakkoord voor duurzame groei. Tot en met 2020 is in totaal 400 mln. beschikbaar voor de stimulering van energiebesparende projecten binnen de huursector. Verder is in 2018 vanuit de Regeerakkoordenveloppe ten behoeve van Klimaat 90 mln. toegevoegd voor het programma aardgasvrije wijken en 5 mln. voor schaalvergroting verduurzaming basisscholen. Als laatste zijn tot en met 2022 middelen beschikbaar voor de in het regeerakkoord opgenomen CO2-reductiedoelstelling van 2 megaton (in totaal 40 mln. toegevoegd aan het Nationaal Energiebespaarfonds) en voor opdrachten aan het Rijksdienst Voor Ondernemen (RVO) inzake het verplichte energielabel voor woningen en andere gebouwen.

Artikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet

Op dit artikel staan de herverkavelde programmamiddelen voor ruimtelijke ordening en omgevingswet. Voor de invoering van de eerste fase van de omgevingswet zijn in de periode 2018-2021 incidenteel middelen aan het budget toegevoegd.

Artikel 6 Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen overgeheveld naar artikel 1 Openbaar bestuur en democratie voor het onderdeel Burgerschap. Verder zijn de middelen voor de periode 2018-2021 van de Aanvullende Post voor de GDI (Generieke Digitale Infrastructuur van de overheid) overgeboekt naar de begroting van BZK. Overeenkomstig besluitvorming hierover in het Nationaal Beraad worden deze middelen ingezet voor innovaties binnen de digitale overheid, het Programmaplan Basisinfrastructuur en doorontwikkeling en innovatie van GDI-voorzieningen. Tussen 2019 en 2021 zijn deze middelen toegevoegd aan de begroting van BZK op basis van een meerjarige investeringsagenda, met aanloopkosten in 2018 (3 mln.). Daarnaast staan de opdrachtbudgetten voor de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens en Uitvoeringsbedrijf Rijk op dit artikel en de middelen voor beleid basisregistratiepersoonsgegevens. De ontvangsten betreffen onder andere niet-geraamde ontvangsten bij de afrekeningen over 2017 van Beheer Basisregistratie Personen en operatie Basisregistratie Personen.

Artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen overgeheveld naar artikel 1 Openbaar bestuur en democratie Het betreft voor een deel Overheid als werkgever (artikelonderdeel 7.1) en voor een deel Pensioenen, uitkeringen en benoemingsregelingen (artikelonderdeel 7.2). Artikel 8 (Kwaliteit Rijksdienst) is toegevoegd aan dit artikel.

Het budget neemt af doordat het beroep op de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen in de komende jaren afneemt.

Artikel 8 Kwaliteit Rijksdienst

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn de middelen op dit artikel vanaf 2019 toegevoegd aan artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid.

Artikel 9 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

De ontvangsten bestaan uit verpachting, verhuur en vervreemding van onroerende zaken van de Staat, de verkoop van bodemmaterialen en de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen. In 2018 zijn de ontvangsten hoger door een incidentele verkoop.

Artikel 11 Centraal apparaat

In 2018 zijn de uitgaven en ontvangsten hoger vanwege de jaarlijkse desalderingen voor de dienstverleningsafspraken tussen Shared Service organisaties (SSO’s) onderling en de inkomsten van overige departementen en derden voor het gebruik van diensten van DocDirect. Verder zijn er voor de invoering van de omgevingswet extra middelen beschikbaar tot 2020.

Artikel 12 Algemeen

Dit betreft voornamelijk de uitgaven voor vennootschapsbelasting (VPB). Over een deel van de specifieke ontvangsten op artikel 9 moet vennootschapsbelasting worden betaald.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

VIII ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

42.500,5

41.923,9

41.534,2

41.522,1

41.727,2

42.054,7

totaal niet-belastingontvangsten

1.317,3

1.329,2

1.390,2

1.436,7

1.515,9

1.555,2

1

Primair onderwijs

Uitgaven

11.144,1

11.302,4

11.241,7

11.178,7

11.113,4

11.053,5

Ontvangsten

17,7

8,7

8,7

8,7

8,7

8,7

3

Voortgezet onderwijs

Uitgaven

8.713,1

8.611,9

8.526,9

8.450,4

8.388,5

8.359,3

Ontvangsten

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Uitgaven

4.630,7

4.577,0

4.747,6

4.698,4

4.422,1

4.744,4

Ontvangsten

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

6

Hoger beroepsonderwijs

Uitgaven

3.260,2

3.274,9

3.304,4

3.392,3

3.445,8

3.446,9

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

7

Wetenschappelijk onderwijs

Uitgaven

4.808,9

4.847,3

4.914,6

5.016,8

5.101,8

5.158,0

Ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

8

Internationaal onderwijsbeleid

Uitgaven

12,1

12,0

11,3

10,1

10,1

10,1

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Uitgaven

155,4

168,6

165,3

162,2

162,1

160,9

Ontvangsten

9,0

9,0

9,0

9,0

9,0

9,0

11

Studiefinanciering

Uitgaven

6.366,6

5.602,7

5.205,2

5.268,3

5.771,0

5.842,0

Ontvangsten

850,3

893,2

948,6

1.015,9

1.087,0

1.155,0

12

Tegemoetkoming studiekosten

Uitgaven

93,7

93,1

91,5

90,8

90,3

88,6

Ontvangsten

3,7

3,7

3,6

3,5

3,5

3,4

13

Lesgelden

Uitgaven

6,7

6,6

6,6

6,6

6,6

6,6

Ontvangsten

237,7

238,7

241,1

242,4

242,5

240,6

14

Cultuur

Uitgaven

857,3

963,1

954,0

931,2

903,0

897,8

Ontvangsten

7,3

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

15

Media

Uitgaven

976,8

960,8

970,3

953,4

967,6

945,3

Ontvangsten

179,3

163,0

166,4

144,3

152,2

125,6

16

Onderzoek en wetenschappen

Uitgaven

1.206,2

1.227,9

1.221,9

1.216,1

1.216,4

1.216,2

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

25

Emancipatie

Uitgaven

14,8

15,9

15,9

15,9

15,9

15,9

91

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

  • 114,4
  • 140,3
  • 156,2
  • 160,9

95

Apparaatskosten

Uitgaven

254,0

259,8

271,4

271,2

268,9

270,1

Ontvangsten

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Artikel 1 Primair onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het po wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. Hierdoor dalen de uitgaven. De stijging in 2019 t.o.v. 2018 is het gevolg van de oploop in een aantal intensiveringen uit het regeerakkoord zoals de middelen voor de verlaging van de werkdruk en de middelen voor de voor- en vroegschoolse educatie. De tranches 2020 en 2021 van de investering in het verlagen van de werkdruk (samen 193 mln.) staan nog op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het vo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. Hierdoor dalen de uitgaven.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het mbo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. De stijging in 2020 wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de middelen voor de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven vanaf dat jaar op de OCW-begroting staan als een uitgavenregeling. De daling van de uitgaven in 2022 wordt met name veroorzaakt doordat het resultaatafhankelijk budget van 200 mln. is doorgeschoven naar 2023 (conform Bestuursakkoord mbo 2018-2022).

Artikel 6 Hoger beroepsonderwijs en Artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs

De uitgaven op beide artikelen stijgen. Dit heeft voornamelijk te maken met het feit dat er door de invoering van het studievoorschot extra middelen worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Deze middelen zijn voor zowel het hbo als het wo oplopend in de huidige meerjarenperiode.

Artikel 8 Internationaal onderwijsbeleid

De daling in de uitgaven in 2021 wordt met name veroorzaakt doordat de bekostiging van het Nationaal Agentschap Erasmus+ vanuit de onderwijsartikelen momenteel tot en met 2020 geregeld is.

Artikel 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

De dalingen in de uitgaven wordt met name veroorzaakt doordat enkele subsidies aflopen, zoals de Impuls lerarentekorten en de projecten voor professionalisering.

Artikel 11 Studiefinanciering

De stijging van de uitgaven en ontvangsten komt voornamelijk doordat studenten meer lenen. De invoering van het studievoorschot heeft deze trend versterkt. Daarnaast neemt het aantal studenten in het hoger onderwijs toe, waardoor ook het aantal leningen en daarmee het totaal geleende bedrag toeneemt.

Artikel 12 Tegemoetkoming studiekosten

De daling van de uitgaven komt voornamelijk doordat in het vo een daling van het aantal leerlingen wordt geraamd. De uitgaven van dit artikel zijn hier voornamelijk van afhankelijk.

Artikel 13 Lesgelden

De ontvangsten onder dit artikel volgen voornamelijk de aantallen lesgeldplichtige studenten in het mbo en blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 14 Cultuur

Er zijn verschillende factoren die zorgen voor dit verloop van de uitgaven. In 2018 is er reeds 46,1 mln. overgeboekt naar artikel 16 voor de Koninklijke Bibliotheek. Per 2019 staat het budget op de begroting van OCW dat gemoeid is met de omvorming van de fiscale monumentenaftrek naar een uitgavenregeling. Daarnaast zijn er twee tranches (2018 en 2019, beide 25 mln.) van de regeerakkoordmaatregelen overgeboekt naar de begroting van OCW. Tenslotte zorgen de regeerakkoordmiddelen voor erfgoed en monumenten in de jaren 2018-2021 voor hogere uitgaven.

Artikel 15 Media

De uitgaven laten een dalende trend zien. Dit komt doordat ook de ontvangsten afnemen. De raming van de reclameopbrengsten van de STER loopt namelijk terug. Deze algemene trend verloopt schoksgewijs, aangezien er tijdens de even jaren meer reclameopbrengsten worden verwacht door grote (sport)evenementen. Hierdoor is er ook meer budget beschikbaar voor de publieke omroep. Dit is ook te zien in de raming van de ontvangsten.

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

De uitgaven blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 25 Emancipatie

De uitgaven blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 91 Nominaal en onvoorzien

Dit artikel bevat een taakstelling van 114 miljoen in 2020 oplopend naar 161 miljoen in 2023 als gevolg van een autonome tegenvaller op de referentieraming en de studiefinancieringsraming en zal bij Voorjaarsnota 2019 ingevuld worden.

Artikel 95 Apparaatsuitgaven

De lagere uitgaven in 2019 worden voornamelijk veroorzaakt doordat de omvorming van de fiscale scholingsaftrek naar een uitgavenregeling op de begroting van OCW is uitgesteld. Het beschikbare budget is daarom weer van de OCW-begroting afgetrokken. De omvorming staat nu gepland voor 2020.

Nationale Schuld (Transactiebasis)

IXA NATIONALE SCHULD (TRANSACTIEBASIS)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

47.385,7

37.187,0

37.628,0

23.891,7

38.336,1

36.896,0

totaal niet-belastingontvangsten

43.399,2

33.672,0

36.131,4

22.420,6

36.546,9

34.267,5

1

Financiering staatsschuld

Uitgaven

45.603,5

35.655,3

36.017,3

22.160,3

36.481,3

35.008,3

Ontvangsten

32.435,0

24.178,0

28.576,0

16.436,0

30.442,0

29.273,0

2

Kasbeheer

Uitgaven

1.782,2

1.531,7

1.610,7

1.731,4

1.854,8

1.887,7

Ontvangsten

10.964,2

9.494,0

7.555,4

5.984,6

6.104,9

4.994,5

Financiering staatsschuld

Dit artikel heeft betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld. De uitgaven bestaan uit de rentelasten en aflossingen van vaste en vlottende schuld. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en uitgifte van schuld. De hoogte van de aflossingen van de bestaande schuld ligt vast als gevolg van eerder gemaakte keuzes ten aanzien van de schuldfinanciering. De verwachte schulduitgifte neemt in de loop der jaren af doordat de financieringsbehoefte van het Rijk verder afneemt.

Kasbeheer

Op dit artikel staan de geldstromen die betrekking hebben op het schatkistbankieren van aan de schatkist gelieerde instellingen. De uitgaven bestaan enerzijds uit de rentevergoeding over de saldi die in de schatkist worden aangehouden door baten-lastendiensten, RWT’s (Rechtspersoon met een Wettelijke Taak) en sociale fondsen. Anderzijds bestaan de uitgaven uit verstrekte leningen aan baten-lastendiensten en RWT’s en, in sommige jaren, uit een afname van het rekening-couranttegoed van deze instellingen of van de sociale fondsen. De ontvangsten bestaan uit rentebaten, aflossingen op leningen door deelnemers aan het schatkistbankieren en, in sommige jaren, uit een toename van het rekening-couranttegoed van baten-lastendiensten, RWT’s of sociale fondsen. De schommelingen van de ontvangsten op dit artikel worden met name veroorzaakt door mutaties in de rekening-courant van de sociale fondsen.

Financiën

IXB FINANCIËN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

7.105,9

7.205,7

6.815,1

6.519,1

6.546,3

6.478,1

totaal niet-belastingontvangsten

3.162,8

2.385,1

2.405,3

2.212,8

2.252,4

2.619,1

1

Belastingen

Uitgaven

3.066,0

2.775,0

2.580,4

2.426,2

2.422,8

2.384,6

Ontvangsten

842,4

852,3

839,6

836,8

837,9

837,9

2

Financiele Markten

Uitgaven

23,1

25,0

23,4

23,3

23,3

23,3

Ontvangsten

14,2

7,4

9,4

9,4

9,4

9,4

3

Financ. act. Publiek-Private sector

Uitgaven

369,2

294,1

11,9

8,8

8,8

8,8

Ontvangsten

1.969,3

1.204,3

1.201,7

1.066,5

1.063,5

1.432,5

4

Internationale Fin. Betrekkingen

Uitgaven

104,4

33,2

23,9

9,7

6,7

6,8

Ontvangsten

3,5

11,3

65,5

158,4

199,9

197,6

5

Exportkrediet- en investeringsverzekering

Uitgaven

75,5

83,4

83,4

83,4

88,2

88,1

Ontvangsten

280,4

256,2

235,6

88,1

88,1

88,1

6

BTW-Compensatiefonds

Uitgaven

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

9

Douane

Uitgaven

416,2

427,2

422,3

422,0

421,5

Ontvangsten

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

10

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

0,0

98,4

186,8

67,1

96,2

66,6

21

Centraal Apparaat

Uitgaven

242,6

255,4

253,1

253,2

253,3

253,3

Ontvangsten

53,0

53,0

52,8

52,8

52,8

52,8

Artikel 1 Belastingen

De daling van de geraamde uitgaven van 2018 naar 2019 wordt vooral veroorzaakt doordat de Douane vanaf 2019 een eigen begrotingsartikel heeft. Daarnaast zijn er vanuit de Aanvullende Post incidentele middelen vrijgegeven voor de vertrekregeling en de investeringsagenda. Een deel van deze middelen voor 2019 en verder staat nog op de Aanvullende Post en artikel 10. Zie ook de financiële bijlage bij de Kamerbrief beheerst vernieuwen (Kamerstuk 2017-2018, 31 066, nr. 403) en de verdiepingsbijlage van de begroting van financiën.

Artikel 2 Financiele Markten

De piek in de uitgaven in 2019 wordt onder meer veroorzaakt door een budget voor ICT-zaken voor de Accountantskamer, tijdelijke bekostiging van de herziene Europese betaalwet Payment Services Directive 2 (PSD2) toezicht en een vervolg van de DNB-pilot Ongewenste Buitenlandse Financieringen. De hogere ontvangsten in 2018 ten opzichte van latere jaren worden verklaard door onder andere een eenmalige boeteontvangst van 1,6 mln. van AFM.

Artikel 3 Financ. act. Publiek-Private sector

In 2018 is er sprake van een hogere raming van de ontvangsten vanwege meevallende dividendontvangsten van de staatsdeelnemingen. In 2018 en 2019 zijn er hogere uitgaven door een kapitaalinjectie aan TenneT. Eind 2015 heeft TenneT de Staat als enig aandeelhouder verzocht om extra kapitaal ter beschikking te stellen om de wettelijk verplichte investeringen in het Nederlandse net te realiseren. Deze financiële transactie is niet relevant voor het EMU-saldo en het uitgavenkader. In 2023 worden er hogere ontvangsten verwacht van DNB, aangezien DNB dat jaar geen geld meer opzij hoeft te zetten in de voorziening ter dekking van risico’s van het QE-beleid van de ECB.

Artikel 4 Internationale Fin. Betrekkingen

De aflopende uitgavenreeks wordt verklaard door een terugloop in de teruggave van de winsten van het Securities Market Program aan Griekenland.De ontvangstenraming kent vanaf 2019 een oploop vanwege verwachte hogere renteopbrengsten op de leningen aan Griekenland, en de terugbetaling door Griekenland van de bilaterale lening.

Artikel 5 Exportkrediet- en investeringsverzekering

De hogere ontvangsten met betrekking tot de exportkredietverzekering (EKV) in de jaren 2018-2020 worden voornamelijk bepaald door de terugbetaling van Argentinië, naar aanleiding van het schuldenakkoord met de Club van Parijs (zie ook Kamerbrief 2013-2014, 33 750 IX, nr. 29). In 2020 wordt de laatste terugbetaling verwacht.

Artikel 6 BTW-Compensatiefonds

Op dit artikel wordt het BTW-compensatiefonds (BCF) verantwoord. Het BCF wordt uit het gemeente- en provinciefonds gefinancierd. De meerjarige raming is gebaseerd op realisatiecijfers over 2017. De uitgaven aan het BCF zijn stabiel de komende jaren, het gemeente- en provinciefonds fungeren als ventiel bij een onder- of overschrijding. Een onder- of overschrijding komt ten laste of ten gunste van het gemeente- en provinciefonds.

Artikel 9 Douane

Per 2019 heeft Douane een eigen artikel op begroting IXB Financiën.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Op artikel 10 is er onder andere geld gereserveerd voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen en onvoorziene tegenvallers. De geraamde uitgaven voor 2019 en 2020 zijn hoger omdat er nog geld gereserveerd staat voor de vertrekregeling, zie ook de financiële bijlage bij de Kamerbrief beheerst vernieuwen (Kamerstuk 2017-2018, 31 066, nr. 403).

Artikel 21 Centraal Apparaat

De stijging in de uitgaven vanaf 2019 heeft onder meer te maken met de uitbreiding en versterking van het eigen personeel op het kerndepartement. Dit vloeit voort uit de aanbevelingen van de Commissie onderzoek Belastingdienst.

Defensie

X DEFENSIE

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

9.237,9

10.270,6

10.726,9

10.916,4

10.523,2

10.295,9

totaal niet-belastingontvangsten

500,3

310,3

279,3

277,8

278,5

331,6

1

Opdracht Inzet

Uitgaven

14,0

11,0

11,0

11,0

11,0

11,0

Ontvangsten

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

2

Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Uitgaven

875,9

842,1

864,3

873,7

866,4

867,2

Ontvangsten

21,7

20,4

20,4

20,4

20,4

20,4

3

Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Uitgaven

1.371,5

1.427,3

1.465,7

1.499,0

1.528,2

1.521,7

Ontvangsten

6,5

6,4

10,4

10,4

10,4

10,4

4

Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

Uitgaven

770,3

800,0

818,4

832,7

818,5

815,5

Ontvangsten

12,1

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

5

Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

Uitgaven

399,7

405,3

409,0

410,5

409,8

409,8

Ontvangsten

4,6

4,6

4,6

4,4

4,4

4,4

6

Investeringen Krijgsmacht

Uitgaven

1.817,1

2.840,0

3.130,7

3.256,1

2.875,7

2.665,8

Ontvangsten

234,2

123,1

75,2

65,1

58,3

96,0

7

Ondersteuning krijgsmacht door Defensie Materieel Org

Uitgaven

877,1

932,2

969,5

986,8

994,2

1.000,8

Ontvangsten

51,6

32,4

43,4

43,4

43,4

43,4

8

Ondersteuning krijgsmacht door Cdo Dienstencentra

Uitgaven

1.253,9

1.261,8

1.272,9

1.249,1

1.230,9

1.235,4

Ontvangsten

81,4

81,0

81,4

81,4

81,4

81,4

9

Algemeen

Uitgaven

114,8

105,8

100,4

101,9

102,1

102,1

10

Centraal apparaat

Uitgaven

1.660,6

1.626,0

1.574,9

1.607,1

1.582,7

1.568,9

Ontvangsten

82,9

25,0

26,6

35,4

43,0

58,3

11

Geheime uitgaven

Uitgaven

7,2

7,6

7,6

7,6

7,6

7,6

12

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

75,8

11,5

102,3

80,8

96,2

90,2

Artikel 1 Opdracht Inzet

Door de toevoeging van de eindejaarsmarge bij overige inzet is het bedrag in 2018 hoger dan in de jaren daarna.

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Op dit artikel wordt het uitgavenpatroon verklaard door een spreiding van de uitgaven aan materiele instandhouding en een geleidelijke stijging aan personele uitgaven ten behoeve van het verbeteren van de basisgereedheid.

Artikel 3 Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Op dit artikel worden de oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 4 Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

Op dit artikel worden de fluctuerende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid en het overboeken van budget naar andere artikelen voor het uitvoeren van de opgedragen taken door de Luchtstrijdkrachten.

Artikel 5 Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

Het uitgavenbudget voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) stijgt geleidelijk door het vergroten van het personeelsbestand. Dit heeft te maken met de extra VTE benodigd voor grensbewaking en extra controles als gevolg van de aanstaande Brexit.

Artikel 6 Investeringen Krijgsmacht

Het fluctuerende verloop van dit artikel wordt deels verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De hogere uitgaven in 2019 zijn het gevolg van het verschuiven van budget van de afgelopen jaren naar dit jaar na herijkingen van de investeringsplannen. Het investeringsprogramma bepaalt door de planning van materiele investeringen het verloop van de uitgaven. De verwachte onderuitputting in 2018 wordt samen met de bijbehorende eindejaarsmarge bij ontwerpbegroting 2019 reeds verwerkt waardoor de uitgaven in 2020 en 2021 hoger zijn dan in de jaren erna.

Artikel 7 Defensie Materieel Organisatie

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting ten behoeve van de verbetering van de basisgereedheid. Anderzijds kunnen de oplopende uitgaven grotendeels worden verklaard door de toegenomen personele uitgaven als gevolg van het samengaan van JIVC met het agentschap OPS.

Artikel 8 Commando Dienstencentra

Op dit artikel stijgen de uitgaven in 2019 en 2020 door het project «Behoud & Werving» met als doel het behouden van gekwalificeerd personeel en het verhogen van de instroom van nieuw personeel. Daarnaast wordt extra geïnvesteerd in het internationale functiebestand.

Artikel 9 Algemeen

De uitgaven op dit artikel betreffen het exploitatiedeel van de bijdragen aan de NAVO, verschillende subsidies en opdrachten en bekostiging. De piek in 2018 is te verklaren aan de hogere uitgaven aan «opdrachten aan derden». De bijdrage aan internationale samenwerking stijgt geleidelijk, maar heeft geen sterk effect op de totale uitgaven.

Artikel 10 Centraal Apparaat

Dit artikel toont de apparaatskosten van de bestuursstaf, de MIVD en de defensiebrede pensioenen, uitkeringen en wachtgelden. De meerjarige daling van de uitgaven weerspiegelt met name de daling van de overtolligheidsuitgaven als gevolg van eerdere reorganisaties. Door de pensionering van voormalige werknemers met een wachtgeldregeling uit deze reorganisaties dalen deze uitgaven. Daarnaast dalen de pensioenuitgaven licht door de effecten van het ophogen van de pensioenleeftijd.

Artikel 11 geheime uitgaven

Op dit artikel zijn de uitgaven stabiel.

Artikel 12 Nominaal en Onvoorzien

Op artikel 12 staat het restsaldo van de nog niet uitgedeelde meerjarige loonbijstelling. Dit is gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. In 2019 is een dip zichtbaar door het aanwenden van middelen van artikel 12 om het gewijzigde kasritme vanuit de Defensienota te faciliteren.

Infrastructuur en Waterstaat

XII INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

8.275,9

9.527,0

9.269,4

9.304,9

9.148,9

9.361,2

totaal niet-belastingontvangsten

30,6

19,4

15,6

16,4

14,5

14,3

11

Integraal waterbeleid

Uitgaven

34,4

31,0

30,9

31,3

33,0

33,0

Ontvangsten

0,3

13

Ruimtelijke Ontwikkeling

Uitgaven

39,0

41,4

35,0

139,6

137,7

138,4

Ontvangsten

4,5

2,0

14

Wegen en verkeersveiligheid

Uitgaven

43,6

49,9

41,0

37,2

35,9

34,7

Ontvangsten

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

16

Openbaar vervoer en spoor

Uitgaven

19,3

13,2

13,9

14,2

14,2

12,2

17

Luchtvaart

Uitgaven

18,8

26,0

19,6

8,7

8,5

7,6

Ontvangsten

1,9

1,4

1,3

0,9

0,9

0,8

18

Scheepvaart en havens

Uitgaven

40,3

37,5

33,6

3,5

3,5

4,0

Ontvangsten

0,2

0,8

19

Klimaat

Uitgaven

47,6

40,6

40,9

40,3

40,9

40,5

Ontvangsten

0,4

20

Lucht en geluid

Uitgaven

32,2

27,6

27,6

28,5

28,6

30,4

21

Duurzaamheid

Uitgaven

60,0

27,5

25,6

17,7

17,7

16,3

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico's

Uitgaven

52,2

33,8

45,6

43,4

49,8

62,4

Ontvangsten

2,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Uitgaven

51,1

51,8

48,2

41,8

45,0

42,3

24

Handhaving en toezicht

Uitgaven

110,5

108,1

107,3

107,2

107,2

107,2

25

Bijdrage BDU

Uitgaven

929,6

900,0

898,5

887,4

887,4

887,4

26

Bijdrage investeringsfondsen

Uitgaven

6.387,7

7.796,0

7.564,9

7.582,1

7.417,2

7.622,4

97

Algemeen departement

Uitgaven

121,4

62,1

63,7

57,1

57,2

57,1

Ontvangsten

3,7

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

98

Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Uitgaven

308,1

296,6

286,9

280,6

280,9

280,8

Ontvangsten

14,9

5,4

5,4

5,4

5,4

5,4

99

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

  • 20,1
  • 16,0
  • 13,8
  • 15,8
  • 15,8
  • 15,8

Artikel 11 Integraal waterbeleid

Naar aanleiding van de herverkaveling volgend uit het Regeerakkoord Rutte III van de Omgevingswet naar BZK zijn budgetten vanuit beleidsartikel 13 die samenhangen met algemeen waterbeleid overgedragen naar dit artikel.

Artikel 13 Bodem en ondergrond

De oploop vanaf 2021 wordt grotendeels veroorzaakt door reeds meerjarig overgeboekte budgetten naar het Gemeentefonds en Provinciefonds in het kader van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020. Vanaf 2021 staan de budgetten nog op dit artikel. De geactualiseerde ontvangsten betreft de ontvangsten voor de verkoop van grond voor de saneringsopgave Stormpolderdijk van de gemeente Krimpen a/d IJssel.

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

De geleidelijke daling van budget na 2018 is het gevolg van het aflopen van projecten binnen het programma Beter Benutten. De incidentele piek in 2019 komt door overheveling van budgetten vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 16 Openbaar vervoer en spoor

Vanaf 2018 daalt de omvang van dit artikel hoofdzakelijk omdat de subsidieregeling Beheersing GSM-R interferentie stopt. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. De subsidieregeling is een tegemoetkoming in de kosten die spoorvervoerders moeten maken voor de aanpassing of vervanging van aanwezige GSM-R treinradio’s.

Artikel 17 Luchtvaart

De hogere bedragen in 2018, 2019 en 2020 worden verklaard door 1) middelen die via de Incidentele Suppletoire Begroting inzake Wederopbouw Saba en Sint Eustatius (15,5 mln.) zijn toegevoegd en 2) extra middelen die vanuit herschikking van IenW budgetten beschikbaar zijn gesteld voor ambities uit het Regeerakkoord Rutte III op de programma’s Schiphol, Luchtruimherziening en Lelystad.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

Het meerjarenprogramma Topsector Logistiek loopt af in 2020. Dit verklaart de daling van de budgetten vanaf 2021. De ontvangsten in 2018 zijn kosten voor de ACM die deels doorbelast worden aan de sector. De ontvangsten in 2020 zijn te ontvangen deelnemersbijdragen en sponsorbijdragen aan het door Nederland te organiseren vierjaarlijkse symposium van de IALA (International Association on Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities).

Artikel 19 Uitvoering milieubeleid en internationaal

In de jaren 2018-2019 zijn de budgetten op dit artikel hoger vanwege een herschikking binnen de begroting voor het bereiken van de doelstelling uit het Energieakkoord en het uitvoeren van extra maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan. Tevens was er overheveling van budgetten vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 20 Lucht en geluid

De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt doordat de financiële afwikkeling en nabetaling in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit in dat jaar is voorzien.

Artikel 21 Duurzaamheid

De piek in 2018 betreft grotendeels de toegevoegde middelen voor IenW vanuit de Enveloppe Klimaat vanuit het Regeerakkoord Rutte III. Tevens zijn er budgetten overgeheveld vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico’s

De lagere stand op dit artikel in het jaar 2019 wordt verklaard door een overboeking naar het Provinciefonds ten behoeve van het Programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Na 2018 stijgt het budget. Dit hangt samen met de oploop in het beschikbare budget voor het Programma IOV.

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

De lagere stand op dit artikel vanaf 2020 is het gevolg van de lagere contributie van het KNMI aan EUMETSAT, het Europese programma voor aardobservatie. De hogere uitgaven in 2018 en lagere uitgaven in 2021 zijn het gevolg van een kasschuif voor het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) waarmee de budgettaire reeks in overeenstemming wordt gebracht met de actuele raming van de contributiebetaling aan EUMETSAT.

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Op dit artikel wordt de financiële bijdrage van IenW aan de Inspectie Leefomgeving en transport (ILT) geraamd.

Artikel 25 Bijdrage BDU

Het budget van de Brede Doeluitkering ligt in 2018 hoger vanwege een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor het project Beter Benutten.

Artikel 26 Bijdragen Investeringsfondsen

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord. De ontwikkeling van dit artikel wordt toegelicht in de horizontale toelichting van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Artikel 97 Algemeen Departement

De hogere stand in 2018 wordt verklaard door 1) middelen voor de reservering voor de vervanging van het regeringsvliegtuig en 2) middelen die via de Incidentele Suppletoire Begroting inzake Thermphos zijn toegevoegd.

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

De uitgaven aan apparaat nemen af als gevolg van lagere uitgaven aan eigen personeel en externe inhuur. De hogere ontvangsten in 2018 bestaan uit bijdragen van agentschappen voor uitgaven bedrijfsvoering.

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

Er is een structurele minregel, oplopend van 20 mln. in 2018 - 2020 naar 23 mln. vanaf 2021, ingeboekt op de IenW-begroting in afwachting van concrete invulling. In de loop van het jaar wordt dit concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt. Tevens zijn de Cybersecurity middelen, een oplopende reeks van 4 mln. in 2019 naar 7 mln. structureel, vanuit het Regeerakkoord Rutte III op dit artikel geplaatst.

Economische Zaken en Klimaat

XIII ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

5.057,9

4.460,6

5.077,7

4.971,3

5.053,4

5.136,2

totaal niet-belastingontvangsten

4.061,5

4.179,8

4.560,4

4.429,9

4.169,0

4.121,0

1

Goed functionerende economie en markten

Uitgaven

198,6

193,7

189,8

191,8

191,3

191,4

Ontvangsten

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Uitgaven

899,0

868,6

919,9

899,0

897,9

903,3

Ontvangsten

125,4

113,2

111,1

111,9

105,7

107,1

3

Toekomstfonds

Uitgaven

207,9

182,0

190,1

191,3

180,9

161,3

Ontvangsten

33,6

28,5

34,6

44,0

45,3

50,2

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Uitgaven

2.409,2

2.797,4

3.476,1

3.393,1

3.499,9

3.606,0

Ontvangsten

3.626,3

2.232,2

2.908,2

3.067,5

3.111,5

3.257,8

5

Een veilig Groningen met perspectief

Uitgaven

151,3

140,5

40,0

39,0

19,9

8,9

Ontvangsten

99,9

1.749,5

1.450,0

1.150,0

850,0

650,0

6

Een concurr., duurz.en veilige agro-, viss.- en voedeselket.

Uitgaven

617,3

Ontvangsten

50,2

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Uitgaven

Ontvangsten

8

Natuur en biodiversiteit

Uitgaven

116,0

Ontvangsten

57,2

40

Apparaat (EZK)

Uitgaven

383,7

278,4

272,7

268,1

274,6

275,4

Ontvangsten

36,4

25,4

25,4

25,4

25,4

24,8

41

Nog onverdeeld (EZK)

Uitgaven

  • 11,0
  • 11,0
  • 11,0
  • 10,0

42

Apparaat (LNV)

Uitgaven

41,4

Ontvangsten

1,5

43

Nog onverdeeld (LNV)

Uitgaven

33,6

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten

De uitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de bijdragen aan agentschappen (Agentschap Telecom, RVO) en bijdragen aan ZBO’s/RWT’S (Metrologie en CBS). Het licht dalende verloop van de uitgaven in 2018-2020 wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere uitgavenramingen voor CBS en RVO. De ontvangsten hebben voornamelijk betrekking op boetes die toezichthouders van EZK opleggen en waar - in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid - een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

De uitgaven op dit artikel zijn met name bestemd voor bijdragen aan (inter)nationale organisaties, bijdragen aan TNO en de Kamer van Koophandel en subsidies ter stimulering van innovatie en (duurzaam) ondernemen. De lagere uitgaven in 2019 worden onder andere veroorzaakt door ramingsbijstellingen van de garantieregeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). Vanwege de huidige economische situatie nemen naar verwachting de komende jaren de schadebetalingen op de BMKB als gevolg van faillissementen af. De hogere uitgaven in 2020 volgen onder andere uit de overgehevelde middelen voor Ruimtevaart vanuit de Regio-enveloppe van de Aanvullende Post. De ontvangsten zijn grotendeels afkomstig uit de BMKB en Garantie Ondernemersfinanciering, de Rijksoctrooiwet en de luchtvaartkredietregeling. De afloop in de ontvangstenreeks komt met name doordat de raming octrooiontvangsten op korte termijn omhoog is bijgesteld.

Artikel 3 Toekomstfonds

Het Toekomstfonds kent een 100% eindejaarsmarge, waardoor overtollige middelen in enig jaar volledig meegenomen kunnen worden naar het volgende jaar. De niet benutte middelen in 2017, die bij Voorjaarsnota 2018 aan de begroting 2018 van het Toekomstfonds zijn toegevoegd, zijn voor de diverse instrumenten gespreid over de komende jaren. De verschillende instrumenten binnen het Toekomstfonds zijn geheel of gedeeltelijk revolverend. De ontvangsten komen voornamelijk uit Fund of funds, Innovatiekredieten en Seed.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

De uitgaven op dit artikel stijgen door de oplopende uitgaven aan de SDE+-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie+). Deze uitgaven stijgen vanwege het toenemende aantal SDE+-subsidies om tegemoet te komen aan de afspraak in het Energieakkoord voor duurzame energie dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft (en in 2023 16%). De ontvangsten op artikel 4 vloeien voornamelijk voort uit de ODE (Opslag Duurzame Energie). De ODE-ontvangsten stijgen om de toenemende uitgaven aan de SDE+ zoals vastgelegd in het Energieakkoord te financieren. Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 34 960, nr. 10) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel (artikel 5). Hierdoor zijn de aardgasbaten met ingang van 2019 van artikel 4 naar artikel 5 verplaatst.

Artikel 5 Een veilig Groningen met perspectief

De uitgaven op artikel 5 bestaan voornamelijk uit subsidies voor de verduurzamingsopgave, de betalingen van schadevergoedingen voor gedupeerden van aardbevingen door gaswinning, de bijdrage aan RVO.NL voor de uitvoering van de schadeafhandeling en de kosten voor de TCMG. De ontvangsten worden voornamelijk bepaald door de aardgasbaten. Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 34 960, nr. 10) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel. Hierdoor zijn de aardgasbaten met ingang van 2019 van artikel 4 naar artikel 5 verplaatst. Het kabinet heeft op 29 maart 2018 besloten om de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Hierdoor wordt de gasbatenreeks verlaagd tot 650 mln. in 2023. Conform de begrotingsregels zijn beslissingen over het winningsvolume relevant voor het uitgavenplafond. Ook zijn de volgende ontwikkelingen verwerkt in de gasbaten: het Akkoord op Hoofdlijnen dat is afgesloten met Shell en ExxonMobil wat leidt tot een andere verdeling van kosten en opbrengsten, bijgestelde kosten voor schade en versterken (bovengronds), kosten voor de operatie van de gaswinning (ondergronds) en de gasbaten zijn doorberekend tegen de meest actuele prijzen. Daarnaast staan de ontvangsten van de NAM voor de schadevergoedingen aan gedupeerden en de uitvoeringskosten van de publieke schadeafhandeling op dit begrotingsartikel.

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Artikel 6 is vanaf 2019 als artikel 11 onderdeel van de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt daarom bij de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Artikel 8 is vanaf 2019 als artikel 12 onderdeel van de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt daarom bij de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 40 Apparaat (EZK)

De uitgaven voor artikel 40 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven. De daling van de uitgaven komt met name door de splitsing van het voormalig Ministerie van Economische Zaken in een Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en een Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het budget voor personele en materiële uitgaven dat bestemd is voor LNV is vanaf 2019 overgeheveld naar de begroting van LNV.

Artikel 41 Nog onverdeeld (EZK)

Een taakstellende reeks is gereserveerd als dekking voor problematiek van het voorjaar 2018. Deze problematiek bestaat voornamelijk uit de uitbreiding van de klimaat- en energiedirecties, de versterking van de organisatie van SodM en het op orde brengen van de informatiebeveiliging. Het budget voor Nog onverdeeld dat bestemd is voor LNV, is vanaf 2019 overgeheveld naar de begroting van LNV.

Artikel 42 Apparaat (LNV)

De uitgaven voor artikel 50 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van het Ministerie van LNV. Voor 2019 en verder is dit budget daarom overgeheveld van de begroting van EZK naar artikel 50 op de begroting van LNV (hoofdstuk XIV). De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt op de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 43 Nog onverdeeld (LNV)

Dit artikel betreft de post Nog onverdeeld van LNV. Voor 2019 en verder zijn de bedragen overgeheveld van de begroting van EZK naar artikel 51 Nog onverdeeld op de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt op de begroting van LNV toegelicht.

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

XIV LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

852,2

826,2

813,3

798,5

805,0

totaal niet-belastingontvangsten

88,6

75,8

73,2

66,8

62,4

11

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedsel

Uitgaven

595,3

584,2

585,4

569,8

576,3

Ontvangsten

40,0

38,5

37,9

37,9

35,0

12

Natuur en biodiversiteit

Uitgaven

118,3

122,1

114,8

115,6

115,6

Ontvangsten

45,9

34,5

32,6

26,1

23,9

50

Apparaat

Uitgaven

107,4

105,8

104,0

104,0

104,0

Ontvangsten

2,8

2,8

2,8

2,8

3,4

51

Nog onverdeeld

Uitgaven

31,2

14,1

9,1

9,1

9,1

Artikel 11 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

De uitgaven op artikel 11 bestaan voornamelijk uit de bijdragen van LNV aan de NVWA, RVO.nl en Wageningen Research en uit subsidies en opdrachten op het gebied van onder andere kennisontwikkeling, integraal voedselbeleid, mestbeleid en diergezondheid. De ontvangsten zien voornamelijk op het gebied van kennisontwikkeling, visserij en onttrekkingen uit begrotingsreserves. De lagere ontvangsten in 2019 ten opzichte van 2018 zit voornamelijk op minder onttrekkingen uit begrotingsreserves. De middelen op artikel 11 zijn in de jaren voor 2019 als artikel 6 onderdeel van de begroting van EZK geweest.

Artikel 12 Natuur en biodiversiteit

De uitgaven laten een gelijke trend zien en bestaan voornamelijk uit de bijdragen van LNV aan Staatsbosbeheer en RVO.nl, rente en aflossingen voor bestaande leningen en uit opdrachten voor Natuur en biodiversiteit op land en voor de Grote Wateren. De ontvangsten zien op landinrichtingsrente en verkoop van gronden en laten een dalende trend zien door een verlaging van de ontvangsten op landinrichtingsrente en door het wegvallen van ontvangsten door verkoop van gronden. De middelen op artikel 12 voor de jaren tot en met 2018 zijn als artikel 8 onderdeel van de begroting van EZK.

Artikel 50 Apparaat

De uitgaven voor artikel 50 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van het Ministerie van LNV. Voor de jaren 2019 en verder is dit budget overgeheveld van artikel 42 van de begroting van EZK. De stijging van 2019 ten opzichte van de uitgaven in 2018 heeft te maken met de oprichting van het Ministerie van LNV.

Artikel 51 Nog onverdeeld

Voor de jaren 2019 en verder zijn de bedragen overgeheveld van de begroting van EZK naar de begroting van LNV. Dit betreft hoofdzakelijk het restant van de bij Voorjaarsnota toegekende middelen voor de herinrichting van LNV/EZK. Een groot deel van de toegekende middelen is verdeeld over de andere begrotingsartikelen. Het hier nog resterende bedrag betreft met name de voor de inrichting van LNV geraamde investeringen in ICT. Deze middelen zullen bij Najaarsnota 2018 en Voorjaarsnota 2019 worden verdeeld naar de relevante onderdelen. In de begroting van het Ministerie van EZK stonden deze middelen op artikel 43 Nog onverdeeld.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

34.598,3

36.135,4

36.341,2

36.591,3

36.823,7

37.644,3

totaal niet-belastingontvangsten

1.878,9

1.870,9

1.925,9

1.997,4

2.042,7

2.056,5

1

Arbeidsmarkt

Uitgaven

495,8

950,0

904,0

905,3

900,0

895,7

Ontvangsten

24,0

24,0

24,0

24,0

24,0

24,0

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Uitgaven

7.145,8

7.079,1

7.149,7

7.351,5

7.507,2

7.631,3

Ontvangsten

17,7

2,6

3

Arbeidsongeschiktheid

Uitgaven

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,9

4

Jonggehandicapten

Uitgaven

3.282,3

3.359,4

3.440,6

3.470,5

3.444,9

3.460,0

Ontvangsten

25,6

5

Werkloosheid

Uitgaven

114,6

157,1

128,0

130,3

138,5

148,7

Ontvangsten

3,4

6

Ziekte en zwangerschap

Uitgaven

7,8

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

7

Kinderopvang

Uitgaven

2.964,8

3.286,7

3.346,1

3.378,3

3.388,5

3.402,9

Ontvangsten

1.532,0

1.580,6

1.626,8

1.661,4

1.678,4

1.682,6

8

Oudedagsvoorziening

Uitgaven

23,7

26,1

26,0

27,1

27,9

26,7

9

Nabestaanden

Uitgaven

1,2

1,2

1,2

1,2

1,3

1,3

10

Tegemoetkoming ouders

Uitgaven

5.510,0

5.721,5

6.134,2

6.112,3

6.070,8

6.048,1

Ontvangsten

232,1

223,3

226,7

249,6

277,3

287,6

11

Uitvoeringskosten

Uitgaven

506,5

448,0

442,7

434,2

430,1

429,7

Ontvangsten

9,6

12

Rijksbijdragen

Uitgaven

13.850,6

14.246,0

13.997,7

13.834,9

13.883,2

14.542,0

Ontvangsten

2,5

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

Uitgaven

323,5

312,0

246,6

209,4

198,2

195,5

Ontvangsten

1,6

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

96

Apparaat

Uitgaven

314,9

331,6

345,7

363,8

375,2

372,4

Ontvangsten

30,0

39,1

47,4

61,3

61,9

61,4

98

Algemeen

Uitgaven

33,0

34,8

27,8

28,3

28,7

28,6

Ontvangsten

0,4

0,4

99

Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

23,1

173,6

142,6

335,8

420,8

452,9

Artikel 1 Arbeidsmarkt

De oploop vanaf 2019 binnen dit beleidsartikel komt voornamelijk doordat vanaf 2019 LKV en jeugd-LIV uitbetaald zullen worden. Dit zijn regelingen voor werkgevers, met het doel om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden.

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagen

De uitgaven op artikel 2 lopen op, met name als gevolg van een oplopend macrobudget Participatiewet. Deze oploop hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen vanaf 2015 (zoals de invoering Participatiewet) en het extra beroep op de bijstand als gevolg van de verhoogde asielinstroom. Daarnaast nemen ook de uitgaven aan de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (IOAW) de komende twee jaar toe. Dit komt door een hogere IOAW-instroom door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur (mensen stromen in na 3 jaar WW) en vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd waardoor mensen langer in de IOAW zitten. Vanaf 2020 is de gunstige conjunctuur terug te zien en zullen naar verwachting minder mensen gebruik maken van de IOAW. De uitgaven aan de Toeslagenwet (TW) nemen de komende jaren af. De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten.

Artikel 4 Jonggehandicapten

De verwachte uitgaven stijgen in de eerste jaren na 2018 vooral doordat de gemiddelde uitkering stijgt. Dit komt onder andere doordat de nieuwe instroom duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft en daarom een volledige uitkering zal ontvangen, terwijl van de personen die uitstromen een deel slechts een gedeeltelijke uitkering heeft, omdat zij wel werken.

Artikel 5 Werkloosheid

Voor 2018 betreft dit naast de IOW-uitgaven voor een groot deel uitgaven aan de tijdelijke regeling tegemoetkoming dagloonbesluit. De tegemoetkoming dagloonbesluit leidt alleen in 2018 tot uitgaven. Vanaf 2019 liggen de uitgaven dus lager, omdat het dan weer vrijwel alleen IOW-uitgaven betreft. De IOW-uitgaven nemen meerjarig toe, omdat de gemiddelde IOW-duur toeneemt als gevolg van de WW-duurverkorting en de AOW-leeftijdsverhoging.

Artikel 7 Kinderopvang

De grootste post op dit artikel betreft de uitgaven kinderopvangtoeslag. De stijging in 2019 komt grotendeels door de intensivering uit het Regeerakkoord. Daarnaast leidt de gunstige conjuncturele ontwikkeling in 2019 tot een hoger gebruik van kinderopvang in dat jaar. Omdat het gebruik van kinderopvang naar verwachting als gevolg van de intensivering uit het Regeerakkoord geleidelijk verder toeneemt (gedragseffect), stijgen de uitgaven ook in latere jaren.

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

De uitgaven op dit beleidsartikel nemen de komende jaren af vanwege de afnemende instroom van vluchtelingen. Dat is van invloed op de uitgaven voor voorinburgering, maatschappelijke begeleiding en het leenstelsel, evenals kleinere posten zoals uitvoeringskosten DUO. Daarnaast nemen de uitgaven Remigratieregeling af, doordat de aanscherping van de Remigratiewet in 2013 nu zichtbaar begint te worden.

Artikel 96 Apparaat

Meerjarig stijgen de uitgaven enerzijds vanwege de opbouw van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) en anderzijds vanwege het bij regeerakkoord toevoegen van meerjarige middelen aan de begroting van SZW voor het versterken van de handhavingsketen volgens het Inspectie Control Framework (ICF).

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

14.775,1

16.392,8

18.967,3

21.419,6

22.758,9

24.180,3

totaal niet-belastingontvangsten

126,5

87,6

82,9

82,9

82,9

82,9

1

Volksgezondheid

Uitgaven

674,7

730,8

683,9

676,4

695,0

691,5

Ontvangsten

8,4

11,9

11,9

11,9

11,9

11,9

2

Curatieve zorg

Uitgaven

3.490,9

3.174,9

3.257,7

3.295,5

3.387,0

3.458,0

Ontvangsten

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

3

Langdurige zorg en ondersteuning

Uitgaven

3.975,8

5.165,0

7.463,0

9.631,7

10.563,3

11.532,9

Ontvangsten

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

4

Zorgbreed beleid

Uitgaven

1.163,5

1.210,8

1.140,8

1.105,8

1.016,7

1.005,2

Ontvangsten

71,0

58,7

58,4

58,4

58,4

58,4

5

Jeugd

Uitgaven

134,3

101,1

103,0

85,1

74,0

71,2

Ontvangsten

4,5

4,5

0,1

0,1

0,1

0,1

6

Sport en bewegen

Uitgaven

92,8

409,5

407,2

409,7

411,3

413,0

Ontvangsten

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

7

Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

Uitgaven

280,0

260,8

245,2

230,3

215,7

201,6

Ontvangsten

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

Uitgaven

4.609,3

5.051,8

5.385,2

5.703,8

6.126,8

6.541,0

9

Algemeen

Uitgaven

35,6

21,7

21,7

27,0

21,7

21,7

Ontvangsten

0,6

10

Apparaatsuitgaven

Uitgaven

344,6

297,7

291,3

286,8

279,9

276,8

Ontvangsten

35,8

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

11

Nominaal en Onvoorzien

Uitgaven

  • 26,4
  • 31,2
  • 31,6
  • 32,7
  • 32,4
  • 32,7

Artikel 1 Volksgezondheid

De uitgaven op artikel 1 vertonen een piek in 2019 vanwege de eenmalige inhaalvaccinatie voor de leeftijdscohorten van 15-, 16- en 17-jarigen (30 mln. in 2019) tegen de meningokokkenziekte. Dalende uitgaven in de jaren 2019-2021 aan subsidies voor ziektepreventie verklaren gedeeltelijk de afloop in latere jaren.

Artikel 2 Curatieve zorg

De afloop van de uitgaven op dit artikel tussen 2018 en 2019 wordt grotendeels verklaard door de afloop in de rijksbijdrage aan het zorgverzekeringsfonds die voor 4 jaar is afgesproken om het effect van de overhevelingen naar de Zvw in het kader van de hervorming langdurige zorg op de premie te dempen. Vanaf 2019 draagt voornamelijk de stijging van de rijksbijdrage 18- bij aan de stijging van artikel 2.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

Dit artikel neemt aan de uitgavenkant toe door een stijging van de Rijksbijdrage Wlz en de Bijdrage In Kosten van Kortingen (BIKK) in de Wlz. De Rijksbijdrage Wlz is geïntroduceerd zodat het vermogen van het Fonds langdurige zorg grosso modo op nul wordt gehouden. Door de stijgende Wlz uitgaven neemt ook de Rijksbijdrage de komende jaren toe. De hoogte van de BIKK hangt o.a. samen met de ontwikkeling van de heffingskortingen in de inkomensbelasting. Deze rijksbijdrage compenseert het Wlz-fonds voor wijzigingen in de ontvangsten die ontstaan door de ontwikkeling van de heffingskortingen.

Artikel 4 Zorgbreed Beleid

De uitgaven op artikel 4 stijgen in 2019 en nemen daarna geleidelijk af. Dit is onder andere het gevolg van de uitgaven aan de onderzoeksprogramma’s van ZonMw. Deze uitgaven bedragen 165,3 mln. in 2018, 197,4 mln. in 2019 en lopen daarna geleidelijk af tot 129 mln. in 2023. Een deel van de transitiekosten van het kwaliteitskader verpleeghuissector (67,5 mln.) loopt tot en met 2021. Dit verklaart een deel van de afloop tussen 2021 en 2022. De zorgkosten voor zorg op Caribisch Nederland zorgen voor een stijging van 117,2 mln. in 2018 tot 139,1 mln. in 2023.

Artikel 5 Jeugd

Het artikel Jeugd laat een afname zien van de uitgaven. In 2018 is het budget hoger dan in latere jaren doordat er tijdelijk extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor transitiekosten van de decentralisatie van het jeugdbeleid. Daarnaast daalt de subsidie voor jeugdhulp van 91,7 mln. in 2020 structureel naar 73,4 mln. in 2021 omdat de subsidieregeling overgang bekostiging huisvesting gesloten jeugdzorg afloopt in 2020.

Artikel 6 Sport en Bewegen

De oploop tussen 2018 en latere jaren is het gevolg van de overdracht van de budgettaire verantwoordelijkheid van de BTW-vrijstelling voor sportclubs per 2019 van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van VWS. VWS voert hiertoe sportaccommodatiebeleid gericht op bouw en onderhoud, duurzaamheid en toegankelijkheid van sportaccommodaties. De bijbehorende middelen zijn onderverdeeld in een specifieke uitkering voor gemeenten (152 mln.) en een subsidieregeling voor sportverenigingen, stichtingen en andere niet winst beogende investeerders in sportaccommodaties (87 mln.). Daarnaast heeft de jaarlijkse storting in het Gemeentefonds voor buurtsportcoaches van ca. 47 mln. in 2018 al plaatsgevonden maar in de latere jaren nog niet.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

Door afname van het aantal verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII dalen de uitgaven aan pensioenen en uitkeringen op dit artikel.

Artikel 8 Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten

De toename van de uitgaven op dit artikel geeft met name de ontwikkeling van de zorgtoeslag weer. De stijging van de zorgtoeslag is grotendeels het gevolg van de toename van de zorgpremie.

Artikel 9 Algemeen

Het verschil tussen 2018 en latere jaren ontstaat door een eenmalig hogere eigenaarsbijdrage aan het RIVM (23,8 mln. in 2018 en 15,7 mln. in latere jaren) en eenmalige eigenaarsbijdrage aan het CIBG (8,3 mln. in 2018).

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

De uitgaven op dit artikel dalen na 2018 en hebben vanaf 2020 een stabiel verloop. Een deel van de piek in de uitgaven en ontvangsten in 2018 wordt veroorzaakt door overhevelingen en desalderingen ten behoeve van de projectdirectie Antoni van Leeuwenhoekterrein (35,8 mln.).

Artikel 11 Nominaal en Onvoorzien

Het verloop op dit artikel wordt grotendeels verklaard door nog niet uitgekeerde loon- en prijsbijstelling (6 mln.) en de taakstellende onderuitputting op de VWS-begroting (-41 mln.). De taakstellende onderuitputting wordt in de loop van het jaar concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt.

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

XVII BUITENLANDSE HANDEL & ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

totaal niet-belastingontvangsten

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

9,4

45

Versterkte kaders voor ontwikkeling

Ontvangsten

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

9,4

Relatie begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bestaat uit HGIS-uitgaven, HGIS-ontvangsten en niet-HGIS-ontvangsten. De HGIS-uitgaven en -ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS-ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

De fluctuaties in de ontvangsten betreffen rente-inkomsten en restituties uit leningen van de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO). Deze NIO-leningen zijn in het verleden aangegaan en lopen tot uiterlijk 2038. Tot die tijd worden de ontvangsten uit rente en restituties verantwoord op de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Sociale Verzekeringen

SOCIALE VERZEKERINGEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

56.860,4

58.424,0

61.012,8

62.764,2

64.881,1

67.918,8

totaal niet-belastingontvangsten

323,0

310,3

321,4

332,3

342,5

353,0

3

Arbeidsongeschiktheid

Uitgaven

9.778,2

10.237,3

10.737,8

11.214,6

11.721,6

12.150,7

5

Werkloosheid

Uitgaven

4.290,2

3.739,6

3.598,3

3.730,9

3.997,0

4.280,7

Ontvangsten

323,0

310,3

321,4

332,3

342,5

353,0

6

Ziekte en zwangerschap

Uitgaven

2.779,4

2.899,3

3.811,4

3.662,9

3.559,8

3.709,2

8

Oudedagsvoorziening

Uitgaven

38.172,6

39.603,8

40.836,8

42.080,4

43.445,6

45.577,7

9

Nabestaanden

Uitgaven

376,6

365,1

361,6

359,2

355,7

344,0

11

Uitvoeringskosten

Uitgaven

1.463,3

1.578,9

1.666,9

1.716,3

1.801,4

1.856,4

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

De totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA/WAZ) laten in de periode 2018-2023 een stijging zien. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 5 Werkloosheid

Het CPB verwacht dat de werkloosheid de komende jaren zal dalen, maar vanaf 2020 weer geleidelijk stijgt. Als gevolg van deze werkloosheidsontwikkeling vertoont het WW-volume de eerste jaren een dalend verloop en neemt het volume in latere jaren toe. De WW-uitkeringslasten ontwikkelen zich in lijn met deze volumeontwikkeling. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

In het regeerakkoord is opgenomen dat het geboorteverlof en adoptieverlof vanaf 2019 worden verlengd. Daarnaast wordt vanaf 2020 het aanvullend geboorteverlof ingevoerd. Hierdoor stijgen de uitgaven. De stijging van 2019 naar 2020 is grotendeels het gevolg van het feit dat werkgevers vanaf 2020 compensatie kunnen aanvragen voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij het ontslag van langdurig zieke werknemers. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

De uitgaven aan de oudedagsvoorziening (de AOW en inkomensondersteuning AOW (IOAOW)) stijgen de komende jaren voornamelijk door een toename van het volume. Als gevolg van de vergrijzing neemt het AOW-volume de komende jaren toe, ondanks de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. In 2023 stijgen de AOW-uitgaven harder omdat in dat jaar de AOW-leeftijd niet wordt verhoogd. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 9 Nabestaanden

De uitkeringslasten dalen voornamelijk omdat de groep nabestaanden die bij inwerkingtreding van de huidige Anw al recht hadden op diens voorganger, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de komende jaren voor een groot deel uitstroomt vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. Tegelijkertijd zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 11 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen de komende jaren als gevolg van beleidswijzigingen en als gevolg van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Premiegefinancierd Budgettair Plafond Zorg

PREMIEGEFINANCIERD BUDGETTAIR PLAFOND ZORG

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

69.183,5

74.089,9

78.437,8

82.696,8

87.124,6

92.459,4

totaal niet-belastingontvangsten

5.045,8

4.983,2

5.094,8

5.209,8

5.428,8

5.723,6

11

Zorgverzekeringswet

Uitgaven

47.619,1

50.359,8

52.549,8

54.607,4

56.931,6

60.337,8

Ontvangsten

3.207,7

3.114,9

3.147,9

3.181,3

3.315,2

3.498,0

12

Wet langdurige zorg

Uitgaven

21.564,4

23.730,1

25.888,0

28.089,4

30.193,0

32.121,6

Ontvangsten

1.838,1

1.868,3

1.946,9

2.028,5

2.113,6

2.225,6

Zorgverzekeringswet

De raming van de groei van de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) in de periode 2018-2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. De groei in 2022 en 2023 betreft een technische extrapolatie gebaseerd op deze raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling in combinatie met open pakketinstroom en epidemiologie. De groei is beperkt doordat VWS hoofdlijnenakkoorden heeft afgesloten met verschillende Zvw-sectoren en doordat VWS verschillende maatregelen neemt op het gebied van genees- en hulpmiddelen.

Wet langdurige zorg

De raming van de groei van de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. De groei in 2022 en 2023 betreft een technische extrapolatie gebaseerd op deze raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling en epidemiologie. Vanaf 2018 zijn de kosten voor de volledige implementatie van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg in de Wlz-standen verwerkt. Hierbij is sprake van een ingroeipad om aan de personeelsnorm van het kwaliteitskader te kunnen voldoen. De structurele meerkosten van het kwaliteitskader komen uit op ruim 2 mld.

Gemeentefonds

B GEMEENTEFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

29.257,0

29.129,7

29.023,9

28.856,6

28.681,8

28.504,5

totaal niet-belastingontvangsten

0,2

2

Onderzoek

Uitgaven

2,7

1,7

1,7

2,0

2,0

2,0

Ontvangsten

0,2

3

Programma

Uitgaven

19.201,7

24.817,3

24.819,2

24.695,9

24.563,4

24.426,9

4

Integratie-uitkering sociaal domein

Uitgaven

10.052,6

4.310,7

4.203,0

4.158,7

4.116,4

4.075,7

Artikel 2 Onderzoek

Dit artikel heeft in het verleden voornamelijk tot doel gehad om bijdragen te doen aan derden, zoals de VNG en de Waarderingskamer. Nadat de Auditdienst Rijk bijdragen aan derden vanuit het gemeentefonds als onrechtmatig heeft aangemerkt zijn afspraken gemaakt om deze betalingen te beëindigen. Vanaf 2019 is dit artikel uitsluitend bedoeld voor kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van het gemeentefonds. In het bijzonder voor onderzoek.

Artikel 3 Programma

De toename in 2019 wordt met name verklaard door de accrestranche 2019 en door diverse onderdelen van de integratie-uitkering sociaal domein (artikel 4) die structureel worden overgeheveld naar de algemene uitkering. Ook worden er onder andere structurele middelen aan de algemene uitkering toegevoegd ten behoeve van het abonnementstarief WMO en de overgang van de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma. De aflopende reeks die vanaf 2020 zichtbaar is wordt grotendeels verklaard door de maatregel lagere apparaatskosten gemeenten en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn en aflopen.

Artikel 4 Integratie-uitkering sociaal domein

De afname in 2019 wordt met name verklaard doordat diverse onderdelen van de integratie-uitkering sociaal domein structureel worden overgeheveld naar de algemene uitkering (artikel 3). De daling in dit budget die in latere jaren zichtbaar is hangt vooral samen met de aflopende reeks van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Dit komt doordat dit een afgesloten regeling is waarbij geen nieuwe instroom is, maar wel uitstroom.

Provinciefonds

C PROVINCIEFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

2.314,2

2.407,7

2.372,0

2.270,9

2.250,7

2.240,7

totaal niet-belastingontvangsten

1

Provinciefonds

Uitgaven

2.314,2

2.407,7

2.372,0

2.270,9

2.250,7

2.240,7

Artikel 1 Provinciefonds

De toename wordt verklaard door toevoeging van de accrestranche 2019. De aflopende reeks die in latere jaren zichtbaar wordt, wordt grotendeels verklaard door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn en aflopen. Een deel van de aflopende reeks wordt verklaard door de maatregel minder provincies die uiteindelijk niet is doorgevoerd, maar waarvan de bijbehorende korting op het provinciefonds is gehandhaafd.

Infrastructuurfonds

A INFRASTRUCTUURFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

6.201,0

7.368,0

7.177,8

7.155,7

6.687,7

6.805,5

totaal niet-belastingontvangsten

6.201,0

7.368,0

7.177,8

7.155,7

6.687,7

6.805,5

12

Hoofdwegennet

Uitgaven

2.618,7

3.099,6

2.948,6

3.035,2

2.797,3

3.075,3

Ontvangsten

107,3

73,1

112,4

104,8

135,2

58,3

13

Spoorwegen

Uitgaven

2.097,2

2.009,4

2.064,0

1.918,4

1.912,5

1.819,0

Ontvangsten

255,9

195,4

189,0

194,6

200,2

205,0

14

Regionaal, lokale infra

Uitgaven

199,8

192,8

158,4

69,6

47,3

1,8

15

Hoofdvaarwegennet

Uitgaven

873,1

1.291,4

1.187,7

1.067,8

862,4

762,6

Ontvangsten

76,9

105,6

149,7

85,2

14,7

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

Uitgaven

377,0

692,1

717,7

934,5

878,0

771,7

Ontvangsten

154,5

72,0

89,2

106,6

28,5

20,4

18

Overige uitgaven en ontvangsten

Uitgaven

18,1

0,9

0,8

Ontvangsten

91,1

19

Bijdrage andere begrotingen Rijk

Ontvangsten

5.515,2

6.921,9

6.637,5

6.634,5

6.309,1

6.504,2

20

Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

Uitgaven

17,0

81,9

100,6

130,2

190,1

375,2

Ontvangsten

30,0

17,5

Artikel 12 Hoofdwegennet

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor aanleg en beheer, vervanging en onderhoud van hoofdwegennet. De fluctuaties hangen samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren, het toegevoegde saldo 2017 in 2018 en de middelen die vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Verhoging Infrastructuurfonds beschikbaar zijn gesteld (toegevoegd bij 1e suppletoire begroting 2018). De hogere uitgaven in 2023 worden verklaard door de aanlegprojecten waaronder A27 Houten-Hooipolder, A4 Haaglanden en A28 Knooppunt Hoevelaken.

Artikel 13 Spoorwegen

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor de aanleg en beheer, vervanging en onderhoud van spoorwegen. De fluctuaties zijn het gevolg van de variatie in het kasritme bij projecten en het aanpassen van de budgetten aan de beschikbare capaciteit voor spoorwerkzaamheden. Daarnaast zijn de middelen die vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Verhoging Infrastructuurfonds beschikbaar zijn gesteld (toegevoegd bij 1e suppletoire begroting 2018) een verklaring voor de hogere budgetten in de eerste jaren.

Artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

De uitgaven op dit artikel hangen samen met grote projecten die regionale overheden aanleggen. De fluctuatie van de budgetten is groot door de planning van deze grote regionale projecten. Zo worden er in de periode 2018-2020 hogere uitgaven verwacht door onder andere de regionale projecten Utrecht Tram naar de Uithof, de Ombouw Amstelveenlijn, de Rotterdamsebaan en HOV-NET Zuid-Holland Noord. Aanvullend worden er in deze periode uitgaven gedaan aan het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn.

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

De toename van de uitgaven en ontvangsten in de jaren 2019 en 2020 wordt enerzijds veroorzaakt door de aanleg van de Nieuwe Sluis Terneuzen waar ook derden aan bijdragen.

Artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

De uitgaven op dit artikel lopen op doordat de uitgaven voor de megaprojecten ERTMS, PHS en ZuidasDok sterk oplopen richting 2022. De geraamde ontvangsten betreffen voornamelijk de bijdragen van medeoverheden aan het project ZuidasDok.

Artikel 18 Overige uitgaven en ontvangsten

De budgetten op dit artikel bestaan voor de periode 2018-2020 hoofdzakelijk uit een reservering voor de implementatie van de Omgevingswet. De piek in de budgetten voor 2018 wordt verklaard door het surplus aan eigen vermogen 2017 bij Rijkswaterstaat dat conform de Regeling agentschappen wordt afgeroomd en wordt toegevoegd aan het Infrastructuurfonds. De ontvangsten in 2018 zijn dit eigen vermogen en het toegevoegde voordelig saldo 2017.

Artikel 19 Bijdragen andere begrotingen Rijk

Dit artikel betreft de voeding van het Infrastructuurfonds vanuit de begroting van IenW (XII). Het verloop, lager budget in 2018 en een hoger budget in 2019 komt voort vanuit de toegevoegde Regeerakkoordmiddelen en een schuif daarvan vanuit 2018 naar de jaren 2020 en 2021. Deze is ook verwerkt op de artikelen Hoofdwegennet, Spoorwegen en Megaprojecten Verkeer en Vervoer.

Artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

Op dit artikel staan de planflexibele middelen van het Infrastructuurfonds. Dit artikel is geïntroduceerd bij Ontwerpbegroting 2019. De middelen bestaan uit de vrije investeringsruimte afkomstig van artikel 12, 13 en 15 en reserveringen voor gebiedsprogramma’s, middelen voor beheer en onderhoud infrastructuur BES vanuit het Regeerakkoord Rutte III en middelen voor korte termijn mobiliteitsmaatregelen.

Diergezondheidsfonds

F DIERGEZONDHEIDSFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

totaal niet-belastingontvangsten

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

1

Bewaking en bestrijding van dierziekten

Uitgaven

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

Ontvangsten

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

Bewaking en bestrijding van dierziekten - Uitgaven

De uitgaven voor 2019 zijn bijgesteld als gevolg van nieuwe aanbestedingen en realisatie in voorgaande jaren. De prognose voor 2020 en verdere jaren is voor de totale uitgaven conform de vigerende begrotingssystematiek gelijk gesteld aan de begroting 2019.

Bewaking en bestrijding van dierziekten - Niet-belastingontvangsten

De bijdrage LNV is in verband met de voorfinanciering van de sectorbijdrage in voorgaande jaren voor zowel 2018 als 2019 met € 6 mln. verlaagd tot € 4,4 mln. per jaar. De totale ontvangsten zijn conform de vigerende begrotingssystematiek gelijkgesteld aan de uitgaven. De prognose voor 2020 en verdere jaren is net zoals de uitgaven gelijk gesteld aan de begroting 2019.

Accres Gemeentefonds

ACCRES GEMEENTEFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

302,6

1.434,9

2.373,1

3.496,1

4.721,1

totaal niet-belastingontvangsten

1

Accres gemeentefonds

Uitgaven

1.010,6

1.847,7

2.849,5

3.941,4

2

Reservering BCF

Uitgaven

302,6

424,3

525,4

646,6

779,7

Accres gemeentefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2018 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2018 en 2019 zijn overgeboekt naar het gemeentefonds.

Reservering Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en het provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en het provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het gemeentefonds en het provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

Accres Provinciefonds

ACCRES PROVINCIEFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

41,8

153,4

244,7

350,8

466,3

totaal niet-belastingontvangsten

1

Accres provinciefonds

Uitgaven

94,2

171,1

259,8

356,2

2

Reservering BCF

Uitgaven

41,8

59,2

73,7

91,0

110,0

Accres provinciefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2018 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2018 en 2019 zijn overgeboekt naar het provinciefonds.

Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en het provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en het provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het gemeentefonds en het provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

BES-fonds

H BES-FONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

42,0

38,3

33,5

33,3

33,4

33,4

totaal niet-belastingontvangsten

1

BES-fonds

Uitgaven

42,0

38,3

33,5

33,3

33,4

33,4

Artikel 1 BES-fonds

Via het BES-fonds krijgen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) middelen toebedeeld om hun publieke taken naar behoren uit te voeren. In 2018 en 2019 liggen de uitgaven hoger omdat rekening is gehouden met wisselkoersverschillen.

Deltafonds

J DELTAFONDS

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

1.102,9

1.042,9

1.118,1

1.104,9

1.263,5

1.271,8

totaal niet-belastingontvangsten

1.102,9

1.042,9

1.118,1

1.104,9

1.263,5

1.271,8

1

Investeren in waterveiligheid

Uitgaven

499,7

407,2

472,0

483,6

633,1

448,8

Ontvangsten

201,0

165,8

190,7

157,3

155,4

153,7

2

Investeren in zoetwatervoorziening

Uitgaven

27,2

25,2

47,9

42,8

1,5

2,8

Ontvangsten

0,8

3,0

0,0

3

Beheer, Onderhoud en vervanging

Uitgaven

191,8

180,3

128,0

137,6

138,4

160,8

4

Experimenteren cf. art.111 Deltawet

Uitgaven

27,4

32,5

28,8

42,6

53,2

234,9

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

Uitgaven

314,4

313,3

314,3

310,9

305,3

330,2

Ontvangsten

28,1

6

Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XII

Ontvangsten

872,5

874,0

927,4

947,6

1.108,1

1.118,1

7

Investeren in Waterkwaliteit

Uitgaven

42,5

84,4

127,2

87,4

131,9

94,4

Ontvangsten

0,5

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

De jaarlijkse uitgaven en ontvangsten op het artikel investeren in waterveiligheid variëren. Het verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen). De hogere uitgaven in 2022 worden verklaard door een piek in de overige aanleg projecten waterveiligheid, met name het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

Artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

Op dit artikel worden de producten op het gebied van zoetwatervoorziening verantwoord. De daling van budgetten na 2021 hangt samen de afloop van het Deltaplan Zoetwater waarbij maatregelen worden genomen in de periode 2015-2021. De hogere budgetten in 2020 en 2021 hangen samen met het realisatieprogramma zoetwatervoorziening waar verschillende uitgaven via subsidies, waterschappen en het Provinciefonds onder vallen.

Artikel 3 Beheer, Onderhoud en vervanging

De budgetten voor beheer, onderhoud en vervanging van zowel waterveiligheid (bescherming tegen overstromen door hoogwater) als de zoetwatervoorziening tonen een lagere stand in 2020, 2021 en 2022. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het verloop van de uitgaven van de diverse projecten, waaronder het project GVO Stuwen in de Lek.

Artikel 4 Experimenteren cf. artikel111 Deltawet

In 2018 is het DBFM-contract voor het project Afsluitdijk ondertekend. De DBFM-omzetting heeft plaatsgevonden waarbij een beschikbaarheidsvergoeding in het benodigde kasritme voor het project Afsluitdijk is geplaatst op dit artikel. Het verloop op dit artikel wordt hier sterk door beïnvloed.

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

Op dit artikel worden de apparaatskosten van RWS en de Deltacommisaris geraamd en de investeringsruimte. Ook worden op dit artikel de overige netwerkgebonden uitgaven van RWS en programma-uitgaven van de Deltacommissaris geraamd. Dit zijn uitgaven die niet direct aan de afzonderlijke projecten uit het Deltafonds zijn toe te wijzen, zoals kosten voor de landelijke taken basisinformatie, ICT en kennisontwikkeling & innovatie. De hogere uitgaven in 2023 worden veroorzaakt door een kleine oploop in de investeringsruimte.

Artikel 6 Bijdragen ten laste van begroting Hoofdstuk XII

Dit artikel betreft de voeding van het Deltafonds vanuit de begroting van IenW (XII).

Artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

Op dit artikel worden maatregelen op gebied van waterkwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) verantwoord. De piek in 2020 wordt vooral verklaard door het budget voor de Verruiming vaargeul Westerschelde, waarbij het zwaartepunt van uitgaven aan onder andere wrakkenberging en vaargeulwandverdediging in dat jaar zijn voorzien. Het budget voor de realisatie van de 2e en 3e tranche KRW heeft een piek in 2022. Daarnaast zijn aan dit artikel in de jaren 2018 - 2020 middelen vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Natuur en waterkwaliteit toegevoegd.

Prijsbijstelling

PRIJSBIJSTELLING

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

618,2

1.226,5

1.782,4

2.355,5

2.930,9

totaal niet-belastingontvangsten

1

Rijksbegroting in enge zin

Uitgaven

540,5

1.042,9

1.510,2

1.992,2

2.475,0

2

SZA

Uitgaven

7,6

15,8

23,1

31,3

39,0

3

ZORG

Uitgaven

2,1

3,5

5,1

5,9

7,5

4

Niet-relevant

Uitgaven

68,1

164,2

244,0

326,1

409,3

11

Rijksbegroting in enge zin

Uitgaven

12

SZA

Uitgaven

13

ZORG

Uitgaven

14

Niet-relevant

Uitgaven

Op de aanvullende post Prijsbijstelling worden de middelen gereserveerd die worden gebruikt om de prijsgevoelige uitgaven op de diverse begrotingen te compenseren voor de prijsontwikkeling. Deze compensatie wordt jaarlijks van deze aanvullende post overgeboekt naar de departementale begrotingen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat voor elk jaar een tranche wordt gereserveerd om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

Arbeidsvoorwaarden

ARBEIDSVOORWAARDEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

2.005,4

3.906,7

5.662,0

7.423,1

9.177,4

totaal niet-belastingontvangsten

1

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng

Uitgaven

1.907,3

3.721,9

5.397,7

7.086,2

8.768,7

2

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ

Uitgaven

80,0

155,2

220,9

289,2

349,6

3

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z

Uitgaven

18,1

29,6

43,4

47,7

59,2

11

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Programma

Uitgaven

12

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Apparaat

Uitgaven

21

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ Programma

Uitgaven

31

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z Programma

Uitgaven

42

indexering rijksbijdragen Apparaat

Uitgaven

Op de aanvullende post Arbeidsvoorwaarden worden middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

Koppeling Uitkeringen

KOPPELING UITKERINGEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

450,9

918,4

1.398,8

1.876,8

2.390,8

totaal niet-belastingontvangsten

34,0

69,2

105,2

142,5

148,7

2

Bijstand, Prticipatiewet en Toeslagenwet

Uitgaven

144,4

311,7

485,6

651,4

826,3

3

Arbeidsongeschiktheid

Uitgaven

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

4

Jonggehandicapten

Uitgaven

85,9

186,7

286,0

386,8

496,5

5

Werkloosheid

Uitgaven

2,1

5,9

10,2

15,1

20,8

6

Ziekte en zwangerschap

Uitgaven

0,1

0,2

0,3

0,4

0,4

7

Kinderopvang

Uitgaven

120,9

194,0

267,8

350,5

438,8

Ontvangsten

29,7

58,5

89,2

121,2

121,2

8

Oudedagsvoorziening

Uitgaven

0,5

1,0

1,6

2,2

2,1

9

Nabestaanden

Uitgaven

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

10

Tegemoetkoming ouders

Uitgaven

97,0

218,7

347,1

470,2

605,6

Ontvangsten

4,2

10,7

16,0

21,4

27,6

Op hoofdstuk 83 Koppeling Uitkeringen worden de uitgaven voor de indexering van de begrotingsgefinancierde sociale-zekerheidsuitgaven geraamd. De mutaties in uitgaven op de artikelen komen met name tot stand door aanpassingen van de WKA (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden)-index, door wijzigingen in prijsontwikkeling en door grondslageffecten bij de uitkeringen en programma-uitgaven. Aanpassing van de WKA-index en prijsontwikkeling vinden plaats op basis van cijfers van CPB en CBS. De uitgaven betreffen jaarlijkse tranches voor de komende vijf jaar, dit verklaart de oploop op de verschillende artikelen.

Algemeen

ALGEMEEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

620,1

2.485,2

1.883,5

1.933,1

2.816,6

2.655,6

totaal niet-belastingontvangsten

4

Eindejaarsmarge

Uitgaven

  • 52,8
  • 913,0
  • 1.000,0

55

Diversen

Uitgaven

467,6

648,0

307,8

320,5

399,2

413,5

81

RA Openbaar bestuur

Uitgaven

202,1

230,6

225,0

200,0

200,0

82

RA Veiligheid

Uitgaven

54,5

238,8

175,6

203,6

227,1

157,1

83

RA Defensie

Uitgaven

110,0

110,0

110,0

110,0

110,0

84

RA Bereikbaarheid

Uitgaven

85

RA Milieu

Uitgaven

300,0

656,0

908,0

830,0

828,0

86

RA Landbouw

Uitgaven

126,0

129,0

61,0

25,0

15,0

87

RA Onderwijs, onderzoek en innovatie

Uitgaven

95,3

107,9

213,9

326,9

326,8

88

RA Zorg

Uitgaven

44,2

47,4

30,7

37,8

25,1

89

RA Sociale zekerheid

Uitgaven

110,0

110,0

110,0

100,0

90

RA Overdrachten bedrijven

Uitgaven

30,0

500,0

500,0

500,0

500,0

470,0

92

RA Overige uitgaven

Uitgaven

68,0

273,7

422,2

250,4

50,6

10,0

Op de Aanvullende Post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van reservering de definitieve aanwending nog niet kan worden aangegeven. Dit betreffen onder andere Regeerakkoordmiddelen. Daarnaast staat op de Aanvullende Post de in=uit-taakstelling op artikel 4 eindejaarsmarge.

Artikel 4 Eindejaarsmarge

Departementen kunnen onbestede middelen in 2017 met behulp van de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2018. HGIS-middelen kunnen worden doorgeschoven naar de drie opvolgende jaren. Als tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling op de Aanvullende Post ingeboekt, onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge. De in=uit-taakstelling is voor begrotingsjaar 2018 reeds ingevuld.

Daarnaast is de verwachte onderuitputting en de bijbehorende eindejaarsmarge voor de investeringen bij Defensie en het voordelig saldo voor de investeringen bij IenW budgettair verwerkt. Hiervoor geldt reeds een 100% eindejaarsmarge; op de verwerking hiervan wordt nu binnen de kabinetsperiode meerjarig geanticipeerd zodat de middelen beschikbaar blijven voor besteding in latere jaren. Conform reguliere systematiek staat tegenover deze eindejaarsmarge staat een in=uittaakstelling van gelijke omvang. De in=uittaakstelling is daarmee voor 2020 en 2021 verhoogd.

Artikel 55 Diversen

De stand op artikel 55 wordt hoofdzakelijk gevormd door reserveringen voor de wederopbouw Sint Maarten, de BNI-revisie EU-afdrachten en Groningen. Daarnaast staan nog middelen gereserveerd voor de Investeringsagenda Belastingdienst en Generieke Digitale Infrastructuur.

Artikelen 81 t/m 92

Op de artikelen 81 tot en met 92 staan de intensiveringsmiddelen uit het Regeerakkoord gereserveerd die nog niet zijn overgeboekt naar de verschillende begrotingen. Over de nog niet uitgekeerde middelen zal nog besluitvorming plaatsvinden. Op basis van die besluitvorming zullen dan ook de resterende middelen worden overgeheveld naar de verschillende begrotingen. Voor een exacte uitsplitsing van de Regeerakkoordmiddelen zie ook bijlage 15: Regeerakkoordmiddelen op de Aanvullende Post.

Consolidatie

CONSOLIDATIE

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

  • 6.387,7
  • 7.796,0
  • 7.564,9
  • 7.582,1
  • 7.417,2
  • 7.622,4

totaal niet-belastingontvangsten

  • 6.387,7
  • 7.796,0
  • 7.564,9
  • 7.582,1
  • 7.417,2
  • 7.622,4

1

Nog niet toegerekend

Uitgaven

  • 6.387,7
  • 7.796,0
  • 7.564,9
  • 7.582,1
  • 7.417,2
  • 7.622,4

Ontvangsten

  • 6.387,7
  • 7.796,0
  • 7.564,9
  • 7.582,1
  • 7.417,2
  • 7.622,4

De post Consolidatie wordt gebruikt voor het corrigeren van de Rijksbegroting voor dubbeltellingen die ontstaan door het brutoboeken van bijdragen. Het brutoboeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het ontvangende departement raamt daarnaast de te ontvangen bijdragen ook aan de ontvangstenkant van de begroting. Hierdoor wordt het rekenkundig niveau van de totale rijksuitgaven en de rijksontvangsten hoger dan het feitelijk niveau. Op de post Consolidatie wordt hiervoor gecorrigeerd. De hoogte van de post wordt in belangrijke mate bepaald door de bijdragen van de begroting van Infrastructuur & Milieu aan het Infrastructuurfonds.

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HOMOGENE GROEP INTERNATIONALE SAMENWERKING

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal uitgaven

5.338,1

5.308,3

5.353,8

5.436,1

5.594,1

5.835,1

Totaal niet-belastingontvangsten

195,8

147,6

148,2

147,9

147,9

147,9

  • 5. 
    Buitenlandse Zaken

Uitgaven

1.520,6

1.480,2

1.489,6

1.530,2

1.510,8

1.548,5

Ontvangsten

103,8

75,8

76,3

76,3

76,3

76,3

Artikel 41: Internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten

Uitgaven

120,8

123,5

121,5

115,6

115,7

115,7

Artikel 42: Veiligheid en stabiliteit

Uitgaven

292,5

291,0

288,1

289,5

289,5

290,3

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

Artikel 43: Europese Samenwerking

Uitgaven

245,0

248,8

248,3

252,9

206,8

206,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Artikel 44: Consulaire belangenbehartiging

Uitgaven

62,8

50,3

49,2

47,9

47,9

47,9

Ontvangsten

57,4

47,9

48,4

48,4

48,4

48,4

Artikel 46: Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

6,2

25,9

39,5

71,3

98,2

133,2

Artikel 47: Apparaat

Uitgaven

793,2

740,7

742,9

753,0

752,8

754,6

Ontvangsten

45,0

26,4

26,4

26,4

26,4

26,4

  • 6. 
    Justitie en Veiligheid

Uitgaven

46,3

33,3

33,3

33,3

33,3

33,3

  • 7. 
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Uitgaven

0,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

  • 8. 
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Uitgaven

60,3

60,3

60,3

60,3

60,3

60,3

9B. Financiën

Uitgaven

253,5

328,5

230,7

178,5

287,2

337,1

Ontvangsten

4,0

4,0

4,2

4,1

4,1

4,1

  • 10. 
    Defensie

Uitgaven

287,2

206,4

206,4

206,4

206,4

206,4

Ontvangsten

21,4

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

  • 12. 
    Infrastructuur en Waterstaat

Uitgaven

28,9

25,8

25,8

25,8

20,0

18,5

  • 13. 
    Economische Zaken en Klimaat

Uitgaven

57,3

25,8

25,7

24,3

24,4

24,4

  • 14. 
    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Uitgaven

30,1

30,1

29,7

29,7

29,7

  • 15. 
    Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Uitgaven

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

  • 16. 
    Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Uitgaven

23,1

21,0

10,6

5,1

5,1

5,1

  • 17. 
    Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

Uitgaven

3.060,1

3.096,1

3.240,7

3.341,8

3.416,3

3.571,3

Ontvangsten

66,6

66,3

66,2

66,1

66,1

66,1

Artikel 41: Duurzame handel en investeringen

Uitgaven

544,2

524,3

515,7

503,1

490,1

490,3

Ontvangsten

6,6

6,5

6,4

6,3

6,3

6,3

Artikel 42: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Uitgaven

707,6

723,5

743,5

743,9

743,9

743,9

Artikel 43: Sociale vooruitgang

Uitgaven

786,3

767,1

764,7

763,0

762,7

762,7

Artikel 44: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Uitgaven

795,0

777,3

767,3

767,3

767,3

767,3

Artikel 45: Versterkte kaders voor ontwikkeling

Uitgaven

227,0

304,0

449,5

564,6

652,3

807,1

Ontvangsten

60,0

59,8

59,8

59,8

59,8

59,8

  • 86. 
    Algemeen

Uitgaven

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een budgettaire overzichtsconstructie, waarin de uitgaven aan internationale samenwerking van de verschillende departementen worden gebundeld. Het uitgavenniveau van de HGIS wordt aangepast voor macro-economische ontwikkelingen.

Het merendeel van de HGIS-uitgaven wordt verantwoord via de begroting van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom wordt het verloop van de HGIS-uitgaven van deze twee begrotingen voor de relevante artikelen toegelicht. Voor de overige begrotingen wordt de toelichting per departement gepresenteerd.

  • 5. 
    Buitenlandse Zaken

Artikel 46 Nominaal en onvoorzien

Het budget op dit artikel loopt de komende jaren op. De budgettaire ruimte betreft een HGIS-reservering voor de loon- en prijsindexatie en voor overige onvoorziene uitgaven. Ook worden prijscorrecties voor het non-ODA deel van de HGIS op dit artikel verwerkt.

  • 6. 
    Veiligheid en Justitie

De uitgaven in 2018 zijn eenmalig hoger door vertraagde uitgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf uit 2017.

  • 7. 
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De HGIS middelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffen enkele attachés. Het budget is in 2018 eenmalig hoger vanwege een bijdrage aan de UN Public Day.

  • 8. 
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De HGIS middelen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffen bijdragen aan internationale onderwijsinstellingen.

9B. Financiën

De contributiebijdragen aan de Wereldbank staan op de Financiënbegroting.

  • 10. 
    Defensie

De hogere ontvangsten in 2018 worden verklaard doordat in deze jaren teruggaven worden verwacht vanuit de Verenigde Naties voor kosten die worden gemaakt voor de MINUSMA-missie in Mali.

  • 12. 
    Infrastructuur en Milieu

De hogere HGIS-uitgaven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2018 hangen samen met de start van het nieuwe programma Water Internationaal in 2016 als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water.

  • 13. 
    Economische Zaken

De hogere HGIS-uitgaven in 2018 komen voort uit de inzet van de eindejaarsmarge HGIS 2017.

  • 15. 
    Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De HGIS-middelen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreffen enkele attachés.

  • 16. 
    Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De HGIS-middelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreffen enkele attachés. De hogere uitgaven in 2018-2020 worden veroorzaakt door de komst van het European Medicines Agency (EMA) naar Nederland.

  • 17. 
    Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Artikel 41 Duurzame handel en investeringen

De fluctuaties in uitgaven op dit artikel komen voort uit fluctuaties in het kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF). Met het DGGF wordt beoogd het speerpunt voor een versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden te realiseren.

Artikel 42 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Op dit artikel worden de uitgaven aan duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid en water verantwoord.

Artikel 43 Sociale vooruitgang

Op dit artikel staan uitgaven die bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevordering van inclusieve economische groei van mannen en vrouwen in ontwikkelingslanden.

Artikel 44 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Dit budget neemt toe a.g.v. extra uitgaven uit het RA. De uitgaven hebben betrekking op vrede en veiligheid voor ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van conflictsituaties en het bevorderen van rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, legitieme en democratische staatsstructuren en het bestrijden van corruptie. Daarnaast is het budget ook bestemd voor het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.

Artikel 45 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Dit betreft onder andere het parkeer- en verdeelartikel van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op dit artikel worden aanpassingen als gevolg van de BNI-ontwikkeling en de toerekening van de kosten van eerstejaarsasielopvang verwerkt

  • 15. 
    Verticale toelichting

De verticale toelichting bevat voor iedere begroting een cijfermatig overzicht van budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan in de uitgaven en niet-belastingontvangsten sinds de Miljoenennota 2018. Dit overzicht sluit aan op de mutaties zoals gepresenteerd in de ontwerpbegrotingen van de departementen.

Per begroting wordt een cijfermatig overzicht gepresenteerd van de voornaamste mutaties, gevolgd door een toelichting hierop. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de mutaties wordt verwezen naar de afzonderlijke memories van toelichting van de ontwerpbegrotingen.

De Verticale Toelichting onderscheidt drie categorieën mutaties:

    • 1. 
      mee- en tegenvallers;
    • 2. 
      beleidsmatige mutaties;
    • 3. 
      technische mutaties.

Alle overboekingen, desalderingen, statistische correcties en mutaties die niet tot een ijklijn (deelplafond) behoren, zijn in de laatste categorie «technische mutaties» geclusterd. Overigens hebben sommige overboekingen en desalderingen wél een beleidsmatig karakter. Dit komt tot uitdrukking in de toelichtingen. Ingeval samenhangende mutaties in meerdere categorieën voorkomen, worden deze eenmaal toegelicht.

De totalen per begroting worden in eerste instantie gepresenteerd exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen. Door middel van een aansluitregel wordt het deel van de begroting dat onder HGIS valt, zichtbaar gemaakt. De veranderingen die optreden binnen het HGIS-deel van de begroting worden gepresenteerd en toegelicht in de verticale toelichting van alle HGIS-uitgaven. De laatste regel geeft per begroting de totaalstand inclusief HGIS.

De ondergrens voor mutaties die apart zichtbaar worden in de tabellen is afhankelijk van de omvang van de begroting en verschilt voor de verschillende categorieën mutaties. De post diversen bevat de mutaties die onder de ondergrens vallen en wordt in beginsel alleen toegelicht indien zich bijzonderheden voordoen.

Samenvattend overzicht mutaties per MJN 2019 t.o.v. MJN 2018

Bedragen in miljoenen euro’s

Mutaties

uitgaven 2019

Mutaties ontvangsten 2019

Departementale begrotingen

I

De Koning

1,0

0,0

IIA

Staten Generaal

3,2

0,0

IIB

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

9,6

0,2

III

Algemene Zaken

4,1

0,1

IV

Koninkrijksrelaties

  • 29,9
  • 0,4

V

Buitenlandse Zaken

  • 514,1
  • 316,7

VI

Justitie en Veiligheid

706,0

  • 61,5

VII

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

4.747,5

613,6

VIII

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

3.250,7

  • 85,5

IXA

Nationale Schuld

  • 80,4

1.448,6

IXB

Financiën

705,2

236,8

X

Defensie

1.467,7

6,4

XII

Infrastructuur en Waterstaat

812,0

  • 223,3

XIII

Economische Zaken en Klimaat

  • 1.242,7

96,4

XIV

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

852,2

88,6

XV

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

3.558,6

  • 47,7

XVI

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

1.018,1

  • 6,4

XVII

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

0,0

0,0

Overig

Sociale Zekerheid

538,2

  • 125,2

Zorg

  • 5.896,2
  • 447,2

Gemeentefonds

1.983,4

0,0

Provinciefonds

240,7

0,0

Infrastructuurfonds

958,2

958,2

Diergezondheidsfonds

0,1

0,1

Accres Gemeentefonds

  • 492,9

0,0

Accres Provinciefonds

  • 65,3

0,0

BES-fonds

5,2

0,0

Deltafonds

  • 121,2
  • 121,2

Prijsbijstelling

  • 570,6

0,0

Arbeidsvoorwaarden

  • 707,2

0,0

Koppeling Uitkeringen

  • 164,1
  • 26,8

Aanvullende Post Algemeen

2.175,9

0,0

Consolidatie

  • 837,3

0,0

Homogene Groep Internationale Samenwerking

739,6

12,8

De Koning

I DE KONING: UITGAVEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Miljoenennota 2018 (excl. IS)

42,3

42,3

42,3

42,4

43,8

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,6

0,8

0,8

0,8

0,9

0,6

0,8

0,8

0,8

0,9

Extrapolatie

44,8

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2018

0,8

1,0

1,0

1,0

1,0

Stand Miljoenennota 2019 (subtotaal)

43,1

43,3

43,3

43,4

44,8

44,8

Totaal Internationale samenwerking

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand Miljoenennota 2019

43,1

43,3

43,3

43,4

44,8

44,8

I DE KONING: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Miljoenennota 2018 (excl. IS)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Extrapolatie

0,0

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2018

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand Miljoenennota 2019 (subtotaal)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Totaal Internationale samenwerking

0,0

0,0