Functie publieke omroep niet onderschatten - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Zondag 15 december 2019
kalender
Met dank overgenomen van Ch.P. (Tof) Thissen i, gepubliceerd op dinsdag 5 november 2013.

Tof vroeg de staatssecretaris meerjarige existentiële garanties te bieden waardoor er niet alleen goed gewerkt kan worden aan publieksopbouw en -binding maar ook programma's duurzaam geborgd kunnen worden, vooral de wat lastigere programmering, de experimenten, de avant-garde, de educatieve, de journalistiek-onderzoekende en de inhoudelijke documentaires.

Eigenlijk is wat deze wet beoogt al een voldongen feit en is de behandeling van deze wet mosterd na de maaltijd. De fusies zijn eigenlijk al onomkeerbaar. Is dit staatsrechtelijk niet wat vreemd, of een probleem? Heeft de Eerste Kamer nog wel de positie om een wet te blokkeren als ze dat zou willen?

Aan de andere kant: we sluiten onze ogen nooit voor de werkelijkheid. Er is inmiddels ook in omroepland draagvlak voor de richting (zij het niet voor de bezuinigingen). Ook daar dus geen reden om dwars te gaan liggen.

Het Nederlandse omroepbestel lijkt geen rust gegund te worden. GroenLinks zou er voor zijn om meerjarige existentiële garanties te bieden waardoor er niet alleen goed gebouwd kan worden aan publieksbinding maar waardoor ook programma’s duurzaam geborgd kunnen worden, vooral de wat lastigere programmering, de experimenten, de avant-garde, de educatieve en inhoudelijke series documentaires.

De centrale rol van NPO is toegenomen en de inhoudelijke invulling van de programma’s en programmering is aanzienlijk verruimd.

De stelselherzieningen rolden de afgelopen jaren over elkaar heen. De vraag doemt op waartoe al deze veranderingen eigenlijk dienden. Ging en gaat het ‘slechts’ om bezuinigingen, of zit er meer achter?

Wie kijkt naar de rol van NPO zou kunnen veronderstellen dat het kabinetsbeleid er uiteindelijk op gericht is om één centraal geleide publieke omroep tot stand te brengen. Is dat zo?

Waar we elkaar, kabinet en Kamer, op kunnen vinden is de gedachte dat niet elke opvatting als vanzelfsprekend haar eigen omroep hoeft te hebben. De beperking tot uiteindelijk maximaal zes omroeporganisaties en twee taakorganisaties (NOS en NTR) kunnen we wel billijken. En dat de zendmachtiging voor kerkgenootschappen en genootschappen op een geestelijke grondslag verdwijnt snappen we ook. Want die vinden onderdak bij andere op religieuze of humanistische identiteit gebaseerde omroepen.

Tegelijkertijd moet met deze nieuwe stelselherziening de belangrijkste verworvenheid behouden blijven: pluriformiteit.

De samenleving is er niet eenvormiger op geworden. Gelukkig maar. het omroepbestel moet die pluriformiteit weerspiegelen. Net als in de jaren twintig van de vorige eeuw kenmerkt de Nederlandse samenleving door eenheid in verscheidenheid. De vanzelfsprekende vervolgkwestie is dan natuurlijk: hoe organiseer je dat? Op die vraag zie ik, ook in dit wetsvoorstel, geen antwoord van het kabinet.

Dat maakt GroenLinks argwanend. Gebrek aan visie is óók een visie, maar ik geloof niet dat de staatssecretaris voor ‘Gods water over Gods akker’ kiest. Waarvoor kiest staatssecretaris Dekker eigenlijk? Hoe ziet de publieke omroep er in 2025 uit? Of ziet de staatssecretaris liever dat omroepen zo snel mogelijk uitsterven?

De breedte van de publieke omroep stellen we niet ter discussie. Publieke omroepen dienen in ieder geval een publiek belang door intrigerende documentaires te produceren en uit te zenden, door het publieke debat te ontketenen en de vensters op de wereld open te houden. Waar in alle integriteit en professionaliteit gestreefd wordt naar de hoogste kwaliteit. Waar makers er een eer in stellen om hun kritische kijkers de best denkbare programma’s voor te schotelen. Waar ook ruimte is voor lichtvoetiger amusement, maar waar nooit gekozen wordt voor de grootste gemene deler in de samenleving. Daarvoor hebben we de commerciëlen. Niet exorbitante grootverdieners en op hol geslagen bureaucraten, maar beginnende makers horen thuis bij de publieke omroep.

Jongeren ook thuis bij de publieke omroep. We zijn blij dat de stas dit op vraag van collega Klaver in de TK heeft erkend. Heeft de stas daarover al met de NPO verkeerd? Want de NPO heeft jongeren niet meer expliciet als speerpunt opgenomen. Graag een reactie.

De belangrijkste opdracht van de publieke omroep is misschien wel: blijf weg van het grijze midden. Durf je nek uit te steken. Durf programma’s te produceren die misschien geen kaskrakers zijn, maar simpelweg gemaakt moeten worden. Die creatieve ruimte moet het kabinet de omroep gunnen. Programma’s maken die waarde in zichzelf hebben, die goud waard zijn terwijl ze geen STER-geld ervoor en erna opleveren en waarnaar wellicht maar een select publiek kijkt.

Het programma-aanbod moet divers zijn en een breed publiek aanspreken, maar programmamakers moeten ook de ruimte krijgen om te experimenteren, journalistieke onderzoeken te doen en of onderwerpen te agenderen zonder de knoet van de kijkcijfers voortdurend te voelen.

Waar wil het kabinet naartoe? Zetten wij met dit wetsvoorstel de eerste stap in de richting van een volledig commercieel omroepbestel? Een bestel waarin de markt bepaalt wat er uitgezonden worden? Of juist richting het BBC-model waarin publieke belangen en kwaliteit prevaleren en dat dat best wat mag kosten? Goed beleid vloeit voort uit een consistente toekomstvisie. Hier is eerst bepaald dat er bezuinigd moet worden en dat er nog maar 2-3-2 omroepen overblijven, maar zonder heldere visie. En die betreft niet alleen de relatie NPO-omroepen, maar ook NPO-commerciëlen. Wat is eigenlijk de aard van de Publieke Omroep? Hoe verhoudt die zich tot alle andere informatiekanalen (waar geen schaarste meer is) en tot commerciële aanbieders? Voor welke aspecten/doelgroepen is er specifiek Publieke Omroep nodig? Dan rijst voor mij de vraag of de Publieke Omroep wel per se breed moet zijn. Je kunt ook zeggen: alles wat zich commercieel kan bedruipen, mag naar de commerciëlen. Dan zoek je een duidelijker onderscheid. Of je zegt: de Publieke Omroep hoeft niet per se zelf uit te zenden, maar financiert vooral de productie van kwetsbare programma’s via tenders / calls (vergelijkbaar met de onderzoeksfinanciering via NWO). Ik bedoel maar: de discussie over de toekomst is veel fundamenteler dan deze structuurwijziging. Dekker zegt dan: maar welk model je ook kiest, deze stap is noodzakelijk. En dat is nu net onzin, behalve als je zijn bezuinigingsdoelstelling centraal stelt.

En heeft het kabinet een verborgen agenda met publieke omroepen? Het klinkt immers als een contradictie: publieke omroepen zijn qua vorm ledenverenigingen, maar de in dit wetsvoorstel geïntroduceerde maatregelen maken het publieke omroepen ronduit lastig om als vereniging te functioneren. Het wetsvoorstel hinkt op twee gedachten: een open bestel waar omroepen deel uitmaken van het maatschappelijk middenveld en een sterke eigen identiteit, waar het aantal leden garant staat voor maatschappelijk draagvlak, of een zo efficiënt mogelijk bestel met een beperkt aantal professionele organisaties met beperkte mogelijkheden, waarin omroepen samen opdrachten uitvoeren voor netmanagers.

Over geld gesproken: publieke omroepen moesten al € 200 miljoen bezuinigen en daar kwam aanvankelijk nog eens € 100 miljoen bovenop. Dankzij het Grabbeltonakkoord (inzet v D66) is dat laatste bedrag teruggebracht tot 50 miljoen. Hoe gaat dat er precies uitzien? In relatie tot de verdiencapaciteit? GroenLinks vond en vindt publieke media belangrijk genoeg om geen cent op te willen bezuinigen. Als je bezuinigt, doe het dan goed. Creëer de randvoorwaarden zó, dat de kwaliteit ongemoeid blijft. Bestrijd de bureaucratie en behoud succesvolle programma’s. Anders zijn bezuinigingen ronduit perfide prikkels waarbij alles behalve de programmering buiten schot blijft. Overigens vindt de fractie GroenLinks dat de acties van de omroepen waarin ze duidelijk maakten dat sommige - vaak identiteitsrijke- programma’s door de bezuinigingen niet meer gemaakt zouden kunnen worden, uiteindelijk vingerwijzingen naar zichzelf. Het zijn hun keuzes. Het gaat erom dat ook de nieuwe omroepen keuzes maken wat ze wel en niet willen uitzenden. Daarbij speelt overigens wel een rol dat hun invloed (en dus überhaupt keuzemogelijkheden) sterk beperkt zijn door de rol van de netmanagers. Het is maar de vraag of die zitten te wachten op identiteitsrijke programma's van de religieuze, levensbeschouwende stromingen. En dat betekent weer dat alleen een omroep met een sterke achterban kan proberen dat af te dwingen. Het is publieksretoriek waarachter de spanning omroep-netmanager schuil gaat.

We wachten de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling af.