Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2023

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 36200 VIII - Vaststelling begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2023.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2023; Memorie van toelichting; Memorie van toelichting
Document­datum 20-09-2022
Publicatie­datum 20-09-2022
Nummer KST36200VIII2
Kenmerk 36200 VIII, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2022

2023

36 200 VIII

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2023

Nr. 2

MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

Geraamde uitgaven en ontvangsten    3

2.1    Beleidsprioriteiten    11

2.2    Belangrijkste beleidsmatige mutaties    22

2.3    Openbaarheidsparagraaf    33

2.4    Strategische Evaluatie Agenda    36

2.5    Overzicht risicoregelingen    48

2.6    Overzicht coronamaatregelen    50

3.1    Artikel 1. Primair onderwijs    51

3.2    Artikel 3. Voortgezet onderwijs    61

3.3    Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie    70

3.4    Artikel 6 en 7 Hoger onderwijs    83

3.5    Artikel 8. Internationaal beleid    95

3.6    Artikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid    100

3.7    Artikel 11. Studiefinanciering    104

3.8    Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en

schoolkosten    118

3.9    Artikel 13. Lesgelden    121

3.10    Artikel 14. Cultuur    123

3.11    Artikel 15. Media    132

3.12    Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid    138

3.13    Artikel 25. Emancipatie    147

4.1    Artikel 91 Nog Onverdeeld    151

4.2    Artikel 95 Apparaat Kerndepartement    152

5.1    Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)    155

5.2    Agentschap Nationaal Archief (NA)    162

Bijlage 1: Rechtspersonen met een Wettelijk Taak en Zelfstandige Bestuursorganen    167

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage    172

Bijlage 3: Moties en toezeggingen    188

Bijlage 4: Subsidieoverzicht    247

Bijlage 5: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda    263

Bijlage 6: Rijksuitgaven Caribisch Nederland    282

Bijlage 7: Specifieke uitkeringen    284

Bijlage 8: Nationaal Groeifonds-projecten    287

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 53.247,6

  • 1. 
    Primair onderwijs
  • 3. 
    Voortgezet onderwijs
  • 4. 
    Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
  • 6. 
    Hoger beroepsonderwijs

7 Wetenschappelijk onderwijs 8. Internationaal beleid 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • 11. 
    Studiefinanciering
  • 12. 
    Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
  • 13. 
    Lesgelden
  • 14. 
    Cultuur
  • 15. 
    Media
  • 16. 
    Onderzoek en wetenschapsbeleid 25. Emancipatie 91. Nog onverdeeld 95. Apparaat Kerndepartement

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 1.665,4

  • 1. 
    Primair onderwijs
  • 3. 
    Voortgezet onderwijs
  • 4. 
    Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
  • 6. 
    Hoger beroepsonderwijs

7 Wetenschappelijk onderwijs 8. Internationaal beleid 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • 11. 
    Studiefinanciering
  • 12. 
    Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
  • 13. 
    Lesgelden
  • 14. 
    Cultuur
  • 15. 
    Media
  • 16. 
    Onderzoek en wetenschapsbeleid 25. Emancipatie 91. Nog onverdeeld 95. Apparaat kerndepartement

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Robbert Dijkgraaf

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

Dennis Wiersma

B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

  • 1. 
    Leeswijzer

De departementale begroting 2023 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • • 
    beleidsagenda;
  • • 
    beleidsartikelen;
  • • 
    niet-beleidsartikelen;
  • • 
    agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;
  • • 
    verdiepingshoofdstuk;
  • • 
    bijlagen.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor artikel 1 (primair onderwijs), artikel 3 (voortgezet onderwijs), artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en Leven Lang Ontwikkelen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen tussen de Ministers en de Staatssecretaris is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte IV.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2022 zijn, conform de Rijksbegrotingsvoorschriften, de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • • 
    openbaarheidsparagraaf

In reactie op het rapport 'Ongekend onrecht' heeft het kabinet maatregelen aangekondigd gericht op actieve openbaarmaking van informatie en op verbetering van de informatiehuishouding bij de ministeries ('Open op orde'). Verder schrijft artikel 3.5 van de Wet open overheid (Woo) voor dat een bestuursorgaan in de begroting aandacht besteedt aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo en in de jaarlijkse verantwoording verslag doet van de uitvoering ervan;

  • • 
    geschatte budgetflexibiliteit in OWB 2023

De huidige informatieverstrekking over budgetflexibiliteit is geplaatst onder model 1.33d budgettaire gevolgen van beleid. Het model 1.32c 'niet-juridisch verplichte uitgaven' is daarmee te komen vervallen. Door het aanbrengen van enige verfijning en deze uiteindelijk ook in meerjarig perspectief te plaatsen, wordt het inzicht in de budgetflexibiliteit vergroot;

  • • 
    bijlage specifieke uitkeringen van het departement

Elk departement neemt zelf een gedetailleerd overzicht op als bijlage in de begroting;

  • • 
    bijlage Nationaal Groeifonds (NGF)

Het NGF-jaarverslag 2021 en de NGF-begroting 2023 verschaffen extra-comptabel inzicht in de gerealiseerde uitgaven onderscheidenlijk de totale ramingen met betrekking tot de NGF-projecten op basis van informatie van de vakdepartementen. Deze worden in een aparte bijlage opgenomen in de begroting.

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft aanbevelingen gedaan omtrent de aanpak van personeelstekorten in het onderwijs, een gezonde arbeidsmarkt en sociale veiligheid en gelijke behandeling (aanbeveling 3). In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van deze aanbeveling.

In 2015 zijn door de Verenigde Naties de Sustainable Development Goals (SDG's) vastgesteld als de nieuwe mondiale duurzame ontwikkelings-agenda voor 2030 (THE 17 GOALS | Sustainable Development (un.org)). Ook Nederland heeft zich gecommitteerd om deze doelen in 2030 te behalen.

Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de nationale uitvoering van:

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. Door ook in te gaan op de niet-financiële informatie, kan meer inzicht worden geven in de impact van het beleid en de publieke middelen die daarvoor worden ingezet.

Om de impact van ons beleid zichtbaar te maken in begroting en later ook hierover te verantwoorden in het jaarverslag, wordt de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) gebruikt. Daarnaast wordt meer uitgebreide informatie over de voortgang van beleid op de website  www.ocwincijfers.nlgepubliceerd. Daarbij gaat het om de kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van monitoring en evaluatie van beleid. In de begroting en het jaarverslag worden de belangrijkste uitkomsten op de beleidsprioriteiten die in de beleidsagenda zijn opgenomen weergegeven.

In deze begroting is een eerste stap gezet naar een nieuwe aanpak voor het rapporteren over de voortgang van beleid. Het betreft momenteel een overgangsfase, waarbij zowel de nieuwe aanpak voor rapportage over beleid én het beleid verder wordt uitgekristalliseerd. In de nieuwe aanpak wordt kwantitatieve en kwalitatieve informatie geïntegreerd in de beleidsagenda. De beleidsartikelen presenteren de kengetallen in de vorm van tabellen. De huidige set aan kengetallen is geëvalueerd en alleen bruikbare en relevante kengetallen zijn opgenomen in de begroting van 2023.

De nieuwe aanpak voor rapportage over het beleid kan in de begroting van OCW voor 2024 voor het eerst in de hele cyclus worden toegepast. In de tussenliggende periode wordt de informatievoorziening hiertoe op www.ocwincijfers.nl verder doorontwikkeld.

Figuur 3 geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Figuur 3

 Begroting   j^H

Begrotingsinfo op I  OCW in cijfers   I

 I   Jaarwerkplan

 I   Inspectie van het

mm Onderwijs

Cultuurmonitor

ffJtllli Erfgoedmonitor Mediamonitor

le suppletoire begroting

2e suppletoire begroting

Prinsjesdag

Verantwoordingsdag

Actieplannen

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van OCW. Op de website van OCW in cijfers bij het onderdeel 'begroten en verantwoorden' worden onder andere de beleidsdoelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten gevolgd, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het primair en voortgezet onderwijs. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Daarnaast geeft deze website inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

Samen met de cultuursector verzamelt de Boekmanstichting via de Cultuurmonitor data en analyses over cultuur in Nederland, rapporteert ze over langlopende trends en agendeert ze op actuele ontwikkelingen. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE) maakt de Erfgoedmonitor. Relevant voor het mediabeleid is onder meer de Mediamonitor van het Commissariaat voor de Media.

De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichtshouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt de Staat van het onderwijs (Kamerstukken II 2021/22, 35925 VIII, nr. 161), waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. Over de financiële positie van publiek bekostigde onderwijsinstelling verschijnt jaarlijks een brief (Kamerstukken II 2021/22, 33495, nr. 121).

Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).

Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB's worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid.

De komende tijd worden beleidsdoorlichtingen vervangen door periodieke rapportages. De periodieke rapportage is niet per se gebonden aan een begrotingsartikel maar kijkt naar een samenhangend beleidsthema. De periodieke rapportage is onderdeel van de Strategische Evaluatie Agenda.

De derde woensdag in mei is Verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van het Ministerie van OCW, en de laatste stand van zaken van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen het Ministerie van OCW wil zetten. Verder bevat de beleidsagenda de openbaarheidsparagraaf. Vervolgens wordt een overzichtstabel getoond waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een tabel met de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) en een overzicht van de risicoregelingen. Tenslotte bevat de beleidsagenda een overzicht van de coronamaatregelen.

Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • • 
    algemene doelstelling met een toelichting daarop;
  • • 
    rol en verantwoordelijkheid van de Minister;
  • • 
    tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten;
  • • 
    beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleidsdoorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond;
  • • 
    tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. Onder de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt een uitsplitsing van de verplichtingen en de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven;
  • • 
    toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • • 
    op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    op artikel 95 (Apparaat kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en de ZBO's opgenomen.

Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief.

Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2022 en de ontwerpbegroting 2023. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald op basis van een voorgeschreven staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (nota's van wijziging, incidentele suppletoire begrotingen, leerlingen en studentenramingen en studiefinanciering, loonbijstelling, prijsbijstelling en intensiveringen uit het Regeerakkoord).

 

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • • 
    overzicht RWT's en ZBO's;
  • • 
    verdiepingshoofdstuk;
  • • 
    overzicht moties en toezeggingen;
  • • 
    subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het Ministerie;
  • • 
    uitwerking strategische evaluatie agenda;
  • • 
    rijksuitgaven Caribisch Nederland;
  • • 
    specifieke uitkeringen;
  • • 
    Nationaal Groeifonds.
  • 2. 
    Beleidsagenda

2.1  BeleidsprioriteitenInleiding

De komende periode richten wij ons op een sterke basis en hoge kwaliteit in onderwijs, wetenschap, cultuur en media, gelijke kansen voor iedereen en het aanpakken van de tekorten in het onderwijs. We leren leerlingen weer goed lezen, rekenen en schrijven en op school leren we hoe we met elkaar omgaan in Nederland. Daarnaast gaan we de lat verhogen en sneller ingrijpen als de kwaliteit niet op orde is. We bieden rust en ruimte voor studenten, docenten en onderzoekers. We werken aan een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt, sociale veiligheid, gelijke behandeling en het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het mbo geven we de waardering en positie die het verdient. Ook richten we ons op herstel, vernieuwing en groei in de culturele en creatieve sector en versterking van het lokale en landelijke medialandschap.

Het is onze ambitie dat alle kinderen en jongeren vrij kunnen zijn om zichzelf te zijn en het optimale uit zichzelf te halen. Ongeacht afkomst, opleidingsniveau, levensovertuiging, gender, seksuele voorkeur of beperking. Iedereen verdient dezelfde kansen om zich te ontwikkelen, ongeacht in welk gezin je geboren bent of in welke wijk je school staat. In het primair en voortgezet onderwijs wordt de basis gelegd: met het masterplan basisvaardigheden zorgen we er voor dat kinderen goed leren lezen, schrijven en rekenen en kunnen meedoen in de samenleving. In het hoger onderwijs bieden we rust en ruimte aan studenten, docenten en onderzoekers en helpen we talenten te excelleren. We pakken kansenongelijkheid aan door degenen die extra hulp nodig hebben te ondersteunen en barrières weg te nemen en breed via emancipatiebeleid.

Je kunt alleen goed leren en werken als je je vrij en veilig voelt op school. Voor onze leerlingen, studenten en docenten moet het onderwijs en onderzoek een uitnodigende omgeving zijn, waar ze zich vrij en veilig weten, en zich uitgedaagd voelen. We doen er alles aan om pesten en ander grensoverschrijdend gedrag uit te bannen. En het staat buiten kijf dat elke school de rechtsstaat en democratie respecteert en bijdraagt aan integratie.

Onderwijs, media, cultuur en wetenschap zijn essentieel voor het vergroten van maatschappelijke gelijkwaardigheid - hier wordt de toekomst gevormd en het heden en verleden verbeeld. Daarom is het van groot belang dat juist instellingen voor onderwijs, cultuur, media en wetenschap inclusief zijn, openstaan voor een divers publiek, en obstakels voor de ontwikkeling van mensen wegnemen. Voor OCW hebben we daarom een agenda tegen discriminatie en racisme opgesteld en voeren we een actief emancipatiebeleid.

We investeren de komende jaren in de duizenden mensen die zich dag in dag uit inzetten voor een gelijkwaardige samenleving. En niet altijd onder eenvoudige omstandigheden. De positie van wetenschappers en journalisten staat onder druk. Dit is onacceptabel. We zetten ons dan ook sterk in om te zorgen dat zij hun werk in vrijheid en veiligheid kunnen blijven doen. We staan voor de feiten en voor de mensen die de feiten brengen. En wij maken ons hard voor de mensen van wie de afgelopen jaren zoveel is gevraagd en die ook nu nog vaak dagelijks te maken hebben met de gevolgen van het coronavirus. En voor diegenen die daarbovenop te maken hebben met consequenties van de inval van Rusland in Oekraïne.

We leven in een tijd van crises en grote maatschappelijke veranderingen die van ons als samenleving het nodige vragen. Dat vraagt om een overheid die actief stuurt en initiatief neemt. Zeker in deze tijd van grote krapte op de arbeidsmarkt is het beroep op onderwijs groot om vaardige en creatieve mensen op te leiden.

We hebben voldoende goede leraren nodig. We trekken daarom alle registers open om de tekorten aan leraren terug te dringen. We gaan door met wat werkt, passen aan waar we nu vastlopen, en starten een discussie over onorthodoxe maatregelen. Vakmensen zijn hard nodig om huizen te bouwen, de energietransitie mogelijk te maken en de samenleving draaiende te houden. Een echt vak leren is belangrijker dan ooit. We zetten ons daarom extra in voor leerlingen en studenten in het beroepsonderwijs. We zorgen voor een betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt, met specifieke aandacht voor het aanpakken van tekortsectoren.

We leggen de focus op maatschappelijke vraagstukken in het hoger onderwijs (ho) en investeren flink in onderzoek. We spannen ons in voor een gezonde arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector.

Het is onze verantwoordelijkheid om te zorgen dat docenten, wetenschappers, kunstenaars en journalisten kunnen bouwen op een sterke basis en hoge kwaliteit kunnen blijven bieden. We willen de komende jaren rust creëren en ruimte bieden. We zetten ons in voor een gezond en sterk fundament in hoger onderwijs en onderzoek met een Fonds voor Onderzoek en Wetenschap en voor herstel en vernieuwing en groei in de cultuursector. En wij maken werk van de versterking van de lokale journalistiek en een open en toekomstbestendig mediabestel.

Bij al ons beleid hebben we oog voor de gevolgen van beleid voor burgers en professionals. We streven naar een overheid die open is en die burgers meeneemt in de afwegingen in beleid. We letten ook op de uitvoerbaarheid van ons beleid en willen de dienstverlening verbeteren aan allen die van onze diensten gebruik maken.

Leven met het coronavirus

Sinds half februari zijn bijna alle maatregelen ter bestrijding van het coronavirus opgeheven. De culturele sector ging op dat moment weer volledig open, na bijna twee jaar met maatregelen en sluitingen. Dit betekent niet dat het virus weg is; we zullen ook de komende tijd moeten leven met het virus en de sporen die het afgelopen jaren heeft achtergelaten, zoals vertragingen bij leerlingen en in onderzoeksprogramma's en een terughoudender cultuurpubliek.

Leerlingen, docenten en schoolleiders in het primair en voortgezet onderwijs en studenten en instellingen in het mbo en ho zijn hard aan de slag gegaan met de uitvoering van het Nationaal Programma Onderwijs en het inhalen van de door corona veroorzaakte vertragingen. Hierbij is, naast het inhalen van leer- en studievertragingen, mentaal welbevinden een belangrijk aandachtspunt binnen het programma.

Door de nieuwe lockdown van afgelopen winter, de aanhoudende pandemie met bijbehorende lesuitval en de gespannen arbeidsmarkt hebben scholen en instellingen meer tijd nodig om de vertragingen in te lopen en het mentale welbevinden van leerlingen en studenten te bevorderen. Daarom is de bestedingstermijn van het Nationaal Programma Onderwijs verlengd. Voor funderend onderwijs is het verlengd tot einde schooljaar 2024/2025 en voor mbo/ho wordt 2023 aangemerkt als regulier bestedingsjaar voor de beschikbare middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs en het kalenderjaar 2024 tot zogenoemd 'uitloopjaar'.

Om in de toekomst een grotere voorspelbaarheid voor het onderwijs te creëren, hebben we in nauwe samenwerking met het veld en het Ministerie van VWS een (middel)lange termijnaanpak COVID-19 opgesteld. Deze richt zich op wat er nodig is om fysiek onderwijs op een veilige en verantwoorde manier te organiseren.

Oekraïne

Door de oorlog in Oekraïne zijn miljoenen mensen op de vlucht. Kinderen die vanuit Oekraïne naar Nederland zijn gekomen, hebben recht op onderwijs. Zij krijgen zoveel mogelijk een plek in het nieuwkomersonderwijs of in een speciaal voor Oekraïense ontheemden bedoelde tijdelijke onderwijsvoorziening, waarin het onderwijs zo goed mogelijk aansluit op hun situatie en onderwijsbehoefte.

De oorlog in Oekraïne heeft opnieuw zichtbaar gemaakt hoe belangrijk het is dat wetenschappers, kunstenaars en journalisten in vrijheid en veiligheid hun werk kunnen uitvoeren. We steunen de inspanningen van hogescholen, universiteiten, studenten en onderzoekers voor Oekraïense ontheemden en Russische vluchtelingen die het regime afwijzen. Samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken bieden we financiële steun aan gevluchte culturele en creatieve makers uit Oekraïne en Rusland.

We hebben de dringende oproep gedaan om alle formele en institutionele samenwerkingen met onderwijs- en kennisinstellingen in de Russische Federatie en in Belarus te bevriezen en geen nieuwe formele en institutionele samenwerkingen aan te gaan. We realiseren ons dat dit grote gevolgen heeft voor de voortgang van onderzoeksprogramma's en samenwerkingen.

Uitwerking

In het vervolg van deze beleidsagenda wordt aan de hand van de belangrijke thema's onze plannen en beoogde resultaten voor 2023 en verder uitgewerkt. Deze thema's corresponderen met die van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het Ministerie van OCW.

  • 1. 
    Een sterke basis en hoge kwaliteit

Het is onze eerste prioriteit om de basis verder op orde te brengen. Dit kabinet investeert sterk in de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. We willen dat in het primair en voortgezet onderwijs en in het mbo over de gehele linie de prestaties omhoog gaan, met als resultaat dat iedere leerling en student datgene leert wat hij of zij nodig heeft om zich staande te houden in de maatschappij, het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt.

Masterplan basisvaardigheden po en vo

Met het masterplan basisvaardigheden richten we ons op de leergebieden taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. Dat iedere leerling kan lezen, schrijven en rekenen, en kan meedoen in de samenleving is de basis om zelfstandig en zelfverzekerd te kunnen leven. Kennis van de democratie en de rechtsstaat hoort daarbij. Het masterplan is een integraal en duurzaam programma voor de lange termijn. Met het onderwijsveld werken we dat verder uit. Tegelijk is een snelle start belangrijk voor de scholen die op korte termijn aan de slag willen. We nemen meer regie om scholen daadwerkelijk te ondersteunen om het onderwijs in de basisvaardigheden te verbeteren. Scholen kunnen met ingang van volgend schooljaar subsidie en hulp krijgen bij verbetering van hun onderwijs in de basisvaardigheden. Met de bijstelling van kerndoelen en eindtermen wordt duidelijker wat we wel en niet van scholen kunnen verwachten, zodat leraren focus kunnen aanbrengen in hun lessen. Vooruitlopend daarop kunnen scholen zelf al scherper kiezen wat hun leerlingen echt nodig hebben. En daar komt praktische hulp voor beschikbaar in de vorm van basisteams. Vanuit de Inspectie van het Onderwijs zal het toezicht scherper ingericht worden: de lat gaat omhoog. Daarnaast werken we aan meer systematische monitoring van de onderwijskwaliteit, zodat we beter zicht krijgen op prestaties voor alle basisvaardigheden en scherpere doelen kunnen stellen.

Basisvaardigheden en innovatie in het mbo

In het mbo willen we alle studenten een goede basis geven. Het ontbreekt echter nog aan een goed inzicht in de mate waarin mbo-studenten de basisvaardigheden beheersen. Betere monitoring is daarom een eerste stap. Daarbovenop investeren we de komende tijd in mogelijkheden voor de studenten om te excelleren. Kwaliteit in het mbo gaat ook over voorbereiden op de toekomst. Daartoe willen we de innovatiekracht van het mbo versterken, onder meer door netwerken van innovatieve docenten te stimuleren en te belonen. Ook zetten we ons er voor in dat mbo-studenten gelijkwaardig aan ho-studenten worden gezien en behandeld.

Leesbevordering

Het maatschappelijke belang van goed kunnen lezen is groot. Leesbevordering vormt dan ook een grote uitdaging, zowel voor ouders, leerkrachten als de professionals in de bibliotheken en de letterensector. Wij zullen ons gezamenlijk inzetten om de samenwerking tussen scholen (inclusief het mbo), bibliotheken en de omgeving rond jongeren te versterken.

Gezond en sterk fundament hoger onderwijs en wetenschap Alleen met een gezond en sterk fundament kunnen hoger onderwijs en wetenschap de maatschappij blijven voorzien van baanbrekend onderzoek, kwalitatief hoogstaand onderwijs, inzicht in maatschappelijke oplossingen en brede duurzame welvaart. Dit betekent ook ruimte voor studenten, onderzoekers en docenten en meer profilering van en samenwerking tussen instellingen, zowel nationaal als internationaal. Zo kunnen zij bijdragen aan de maatschappelijke uitdagingen van nu en in de toekomst.

Om de waarde van wetenschap te versterken beschermen we onze kennis en investeren we in het ongebonden onderzoeken in de onderzoeksinfrastructuur, onder meer via sectorplannen en starters- en stimulerings-beurzen. Het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap biedt ons de ruimte om aanvullend op de reguliere middelen te investeren in wetenschappelijk onderzoek, in totaal € 5 miljard voor de komende 10 jaar. We zetten deze incidentele middelen zo in dat ze ook op lange termijn effect hebben, onder meer in praktijkgericht onderzoek bij hogescholen, faciliteiten voor toegepast onderzoek en open science. Daarnaast zorgen we voor een betere balans tussen de eerste en tweede geldstroom.

Bij versterking van de basis op het gebied van hoger onderwijs hebben we aandacht voor zowel studenten als (jonge) docenten. Dit doen we door de middelen voor de instellingen ten behoeve van de kwaliteit van het onderwijs te continueren, aandacht te houden voor studentsucces en te investeren in studentenwelzijn, naast de investering die we al doen in het Nationaal Programma Onderwijs. Ook geven we meer regie aan instellingen en opleidingen binnen het kwaliteitszorgstelsel, maken we afspraken over het beheersbaar maken van de internationale studentenstromen en overwegen we nieuwe instrumenten daarvoor.

Digitalisering

Digitalisering kan helpen taken van leraren te verlichten en de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Tegelijkertijd dringen zich in toenemende mate complexe vraagstukken aan het (digitale) onderwijs op, bijvoorbeeld aangaande keuzevrijheid, marktwerking en privacy. De komende jaren zetten we in op doordachte digitalisering van het onderwijs, onder meer met behulp van investeringen van het Nationaal Groeifonds en het coalitieakkoord. We organiseren randvoorwaarden en ondersteuning die scholen nodig hebben, zodat zij vanuit hun eigen onderwijskundige visie kunnen kiezen voor passende digitale leer- en hulpmiddelen, werken aan de vaardigheden van docenten en de digitale infrastructuur op orde hebben.

  • 2. 
    Iedereen gelijke kansen

De ambitie van dit kabinet is om de kansengelijkheid te vergroten, zodat iedereen in Nederland een goed bestaan heeft en onbenut potentieel kan worden benut, ongeacht je achtergrond. Iedere leerling en student moet kansen krijgen om zich optimaal te ontwikkelen zodat ze mee kunnen (blijven) doen in de maatschappij en een stevige positie innemen op de arbeidsmarkt.

Extra investeringen voor kansengelijkheid in het po en vo Gezien de invloed van de directe leefomgeving van kinderen en jongeren is het vergroten van kansengelijkheid een opgave voor verschillende beleidsterreinen; onderwijs is daarin een cruciale factor. Bij kansengelijkheid in het onderwijs gaat het erom dat kinderen en jongeren met verschillende kenmerken (zoals opleidingsniveau en inkomen van de ouders, migratieachtergrond) eerlijke kansen hebben op een succesvolle schoolloopbaan. Om dit te bereiken, gaat het kabinet barrières wegnemen en werken aan een stelsel waarin elke leerling tot zijn recht komt. Voor het primair en voortgezet onderwijs werken we dit uit in de Agenda Kansengelijkheid die na de zomer van 2022 verschijnt.

School en Omgeving in primair en voortgezet onderwijs Met het programma School en Omgeving bieden we coalities van scholen, gemeenten en maatschappelijke organisaties de gelegenheid om onder en na schooltijd aanbod te creëren, zodat leerlingen zich optimaal kunnen kunnen ontwikkelen. We beginnen in 130 gebieden waar de nood het hoogst is. We geven die gebieden de kans om leerlingen te laten kennismaken met een breed scala aan activiteiten, zoals sport, muziek, koken, huiswerkbegeleiding, tutoring, coaching en sociaal-emotionele ontwikkeling. Met een lerende aanpak werken we toe naar duurzame en evidence based programma's. Als overheid ondersteunen we de lokale coalities via de Gelijke Kansen Alliantie.

Gelijke kansen in het passend onderwijs

Ook passend onderwijs is belangrijk om aan te kunnen sluiten op specifiek e leerbehoeften van leerlingen. De verbeteraanpak voor passend onderwijs wordt gecontinueerd. We nemen maatregelen voor inclusiever onderwijs, waarbij kinderen met en zonder beperking samen naar school gaan en werken eraan dat er voor ieder kind een vorm van onderwijs is en thuiszitten tot een minimum beperkt wordt.

Maatschappelijke diensttijd

De maatschappelijke diensttijd (MDT) wordt uitgebreid. Hierdoor vergroten we zowel het aantal jongeren dat deelneemt als de bijdrage die jongeren leveren aan actuele maatschappelijke opgaven. Het MDT netwerk is wendbaar en opereert dicht op de actualiteit. Zo kan MDT bijdragen aan kansengelijkheid, inburgering en het bestrijden van eenzaamheid. We zetten in op een betere verbinding met het onderwijs, faciliteren samenwerking tussen scholen en maatschappelijke organisaties en versterken onze eigen MDT-organisatie om nog meer jongeren, en daarmee de samenleving, te helpen aan een MDT-traject.

Extra investeringen in leerroutes vo, mbo, ho

We investeren ook in de beroepsroute van vmbo naar mbo en ho en versterken mbo niveau 2. Instellingen krijgen subsidie om doorlopende leerroutes te ontwerpen, zodat leerlingen van het vmbo uiteindelijk kunnen doorstromen naar het mbo en het hbo. Een goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) hoort daarbij, die vrij is van (gender)stereotiepe verwachtingen. Dat moet ertoe leiden dat leerlingen en studenten minder uitvallen en minder wisselen van opleiding. Verder zetten we extra middelen in om studenten in mbo-2 meer maatwerk en extra begeleiding te bieden zodat ze duurzaam kunnen instromen op de arbeidsmarkt.

Tegengaan stagediscriminatie mbo en ho

Het tegengaan van stagediscriminatie in het mbo en ho is een van onze topprioriteiten. We gaan afspraken maken met bedrijven en onderwijsinstellingen over maatregelen die stagediscriminatie daadwerkelijk uitbannen. Daarnaast wordt ingezet op persoonsvorming en burgerschaps-onderwijs in het mbo. Er is aandacht voor studenten die door omstandigheden extra hulp nodig hebben om hun vaardigheden en potentie te ontdekken en ontplooien.

Herinvoering basisbeurs mbo en ho

Wij willen studenten de gelegenheid bieden om zich optimaal te ontwikkelen. Daarom gaan we de basisbeurs herinvoeren en verbreden we de aanvullende beurs in het hoger onderwijs naar middeninkomens. We gaan het niet-gebruik van de aanvullende beurs terugdringen in het mbo en ho, we schrappen de bijverdiengrens in het mbo, en geven mbo-studenten dezelfde terugbetaalvoorwaarden als studenten in het hoger onderwijs. Hiervoor hebben we structureel € 1,2 miljard gereserveerd. Daarnaast bieden we een tegemoetkoming aan studenten die geen basisbeurs hebben ontvangen. Hiervoor is incidenteel € 1,0 miljard beschikbaar.

  • 3. 
    Lerarenstrategie primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs Het grote tekort aan leraren en schoolleiders is een van de belangrijkste problemen van dit moment. Leraren zijn bepalend, ze maken in de klas het verschil voor kinderen. Als er niet voldoende goede leraren en schoolleiders zijn, is dat een risico voor de kwaliteit van het onderwijs. Alle inzet die de afgelopen jaren gepleegd is ten spijt, moeten we concluderen dat de problematiek alleen maar groter is geworden. Doorgaan op de ingeslagen weg is geen optie.

We zetten daarom alles op alles om de tekorten daadwerkelijk terug te dringen. Daarvoor is een mix van maatregelen nodig. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs heeft een onderwijsakkoord gesloten met de organisaties van schoolbesturen en onderwijspersoneel. Daarin zijn onder meer afspraken gemaakt over de verhoging van het salaris van leraren in het primair onderwijs en het verlagen van de werkdruk in het voortgezet onderwijs. Maar ook over tijd voor leraren en schoolleiders om bij te scholen, in het bijzonder voor het onderwijs in de basisvaardigheden. Dat moet eraan bijdragen dat het beroep van leraar weer hoog gewaardeerd wordt in de samenleving. Met de gezamenlijke onderwijsorganisaties hebben we een werkagenda opgesteld met concrete ambities en mijlpalen, voor professionele ontwikkeling van leraren, de onderwijsarbeidsmarkt en de bevoegdheden van leraren.

De complexiteit van het lerarentekort vraagt om een stevige lerarenstrategie vanuit de overheid. We gaan zorgen voor meer samenhang, focus en slagkracht, in het beleid maar ook in de daadwerkelijke aanpak in het veld. Verder intensiveren en versnellen we maatregelen die goed werken. Zo gaat het subsidiebedrag omhoog voor mensen die vanuit een ander beroep leraar willen worden en kunnen jaarlijks meer onderwijsassistenten en leraar-ondersteuners de opleiding tot leraar volgen. We zorgen ervoor dat lerarenopleidingen op maat worden aangeboden, zodat ze aantrekkelijk zijn voor zij-instromers. We versterken de samenwerking tussen lerarenopleidingen: er valt veel winst te behalen door het maken van een gezamenlijk opleidingsaanbod voor aankomende en zittende leraren, maar ook in het gezamenlijk onderzoeken en verspreiden van kennis.

Tenslotte gaan we in gesprek over verdergaande en onorthodoxe maatregelen om tot structurele oplossingen te komen. Het gaat hierbij om thema's en dilemma's die het hart van het onderwijsstelsel raken: bekostiging, bestuur en toezicht, en de wijze waarop het onderwijs in scholen is georganiseerd.

  • 4. 
    Gezonde arbeidsmarkt

Iedereen is nodig op de arbeidsmarkt. Met zes acties en bijbehorende maatregelen werkt het kabinet aan een arbeidsmarkt die beter bestand is tegen periodes van krapte. Het kabinet zet in op het verminderen van de vraag naar arbeid, het vergroten van het arbeidsaanbod en het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod. De maatregelen moeten onder andere bijdragen aan het bevorderen van Leven Lang Ontwikkelen (LLO), het stimuleren van meer uren werken en het verbeteren van de aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt. Maar daarvoor zal nog meer nodig zijn. Daarom richt het kabinet zich de komende periode op financiële prikkels in verschillende sectoren, waaronder het mogelijk maken van een voltijds-bonus.

Aanpak opleiden vakmensen

Er ligt een flinke uitdaging om goede vakmensen op te leiden, zowel via initieel onderwijs, als via om- en bijscholing van de beroepsbevolking in het kader van een Leven Lang Ontwikkelen. De urgentie wordt vergroot omdat Nederland voor grote opgaven staat op het gebied van klimaat, energie, wonen en zorg. Dat terwijl we te maken hebben met grote tekorten op de arbeidsmarkt. Vooral vacatures op mbo- en hbo-niveau zijn moeilijk vervulbaar. We kiezen daarom voor een actieve en innovatieve aanpak.

Reële arbeidsvoorwaarden en omstandigheden culturele sector De culturele arbeidsmarkt heeft tijdens de coronacrisis klappen gehad en zwakke plekken zijn blootgelegd. Ook mensen die werken in de culturele sector hebben recht op reële arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. Dat maakt de sector bovendien weerbaarder. Met herstelmaatregelen zorgen wij er ook voor dat makers kansen krijgen zich te ontwikkelen en weer aan de slag kunnen.

Speerpunten mbo

Voor het mbo hebben we vier speerpunten geformuleerd, om de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen en beter aan te sluiten op de behoefte aan vakmensen: zorgen dat meer mensen meedoen (1), jongeren en volwassenen helpen om goed geïnformeerde opleidings- en beroepskeuzes te maken (2), intensieve samenwerking stimuleren, zowel tussen de onderwijssectoren als tussen onderwijs en het bedrijfsleven om het beroepsonderwijs uitdagend en innovatief te houden (3) en het stimuleren van op-, om- en bijscholing van de beroepsbevolking, met het oog op duurzame inzetbaarheid en een op skills gerichte arbeidsmarkt (4). Daarnaast verkennen we in het najaar of we de macrodoelmatigheid verder kunnen verbeteren.

Regionale samenwerking vmbo-mbo-hbo

Verder gaan we de regionale samenwerking tussen vmbo-mbo-hbo versterken zodat leerlingen en studenten makkelijker kunnen doorstromen. Dat doen we door het maken van gezamenlijke onderwijsprogramma's te stimuleren. We investeren daarnaast in hbo-opleidingen die opleiden voor de sectoren waar grote personeelstekorten zijn: de gezondheidszorg, onderwijs, en bèta en techniek. We bieden ruimte aan hogescholen om samen met hun partners in de regio de middelen gericht te besteden. Voor regio's die te maken hebben met krimp, willen we een aanpak ontwikkelen waarin mbo- en hbo-opleidingen kunnen bijdragen aan het vitaal houden van die gebieden.

Gelijke positie vrouwen en mannen

In Nederland bestaan nog steeds grote verschillen tussen mannen en vrouwen op het gebied van arbeid en inkomen - of het nu gaat om het aantal uren werk, de beloning of de posities waarin men terecht komt. Daarom zetten wij in op een gelijke positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt (in personen en uren) en een betere verdeling van arbeid en zorgtaken. Verder nemen we maatregelen om een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities te realiseren. In 2023 starten we met een nieuwe periode van meerjarige allianties, met financiële ondersteuning van maatschappelijke organisaties die bijdragen aan de emancipatiedoelstellingen van dit kabinet.

  • 5. 
    Sociale veiligheid en gelijke behandeling

Het is belangrijk dat iedereen zich optimaal kan ontwikkelen. Dat kan alleen wanneer scholen, onderwijsinstellingen, culturele instellingen, media instellingen en onderzoeksinstellingen veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Waar gelijkwaardigheid de norm is en aandacht is voor het welzijn van iedereen in de organisatie. We waarborgen de sociale veiligheid en gelijke behandeling op iedere instelling en bannen pesten, racisme, discriminatie en ander grensoverschrijdend gedrag uit. We verwachten dat scholen staan voor onze Nederlandse normen en waarden. We grijpen sneller in bij (informele) onderwijsinstellingen en hun vertegenwoordigers die anti-integratief, anti-democratisch of anti-rechtsstatelijk opereren.

Het is belangrijk dat iedereen zich optimaal kan ontwikkelen en dat kan alleen wanneer instellingen veilig, toegankelijk en inclusief zijn voor alle leerlingen en studenten en alle medewerkers. Wij streven naar veilig onderwijs, waar iedereen zich vrij kan voelen en zichzelf kan zijn. En waar aandacht is voor het welzijn van alle leerlingen, studenten en medewerkers. We waarborgen de sociale veiligheid en gelijke behandeling op iedere instelling en gaan racisme en discriminatie tegen.

Sociale veiligheid in het po en vo

In het funderend onderwijs richten we ons op het versterken van de positie van de leerling en ouders indien er een klacht is over de veiligheid, het toezicht op dit thema en het verbeteren van de veiligheid van onderwijspersoneel. Om dit te bereiken wordt er in het funderend onderwijs ingezet op een meld- en steunpunt voor leerlingen en ouders, de versterking van het klachtenstelsel, een meldplicht voor ernstige incidenten van sociale veiligheid voor scholen, een uitbreiding van de monitoringsverplichting en geïntensiveerd toezicht.

Vernieuwde monitor sociale veiligheid mbo

In het mbo houden we met een vernieuwde monitor sociale veiligheid de vinger aan de pols. We sluiten aan bij bestaande programma's die het welzijn en de mentale gezondheid van studenten bevorderen. We maken ons sterk voor een gelijkwaardige behandeling van alle studenten.

Divers talent in hoger onderwijs en onderzoek We willen ruimte geven aan divers talent in het hoger onderwijs en onderzoek, van jong tot ervaren, met verschillende achtergronden, perspectieven en loopbaanpaden. Het gaat hierbij ook om het aantrekken en vasthouden van internationaal toptalent. Over sociale veiligheid maken we afspraken met de instellingen, vooruitlopend op een integrale aanpak die we nog zullen presenteren.

Acceptatie, gelijke behandeling en veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap We zetten in op de acceptatie, gelijke behandeling en veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is het Regenboogakkoord hiervoor steeds de basis. Het Regenboogakkoord zal zorgvuldig uitgevoerd worden met (initiatief)wetgeving en beleid. Voorbeelden hiervan zijn de aanpak van discriminerend geweld, het verbeteren van wetgeving zoals een expliciet verbod op lhbti-discriminatie in art. 1 van de GW, het bevorderen van acceptatie op school, het bewerkstelligen van een transitieverlof vergelijkbaar met het zwangerschapsverlof en het tegengaan van onnodige sekseregistratie bij de overheid.

De positie en rechten van lhbtiq+ personen en vrouwen buiten Nederland staan stevig onder druk. Het kabinet blijft zich inzetten om die positie en rechten te verdedigen. In mondiaal verband zetten we in op het beschermen en bevorderen van gelijke rechten, gendergelijkheid en het verbeteren van de positie van vrouwen en meisjes in de Commission on the Status of Women (VN). In EU-verband zetten we in op het ambitieus uitvoeren van de EU-gendergelijkheidstrategie 2020-2025 en de Strategie voor gelijkheid van lhbtiq+ personen 2020-2025. Ook roepen wij de Commissie op om het volledige financiële en juridische instrumentarium in te zetten om misstanden aan te pakken - zoals het waar mogelijk niet verstrekken van EU-subsidies als de Europese waarden in het geding zijn.

Voorkomen seksueel grensoverschrijdend gedrag

Om seksueel grensoverschrijdend gedrag aan te pakken heeft het kabinet Mariëtte Hamer aangesteld als onafhankelijke regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Hamer zal hierover gevraagd en ongevraagd advies geven. Zij werkt de komende drie jaar als aanjager van het maatschappelijk debat en als boegbeeld van de gewenste cultuurverandering op dit terrein. Onder regie van de Ministers van OCW en SZW wordt een Nationaal Actieplan opgesteld, met als doel het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en het bereiken van een samenleving waarin ieder zich veilig voelt.

  • 6. 
    Herstel, vernieuwing en groei in de culturele en creatieve sector De culturele en creatieve sector heeft onder grote druk gestaan en het is nog altijd een uitdagende tijd. Het is noodzakelijk dat de culturele en creatieve sector weer gaat draaien, dat het publiek terugkomt en dat er cultuur gemaakt en beoefend wordt. De komende periode staat in het teken van herstel, vernieuwing en groei. Hiervoor is in 2022 € 135,0 miljoen gereserveerd en vanaf 2023 € 170,0 miljoen structureel per jaar.

De coronacrisis heeft veel impact op jongeren gehad, zowel sociaal, economisch als mentaal. We willen daarom deze groep extra aandacht geven. Corona toonde het innovatieve vermogen van de cultuursector.

Het publiek waardeert de combinatie van fysieke en digitale cultuurbeleving. Deze innovatie willen we blijvend ondersteunen, want zij maakt de sector sterker en flexibeler. We willen cultuur toegankelijk maken voor iedereen, door een goede regionale spreiding door heel Nederland en extra investeringen in cultuurparticipatie.

Daarnaast willen we meer aandacht geven aan onze gezamenlijke geschiedenis en de omgang met ons cultureel erfgoed. We bekijken samen met betrokkenen uit cultuur, onderwijs en wetenschap hoe we kunnen bijdragen aan een Nationaal Historisch Museum. In aanloop naar het herdenkingsjaar 2023 besteden we extra aandacht aan dialoog over het slavernijverleden en hedendaags racisme. Wij hechten aan de komst van een Nationaal Slaver-nijmuseum.

In 2022 is de Tweede Kamer begonnen met de behandeling van het wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995. Behandeling in beide Kamers zal naar verwachting duren tot in het jaar 2023. Met dit wetsvoorstel kunnen archieven eerder openbaar worden. Ander belangrijk element van het wetsvoorstel is de duurzame toegankelijkheid van de archieven.

Bibliotheken

De bibliotheek is een van de meest laagdrempelige cultuurvoorziening, die door alle bevolkingsgroepen wordt bezocht. Door het brede aanbod van diensten en activiteiten draagt de bibliotheek bij aan persoonlijke ontwikkeling, aan verbetering van maatschappelijke kansen en aan sociale cohesie. Daarom streeft het kabinet de komende periode naar een toekomstbestendige bibliotheekvoorziening in elke gemeente.

Arbeidsmarkt culturele en creatieve sector

We spannen ons in voor een gezonde arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector, met oog voor de kwetsbare positie van (jonge) makers en zzp'ers en de mogelijkheden voor het inzetten van de creatieve industrie bij grote maatschappelijke opgaven.

  • 7. 
    Versterking van het lokale en landelijke medialandschap Vrije media en onafhankelijke journalistiek zijn onmisbaar voor onze democratische rechtsstaat. Media zijn ook een bron van amusement en cultuur, die verbindt, inspireert en verrijkt. De publieke omroep verbindt met zijn grote bereik bevolkingsgroepen met verschillende culturele achtergronden, uit alle sociale groepen. Bovendien is het aanbod er vrij van overheidsinvloeden, commercie en andere deelbelangen. Tot slot kan jong talent bij de publieke omroep vernieuwende programma's maken. Om het open bestel dat de publieke omroep is beheersbaar te houden en toekomst-bestendig te maken, richten we ons de komende periode op nieuwe toelatings- en verantwoordingscriteria voor de landelijke publieke omroep.

Lokale publieke omroepen hebben een belangrijke rol in het lokale medialandschap. Ze zijn echter afhankelijk van gemeentelijke bekostiging, die niet altijd toereikend is om als professionele journalistieke organisatie te werken. En zelfs waar gemeenten wel voldoende bijdragen, kan die afhankelijkheid schadelijk zijn voor de rol van de omroep als bewaker van de lokale democratie. Daarom versterken we de positie van lokale omroepen. Tegelijkertijd investeren we in de kwaliteit en professionalisering van de lokale omroepen.

Goede onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Veranderingen in de advertentiemarkt, digitalisering en de opkomst van sociale media tasten verdien-modellen aan. Ook de coronacrisis zette de journalistiek onder druk, vooral lokaal. Daarom investeren we de komende jaren in onderzoeksjournalistiek in samenwerking met het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de Rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen die dit kabinet sinds aantreden tot en met nu heeft gedaan (tabellen 8 t/m 13).

 

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige uitgaven mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stand begroting 2022 (inclusief NvW)

 

48.810.026

47.866.720

46.857.932

46.979.737

46.941.366

46.808.174

Belangrijkste suppletoire mutaties

1 Incidentele suppletoire begrotingen

diverse

1.506.921

566.067

158.451

157.461

149.788

151.633

2 Coalitieakkoord

diverse

1.972.886

3.086.789

3.745.062

4.639.721

4.128.100

4.343.556

3 Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

alle

1.363.809

1.440.453

1.441.563

1.441.129

1.439.833

1.409.033

4 Nationaal Groeifonds (NGF)

diverse

61.384

262.304

144.156

82.210

24.857

3.083

5 Oekraïne

diverse

230.882

471.110

       

6 Leerlingen- en studentenontwikkeling (inclusief SF-raming)

diverse

12.345

  • 343.387
  • 312.749
  • 305.604
  • 199.873
  • 139.226

7 Eindejaarsmarge

diverse

132.149

142.447

       

8 Inzet CA-middelen voor Taakstelling NP Onderwijs

diverse

 

87.553

       

9 Compensatie vervallen btw-vrijstelling

1

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

10 Saldo mee- en tegenvallers

diverse

4.724

13.445

13.249

14.491

14.291

14.291

11 Overige problematiek en dekking

diverse

4.147

2.599

3.027

1.635

223

  • 670

12 Kasschuiven

diverse

765.116

  • 772.899

30.889

594.658

  • 121.565
  • 203.631

13 Niet-plafondrelevante mutaties

11

  • 245.353

314.164

1.001.640

617.471

406.385

185.342

14 Desalderingen

14, 15

31.625

1.494

506

     

Kwijtschelding publieke schulden ex-partners

15 toeslagengedupeerden

11

 

71.280

17.820

     

16 Zelftesten

1,3,6,7

  • 82.997
         

17 Verhogen basisbeurs

11

 

12.000

18.000

37.000

93.000

113.000

18 Overige mutaties

diverse

  • 146
  • 4.523
  • 18.822
  • 23.648
  • 23.572
  • 9.903

Stand ontwerpbegroting 2023

Totaal

54.597.518

53.247.616

53.130.724

54.266.261

52.882.833

52.704.682

 

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige ontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stand begroting 2022 (inclusief NvW)

1.607.953

1.725.868

1.765.323    1.795.169

1.839.875

 

Belangrijkste mutaties

Incidentele suppletoire begroting    14

44.000

           

Saldo mee- en tegenvallers    1

13.729

           

Leerlingen- en studentenontwikkeling    11,12,13

(inclusief studiefinanciering)

  • 25.595
  • 32.489
  • 21.348

7.033

2.800

9.780

Niet-plafondrelevante mutaties    11

  • 23.351
  • 29.433
  • 26.622 -

27.614

  • 28.658
  • 29.754

Desalderingen    14, 15

31.625

1.494

 

506

     

Extrapolatie    diversen

           

1.879.547

Stand ontwerpbegroting 2023

1.648.361

1.665.440

1.717.859    1.760.522

1.814.017

1.859.573

Toelichting uitgaven

  • 1. 
    Incidentele Suppletoire Begrotingen

Sinds het vaststellen van de begroting zijn er zeven Incidentele Suppletoire Begrotingen (ISB) additioneel gepubliceerd aan de OCW-begroting. Hieronder een overzicht van de bijgeboekte bedragen.

Tabel 3 Incidentele Suppletoire Begrotingen (bedragen x € 1.000)

 

Omschrijving

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

1e ISB: Verwerven kunstwerk

14

175.000

         

2e ISB: Tegemoetkoming musea

14

5.600

         

3e ISB: Examens

3, 14

51.449

         

3e ISB: Steunpakket cultuur

14

87.500

         

4e ISB: Overlopende verplichtingen 2021

Diverse

282.247

  • 191.667
       

5e ISB: Maatschappelijke diensttijd1

4

94.677

95.102

95.409

95.412

95.413

95.413

5e ISB: Kwijtschelding publieke schulden toeslagengedupeerden

11

91.000

  • 1.780
  • 1.780
  • 1.780
  • 1.780
  • 1.780

5e ISB: Ondersteuning culturele sector

14

56.500

         

6e ISB: NP Onderwijs

Diverse

81.825

584.823

7.973

7.674

   

6e ISB: Ventilatie

1,3

130.000

30.000

       

6e ISB: Suppletieregeling cultuur

14

41.742

         

7e ISB: WAU

Diverse

23.240

47.454

56.154

56.155

56.155

58.000

7e ISB: Oekraïne

 

381.971

         

7e ISB: Herdenkingsjaar slavernijverleden

14

4.170

2.135

695

     

Totaal

 

1.506.921

566.067

158.451

157.461

149.788

151.633

1 Vanaf deze OCW-begroting 2023 is maatschappelijke diensttijd in 2023 en verder overgeheveld naar Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs).

In het coalitieakkoord zijn meerjarig middelen ter beschikbaar gesteld voor het onderwerp Werk aan Uitvoering (WAU). In de 7e ISB zijn deze middelen meerjarig naar de OCW-begroting overgeheveld. De middelen voor 2022 zijn tevens in de 7e ISB doorverdeeld. De middelen voor 2023 en verder zijn bij Miljoenennota doorverdeeld naar de juiste artikelen. De middelen voor de WAU lopen tot en met 2031.

Het Ministerie van OCW heeft een brede uitvraag gedaan richting taakor-ganisaties om hiervoor plannen in te dienen. In de onderstaande tabel is weergegeven tot welke verdeling dit heeft geleid. Een kleine € 10,0 miljoen gaat naar bestedingsvoorstellen op het terrein van inburgering, waarvoor de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) de uitvoerder is. Dit loopt via de begroting van het Ministerie van SZW.

Tabel 4 Werk aan Uitvoering (bedragen x € 1.000)

 
 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Dienst Uitvoering Onderwijs

Diverse

5.566

29.270

34.472

33.515

33.015

30.365

30.215

30.215

30.215

30.215

Dienst Uitvoering Onderwijs (SZW)

SZW

2.260

1.846

1.846

1.845

1.845

0

0

0

0

0

Vervangingsfonds/ Participatiefonds

1

3.800

6.500

3.690

765

765

765

515

515

515

265

College voor Toetsen en Examens

3

1.350

1.404

1.115

1.115

1.115

110

110

0

0

0

Samenw. Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

4

191

2.307

3.037

4.204

3.262

2.649

2.409

2.427

650

445

Bureau Architectenregister

14

50

100

300

400

250

250

150

150

150

150

Filmfonds

14

290

666

411

543

265

225

195

50

50

50

Fonds Podiumkunsten

14

555

515

300

180

280

180

280

180

280

180

Fonds voor Cultuurparticipatie

14

475

1.859

1.649

1.504

1.504

1.388

1.388

1.277

1.277

0

Letterenfonds

14

205

640

300

280

240

0

0

0

0

0

Mondriaanfonds

14

1.285

2.235

2.140

1.482

1.017

1.017

1.017

1.017

1.017

1.017

Nationaal Archief

14

649

2.582

3.986

4.958

5.538

4.369

3.586

2.830

1.821

851

Stimuleringfonds Creatieve Industrie

14

820

1.200

1.050

940

945

755

505

505

430

700

Commissariaat voor de Media

15

175

912

762

762

144

144

144

144

144

144

Stimuleringsfonds Journalistiek

15

267

423

407

387

449

410

329

286

217

168

Regionale Publieke Omroep

15

3.375

5.000

4.800

4.800

4.600

4.600

4.400

4.400

4.200

4.200

Koninklijke Bibliotheek

16

0

1.587

2.185

4.037

4.070

4.530

4.957

4.705

4.133

2.858

KNAW

16

466

1.065

867

861

817

837

857

878

900

922

Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

95

1.889

2.048

2.011

1.996

1.996

482

482

482

482

482

Onderwijsinspectie

95

671

2.048

1.740

1.197

966

690

640

430

220

0

Dienst Uitvoering Onderwijs

Artikel

Diverse

2022

5.566

2023

29.270

2024

34.472

2025

33.515

2026

33.015

2027

30.365

2028

30.215

2029

30.215

2030

30.215

2031

30.215

Diversen apparaat

95

1.161

1.373

1.373

1.173

1.173

459

459

459

459

459

Totaal

 

25.500

65.580

68.441

66.944

64.256

54.225

52.638

50.950

47.160

43.106

  • 2. 
    Coalitieakkoord

Het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV bevat diverse maatregelen op het terrein van het Ministerie van OCW. Het gereserveerde budget is in eerste instantie op de Aanvullende Post geplaatst. In tabel 5 zijn de bedragen weergegeven die sindsdien zijn toegevoegd aan de OCW-begroting. Voor de reeksen versterken onderwijskwaliteit, vervolgopleidingen en onderzoek, kansengelijkheid en herinvoeren basisbeurs blijft een deel van het beschikbare budget gereserveerd op de Aanvullende Post tot nadere besluitvorming.

Tabel 5 Coalitieakkoord-reeksen (bedragen x € 1.000)

 

Omschrijving

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Leraren/schoolleiders

Diverse

762.000

838.000

800.000

800.000

800.000

800.000

Versterken onderwijskwaliteit

Diverse

401.667

653.850

992.912

992.913

992.913

976.408

Vervolgopleidingen en onderzoek

Diverse

248.704

663.550

677.566

667.947

667.794

692.854

Kansengelijkheid

Diverse

198.000

270.394

558.729

568.753

563.184

562.171

Fonds Onderzoek en Wetenschap

Diverse

204.298

450.308

449.258

448.758

448.758

448.758

Cultuur en Media

Diverse

150.000

169.300

191.800

238.900

200.000

200.000

Herinvoering basisbeurs

11

5.000

30.000

61.000

122.999

351.000

590.000

Tegemoetkoming leenstelsel

11

0

0

0

786.000

91.000

58.000

Reeksen van andere departementen

4, 95

3.217

11.387

13.797

13.451

13.451

15.365

Totaal

 

1.972.886

3.086.789

3.745.062

4.639.721

4.128.100

4.343.556

  • 3. 
    Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling (Ipo)

Aan de OCW-begroting wordt lpo toegevoegd ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. De relevante lpo-tranche 2022 die het Ministerie van OCW ontvangt bedraagt in 2023 € 1,4 miljard. Dit is inclusief de lpo verkregen op HGIS budgetten en de lpo die is uitgekeerd op de coalitieakkoord reeksen voor de jaren 2022 tot en met 2026. In de verdiepingsbijlage (Bijlage 2) is een toelichtende tabel over de reguliere lpo opgenomen.

  • 4. 
    Nationaal Groeifonds (NGF)

In april 2022 heeft het kabinet het advies van de adviescommissie van het NGF overgenomen voor wat betreft verschillende toekenningen en omzettingen van investeringsvoorstellen. Hierover is op 14 april 2022 de Tweede Kamer geïnformeerd middels een algemene brief 'Bekostiging investeringsvoorstellen tweede ronde Nationaal Groeifonds' (Kamerstukken II 2021/22, 35925 XIX, nr 12). Inmiddels is nog aan enkele voorwaarden voldaan zodat ook is overgegaan op onvoorwaardelijke toekenning voor de investeringsvoorstellen Nationaal Platform Leren en Ontwikkelen en de Einstein telescoop. Voor het Ministerie van OCW betekent dit een toevoeging van € 262,3 miljoen in 2023 aan de begroting. In tabel 6 is de verdeling over de verschillende projecten opgenomen. Kanttekening hierbij is dat de projecten Nationale Leven Lang Ontwikkelen Katalysator en de Digitaliseringsimpuls onderwijs NL voor zowel het middelbaar als het hoger beroepsonderwijs bedoeld zijn.

Tabel 6 Nationaal Groeifonds (bedragen x € 1.000)

 

Omschrijving

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Open leermateriaal

1,3, 95

1.783

7.125

11.586

0

0

0

Ontwikkelkracht

1,3, 95

4.197

17.536

27.657

31.367

20.474

0

Omschrijving

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Digitaal onderwijs goed geregeld

3, 95

599

3.508

5.733

5.583

3.083

3.083

Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden

4

300

3.400

3.900

0

0

0

Nationale LLO Katalysator

6

40.000

127.000

0

0

0

0

Digitaliseringsimpuls onderwijs NL

6

10.000

45.000

45.000

40.000

0

0

Biotech booster reeks

16

1.140

19.720

28.740

0

0

0

Versterken infrastructuur leven lang ontwikkelen

4

3.365

11.015

7.540

5.260

1.300

0

Einstein telescope

16

0

28.000

14.000

0

0

0

Totaal

 

61.384

262.304

144.156

82.210

24.857

3.083

  • 5. 
    Oekraïne

In de Eerste Suppletoire Begroting (Kamerstukken II 2021/22, 36120 VIII, nr. 2) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor de nieuwkomersregeling, het leerlingenvervoer en de onderwijshuisvesting a € 230,9 miljoen. Deze regelingen liepen tot 16 juli 2022 (einde schooljaar). Gezien de situatie zijn deze regelingen middels de 7e ISB verlengd tot en met december 2022. In de OCW-Begroting 2023 wordt de bestaande reguliere nieuwkomersbekostiging verhoogd met € 117,6 miljoen in 2023. Ook voor de huisvesting en noodlocaties wordt in 2023 het budget met € 318,0 miljoen verhoogd. Daarnaast wordt de regeling voor leerlingenvervoer in het primair- en voortgezet onderwijs (€ 21,4 miljoen) en de extra ondersteuning aan LOWAN verlengd. Tot slot wordt er budget beschikbaar gesteld voor voorschoolse educatie (vve) voor € 13,7 miljoen. In tabel 7 een overzicht van alle maatregelen voor vluchtelingen uit Oekraïne uit de verschillende begrotingen.

Tabel 7 Vluchtelingen Oekraïne (bedragen x € 1.000)

 

Omschrijving

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

Bekostiging nieuwkomers

1,3

198.260

117.610

0

0

0

LOWAN

1,3

600

400

0

0

0

Ambulante begeleiding

1,3

3.000

0

0

0

0

Leerlingvervoer

1

22.000

21.400

0

0

0

Huisvesting/noodlocaties

1,3

386.178

318.000

0

0

0

Voorschoolse educatie

1

0

13.700

0

0

0

Examens

3

315

0

0

0

0

Tegemoetkoming voor studenten

4, 7

2.500

0

0

0

0

Totaal

 

612.853

471.110

0

0

0

  • 6. 
    Leerlingen- en studentenontwikkeling (inclusief studiefinanciering)

In de begroting is de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen, alsmede van de kaderrelevante uitgaven aan de studiefinanciering verwerkt. Per saldo levert dit vanaf 2023 een meevaller op van € 343,4 miljoen aflopend naar € 139,2 miljoen in 2027 en verder.

Uit de Referentieraming 2022 blijkt dat het aantal leerlingen en studenten tot 2025 iets lager ligt dan in de vorige raming. Vanaf 2026 neemt het aantal leerlingen in het primair onderwijs fors toe ten opzichte van de Referentieraming 2021. Dit komt met name door een toename in het geboortecijfer. Mede als gevolg hiervan ontstaan in het primair onderwijs in de eerste jaren meevallers en vanaf 2026 tegenvallers op de uitgaven. Daarnaast wordt er in het middelbaar beroepsonderwijs een verschuiving geraamd van de beroepsopleidende leerweg (bol) naar de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De arbeidsmarkt is momenteel gunstig, waardoor studenten vaker kiezen voor een bbl-opleiding. Doordat de bekostiging van bbl-studenten lager ligt, resulteert dit in een meevaller op de bekostiging.

Uit de ramingen blijkt dat in het hoger onderwijs, met name het hoger beroepsonderwijs, zich minder studenten hebben ingeschreven. Dit wordt met name veroorzaakt door mbo-bolgediplomeerden die vaker uitstromen naar de arbeidsmarkt en havo-gediplomeerden die vaker een tussenjaar nemen. Dit zorgt voor een meevaller vanaf 2023. In het wetenschappelijk onderwijs wordt het aantal internationale studenten lager geraamd dan in voorgaande ramingen, ook dit zorgt voor een meevaller.

Op de raming van de uitgaven voor studiefinanciering doet zich per saldo een meevaller voor van € 138,6 miljoen in 2023. Deze meevaller (ook in de jaren daarna) komt voornamelijk door de lagere raming van studentenaantallen in het ho.

  • 7. 
    Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge betreft het deel van de OCW-begroting dat in 2021 per saldo niet tot besteding is gekomen en bedraagt € 310,4 miljoen. Dit bedrag wordt in 2022 weer toegevoegd aan de begroting. Van dit bedrag wordt € 110,1 miljoen ingezet voor overlopende verplichtingen die in 2021 waren gepland maar pas in 2022 tot betaling komen. De overige eindejaarsmarge wordt ingezet voor:

  • • 
    de per saldo tegenvaller op de OCW-begroting in 2022 (voornamelijk veroorzaakt door de studiefinancieringsraming);
  • • 
    de regeringscommissaris voor Aanpak Seksueel Overschrijdend Gedrag;
  • • 
    het aanvullen van het Museaal Aankoopfonds;
  • • 
    het uitvoeren van motie Westerveld met betrekking tot het versnellen van de uitvoering verbeteraanpak passend onderwijs (Kamerstukken 2021/22, 35925, nr 54).

De overige € 142,4 miljoen wordt ingezet om de taakstelling in 2023 op het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) uit het coalitieakkoord te dekken.

  • 8. 
    Inzet coalitieakkoordmiddelen voor NP Onderwijs taakstelling

Naast dat er € 142,4 miljoen van de eindejaarsmarge is ingezet om de NP Onderwijs taakstelling te dekken, is er ook € 87,6 miljoen gedekt uit de enveloppes van het coalitieakkoord. Het betreft de CA enveloppes onderwijskwaliteit voor € 43,8 miljoen, vervolgopleidingen voor € 41,9 miljoen en fonds onderzoek en wetenschap voor € 1,9 miljoen.

  • 9. 
    Compensatie vervallen btw-vrijstelling

Bij de invoering van passend onderwijs was de detachering van personeel naar of vanuit het samenwerkingsverband vrijgesteld van btw. Als gevolg van Europese regelgeving (eind 2018) is de btw-regelgeving aangescherpt en is deze btw-vrijstelling niet meer mogelijk. Dit levert extra kosten op voor samenwerkingsverbanden en deze opbrengst vloeit via de btw-afdracht van de samenwerkingsverbanden terug naar de schatkist. Met deze middelen worden zij gecompenseerd. Dit heeft betrekking op Artikel 1 (Primair onderwijs) van de OCW-begroting.

  • 10. 
    Saldo mee- en tegenvallers

Het saldo aan mee- en tegenvallers binnen de OCW-begroting is € 13,4 miljoen in 2023. De tegenvallers bestaan onder andere uit:

  • • 
    diverse contributies voor Europese organisaties die onderzoek doen;
  • • 
    de structurele kosten voor het IV-landschap van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De tegenvallers in de jaren 2023 tot en met 2026 worden gecompenseerd door de meevaller uit de referentieraming en de studiefinancieringsraming.

  • 11. 
    Overige problematiek en dekking

De overige problematiek en dekking op de OCW-begroting bedragen per saldo € 2,6 miljoen in 2023. Er zijn meerdere kleine in- en extensiveringen uitgevoerd, maar ook resterende problematiek uit eerdere jaren is opgelost. Het betreft onder andere:

  • • 
    een intensivering voor de regeringscommissaris die is aangesteld voor de Nationale Aanpak Seksueel Overschrijdend Gedrag;
  • • 
    de rentemaatstaf. In 2019 werd besloten het Wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs in te trekken. De gederfde generale opbrengsten zijn specifiek gedekt met een taakstelling op de OCW-begroting, oplopend tot structureel € 226,0 miljoen in 2060. Voor deze kabinetsperiode (meerjarenperiode tot en met 2029) is de keuze gemaakt om de taakstelling te verdelen naar rato van de begrotings-omvang van de drie bewindspersonen en in te boeken op de artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8, 14 en 16 voornamelijk als korting op de bekostiging. De totale taakstelling over deze artikelen is in 2026 € 3,0 miljoen, in 2027

€ 7,0 miljoen, in 2028 € 16,0 miljoen en in 2029 en verder structureel € 26,0 miljoen. De oploop na 2029 blijft staan op de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (Artikel 6 & 7);

  • • 
    de resterende problematiek uit de voorjaarsbesluitvorming van 2019 die buiten de begrotingshorizon ingeboekt stond op Artikel 7 De dekking vanaf 2026 en verder is in deze Eerste Suppletoire Begroting ingevuld door op de artikelen 1,3, 4, 6, 7, 8, 14 en 16 extensiveringen in te boeken naar rato van de begrotingsomvang. Het betreft € 38,0 miljoen in 2026 oplopend naar € 41,3 miljoen in 2030;
  • • 
    racisme en discriminatie. Het programma richt zich op een versterking van de aanpak van racisme en discriminatie. Dat vertaalt zich in ambities voor specifieke dossiers (o.a. in stagediscriminatie, sociale veiligheid, slavernijverleden, curriculum, segregatie, gelijke kansen en genderdi-versiteit), maar ook binnen de werkgeversopgave van OCW. Hiervoor is op de artikelen 1,3, 4, 6, 8, 14 en 16 geëxtensiveerd. Het betreft in totaal € 12,4 miljoen voor de jaren 2022 tot en met 2026.
  • 12. 
    Kasschuiven

Er is besloten tot een kasschuif van € 960,0 miljoen op het budget van de reisvoorziening van de openbaarvervoersbedrijven op Artikel 11 (Studiefinanciering). Deze kasschuif (in dit geval van jaar 2023 naar 2022) wordt vaker verwerkt omdat dit in het verleden behulpzaam kon zijn om de plafondstanden te sluiten. Dit jaar is het verzoek voor de kasschuif initieel door de vervoersbedrijven zelf ingediend. Tegelijkertijd is deze kasschuif ook dit jaar behulpzaam bij het sluiten van de plafondstanden en daarmee in het belang van het Rijk. Daarnaast worden er diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme.

  • 13. 
    Niet-plafondrelevante mutaties

De niet-plafondrelevante mutaties hebben betrekking op de studiefinanciering. Het betreft hier enerzijds een bijstelling van € 191,8 miljoen naar beneden in 2023 vanwege de per saldo meevaller op de studiefinancie-ringsraming. Daarnaast wordt er in 2023 ook € 123,0 miljoen toegevoegd wegens lpo uitkering op de niet-relevante budgetten onder deze post. Tot slot is in het coalitieakkoord besloten om het leenstelsel af te schaffen. Als gevolg hiervan zullen er in de toekomst meer niet-relevante uitgaven worden gerealiseerd. In 2023 worden deze extra niet-relevante bedrag geraamd op € 207,0 miljoen.

  • 14. 
    Desalderingen

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten. In 2023 is het saldo desalderingen € 1,5 miljoen.

  • 15. 
    Kwijtschelding publieke schulden ex-partners toeslagengedupeerden De ex-partnerregeling van gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire (KOT) zal in juli 2023 van start gaan. Om hier uitvoering aan te geven is

€ 87,1 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting.

  • 16. 
    Zelftesten

De middelen voor zelftesten in het onderwijs zijn in 2022 met € 83,0 miljoen verlaagd, aangezien deze middelen niet tot besteding zijn gekomen. In 2023 zijn er nog middelen gereserveerd voor zelftesten in het onderwijs.

  • 17. 
    Verhogen basisbeurs

De basisbeursvoor uitwonende studenten wordt incidenteel verhoogd met € 165 per maand in het studiejaar 2023/2024. Deze verhoging geldt voor de duur van één jaar en voor zowel mbo- als ho-studenten. Deze maatregel is onderdeel van het pakket aan koopkrachtmaatregelen.

  • 18. 
    Overige mutaties

Dit saldo bestaat uit verschillende mutaties waaronder overboekingen van de Aanvullende Post, overboekingen met andere departementen, maar ook technische mutaties en interne overboekingen vallen onder dit saldo. Een voorbeeld van een overboeking met een ander departement is de € 12,6 miljoen die voor vier jaar wordt overgeheveld naar VWS voor de Brede Regeling Combinatiefuncties.

Toelichting ontvangsten

  • 1. 
    Incidentele suppletoire begroting

In de 1e ISB wordt € 175,0 miljoen beschikbaar gesteld om het schilderij De Vaandeldrager te verwerven en in eigendom te nemen door de Nederlandse Staat. Van deze € 175,0 miljoen komt € 19,0 miljoen van het Museaal Aankoopfonds, € 15,0 miljoen wordt door de Vereniging Rembrandt bekostigd en € 10,0 miljoen door het Rijksmuseum. Voor in totaal € 44,0 miljoen heeft een desaldering plaatsgevonden op zowel de uitgaven als de ontvangsten.

  • 2. 
    Saldo mee- en tegenvallers

Het Fonds voor de Letteren heeft vanuit het corona-steunpakket € 8,2 miljoen teruggestort aan het Ministerie van OCW. Daarnaast betreft het een meevaller op de ontvangsten van SIVON. De ontvangsten waren geraamd in 2021, maar vallen in 2022.

  • 3. 
    Leerlingen- en studentenontwikkeling (inclusief studiefinanciering)

De tegenvaller op de ontvangsten wordt veroorzaakt door de lagere raming van studentenaantallen in het ho. Hierdoor vinden er minder omzettingen plaats dan geraamd.

  • 4. 
    Niet-plafondrelevante mutaties

In de realisatie 2021 zijn de ontvangsten terugontvangen lening (NR) lager dan geraamd. De ontvangsten op de terugontvangen lening zijn daarop naar beneden bijgesteld voor 2022 en verder.

  • 5. 
    Desalderingen

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten. In 2023 is het saldo desalderingen € 1,5 miljoen.

  • 6. 
    Extrapolatie

Dit betreft de toevoeging van een nieuw jaar (2027) aan de begrotingsreeks.

In- en extensiveringen

Tabel 8 geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte IV en tabel 9 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 10 geeft een saldo van tabel 8 en 9 weer.

In tabellen 11 t/m 13 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan per sector weergegeven.

Tabel 8 Intensiveringen (bedragen x € 1.000)

 
 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

struc.

CA Leraren/schoolleiders

1,3,9,95

762.000

838.000

800.000

800.000

800.000

800.000

800.000

CA Versterken onderwijskwaliteit

1,3,4,14,95

445.444

653.850

992.912

992.913

992.913

976.408

976.408

CA Vervolgopleidingen en onderzoek

3,4,6,7,16,95

290.570

663.550

677.566

667.947

667.794

692.854

689.304

CA Kansengelijkheid

1,3,4,95

198.000

270.394

558.729

568.753

563.184

562.171

562.171

CA Fonds Onderzoek en Wetenschap

4,16,95

206.208

450.308

449.258

448.758

448.758

448.758

0

CA Cultuur en Media

14,15,95

150.000

169.300

191.800

238.900

200.000

200.000

200.000

CA Herinvoering basisbeurs

11,95

5.000

30.000

61.000

122.999

351.000

590.000

1.000.000

CA Tegemoetkoming leenstelsel

11,95

     

786.000

91.000

58.000

0

CA reeksen andere departementen

diversen

3.217

11.387

13.797

13.451

13.451

15.365

15.365

CA WAU

diversen

23.240

63.734

66.595

65.099

62.411

16.079

0

Doorstroom beroepskolom

4

4.692

38.197

67.391

57.624

60.054

28.427

28.427

Herdenkingsjaar slavernij

14

4.170

2.135

695

     

0

Verwerven kunstwerk Rembrandt

14

150.000

         

0

Verhogen basisbeurs

11

 

12.000

18.000

37.000

93.000

113.000

0

NGF Open leermateriaal

1,3,95

1.783

7.125

11.586

     

0

NGF Ontwikkelkracht

1,3,95

4.197

17.536

27.657

31.367

20.474

 

0

NGF Digitaal onderwijs goed geregeld

3,95

599

3.508

5.733

5.583

3.083

3.083

0

NGF Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden 4

300

3.400

3.900

     

0

NGF Nationale LLO Katalysator

61

40.000

127.000

       

0

NGF Digitaliseringsimpuls onderwijs NL

61

10.000

45.000

45.000

40.000

   

0

NGF Biotech booster

16

1.140

19.720

28.740

     

0

NGF Leven lang ontwikkelen

4

3.365

11.015

7.540

5.260

1.300

 

0

NGF Einstein telescope

16

0

28.000

14.000

     

0

Totaal2

 

2.303.925

3.465.159

4.041.899

4.881.654

4.368.422

4.504.145

4.271.675

1    Deze middelen staan op Artikel 6, maar zullen ook via Artikel 4 worden uitgegeven.

2    De CA-reeksen bevatten de bedragen die sindsdien zijn toegevoegd aan de OCW-begroting. Voor de reeksen versterken onderwijskwaliteit, vervolgopleidingen en onderzoek, kansengelijkheid en herinvoeren basisbeurs blijft een deel van het beschikbare budget gereserveerd op de Aanvullende post tot nadere besluitvorming.

 

Tabel 9 Ombuigingen (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

struc.

CA Versterken onderwijskwaliteit voor taakstelling NP Onderwijs

1,3,4,14,95

  • 43.777
         

0

CA Vervolgopleidingen en onderzoek voor taakstelling NP Onderwijs

3,4,6,7,16,95

  • 41.866
         

0

CA Fonds Onderzoek en Wetenschap voor taakstelling NP Onderwijs

4,16,95

  • 1.910
         

0

Herprioritering voor doorstroom beroepskolom

4,6,7

  • 4.692
  • 38.197
  • 67.391
  • 57.624
  • 60.054
  • 28.427
  • 28.427

Rentemaatregel

         
  • 3.000
  • 7.000
  • 226.000

Problematiek voorjaarsbesluitvorming 2019

         
  • 37.913
  • 40.413
  • 41.313

Totaal

 
  • - 
    92.245
  • - 
    38.197
  • - 
    67.391
  • - 
    57.624
  • - 
    100.967
  • - 
    75.840
  • - 
    295.740

Tabel 10 Saldo intensiveringen en ombuigingen (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022    2023

2024    2025

2026

2027

struc.

Saldo intensiveringen

diverse    2.303.925    3.465.159

4.041.899    4.881.654

4.368.422

4.504.145

4.271.675

Saldo ombuigingen

diverse    - 92.245    - 38.197

  • 67.391    - 57.624
  • 100.967
  • 75.840
  • 295.740

Totaal

2.211.680    3.426.962

3.974.508    4.824.030

4.267.455

4.428.305

3.975.935

 

Tabel 11 Intensiveringen per sector (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Primair onderwijs

1

667.343

868.986

1.048.958

1.032.548

1.022.751

1.019.404

Voortgezet onderwijs

3

529.835

687.691

1.033.367

1.036.034

1.027.121

1.006.669

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

237.786

397.592

496.736

491.729

493.267

459.474

Hoger beroepsonderwijs

6

98.076

337.559

215.547

203.163

156.338

156.151

Wetenschappelijk onderwijs

7

61.000

214.400

214.000

211.960

209.800

209.700

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

4.515

31.522

42.559

46.113

49.608

63.570

Studiefinanciering

11

9.750

67.587

108.512

972.239

562.078

747.789

Tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten    12

15

92

109

113

108

70

Lesgeld

13

91

551

657

676

646

421

Cultuur

14

305.309

150.932

167.831

217.687

181.039

179.184

Media

15

18.007

36.735

40.869

37.549

34.493

34.454

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

250.736

603.072

601.092

560.198

560.187

560.667

Apparaat Kerndepartement

95

33.909

68.440

71.662

71.645

70.986

66.592

Overig

 

87.553

0

0

0

0

0

Totaal

 

2.303.925    3.465.159

4.041.899

4.881.654

4.368.422

4.504.145

 

Tabel 12 Ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022    2023

 

2024

2025

2026

2027

Primair onderwijs

1

  • 5.000

-

  • 5.000    -
  • 5.000
  • 18.217
  • 15.317

Voortgezet onderwijs

3

       
  • 9.260
  • 10.730

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

  • 23.074

-

22.064    -

22.410

  • 27.262
  • 26.985

Hoger beroepsonderwijs

6

 

-

16.772    -

13.300

  • 19.394
  • 11.573

Wetenschappelijk onderwijs

7

   
  • 8.400
  • 6.700
  • 10.710
  • 7.203

Internationaal beleid

8

       
  • 16
  • 18

Cultuur

14

       
  • 2.302
  • 2.668

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

       
  • 1.162
  • 1.346

Overig

  • 92.245    - 10.123

-

15.155    -

10.214

  • 12.644

0

Totaal

  • - 
    92.245    - 38.197

-

67.391    -

57.624

  • - 
    100.967
  • - 
    75.840

Tabel 13 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)

 
 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Primair onderwijs

1

667.343

863.986

1.043.958

1.027.548

1.004.534

1.004.087

Voortgezet onderwijs

3

529.835

687.691

1.033.367

1.036.034

1.017.861

995.939

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

237.786

374.518

474.672

469.319

466.005

432.489

Hoger beroepsonderwijs

6

98.076

337.559

198.775

189.863

136.944

144.578

Wetenschappelijk onderwijs

7

61.000

214.400

205.600

205.260

199.090

202.497

Internationaal beleid

8

0

0

0

0

  • 16
  • 18

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

4.515

31.522

42.559

46.113

49.608

63.570

Studiefinanciering

11

9.750

67.587

108.512

972.239

562.078

747.789

Tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten

12

15

92

109

113

108

70

Lesgeld

13

91

551

657

676

646

421

Cultuur

14

305.309

150.932

167.831

217.687

178.737

176.516

Media

15

18.007

36.735

40.869

37.549

34.493

34.454

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

250.736

603.072

601.092

560.198

559.025

559.321

Apparaat Kerndepartement

95

33.909

68.440

71.662

71.645

70.986

66.592

Overig

95

  • 4.692
  • 10.123
  • 15.155
  • 10.214
  • 12.644

0

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

 

2.211.680

3.426.962

3.974.508

4.824.030

4.267.455

4.428.305

Fonds onderzoek en wetenschap

De investeringen in het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek worden deels gefinancierd uit het fonds voor Onderzoek en Wetenschap (investering van in totaal € 5,0 miljard voor de komende 10 jaar) en deels uit de structurele reeks voor vervolgopleidingen/onderzoek (uiteindelijk € 700,0 miljoen per jaar structureel). In ons stelsel is er een aantal knelpunten die een structurele investering in de basis van instellingen vergen. Die worden vanuit de structurele reeks gefinancierd. De knelpunten worden aangepakt met de incidentele middelen uit het fonds voor Onderzoek en Wetenschap.

Met de instrumenten vanuit het fonds wordt ingezet op incidentele investeringen die ook na tien jaar effect hebben. Dit zijn effecten als talentontwikkeling, netwerkvorming, onderzoeksfaciliteiten en het aanjagen van transities. Zo levert onderzoekstalent dat zich dankzij de open competitie of starters- en stimuleringsbeurzen verder ontwikkelt, ook na afloop van de financiële impuls een bijdrage aan het verhogen van de kwaliteit en de impact van hoger onderwijs en onderzoek. Netwerken die een impuls krijgen zijn ook voor de langere termijn relevant. Voorbeelden zijn consortia in de open competitie, praktijkgericht onderzoek en Europese projecten (gefaciliteerd door matching Horizon Europe en Europese partnerschappen). Onderzoeksfaciliteiten voor fundamenteel en toegepast onderzoek, die ook vanuit het fonds een impuls krijgen, zijn vaak een magneet voor talent en voor nieuwe samenwerkingsverbanden. Deze onderzoeksfaciliteiten gaan bijna altijd meer dan tien jaar mee, waarbij de onderzoeksinstellingen zich bovendien committeren om de operationele kosten op zich te nemen nadat de initiële impuls voor de ontwikkelings- en bouwfase is afgelopen. Om te borgen dat het fonds op de korte en lange termijn effect heeft en om de samenhang tussen de instrumenten te optimaliseren, zijn doeltreffendheid, doelmatigheid, monitoring, evaluatie en bijsturing van belang. Er zal daarom een monitoring- en evaluatieplanning worden ontwikkeld om meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het fonds. Dit is onderdeel van de nog te ontwikkelen Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het fonds. De evaluaties worden zo ingepland dat zij passen bij de kennisbehoefte en bij reeds bekende beslismomenten in de beleidscyclus. De SEA wordt jaarlijks geactualiseerd.

 

Tabel 14 Fonds voor Onderzoek en Wetenschap (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Starters- en stimuleringsbeurzen

7

50.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

Praktijkgericht onderzoek

6,16

15.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Roadmap grootschalige wetenschappelijke infrastructuur

16

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Strategische agenda toegepast onderzoek faciliteiten

EZK

2.500

86.500

30.500

85.500

39.600

92.000

40.000

69.500

33.500

20.600

Matching Horizon Europe

EZK

0

75.000

75.000

75.000

75.000

75.000

75.000

75.000

0

0

Open Competitie

16

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

Toponderzoek

16

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Kennisveilgheid en sociale veiligheid

7,16

3.600

12.700

9.400

9.700

9.700

8.700

8.700

8.700

8.700

8.700

Europese Partnerschappen

16, EZK

14.500

50.000

57.500

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

0

0

Open Science

16

4.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

 

Artikel

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Practoraten

4

0

1.900

2.900

2.600

2.600

3.600

3.600

3.600

3.600

3.600

Uit te werken voorstellen1

diverse

0

0

0

0

0

0

0

0

10.100

116.900

Uitvoering, monitoring, verantwoording, evaluatie

6,7,16,

EZK

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

6.420

Totaal

 

226.020

576.520

525.720

573.220

527.320

579.720

527.720

557.220

406.320

500.220 5.000.000

1 Anders dan in de beleidsbrief Hoger Onderwijs en Wetenschap van 17 juni 2022 is deze reeks gelijk aan de reeks zoals achtergebleven op de aanvullende post van het ministerie van financiën.

2.3 Openbaarheidsparagraaf

Deze paragraaf bevat de beleidsvoornemens van het Ministerie van OCW voor de uitvoering van de Wet open overheid (Woo) en een transparante overheid. We werken aan bestuurlijke transparantie door de toegang tot overheidsinformatie voor iedereen te vergroten ten behoeve van een goed en democratisch bestuur. De beleidsvoornemens zijn uitgesplist naar de actieve openbaarmaking, de passieve openbaarmaking en de verbetering van de informatiehuishouding. Voor de implementatie en uitvoering van de Woo is het komende jaar € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld. Voor de verbetering van de informatiehuishouding is dat € 7,6 miljoen.

Het ministerie zet in op een integrale benadering. Openbaarheid en transparantie zijn namelijk niet los te zien van de organisatie, de medewerkers en de processen. Samen met aanpalende onderwerpen, zoals ambtelijk vakmanschap en vermogen en Werk aan Uitvoering, is dit ondergebracht bij het programma OCW Open. Het programma is ingericht om bij te dragen aan het verstevigen van het vertrouwen van de samenleving in het handelen van de overheid. OCW Open werkt aan een ministerie dat open, in onderling vertrouwen, rechtvaardig en vanuit de inhoudelijke doelen werkt.

Actieve openbaarmaking

De Woo verplicht het ministerie om overheidsinformatie uit eigen beweging openbaar te maken. Het gaat om een resultaatsverplichting om bepaalde informatiecategorieën bij ontvangst of opstellen binnen een bepaalde termijn actief openbaar te maken en om een inspanningsplicht om andere overheidsinformatie openbaar te maken. De inspanningsplicht geldt sinds 1 mei 2022. De resultaatsverplichting treedt gefaseerd in werking en is afhankelijk van de realisatie van het Platform Open Overheidsinformatie (PLOOI), waar alle geopenbaarde informatie op gepubliceerd moet worden.

Acht van de dertien informatiecategorieën die het ministerie straks onder de Woo actief openbaar moet maken, maakt het ministerie nu al uit eigen beweging openbaar. Het gaat dan onder meer om ontwerpen van algemeen verbindende voorschriften, bepaalde adviezen en onderzoeksrapporten en de inhoud van informatieverzoeken. De inspanningen zijn nu gericht op de technische aansluiting op PLOOI en het herijken van processen binnen het ministerie, opdat ontvangen en opgestelde documenten die onder de actieve openbaarmakingsverplichting vallen, straks tijdig worden gepubliceerd op PLOOI.

In het kader van de inlichtingenplicht aan het parlement worden sinds 1 juli 2021, op basis van de rijksbrede beleidslijn actieve openbaarmaking nota's, bij Kamerbrieven over beleidsvorming en wetgeving de beslisnota's aan bewindspersonen actief openbaar gemaakt. Vanaf Prinsjesdag 2022 geldt dat bij alle Kamerbrieven. Hiertoe worden bestaande processen, rollen en handreikingen binnen het ministerie bijgewerkt.

Passieve openbaarmaking

De Woo geeft eenieder het recht om het ministerie te verzoeken om overheidsinformatie openbaar te maken. De wet stelt regels over de afhandeling daarvan. Het gaat dan onder meer over de inhoud en vorm van de beslissing, de termijn waarbinnen die genomen moet worden en de wijze van informatieverstrekking.

Binnen het OCW-concern zijn afgelopen periode zowel (ICT-)technische, organisatorische als personele maatregelen doorgevoerd om de afhandeling van informatieverzoeken te versnellen. Er wordt waar mogelijk digitale ondersteuning geboden vanuit (oriëntatie op) tooling ten aanzien van het vinden van de juiste documenten en de juridische beoordeling ervan, in aansluiting op het document management systeem. Hier vindt nog verdere doorontwikkeling plaats. Er is tevens ingezet op het ontwikkelen en verbeteren van zowel het proces als het centrale team, resulterend in (goeddeels) gecentraliseerde coördinatie vanuit het kerndepartement. Ook binnen de dienstonderdelen zijn aanpassingen gedaan voor versnelling van het proces, bijvoorbeeld bij DUO door het aanstellen van interne aanspreekpunten en een klankbordgroep Woo.

De ambitie is om verzoeken altijd tijdig af te handelen, dus conform de wettelijke termijn dan wel binnen een met de verzoeker afgesproken termijn. De uitvoering wordt actief gemonitord; de cijfers over de afhandeling worden sinds al geruime tijd gepubliceerd in de Rapportage Burgervragen van het ministerie.

Het ministerie hecht veel waarde aan passend contact met de overheid.

Het was al gangbare praktijk binnen het ministerie dat er laagdrempelig contact bestond met verzoekers en betrokken derden. Met de komst van de Woo is deze werkpraktijk mede geformaliseerd met de komst van een contactpersoon ter beantwoording van vragen over de beschikbaarheid van overheidsinformatie, bij ieder onderdeel ten minste één.

Verbetering van de informatiehuishouding

Het op orde brengen van onze informatiehuishouding is noodzakelijk voor het openbaar maken en verstrekken van overheidsinformatie. De informatiehuishouding omvat de opslag, het beheer en de verstrekking van gegevens binnen de organisatie. Door op de juiste wijze gegevens op te slaan en te archiveren kan iedereen (publiek, pers en politiek) goed en volledig worden voorzien van documenten en correspondentie die inzicht geven in ons handelen en onze afwegingen. Hiertoe is een departementaal verbeterplan opgesteld. De beleidsvoornemens hierin zijn ingericht langs de vier actielijnen van het generieke actieplan «Open op Orde».

Informatieprofessionals

Deze actielijn is gericht op het versterken van het professioneel informatiebeheer. We investeren in kennis en capaciteit van de informatieprofessionals die het informatiebeheer bij de organisatie inrichten en uitvoeren.

De ondersteuning aan collega's bij beleid en uitvoering wordt uitgebreid. Tegelijk helpen we alle medewerkers met tools en trainingen om de eigen vaardigheden te verbeteren. We faciliteren leidinggevenden om medewerkers hierin te begeleiden en het goede voorbeeld te geven.

Informatiesystemen

Deze actielijn beoogt de informatiesystemen toegankelijker en gebruikersvriendelijker te maken. We zorgen ervoor dat de informatiesystemen die we inzetten ons ondersteunen in plaats van belemmeren, door ze gebruiksvriendelijker te maken en slimme technieken in te zetten. Technische oplossingen voor het veiligstellen en archiveren van berichtenapps, e-mailberichten, sociale media en websites van het ministerie zijn reeds ontwikkeld en worden ingeregeld.

Informatievolume

Deze actielijn behelst het verkrijgen van meer grip op de toegenomen hoeveelheid en aard van informatie. We maken actief inzichtelijk welke informatie het ministerie heeft, wat bewaard moet blijven en wat we moeten vernietigen. Dit geldt niet alleen voor traditionele tekstdocumenten, maar ook voor andere vormen van digitale informatie, zoals e-mail, sociale media en websites.

Bestuur en naleving

De laatste actielijn ziet toe op het goed besturen en naleven van de kwaliteit van de informatiehuishouding. We ontwikkelen instrumenten voor een heldere sturing op de informatiehuishouding opdat verantwoording kan worden afgelegd aan zowel de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed als aan burgers, bedrijven, parlement en journalisten. Een voorbeeld hiervan zijn de nul- en vervolgmetingen van de informatiehuishouding op basis waarvan het verbeterplan geactualiseerd kan worden.

2.4 Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatieagenda (SEA) is een belangrijk middel om evaluaties strategischer te plannen en beter in te bedden in de beleidscyclus. Deze vierde strategische evaluatieagenda van het Ministerie van OCW licht opnieuw een aantal strategische evaluaties uit, dat wil zeggen evaluaties van programma's en evaluaties die budgettair of politiek-bestuurlijk van groot belang zijn of grote impact hebben op de ontwikkeling van het veld. Ook de zogeheten periodieke rapportages, ofwel synthese-studies waarin het onderzoek wordt verzameld dat binnen een thema wordt verricht, maken onderdeel uit van de SEA.

Waar de SEA in de voorgaande jaren nog sectoraal was ingericht, zijn dit jaar de SEA en de beleidsagenda zoveel mogelijk met elkaar in lijn gebracht. Niet alle onderwerpen uit de beleidsagenda hebben al een uitwerking gekregen in de SEA. Dit hangt samen met het feit dat een deel van het beleid uit het coalitieakkoord en daarmee ook de programmering van evaluaties, nog moet worden uitgewerkt. Volgend jaar zal de SEA nog meer dekkend zijn.

Daarnaast komt een aantal onderwerpen terug in bijlage 5 met het overzicht van alle geplande onderzoeken. Bijlage 5 biedt een overzicht van de strategische evaluatieprogrammering per beleidsdomein: het onderzoek binnen een beleidsdomein is geordend langs een aantal voor dat domein strategische thema's. De evaluatieprogrammering laat per beleidsdomein zien welke evaluatieonderzoeken er lopen, hoe die voortkomen uit bepaalde kennisbehoeften, en hoe wordt bijgedragen aan de ambities binnen de strategische thema's.

De evaluatieprogrammering in de bijlage vormt de basis van de strategische evaluaties die in de hoofdtekst van SEA worden uitgelicht. De resultaten van deze onderzoeken worden over een termijn van vier tot zeven jaar bij elkaar gebracht in synthese-studies per thema (de zogeheten periodieke rapportages), die leiden tot samenvattende uitspraken over de publieke waarde of maatschappelijke impact, de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid en het budget.

De SEA en evaluatieprogrammeringen worden elk jaar geactualiseerd, op basis van een inventarisatie van lopend en voorgenomen evaluatieonderzoek.

Sinds het Ministerie van OCW is begonnen met de SEA-systematiek, in 2019, zijn de volgende strategische evaluaties afgerond:

  • • 
    toereikendheid en doelmatigheid bekostiging primair en voortgezet onderwijs (2020);
  • • 
    passend onderwijs (2020);
  • • 
    sectorakkoorden primair en voortgezet onderwijs (2020);
  • • 
    doorlichting nieuwe stijl hoger onderwijs (2019);
  • • 
    doorlichting nieuwe stijl studiefinanciering (2020);
  • • 
    toereikendheid bekostiging mbo, hbo en wo&o (2021);
  • • 
    werken met Allianties (2021);
  • • 
    wetenschapsbeleid (2021);
  • • 
    strategische evaluatie lerarenbeleid (deel 1 in 2021, deel 2 in 2022);
  • • 
    wet op het onderwijstoezicht (2022).

Strategische evaluaties Thema's

COVID-19

  • 1. 
    Een sterke basis en hoge kwaliteit
  • 2. 
    Iedereen gelijke kansen
  • 3. 
    Aanpak van personeelstekorten in het onderwijs
  • 4. 
    Een gezonde arbeidsmarkt
  • 5. 
    Sociale veiligheid en gelijke behandeling
  • 6. 
    Herstel, vernieuwing en groei in de culturele en creatieve sector 7 Versterking van het lokale en landelijke medialandschap

COVID-19

Evaluatie en monitoring Nationaal Programma Onderwijs funderend onderwijs

Ex durante en ex post

2021-2025

Primair en voortgezet onderwijs Via artikel 3

De inspanningen van onderwijspersoneel, leerlingen en ouders hebben niet kunnen voorkomen dat de coronapandemie gevolgen heeft gehad voor de leerprestaties en ontwikkeling van leerlingen. Daarom heeft het kabinet in februari 2021 besloten om extra in het onderwijs te investeren met het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs). Met het NP Onderwijs is € 5,8 miljard beschikbaar voor het funderend onderwijs tot en met schooljaar 2024/2025. Hoofddoel van deze investering is het herstellen van de door pandemie veroorzaakte vertragingen bij leerlingen. Het geld is ook bedoeld om de negatieve effecten van de pandemie op de kansengelijkheid van leerlingen tegen te gaan.

Om zicht te houden op de besteding van de middelen en de bereikte resultaten, is een monitoring- en evaluatieprogramma ingericht. Met dit programma wordt op stelselniveau bekeken of het alle scholen en gemeenten in voldoende mate lukt om uitvoering te geven aan het programma en wat het (ervaren) effect van die inspanningen is. In de onderstaande alinea's wordt de opzet van dit programma nader toegelicht.

  • 1) 
    Implementatiemonitor

De implementatiemonitor richt zich op de uitvoering van het NP Onderwijs door scholen en gemeenten. Welke interventies kiezen zij en welk proces doorlopen zij daarbij? Hoe verloopt de uitvoering van de interventies en welke knelpunten komen scholen en gemeenten tegen? Voor de implementatiemonitor wordt minimaal één keer per jaar een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder schoolleiders en gemeenten. Ook worden verschillende focusgroepen en casestudies met leraren, schoolleiders en leerlingen georganiseerd, primair bedoeld om een beter beeld te krijgen van de situatie op scholen.

  • 2) 
    Resultaatmonitor

De middelen uit het NP Onderwijs hebben als doel om leerlingen na de pandemie weer zo snel mogelijk op niveau te brengen. De resultaatmonitor brengt daarom de ontwikkeling van leerlingen tijdens de looptijd van het NP Onderwijs in beeld. Daarvoor wordt gekeken naar het schoolse leren (basisvaardigheden), de executieve functies, het welbevinden en de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Ook wordt bekeken of de impact van de pandemie verschilt tussen groepen leerlingen, scholen en leergebieden. Voor de resultaatmonitor wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reeds bestaande gegevens. Te denken valt aan gegevens van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) over de leerprestaties en schoolloopbanen van leerlingen en gegevens uit het leerlingvolgsysteem, zoals het Nationaal Cohort Onderzoek (NCO).

  • 3) 
    Effectiviteitsmeting

De variatie en hoeveelheid aan interventies die scholen kiezen is groot. Dit maakt het lastig om de effecten van interventies in beeld te brengen. Daarom maakt een effectiviteitsmeting deel uit van de monitoring en evaluatie van het NP Onderwijs. Tijdens de effectiviteitsmeting wordt met aselecte toewijzing aan interventie- en controlegroepen onderzocht wat de effectiviteit is van veelbelovende interventies. Het onderzoek start in het schooljaar 2022/2023 met een tweejarige pilot, waarmee het effect van High Dosage Tutoring op vier scholen voor voortgezet onderwijs wordt onderzocht. Het onderzoek naar de overige kansrijke interventies start in het schooljaar 2023/2024.

Evaluatie en monitoring Nationaal Programma Onderwijs mbo en ho

Ex durante en ex post

2021- 2023

Middelbaar beroepsonderwijs Artikel 4

Het NP Onderwijs bestaat uit maatregelen gericht op het aanpakken van onderwijsachterstanden, extra ondersteuning en inhaalmogelijkheden, en intensivering van de begeleiding van leerlingen en studenten. De ambitie is om de door corona ontstane achterstanden op het gebied van kwalificatie, persoonsvorming en socialisatie, maar ook op het gebied van stages in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) grotendeels te hebben weggewerkt. Het NP Onderwijs wordt gemonitord via diverse instrumenten. De implementatiemonitor geeft inzicht in hoe de implementatie van het NP Onderwijs bij scholen en gemeenten verloopt. Daarnaast wordt onder meer in de macromonitor gekeken naar de effectiviteit van interventies die gekozen zijn, ondersteuningsbehoeften van scholen, uitvoe-ringsproblematiek, ervaren brede opbrengsten en hoe de lessen en inzichten duurzaam kunnen worden geborgd. Ook studentenwelzijn is een thema binnen het NP Onderwijs en de monitoring.

Evaluatie specifieke corona steunmaatregelen cultuur

Ex post en ex ante

2022- 2023 Cultuur Artikel 14

In 2020, 2021 en 2022 is een aantal specifieke steunpakketten voor de culturele sector uitgevoerd voor een totaalbedrag van bijna € 2,0 miljard. Deze steunpakketten zullen na afloop (najaar 2022 - eerste kwartaal 2023) worden geëvalueerd, zoveel mogelijk aan de hand van reeds beschikbare informatie (verantwoordingsgegevens, CBS-statistieken, brancheonderzoeken). Ook zal de relatie worden gelegd met de effecten van de generieke steunmaatregelen voor de sector.

  • 1. 
    Een sterke basis en hoge kwaliteit Onderwijskwaliteit primair en voortgezet onderwijs

Ex ante, ex durante en ex post 2022 -

Primair en voortgezet onderwijs Artikel 1 en 3

Het thema onderwijskwaliteit heeft een aantal subthema's. Binnen deze subthema's wordt evaluatieonderzoek zoveel mogelijk in samenhang geprogrammeerd:

  • 1. 
    basisvaardigheden: de maatregelen gericht op het verbeteren van basisvaardigheden;
  • 2. 
    ondersteuning van scholen: de ondersteuning die scholen kunnen krijgen om hun kwaliteit te verhogen;
  • 3. 
    curriculum: zie hieronder voor een uitwerking;
  • 4. 
    professionalisering: de mogelijkheden tot professionalisering die leraren krijgen om zich te verbeteren op het lesgeven in basisvaardigheden;
  • 5. 
    sturing op onderwijskwaliteit: in 2022 wordt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uitgevoerd dat kansrijke opties voor sturing door de Rijksoverheid in kaart zal brengen.

Curriculumbijstelling

Ex ante, ex durante en ex post

2020-2023

Primair, voortgezet en speciaal (voortgezet) onderwijs Artikel 1 en 3

Sinds enkele jaren wordt gewerkt aan het bijstellen van het curriculum in het primair en voortgezet onderwijs. Bij het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) wordt een meerjarig onderzoeksprogramma opgezet om de voortgang en resultaten van de curriculumbijstelling nauwgezet te volgen en te evalueren, evenals de reflectie hierop vanuit de onderwijspraktijk. Het doel hiervan is dat dit periodiek informatie oplevert waarmee het proces kan worden bijgestuurd. Het monitoringsonderzoek levert tevens inzichten op die benut kunnen worden bij de vormgeving van de voorgenomen periodieke herijking van het curriculum.

De vraagstelling is meerledig. Wat kunnen we leren van de manier waarop het proces verloopt, met het oog op de invoering en op het vormgeven van processen van curriculumbijstelling in de toekomst? Hoe ontwikkelt het draagvlak zich voor deze herziening? Wat heeft het onderwijsveld nodig om de vernieuwde doelen succesvol in de praktijk te brengen? Ook zal worden onderzocht hoe de bijstelling van de kerndoelen bijdraagt aan overkoepelende doelstellingen van de curriculumbijstelling. De bijstelling van de examenprogramma's (bovenbouw voortgezet onderwijs) kent een eigen fasering met variabele doorlooptijden per examenprogramma. Daarom zal deze bijstelling beperkt kunnen worden meegenomen in de meerjarige monitoring.

De opzet van het onderzoeksprogramma voor de curriculumbijstelling bevat twee lijnen. De eerste lijn is een verkennende studie van implementatie strategieën van curriculumbijstellingen (do's en don'ts) met het oog op de invoeringsfase van bijgestelde kerndoelen en eindtermen (overzichts-studie). De tweede lijn is gericht op monitoring van het verloop en de resultaten van de verschillende fases van het vervolgproces (ontwikkel-, pilots- en implementatiefases) en de wijze waarop vooral leraren en schoolleiders daarbij betrokken zijn.

Kwaliteitsafspraken mbo

Ex post

2019-2022

2023-2027

Middelbaar beroepsonderwijs Artikel 4

Met de Regeling kwaliteitsafspraken 2019-2022 zijn mbo-instellingen gestimuleerd de onderwijskwaliteit te verbeteren. Aan de hand van een kwaliteitsplan hebben instellingen gewerkt aan de verbetering van opleidingen en aansluiting bij de arbeidsmarkt, professionalisering van onderwijsteams, en het onderwijsaanbod voor Leven Lang Ontwikkelen. Daarvoor ontvangen zij een investeringsbudget dat resultaatafhankelijk is. De uitvoering en effecten zijn gevolgd en iedere twee jaar gerapporteerd. In 2023 vindt de eindevaluatie plaats door de Commissie Kwaliteitsafspraken MBO op basis van de jaarverslagen van de instellingen. In de eindrapportage wordt ook aandacht besteed aan de vraag of deze wijze van instrumentatie leidt tot effectieve en doelmatige aanpak van de verdere verbetering van de onderwijskwaliteit.

Er zullen ook voor de komende periode kwaliteitsafspraken met de sector worden gemaakt. Daarin worden de bevindingen tot nu toe meegenomen. In de evaluatie van de nieuwe afspraken zal wat betreft de evaluatie van het instrument ook de wijze van samenwerking en verantwoording (horizontaal) richting partners meegenomen worden. De kwaliteitsafspraken sluiten aan bij de speerpunten van een brede werkagenda die het Ministerie van OCW samen met de mbo-sector opstelt. De uitvoering van de werkagenda en de realisatie van de ambities zullen integraal worden gemonitord.

Stelselrapportages hoger onderwijs en wetenschap

Ex durante en ex post 2022-2023

Hoger onderwijs en wetenschapsbeleid Artikel 6, 7 en 16

Voor het hoger onderwijs wordt in 2023 een stelselrapportage gepubliceerd waarin de stand van zaken wordt opgemaakt overde hoofddoelen van het beleid: de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het hoger onderwijs. Deze stelselrapportage gaat dus over verschillende thema's van de beleidsagenda, naast kwaliteit ook kansengelijkheid, arbeidsmarktdy-namiek, en welzijn en sociale veiligheid. Voor de wetenschap wordt onder meer gebruik gemaakt van de Balans van de Wetenschap van het Rathenau Instituut om het functioneren van het stelsel in beeld te brengen. Waar de stelselrapportage en de publicaties van het Rathenau Instituut het stelsel over de volle breedte monitoren, wil het Ministerie van OCW nadere focus aanbrengen door de drie hoofddoelen en een aantal subthema's in de SEA-agenda 2022-2026 op te nemen:

  • a. 
    een gezond en sterk fundament: ruimte voor ongebonden onderzoek, profilering en samenwerking en herintroductie basisbeurs;
  • b. 
    ruimte geven aan divers talent: sociale veiligheid, studentenwelzijn en werkdruk van medewerkers;
  • c. 
    bijdragen aan de maatschappelijke uitdagingen van nu en de toekomst: in relatie tot onder meer tekortsectoren en vitale regio's.

Evaluatie Fonds voor Onderzoek en Wetenschap

Ex ante, ex durante en ex post 2022-2031

Hoger onderwijs, Onderzoek en wetenschapsbeleid Artikel 6, 7 en 16

Het kabinet investeert om het hele stelsel van hoger onderwijs en onderzoek te verbeteren, rust en ruimte te bieden en de impact te vergroten, bovenop het al bestaande beleid en de wettelijke waarborgen die zorgen voor een kwalitatief goed onderwijs- en onderzoekstelsel.

De investeringen in het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek worden deels gefinancierd uit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap (investering van in totaal € 5,0 miljard voor de komende 10 jaar) en deels uit de structurele reeks voor vervolgopleidingen/onderzoek (uiteindelijk € 700,0 miljoen per jaar structureel). Voor het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap zal er een monitoring- en evaluatieplanning worden ontwikkeld om meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het fonds.

  • 2. 
    Iedereen gelijke kansen Evaluatie Kansengelijkheidsbeleid

Ex post en ex ante 2023

Primair en voortgezet onderwijs Artikel 1 en 3

Het vergroten van kansengelijkheid is een belangrijke ambitie van dit kabinet. Het kabinet neemt daarom maatregelen om te komen tot een eerlijker stelsel en om ontwikkelingskansen te bieden aan alle leerlingen. Om te zien of deze maatregelen samen inderdaad effectief zijn en leiden tot meer kansen voor kinderen, wordt in de eerste helft van 2023 een review-studie uitgevoerd. In dit syntheseonderzoek worden de belangrijkste uitkomsten en inzichten uit eerder uitgevoerde monitors en evaluaties op een rij gezet. Dit levert een beeld op over de effectiviteit van het gevoerde beleid. Daarnaast geeft de analyse aanknopingspunten voor nieuw te ontwikkelen beleid, en voor bijsturing op bestaand beleid.

Kansengelijkheid MBO

Ex durante en ex post 2022-2026

Middelbaar beroepsonderwijs Artikel 4

Een belangrijk thema binnen het beleid de komende periode is gericht op het vergroten van de doorstroom naar de arbeidsmarkt en van de arbeidsmarktpositie van gediplomeerde mbo-studenten, waarbij hun kapitaal (financieel, sociaal, cultureel) minder van invloed mag zijn op hun succes. Datzelfde geldt voor de doorstroom in het onderwijs. Ook wordt ingezet op burgerschapsvaardigheden, sociale veiligheid, gelijke behandeling en het bestrijden van stagediscriminatie. De effecten van deze inzet worden gevolgd en geëvalueerd via een nog op te zetten monitor en evaluatiepro-gramma Kansengelijkheid MBO.

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) monitoringsprogramma Onderwijsachterstandenbeleid (OAB)

Ex durante en ex post 2018-2025 Primair onderwijs Artikel 1

Het kabinet heeft structureel € 170,0 miljoen extra uitgetrokken om de kwaliteit en kwantiteit van de voorschoolse educatie (ve) te verhogen: het aanbod voor peuters met een risico op een onderwijsachterstand wordt uitgebreid van 10 naar 16 uur per week. Ook krijgt de kwaliteit van de ve een impuls door de inzet van extra personeel op hbo-niveau vanaf 2022. In totaal ontvangen gemeenten € 520,0 miljoen voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

Daarnaast zijn er middelen voor het basisonderwijs beschikbaar gesteld voor het verminderen van onderwijsachterstanden. Scholen krijgen structureel circa € 332,0 miljoen per jaar. De middelen voor zowel scholen als gemeenten worden vanaf 2019 verdeeld op basis van een nieuwe indicator die door het CBS is ontwikkeld. Er is een breed monitorings- en beleidsevaluatieprogramma opgesteld, om zowel de implementatie van het beleid als de beoogde effecten in de praktijk te onderzoeken. Het programma loopt van 2018 tot 2025 en bestaat uit verschillende onderzoeken.

Een belangrijk onderzoek betreft het «implementatie- en bestedingson-derzoek gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid». Het implementatie-onderzoek geeft aan de hand van herhaalde metingen een landelijk dekkend beeld van de implementatie van de maatregelen (urenuitbreiding en inzet hbo'er) door gemeenten en houders/kindercentra. Het bestedingson-derzoek brengt tweemaal in beeld hoe gemeenten en aanbieders van kinderopvang de middelen voor onderwijsachterstandenbeleid inzetten. In 2024 zal een evaluatie plaatsvinden van de huidige uitkeringsvorm aan gemeenten (specifieke uitkering). Een tweede belangrijk onderzoek betreft «EVENING», een quasi-experimenteel onderzoek naar de effecten van de hierboven geschetste maatregelen (urenuitbreiding ve en inzet van hbo-opgeleid personeel). Zien we nu dat daardoor de kwaliteit van ve omhoog gaat en ontwikkelen doelgroeppeuters zich daardoor beter? Oftewel: vergroten de extra investeringen in ve de kansengelijkheid?

In 2019 werd de «gewichtenregeling» vervangen door een nieuwe manier om de rijksmiddelen voor onderwijsachterstanden te verdelen onder basisscholen en gemeenten. In de nieuwe werkwijze baseert het Ministerie van OCW zich op de CBS-indicator voor onderwijsachterstanden. Deze indicator wordt in 2025 herijkt. Als laatste maakt een Research&Development (R&D)-programma deel uit van het onderzoeksprogramma. Het R&D-programma omvat een kennisdelingscomponent om bestaande en nieuwe kennis over effectief onderwijsachterstandenbeleid beter ingang te doen hebben in de onderwijspraktijk. Daarnaast wordt een onderzoek gedaan naar wat voor beleid scholen voeren om onderwijsachterstanden tegen te gaan, en welke redeneerlijnen daaraan ten grondslag liggen ("OAB in de school").

Monitoring verbetermaatregelen passend onderwijs primair en voortgezet onderwijs

Ex durante en ex post

2021- 2027

Primair en voortgezet onderwijs Artikel 1 en 3

In 2020 is het passend onderwijsbeleid geëvalueerd en aangescherpt, en is samen met het onderwijsveld een Verbeteraanpak passend onderwijs opgesteld (Kamerstukken II 2020/21,31497, nr. 371). Naast de uitvoering van de Verbeteraanpak passend onderwijs zal een meerjarig monitoring- en evaluatieprogramma lopen, met als doel de voortgang te volgen, samen met het onderwijsveld periodiek te evalueren, en waar nodig beleid en uitvoering bij te sturen. De hoofdvragen van het meerjarige programma zijn:

  • 1. 
    wat is de voortgang op de 7 doelstellingen van passend onderwijs;
  • 2. 
    (a) hoe verloopt de uitvoering van de diverse maatregelen;

(b)    in hoeverre zijn de maatregelen effectief;

(c)    in hoeverre dragen de verbetermaatregelen bij aan het realiseren van de doelstellingen van passend onderwijs;

  • 3. 
    in welke mate is het stelsel van (passend) funderend onderwijs, dat is ingevoerd in 2014 en aangescherpt in 2020, geschikt is voor de ontwikkeling van inclusiever onderwijs?

Het onderzoek verloopt over drie sporen:

  • 1. 
    een jaarlijkse monitor van 2022 tot en met 2026 naar de zeven doelstellingen van passend onderwijs;
  • 2. 
    tussentijdse evaluatieve onderzoeken naar de voortgang, werking en doeltreffendheid van de beleidsmaatregelen uit de verbeteraanpak;
  • 3. 
    een onafhankelijke evaluatie van de verbeteraanpak in 2027, waarin ook wordt gekeken naar de mate waarin het stelsel voor het funderend onderwijs kan bijdragen aan het komen tot inclusiever onderwijs.

Passend onderwijs mbo

Ex durante en ex post

2022- 2026

Middelbaar beroepsonderwijs Artikel 4

Het Ministerie van OCW wil de ontwikkeling van passend onderwijs blijven monitoren, evenals de ontwikkeling op de vier terreinen van de verbeter-agenda passend onderwijs mbo. Deze monitor wordt uitgevoerd in 2022, 2024 en 2026. De terreinen van de verbeteragenda zijn:

  • • 
    de intake van aspirant-studenten en betrokkenheid van hun ouders;
  • • 
    de kwaliteit van ondersteuning door onderwijsteams;
  • • 
    de samenwerking tussen mbo, jeugdhulp en volwassenenzorg;
  • • 
    de begeleiding bij stage en eerste stappen op de arbeidsmarkt.

Om de kwaliteit van de ondersteuning van onderwijsteams te verhogen (thema 2), komt er een «Werkplaats Onderwijsonderzoek Differentiëren binnen het mbo» (NRO). Deze werkplaats heeft als doel om onderwijsteams te helpen bij de vraag hoe zij zo goed mogelijk kunnen inspelen op de ondersteuningsbehoeften van studenten in het mbo. Deze werkplaats loopt tot en met 2026. De opbrengsten van deze werkplaats zullen begin 2026 worden geëvalueerd.

  • 3. 
    Lerarenbeleid Evaluatie onderwijspersoneel

Ex ante, ex durante en ex post 2022 -

Primair, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs Artikel 1, 3, 4 en 9

De evaluatieprogrammering richt zich op drie subthema's:

  • 1. 
    duurzame onderwijsmarkt: hieronder vallen zowel de monitors en prognoses van de onderwijsarbeidsmarkt als de evaluaties van de maatregelen die worden genomen om de tekorten in het onderwijs terug te dringen;
  • 2. 
    strategisch personeelsbeleid en aantrekkelijkheid beroep: hieronder vallen salarismaatregelen, verlagen van de werkdruk, en het bevorderen van strategisch personeelsbeleid op scholen;
  • 3. 
    opleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel: hieronder vallen maatregelen gericht op de opleiding en de professionele ontwikkeling van onderwijspersoneel.

De evaluatieprogrammering is zowel gericht op de monitoring van ontwikkelingen op het vlak van onderwijspersoneel, als op het effect van maatregelen.

  • 4. 
    Een gezonde arbeidsmarkt

NRO-programma Doelmatige leerwegen en kwalificatiestructuur mbo

Ex durante en ex post 2016-2021

Middelbaar beroepsonderwijs Artikel 4

Momenteel zijn twee belangrijke beleidsinterventies in het mbo aan de orde: de inwerkingtreding van de wet «Doelmatige leerwegen» en de herziening van de kwalificatiestructuur. Sinds de wet «Doelmatige leerwegen» is ingegaan zijn onderwijsinstellingen verplicht jongeren direct op het juiste niveau van een mbo-opleiding in te schrijven. Ook worden mbo-opleidingen ingekort. Algemeen doel van de tweede beleidsinter-ventie, de herziene kwalificatiestructuur, is het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Met deze meerjarige evaluatie worden de voorgang van de implementatie, en de beoogde en onbedoelde effecten in beeld gebracht. Dit gebeurt via drie deelprojecten:

  • 1. 
    de implementatiemonitor volgt de implementatie van de beleidsmaatregelen op de verschillende niveaus aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve data;
  • 2. 
    de effectevaluatie kijkt vooral naar de kwantitatieve effecten van het beleid (implementatie-effecten en outcome) aan de hand van beschikbare, bestaande databestanden en eigen dataverzameling;
  • 3. 
    in de verklarende evaluatie wordt naar een verklaring gezocht voor optredende (gewenste en ongewenste) effecten. De eindrapportage van het programma wordt eind 2022 verwacht.
  • 5. 
    Sociale veiligheid en gelijke behandeling Monitoring sociale veiligheid mbo en ho

Ex durante 2023 en verder

Middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs Artikel 4, 6 en 7

Voor het mbo wordt de Monitor Integrale Veiligheid MBO ontwikkeld. De monitor start in 2023 en is als het ware een peilstok in de veiligheidssituatie van mbo-instellingen. De monitor geeft een geïntegreerd beeld van zowel de fysieke veiligheid, de sociale veiligheid en de digitale (of online) veiligheid, voor het gehele mbo en op het niveau van individuele instellingen. Fysieke veiligheid gaat over het verkleinen van de kans dat iemand slachtoffer wordt van een ongeval of incident. Sociale veiligheid gaat over de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende al bestaande gegevensbronnen om studenten, medewerkers en instellingen niet teveel te belasten. Die informatie zal worden aangevuld met verdiepende groepsinterviews/focusgroepen.

Sociale veiligheid is een cruciale randvoorwaarde in hoger onderwijs en onderzoek. Hogescholen en universiteiten hebben de ambitie dat studenten en medewerkers zich te allen tijde veilig kunnen voelen in hun studie en op hun werkplek. Een veilige en inclusieve leer- en werkomgeving waarin iedereen zich vrij kan uiten en ontplooien draagt bij aan de kwaliteit van hoger onderwijs en onderzoek en aan het kunnen aantrekken en behouden van studenten en onderzoektalent. In het hoger onderwijs gaan instellingen zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen Universiteiten van Nederland en Vereniging Hogescholen de resultaten geaggregeerd op sectorniveau beschikbaar aan de minister.

Evaluatie naar mainstreamen emancipatiebeleid

Ex ante 2023

Emancipatie Artikel 25

De Rijksoverheid heeft als doel om inclusief beleid te maken, ook op het gebied van gendergelijkheid en lhbtiq+-emancipatie. Het Ministerie van OCW zet zich in om andere departementen en directies hierin te ondersteunen en scherp te houden (zogeheten gender- en lhbtiq+-mainstreaming). Met deze evaluatie wordt gekeken naar;

  • • 
    dat wat er bekend is over mainstreaming als beleidsinzet;
  • • 
    naar wat andere departementen en directies nodig hebben om aan mainstreaming te doen (Waar lopen ze tegenaan? Wat wordt als probleem ervaren?);
  • • 
    naar factoren die bijdragen aan een optimale impact van mainstreaming als beleidsinstrument.

Vragen hierbij zijn:

  • • 
    wat is bekend over effectief mainstreamen in de literatuur;
  • • 
    hoe ervaren andere departementen en directies de inzet van emancipatie op mainstreaming en waar liggen nog kansen;
  • • 
    op basis daarvan: wat zijn factoren voor succesvolle mainstreaming en wat zijn aanknopingspunten voor verbetering?
  • 6. 
    Herstel, vernieuwing en groei culturele en creatieve sector Beleidsdoorlichting cultuur (deel 1 en 2)

Ex post en ex ante 2022-2023 Cultuur Artikel 14

In 2022 vindt een beleidsdoorlichting van artikel 14 (Cultuur) plaats. De doorlichting bestaat uit twee onderdelen: een onderdeel erfgoed, onder de noemer «Behoud,beheer en toegankelijkheid van erfgoed», en een onderdeel deelname aan cultuur onder de noemer «Cultuur van en voor iedereen». Deze onderdelen omvatten vrijwel het gehele artikel 14. Het onderdeel erfgoed omvat onder meer de evaluatie van de Erfgoedwet. De evaluatie richt zich op de staat van het erfgoed in Nederland en op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de instrumenten. Het onderzoek binnen het onderdeel cultuur van en voor iedereen evalueert de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten die worden ingezet voor de toegankelijkheid en het bereik van cultuur in de periode 2001-2020. Er wordt onder meer gekeken naar directe en indirecte subsidies en programma's en regelingen voor deelname aan cultuur.

  • 7. 
    Versterking van het lokale en landelijke medialandschap Beleidsdoorlichting media

Ex post en ex ante 2022 Media Artikel 15

Het Kabinet ontwikkelt een visie op het mediastelsel voor de komende concessieperiode (met ingang van 2027). De al geplande doorlichting media zal enerzijds een evaluatie van het mediabeleid zijn vanaf 2014 en anderzijds worden benut om de visie verder uit te werken. Daarmee wordt ook vorm gegeven aan een toezegging aan de Eerste Kamer om een onderzoek te doen naar «duurzame versterking van de publieke omroep, zowel wettelijk als financieel, en gelet op het internationale krachtenveld».

 

Tabel 15 Strategische Evaluatie Agenda1-2-3-4

 

Thema

Type    Afronding onderzoek

Toelichting onderzoek

Begrotings artikel

COVID-19

Ex durante en 2021-2025 ex post

Evaluatie en monitoring Nationaal Programma Onderwijs

Artikel 3

 

Ex durante en 2021-2023 ex post

Evaluatie en monitoring Nationaal Programma Onderwijs mbo en ho

Artikel 4

 

Ex post en ex 2022-2023 ante

Evaluatie specifieke corona steunmaatregelen cultuur

Artikel 14

Een sterke basis en hoge kwaliteit

Ex ante, ex    2022 -

durante en ex post

Onderwijskwaliteit primair en voortgezet onderwijs

Artikel 1 en 3

 

Ex ante, ex    2020-2023

durante en ex post

Curriculumbijstelling

Artikel 1 en 3

 

Ex post    2019-2022

2023-2027

Kwaliteitsafspraken mbo

Artikel 4

 

Ex durante en 2022-2023 ex post

Stelselrapportages hoger onderwijs en wetenschap

Artikel 6, 7 en 16

 

Ex ante, ex    2022 - 2031

durante en ex post

Evaluatie Fonds voor Onderzoek en Wetenschap

Artikel 6, 7 en 16

Iedereen gelijke kansen

Ex post en ex 2023 ante

Evaluatie Kansengelijkheidsbeleid

Artikel 1 en 3

 

Ex durante en 2022-2026 ex post

Kansengelijkheid MBO

Artikel 4

 

Ex durante en 2018-2025 ex post

NRO monitoringsprogramma Onderwijsachterstandenbeleid (OAB)

Artikel 1

 

Ex durante en 2021-2027 ex post

Monitoring verbetermaatregelen passend onderwijs primair en voortgezet onderwijs

Artikel 1 en 3

 

Ex durante en 2022-2026 ex post

Passend onderwijs mbo

Artikel 4

Lerarenbeleid

Ex ante, ex    2022 -

durante en ex post

Evaluatie onderwijspersoneel

Artikel 1,3,

4 en 9

Een gezonde arbeidsmarkt

Ex durante en 2016-2021 ex post

NRO-programma Doelmatige leerwegen en kwalificatiestructuur mbo

Artikel 4

Sociale veiligheid en gelijke behandeling

Ex durante    2023 en verder

Monitoring sociale veiligheid mbo en ho

Artikel 4, 6, 7

 

Ex ante    2023

Evaluatie naar mainstreamen emancipatiebeleid

Artikel 25

Herstel, vernieuwing en groei culturele en creatieve sector

Ex post en ex 2022-2023 ante

Beleidsdoorlichting cultuur (deel 1 en 2)

Artikel 14

Versterking van het lokale en landelijke medialandschap

Ex post en ex 2022 ante

Beleidsdoorlichting media

Artikel 15

1    Voor nadere toelichting zie de voorafgaande uitwerking.

2    Zie ook bijlage 5: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda.

3    Zie ook Tabel Realisatie Strategische Evaluatieagenda uit het Jaarverslag 2021.

4    Zie ook www.rijksfinanciën.nl waar een interactieve versie van de SEA is opgenomen.

2.5 Overzicht risicoregelingen

 

Tabel 16 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art. Omschrijving

Uitstaande garanties

2021

Geraamd te verlenen 2022

Geraamd te Uitstaande vervallen    garanties

2022 2022

Geraamd te verlenen 2023

Geraamd te vervallen 2023

Uitstaande garanties

2023

Garantie plafond

Totaal plafond

7 Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

125.794

0

0    125.794

0

0

125.794

-

176.631

14 Indemniteitsregeling

246.313

232.614

323.117    155.810

0

0

155.810

-

300.000

Toelichting

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 worden geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst. Er wordt momenteel verkend of eventuele ophoging van de indemniteitsregeling naar een plafond van € 450 miljoen mogelijk is per 1 januari 2023. Dit proces verloopt conform het beleidskader risicoregelingen.

Tabel 17 Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Artikel    Omschrijving    2020    2021    2022

14 Achterborgstelling    350,9    379,9    376,7

Toelichting

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaald.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de Achterborg.

2.6 Overzicht coronamaatregelen

De jaren 2020, 2021 en 2022 zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het Ministerie van OCW zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/ overheidsfinancien-coronatijd.

 

Tabel 18 Coronamaatregelen op de OCW-begroting (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving maatregel

2021

2022    2023    2024    2025    2026

2027 Vindplaats

15

Tijdelijk Steunfonds Lokale

Informatievoorziening

5.247

 

(Kamerstukken II 2020/21,35716, nr. 2)

14

Tweede cultuurpakket

248.406

 

(Kamerstukken II 2020/21,32820, nr. 400)

14

Extra steun voor de culturele en creatieve sector

24.000

 

(Kamerstukken II 2020/21,35735, nr. 2)

14

Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

10.000

 

(Kamerstukken II 2020/21,35776, nr. 2)

14

Vierde steunpakket cultuur

69.990

 

(Kamerstukken II 2020/21,35850 VIII, nr. 2)

14

Boekenvak

20.000

  • 8.229

(Kamerstukken II 2020/21,35877, nr.2)

14

Ongeplaceerde evenementen

49.000

 

(Kamerstukken II 2021/22, 35941, nr.2), (Kamerstukken II 2021/22, 35964, nr.2)

11

Compensatie studenten mbo en ho

159.870

 

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

1,3,4

Extra hulp voor de klas

210.000

 

(Kamerstukken II 2020/21,35570 VIII, nr. 123)

4

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

49.408

22.482    9.646    3.836

(Kamerstukken II 2020/21,35682, nr. 2), Kamerstukken II 2021/22, 36120 VIII, nr.

2

6, 7

Coronabanen in het hoger onderwijs1

14.201

 

(Kamerstukken II 2020/21,35682, nr. 2)

1

Extra apparaten voor onderwijs op afstand po en vo

15.000

 

(Kamerstukken II 2020/21,35696, nr. 1)

3

Examens vo

45.182

51.449

(Kamerstukken II 2020/21,35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2)

diverse

NPO maatregelen2

3.025.561

3.803.107 1.294.047    52.473    50.174    40.000

25.000 (Kamerstukken II 2020/21,35570 VIII, nr. 185)

4

Projectskills en scholingsmogelijkheden

996

333

(Kamerstukken II 2020/21,35850 VIII, nr. 2)

14

Cultuursteun en suppletieregeling

 

259.342

(Kamerstukken II 2021/22, 36005 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36024 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36082 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 35925 VIII, nr. 122)

1,3

Ventilatie

 

83.585    76.415

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2), (Kamerstukken 2021/22, 36082 VIII, nr. 2)

1,3,4,6,7

Zelftesten

20.914

52.758    50.000

(Kamerstukken II 2020/21,35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2020/21,35806, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2)

 

Totaal

3.967.775 4.264.827 1.430.108    56.309    50.174    40.000

25.000

1    Hiervoor werd initieel € 20,0 miljoen overgemaakt. Uiteindelijk is € 15,2 miljoen uitgeput.

2    Zowel voor po, vo als mbo geldt dat niet het volledige bedrag is uitgegeven op de inhaal- en ondersteuningsprogramma's. Totaal is er € 72,0 miljoen teruggestort naar

het Ministerie van Financiën.

  • 3. 
    Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Primair onderwijs

A.    Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het primair onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 19 Kengetallen

 

Kengetal

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021'

1 Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit %

 

0,08%

0,09%

0,10%

0,12%

0,12%

0,11%

zonder passend onderwijsaanbod2    Aantallen

 

1.197

1.396

1.525

1.771

1.751

1.677

2 Aandeel leerlingen dat de referentie niveaus lezen, taal en rekenen Lezen4

1F

98%

97%

98%

98%

n.v.t.

97%'

haalt3

2F

76%

67%

75%

78%

n.v.t.

76%

Taalverzorging

1F

96%

96%

96%

97%

n.v.t.

95%

 

2F

56%

57%

59%

60%

n.v.t.

57%

Rekenen

1F

92%

93%

93%

94%

n.v.t.

90%

 

1S

44%

48%

49%

47%

n.v.t.

44%

3 Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd6

 

78%

81%

80%

87%

87%

87%

4 Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt7

 

97%

-

97%

-

n.v.t.

98%

1    Door discrepantie in de normering zijn de referentieniveaus voor schooljaren 2018-2019 en 2020-2021 niet volledig vergelijkbaar over de gehele linie heen. Dit betekent niet dat de referentieniveaus onbruikbaar zijn geworden, maar wees voorzichtig in het gebruik van deze data.

2    Bron: Rapportage leerplichtwet. De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats. De cijfers bestaan uit po en (v)so. Ten opzichte van voorgaande jaren zijn er twee dingen anders in 2021, waardoor de cijfers lastig te vergelijken zijn: Drie gemeenten zijn overgestapt op een ander systeem, die cijfers worden niet meer meegenomen en vanwege COVID-19 zijn de verzuimcijfers anders. Tijdens schoolsluiting in voorjaar waren scholen immers niet verplicht om verzuimmeldingen door te geven aan gemeenten.

3    Bron: 2016: College voor Toetsen en Examens (CvTE). De opgenomen cijfers betreffen het in de CvTE-rapportage 2016-2017 opgenomen bijgestelde aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015-2016. Dit is het eerste schooljaar met verplichte rapportage. 2017 en 2018: Kamerstukken II 2018/2019, 31293, nr. 422. De opgenomen cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2016-2017 (bijgesteld t.o.v. CvTE-rapportage 2016-2017) en in schooljaar 2017-2018. 2019: DUO. Deze cijfers betreffen schooljaar 2018-2019. De kengetallen op de referentieniveaus worden gebaseerd op de eindtoetsgegevens. De eindtoets is vanwege de scholensluiting door COVID-19 niet afgenomen, dus er zijn geen cijfers voor 2020.

4    De cijfers voor Lezen van 2017 verschillen met eerder gepubliceerde cijfers. Dit is te wijten aan het verschil in bronnen. In eerdere jaren is namelijk alleen naar de Centrale Eindtoets gekeken (die toen nog door het overgrote deel van de leerlingen werd gemaakt) en daarna is gewisseld naar alle eindtoetsen (aangezien inmiddels de helft van de leerlingen een andere eindtoets maakt dan de Centrale Eindtoets).

5    Bron: Percentages berekend door DUO op basis van open onderwijsdata.

6    Bron: Loopbaanmonitor 2021, Begeleiding van startende leraren, 2021. De cijfers hebben betrekking op de selectie van beginnende leraren, uit het cohort 2015 - 2020.

7    Bron: Praktikon monitor naar Sociale Veiligheid. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten, maar de monitor sociale veiligheid heeft in 2020 niet plaatsgevonden in verband met COVID-19 en de schoolsluiting.

Tabel 20 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1.000)1-1 2

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Leerlingen basisonderwijs

1.370,8

1.359,3

1.348,3

1.342,3

1.346,5

1.350,9

1.359,5

Leerlingen trekkende bevolking3

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1.371,2

1.359,6

1.348,7

1.342,7

1.346,9

1.351,2

1.359,9

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

35,4

35,2

34,9

34,8

34,7

34,7

34,8

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

71,6

72,7

74,1

75,5

76,7

77,7

78,5

Totaal PO

1.478,2

1.467,5

1.457,8

1.452,9

1.458,2

1.463,6

1.473,1

1    Tabel o.b.v. het aantal leerlingen op 1 oktober 2021.

2    Bron: Jaarverslag OCW 2021 en Referentieraming 2022.

3    Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

Er zijn twee tabellen: de gebruikelijke tabel op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober (tabel 20) en vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging 2023 een nieuwe tabel (tabel 21) op basis van het aantal leerlingen op 1 februari. Deze aantallen zijn gebaseerd op de Referentieraming 2022.

In verband met de vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs per 2023 zal 1 februari voortaan de teldatum voor de bekostiging zijn. Deze tabel zal op den duur de 1 oktober tabel vervangen.

 

Tabel 21 Leerlingen primair onderwijs (aantallen

x 1.000)1-2

         
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Leerlingen basisonderwijs

 

1.421,3

1.409,7

1.398,3

1.392,1

1.396,4

1.400,9

Leerlingen trekkende bevolking3

 

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

 

37,0

36,8

36,6

36,4

36,3

36,4

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

 

73,3

74,8

76,3

77,7

78,9

79,9

Totaal PO

 

1.532,1

1.521,6

1.511,5

1.506,5

1.512,0

1.517,6

1    Tabel o.b.v. het aantal leerlingen op 1 februari 2022.

2    Bron: Jaarverslag OCW 2021 en Referentieraming 2022.

3    Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

Tabel 22 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)1

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Primair onderwijs2

9,0

10,7

10,4

9,7

9,7

9,6

9,6

Bekostiging3

8,3

9,9

9,5

9,0

9,0

9,0

9,0

Exclusief ondersteuningsmiddelen4

6,9

8,4

8,0

7,5

7,5

7,5

7,5

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van primair onderwijs (po) worden beschreven bij het onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 23 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 1 (bedragen x € 1.000)

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

14.333.769

15.982.534

14.369.835

14.236.536

14.176.098

14.154.722

14.190.554

 

Uitgaven

13.308.561

15.779.767

15.192.716

14.158.661

14.166.703

14.144.640

14.179.443

 

Bekostiging

12.293.701

14.562.566

13.894.957

13.126.017

13.140.867

13.130.309

13.157.259

Bekostiging po-instellingen

11.391.680

13.036.507

12.927.456

12.841.381

12.856.010

12.845.504

12.872.454

Bekostiging Caribisch Nederland

23.566

28.557

25.982

26.112

26.333

26.333

26.333

Prestatiebox

252.850

0

0

0

0

0

0

Aanvullende bekostiging

14.634

160.319

212.819

226.919

226.919

226.867

226.867

Aanpak lerarentekort G5

30.660

31.605

31.605

31.605

31.605

31.605

31.605

Aanvullende bekostiging NP Onderwijs

580.311

1.305.578

697.095

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

384.356

258.608

331.344

400.421

395.671

389.204

391.190

Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.400

24.473

24.473

24.473

24.473

24.473

24.473

Nederlands onderwijs buitenland

12.095

13.909

13.739

13.739

13.739

13.739

13.739

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

13.479

15.981

16.525

17.071

17.071

17.071

17.071

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

74.455

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

201.838

0

0

0

0

0

0

School en omgeving

0

34.000

56.700

56.700

56.700

56.700

56.700

Basisvaardigheden

0

104.495

155.643

224.766

221.053

214.169

215.181

Nationaal Groeifonds

0

0

3.988

7.056

6.154

4.085

750

Overige subsidies

59.089

65.750

60.276

56.616

56.481

58.967

63.276

Opdrachten

7.456

36.960

49.833

28.696

29.030

25.970

25.853

Opdrachten

5.299

26.960

39.833

28.696

29.030

25.970

25.853

Zelftesten

2.157

10.000

10.000

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

37.899

40.942

36.595

36.993

37.505

39.662

39.509

Dienst Uitvoering Onderwijs

37.899

40.942

36.595

36.993

37.505

39.662

39.509

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

15.732

11.146

13.846

11.036

8.111

8.111

8.111

Stichting Vervangingsfonds en

Particpatiefonds

13.672

8.502

11.202

8.392

5.467

5.467

5.467

UWV

2.060

2.644

2.644

2.644

2.644

2.644

2.644

Bijdrage aan medeoverheden

569.417

869.545

865.947

555.304

555.325

551.190

544.666

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

520.716

536.651

536.653

536.651

536.651

536.651

536.651

Caribisch Nederland

6.573

17.424

22.317

15.564

15.585

11.450

4.926

Scholenprogramma Groningen

3.000

3.089

3.089

3.089

3.089

3.089

3.089

Nationaal Programma Onderwijs

39.128

93.897

54.773

0

0

0

0

Ventilatie in scholen

0

63.585

76.415

0

0

0

0

SPUK vve Oekraïne

0

0

13.700

0

0

0

0

SPUK huisvesting noodlocaties PO

0

154.899

159.000

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

194

194

194

194

12.855

Brede scholen

0

0

194

194

194

194

12.855

Ontvangsten

37.634

14.808

9.208

9.208

9.208

9.208

9.208

Uitsplitsing verplichtingen

Verplichtingen

14.333.769

15.982.534

14.369.835

14.236.536

14.176.098

14.154.722

14.190.554

waarvan garantieverplichtingen

4.086

22.981

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

14.329.683

15.959.553

14.369.835

14.236.536

14.176.098

14.154.722

14.190.554

 

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 24 Geschatte budgetflexibiliteit

juridisch verplicht

99,7%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0,2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,1%

 

Van het totale budget voor artikel 1 is voor 2023 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben onder meer betrekking op de lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet op expertisecentra, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2023 is voor 92,8 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 47,4 procent juridisch verplicht. Het gaat hierbij om diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de uitvoeringskosten voor subsidieregelingen. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2023 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget in 2023 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2023 is 99,8 procent juridisch verplicht. Dit betreft onder meer de specifieke uitkeringen naar gemeenten in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB), het Nationaal Programma Onderwijs en de huisvesting voor onderwijs aan leerlingen uit Oekraïne.

E. Toelichting op de financiële instrumenten Bekostiging

Bekostiging po-instellingen

Per 1 januari 2023 wordt de nieuwe vereenvoudigde bekostiging in het primair onderwijs van kracht. De systematiek is onder andere vereenvoudigd door het reduceren van het aantal indicatoren en volledige kalen-derjaarbekostiging.

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor personeel en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen. Daarnaast wordt via de groeibekostiging en kleine scholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school.

Met de groeibekostiging is circa € 40,0 miljoen gemoeid en met de kleine scholentoeslag circa € 150,0 miljoen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid ((speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) waar circa € 430,0 miljoen mee is gemoeid.

Voor de aanpak van werkdruk is in kalenderjaar 2023 circa € 380,0 miljoen beschikbaar, waarvan circa € 20,0 miljoen uit de middelen van het coalitieakkoord (voor schooljaar 2023/2024 circa € 28,0 miljoen). Daarnaast is met de middelen vanuit het coalitieakkoord het Onderwijsakkoord «Samen voor het beste onderwijs» afgesloten. Daarmee is voor kalenderjaar 2023 circa € 419,0 miljoen voor het dichten van de loonkloof beschikbaar gekomen, circa € 65,0 miljoen voor 16 uur professionaliseringsruimte van docenten, circa € 19,0 miljoen voor de positie van schoolleiders (voor schooljaar 2023/2024 circa € 35,0 miljoen) en tenslotte circa € 30,0 miljoen voor het voortzetten van de arbeidsmarkttoelage uit het Nationaal Programma Onderwijs (voor schooljaar 2023/2024 circa € 73,0 miljoen).

In onderstaande tabel is het verloop van de ondersteuningsmiddelen opgenomen (gecorrigeed voor de leerlingaantallen), die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en waarvanuit middelen rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van passend onderwijs besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

De tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

Tabel 25 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)

 
 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Lichte ondersteuning -Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

490

485

480

480

480

480

Zware ondersteuning - cluster

1 en 2

340

340

340

340

340

340

Zware ondersteuning -samenwerkingsverbanden primair onderwijs

725

710

700

695

690

690

Zware ondersteuning -samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs1

735

735

735

730

720

715

Lichte en zware ondersteuning -Totaal artikel 1

2.290

2.270

2.255

2.245

2.230

2.225

1 Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan en is

inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd

voor onderwijs in gesloten jeugdzorg en justitiële inrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. De vereenvoudiging van de bekostiging in het primair onderwijs geldt ook voor Caribisch Nederland. Ook het deel voor het Nationaal Programma Onderwijs voor po is geraamd onder deze regel.

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. Voor kalenderjaar 2023 is in totaal circa € 212,8 miljoen aan aanvullende bekostiging beschikbaar. Daarvan is vanuit het coalitieakkoord circa € 52,5 miljoen beschikbaar voor het versterken van de infrastructuur voor basisvaardigheden. Verder is € 14,0 miljoen beschikbaar om onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen (verder) te ontwikkelen. Tot slot is circa € 146,3 miljoen specifiek beschikbaar voor de verdere professionalisering van het personeel en de begeleiding van startende leraren en schoolleiders.

Aanpak tekorten G5

Naast de aanvullende bekostiging ontvangen de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere middelen voor de aanpak van het lerarentekort.

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs Alle scholen ontvangen aanvullende bekostiging voor de inzet van gekozen bewezen effectieve interventies om de door corona opgelopen vertragingen te herstellen. Ook zijn er middelen beschikbaar voor een arbeidsmarkt-toelage. De scholen met de hoogste achterstanden op basis van de CBS-indicator en de cumi-indicator komen in aanmerking voor deze arbeidsmarkttoelage. De arbeidsmarkttoelage krijgt na schooljaar 2022/2023 een structureel vervolg uit de middelen die beschikbaar zijn gesteld in het onderwijsakkoord.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de bijlage subsidies).

Verbetering basisvaardigheden

Te veel leerlingen verlaten het funderend onderwijs zonder goede beheersing van de basisvaardigheden, zoals taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. Met het Masterplan Basisvaardigheden worden scholen bij de ontwikkeling van deze vaardigheden ondersteund. Vooruitlopend op het ontwikkelen van een structureel instrument is er voor schooljaar 2022/2023 en een gedeelte van schooljaar 2023/2024 budget en ondersteuning mogelijk via een subsidieregeling. Voor 2023 is hiervoor circa € 155,6 miljoen beschikbaar.

School en omgeving

Elke leerling verdient het om zijn talenten en vaardigheden in de volle breedte te ontwikkelen. Om voor zoveel mogelijk leerlingen een zo kwalitatief goed mogelijk programma van activiteiten rond de school te bieden is er een subsidieregeling. Voor het programma School en omgeving is er voor 2023 € 56,7 miljoen beschikbaar voor zowel scholen in het primair als in het voortgezet onderwijs.

Overige subsidies

De grootste subsidies zijn verder de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten (circa € 24,5 miljoen), de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland (circa € 13,7 miljoen) en de Regeling subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (circa € 16,5 miljoen).

Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor bewegingsonderwijs, voor onderwijs aan zieke leerlingen en voor het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroeg-schoolse educatie (vve) en uitvoeringskosten van subsidieregelingen. Ook is er voor 2023 budget gereserveerd voor de inzet van zelftesten en om uitvoering te geven aan de maatregelen uit het coalitieakkoord.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor Artikel 1 (primair onderwijs).

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

De stichtingen Vervangingsfonds (VF) en Participatiefonds (PF) ontvangen als privaatrechtelijke ZBO's middelen voor het beheren en verevenen van respectievelijk de vervangings- en werkloosheidsuitgaven van schoolbesturen in het primair onderwijs. De kosten die het VF en PF vergoeden worden nagenoeg geheel gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het Ministerie van OCW verstrekt een (vaste) bijdrage in de kosten van het ondersteunende bureau van de fondsen.

Het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder vve, schakelklassen en zomerscholen.

Caribisch Nederland

Naast de GOAB-middelen voor gemeenten bevat dit financiële instrument middelen die worden ingezet voor het OCW-beleid in Caribisch Nederland. Dat behelst onder meer het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. In 2023 gaat het om een bedrag van circa € 22,3 miljoen aflopend naar circa € 5,0 miljoen in 2027

Scholenprogramma Groningen

Voor het scholenprogramma Groningen is er tot en met 2034 vanuit het Ministerie van OCW jaarlijks circa € 3,0 miljoen beschikbaar om 101 scholen aardbevingsbestendig en toekomstbestendig te maken.

Nationaal Programma Onderwijs

Gemeenten ontvangen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs middelen voor aanvullende interventies voor leerlingen. Gemeenten nemen een centrale rol in bij het bevorderen van het samenwerken of het bieden van ondersteuning op scholen. Denk hierbij aan terreinen waar de gemeente nu al een verantwoordelijkheid heeft: de bestrijding van onderwijsachterstanden, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp, sociaal werk of de vve. Voor 2023 is er vanuit het Ministerie van OCW circa € 54,7 miljoen beschikbaar om hierin te voorzien.

Ventilatie in scholen

Er blijft een gerichte aanpak nodig voor het verbeteren van de ventilatie in scholen. Daarom wordt er een maatwerkoplossing geboden middels de Maatwerkregeling ventilatie. Hiervoor is in totaal voor 2022 en 2023 € 140,0 miljoen beschikbaar. Schoolbesturen ontvangen uit deze regeling maximaal 60% financiering vanuit het Rijk voor de meest urgente gevallen, ten behoeve van ventilatiemaatregelen en flankerend energiebesparende maatregelen.

Specifieke uitkering vve Oekraïne

Oekraïense kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar krijgen nu nog geen onderwijs, maar zullen naar alle waarschijnlijkheid wel met een taalachterstand het onderwijs instromen. Om dit te voorkomen ontvangen gemeenten extra middelen voor het organiseren van voorschoolse educatie aan deze doelgroep. Voor 2023 is er vanuit het ministerie van OCW circa € 13,7 miljoen beschikbaar om hierin te voorzien.

Specifieke uitkering huisvesting noodlocaties PO Om de duizenden Oekraïnse kinderen die naar Nederland zijn gekomen onderwijs te geven is er extra schoolruimte nodig. Voor 2023 is er vanuit het ministerie van OCW circa € 159,0 miljoen beschikbaar gesteld om hierin voor het primair onderwijs te voorzien. Het plan is om de middelen via een Specifieke uitkering aan gemeenten te verstrekken.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Brede scholen

Er worden structurele middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatie-functies» via een Specifieke uitkering bij het Ministerie van VWS. Voor 2023 tot en met 2026 is reeds circa € 12,7 miljoen per jaar overgeboekt naar VWS. Vanuit artikel 14 (Cultuur) wordt ook een bijdrage geleverd van circa € 1,1 miljoen per jaar; dit maakt de totale bijdrage van het Ministerie van OCW circa € 13,8 miljoen. Het doel van deze impuls is om onder andere sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen te versterken.

3.2 Artikel 3. Voortgezet onderwijs

A.    Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 26 Kengetallen    1

Kengetal

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1 Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie

%

0,19%

0,19%

0,18%

0,19%

0,18%

0,15%

of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

Aantallen

1.873

1.853

1.828

1.912

1.755

1.420

2 Aandeel zittenblijvers2

 

5,15%

5,40%

5,71%

5,91%

3,32%

5,97%

3 Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren3

 

95,20%

95,70%

95,90%

96,00%

96,40%

nntb4

4 Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd5

 

93%

90%

86%

86%

89%

90%

5 Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt6

 

95%

-

97%

-

n.v.t.

98%

6 Aantal vsv'ers7

 

22.953

23.744

25.666

26.894

22.785

24.385

7 Meer leerlingen doen eindexamen in vakken op hoger niveau8

 

0,96%

1,20%

1,54%

1,80%

 

1,58%

1    Bron: Rapportage leerplichtwet. Het betreft het aantal leerlingen dat 3 of meer maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan. De cijfers bestaan uit het vo en zijn exclusief voortgezet speciaal onderwijs (vso). De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats. Ten opzichte van voorgaande jaren zijn er twee dingen anders in 2020 waardoor de cijfers lastig te vergelijken zijn. Drie gemeenten zijn overgestapt op een ander systeem, die cijfers worden niet meer meegenomen en vanwege COVID-19 zijn de verzuimcijfers anders. Tijdens de schoolsluiting in het voorjaar waren scholen immers niet verplicht om verzuimmeldingen door te geven aan gemeenten.

2    Bron: DUO. Er zijn minder zittenblijvers in 2020 dan in voorgaande jaren omdat veel scholen soepel zijn omgegaan met de overgangsregeling vanwege corona. Ook heeft er een correctie in de berekening van het aantal zittenblijvers plaatsgevonden. De doorstroom naar een niet-bekostigde mbo instelling wordt nu namelijk ook gerekend tot de categorie 'naar mbo'. Hierdoor wijken de percentages zittenblijvers in deze begroting iets af van de percentages in eerdere versies. Verder zijn nieuwkomers, net als in 2019, niet meegenomen in de berekening van het aantal zittenblijvers.

3    Bron: IPTO: vakken en bevoegdheden in het vo, peildatum 1 oktober 2019, CenterData, december 2020.

4    De gegevens over 2021 zijn pas beschikbaar in oktober 2022.

5    Bron: Loopbaanmonitor 2020. Begeleiding van beginnende leraren, 2020. Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd. Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector en er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar. Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector.

6    Bron: Praktikon monitor naar Sociale Veiligheid. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten, maar de monitor sociale veiligheid heeft in 2020 niet plaatsgevonden in verband met COVID-19 en de schoolsluiting.

7    Bron: DUO. Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv'ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

8    Bron: DUO, Examenmonitor 2019. Dit kengetal heette voorheen 'Meer studenten volgen vakken op hoger niveau'. In 2020 is de Examenmonitor aangepast vanwege het schrappen van de eindexamens en ontbreekt informatie over het aantal leerlingen dat eindexamen doet in vakken op een hoger niveau.

 

Tabel 27 Leerlingen voortgezet onderwijs (aantallen x 1.000)1

         
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

1 Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000). Nader te verdelen

in:

934,2

939,2

942,4

937,8

930,0

922,6

913,2

vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-2

377,8

379,2

377,9

371,8

362,7

360,2

359,0

vmbo leerjaar 3-4

184,6

185,7

188,4

188,6

187,7

184,1

178,9

havo/vwo leerjaar 3

91,6

93,5

95,0

94,5

94,6

92,3

91,1

havo/vwo vanaf leerjaar 4

246,0

245,6

245,1

246,7

248,7

249,6

247,7

pro alle jaren

29,6

29,8

30,0

30,1

30,1

30,1

30,2

vavo vo

4,6

5,4

6,0

6,1

6,1

6,2

6,3

2 Totaal aantal scholen

648

648

648

648

648

648

648

3 Gemiddeld aantal leerlingen per

school

1442

1449

1454

1447

1435

1424

1409

1 Bron: Referentieraming 2020

Tabel 28 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.

000)

         
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Voortgezet onderwijs1

10,7

11,8

11,8

11,3

11,3

11,3

11,4

Bekostiging2

10,3

11,1

10,9

10,5

10,5

10,6

10,6

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

9,5

10,3

10,1

9,7

9,7

9,7

9,8

1    De totale uitgaven uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO's/RWT's, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingaantallen.

2    De bekostiging uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingenaantallen.

3    De bekostiging uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel ondersteuningsmiddelen, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingaantallen.

C.    Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van voortgezet onderwijs (vo) worden beschreven bij het onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten.

D.    Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 29 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 3 (bedragen x € 1.000)

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

10.858.044

11.861.443

10.540.967

10.678.034

10.647.874

10.591.256

10.504.001

 

Uitgaven

10.076.767

11.226.644

11.189.294

10.684.334

10.650.733

10.589.672

10.507.501

 

Bekostiging

9.643.928

10.407.821

10.270.945

9.830.521

9.793.099

9.736.263

9.695.185

Bekostiging vo-instellingen

8.812.231

9.627.852

9.502.339

9.674.117

9.636.698

9.584.612

9.543.534

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv aan vo-instellingen

16.820

18.057

18.057

18.057

18.057

18.057

18.057

Bekostiging Caribisch Nederland

20.640

24.512

20.900

20.620

20.617

20.617

20.617

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

109.923

113.187

113.187

113.187

113.187

112.977

112.977

Aanvullende regelingen leerlingendaling

4.513

4.540

4.540

4.540

4.540

0

0

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

679.801

619.673

611.922

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

275.846

354.096

556.309

675.211

673.800

668.439

630.774

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

21.240

22.524

24.625

30.251

23.117

23.117

23.117

Pilots lente- en zomerscholen vo

4.704

13.039

9.267

9.267

9.267

9.482

9.482

Nieuwe leerweg

8.944

9.519

10.241

0

0

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

69.795

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

112.001

0

0

0

0

0

0

Regeling Heterogene brugklassen

0

101.799

21.250

55.500

55.500

55.500

55.500

Basisvaardigheden

0

118.255

176.138

254.365

250.162

242.371

243.517

Nationaal Groeifonds

0

310

6.984

15.439

14.027

7.291

750

Maatschappelijke diensttijd

0

0

203.392

203.702

203.703

203.704

203.705

Overige subsidies

59.162

88.650

104.412

106.687

118.024

126.974

94.703

Opdrachten

12.174

39.848

54.580

64.662

69.929

67.946

64.675

Opdrachten

8.128

29.848

44.580

64.662

69.929

67.946

64.675

Zelftesten

4.046

10.000

10.000

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

65.074

70.859

64.494

65.038

65.003

68.122

67.865

Dienst Uitvoering Onderwijs

65.074

70.859

64.494

65.038

65.003

68.122

67.865

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

54.532

62.413

48.651

48.606

48.606

48.606

48.706

College voor Toetsen en Examens

11.553

17.437

4.573

4.528

4.528

4.528

4.628

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen

42.979

44.976

44.078

44.078

44.078

44.078

44.078

Bijdrage aan medeoverheden

25.016

291.311

194.019

0

0

0

0

Nationaal Programma Onderwijs

25.016

60.032

35.019

0

0

0

0

SPUK huisvesting noodlocaties VO

0

231.279

159.000

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

197

296

296

296

296

296

296

GRAZ (ECML) en PISA

197

296

296

296

296

296

296

Ontvangsten

7.152

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

 

Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

10.858.044

11.861.443

10.540.967

10.678.034

10.647.874

10.591.256

10.504.001

waarvan garantieverplichtingen

51.912

  • 2.747

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

10.806.132

11.864.190

10.540.967

10.678.034

10.647.874

10.591.256

10.504.001

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 30 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

96,7%

bestuurlijk gebonden

3,3%

beleidsmatig gereserveerd

0,01%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 3 is voor 2023 96,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2023 30,4 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden beschikt. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2023 is 27,0 procent juridisch verplicht. Hier valt onder meer de regionale begeleiding sterk techniekonderwijs onder. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van onvoldoende en (zeer) zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de specifieke uitkeringen naar gemeenten in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs en de huisvesting voor onderwijs aan leerlingen uit Oekraïne.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2023 is nog niet juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget snel juridisch wordt verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Bekostiging vo-instellingen

Vanaf 1 januari 2022 is de nieuwe vereenvoudigde bekostiging in het voortgezet onderwijs van kracht. Schoolbesturen in het voortgezet onderwijs (vo) ontvangen van het Rijk een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. Vanaf 2022 is de basisbekostiging gebaseerd op het aantal vestigingen en het aantal leerlingen. Naast de basisbekostiging zijn er drie nieuwe aanvullende regelingen. Er zijn extra bijdragen voor leerlingen in de gemengde leerweg van het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), voor vestigingen met een breed onderwijsaanbod en voor geïsoleerde vestigingen. Daarnaast wordt in de bekostiging rekening gehouden met bepaalde groepen leerlingen (leerplus, eerste opvang nieuwkomers en Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO)) en de regeling functiemix VO Randstadregio's vanwege randstedelijke problematiek. Met het leerplusarrangement is € 53,7 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers € 99,3 miljoen, met de functiemix VO Randstad-regio's € 70,8 miljoen en met IGVO € 8,2 miljoen. Voor de regeling sterk techniekonderwijs wordt in 2022 € 86,5 miljoen verstrekt.

Onder het instrument bekostiging vallen ook € 53,0 miljoen voor 16 uur professionaliseringsruimte van docenten in het vo, € 300,0 miljoen werkdrukmiddelen en € 79,0 miljoen voor de arbeidsmarkttoelage, zoals geregeld in het Onderwijsakkoord.

Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In de onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

 

Tabel 31 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)

 

2023

2024

2025

2026

2027

Lichte ondersteuning lwoo/pro

658

658

658

658

658

Regionale ondersteuning

102

102

102

102

102

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

760

760

760

760

760

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ook het deel voor het Nationaal Programma Onderwijs voor zowel vo als mbo is geraamd onder deze regel.

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

Scholen in het vo ontvangen middelen voor het verbeteren van strategisch personeelsbeleid, de begeleiding van startende leraren en schoolleiders, en het aanpakken van verzuim.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

VO-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie).

Aanvullende regeling leerlingendaling

Scholen ontvangen middelen om een meerjarig plan voor het toekomstbe-stendig maken van het onderwijsaanbod in de regio uit te voeren.

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs Alle scholen ontvangen aanvullende bekostiging voor de inzet van gekozen bewezen effectieve interventies om de door corona opgelopen vertragingen te herstellen. Ook zijn er middelen beschikbaar voor een arbeidsmarkt-toelage. De scholen met de hoogste achterstanden op basis van de indicator achterstanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) komen in aanmerking voor deze arbeidsmarkttoelage. De arbeidsmarkttoelage krijgt na schooljaar 2022/2023 een structureel vervolg uit de middelen die beschikbaar zijn gesteld in het onderwijsakkoord.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de bijlage subsidies).

Verbetering basisvaardigheden

Te veel leerlingen verlaten het funderend onderwijs zonder goede beheersing van de basisvaardigheden, zoals taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. Met het Masterplan Basisvaardigheden worden scholen bij de ontwikkeling van deze vaardigheden ondersteund. Vooruitlopend op het ontwikkelen van een structureel instrument is er voor schooljaar 2022/2023 en een gedeelte van schooljaar 2023/2024 budget en ondersteuning mogelijk via een subsidieregeling. Voor 2023 is hiervoor circa € 176,1 miljoen beschikbaar.

Maatschappelijke diensttijd

Met de subsidie voor Maatschappelijke Diensttijd (MDT) worden maatschappelijke organisaties ondersteund om projecten te realiseren die bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van jongeren. Zij kunnen trajecten van maximaal zes maanden volgen waarbij zij zich vanuit hun talenten en interesses kunnen inzetten voor een ander. Voor 2023 is hiervoor circa € 203,4 miljoen beschikbaar.

Heterogene brugklassen

Om er voor te zorgen dat leerlingen in de eerste leerjaren in het voortgezet onderwijs meer tijd hebben om op het voor hen best passende niveau te komen, is er een subsidieregeling beschikbaar. Zo wordt gestimuleerd dat brugklassen zo worden ingericht dat leerlingen met verschillende basisschooladviezen bij elkaar in de klas zitten. Hiervoor is voor 2023 circa € 21,3 miljoen beschikbaar.

Overige subsidies

Grote subsidies zijn verder de pilots voor de nieuwe leerweg, voor stichting Kennisnet en in het kader van kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT (€ 24,6 miljoen). De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma's po-vo en doorstroomprogramma's vmbo-havo en vmbo-mbo (€ 28,0 miljoen). Daarnaast is er een subsidie beschikbaar voor het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (€ 0,5 miljoen) en krijgt de stichting School en Veiligheid ook een subsidie (€ 1,2 miloen).

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het ondersteu-ningsprogramma voor onvoldoende en (zeer) zwakke scholen en regionale begeleiding sterk techniekonderwijs in het vmbo. Ook is er voor 2023 budget gereserveerd voor de inzet van zelftesten en om uitvoering te geven aan de maatregelen uit het coalitieakkoord.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor Artikel 3 (Voortgezet onderwijs).

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere vo, het mbo en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het vo en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname. De bijdragen van Artikel 1 (Primair onderwijs) en Artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het CvTE worden zoals gebruikelijk bij Voorjaarsnota naar Artikel 3 (Voortgezet onderwijs) overgeboekt.

SLOA: Onderwijsondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsindersteunde Activiteiten 2013 (SLOA) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. De hoogte van de subsidie voor Cito en SLO voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling voor 2023 is nog onbekend.

Bijdrage aan medeoverheden

Nationaal Programma Onderwijs

Gemeenten ontvangen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs middelen voor aanvullende interventies voor leerlingen. Voor 2023 is er vanuit het Ministerie van OCW circa € 35,0 miljoen beschikbaar om hierin te voorzien. Gemeenten nemen een centrale rol in bij het bevorderen van het samenwerken of het bieden van ondersteuning op scholen. Denk hierbij aan terreinen waar de gemeente nu al een verantwoordelijkheid heeft: de bestrijding van onderwijsachterstanden, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp, sociaal werk of de vve.

SPUK huisvesting noodlocaties VO

Om de duizenden Oekraïnse kinderen die naar Nederland zijn gekomen onderwijs te geven is er extra schoolruimte nodig. Voor 2023 is er vanuit het ministerie van OCW circa € 159,0 miljoen beschikbaar gesteld om hierin voor het voortgezet onderwijs te voorzien. Het plan is om de middelen via een Specifieke uitkering aan gemeenten te verstrekken. Voor 2023 is er vanuit het Ministerie van OCW € 159,0 miljoen beschikbaar om hierin te voorzien.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA-project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

Official Development Assistence (ODA) toerekening

Onderstaande tabel is opgenomen naar aanleiding van een toezegging van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstukken II 2015/16, 34300, nr. 58).

Tabel 32 ODA-toerekening Begroting primair en voortgezet onderwijs in het kader van onderwijskosten voor asielzoekers uit DAC-landen (bedragen x € 1.000)

 

2023

Bijdrage primair onderwijs

28.213

Bijdrage voortgezet onderwijs

9.087

Totaal

37.300

3.3 Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

A.    Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar beroepsonderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 33 Kengetallen

Kengetal

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1 Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

37%

38%

37%

37%

38%

 

2 Studenttevredenheid2

Cijfer opleiding

7

-

7,1

-

   

6,73

Cijfer instelling

6,6

-

6,7

-

   

6,53

Percentage tevreden over school en studie4

   

62%

 

-

 

1    Bron: ROA. De cijfers over 2021 worden in het najaar van 2022 verwacht.

2    Bron: JOB-monitor. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

3    Vanwege een andere antwoordmogelijkheid bij de vragen zijn de cijfers niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

4    Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en worden deze eerdere jaren niet getoond. Vanaf 2020 wordt deze vraag niet meer gesteld.

Tabel 34 Studenten middelbaar beroepsonderwijs (aantallen x 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aantal mbo-studenten (exclusief vavo)

502,6

492,1

482,1

475,7

472,6

470,7

469,3

Bol

372,5

360,9

358,1

360,3

366,2

369,0

370,0

Bbl

130,1

131,1

124,1

115,4

106,4

101,7

99,3

Vavo

6,9

7,3

7,5

7,7

7,7

7,8

7,9

1 Bron: Referentieraming 2022

 

Tabel 35 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)

2021 2022

2023

2024

2025

2026

2027

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x    9,32    9,53

€ 1.000)1

10,24

10,0

10,0

10,0

10,0

1    De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo) uit de referentieraming 2022.

2    In 2021 is eenmalig de extra aanvraag subsidieregelingen uit het Nationaal Programma Onderwijs toegevoegd aan de berekening. De onderwijsuitgaven per student zijn in 2021 berekend door de middelen voor het instrument bekostiging plus de subsidieregelingen Inhaal- en ondersteuningsprogramma's (€ 102.647) en Extra hulp voor de klas (€ 33.471) te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo) uit de referentieraming 2021. Dit is gedaan omdat beide regelingen in 2022 onderdeel uitmaken van de bekostiging en daarmee wordt de vergelijkbaarheid van de onderwijsuitgaven per student over de jaren heen vergroot.

3    In de voorjaarsnota 2018 vond in 2022 een kasschuif van kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijkbudget naar 2023 plaats (€ 200 miljoen).

4    Vanaf 2023 zijn de middelen van de loopbaanoriëntatie (€ 34,5 miljoen) en doorstroom beroepskolom (oplopend tot € 33,0 miljoen) structureel toegevoegd aan de berekening. Deze middelen zijn bestemd voor de mbo-instellingen en dienen daarom meegenomen te worden in de berekening om een beter beeld te geven van de uitgaven per student.

Toelichting

Vanuit het Nationaal Programma Onderwijs zijn er voor 2021 en 2022 middelen toegevoegd aan de bekostiging waardoor de onderwijsuitgaven per student in deze jaren zijn gestegen. Echter, dit is in tabel 37 niet terug te zien omdat er een kasschuif heeft plaatsgevonden op het resultaatafhan-kelijk budget. Het resultaatafhankelijk budget voor 2022 van € 217,6 miljoen is doorgeschoven naar 2023. Dit is conform de afspraken in het Bestuursakkoord mbo 2018-2022. Uitbetaling van het resultaatafhankelijk budget kan pas plaatsvinden in 2023 na de eindbeoordeling van de Kwaliteitsafspraken mbo 2019-2022 door de onafhankelijke adviescommissie kwaliteitsafspraken.

Zonder deze kasschuif van € 217,6 miljoen zou de gemiddelde onderwijsuitgaven per student in 2022 en 2023 respectievelijk € 9.900 en € 9.700 zijn.

Daarnaast zijn vanaf 2023 de uitgaven per student gestegen door de toegekende middelen uit het coalitieakkoord. Dit betekent dat er structureel circa € 300,0 miljoen beschikbaar is gesteld aan mbo-scholen voor de bekostiging van niveau 2 studenten, nazorg en RMC's, aansluiting op de arbeidsmarkt, het bevorderen van de doorstroom in de beroepskolom, professionaliseringsruimte en comeniusbeurzen/mbo-premie voor mbo-docenten, practoraten en krimp in het mbo.

C. Beleidswijzigingen

In het onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van beroeps- en volwasseneneducatie beschreven. Aanvullend zijn nog de onderstaande punten te melden.

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018-2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het bestuursakkoord bevat de gezamenlijke ambities voor het mbo. Hierin staan onderwerpen als Leven Lang Ontwikkelen, jongeren in een kwetsbare positie ondersteunen en regionale innovatie beschreven.

Om uitwerking te geven aan de ambities uit het huidige coalitieakkoord, gaat het Ministerie van OCW samen met studenten, docenten, mbo-instel-lingen, werkgevers, gemeenten onderwijskoepels en vakbonden rond het mbo aan de slag met een nieuwe Werkagenda mbo. De kaders voor de Werkagenda mbo worden hier geschetst: Kamerbrief over kaders Werkagenda mbo | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. De prioriteiten voor de komende jaren zijn:

  • 1. 
    kansengelijkheid;
  • 2. 
    aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt;
  • 3. 
    kwaliteit, onderzoek en innovatie.

Zoals aangekondigd in de Voorjaarsnota 2022, investeert het kabinet uit de coalitieakkoordenveloppen structureel circa € 350,0 miljoen in het mbo, waaronder de bovengenoemde structureel € 300,0 miljoen aan mbo-instel-lingen (zie Kengetallen). De verdere uitwerking van de CA-maatregelen zal volgen in de definitieve Werkagenda mbo, die na Prinsjesdag 2023 volgt.

Daarnaast wordt er vanuit het Nationaal Groeifonds geïnvesteerd in het mbo. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op Leven Lang Ontwikkelen middels het leeroverzicht/skills en Collectief Laagopgeleiden & Laaggeletterden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 36 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.626.978

5.799.994

5.548.367

5.443.255

5.271.079

5.225.939

5.216.258

 

Uitgaven

5.313.781

5.559.062

5.541.718

5.361.940

5.313.018

5.298.785

5.248.471

 

Bekostiging

4.605.346

4.726.251

4.910.852

4.755.005

4.714.161

4.724.025

4.684.005

Bekostiging mbo-instellingen

3.944.713

4.184.296

3.887.524

4.049.645

4.024.183

4.035.895

4.001.748

Bekostiging Caribisch Nederland

6.943

10.707

10.850

10.850

10.850

10.850

10.850

Bekostiging vavo

69.383

72.161

71.161

71.161

71.161

71.161

71.161

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

247.215

341.147

586.134

487.144

486.798

486.798

487.847

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

210.652

0

217.623

0

0

0

0

Regionaal Investeringsfonds

19.637

22.484

44.324

40.278

35.742

33.894

26.972

Salarismix Randstadregio's

52.664

54.406

52.186

52.186

52.186

52.186

52.186

Regionaal Programma

30.550

30.550

30.550

33.241

33.241

33.241

33.241

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

23.589

10.500

10.500

10.500

0

0

0

Subsidies (regelingen)

489.354

579.040

346.698

335.135

304.871

290.329

282.030

Praktijkleren

306.279

318.572

240.092

226.656

201.869

187.868

179.869

Leven Lang Ontwikkelen

5.225

7.091

2.059

23

28

628

328

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met

Taal

19.394

13.844

15.573

14.888

12.566

12.566

12.566

Loopbaanoriëntatie

1.782

1.267

34.455

34.373

34.373

34.373

34.373

Doorstroom beroepskolom

0

6.450

25.000

31.000

33.000

33.000

33.000

LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden (NGF)

0

300

3.400

3.900

0

0

0

Vakwedstrijden mbo

4.100

4.191

4.327

1.082

0

0

0

Zelftesten

536

3.364

0

0

0

0

0

Maatschappelijke diensttijd

0

199.677

0

0

0

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

33.471

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

102.647

0

0

0

0

0

0

Overige subsidies

15.920

24.284

21.792

23.213

23.035

21.894

21.894

Opdrachten

9.796

27.669

32.356

17.957

13.402

9.330

8.019

Opdrachten

7.137

20.678

22.706

17.957

13.402

9.330

8.019

Zelftesten

2.659

6.991

9.650

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

21.786

23.118

22.479

22.840

22.970

23.929

23.858

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.281

20.224

19.233

19.594

19.724

20.683

20.612

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.505

2.894

3.246

3.246

3.246

3.246

3.246

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

61.213

68.996

89.446

91.116

92.727

86.285

85.672

College voor Toetsen en Examens

0

503

12.156

12.848

12.848

12.848

12.848

Wet SLOA

0

85

1.164

1.164

1.163

2.923

2.923

SBB

61.213

68.408

73.126

73.104

73.716

65.514

64.901

NWO:NRO-Programma's MBO

0

0

3.000

4.000

5.000

5.000

5.000

Bijdrage aan medeoverheden

126.286

133.988

139.887

139.887

164.887

164.887

164.887

RMC's

42.303

44.166

40.065

38.389

63.389

63.389

63.389

Educatie

63.560

70.622

80.622

80.622

80.622

80.622

80.622

Regionaal Programma

19.200

19.200

19.200

20.876

20.876

20.876

20.876

Caribisch Nederland

1.223

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

8.918

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

 

Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.626.978

5.799.994

5.548.367

5.443.255

5.271.079

5.225.939

5.216.258

waarvan garantieverplichtingen

13.509

47.549

0

0

0

0

0

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

waarvan overige verplichtingen

5.613.469

5.752.445

5.548.367

5.443.255

5.271.079

5.225.939

5.216.258

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 37 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

99,6%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0,4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2023 99,6 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de  Wet educatie en beroepsonderwijs(WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2023 95,0 procent juridisch verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2023 75,0 procent juridisch verplicht. Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2023 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO), NWO NRO-programma's mbo en het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2023 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de gemeenten en worden in de vorm van specifieke uitkeringen verstrekt voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, het educatiebudget en het regionaal programma.

Bekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het middelbaar beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 tot en met 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de mbo-instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 tot en met 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma's van elke instelling. De mate waarin een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (beroeps begeleidende leerweg (bbl) of beroeps opleidende leerweg (bol)) en de opleiding (de prijsfactor van de opleiding).

In het coalitieakkoord wordt ingezet op gelijke kansen op opleiding en werk voor mbo niveau 2 studenten, extra begeleiding en nazorg. Naast de toegekende structurele CA-middelen van € 95,0 miljoen uit de Voorjaarsnota 2022, wordt in 2024 € 14,5 miljoen beschikbaar gesteld voor begeleiding en additioneel € 70,0 miljoen voor niveau 2. Vanaf 2025 wordt het budget voor nazorg toegevoegd aan de lumpsum en is voor begeleiding en nazorg € 25,0 miljoen beschikbaar. Verder wordt additioneel € 55,0 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor mbo-2. De middelen voor niveau 2 worden in 2023 toegevoegd aan de kwaliteitsafspraken. Na een wijziging van de verdeelsystematiek van de bekostiging worden de middelen vanaf 2024 toegevoegd aan de lumpsum. Bovenstaande middelen, in combinatie met de CA-middelen uit de Voorjaarsnota 2022, zorgen dat er in totaal vanaf 2024 structureel € 175,0 miljoen wordt geïnvesteerd. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de belangrijkste knelpunten die zijn geconstateerd voor het mbo in het onderzoek naar de toereikendheid van de bekostiging van PWC.

Daarnaast worden de bij voorjaarsnota beschikbare gestelde middelen voor de professionalisering van mbo-docenten structureel verhoogd tot € 30,0 miljoen per jaar (zie ook algemene toelichting). Dit is onderdeel van de CA-enveloppen Versterken onderwijskwaliteit en Vervolgopleidingen en onderzoek. Hierdoor ontstaat extra ruimte voor initiatieven die de kwaliteit van docenten en daarmee de kwaliteit van het onderwijs verbeteren. Dit krijgt onder andere vorm bij basisvaardigheden en burgerschap. Verder krijgen docenten meer tijd en ruimte voor het ontwikkelen van het curriculum wat bij zal dragen om de werkdruk van docenten terug te dringen.

Zoals aangegeven in de Voorjaarsnota 2022 is in 2023 € 7,0 miljoen en vanaf 2024 structureel € 14,0 miljoen om de aansluiting op de arbeidsmarkt te verbeteren.

Tot slot wordt in de periode van 2024 - 2026 jaarlijks € 30,0 miljoen toegevoegd om een voldoende aanbod aan mbo-opleidingen bereikbaar te houden voor studenten in krimpregio's.

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld voor het verzorgen van middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. De onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland ontvangen hiervoor lumpsumbekostiging. Ook de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt in Caribisch Nederland wordt vanuit deze middelen bekostigd. Het aandeel voor Caribisch Nederland uit het coalitieakkoord is toegevoegd aan de bekostiging.

Bekostiging voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo) Vavo-instellingen ontvangen bekostiging voor het onderwijs dat zij verzorgen. Voor de verdeling van de beschikbare middelen wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma's.

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

Kwaliteitsmiddelen hebben tot doel om de onderwijskwaliteit te vergroten. Voor 2023 krijgen alle mbo-instellingen kwaliteitsmiddelen uitgekeerd als investeringsbudget. Zij mogen deze middelen inzetten voor drie doeleinden: doelen uit de tweede tranche kwaliteitsafspraken, doelen uit het Nationaal Programma Onderwijs en doelen uit het coalitieakkoord die worden uitgewerkt in de Werkagenda mbo. In de tweede helft van 2023 dient het budget volledig besteed te worden aan de doelen uit de Werkagenda mbo. Hierover leggen de instellingen verantwoording af in het jaarverslag. Vanaf 2024 zijn de middelen van het resultaatafhankelijk budget overgeheveld naar het investeringsbudget. Dit gaat om jaarlijks respectievelijk € 111,9 miljoen.

Om onderzoek en innovatie een fundamentele positie te geven in het mbo wordt er in de periode van 2023-2031 jaarlijks € 25,0 miljoen geïnvesteerd. Hiervan komt oplopend tot € 3,6 miljoen uit de CA-enveloppe Fonds, onderzoek en wetenschap en € 21,4 miljoen uit een herprioritering op de mbo-begroting.

In 2023 is in totaal € 585,0 miljoen beschikbaar en vanaf 2024 is er jaarlijks € 487,0 miljoen beschikbaar gesteld voor de kwaliteitsafspraken.

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

Deze post betreft het resultaatafhankelijk budget van de kwaliteitsafspraken 2019-2022. Het resultaatafhankelijk deel van het budget voor de kwaliteitsafspraken wordt in die tranche verdeeld onder de instellingen die de gestelde doelen in de kwaliteitsagenda in voldoende mate hebben gehaald. In 2023 vindt een eindbeoordeling plaats over de gehele periode 2019-2022. Instellingen die dan een voldoende beoordeling ontvangen, krijgen daarna het resultaatafhankelijk budget over 2021 en 2022 toegekend. Hiervoor heeft een kasschuif plaatsgevonden om in 2023 de middelen toe te kennen. De resultaatafhankelijke budgetten over 2019 en 2020 zijn reeds toegekend na een tussentijdse beoordeling in 2021, waar alle scholen aan hebben voldaan.

Vanaf 2024 zijn de middelen van het resultaatafhankelijk budget overgeheveld naar het investeringsbudget. Dit gaat jaarlijks om € 111,9 miljoen.

Regionaal Investeringsfonds

Met het Regionaal Investeringsfonds worden middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) van beroepsonderwijs, bedrijfsleven en regionale overheden. Mbo-instellingen kunnen een aanvraag doen voor bekostiging van een samenwerkingstraject dat leidt tot verbetering van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. De samenwerkingspartners dragen financieel voor 50 tot 67 procent bij.

Salarismix Randstadregio 's

In het actieplan Leerkracht van Nederland zijn afspraken vastgelegd om de aantrekkelijkheid van het beroep leraar te vergroten. Dat is belangrijk, onder andere in het kader van de personeelstekorten in het onderwijs.

Een van de gemaakte afspraken is dat extra middelen ter beschikking worden gesteld aan instellingen in de Randstadregio's om hun salarismix te versterken en de werkdruk te verlichten. De arbeidsmarktproblematiek, beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector en (een optelsom van) grootstedelijke problemen waar instellingen en docenten mee te maken krijgen, liggen hieraan ten grondslag. Aan de hand van behaalde competenties zijn docenten benoemd in een hogere schaal. Om de werkdruk te verlichten hebben instellingen verschillende aanpakken gehanteerd zoals extra onderwijsassistenten, instructeurs en begeleiding voor startende docenten. De middelen vormen een aanvulling op de lumpsum. Samen met de sociale partners wordt momenteel gewerkt aan nieuwe afspraken met de betrokken scholen over het aantal docenten in de salarisschalen LB en LC/LD.

Regionaal Programma

Scholen en gemeenten voeren gezamenlijk een vierjarig regionaal programma uit om voortijdige schooluitval te voorkomen en tegen te gaan. In het regionaal programma stelt de regio een streefcijfer vast waarmee de landelijke ambitie van jaarlijks maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2024 wordt behaald. Ook nemen regio's maatregelen om het aantal voortijdig schoolverlaters dat terug naar school dan wel aan het werk gaat, te vergroten.

Voor de uitvoering van het regionaal programma zijn middelen beschikbaar. In 2023 gaat het om in totaal € 49,8 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,6 miljoen) en deels via de contactge-meente (zie Bijdrage aan medeoverheden, € 19,2 miljoen).

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

Met de subsidieregeling nazorg 2022/2023 is in 2023 en 2024 € 10,5 miljoen ter beschikking gesteld aan mbo-instellingen voor het bieden van nazorg aan mbo-gediplomeerden. Concreet zetten mbo-instellingen de subsidie-middelen in om mbo-studenten na diplomering te blijven ondersteunen (nazorg). Daarbij kan gedacht worden aan een uitstroomgesprek bij diplomering en waar nodig coaching (in samenwerking met de gemeente) als nazorg. De middelen die beschikbaar zijn op basis van deze subsidieregeling worden over de instellingen verdeeld op basis van het aantal studenten met een grote kans op werkloosheid, dat aan de instelling studeert. Het onderdeel nazorg door mbo-instellingen van de aanpak jeugdwerkloosheid is geen wettelijke taak en blijft daarom in de regeling en vormt geen onderdeel van de opslag op de bekostiging. Vanaf 2025 is het voornemen om nazorg wettelijk in te regelen en toe te voegen aan de bekostiging van mbo-instellingen, waardoor deze aparte regeling zal eindigen.

Subsidies

Praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. Deze regeling maakt het mogelijk dat leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt, waardoor werkgevers kunnen beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. Aan de subsidieregeling is voor de studiejaren 2019/2020 tot en met 2023/2024 € 10,6 miljoen per jaar toegevoegd om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in de scholing van werknemers (motie Heerma). Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming in de begeleidingskosten voor bbl-stage-plekken. In 2023 daalt het bedrag dat beschikbaar is voor de regeling praktijk-leren. De tijdelijke middelen die in het kader van het NP Onderwijs (€ 67,0 miljoen) en de Aanpak Jeugdwerkloosheid (€ 24,8 miljoen) in 2021 en 2022 aan de regeling praktijkleren toegevoegd waren lopen namelijk af.

Leven Lang Ontwikkelen (LLO)

Het Ministerie van OCW werkt met de andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het versterken van de leercultuur. Het kabinet heeft extra middelen uitgetrokken voor het STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarktpositie). DUO ontwikkelt en beheert het scholingsregister dat voor de uitvoering van de STAP-regeling noodzakelijk is. In 2023 is in de OCW-begroting € 2,1 miljoen beschikbaar voor een actieprogramma LLO voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. Het Ministerie van OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo.

Actieplan laaggeletterdheid/Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2023 middelen, € 15,6 miljoen, beschikbaar gesteld als bijdrage aan het landelijke programma «Tel mee met Taal» dat door de Ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK wordt uitgevoerd en gefinancierd. Op 18 maart 2019 heeft de Tweede Kamer een brief (Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 84) ontvangen waarin het kabinet maatregelen aankondigt om de aanpak van laaggeletterdheid in de periode 2020-2024 een extra impuls te geven. Met het programma «Tel mee met Taal» worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd.

Loopbaanoriëntatie (lob)

De lob-middelen worden ingezet om de loopbaanbegeleiding en de studiekeuze- en arbeidsmarktvoorlichting van (aankomende) mbo-studenten te verbeteren via onder meer het Expertisepunt lob en de portal «Kies MBO» door de SBB. Deze middelen zullen ook ingezet worden ten behoeve van een betere voorbereiding en doorstroom van mbo naar hbo.

Vanaf 2023 wordt structureel € 33,0 miljoen geïnvesteerd in de intensivering van loopbaanoriëntatie en -begeleiding om studenten beter te begeleiden in hun studieloopbaan en beter te informeren en stimuleren om slimmere opleidings- en arbeidsmarktkeuzes te maken.

Vakwedstrijden

Voor het organiseren van de jaarlijkse vmbo- en mbo-vakwedstrijden zijn de vakwedstrijden vmbo en mbo opgesteld. De subsidie voor het organiseren van de nationale vakwedstrijden mbo en het begeleiden van Team Netherlands naar de internationale finales is voor de periode april 2020- april 2024 verleend aan WorldSkills Netherlands.

Doorstroom beroepskolom

De subsidieregeling doorstroom beroepsonderwijs is bedoeld om de aansluiting in de kolom vmbo-mbo-hbo te versterken, en uitval en switch te verminderen. Het is belangrijk om iedereen optimaal mee te laten doen op de arbeidsmarkt en optimale kansen voor persoonlijke ontwikkeling te bieden, ook voor leerlingen en studenten met een praktisch profiel. De subsidieregeling stimuleert regionale samenwerking van de drie sectoren van het beroepsonderwijs gericht op de totstandkoming van inhoudelijk afgestemde onderwijsprogramma's. Door het bieden van de mogelijkheid aan instellingen om gezamenlijk doorlopende leerroutes van vmbo naar mbo en naar hbo vorm te geven, inclusief een doorlopende loopbaan-oriëntatie en begeleiding (lob) lijn, kan naast het verminderen van uitval en switch ook worden bijgedragen aan flexibiliteit in het opleiden van vakmensen voor een snel veranderende en innovatieve arbeidsmarkt. Het gaat om een bijdrage aan de (regionale) ontwikkelkosten van de drie sectoren van 420.000 euro per traject. In 2022 is in totaal € 6,5 miljoen beschikbaar waar 15 trajecten uit gefinancierd kunnen worden, de middelen lopen jaarlijks op tot € 33,0 miljoen structureel. Binnenkort ontvangt de Kamer een brief over de beroepsonderwijskolom waarin de ambities verder worden toegelicht.

LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden (NGF)

Het project LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden, dat wordt bekostigd vanuit het Nationaal Groeifonds (NGF), richt zich op laagopgeleiden en laaggeletterden, waaronder zowel werknemers als mensen die langere tijd uit het arbeidsproces zijn geweest of zelfs nooit aan het werk zijn gekomen. Het voorstel heeft als doel om een nieuw duurzaam regionaal scholingsaanbod van educatie- en opleidingstrajecten voor laagopgeleiden en laaggeletterde inwoners te ontwikkelen, dat leidt tot een goede doorstroom naar beroepsonderwijs of de arbeidsmarkt. Het voorstel richt zich op het ontwikkelen van opleidingsprogramma's waarin het verwerven van taalvaardigheid wordt gecombineerd met verwerven van beroepsvaardigheden. Naast een positief effect op het verdienvermogen zijn er ook positieve effecten te verwachten op onder andere sociale inclusie en gezondheid. Dit voorstel voor het NGF heeft € 7,6 miljoen onvoorwaardelijk toegekend gekregen voor de periode 2022-2024 en € 42,6 miljoen voorwaardelijk voor de periode 2024-2027

Overige subsidies

Hieronder vallen subsidies voor vervolgopleidingen oriëntatieprogramma's en veilig digitaal onderwijs (zie algemene toelichting). Daarnaast worden subsidies verstrekt aan o.a. kennispunten voor onderwijs & examinering, alumnibeleid, burgerschap, als ook voor netwerk burgerschap, macrodoelmatigheid en digitalisering mbo.

Opdrachten

Dit betreffen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en de uitvoeringskosten van Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I). Daarnaast staan op dit budget middelen in het kader van de NGF voorstellen Leeroverzicht & Skills (zie algemene toelichting).

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA) Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting CITO, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen. Daarnaast zorgt SBB voor de doorontwikkeling van het LLO-project Skills (onderdeel van het NGF voorstel Leeroverzicht en Skills; zie ook algemene toelichting).

In de Voorjaarsnota 2022 is structureel € 2,5 miljoen geïnvesteerd voor het aanpakken van stagediscriminatie, certificaten en het stagepact. Naast de beschikbaar gestelde middelen bij de voorjaarnota, worden in de Miljoenennota 2023 ook additionele incidentele middelen toegekend. Ten eerste voor een programma begeleiding van praktijkbegeleiders. In 2023, 2024 en 2025 wordt daar € 3,3 miljoen in geïnvesteerd. Ten tweede is er in de jaren 2024 en 2025 € 1,7 miljoen extra beschikbaar voor het ontwikkelen van hulpmiddelen bij de aanpak stagediscriminatie, voor inzet op extra certificaten en voor extra stages en leerbanen. Vanuit de CA-enveloppe Vervolgopleidingen en onderzoek wordt er vanaf 2023 structureel € 0,5 miljoen geïnvesteerd ten behoeve van de structurele financiering van het meld-en expertisepunt specialistisch vakmanschap.

Daarbovenop is voor de periode van 2023-2031 in totaal circa € 21,5 miljoen aan SBB toegekend ten behoeve van de CA-enveloppe Werk aan Uitvoering (WAU).

NWO: NRO-Programma ’s mbo

In het kader van het versterken van de onderwijskwaliteit en het bevorderen van innovatie en onderzoek binnen het mbo worden vanaf 2023 middelen beschikbaar gesteld (zie algemene toelichting). In 2023 wordt gestart met de onderwijspremie (€ 3,0 miljoen) en vanaf 2024 worden de Comenius-beurzen hieraan toegevoegd. Deze middelen zullen oplopen tot € 5,0 miljoen in 2027 Het betreft een pakket met stimulerende maatregelen met daarin een onderwijspremie als erkenning voor vernieuwing van het onderwijs en een stimulans voor docenten om te blijven werken aan onderwijsinnovatie en kennisdeling. Daarnaast bestaat dit pakket ook uit beurzen waarin excellent en bevlogen docentschap zichtbaar gewaardeerd wordt; en een platform waar kennisdeling en -ontwikkeling gefaciliteerd en gestimuleerd wordt.

Bijdrage aan medeoverheden

Regionale Meld- en Coördinatiefunctie

Er is in 2023 € 40,1 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC-functie) van 40 RMC-regio's. De RMC-functie heeft de taak om jongeren tot 23 jaar die niet naar school gaan en nog geen startkwalificatie hebben behaald te monitoren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. De RMC-functie zorgt er samen met andere betrokken partijen in de regio voor dat jongeren die zijn uitgevallen of dreigen uit te vallen worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering. Het voornemen is om de kwalificatieplicht van 23 jaar naar 27 jaar op te hogen. Hiervoor zal er een wetswijziging plaats moeten vinden, welke naar verwachting in 2025 in werking zal treden. Vanaf 2025 is vanuit de CA-enveloppe Vervolgopleidingen en onderzoek structureel € 25,0 miljoen toegevoegd aan dit budget, wat resulteert in een jaarlijkse bijdrage oplopend tot € 63,4 miljoen.

Educatie

Gemeenten ontvangen budget om cursussen taal, rekenen en digitale vaardigheden aan te bieden aan hun laaggeletterde volwassen inwoners. De doelgroep betreft volwassenen die Nederlands als eerste of tweede taal hebben, maar niet inburgeringsplichtig zijn. Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een regio (via de 35 contactgemeenten). Gemeenten hebben voor de besteding van dit budget inkoop-en/of subsidievrijheid. Zij kiezen zelf aanbieders op basis van de vraag en behoefte van hun doelgroepen.

Vanaf 2023 is voor de aanpak van laaggeletterdheid structureel € 5,0 miljoen uit de CA-enveloppe voor versterken onderwijskwaliteit toegevoegd en € 5,0 miljoen vanuit de CA-bijdrage van SZW. Deze extra middelen worden beschikbaar gesteld voor het bestrijden van laaggeletterdheid via het educatiebudget. Bovenstaande middelen, in combinatie met de CA-middelen van de voorjaarsnota 2022, zorgen dat er in totaal vanaf 2023 structureel € 15,0 miljoen extra wordt geïnvesteerd in de aanpak van laaggeletterdheid.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio

(€ 30,6 miljoen, zie instrument Bekostiging) en deels via de 40 RMC-contact- gemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage 'Fiscale regelingen' in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota 'Toelichting op de fiscale regelingen'.

Tabel 38 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1

2021    2022    2023

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)    222    23    17

1 [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.4 Artikel 6 en 7 Hoger onderwijs

A.    Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren

De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatie-stelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accredita-tiestelsel.

Kengetallen

Tabel 39 Kengetallen

 

Kengetal

         

2020/21

2021/221

1 Studenttevredenheid

Hbo

       

66,4%2

PM

 

Wo

       

78,6%2

PM

   

2016

2017

2018

2019

2020

PM

2 Percentage 25-64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)3

 

18,8%

19,1%

19,1%

19,5%

18,8%

PM

   

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

3 Uitval 1e jaar4

Hbo

15,0%

16,0%

15,5%

11,5%

11,5%

PM

 

Wo

6,0%

6,7%

7,0%

5,3%

6,4%

PM

4 Bachelor rendement (n+1) van

Hbo

67,7%

68,1%

69,0%

69,6%

71,0%

PM

herinschrijvers na het eerste jaar4

Wo

81,1%

80,7%

81,2%

81,1%

81,9%

PM

1    De kengetallen voor 2021/22 komen in feb-april 2023

2    Bron: Nationale Studenten Enquête 2021. Door aanpassing van de vragenlijst van de Nationale Studenten Enquête in 2020 zijn de recente resultaten niet te vergelijken met die uit voorgaande jaren en wordt 2020/21 als basisjaar voor toekomstige metingen genomen.

3    Bron: Eurostat, Labour Force Survey (LFS).

4 Bron: DUO.

Tabel 40 Studenten hoger onderwijs 1

 
  • 1. 
    Ingeschreven studenten (aantallen x 1.000)
 

2021/22

2022/23

2023/24

2024/25

2025/26

2026/27

2027/2028

hbo voltijd associate degree

12,1

12,7

13,3

13,8

14,3

14,7

15,1

hbo voltijd bachelor

412,6

408,5

405,0

398,2

390,4

383,2

376,4

hbo voltijd master

6,4

6,5

6,7

7,0

7,3

7,5

7,8

hbo deeltijd associate degree

7,6

8,2

8,7

9,0

9,4

9,7

10,1

hbo deeltijd bachelor

43,4

44,6

45,8

46,6

47,3

47,8

48,2

hbo deeltijd master

8,4

8,8

9,2

9,4

9,6

9,6

9,7

Totaal hbo

490,5

489,3

488,7

484,0

478,3

472,5

467,3

 

wo voltijd bachelor

212,4

218,7

222,8

225,9

227,9

230,4

233,9

wo voltijd master

124,7

129,9

135,6

141,4

146,7

151,2

154,9

wo deeltijd bachelor

1,7

1,6

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

wo deeltijd master

3,3

3,3

3,4

3,5

3,6

3,7

3,7

Totaal wo

342,1

353,5

363,5

372,5

379,9

387,0

394,2

 
  • 2. 
    Gediplomeerden (aantallen x 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

hbo voltijd associate degree

2,6

2,8

2,9

2,9

3,0

3,1

3,1

hbo voltijd bachelor

64,4

64,8

65,4

67,3

66,8

65,5

64,8

hbo voltijd master

2,4

2,6

2,6

2,6

2,7

2,8

2,8

hbo deeltijd associate degree

1,5

1,5

1,6

1,7

1,7

1,7

1,8

hbo deeltijd bachelor

6,3

6,4

6,6

6,7

6,8

6,8

6,9

hbo deeltijd master

2,1

2,1

2,2

2,3

2,3

2,3

2,4

Totaal hbo

79,3

80,2

81,3

83,5

83,3

82,2

81,8

 

wo voltijd bachelor

39,0

40,1

41,7

42,7

43,0

43,3

43,4

wo voltijd master

50,1

52,1

53,8

55,5

57,3

58,9

60,2

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

wo deeltijd master

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Totaal wo

90,3

93,4

96,7

99,4

101,5

103,4

104,8

1 Bron: Referentieraming 2020

Tabel 41 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)

1    Onderwijsuitgaven per student

'    (bedragen x € 1.000)1

 

2023

2024

2025

 

2026

2027

hbo

 

8,8

8,9

8,9

 

9,0

 

wo

 

8,8

8,8

8,8

 

8,9

 

2    Wettelijk collegegeld (hbo en wo

  • 2. 
    voltijd, bedragen x € 1)
     

2022/23

     

2.209

1 De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2021

(overeenkomstig tabel 40, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot.

C. Beleidswijzigingen

Op 17 juni 2022 is de Beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap (Kamerstuk 2022Z12415) verzonden.

In deze brief is ingegaan op de beleidskeuzes en de investeringen zoals benoemd in het coalitieakkoord om het hele stelsel van hoger onderwijs en onderzoek te verbeteren. Dit is in drie hoofddoelen uiteengezet:

  • (1) 
    Een gezond en sterk fundament; (2) Ruimte geven aan divers talent; (3) Vergroten van de maatschappelijke impact van hoger onderwijs en onderzoek en de publieke erkenning hiervan.

In de beleidsagenda is hier nader op ingegaan.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.101.522

4.348.647

4.447.496

4.339.281

4.323.731

4.212.311

4.079.722

 

Uitgaven

4.304.071

4.706.031

4.466.326

4.337.220

4.334.611

4.241.150

4.145.106

 

Bekostiging

4.191.140

4.671.813

4.412.912

4.282.869

4.282.445

4.188.114

4.092.613

Bekostiging onderwijsdeel1

3.845.954

4.168.296

3.717.139

3.670.211

3.646.274

3.568.088

3.502.376

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

89.976

122.854

142.854

142.853

142.854

142.854

142.855

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

251.645

325.170

342.879

387.937

418.317

442.172

412.382

Studievoorschotvouchers

0

0

0

0

0

0

0

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor

3.565

5.493

3.040

1.868

0

0

0

volwassenen

             

Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

35.000

35.000

35.000

35.000

35.000

NGF Katalysator

0

40.000

127.000

0

0

0

0

NGF Digitale impuls

0

10.000

45.000

45.000

40.000

0

0

Subsidies (regelingen)

21.592

4.183

6.361

6.292

2.992

2.992

2.992

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

323

610

2.638

2.638

2.638

2.638

2.638

Zelftesten

701

6

0

0

0

0

0

Overige subsidies

20.568

3.567

3.723

3.654

354

354

354

Bijdrage aan agentschappen

13.831

14.290

14.839

15.820

15.994

16.830

16.772

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.831

14.290

14.839

15.820

15.994

16.830

16.772

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

77.508

15.745

32.214

32.239

33.180

33.214

32.729

NWO: Praktijkgericht onderzoek3

63.075

0

0

0

0

0

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

10.371

10.705

10.705

10.705

10.705

10.705

10.705

NWO: NRO-programma's Hoger Onderwijs4

0

0

16.500

16.500

17.500

17.500

17.500

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie

             

(NVAO)

4.062

5.040

5.009

5.034

4.975

5.009

4.524

 

Ontvangsten

1.647

1.213

1.213

1.213

1.213

16

16

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3    Vanaf 2022 ondergebracht bij artikel 16 (Onderzoek- en wetenschapsbeleid).

4    tot en met 2022 via de specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen op het onderwijsdeel hbo/wo van de bekostiging).

 

Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.101.522

4.348.647

4.447.496

4.339.281

4.323.731

4.212.311

4.079.722

waarvan garantieverplichtingen

2.126

6.780

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

5.099.396

4.341.867

4.447.496

4.339.281

4.323.731

4.212.311

4.079.722

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Tabel 43 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

6.809.694

6.553.904

6.743.221

6.844.527

6.906.579

6.953.965

7.025.406

 

Uitgaven

6.087.951

6.670.754

6.705.031

6.764.882

6.829.565

6.915.641

6.933.182

 

Bekostiging

6.034.531

6.617.201

6.652.912

6.734.450

6.799.192

6.885.903

6.903.209

Bekostiging onderwijsdeel1

2.841.970

3.159.560

3.069.644

3.122.751

3.172.470

3.243.265

3.277.276

Bekostiging onderzoeksdeel

2.282.436

2.426.783

2.480.411

2.480.441

2.475.560

2.475.555

2.475.538

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

756.693

782.877

749.820

751.322

752.803

754.267

755.690

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

153.432

197.981

209.037

235.936

254.359

268.816

250.705

Studievoorschotvouchers

0

0

0

0

0

0

0

Profilering en zwaartepuntvorming

0

0

0

0

0

0

0

Fonds onderzoek en wetenschap

0

50.000

144.000

144.000

144.000

144.000

144.000

Subsidies (regelingen)

44.339

24.829

24.966

23.730

23.731

23.596

24.081

Nuffic

13.985

12.828

11.113

10.194

10.194

10.194

10.194

Studiekeuze123

2.548

3.836

3.702

3.702

3.702

3.702

3.702

Vluchteling Studenten UAF

2.457

2.594

2.594

2.594

2.594

2.594

2.594

Studentenwelzijn (Ecio)

850

894

894

894

894

793

793

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

265

334

280

340

263

323

263

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

249

263

263

263

263

263

263

Open en online onderwijs

1.639

2.074

2.112

2.112

2.112

2.112

2.112

Zelftesten

1.468

0

0

0

0

0

0

Overige subsidies

20.878

2.006

4.008

3.631

3.709

3.615

4.160

Opdrachten

6.380

25.738

24.167

3.716

3.656

3.156

2.906

Opdrachten

2.369

4.091

3.817

3.716

3.656

3.156

2.906

Zelftesten

4.011

21.647

20.350

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.701

2.986

2.986

2.986

2.986

2.986

2.986

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.669

1.920

1.920

1.920

1.920

1.920

1.920

United Nations University (UNU)

1.032

1.066

1.066

1.066

1.066

1.066

1.066

 

Ontvangsten

790

16

16

16

16

16

16

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

 

Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

6.809.694

6.553.904

6.743.221

6.844.527

6.906.579

6.953.965

7.025.406

waarvan garantieverplichtingen

19.517

95.226

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

6.790.177

6.458.678

6.743.221

6.844.527

6.906.579

6.953.965

7.025.406

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit artikel 6

 

Tabel 44 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

96,2%

bestuurlijk gebonden

3,9%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Het totale budget voor artikel 6 is in 2023 96,2 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor 2023 is 96,1 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp en ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen ligt een afzonderlijke regeling ten grondslag. Het resterende budget van 3,9 procent is aan te merken als bestuurlijk gebonden in het kader van de afspraken in het kader van het Nationaal Groeifonds (onderdelen Katalysator levenslang ontwikkelen en Digitale Impuls).

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 98,8 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de subsidieregelingen tweede lerarenopleiding en Virtuele Internationale Samenwerkingsprojecten en een tweetal projectverplichtingen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de onderdelen promotiebeurs voor leraren en NRO-programma's en de bijdrage aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

 

Tabel 45 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

99,6%

bestuurlijk gebonden

0,3%

beleidsmatig gereserveerd

0,1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 7 is in 2023 99,6 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 86,9 procent juridisch verplicht. Dit betreft enerzijds de bijdragen voor Nuffic, Studiekeuze123, Vluchteling-Studenten UAF, Handicap en Studie, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Anderzijds betreft het de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de afstudeerregeling, de subsidieregelingen kandidaten Europees Universitair Instituut, Sino-Dutch Bilateral Exchange Scholarship Programme en reiskosten Culturele Verdragen en tenslotte ondersteunende activiteiten voor de projecten Integraal Veiligheid HO en cybersecurity. Daarnaast is 3,4% van het budget aan te merken als bestuurlijk gebonden in het kader van Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het betreft het Alumni-netwerk dat voorheen bij Nuffic was ondergebracht. Het restant van 9,7% is beleidsmatig gereserveerd ten behoeve van Open&Online-onderwijs en ad-hoc subsidies.

Opdrachten

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 84,2 procent bestuurlijk gebonden in verband met afspraken in het kader van het zelftesttraject. Daarnaast is het voor 9,5 procent juridisch verplicht op grond van in 2022 of eerder gesloten overeenkomsten. De ervaring leert dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget van 6,3 procent wordt verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de verdragsrechtelijke bijdragen aan de United Nations University (UNU) en het Europees Universitair Instituut Florence (EUI). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp en ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend. Daarnaast ontvangen de instellingen middelen voor kwaliteitsafspraken.

Het experiment vraagfinanciering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen wordt afzonderlijk bekostigd. Dat geldt eveneens voor de onderdelen Katalysator en Digitale impuls uit het Nationaal Groei Fonds.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • 1. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma's). Er zijn hierbij drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top);
  • 2. 
    een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen;
  • 3. 
    een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel (wo) is gebaseerd op:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden;
  • b. 
    een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten;
  • c. 
    een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht;
  • d. 
    een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Studievoorschot kwaliteitsafspraken (hbo en wo)

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Sinds het voorjaar 2019 zijn alle instellingen van start gegaan om samen met de medezeggenschap te komen tot een plan voor de kwaliteitsafspraken.

De plannen van de instellingen beslaan de periode van 2019 tot en met 2024 en zijn allemaal positief beoordeeld door de NVAO. Aan de hand van het advies van de NVAO is (inmiddels) door de Minister besloten dat de plannen van een instellingen voldoende zijn om de studievoorschotmiddelen toegekend te krijgen toegekend voor de periode 2021 tot en met 2024. De toekenning van de middelen was in eerste instantie voorzien vanaf 2021, omdat de NVAO de plannen zou beoordelen in 2019 en 2020. De beoordeling en besluitvorming leverde vanwege de COVID-19-maatregelen echter vertraging op. Om ervoor te zorgen dat instellingen niet in financiële onzekerheid zitten en de instellingen kunnen blijven investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs is besloten de kwaliteitsbekostiging ook voor 2021 toe te kennen met de reguliere rijksbijdrage, net als is gebeurd voor 2019 en 2020. Om de kwaliteitsbekostiging vanaf 2022 in plaats van in 2021 in te laten gaan, is het Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs aangepast. Uit het coalitieakkoord volgt dat de investeringen vanuit het studievoorschot na 2024 blijven gecontinueerd. Deze reguliere middelen zullen structureel ter beschikking worden gesteld aan de instellingen door toevoeging aan de lumpsum.

Vouchers studievoorschot (hbo en wo)

In het coalitieakkoord is besloten tot de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs. In de Hoofdlijnenbrief over de Studiefinanciering van 25 maart 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 176) is voorgesteld om binnen dat proces ook te komen tot een andere vormgeving van de studie-voorschotvouchers. Daarmee geeft het kabinet ook gehoor aan de motie Van der Molen c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 24724, nr. 172). Gezien deze andere vormgeving zijn vanuit beleidsmatig oogpunt de middelen voor de studievoorschotvouchers van artikel 6 en 7 toegevoegd aan artikel 11 (Studiefinanciering).

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Het doel van het experiment vraagfinanciering is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duaal onderwijs. In het experiment maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 is er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Naar aanleiding van de tussenevaluatie (Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 721) is in april 2019 besloten om de instroom van nieuwe studenten aan het experiment niet te verlengen per september 2019. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (augustus 2024) aanspraak blijven maken op vouchers. De eindevaluatie van het experiment vraagfinanciering wordt in 2022 afgerond.

Fonds onderzoek en wetenschap (hbo en wo)

In het coalitieakkoord is voor de komende tien jaar in totaal € 5,0 miljard beschikbaar gesteld voor een fonds voor onderzoek en wetenschap, zie tevens hoofdstuk 2.2. belangrijkste beleidsmatige mutaties. Voor de volgbaarheid van de uitgaven wordt het budget voor de investeringen uit dit fonds zichtbaar in de budgettaire tabel onder de betreffende instrumenten. Op artikel 6 (hbo) wordt vanaf 2023 tot en met 2031 € 35,0 miljoen per jaar uit het fonds beschikbaar gesteld voor praktijkgericht onderzoek en op artikel 7 (wo) wordt € 50,0 miljoen in 2022 en € 144,0 miljoen in 2023 tot en met 2031 beschikbaar gesteld uit het fonds voor stimuleringsbeurzen.

  • Praktijkgericht onderwijs (hbo)

Binnen het deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) zijn de coalitieakkoord-middelen ondergebracht ten behoeve van het Praktijkgericht onderzoek. Daar staat momenteel het volume, de continuïteit en de duurzaamheid onder druk. Door de hogescholen toe te rusten om hun rol als kennisinstellingen te verstevigen en verder uit te bouwen, worden zij in staat gesteld om met hun praktijkgericht onderzoek het onderwijs, onderzoek en de (regionale) beroepspraktijk te verbinden en zo bij te dragen aan Nederlandse kennisontwikkeling en groei. Daarnaast zorgt de aansluiting van het onderzoek van hogescholen op maatschappelijke vraagstukken voor vernieuwend beroepsonderwijs en versterkt het de aansluiting op de (regionale) arbeidsmarkt. Om deze doelstellingen te bereiken wordt vanaf 2023 een investering van € 100,0 miljoen ter beschikking gesteld. Hiervan wordt het grootste deel, € 85,0 miljoen, aan de eerste geldstroom van de hogescholen toegevoegd via de post 'ontwerp en ontwikkeling' uit artikel 6 en verdeeld naar rato van het onderwijsdeel conform de bekostigingssystematiek zoals vastgelegd in de WHW. Van de € 85,0 miljoen is € 50,0 miljoen uit de coalitieakkoord-envelop 'versterken hoger onderwijs en onderzoek' afkomstig en € 35,0 miljoen uit het 'Fonds onderzoek en wetenschap'. Deze laatste impuls in de eerste geldstroom is gekoppeld aan een impuls van € 15 miljoen in de tweede geldstroom die is toegevoegd aan de post 'NWO: praktijkgericht onderzoek' uit artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid).

  • Stimuleringsbeurzen (wo)

Uit het «Fonds voor Onderzoek en Wetenschap» is er voor universiteiten ruimte om stimuleringsbeurzen toe te kennen aan reeds zittende of nieuw benoemde universitair hoofddocenten en hoogleraren op plaatsen in de organisatie waar de werkdruk het hoogst is. Voor de nadere uitwerking van de stimuleringsbeurzen zal er een werkgroep stimuleringsbeurzen komen, om de universiteiten te adviseren in hun beleid.

Nationaal Groeifonds (NGF)-project Nationale Leven Lang Ontwikkelen (LLO)-katalysator (hbo)

Het doel van de nationale LLO-katalysator is een forse impuls te geven aan de ontwikkeling van bij-, op- en omscholingsaanbod. In regionale samenwerkingsverbanden van bedrijfsleven, onderwijs (mbo, hbo en wo; publiek en privaat) en overheid vindt vraaggerichte ontwikkeling van het scholings-aanbod plaats en worden afspraken gemaakt over uitvoering en deelname. In de eerste fase (tot 2024) ligt hierbij de focus op scholing benodigd voor het realiseren van de ambities op het vlak van de energie- en grondstoffentransitie. Vervolgens wordt de aanpak verbreed naar andere (tekort)sectoren. Onderdeel van het plan is ook een LLO-Radar, waarmee continu de (toekomstige) behoefte aan vaardigheden op de arbeidsmarkt in beeld wordt gebracht, zodat tijdig kan worden voorzien in passend scholingsaanbod. Daarnaast wordt in de nationale LLO-katalysator gewerkt aan het versterken van de leercultuur bij bedrijven en instellingen, aan professionalisering van de onderwijsorganisaties op het gebied van LLO-dienstverlening en vindt op landelijk niveau onderzoek en ontwikkeling plaats. Het budget voor de nationale LLO-katalysator is € 392,0 miljoen. Hiervan is € 167,0 miljoen onvoorwaardelijk toegekend (voor de periode tot 2024), voor de periode daarna (tot 2027) is € 225,0 miljoen voorwaardelijk toegekend. De middelen die gemoeid zijn met dit programma, zijn bedoeld voor de mbo-, hbo- en wo-instellingen. De precieze verdeling van de middelen dient nog uitgewerkt te worden.

NGF-project Digitaliseringsimpuls onderwijs NL

Het doel van het programma digitaliseringsimpuls is om de kansen die digitalisering biedt aan het mbo, hbo en wo beter te benutten. Hierdoor zijn studenten vaardiger in een digitale wereld en kunnen docenten beter les geven. Met dit programma wordt geïnvesteerd in vier zaken:

  • 1. 
    de ICT-infrastructuur van mbo, hbo en wo;
  • 2. 
    een onderzoeksinfrastructuur;
  • 3. 
    Centers for Teaching and Learning voor mbo, hbo en wo;
  • 4. 
    transformatiehubs.

Het programma is opgeknipt in twee fases; fase 1 loopt van 2022 tot en met 2024 en fase 2 loopt van 2025 tot en met 2030. Eind 2024 zal de eerste evaluatie uitgevoerd zijn en bij een positieve evaluatie zal fase 2 gestart worden. De middelen die gemoeid zijn met dit programma, zijn bedoeld voor de mbo-, hbo- en wo-instellingen. De precieze verdeling van de middelen dient nog uitgewerkt te worden.

Profilering en zwaartepuntvorming (wo)

In het sectorakkoord uit 2018 is afgesproken dat de 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming door de universiteiten tot en met 2022 ingezet kunnen worden voor de sectorplannen bèta-/technisch onderzoek en sociale-/geestwetenschappen. Vanaf 2023 tot en met 2025 wordt een deel van deze middelen ingezet om een impuls te geven aan het beroepsonderwijs voor vitalisering van krimpregio's. Een ander deel is tot en met 2031 bestemd voor maatregelen op het gebied van valorisatie, aansluiting met Europese programma's, wetenschapscommunicatie en Scholars at risk. Het overblijvende deel is structureel ondergebracht onder het onderwijsdeel van de bekostiging van de universiteiten.

Subsidies

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (hbo)

De subsidieregeling tweede lerarenopleiding maakt het voor leraren financieel aantrekkelijker om een tweede lerarenopleiding (bachelor of master) te volgen die opleidt tot een bevoegdheid en waarvoor instellings-collegegeld moet worden betaald, indien zij geen aanspraak mogen of kunnen maken op een andere subsidieregeling. Voor de subsidie komen bijvoorbeeld leraren in aanmerking die na een eerdere opleiding moeizaam een baan kunnen vinden in het onderwijs en die geen aanspraak hebben op een regeling zoals de Lerarenbeurs of de subsidie voor zijinstromers. Ook leraren die na het onderwijs in een andere sector zijn gaan werken, maar terug willen naar het onderwijs en hiervoor een ander vak willen aanleren kunnen voor deze subsidie in aanmerking komen. De subsidie tweede lerarenopleiding is vanaf het studiejaar 2020/2021 aan te vragen. Vanaf 2021/2022 is het subsidiebedrag verhoogd en is het mogelijk gemaakt om voor twee studiejaren in plaats van één jaar subsidie aan te vragen.

Nuffic (wo)

Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs. De afgelopen jaren heeft er een heroverweging plaatsgevonden van de subsidie aan Nuffic wat betreft de grondslag van de subsidie en de sturingsrelatie van het Ministerie van OCW richting Nuffic. Met het wetsvoorstel Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs wordt een aantal taken van Nuffic in het kader van diplomawaardering, bevordering van de internationalisering en de advisering rondom beursverlening wettelijk geborgd. Door middel van het wetsvoorstel wordt de Wet SLOA aangepast, op grond waarvan subsidie aan Nuffic kan worden verstrekt voor haar wettelijke taken. Het wetsvoorstel heeft inmiddels de instemming van de Eerste Kamer en treedt per 1 oktober 2022 in werking.

Een aantal niet-wettelijke taken op het gebied van het Netherlands Education Support Offices (NESO)-kantorennetwerk dat Nuffic op dit moment nog uitvoert, wordt vanaf 2022 afgebouwd en verlegd. De NESO-kantoren worden deels vervangen door het netwerk van onderwijs- en wetenschapsattachés waarmee het Ministerie van OCW invulling geeft aan de Internationale Kennis- en Talentstrategie (IKT) die eind 2020 naar de Kamer is gestuurd. De middelen waarmee de NESO's werden gefinancierd worden op dit moment stapsgewijs ingezet via het postennet. Voor China, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten is inmiddels een Onderwijs- en Wetenschapsattaché (OWA) aangesteld (zie ook het beleidsartikel 8, Internationaal Beleid).

Daarnaast voert Nuffic vanaf 2021, op grond van een opdrachtverlening, de dienstverleningsactiviteiten voor (met name) primair en voortgezet onderwijs en mbo uit (zie beleidsartikel 8, Internationaal Beleid).

Studiekeuze 123 (wo)

De stichting Studiekeuze123 is door de Minister aangewezen als partij om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en te verspreiden en tevens onderzoek te doen naar studentte-vredenheid en -betrokkenheid. Voor dit laatste organiseert de stichting jaarlijks de Nationale Studentenenquête (NSE). Uit de coalitieakkoordmid-delen is € 1,0 miljoen gereserveerd waardoor de komende jaren verder ingezet kan op de kwaliteitsborging, veiligheid (cybersecurity) en de verdere innovatie van producten als de website en uitvoer van de NSE als belangrijke instrumenten voor de studiekeuzevoorlichting. Hierdoor moet het voor studenten makkelijker worden om informatie te vinden over beschikbare opleidingen en hun arbeidsmarktperspectief.

Vluchteling Studenten UAF (wo)

UAF begeleidt en ondersteunt vluchtelingen die zich voorbereiden op een studie in het hoger onderwijs met als doel dat de aspirant-student kan starten met een passende studie die opleidt tot een diploma.

Studentenwelzijn Ecio (wo)

Het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (Ecio) bouwt aan inclusief onderwijs op operationeel, tactisch en strategisch niveau voor verdere professionalisering en verduurzaming van inclusief onderwijs en het versterken van het zelfvertrouwen van studenten met een ondersteunings-vraag. Onder andere, adviseert en ondersteunt Ecio universiteiten, hogescholen en het mbo om belemmeringen voor studenten met een functiebeperking en met een ondersteuningsbehoefte weg te nemen en hen succesvol te laten studeren en doorstromen naar de arbeidsmarkt. Ecio coördineert daarnaast bijvoorbeeld ook de bijeenkomsten van het Landelijk Netwerk en de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) (wo)

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van een tweetal organisaties die beleidsmatig activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten.

Open en online hoger onderwijs (wo)

In 2022 loopt de huidige subsidieregeling af. Er wordt bezien in welke vorm door wie en op welke wijze de middelen voor open en online verder worden ingezet. Naast de regeling, voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de eerdergenoemde projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input. De bedoeling is dat uiterlijk eind 2024 alle gehonoreerde projecten zijn afgerond.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling, de subsidieregelingen virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs, kandidaten Europees Universitair Instituut, Sino-Dutch Bilateral Exchange Scholarship Programme en reiskosten Culturele Verdragen en diverse adhoc-subsidies.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor diverse beleidsgerichte activiteiten/ onderzoeken en de communicatie rondom beleidsontwikkelingen.

Zelftesten

Anticiperend op de mogelijke gevolgen van COVID-19 zijn middelen beschikbaar voor onder andere de distributie van zelftesten naar instellingen en/of docenten.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

NWO

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)-programma's Hoger Onderwijs

Vanaf 2023 komt de volledige uitvoering van zowel het Comeniuspro-gramma (66 beurzen per jaar) als de Nederlandse Hogeronderwijspremie (6 premies per jaar) bij het NRO te liggen, inclusief het verstrekken van de beurzen en premies aan de instellingen. Daarnaast wordt via het NRO ook onderzoek naar hoger onderwijs gefaciliteerd en gefinancierd.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar reguliere taken en voor haar aanvullende taken zoals in het kader van de kwaliteitsafspraken.

Het Comité van Ministers heeft een opdracht aan de Nederlandse en Vlaamse departementen verstrekt (Kamerstukken 2020/21, 31288, nr. 908) om een toekomstbestendig organisatiemodel voor de NVAO uit te werken dat een grotere zelfstandigheid bevat voor Nederland en Vlaanderen, zonder de bestaande meerwaarde voor samenwerking en de goede reputatie van de NVAO te verliezen. Over de uitwerking van het organisatiemodel vinden nog gesprekken plaats tussen de departementen en met de NVAO. Over de uitkomsten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en United Nations University (UNU)

Het betreft hier de (structurele) bijdrage aan een tweetal internationale organisaties die taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Artikel 8. Internationaal beleid

A.    Algemene doelstelling

Het bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaalbestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere - vaak daarbij aangesloten - organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etcetera. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden facilite-rende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, NethER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale - ondersteunende - maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op Onderwijs in Cijfers.

C.    Beleidswijzigingen

De middelen worden ingezet voor het internationale netwerk voor verdieping en onderbouwing van de OCW-beleidsdoelen van het nieuwe kabinet. Denk aan de inzet in de EU en internationale gremia op thema's zoals kennisveiligheid, digitalisering, cultuur en emancipatie. Hierbij zoeken we ook de link met de inzet vanuit de HGIS-middelen (zie tabel 48) zoals via de uitrol van het netwerk van onderwijs en wetenschapsattachés.

D.    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

15.954

20.575

19.251

19.059

18.699

18.683

18.682

 

Uitgaven

18.688

20.350

19.250

19.426

19.068

19.051

19.050

 

Subsidies (regelingen)

6.706

8.169

8.059

8.058

7.990

7.973

7.972

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stichting Nuffic

906

999

999

999

999

999

999

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.153

4.089

4.089

4.089

4.089

4.089

4.089

Internationalisering onderwijs

1.000

1.062

1.062

1.062

1.062

1.062

1.062

Duitsland Instituut Amsterdam

803

846

786

786

786

786

786

Netherlands house for Education and

Research (Neth-ER)

600

625

625

624

625

624

624

Incidentele HGIS subsidies

50

157

157

157

157

157

157

Overige incidentele subsidies

9

206

156

156

87

71

70

Opdrachten

3.646

3.885

2.895

3.103

2.896

2.896

2.896

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

7.856

7.816

7.816

7.785

7.702

7.702

7.702

Nederlandse Taalunie

7.323

7.235

7.235

7.204

7.121

7.121

7.121

Stichting Nuffic

0

0

0

0

0

0

0

Europa College Brugge

30

32

32

32

32

32

32

Unesco

50

53

53

53

53

53

53

OESO CERI

85

92

92

92

92

92

92

Fulbright Commission The Netherlands

368

383

383

383

383

383

383

EU-programma's en activiteiten

0

21

21

21

21

21

21

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

480

480

480

480

480

480

480

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

480

480

480

480

480

480

480

Ontvangsten

99

99

99

99

99

99

99

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van 2021 is de indeling van deze budgettabel gewijzigd. Een heroverweging heeft plaatsgevonden van de instrumentkeuze bij de instellingen Stichting Ons Erfdeel, Stichting Nuffic, Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training, het Duitsland Instituut Amsterdam en Netherlands house for Education and Research (Neth-ER).

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 47 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

97,0%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

3,0%

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2023 97 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 98,1 procent juridisch verplicht. Het niet verplichte deel bestaat uit gereserveerde (Homogene Groep Internationale Samenwerking) middelen voor incidentele subsides.

Opdrachten

Van het budget voor opdrachten is 92,3 procent juridisch verplicht. Het betreft hier een aanbesteding internationalisering en de uitvoeringskosten van de regeling Internationalisering Funderend Onderwijs.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 97,5 procent juridisch verplicht. Een deel is verplicht op basis van internationale verdragen. Dit geldt voor de Nederlandse Taalunie en het Fulbright Center.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100 procent juridisch verplicht. De subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil context brengen bij kunst, taal, geschiedenis, literatuur en maatschappelijke ontwikkelingen uit de Lage Landen. Dit realiseert Ons Erfdeel door het uitbrengen van artikelen en boeken, het publiceren van het Franstalige tijdschrift Septentrion en het digitaal publiceren van artikelen op hun Nederlandstalige, Franstalige en Engelstalige websites.

Stichting Nuffic

De Stichting Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. Nuffic is opdrachtnemer van de opdracht Diensten ten behoeve van internationalisering en ontvangt subsidie voor de uitvoering van beoogde wettelijke taken op het gebied van internationalisering, waarvan verwacht wordt dat ze in de loop van 2022 in werking zullen treden.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training is samen met het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+. Nuffic is aangewezen als Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training voor het nieuwe Erasmus+ programma.

Internationalisering onderwijs

Dit budget wordt ingezet ten behoeve van de introductie, verankering en verdere ontwikkeling van internationalisering in het instellingsbeleid van scholen in het primair en voortgezet onderwijs middels de subsidieregeling internationalisering funderend onderwijs.

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

Het Duitsland Instituut Amsterdam genereert en verspreidt kennis in Nederland over de ontwikkelingen in Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het instituut doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)). Daarnaast stimuleert het DIA het onderwijs in de Duitse taal in Nederland.

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

De vereniging Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie. De leden van Neth-ER bestaan op dit moment uit: MBO Raad, Nuffic, KNAW, NFU, TNO, UNL, Vereniging Hogescholen, NWO, ISO, JOB en LSVB. Het gezamenlijke doel van de vereniging is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma's te vergroten door de leden onder andere te voorzien van informatie over het Europees beleidsproces en het versterken van het netwerk van de leden. Neth-ER ontvangt een subsidie van het Ministerie van OCW voor het informeren van het brede Nederlandse kennisveld over Europese beleidsontwikkelingen op het terrein van onderwijs en onderzoek.

Incidentele HGIS subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten in het kader van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Overige incidentele subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

De Taalunie

De Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Nederlandse Taalunie kennis en informatie over het Nederlands met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een post-universitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door de EU en EU-Lidstaten.

Unesco

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van Unesco.

OESO CERI

OESO CERI betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Commission The Netherlands

Het Fulbright Center verzorgt mobiliteitsprogramma's voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Incidentele EU-programma's en activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma's, welke bij het opstellen van de begroting nog niet concreet zijn.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via het Ministerie van BZ).

Tabel 48 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

55.289

55.737

54.837

53.918

53.918

53.918

53.918

Internationaal beleid (artikel 8)

715

822

822

822

822

822

822

Cultuur (artikel 14)

5934

6.017

5.523

6.511

4.617

4.617

4.617

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

454

Apparaat kerndepartement (artikel 95)

589

2.405

3.305

3.957

3.957

3.957

3.957

Totaal

65.854

68.308

67.814

68.535

66.641

66.641

66.641

Toelichting

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de Rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling weer van de HGIS-middelen van het Ministerie van OCW per artikel. Vanaf 2021 geldt de asieltoerekening en daarom komen de kosten bij primair en voortgezet onderwijs erbij. Deze ODA-toerekeningen voor primair en voortgezet onderwijs zijn opgenomen onder artikel 3.

A.    Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Ministers zijn verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren

De Ministers dragen bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit gebeurt via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren

De Ministers zijn verantwoordelijk voor het stelsel: borgen van de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het stelsel. De tekorten in het onderwijs vormen een risico voor de kwaliteit en toegankelijkheid. Daarom heeft de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs een Onderwijsak-koord gesloten met de sociale partners in het primair- en voortgezet onderwijs over het verbeteren van het salaris, verminderen van de werkdruk en de ontwikkeling van personeel (Kamerstukken II 2021/22, 35925, nr. 184). Daarnaast hebben de Ministers gezamelijk een lerarenstrategie uitgewerkt en naar de Kamer gestuurd om tekorten aan te pakken.

Regisseren

De Ministers dragen verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken wordt een bijdrage geleverd aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren/kengetallen voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in het beleidsverslag en op OCW in Cijfers.

C.    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren worden toegelicht in het onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 49 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

153.039

216.415

220.502

229.606

229.195

233.213

245.702

 

Uitgaven

168.823

211.516

223.401

232.606

231.195

233.213

245.702

 

Bekostiging

40.442

50.360

46.621

46.693

46.693

46.693

46.693

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

40.442

50.360

46.621

46.693

46.693

46.693

46.693

Subsidies (regelingen)

123.184

154.731

169.590

178.657

177.227

179.096

191.597

Lerarenbeurs

58.087

78.881

62.717

61.334

56.185

56.184

56.185

Zijinstroom

42.901

51.424

62.924

66.523

66.992

65.462

63.962

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

568

2.197

1.775

2.606

2.306

2.206

2.206

Aanpak lerarentekort

15.831

20.019

39.949

45.969

49.519

53.019

67.019

Overige subsidies

5.797

2.210

2.225

2.225

2.225

2.225

2.225

Opdrachten

2.241

3.235

3.866

3.892

3.897

3.897

3.897

Bijdrage aan agentschappen

2.956

3.190

3.324

3.364

3.378

3.527

3.515

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.956

3.190

3.324

3.364

3.378

3.527

3.515

Ontvangsten

6.842

6.500

6.500

7.000

7.000

7.000

7.000

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 50 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

41,0%

bestuurlijk gebonden

16,0%

beleidsmatig gereserveerd

43,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 9 is in 2023 41,0 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 38,0 procent juridisch verplicht, ten gevolge van beschikkingen aan samenwerkingsverbanden op grond van de gepubliceerde bekostigingsregeling Tegemoetkoming Kosten Opleidingsscholen (TKO-regeling) 2022-2023. Het resterende beschikbare budget voor 2023 wordt op dezelfde wijze verplicht in de zomer van 2023 (TKO-regeling 2023-2024).

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2023 is 35,8 procent juridisch verplicht, waarvan het grootste deel van het juridisch verplichte budget voor de lerarenbeurs bestemd is. Verder betreft dit subsidies die worden verstrekt op grond van gepubliceerde subsidieregelingen en individuele subsidies die voorafgaand aan het jaar worden verleend.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2023 is 37,0 procent juridisch verplicht op grond van in 2022 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeidsmarkt. Het resterende deel is niet-juridisch verplicht budget bestemd om beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van leraren (professionalisering onderwijspersoneel en aansluiting onderwijs op behoefte arbeidsmarkt) verder te ondersteunen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisatie Dienst Uitvoering Onderwijs voor dat jaar.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Aanvullende bekostiging

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen op het gebied van opleiden en professionaliseren te verbeteren zijn er opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo), middenbaar beroepsonderwijs (mbo)) erkend. Zij ontvangen jaarlijks bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden. Het beschikbare bedrag voor 2023 is € 46,6 miljoen.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2023 is er € 62,7 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling lerarenbeurs. De subsidie - voor zowel studiekosten als studieverlof - kan worden aangevraagd door leraren in het po, vo, mbo en hoger beroepsonderwijs (hbo) voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of masterop-leiding.

Zij-instroom

Onder dit budget vallen vier verschillende subsidieregelingen:

  • 1. 
    de regeling zij-instroom: voor 2023 is € 49,2 miljoen beschikbaar voor een subsidie voor de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject zij-instroom in het beroep. Daarvan is

€ 10,0 miljoen beschikbaar gekomen vanuit het coalitieakkoord om het subsidiebedrag per zij-instromer te verhogen;

  • 2. 
    de regeling korte scholingstrajecten vo: een (toekomstig) leraar in het vo heeft de mogelijkheid om de juiste bevoegdheid te behalen om les te mogen geven in het vo;
  • 3. 
    de regeling mbo-instructeursbeurs: de subsidie - voor zowel studiekosten als studieverlof - kan worden aangevraagd door instructeurs in het mbo voor het volgen van een associate degree of een bachelorop-leiding;
  • 4. 
    de regeling Onderwijsassistenten: de subsidieregeling heeft als doel om het lerarentekort te verminderen door te bevorderen dat meer onderwijsassistenten de opleiding tot leraar gaan doen.

Aanpak lerarentekort

Voor 2023 is er circa € 40,0 miljoen beschikbaar voor de aanpak lerarentekort. Hiervan is er circa € 27,0 miljoen bestemd voor de subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort (RAP), waarvan circa € 7,0 miljoen komt uit de coalitieakkoordmiddelen. Deze subsidieregeling kan worden gebruikt om partijen in de regio te ondersteunen om het lerarentekort in het po, vo en mbo gezamenlijk aan te pakken. Daarnaast is er circa € 13,0 miljoen beschikbaar vanuit het coalitieakkoord voor overige maatregelen rond de regionale aanpak tekorten.

Wet Beroep Leraar en lerarenregister

Voor 2023 is € 1,8 miljoen beschikbaar voor het versterken van het beroep leraar. Dit budget wordt ingezet voor onder meer de verkiezing 'leraar van het jaar', de ondersteuning van beroepsgroepvorming, de implementatie van het professioneel statuut van de leraar en het toezicht daarop.

Overige subsidies

Vanuit het regeerakkoord is er circa € 1,0 miljoen beschikbaar voor een programma om statushouders met lesbevoegdheid in eigen land in Nederland bevoegd in te zetten. Daarnaast zijn er subsidies voor specifiek e projecten zoals een bijzondere leerstoel en de aansluiting mbo/pabo.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise ingehuurd op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

A.    Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 51 Normbedragen studiefinanciering 2021 per maand in euro's1

 
   

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 312,52

€ 112,25

n.v.t.

€ 288,77

€ 88,48

Aanvullende beurs

€ 299,28

€ 275,86

€ 419,04

€ 387,78

€ 364,42

Maximaal leenbedrag

€ 321,07

€ 321,07

€ 513,83

€ 192,76

€ 192,76

Collegegeldkrediet

€ 184,08

€ 184,08

€ 184,08

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1.116,95

€ 893,26

€ 1.116,95

€ 869,31

€ 645,66

1 Peildatum 1 september 2022.

C. Beleidswijzigingen

In het coalitieakkoord 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst' zijn afspraken opgenomen met betrekking tot studiefinanciering. Er wordt momenteel gewerkt aan een wetvoorstel waarin uitvoering gegeven wordt aan die afspraak uit het coalitieakkoord. De beoogde inwerkingtredings-datum van het wetvoorstel is 1 september 2023. Allereerst wordt in het hoger onderwijs de basisbeurs opnieuw ingevoerd. Hiermee wil het kabinet gehoor geven aan de zorgen van de huidige generatie jongeren. Voor de studenten met ouders die een laag- en middeninkomen verdienen wordt de aanvullende beurs uitgebreid. Daarnaast is in het coalitieakkoord afgesproken dat het wenselijk is om een financiële tegemoetkoming te realiseren voor de generatie die tijdens het leenstelsel heeft gestudeerd. De grondslag voor deze tegemoetkoming wordt met dit wetsvoorstel gecreëerd. Met dit wetsvoorstel wordt ook de bijverdiengrens in het mbo afgeschaft en worden de terugbetaalvoorwaarden in het mbo gelijkgetrokken met de voorwaarden zoals deze gelden voor studenten in het hoger onderwijs. Tot slot voorziet dit wetsvoorstel in een verruiming van de zogenoemde 1-februariregeling, om zo een mogelijke belemmering voor doorstromers uit het mbo naar het hbo weg te nemen.

Eerder heeft het kabinet een hoofdlijnenbrief over de onderwerpen uit het wetsvoorstel met de Tweede Kamer gedeeld en op 4 april 2022 heeft daarover een nota-overleg plaatsgevonden (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 176). Uit het nota-overleg is de wens voortgekomen om een deel van de middelen die vrijkomen wanneer de halvering van het collegegeld wordt afgeschaft, te betrekken bij het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs. In het wetsvoorstel dat nu voorligt, zijn die middelen - in uitvoering van de motie Van der Molen/Van der Laan (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 180), Van Baarle (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 187) en Van der Graaf (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 187) meegenomen.5

Ook is in het wetsvoorstel een andere vormgeving van de studievoorschot-vouchers opgenomen. In plaats van een studievoucher is voorgesteld dat deze beschikbaar moeten komen in de vorm van een korting op de studieschuld. Als er geen studieschuld (meer) is, moet deze worden uitbetaald aan de student. Hiermee geeft het kabinet ook gehoor aan de motie Van der Molen c.s. (Kamerstukken II 2019/2020, 24724, nr. 172).

Het kabinet heeft daarnaast besloten om voor het studiejaar 2023/2024 de basisbeurs voor uitwonende studenten te verhogen met € 165 per maand. Deze verhoging geldt voor de duur van één jaar en voor zowel mbo- als ho-studenten. Deze maatregel is onderdeel van het pakket aan koopkrach-tmaatregelen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 52 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)1

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.653.306

5.725.800

5.516.325

7.160.607

8.305.886

7.071.063

7.057.882

 

Uitgaven

5.653.306

5.725.800

5.516.325

7.160.607

8.305.886

7.071.063

7.057.882

 

Inkomensoverdracht

2.839.628

2.446.715

1.447.206

2.413.123

3.960.823

2.937.030

3.148.791

Basisbeurs gift (R)

652.574

504.233

373.559

371.336

352.856

340.797

312.784

Aanvullende beurs gift (R)

711.543

747.946

761.611

781.020

797.001

809.122

814.546

Reisvoorziening gift (R)

1.054.939

916.837

296

1.037.282

1.073.608

1.119.091

1.105.571

Maatregelen herinvoering basisbeurs

(R)

0

0

29.925

60.845

152.668

430.000

709.500

Tegemoetkoming

(R)

0

0

0

0

784.034

90.771

57.856

Studievoorschotvouchers

(R)

0

1.663

9.152

910

650.546

15.340

9.125

Caribisch Nederland gift (R)

2.554

2.971

2.971

2.971

2.971

2.971

2.971

Overige uitgaven (R)

418.018

273.065

269.692

158.759

147.139

128.938

136.438

Leningen

2.669.152

3.122.320

3.890.737

4.565.592

4.167.802

3.960.373

3.774.141

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

  • 400.676
  • 256.026
  • 117.068
  • 119.851
  • 145.378
  • 47.470

6.684

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

149.305

140.175

117.521

94.100

78.023

67.739

62.189

Reisvoorziening (NR)

170.083

176.199

147.994

128.208

119.758

101.312

115.150

Maatregelen herinvoering basisbeurs

(NR)

0

0

362.000

1.012.000

625.000

389.000

129.000

Rentedragende lening (NR)

2.476.627

2.742.662

2.937.615

2.998.347

3.029.369

2.984.660

2.990.710

Collegegeldkrediet (NR)

228.999

240.095

352.580

358.911

363.445

367.246

371.074

Leven lang leren krediet (NR)

27.275

27.383

35.011

37.116

39.222

39.222

39.222

Overige uitgaven (NR)

17.539

51.832

55.084

56.761

58.363

58.664

60.112

Bijdrage aan agentschappen

144.526

156.765

178.382

181.892

177.261

173.660

134.950

Dienst Uitvoering Onderwijs

144.526

156.765

178.382

181.892

177.261

173.660

134.950

Ontvangsten

1.136.446

1.182.316

1.233.363

1.280.277

1.328.034

1.375.239

1.412.910

Ontvangsten (R)

82.150

67.148

71.588

78.063

88.843

98.773

98.562

Ontvangen rente (R)

51.780

47.181

52.633

59.120

69.912

79.854

79.654

Overige ontvangsten (R)

30.071

19.642

18.630

18.618

18.606

18.594

18.583

Ontvangsten Caribisch Nederland (R )

299

325

325

325

325

325

325

Ontvangsten (NR)

1.054.296

1.115.168

1.161.775

1.202.214

1.239.191

1.276.466

1.314.348

Terugontvangen lening (NR)

1.054.296

1.115.168

1.161.775

1.202.214

1.239.191

1.276.466

1.314.348

1 Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Tabel 53 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

relevante uitgaven:

2.984.154

2.603.480

1.625.588

2.595.015

4.138.084

3.110.690

3.283.741

niet relevante uitgaven:

2.669.152

3.122.320

3.890.737

4.565.592

4.167.802

3.960.373

3.774.141

relevante ontvangsten:

82.150

67.148

71.588

78.063

88.843

98.773

98.562

niet relevante ontvangsten:

1.054.296

1.115.168

1.161.775

1.202.214

1.239.191

1.276.466

1.314.348

Budgetflexibilit eit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2022 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven DUO zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het uitgavenplafond. Uitgangspunt in de begrotingsregels is dat uitgaven die relevant zijn voor het EMU-saldo ook relevant zijn voor het uitgavenplafond. Zoals opgenomen in Miljoenennota 2022 is de behandeling van prestatiebeurzen voor het EMU-saldo veranderd door gewijzigde inzichten van Eurostat en daarmee CBS.

De relevante uitgaven in deze begroting worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift. In deze begroting van OCW worden de prestatiebeursuitgaven als niet-relevant behandeld (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift); in de weergave van het EMU-saldo worden zij wel als relevant weergegeven, middels een correctie op het EMU-saldo.

Overige niet-relevante uitgaven zijn de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 54 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2023 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven DUO zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en de uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

In deze ontwerpbegroting zijn de gevolgen van het conceptwetsvoorstel herinvoering basisbeurs in tabel 52 als aparte financiële reeksen weergegeven in afwachting van de besluitvorming door de Eerste en Tweede Kamer ten aanzien van het wetsvoorstel. De financiële toelichting op deze reeksen zijn opgenomen onder de inkomensoverdracht als maatregelen herinvoering basisbeurs (R), tegemoetkoming, studievoor-schotvouchers en onder de leningen als maatregelen herinvoeren basisbeurs (NR). Daarnaast is ook de eenjarige verhoging van de uitwonende basisbeurs voor ho-studenten in de reeksen maatregelen herinvoering basisbeurs (R en NR) opgenomen. In de onderliggende tabellen (55 tot en met 64) is geen rekening gehouden met de gevolgen van het concep-twetvoorstel en met de eenjarige verhoging van de uitwonende basisbeurs in het ho voor studiejaar 2023/2024. Voor mbo-studenten is deze maatregel wel meegenomen in de onderliggende tabellen.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs (ho) het studievoorschot. De basisbeurs in het ho is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) is de basisbeurs onveranderd gebleven. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden

Tabel 55 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2021 afgeronde raming)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Studenten met basisbeurs

220.960

216.500

212.000

210.800

212.800

216.100

218.400

bol

218.262

215.300

211.400

210.800

212.800

216.100

218.400

hbo

2.386

1.100

600

0

0

0

0

wo

312

100

0

0

0

0

0

Studenten zonder basisbeurs

589.106

599.400

615.500

618.500

617.800

616.000

614.400

bol

19.209

19.000

18.600

18.600

18.700

19.000

19.200

hbo

346.110

344.500

353.400

349.900

343.600

336.900

330.700

wo

223.787

235.900

243.500

250.000

255.500

260.100

264.500

Totaal

810.066

815.900

827.500

829.300

830.600

832.100

832.800

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vond een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde basisbeurs gift

80.777

86.705

95.755

101.940

85.149

86.120

85.997

bol

84.725

85.684

95.755

101.940

85.149

86.120

85.997

hbo

  • 4.164

589

0

0

0

0

0

wo

216

432

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

571.797

417.528

277.804

269.396

267.707

254.677

226.787

bol

208.710

199.648

205.534

207.127

215.439

222.408

222.565

hbo

180.488

97.821

37.833

32.833

27.833

17.833

3.671

wo

182.599

120.059

34.436

29.436

24.436

14.436

550

Totaal

652.574

504.233

373.559

371.336

352.856

340.797

312.784

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs wordt jaarlijks bijgesteld en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho. In 2023 en 2024 zijn de uitgaven aan uitbetaalde basisbeurs gift in de bol hoger vanwege de koopkrachtmaatregel die ervoor zorgt dat de uitwonende basisbeurs met € 165 per maand wordt verhoogd, eenjarig in studiejaar 2023/2024. Vanaf 2025 heeft deze maatregel ook effect op de naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime. In het ho krijgen studenten de eerste 5 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 57 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2021 afgeronde raming)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

bol

112.674

113.300

111.200

110.900

112.100

113.700

114.800

hbo

96.185

98.400

97.500

96.400

94.600

92.800

91.100

wo

34.615

36.700

37.900

38.900

39.700

40.500

41.100

Totaal

243.474

248.400

246.600

246.200

246.400

247.000

247.000

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

Tabel 57 laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo.

Tabel 58 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

291.160

305.654

300.755

300.287

301.530

304.165

304.923

bol

237.829

250.313

245.376

245.115

246.883

250.109

251.400

hbo

41.342

43.029

42.664

42.137

41.340

40.517

39.762

wo

11.989

12.312

12.715

13.035

13.307

13.539

13.761

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

420.382

442.292

460.856

480.733

495.471

504.957

509.623

bol

140.435

137.075

137.183

139.160

141.089

141.667

141.271

hbo

205.943

222.740

237.431

250.757

259.446

264.516

266.939

wo

74.004

82.477

86.242

90.815

94.936

98.775

101.412

Totaal

711.543

747.946

761.611

781.020

797.001

809.122

814.546

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen, is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 275,86 of € 299,28 per maand. Dit geldt ook voor het bol, daar bedraagt de aanvullende beurs maximaal respectievelijk € 364,42 of € 387,78 per maand (zie tabel 57).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 419,04. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs. Zoals eerder toegelicht worden de gevolgen voor de aanvullende beurs die voortkomen uit de het conceptwetsvoorstel herinvoering basisbeurs apart toegelicht in deze ontwerpbegroting en maken om die reden nog geen onderdeel uit van tabel 61.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen (andere) exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 59 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2021 afgeronde raming)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aantal gebruikers van het reisrecht

847.630

860.100

858.200

860.800

864.500

867.800

854.100

bol minderjarig

108.797

103.600

100.800

100.900

102.100

102.900

102.400

bol

220.292

217.300

213.400

212.700

214.800

218.100

220.400

ho

518.541

539.200

544.000

547.200

547.600

546.800

531.300

Aantal RBS

10.066

12.200

19.000

19.000

19.200

19.200

19.300

bol

839

1.400

2.600

2.500

2.600

2.600

2.600

ho

9.226

10.800

16.400

16.500

16.600

16.600

16.700

Totaal

857.696

872.300

877.200

879.800

883.700

887.000

873.400

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. In het Nationaal Plan Onderwijs is de reisvoorziening voor ho-studenten verlengd met een extra jaar. Studenten die in de periode maart t/m december 2020 een opleiding volgden aan een hogeschool of universiteit én op dat moment minimaal een maand recht hadden op studiefinanciering, krijgen in totaal 12 maanden extra reisrecht erbij, aansluitend op het reguliere reisrecht van de nominale studieduur plus één jaar.

Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Sinds 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 60 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde reisvoorziening gift

91.315

99.739

101.290

103.537

106.815

110.318

113.251

bol

79.665

82.688

82.971

84.484

87.087

89.953

92.248

ho

11.651

17.051

18.319

19.053

19.728

20.365

21.003

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

719.640

759.423

804.380

839.952

871.078

897.157

903.900

bol

245.662

258.232

272.380

278.050

280.833

284.499

289.070

ho

473.978

501.191

532.000

561.902

590.245

612.658

614.830

Bijdrage studerenden aan OV-contract

  • - 
    1.015.081
  • - 
    1.065.264
  • - 
    1.082.211
  • - 
    1.105.598
  • - 
    1.130.954
  • - 
    1.141.508
  • - 
    1.164.444

bol

  • 395.302
  • 404.366
  • 403.818
  • 411.149
  • 423.799
  • 437.815
  • 449.128

ho

  • 619.779
  • 660.898
  • 678.393
  • 694.449
  • 707.155
  • 703.692
  • 715.316

Kosten contract OV-bedrijven

1.259.065

1.122.939

176.837

1.199.391

1.226.669

1.253.124

1.252.864

Totaal reisvoorziening

1.054.939

916.837

296

1.037.282

1.073.608

1.119.091

1.105.571

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract ov-bedrijven zijn de jaarlijkse kosten lastig met elkaar te vergelijken. Dit heeft te maken met de verschillende kasschuiven. Er heeft een kasschuif van € 1.050 miljoen plaatsgevonden van 2022 naar 2021. Ook vindt er een kasschuif van € 960 miljoen plaats van 2023 naar 2022.

Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de ov-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen. Omdat er geen soortgelijke kasschuif plaatsvindt van 2024 naar 2023, zijn de kosten contract ov-bedrijven voor 2023 veel lager dan andere jaren.

Maatregelen herinvoering basisbeurs (R)

De financiële reeks voor de maatregelen herinvoeren basisbeurs (R) komt overeen met de reeks uit het conceptwetsvoorstel. De uitgaven Maatregelen herinvoering basisbeurs zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • • 
    herinvoering basisbeurs in het ho. Een uitwonende beurs bedraagt

€ 274,90 per maand en een thuiswonende beurs bedraagt € 110,30 per maand;

  • • 
    uitbreiding doelgroep aanvullende beurs in het ho naar € 70.000. De maximale aanvullende beurs bedraagt € 401,34;
  • • 
    het terugdringen van het niet-gebruik van de aanvullende beurs;
  • • 
    overige kosten; afschaffen bijverdiengrens in het mbo, het gelijk trekken van de terugbetaalvoorwaarden in het mbo met het ho en een verruiming van de 1-februariregeling.

Daarnaast is in deze reeks ook het effect opgenomen van de koopkrach-tmaatregel om de uitwonende basisbeurs voor ho-studenten in studiejaar 2023/2024 eenmalig te verhogen met € 165 per maand.

Tegemoetkoming

De financiële reeks voor de tegemoetkoming, zoals deze in tabel 52 is opgenomen, komt overeen met de reeks uit het conceptwetsvoorstel. De tegemoetkoming is bedoeld voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. De student ontvangt een tegemoetkoming voor elke maand dat hij/zij onder het leenstelsel heeft gestudeerd. Daarbij geldt een minimale periode van 12 maanden die men onder het leenstelsel moet hebben gestudeerd. In het conceptwetsvoorstel is het per maand beschikbare bedrag voor de tegemoetkoming opgenomen van € 29,92. Daarnaast geldt dat studenten een diploma moeten behalen binnen de gestelde termijn van 10 jaar om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming. Naar schatting zullen er ongeveer 916.500 studenten gebruik maken van deze regeling.

Studievoorschotvouchers

De financiële reeks voor de studievoorschotvouchers, zoals deze in tabel 52 is opgenomen, komt overeen met de reeks uit het conceptwetvoorstel. In het conceptwetsvoorstel wordt de vorm van de studievoorschotvouchers aangepast en wordt daarmee in vormgeving gelijk aan de tegemoetkoming. De doelgroep van de studievoorschotvouchers blijft hetzelfde -namelijk studenten die in de collegejaren 2015-2016 tot en met 2018-2019 voor het eerst een opleiding met studiefinanciering zijn gaan doen en daarvoor binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald. Conform het conceptwetsvoorstel bedraagt de voucher circa € 1.836 per student. Naar schatting maken er 374.000 studenten gebruik van deze regeling.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen. In 2021,2022 en 2023 zijn de overige uitgaven fors hoger dan andere jaren. Dat komt enerzijds omdat de kosten voor de tegemoetkoming studenten mbo en ho als gevolg van de corona-maatregelen zijn opgenomen onder deze post. Daarnaast worden de kwijtscheldingen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire ook onder deze post geboekt.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet-relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het ho het studievoorschot.

Tabel 61 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde basisbeurs

236.669

262.959

277.188

280.999

253.784

257.442

260.705

bol

244.224

251.944

269.218

275.898

248.753

252.485

255.817

hbo

9.664

9.351

7.003

4.417

4.333

4.246

4.165

wo

2.090

1.664

967

684

698

711

722

toeslagenaffaire

  • 19.309
           

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

  • - 
    571.797
  • - 
    417.531
  • - 
    277.804
  • - 
    269.396
  • - 
    267.708
  • - 
    254.677
  • - 
    226.786

bol

  • 208.710
  • 199.651
  • 205.535
  • 207.127
  • 215.439
  • 222.408
  • 222.565

hbo

  • 180.488
  • 97.821
  • 37.833
  • 32.833
  • 27.833
  • 17.833
  • 3.671

wo

  • 182.599
  • 120.059
  • 34.436
  • 29.436
  • 24.436
  • 14.436
  • 550

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

  • - 
    65.549
  • - 
    101.454
  • - 
    116.454
  • - 
    131.454
  • - 
    131.454
  • - 
    50.235
  • - 
    27.235

bol

  • 4.811
  • 8.235
  • 9.235
  • 10.235
  • 10.235
  • 10.235
  • 10.235

hbo

  • 43.120
  • 73.462
  • 83.462
  • 93.462
  • 93.462
  • 25.000
  • 10.000

wo

  • 17.618
  • 19.757
  • 23.757
  • 27.757
  • 27.757
  • 15.000
  • 7.000

Totaal

  • - 
    400.676
  • - 
    256.026
  • - 
    117.070
  • - 
    119.851
  • - 
    145.378
  • - 
    47.470

6.684

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 61 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalde het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

De koopkrachtmaatregel waardoor de basisbeurs voor uitwonende studenten in het mbo verhoogd wordt in studiejaar 2023/2024 heeft ook effect op de reeksen in tabel 61. De uitbetaalde basisbeurs in het bol ligt daarmee voor de jaren 2023 en 2024 hoger. In latere jaren werkt deze maatregel ook door op de uitgaven in het bol onder de kopjes «naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs» en «naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs».

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 62 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde aanvullende beurs

596.875

626.449

624.860

623.815

622.478

621.681

620.794

bol

174.238

176.543

173.771

172.917

174.335

177.062

179.466

hbo

311.930

321.778

318.821

315.147

309.419

303.383

297.730

wo

117.362

128.127

132.268

135.751

138.724

141.235

143.598

toeslagenaffaire

  • 6.655
           

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

  • - 
    420.382
  • - 
    442.291
  • - 
    460.856
  • - 
    480.732
  • - 
    495.472
  • - 
    504.959
  • - 
    509.622

bol

  • 140.435
  • 137.075
  • 137.183
  • 139.160
  • 141.089
  • 141.667
  • 141.271

hbo

  • 205.943
  • 222.739
  • 237.431
  • 250.757
  • 259.447
  • 264.517
  • 266.939

wo

  • 74.004
  • 82.477
  • 86.242
  • 90.815
  • 94.936
  • 98.775
  • 101.412

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

  • - 
    27.188
  • - 
    43.983
  • - 
    46.483
  • - 
    48.983
  • - 
    48.983
  • - 
    48.983
  • - 
    48.983

bol

  • 3.988
  • 6.814
  • 7.814
  • 8.814
  • 8.814
  • 8.814
  • 8.814

hbo

  • 17.048
  • 26.989
  • 27.989
  • 28.989
  • 28.989
  • 28.989
  • 28.989

wo

  • 6.152
  • 10.180
  • 10.680
  • 11.180
  • 11.180
  • 11.180
  • 11.180

Totaal

149.305

140.175

117.521

94.100

78.023

67.739

62.189

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 62 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Voor het verloop van deze uitgaven gelden dezelfde factoren als voor de relevante uitgaven aan de aanvullende beurs.

Reisvoorziening

Tabel 63 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Uitbetaalde reisvoorziening

922.302

980.622

1.004.374

1.026.159

1.048.836

1.056.469

1.077.050

bol

315.527

323.410

324.011

329.880

340.020

351.282

360.403

ho

613.831

657.212

680.363

696.278

708.816

705.187

716.648

toeslagenaffaire

  • 7.056
           

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

  • - 
    719.640
  • - 
    759.423
  • - 
    804.380
  • - 
    839.951
  • - 
    871.078
  • - 
    897.157
  • - 
    903.900

bol

  • 245.662
  • 258.232
  • 272.380
  • 278.049
  • 280.833
  • 284.499
  • 289.070

ho

  • 473.978
  • 501.191
  • 532.000
  • 561.902
  • 590.245
  • 612.658
  • 614.830

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

  • - 
    32.578
  • - 
    45.000
  • - 
    52.000
  • - 
    58.000
  • - 
    58.000
  • - 
    58.000
  • - 
    58.000

bol

  • 2.781
  • 5.000
  • 7.000
  • 8.000
  • 8.000
  • 8.000
  • 8.000

ho

  • 29.797
  • 40.000
  • 45.000
  • 50.000
  • 50.000
  • 50.000
  • 50.000

Totaal reisvoorziening

170.083

176.199

147.994

128.208

119.758

101.312

115.150

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 63 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Maatregelen herinvoering basisbeurs (NR)

De niet-relevante uitgaven Maatregelen herinvoering basisbeurs zijn opgebouwd uit drie onderdelen. Als eerste bevat deze reeks de niet-relevante uitgaven op de basisbeurs en de aanvullende beurs als gevolg van het conceptwetsvoorstel. In deze reeks zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als toegelicht onder maatregelen herinvoeren basisbeurs (R). Daarnaast bevat deze reeks ook een bijstelling op de uitgaven aan de leenfa-ciliteit. Als gevolg van het herinvoeren van de basisbeurs in het hos zal er naar verwachting minder geleend worden. In de berekening is de aanname gedaan dat de gemiddelde studieschuld daalt naar het niveau van voor invoering van het studievoorschot, gecorrigeerd voor prijsstijgingen.

Als laatste bevat deze reeks ook de niet-relevante uitgaven op de basisbeurs in het ho door toedoen van de koopkrachtmaatregel, waardoor de basisbeurs in 2023/2024 voor uitwonende studenten tijdelijk met € 165 per maand wordt verhoogd.

Tabel 64 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Ontvangen rente

51.780

47.181

52.633

59.120

69.912

79.854

79.654

Overige ontvangsten

30.071

19.642

18.630

18.618

18.606

18.594

18.583

Renteloos voorschot en relevante rentedragende lening

1.075

998

986

974

962

950

939

rentedragende lening

             

Kortlopende vorderingen

28.995

18.644

17.644

17.644

17.644

17.644

17.644

Ontvangsten Caribisch Nederland

299

325

325

325

325

325

325

Totaal relevante ontvangsten

82.150

67.148

71.588

78.063

88.843

98.773

98.562

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege stijgende studentenaantallen. De verwachte uitgaven aan het collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet lopen in 2021 en 2022 iets terug vanwege de halvering van het collegegeld. Het maximaal aan te vragen collegegeld-krediet en levenlanglerenkrediet voor studenten die het wettelijk collegegeld betalen is in collegejaar 2021-2022 gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Relevante ontvangsten

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten op de kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is. De ontvangsten Caribisch Nederland betreft rente ontvangsten op leningen die verstrekt zijn aan studenten uit het Caribisch gebied.

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer en vaker is geleend.

3.8 Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

A.    Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage Schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers.

Tabel 65 Normbedragen WTOS in euro's (per maand, tenzij anders vermeld)1

Schoolkosten Les- of cursusgeld    Basistoelage    Basistoelage

 
     

thuiswonend

uitwonend

Leerlingen in het vo vanaf 18 jaar

vo onderbouw

85,89

     

niet bekostigd vo onderbouw

117,59

103,25

121,81

284,01

vo bovenbouw

94,03

 

121,81

284,01

niet bekostigd vo bovenbouw

125,78

103,25

121,81

284,01

vso

57,05

 

121,81

284,01

vavo

125,78

103,25

121,81

284,01

Tegemoetkoming studenten 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd2

bij 540 of meer lesminuten per week

338,53

393,60

   

tussen 270 en 540 minuten per week

228,07

262,40

   

Lerarenopleidingen2

791,17

567,23

   

1    Peildatum schooljaar 2022/2023

2    Bedragen per schooljaar

Toelichting

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (vo) gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 66 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (bedragen x € 1.000)1

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

65.014

70.721

73.732

74.358

74.134

74.541

75.627

 

Uitgaven

65.014

70.721

73.732

74.358

74.134

74.541

75.627

 

Inkomensoverdracht

62.351

68.086

70.948

71.535

71.262

71.528

72.620

Minderjarige deelnemers bol (R )

3

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.796

3.985

3.985

3.985

3.985

3.985

3.985

Deeltijd vo (R)

1.733

1.836

1.836

1.836

1.836

1.836

1.836

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

4.715

5.756

6.196

6.482

6.579

6.590

6.662

Meerderjarige scholieren vo (R)

48.308

52.549

55.019

55.303

54.946

55.156

56.072

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.796

3.960

3.912

3.929

3.916

3.961

4.065

Leningen

14

14

14

14

14

14

14

STOEB/ALR (NR)

14

14

14

14

14

14

14

Bijdrage aan agentschappen

2.649

2.621

2.770

2.809

2.858

2.999

2.993

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.649

2.621

2.770

2.809

2.858

2.999

2.993

Ontvangsten

1.948

1.997

2.086

2.104

2.096

2.104

2.136

Minderjarige deelnemers bol (R)

23

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

189

189

189

189

189

189

189

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

1.736

1.808

1.897

1.915

1.907

1.915

1.947

1 Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 67 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2023 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Alternatieve aanwending vereist wijziging van weten regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoerings Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie deze bedoeld is.

 

Tabel 68 Aantal gebruikers per regeling 1

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aantal gebruikers tegemoetkoming    5.729

lerarenopleiding en deeltijd vo en vavo    5.729

5.700

5.700

5.700

5.700

5.700

5.700

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aantal meerderjarige gebruikers v(s)o en vavo

28.464

29.200

30.600

30.900

30.700

30.900

31.400

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Lening

Het bedrag dat onder het instrument lening is geboekt betreft uitgaven aan de rentedragende lening op de WTOS.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.9 Artikel 13. Lesgelden

A.    Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling.

Tabel 69 Lesgeldbedrag (bedragen x € 1)1

2021/22    2022/23    2023/24    2024/25    2025/26    2026/27    2027/28

Lesgeld    608    1.239    1.239    1.239    1.239    1.239    1.239

1 Conform het Nationaal Programma Onderwijs is het lesgeld voor studiejaar 2021/2022 gehalveerd.

C.    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D.    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 70 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

13.900

14.807

15.667

15.873

15.882

16.899

16.820

 

Uitgaven

13.900

14.807

15.667

15.873

15.882

16.899

16.820

 

Bijdrage aan agentschappen

13.900

14.807

15.667

15.873

15.882

16.899

16.820

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.900

14.807

15.667

15.873

15.882

16.899

16.820

Ontvangsten

204.890

196.346

262.124

266.674

274.713

284.092

291.945

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 71 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2023 100 procent juridisch verplicht. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

Bijdrage aan agentschappen

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, studiefinanciering en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs. Voor het collegejaar 2021/22 gold eenmalig een halvering van het lesgeld voor alle studenten aan een bekostigde instelling. Hierdoor zijn de ontvangsten lager voor 2022. Vanaf collegejaar 2022/23 betalen leerlingen weer het reguliere bedrag aan lesgeld.

Tabel 72 Aantal lesgeldplichtigen 1

2021    2022    2023    2024    2025    2026    2027

bol/vo    219.258    216.300    212.400    211.700    213.800    217.100    219.400

1 Bron 2021: realisatiegegevens DUO; Bron 2022 - 2027: ramingsmodel SF

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de deelnemers/leerlingen.

3.10 Artikel 14. Cultuur

A.    Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt. De Minister is ook verantwoordelijk voor de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet.

Financieren

De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van een aantal specifieke (wettelijke) programma's en regelingen, onder meer op het gebied van erfgoed, kunsten en bibliotheken.

Stimuleren

De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door een aantal programma's, als cultuureducatie, leesbevordering en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren

De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Het gaat dan onder meer over de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen

 

Tabel 73 Kengetallen

Kengetal

2015

20161

2017

20182

2019

20203

1 Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht

 

89%

 

89%

 

75%

2 Percentage bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht

 

59%

 

63%

 

45%

3 Percentage kinderen en jongeren tussen 6 en 19 jaar dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht

 

99% (6-11 jaar) 99% (12-19 jaar)

 

98%

(6-11 jaar) 100% (12-19 jaar)

 

94% (6-11 jaar) 89% (12-19 jaar)

1    Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd. De Vrijetijdsomnibus (VTO) is een tweejaarlijks onderzoek naar cultuur- en sportparticipatie van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek wordt eens in de twee jaar uitgevoerd.

2    Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd. De VTO2018 peiling verschilde van de eerdere peilingen. Voortschrijdend inzicht bij het CBS leidde tot een andere 'waarnemingsstrategie'. Dit is echter niet zonder consequenties voor de vergelijkbaarheid met eerdere jaren. Er is voor gekozen om de data van eerdere VTO's met terugwerkende kracht te herwegen, zodat het net is of destijds ook al de 2018 gehanteerde waarnemingsstrategie was gebruikt. De vergelijkbaarheid van 2018 is hersteld met de eerdere jaren, en heeft als consequentie dat de cijfers over die eerdere jaren wat anders kunnen uitvallen dan eerder is gepubliceerd. In de regel leidde dit overigens niet tot grote verschillen.

3 Bron: de Boekmanstichting/CBS (Vrijetijdsomnibus 2020-2021), maatwerktabel, op verzoek door de Boekmanstichting geleverd. In 2020 zijn een aantal vragen anders geformuleerd, wat tot een licht afwijking in de respons kan hebben geleid. De gegevens over 2020 zijn de meest recente.

Toelichting

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven de ontwikkelingen weer van het cultuurbereik. Daarmee zijn deze in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur.

In 2020 bezochten minder mensen voorstellingen, musea en bibliotheken dan de jaren daarvoor. Dit is vooral toe te schrijven aan de beperkte toegang tot cultuur tijdens de coronapandemie. Voorstellingen, musea en bibliotheken werden door 75% van de bevolking bezocht: 14% minder dan in 2018. Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 45% van de mensen bezocht: 18% minder dan in 2018. Het is belangrijk dat iedereen al vroeg met cultuur in aanraking komt. Op basis van deze gegevens blijkt dat tijdens 2020 kinderen in ieder geval nog veel in contact bleven met cultuur. Rond 90% van de kinderen en jongeren tot en met 19 jaar bezochten in 2020 minstens één keer een voorstelling, een museum of bibliotheek.

De kwantitatieve onderbouwing van de doelstellingen op basis van data, kwantitatieve en kwalitatieve informatie, (beleids)evaluaties en onderzoek worden zo compleet mogelijk op OCW in Cijfers gepubliceerd. Daarnaast brengt de Boekmanstichting met de Cultuurmonitor, in opdracht van het ministerie van OCW, trends en ontwikkelingen in het culturele leven in Nederland in beeld. Een interactief dashboard biedt toegang tot een database met indicatoren over de Nederlandse cultuursector.

C. Beleidswijzigingen

In aanvulling op de maatregelen die in de hoofdlijnenbrief cultuur 2022 staan (Kamerstuk 32820-467) wordt in 2023 verder geïnvesteerd in cultuur. Hiervoor is de komende jaren structureel € 170,0 miljoen beschikbaar. De voorgenomen bestedingen worden verdeeld over de overkoepelende onderwerpen die in het overzicht hieronder te zien zijn. De maatregelen worden inhoudelijk toegelicht in de brief die de Tweede Kamer voorafgaand aan het wetgevingsoverleg ontvangt.

Coalitieakkoordmiddelen art. 14 (bedragen x € 1.000)

 
 

2023

2024

2025

2026 e.v.

Innovatie en digitale transformatie

15.500

15.500

14.500

5.000

Bibliotheken

35.700

56.700

62.700

62.700

Erfgoed

19.300

24.800

45.100

18.200

Arbeidsmarkt en makers

38.600

28.600

66.600

66.600

Educatie en participatie

26.400

27.900

15.000

15.000

Totaal

135.500

153.500

203.900

167.500

APK

2.700

2.700

2.700

2.500

Kasschuif

30.700

8.200

  • - 
    38.900

0

Overheveling cultuur middelen naar media

1.100

5.600

2.300

0

Totaal beschikbare coalitieakkoordmiddelen

170.000

170.000

170.000

170.000

In het overzicht is te zien dat er in 2023 en 2024 sprake is van kasschuiven om de beschikbaar gestelde middelen uit het coalitieakkoord aan te passen aan het voorgenomen bestedingsritme. Verder is er in 2022 € 9,0 miljoen meer besteed aan cultuur, vanuit de coalitieakkoordmiddelen voor media.

Dit bedrag wordt in de jaren 2023, 2024 en 2025 weer overgeheveld naar media (artikel 15). Ten slotte krijgt artikel 14 vanaf 2023 € 3,5 miljoen extra voor leesbevordering uit de Ca-enveloppe Onderwijskwaliteit.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 74 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.132.742

1.074.326

641.444

2.895.556

703.708

666.058

664.002

 

Uitgaven

1.455.625

1.672.292

1.209.069

1.231.783

1.271.086

1.233.413

1.231.482

 

Bekostiging

1.187.118

1.038.586

1.014.984

1.049.181

1.091.776

1.089.299

1.089.180

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

267.733

251.202

246.802

246.963

265.682

263.351

262.300

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

364.049

287.181

264.948

258.882

261.726

260.066

258.963

Huisvesting erfgoed

0

0

0

0

0

0

0

Beheer en onderhoud collecties erfgoed

0

0

0

0

0

0

0

Museale instellingen met een wettelijke taak

289.693

258.139

229.141

234.141

234.090

234.192

236.717

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

23.867

25.211

52.731

74.731

83.731

83.731

83.731

Digitale openbare bibliotheek

19.118

21.926

17.426

17.426

17.526

17.526

17.526

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

12.537

13.026

13.026

13.026

13.026

13.026

13.026

Monumentenzorg

176.593

145.628

154.096

156.388

154.028

155.390

155.390

Archieven incl. Regionale Historische Centra

28.528

30.155

30.696

30.696

29.896

29.946

29.456

Flankerend beleid huisvesting

5.000

6.117

6.117

6.117

6.117

6.117

6.117

Cultuureducatie met Kwaliteit

0

1

1

10.811

25.954

25.954

25.954

Subsidies (regelingen)

200.934

353.195

91.929

76.307

71.519

60.277

59.524

Verbreden inzet cultuur

8.144

14.238

25.131

22.501

21.302

19.252

20.341

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

9.069

9.445

9.445

9.445

8.351

8.351

8.351

Programma leesbevordering

4.137

17.008

13.049

12.049

11.049

11.049

11.049

Creatieve Industrie

1.661

1.903

1.894

2.094

2.492

2.342

2.342

Monumentenzorg

0

0

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

0

0

0

0

0

Specifiek cultuurbeleid

169.976

305.309

40.679

28.487

27.304

18.262

16.420

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

7.947

5.292

1.731

1.731

1.021

1.021

1.021

Opdrachten

22.727

200.985

24.087

26.272

25.744

25.287

25.287

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

920

1.674

1.967

2.012

2.012

2.012

2.012

Monumentenzorg

96

0

0

0

0

0

0

Archeologie

6

0

0

0

0

0

0

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

14.893

13.478

14.021

13.590

11.821

11.364

11.364

Overige opdrachten

6.812

185.833

8.099

10.670

11.911

11.911

11.911

Bijdrage aan agentschappen

43.088

51.119

49.668

50.650

51.674

54.677

53.618

Nationaal Archief

43.088

51.119

49.668

50.650

51.674

54.677

53.618

Bijdragen aan medeoverheden

0

26.485

26.500

27.500

28.500

2.000

2.000

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

1.757

1.922

1.901

1.873

1.873

1.873

1.873

Ontvangsten

17.158

64.857

4.537

3.549

494

494

494

 

Tabel 75 Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.132.743

1.074.326

641.444

2.895.556

703.708

666.058

664.002

waarvan garantieverplichtingen

198.957

  • 97.440

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

933.786

1.171.766

641.444

2.895.556

703.708

666.058

664.002

Toelichting bij tabel 'uitsplitsing verplichtingen'

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan diverse musea. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Daarnaast betreft het garantstellingen in het kader van de indemniteitsregeling en de achterborgovereenkomst. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van de 1e suppletoire begroting 2022 is het financiële instrument 'bijdrage aan medeoverheden' toegevoegd aan de tabel.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 76 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

95,6%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

4,4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2023 95,6 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op betalingen aan culturele instellingen, cultuurfondsen en monumenteneigenaren. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en onderliggende besluiten en regelingen. Het moment van juridisch verplichten gaat vooraf aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft. De budgetten voor de culturele basisinfrastructuur (instellingen en fondsen) zijn tot en met 2024 juridisch verplicht. De bekostiging van de musea op grond van de Erfgoedwet gebeurt jaarlijks in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 57,3 procent juridisch verplicht. Dit betreft het deel van de subsidies waarvoor (naar verwachting) al voor de start van 2023 een beschikking is verstuurd. De meeste verplichtingen zijn aangegaan tot en met uiterlijk 2024, in samenhang met de horizon van de actuele culturele basisinfrastructuur.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 47,9 procent juridisch verplicht. Dit betreft het deel van de opdrachten waarvoor (naar verwachting) al voor de start van 2023 een opdracht is verstrekt. Het grootste bedrag betreft de concessieovereenkomst met de stichting CJP voor de cultuurkaart. Deze overeenkomst loopt tot en met schooljaar 2023/2024.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het budget voor 2023 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft een aantal uitkeringen aan medeoverheden. Het budget voor 2023 is 92,5 procent juridisch verplicht. Dit betreft specifieke uitkeringen voor o.a. versterking van de regionale culturele infrastructuur en voor monumenten in het aardbevingsgebied, waarvoor al voor de start van 2023 een beschikking is verstuurd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Van het beschikbare budget is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de contributies voor (inter)nationale verdragen en lidmaatschappen (UNESCO, ICCROM). Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen In de culturele basisinfrastructuur worden instellingen voor een periode van vier jaar bekostigd. De Regeling op het specifiek cultuurbeleid regelt welke instellingen voor de periode 2021-2024 in aanmerking komen voor deze bekostiging. De Raad voor Cultuur heeft op 4 juni 2020 advies uitgebracht over de aanvragen voor de periode 2021-2024 en de besluiten zijn opgenomen in (de bijlagen bij) de Kamerbrief Nieuwe visie cultuurbeleid (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383). De culturele basisinfrastructuur bestaat vanaf 2021 uit instellingen op het gebied van podiumkunsten (theater, dans, muziek en muziektheater, festivals en jeugdpodiumkunsten), regionale musea, sectorcollecties podiumkunsten, beeldende kunst (presentatie-instellingen en postacademische instellingen), film (festivals en ondersteunende instelling), letteren (festival en ondersteunende instellingen), ontwerp (ondersteunende instelling, future lab design en technologie, festivals), ontwikkelinstellingen en de bovensectorale ondersteunende instellingen.

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

Naast de vierjaarlijkse instellingen zijn er zes cultuurfondsen, die sectoraal zijn georganiseerd. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel. Door middel van flexibele en kortlopende subsidieregelingen kunnen zij de dynamiek en de vernieuwing in de sector op de voet volgen en zijn zij in staat snel op sectorale ontwikkelingen te reageren. De begrote uitgaven zijn inclusief de bekostiging van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit verstrekt aan het Fonds Cultuurparticipatie en de jaarlijkse OCW-bijdrage van voor speelfilms geoormerkte middelen voor het Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) verstrekt aan het Filmfonds.

Museale instellingen met een wettelijke taak

Op basis van de Erfgoedwet zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak worden op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting. Daarnaast ontvangen museale instellingen, op grond van dezelfde regeling, middelen voor hun publieksactiviteiten.

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen, digitale openbare bibliotheek en bibliotheekvoorziening leesgehandicapten Per 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. De wet organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen, waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshan-dicap. Activiteiten van de KB richten zich in 2023 op de doorontwikkeling van de digitale openbare bibliotheek en het herstel van de bibliotheeksector als gevolg van de coronacrisis.

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is het juridisch kader voor de financiering van de monumentenzorg. In dit kader vindt onder andere de financiering ten behoeve van het behoud van rijksmonumenten plaats. Daarbij is ook aandacht voor de verbindende waarde van erfgoed en de verduurzaming van rijksmonumenten. Ten slotte wordt er ook in 2023 in monumentenzorg geïnvesteerd via onder andere de Subsidieregeling instandhouding monumenten en de Woonhuisregeling.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra Het Ministerie van OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Ook na het voorgenomen uittreden door het Ministerie van OCW uit de gemeenschappelijke regelingen per 1 januari 2024 (Kamerstuk 35925-VIM, nr. 150) zal deze bijdrage worden voortgezet. Afhankelijk van de parlementaire behandeling kan het wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995, dat op 17 november 2021 aan de Tweede Kamer is aangeboden, aansluitend aan de Eerste Kamer worden gezonden.

Flankerend beleid huisvesting

Deze middelen zijn gereserveerd voor het Garantiefonds rijksmusea. Ze zijn bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet.

Cultuureducatie met kwaliteit

In 2023 staat geen bedrag geraamd, omdat de middelen voor cultuureducatie en museumbezoek in het primair onderwijs eerder al tot en met het schooljaar 2023-2024 zijn overgeboekt naar begrotingsartikel 1 (Primair onderwijs).

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

In de periode 2021-2024 stimuleert het Ministerie van OCW toegankelijkheid met een programma cultuurparticipatie. Dit programma wordt uitgevoerd door het Fonds voor Cultuurparticipatie en heeft als doel de cultuurdeelname van zoveel mogelijk verschillende groepen te bevorderen. Het programma verbindt zorg en sociaal werk met professionele culturele instellingen, amateur- en erfgoedverenigingen en kunstenaarsinitiatieven. Het gaat om actieve participatie: zelf dansen, filmen, vloggen, toneel spelen, schrijven of verhalen vertellen. Daarnaast stimuleert het Ministerie van

OCW de digitale transformatie van de culturele en creatieve sector en daarmee het innovatieve vermogen van deze sectoren. DEN, kennisinstituut voor cultuur en digitale transformatie, voert projecten uit om de sector met expertise en kennisdelen te ondersteunen. Met de uitvoering van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed door het Netwerk Digitaal Erfgoed wordt de digitale toegankelijkheid en het gebruik van erfgoed, archieven en collecties vergroot.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief Homogene Groep Internationale Samenwerking)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van de Ministeries van OCW en Buitenlandse Zaken. In de periode 2021-2024 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelen:

  • • 
    een sterke positie van de Nederlandse culturele sector in het buitenland door zichtbaarheid, uitwisseling en duurzame samenwerking;
  • • 
    het met Nederlandse cultuuruitingen ondersteunen van de bilaterale relaties met andere landen;
  • • 
    het benutten van de kracht van de culturele sector en creatieve industrie voor de Sustainable Development Goals (SDG's), met name in de verbinding met de Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS)-agenda in de focusregio's.

Voor de verwezenlijking van zojuist genoemde doelen wordt gekozen voor een meerjarige strategische inzet op 23 landen. Per land worden nadere afspraken gemaakt tussen betrokken spelers (o.a. diplomatieke posten, fondsen en Dutch Culture) over samenwerking en uitvoering. Door maatwerk per land worden cultuur en buitenlandprioriteiten met elkaar verbonden.

Programma leesbevordering

Sinds 2019 wordt intensief gewerkt aan het verbeteren van de leesvaardigheid en leesmotivatie bij kinderen en jongeren door middel van een duurzame verbetering van het leesonderwijs en de leescultuur. Het leesbe-vorderingsprogramma Kunst van Lezen is onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2020-2024 en draagt bij aan de bredere doelstellingen rond leesbevordering. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak samen met de Ministeries van SZW, BZK en VWS om laaggelet-terdheid te voorkomen en tegen te gaan waarbij vanuit het Ministerie van OCW specifiek wordt ingezet op de preventie van laaggeletterdheid. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 18 maart 2019 is aangekondigd, is het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen de afgelopen jaren bewezen effectief geweest en wordt het daarom voortgezet.

Creatieve industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan ten behoeve van de Creatieve Industrie. Dit gebeurt in samenwerking met het Ministerie van EZK. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor de ontwerpdisciplines zoals architectuur, vormgeving en digitale cultuur. In samenwerking met het Ministerie van BZK wordt een architectuurprogramma gefinancierd.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen, die grotendeels besteed worden aan projectsubsidies op basis van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De middelen voor 2023 zijn bestemd voor diverse onderwerpen, zoals de arbeidsmarktagenda, beleids-innovatie bibliotheken, het Revolverend Productiefonds bij Cultuur

+Ondernemen, archeologie, erfgoed en fysieke leefomgeving, mobiel erfgoed, het Holocaustmuseum en de Adviescommissie Restitutiever-zoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.

Subsidies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor subsidies voor ondersteuning van het erfgoedveld in de domeinen archeologie, gebouwd erfgoed, roerend erfgoed, cultuurlandschap en leefomgeving. Er wordt geïnvesteerd in kennis- en onderzoeksprogramma's, de ondersteuning en infrastructuur voor erfgoed en informatie- en communicatietechniek.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring van versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Opdrachten Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor dezelfde onderwerpen als vermeld onder de kop 'Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed', maar dan voor uitgaven aan opdrachten. Ook is budget beschikbaar voor monumenten in het aardbevingsgebied in Groningen.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor opdrachten die verbonden zijn aan diverse beleidsterreinen. De grootste geplande uitgave in 2023 is aan de Cultuur-kaart. Het huidige contract voor de Cultuurkaart voor het voortgezet onderwijs, inclusief het voortgezet speciaal onderwijs, loopt nog tot en met het schooljaar 2023-2024.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief.

Bijdrage aan medeoverheden

De geraamde bijdragen zijn bestemd voor:

  • • 
    een specifieke uitkering aan de provincie Groningen voor het behoud van erfgoed in het aardbevingsgebied;
  • • 
    de specifieke uitkering 'Verbreding en vernieuwing' waarmee aan zes provincies een bijdrage wordt verstrekt ter versterking van de regionale culturele infrastructuur;
  • • 
    een uitkering voor een bibliotheekvoorziening in Caribisch Nederland.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuur-verdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages).

Ontvangsten

Het grootste deel van de raming betreft de desaldering van onttrekkingen uit het Museaal Aankoopfonds voor het verstrekken van subsidies aan Scapino, in het kader van de uitvoering van de motie Geluk-Poortvliet en aan Eurosonic Noorderslag, in het kader van de uitvoering van de motie Belhaj. Er zijn verder ontvangsten geraamd als gevolg van het definitief vaststellen van subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage 'Fiscale regelingen' in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • • 
    Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3;
  • • 
    BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten.

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota 'Toelichting op de fiscale regelingen'.

Tabel 77 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1

2021    2022    2023

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten    725    963    993

1 [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Artikel 15. Media

A.    Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid waar zij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol vooral ook een regisserende rol.

Financieren

De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebe-leidsplan Nationale Publieke Omroep (NPO) 2022-2026 (Kamerstukken II 2021/22, 32827, nr. 202) sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereen-komst met de publieke omroep.

Stimuleren

Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma's, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Media-wijzer.net).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen voor audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

Kengetallen

 

Tabel 78 Kengetal

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1 Integraal bereik NPO (radio, tv, internet; Nederlanders 13+)1

87%

86%

85%

84%

84%

86%

84%

1 Bron: NPO, o.b.v. GfK / CMI

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van media worden beschreven in het onderdeel 2.1 Beleidspriotiteiten. Aanvullend kan nog het volgende worden gemeld:

In het coalitieakkoord staat de opdracht om te komen tot nieuwe toelatings-en verantwoordingscriteria voor de landelijke publieke omroep. Om te komen tot betekenisvolle criteria die iets zeggen over de representativiteit en legitimiteit van de omroepverenigingen, wordt een onafhankelijk adviescollege ingesteld. Het adviescollege zal in juli 2023 met een voorstel voor nieuwe criteria komen.

De vernieuwing van de financiering van lokale publieke omroepen wordt voorbereid en uitgevoerd. Hierdoor worden deze omroepen voor hun basisbekostiging meerjarig direct gefinancierd door het Rijk. De hoogte van de bekostiging zal stijgen.

Er komen middelen beschikbaar voor onafhankelijke producenten voor de zichtbaarheid van Nederlandse speelfilms bij de publieke omroep. In een convenant tussen producenten en de publieke omroep wordt vastgelegd dat er jaarlijks 18 nieuw te produceren speelfilms te zien zullen zijn op de publieke omroep, zowel lineair als via NPOStart en NPOPlus.

Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG) zal in de jaren 2023 en 2024 een audiovisueel portal bouwen waarop een grote selectie van iconisch materiaal uit het omroeparchief voor non-commercieel gebruik beschikbaar komt. Het gaat daarbij om audiovisueel materiaal dat tussen 1920 en 2020 is uitgezonden en dat tot het collectieve geheugen van Nederland behoort. Voor dit portal en het afkopen van het materiaal wordt € 10,0 miljoen incidenteel vrijgemaakt en € 1,0 miljoen op structurele basis.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 79 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.102.708

1.188.149

1.131.778

1.145.218

1.159.129

1.139.888

1.144.397

 

Uitgaven

1.085.355

1.140.960

1.128.228

1.138.336

1.139.084

1.139.690

1.144.686

 

Bekostiging

1.065.052

1.108.511

1.086.359

1.094.414

1.094.551

1.113.992

1.119.238

Landelijke publieke omroep

806.592

852.640

856.380

859.930

870.812

875.057

879.075

Regionale omroep

153.106

162.923

162.353

162.353

162.353

178.153

178.153

Stichting Omroep Muziek

17.047

18.251

18.187

18.187

18.187

18.187

18.187

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

24.195

25.577

30.487

30.487

26.487

26.487

26.487

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.765

2.394

2.386

2.386

2.386

2.386

2.386

Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

8.674

2.524

5.124

5.124

5.124

5.124

5.124

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.612

1.704

1.698

1.698

1.698

1.698

1.698

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

1.664

1.760

1.754

1.754

1.754

1.754

1.754

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

48.996

39.646

7.140

11.645

4.900

4.296

5.524

Overige bekostiging media

401

1.092

850

850

850

850

850

Subsidies (regelingen)

15.069

21.699

31.587

34.340

35.551

19.316

19.066

Subsidies (regelingen)

9.641

9.457

4.116

1.753

853

853

853

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Steunfonds Lokale Informatievoorziening

5.428

0

0

0

0

0

0

Werk aan Uitvoering

 

3.817

6.335

5.969

5.949

5.193

5.154

Onderzoeksjournalistiek

 

2.364

9.326

11.431

14.633

13.127

13.059

Lokale journalistiek

 

6.061

11.810

15.187

14.116

143

0

Opdrachten

289

5.523

4573

3873

3273

673

673

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.879

5.158

5.640

5.640

5.640

5.640

5.640

Commissariaat voor de Media

4.879

5.158

5.640

5.640

5.640

5.640

5.640

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

66

69

69

69

69

69

69

European Audiovisual Observatory

66

69

69

69

69

69

69

Ontvangsten

193.339

168.150

134.235

135.660

125.590

123.690

123.690

Reclameobrengsten

186.000

168.150

134.235

135.660

125.590

123.690

123.690

Overige ontvangsten

7.339

           

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 80 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

99,2%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,8%

Van het totale budget voor artikel 15 is in 2023 99,2 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2023 is 99,3 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 98,8 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op journalistiek en de regionale, lokale en streekomroepen. Hieraan ten grondslag liggen het coalitieakkoord en de visiebrief.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 78,7 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het beschikbare budget voor 2023 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdrage aan internationale organisaties

Het beschikbare budget voor 2023 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt het Ministerie van OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep.

Het budget voor de landelijke publieke omroep is € 856,4 miljoen. Dit is inclusief de € 2,3 miljoen die uit het coalitieakkoord aan het budget voor de Landelijke publieke omroep is toegevoegd ter financiering van het speel-filmconvenant tussen de publieke omroep en de (film)producenten.

Het beschikbare budget voor de regionale publieke omroepen voor 2023 is € 162,4 miljoen.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief. Voor 2023 is dit budget verhoogd met € 5,0 miljoen, uit de coalitieakkoordmiddelen, voor «het geheugen van Nederland».

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in de samenleving.

Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

De Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO), ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproduc-tieprojecten in de vorm van een financiële bijdrage aan publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. De meeste coproducties waar CoBO een bijdrage aan levert, vinden plaats tussen een publieke omroepinstelling en een onafhankelijke filmproducent. Daarnaast wordt door CoBO bijgedragen aan coproducties tussen een publieke omroepinstelling en een instelling op het gebied van de podiumkunsten. Iedere filmproducent, instelling op het gebied van de podiumkunsten, de Vlaamse publieke omroep (VRT), of Duitse publieke omroep, kan één of meer landelijke publieke omroepinstellingen benaderen, teneinde te komen tot een coproductie. CoBO ontvangt OCW-middelen en verkrijgt daarnaast vergoedingen van buitenlandse kabelaars (België, Duitsland en Luxemburg) voor de doorgifte van de zenders van de Nederlandse publieke omroep.

Vanaf 2022 zijn de voor speelfilms geoormerkte CoBO middelen (jaarlijks € 6,3 miljoen) conform de kamerbrief trajecten krachtenbundeling en buitenproducenten bestemd voor het Filmfonds, dat wordt gefinancierd via artikel 14 (Cultuur).

Voor de financiering van het eerder genoemde speelfilmconvenant wordt vanuit de beschikbare coalitieakkoord middelen vanaf 2023 € 2,6 miljoen aan het budget van CoBO toegevoegd.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

Op basis van de verwachte uitgaven op de mediabegroting en de verwachte reclameopbrengsten van de Ster worden middelen toegevoegd of onttrokken aan de Algemene Mediareserve (AMr). De AMr kan op grond van de Mediawet worden gebruikt voor de opvang van dalende Ster-inkomsten, bijdragen aan de bekostiging van reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en voor de financiering van de door het CvdM aan te houden rekening-courantverhouding voor betalingen aan instellingen op basis van de Mediawet.

Overige bekostiging Media

Te laste van dit budget wordt onder meer het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer.

Subsidies

Ten laste van dit budget wordt de jaarlijkse subsidie aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten betaald. Daarnaast worden nog incidentele subsidies op het gebied van de media betaald.

Onderdeel van subsidies zijn de beschikbare middelen voor onderzoeksjournalistiek. Deze worden ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen. Voor 2023 is het budget € 9,3 miljoen. Aan dit budget zijn in 2023 coalitieakkoordmid-delen van € 3,7 miljoen toegevoegd.

Voor de verdere versterking en profesionalisering van de lokale omroepen is vanuit de coalitieakkoordmiddelen voor 2023 € 11,8 miljoen toegevoegd.

Voor Persvrijheid en veiligheid is aan de middelen voor subsidies in 2023 € 1,3 miljoen vanuit de coalitieakkoordmiddelen toegevoegd.

Werk aan Uitvoering (WaU) is een overheidsbreed programma ter verbetering van de publieke dienstverlening. Om beter aan te sluiten op de verwachtingen en behoeften van burgers en ondernemers is voor 2023 € 6,3 miljoen toegevoegd aan het budget.

Opdrachten

Ten laste van dit budget worden onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald. Daarnaast worden uit dit budget nog incidentele opdrachten, op het gebied van Media, zoals beleidsonderzoeken betaald.

Voor 2023 is uit de coalitieakkoordmiddelen € 3,6 miljoen toegevoegd voor de verdere versterking van de lokale journalistiek en € 0,3 miljoen voor de onafhankelijke adviescommissie erkenningscriteria LPO.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het Commissariaat voor de Media (CvdM) houdt toezicht op de naleving van de Mediawet en de Wet op de vaste boekenprijs. Het toezicht betreft radio, televisie, 'videodiensten op aanvraag' en Nederlandse boekuitgaven. Met zijn werk beschermt het Commissariaat de onafhankelijkheid, pluriformiteit en toegankelijkheid van het media-aanbod. Tegelijk ondersteunt het daarmee de informatievrijheid. Het CvdM neemt zijn besluiten onafhankelijk van het Ministerie van OCW, maar moet wel verantwoording afleggen aan de staatssecretaris voor Cultuur en Media en/of de Minister. Het Commissariaat wordt gefinancierd uit de Mediabegroting en uit de toezichtskosten die commerciële media-instellingen verschuldigd zijn.

Ontvangsten

Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster. In de jaarlijkse Mediabegrotingsbrief wordt deze raming voor 2023 geactualiseerd.

A.    Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

De overkoepelende ambitie van het onderzoek en wetenschapsbeleid is het creëren van een sterk en duurzaam stelsel van hoger onderwijs en wetenschap, met een hoge kwaliteit onderwijs en onderzoek over de volle breedte, waarin kennisinstellingen en regio's hun onderscheidende sterktes maximaal kunnen benutten. De Minister heeft drie hoofddoelen geformuleerd om het stelsel toekomstbestendig te maken, namelijk:

  • 1. 
    Het versterken van het fundament;
  • 2. 
    Ruimte geven aan divers talent; en
  • 3. 
    Het vergroten van de maatschappelijke impact van hoger onderwijs en onderzoek en de publieke erkenning ervan.(Kamerstuk 2022Z12415)

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

De instrumenten die worden ingezet om de ambitie en hoofddoelen te behalen kunnen worden ingedeeld in drie complementaire rollen:

Financieren: De Minister bekostigt (belangrijke onderdelen van) het onderzoeks- en wetenschapsbestel, met als doel de instandhouding en het faciliteren van het stelsel. Instrumenten die hieronder vallen zijn o.a. de structurele hoofdbekostiging van instellingen, aanvullende bekostiging, sectorplannen, subsidies, bijdragen aan agentschappen, bijdragen aan internationale organisaties, matching van Horizon Europe, en nieuwe instrumenten zoals de stimuleringsbeurzen. Deze instrumenten dragen bij aan bijvoorbeeld het versterken van human capital (men is beter in staat talent op te leiden, aan te trekken en te behouden, waardoor er meer rust en ruimte is voor onderzoekers) en het versterken van de infrastructuur (hieronder vallen faciliteiten binnen instellingen, maar ook grote wetenschappelijke infrastructuren op internationaal niveau).

Stimuleren: De Minister stimuleert (gewenste ontwikkelingen binnen) het stelsel, bijvoorbeeld door middel van het aanjagen, stimuleren en faciliteren van strategische dialogen en het maken van afspraken met relevante partijen in het kennisecosysteem. De instrumenten om het stelsel te stimuleren dragen elk bij aan de ambitie en hoofddoelen via verschillende mechanismen. Belangrijke mechanismen zijn bijvoorbeeld het verbeteren kennisbenutting (denk aan open science) en het verbeteren van profilering en samenwerking (dit leidt tot vernieuwende consortia en projecten, een betere taakverdeling in het veld, enzovoorts).

Regisseren: De Minister schept voorwaarden voor het stelsel via bijvoorbeeld wet- en regelgeving en coördinerende activiteiten. Voorbeelden van dit soort voorwaarden zijn een klimaat waarin kennisinstellingen excellent onderzoek kunnen doen, kwaliteit en vernieuwend vermogen geborgd is, kennisinstellingen doelmatig functioneren en het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau goed gepositioneerd is.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen. In de monitoring en evaluatie zal naast doelmatigheid ook speciale aandacht gaan naar de mate waarin de instrumenten (individueel en op geaggregeerd niveau) bijdragen aan de ambitie en hoofddoelen en via welke mechanismen (doeltreffendheid).

Kengetallen

 

Tabel 81 Kengetallen

Kengetal

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1 Top 5-positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

6

6

6

6

6

 

2 Publieke investering in R&D als % bbp2

0,67

0,71

0,69

0,76

0,79

 

3 R&D personeel (FTE) als% van de totale beroepsbevolking3

17,1

17

17,1

17,2

   

1    Bron: Europese Commissie. H2020-dashboard, peildatum 20 december 2021.

2    Bron: Rathenau Instituut, TWIN overzicht 2020-2026. Bbp-cijfers 2020 tot en met 2022 betreffen nominale cijfers van het CPB uit de Kerngegevenstabel CEP 2022, maart 2022. Cijfers 2021 zijn voorlopige cijfers.

3    Bron: OESO, berekening Rathenau Instituut. Cijfers over 2021 zijn in november 2022 beschikbaar.

C. Beleidswijzigingen

Door het coalitieakkoord 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst' wordt een forse, noodzakelijke investering in de wetenschap gerealiseerd.

De opgaven voor het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap, zoals beschreven in het coalitieakkoord, zijn: het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek, verdere versterking van de onderzoeksinfrastructuur, versterken van de kwaliteit van hoger onderwijs en wetenschap, verlagen van de werkdruk en ruimte voor ongebonden onderzoek. Van groot belang is het investeren in de gehele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast en praktijkgericht onderzoek en kennisbenutting, met tegelijk investeringen in onderzoeksinfrastructuur/faciliteiten, internationale samenwerking.

Het huidige kabinet heeft drie hoofddoelen gesteld om het stelsel toekomst-bestendig te maken.

  • (1) 
    versterking van het fundament;
  • (2) 
    ruimte te geven aan divers talent;
  • (3) 
    vergroten van de maatschappelijke impact van hoger onderwijs en onderzoek, en de publieke erkenning hiervan.

Met de investeringen wordt bovendien een balans bewaakt tussen verschillende wetenschapsgebieden, eerste en tweede geldstroom, en financiering op basis van vertrouwen en rekenschap. (Kamerstuk 2022Z12415)

D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 82 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.257.194

1.458.272

1.608.827

1.557.096

1.528.832

1.525.623

1.525.901

 

Uitgaven

1.193.537

1.426.579

1.594.966

1.573.220

1.528.929

1.525.648

1.525.901

 

Bekostiging

1.067.549

1.276.544

1.309.840

1.292.069

1.289.872

1.285.625

1.285.786

NWO

496.101

506.847

531.872

530.634

531.594

530.034

529.810

KNAW

96.271

99.393

98.111

97.913

97.575

97.531

97.551

KB

50.956

52.631

54.272

54.870

56.075

56.108

56.568

NWO Talentenontwikkeling

169.561

165.885

165.885

165.885

165.885

165.885

165.885

NWO TTW

8.177

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

56.608

55.380

55.380

55.380

55.380

55.380

55.380

NWO Praktijkgericht Onderzoek

0

60.542

57.076

57.076

55.010

55.010

55.010

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

41.700

39.355

32.683

19.997

18.565

16.082

16.082

Poolonderzoek

3.217

3.147

3.147

1.500

1.500

1.500

1.500

Caribisch Nederland

2.555

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

NWO NWA

142.403

133.364

133.414

130.814

130.288

130.095

130.000

NWO Fonds onderzoek en wetenschap

0

134.500

152.500

152.500

152.500

152.500

152.500

NWO Praktijk onderzoek en wetenschap

0

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

Subsidies (regelingen)

23.750

29.108

78.052

73.844

31.029

31.521

31.684

Stichting NLBIF

566

0

0

0

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

6.668

7.525

7.489

7.489

7.489

7.489

7.489

BPRC

10.923

11.350

11.310

11.310

11.310

11.310

11.310

NCWT/NEMO

3.536

3.661

3.661

3.661

3.661

3.661

3.661

STT

231

239

239

239

239

239

239

Stichting AAP

1.084

1.124

1.124

1.124

1.124

1.124

1.124

Nationale coördinatie

742

4.069

4.998

4.970

4.895

5.387

5.550

Subsidie Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

1.511

2.311

2.311

2.311

2.311

Nationaal Groeifonds

0

1.140

47.720

42.740

0

0

0

Opdrachten

655

4.851

11.318

11.118

9.158

9.032

8.961

Opdrachten

655

1.751

518

2.208

1.948

1.822

2.751

Opdrachten Fonds onderzoek en wetenschap

0

3.100

10.800

8.910

7.210

7.210

6.210

Bijdrage aan agentschappen

1.513

1.712

87.761

87.761

89.761

89.761

89.761

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

1.513

962

911

911

911

911

911

RVO Fonds onderzoek en wetenschap

0

750

86.850

86.850

88.850

88.850

88.850

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

100.070

114.364

107.995

108.428

109.109

109.709

109.709

EMBC

1333

1316

1317

1397

998

998

998

EMBL

5.311

5.747

6.147

6.547

7.147

7.747

7.747

ESA

33.387

34.752

34.752

34.752

34.752

34.752

34.752

CERN

50.418

55.919

55.642

55.596

55.596

55.596

55.596

ESO

9.621

16.518

10.025

10.025

10.509

10.509

10.509

NTU/INL

0

112

112

111

107

107

107

Ontvangsten

78

101

101

101

101

101

101

 

Uitsplitsing verplichtingen

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.257.194

1.458.272

1.608.827

1.557.096

1.528.832

1.525.623

1.525.901

waarvan garantieverplichtingen

  • 1.083

0

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

1.258.277

1.458.272

1.608.827

1.557.096

1.528.832

1.525.623

1.525.901

De garantieverplichtingen hebben betrekking op een lening van het Biomedical Primate Research Centre. Het Ministerie van OCW staat voor deze lening garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 83 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

82,8%

bestuurlijk gebonden

16,9%

beleidsmatig gereserveerd

0,2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,1%

Van het totale budget voor artikel 16 is in 2023 82,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 86,4 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan de Nationale onderzoeksinstellingen Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en Koninklijke Bibliotheek (KB) alsmede bijdragen aan Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, Poolonderzoek en Caribisch Nederland. De wettelijke grondslag van de bekostiging is vastgelegd in de NWO wetten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 13,6 procent bestuurlijk gebonden. Dit zijn middelen van het coalitieakkoord voor het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap en voor verbetering van de uitvoering en dienstverlening (Werk aan Uitvoering). De betalingen uit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap zijn aan NWO voor open competitie, roadmap grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, toponderzoek, open science, Europese partnerschappen en praktijkgericht onderzoek. De betalingen voor Werk aan uitvoering is aan KB en KNAW voor projecten die knelpunten in de uitvoering en dienstverlening aanpakken.

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2023 is 91,7 procent juridisch verplicht. Het betreft hier subsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur zoals Naturalis Biodiversity Center, Biomedical Primate Research Centre (BPRC) en Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie/NEMO. Daarnaast betreft het subsidies van het Nationaal Groeifonds aan Biotech Booster en Einstein Telescope. Deze subsidies zijn op basis van de Kaderregeling OCW, SZW en VWS .

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2023 is 4,1 procent juridisch verplicht en voor 95,9 procent bestuurlijk gebonden voor de middelen uit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap. Deze verplichtingen hebben betrekking op dienstverleningen tot het doen van beleidsgerichte onderzoeken, evaluaties en ondersteuning van commissies.

Bijdrage aan agentschappen

Het beschikbare budget is voor 1,2 procent juridisch verplicht en voor 98,8 procent bestuurlijk gebonden middelen uit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap. Het betreft verplichtingen ten opzichte van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen Horizon Europe en Kennisveiligheid.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht. Het betreft hier jaarlijkse contributies aan (inter)nationale organisaties waar Nederland zich middels convenanten meerjarig aan heeft verbonden.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de instellingen NWO, KNAW en KB. Met de bekostiging zorgt de Minister dat de instellingen binnen de wettelijke kaders, de missie en doelstellingen kunnen behalen. De doelstellingen van de instellingen zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijke onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen hierin.

Het Ministerie van OCW draagt met een structureel karakter bij aan:

  • • 
    NWO. De minister bekostigt de verschillende taken van NWO. Deze liggen op het vlak van het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek, het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek en kennisoverdracht aan de maatschappij. NWO voert deze taken uit door het toewijzen van middelen, met name aan Universiteiten maar ook hogescholen. Dit doet NWO via gerichte programma's binnen de vier domeinen. De programma's zijn bijvoorbeeld gericht op ongebonden onderzoek en talentontwikkeling, zoals de Vernieuwingsimpuls en de open competitie. Tevens voert NWO het NWA-programma uit voor vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek en coördineert het een deel van de activiteiten in het KIC. Daarnaast voert NWO programma's uit gericht op wetenschappelijke infrastructuur zoals de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige wetenschappelijke infrastructuur. Hiermee kunnen Nederlandse onderzoekers werken met onderzoekfaciliteiten van wereldniveau. Ook ontvangt NWO een aanvullende bekostiging in het kader van praktijkgericht onderzoek. Doel van deze bekostiging is het met wetenschappelijk onderzoek vervullen van een centrale rol binnen de Nederlandse en Internationale kennisinfrastructuur door hogescholen en universiteiten.
  • • 
    KNAW. De minister bekostigt de verschillende taken van KNAW voor onder andere het bevorderen van excellent onderzoek: de KNAW is de plek waar de beste wetenschappers vanuit de volle breedte van het onderzoek hun kennis uitwisselen en delen met de samenleving. Ook ontvangt de KNAW middelen om jonge wetenschappers te steunen om de wetenschap toekomstbestendig te maken. Daarnaast zet de KNAW zich in om de internationale samenwerking te bevorderen, en het versterken van de Nederlandse positie in de internationale wetenschap door onder meer science diplomacy.
  • • 
    KB. De minister bekostigt de KB voor zorgdragen van het geschreven woord, met name voor de Nederlandse publicaties, en stellen iedereen in staat om te lezen, te leren en onderzoek te doen. De KB speelt een centrale rol in de Nederlandse (wetenschappelijke) informatie-structuur en bevordert de duurzame toegang tot digitale informatie in (inter)nationaal verband.

Fonds onderzoek en wetenschap: instrumenten NWO

De middelen uit het Fonds onderzoek en wetenschap die door NWO worden geïnvesteerd, betreffen de open competitie € 60,0 miljoen, toponderzoek € 20,0 miljoen, Roadmap grootschalige wetenschappelijke infrastructuur € 50,0 miljoen en open science € 20,0 miljoen.

De open competitie van NWO is een belangrijk bestaand en bewezen instrument voor excellent, ongebonden onderzoek dat inspeelt op veelbelovende wetenschappelijke ontwikkelingen. Met de ophoging van de open competitie met jaarlijks € 60,0 miljoen kunnen de komende tien jaar meer voorstellen van hoge kwaliteit worden gehonoreerd. Daarnaast wordt NWO met een jaarlijks budget van € 20,0 miljoen in staat gesteld om een gerichte impuls te geven aan enkele wetenschappelijke gebieden waarin Nederland behoort tot de absolute wereldtop of hiertoe de potentie heeft. Ook met € 50,0 miljoen voor nieuwe hoogwaardige onderzoeksinfrastructuren, opwaardering van bestaande infrastructuren en toegang tot internationale infrastructuren, kunnen Nederlandse onderzoekers excellent onderzoek (blijven) uitvoeren. Verder wordt met € 20,0 miljoen een impuls gegeven om de transitie naar open science, die in het afgelopen decennium al is ingezet, extra kracht bij te zetten. Met de oprichting van een centraal orgaan bij NWO kunnen inspanningen op nationaal niveau beter afgestemd, gebundeld en gecoördineerd worden.

Fonds onderzoek en wetenschap: praktijkgericht onderzoek en wetenschap

De investering uit het Fonds voor onderzoek en wetenschap in praktijkgericht onderzoek wordt voor het grootste deel, € 85,0 miljoen, aan de eerste geldstroom van de hogescholen toegevoegd via de post 'ontwerp en ontwikkeling' uit artikel 6. Daarnaast wordt € 15 miljoen per jaar geïnvesteerd in de tweede geldstroom via Regieorgaan SIA (onderdeel van NWO). Van dit bedrag is € 10,0 miljoen bestemd voor thematische programmering om de onderzoeksgroepen van hogescholen te verbinden met de landelijke inzet op beoogde maatschappelijke effecten. De overige € 5,0 miljoen is bestemd voor de pilot professional doctorate.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstellingen van het Onderzoek en wetenschapsbeleid worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onder andere om bijdragen aan:

  • • 
    Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar de biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;
  • • 
    BPRC voor primatenonderzoek en de huisvestiging van primaten, en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;
  • • 
    Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijke festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebeid van wetenschaps- en techno-logiecommunicatie en -educatie
  • • 
    Biotech Booster consortium voor het verhogen van het rendement op de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek en het versterken van het Nederlandse biotech ecosysteem.
  • • 
    Einstein Telescope consortium voor voorbereidende werkzaamheden voor een toekomstige Nederlandse inbreng aan de bouw van de Einstein Telescope, zoals innovatie van de benodigde technologie, locatie-onderzoek, opbouw van een high-tech ecosysteem en organisatie.

Fonds onderzoek en wetenschap: subsidies

Uit het Fonds onderzoek en wetenschap wordt in totaal € 10,0 miljoen subsidie verstrekt voor een nieuw centrum gericht op wetenschapscommu-nicatie en in totaal € 10,0 miljoen ten behoeve van voorstellen voor Scholars at Risk.

Wetenschapscommunicatie is van groot belang om de dialoog en samenwerking tussen wetenschap en de samenleving te stimuleren. Een nieuw centrum gericht op wetenschapscommunicatie kan de wetenschapscommunicatie verder stimuleren en versterken door middel van het delen van expertise en het opbouwen van capaciteit hiervoor. De middelen ten behoeve van voor Scholars at Risk zijn voor initiatieven die mogelijkheden bieden aan wetenschappers die door oorlog of andere bedreigende situaties hun academische carrière niet kunnen voorzetten in hun thuisland.

Opdracht

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor het beleidsgericht onderzoek en evaluaties.

Fonds onderzoek en wetenschap: opdrachten

De post opdrachten betreft de middelen ten behoeve van de uitvoering, monitoring, verantwoording en evaluatie van alle instrumenten die worden ingezet om de hoofddoelen van het fonds voor Onderzoek en Wetenschap te behalen.

Bijdrage aan agentschappen

Opdracht aan de RVO voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijk Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie 'Horizon Europe'.

Fonds onderzoek en wetenschap: instrumenten RVO

Een deel van het Fonds onderzoek en wetenschap wordt door RVO ingezet voor Matching Horizon Europe € 75,0 miljoen, Europese Partnerschappen € 12,0 miljoen (2023 en 2024 € 10,0 miljoen) en Kennisveiligheid van circa € 2,0 miljoen.

Bijdrage aan (inter-) nationale organisaties

Contributies aan grote internationale onderzoeksorganisaties Engineering in Medicine and Biology Society (EMBC), Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie (EMBL), European Space agency (ESA), Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN), European Southern Observatory (ESO) en Nederlandse Taalunie (NTU/INL). Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen de

Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van Nederlands nationale onderzoeksbestel.

3.13 Artikel 25. Emancipatie

A.    Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslacht in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

B.    Rol en verantwoordelijkheid

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en lhbtiq+ gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en intersekse personen) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarnaast heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren

De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en lhbtiq+ gelijkheid en het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren

Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en lhbtiq+ gelijkheid 2022-2027 die vanaf 2022 in werking is getreden. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidies aan strategische partnerschappen voor de realisering van de doelstellingen op gender- en lhbtiq+ gelijkheid. Daarnaast verstrekt de Minister projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en lhbtiq+ gelijkheid. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen over gender- en lhbti-gelijkheid. Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Kengetallen

 

Tabel 84 Kengetallen

Kengetal

2016

2017

2018

2019

2020

1 Economische zelfstandigheid van vrouwen

59,3%

60,7%

62,5%

64,0%1

64,3%2

2 Financiële onafhankelijkheid van vrouwen

48,5%

50,0%

51,6%

53,1%1

53,3%2

1    Bron: CBS. Nieuwste cijfers van de Statline bezocht op 18 juli 2022. Dit is het defintieve cijfer.

2    Bron: CBS. Nieuwste cijfers van de Statline bezocht op 18 juli 2022. Dit is een voorlopig cijfer. Het definitieve cijfer komt in het najaar.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van emancipatie worden beschreven in het onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten. Het Ministerie van OCW zet zich in op drie samenhangende thema's waarop zich stevige knelpunten voordoen: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit en gelijke behandeling.

Voor de verbetering van economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van vrouwen wordt ingezet in op hogere arbeidsparticipatie van vrouwen. In 2023 komt er daarom:

  • • 
    onderzoek naar het ecosysteem rondom groepen economisch kwetsbare vrouwen, in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda;
  • • 
    een subsidieronde 'economische zelfstandigheid' binnen het ZonMw-kennisprogramma 'Vakkundig aan het Werk'.

Het belang van gelijke arbeidsdeelname geldt ook op het niveau van leidinggevende posities. Grote vennootschappen in de (semi)publieke sector moeten ambitieuze streefcijfers en plannen voor genderdiversiteit in de top opstellen en rapporteren over hun voortgang bij het Diversiteits-portaal van de Sociaal-Economische Raad (SER).

Het kabinet legt zichzelf een streefcijfer op van 50 procent vrouwen in de top voor benoemingen van zelfstandige bestuursorganen (zbo's) en adviescolleges. Er komt een wettelijke verplichting om een streefcijfer te formuleren voor de (sub)top van organisaties binnen de (semi)publieke sector. Tevens wordt ingezet op een monitor en het delen van goede voorbeelden wat betreft (gender)diversiteit met grote organisaties in de (semi)publieke sector.

Het lhbtiq+ beleid is gebaseerd op de uitvoering van het Regenboog Stembusakkoord 2021. De inzet voor 2023 en daarna is de uitvoering van alle regenboogpunten. De maatregelen bevinden zich in verschillende stadia van uitvoering en worden opgepakt in samenwerking met de departementen die primair over deze thema's gaan.

Binnen het lhbtiq+ beleid is er verder specifiek aandacht voor bi+ personen, vanwege het achterblijvende welzijn van deze groep ten opzichte van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen.

Inclusieve sport waar iedereen zichzelf kan zijn en waar iedereen aan mee kan doen is belangrijk. Acceptatie van lhbti-sporters, in de breedtesport en in de topsport, is een blijvend punt van aandacht. Daarnaast is de veiligheid (fysiek en sociaal) rond sportvelden een punt van aandacht. Homofobe spreekkoren en geweld tegen 'roze' voetbalsupporters is een actueel probleem, waar samen met het Ministerie van VWS een aanpak voor wordt gestart.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 85 Budgettaire gevolgen van

beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)

       
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

5.662

73.977

7.277

7.534

8.286

7.306

7.306

 

Uitgaven

14.057

20.694

20.241

19.857

20.613

19.633

19.633

 

Bekostiging

8.685

7.114

12.327

12.327

12.327

12.327

12.327

 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Kennisinfrastructuur: Gender- en lhbti-gelijkheid

8.685

7.114

12.327

12.327

12.327

12.327

12.327

Subsidies (regelingen)

4.631

10.048

3.332

3.352

3.882

3.881

3.881

Gender- en lhbti- gelijkheid 2022-2027

4.631

10.048

3.332

3.352

3.882

3.881

3.881

Opdrachten

741

3.338

2.773

2.366

2.584

1.605

1.605

Bijdrage aan medeoverheden

0

194

1.809

1.812

1.820

1.820

1.820

Gemeentefonds gender- en lhbti- gelijkheid

0

194

1.809

1.812

1.820

1.820

1.820

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

 

Tabel 86 Geschatte budgetflexibiliteit

2023

juridisch verplicht

9,0%

bestuurlijk gebonden

62,0%

beleidsmatig gereserveerd

24,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

5,0%

Van het totale budget voor artikel 25 is in 2023 9,0 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2023 is voor 100 procent bestuurlijk gebonden. Subsidies

Het beschikbare budget in 2023 is voor 36,9 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 17,2 procent juridisch verplicht. Bijdrage aan medeoverheden

Het beschikbare budget is beleidsmatig 100 procent verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+- gelijkheid 2022-2027 worden met ingang van 2023 voor een periode van vijf jaar nieuwe strategisch partnerschappen aangegeaan. Dit betreft acht allianties en twee instellingssubsidies voor de bibliotheek- en erfgoedfunctie. Het doel is om met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend gender- en lhbti-gelijkheid te realiseren.

Om de kosten voor de bibliotheek- en erfgoedfunctie te objectiveren is in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een onderzoek uitgevoerd naar de kosten die noodzakelijk zijn voor het behouden, onderhouden en toegankelijk houden van de bestaande archieven. Uit dit onderzoek blijkt dat de kosten voor de bibliotheek- en erfgoedfunctie hoger zijn dan voorzien. In lijn met de uitkomsten van het onderzoek wordt met ingang van 2023 voor een periode van 5 jaar het budget voor de instellingssubsidies voor de bibliotheek- en erfgoedfunctie opgehoogd met € 1,6 miljoen per jaar. Het budget voor de alliantiesubsidies wordt, op basis van voorliggende aanvragen en in relatie tot de emancipa-tiedoelen van dit kabinet, voor de periode 2023-2027 opgehoogd met € 0,4 miljoen per jaar.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling genderen lhbti+- gelijkheid 2022-2027.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als lhbti+-gelijkheid worden besteed aan onder andere onderzoek, verkenningen, evaluaties en symposia.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten die actief zijn op het gebied van gender- en lhbtiq+ gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

De huidige programma's Regenboogsteden en Veilige Steden lopen eind 2022 af. Op dit moment wordt bezien op welke wijze vervolg wordt gegeven aan beide programma's. De uitkomsten van de effectonderzoeken die nu plaatsvinden worden hierbij meegenomen.

  • 4. 
    Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 91 Nog Onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • • 
    loonbijstelling;
  • • 
    prijsbijstelling;
  • • 
    onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Budgettaire gevolgen

Tabel 87 Budgettaire gevolgen art. 91 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

 

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

 

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

 

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

 

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

4.2 Artikel 95 Apparaat Kerndepartement

Budgettaire gevolgen

Tabel 88 Budgettaire gevolgen art. 95 (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

281.530

341.541

353.652

359.621

367.754

361.794

356.196

 

Uitgaven

281.554

351.541

351.652

357.621

365.754

359.794

354.196

 

Personele uitgaven

212.310

283.654

292.024

295.345

294.418

290.153

285.386

waarvan eigen personeel

204.681

271.329

279.963

283.559

282.833

278.883

273.801

waarvan externe inhuur

5.330

7.947

7.684

7474

7.264

6.949

7.264

waarvan overige personele uitgaven

2.299

4.378

4.377

4.312

4.321

4.321

4.321

 

Materiële uitgaven

67.740

67.887

59.628

62.276

71.336

69.641

68.810

waarvan ICT

17.941

14.162

6.227

6.696

7.673

6.123

5.523

waarvan bijdrage aan SSO's

22.088

22.216

22.161

22.161

21.962

21.962

21.962

waarvan overige materiële uitgaven

27.711

31.509

31.240

33.419

41.701

41.556

41.325

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.504

0

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

2.149

567

567

567

567

567

567

Toelichting

Op het artikel Apparaat Kerndepartement staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de adviesraden van het Ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan Shared Service Organisaties (SSO's) geraamd.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schat-kistbankieren geraamd. Het Ministerie van OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 (Apparaat kerndepartement). De ontvangen premies van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van OCW overgemaakt en dit wordt in de begroting en in de saldibalans in het jaarverslag (toevoeging premie aan gegroeide reserve) verwerkt.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het Ministerie van OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en Zelfstandigen Bestuursorganen (ZBO's) weergegeven.

Tabel 89 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's (bedragen x € 1.000)

 
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal apparaatsuitgaven ministerie1

281.554

351.541

353.652

359.621

367.754

361.794

356.196

Kerndepartement2

162.005

226.475

232.836

239.324

241.795

238.512

233.200

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

41.384

42.737

39.211

39.194

42.641

41.423

41.413

Inspectie van het Onderwijs

67.422

72.671

72.121

71.719

73.937

72.481

72.205

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

4.132

3.956

3.914

3.902

3.901

3.900

3.900

Onderwijsraad

2.527

2.581

2.530

2.528

2.528

2.527

2.527

Raad voor Cultuur

2.675

2.519

2.446

2.361

2.360

2.359

2.359

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1.409

602

594

593

592

592

592

 

Totaal apparaatskosten agentschappen3

337.516

368.266

362.820

360.842

352.057

354.705

0

Dienst Uitvoering Onderwijs

295.358

324.495

319.799

318.520

309.425

309.773

 

Nationaal Archief

42.158

43.771

43.021

42.322

42.632

44.932

 
 

Totaal apparaatskosten zbo's

397.924

378.555

374.134

372.247

368.243

368.225

37.325

Stichting Nederlans Fonds voor Podiumkunsten+

6.638

5.704

5.704

5.704

5.704

5.704

5.704

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

6.062

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

5.129

4.750

4.750

4.750

4.750

4.750

4.750

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve

Industrie

3.633

2.770

2.770

2.770

2.770

2.770

2.770

Stichting Mondriaan Fonds