Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2010

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 32123 XVI - Vaststelling begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2010.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2010; Memorie van toelichting  
Document­datum 15-09-2009
Publicatie­datum 24-09-2009
Nummer KST132834B
Kenmerk 32123 XVI, nr. 2
Van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2009–2010

32 123 XVI

Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2010

Nr. 2

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGS-

B.

blz.

 

VOORSTEL

Leeswijzer

2

4

DE BEGROTINGSTOELICHTING

11

Beleidsagenda 2010

11

Artikel 41 Volksgezondheid

38

Artikel 42 Gezondheidszorg

61

Artikel 43 Langdurige zorg

86

Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning

106

Artikel 46 Sport

125

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

138

Niet-beleidsartikel 98 Algemeen

147

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en onvoorzien

156

Baten-lasten diensten

157

Bedrijfsvoeringsparagraaf

171

Financieel beeld zorg

173

Verdiepingshoofdstuk

190

Inzicht in de AWBZ

212

ZBO’s en RWT’s

219

Moties

220

Toezeggingen

223

Afkortingenlijst

227

Trefwoordenregister

233

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2010 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2010. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2010.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2010 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)

Onder het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende diensten die een baten-lastenstelsel voeren: het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Nederlands Vaccin Instituut, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de Rijksinstellingen voor gesloten jeugdzorg Den Engh en De Lindenhorst.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Nederlands Vaccin Instituut, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de Rijksinstellingen voor gesloten jeugdzorg Den Engh en De Lindenhorst voor het jaar 2010 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

Wetsartikel 4

Na een overleg met de Tweede Kamer aan de hand van de brief van de minister van Financiën van 20 december 2007 (kamerstuk 31 031, nr. 19) is besloten tot een experiment ter verbetering van de (politieke) verantwoording aan de hand van de begrotingen en de jaarverslagen van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Wonen, Wijken en Integratie, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Jeugd en Gezin en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het experiment zal worden geëvalueerd in 2010. Ten behoeve van het experiment is het noodzakelijk af te wijken van een aantal bepalingen van de Comptabiliteitswet 2001 met betrekking tot de inrichting van de departementale begroting en het departementale jaarverslag. Het onderhavige wetsartikel regelt die afwijking voor de begroting 2010, inclusief voor de suppletore begrotingen 2010, van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het betreft de artikelen 5 en 14 van de Comptabiliteitswet 2001.

Het experiment heeft wat de begrotingen betreft inhoudelijk betrekking op de toelichting bij de begroting. De begrotingspresentatie zal worden toegespitst op de (politiek) belangrijkste beleidsprioriteiten van het kabinet. Die prioriteiten zullen in de Beleidsagenda worden opgenomen, waarbij zal worden aangesloten bij het Beleidsprogramma van het kabinet (kamerstuk 31 070, nr. 1). De Beleidsagenda kan worden aangevuld met enkele andere doelstellingen die door de betrokken minister beleidsmatig van groot belang worden geacht.

Indien bepaalde beleidsprioriteiten in de Beleidsagenda in termen van prestaties en effecten worden toegelicht, is het daarom niet noodzakelijk ook bij de betrokken beleidsartikelen zelf een toelichting te verstrekken. Een korte verwijzing naar de Beleidsagenda is dan voldoende. Derhalve zal er dus door de experimentdepartementen niet bij alle beleidsartikelen op grond van artikel 5 van de Comptabiliteitswet 2001 begrotingsinformatie – in termen van prestaties en effecten – over het beleid worden opgenomen.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, A. Klink

Leeswijzer

  • 1. 
    Inleiding

Voor u ligt de Begroting 2010van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1. 
    Beleidsagenda;
  • 2. 
    Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;
  • 3. 
    Diensten die een baten-lastenadministratie voeren;
  • 4. 
    Bedrijfsvoeringsparagraaf;
  • 5. 
    Diverse bijlagen, waaronder het Financieel Beeld Zorg en het Verdiepingshoofdstuk.

De indeling van de begroting 2010 komt grotendeels overeen met die van 2009. De beleidsagenda geeft kort de beleidsprioriteiten voor 2010 weer. Deze prioriteiten worden verder uitgewerkt in de zogenoemde beleids-artikelen.

Behalve beleidsartikelen bevat deze begroting ook zogenoemde niet-beleidsartikelen (artikel 98 en 99). Artikel 98 bevat de uitgaven die niet specifiek aan een van de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het gaat daarbij om ministerie- en zorgbrede apparaatsuitgaven, zoals voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de adviesraden, de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de zorg-ZBO’s. Daarnaast worden in artikel 98 de uitgaven aan internationale samenwerking en de uitgaven aan het strategisch onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) verantwoord. Artikel 99 ten slotte is een technisch-administratief artikel.

  • 2. 
    Experiment Verbetering en vereenvoudiging begroting en verantwoording

VWS doet samen met LNV, BuiZa, VROM, WWI en Jeugd en Gezin mee aan het experiment Verbetering en vereenvoudiging begroting en verantwoording. Het experiment is gepresenteerd door de minister van Financiën in zijn brief van 20 december 2007. Tijdens een Algemeen Overleg op 6 februari 2008 ging u akkoord met de voorstellen. Het gevolg van deelname aan het experiment is dat in de beleidsagenda de doelstellingen van het kabinet in Samen werken samen leveneen prominente plaats hebben gekregen. De toelichting erop omvat de inzet van de overheid, in principe toetsbare doelen, de beoogde effecten en een onderbouwing van de belangrijkste in te zetten instrumenten. Hiermee wordt beoogd meer politieke focus aan te brengen. Aan het einde van de beleidsagenda is tevens een overzichtstabel opgenomen waarin per kabinetsdoelstelling wordt vermeld bij welk begrotingsartikel en operationele doelstelling de kabinetsdoelstelling terug is te vinden en wat de geraamde uitgaven zijn tot en met 2011. In de beleidsartikelen is meer aandacht besteed aan het opnemen van trendgegevens voor de prestatie-indicatoren.

Onderdeel van het experiment is dat bij het jaarverslag minstens één beleidsdoorlichting naar de Kamer wordt gestuurd.

Leeswijzer

  • 3. 
    Verantwoordelijkheid, medebetrokkenheid en apparaatsuitgaven Jeugd en Gezin

In artikel 42 Gezondheidszorg en artikel 43 Langdurige zorg zijn de uitgaven opgenomen voor de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz) en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten voor jeugdigen (jeugd-lvg). De minister voor Jeugd en Gezin is inhoudelijk verantwoordelijk voor deze AWBZ en Zvw gefinancierde zorg.

Medebetrokkenheid minister voor Jeugd en Gezin: In het constituerend beraad van 22 februari 2007 is vastgesteld dat de minister voor Jeugd en Gezin medebetrokken is bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn. Een en ander is vervolgens nader toegelicht (kamerstuk 31 001, nr. 3). Medebetrokkenheid betekent dat de minister voor Jeugd en Gezin door de primair verantwoordelijke bewindspersonen op deze terreinen actief geïnformeerd wordt over, en vanuit het kabinet als eerste betrokken wordt bij beleidsonderwerpen en dossiers die raken aan de verantwoordelijkheid van de minister van Jeugd en Gezin voor een integraal jeugd- en gezinsbeleid. Ook betekent het dat de minister voor Jeugd en Gezin pro-actief alle zaken aankaart bij zijn collega-bewindspersonen, en bij bovengenoemde onderwerpen in het bijzonder, die hij in het belang van de jeugd en het gezin acht.

De minister voor Jeugd en Gezin is voor dit begrotingshoofdstuk medebetrokken bij het beleid ten aanzien van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de AWBZ.

Apparaatsuitgaven Jeugd en Gezin:

Met ingang van het begrotingsjaar 2008 wordt een aparte programmabegroting voor Jeugd en Gezin opgesteld. Een programmabegroting bevat geen apparaatskosten. Deze worden verantwoord op de begrotingen van de voormalige «moederdepartementen». De apparaatskosten van de directie Jeugdzorg en die van de directie Jeugd en Gezin worden daarom verantwoord in artikel 98 Algemeen onder de post Personeel en materieel kernministerie. De apparaatskosten van de Inspectie Jeugdzorg zijn onder een aparte post van datzelfde artikel opgenomen.

  • 4. 
    Begrotingsuitgaven en premiegefinancierde zorguitgaven

In de begroting zijn zowel begrotings- als premiegefinancierde uitgaven (hierna: premie-uitgaven) opgenomen. Beide uitgaven vallen onder de zogenoemde collectieve uitgaven. Er is een belangrijk verschil tussen beide uitgaven. Bij de begrotingsuitgaven voert VWS zelf het beheer over de middelen die bij de begroting beschikbaar gesteld zijn. Dat wil zeggen: VWS gaat alle verplichtingen aan en heeft alle uitgaven zelf gedaan. Bij de premie-uitgaven is dat anders; hieraan liggen individuele beslissingen ten grondslag van de partijen die bij de zorg betrokken zijn: patiënten/cliënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.

VWS is bij de premie-uitgaven verantwoordelijk voor de randvoorwaarden en de regelgeving en zien toe op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg. De Nederlandse gezondheidszorg is in belangrijke mate een zaak van het particuliere initiatief. Daarmee wordt bedoeld dat zorg verlenen de primaire verantwoordelijkheid is van private zorgaanbieders en dat voor die zorgverlening betaald wordt binnen privaatrechtelijke verhoudingen tussen patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.

Leeswijzer

VWS is bij de premie-uitgaven verantwoordelijk voor de randvoorwaarden en de regelgeving en ziet toe op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg. De Nederlandse gezondheidszorg is in belangrijke mate een zaak van het particuliere initiatief. Daarmee wordt bedoeld dat zorg verlenen de primaire verantwoordelijkheid is van private zorgaanbieders en dat voor die zorgverlening betaald wordt binnen privaatrechtelijke verhoudingen tussen patiënten, zorgaanbieders en zorgverleners.

De premie-uitgaven maken geen deel uit van het wetslichaam en de begrotingsstaat. Deze uitgaven zijn als beleidsinformatie opgenomen in de toelichting bij de begrotingsartikelen. In de toelichting bij de artikelen 41 tot en met 44 zijn bij de beschrijving van het instrumentarium daarom de premiegerelateerde instrumenten herkenbaar gemaakt door ze te coderen met een (P). De instrumenten in de overige artikelen zijn allemaal begrotingsgerelateerd. De begrotingsuitgaven en de premie-uitgaven zijn in aparte budgettaire tabellen opgenomen.

De tabellen met zorguitgaven geven een beeld van de verwachte premie-uitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) op het beleidsdomein van het betrokken beleidsartikel. Deze premie-uitgaven zijn uitgesplitst naar de verschillende sectoren die binnen het beleidsartikel vallen. De beschikbare autonome volumegroei voor 2010 en volgende jaren is in de raming van de verschillende beleidsartikelen verwerkt. Hiermee kan onder andere de verwachte demografische groei worden opgevangen.

De bijlage bij deze begroting «Het Financieel Beeld Zorg» geeft een duidelijk beeld van de totale uitgaven en financiering van de zorg in Nederland.

De belangrijkste mutaties in de begrotingsuitgaven en premiegefinan-cierde zorguitgaven in het afgelopen jaar zijn vermeld in het verdiepingshoofdstuk.

  • 5. 
    Prestatie-indicatoren in de begroting

In de begroting 2010 is een aantal prestatie-indicatoren opgenomen. Deze zijn deels vernieuwd ten opzichte van de begroting 2009.

De motie-Douma (kamerstuk 29 949, nr. 11) spreekt uit dat de doelstellingen in de begroting zoveel mogelijk in termen van maatschappelijke effecten (outcome)en in daarbij passende indicatoren geformuleerd moeten worden. In de begroting zijn daarom de algemene doelstellingen van de beleidsartikelen en de operationele doelstellingen binnen die artikelen zoveel mogelijk geformuleerd in termen van maatschappelijke effecten (outcome). Het is echter niet mogelijk gebleken om dat bij alle doelstellingen te doen. Dat geldt ook voor de bijbehorende prestatieindicatoren. In dat geval zijn waar mogelijk outputindicatoren opgenomen.

De indicatoren bij de doelstellingen geven, zoals gezegd, een gewenst maatschappelijk effect weer. Hierdoor hebben deze indicatoren een macrokarakter en zijn ze maar gedeeltelijk te beïnvloeden. De belangrijkste functie van de indicatoren is dat zij een positieve of negatieve trend kunnen weergeven. Een negatieve trend kan de aanleiding zijn om maatregelen te treffen. Inhoudelijk moeten de indicatoren overigens ook met enige terughoudendheid beoordeeld worden: zij geven een indicatie van de uitkomsten van het beleid weer.

Leeswijzer

Waar mogelijk is de realisatie van de indicatoren over 2008 opgenomen in de begroting, alsmede de tussenstreefwaarde voor 2010. Soms is het echter niet mogelijk om een (historische) trend of (toekomstige) tussen-streefwaarden op te nemen. Bijvoorbeeld omdat het jaarlijks verzamelen van de gegevens niet opweegt tegen de te maken kosten. In een aantal gevallen betekent dit dat de indicatoren één keer in de twee tot vier jaar verzameld worden. Dit is het geval als de indicator afkomstig is uit de Zorgbalans (die om de twee jaar verschijnt) of uit de Volksgezond-heidsToekomst Verkenningen (die om de vier jaar verschijnt). Ook een aantal rapportages van het SCP wordt niet jaarlijks opgesteld. In deze gevallen is de frequentie waarmee de indicator wordt verzameld in de toelichting vermeld.

Comply or Explain overzicht

In onderstaande tabel wordt per artikel kort uitgelegd waarom bij enkele doelstellingen geen indicator geformuleerd is en welke aanvullende informatie gebruikt wordt om de resultaten van het beleid te kunnen volgen.

Explain tabel indicatore

Algemeen

Voor veel van de operationele doelstellingen geldt dat de indicatoren slechts betrekking hebben op een deel van de instrumenten. In deze gevallen zijn de belangrijkste instrumenten wel voorzien van een prestatie-indicator.

Artikelnr.

Geen zinvolle en relevante indicator mogelijk want:

41 Volksgezondheid

Algemene doelstelling

Het volksgezondheidsbeleid wordt gemeten met de indicatoren «absolute levensverwachting» en «levensverwachting in goed ervaren gezondheid».

Daarnaast wordt de volksgezondheid aan de hand van de vierjaarlijkse «Volksgezondheid Toekomst Verkenningen» en de tweejaarlijkse «Zorgbalans» gemonitoord. Deze rapportages van het RIVM bieden inzicht in de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid.

41 Volksgezondheid

Operationele doelstellingen 2 en 6

Bij de operationele doelstellingen 2 en 6 zijn geen prestatie-indicatoren opgenomen. Reden hiervoor is

dat de resultaten van de betreffende beleidsterreinen niet zinvol in één of enkele indicatoren samengevat

kunnen worden of niet goed beïnvloedbaar zijn.

Bij de overige operationele doelstellingen van artikel 41 zijn wel één of meerdere prestatie-indicatoren

opgenomen.

42 Gezondheidszorg

Algemene doelstelling

Bij artikel 42 is geen indicator opgenomen bij de algemene doelstelling. Het stelsel van curatieve zorg in Nederland is namelijk niet in één of enkele indicatoren samen te vatten. Het stelsel is daarvoor te omvangrijk. De prestaties van het stelsel worden gemonitoord met de Zorgbalans. De Zorgbalans schetst aan de hand van ongeveer honderd indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Ook geven de volgende evaluaties en monitors inzicht in de werking van het gezondheidszorgstelsel: Evaluatie verplicht eigen risico, Monitor cure en de Monitor zorgverzekeringsmarkt.

43 Langdurige zorg

Algemene doelstelling

Bij artikel 43 is geen indicator opgenomen bij de algemene doelstelling. Het stelsel van langdurige zorg in Nederland is namelijk niet in één of enkele indicatoren samen te vatten. Het stelsel is daarvoor te veelzijdig. De prestaties van dit stelsel worden gemonitoord met de Zorgbalans. In dit document zijn diverse indicatoren met betrekking tot de langdurige zorg opgenomen. Daarnaast legt de sector Verpleging, Verzorging en Thuiszorg in het jaardocument Maatschappelijke verantwoording door middel van het «kwaliteitskader verantwoorde zorg» verantwoording af over de activiteiten langdurige zorg.

Leeswijzer

Algemene doelstelling

44 Maatschappelijke              Bij artikel 44 is bij de algemene doelstelling het paticipatie-indexcijfer opgenomen als kengetal. Voor

ondersteuning                         mensen met een beperking onderzoekt Nivel de participatie voor de domeinen sociale contacten, wonen,

werk, vrijetijdsbesteding, vervoer en opleiding. Deze participatie wordt weergegeven met een participatieindexcijfer. De index is nog een nieuw instrument. De rekenmethode voor de berekening van de index is verbeterd. Daarnaast zijn enkele indicatoren waarop het indexcijfer is gebaseerd aangepast, om ze vergelijkbaar te maken met indicatoren van het CBS en om de vergelijkbaarheid van de indexcijfers over de jaren heen te waarborgen. Aan de hand van onder meer de gegevens van de komende jaren en de spreiding en stabiliteit van de gegevens zal worden bezien of een streefwaarde kan worden geformuleerd.

Algemene doelstelling

47 Oorlogsgetroffenen en Bij artikel 47 is geen indicator opgenomen bij de algemene doelstelling, omdat de doelstelling meerdere, herinnering WO II                   uiteenlopende elementen bevat die zich moeilijk in één of enkele indicatoren laten weergeven.

  • 6. 
    Beleidsartikelen

Budgetflexibiliteit

In de begroting 2010 wordt net als vorig jaar inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit op het niveau van de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen. Dit gebeurt in een aparte tabel die volgt na de tabel budgettaire gevolgen van beleid in de tweede paragraaf van ieder artikel. Daarbij worden de verplichtingen gekarakteriseerd aan de hand van de categorieën «Juridisch verplicht», «Bestuurlijk gebonden» en «Niet juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden».

Onder de tabel met budgetflexibiliteit wordt per operationele doelstelling eveneens aangegeven wat de plannen/voornemens zijn die gedekt worden door het kopje «niet verplicht of bestuurlijk gebonden» voor zover de budgetflexibiliteit groter dan € 500 000,– is. Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie Bakker (kamerstuk 30 391, nr. 3). De VWS-begroting bevat een aantal grote inkomensregelingen, rijksbijdragen en specifieke uitkeringen die – bij ongewijzigd beleid – voor meerdere jaren vastliggen. U kunt hierbij denken aan de Zorgtoeslag. Daarnaast zijn er instellingen die een instellingssubsidie ontvangen en zijn er bijdragen aan baten-lastendiensten. In de begroting zijn deze posten als meerjarig verplicht aangemerkt.

Afspraken en convenanten met andere overheden, met ZBO’s en RWT’s en met private partijen zijn, evenals toezeggingen aan de Tweede Kamer en afspraken met andere bewindslieden, als bestuurlijk gebonden opgenomen.

De budgetflexibiliteit in het niet-beleidsartikel 98 is op dezelfde manier vormgegeven als in de begroting 2009. Dat betekent dat in artikel 98 de budgetflexibiliteit voor de doelstellingen «Beheer en toezicht stelsel» en «Internationale samenwerking bevorderen» is toegelicht. Van de overige posten op dit artikel is de budgetflexibiliteit niet toegelicht. Gezien het karakter van de uitgaven heeft dat geen toegevoegde waarde. Artikel 99 is een technisch administratief artikel en bevat hoofdzakelijk nog onverdeelde posten. Het begrip budgetflexibiliteit is hierop niet van toepassing.

Tabel geraamde uitgaven per operationele doelstelling

Sinds de begroting 2007 bevat de begroting van VWS een aantal brede beleidsartikelen. Daarom is bij iedere operationele doelstelling in de beleidsartikelen een meerjarige tabel opgenomen met een samenvatting van de belangrijkste voorgenomen uitgaven.

Leeswijzer

De tabellen zijn ingedeeld naar de volgende categorieën/instrumenten: inkomensregelingen, rijksbijdragen, specifieke uitkeringen, instellingssubsidies/structurele subsidies, projectsubsidies, opdrachten, bijdragen aan ZBO’s en RWT’s, bijdragen aan baten-lastendiensten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken.

Per categorie/instrument worden de belangrijkste voorgenomen uitgaven genoemd. Met deze tabel per operationele doelstelling wordt tevens invulling aan de motie Schippers (kamerstuk 29 800, nr. 55) gegeven.

Artikeloverstijgende budgetten

Onze begroting bevat enkele uitgaven die betrekking hebben op meerdere artikelen, bijvoorbeeld de programma-uitgaven aan Zorgonderzoek Nederland Medische wetenschappen (ZonMw), of het beleid ter versterking van de positie van de cliënt. Daarnaast speelt dit ook bij enkele apparaatskosten, zoals die van de IGZ en die van de zogeheten zorg-ZBO’s.

De artikeloverstijgende programma-uitgaven zijn niet over de beleids-artikelen verdeeld, maar budgettair opgenomen onder de meest relevante operationele doelstelling van de beleidsartikelen, zoals artikel 41 Volksgezondheid (bijvoorbeeld ZonMw) of artikel 43 Langdurige zorg (bijvoorbeeld het beleid ter versterking van de positie van de cliënt).

De artikeloverstijgende apparaatsuitgaven van onder meer het kerndepartement, de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en de zorg-ZBO’s staan opgenomen in artikel 98.

  • 7. 
    Baten-lastendiensten

Het ministerie van Financiën heeft gekeken naar de mogelijkheid om een segmentatie aan te brengen in de rapportageverplichtingen van baten- en lastendiensten in de departementale begroting en verantwoording. Aanleiding hiertoe is het verzoek vanuit de Tweede Kamer om, in algemene zin, te komen tot betere informatievoorziening en een meer gefocust begrotings- en verslagleggingproces. Bij dit proces dient ook de baten-lastenparagraaf betrokken te worden.

Met de departementen die meedoen aan het experiment verbetering verantwoording en begroting is gesproken over de mogelijkheid om, vooruitlopend op aanpassing van de regelgeving, alvast ervaringen op te doen met de nieuwe (concept) richtlijnen ten behoeve van de Rijksbegrotingsvoorschriften 2010. Het ministerie van VWS is een van de experimentdepartementen en heeft in deze begroting gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Onder de huidige regels dient een grote baten- en lastendienst dezelfde informatie te rapporteren als een kleine baten- en lastendienst. In lijn met de regels die ook al gelden voor het bedrijfsleven zal in de toekomst hiertussen echter een onderscheid gemaakt gaan worden, door de informatieverplichting af te laten hangen van de grootte (in termen van omzet) van de dienst. De indeling op basis van omzet is als volgt: + Kleine baten-lastendienst: omzet kleiner dan € 50 miljoen; + Middelgrote baten-lastendienst: omzet tussen de € 50 miljoen en de

€ 250 miljoen; + Grote baten-lastendienst: omzet meer dan € 250 miljoen.

Bij de kleine baten-lastendiensten (CBG, CIBG en de Rijksinstellingen gesloten jeugdzorg Den Engh en De Lindenhorst) ligt de nadruk op een toelichting op de omzet en doelmatigheidskengetallen. Bij de middelgrote

Leeswijzer

en grote baten-lastendiensten (NVI en RIVM) dient daarnaast een meerjarig overzicht van baten en lasten te worden gepresenteerd voorzien van een toelichting.

  • 8. 
    Vermindering administratieve lasten/regeldruk

In november 2008 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het VWS programma ter vermindering van administratieve lasten en regeldruk. Het programma bevat concrete maatregelen die op dit moment leiden tot een vermindering van 28 procent van de gemeten administratieve lasten voor professionals, instellingen en bedrijven. De vermindering van administratieve lasten in 2011 voor cliënten/burgers is op dit moment bijna 26 procent en bedraagt circa 75 procent aan Out of Pocketkosten.

Naast deze kwantitatieve resultaten zet het ministerie van VWS in op verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening en de aanpak van ervaren lasten. Ook draagt VWS zorg dat toekomstige ontwikkelingen in het kader van transparantie, (voedsel)veiligheid en preventie gepaard gaan met zo min mogelijk administratieve lasten en zoveel mogelijk aansluiten bij bedrijfseigen informatiestromen van de doelgroepen.

De Tweede Kamer wordt in september 2009 geïnformeerd over de voortgang van het VWS reductieprogramma.

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING Beleidsagenda 2010 1 Inleiding

Gezond en wel

Gezondheid is de grootste schat, zo luidt een oud Nederlands gezegde. Gezondheid draagt in belangrijke mate bij aan het welbevinden van mensen. Gezondheid is belangrijk voor de samenleving.

Nederlanders zijn relatief positief over de betrouwbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg in ons land en zij ervaren die als veilig. Dat blijkt onder meer uit de Commonwealth Fund Survey 2008. Nederland neemt de eerste plaats in op de prestigieuze Euro Health Consumer Index 2008, waarin zorgstelsels worden vergeleken. Gezondheid – lichamelijk en geestelijk – is echter niet vanzelfsprekend.

Goede zorg, waarbij preventie, genezing, verzorging en ondersteuning elkaar versterken, draagt bij aan het menselijk kapitaal waarop onze economie drijft. Bovendien geeft de innovatieve gezondheidszorg impulsen aan onze kenniseconomie.

Werkgevers zijn zich er meer en meer van bewust dat een goede balans tussen werk en privé van belang is om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid tegen te gaan. Het kabinet wil een gezonde leefstijl stimuleren en mogelijk maken. Ook de kracht van sport levert een bijdrage aan een goede gezondheid en het verbinden van mensen.

In het licht van de toenemende vergrijzing en het stijgend aantal chronisch zieken is het meer dan ooit noodzakelijk het hoge niveau en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg ook in de toekomst te behouden. Solidariteit en vertrouwen staan daarbij centraal.

Doelmatigheid is meer dan ooit geboden. De financiële crisis gaat ook aan de gezondheidszorg niet voorbij. Het rendement van elke euro die geïnvesteerd wordt in de gezondheidszorg moet toenemen. Dat wil het kabinet vooral bereiken door te investeren in de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. Tegelijkertijd wordt de bureaucratie aangepakt.

Solidariteit betekent in de eerste plaats de kosten eerlijk verdelen. Solidariteit betekent investeren in de zorg, misschien wel voorál in tijden van tegenwind. Door de oplopende vraag naar zorg dreigt een tekort aan arbeidskrachten.

Niets doen betekent minder handen aan het bed. Schaarste leidt tot hogere lonen. Dat zijn extra kosten die niet besteed kunnen worden aan de zorg. En dat terwijl de kosten van de zorg sowieso al bovengemiddeld toenemen. Dat zou kunnen leiden tot premieverhogingen die de solidariteit onder druk kunnen zetten.

Meer samenhang brengen in de zorg voor chronisch zieken en ouderen is een vereiste. Als dure medicijnen niet onnodig worden voorgeschreven, als er geen onnodige behandelingen worden toegepast, als we het voor elkaar krijgen dat mensen thuis, of dicht bij huis, goede zorg ontvangen en als mensen niet onnodig gemedicaliseerd raken, dán redden we levens

Beleidsagenda

en besparen we kosten van onnodige opnames, behandelingen, complicaties en aandoeningen. Dáár ligt de agenda van de nabije toekomst. Het kabinet wil investeren in het verbeteren van de zorgverlening en de organisatie ervan. Levens redden en juist daarmee kosten besparen: Saving lives and costs, zoals president Barack Obama het verwoordt.

Het kabinet werkt aan een nieuw bekostigingssysteem in de cure, dat bijdraagt aan inzicht in de kwaliteit. Vrije prijsvorming voor de geneeskundige zorg speelt daarin een rol.

Niet meer het financieren van de medische verrichting of het bed, maar het bekostigen van goede kwaliteit van zorg. En in de langdurige zorg niet meer financieren wat een zorginstelling aanbiedt, maar de hoeveelheid zorg die de cliënten nodig hebben. Het zogeheten zorgzwaartepakket.

Samenhangende zorg is meer dan genezen alleen. Daarom moeten we af van de hoge schotten tussen de eerste en de tweede lijn en tussen zorg en welzijn. De zorg moet dicht bij de mensen staan; de huisarts die men vertrouwt, de wijkverpleegkundige die men kent. Mensen staan centraal. Maar mensen dragen ook zelf actief bij aan het zorgproces. Door voorlichting en zelfmanagement krijgt de patiënt beter inzicht in de beperkingen en mogelijkheden die zijn ziekte met zich mee brengt, en wordt daarmee in staat gesteld de eigen gezondheid te helpen verbeteren of stabiliseren.

Het is van belang dat de samenleving kan blijven vertrouwen op kwalitatief goede, veilige en toegankelijke zorg, en op de professional en de instelling die de zorg verleent. Verschillen in kwaliteit tussen zorgaanbieders moeten zichtbaar zijn, zodat mensen kunnen kiezen. De overheid, zorgverleners, zorgverzekeraars en ook burgers horen elkaar te kunnen aanspreken op goede, herkenbare en doelmatige zorg. Wederkerigheid is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

Het kabinet streeft naar een gezondheidszorg waarin de burger zich herkent en regie kan nemen. Sociale cohesie en burgerschap spelen een belangrijke rol bij het organiseren van zeggenschap over het eigen bestaan. Mensen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor hun leven en de invulling daarvan. Daarbij steunen zij op hun familie, vrienden en buren.

Als het sociale netwerk niet toereikend is, kunnen kwetsbare mensen erop vertrouwen dat de kwaliteit van hun bestaan op peil blijft. Dat zij niet buiten de maatschappij komen te staan. Wanneer dat nodig is, zijn voorzieningen van welzijn en ondersteuning beschikbaar om hen te beschermen, met respect voor autonomie en weerbaarheid.

De missie van het kabinet is bijdragen aan de kwaliteit van leven van iedere Nederlander. Iedereen zo lang mogelijk gezond houden, zieken zo snel mogelijk beter maken, mensen met beperkingen ondersteunen en maatschappelijke participatie bevorderen. Nederland gezond en wel.

2 Curatieve zorg

2.1 Doelmatige zorg

Door onder meer vergrijzing en nieuwe medische mogelijkheden neemt de vraag naar zorg sterk toe. Vooral het aantal chronisch zieken stijgt. Bovendien krijgen meer mensen medische klachten door een te ongezonde leefstijl. De zorgsector moet zo worden ingericht dat deze ontwikke-

Beleidsagenda

lingen de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid niet in gevaar brengen. Bovendien moet de patiënt zelf meer regie kunnen nemen en meer keuzevrijheid hebben. Grondslag van onze gezondheidszorg is solidariteit. Samen moeten wij de zorg betaalbaar en verzekerbaar houden.

In het Aanvullend beleidsakkoord is voorts afgesproken dat de curatieve zorg bijdraagt aan de vergroting van de houdbaarheid van de collectieve uitgaven met structureel 0,4 procent BBP. Hiervan wordt tenminste 0,2 procent ingevuld in de zorgtoeslag. Voor het restant worden maatregelen in de curatieve zorg genomen.

De maatregel bij de zorgtoeslag zal erop gericht zijn om met geleidelijke aanpassingen de groei die zich in deze regeling zonder wijzigingen voordoet, op koopkrachtevenwichtige wijze, te beperken.

Het pakket van maatregelen in de curatieve zorg dient ertoe de efficiencyprikkels die liggen besloten in het stelsel van de gezondheidszorg te versterken. Dit pakket omvat – onder voorwaarden – meer vrij onderhandelbare dbc’s, aanpassingen in de governan-cestructuur, waaronder een sterkere positie van het ziekenhuisbestuur en meer mogelijkheden voor het aantrekken van vreemd kapitaal. Daarnaast is het van belang dat zorgverzekeraars meer risico dragen. Voorts wordt de geïntegreerde ketenzorg voor chronisch zieken versterkt. Deze maatregelen worden elders in de Beleidsagenda nader toegelicht.

Indien nodig zal dit pakket met aanvullende efficiencymaatregelen in de curatieve zorg worden aangevuld.

Om de solidariteit en het vertrouwen in de gezondheidszorg op peil te houden, moeten ziekenhuisbesturen en verzekeraars nog meer geprikkeld worden tot het leveren van kwaliteit en doelmatigheid. Investeren in kwaliteit spaart levens en kosten. Ook om die reden neemt het kabinet stappen gericht op gereguleerde marktwerking in de ziekenhuissector. Kwaliteit wordt zichtbaarder. De ontwikkeling van vrije prijsvorming voor medische behandelingen maakt ziekenhuizen en artsen scherper bewust van het belang van kwaliteit en doelmatigheid.

Huisartsen kunnen bijvoorbeeld nog doelmatiger geneesmiddelen voorschrijven dan ze nu doen. Vooral als het gaat om maagzuurremmers en cholesterolverlagers. Om dit te stimuleren verlaagt het kabinet het inschrijftarief van huisartsen in 2010 met € 60 miljoen. In 2011 kunnen zij dat terugverdienen door doelmatiger voor te schrijven.

Transparantie is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel. De kwaliteit en prijs van zorg moet goed inzichtelijk zijn; meetbaar en openbaar. Dit gebeurt via het project «Zichtbare zorg» (zie hoofdstuk 5 «Kwaliteit en Veiligheid van de zorg»).

De komende aanpassingen van het stelsel hebben betrekking op de wijze van financiering van ziekenhuizen en eerstelijnszorg, zoals de huisarts. Er komt een directer verband tussen prijs en prestatie. Belangrijker nog: er ontstaat een samenhangende aanpak en begeleiding van mensen met diabetes, hartklachten en longaandoeningen. De gevolgen daarvan kunnen ver reiken. Het aantal complicaties neemt af, evenals het aantal opnames in ziekenhuizen. Mensen blijven gezonder, langer vitaal en hebben minder te maken met (acute) aandoeningen. Zij krijgen meer inzicht in hun aandoening en meer greep op hun leven.

Beleidsagenda

Tien jaar geleden werd de chronische zorg vrijwel uitsluitend door huisartsen en medisch specialisten verleend. Tegenwoordig hebben chronisch zieken vaker en intensiever contact met praktijkondersteuners bij de huisarts of gespecialiseerde verpleegkundigen. Door meer mensen op te leiden tot nurse practitioneren physician assistentkan worden tegemoet gekomen aan de grotere vraag naar verpleegkundigen in zowel de eerste als tweede lijn.

Ziekenhuizen moeten risicodragend kapitaal kunnen aantrekken voor de financiering van investeringen, voor zover de kwaliteit en continuïteit van de zorg gewaarborgd zijn: maatschappelijk ondernemen (zie ook hoofdstuk 9 «Governance»).

Alle maatregelen hangen nauw met elkaar samen. Verbeteren van de doelmatigheid leidt niet alleen tot een betere kwaliteit, maar ook tot een beheerste ontwikkeling van de kosten. Oftewel, zoals president Obama stelt: Saving lives and costs.

2.2 Prestatiebekostiging

Het is van belang dat er een duidelijke en directe relatie bestaat tussen de behandeling en de prijs daarvan. Het kabinet streeft ernaar deze zogeheten prestatiebekostiging te versterken, zowel in de eerstelijnszorg als in de ziekenhuiszorg. Dat maakt het voor verzekeraars mogelijk om zo te contracteren dat de zorg dichtbij huis plaatsvindt. De manier van betalen hangt af van de kwaliteit van de zorg en de wensen van patiënten. Niet van wie de zorg verleent.

Zorgverzekeraars betalen per ziektegeval één prijs voor de totale zorg die wordt verleend: de diagnose behandelcombinatie (dbc). Dat zorgt er voor dat er samenhangende zorg wordt verleend en de patiënt echt centraal komt te staan. De invoering van keten-dbc’s en vrije prijzen voor zorgpro-ducten (gemoderniseerde dbc’s) zijn niet alleen een belangrijke aanzet geweest prijs en prestatie aan elkaar te koppelen, maar verbeteren ook de samenhang in de zorg. Het aantal zorgproducten waarvoor vrije prijzen zal gelden neemt in 2011 toe tot 50 procent, op voorwaarde dat de evaluaties van de NZa gunstig blijven uitpakken.

Voor de eerstelijnszorg wil het kabinet voor vier chronische ziekten: diabetes, hartfalen, cardiovasculair risicomanagement (hart- en vaatziekten) en COPD (longziekten), functionele bekostiging invoeren en de samenwerking tussen huisarts en specialist versterken. Hierbij stelt de patiënt alles in het werk om de ziekte zo goed mogelijk beheersbaar te houden: zelfmanagement.

Dit betekent concreet dat in 2010 de zorg en behandeling van mensen met een chronische ziekte wordt georganiseerd in een sluitende keten. Dat levert betere en vertrouwenwekkende zorg op.

Randvoorwaarde voor een goede werking van prestatiebekostiging is dat de financiële risico’s daadwerkelijk liggen bij de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder. Wanneer elke zorgverzekeraar zomaar zorg kan inkopen zonder te hoeven letten op de behoefte van de patiënt of de prijs van de zorg, is er geen noodzaak om de beste prijs-kwaliteitverhouding na te streven. Het achteraf compenseren van zorgverzekeraars wordt verminderd, omdat de compensatie vooraf gaandeweg is verbeterd en om zo bij te dragen aan de verplaatsing van zorg naar de eerste lijn. Verzekeraars worden geprikkeld om vooraf goede afspraken te maken met de zorgaanbieders.

Beleidsagenda

2.3 Solidariteit/ontwikkeling zorguitgaven curatieve zorg

Om solidariteit overeind te houden is het noodzakelijk dat iedereen staat ingeschreven bij een verzekeraar én premie betaalt. Daarom wil het kabinet het aantal onverzekerden en wanbetalers sterk verminderen. Om dat te bereiken is in 2009 een wetsvoorstel gedaan om onverzekerden actief te kunnen opsporen. Hiervoor is in 2010 € 8,9 miljoen uitgetrokken. Om het aantal wanbetalers te verminderen krijgen zorgverzekeraars de mogelijkheid wanbetalers een betalingsregeling te bieden, over te gaan tot automatische incasso of te wijzen op schuldhulpverlening. Degenen die hier niet op ingaan en hun premies niet voldoen, krijgen een opslag. Zij moeten dan een premie betalen die 30 procent hoger ligt dan de standaardpremie. Voor de maatregelen reserveert het kabinet € 33 miljoen in 2010.

2.4 Geestelijke Gezondheidszorg

De kwaliteit van verplichte zorg moet omhoog. Bij het opstellen van een behandelplan en het afgeven van de zorgmachtiging moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met de persoonlijke voorkeur van de cliënt. Er moet zorg op maat worden geleverd.

Ook de rechtspositie van mensen met een psychische stoornis aan wie tegen hun wil zorg wordt verleend, moet worden versterkt. Dwang moet daarbij zo veel mogelijk worden voorkomen of zo kort mogelijk duren. Om dit alles te bereiken wordt in 2010 een wetsvoorstel Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg voorgelegd ter vervanging van de Wet Bopz (Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen). Daarbij is voorzien in de introductie van multidisciplinaire commissies Verplichte Zorg, die advies uitbrengen aan de rechter. De nieuwe wet moet in 2011 in werking treden.

2.5 Spoedeisende hulp

Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat medische voorzieningen beschikbaar zijn op het moment dat zij die nodig hebben. Dit geldt in het bijzonder voor de spoedeisende hulp. Er komt een profiel waarin staat waaraan een ziekenhuis minimaal moet voldoen om de kwaliteit van de geleverde zorg op de afdeling spoedeisende hulp (SEH) te waarborgen. Onderzocht wordt welke functies van acute zorg er binnen de normtijd van 45 minuten beschikbaar dienen te zijn.

Integratie van de spoedeisende hulp van ziekenhuizen met huisartsenposten is nodig omdat een groot aantal mensen (60 procent) op eigen houtje bij de spoedeisende hulp aanklopt. Van deze zogenoemde zelfverwijzers hadden vier van de vijf kunnen worden geholpen bij de huisarts. In dat geval zouden de kosten veel lager liggen, omdat het ziekenhuis een duurder dbc-tarief rekent. In de acute basiszorg wordt toegewerkt naar integrale bekostiging. In 2010 wordt beleid gemaakt om te stimuleren dat patiënten met een acute zorgvraag, die huisartsgeneeskundig geholpen kunnen worden, naar de huisartsenpost gaan. In 2010 worden hiervoor aanpassing in de bekostiging van de huisartsenposten doorgevoerd, zodat de verplaatsing vanuit de tweedelijn vergoed kan worden.

2.6 Geneesmiddelenbeleid

Mensen moeten de juiste medicijnen krijgen samen met de juiste voorlichting. Om hoge kwaliteit te garanderen worden richtlijnen voor voorschrijvers steeds belangrijker. VWS streeft ernaar om de verzekerde prestatie op meer algemene wijze te omschrijven. Functiegericht in plaats van productgericht.

Beleidsagenda

Om de kwaliteit en de doelmatigheid van de farmaceutische zorg te bevorderen zal de bekostigingssystematiek van apotheekhoudenden meer mogelijkheden moeten bieden en zal ook doelmatig voorschrijven worden bevorderd. Ook hier wordt kwaliteit beloond. Immers de juiste medicatie, therapietrouw en een goede begeleiding zijn van groot belang voor nog betere zorg. Veel complicaties, vermijdbare schade en ziekenhuisopnames zijn zo te voorkomen. Betere zorg levert ook meer doelmatigheid op. Levens redden en kosten besparen.

2.7 Medisch specialisten

In de loop van 2009 zijn gegevens beschikbaar gekomen over de ontwikkeling van de honoraria van (vrijgevestid) medisch specialisten. Uit deze cijfers bleek dat er € 375 miljoen teveel wordt uitgegeven. De oorzaken van deze overschrijding worden onderzocht, maar duidelijk is wel dat de compensatie voor ondersteunende medisch specialisten te hoog is vastgesteld. Dat geldt ook voor de normtijden – de afgesproken tijd voor een medische behandeling – voor enkele specialismen. De NZa heeft opdracht gekregen om per 2010 de ondersteunerscompensatie aan te passen en de normtijden opnieuw vast te stellen. Dit in combinatie met een algemene verlaging van de tarieven voor een behandeling.

3 Langdurige zorg

3.1 Inleiding

De zorg voor kwetsbare mensen is een graadmeter voor de kwaliteit van de samenleving. Mensen die langdurig zorg nodig hebben, moeten zo lang mogelijk in staat kunnen zijn deel te nemen aan het dagelijkse leven en zelfstandig inhoud en vorm te geven aan hun bestaan. Iedereen die een onbetwistbare vraag heeft naar langdurige zorg, moet erop kunnen vertrouwen dat die langdurige zorg beschikbaar is en van goede kwaliteit. Nu en in de toekomst.

Daarvoor is het nodig dat de AWBZ weer teruggaat naar zijn oorspronkelijke bedoeling: het leveren van zorg aan kwetsbare mensen die daar langdurig behoefte aan hebben. De zorg die deze mensen krijgen, moet rondom de cliënt worden georganiseerd. Bovendien wil het kabinet dat professionals de ruimte krijgen om die zorg in samenhang te kunnen bieden. Zij verdienen bovendien waardering en respect en moeten hun werk met plezier kunnen doen.

3.2 Zeker van zorg, nu en straks

Het kabinet werkt eraan de langdurige zorg ook in de toekomst beschikbaar te houden voor de mensen die een onbetwistbare zorgvraag hebben. Dat is een serieuze taak voor ons en alle mensen in de zorg.

Versterken positie van de cliënt

Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders zich aanpassen aan de wensen van hun cliënten. Daarom wordt in 2010 met iedere cliënt een gesprek gevoerd over de zorgwensen van en -mogelijkheden voor de cliënt. De afspraken worden vastgelegd in een zorgplan. Op die manier krijgt de cliënt een sterkere positie om zorg op maat te realiseren. Instellingen ontvangen geld voor het leveren van zorg op basis van het aantal cliënten aan wie zij zorg verlenen én de hoeveelheid zorg die een cliënt nodig heeft (zorgzwaarte). Het geld volgt de cliënt naar de instelling van zijn keuze. Daarmee wordt de positie van de cliënt versterkt.

Beleidsagenda

Deze wijze van bekostiging – naar zorgzwaarte – wordt in 2010 verder ontwikkeld. Het kabinet onderzoekt of deze manier van bekostigen ook kan worden gebruikt voor zorgverlening buiten de instellingen. Verkend wordt verder of het mogelijk is om de bekostiging nog meer persoonsvolgend te maken, bijvoorbeeld door voor sommige cliënten een systeem van tegoedbonnen in te voeren.

Met veldpartijen en de Inspectie voor de Gezondheidszorg wordt nauw samengewerkt om het aantal vrijheidsbeperkingen in de zorg terug te dringen. In 2010 treedt het wetsvoorstel Zorg en dwang in werking. Hiermee wordt de rechtspositie van mensen met dementie of een verstandelijke beperking versterkt.

Keuzevrijheid en diversiteit in wonen

Het is belangrijk dat mensen die langdurig zorg nodig hebben kunnen kiezen hoe ze wonen. Vaak willen mensen zo lang mogelijk verzorgd worden in hun eigen woonomgeving. Die keuzevrijheid bepaalt de kwaliteit van leven. De regeling «Volledig Pakket Thuis» kan hierbij behulpzaam zijn.

Andere maatregelen om dit te stimuleren treft u aan in de brief van 3 juli 2009 (kamerstuk 30 597, nr. 78).

Kleinschalig wonen moet een serieuze keuzemogelijkheid zijn. Daarom wil het kabinet in 2010 de regelgeving rond bouw verbeteren en het aanbod van kleinschalig wonen vergroten. Het kabinet bereidt ook de invoering voor van de zogeheten integrale tarieven in 2011. In die tarieven zijn behalve de zorgkosten ook de kapitaallasten van de instelling verwerkt.

Stimuleren bouw

In het Aanvullend Coalitieakkoord zijn aanvullende middelen beschikbaar gekomen ter stimulering van de bouw. In de care worden deze middelen vooral ingezet als stimulans voor het wegwerken van de meerbedskamers in de verpleeghuizen. Cliënten in instellingen krijgen meer privacy. Het aantal kamers waarin meer dan twee personen liggen, wordt verder teruggedrongen. Uiteindelijk is het de bedoeling dat in een verpleeghuis niemand tegen zijn wens met anderen op één kamer ligt.

Vereenvoudigen indicatiestelling

Het kabinet wil de langdurige zorg zo min mogelijk belasten met bureaucratie. De indicatiestelling wordt daarom vereenvoudigd en verbeterd. Het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) draagt eenvoudige indicatiestellingen over aan de zorgprofessionals en zorgaanbieders. Dit kan de huisarts zijn, de wijkverpleegkundige, het verzorgingshuis, of het verpleeghuis. Het CIZ zal in 2010 steekproefsgewijs toetsen.

Professional centraal

Professionals zijn het kapitaal van de zorg. Het kabinet vindt het belangrijk dat professionals voor cliënten in de langdurige zorg toegankelijk zijn, verbinden en meedenken over het totale pakket aan zorg. Zorgverleners werken nauw met elkaar samen. De wijkverpleegkundige kan daarbij goed als spil werken.

ZonMw gaat verder met het programma dat tot meer wijkverpleegkundigen moet leiden. Eind 2010 wordt geëvalueerd of de wijkverpleegkundige inmiddels een stevigere positie heeft verworven.

Beleidsagenda

Verbeteren vande kwaliteit

De kwaliteit van instellingen wordt bepaald aan de hand van indicatoren die de sector heeft ontwikkeld (normen voor verantwoorde zorg). In samenspraak met het veld worden de normen voor verantwoorde zorg verder ontwikkeld, ingevoerd en nageleefd. Zorgkantoren werken met het zogeheten zorginkoopkader. Hierin is vanaf 2010 vastgelegd dat bij de inkoop van zorg een directe relatie wordt gelegd tussen kwaliteit van dienstverlening en de vergoeding die daarvoor wordt verstrekt.

Voor de aandoening dementie wordt een samenhangend zorgaanbod gerealiseerd. De kwaliteit van zorg wordt hierbij onder andere bepaald door het totale overzicht dat zorgverleners hebben van iemand met dementie. In het programma ketenzorg dementie is een inkoopleidraad ontwikkeld, die het goed en integraal inkopen van zorg voor dementerenden ondersteunt. Het kabinet streeft ernaar dat in 2010 alle zorgkantoorregio’s op deze manier inkopen.

Ook in de uitvoering wil het kabinet verbeteringen doorvoeren. Op dit moment kopen zorgverzekeraars niet de langdurige zorg in voor hun eigen cliënten; dat doen de zorgkantoren namens hen. Wanneer de verzekeraars de zorg inkopen voor hun eigen cliënten zijn er naar verwachting voordelen te behalen voor de cliënten op het vlak van kwaliteit, samenhang en betaalbaarheid. Halverwege 2010 valt hierover een besluit.

Waarborgen van de solidariteit

De zorg voor de meest kwetsbaren in onze samenleving wordt mede mogelijk gemaakt doordat mensen bereid zijn solidariteit voor elkaar op te brengen. Het kabinet wil deze solidariteit waarborgen. Daarom is het belangrijk dat de zorg betaalbaar blijft en dat duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen mensen aanspraak kunnen maken op de AWBZ. Revalidatiezorg past gezien het op genezing gerichte karakter minder goed bij de doelstellingen van de AWBZ. Daarom bereidt het kabinet de overheveling voor van revalidatiezorg naar de Zorgverzekeringswet.

3.3 In voor zorg

Om de langdurige zorg toekomstbestendig te maken, werkt het kabinet samen met de sector. Daarom zijn in de afgelopen jaren diverse programma’s ontwikkeld om kennis te verzamelen en te verspreiden. Programma’s zoals het Nationaal Ouderenprogramma, Transitieprogramma Langdurige Zorg, Landelijk Dementie Programma, en Zorg voor beter. Instellingen moeten gebruik kunnen maken van de vergaarde kennis. Met het stimuleringsprogramma In voor zorg helpen we instellingen met het toepassen van nieuwe kennis.

4 Preventie

4.1 Inleiding

Mensen zijn over het algemeen in staat om zelfstandig keuzes te maken naar eigen voorkeur en leefstijl. De omgeving – fysiek en sociaal – bepaalt vaak de bandbreedte waarbinnen wordt gekozen. Werkgevers, bedrijven, zorgverzekeraars, het onderwijs, de overheid hebben allemaal een rol in die omgeving. Ook hebben zij belang bij gezond levende Nederlanders. We zijn partners in gezondheid, want voorkomen is beter dan genezen. Daarom werkt het kabinet ook in 2010 aan een kabinetsbreed beleid, waarin gezondheid meetelt in onderwijs, op de werkplek en in de woonomgeving.

Beleidsagenda

4.2 Samenhangend gezondheidsbeleid

Het kabinet neemt in het najaar 2009 een standpunt in over het SER-advies «Een kwestie van gezond verstand: breed preventiebeleid binnen arbeidsorganisatie» en het gezamenlijke advies van de RVZ, de Onderwijsraad en de Raad Openbaar Bestuur «Buiten de gebaande paden». Daarin staan de gedeelde belangen centraal.

Leefstijl is een zaak van mensen zelf. Maar bij ziekte die voortkomt uit die leefstijl wordt wel een beroep gedaan op de (financiële) solidariteit van anderen. Ook om deze redenen wil het kabinet gezonde keuzen stimuleren.

Gezonde voeding is een onderdeel van een gezonde leefstijl. Bedrijven die voedingsmiddelen produceren, maken afspraken – soms onderling, soms met de overheid – onder meer over het gebruik van gezonde vetten en minder zout. Waar nodig ondersteunt het kabinet de zelfregulering van de bedrijfstak.

Leefstijlcampagnes richten zich vooral op de rol van opvoeders en op jongeren. Er zal aandacht zijn voor voeding, beweging, alcohol, roken, drugs, letselpreventie, diabetes en seksualiteit. Een wijziging van de Drank- en Horecawet en een verscherpt toezicht zal het jongeren moeilijker maken aan alcohol te komen.

In september 2009 stuurt het kabinet een hoofdlijnenbrief drugsbeleid naar de Tweede Kamer. In deze brief zal een reactie worden gegeven op het rapport van de Adviescommissie Drugsbeleid en worden de door het kabinet voorgestane hoofdlijnen van het drugsbeleid besproken. In de brief zal onder andere worden ingegaan op de drugsproblematiek onder jongeren, het coffeeshopbeleid en de bestuurlijke context van het drugsbeleid. Deze hoofdlijnen worden vervolgens uitgewerkt in een integrale drugsnota.

4.3 Preventie als onderdeel van de zorgketen

De samenwerking tussen openbare gezondheidszorg en de eerstelijns-gezondheidszorg wordt verbeterd. Met de LVG (Landelijke Vereniging Georganiseerde Eerste Lijn), GGD-Nederland en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werkt het kabinet aan een betere informatievoorziening.

De eerstelijnszorg, zoals de huisarts of fysiotherapeut, speelt bij het voorkomen van chronische aandoeningen een centrale rol. Een huisarts kan mensen aanraden deel te nemen aan bijvoorbeeld screening, of ze stimuleren genoeg te bewegen en gezond te eten. Doeltreffende preventieve programma’s worden onderdeel van de basistaken eerste lijn en onderdeel van de zorgketen. Mensen helpen bij stoppen met roken wordt per 2011 in het basispakket van de zorg-verzekeringswet opgenomen. Ook de opname van de beweegkuur in het basispakket is voorzien in 2011.

Met de beweegkuur begeleidt de huisarts mensen met (een verhoogd risico op) diabetes en/of overgewicht naar een gezonde leefstijl. Dat levert gezondheidswinst op en is kosteneffectief. Proefprojecten, onder begeleiding van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen, worden voortgezet.

In 2010 gaat het kabinet door met de uitvoering van het Nationaal Actieprogramma Diabetes (NAD). Daarmee wordt beoogd de groei van het aantal diabetespatiënten af te remmen en complicaties te verminderen. Het kabinet gaat verder met de ontwikkeling en het gebruik van zorgstandaarden voor diabetes, cardiovasculair risicomanagement, COPD,

Beleidsagenda

hartfalen, depressie en obesitas. Ook komen er zelfmanagement-programma’s voor chronisch zieken. Die programma’s houden in dat de patiënt verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gezondheid, bijvoorbeeld door gezonder te eten en meer te bewegen. Een leefstijl die eraan bijdraagt dat de ziekte niet verergert.

4.4 Lokaal gezondheidsbeleid en openbare gezondheid

De openbare gezondheidszorg staat dicht bij de bevolking. Het Centrum Gezond Leven bij het RIVM levert kennis over interventies en certificeert de effectieve aanpak. Er worden steunpunten ingericht voor en door lokale professionals in de gezondheidsbevordering. Het ZonMw-programma «Gezonde Slagkracht» stelt gemeenten in staat om samen met lokale en regionale gezondheidspartners programma’s op te zetten over alcohol, drugs, tabak en overgewicht.

In het kader van het Convenant Overgewicht gaat Nederland van start met een lokale en samenhangende aanpak van overgewicht. Op lokaal niveau wordt de bevolking gestimuleerd gezond en verantwoord te leven.

Het kabinet begint samen met de VNG en GGD-Nederland het traject Gezond Lokaal-Centraal. Lokale bestuurders hebben hun eigen verantwoordelijkheid op basis van landelijk vastgestelde prioriteiten. Dat is vastgelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Gezond Lokaal-Centraal ondersteunt bestuurders bij het preventiebeleid. Lokaal ontwikkelen partijen een Preventie Toets Overleg, waarin gemeente, GGD’en, zorgaanbieders in de eerste lijn en zorgverzekeraars samenwerken en preventiedoelen vaststellen én behalen.

4.5 Gezondheidsbescherming en ziektepreventie

Het is van belang dat vrijwel alle burgers deelnemen aan het Rijks-vaccinatieprogramma (RVP). De vaccinatiecampagne tegen het HPV-virus laat zien dat dit niet vanzelfsprekend is. Onderzocht wordt hoe we de tot dan toe hoge acceptatiegraad van het RVP kunnen handhaven.

Het kabinet moet snel en adequaat kunnen reageren op infectieziekten zoals Nieuwe Influenza A/H1N1 (eerder Mexicaanse griep genoemd) en Q-koorts. Het Centrum Infectieziekten bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) speelt daarbij een centrale rol, in nauwe samenwerking met GGD’en, ziekenhuizen en huisartsen. Diverse bestrijdingsdraaiboeken liggen klaar voor grootschalige uitbraken. Met de aankoop en het indien nodig beschikbaar stellen van 34 miljoen vaccins wil het kabinet onze samenleving tegen de nieuwe griep beschermen. VWS en LNV hebben in 2009 en 2010 middelen beschikbaar voor onderzoek naar de bestrijding van Q-koorts. Op basis van de huidige kennis over de overdracht van Q-koorts is een aantal maatregelen genomen op melkgeitbedrijven. Aan de hand van de resultaten van deze onderzoeken worden de maatregelen aangescherpt.

Onderzocht wordt of de registratie van bijwerkingen in het Rijksvaccinatie-programma bij het RIVM moet blijven. Dit om belangenverstrengeling te voorkomen en de onafhankelijkheid van de veiligheidsbewaking te garanderen. In elk geval moet het hoge kwaliteitsniveau van registratie van bijwerkingen gehandhaafd blijven. Het kabinet ontwikkelt normen voor het aanbod van preventief gezondheidsonderzoek om de kwaliteit te garanderen. Het toenemend aanbod aan screeningsmogelijkheden en de technologische ontwikkelingen maken het de burger soms moeilijk een

Beleidsagenda

goed geïnformeerde en verantwoorde keuze te maken. Over de inzet van bevolkingsonderzoek naar darmkanker neemt het kabinet in 2010 een standpunt in.

4.6 Seksuele gezondheid

Seksualiteit hoort bij het leven. Het is wel van belang dat mensen weten hoe je met seks omgaat. Het kabinet geeft informatie over seksualiteit en seksuele gezondheid zodat mensen kunnen genieten van gewenste en veilige seks. Mensen moeten op de hoogte zijn van risico’s als seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s), ongewenste zwangerschap en seksuele dwang.

Het kabinet vindt het belangrijk dat mensen zelf bepalen hoe ze met seksualiteit omgaan. Niet alleen wensen zijn belangrijk, ook grenzen. Om autonoom beslissingen te kunnen nemen, is weerbaarheid belangrijk. Niemand mag zich gedwongen voelen tegen zijn of haar wil handelingen te verrichten of te ondergaan. Als respect geschonden wordt, moet goede hulpverlening beschikbaar zijn.

5 Kwaliteit en Veiligheid van de zorg

5.1 Inleiding

Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat ze goede en veilige zorg krijgen wanneer dat nodig is. En zorg kunnen kiezen die het best bij hen past. Daarvoor is inzicht in kwaliteit en veiligheid noodzakelijk. Aandacht voor kwaliteit moet vanzelfsprekend zijn. Instellingen zijn daar in eerste instantie zelf verantwoordelijk.

De overheid houdt daar met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toezicht op. Verder houdt de IGZ regie op de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren en stimuleert zij veiligheidsnormen van het veld. Belangrijke doelstellingen zijn: het bevorderen van kwaliteit van zorg, het effectiever maken van preventie, het vergroten van transparantie en aandacht voor kwetsbare groepen.

De in mei opgerichte Regieraad Kwaliteit van Zorg stimuleert de veiligheid, kwaliteit en doelmatigheid van zorg door een impuls te geven aan het onderhoud en de invoering van richtlijnen en behandelmethoden. Daarbij zal de Regieraad transparantie ten aanzien van over- en onderbehandeling vergroten en daar vervolgens aandacht voor vragen bij veldpartijen. Dat bevordert werken op basis van richtlijnen. En dat werkt betere zorg en besparing van middelen in de hand.

1 De thema’s zijn: Voorkomen van ziekenhuisinfecties na een operatie (POWI); Voorkomen van schade bij patiënten door scepsis (bloedvergiftiging); Vroegtijdige herkenning van patiënten met bedreigde vitale functies; Voorkomen van medicatiegerelateerde fouten; Voorkomen van onbedoelde vermijdbare schade bij oudere patiënten; Voorkomen van sterfte als gevolg van een hartinfarct; Voorkomen van onnodig pijnlijden door patiënten; Voorkomen van incidenten bij het bereiden en toedienen van high-risk medicatie; Voorkomen van verwisseling van patiënten en bij patiënten; Voorkomen van nierinsufficiëntie bij gebruik van contrastmiddelen en medicatie.

5.2 Kabinetsdoelstellingen 45 en 48

Kabinetsdoelstelling 45: De kwaliteit van de zorg zichtbaar verhogen in 2011 ten opzichte van 2006

45a. De vermijdbare schade in de ziekenhuiszorg is in 2012 gehalveerd Het veiligheidsprogramma «Voorkom schade, werk veilig» is gericht op het verbeteren van tien inhoudelijke thema’s1 en de invoering van het veiligheidsmanagementsysteem (VMS). Voor die thema’s worden verbeteringen en indicatoren ontwikkeld en toegepast in de ziekenhuissector. Vanaf 2010 registreren de instellingen deze indicatoren. De Inspectie betrekt de indicatoren vanaf medio 2011 in het toezicht. De IGZ houdt toezicht op de invoering van het VMS. Eind 2010 of begin 2011

Beleidsagenda

komen ook cijfers beschikbaar van een tussentijds onderzoek naar vermijdbare schade en sterfte in ziekenhuizen.

Op het terrein van de medische technologie zal de IGZ worden gevraagd de basisset prestatie-indicatoren uit te breiden met een indicator over onderhoud en vervanging van de medische apparatuur van de instelling of specifieke afdeling. De mogelijkheden van certificering van onder-houdsdiensten worden onderzocht.

In richtlijnen dient aandacht te worden gegeven aan vaardigheden en opleidingseisen ten aanzien van de toepassing van medische technologie. De Regieraad is gevraagd aandacht te besteden aan dit thema.

45b. Burgers kunnen op kiesBeter.nl voor 80 aandoeningen zien welke kwaliteit de ziekenhuizen bieden

Als mensen informatie hebben over de kwaliteit van geleverde zorg kunnen ze de zorg kiezen die bij hen past. Tegelijk kunnen zorgverzekeraars zorg beter en efficiënter inkopen. Kwaliteitsinformatie over steeds meer sectoren of zorgaanbieders is te vinden op www.kiesBeter.nl. In 2010 is dat een feit voor de behandeling van bijna 30 aandoeningen. In 2011 wil het kabinet dat informatie over de kwaliteit voor 80 aandoeningen beschikbaar is.

In 2009 komt er een Programma Advies Commissie (PAC) om samenhang te brengen in de verschillende indicatoren, waarmee de ziekenhuizen te maken hebben. Die worden in 2010 uitgewerkt tot een samenhangende set indicatoren, zodat burgers en zorgverzekeraars de prestaties nog beter kunnen vergelijken.

45c. Cliënten geven 90 procent van de zorgaanbieders in de AWBZ een voldoende voor de kwaliteit van de zorg

De ervaringen van cliënten met AWBZ-zorg moeten zichtbaar worden. Het gaat om alle drie de kernsectoren in de AWBZ: Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT), Gehandicaptenzorg (GZ) en Geestelijke Gezondheidszorg (ggz). Hierbij wordt gebruik gemaakt van cliëntervaringsgegevens middels een Consumer Quality (CQ)-index. De kwaliteit van de geleverde prestaties van zorginstelingen zullen ook gemeten worden aan de hand van daarvoor ontwikkelde zorginhoudelijke indicatoren.

Voor de VVT zullen in 2010 voor 100 procent van de aanbieders de Consumer Quality (CQ)-index gegevens beschikbaar zijn. Voor de gehandicaptenzorg is dat in 2011 het geval voor twee derde van de zorginstellingen. Wel zullen voor GZ voor 80 procent van de zorginstellingen zorginhoudelijke indicatoren beschikbaar zijn. Voor de ggz zal de CQ-langdurige zorg en CQ-klinische zorg worden ingevoerd. Deze indicatoren worden gepubliceerd in het jaardocument Maatschappelijke Verantwoording. In 2010 brengt het kabinet meer samenhang in die indicatoren met de bedoeling dat burgers en zorgverzekeraars de prestaties kunnen vergelijken.

45d. De rechten en plichten van patiënten en cliënten zijn in 2011 wettelijk vastgelegd en de informatie hierover is voor iedereen toegankelijk Het kabinet versterkt de juridische positie van de cliënt. Ook de plichten van de cliënt ten opzichte van de zorgverlener worden wettelijk vastgelegd. Het voorstel van Wet cliëntenrechten zorg (WCZ) wordt naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het kabinet wil dat in 2010 de helft van de zorginstellingen zich aansluit bij de onpartijdige geschillencommissie. De positie van patiënten-,

Beleidsagenda

gehandicapten- en ouderenorganisaties wordt verstevigd door de subsidieregeling te verfijnen en samenwerking te bevorderen.

Kabinetsdoelstelling 48: Verbeteren en versterken van de palliatieve zorg Mensen moeten waardig kunnen sterven. Daarom ziet het kabinet scherp toe op de deskundigheid van verzorgenden, verpleegkundigen en artsen, zodat patiënten in een terminale fase snel en goede verzorging krijgen. De toegankelijkheid en beschikbaarheid van palliatieve zorg moet verder worden ontwikkeld. Dat kan door de subsidieregeling Palliatieve Terminale Zorg te verbeteren. Hiervoor stelt VWS in 2010 € 4,2 miljoen extra beschikbaar. Ook wordt € 2 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de tegemoetkoming in de huisvestingslasten van de bijna-thuishuizen en high care hospices. Daarnaast wordt de termijn van één jaar palliatieve zorg waarop iemand recht heeft, losgelaten.

Bij palliatieve zorg speelt de sociale omgeving van de patiënt een belangrijke rol. Uitgezocht wordt hoe we meer mensen kunnen informeren over palliatieve zorg. Vrijwilligers worden verder geschoold. Verder worden kwaliteitsinstrumenten ontwikkeld, zoals indicatoren en het project «Palliatieve zorg kan beter».

6 Participatie

6.1 Inleiding

In onze samenleving moet iedereen kunnen participeren. Voor de meeste mensen is dit een vanzelfsprekendheid, maar er zijn mensen die daarbij moeten worden geholpen. Wanneer dat het geval is, moeten zij ervan op aan kunnen dat hulp of ondersteuning beschikbaar is. Het kabinet wil daarbij de weerbaarheid, het respect en de autonomie van kwetsbare mensen versterken, zodat zij zo veel en zo lang mogelijk zelfstandig kunnen meedoen en eigen keuzes kunnen maken. Mensen moeten zich prettig en vertrouwd voelen in hun directe omgeving. In 2010 is er extra aandacht voor welzijn nieuwe stijl.

6.2 Wmo

De Wmo – Wet maatschappelijke ondersteuning – biedt gemeenten, burgers en instellingen de mogelijkheid op een vernieuwende wijze werk te maken van participatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een adequaat ondersteuningsaanbod bijvoorbeeld voor mantelzorgers en vrijwilligers, zodat zij zich met plezier en zonder overbelasting kunnen inzetten.

In 2010 worden er – samen met de gemeenten van het project «Wmo-in-de-buurt» en met relevante landelijke veldpartijen – basisfuncties voor sociale samenhang ontwikkeld.

Welzijn heeft waarde als algemene voorziening voor zelfredzaamheid, participatie en ontmoeting. Maar ook als middel om specifieke lokale problemen adequaat op te kunnen oplossen, bijvoorbeeld naar opleiding of naar werk leiden van moeilijk bemiddelbare groepen. Welzijn nieuwe stijl richt zich op relaties tussen welzijn en haar opdrachtgevers en geeft richting voor effectieve interventies. Daarbij staat het creëren en versterken van sociale netwerken en empowermentcentraal. Het kabinet ondersteunt verder innovatie via het programma Beter in Meedoen en activiteiten van Movisie. Eind 2009 verschijnt een evaluatie van de Wmo.

Beleidsagenda

6.3 Kabinetsdoelstellingen 35 en 47

Kabinetsdoelstelling 35: Uitbreiding van het aantal vrijwilligers en behoud van het aantal mantelzorgers in 2011

Vrijwilligers en mantelzorgers maken het mogelijk dat mensen kunnen meedoen in de samenleving. Zij zorgen voor ondersteuning, sociale binding en zijn zelf hét voorbeeld van actief burgerschap. Door maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing, wordt de inzet van vrijwilligers en mantelzorgers nog belangrijker. Nederland loopt in de wereld voorop als het gaat om vrijwillige inzet. Het kabinet wil koploper blijven en ervoor zorgen dat er ook in de toekomst genoeg vrijwilligers en mantelzorgers zijn.

In 2010 ligt de nadruk op het invoeren van «basisfuncties» voor vrijwilligerswerk en mantelzorg. Deze geven richting aan lokale partijen bij de opdracht aan de gemeente om vrijwilligers en mantelzorgers te ondersteunen.

Het kabinet stimuleert het vrijwilligerswerk in de zorg met het meerjarige programma «Zorg beter met vrijwilligers». In 2010 worden met het bedrijfsleven verdere afspraken gemaakt ter bevordering van mantelzorg-vriendelijk personeelsbeleid. Verder wordt een stimuleringsplan uitgevoerd voor vrijwilligerswerk door werknemers.

Kabinetsdoelstelling 47: Betere hulp en opvang van tienermoeders In 2007 hebben 2 540 tienermeisjes een kind gekregen (bron: CBS). Het betreft meisjes die ten tijde van de geboorte jonger waren dan 20 jaar. Dit is vrijwel hetzelfde aantal als een jaar eerder. Veel tienermoeders zijn in staat – veelal met hulp van familie en vrienden – goed voor hun kind en zichzelf te zorgen. Sommige van deze meisjes hebben echter hulp en opvang nodig om zich voor te bereiden op een zelfstandig bestaan met hun kind. De verantwoordelijkheid voor de vrouwenopvang en de opvang van tienermoeders ligt bij de 35 centrumgemeenten. De centrumgemeenten kunnen de specifieke uitkering vrouwenopvang gebruiken voor hulp en opvang voor tienermoeders. Aan deze uitkering is in totaal structureel € 0,65 miljoen toegevoegd voor deze groep.

6.4 Bescherming en weerbaarheid bij geweld in afhankelijkheidsrelaties

Veertig procent van de mensen in Nederland krijgt op een of andere manier in zijn of haar leven te maken met huiselijk geweld. Geweld in afhankelijkheidsrelatie is vaak onzichtbaar.

Slachtoffers van huiselijk en eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking horen tijdig goede opvang te krijgen. Slachtoffers of mensen die risico lopen moeten hun weerbaarheid kunnen vergroten om hun zelfrespect terug te krijgen en weer regie te nemen over hun leven. Het actieprogramma «Beschermd en Weerbaar» wordt verder uitgevoerd. Om slachtoffers te ondersteunen, legt het kabinet in 2010 het wetsvoorstel Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor aan de Tweede Kamer. Met een meldcode zijn professionals beter in staat risico’s vroegtijdig te signaleren. Daarmee kan geweld worden voorkomen of zo snel mogelijk worden gestopt.

Aan het einde van deze kabinetsperiode is voor de slachtoffers van geweld in afhankelijkheidrelaties voldoende opvang geregeld. Onderzocht

Beleidsagenda

wordt hoe de bestaande opvang structureel kan worden aangepast aan de vraag van bijvoorbeeld mannelijke slachtoffers van geweld of slachtoffers van mensenhandel.

Voor de bestrijding van vrouwelijke genitale verminking wordt het zogenoemde medisch certificaat ingevoerd. Door dit document – op vrijwillige basis – te ondertekenen, verklaren ouders dat zij hun dochter niet laten besnijden. Op Europees niveau zet het kabinet zich verder in om besnijdenis bij vrouwen en meisjes tegen te gaan.

6.5 Gelijke behandeling van mensen met een handicap

Mensen met een handicap mogen zich niet belemmerd voelen door sociale of fysieke drempels. Het kabinet houdt er bij het maken van nieuwe wetten en regels rekening mee dat de rechtspositie van mensen met een beperking wordt versterkt. Het uitgangspunt is gelijke behandeling. Dat geldt ook op lokaal niveau.

In 2010 treedt een regeling in werking voor een toegankelijk openbaar vervoer. De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) wordt daarmee ook voor het openbaar vervoer van kracht. Het kabinet treft voorbereidingen, zodat Nederland in 2010 het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een handicap kan ratificeren.

Wie chronisch ziek of gehandicapt is, heeft vaak extra kosten. De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) regelt dat zij daarvoor een compensatie kunnen krijgen, indien zij aan de voorwaarden voldoen. In 2010 worden de eerste forfaits uitgekeerd.

7 Innovatie

7.1 Inleiding

Het stimuleren van innovatie is een belangrijke doelstelling van het kabinet om de zorg op termijn betaalbaar en toegankelijk te houden. Innovatie is een samenspel van zorgaanbieders, verzekeraars, bedrijfsleven en wetenschap. Het slimmer en efficiënter organiseren van de zorg in netwerken rondom de patiënt draagt bij aan betere zorgverlening. Ook speelt innovatie een rol om de werkdruk te verlagen en de veiligheid te vergroten.

Kabinetsdoelstelling 46: Meer patiëntgerichte zorg door vernieuwing zorgconcepten en innovatie

Nieuwe zorgconcepten kunnen de positie van de patiënt en de rol van de professional versterken. Werkprocessen slimmer organiseren, arbeidsbesparende technologie beter benutten, dat verlicht het werk van de professional. Die kan zich dan, ondanks de toenemende krapte op de arbeidsmarkt, beter concentreren op zijn oorspronkelijke taken met behoud van persoonlijke aandacht voor cliënten.

Samenhangende communicatie – zoals ICT-toepassingen en telemonito-ring – kan de kwaliteit van zorg verbeteren. ICT is er niet alleen voor de professional, maar ook voor de cliënt. Een goed voorbeeld is MijnZorgnet, dat voor 2008–2010 de experimenteerstatus heeft ontvangen. MijnZorgNet richt zich op Parkinson en vruchtbaarheidsproblemen. In de care zetten innovaties, zoals de valpreventiebus en de alarmmat, aan tot meer regie en zelfredzaamheid.

Beleidsagenda

Het kabinet wil de kwaliteit van zorg verbeteren door de verdere landelijke invoering van het elektronisch patiëntendossier (EPD). De Wet op het EPD ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Een aantal zorgaanbieders werkt al met het landelijk elektronisch medicatiedossier en het waarneem-dossier huisartsen. Als de Eerste Kamer de Wet op het EPD aanvaardt, zijn zorgaanbieders verplicht zich aan te sluiten op het landelijk schakelpunt en deel te nemen aan het landelijk EPD. De elektronische toegang van de patiënt tot zijn eigen EPD moet in 2010 een feit zijn.

7.2 Zorginnovatieplatform

Het Zorginnovatieplatform (ZIP) heeft tot doel innovaties aan te jagen en op de agenda te zetten. Het trekt samen op met het rijksbrede programma Nederland Ondernemend Innovatieland van waaruit de maatschappelijke innovatieagenda Gezondheid (MIA G) is opgesteld. Vernieuwingen moeten zichtbaar worden gemaakt en partijen bij elkaar worden gebracht. Het ZIP wil aanjagen en processen versnellen om de positie van patiënten en professionals te verbeteren. Door de mogelijkheden van ICT en technologie beter toe te passen, kan de zorg zich slimmer organiseren en wordt meer ondernemerschap in de zorg mogelijk. Aandacht is er vooral voor chronisch zieken en ouderen. Preventie van chronische ziekten staat in 2010 op de agenda.

Het ZIP verkent in 2010 de mogelijkheden om samen met bedrijfsleven en zorgverzekeraars de ontwikkelingen op het gebied van e-health te versnellen.

Goede innovaties probeert het ZIP vast te houden via opleidingen, bekostigingsstelsels en procedures voor introductie van innovaties in bijvoorbeeld dbc’s. Het platform wil leren van innovaties. En nagegaan wordt waar in de bekostiging, opleiding, dbc-ontwikkeling en kwaliteitsbewakingen belemmeringen schuilen voor zorginnovatie. Voor de periode tot en met 2012 is in totaal bijna € 100 miljoen beschikbaar voor het experimenteren met en in de praktijk brengen van innovaties.

7.3 Innovatie medische producten

Nederland behoort tot de wereldtop als het gaat om patentaanvragen op het gebied van de gezondheidszorg.

Innovatie van medische producten komt niet altijd in de markt tot stand. Zelfs niet als het maatschappelijk belang van deze producten groot is. VWS zal de markt dan op het belang wijzen en partijen bijeen brengen. Om innovatie van medische producten te bevorderen lopen er programma’s waar zorginstellingen, wetenschappers en bedrijven samenwerken aan de ontwikkeling van medische producten. De overheid draagt financieel bij aan deze publiek-private samenwerking, bijvoorbeeld door deelname in het Top Instituut Pharma en het subsidiëren van verschillende ZonMw-programma’s.

7.4 Innovatie in zorgprocessen: «In voor zorg», van leren naar doen

De langdurige zorg sector is een sector in transitie, dit is nodig om aan de uitdagingen voor de toekomst het hoofd te kunnen bieden. Zaken als ketenzorg voor bijvoorbeeld dementerende ouderen, zorg op afstand, doelmatigheidsvergroting, de zorg teruggeven aan de professional zijn noodzakelijke voorwaarden. De instellingen in de langdurige zorg worden in het stimuleringsprogramma «In voor zorg» ondersteund bij het implementeren van de reeds bestaande kennis. Dit zal een grote bijdrage leveren aan de houdbaarheid van de langdurige zorg.

Beleidsagenda

8 Werken in de zorg

8.1 Inleiding

Met meer dan één miljoen arbeidsplaatsen is de zorg de grootste werkgever van Nederland. Van de werknemers is meer dan 90 procent tevreden tot zeer tevreden. De vraag naar zorg neemt wel steeds toe. Om ook in de toekomst goede en veilige zorg te kunnen bieden, stelt het kabinet alles in het werk om voldoende goed geschoold personeel te werven. Zonder extra inzet houden we niet genoeg handen aan het bed. Het kabinet werkt aan het verbeteren van zorgopleidingen, opdat de professionaliteit van het personeel gegarandeerd is. De zorg moet een aantrekkelijke sector blijven om in te werken.

Figuur 1: Groei arbeidsaanbod Nederland en werkgelegenheid zorgsector tot 2025

Groei arbeidsaanbod Nederland

Groei werkgelegenheid Zorgsector

 
 

19.000

         
   

470.000

     
           
             

Bron: CPB, CBS, bewerking VWS.

8.2 Arbeidsmarktbeleid

Het arbeidsmarktbeleid in de zorg valt onder de verantwoordelijkheid van zorginstellingen en sociale partners. VWS ondersteunt hen daarbij. Goede zorg bevordert de arbeidsproductiviteit doordat ziekte en beperkingen kunnen worden voorkomen en mensen sneller beter worden. Ziekenhuizen moeten minder afhankelijk zijn van medisch specialisten. Dat is mogelijk door de opleiding en inzet van gespecialiseerde verpleeg-kundigen1 en technische assistenten. Deze verpleegkundigen staan met één been in de verpleegkundige wereld en met het andere in de medische wereld. Zij kunnen bepaalde taken van de medisch specialist overnemen, waardoor die zich beter kan richten op zijn kerntaak. Daarbij bewaakt de specialist de gewenste begeleiding van patiënten.

1 HBO-studenten Verpleegkunde kunnen verpleegkundig specialist worden op de onderdelen: Preventieve zorg; Acute zorg; Intensieve zorg; Chronische zorg, en in voorbereiding is Geestelijke gezondheidszorg.

Het kabinet besteedt expliciet aandacht aan de veiligheid van medewerkers in de zorg. Het kabinet gaat door met het project ergocoaches, dat is gericht op het terugdringen van fysieke belasting, agressie en geweld. Een ander voorbeeld is het verhogen van de veilige taakuitoefening door ambulancemedewerkers middels het plaatsen van camera’s op de ambulances. Dit in overeenstemming met het door de minister van BZK uitgevoerde programma Veilige Publieke Taak.

Beleidsagenda

Er wordt een beroep op werknemers in de zorg gedaan om meer uren te werken. Als alle deeltijdwerknemers twee uur per week meer werken, zouden er bij benadering 75 000 minder personeelsleden nodig zijn.

Voor werkgevers wordt levensloopbeleid en investeren in menselijk kapitaal steeds belangrijker. Dit in het kader van een hogere pensioenleeftijd en schaarste op de arbeidsmarkt. Om werkgevers hun organisatie daarop aan te laten passen werkt het kabinet aan personeelsbeleid dat rekening houdt met de verschillende levensfasen van de werknemer.

Ket kabinet investeert € 98 miljoen via het stagefonds in de kwaliteit en kwantiteit van stageplaatsen. Het project «Zorg on Tour» wil jongeren onder de aandacht brengen dat werken in de zorg aantrekkelijk is. Ook zijn er projecten gericht op het werven van specifieke doelgroepen voor een baan in de zorg, bijvoorbeeld lager opgeleiden en allochtonen. Ongeveer € 10 miljoen wordt geinvesteerd in regionaal arbeidsmarktbeleid. Door innovatie kan de kwaliteit van zorg toenemen en het personeel beter worden ingezet. Het Zorginnovatieplatform richt zich onder andere op deze activiteiten.

9 Governance

9.1 Inleiding

Waar de overheid het aanbod van zorg voorheen direct aanstuurde, hebben aanbieders van zorg en ondersteuning de afgelopen jaren meer ruimte gekregen. Dat leidde ertoe dat de sector de zorg beter kon organiseren om de cliënt kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg te kunnen aanbieden. Dat bracht andere verantwoordelijkheden met zich mee, die bijvoorbeeld in de thuiszorg tot problemen hebben geleid.

9.2 Ruimte en rekenschap

In de brief «Ruimte en rekenschap voor zorg en ondersteuning» zijn voorstellen gedaan om de ingezette trend naar meer ruimte voor aanbieders van zorg en ondersteuning daadwerkelijk ten goede te laten komen aan de cliënt. Het succes van deze maatregelen staat of valt met instellingen die op deugdelijke wijze worden bestuurd. Het moet vanzelfsprekend zijn dat bestuurders in de zorg hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.

Het veld werkt aan een code die randvoorwaarden schept voor het beloningssysteem in de zorg. Inkomens moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn en gekoppeld zijn aan geleverde prestaties. Onredelijke topinkomens moeten kunnen worden aangepakt.

9.3 Verantwoordelijkheid

De overheid verheldert de verdeling van verantwoordelijkheden. De positie van de Raad van Bestuur en de interne toezichthouders moeten worden versterkt. In de Raad van Bestuur moet één bestuurder verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit en daarop aanspreekbaar zijn. Bij een hogere kwaliteit hoort inzichtelijk verantwoording afleggen. Cliëntenraden en lokale overheden krijgen een sterkere positie. In geval van fusies wordt het toezicht door de IGZ verscherpt.

Belanghebbenden moeten meer mogelijkheden krijgen om in te grijpen als de kwaliteit en de continuïteit van zorgverlening in gevaar dreigen te komen. Met een early warningsysteem kunnen instellingen waar financiële problemen op de loer liggen sneller worden gesignaleerd. Instellingen kunnen vervolgens zelf maatregelen ter verbetering nemen.

Beleidsagenda

Daarnaast wordt het instrumentarium van de overheid om in te kunnen grijpen uitgebreid om doorlevering van cruciale zorg aan cliënten te garanderen.

9.4 Resultaat afhankelijke vergoeding

De belangen van kapitaalverschaffers mogen nooit de overhand hebben boven de continuïteit en kwaliteit van de zorg. Het maatschappelijke doel moet wettelijk worden beschermd. Dit vraagt om een structurele versterking van de zeggenschap van bestuurders en interne toezichthouders ten aanzien van strategische beslissingen die direct van invloed zijn op de publieke belangen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg.

Beslissingen over investeringen, fusies, strategische allianties en het afstoten van activiteiten blijven voorbehouden aan de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht. De bestaande zeggenschapsrechten van aandeelhouders in bv’s in bijvoorbeeld de thuiszorg en de eerstelijnszorg worden aangescherpt.

Het kabinet wil enerzijds meer ruimte voor ziekenhuizen en anderzijds strikter beleid en minder ruimte als het gaat om thuiszorg en eerstelijns-zorg. We willen immers af van ondernemers in de thuiszorg en de eerstelijnszorg, die slechte zorg verlenen, maar wel winst in eigen zak steken. De «cowboys».

Het kabinet zal uitwerken onder welke voorwaarden in de cure een resultaatsafhankelijke vergoeding voor privaat kapitaal kan worden toegestaan.

Voorop staat in alle gevallen de waarborging van publieke belangen waaronder kwaliteit en continuïteit van zorg. Van een «ongeclausuleerde winstuitkering» is geen sprake. Bezien wordt op welke wijze dit via de maatschappelijke onderneming kan plaatsvinden. In de instellingen voor AWBZ-zorg zal een resultaatsafhankelijke vergoeding niet worden toegestaan.

10 Ethiek en gezondheid

10.1 Orgaandonatie

VWS gaat verder met het Masterplan Orgaandonatie. Het kabinet wil dat er meer transplantaties worden uitgevoerd en dat beschikbare donoren zo goed mogelijk worden benut.

In het najaar van 2009 gaat een meerjarige campagne van start waarin mensen worden geïnformeerd over orgaandonatie en worden opgeroepen donor te worden. Er bestaan nog steeds wachtlijsten voor organen. Elk jaar komen er mensen bij. Mensen moeten zich realiseren dat je met donororganen levens kunt redden. Uiteraard moeten mensen de keuze om donor te zijn vrij en weloverwogen kunnen maken. De lichamelijke integriteit staat hierbij centraal.

Betere voorlichting en betere organisatie in de ziekenhuizen leiden tezamen met de eventuele invoering van het Activerende Toestemming Systeem (ATS) mogelijk tot een toename van het aantal postmortale transplantaties met 25 procent in 2013. De Tweede Kamer beslist waarschijnlijk in het najaar van 2009 over de invoering van het ATS.

Met proefprojecten in regio’s waarin ziekenhuizen op het vlak van donaties samen optrekken, werkt het kabinet aan een optimale benutting van het donorpotentieel. In 2010 worden de eerste resultaten verwacht.

Beleidsagenda

10.2 Standpunt toekomstvisie CCMO

In 2009 is door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) een toekomstvisie uitgebracht. Het is een visie op het Nederlandse toetsingssysteem voor medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen voor de komende tien jaar. Het kabinet komt eind 2009 met een standpunt.

10.3 Euthanasie

Euthanasie is een beladen onderwerp. Om zorgvuldigheid te garanderen is inzicht in de praktijk van euthanasie en hulp bij zelfdoding van belang. In 2010 wordt de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding geëvalueerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het meldingspercentage van gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding.

11  Oorlogsgetroffenen

Het kabinet wil de herinnering aan de oorlog en de aandacht voor oorlogsslachtoffers respectvol bewaren. In 2010 wordt stilgestaan bij het feit dat er 65 jaar geleden een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Veel organisaties ondernemen hierom extra activiteiten. Denk bijvoorbeeld aan het voorlezen van 102 000 namen van de slachtoffers die vanuit kamp Westerbork zijn gedeporteerd.

Ook wordt volgend jaar het programma Erfgoed van de Oorlog beëindigd. Op een slotconferentie in september worden de resultaten gepresenteerd van dit driejarig programma, gericht op behoud en toegankelijkheid van het erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog.

Verder werkt het kabinet aan de overgang van de werkzaamheden van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die per 1 januari 2011 een feit moet zijn.

12  Sport

12.1 De kracht van sport in de samenleving

Sport brengt mensen bij elkaar, dat geldt zowel voor breedtesport als voor topsport. Sport is leuk om te doen, daagt je uit en draagt bij aan een goede gezondheid. Het verbindt mensen. Jongeren en ouderen worden gestimuleerd om meer te sporten en te bewegen. Want wie zich actief met sport bezig houdt, zal zich minder vervelen en heeft meer respect voor anderen.

Dat gebeurt onder meer door sportverenigingen te versterken met de inzet van combinatiefuncties. Iemand is dan in dienst van één werkgever, maar oefent zijn functie uit op diverse terreinen bijvoorbeeld bij een school én een sportclub in de wijk. Dat bevordert tegelijkertijd de sociale cohesie, bijvoorbeeld in de veertig aandachtswijken.

Het kabinet gaat verder met het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen. Ons doel is dat in 2012 tenminste 70 procent van de volwassen Nederlanders voldoende beweegt. Ook stimuleert het kabinet dat mensen met een handicap beter kunnen deelnemen aan sport en bewegen. De kracht van sport wordt ook ingezet om bij te dragen aan armoedebestrijding, welzijn en vredesopbouw in ontwikkelingslanden.

Alle Nederlanders moeten hun talent kunnen ontwikkelen. Talentvolle topsporters moeten het op hoogste internationale niveau kunnen excelleren. De Olympische en Paralympische Winterspelen van Vancouver

Beleidsagenda

bieden daarvoor in 2010 een uitgelezen kans. Goede resultaten in de topsport brengen mensen bij elkaar en zorgt voor enthousiasme om zelf actief te worden in de breedtesport.

12.2 Olympisch Plan 2028

Het Olympisch Plan 2028 kan Nederland motiveren om uit te blinken op alle niveaus. Juist als het economisch tegen zit kan dit een extra impuls geven in ruimtelijk, economisch en sociaal opzicht. Nederland kan nog meer een sportland worden. Een land waar iedereen wel iets doet aan sport en beweging. En waar talenten de kans krijgen uit te groeien tot toppers.

Het kabinet heeft belangrijke ambities aan het Olympisch Plan 2028 gekoppeld. Aandacht voor het herkennen en ontwikkelen van talent, niet alleen in sport maar ook in muziek, kunst, onderwijs en wetenschap. Kansen voor jongeren en volwassenen om mee te doen door stages en vrijwilligerswerk, maar ook door sociale activiteiten en re-integratie. Nederland zet zich met het Olympisch Plan 2028 op de kaart als land dat grote evenementen kan organiseren, als een aantrekkelijke bestemming voor buitenlandse toeristen en als handelspartner. Om onze ambities te realiseren is een breed maatschappelijk draagvlak noodzakelijk.

13 Financieel Beeld op Hoofdlijnen

Deze paragraaf beschrijft het financieel beleid op hoofdlijnen.

Het kabinet neemt de volgende maatregelen in de zorg in het kader van de

economische crisis:

+ De Regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (Regeling GO) zal ook worden opengesteld voor de curatieve zorgsector. Vanaf 1 september is het gedurende één jaar mogelijk dat banken voor financieringen van bouwleningen van zorginstellingen in de curatieve zorg, tot € 50 miljoen per zorginstelling, een gedeeltelijke (50 procent) staatsgarantie kunnen verkrijgen. De banken betalen voor deze garantie een kostendekkende premie. De regeling kent voor de zorg een garantieplafond van € 250 miljoen. De regeling valt onder de begroting van Economische Zaken, artikel 3 een concurrerend ondernemingsklimaat. De openstelling van de regeling GO voor bouwfinanciering van zorginstellingen geschiedt voor rekening en risico VWS;

+ De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verhoogt de rentenorm voor langlopende leningen. Dit betekent dat zorginstellingen een hogere vergoeding krijgen voor leningen voor de financiering van (nieuw) bouwprojecten. Door de kredietcrisis dekt de huidige norm de kosten van instellingen niet meer. Hierdoor bestaat de kans dat instellingen met goed onderbouwde investeringsplannen zich genoodzaakt voelen die plannen uit te stellen, vanwege een te lage vergoeding;

+ In het aanvullend coalitieakkoord (kamerstuk 31 070, nr. 24) zijn aanvullende middelen beschikbaar gekomen ter stimulering van de bouw. Het gaat om een bedrag van € 160 miljoen voor zowel de cure als de care (totaal € 320 miljoen). Deze middelen dragen eraan bij dat instellingen de financiering van hun bouwplannen eerder rond kunnen krijgen. In latere jaren wordt een besparing bereikt. In de care worden deze middelen vooral ingezet als stimulans voor het wegwerken van de meerbedskamers in de verpleeghuizen en de oranjerood plaatsen in de gehandicaptensector. Het kabinet zal aandacht vragen voor energiezuinige en duurzame vormen van bouw in de zorg.

Beleidsagenda

De geraamde uitgaven behorend bij het beleidprogramma van het kabinet Samen werken Samen leven worden hieronder gepresenteerd. Vervolgens wordt een totaaloverzicht gepresenteerd van de zorguitgaven, gevolgd door een totaaloverzicht van de begrotingsuitgaven. Ten slotte volgen overzichten met de financiële consequenties van de belangrijkste onderwerpen in deze beleidsagenda.

Doelstellingen kabinet

Het kabinet heeft in Samen werken Samen leven74 doelstellingen voor de kabinetsperiode geformuleerd. Vijf daarvan hebben direct betrekking op de beleidsterreinen van VWS. Ze zijn opgenomen in ondertaande tabel. In de tabel is tevens opgenomen in welk artikel en onder welke operationele doelstellingen het beleid verder is uitgewerkt.

 

Kabinetsdoelstellingen bedragen x € 1 000

         
     

Nr.

kabinets doelstelling

Omschrijving

Nr.

Beleids-

artikel/OD

Geraamde

uitgaven

2010

Geraamde

uitgaven

2011

Vindplaats

35

Substantiële uitbreiding van het aantal vrijwilligers en behoud van het aantal mantelzorgers in 2011

44.3.2

15 979

14 479

kamerstuk 30 169, nr. 11

45a

De vermijdbare schade in de ziekenhuiszorg is in 2012 gehalveerd

42.3.2 98.3.4

6 307

6 288

kamerstuk 31 016, nr. 8 kamerstuk 28 439 nr. 18 Kamerstuk XX XXX, nr. X

45b

Burgers kunnen op KiesBeter.nl voor 80 aandoeningen zien welke kwaliteit de ziekenhuizen bieden

42.3.1 43.3.1 98.3.4

10 422

9 422

kamerstuk 28 439, nr. 98

45c

Cliënten geven 90 procent van de zorgaanbieders in de AWBZ een voldoende voor de kwaliteit van de zorg

42.3.1 43.3.1

900

900

kamerstuk 28 439, nr. 98

45d

De rechten en plichten van patiënten en cliënten zijn in 2011 wettelijk vastgelegd en de informatie hierover is voor iedereen toegankelijk

42.3.1 43.3.1

41 791

41 436

kamerstuk 31 476, nr. 1

46

Meer patiëntgerichte zorg door vernieuwing zorgconcepten en innovatie

42.3.2 43.3.3

191 749

186 452

kamerstuk 29 282, nr. 79 kamerstuk 29 515 nr. 271 Kamerstuk XX XXX, nr. X kamerstuk 31 466, nr. 21

47

Betere hulp en opvang voor tienermoeders

44.3.4

650*

650

kamerstuk 28 345, nr. 51 kamerstuk 31 474 XVI, nr. 7

48

Verbeteren en versterken palliatieve zorg

43.3.3

21 400

21 400

kamerstuk 29 509, nr. 19

  • Uit het actieprogramma «Beschermd en Weerbaar» worden ook middelen ingezet voor deze kabinetsdoelstelling.

Beleidsagenda

Totale premiegefinancierde zorguitgaven

 

Totale premiegefinancierde zorguitgaven (bedragen x € 1 000 000)1

 
 

2010

 

2010

41 Volksgezondheid

108

43 Langdurige zorg

22 485

Preventieve zorg (uitvoeren Rijksvaccinatie-

     

programma)

109

Langdurige geestelijke gezondheidszorg

1 558

Volksgezondheid onverdeeld

  • 1

Gehandicaptenzorg

6 010

   

Verpleging en verzorging

12 339

42 Gezondheidszorg

33 187

Bovenbudgettaire vergoedingen

114

Huisartsen en gezondheidscentra

2 033

Persoonsgebonden budgetten

2 261

Tandheelkunde en tandheelkundige specialistische

     

zorg

787

Subsidies langdurige zorg

76

Paramedische hulp

604

Beheerskosten/diversen AWBZ

248

Verloskunde en kraamzorg

437

Langdurige zorg onverdeeld

  • 121

Dieetadvisering

36

   

Extramurale zorg onverdeeld

35

44 Maatschappelijke ondersteuning

178

Algemene en categorale ziekenhuizen

11 083

MEE-instellingen

178

Academische ziekenhuizen

2 849

   

Academische component

606

99 Nominaal en onvoorzien

935

Medisch specialisten

2 019

Nominaal en onvoorzien

935

Overig curatieve zorg

571

   

Ziekenhuizen, medisch specialisten en overig curatief

     

onverdeeld

581

Overig

3 002

Ambulancevervoer

432

Wmo (gemeentefonds)

1 627

Overig ziekenvervoer

117

Opleidingfonds (begroting VWS)

840

Ziekenvervoer onverdeeld

6

Wtcg (begroting VWS)

499

Farmaceutische hulp

5 522

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

37

Hulpmiddelen

1 386

   

Geneeskundige GGZ door instellingen

3 266

Totaal zorguitgaven

60 054

Geneeskundige GGZ door vrijgevestigden

157

   

Geneeskundige GGZ onverdeeld

109

   

Chronische keten dbc’s

242

   

Grensoverschrijdende zorg

467

   

Beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw

6

   

Bron: VWS

1 De som der delen kan afwijken van het totaal.

Totale begrotingsuitgaven

Begrotingsuitgaven (bedragen

2010

2010

41 Volksgezondheid

1 – Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl

2 – Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel onveilige producten

679 697

44 535

84 621

5 497

3 – Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen

4 – De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede 338 006 bescherming tegen infectie- en chronische ziekten

5 – Er is een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

6 – Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij medisch wetenschappelijk onderzoek

47 Oorlogsgetroffenen en herinnering WO II

1 – Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw

2 – De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – vooral jeugdigen – zijn zich van bewust van de betekenis van WO II Personeel en materieel

182 809 98 Algemeen

15 332 1 – Beheer en toezicht stelsel

369 245

359 001

9 335

909

303 719

89 992

Beleidsagenda

 
         
   
 

2010

 

2010

Personeel en materieel

8 897

2 – Internationale samenwerking

9 525

   

3 – Verzameluitkering VWS

0

42 Gezondheidszorg

7 472 005

Personeel en materieel

 

1 – De positie van de burger in het zorgstelsel wordt

1 796

Inspectie Gezondheidszorg

45 411

versterkt

     

2 – Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door

1 297 034

– Sociaal en Cultureel Planbureau

5 365

de burger gewenste zorgaanbod te realiseren

     

3 – Zorgverzekeraars bieden alle burgers een

6 164 865

– Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

1 153

betaalbaar verzekerd pakket voor noodzakelijke zorg

aan

Personeel en materieel

     

8 310

– Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

2 997

   

– Gezondheidsraad

3 655

43 Langdurigezorg

5 990 885

– Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

1 281

1 – De positie van de burger in het zorgstelsel wordt

63 181

– Strategisch onderzoek RIVM

18 107

versterkt

     

2 – Voor iedere cliënt is de noodzakelijke zorg

138 745

– Strategisch onderzoek NVI

7 720

beschikbaar

     

3 – De zorg is effectief en veilig en wordt door de

166 452

– Inspectie Jeugdzorg

5 970

cliënt positief ervaren (kwalitatief goede zorg)

     

4 – De kosten van de zorg zijn maatschappelijk

5 618 506

– Personeel en materieel kernministerie

112 543

aanvaardbaar

     

Personeel en materieel

4 001

   

44 Maatschappelijke ondersteuning

304 071

99 Nominaal en onvoorzien

  • 46 855

1 – Burgers worden gestimuleerd actief te participeren

27 645

1 – Loonbijstelling

175

in maatschappelijke verbanden

     

2 – Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning

81 370

2 – Prijsbijstelling

12 685

en kunnen gebruik maken van (organisaties van)

     

vrijwillige ondersteuning

     

3 – Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken

74 348

3 – Onvoorzien

79

van (algemene) voorzieningen en professionele

     

ondersteuning

     

4 – Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen

116 811

4 – Taakstelling

  • 59 794

gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

     

Personeel en materieel

3 897

   

46 Sport

144 186

   

1 – Mensen sporten en bewegen meer voor hun

27 894

   

gezondheid

     

2 – Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen

81 682

   

mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en

     

gaan mensen respectvol met elkaar om

     

3 – De topsort in Nederland staat symbool voor

32 314

   

ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan

     

ons nationale imago in binnen- en buitenland

     

Personeel en materieel

2 296

Totaal begrotingsuitgaven

15 216 953

Geraamde begrotingsuitgaven bij de belangrijkste onderwerpen in de beleidsagenda 2010

In deze tabel zijn de begrotingsuitgaven bij de belangrijkste onderwerpen in deze beleidsagenda opgenomen. De opbouw van de begroting 2009 naar 2010 is niet in deze beleidsagenda opgenomen. U kunt deze vinden in het verdiepingshoofdstuk van de begroting.

Beleidsagenda

 

Omschrijving

Nr. Beleids-

Geraamde

Geraamde

Geraamde

 

artikel/OD

uitgaven

uitgaven

uitgaven

   

2010

2011

2012

Curatieve Zorg

       

Vereenvoudiging dbc systematiek

42.3.3

1 048

700

0

Stimuleren projecten patiëntveiligheid ggz

42.3.2

1 500

1 895

175

Langdurigezorg

       

Invoeren zorgzwaartebekostiging

43.3.3

2 500

0

0

Palliatieve zorg

43.3.3

21 400

21 400

21 400

Preventie

       

Preventieprogramma’s ZonMw: 3e (lopend) en 4e (op te starten)

41.3.4

13 003

13 702

10 849

Proefprogramma preventie in het basispakket van de Zorg-

       

verzekeringswet:

       

– depressiepreventie en zelfmanagement van chronisch zieken

41.3.4

3 524

0

0

  • beweegkuur

46.3.1

10 400

7 900

0

ZonMw Diseasemanagement

41.3.4

1 657

1 069

56

Nationaal Programma Diabetes

41.3.4

2 500

2 500

2 500

Kwaliteit en veiligheid

       

Ontwikkelen en onderhouden kwaliteitsindicatoren (Project Zizo)

42.3.1,

43.3.1 en

98.3.4

6 200

5 200

2 500

Ontwikkelen CQ-index

42.3.1 en 43.3.1

900

900

900

KiesBeter.nl

42.3.1 en 43.3.1

4 222

4 222

4 222

Veiligheidsprogramma ziekenhuizen

42.3.2

3 050

3 050

3 050

Regieraad kwaliteit en veiligheid

42.3.2

894

614

614

Actieprogramma veilige zorg 1e lijn

42.3.2

527

343

0

ZonMw programma Zorg voor beter

43.3.3

3 800

3 800

0

Subsidies PGO-organisaties

42.3.1 en 43.3.1

41 791

41 436

41 638

Innovatie

       

Algemeen innovatiebeleid (zorgbreed), waaronder het ZorgInnovatie-

42.3.2

36 000

36 000

36 000

platform

       

ICT in de Zorg

42.3.2

40 000

40 000

40 000

Werken in de zorg

       

Stagefonds

42.3.2. en 43.3.3

98 000

98 000

0

Arbeidsmarktbeleid

42.3.2. en 43.3.3

17 749

12 452

55 395

Participatie

       

Uitbreiding vrijwilligers en behoud mantelzorgers

44.3.2

9 000

9 000

9 000

Deskundigheidsbevordering vrijwillige inzet

44.3.2

5 000

3 500

2 500

Mantelzorgcompliment

44.3.2

65 000

65 000

65 000

Actieprogramma Beschermd en weerbaar, waaronder hulp en opvang

44.3.4

33 950

36 450

38 950

tienermoeders

       

Bevorderen seksuele gezondheid

41.3.4

10 758

10 188

9 415

Allochtonen en seksuele gezondheid

41.3.4

1 000

1 000

1 000

Forfaits chronisch zieken en gehandicapten

43.3.4

499 599

511 731

518 296

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

43.3.4

11 120

42 299

42 299

Sport

       

Impuls brede scholen, sport en cultuur

46.3.2

23 334

23 334

28 334

Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

46.3.1

12 181

17 035

18 632

Talentontwikkeling, waaronder Centra voor Topsport en Onderwijs

46.3.3

11 202

11 221

11 163

Werkplan gehandicaptensport in Nederland

46.3.2

2 498

2 598

2 598

Medische ethiek

       

Ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg

41.3.6

15 332

15 446

14 729

Masterplan orgaandonatie

42.3.2

13 680

33 944

22 470

Beleidsagenda

Omschrijving

 

Nr. Beleids-

Geraamde

Geraamde

Geraamde

artikel/OD

uitgaven

uitgaven

uitgaven

 

2010

2011

2012

Oorlogsgetroffenen

Programma Erfgoed van de Oorlog

47.3.2

1 006

Ontwikkeling zorguitgaven

In de tabel hieronder worden de belangrijkste mutaties van de ontwikkelingen van de premiegefinancierde zorguitgaven van de begroting 2009 tot de begroting 2010 gepresenteerd. Een toelichting op deze mutaties is opgenomen in de bijlage Financieel Beeld Zorg van deze begroting.

0

0

Beleidsagenda

 
       
         
 

2009

2010

2011

2012

2013 2014

Bruto-BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting

         

2009

58 009,6

61 292,9

65 003,9

69 378,8

73 803,9

Productieontwikkelingen, mee- en tegenvallers

         
  • a. 
    Actualisatie zorguitgaven 2008 en doorwerking

838,4

804,9

804,5

804,8

804,8

Maatregelen en beleidsaanpassingen

         
  • b. 
    Preferentiebeleid en verlopen patenten
  • 370,0
  • 495,0
  • 545,0
  • 545,0
  • 545,0
  • c. 
    Tegenvaller receptregelvergoeding, aflopen
         

transitieakkoord en volume (gebruik) geneesmid-

         

delen

223,2

531,8

565,5

565,5

565,5

  • d. 
    (pseudo-)WW-premie

30,0

30,0

30,0

30,0

30,0

  • e. 
    Wijziging voorcalculatie
  • 67,4
  • 53,3
  • 55,7
  • 58,1
  • 59,8
  • f. 
    Besparingsverlies niet-indexeren huisartsen

37,0

9,0

6,0

3,0

2,0

  • g. 
    Maatregelen medisch specialisten
 
  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0
  • h. 
    Tariefmaatregel ggz
 
  • 119,0
  • 119,0
  • 119,0
  • 119,0
  • i. 
    Wet geneesmiddelenprijzen
  • 12,5

-72,5

-80,0

-80,0

-80,0

  • j. 
    Doelmatig voorschrijven
 
  • 127,0
  • 110,0
  • 110,0
  • 110,0
  • k. 
    Variabilisering inschrijftarief
 
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • l. 
    Beloning doelmatig voorschrijven
   

120,0

60,0

60,0

  • m. 
    Zelfverwijzers
 

-48,0

  • 117,0
  • 117,0
  • 117,0
  • n. 
    Tariefmaatregel alle vrije beroepsbeoefenaren
 
  • 57,5

-94,3

-94,3

-94,3

  • o. 
    Pakketuit-/opname
 

-3,3

-3,3

-3,3

-3,3

  • p. 
    Aanpak topinkomens
   
  • 27,0
  • 27,0
  • 27,0
  • q. 
    Sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk
         

gehandicapten

44,0

       
  • r. 
    Ramingsbijstelling PGB
  • 50,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • s. 
    Vermogensinkomensbijtelling

-40,0

-70,0

-70,0

-70,0

-70,0

  • t. 
    Invulling taakstelling best practices
 

-91,0

-91,0

-91,0

-91,0

  • u. 
    Inzet reserve AWBZ knelpunten
 
  • 113,0
  • 19,0
  • 18,0
  • 20,0
  • v. 
    Ontbureaucratisering AWBZ
   
  • 50,0
  • 50,0
  • 50,0
  • w. 
    Ramingsbijstelling tariefsmaatregelen AWBZ
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • x. 
    Prikkelwerking Wmo
   
  • 50,0
  • 50,0
  • 50,0

Technische en macro-economischemutaties

         
  • y. 
    Macro loon- en prijsbijstelling
  • 531,8
  • 1 362,7
  • 2 009,9
  • 2 835,1
  • 3 709,5
  • z. 
    IJklijnmutaties
  • 100,9

80,7

96,2

106,3

108,1

aa. Diverse mutaties

17,4

152,4

106,9

100,7

103,7

bb. Financieringsschuif

  • 21,0
       

Totaal mutaties

- 63,6

- 1 558,5

- 2 267,1

- 3 152,5

- 4 026,8

Bruto-BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting

         

2010

57 946,0

59 734,4

62 736,8

66 226,3

69 777,1 73 506,2

BKZ-ontvangsten stand VWS ontwerpbegroting 2009

2 993,5

3 046,6

3 326,2

3 472,0

3 638,8

I. Vermogensinkomensbijtelling

-40,0

-70,0

70,0

-70,0

-70,0

II. Wtcg

5,0

10,0

10,0

11,0

11,0

III. IJklijnmutaties

  • 7,2
  • 11,4
  • 5,3

-3,9

  • 2,6

Totaal mutaties

-42,2

- 71,4

- 65,3

- 62,9

- 61,6

BKZ-ontvangsten stand VWS ontwerpbegroting 2010

2 951,3

2 975,2

3 260,9

3 409,1

3 577,2 3 747,9

Netto-BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting

         

2009

55 016,1

58 246,3

61 677,7

65 906,8

70 165,1

Netto-BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting

         

2010

54 994,7

56 759,2

59 475,9

62 817,2

66 199,9 69 758,3

Bron: VWS

Artikel 41 Volksgezondheid

41.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen gezond leven en zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid.

Belangrijkste beleidsonderwerpen Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

2010                                                          Op24september 2007isdekabinetsvisieopgezondheidenpreventie

naar de Tweede Kamer gestuurd (kamerstuk 22 894, nr. 134). Via 4

beleidslijnen wil het kabinet de volksgezondheid verbeteren. De 4

beleidslijnen zijn:

+ Bestaande preventiemaatregelen (gezondheidsbescherming en

ziektepreventie) in stand houden («dijkbewaking») en innoveren. Het kabinet neemt in 2010 een standpunt in op het advies van de Gezondheidsraad om de vaccinatie tegen Hepatitis B in het Rijks-vaccinatieprogramma (RVP) op te nemen;

+ Integraal gezondheidsbeleid. Bij het verbinden van preventie, curatie en langdurige zorg wordt op het gebied van primaire preventie ook aansluiting gezocht bij de specifieke belangen van sectoren buiten de zorg, zoals het onderwijs, de werkgevers en werknemers, gemeenten, de sportsector en andere partijen. Met andere departementen werkt VWS aan een meer integraal en samenhangend gezondheidsbeleid en dient vooral in preventieve zin een concrete bijdrage te leveren aan het verhogen van de levensverwachting, in het bijzonder die van laagopgeleiden. In 2010 zal invulling worden gegeven aan het in het najaar 2009 te verschijnen kabinetsstandpunt op de uitgebrachte adviezen van de RVZ, Onderwijsraad en de Raad voor het Openbaar Bestuur, alsmede van de Sociaal Economische Raad (SER) over parallelle belangen bij gezondheid;

+ Preventie via de zorg versterken. Met de vergrijzing neemt het aantal mensen dat lijdt aan chronische ziekten verder toe. In de brief «Programmatische aanpak van chronische ziekten» van 13 juni 2008 (kamerstuk 31 200 XVI, nr. 155) is geschetst wat de ambities op dit gebied zijn. Belangrijk onderdeel van de aanpak gericht op het voorkomen van (het verder verergeren van) chronische ziekten is de curatieve zorg en preventie meer aan elkaar te verbinden. Verder wordt het Nationaal Actieprogramma Diabetes uitgevoerd;

+ Bestuurlijke vernieuwing realiseren waar dit nodig is: er wordt

gestreefd naar gebiedscongruentie tussen GGD’en en GHOR-regio’s. In het wijzigingsvoorstel Drank- en Horecawet is opgenomen dat het toezicht op de naleving overgaat van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) naar de gemeenten. Het uitgangspunt hierachter is dat gemeenten het toezicht efficiënter kunnen uitoefenen.

In de verschillende operationele doelstellingen van dit artikel komen deze lijnen terug, evenals het onderwerp seksuele gezondheid en allochtonen, waarover op 4 juli 2008 een brief aan de Tweede Kamer is gestuurd (kamerstuk 29 200, nr. 12).

Op het gebied van medische-ethiek is in 2009 is een aantal wetswijzigingsprocessen gestart die naar verwachting in 2010 in het parlement behandeld zullen worden. Het gaat bijvoorbeeld om de wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Embryowet. Ook zal een aantal (wets)evaluaties worden gestart. Het gaat onder meer om de evaluatie van de Centrale deskundigencommissie late zwanger-

Beleidsartikelen/Artikel 41

schapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen, als ook de Embryowet en de Wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Belangrijke andere onderwerpen op het terrein van de medische ethiek

zijn:

+ De abortushulpverlening en -registratie;

+ Uitwerken van standpunten op wetsevaluaties, onder andere Embryowet en Wet op de Medische Keuringen;

+ Uitwerking standpunt op het advies van de commissie medisch-wetenschappelijk onderzoek met minderjarigen;

+ Uitvoeren van het onderzoeksprogramma Ethiek en Gezondheid bij ZonMw, alsmede Maatschappelijk Verantwoord Innoveren bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

De bewindspersoon van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor het:

+ Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven;

+ Beschermen van consumenten tegen onveilige consumentenproducten en levensmiddelen;

+ Bevorderen van veilig gedrag en een veilige omgeving ter voorkoming van letsels door ongevallen in de privésfeer;

+ De vroegopsporing van (risico’s op) ziekten;

+ Beschermen van burgers tegen (de gevolgen van) infectieziekten en rampen;

+ Effectueren van een doelmatige en effectieve openbare gezondheidszorg;

+ Scheppen van de randvoorwaarden voor meer preventie via de zorg;

+ Bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek.

Externe factoren

Externe factoren

Veel ziekte overkomt mensen. Maar ziekte is ook vaak te voorkomen. Door burgers zelf, en via de wijken, op scholen, in de sport, op het werk en in de zorg. Vaak is er sprake van een parallellie van belangen. Om onze beleidsdoelen te bereiken, is samenwerking van belang met andere ministeries, gemeenten, het bedrijfsleven, scholen, werkgevers en werknemers, zorgverzekeraars en -aanbieders (beroepsgroepen), maatschappelijke organisaties en met de sportsector.

Binnen de overheid is een aantal actoren werkzaam op het terrein van de

volksgezondheid:

+ Gemeenten staan voor de collectieve preventie op lokaal niveau. Elke vier jaar brengen gemeenten een nota lokaal gezondheidsbeleid uit. GGD’en voeren de wettelijke preventietaken van gemeenten grotendeels uit;

+ Het RIVM is een expertise- en regiecentrum voor de publieke gezondheid. Daartoe zijn er centra voor Infectieziektebestrijding, Bevolkingsonderzoek, Gezond Leven en Gezondheid en Milieu;

+ De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) handhaaft de wettelijke regels voor alcohol, tabak, eet- en drinkwaren en consumentenproducten;

+ De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt onder meer toezicht op de volksgezondheid en de openbare gezondheidszorg.

Het nationale preventiebeleid is deels afhankelijk van ontwikkelingen in

EU-verband of op mondiaal niveau. Nederland is actief op het terrein van

voedsel- en productveiligheid en infectieziektebestrijding in EU- en

WHO-verband.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Het volksgezondheidsbeleid wordt gemeten met de indicatoren absolute levensverwachting en levensverwachting in goed ervaren gezondheid. Het RIVM brengt vierjaarlijks de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen en tweejaarlijks de Zorgbalans uit, die inzicht bieden in de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid.

 
             

Prestatie-indicatoren

 
         

Streefwaarde

 

1995

2000

2005

2007

2010

Absolute levensverwachting in jaren:

         

– mannen

74,6

75,5

77,2

78,0

> 78,0

– vrouwen

80,4

80,6

81,6

82,3

> 82,3

Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

         

– mannen

60,8

61,5

62,5

64,7

> 64,7

– vrouwen

61,9

60,9

61,8

63,4

> 63,4

Bron: CBS-Statline (www.cbs.nl/statline)) (Voor het berekenen van de levensverwachting in als goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van de vraag «Hoe is over het algemeen met uw gezondheidstoestand?» Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

Toelichting:

Het kabinet streeft ernaar Nederland terug te brengen naar de top vijf van Europese landen met de hoogste levensverwachting. Het kabinet wil er aan bijdragen dat de burger gezonder gaat leven, maar wel met inachtneming van het gegeven dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun leefstijl. Op dit moment staat Nederland voor mannen op het gemiddelde van de 15 «oude» EU-landen en voor vrouwen op het gemiddelde van de EU-27.

Begrotingsbedragen x € 1 000

Beleidsartikelen/Artikel 41

41.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven:

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl
  • 2. 
    Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel onveilige producten
  • 3. 
    Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen
  • 4. 
    De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectie-en chronische ziekten
  • 5. 
    Er is een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid
  • 6. 
    Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij medisch wetenschappelijk onderzoek

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

705 758

852 943

667 450

661 476

635 541

625 022

623 474

601 290

875 670

679 697

668 059

640 961

625 732

623 474

592 600

866 508

670 800

660 059

632 961

617 732

615 474

39 910

43 730

44 535

39 375

39 375

38 775

38 825

80 324

83 306

84 621

78 082

77 985

77 985

77 985

4 971

5 482

5 497

5 497

4 647

4 647

4 597

290 409

574 659

338 006

335 721

333 094

335 931

340 660

162 527           143 668           182 809           185 938

14 459

163 131           145 752

15 663

15 332

15 446

14 729

14 642

138 765

14 642

 

8 690

9 162

8 897

8 000

8 000

8 000

8 000

14 198

22 653

21 653

15 623

15 623

15 623

15 623

Beleidsartikelen/Artikel 41

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.    Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

2.    Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

3.    Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

4.    De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectie- en chronische ziekten

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

5.    Er is een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

6.    Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

44 535            39 375            39 375            38 775            38 825

43 241             35 565             32 274             28 454             24 934

00000

1294               3 810               7 101             10 321             13 891

84 621

78 082

77 985

77 985

77 985

 

84 134

77 401

77 087

76 774

76 462

0

220

220

220

220

487

461

678

991

1 303

5 497              5 497              4 647              4 647              4 597

5 347               5 000               3 805               3 383               2 962

00000

150                  497                  842               1 264               1 635

338 006

335 721

333 094

335 931

340 660

 

336 842

0

1 164

333 119

150

2 452

328 206

150

4 738

330 484

150

5 297

333 447

150

7 063

182 809

185 938

163 131

145 752

138 765

182 281

0

528

31 979

152 806

1 153

30 876

130 655

1 600

30 259

113 276

2 217

29 564

106 289

2 912

15 332

15 446

14 729

14 642

14 642

15 146

0

186

2 897 11 958

591

2 213

11 958

558

2 008

11 958

676

1 568

11 958

1116

Toelichting:

De bedragen die als «niet verplicht of bestuurlijk gebonden» zijn opgenomen zijn beleidsmatig gereserveerd voor uitgaven op het terrein van de

volgende operationele doelstellingen:

Operationele doelstelling 1:Uitgaven naar aanleiding van de hoofdlijnenbrief alcoholbeleid (kamerstuk 27 565, nr. 35, beleid gericht op het

voorkomen van schadelijk alcoholgebruik met een sterke focus op het alcoholgebruik door jongeren), preventie van schadelijk drugsgebruik,

preventie overgewicht en voeding. – Operationele Doelstelling 4:Uitgaven naar aanleiding van de brief Programmatische aanpak van chronische ziekten (kamerstuk 31 200 XVI,

nr. 155), uitvoeren van het Nationaal Actieprogramma Diabetes en zelfmanagement chronische ziekten. Daarnaast voorlichting en implementatie

op het gebied van International Health Regulations. – Operationele Doelstelling 5:Uitgaven ter uitvoering van de kaderbrief 2007–2011 visie op gezondheid en preventie (kamerstuk 22 894, nr. 134) en

voorbereiding op crisis en rampen.

Premie-uitgaven:

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van volksgezondheid. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de Eerste suppletore begroting 2009 en de begroting 2010 verwerkt. Voor 2009 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2010 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voorzover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

Beleidsartikelen/Artikel 41

 

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Preventieve zorg (uitvoeren Rijks-vaccinatieprogramma) Ouder- en kindzorg Volksgezondheid onverdeeld

106,8 5,3

108,5

108,5 -0,7

108,5 - 1,1

108,5 - 1,1

108,5 - 1,1

108,5 - 1,1

Totaal

112,1

108,5

107,8

107,4

107,4

107,4

107,4

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

 
  • 3,2%
  • 0,6%
  • 0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

Bron: VWS

Premiegefinancierde prioriteiten

De volgende tabel geeft de premiegefinancierde prioriteiten weer. De beleidsinformatie is opgenomen onder de operationele doelstelling bij de betreffende prioriteit. Bij een onbekend bedrag is een «pm» opgenomen en daar waar budgetneutraliteit het uitgangspunt is een «n.v.t.».

 

Premiegefinancierde prioriteiten (bedragen x € 1 000 000)

OD

2010

2011

2012

2013

2014

Opname ondersteuning bij stoppen met roken in het

basispakket van de Zvw met ingang van 1 januari 20111 41.3.1

Rijksvaccinatieprogramma (RVP) uitvoeren 41.3.4

108,5

20,0 108,5

20,0 108,5

20,0 108,5

20,0 108,5

Bron: VWS

1 Deze middelen staan nu nog verantwoord op nominaal en onvoorzien

+ (P) Rijksvaccinatieprogramma

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) heeft tot doel de vaccinatie van alle kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 12 jaar die in Nederland wonen. De ziekten waartegen gevaccineerd wordt zijn: difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP), infectie met Haemophilus Influenzae type B (Hib), bof, mazelen en rodehond (BMR), meningokokken C infecties (Men C), pneumokokken infecties en de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (meisjes). Het kabinet neemt in 2010 een standpunt in op het advies van de Gezondheidsraad om de vaccinatie tegen Hepatitis B in het RVP op te nemen.

41.3 Operationele doelstellingen

Er zijn zes operationele doelstellingen op het gebied van volksgezondheid:

  • 1. 
    Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl;
  • 2. 
    Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten;
  • 3. 
    Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen;
  • 4. 
    De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectieziekten en chronische ziekten;
  • 5. 
    Er is een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid;

Beleidsartikelen/Artikel 41

  • 6. 
    Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek.

41.3.1 Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl

Motivering

Motivering

De burger is primair zélf verantwoordelijk voor zijn leefstijl. Gemeenten, scholen, werkgevers, sportverenigingen, zorgverzekeraars en- aanbieders spelen ook een belangrijke rol. De gezondheidsbevorderende instituten in samenwerking met het Centrum Gezond Leven (CGL) bij het RIVM ondersteunen deze partijen door voorlichting te geven en leefstijlinterventies aan te bieden. Het kabinet wil gezond leven bevorderen door het roken te ontmoedigen, schadelijk alcoholgebruik te voorkomen, beweging te stimuleren, drugsgebruik tegen te gaan, gezonde voeding te promoten en overgewicht te bestrijden en te werken aan integraal en samenhangend gezondheidsbeleid.

Instrumenten ter bevordering van gezond leven

+ Opdrachten en subsidies om gezond leven te stimuleren

(€ 18,7 miljoen):

– RIVM/Centrum Gezond Leven. Het Centrum Gezond Leven krijgt ook de taak een aantal bovenregionale steunpunten in te richten voor en door lokale professionals in gezondheidsbevordering;

– Programma Gezonde Slagkracht (ZonMw). Dit programma richt zich op de leefstijlonderwerpen alcohol, drugs, tabak en overgewicht. Het programma biedt gemeenten de mogelijkheid om samen met lokale/regionale gezondheidspartners initiatieven te implementeren die de lokale gezondheid verbeteren;

– Programma Landelijke Leefstijlcampagnes, uitvoering via ZonMw. Dit programma richt zich op de belangrijkste leefstijlonderwerpen, zoals alcohol, drugs, tabak, overgewicht en veilig vrijen;

– Diverse gezondheidsbevorderende instellingen en preventieprogramma’s, zoals op scholen. Bijvoorbeeld «De gezonde School en Genotmiddelen».

+ Samenwerking met andere ministeries om gezond leven te stimuleren

en de omgeving van de burger gezonder maken. Het, in samenwerking met JenG en BZK opgestelde, wijzigingsvoorstel Drank- en Horecawet ligt bij de Tweede Kamer (kamerstuk 32 022, nrs. 2 t/m 4). Er komt in samenwerking met de ministeries van Justitie, BZK en JenG in 2009 een hoofdlijnenbrief drugsbeleid en in 2010 een integrale drugsnota en start ZonMw de uitvoering van het 4e preventieprogramma, waarin onder andere met het ministerie van SZW wordt samengewerkt op het gebied van participatie en gezondheid.

Instrumenten ten behoeve van het ontmoedigen van roken

 

Prestatie-indicatoren

           
   

Indicator

2005

2006

2007

2008

Streefwaarde 2010

Percentage niet-rokers ouder dan 15 jaar stijgt

72%

72%

72%

73%

> 73%

Bron: Stivoro, continu onderzoek rookgewoonten; deze indicator wordt jaarlijks gemeten

Beleidsartikelen/Artikel 41

+ (P) Opname ondersteuning bij stoppen met roken in het basispakket

van de Zvw met ingang van 1 januari 2011 Het vergoeden van ondersteuning bij stoppen met roken leidt tot meer stoppogingen, waardoor de slaagkans groter wordt. Mede op basis van de afgeronde proefimplementatie is de verwachting dat het percentage niet-rokers zal stijgen.

+ Uitvoeren van het Nationaal Programma Tabaksontmoediging

2006–2010 In 2006 is het Nationaal Programma Tabaksontmoediging (kamerstuk 22 894, nr. 78) in 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden, mede namens de Nederlandse Hartstichting, het Astma Fonds en KWF Kankerbestrijding. De genoemde partijen maken jaarlijks een actieplan, met daarin de concrete activiteiten voor het daaropvolgende jaar. Het actieplan 2010 zal naar verwachting eind 2009 gereed zijn.

+ Rookvrije horeca

De handhavingscapaciteit van de VWA is uitgebreid om toe te zien op de naleving van de rookvrije horeca, sport en kunst/cultuur. Dit zal in 2010 worden doorgezet (€ 1 miljoen).

Instrumenten ter bevordering van gezonde voeding

+ Voedingsnota

In de nota «Gezonde voeding, van begin tot eind, nota Voeding en gezondheid» uitgekomen (kamerstuk 31 532, nr. 1) zijn de doelstellingen van gezonde voeding verder toegelicht1.

De overheid wil de keuze voor gezonde voeding makkelijker maken via beschikbaarheid en aanbod van gezonde producten en door burgers over voldoende informatie te laten beschikken om de gezonde keuze te maken. Kern van de boodschap hierbij is dat het draait om het totale voedingspatroon: gezond, evenwichtig en gevarieerd.

+ Monitoring

Gezonde voeding is een belangrijk onderdeel van een gezonde leefstijl, zoals beschreven in de Voedingsnota. Daarom houdt de overheid bij wat mensen eten. Dit gebeurt via voedselconsumptiepeilingen, status-onderzoek en monitoring van productsamenstelling (€ 1,7 miljoen). Deze drie instrumenten worden in samenhang jaarlijks met elkaar programmatisch gepland. Deze gegevens kunnen ook een belangrijke functie hebben ten behoeve van beoordeling van de voedselveiligheid (zie OD 41.3.2).

+ Verbeteren van productsamenstelling via zelfregulatie om een gezond

voedingspatroon beter mogelijk te maken Door middel van afspraken tussen het bedrijfsleven onderling en tussen de overheid en het bedrijfsleven wordt gewerkt aan productverbetering door gebruik van gezondere vetten, minder zout, meer groente in levensmiddelen en betere beschikbaarheid van groente en fruit. Bijvoorbeeld via de Taskforce Verantwoorde Vetzuursamenstelling en de Taskforce Zoutreductie in Levensmiddelen. Daarnaast vindt er onderzoek plaats naar innovatieve levensmiddelen die een gezond voedingspatroon mogelijk maken in het Top Institute Food and Nutrition, via het innovatieprogramma Food & Nutrition (FND-2) en via publiek gefinancierd onderzoek bij het RIVM, TNO en Universiteit Wageningen.

1 In de nota «Duurzaam voedsel» zijn de doelstellingen voor gezondheid uit de Voedings-

nota overgenomen

Beleidsartikelen/Artikel 41

+ Onderzoeksprogramma Voeding en Gezondheid

Dit programma richt zich op het stimuleren van een gezonde leefstijl door het bevorderen van gezonde en verantwoorde voedingspatronen. Via ZonMw worden financiële middelen beschikbaar gesteld voor een programma Voeding en Gezondheid (€ 1,1 miljoen).

+ Uitvoering overgewichtbeleid

Overgewicht is een door meerdere factoren veroorzaakt probleem,

waarop vanuit verschillende sectoren diverse beleidsinstrumenten

worden ingezet. De samenhang van deze instrumenten en de wijze

waarop deze elkaar versterken zijn beschreven in de nota «Uit balans, de

last van Overgewicht» (kamerstuk 31 899, nr. 1) (€ 2,4 miljoen). Daarnaast

geeft de nota onder andere een impuls aan:

+ Een lokale samenhangende aanpak van overgewicht bij kinderen

(onder andere de Gezonde schoolkantine); + Vervolg op de samenwerking met maatschappelijke partners in het Partnerschap Overgewicht en Convenant Overgewicht. Dit zal onder andere vorm krijgen door de introductie van de Epode (Ensemble Prévenons l’Obesité Des Enfants) aanpak. Dit is een in Frankrijk ontwikkelde interventie die een geïntegreerde lokale aanpak biedt om overgewicht bij kinderen terug te dringen.

Instrumenten ten behoeve van preventie van schadelijk alcoholgebruik

 
           

Prestatie-indicatoren

 

Indicator

Waarde 2007

Waarde 2008

Streefwaarde 2010

Streefwaarde 2011

  • 1. 
    Het percentage mensen in algemene bevolking (12+), dat niet
       

zwaar drinkt, stijgt

89,3%

90,0%

90%

91%

  • 2. 
    Het percentage 12-jarigen dat nog nooit alcoholhoudende
       

drank heeft gedronken, stijgt

44,3%

-

48%

50%

  • 3. 
    Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende
       

drank heeft gedronken, stijgt

25,6%

-

35%

38%

Bronnen:

  • 1. 
    Periodiek Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Centraal Bureau voor de Statistiek
  • 2. 
    Peilstationsonderzoek en Health Behaviour of School Aged Children, Trimbos-instituut
  • 3. 
    Zie 2.

+ Voorbereiden implementatie gewijzigde Drank- en Horecawet (DHW) De nieuwe maatregelen betreffen onder meer vereenvoudiging van het vergunningstelsel, decentralisatie van het toezicht, introductie van een «experimenteerartikel» in de wet waarmee gemeenten de mogelijkheid krijgen te experimenteren met een lokale verhoging van de leeftijdsgrens (18 jaar) en strafbaarstelling van jongeren (€ 1,3 miljoen).

+ Tijdelijk verscherpen toezicht controle leeftijdsgrenzen Drank en

Horecawet (DHW) In het bestuursakkoord Rijk-Gemeenten «Samen aan de slag» van 4 juni 2007 is vastgelegd dat het toezicht op de naleving van de Drank- en Horecawet overgaat naar de gemeenten. Vooruitlopend daarop zal de tijdelijke intensivering van het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrenzen door de VWA worden gecontinueerd (€ 3,0 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 41

Instrumenten ter voorkoming van drugsgebruik en ten behoeve van het laten afnemen van gezondheidsschade door drugsgebruik

 

Prestatie-indicatoren

       
   
 

Waarde 2001

Streefwaarde 2010

Streefwaarde 2011

Aantal problematische drugsverslaafden per 1 000 inwoners

3,1

3,1

3,1

Bron: jaarbericht 2007, Nationale Drug Monitor (ggz Nederland).

Toelichting:

Definitie problematisch druggebruik: het gebruik van een middel op zo’n manier dat hierdoor lichamelijke, psychische of sociale problemen ontstaan, of op zo’n manier dat maatschappelijke overlast ontstaat.

Het aantal problematisch drugsverslaafden in Nederland is al jaren stabiel. Het goede bereik van de verslavingszorg onder met name heroïne-verslaafden draagt hieraan bij. Het aantal zal in de loop der jaren waarschijnlijk iets dalen doordat dit een «vaste» groep verslaafden is die veroudert.

+ Continueren kwaliteitsverbetering en innovatie Met het programma «Resultaten scoren» wil het kabinet bewezen effectieve behandelingen en best practices in de verslavingszorg doelmatig invoeren. In 2010 ligt het accent op de ontwikkeling van een effectief preventie- en behandelprogramma voor kwetsbare groepen (€ 0,3 miljoen).

+ Continueren van het programma Risicogedrag en Afhankelijkheid via

ZonMw Dit programma is bedoeld om ontspoord gebruik van genotmiddelen en daarmee samenhangend probleemgedrag aan te pakken. Het programma concentreert zich op riskant gedrag in het perspectief van de levensloop (€ 2,0 miljoen). Dit programma loopt in 2010 af. In het kader van de nieuwe drugsnota en na evaluatie zal bezien worden of een nieuw programma geformuleerd dient te worden. Dit zal dan in de tweede helft van 2010 opgesteld worden.

+ Heroïnebehandeling

Continuering van het verstrekken van subsidies aan de gemeenten voor de behandeling met heroïne op medisch voorschrift voor therapie-resistente verslaafden in een aantal steden (€ 16,1 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 41

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Specifieke uitkeringen

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Waarvan onder andere:

Stichting Mainline

Trimbos

Stivoro

Stichting informatievoorziening Zorg (IVZ)

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Medische heroïnebehandeling

Preventie van schadelijk alcohol- en drugsgebruik

Infopunt Roken en de wet

Overgewicht en voeding

Programma Voeding & Gezondheid

VWA: Continuering pilot DHW

Monitoring zelfregulering alcohol reclame/market STAP

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Waarvan onder andere:

VWA: Rookvrije horeca

VWA: Verscherpen toezicht controle leeftijdsgrenzen DHW

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

RIVM: Centrum Gezond Leven

Totaal

 

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

16 063

6 532

6 532

6 532

6 412

6 412

285

285

285

285

285

4 327

4 327

4 327

4 327

4 327

625

625

625

625

625

1 175

1 175

1 175

1 175

1 175

14 189

13 701

14 202

13 721

13 891

471                       0                      0                      0                      0

2 608               1 889               1 765               1 765               1 765

200                  200                  200                  200                  200

4 278               3 568               3 188               3 386               3 447

1 047               1 122                  983                  849                      0

1 250                      0                      0                      0                      0

150                  150                  150                  150                  150

7 751

1 000 3 000

447

2 009

44 535

3 079

2 579

2 579

2 459

0000

0000

570                  570                  450                  450

2 009               2 009               2 009               2 009

39 375

39 375

38 775

38 825

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Motivering

41.3.2 Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten

Motivering

Ook in 2010 wil het kabinet de consument beschermen tegen gezondheidsschade als gevolg van onveilig voedsel en onveilige producten. Daartoe neemt VWS een aantal initiatieven op het terrein van: + Het bevorderen van voedselveiligheid; + Het bevorderen van productveiligheid.

Burgers hebben vanzelfsprekend een eigen verantwoordelijkheid om zich te beschermen tegen risico’s die ze zelf kunnen beperken, zoals zorg dragen voor een goede hygiëne bij de bereiding van levensmiddelen en producten op een veilige en daartoe bestemde manier gebruiken. Via uitvoering door de VWA wordt de consument beschermd tegen gezondheidsrisico’s waarop hij zelf weinig of geen invloed heeft om ze te voorzien en te voorkomen. Op het gebied van voedselveiligheid wordt nauw samengewerkt tussen de ministeries van LNV en VWS om optimale synergie te behalen. De Europese en nationale productwetgeving bepalen dat producenten en handelaren primair verantwoordelijk zijn voor het produceren en in de handel brengen van uitsluitend veilige producten en levensmiddelen.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Instrumenten ter bevordering van de voedselveiligheid

+ Vaststellen van criteria en eindnormen voor de aanwezigheid van pathogene micro-organismen in levensmiddelen in internationaal verband Met de Europese normstelling wordt voorkomen dat microbacteriële gevaren via voedsel tot infecties leiden. Salmonella en Campylobacter zijn voorbeelden van pathogenen die in dit verband aangepakt worden. In mondiaal verband (Codex Alimentarius) worden richtlijnen voor virussen in voedsel ontwikkeld.

+ Europese regelgeving Consumenteninformatie

Door het voortzetten van de actieve Nederlandse inbreng op het gebied van etikettering, claims en verrijking wordt bevorderd dat de informatie over levensmiddelen helder is, en consumenten kunnen kiezen voor gezonde en veilige levensmiddelen, de administratieve lasten beperkt blijven en innovatie mogelijk blijft.

+ Vaststellen van maximum toelaatbare gehaltes residuen en verontreinigingen in internationaal verband Met Europese normstelling wil het kabinet voorkomen dat consumenten via voedsel te veel residuen van bestrijdingsmiddelen en andere verontreinigingen innemen. Ook wordt met deze normstelling vastgelegd welke additieven en aroma’s aan voedselproducten mogen worden toegevoegd. Een van de aandachtspunten voor 2010 is de Europese harmonisatie van regelgeving voor enzymen en rookaroma’s in levensmiddelen.

Instrumenten ter bevordering van de productveiligheid

+ Bijdragen aan vaststelling en implementeren van de Europese Global Harmonized System Verordening voor de indeling en etikettering van stoffen en preparaten (EU GHS Verordening) voor bedrijfsleven en consumenten Er wordt voorlichting gegeven aan bedrijven en consumenten over de gewijzigde gevaarsetikettering van producten ter bescherming van de consument tegen risico’s van chemische stoffen en het veilig omgaan door het bedrijfsleven met de chemische risico’s van producten (€ 0,8 miljoen).

+ Actief bijdragen aan een rijksbeleid voor nieuwe risico’s Voor nanotechnologie zal onderzoek naar mogelijke risico’s gedaan worden (€ 0,3 miljoen). Dit is onderdeel van het rijksbrede actieplan nanotechnologie. De doelstelling van VWS is het beschermen van de consument tegen de eventuele risico’s van nanotechnologie in levensmiddelen en producten.

+ Dierproeven en alternatieven voor dierproeven

Via ZonMw draagt VWS bij aan het verminderen, vervangen en verfijnen van dierproeven (€ 0,3 miljoen). Daarnaast loopt een programmeringsstudie met als doel het door de overheid gefinancierde lopende onderzoek in Nederland meer te kunnen stroomlijnen. Dit is onderdeel van de kabinetsvisie alternatieven voor dierproeven (kamerstuk 30 168, nr. 4).

+ Vaststellen van eisen aan consumentenproducten in Europees en internationaal verband

Beleidsartikelen/Artikel 41

Doel is het veiligheidsniveau van producten verder te verhogen en consumenten te beschermen tegen uiteenlopende risico’s van producten waaraan zij kunnen worden blootgesteld. Inzet hierbij is ook de lasten voor het bedrijfsleven te verminderen. Het gaat onder meer om: – In samenwerking met het ministerie van EZ en VWA bevorderen van

veiligheid van producten uit niet EU-landen (o.m. China); – Aanpassen aan de stand van de wetenschap en waar mogelijk

vereenvoudigen van Europese productveiligheidsrichtlijnen en

-verordeningen.

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Stichting Voedingscentrum

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Consumentendatabank

Voedselinfecties/voedselveiligheid

Nanotechnologie

Voorlichting EU GHS Verordening

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Voedsel en Warenautoriteit Centraal Justitieel Incassobureau

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Bijdrage College Toetsing Bestrijdingsmiddelen

Totaal

 

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

2 175

1 871

1 774

1 774

1 774

220

220

220

220

220

350

350

350

350

350

250

250 0 0 0

800

800

800

800

800

80 704

74 469

74 469

74 469

74 469

80 484

74 249

74 249

74 249

74 249

220

220

220

220

220

300

300

300

300

300

300

300

300

300

300

84 621

78 082

77 985

77 985

77 985

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

41.3.3 Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen

Motivering

Motivering

Het kabinet wil de consument beschermen tegen gezondheidsschade als gevolg van ongevallen. Burgers hebben een eigen verantwoordelijkheid om zich te beschermen tegen risico’s die ze zelf kunnen beperken. Dat neemt niet weg dat door gerichte voorlichting en gedragsbeïnvloeding onnodig letsel kan worden beperkt.

In de periode 2001–2003 is een sterke daling opgetreden van het aantal SEH-behandelingen (Spoed Eisende Hulp) voor ongevallen in de privésfeer. Na een aantal jaren waarin het aantal SEH-behandelingen stabiel bleef, is in 2006 echter een kentering opgetreden. Deze stijging heeft zich in 2007 voortgezet.

Beleidsartikelen/Artikel 41

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicator:

 

Prestatie-indicatoren

 

2001

2005

2007

Streefwaarde 2010

Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privé-ongevallen en sportblessures

700 000

600 000

650 000

620 000

Bron: Letsel Informatie Systeem 2001–2007 (Consument en Veiligheid) en CBS

Toelichting:

De vermelde cijfers voor 2001, 2006 en 2007 zijn realisatiecijfers, gebaseerd op het aantal SEH-behandelingen in het betreffende jaar. Omdat het om een schatting gaat, is er afgerond op 10 000.

De streefwaarde in 2010 is gebaseerd op een reductiedoelstelling van 10% in de periode 2001–2008, gevolgd door een additionele reductie van 2,5% in 2010 ten opzichte van 2008. Hierbij is rekening gehouden met bevolkingsprognoses en demografische veranderingen, zoals vergrijzing.

Instrumenten ter voorkoming van gezondheidsschade

+ Subsidie verstrekken aan de Stichting Consument en Veiligheid (C&V) Het doel is om veilig gedrag van consumenten te bevorderen. Om dit te realiseren ontwikkelt C&V maatregelen die ongevallen in de privésfeer moeten voorkomen. Ook onderzoekt de stichting het effect hiervan (€ 4,0 miljoen).

+ Voortzetten van intensivering kosteneffectief beleid en versterken

intersectorale aanpak Om de ongunstige ontwikkeling van de stijging van de SEH-behandelin-gen positief om te buigen, zijn middelen vrijgemaakt om zodoende een verdere daling van letsels door ernstige ongevallen in de privésfeer en daarmee ook een daling van de hoge directe medische kosten die daarmee gemoeid zijn, te realiseren door middel van een projectsubsidie aan de Stichting Consument en Veiligheid (€ 1,3 miljoen). Het gaat om een brede, intersectorale aanpak van letsels door ongevallen in de settings wonen, kinderopvang, school, wijk, vervoer en werk. Daarmee worden we dus ook bestaande inspanningen op het gebied van veiligheid in het verkeer, op het werk en in de privésfeer verbonden.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Stichting Consument en veiligheid

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Voortzetten van intensivering kosteneffectief beleid en versterken

intersectorale aanpak

Totaal

 

3 994

3 839

2 962

2 962

2 962

3 994

3 839

2 962

2 962

2 962

1 503

1 658

1 685

1 685

1 635

1 292

896

352

151

0

5 497

5 497

4 647

4 647

4 597

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Motivering

41.3.4 Minder vermijdbare ziektelast door een goede bescherming tegen infectieziekten en chronische ziekten

Motivering

Het kabinet wil de gevolgen van ziekten vermijden door ziekten te

voorkomen, tijdig op te sporen en complicaties tegen te gaan. Dat doen

wij door:

+ Te zorgen voor een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen snel te kunnen signaleren en bestrijden;

+ Te zorgen voor een goede voorbereiding op grote uitbraken van

ziekten, waaronder een grieppandemie (bijvoorbeeld de voorbereiding op Nieuwe Influenza A (H1N1) in 2009);

+ Het inrichten van een kwalitatief hoogwaardig Rijksvaccinatie-programma (RVP) en het instandhouden van een hoge vaccinatiegraad;

+ Het versterken van de signalering en bestrijding van zoönosen door betere samenwerking tussen het veterinaire en volksgezondheids-domein;

+ Het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen;

+ Het bevorderen van een goede organisatie van en deelname aan bevolkingsonderzoeken;

+ Het zorgen voor een goede structuur rondom de preventie van chronische ziekten. De aandacht ligt hierbij op (toekomstige) grote gezondheidsproblemen die veel leed en kosten met zich meebrengen. Door de vergrijzing, de medisch-technologische ontwikkelingen en leefstijl (o.a. overgewicht) neemt het aantal mensen dat lijdt aan chronische ziekten verder toe. In het kader van het verbinden van curatieve zorg en preventie wordt ingezet op het voorkomen van/of het verder verergeren van deze chronische ziekten (kamerstuk 31 200 XVI, nr. 155).

Instrumenten voor een goede structuur voor infectieziekte-bestrijding

 
             

Prestatie-indicatoren

 
 

2005

2006

2007

2008

Streefwaarde 2010

Aantal opgespoorde seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s)

  • a. 
    Gonorroe
  • b. 
    Chlamydia

1 623 5 988

1 757 7 085

1 827 7 801

1 964 9 403

> 1 964

> 9 403

Bron: RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding. De indicator wordt jaarlijks geactualiseerd

Toelichting:

Een opgespoorde seksueel overdraagbare aandoening (soa) is het startpunt voor behandeling. Het aantal soa’s zal voorlopig toenemen. De reden hiervoor is dat er meer testen worden uitgevoerd en daardoor dus meer gevallen gevonden worden. Er is (nog) geen exacte opgave te geven door onderrapportage over de omvang van het aantal geslachtsziekten. (Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa): SOA samengevat – Nationaal Kompas Volksgezondheid).

+ Opdrachtverlening aan het RIVM/Centrum voor infectieziektebestrij-ding Het RIVM/Centrum voor Infectieziektebestrijding heeft de volgende taken:

Beleidsartikelen/Artikel 41

– Coördinatie en ondersteuning van de uitvoering op het gebied van

infectieziektebestrijding en -onderzoek (€ 29,5 miljoen); – Financiering van een aantal instellingen die zich inzetten voor

infectieziektepreventie en -bestrijding (€ 8,1 miljoen) waaronder

preventie en bestrijding van soa/hiv; – Coördinatie van aanvullende curatieve soa-zorg (€ 22,7 miljoen) en

aanvullende eerstelijns seksualiteitshulpverlening voor jongeren (€ 3,6

miljoen).

+ Bevorderen seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS subsidie aan

diverse gezondheidsbevorderende instellingen (€ 7,5 miljoen) en wordt

extra geïnvesteerd in voorlichting over seksualiteit aan allochtonen (€ 1,0

miljoen).

Verder voert ZonMw in opdracht van VWS de volgende activiteiten uit:

– een vijfjarig programma Seksuele gezondheid van de jeugd (€ 1,5

miljoen); – de ontwikkeling van een veilig vrijen campagne, deze wordt vanaf 2010

uitgebreid met een campagne weerbaarheid (€ 1,7 miljoen in totaal).

Instrumenten voor een goede organisatie van en deelname aan vaccinatieprogramma’s

 

Prestatie-indicatoren

 

2005

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2010

Percentagedeelname aan:

  • 1. 
    Griepvaccinatieprogramma (seizoensgriep)
  • 2. 
    Rijksvaccinatieprogramma

76,9% 95,8%

74,5% 94,3%

73,5% 94,0%

94,5%

95,2%

73,5%

95,0%

Bronnen:

  • 1. 
    Het Landelijk InformatieNetwerk Huisartsenzorg: Monitoring Nationaal Programma Grieppreventie 2007
  • 2. 
    RIVM: Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland, Verslagjaar 2009 Beide indicatoren worden jaarlijks geactualiseerd.

Toelichting:

Als streefpercentage voor deelname aan het griepvaccinatieprogramma (seizoensgriep) is het opkomstpercentage in 2007 aangehouden. In 2008 is de doelgroep uitgebreid (met de groep 60–65 jaar) en de opkomst onder deze groep lijkt lager te liggen dan voor de overige risicogroepen het geval

is.

+ Nationaal Programma Grieppreventie via de subsidieregeling Publieke

Gezondheid Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (60+-ers en mensen met een risico-indicatie zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 53,8 miljoen).

+ (P) Rijksvaccinatieprogramma (RVP) uitvoeren Zie paragraaf 41.2 onder premie-uitgaven.

+ Opdracht verlenen aan het Nederlands Vaccin Instituut Op deze operationele doelstelling worden de opdrachten van VWS aan het Nederlands Vaccin Instituut geraamd (€ 65,7 miljoen). Zie verder de aparte paragraaf over de baten-lastendiensten van VWS.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Instrumenten voor een goede structuur rondom de preventie van chronische ziekten

 

Kengetallen

           
   
 

1994

2000

2004

2007

verwachting 2010

Aantal patiënten diabetes mellitus

306 000

414 000

609 000

740 000

> 850 000

Bron: RIVM/Volksgezondheid Toekomst Verkenningen. Diabetes tot 2025. Preventie en zorg in samenhang

Toelichting:

Dit zijn schattingen van het aantal patiënten met diabetes type 1 en type 2 samen. De schattingen van de prevalentie zijn gebaseerd op het aantal gediagnosticeerde patiënten door de huisarts in vijf huisartsenregistraties. Door onderrapportage en toename van obesitas wordt de komende jaren een forse toename van het aantal patiënten verwacht.

+ Nationaal Actieprogramma Diabetes (NAD) Dit vierjarige programma (2009–2013) heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het terugdringen van de groei van het aantal diabetespatiënten en het verminderen van de complicaties (€ 2,5 miljoen).

+ Preventieprogramma uitvoeren via ZonMw De kern van de eerdere preventieprogramma’s was de kennis over (kosten)effectieve preventie en de toepassing ervan te vergroten en vernieuwende en kansrijke (kosten)effectieve preventiemogelijkheden te ontwikkelen. In juni 2009 is opdracht gegeven aan de uitvoering van het 4e preventieprogramma. Met dit programma geeft ZonMw invulling aan de visie op preventie (kamerstuk 22 894, nr. 134) en levert een bijdrage aan het versterken van de preventiecyclus. Dit is een vierjarige cyclus waarmee specifieke doelstellingen en uitvoering van het Nederlandse gezondheidsbeleid worden vastgelegd, uitgevoerd en bijgesteld. Dit programma legt nog meer dan haar drie voorgangers, verbindingen tussen preventie en andere sectoren (wonen, werken, leren), in het bijzonder tussen de publieke en de eerstelijnsgezondheidszorg en daarmee ook tussen de preventieprogramma’s en andere programma’s van ZonMw. Daarnaast zal dit nieuwe programma inspelen op de volgende Preventienota van VWS die in oktober 2010 verschijnt (€ 13,0 miljoen).

+ Programma diseasemanagement chronische ziekten via ZonMw Bij diseasemanagement wordt een sluitende keten gevormd van diagnostiek, behandeling en begeleiding. Ook vroege opsporing en preventie bij mensen met een verhoogd risico op chronische ziekten en zelfmanagement maken er deel van uit. Het doel van dit programma is kennis te verzamelen over diseasemanagement bij chronische aandoeningen en ervaring op te doen met de toepassing ervan in de praktijk. Dit programma kent ook een praktijkdeel waarin multidisciplinaire transmu-rale zorggroepen ondersteund en gevolgd worden die gaan werken volgens de diseasemanagement aanpak (€ 1,7 miljoen). Het programma loopt tot en met 2012.

+ Interventiestrategieën chronische ziekten

Het aantal mensen met chronische ziekten zal in de komende jaren fors toenemen. In 2010 worden daarom de volgende preventieve interventies (verder) ontwikkeld:

Beleidsartikelen/Artikel 41

– Beweegkuur. Deze interventie moet medisch noodzakelijke beweging

stimuleren (zie artikel 46, onder de eerste OD); – Depressiepreventie. Deze interventie is bedoeld om mensen met

depressieve klachten via ICT en/of in groepsverband op een laagdrempelige manier vroegtijdig te helpen om te voorkómen dat deze mensen in een depressie terecht komen; – Zelfmanagement chronische ziekten. Het gaat hier om een programmatisch aanbod om chronische patiënten beter in staat te stellen hun eigen ziekte te managen. Als effectief zelfmanagement beschikbaar is, moet dit onderdeel worden van de zorgstandaarden. Een voorbeeld hiervan is een zelfmanagement module voor de diabetes zorg-standaard. Voor depressiepreventie en zelfmanagement chronisch ziekten is € 3,5 miljoen beschikbaar voor trajecten waarin wordt onderzocht of deze interventies in het basispakket van de ZvW kunnen worden opgenomen.

Instrumenten voor een goede organisatie van en het bevorderen van deelname aan bevolkingsonderzoeken

 

Prestatie-indicatoren

           
   

Indicator

2001

2003

2006

2007

Streefwaarde 2010

Percentage deelname aan bevolkingsonderzoeken en screeningen:

  • 1. 
    Bevolkingsonderzoek borstkanker
  • 2. 
    Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker
  • 3. 
    Hielprik

78,7% 62,0%

80,8% 66,0% 99,8%

81,9% 66,0% 99,9%

82,4% n.n.b. 99,9%

> 82,4%

66%

99%

Bronnen:

  • 1. 
    Landelijk Evaluatie Team voor Bevolkingsonderzoek naar Borstkanker (LETB);
  • 2. 
    RIVM;
  • 3. 
    TNO: Evaluatie van de neonatale hielprikscreening bij kinderen geboren in 2007. Alle indicatoren worden jaarlijks geactualiseerd.

+ Uitvoeren van bevolkingsonderzoeken en screeningsprogramma’s via

de Subsidieregeling publieke gezondheid De inzet van VWS betreft het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker, screening op familiaire hypercholesterolemie, bloedonderzoek bij zwangeren en de hielprik en gehoorscreening bij pasgeborenen (€ 104,3 miljoen). Het RIVM/Centrum voor Bevolkingsonderzoek voert de bekostiging, landelijke aansturing en coördinatie uit (€ 12,1 miljoen).

+ Bevolkingsonderzoek darmkanker

Het advies van de Gezondheidsraad (GR) over de wenselijkheid en (kosten)effectiviteit van screening naar darmkanker wordt dit najaar verwacht. De reactie op dit advies volgt, zoals vastgelegd in de Kaderwet adviesorganen, binnen drie maanden. Bij een positief advies van de GR en een positieve beslissing daarop, zal in 2010 worden gestart met de voorbereiding van een bevolkingsonderzoek (kamerstuk 22 894, nr. 85), mits budgettair inpasbaar.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Waarvan onder andere:

Instellingen op het terrein van de preventie van chronische ziekten

Instellingen die de seksuele gezondheid bevorderen

Dwangopname TBC-patiënten

WHO Kopenhagen: Contributie IARC

Projectsubsidies

Nationaal Actieprogramma Diabetes

Depressiepreventie en zelfmanagement van chronisch zieken

Preventie en bestrijding van infectieziekten

Preventie Chronische Ziekten

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

ZonMw-programmering

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Waarvan onder andere:

RIVM/Opdrachtverlening Centra:

– Centrum infectieziektebestrijding

– Centrum bevolkingsonderzoek

– Centrum Gezondheid en Milieu

RIVM/Uitvoering subsidieregeling Publieke Gezondheid;

– Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

– Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

– Nationaal programma grieppreventie

– Pre- en postnatale screening bij zwangeren en pasgeborenen

– Screening op Familiaire hypercholesterolemie

– Soa-bestrijding/Seksualiteitshulpverlening

RIVM/Ontwikkelingen technologie/demografie

RIVM/Uitvoering subsidieregeling VWS-subsidies

Nederlands Vaccin Instituut (NVI)

NVI/RSV-vaccin (FES-middelen)

Totaal

10 889

10 889

10 889

10 889

10 889

 

1 568

1 545

1 545

1 545

1 545

7 522

7 522

7 522

7 522

7 522

1 056

1 056

1 056

1 056

1 056

743

743

743

743

743

11 640

8 172

9 476

7 063

7 063

2 500

2 500

2 500

0

0

3 524

0000

4 438

4 776

4 967

5 052

5 052

1 178

896

2 009

2 011

2 011

150

150

150

150

150

150

150

150

150

150

315 327

316 510

312 579

317 729

322 558

29 483

29 483

29 433

29 433

29 433

12 054

10 917

10 907

10 647

10 647

2 394

2 394

2 394

2 394

2 394

51 033

50 623

54 770

55 761

55 761

32 154

30 193

29 952

29 852

29 852

53 778

55 122

56 005

56 932

56 932

18 959

18 499

18 487

18 511

18 511

2 100

1 830

1 000

500

0

26 329

29 036

29 242

29 242

29 242

5 251

12 931

9 947

14 095

19 324

8 138

8 138

8 098

8 098

8 098

52 719

52 439

47 439

47 439

47 539

13 030

7 000

7 000

7 000

6 900

338 006

335 721

333 094

335 931

340 660

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Motivering

41.3.5 Een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

Motivering

Het kabinet wil bijdragen aan een goede volksgezondheid en anticiperen op (dreigende) volksgezondheidsproblemen door een goed systeem voor openbare gezondheidszorg (OGZ) te creëren en in stand te houden. Een keten van preventie en zorg die goed op elkaar aansluit is daarbij essentieel. Wij vullen deze verantwoordelijkheid in door: + Het bevorderen van effectieve landelijke, regionale en lokale voorzieningen van OGZ; + Het verbeteren van de paraatheid van zorgvoorzieningen voor grootschalig optreden bij crises en rampen.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Instrumenten voor effectieve landelijke, regionale en lokale voorzieningen van OGZ

 

Prestatie-indicatoren

           
   
 

2005

2007

2008

Streefwaarde 2010

Streefwaarde

lange termijn

(2011)

Percentage gemeenten met een: 1e nota gezondheidsbeleid 2e nota gezondheidsbeleid

87%

99% 14%

46%

90%

100%

Bron: RIVM: Nationale Atlas Volksgezondheid

+ Gemeenten staan voor de collectieve preventie op lokaal niveau Elke vier jaar brengen gemeenten een nota lokaal gezondheidsbeleid uit. GGD’en voeren de wettelijke preventietaken van gemeenten, zoals opgenomen in de Wet Publieke Gezondheid, grotendeels uit. Met het uitkomen van preventienota «Kiezen voor gezond leven» (oktober 2006) zijn de gemeenten gestart met het opstellen van hun 2e nota lokaal gezondheidsbeleid.

+ Versterken openbare gezondheidszorg

Een meerjarig traject is gestart om lokale bestuurders/gemeenten meer te betrekken bij het lokaal gezondheidsbeleid en om de openbare gezondheidszorg te verbeteren. Het traject moet meer samenhang brengen tussen diverse activiteiten op landelijk en lokaal niveau. Hierdoor kunnen de betrokken partijen hun activiteiten meer op elkaar afstemmen, samen optrekken waar dat nodig is en kunnen dubbele activiteiten worden voorkomen. Meer coördinatie en afstemming draagt ook bij tot het optimaliseren van de totale overheidsinzet met betrekking tot gezondheidsbevordering. In 2010 gaat een communicatietraject starten om de nieuwe preventienota en de landelijke speerpunten onder de aandacht van de lokale bestuurders te brengen. Ook een betere afstemming tussen de gegevensverzameling over publieke gezondheid en praktische ondersteuning bij de opzet van lokaal gezondheidsbeleid worden in dit jaar opgepakt.

+ Actieplan Krachtwijken

De aanpak heeft als doel gezondheidsproblemen in de aandachtswijken te verminderen door samen met gemeenten, de eerstelijnszorg en de GGD’en een programmatische aanpak voor de concrete gezondheidsproblemen in de wijk te ontwikkelen. Een aantal activiteiten wordt samen met de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) uitgevoerd. Negen steden nemen deel aan het experiment «Gezonde wijk». Deze experimenten worden onder meer ingevuld op het gebied van geïntegreerde zorg, sport en bewegen en voeding.

+ Gezonde stad

Vanaf 2010 stelt het kabinet in het kader van het programma «Gezond in de stad» jaarlijks € 5,0 miljoen beschikbaar aan de grote gemeenten (G31). Via deze decentralisatie-uitkering ontvangen zij extra middelen die kunnen worden ingezet om gezondheidsachterstanden terug te dringen via een wijkgerichte aanpak.

Beleidsartikelen/Artikel 41

Zie ook artikel Maatschappelijke ondersteuning onder operationele doelstelling 44.3.1.

+ Financiering van tolk- en vertaalcentrum voor gezondheidszorg Hiermee wil het kabinet tolken en vertalers beschikbaar kunnen stellen wanneer dat nodig is (€ 10,8 miljoen).

Instrumenten voor een verbeterde paraatheid van zorgvoorzieningen voor grootschalig optreden bij crises en rampen

 

Prestatie-indicator

en

 

2007 (mei)

2009 (jan)

2009 (juli)

Streefwaarde

lange termijn

(31-12-2010)

Congruentie GGD’en/GHOR met veiligheidsregio’s

68%

76%

89%

100%

Bron: RIVM: Nationale Atlas Volksgezondheid

Toelichting:

Het betreft hier de congruentie van de buitengrenzen van de GGD’en met de veiligheidsregio’s.

Dit betekent dat de buitengrenzen van GGD’en gelijk zijn aan de buitengrens van één veiligheidregio.

+ Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) De GHOR is een instrument van het bestuur van de veiligheidsregio teneinde een doelmatige en gecoördineerde geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen, rampen en crisis te bewerkstelligen. De GHOR slaat de brug tussen de veiligheidsorganisaties en de zorgketen. In de uitvoering beweegt de GHOR op het terrein van de openbare gezondheidszorg. Het is van belang dat werkgebieden van GGD’en en veiligheidsrisico’s op elkaar aansluiten. Ook wordt gewerkt aan kwaliteitsverbetering en borging van de GHOR.

+ CBRN weerstandsverhoging

Doel is het nemen van weerstandsverhogende maatregelen gericht op het verminderen of voorkomen van de kans dat personen of groeperingen zich ongewenst toegang verschaffen tot chemische, biologische, radioactieve en/of nucleaire agentia (CBRN) (€ 11,3 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 41

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Stichting Pharos

Projectsubsidies

Algemeen en strategisch gezondheidsbeleid Voorbereid zijn op crisis en rampen

Opdrachten

Financiering tolk- en vertaalcentrum gezondheidszorg CBRN Weerstandsverhoging

Bijdragen aan baten-lastendiensten

RIVM: Opdrachtverlening programma’s volksgezondheid

Bijdragen aan zbo’s

ZonMw: Programmering ZonMw: Overhead

Totaal

 

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

3 084

5 282

5 827

5 873

5 418

5 918

3 464

2 853

2 533

2 578

2 578

1 818

2 974

3 340

2 840

3 340

22 050

22 050

22 050

16 450

10 750

10 750

10 750

10 750

10 750

10 750

11 300

11 300

11 300

5 700

0

14 515

13 471

12 769

13 224

12 724

14 515

13 471

12 769

13 224

12 724

137 878

141 506

119 355

107 576

106 289

136 024

139 652

117 501

105 722

104 435

1 854

1 854

1 854

1 854

1 854

182 809

185 938

163 131

145 752

138 765

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Toelichting:

In bovenstaande tabel is het VWS-brede bedrag aan begrote gelden voor ZonMw-prgramma’s weergegeven. Deze programma’s hebben betrekking op verschillende beleidsterreinen van het ministerie van VWS.

Motivering

41.3.6 Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek

Motivering

Het kabinet wil patiënten/cliënten en proefpersonen beschermen bij de voortschrijding van ontwikkelingen in de gezondheidszorg. De beleidsbrief Ethiek van 7 september 2007 bevat de beleidsuitgangspunten en activiteiten van ethiek in de komende periode (kamerstuk 30 800 XVI, nr. 183).

Instrumenten

+ Verbeteren van de abortushulpverlening en -registratie Doel is het verbeteren van de hulpverlening aan vrouwen die ongewenst zwanger zijn door onder meer het verbeteren van de opleiding van hulpverleners, het ondersteunen van de richtlijnontwikkeling voor abortusartsen en een onderzoeksprogramma bij ZonMw (€ 1,1 miljoen).

+ Medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen Doel is het vergroten van kennis op het terrein van medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen, in het bijzonder met minderjarigen, naar aanleiding van vragen uit de praktijk.

+ Uitvoeren van het onderzoeksprogramma Ethiek en Gezondheid via

ZonMw Het doel is het vergroten van nieuwe en belangwekkende kennis en inzichten in ethiek in de (gezondheids)zorg en de zorgverlening (€ 0,8 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 41

+ Bijdrage aan de baten-lastendienst Centraal Informatiepunt Beroepen

Gezondheidszorg (CIBG) Deze bijdrage is nodig voor het beheer van regionale toetsingscommissies Euthanasie en de centrale deskundigheidscommissie Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen. Ook fungeert het CIBG als aanspreekpunt voor k.i.d.-kinderen (kunstmatige inseminatie met donorzaad), ouders en artsen, indien zij vragen hebben over het register donorgegevens kunstmatige bevruchting (€ 1,5 miljoen).

+ Rijksbijdrage aan het CVZ

Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de financiering van abortusklinieken (€ 11,9 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Projectsubsidies

Verbeteren van de abortushulpverlening en -registratie Beleid Medische Ethiek

Bijdragen aan baten-lastendiensten

CIBG: Uitvoeringstaken Medische Ethiek

Bijdragen aan zbo’s

CVZ: Rijksbijdrage financiering abortusklinieken

 

1 856

1 970

1 253

1 166

1 166

650

650 0 0 0

1 206

1 320

1 253

1 166

1 166

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

1 518

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

11 958

Totaal

15 332

15 446

14 729

14 642

14 642

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

41.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 
 

n

Overzicht beleidsonderzoeke

 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of

A Start

   

OD

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

-

   

Effectonderzoek ex post

Effectmetingen van interventies m.b.t. (convenant) overge-

41.3.1

A 2006

 

wicht

 

B 2010

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie MDFT i.v.m. cannabisverslaving

41.3.1

A 2006 B 2010

 

Regeling aanvullende seksualiteitshulpverlening

41.3.4

A 2009 B 2010

 

Proefimplementatie chlamydia screening

41.3.4

A 2009 B 2010

 

Evaluatie Embryowet

41.3.6

A 2010 B 2011

 

Evaluatie Euthanasiewet

41.3.6

A 2010 B 2011

 

Evaluatie Wet Medisch-weten-schappelijk Onderzoek met

41.3.6

A 2010

 

mensen

 

B 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen in 2010

Artikel 42 Gezondheidszorg

42.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een goed werkend en innoverend zorgstelsel gericht op een optimale combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid voor de burger.

Belangrijkste beleidsonderwerpen in 2010

In dit artikel wordt het beleid inzake de curatieve zorg verwoord. Om de algemene doelstelling te realiseren zal het kabinet zich in 2010, in lijn met de kabinetsdoelstellingen in het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven 2008–2011», sterk maken om de volgende doelstellingen te realiseren:

+ Het uitvoeren van het veiligheidsprogramma «voorkom schade, werk veilig» om de vermijdbare schade, inclusief vermijdbare sterfte, in de ziekenhuizen te laten dalen met 50% in 2012 (kabinetsdoelstelling 45a) en het in gang zetten van veiligheidsprogramma’s in de eerstelijns gezondheidszorg en de curatieve ggz; + Het vergroten van zorgbrede transparantie, waaronder het mogelijk maken dat burgers op http://www.kiesbeter.nl voor 80 aandoeningen zien welke kwaliteit de ziekenhuizen bieden (kabinetsdoelstelling 45b); + Het wettelijk vastleggen van de positie van de cliënt (kabinetsdoelstelling 45d); + Het stimuleren van innovatie in de zorg (kabinetsdoelstelling 46).

Kwaliteit en veiligheid van de zorg zijn, naast bovengenoemde kabinetsdoelstellingen, belangrijke aandachtspunten in het beleid van VWS. Het stimuleren hiervan wordt breed opgepakt, onder andere door: + De ontwikkeling van richtlijnen en zorgstandaarden voor beroepsgroepen (OD 42.3.2); + Het verbeteren van het functioneren van het zorgstelsel door de

verdere implementatie van prestatiebekostiging van ziekenhuizen (OD 42.3.2. Ziekenhuizen krijgen hierdoor meer vrijheid voor een doelmatige bedrijfsvoering en verzekeraars kunnen beter concurreren op doelmatigheid en kwaliteit; + Het opnemen van preventieve interventiestrategieën in het basispakket

wanneer deze kosteneffectief en budgettair inpasbaar zijn (OD 42.3.3); + De implementatie van de Langetermijnvisie Geneesmiddelenvoorziening (OD 42.3.3); + De implementatie van het Masterplan Orgaandonatie. Het Masterplan Orgaandonatie bevat voorstellen voor de kwaliteit van donorwerving, uitname van organen en transplantatie. Het is de bedoeling dat het aantal donoren met 25% omhoog gaat (OD 42.3.2).

Voor zover de invoering van het beleid additionele administratieve lasten met zich meebrengt, zal VWS bezien in hoeverre deze extra regeldruk zo beperkt mogelijk kan worden gehouden en naar compensatie zoeken voor de extra administratieve lasten.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor: + Het scheppen van randvoorwaarden om de kwaliteit, de toegankelijkheid, de veiligheid en de betaalbaarheid van de curatieve zorg te waarborgen voor de burger; + Het versterken van de positie van de patiënt, zodat deze in staat is om zijn rol als zorgconsument te vervullen;

Externe factoren

Prestatie-indicatoren

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ Het scheppen van randvoorwaarden om het innoverend vermogen van

de gezondheidszorg te waarborgen; + Een goed werkend stelsel, waarin zorgverzekeraars in staat worden

gesteld een betaalbaar verzekerd pakket aan te bieden.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling van dit artikel hangt af van een goed samenspel van veel partijen: zorgprofessionals, cliënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders. Het kabinet stimuleert hen deze rol in te vullen onder meer door het zorgstelsel te moderniseren, zodanig dat het prikkelt tot kwaliteitsverbetering, innovatie en doelmatigheid. Verder stimuleert het kabinet hen door het verlenen van subsidies, het verspreiden van goede voorbeelden, het verrichten van onderzoek en het leveren van bijdragen (in middelen en door medewerking) aan projecten in de zorg. De prikkels en programma’s versterken elkaar.

Prestatie-indicatoren

De prestaties van het stelsel worden gemonitoord met de zorgbalans (zie hiervoor www.rivm.nl). De zorgbalans schetst aan de hand van ongeveer honderd indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Ook geven de volgende evaluaties en monitors inzicht in de werking van het gezondheidszorgstelsel: Evaluatie verplicht eigen risico, monitor cure en monitor zorgverzekeringsmarkt.

42.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt
  • 2. 
    Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren
  • 3. 
    Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket voor noodzakelijke zorg aan

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

7 276 310

7 246 984

7 460 126

7 912 578

8 284 105

8 747 292

9 128 876

6 911 427

7 226 646

7 472 005

7 916 237

8 285 505

8 748 339

9 128 876

6 903 646

7 218 117

7 463 695

7 908 406

8 277 674

8 740 508

9121 045

370

814

1 796

1 620

930

930

930

1117 893

1 335 573

1 297 034

1 315 744

1 287 253

1 262 915

1 267 294

5 785 383

5 881 730

6 164 865

6 591 042

6 989 491

7 476 663

7 852 821

7 781

8 529

8 310

7 831

7 831

7 831

7 831

435 544

64 943

77 162

66 638

21 066

23 201

16 026

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 42

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.    De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

2.    Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burgers gewenste zorgaanbod te realiseren

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

3.    Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket van noodzakelijkezorg aan

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

1 796               1 620                  930                  930                  930

1 796               1 620                  930                  930                  930

00000

00000

1 297 034 1 315 744 1 287 253 1 262 915 1 267 294

 

1 239 684

1 237 231

1 168 191

1115 746

1 118 251

51 012

68 006

101 661

127 409

125 880

6 338

10 507

17 401

19 760

23 163

6 164 865

6 591 042

6 989 491

7476 663

7 852 821

6158 739

6 579 337

6 977 352

7 462 366

7 838 364

5 738

11 223

11 787

13 802

13 882

388

482

352

495

575

Toelichting:

De bedragen die als «niet verplicht of bestuurlijk gebonden» zijn opgenomen zijn beleidsmatig gereserveerd voor uitgaven op het terrein van de volgende operationele doelstellingen.

Operationele doelstelling 2:

+ Actieprogramma Veilige zorg 1e lijn. Het programma Patiëntveiligheid in de eerstelijnszorg heeft de volgende onderdelen. Er wordt onderzoek gedaan naar de huidige stand van zaken met betrekking tot patiëntveiligheid in deze sector van zorg, een nulmeting. Er worden interventies ontwikkeld om de veiligheid voor patiënten te verbeteren en er worden veiligheidmanagementsystemen ontwikkeld om de verbeterde patiënt-veiligheid in de eerstelijnszorg te waarborgen. Via verschillende projecten worden bij de verschillende beroepsbeoefenaren aan bewustwording voor patiëntveiligheid gewerkt. Actieprogramma Veilige zorg ggz. Door ggz-Nederland, die het plan trekt, is een preciseringsnota geschreven als vervolg op de contourennota met een raming voor de bekostiging van het plan patiëntveiligheid. In 2010 zal door ggz-Nederland voor de uit te voeren activiteiten hieromtrent een subsidieaanvraag worden ingediend.

+ Kwaliteit, Innovatie en Patiënten ggz: het plan van aanpak voor een versnellingsprogramma kwaliteit, veiligheid en innovatie heeft vertraging opgelopen. In 2010 wordt een doorstart gemaakt met dit programma. Doel is om door middel van «best practices» en het delen van kennis en ervaringen, de transparantie in de ggz te vergroten en structurele verbeteringen te bevorderen op de thema’s logistiek en klantgerichtheid.

+ De website «dwang en drang in de zorg» wordt in het najaar van 2009 operationeel. Vanaf 2010 zullen jaarlijks kosten worden gemaakt voor de instandhouding, het vullen en het onderhouden van de website. Het gaat daarbij zowel om technische alsook inhoudelijke activiteiten. Concreet zullen de volgende activiteiten worden ontwikkeld: redactieraad (vacatiegelden/ reiskostenvergoedingen), operationele directie (salarissen projectleider, redacteur, tekstschrijver), aanschaf servers, hosting en technisch beheer/ondersteuning, functioneel beheer/ondersteuning (in verband met nieuwe wetgeving), tekstuele aanpassingen (in verband met nieuwe wetgeving), vertalingen.

+ De Nieuwe Praktijk (DNP). Het programma richt zich in eerste instantie op de huisartsenzorg als spil van de eerste lijn. Centrale boodschap is dat een beter georganiseerde en versterkte eerstelijnszorg voordelen biedt voor de kwaliteit van zorg en de service voor patiënten en daarnaast ook voor het werkplezier van de huisartsen zelf.

+ De «Doelstellingenbrief Eerstelijnszorg» wordt uitgewerkt in een actieplan. Hierin worden een aantal grotere en kleinere projecten opgesomd. De grotere en langdurige projecten zullen uitgewerkt worden in een ZonMw programma 1e lijn.

Operationele doelstelling 3:

+ Het niet verplichte deel of bestuurlijk gebonden bedrag van deze operationele doelstelling is voornamelijk gereserveerd voor activiteiten ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de dbc’s, communicatie en ondersteuning bij de verdere invoering van dbc’s.

Premie-uitgaven:

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van de gezondheidszorg. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de Eerste suppletore begroting 2009 en de begroting 2010 verwerkt. Voor 2009 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2010 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voorzover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

Beleidsartikelen/Artikel 42

 

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Extramuralezorg

3 893,7

4 069,8

3 931,4

4 061,1

3 991,3

3 993,8

3 993,9

Huisartsen en gezondheidscentra

2 119,9

2 183,4

2 032,9

2 131,1

2 059,1

2 059,1

2 059,1

Tandheelkunde en tandheelkundige

766,1

799,3

787,4

782,6

782,6

782,6

782,6

specialistische zorg

             

Paramedische hulp

559,2

603,7

603,8

604,4

605,8

607,2

607,3

Verloskunde en kraamzorg

410,5

444,1

436,9

434,3

433,9

435,0

435,0

Dieetadvisering

38,0

39,3

35,5

35,5

35,5

35,5

35,5

Extramurale zorg onverdeeld

   

34,9

73,2

74,4

74,4

74,4

Ziekenhuizen, medisch specialisten en

             

overig curatief

16 583,5

17 483,2

17 708,3

18 057,2

18 100,9

18 127,1

18 133,8

Algemene en categorale ziekenhuizen

10 507,6

11 054,3

11 082,5

11 184,3

11 183,6

11 187,2

11 193,3

Academische ziekenhuizen

2 637,9

2 838,4

2 849,4

2 869,6

2 890,1

2 911,3

2 911,8

Academische component

606,2

606,2

606,2

606,2

606,2

606,2

606,2

Medisch specialisten

2 296,3

2 413,8

2 018,5

2 008,3

2 008,3

2 008,3

2 008,3

Overig curatieve zorg

535,5

570,5

570,8

570,8

570,8

570,8

570,8

Ziekenhuizen, medisch specialisten en

   

580,9

818,0

841,9

843,3

843,4

overig curatief onverdeeld

             

Ziekenvervoer

537,6

547,6

553,5

559,6

560,0

560,0

560,0

Ambulancevervoer

426,0

431,1

431,5

431,7

431,7

431,7

431,7

Overig ziekenvervoer

111,6

116,5

116,5

116,5

116,5

116,5

116,5

Ziekenvervoer onverdeeld

   

5,5

11,4

11,8

11,8

11,8

Genees- en hulpmiddelen

6 356,9

6 502,0

6 907,5

7 346,5

7 362,4

7 361,3

7 361,8

Farmaceutische hulp

5 102,3

5 197,5

5 521,9

5 907,0

5 922,6

5 922,8

5 923,3

Hulpmiddelen

1 254,6

1 304,5

1 385,6

1 439,5

1 439,8

1 438,5

1 438,5

Geneeskundige geestelijke gezondheids-

             

zorg

3 313,2

3 512,7

3 532,1

3 661,4

3 680,9

3 693,6

3 694,0

Geneeskundige GGZ door instellingen

3 161,4

3 237,5

3 266,4

3 277,9

3 289,8

3 302,4

3 302,8

Geneeskundige GGZ door vrijgevestigden

151,8

156,8

156,8

156,8

156,8

156,8

156,8

Geneeskundige GGZ onverdeeld

 

118,4

108,9

226,7

234,3

234,4

234,4

Chronische keten dbc’s

   

241,5

241,5

241,5

241,5

241,5

Grensoverschrijdende zorg

374,6

447,0

467,0

488,8

490,0

490,0

490,0

Subsidies gezondheidszorg

2,1

           

Beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw

7,7

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

Totaal

31 069,3

32 567,8

33 346,8

34 421,6

34 432,5

34 472,8

34 480,5

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

 

4,8%

2,4%

3,2%

0,0%

0,1%

0,0%

Bron: VWS

De minister voor Jeugd en Gezin draagt de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de jeugd-ggz en de jeugd-lvg (artikel 3 Zorg en bescherming’ van de begroting van Jeugd en Gezin). Vanaf 2009 valt de kortdurende jeugd-ggz onder de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. In de premie-uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg is circa 10% toewijs-baar aan de zorg voor kinderen en jeugdigen (jeugd-ggz). De jeugd-lvg valt onder de gehandicaptenzorg (artikel 43).

Premiegefinancierde prioriteiten

De volgende tabel geeft de premiegefinancierde prioriteiten weer. De beleidsinformatie is opgenomen onder de operationele doelstelling bij de betreffende prioriteit. Bij een onbekend bedrag is een «pm» opgenomen en daar waar budgetneutraliteit het uitgangspunt is een «n.v.t.».

Beleidsartikelen/Artikel 42

 

Premiegefinancierde prioriteiten (bedragen x € 1 000 000)

 

OD

2010

2011

2012

2013

2014

Medisch specialisten

 

-375,0

  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0

Bereikbaarheid huisartsenzorg en acute zorg

42.3.2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Functionele integratie spoedeisende hulp en

42.3.2

n.v.t.

-39,0

-39,0

-39,0

  • 39,0

huisartsenposten

           

Ambulances

42.3.2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Verplicht eigen risico

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Preventieve interventies in het basispakket1

42.3.3

 

32,0

50,0

50,0

50,0

Geneeskundige ggz in de Zvw

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Overheveling van de somatische revalidatiezorg vanuit

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

de AWBZ naar de Zvw

           

Pakketmaatregelen hulpmiddelen

42.3.3

3,2

3,2

3,2

3,2

3,2

Pakketmaatregel Acetylcysteïne

42.3.3

-7,0

-7,0

-7,0

-7,0

-7,0

Heroriëntatie hulpmiddelen en functiegerichte

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

bekostiging

           

Afloop Transitieakkoord 2008/2009

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bekostiging apotheekhoudenden

42.3.3

pm

pm

pm

pm

pm

Prestatiebekostiging ziekenhuizen

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Introductie chronische keten dbc’s

42.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bron: VWS

1 Deze middelen staan nu nog verantwoord op nominaal en onvoorzien, bedrag is inclusief stoppen met roken.

Medisch specialisten

In de loop van 2009 zijn gegevens beschikbaar gekomen over de ontwikkeling van de honoraria van (vrijgevestigd) medisch specialisten, in de periode 2007–2008. Uit schadelastcijfers afkomstig van het CVZ bleek een overschrijding van circa € 375 miljoen. Naar aanleiding van deze overschrijding zijn een aantal maatregelen aangekondigd. De maatregelen zijn neergelegd in een aanwijzing aan de NZa d.d. 6 juli 2009. De maatregelen betreffen in eerste instantie het plegen van versneld regulier onderhoud door het aanpassen van de ondersteunerscompensatie en het herijken van de normtijden. Voor de resterende problematiek heeft de NZa een algemene maatregel uitgewerkt. Als gevolg van de te nemen maatregelen heeft VWS tevens de Gezamelijke Verklaring tussen VWS en de Orde van Medisch Specialisten met ingang van 1 januari 2010 opgezegd.

42.3 Operationele doelstellingen

Er zijn drie operationele doelstellingen op het gebied van de gezondheidszorg:

  • 1. 
    De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt;
  • 2. 
    Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren;
  • 3. 
    Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket van noodzakelijke zorg aan.

42.3.1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

Motivering

Motivering

Het kabinet wil de burger door transparante informatievoorziening, wetgeving en versterking van patiënten-, gehandicapten- en ouderen-organisaties in staat stellen de keuze van de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar te baseren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaar-

Beleidsartikelen/Artikel 42

heid. Dit prikkelt de zorgaanbieders en de zorgverzekeraars veilige,

effectieve en klantgerichte zorg te leveren c.q. in te kopen. Wij realiseren

dit door:

+ Transparante informatievoorziening voor burgers;

+ Verbeteren van de rechtspositie van burgers in het zorgstelsel.

 

Prestatie-indicatoren

         
   
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Streefwaarde 2010

Streefwaarde 2011

Voor 80 aandoeningen kunnen burgers op www.kiesBeter.nl zien welke kwaliteit ziekenhuizen bieden

6

10

28

80

Bron: IGZ, bureau Zichtbare Zorg, Het resultaat telt (jaarlijkse meting).

Toelichting:

Realisatie 2008: Het betreft hier het ontwikkelde aantal raadpleegbaar op www.kiesBeter.nl in 2009.

Instrumenten

Hieronder vallen activiteiten op het gebied van Zichtbare Zorg (kabinetsdoelstelling 45b), Early warning, Fusietoezicht, Wet cliëntenrechten zorg (kabinetsdoelstelling 45d), geschilbeslechting en het versterken van patiëntenorganisaties. Dit betreft zorgbreed beleid. Zie artikel 43, OD 1, voor een toelichting en de geraamde middelen.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

St. PAN (Perinatale Audit)

Projectsubsidies

Consumentenbond Transparantie huisartsenzorg Ned. Huisartsen Genootschap Basisset Ind. Huisartsen Heup-en knievervanging en mammacarcinoom Projecten transparantie Curatieve zorg

Opdrachten

Projecten transparantie Curatieve zorg

Totaal geraamde uitgaven

 

1 242

920

930

930

930

1 242

920

930

930

930

377                  342                      0                      0                      0

184                      0                      0                      0                      0

18                      0                      0                      0                      0

175                    42                      0                      0                      0

0                  300                      0                      0                      0

177

177

1 796

358                      0                      0                      0

358                      0                      0                      0

1 620

930

930

930

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

42.3.2 Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren

Motivering

Motivering

Om te zorgen dat de burger de zorg krijgt waar hij conform het verzekerde pakket recht op heeft, bevat het zorgstelsel prikkels die zorgaanbieders moeten aanzetten tot het leveren van een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg. Een kwalitatief hoogwaardige zorg is veilig en toegankelijk. Om het zorgaanbod, ook op de langere termijn, aan te laten sluiten

Beleidsartikelen/Artikel 42

op de behoefte van de burger en op de demografische en technologische ontwikkelingen, vindt het kabinet het beschikbaar krijgen van nieuwe en het verbeteren van bestaande medische producten en processen via innovatie noodzakelijk. Daarnaast kan innovatie van zorg leiden tot een verbetering van de arbeidsproductiviteit, waardoor werknemers in de zorg meer tijd kunnen besteden aan de patiënt en zelf minder belast worden.

Hiervoor zet het kabinet in op: + De kwaliteit en veiligheid van het zorgaanbod; + De toegankelijkheid van het zorgaanbod; + De innovatie van de zorg.

Instrumenten ten behoeve van kwaliteit en veiligheid van het zorgaanbod

 
             

Prestatie-indicatoren

 
   

Waarde

Peildatum

Streefwaarde 2010

Streefwaarde Lange termijn

1.

Vermijdbare incidenten in ziekenhuizen (kabinetsdoelstelling 45a)

30 000

2004

28 500

15 000 (2012)

2.

Vermijdbare sterfte in ziekenhuizen (meting bij huidige stand technologie)

1 735

2004

1 648

850-900 (2012)

3.

Percentage ziekenhuizen dat speerpunten 2009 op het gebied veiligheids-management-systeem (VMS) heeft geïmplementeerd

   

100%

100% (v.a. ultimo 2009)

4.

Het aantal ziekenhuizen dat op de thema’s van het programma «voorkom schade, werk veilig» participeert of aantoonbaar vergelijkbare initiatieven ontplooit

84

2009

 

100% (2012)

5.

Het aantal ziekenhuizen dat deelneemt aan de HSMR (Hospital Standardised Mortality Rate)

69

2006

 

100% (2012)

6.

Aantal gevallen van vermijdbare ziekenhuisopname t.g.v. medicijngebruik

19 000

2006

< 13 300 (2011)

7.

Percentage instellingen dat CQ-index meet:

       

-

Ziekenhuizen

-

-

Start meting

100% (2011)

-

Huisartsen

-

-

Pilotjaar

100% (2011)

-

ggz

-

-

50%

100% (2011)

8.

Score op indicator bejegening door patiënten:

       

-

Ziekenhuizen

-

-

Nulmeting

 

-

Huisartsen

-

-

Pilotjaar

 

ggz

Doorontwikkeling

 

9.

Ontwikkeling indicatoren voor ketenzorg voor vier ziektebeelden

       

-

Hartfalen

-

-

Invoering

 

-

Diabetes mellitus

-

-

Invoering

 

-

Cardiovasculair Risicomanagement

-

-

Invoering

 

-

COPD

-

-

Invoering

 

Bronnen:

  • 1. 
    De basiswaarden zijn gemeten door het Nivel in 2004. De waarden over 2008 komen eind 2010/begin 2011 beschikbaar. De meting betreft circa de helft van het aantal dossiers dat in de nulmeting van 2004 betrokken was.
  • 2. 
    Zie 1.
  • 3. 
    IGZ. Begin 2009, 2010, 2011 en 2012 controleert de IGZ steekproefsgewijs of alle ziekenhuizen de extra speerpunten voor dat jaar op het gebied van VMS-implementatie gerealiseerd hebben. De 24 aselect gekozen ziekenhuizen die door de IGZ in de eerste steekproef zijn bezocht werken allen met (onderdelen van) het VMS.
  • 4. 
    VWS.
  • 5. 
    Deelname aan de HSMR wordt door de IGZ gemeten. In het tweede kwartaal van 2010 wordt bekend hoeveel ziekenhuizen deelnemen.
  • 6. 
    Eindrapport Hospital Admissions Related to Medication (Harm), Universiteit Utrecht (nieuwe meting 2011).
  • 7. 
    t/m 9 VWS.

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ Patiëntveiligheid ziekenhuizen, Voorkom schade, werk veilig (kabinetsdoelstelling 45a) Het veiligheidsprogramma «Voorkom schade, werk veilig» (kamerstuk 28 439, nr. 18) heeft tot doel om in de jaren 2008–2012 de onbedoelde vermijdbare schade in ziekenhuizen met 50% te reduceren. Dit plan bestaat uit twee pijlers: het reduceren van vermijdbare sterfte en schade op tien inhoudelijke thema’s én het implementeren van het veiligheids-management systeem (VMS) in alle ziekenhuizen. Voor de tien thema’s zijn verbeterinterventies en indicatoren ontwikkeld, waarop vanaf 2010 door de ziekenhuizen wordt geregistreerd en die vanaf mei/juni 2011 in het toezicht van de IGZ worden betrokken. De IGZ zal begin 2010 een vervolg onderzoek uitvoeren naar de VMS-implementatie in de ziekenhuizen. Deze activiteiten worden door middel van een subsidie (€ 1,85 miljoen) ondersteund. Eind 2010/begin 2011 komen cijfers beschikbaar van een tussentijds dossieronderzoek naar vermijdbare schade en sterfte. Hiervoor heeft het kabinet in 2010 € 1,2 miljoen uitgetrokken. In 2011 zullen cijfers beschikbaar worden van de Harm-meting naar het aantal vermijdbare ziekenhuisopname als gevolg van verkeerd medicijngebruik. Op dit moment loopt een kwaliteitstraject voor de zorg die wordt geleverd op de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van ziekenhuizen. Het veld beschrijft het profiel waaraan een SEH van een ziekenhuis minimaal zou moeten voldoen om de kwaliteit van de geleverde zorg op de SEH te waarborgen. Deze kwaliteitsnormen worden in een pilot uitgetest.

+ Actieprogramma veilige zorg/ Patiëntveiligheid eerstelijnszorg Ook in de eerstelijnszorg wordt gericht gewerkt aan de verbetering van de patiëntveiligheid. De sector is verantwoordelijk voor de veiligheid van de zorg. Het is noodzakelijk in kaart te brengen wat de kritieke punten zijn. Op basis van een nulmeting, die eind 2009 wordt uitgevoerd door een gecombineerd onderzoek van de Radboud Universiteit en het iBMG, naar de stand van zaken van incidenten en schade in de brede eerstelijnszorg zullen concrete haalbare doelstellingen worden geformuleerd. Focus ligt op concrete acties van de beroepsgroepen op het terrein van de bewustwording omtrent incidenten op het terrein van diagnostiek, tijdig handelen, communicatie, behandeling, procedureel en documentatie en de aanbevelingen uit het Harm Wrestling onderzoek (medicatieveiligheid, kamerstuk 29 477, nr. 47). Daarnaast is het Netwerk Eerstelijns Organisaties in 2008 gestart met het ontwikkelen van een Toolkit Patiëntveiligheid voor de brede eerstelijnszorg, waarin het opzetten van een meldsysteem ter ondersteuning van de veiligheid van zorg en de samenwerking en overdrachtsmomenten tussen de verschillende beroepsgroepen prioriteit hebben. In het najaar 2009 start de implementatie van deze Toolkit Patiëntveiligheid. In overleg met het veld worden tevens afspraken gemaakt betreft concrete en haalbare doelstellingen als het gaat om implementatie van deze Toolkit Patiëntveiligheid. Het kabinet ondersteunt deze activiteiten (€ 1,35 miljoen).

+ Actieprogramma «Veilige zorg; ieders zorg»/ Patiëntveiligheidsprogramma ggz In het plan patiëntveiligheid van ggz Nederland (kamerstuk 28 439, nr. 22) zijn speerpunten benoemd die betrekking hebben op de invoering van een Veilig Melden Systeem, het veilig melden van incidenten (VIM), medicatie-onveiligheid, suïcidepreventie, risico’s bij dwang en drang, agressie in de zorg en comorbiditeit van psychische en somatische klachten. Begin 2009 zijn vijf pilotinstellingen van start gegaan met de invoer van het VMS, VIM

Beleidsartikelen/Artikel 42

en agressie in de zorg. In de loop van 2010 zal een vervolggroep starten met het doel dat dan 80 ggz instellingen zullen zijn aangehaakt (€ 1,25 miljoen).

+ Regieraad Kwaliteit van Zorg

De Regieraad Kwaliteit van Zorg heeft een agenderende, faciliterende en stimulerende rol bij het beschrijven van richtlijnen die ervoor zorgen dat cliënten een kwalitatief goede, veilige en doelmatige zorg krijgen. De Regieraad zal veldpartijen nadrukkelijk stimuleren om normen voor veilige zorg zo concreet mogelijk te benoemen in richtlijnen. Tevens zal de raad zich inspannen om de relatie tussen veiligheid en doelmatigheid van zorg inzichtelijk te maken. De Regieraad zal een met het veld afgestemde knelpuntenanalyse opstellen en deze vertalen in een meerjarenagenda voor richtlijnontwikkeling, -implementatie en onderhoud. Daarnaast zal de Regieraad instrumenten en procedures ontwikkelen om het veld bij deze onderwerpen te ondersteunen. De ondersteuning van de regieraad is bij ZonMw ondergebracht (€ 0,9 miljoen).

+ Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte

De Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte richt zich op het verbeteren van de organisatie en bereikbaarheid van verloskundige zorg en kraamzorg en het verbeteren van de inhoudelijke kwaliteit en transparantie. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de wijze waarop verloskundige zorg en kraamzorg gericht op hoogrisicogroepen verleend moet worden (€ 0,2 miljoen in 2010).

+ Medicatieveiligheid

In het verlengde van de brief Koers op kwaliteit (kamerstuk 29 439, nr. 18) wordt het plan van aanpak om de medicatieveiligheid te verbeteren, uitgevoerd. Elementen daaruit betreffen de introductie van een periodieke medicatiebeoordeling van zogenaamde risicopatiënten, het beter organiseren van een verantwoorde medicatieoverdracht tussen zorgverleners zorgbreed, maar ook de verbetering van registratie van medicatie-gegevens binnen de apotheek is een belangrijke activiteit (€ 1 miljoen). Deze activiteiten lopen door tot en met 2011.

+ Medische technologie

Vermijdbare incidenten worden deels veroorzaakt door de verkeerde toepassing van medische technologie. Op dit terrein wil het kabinet gedurende 2010–2011 de transparantie bevorderen. Zo zal de IGZ gevraagd worden informatie over de onderhouds- en vervangingstatus van medische apparatuur binnen zorginstellingen inzichtelijk te maken. Daarnaast zal het kabinet, uiteraard in overleg met de betrokken veld-partijen, ervoor zorgen dat onderhoudsdiensten op het terrein van de medische technologie gecertificeerd moeten zijn. Tenslotte willen we dat de richtlijnen aandacht schenken aan de benodigde vaardigheden en opleidingseisen met betrekking tot de toepassing van medische technologie. De Regieraad Kwaliteit van Zorg is meegegeven om deze aspecten van medische technologie mee te nemen als aandachtspunten bij richtlijn ontwikkeling.

+ Namaakgeneesmiddelen

Vervalste genees- en hulpmiddelen kunnen ernstige lichamelijke- en geestelijke gevolgen voor de gezondheid hebben. Zo kan het gebruik van vervalste geneesmiddelen leiden tot therapeutische onderbehandeling of

Beleidsartikelen/Artikel 42

tot resistentie voor het echte geneesmiddel. Het gebruik van vervalste geneesmiddelen kan daarnaast leiden tot lichamelijke en/of geestelijke schade.

In 2009 wordt met partijen een nationaal plan van aanpak uitgewerkt langs de thema’s bewustwording, positieve alternatieven, handhaving, signalering en opsporing, schade en omvang en kwaliteitsborging. Eind 2009 zal er een campagne van start gaan. Deze zal zeker tot en met 2010 doorlopen. De campagne zal onder andere bestaan uit een uitgebreide internetcampagne, voorlichtingsmateriaal in allerlei vormen en publicaties in (vak)bladen (€ 0,2 miljoen).

+ Internationale samenwerking op het gebied van geneesmiddelen en hulpmiddelen

In het kader van internationale samenwerking zal het kabinet zich in 2010

onder andere richten op:

– Het terugdringen van vervalsing van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen;

– Het optimaal laten aansluiten van Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven, waaronder het Top Instituut Pharma, bij ontwikkelingen binnen de EU ten aanzien van innovatie van medicijnen;

– Het prominenter agenderen van het gesignaleerde probleem in het rapport Priority Medicines van ons bedreigende antibioticaresistentie samen met Europese en mondiale partners, ook vanuit het bedrijfsleven;

– De productveiligheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen;

– Bijdragen aan de uitvoering van resolutie WHA61.21 van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake «public health, innovation and intellectual property»;

– Het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van orgaantransplantatie en het voorkomen van handel in organen;

– Intensivering van samenwerking met andere producerende landen gericht op het terugdringen van het voortdurende wereldwijde tekort aan medische isotopen, die worden gebruikt voor diagnostiek, behandeling en pijnbestrijding van vele miljoenen patiënten per jaar.

Beleidsartikelen/Artikel 42

Instrumenten voor een toegankelijk aanbod

Prestatie-indicatoren

2005             2006             2007             2008 Streefwaarde Streefwaarde

2010 Lange termijn

  • 1. 
    Aantal donoren (exclusief levende nierdonoren)               217
  • 2. 
    Percentage ambulances dat binnen 15 minuten                     – ter plaatse is bij spoed/levensbedreigende situaties
  • 3. 
    Percentage bevolking dat binnen 30 minuten een            98% SEH afdeling met de auto kan bereiken
  • 4. 
    Percentage poliklinieken waar je binnen drie                 78,2% weken een afspraak hebt
  • 5. 
    Percentage burgers dat binnen 4 weken een                     77% afspraak heeft voor aanmelding bij een tweedelijns ggz-aanbieder
  • 6. 
    Aantal verwijzingen van huisarts naarde                                – tweedelijn (per 1000 patiënten)
  • 7. 
    Toename van aantal multidisciplinaire samen-                       – werkingsverbanden in de eerstelijn
 

200

257

201

> 250

280 (2015 en verder)

91%

91%

92,1%

> 95%

> 95%

99,4%

99,7%

99,4%

> 98,8%

> 98,8%

82,0%

80,3%

-

80,0%

80%

74%

71%

72%

80%

80%

171

174

188

174

171

1 674

1 700

2 300

Bronnen:

  • 1. 
    Nederlandse Transplantatie Stichting, jaarlijkse meting
  • 2. 
    RIVM, Zorgbalans, jaarlijkse meting
  • 3. 
    RIVM, Nationale Atlas Volksgezondheid
  • 4. 
    RIVM, Zorgbalans (update in 2010 bij nieuwe Zorgbalans)
  • 5. 
    ggz Nederland, wachttijden in de ggz-instellingen (jaarlijkse meting)
  • 6. 
    NIVEL, linh (jaarlijkse meting)
  • 7. 
    NIVEL, linh (jaarlijkse meting): (update in het najaar bekend)

Toelichting:

  • 1. 
    Indien de Wet op de orgaandonatie wordt aangepast (verwachting plaatsing in het Staatsblad in 2010), is de doelstelling om 25% meer transplantaties te realiseren in een tijdsperiode van vijf jaar (2010–2015). 4. Dit betreft de verwachte wachttijd zoals opgegeven door ziekenhuizen. 6. De streefwaarde is gebaseerd op een stabiel blijvend aantal verwijzingen naar de tweedelijn, ondanks de toenemende druk op de eerstelijnszorg.

+ Orgaandonatie

Het tekort aan donororganen vraagt om een wijziging van het beleid, waarbij centraal staat dat niemand zich meer afzijdig kan houden. De verbetervoorstellen van de Coördinatiegroep Orgaandonatie hebben onder andere geleid tot de ontwikkeling van een voorlichtingscampagne, die in 2009 start en tot na 2010 doorloopt. De campagne, vanuit het idee «van de samenleving, voor de samenleving» ontwikkeld, staat naast een aantal verbetervoorstellen voor donorwerving in ziekenhuizen, waarvan in 2010 de eerste resultaten worden verwacht. Om de doelstelling van 25% meer postmortale transplantaties (ten opzichte van het driejaarlijks-gemiddelde 2005–2007) in een periode van vijf jaar te kunnen realiseren, wordt een wijziging van de Wet op de Orgaandonatie overwogen. Die wijziging moet er toe leiden dat van alle inwoners van 18 jaar en ouder een keuze in het Donorregister wordt vastgelegd. Daarbij wordt extra mogelijkheid gecreëerd om vóór orgaandonatie te kiezen waarbij nog wel ruimte is voor de nabestaanden. Voor de aanpassingen in het beslissysteem is vanaf 2010 een eenmalige investering nodig van € 35 miljoen (2010 € 2 miljoen, 2011 € 22 miljoen en 2012 € 11 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ Versterking zorgorganisatie eerste lijn

Voor de periode 2009–2013 gaat het ZonMW programma «Versterking van de zorgorganisatie dicht bij huis» van start (€ 18 miljoen). Via dit programma zullen goede lokale voorbeelden worden geanalyseerd en verspreid waarbij handvaten voor samenwerking tussen aanbieders en verzekeraars worden ontwikkeld. Verder worden binnen het Landelijk Overleg Versterking Eerstelijnszorg (LOVE) afspraken gemaakt over doelgroepenbeleid en preventie en de versterking van het ondernemerschap van de zorg dicht bij huis, gerelateerd aan de belangrijkste ziekteclusters.

+ (P) Bereikbaarheid huisartsenzorg en acute zorg Ter verbetering van de bereikbaarheid van de acute huisartsenzorg en verloskundige zorg, zijn partijen gevraagd om eenduidige minimumnormen te ontwikkelen voor de bereikbaarheid van acute huisartsenzorg en verloskundige zorg, inclusief normen voor de telefonische bereikbaarheid. Inmiddels heeft de beroepsgroep van de huisartsen een uitgangspunt voor telefonische spoedoproepen van 30 seconden vastgesteld. De door de IGZ gehanteerde norm voor oproepen die minder spoed hebben (van 2 minuten) zal pas in werking treden na degelijke onderbouwing ervan.

+ (P) Functionele integratie spoedeisende hulp en huisartsenposten Het beleid is erop gericht om spoedeisende hulpafdelingen van ziekenhuizen binnen drie jaar functioneel te integreren met een huisartsenpost uit de regio van de betreffende ziekenhuizen. Deze integratie is wenselijk vanwege een relatief groot aantal zelfverwijzers dat naar de spoedeisende hulp gaat, waarvan een groot deel huisartsgeneeskundig geholpen had kunnen worden. In februari 2009 is de NZa om een vervolguitvoerings-toets gevraagd voor de bekostiging van acute basiszorg. Met de NZa is afgesproken dat per 2010 in de acute zorg wijzigingen in de bekostiging zullen plaatsvinden die de substitutie van zorg bevorderen en daarmee zorgaanbieders en zorgverzekeraars de mogelijkheid bieden de zorg doelmatig en op de juiste plaats te organiseren. De NZa zal eind van dit jaar adviseren over een definitief systeem per 2011.

+ (P) Ambulances

Op 2 december 2008 heeft de Eerste Kamer de Wet op de ambulancezorg aangenomen. Deze wet regelt dat de minister van VWS eenmalig 25 vergunningen verleent voor het verrichten van ambulancezorg. Deze vergunningen treden per 1 januari 2011 in werking. Er is sprake van 25 vergunningsregio’s die aansluiten op de veiligheidsregio’s. Gelijktijdig aan het vergunningstraject is de NZa gevraagd een uitvoeringstoets te doen op een nieuw bekostigingssysteem voor de ambulancezorg. Vanaf 2013 wordt prestatiebekostiging ingevoerd.

+ Arbeidsmarktbeleid

Gegeven de toenemende vraag naar zorgpersoneel en de nog beperkt groeiende beroepsbevolking, dient een actief en consequent arbeidsmarktbeleid ervoor te zorgen dat nu en in de toekomst voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar blijft voor de zorgsector. Het arbeidsmarktbeleid wordt verder toegelicht in artikel 43.

+ Opleidingsfonds

Een ruim voldoende aanbod van gekwalificeerde zorgverleners is een vereiste voor een vraaggeoriënteerde zorg waarin de patiënt centraal staat. Uitgaande van een zeker overschot bij de jaarlijkse instroom van

Beleidsartikelen/Artikel 42

arts-assistenten in opleiding is het streven bij de bekostiging van de verschillende zorgopleidingen erop gericht om daar op te leiden waar de kwalitatief beste opleiding wordt geboden tegen een redelijke prijs. Met het «opleidingsfonds» wordt de bekostiging van onder meer de opleidingen tot huisarts (€ 118 miljoen), tot medisch specialist en tot andere medische beroepen (€ 840 miljoen) geregeld.

Om de gewenste capaciteit te bereiken stuurt het kabinet op de instroom van de zorgopleidingen. In 2010 is de toegestane instroomcapaciteit bepaald op 535 plaatsen (in fte) bij de huisartsenopleiding en 1057 plaatsen bij de medisch specialistische vervolgopleidingen. Centrale thema’s die met het opleidingsfonds samenhangen zijn: goede ramingen, bruikbare kwaliteitsindicatoren, redelijke kostprijzen en het innoveren van de opleidingen- en beroepenstructuur.

 

Kengetallen

         
   
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

  • 1. 
    Instroom huisartsen in opleiding
  • 2. 
    Instroom in opleidingsplaatsen medisch specialisten

531 975

524 934

515 1 007

537 1 012

Bron: SBOH/MSRC, Capaciteitsorgaan

Toelichting:

  • 1. 
    Aantal personen dat in het betreffende jaar is ingestroomd in het eerste jaar van de opleiding.
  • 2. 
    Aantal personen dat is ingestroomd in het eerste jaar van opleiding van de opleidingen vallend onder de subsidieregeling zorgopleidingen eerste tranche (erkende medisch specialismen, exclusief psychiatrie, inclusief de erkende bèta beroepen ziekenhuisapotheker, klinisch fysicus en klinisch chemicus). Waarde 2006 is exclusief de instroom die in 2006 boventallig is gerealiseerd. Waarde 2008 is inclusief de boventallige instroom van 2006 die in 2008 in mindering is gebracht op toegestane instroom.

+ Compensatie zorgkosten illegalen

Op 1 januari 2009 is de wet in werking getreden die regelt dat zorgaanbieders ingeval zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan in betalingsonmacht verkerende illegalen, in aanmerking kunnen komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet gestelde voorwaarden. Deze regeling wordt door het CVZ uitgevoerd. Voor compensatie aan de zorgaanbieders is in 2010 € 46,9 miljoen begroot.

Instrumenten voor innovatie

 

Prestatie-indicatoren

 
 

Aantal

Streefwaarde 2010

Aantal aangesloten op Landelijk

   

Schakelpunt (LSP):

   
  • huisartsendienstenstructuur

7

100%

– huisartsenpraktijken

66

100%

– ziekenhuizen

4

100%

– apothekers

52

100%

Totaal

129

 

Bron: Voortgangsrapportage ICT inzake de invoering van het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD), stand week 34 2009.

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ ICT in de zorg

Doel is de kwaliteit in de zorg te verbeteren. In 2010 richt het ICT-beleid zich op verdere landelijke invoering van het elektronisch patiëntendossier (EPD) met als eerste twee toepassingen het landelijk elektronisch medicatiedossier en het waarneemdossier huisartsen (zie stappenplan voor de landelijke invoering (kamerstuk 27 529, nr. 38) en voortgangsrapportage invoering EPD (kamerstuk 27 529, nr. 55)). Na behandeling en goedkeuring door de Eerste Kamer zal de Wet op het EPD in werking treden. In 2010 zal ook de elektronische toegang van de patiënt tot zijn EPD worden gerealiseerd.

+ Algemeen Innovatiebeleid

In de brief aan de Kamer van 7 februari 2008 (Innovatie in preventie en zorg, kamerstuk 31 200 XVI, nr. 116) zijn de uitgangspunten voor het innovatiebeleid voor de zorg neergelegd. Innovatie is essentieel om de maatschappelijke opgaven – toename chronisch zieken en ouderen en tekort aan verzorgend en verplegend personeel – van gepaste oplossingen te voorzien. In 2008 is hiertoe het Zorginnovatieplatform (ZIP) ingesteld. De missie van het ZIP is het versnellen van zorginnovatie voor betere en duurzame zorg voor chronisch zieken en ouderen. Beter in de zin dat zorg als een netwerk om de patiënt beschikbaar komt en duurzaam in de zin van toegankelijkheid en betaalbaarheid ook op de lange termijn. Op het landelijk evenement in juni 2009 heeft het ZIP zijn visie en werkprogramma gepresenteerd, waarmee zijn missie naar inhoudelijke doelstellingen en activiteiten is vertaald. Innovaties die het ZIP wil versnellen en opschalen, versterken de positie van de patiënt en de rol van professional, benutten de mogelijkheden van ICT en technologie, bevorderen ondernemerschap en verbeteren de organisatie van de zorg. Innovatieve zorgconcepten komen niet alleen uit de zorg zelf. Juist vanuit andere sectoren kunnen waardevolle oplossingen worden aangedragen. Op 4 juli 2008 is vanuit het kabinetsproject Nederland Ondernemend Innovatieland de Maatschappelijke Innovatie Agenda Gezondheid (MIA-G) (kamerstuk 27 406, nr. 120) opgesteld, waarin de interdepartementale dimensie van het zorginnovatiebeleid werd uitgewerkt. In 2009 is in samenhang met de visie en het werkprogramma van het ZIP ook de MIA-G geconcretiseerd. Innovatie zal in 2010 met € 36 miljoen worden bevorderd door de voortzetting van reeds gestarte projecten en de inzet van het financieel instrumentarium voor innovatie in de zorg zoals door Senter Novem uitgevoerd. Dit bestaat uit de instrumenten zorginnovatievouchers en zorginnovatieprestatiecontracten, zoals omschreven in de Subsidieregeling zorginnovatie (Staatscourant 2009, 10 371) en het uitzetten van calls voor opschaling en experimenten. Naast deze instrumenten wordt geïnvesteerd in kennis om de effecten van innovatie zichtbaar te maken en te verkennen waar (intersectorale) kennishiaten bestaan.

+ Innovatie medische producten

VWS investeert in grote life sciences projecten ten behoeve van nieuwe

medische producten, zoals het Topinstituut Pharma (€ 32 miljoen in 2010),

het Centre for Translational Molecular, Medicines (EZ), Parelsnoer (OCW),

Bio Medical Materials (EZ) en recent Lifelines. Voor dit laatste project is

voor een periode tot 2016 een bedrag gereserveerd van € 40 miljoen als

cofinanciering voor het verzamelen van lichaamsmateriaal, klinische

gegevens en leefstijlgegevens. Hiermee kunnen wetenschappers en

industrie relevante onderzoeksvragen beantwoorden.

VWS heeft de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) gevraagd om met

een voorstel te komen voor een agenda medische producten. Deze

Beleidsartikelen/Artikel 42

nieuwe agenda zal voor de komende periode het kader moeten bieden op welke terreinen en hoe onderzoek op het terrein van de geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en biomaterialen is te stimuleren. Daarbij is niet alleen research and development, maar ook de organisatie van innovatie (sociale innovatie) aandachtspunt. De nieuwe onderzoeksagenda zal naar verwachting in juni 2010 kunnen worden vastgesteld. Begin 2010 worden de resultaten verwacht van een onderzoek dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uitvoert in opdracht van VWS naar «priority medical devices». Het onderzoek beoogt – op vergelijkbare wijze als dat gedaan is bij «Priority Medicines» (http://www.tipharma.com /research/priority-medicines.html) – in kaart te brengen wat «witte vlekken» zijn in het hulpmiddelenaanbod: welke hulpmiddelen zijn vanuit volksgezondheids-oogpunt gewenst? De antwoorden op deze vraagstelling zijn van belang voor het stimuleren van onderzoeks- en innovatieprogramma’s.

+ Innovaties en het verzekerde pakket

Het CVZ, de NZa en ZonMw hebben naar aanleiding van de motie Schippers (kamerstuk 30 800, nr. 92) sinds augustus 2008 een gezamenlijk loket ingericht, de ZorgInnovatiewijzer (ZIW), om aan zorginnovatoren voorlichting te geven over bestaande regelingen zodat zorginnovaties sneller tot stand komen. De ervaringen met het loket moeten uitwijzen of en waar de bestaande regelingen hiaten vertonen waardoor zorginnovaties onvoldoende van de grond komen of vroegtijdig sneuvelen. De ZIW komt in het najaar van 2009 met een rapportage over het resultaat van de adviezen en een analyse van de belemmeringen.

Het CVZ brengt in het najaar van 2009 een rapport uit over aanvullende financiering van zorginnovaties met als doel die data te verzamelen op grond waarvan sneller een beslissing genomen kan worden over wel of geen verzekerde zorg.

+ Kwaliteit en innovatie in de ggz

In 2010 wordt in samenwerking met veldpartijen verder ingezet op het terugdringen van dwang en drang in de ggz. Dit mede ter uitvoering van de beleidsvoornemens hiervoor. Zo wordt de ontwikkeling van veld-normen voor dwangtoepassingen in de ggz verder uitgewerkt om te komen tot een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang. De beleidsagenda Suïcidepreventie (kamerstuk 22 894, nr. 172) wordt uitgevoerd om suïcidaliteit verder terug te dringen. Er zijn middelen beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn suïcidaliteit en voor de ontwikkeling van multidisciplinaire richtlijnen voor verschillende psychiatrische stoornissen en ggz-(gerelateerde)problematiek. In het najaar wordt voor de eerste keer de jaarrapportage «Vermindering suïcidaliteit» naar de Tweede Kamer gezonden.

Beleidsartikelen/Artikel 42

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x €1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/structurele subsidies

Waarvan onder andere:

Nederlands Kanker Instituut

Stichting Patiëntvertrouwenspersoon

Opleidingsfonds

Huisartsenopleiding (SBOH)

College voor beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg

Nictiz

Tuchtcolleges/registratiecolleges/adviescommissies

Nederlandse Transplantatie Stichting/donorwerving

Donorvoorlichting

Nederlands instituut voor verantwoord medicijngebruik

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Uitvoering Amendement Heideheuvel

Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (CBO) meerjaren

programma Kwaliteit en Kennis

NIVEL monitor schade in ziekenhuizen

LEVV/V&VN Veiligheidsprogramma

NVZ Veiligheidsprogramma

Actieprogramma veilige zorg/Patiëntveiligheid ggz

Actieprogramma veilige zorg/Patiëntveiligheid eerstelijnszorg

Innovatiefonds Revalidatie (uitvoering amendement)

ZonMW programma Patiëntveiligheid

Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte

Projecten Versterking 1e lijn

Tijdelijke Voorziening 1e lijnscentra in VINEX wijken

Stagefonds

Vaccinatie hepatitis B

Arbeidsmarktbeleid

ICT in de zorg

Verpleegkundigen en verzorgenden

Opleiding physician assistant en nurse practitioner

Innovatie

Subsidies beroepen en opleidingenstructuur

Pilots orgaandonatie

Topinstituut Pharma

Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK-projecten)

Heroriëntatie hulpmiddelen

Opdrachten

Waarvan onder andere:

Projecten Versterking eerstelijnszorg

ICT en Innovatie

Arbeidsmarkt, beroepen en opleidingen

Farmaceutische data

Reservering voor voorgenomen systeemwijziging orgaandonatie

Veilige toepassing medische technologie

Regeling donatie bij leven

Multimediale donorcampagne

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Bijdrage aan agentschap CIBG (o.a. UZI-register, BIG-register, SBV-Z, donorregister, Farmatec)

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CVZ/ Compensatie zorgkosten illegalen ZonMW: Regieraad Kwaliteit van Zorg

Totaal

1 026 433 1 037 925 1 040 543 1 044 539 1 049 167

 

14 785

14 785

14 785

14 785

14 785

4 546

4 546

4 546

4 546

4 546

839 811

851 603

856 266

860 682

865 310

118 145

118 145

118 145

118 145

118 145

1 394

1 394

1 394

1 394

1 394

23 811

23 811

23 811

23 811

23 811

5 500

5 500

5 500

5 500

5 500

3 345

3 345

3 345

3 345

3 345

1 745

1 745

0

0

0

2 000

1 700

1 400

980

980

191 138

177 837

152 999

133 994

132 201

 

2 000

1 000

0

0

0

200

0

0

0

0

1 241

1 178

1117

170

0

350

350

175

175

0

1 500

1 500

250

750

0

1 500

1 895

175

175

175

527

343

0

524

550

2 000

2 000

0

0

0

750

750

750

750

0

200 0 0 0 0

250

300

300

300

300

3 000

0000

33 000

33 000

     

3 500

3 500

0

0

0

12 824

8 057

53 156

52 481

52 481

7 435

7 416

7 303

7 303

7 303

2 500

2 500

2 000

2 000

2 000

21 000

21 000

21 000

21 000

21 000

35 113

37 702

42 396

26 515

26 527

8 642

9 359

9 741

9 742

9 742

1 518

986

120

0

0

32 326

33 063

0

0

0

9 328

0

2 340

0

0

200

200

200

0

0

15 234

36 034

29 749

20 421

21 965

300

300

300

300

300

2 848

2 487

3 021

4 310

4 773

1 880

1 388

2 752

2 677

2 677

1 080

1 080

800

800

800

2 000

22 000

11 000

0

0

550

550

100

0

0

800

800

800

800

800

1 800

1 800

1 800

1 800

1 800

16 440

16 439

16 453

16 453

16 453

16 440

16 439

16 453

16 453

16 453

47 789

47 509

47 509

47 509

47 509

46 959

46 959

46 959

46 959

46 959

830

550

550

550

550

1 297 034

1 315 744

1 287 253

1 262 916

1 267 295

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 42

42.3.3 Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket van noodzakelijke zorg aan

Motivering

Motivering

Zorgverzekeraars concurreren om de gunst van de verzekerden door polissen aan te bieden met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Dit realiseren zij door scherp en prestatiegericht zorg in te kopen bij zorgaanbieders.

Ons beleid is gericht op: + Een goed werkend stelsel; + Een pakket van verzekerde aanspraken; + Een op het stelsel aansluitend bekostigingssysteem.

Instrumenten voor een goede werking van het stelsel

 

Prestatie-indicatoren

   

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2010

Streefwaarde

lange termijn

(2011)

1.

Beheerste ontwikkeling gemiddelde nominale premie Zvw in euro’s

1 030

1 103

1 053

1 064

1 085

-

2.

Beheerste ontwikkeling bruto schadelast (prijspeil 2009), x € 1 miljard

25,7

26,2

31,1

32,6

33,3

34,4

3.

Aantal onverzekerden (op 1 mei van een jaar)

241 000

231 000

171 280

< 171 280

< 171 280

< 171 280

4.

Aantal wanbetalers (aan het einde van een jaar)

190 000

240 000

279 520

271 000

221 000

171 000

Bronnen:

  • 1. 
    VWS
  • 2. 
    VWS
  • 3. 
    CBS
  • 4. 
    CBS

Toelichting:

  • 1. 
    De daling van de nominale premie van 2007 op 2008 is deels vertekend door de afschaffing van de no-claim en de invoering van het verplicht eigen risico.
  • 2. 
    De ontwikkeling 2007–2008 is voor een groot deel te verklaren door de overheveling van de geneeskundige ggz uit de AWBZ naar de Zvw. 4. Aantal wanbetalers 2009 betreft een verwachte uitkomst. Als sluitstuk van de structurele wanbetalersaanpak zal in 2010 bij wanbetalers tijdelijke inning van een bestuursrechtelijke premie (bronheffing) plaatsvinden.

+ Monitoren Zorgverzekeringswet

In juli 2009 heeft de NZa voor de vierde maal de Monitor Zorgverzekerings-markt (www.nza.nl) uitgebracht. Net als in 2008 is de NZa van mening dat de positie van de consument op de zorgverzekeringsmarkt per saldo als positief moet worden beoordeeld. De toegankelijkheid van de basisverzekeringen en collectiviteiten is goed, er is sprake van een beheerste stijging van de nominale premie (gemiddeld 1% in 2009) en de dienstverlening van de zorgverzekeraars is over het algemeen ruim voldoende. De NZa concludeert verder dat de marktconcentratie wel onverminderd hoog blijft en de verzekerdenmobiliteit beperkt is (3,6% in 2009, gelijk aan 2008). Eind 2008 liepen de contracten voor veel collectiviteiten met een looptijd van drie jaar af, dit heeft niet gezorgd voor extra mobiliteit. De NZa blijft deze ontwikkelingen nauw volgen.

Wat betreft de zorginkoop lijken zorgverzekeraars steeds meer de rol op te pakken, waarbij zij proberen om verzekerden te gidsen naar preferente zorgaanbieders met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Desalniettemin zijn er nog steeds verbeteringen nodig bij de zorginkoop. Daarnaast dient

Beleidsartikelen/Artikel 42

de transparantie van de kwaliteit van zorg te worden verbeterd, zodat verzekerden een betere afweging kunnen maken. Eind 2009 brengt de NZa voor het eerst een monitor Zorginkoop uit, waarin de stand van zaken op het gebied van zorginkoop bij zorgverzekeraars wordt beschreven.

+ Actieve opsporing onverzekerden

Het aantal onverzekerden was op 1 mei 2008 volgens voorlopige cijfers van het CBS 171 280. De regering vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Daarom wordt een wetsvoorstel voorbereid om vanaf 2010 onverzekerde verzekeringsplichtigen actief op te sporen. Die opsporing vindt plaats door het CVZ door middel van vergelijking van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te bouwen bestand van alle AWBZ-verzekerden en het Referentiebestand verzekerden zorgverzekeringswet (RBVZ) dat alle Zvw-verzekerden bevat. Hiervoor is in 2010 € 8,9 miljoen begroot.

+ Terugdringen aantal wanbetalers

Het CBS heeft gerapporteerd dat het aantal wanbetalers in een jaar tijd met 16% is gestegen tot 279 520 op 31 december 2008. Dit is 2,2% van het totaal aantal verzekerden.

In juni 2009 was in de Eerste Kamer het wetsvoorstel structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering in behandeling. Wanbetalers die langer dan zes maanden hun premie niet hebben betaald, worden door de verzekeraar aangemeld bij het CVZ. Het CVZ heft daarop een bestuursrechtelijke premie die 130% is van de gemiddelde nominale premie. Deze bestuursrechtelijke premie wordt via het principe van bronheffing ingehouden op het inkomen van de wanbetaler en indien nodig op de zorgtoeslag. Voor de uitvoering van het wetsvoorstel is in 2010 € 33 miljoen (uitvoeringskosten CVZ, CJIB, UWV, SVB, Raad voor Veiligheid en Rechtsorde) begroot.

+ Uitvoeren zorgtoeslag

De Belastingdienst betaalt als tegemoetkoming in de kosten van de nominale premie Zvw de zorgtoeslag uit aan alle burgers die daar recht op hebben. Daardoor betaalt niemand een groter dan aanvaardbaar deel van zijn inkomen aan Zvw-premie. Het hierboven genoemde wetsvoorstel voor het terugdringen van het aantal wanbetalers regelt dat bij verzekerden met een premie-achterstand van zes maandpremies of meer, de zorgtoeslag zonodig wordt ingezet ter voldoening van de bronheffing.

 
         

Kengetallen

 
 

Toeslagjaar 2006

Toeslagjaar 2007

Toeslagjaar 2008

Gemiddelde zorgtoeslag (bedragen in €)

Aantal ontvangers zorgtoeslag

Netto uitgaven Zorgtoeslag (x € 1 miljoen)

449

5 584 000

2 505

471

5 600 000

2 637

654

5 176 000

3 387

Bron: Belastingdienst (jaarlijkse meting)

Toelichting:

De cijfers betreffen de tussenstand van 30 juni 2009. Deze bedragen wijken af van de in de jaarverslagen VWS over 2006 en 2007 opgenomen bedragen. De afwijkingen worden veroorzaakt doordat na afloop van een jaar de definitieve toeslagen nog vastgesteld moeten worden. Daardoor kan het definitieve bedrag aan toegekende toeslagen zowel hoger als lager uitvallen dan de in het jaar verstrekte voorschotten (die opgenomen worden in de jaarverslagen VWS).

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ Operationele risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan de gewijzigde omstandigheden in de zorg, daarnaast worden er jaarlijks verbeteringen aangebracht. De mate van risicodragendheid voor verzekeraars zal in de komende jaren vergroot worden door een geleidelijke afbouw van de ex post compensatie mechanismen. De werking van het risicovereveningssysteem wordt geëvalueerd door internationale experts.

Instrumenten op het terrein van het verzekerd pakket

+ (P) Verplicht eigen risico

Het bedrag van het verplicht eigen risico wordt per 1 januari 2010 volgens de systematiek van artikel 18a, derde en vierde lid, van de Zvw geïndexeerd. Met deze indexatie wordt het bedrag in 2010 met € 10 verhoogd tot € 165.

Punt van aandacht blijft de afbakening van de groepen die voor de compensatie eigen risico in aanmerking komen. Hierbij gaat het om de toevoeging per 2011 van het meerjarig gebruik van Zvw-hulpmiddelen als criterium aan de compensatieregeling.

Daarnaast moet bezien worden hoe wijzigingen in de Farmacie Kosten Groepen (FKG’s) voor de risicoverevening kunnen worden opgevangen bij de afbakeningscriteria voor de compensatieregeling. Dit geldt eveneens voor de Diagnose Kosten Groepen (DKG’s) bij de omzetting van de dbc’s naar dot’s.

De uitvoering van de compensatieregeling wordt nauwlettend gevolgd. Begin 2010 wordt de evaluatie van het verplicht eigen risico afgerond. Deze evaluatie vormt een bouwsteen voor de in het voorjaar van 2010 toegezegde notitie waarin het kabinet zijn standpunt zal weergeven over de toekomst van het verplicht eigen risico en de eigen betalingen.

+ (P) Preventieve interventies in het basispakket Voortvloeiend uit de preventiebrief «Gezond zijn, gezond blijven» (kamerstuk 22 984, nr. 134) is voor deze kabinetsperiode een vijftal maatregelen benoemd waarmee het preventiebeleid beter wordt ondersteund vanuit de zorgverzekering. Afgelopen jaar hebben verzekeraars de mogelijkheid gekregen om het verplichte eigen risico geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden als verzekerden een door de verzekeraar te bepalen preventieprogramma volgen dat gericht is op het voorkomen of verlichten van diabetes, hartfalen, depressie, overgewicht en chronische longziekte. Gelijktijdig is op de begroting een structureel bedrag gereserveerd voor de dekking van ondersteuning bij het stoppen met roken, preventie van depressie, de beweegkuur en versterking van zelfmanagement van chronisch zieken, dat oploopt tot € 50 miljoen in 2012. – Wat de preventie van depressie betreft, heeft het CVZ geconcludeerd («Preventie van depressie: verzekerde zorg?» van 22 september 2008) dat de vroegtijdige behandeling van depressie onder de dekking van de Zvw-dekking valt. Er wordt echter nog erg weinig gebruik van gemaakt; – Ondersteuning bij het stoppen met roken wordt met ingang van 2011 onder de Zvw gebracht. Het kabinet neemt het advies van het CVZ («Stoppen met rokenprogramma: te verzekeren zorg!» van 21 april 2009) over om dit te doen in de vorm van een stopprogramma, waarin zowel de begeleiding als de ondersteunende medicatie deel uitmaakt; – Het voornemen bestaat om per 1 januari 2011 de beweegkuur in het Zvw pakket op te nemen. Inhoudelijk is het CVZ daar positief over («Preventie bij overgewicht en obesitas: de gecombineerde leefstijl

Beleidsartikelen/Artikel 42

interventie» van 23 februari 2009). In het land wordt de beweegkuur in pilotvorm al op diverse plaatsen in praktijk gebracht; – Het onderwerp zelfmanagement bevindt zich nog in de fase waarin gezocht wordt naar het vertalen van dit begrip in concrete zorgdiensten of producten.

+ (P) Geneeskundige ggz in de Zvw

Het kabinet zal de Kamer binnenkort op de hoogte brengen van de laatste stand van zaken rond de bekostiging van de geneeskundige ggz en de toekomstplannen daarbij. Dit op basis van onder andere de uitvoeringstoets, die de NZa in februari 2009 heeft afgeleverd. Na intensief overleg met alle partijen is gekozen voor een gefaseerde aanpak, waarbij voor komend jaar het accent voornamelijk komt te liggen op doorontwikkeling en stabilisatie van de dbc ggz productstructuur. Daarnaast wordt, in overleg met de NZa, bezien of het mogelijk is te experimenteren met bandbreedtetarieven in kleinschalige pilots. Zonodig ontvangt de NZa een aanwijzing, om de verdere inhoudelijke invulling van die pilots vorm te kunnen geven. Met het oog op de wens om in de toekomst kosten te beheersen, is het van belang een behoedzame stap richting verdere liberalisering te maken.

De forse structurele uitgavenoverschrijding die in het voorjaar 2009 is gebleken ad € 185 miljoen heeft geleid tot het kabinetsbesluit om een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) uit te laten voeren. De resultaten hiervan worden in 2010 verwacht.

De algemeen financieel-economische situatie en de hoogte van de collectieve uitgaven nopen tot een beheerste kostenontwikkeling in de gezondheidszorg en een meer doelmatig gebruik van de beschikbare middelen. Aan de ggz-sector wordt door het kabinet als onderdeel van een zorgbreed pakket van maatregelen een korting op de tarieven opgelegd van structureel € 119 miljoen, ter beperking van de kosten van de zorg.

+ (P) Overheveling van de somatische revalidatiezorg vanuit de AWBZ

naar de Zvw Met het oog op een toekomstbestendige Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWZB) gaat de somatische revalidatiezorg per 2012 over van de AWZB naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). Overheveling biedt betere mogelijkheden voor ketenzorg en bovendien past deze kortdurende en op herstel van functioneren gerichte zorg beter bij de Zvw. De overheveling richt zich op somatische revalidatiezorg die intramuraal en in de vorm van dagbehandeling wordt geboden. 2010 zal in het teken staan van registratie en een periodieke monitoring van de verschillende zorgregistraties (met het oog op een zorgvuldige bepaling van het volume en budget in 2011 van de over te hevelen zorg). Daarnaast wordt in 2010 gestart met de voorbereidende activiteiten voor de overheveling. Dit betreft onder meer de ontwikkeling van een nieuwe bekostigingssystematiek voor somatische revalidatiezorg (invoering voorzien in 2012).

+ (P) Pakketmaatregelen hulpmiddelen

Op basis van het Pakketadvies 2009 van het College voor zorgverzekeringen (www.cvz.nl) heeft het kabinet besloten dat het Mandibulair repositie apparaat (een hulpmiddel voor het ademhalingsstelsel), € 3,7 miljoen in het basispakket wordt opgenomen.

+ (P) Pakketmaatregel Acetylcysteïne

Op basis van het Pakketadvies 2009 van het College voor zorgverzekeringen (www.cvz.nl) heeft het kabinet besloten dat de vergoeding van

Beleidsartikelen/Artikel 42

Acetylcysteïne (slijmoplossend middel), € 7 miljoen per 1 januari 2010 uit het verzekerde pakket wordt gehaald.

+ Invloed farmaceutische industrie/ geneesmiddelenreclame In 2009 zijn twee rapporten uitgebracht over de invloed van de farmaceutische industrie op de voorschrijvers en het geneesmiddelengebruik. Deze rapporten zijn aanleiding om samen met veldpartijen (industrie, beroepsbeoefenaren, inspectie en zelfregulering) het beleid steviger neer te zetten. Tevens zijn deze rapporten aanleiding om het systeem van toezicht en handhaving van geneesmiddelenreclame verder te verbeteren. Specifieke aandacht zal er zijn voor transparantie: er moet volstrekte helderheid komen over de banden die er zijn tussen artsen/onderzoekers en farmaceutische bedrijven. Wanneer de zelfregulering er niet in slaagt om normen hiervoor te ontwikkelen zal wetgeving à la de Amerikaanse Sunshine Act in gang gezet worden.

+ Onafhankelijk geneesmiddelenonderzoek

ZonMW heeft in 2009 het signalement Goed Gebruik Geneesmiddelen uitgebracht (www.zonmw.nl). Dit signalement beschrijft de onderzoeksthema’s op het terrein van geneesmiddelengebruik. Het signalement brengt alle lacunes in kaart en biedt daarmee een goede basis voor een vervolg: aan welk onderzoek is het meest dringend behoefte en hoe kan in die behoefte worden voorzien. Deze vraag wordt samen met ZonMW in 2010 in kaart gebracht. Hierbij worden ook initiatieven uit andere landen betrokken. De focus zal liggen op onderzoek waaraan maatschappelijke behoefte bestaat maar waarvoor een commerciële prikkel ontbreekt om het uit te voeren.

+ (P) Heroriëntatie hulpmiddelen en functiegerichte bekostiging De heroriëntatie hulpmiddelen is een project dat de regelingen waaruit de burger een hulpmiddel kan krijgen (Zvw, AWBZ, Wmo en de WIA) wil stroomlijnen en vereenvoudigen. Het cliëntperspectief staat hierin centraal. In 2009 heeft het CVZ een uitvoeringstoets gedaan naar de budgettaire en praktische consequenties van de heroriëntatie. In 2010 hebben de betrokken partijen de tijd om alle uitvoeringstechnische zaken te regelen die daaruit voortvloeien. Gestreefd wordt om per 1 januari 2011 de hulpmiddelenregelingen zodanig te hebben gewijzigd dat het voor de cliënt duidelijker is waar hij welk hulpmiddel kan krijgen. De systematiek van aanspraak op hulpmiddelen wordt gewijzigd in een aanspraak gebaseerd op functiebeperking in plaats van een aanspraak op basis van het productaanbod. Om dit te realiseren zal VWS de Regeling Zorg-verzekeringswet op basis van adviezen van het CVZ in 2010 verder gaan aanpassen. Dit traject is naar verwachting in 2012 voltooid. VWS wil tegelijkertijd stimuleren dat er meer zorgprotocollen tot stand komen die het principe van vraagsturing gaan ondersteunen.

+ (P) Afloop Transitieakkoord 2008/2009

Sinds 2004 zijn convenanten van kracht tussen de KNMP, Bogin, ZN, Nefarma en de minister van VWS om conform de Langetermijnvisie geneesmiddelenvoorziening de overgang naar een geneesmiddelenvoorziening mogelijk te maken die, in lijn met de Zvw, ruimte biedt voor marktconforme onderhandelingen en die effectieve prikkels bevat voor kwaliteitsverbetering en doelmatigheidsbevordering. Het Transitieakkoord 2008/2009 is het laatste afgesloten convenant. Het is de bedoeling dat na afloop van het Transitieakkoord per 31 december 2009, er geen nieuw convenant wordt afgesloten of wettelijke maatregelen in plaats daarvan worden genomen, maar dat marktpartijen zelf verder «aan de slag gaan»

Beleidsartikelen/Artikel 42

om de toegevoegde waarde en dus de kwaliteit voor de patiënt te vergroten. Op basis van de convenanten en het Transitieakkoord geldt een taakstelling van € 1 427 miljoen in 2009. Deze opbrengst is structureel budgettair verwerkt in het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Om de opbrengst van het Transitieakkoord structureel te kunnen garanderen, bestaan de volgende waarborgen: preferentiebeleid van verzekeraars, besparing door injectables onder de Wet Geneesmiddelenprijzen (WGP) te brengen, besparing door het uit octrooi lopen van spécialités en een kostenbesparing door de periodieke actualisering van de WGP-maximumprijzen.

Instrumenten voor de bekostiging/het bekostigingssysteem

+ (P) Bekostiging apotheekhoudenden

Het voornemen was om de tarieven voor apotheekhoudenden met ingang van 1 januari 2010 vrij te laten overeenkomstig de Langetermijnvisie geneesmiddelenvoorziening. In de praktijk is dat niet haalbaar gebleken. De dynamiek in de sector is vooralsnog te groot en zorgt voor nieuwe, nog niet uitgekristalliseerde verhoudingen. Daarom heeft het kabinet besloten om het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met betrekking tot de ingangsdatum op te volgen en per 1 januari 2011 over te gaan tot vrije tarieven. Daarnaast sluit het kabinet aan bij de gedachte van de NZa om in 2010 nog meer onderhandelingsruimte te creëren in de al per 2009 geflexibiliseerde prestatiebekostiging voor apotheekhoudenden die ruimte biedt voor aanvullende zorgafspraken en aanvullende beloningen voor geleverde kwaliteit. Hierbij wordt gedacht om met ingang van 1 januari 2010 het mogelijk te maken dat bij schriftelijke overeenkomst tussen een apotheekhoudende en een zorgverzekeraar kan worden afgeweken van het vaste stramien van de huidige tariefstructuur. Hierdoor kan vanaf die datum bijvoorbeeld ook een all-in tarief per patiënt/-verzekerde of groep van patiënten/-verzekerden overeen worden gekomen.

+ (P) Prestatiebekostiging ziekenhuizen

In de brief «Waardering III» (kamerstuk 29 248, nr. 74) zijn de beleidsvoornemens voor de ziekenhuisbekostiging uiteengezet. Per 2011 komt het huidige systeem van ziekenhuisbudgettering te vervallen en zullen ziekenhuizen zoveel mogelijk worden bekostigd op basis van herkenbare zorgproducten. De NZa is gevraagd een overgangsregime uit te werken ten behoeve van een verantwoorde overgang naar dit nieuwe bekostigingssysteem. Rond de jaarwisseling zal het kabinet zijn voornemens over de inrichting van de bekostiging vanaf 2011 en het overgangsregime kenbaar maken aan de Eerste en Tweede Kamer. In lijn met de motie Van Gerven (kamerstuk 29 248, nr. 86) zal vervolgens een debat met de Kamer plaatsvinden, waarna de NZa een aanwijzing zal worden gestuurd om de bekostigingssystematiek voor 2011 en het bijbehorende overgangsregime uiterlijk per 1 juli 2010 in beleidsregels vast te stellen.

In 2010 valt ook het besluit of in 2011 het B-segment verder zal worden uitgebreid. Dit zal gebeuren na zorgvuldige evaluatie van voorafgaande stappen op basis van kwaliteit en toegankelijkheid en na debat met de Kamer (in lijn met de motie Van Gerven (kamerstuk 29 248, nr. 85). Het kabinet zal het B-segment per 2011 uitbreiden tot 50%, onder de voorwaarde dat de uitkomsten van de evaluatie door de NZa gunstig zijn. Deze uitbreiding is ook van betekenis teneinde de substitutie naar de 1e lijn beter mogelijk te maken en de kwaliteit en toegankelijkheid te dienen.

Beleidsartikelen/Artikel 42

+ Verbeterplan dbc’s

Door middel van het project dbc’s (diagnose-behandelcombinaties) op weg naar transparantie wordt de dbc-systematiek verbeterd. Een belangrijk onderdeel van de verbeteringen is de nieuwe productstructuur. In deze nieuwe ordening wordt het aantal zorgproducten teruggebracht van 40 000 naar ongeveer 3 000. De productstructuur is in het voorjaar van 2009 vastgesteld. Vanaf 1 juli 2009 zijn de ziekenhuizen gestart met het registreren van de nieuwe DOT-zorgproducten (dbc’s op weg naar transparantie). Hiermee kunnen de ziekenhuizen praktische ervaring opdoen en kan er een analyse worden gemaakt van de financiële effecten. In 2010 gaat men hiermee door. Vanaf 1 januari 2011 zal er ook gedeclareerd worden op basis van de nieuwe zorgproducten en zullen de oude dbc’s komen te vervallen.

+ (P) Introductie chronische keten dbc’s

In de brief van 22 december 2008 «De patiënt centraal door omslag naar functionele bekostiging» is aangegeven per 2010 vier keten-dbc’s voor chronische zorg te introduceren. Het gaat om dbc’s voor diabeteszorg, COPD, hartfalen en CVR (cardiovasculair risico). Met de vier keten-dbc’s biedt het kabinet het veld een eerste mogelijkheid te investeren in integrale zorgverlening. Hiermee wil het kabinet een impuls geven aan de kwaliteit van de geleverde zorg en daarmee kostenbesparing realiseren. In de brief van 13 juli 2009 (kamerstuk 29 247, nr. 95) zijn de concrete beleidswijzigingen voor de vier keten-dbc’s per 2010 beschreven. De bekostiging zal niet langer gebaseerd zijn op wie de zorg levert, maar welke zorg wordt verstrekt. Hiermee wordt de substitutie tussen zorgaanbieders gestimuleerd. Dit zal een aantal wijzigingen in de huisartsen-bekostiging betekenen per 2010. Deze wijzigingen zijn vooral gerelateerd aan de introductie van de ketens, het voorkomen van dubbele bekostiging en een vereenvoudiging van de M&I systematiek.

+ Regeling Garantie Ondernemingsfinanciering Zorg De Regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (Regeling GO) zal ook worden opengesteld voor de curatieve zorgsector. Vanaf 1 september is het gedurende één jaar mogelijk dat banken voor financieringen van bouwleningen van zorginstellingen in de curatieve zorg, tot € 50 miljoen per zorginstelling, een gedeeltelijke (50%) staatsgarantie kunnen verkrijgen. De banken betalen voor deze garantie een kostendekkende premie. De regeling kent voor de zorg een garantieplafond van € 250 miljoen. De regeling valt onder de begroting van Economische Zaken, artikel 3 een concurrerend ondernemingsklimaat. De openstelling van de Regeling GO voor bouwfinanciering van zorginstellingen geschiedt voor rekening en risico VWS.

+ Rijksbijdrage zorgverzekeringsfonds

Met de rijksbijdrage wordt voorkomen dat huishoudens met kinderen jonger dan achttien jaar hoge zorglasten hebben (€ 2,19 miljard). Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie. De rijksbijdrage voorziet in de financiering van de premie van deze kinderen.

Beleidsartikelen/Artikel 42

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x €1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Rijksbijdragen

Rijksbijdrage 18-

Inkomensregelingen

Zorgtoeslag

Instellingssubsidies/structurele subsidies

Stichting dbc onderhoud

Stichting dbc onderhoud Releaseontwikkeling DIS+onderhoud

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

onderzoek NZa (dbc)

dbc onderhoud projecten

Communicatie (dbc)

Projecten dbc ggz

Eindejaarscampagne Zorgverzekeringswet

Opdrachten

Waarvan onder andere:

KLPD Centrale meldkamer (LMAZ)

Projecten dbc ggz

Risicoverevening

Stelselherziening

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Bijdrage C2000 (MIN. BZK)

Bijdrage kosten rechtbanken t.b.v. wanbetalers (Raad voor de

Rechtspraak)

Bijdrage UWV t.b.v. wanbetalers

CJIB (wanbetalers)

CJIB (onverzekerden)

Bijdrageaan ZBO’s

Waarvan onder andere: CVZ (onverzekerden) SVB (onverzekerden) CVZ (wanbetalers) SVB (wanbetalers)

Totaal geraamde uitgaven

 

2 132 600

2 275 500

2 355 500

2 495 600

2 495 600

2 132 600

2 275 500

2 355 500

2 495 600

2 495 600

3 963 080

4 264 896

4 589 698

4 939 236

5 315 393

3 963 080

4 264 896

4 589 698

4 939 236

5 315 393

15 519

13 267

13 231

13 231

13 231

14 719

5 667

5 231

5 231

5 231

800

7 600

8 000

8 000

8 000

2 831

1 700

1 850

1 900

1 900

400                  300                  400                  400                  400

100                      0                      0                      0                      0

 

250

50

50

100

100

600

250

400

400

400

1 061

1 000

1 000

1 000

1 000

4 819

4 404

4 288

4 396

4 556

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

687

350

402

400

400

1 203

1 103

1 103

1 103

1 103

653

839

703

597

757

32 995

21 155

16 705

15 980

15 820

4 100

4 100

4 100

4 100

4 100

5 792

2 335

885

160

0

1 003

420

420

420

420

18 600

14 200

11 200

11 200

11 200

3 500

100

100

100

100

13 020

10 120

8 220

6 320

6 320

 

1 400

100

100

100

100

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

7 600

6 000

4 100

2 200

2 200

20

20

20

20

20

6 164 865

6 591 042

6 989 491

7 476 663

7 852 821

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 42

42.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 

Overzicht beleidsonderzoeke

n

 
 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of

A Start

   

OD

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

IBO ggz

42.3.2

A 2009 B 2010

Effectonderzoek ex post

-

   

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie subsidiesystematiek PGO-organisaties

42.3.1

A 2011 B 2011

 

Evaluatie Regieraad Kwaliteit van Zorg

42.3.2

A 2011 B 2011

 

Beleidsrapportages ggz

42.3.2

A 2007 B 2010

 

Dossieronderzoek naar vermijdbare sterfte en schade in

42.3.2

A 2010

 

ziekenhuizen

 

B 2011

 

Evaluatie Opleidingsfonds

42.3.2

A 2011 B 2011

 

Evaluatie CBOG

42.3.2

A 2009 B 2010

 

Monitor Cure, waarin opgenomen de monitor zorg-

42.3.3

Jaarlijks

 

verzekeringsmarkt

   
 

Evaluatie risicoverevening door internationale experts

42.3.3

A 2009 B 2010

 

Monitor Farmacie

42.3.3

Jaarlijks

 

Inkoopvoordelen en praktijkkosten onderzoek

42.3.3

A 2009 B 2010

 

Eerste evaluatie Verplicht Eigen Risico

42.3.3

A 2009 B 2010

 

Tweede evaluatie Verplicht Eigen Risico

42.3.3

A 2010 B 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Artikel 43 Langdurige zorg

43.1 Algemene beleidsdoelstelling

Zorgen dat voor mensen met een langdurige of chronische aandoening van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard zorg van goede kwaliteit beschikbaar is en dat deze zorg tegen voor de samenleving aanvaardbare maatschappelijke kosten wordt geleverd.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

De belangrijkste beleidsonderwerpen in 2010 zijn:

+ Het vergroten van zorgbrede transparantie, onder meer door het publiceren van kwaliteitsinformatie op http://www.kiesbeter.nl (kabinetsdoelstelling 45b);

+ Kwaliteit van zorg in de AWBZ (kabinetsdoelstelling 45c);

+ Het wettelijk vastleggen van de positie van de cliënt (kabinetsdoelstelling 45d);

+ Vernieuwing van zorgconcepten en innovatie (kabinetsdoelstelling 46);

+ Arbeidsmarktbeleid;

+ Verbeteren en versterken van palliatieve zorg (kabinetsdoelstelling 48).

Ministeriële verantwoordelijkheid

Externe factoren

Prestatie-indicatoren

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor een

goed werkend zorgstelsel voor de langdurige zorg door:

+ Het scheppen van randvoorwaarden voor de toegankelijkheid, de

kwaliteit, de veiligheid en de betaalbaarheid van de zorg voor mensen

met een langdurige of chronische beperking van lichamelijke,

verstandelijke of psychische aard; + Het versterken van de positie van de burger en in het bijzonder van

cliënten en/of hun vertegenwoordigers met een langdurige of

chronische aandoening of beperking; + Het stimuleren en versterken van het innoverend vermogen.

Externe factoren

Mensen met een langdurige of chronische aandoening of beperking hebben recht op toegankelijke zorg van goede kwaliteit. Dit vergt een samenspel van professionals, patiënten en cliënten, zorgaanbieders en zorgkantoren. De volgende partijen zijn daarnaast van groot belang voor een toegankelijke en kwalitatief goede zorg: + Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voert onafhankelijk de

indicatiestelling van de AWBZ uit op een wijze die voor cliënten helder

en begrijpelijk is; + De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met markttoezicht,

marktontwikkeling en tarief- en prestatieregulering op het terrein van

de gezondheidszorg. Daarnaast houdt zij toezicht op de rechtmatige en

doelmatige uitvoering van de AWBZ; + De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) handhaaft normen voor

verantwoorde zorg zoals deze door de sectoren zijn vastgesteld; + Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) handhaaft een doelmatige

inrichting van het systeem van prikkels en verantwoordelijkheden,

adviseert over AWBZ-aanspraken en de toepassing daarvan, en

beheert de AWBZ brede zorgregistratie (AZR).

Prestatie-indicatoren

Bij de algemene doelstelling ten aanzien van de langdurige zorg is geen prestatie-indicator opgenomen. Het is namelijk niet mogelijk om de werking van het gehele stelsel van langdurige zorg in Nederland in een of

Beleidsartikelen/Artikel 43

enkele indicatoren samen te vatten. Het stelsel is daarvoor te veelzijdig. In april 2008 heeft de Sociaal Economische Raad (SER) haar rapport over de houdbaarheid en kwaliteit van de AWBZ op de lange termijn opgeleverd. Het kabinetsstandpunt ten aanzien van dit rapport is richtinggevend voor de visie op de AWBZ en de maatregelen die noodzakelijk worden geacht. In het jaardocument Maatschappelijke Verantwoording legt de hele sector verpleging, verzorging en thuiszorg door middel van het kwaliteitskader verantwoorde zorg verantwoording af over de activiteiten in het kader van de langdurige zorg. De prestaties van het totale gezondheidszorgstelsel worden gemonitoord met de Zorgbalans, het document dat eens per twee jaar verschijnt en waarmee inzicht wordt verkregen in de ontwikkeling van de toegankelijkheid, betaalbaarheid en de kwaliteit van het Nederlandse zorgstelsel. In dit document zijn ook indicatoren met betrekking tot de langdurige zorg opgenomen.

43.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven

Begrotingsbedragen x € 1 000

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt
  • 2. 
    Voor iedere cliënt is de noodzakelijke zorg beschikbaar
  • 3. 
    De zorg is effectief en veilig en wordt door de cliënt positief ervaren (kwalitatief goede zorg)
  • 4. 
    De kosten van de zorg zijn maatschappelijk aanvaardbaar

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

5 384 995

5 607 308

5 988 637

5 860 491

5 805 804

5 845 228

5 873 096

5 394 616

5 620 019

5 990 885

5 860 956

5 805 804

5 845 228

5 873 096

5 390 586

5 615 702

5 986 884

5 857 586

5 802 434

5 841 858

5 869 726

57 215

61 717

63 181

61 540

59 548

59 656

60 406

196 774

183 634

138 745

117 072

132 402

132 401

132 401

91 270

163 688

166 452

157 818

57 954

62 638

51 167

5 045 327

5 206 663

5 618 506

5 521 156

5 552 530

5 587 163

5 625 752

4 029

4317

4 001

3 370

3 370

3 370

3 370

1 431

000000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 43

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.    Versterkte positie burger in het zorgstelsel Juridisch verplicht Bestuurlijk gebonden Niet-verplicht of niet-bestuurlijk gebonden

2.    Noodzakelijke zorg is beschikbaar Juridisch verplicht Bestuurlijk gebonden Niet-verplicht of niet-bestuurlijk gebonden

3.    Zorg is effectief en veilig (kwalitatief goede zorg) Juridisch verplicht Bestuurlijk gebonden Niet-verplicht of niet-bestuurlijk gebonden

4.    Aanvaardbare maatschappelijke kosten zorg Juridisch verplicht Bestuurlijk gebonden Niet-verplicht of niet-bestuurlijk gebonden

 

63 181

61 540

59 548

59 656

60 406

62 821

60 334

58 259

58 259

58 101

0

900

900

900

900

360

306

389

497

1 405

138 745

117 072

132 402

132 401

132 401

133 237

112 440

108 135

111 183

111 183

4 838

3 688

3 688

3 688

3 689

670

944

20 579

17 530

17 529

166 452

157 818

57 954

62 638

51 167

120 795

116 797

44 600

44 650

42 636

41 060

38 600

12 178

11 858

1 937

4 597

2 421

1 176

6 130

6 594

5 618 506

5 521 156

5 552 530

5587163

5 625 752

5 617 053

5 519 961

5 551 285

5 585 920

5 624 508

1 154

896

934

932

933

299

299

311

311

311

Toelichting:

Het merendeel van de uitgaven is reeds bestuurlijke gebonden of juridisch verplicht.

Bij deze doelstelling 2 zal nog een nadere invulling plaatsvinden van het niet gebonden bedrag vanaf 2012 samenhangend met projecten in het

kader van de indicatiestelling AWBZ.

Premie-uitgaven:

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van de langdurige zorg. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de Eerste suppletore begroting 2009 en de begroting 2010 verwerkt. Voor 2009 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2010 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voorzover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

 

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Langdurige geestelijke gezondheidszorg Gehandicaptenzorg Verpleging en verzorging Bovenbudgettaire vergoedingen Persoonsgebonden budgetten Subsidies langdurige zorg Beheerskosten/diversen AWBZ Langdurige zorg onverdeeld

1 423,7

5 741,1

11 921,3

110,7

1 660,8

77,9

212,2

1  489,3 5 987,1

12 323,5 113,8

2 035,1

76,2 254,9 252,5

1  558,2 6 009,8

12 338,9 113,8

2  260,8

76,0

247,9

  • 120,8

1  584,2 6 043,9

12 347,5 113,8

2  512,6

76,0 248,3 135,7

1  602,4 6 089,7

12 398,5 113,8

2 759,4

76,0

248,3

80,1

1  621,2 6 124,5

12 468,3 113,8

2 765,4

76,0

248,4

34,4

1  621,7 6 125,5

12 470,3 113,8

2 765,3

76,0

248,4

33,3

Totaal

21 147,7

22 532,4

22 484,6

23 062,0

23 368,2

23 452,0

23 454,3

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

 

6,5%

  • 0,2%

2,6%

1,3%

0,4%

0,0%

Bron: VWS

Beleidsartikelen/Artikel 43

De minister voor Jeugd en Gezin draagt de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de jeugd-ggz en de jeugd-lvg (artikel 3 Zorg en bescherming van de begroting van Jeugd en Gezin).

In de premie-uitgaven voor gehandicaptenzorg is circa 5% toewijsbaar aan de zorg voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-lvg). In de premie-uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg is circa 10% toewijsbaar aan de zorg voor kinderen en jeugdigen (jeugd-ggz). Vanaf 2009 valt de kortdurende jeugd-ggz onder de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg.

Premiegefinancierde prioriteiten

De volgende tabel geeft de premiegefinancierde prioriteiten weer. De beleidsinformatie is opgenomen onder de operationele doelstelling bij de betreffende prioriteit. Bij een onbekend bedrag is een «pm» opgenomen en daar waar budgetneutraliteit het uitgangspunt is een «n.v.t.».

 

Premiegerelateerde instrumenten (bedragen x € 1 000 000)

 

OD

2010

2011

2012

2013

2014

Persoonsgebonden budget

43.3.2

239,9

493,4

742,0

749,7

749,7

NZa-beleidsregel innovatie

43.3.3

13,0

13,0

13,0

13,0

13,0

Verbetering kwaliteit gehandicaptenzorg

43.3.3

30,0

30,0

30,0

30,0

30,0

Zorgzwaartebekostiging

43.3.3

n.v.t.

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

Volledig pakket thuis

43.3.3

n.v.t.

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

Bouwprogramma 2010 (waaronder kamers zorghuizen)

43.3.3

97,0

494,0

636,0

713,0

595,0

Beschikbare groeiruimte AWBZ

43.3.4

616,0

1 289,0

1 289,0

1 289,0

1 289,0

Pakketmaatregelen begeleiding1

43.3.4

  • 915,0
  • 979,0
  • 1 043,0
  • 1 043,0
  • 1 043,0

Eigen bijdrage begeleiding

43.3.4

-80,0

-80,0

-80,0

-80,0

  • 80,0

Voorbereiding besluitvorming uitvoering van de AWBZ

           

door zorgverzekeraars

43.3.4

   

pm

pm

pm

Ruimte voor wensen van de cliënt (integraal tarief)

43.3.4

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Overheveling revalidatiezorg naar de Zvw

43.3.4

   

pm

pm

pm

Bron: VWS

  • De bovenstaande reeksen betreffen de groei ten opzichte van 2009, bepaalde reeksen zijn reeds in de begroting 2009 aangekondigd. 1 De totale opbrengst van de pakketmaatregelen is hoger en loopt op tot 1,1 mld in 2012 (zie kamerstuk 30 597, nr. 29). De opbrengsten in de tabel zijn lager omdat in de tabel de mutaties ten opzichte van 2009 worden gepresenteerd.

43.3 Operationele doelstellingen

Er zijn 4 operationele doelstellingen op het terrein van langdurige zorg:

  • 1. 
    De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt;
  • 2. 
    Voor iedere cliënt is de noodzakelijke zorg beschikbaar;
  • 3. 
    De zorg is effectief en veilig en wordt door de cliënt positief ervaren (kwalitatief goede zorg);
  • 4. 
    De kosten van de zorg zijn maatschappelijk aanvaardbaar.

43.3.1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

Motivering

Motivering

Door informatie over zorgaanbieders toegankelijk en vergelijkbaar te maken, kan de cliënt bewust kiezen tussen zorgaanbieders. De zeggenschap van burgers/cliënten wordt op die manier vergroot. Zorgaanbieders worden daardoor gestimuleerd zich te onderscheiden op kwaliteit en prijs. Het kabinet realiseert dit door instrumenten in te zetten die leiden tot: + Meer transparante informatievoorziening over de zorg; + Het verbeteren van de rechtspositie van burgers in het zorgstelsel.

Beleidsartikelen/Artikel 43

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid met de volgende indicator:

 

Prestatie-indicatoren

         
   
 

2007

2008

Streefwaarde 2010

Streefwaarde lange termijn

Voor de sectoren Verpleging, verzorging en thuiszorgis voor alle instellingen inzicht in aanbod en kwaliteit beschikbaar op www-.kiesbeter.nl

– Verpleging en verzorging – Thuiszorg

15% 55%

49% n.b.b.

75% 75%

100% 100%

Bron: Kwaliteitskader verantwoorde zorg

Toelichting:

– Naast deze doelstelling voor de sectoren Verpleging, Verzorging en Thuiszorg bevordert het kabinet ook dat in 2010 voor alle zorgsectoren in de

AWBZ de kwaliteitsinformatie op http://www.kiesbeter.nl verschijnt. – Doelstelling nr. 45d «De rechten en plichten van patiënten en cliënten zijn in 2011 wettelijk vastgelegd en de informatie hierover is voor

iedereen toegankelijk» is uitgewerkt onder het kopje Instrumenten voor het verbeteren van de rechtspositie van burgers in het zorgstelsel. – Het lange termijnstreven is 100%. Omdat zorgaanbieders niet verplicht zijn gegevens te publiceren via kiesbeter.nl kan een 100%-score niet

worden gegarandeerd.

Instrumenten voor een transparante informatievoorziening

+ Zichtbare Zorg

Alleen wanneer duidelijk is welke kwaliteit zorgaanbieders leveren is het voor cliënten en verzekeraars mogelijk hun keuzes gefundeerd vorm te geven. Het kabinet wil de kwaliteit van zorg zichtbaar verhogen, onder meer door deze transparanter te maken. Het kabinet wil in 2011 dat burgers op www.kiesbeter.nl voor 80 onderdelen van ziekenhuiszorg (IGZ basisset, veiligheidsnormen, aandoeningsgerichte indicatoren, indicatoren vanuit andere sectoren) kunnen zien welke kwaliteit de ziekenhuizen bieden (kabinetsdoelstelling 45b).

Bij de IGZ is het bureau Zichtbare Zorg (ZiZo) ondergebracht, dat de gewenste ontwikkelingen in de verschillende zorgsectoren regisseert, ondersteunt en aanjaagt en zorg draagt voor eenduidig gehanteerde «kwaliteitstaal» (zie www.zichtbarezorg.nl). Dit is een breder terrein dan zichtbaar wordt uit de kabinetsdoelstellingen. Zowel bij ziekenhuizen als in de eerste lijn, ggz, verpleging, verzorging en thuiszorg, kraamzorg en gehandicaptenzorg zijn trajecten in gang gezet. Daarnaast wordt er gewerkt aan een data-infrastructuur, het verbeteren van de betrouwbaarheid van kwaliteitsinformatie en het borgen van structureel onderhoud van indicatoren (€ 6,2 miljoen). De informatie over instellingen wordt openbaar gemaakt via www.kiesbeter.nl (€ 4,2 miljoen). In de loop van 2010 worden bureau ZiZo en Kiesbeter verzelfstandigd.

+ Early warning

De afgelopen tijd heeft het kabinet te maken gehad met een aantal gevallen van instellingen in financiële problemen. Om in een vroegtijdiger stadium te signaleren dat de continuïteit van cruciale zorg bij dergelijke instellingen in gevaar kan komen wordt een early warning systeem door de NZa opgezet. Hierbij zal onder meer gebruik worden gemaakt van het jaardocument Maatschappelijke Verantwoording, waarin veel informatie over de (financiële) positie van zorginstellingen is opgenomen. Maar ook bij de IGZ, zorgverzekeraars, zorgkantoren en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is relevante informatie beschikbaar. Door deze

Beleidsartikelen/Artikel 43

informatie aan elkaar te koppelen wordt veel van de benodigde informatie voor het early warning systeem verkregen en zullen de administratieve lasten dan ook beperkt blijven.

+ Fusietoezicht

Om de transparantie van interne besluitvorming te vergroten en bestuurders en interne toezichthouders in staat te stellen goed afgewogen besluiten te nemen, verplichten het kabinet bestuurders – in overleg met belanghebbenden – bij fusievoornemens een fusie-effectrapportage op te stellen. Het opstellen van de rapportage en de toetsing van de IGZ hierop zal voorafgaand aan een melding bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) geschieden. Als extra waarborg voor het externe toezicht introduceert het kabinet daarnaast een zorgspecifieke fusietoets door de IGZ op essentiële veiligheidseisen en bereikbaarheidsnormen. In 2010 wordt de implementatie van deze beleidsvoornemens uit onze brief Ruimte en rekenschap in zorg en ondersteuning (kamerstuk 32 012, nr. 1) voorbereid.

Instrumenten ter verbetering van de rechtspositie van burger

+ Wet cliëntenrechten zorg

Conform de beleidsvoornemens in het programma «Zeven rechten voor de cliënt in de zorg: Investeren in de zorgrelatie» (kamerstuk 31 476, nr. 1) worden deze kabinetsperiode de rechten en plichten van cliënten en zorgaanbieders wettelijk vastgelegd (kabinetsdoelstelling 45d). De voorbereiding van het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (WCZ) is in volle gang en zal naar verwachting eind 2009, begin 2010 worden ingediend bij de Tweede Kamer.

+ Geschilbeslechting

Het kabinet hecht aan een snelle, laagdrempelige en effectieve behandeling van signalen, klachten en geschillen binnen zorginstellingen. Inmiddels is er één toegangsloket tot een zorgbrede, externe en onpartijdige geschillencommissie (zie ook www.degeschillencommissie.nl ). Het betreft een eenvoudige, goedkope en snelle procedure voor cliënten die een geschil met een zorginstelling willen afhandelen. De Geschillencommissie Zorginstellingen zal naar verwachting opgaan in een onafhankelijke geschilleninstantie die voldoet aan de eisen zoals voorgenomen in het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg. In 2010 zal de implementatie van deze geschilleninstantie worden voorbereid.

+ Versterken patiëntenorganisaties

Het kabinet streeft ernaar patiënten, gehandicapten en ouderen een sterke positie te geven in de stelsels van zorg en ondersteuning en hun mogelijkheden te vergroten om de regie op het eigen leven te voeren en deel te nemen aan de maatschappij (€ 41,8 miljoen). Per 1 januari 2009 is een nieuwe subsidiesystematiek voor de ruim 200 organisaties van patiënten, gehandicapten in werking getreden (Subsidieregeling PGO, Staatscourant 2008 nr. 192). Naar aanleiding van de eerste ronde toewijzing projectsubsidies kan een wijziging van het beleids- en beoordelingskader nodig of wenselijk zijn. In 2011 wordt de nieuwe subsidiesystematiek geëvalueerd.

Beleidsartikelen/Artikel 43

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

NIVEL

Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector

Projectsubsidies

Opdrachten

Waarvan onder andere:

uitgaven voor met name het vergroten van transparantie in de zorg

(Zichtbare Zorg)

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Waarvan onder andere:

CIBG: verstrekken van subsidies aan PGO-organisaties

CIBG: DigiMV en VIA

RIVM: www.kiesbeter.nl

RIVM: Zorgbalans

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Dit betreft middelen die via ZonMw worden ingezet voor meten van patiëntervaringen.

Totaal

 

6 566

6 483

5 406

5 406

5 406

5 846

5 763

4 686

4 686

4 686

720

720

720

720

720

106                      0                      0                      0                      0

5 218               4 164               3 047               3 155               3 905

4 700               3 700               2 500               3 155               3 905

50 391

63 181

49 993

61 540

50 195

59 548

50 195

59 656

50 195

 

41 791

41 436

41 638

41 638

41 638

1 258

1 315

1 315

1 315

1 315

4 222

4 222

4 222

4 222

4 222

750

650

650

650

650

900

900

900

900

900

900

900

900

900

900

60 406

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

43.3.2 Voor iedere cliënt is de noodzakelijke zorg beschikbaar

Het kabinet is verantwoordelijk voor de toegang tot de zorg. Zorg is toegankelijk als:

+ De cliënt snel weet waar hij of zij aan toe is;

+ De cliënt kan kiezen voor zorg in natura of voor een persoonsgebonden budget; + De cliënt binnen een redelijke termijn de noodzakelijke zorg ontvangt.

Om de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren worden instrumenten ingezet die gericht zijn op de kwaliteit, de organisatie en de uitvoeringspraktijk van de indicatiestelling. Of en in welke mate de toegankelijkheid daadwerkelijk verbetert wordt gemeten aan de hand van indicatoren die betrekking hebben op de cliënttevredenheid.

Beleidsartikelen/Artikel 43

 
             
   
       

Streefwaarde

Streefwaarde

 

2006

2007

2008

2010

Lange termijn

  • 1. 
    Cliënttevredenheid over indicatiestelling CIZ

7,5

nnb

8,0

8,5

  • 2. 
    Percentage cliënten dat binnen de Treeknor-
         

men zorg ontvangt

85%

86%

nnb

87%

95%

  • 3. 
    Percentage indicatieaanvragen dat is
         

afgedaan binnen de wettelijke termijn (0 tot 6

         

weken)

89%

88%

86%

88%

95%

Bronnen:

  • 1. 
    Jaarverslag CIZ
  • 2. 
    AZR
  • 3. 
    Jaarverslag CVZ en CIZ

Toelichting:

  • 1. 
    De cliënttevredenheid bij de indicatiestelling wordt gemeten aan de hand van vragen over de bekendheid met het CIZ, de behandeltermijnen en de begrijpelijkheid van de indicatie. In 2007 en 2008 heeft geen meting plaatsgevonden. Het CIZ heeft het streven vanaf 2009 de klanttevredenheid jaarlijks te meten.
  • 2. 
    Bij het percentage cliënten dat wordt geholpen binnen de Treeknorm worden de cijfers geschoond van cliënten die kiezen voor een PGB of kiezen voor wachten op een specifieke aanbieder van voorkeur.
  • 3. 
    De genoemde termijn vloeit voort uit de wettelijke termijn van maximaal 6 weken waarbinnen het CIZ op grond van de Awb een besluit moet nemen.

Instrumenten voor toegankelijke zorg

+ Indicatiestelling AWBZ

Het Centraal Indicatieorgaan Zorg (CIZ) verzorgt de onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling voor de AWBZ en wordt op basis van een activiteitenplan gesubsidieerd. Voor het jaar 2009 is een instellingssubsidie van € 148,8 miljoen verleend. Als uitvloeisel van het Coalitieakkoord is een taakstelling overeengekomen voor de periode 2007–2011. Om die taakstelling aan het einde van 2011 te kunnen halen, is aan het CIZ € 3 miljoen voor investeringen in efficiency beschikbaar gesteld. Voor 2010 zal het CIZ een instellingssubsidie van € 133,2 miljoen aanvragen. De verwachting is dat als gevolg van de met ingang van 2009 ingevoerde pakketmaatregel AWBZ de groei in het aantal aanvragen voor een indicatie zal afnemen. De hoogte van de instellingssubsidie zal de komende jaren als gevolg van vereenvoudigingen in de uitvoering van de indicatiestelling AWBZ en de beoogde efficiencyverbetering (onder andere mandatering aan professionals) verder dalen. Over de invulling van de beoogde maatregelen, mede in het licht van de genoemde taakstelling, worden momenteel gesprekken gevoerd. In 2010 worden de resultaten verwacht van de beleidsdoorlichting van de indicatiestelling AWBZ. Het CIZ spant zich in om de uitvoering van de indicatiestelling AWBZ verder te verbeteren. Daartoe worden de vereenvoudigingsvoorstellen, die in pilots zijn uitgetest, geleidelijk aan ingevoerd. Deze verbeteringen staan in het licht van enerzijds de vereenvoudiging van het proces van indicatiestelling AWBZ (motie Van der Veen c.s. (kamerstuk 30 800 XVI, nr. 73) en anderzijds in die van de taakstelling, zoals die aan het CIZ is opgelegd.

Naar verwachting zal in 2009 een nieuw wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend waarin het CIZ als indicatieorgaan een wettelijke en publieke verankering zal krijgen. Dit als uitvloeisel van het kabinetsstandpunt over het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) over de toekomst van de AWBZ. Gelijktijdig zal het wetsvoorstel dat door het vorige kabinet bij de Kamer aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Beleidsartikelen/Artikel 43

+ (P) Persoonsgebonden budget

De keuzevrijheid en zeggenschap van mensen die van AWBZ-zorg afhankelijk zijn, zijn door het pgb toegenomen. De belangstelling voor een pgb is de laatste jaren flink gegroeid en het budgettaire beslag van de pgb-regeling stijgt dienovereenkomstig. Naar aanleiding van berichten over oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude en van een aantal moties zijn diverse maatregelen genomen, dan wel in voorbereiding, om het pgb toekomstbestendig, solide en «zuiver» te maken. Deze maatregelen beogen de directe relatie budgethouder – budget weer te herstellen. Over deze maatregelen is de Kamer geïnformeerd (kamerstuk 30 597, nr. 73).

+ Stroomlijning indicatieprocessen

Het programma Stroomlijning Indicatieprocessen (STIP) is in 2006 gestart om de administratieve lasten te verminderen die chronisch zieken, gehandicapten en ouderen ondervinden bij het aanvragen van hulp en voorzieningen in zorg en sociale zekerheid. Op basis van de resultaten van het programma zijn in de zomer van 2009 twee afzonderlijke vervolgprogramma’s gedefinieerd én een wetgevingstraject. – Het webloket www.regelhulp.nl, met publieksinformatie over de

indicatieprocessen in zorg en sociale zekerheid en de mogelijkheid om

voorzieningen via de website meteen digitaal aan te vragen; – Locaties Gezamenlijke Beoordeling, dat de samenwerking in de

uitvoeringspraktijk van de indicatiestelling wil bevorderen; – Een wetgevingstraject met als doel het mogelijk maken van hergebruik

van indicatiegegevens, dit wordt gecoördineerd door het ministerie

van SZW.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) Uitvoering TOG-regeling

Projectsubsidies

Opdrachten

Waarvan onder andere: Ontwikkeling en evaluatie PGB Beleidsevaluatie indicatiestelling Programma Stroomlijning Indicatieprocessen

Totaal

 

136 318

115 521

111 216

114 264

114 264

133 181

112 384

108 079

111 127

111 127

3 137

3 137

3 137

3 137

3 137

00000

2 427               1 551             21 186             18137             18137

250                      0                      0                      0                      0

450                      0                      0                      0                      0

1 000                  550                  550                  550                  551

138 745

117 072

132 402

132 401

132 401

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

43.3.3 De zorg is effectief en veilig en wordt door de cliënt positief ervaren (kwalitatief goede zorg)

Cliënten – meestal kwetsbaar – moeten er op kunnen rekenen dat de zorg

goed is. Het kabinet vindt de kwaliteit in orde als:

+ De (keten van) zorg naar 2009 professionele maatstaven effectief is,

wat zich onder meer uit in minder prevalentie van decubitus en

ondervoeding;

Beleidsartikelen/Artikel 43

De (keten van) zorg en de omgeving waarin deze geleverd wordt naar

professionele maatstaven veilig zijn;

De cliënt de (keten van) zorg en de omgeving waarin deze geleverd

wordt positief ervaart;

De cliënt gelet op zijn omstandigheden voldoende privacy behoudt;

De cliënt uit voldoende verschillende aanbieders kan kiezen.

Om de kwaliteit van zorg te verbeteren worden instrumenten ingezet die gericht zijn op de effectiviteit en de veiligheid in de langdurige zorg. Of en in welke mate de kwaliteit van zorg daadwerkelijk verbetert, wordt gemeten aan de hand van de onderstaande indicatoren.

 
           

Prestatie-indicatoren

 

Kwaliteit van zorg Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Streefwaarde 2010

Streefwaarde

Lange termijn

(2011)

1. Prevalentie decubitus

       

– Verzorgingshuizen –

2,5%

3%

-

-

– Verpleeghuizen –

5,5%

6%

-

-

– Thuiszorg –

-

1%

-

-

– Verpleeghuizen, verzorgingshuizenen –

-

-

2,8%

2%

thuiszorg

       

2. Prevalentie voedingstoestand

       

– Verzorgingshuizen –

4%

3%

-

-

– Verpleeghuizen –

7,5%

3%

-

-

– Thuiszorg –

-

5%

-

-

– Verpleeghuizen, verzorgingshuizenen –

-

3,2%

3%

2,5%

thuiszorg

       

3. Percentage instellingen dat CQ-index meet

       

– Verzorgingshuizen –

15%

-

-

-

– Verpleeghuizen –

15%

-

-

-

– Thuiszorg –

55%

-

-

-

– Verpleeghuizen, verzorgingshuizenen –

-

49%

100%

100%

thuiszorg

       

– Gehandicaptenzorg –

55%

45%

100%

100%

– Geestelijke gezondheidszorg –

-

-

-

100%

4. Score op de indicator bejegening van

       

cliënten/bewoners

       

– Verpleeghuizen, verzorgingshuizenen –

2,87

3,4

 

3,6

thuiszorg

       

– Gehandicaptenzorg –

80,9

81

 

86

– Geestelijke Gezondheidszorg –

-

-

   

5. Ontwikkeling indicatoren voor ketenzorg voor

       

vier ziektebeelden:

       

– Dementie –

-

Ontwikkeld

 

Invoering

– Diabetes mellitus –

-

Ontwikkeld

 

Invoering

Hart- en vaatziekten

-

-

 

Pilotjaar

COPD

-

-

 

Pilotjaar

6. Percentage instellingen dat werkt met een

       

veiligheids-management-systeem (VMS)

       

– Verpleeg- en verzorgingshuizen

-

10%

50%

100%

– Thuiszorg

-

10%

50%

100%

– Gehandicaptenzorg

-

30%

50%

100%

7. Aantal plaatsen in kamers voor meer dan twee 16 200

14 153

-

-

0

personen

       

Bronnen:

1 tot en met 4: Kwaliteitskader Verantwoorde Zorg

5 tot en met 7: VWS

Toelichting:

De sector gehandicaptenzorg heeft in 2009 de indicatoren en vragenlijsten definitief vastgesteld, zodat in het najaar 2009 – voorjaar 2010 instellingen de kwaliteit in hun instelling kunnen meten. De uitkomsten van deze meting zullen worden opgenomen in het jaardocument en worden

Beleidsartikelen/Artikel 43

gepubliceerd op www.kiesbeter.nl. De sector verpleging & verzorging heeft het proces en het instrumentarium van de eerste meting (2007–2008) geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt het instrumentarium aangepast, zodat de sector in 2009 de tweede meting aan de hand van het aangepaste Kwaliteitskader verantwoorde zorg kan uitvoeren. In het schema hierboven zijn de cijfers over 2007 afkomstig van de resultaten van de LPZ (Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen) meting van april 2007. De cijfers over 2008 zijn resultaten uit de meting van het Kwaliteitskader verantwoorde zorg, zoals gepresenteerd in september 2008. Zie hiervoor ook de brief die september 2008 aan de kamer is verzonden (kamerstuk 31 200 XVI, nr. 186).

De tweede meting Kwaliteitskader verantwoorde zorg heeft intussen plaats gevonden, de resultaten hiervan zijn nog niet bekend. Deze komen eind september 2009 uit. Ook deze resultaten worden opgenomen in het jaardocument en gepubliceerd op www.kiesbeter.nl. De Tweede Kamer zal geïnformeerd worden over de resultaten in november 2009. De uitkomsten van de meting zijn gebaseerd op relatieve normen, niet op absolute normen. Met de veldpartijen worden afspraken gemaakt welke streefwaarden er voor de toekomst gebruikt gaan worden.

  • 1. 
    Prevalentiecijfer decubitus is hier bedoeld als: decubitus exclusief graad 1, dus graad 2 tot en met 4, in de instelling ontstaan. De waarde over 2007 is de LPZ meting, de waarde over 2008 is de meting Kwaliteitskader verantwoorde zorg. De zorginhoudelijke indicatoren worden gemeten op een schaal van 0% tot 100%.
  • 2. 
    Voedingstoestand is hier bedoeld als: een onbedoelde en niet binnen het afgesproken behandelbeleid passende gewichtsafname van meer dan 3 kg in de laatste maand, of meer dan 6 kg in de afgelopen 6 maanden.
  • 3. 
    Met ingang van 2007 is het meten van cliëntervaring middels de Consumers quality index (CQ index) ingevoerd. De afspraak is dat zorginstellingen in de sector verpleging&verzorging éénmaal per twee jaar deze CQ index meten; in de gehandicaptenzorg is afgesproken dat dit éénmaal in de drie jaar wordt gedaan.
  • 4. 
    De CQ indicatoren kennen een schaal van 1 tot 4 (1: minst positieve ervaringen, 4: meest positieve ervaringen) waarin de uitkomsten worden weergeven. De gehandicaptenzorg start in 2009 met het meten van het kwaliteitskader verantwoorde zorg. De nieuwe versie zal waarschijnlijk de CliëntErvarings-index (CE-index) gaan heten. Deze CE-index is naar verwachting in het eerste kwartaal van 2009 gereed voor VG- en LVG-cliënten. De daarop volgende maanden wordt het instrument doorontwikkeld voor de overige doelgroepen binnen de gehandicaptensector. De inzet is om in de zomer van 2009 voor de gehele gehandicaptensector een CE-index te hebben, zodat hier in het najaar van 2009 mee gewerkt kan worden. De CE-index hanteert een schaal van 1 tot 100.
  • 7. 
    Medio 2008 moeten nog circa 3 100 kamers in bestaande bouw worden gerenoveerd en circa 3 100 kamers door (kleinschalige) nieuwbouw worden vervangen.

Belangrijkste instrumenten voor kwalitatief goede zorg

+ (P) Verbetering kwaliteit gehandicaptenzorg

Naar aanleiding de rapporten «Verantwoorde zorg voor gehandicapten onder druk» (kamerstuk,74 170, nr. 77) en «Rapportage verbeterkracht gehandicaptenzorg in beeld» (kamerstuk 24 170, nr. 85) van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is in 2009 € 42 miljoen oplopend tot € 72 miljoen in 2010 uitgetrokken om de kwaliteit van de zorg te verbeteren voor gehandicapten met een hoge zorgzwaarte. Deze middelen worden via de zorgzwaartepakketten ter beschikking gesteld. De sector gehandicaptenzorg heeft daarnaast een verbeterplan opgesteld met drie thema’s waaraan de komende jaren wordt gewerkt. De thema’s betreffen het invoeren van een met de cliënt opgesteld zorgplan voor iedere cliënt; de preventie van seksueel misbruik (onder andere onderzoek door NissoRutgers Groep in samenwerking met Movisie) en het werken aan deskundigheid van de professional, waarbij onder andere de kwaliteitsindicatoren en richtlijnen concreet worden toegepast op de werkvloer.

+ «In voor zorg»

De langdurige zorg is een sector in transitie. Om te bereiken dat de langdurige zorg ook in de toekomst beschikbaar blijft voor mensen die een onbetwistbare behoefte hebben aan zorg is het niet alleen nodig allerlei zaken in de techniek en wetgeving te realiseren. Juist ook het slimmer gaan werken is belangrijk. De afgelopen jaren is op veel plaatsen in de sector veel bruikbare kennis ontwikkeld. Door deze kennis door de gehele sector te implementeren kunnen kennis en praktijk op elkaar worden aangesloten en wordt het mogelijk om (versneld) resultaten te boeken in verbetering van de kwaliteit, de doelmatigheid en daarmee de toekomstbestendigheid van de langdurige zorg. In een stimuleringsprogramma wordt bestaande kennis geïmplementeerd bij een groot aantal zorginstellingen.

Beleidsartikelen/Artikel 43

+ Innovatiebeleid

Innovatie is essentieel om de maatschappelijke opgaven – toename chronisch zieken en ouderen en tekort aan verzorgend en verplegend personeel – van gepaste oplossingen te voorzien. In de brief aan de Kamer van 7 februari 2008 (Innovatie in preventie en zorg, kamerstuk kamerstuk 31 200 XVI, nr. 116 zijn de uitgangspunten voor het innovatiebeleid voor de zorg neergelegd. Het algemene innovatiebeleid wordt onder artikel 42 toegelicht. Van het specifiek op de Langdurige Zorg gerichte beleid wordt hieronder een aantal trajecten separaat toegelicht: – AAL

De deelname van VWS aan het Europese programma Ambiënt Assisted Living (AAL) is er op gericht ouderen in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen en te leven, ook als ze last krijgen van lichamelijke en/of geestelijke beperkingen. Deelname aan dit programma biedt het zorgveld en de industrie de gelegenheid om de ontwikkeling en innovatiekracht op Europees niveau te bundelen. Behoeften en wensen van de ouderen (en hun mantelzorgers) vormen het uitgangspunt. Dit programma loopt tot en met 2013 (€ 1,0 miljoen). – Transitieprogramma in de Langdurige zorg

Het Transitieprogramma in de Langdurige Zorg (TPLZ) biedt een kader om samen te werken aan aanpassingen in structuur, cultuur en werkwijze voor een groter innovatievermogen in de langdurige zorg. Het programma is vooral gericht op houdbaarheid van de langdurige zorg maar ook op patiëntgerichtheid en maatwerk. Het programma stelt experimenteerruimte en -middelen beschikbaar en brengt uitwisseling van (praktijk)kennis op gang tussen experimenterende instellingen en een vernieuwingsnetwerk (Transitiearena). Het programma loopt tot en met 2011 (€ 3,1 miljoen). – NZa-beleidsregel innovatie (P)

In het kader van de NZa-beleidsregel «Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties» krijgen zorginstellingen en zorgkantoren in 2010 opnieuw budgettaire ruimte voor kortdurende kleinschalige experimenten. In de aanwijzing contracteerruimte AWBZ wordt landelijke budgetruimte voor deze experimenten vastgesteld. Deze ruimte is aanvullend op de budgettaire ruimte voor de beleidsregels voor Ketenzorg Dementie, het Nationaal Programma Ouderen en de transitie-experimenten behorende bij het TPLZ. – Plan zorg voor mensen met dementie

In 2010 wordt de uitvoering van het plan «Zorg voor mensen met dementie» dat op 17 juni 2008 aan de Tweede Kamer is aangeboden (kamerstuk 25 424, nr. 68) voortgezet. Meer regio’s worden gestimuleerd om aan de slag te gaan met het aanbieden van samenhangende dementiezorg. Daarbij zal sterker ingezet worden op de betrokkenheid van gemeenten. Het verspreiden van goede voorbeelden en het stimuleren van kleinschalig wonen voor mensen met dementie zijn ook aandachtspunten in 2010.

Beleidsartikelen/Artikel 43

+ Arbeidsmarktbeleid

 

Kengetallen arbeidsmarktbeleid

 

Gemiddeld

 
 

2003-2007

2008

  • 1. 
    Werkgelegenheidsontwikkeling

2,7%

1,8%

  • 2. 
    Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

  • 3. 
    Instroom in opleidingen

77 800

80 800

  • 4. 
    Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en
   

agogisch personeel

4,3%

4,0%

  • 5. 
    Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,5%

5,0%

Bron: CBS statline, www.azwinfo.nl, Regiomarge, Vernet

Toelichting:

  • 2. 
    Vacaturegraad in zorg en welzijn is het aantal openstaande vacatures per 1 000 werknemers.

Gegeven de toenemende vraag naar zorgpersoneel en de nog beperkt groeiende beroepsbevolking, dient een actief en consequent arbeidsmarktbeleid ervoor te zorgen dat nu en in de toekomst voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar blijft voor de zorgsector. De primaire verantwoordelijkheid ligt daarvoor allereerst bij de zorginstellingen en de sociale partners. De overheid heeft hierin een ondersteunende rol. Op basis van overleg met sociale partners, en rekening houdend met de verantwoordelijkheid van het kabinet voor het algemene arbeidsmarkt- en onderwijsbeleid, is in de Arbeidsmarktbrief 2007 «Werken aan de zorg» (kamerstuk 29 282, nr. 46) een actieplan opgesteld. Dit actieplan is nader uitgewerkt in kamerstuk 28 282, nr. 71. In 2010 gaat het kabinet verder op de ingeslagen weg. Dat betekent dat langs drie sporen activiteiten worden uitgewerkt en nieuwe activiteiten worden ontwikkeld: innovatie van zorgprocessen (toegelicht onder het instrument innovatie in artikel 42 en 43); investeren in behoud van personeel en vergroten van de instroom van nieuw personeel. In 2010 wordt het stagefonds voortgezet met een budget dat inmiddels is verhoogd tot € 99 miljoen. Voor ondersteunende maatregelen is daar bovenop in 2010 € 16 miljoen beschikbaar. Deze middelen zullen onder andere ingezet worden voor: – Het investeren in het regionale arbeidsmarktbeleid en de verdere uitrol

van de regionale pilots en de pilots gericht op werving van allochtone

vrouwen; – Stimuleren van de instroom van jongeren in zorgopleidingen (gerichte

imagocampagnes op scholen, subsidieregeling voor vaccinatie tegen

Hepatitis B); – Een betere aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt

(platforms voor werken en leren, implementatie nieuwe opleiding

maatschappelijke zorg voor de gehandicaptenzorg); – Het stimuleren van het behoud van personeel (vervolg op project

ergocoaches, leeftijdsbewust personeelsbeleid); – Versterking van de regionale samenwerking tussen zorginstellingen op

het terrein van de arbeidsmarkt.

– Het investeren in innovatief HRM beleid UMC’s via het project Idealoog. Een deel van de beschikbare middelen voor het arbeidsmarktbeleid wordt op artikel 42 begroot en verantwoord.

+ (P) Zorgzwaartebekostiging

Met ingang van 2010 zal de hele keten van indicatiestelling tot en met

inkoop, bekostiging en de verantwoording van de intramurale zorg

Beleidsartikelen/Artikel 43

volledig plaatsvinden in zorgzwaartepakketten (ZZP’s). Dit is een eerste stap bij de invoering van een meer persoonsvolgende wijze van bekostiging, waarbij de financiering van de instellingen is afgestemd op de cliënten die ze in zorg hebben en niet op de kenmerken van de instelling. De reeds gestarte ontwikkeling van een overzichtelijke reeks van zorg-zwaartepakketten voor extramurale zorg wordt in 2010 voortgezet.

+ (P) Volledig pakket thuis

In 2010 zal integrale zorg thuis verder worden uitgewerkt in het systeem persoonsvolgende bekostiging. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor cliënten behouden wordt. De cliënt maakt zelf uit waar hij wil gaan wonen: thuis, een geclusterde woonvorm of een intramurale instelling. Dit binnen de randvoorwaarde dat de zorgaanbieder de zorg ook daadwerkelijk kan leveren. Daarnaast is het van belang dat de toegang en de aanspraken op zorg voor een ieder hetzelfde is. Het volledig pakket zal in 2010 ook door extramurale aanbieders mogen worden geleverd. Hiertoe gaan zij een samenwerking aan met een intramurale aanbieder, die blijft eindverantwoordelijk. De inkoop van het volledig pakket vindt plaats binnen de geldende contracteerruimte waarmee de mogelijk aanzuigende werking wordt begrensd tot de beschikbare financiële kaders. Ook blijft de mogelijkheid bestaan het ZZP middels functies en klasse in te kopen. In 2010 zal verder onderzoek plaatsvinden naar de toepasbaarheid van het VPT en aandacht besteed worden aan informatie rondom de mogelijkheden van integrale zorg thuis.

+ Palliatieve zorg

Het kabinet wil dat mensen in hun laatste levensfase goed worden verzorgd en met respect worden begeleid (kabinetsdoelstelling 48). Daarbij is zowel een belangrijke rol weggelegd voor professionele zorgverleners als voor vrijwilligers. Het kabinet doet een forse investering door vanaf 2008 jaarlijks bijna € 10 miljoen extra beschikbaar te stellen; € 4,2 miljoen voor ophoging van de Subsidieregeling Palliatieve Terminale Zorg (totaal vanaf 2008 € 15,6 miljoen), € 2 miljoen tegemoetkoming in de huisvestingslasten van bijna-thuishuizen en high care hospices. Daarnaast is € 3,8 miljoen beschikbaar voor de actiepunten uit het plan van aanpak Palliatieve Zorg 2008–2010 dat op 15 april 2008 aan de Kamer is verzonden (kamerstuk 29 509, nr. 19).

+ Zorgplan

Als cliënten langdurig van zorg gebruik maken is het essentieel dat er een goede vertaling wordt gemaakt van het zorgzwaartepakket (ZZP) naar een concrete invulling van de zorgverlening. Om de rol van de cliënt daarin maximaal te ondersteunen, zal in 2010 door zorgaanbieders voor iedere nieuwe en zittende cliënt een bespreking over de doelen van de zorg worden georganiseerd waarbij de wensen en mogelijkheden van de cliënt aan de orde worden gesteld. De uitkomsten van de bespreking worden vervolgens in het zorgplan vastgelegd.

+ Implementatie kwaliteitskader verantwoorde zorg De implementatie van het Kwaliteitskader verantwoorde zorg in elke sector is van groot belang om verdere stappen in de verbetering van kwaliteit te zetten. In 2010 wordt verder gegaan met het implementeren van de cyclus meten, verbeteren en borgen van kwaliteit. Daarnaast zal de hele sector van verpleging, verzorging en thuiszorg opnieuw verslag doen van de stand van de kwaliteit via het jaardocument «Maatschappelijke Verantwoording». In de gehandicaptensector kan vanaf 2009 een landelijke uitrol van de indicatoren plaatsvinden. De uitkomsten hiervan

Beleidsartikelen/Artikel 43

zullen dan in 2010 worden gepresenteerd. Daarnaast zoekt het kabinet naar wegen om het proces van meten van kwaliteit tot going concern van de instelling te maken. Om de administratieve lasten te verminderen zullen verbindingen worden gelegd met andere processen zoals de zorgzwaartebekostiging.

+ Kwaliteit meten, verbeteren en borgen / Zorg voor Beter Het beleid om kwaliteit te verbeteren richt zich op het meten van de kwaliteit van zorg, het verbeteren van deze zorg en het borgen van deze verbetering. Het meten van de kwaliteit van zorg gebeurt via de Kwaliteits-kaders verantwoorde zorg. Het verbeteren van de zorg gebeurt onder andere door het programma Zorg voor Beter, door het werken aan ketenzorg en aandacht voor veiligheid en cliëntgerichtheid in de zorg. De komende jaren staat de verdere ontwikkeling van instrumenten om de kwaliteit te borgen op de agenda, waarbij een actieve betrokkenheid van zorgmanagers en bestuurders onontbeerlijk is. Ontwikkeling van de Zorg voor Beter academie en de verbetertrajecten plus – per verbetertraject 50 instellingen tegelijkertijd begeleiden – zijn hierin belangrijke instrumenten. De jaren 2010 en 2011 zullen ook worden gebruikt voor het ontwikkelen van instrumenten waarmee instellingen zelfstandig aan de slag kunnen met het toepassen van verbetertrajecten en voor het ontwikkelen een flexibeler aanbod van verbetertrajecten, aansluitend bij de uitkomsten van de kwaliteitsmetingen. Voor de genoemde onderwerpen is in 2010 € 7,5 miljoen beschikbaar. Daarnaast wil het kabinet via het programma In voor zorg een goede bestuurscultuur verder bevorderen.

+ (P) Bouwprogramma 2010 (waaronder kamers zorghuizen) Het is beleid dat cliënten eind 2010 niet meer in meerpersoonskamers hoeven te wonen. Privacy en een goede woonomgeving vormen een wezenlijk element van kwaliteit van leven. Door middel van een uitvoerings- en monitorprogramma van de daartoe noodzakelijke maatregelen wordt er op toegezien dat ultimo 2010 alle kamers voor meer dan 2 personen zijn of worden afgeschaft. Uit de stand van zaken zorghuizen blijkt dat de sector grote inspanningen heeft geleverd bij de afbouw van de meerbedskamers. Tegelijk zijn er ook instellingen die onvoldoende voortgang maken. Deze instellingen zijn in 2009 door ambtenaren van mijn departement bezocht en hierop aangesproken. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de oorzaken van de vertraging en welke maatregelen er worden genomen om de gestelde termijn van 1 januari 2011 te halen. In het aanvullend coalitieakkoord (kamerstuk 31 070, nr. 24) zijn aanvullende middelen beschikbaar gekomen ter stimulering van de bouw, onder andere voor de verpleeghuizen. Deze middelen gaat het kabinet vooral inzetten als stimulans voor het wegwerken van de meerbedskamers. In de u eerder genoemde voortgangsrapportage is de Kamer ook daarover bericht. Het kabinet zal aandacht vragen voor energiezuinige en duurzame vormen van bouw in de zorg.

+ AWBZ-brede zorgregistratie verder ontwikkelen De AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) is een uniforme systematiek waarmee indicatieorganen (66), zorgkantoren (32) en zorgaanbieders (3 000) elektronisch informatie over cliënten kunnen uitwisselen. Daarmee wordt inzicht verkregen in ontwikkelingen in de zorgvraag en het zorgaanbod en eventuele fricties daartussen (wachtlijsten). Afgelopen jaar is een nieuwe release (2.2) ingevoerd, zijn de intramurale non-indicaties weggewerkt en is het burgerservicenummer (BSN) in de AZR opgenomen. Eveneens wordt de AZR gebruikt voor het heffen van de eigen bijdrage voor de AWBZ-verblijfszorg. Momenteel worden de specificaties van

Beleidsartikelen/Artikel 43

release 3.0 opgesteld. Deze release ondersteunt de cliëntvolgende bekostiging (ZZP): informatie uit de AZR wordt dan gebruikt voor het declareren van zorg. Daartoe wordt een nieuwe declaratiestandaard ontwikkeld. Reeds met ingang van 1 juli 2009 wordt een eerste versie van deze declaratiestandaard ingevoerd. Parallel hieraan wordt in de vorm van een pilot ervaring opgedaan met een centraal schakelpunt voor het routeren van het berichtenverkeer van de AZR. Het CVZ draagt zorg voor het tactisch beheer van de AZR; daarvoor is in 2010 een bedrag van € 2 miljoen beschikbaar.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven per OD (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Hersenletselteams Landelijk Centrum CCE Subsidieregeling palliatieve zorg

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Project Zorgzwaartebekostiging

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

Mentorschapsprojecten

Kleinschalig wonen, domotica

Ondersteuning van de zorgprofessional

Arbeidsmarktbeleid Langdurige zorg

Ouderenonderzoek LASA

Programma Zichtbaar Schakel: Wijkverpleegkundige voor een

gezonden wijk

Opdrachten

Waarvan onder andere:

Zorg voor beter

Zorg voor beter academie

Transitieprogramma in de Langdurige Zorg

Programma Ambiant Assisted Living (AAL)

Deltaplan GZ en ggz

Opdrachtgeverschap WTZi

 

28 185

27 185

26 185

26 185

26 185

485

485

485

485

485

12 100

11 100

10 100

10 100

10 100

15 600

15 600

15 600

15 600

15 600

20 324

109 275

21 987

32 403

21 009

2 500

0000

5 800

5 800

5 800

5 800

5 800

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

26 803

24 285

0

0

0

2 500

2 500

0

0

0

65 000

65 000

0

0

0

615

615

615

615

616

8 257

8 315

8 378

11 858

0

5 943

19 358

9 782

4 050

3 973

3 800

3 800

0

0

0

1 200

1 200

2 300

0

0

3 100

2 000

2 000

2 000

2 000

1 059

1 661

1 964

2 014

1 937

1 000

1 000

1 500

0

0

2 036

2 036

2 036

2 036

2 036

Totaal

166 452

157 818

57 954

62 638

51 167

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

43.3.4 De kosten van de zorg zijn maatschappelijk aanvaardbaar

De maatschappelijke aanvaardbaarheid van de kosten voor de langdurige zorg bepaalt de mate waarin de samenleving duurzaan bereid is solidariteit op te brengen voor voldoende zorg van goede kwaliteit. Door de vergrijzing neemt de druk op deze solidariteit flink toe. Het kabinet vindt de maatschappelijke kosten aanvaardbaar als: + De premie in verhouding is tot kwaliteit en capaciteit; + Het beroep op de arbeidsmarkt in overeenstemming is met de

mogelijkheden gelet op de concurrentie met andere sectoren in de

economie; + Mantelzorgers niet overmatig worden belast; + De uitvoering van de AWBZ doelmatig is.

Beleidsartikelen/Artikel 43

 
             
   
 

2007

2008

2009

Streefwaarde 2010

Streefwaarde 2011

  • 1. 
    Beheerste ontwikkeling AWBZ-uitgaven langdurige zorg (€ 1 miljard)

22,5

21,1

22,5

22,5

23,1

Bron: 1. VWS

Herijken van het pakket van verzekerde aanspraken

In 2009 is een aantal maatregelen ingevoerd om de houdbaarheid van de AWBZ te vergroten. Het gaat daarbij om de volgende maatregelen:

+ (P) Beschikbare groeiruimte AWBZ

Bij aanvang van deze kabinetsperiode is de volumegroei voor de zorg over de jaren 2008–2011 beschikbaar gesteld (zie VWS begroting 2008, pagina 169). Voor de AWBZ loopt de groeiruimte in de komende jaren op met € 616 miljoen in 2010 en vervolgens met € 673 miljoen in 2011 (totaal € 1 289 miljoen). Van deze additionele middelen is jaarlijks € 150 miljoen bestemd voor extra groei pgb.

+ (P) Pakketmaatregelen begeleiding

In 2009 is nog sprake geweest van een gewenningsperiode voor mensen die al AWBZ-zorg ontvingen. Vanaf 2010 zullen de nieuwe criteria voor iedereen van toepassing zijn. Dit impliceert dat met name personen met lichte beperkingen niet in aanmerking komen voor de functie begeleiding en de omvang van de zorg wordt ingeperkt. De verwachting is dat een deel van deze personen een beroep gaat doen op gemeentelijke voorzieningen, onderwijs of de jeugdzorg. Voor deze extra uitgaven worden de verschillende sectoren gecompenseerd. Voor de gemeenten gaat het hierbij om een bedrag van € 127 miljoen, onderwijs €10 miljoen en jeugdzorg € 12,6 miljoen.

Vanaf 2009 worden de effecten gemonitoord van de pakketmaatregelen om te voorkomen dat door onvoorziene effecten, mensen met beperkingen in de knel komen. Primair dienen hiervoor de CIZ-monitor en de monitor van de gezamenlijke cliëntenorganisaties. Daarnaast is een focusgroep ingesteld met een aantal gemeenten en is een rapid-response-team geformeerd om te kunnen inspelen op vragen uit de samenleving.

+ (P) Eigen bijdrage begeleiding

Voor bijna alle onderdelen van de intra- en extramurale AWBZ-zorgverle-ning geldt een eigen bijdrage. Alleen voor de functie begeleiding is dit niet het geval. In 2010 zal ook voor de functie begeleiding een eigen bijdrage worden ingevoerd om al te lichtvaardig gebruik van deze functie tegen te gaan.

+ (P) Voorbereiding besluitvorming uitvoering van de AWBZ door

zorgverzekeraars In de brief van 13 juni 2008 (kamerstuk 30 597, nr. 15) is aangegeven medio 2010 te bezien of aan de voorwaarden is voldaan om in 2012 (delen van) de AWBZ door zorgverzekeraars te laten uitvoeren voor eigen verzekerden. Kamerstuk 30 597, nr. 73 bevat een nadere uitwerking van de toekomst en de AWBZ, waaronder de rol van de zorgverzekeraars bij de AWBZ. In het najaar van 2009 ontvangt de Tweede Kamer de stand van

Beleidsartikelen/Artikel 43

zaken bij de uitvoering van de AWBZ door zorgkantoren en tevens een vervolgrapportage van de stand van zaken bij de voorbereiding van de besluitvorming over uitvoering van de AWBZ voor eigen verzekerden en de nadere uitwerking van persoonsvolgende bekostiging daarbij. De komende periode wordt gewerkt aan de nadere invulling van de randvoorwaarden, zodat het kabinet uiterlijk 1 juli 2010 een weloverwogen besluit kan nemen over de uitvoering van de AWBZ vanaf 2012.

+ Forfaits chronisch zieken en gehandicapten

Eind 2008 heeft het parlement de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) aanvaard. De Wtcg vervangt de buitengewone uitgavenregeling in de fiscaliteit en kent 3 pijlers. De eerste pijler betreft de forfaitaire tegemoetkoming die chronisch zieken en gehandicapten vanaf 2010 ontvangen. De tweede pijler betreft de verlaging van de eigen bijdrage voor AWBZ-zorg en huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo. In de derde plaats is er een nieuwe fiscale regeling voor specifieke zorguitgaven. Daarnaast heeft het kabinet een aantal generieke inkomensmaatregelen getroffen zoals de invoering van een tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten.

Na aanvaarding van de Wtcg door het parlement wordt zowel gewerkt aan de invoering van de forfaitaire tegemoetkoming uit hoofde van de Wtcg en aan een verbetering van de afbakening van de doelgroep. De Stuurgroep implementatie Wtcg, waarin de meest betrokken keten-partners zitting hebben, treft de voorbereidingen voor de uitvoering van de forfaitaire tegemoetkoming, zodat op basis van het zorggebruik in 2009 in het najaar van 2010 de forfaits kunnen worden uitgekeerd. Daarnaast buigt deze Stuurgroep zich onder andere over de mogelijkheden voor het opzetten van een uniforme landelijke registratie van rolstoelen (naar aanleiding van de motie Tang) en pgb’s voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo. Ook de vraag of mantelzorg onderdeel kan worden van de afbakeningscriteria voor de forfaitaire tegemoetkoming is onderdeel van de werkzaamheden van deze Stuurgroep. De Taskforce verbetering afbakening Wtcg werkt aan de beoogde verbetering van de afbakening van de doelgroep van de Wtcg. Het advies van de Taskforce hierover wordt in november 2009 verwacht. Tot slot wordt de tweede voorlichtingsfase over de Wtcg en gerelateerde veranderingen voorbereid. In 2009 is onder andere een internetdossier opengesteld, inclusief een internettest waarmee iemand kan zien of hij/zij in aanmerking zou kunnen komen voor een forfait. Ook zijn er brochures gemaakt en informatiebijeenkomsten georganiseerd. De voorlichting wordt in 2010 geïntensiveerd.

+ Tegemoetkoming Specifieke zorgkosten

Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, is er in het kader van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) een nieuwe fiscale regeling voor uitgaven voor specifieke zorgkosten in de belastingwetgeving opgenomen die scherper is ingericht op de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten.

Als gevolg van deze nieuwe wetgeving is ook de basis voor de huidige tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven vervallen. Deze regeling voorzag in een afzonderlijke tegemoetkoming voor mensen met een laag inkomen die teruggave van inkomstenbelasting c.q. premie volksverzekeringen voor de aftrek van ziektekosten mislopen, doordat zij geen of weinig belasting betalen (verzilveringsproblematiek). In de nieuwe wetgeving is de basis gecreëerd voor een nieuwe regeling met dezelfde doelstelling als de hiervoor beschreven tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven. De desbetreffende Algemene Maatregel van

Beleidsartikelen/Artikel 43

Bestuur is reeds voor advies aan de Raad van State voorgelegd en zal te zijner tijd met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2009 in werking treden.

Instrumenten voor een goed werkend AWBZ stelsel

+ (P) Ruimte voor wensen van de cliënt (integraal tarief) Op dit moment lopen zorgaanbieders voor hun vastgoed nog geen risico, alle rente- en afschrijvingskosten worden nagecalculeerd. Maar daarin komt verandering in 2011. Met de introductie van de integrale tarieven zal de nacalculatie fasegewijs worden afgeschaft en zal de zorgaanbieder in dezelfde mate meer risico gaan lopen. Om cliënten bij deze overgang te faciliteren ligt het in de bedoeling dat in de toekomstige Wet cliënten-rechten zorg bepalingen worden opgenomen die moeten garanderen dat cliënten worden gehoord en mee kunnen bepalen hoe hun woonomgeving er uit gaat zien. Tot de inwerkingtreding van die wet zullen de beleidsregels ex artikel 4 van de WTZi van kracht blijven, waarin het standpunt van de cliëntenraad en het leefwensenonderzoek wettelijke regeling hebben.

In 2010 zullen de integrale tarieven worden bepaald. Nadat eerst uitgangspunten helder zijn geformuleerd en geadviseerd door de NZa en daarop door de staatssecretaris een besluit is genomen, zal verdere uitwerking worden gegeven aan de vormgeving van de tarieven zelf, aan een overgangsregeling (stapsgewijze invoering door middel van stapsgewijze afbouw nacalculatie) en aan een regeling voor individuele gevallen die door de introductie van de integrale ZZP’s in financiële problemen komen die zij zelf niet kunnen oplossen. Hierbij blijven uiteraard de brancheorganisaties, de cliëntenorganisaties en de verzekeraars betrokken.

+ Stimuleringsregeling Kleinschalig Wonen Om de keuzemogelijkheden in woonvormen en de spreiding van capaciteit voor zware zorg te vergroten is er een stimuleringsprogramma Kleinschalig wonen voor mensen met dementie. Vooral in de zorg voor dementerenden zijn er onvoldoende keuzemogelijkheden met betrekking tot de vorm waarin men zorg ontvangt. Zorgaanbieders krijgen de mogelijkheid de uitvoering van hun ambities op het gebied van kleinschalig wonen vooraf te onderzoeken. De uitvoering van de onderzoeks- en adviestrajecten is geraamd op € 1,5 miljoen in 2010. De NZa ontwerpt een beleidsregel kleinschalig wonen voor mensen met dementie voor AWBZ gefinancierde instellingen voor de financiering van de opstartkosten van nieuwe initiatieven voor kleinschalig wonen of de transitiekosten voor ombouw van grootschalige voorzieningen in kleinschalige woonvormen.

+ (P) Overheveling revalidatiezorg naar de Zvw Met het oog op een toekomstbestendige AWZB gaat de somatische revalidatiezorg per 2012 over van de AWZB naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). Overheveling biedt betere mogelijkheden voor ketenzorg, en bovendien past deze kortdurende en op herstel van functioneren gerichte zorg beter bij de Zvw. De overheveling richt zich op somatische revalidatie-zorg die intramuraal en in de vorm van dagbehandeling wordt geboden. 2010 zal in het teken staan van registratie en periodieke monitoring van de verschillende zorgregistraties (met het oog op een zorgvuldige bepaling van het volume en budget in 2011 van de over te hevelen zorg). Daarnaast wordt in 2010 gestart met de voorbereidende activiteiten voor de overheveling. Dit betreft onder meer de ontwikkeling van op herstelgerichte zorgpaden voor verschillende cliëntencategorieën. Daarnaast

Beleidsartikelen/Artikel 43

vormt communicatie met veldpartijen (zorgaanbieders en- verzekeraars) een essentieel onderdeel van het stappenplan richting 2012.

+ Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

Doel is om de lagere premie-opbrengst als gevolg van de grondslagverkleining van de AWBZ bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel van 2001 te compenseren (circa € 4,9 miljard).

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven per OD (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Landelijke kennisinstituten Bejaardenpensions

 

5 161

5 161

5 161

5 161

5 161

5 124

5 124

5 124

5 124

5 124

37

37

37

37

37

Projectsubsidies

Waarvan onder andere: CG-raad

1 024

99

1 024

59

1 074

1 073

1 073

Opdrachten

Invoering WTCG

858                      0                      0                      0                      0

858                      0                      0                      0                      0

Rijksbijdragen

Rijksbijdrage BIKK

Inkomensregelingen

Tegemoetkoming Buitengewone Uitgaven (TBU) Forfaits chronisch zieken en gehandicapten Tegemoetkoming specifieke zorgkosten (Wtcg)

Bijdrageaan ZBO’s

CAK (Wtcg)

Totaal

 

4 863 300

4 863 300

4 945 000

4 945 000

4 969 700

4 969 700

4 994 600

4 994 600

5 019 600

5 019 600

722 120

211 401

499 599

11 120

554 030

0

511 731

42 299

560 595

0

518 296

42 299

568 329

0

526 030

42 299

581 918

9 000

531 031

41 887

26 043

26 043

15 941

15 941

16 000

16 000

18 000

18 000

18 000

18 000

5 618 506

5 521 156

5 552 530

5 587 163

5 625 752

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

43.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 
 

n

Overzicht beleidsonderzoeke

 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of OD

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting Effectonderzoek ex post Overig evaluatieonderzoek

Indicatiestelling

Subsidiesystematiek PGO-organisaties

43.3.2

43.3.1 en 42.3.1

A 2008 B 2010

A 2011 B 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning 44.1 Algemene beleidsdoelstelling

Alle burgers participeren in de samenleving.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Voor 2010 richt het kabinet zich, mede in het licht van het Coalitieakkoord (in het bijzonder de pijler «Sociale samenhang») en het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven», op het behalen van concrete resultaten op onderstaande thema’s.

Actieve participatie van burgers in maatschappelijke verbanden (OD

44.3.1.):

+ Welzijn nieuwe stijl en prikkelwerking in de Wmo;

+ Wetswijziging Wmo;

+ Vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen»;

+ Werkplaatsen Wmo;

+ Evaluatie Wmo.

De inzet en ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers (OD 44.3.2): + Vergroten van het aantal vrijwilligers (kabinetsdoelstelling 35); + Behoud van het aantal mantelzorgers (kabinetsdoelstelling 35).

Verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van (algemene)

voorzieningen en professionele ondersteuning (OD 44.3.3):

+ Uitbreiding Wet gelijke behandeling op grond van handicap of

chronische ziekte (Wgbh/cz); + Voorbereiding goedkeurings- en uitvoeringswet VN-verdrag over de

rechten van personen met een handicap; + Vergroten keuzemogelijkheden op terrein van wonen, zorg en

ondersteuning.

Verbeteren tijdelijke ondersteuning (OD 44.3.4): + Beschermd & Weerbaar (onder andere tienermoeders; kabinetsdoelstelling 47); + Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; + Versterken aanpak Zwerfjongeren; + Nieuwe verdeelsleutel middelen maatschappelijke opvang invoeren.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Externe factoren

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindslieden van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor de randvoorwaarden waarbinnen een kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare maatschappelijke ondersteuning kan worden gerealiseerd, zowel voor als door burgers.

Externe factoren

Een kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare maatschappelijke ondersteuning vergt een samenspel van gemeenten, burgers en anderen, zoals zorgleveranciers, woningcorporaties, kennisinstituten, organisaties voor vrijwilligers en mantelzorgers. Al deze partijen dragen bij aan het ontwikkelen van sociale netwerken, die weer in belangrijke mate bijdragen aan de algemene beleidsdoelstelling.

Beleidsartikelen/Artikel 44

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Voor mensen met een beperking onderzoekt Nivel de participatie voor de domeinen sociale contacten, wonen, werk, vrijetijdsbesteding, vervoer en opleiding. Deze participatie wordt weergegeven met een participatieindexcijfer, waarbij als basiswaarde 100 geldt voor het jaar 2006. De index is nog een zeer nieuw instrument. De rekenmethode voor de berekening van de index is ten opzichte van vorig jaar verbeterd. Daarnaast zijn enkele indicatoren waarop het indexcijfer is gebaseerd aangepast om ze vergelijkbaar te maken met indicatoren van het CBS en om de vergelijkbaarheid van de indexcijfers over de jaren heen te waarborgen. De tabel is uitgebreider: de totale populatie met een lichamelijke beperking is toegenomen onder meer door de toevoeging van de groep die naast een motorische ook een zintuiglijke beperking heeft. Aan de hand van onder meer de gegevens van de komende jaren en de spreiding en stabiliteit van de gegevens zal worden bezien of een streefwaarde kan worden geformuleerd.

 

Kengetallen

 

Het participatie-indexcijfer

voor zelfstandig wonende

     

mensen met een lichamelijke beperking van 15 jaar

     

en ouder, gebaseerd op gegevens over de feitelijke

     

participatie binnen de verschillende domeinen.

2006

2007

2008

Totalegroep

 

100

102

103

Geslacht

       

Man (ref.)

 

99

101

100

Vrouw

 

101

102

105

Leeftijd

       

15-39 (ref.)

 

108

116

110

40-64

 

102

104

107

65 jaar en ouder

 

95

94

95

Opleidingsniveau

       

Laag (ref.)

 

90

92

94

Midden

 

105

107

109

Hoog

 

121

123

120

Aard van de beperking

       

Alleen motorisch (ref.)

 

100

103

103

Motorisch en zintuiglijk

 

99

99

103

Ernst van de beperking

       

Licht (ref.)

 

110

112

112

Matig

 

96

98

98

Ernstig

 

69

73

77

(Basisjaar 2006=100)

Bron: Nivel, Participatiemonitor

Toelichting:

De gemiddelde participatie van de mensen met een lichamelijke beperking is voor het jaar 2006 op 100 gesteld. Ten opzichte van die gemiddelde participatie geldt dan dat bijvoorbeeld de participatie van de mensen in de leeftijd 15–39 in 2006 8% hoger was dan voor de gehele groep. Ten opzichte van 2007 is het participatie-indexcijfer zeer licht gestegen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de cijfers een onzekerheidsmarge hebben en er geen significante lineaire trend zichtbaar is. De lichte stijging is het resultaat van een toegenomen gebruik van het openbaar vervoer en een lichte stijging van het aantal mensen dat maandelijks een restaurant, café, bioscoop, theater, attractiepark of museum bezoekt. Hiertegenover staat een lichte daling van het aantal mensen met een motorische beperking dat vrijwilligerswerk doet en een lichte daling van het aantal mensen dat maandelijks contact heeft met vrienden / goede kennissen.

Begrotingsbedragen x € 1 000

Beleidsartikelen/Artikel 44

44.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven:

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden
  • 2. 
    Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning
  • 3. 
    Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning
  • 4. 
    Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

594 075

301 346

300 718

299 696

298 454

299 731

300 731

510 287

611 351

304 071

301 975

299 776

299 731

300 731

506 393

607 085

300 174

298 481

296 282

296 237

297 237

44 743

34 923

27 645

26 146

26 216

26 003

27 003

40 303

68 671

352 676

3 894 1 931

82 748

73 790

415 624

4 266

81 370

74 348

116 811

3 897

79 776

73 465

119 094

3 494

78 720

73 548

117 798

3 494

78 753

73 548

117 933

3 494

78 753

73 548

117 933

3 494

000000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.    Actieve participatie in maatschappelijke verbanden –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

2.    Beschikbaarheid vrijwillige ondersteuning –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

3.    Voorzieningen en ondersteuning voor burgers met beperkingen –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

4.    Tijdelijke ondersteuning van burgers met (psycho) sociale problemen

–     Juridisch verplicht

–     Bestuurlijk gebonden

–     Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

 

27 645

26 146

26 216

26 003

27 003

12 577

9 765

9 332

7 135

7 135

13 968

15 281

15 784

17 768

18 768

1 100

1 100

1 100

1 100

1 100

81 370

79 776

78 720

78 753

78 753

75 829

72 029

70 029

68 329

68 329

5 241

7 447

8 391

10 124

10 124

300

300

300

300

300

74 348

73 465

73 548

73 548

73 548

72 073

72 073

72 073

72 273

72 273

1 869

1 392

1 475

1 250

1 100

406

0

0

25

175

116 811

119 094

117 798

117 933

117 933

103 290

102 649

93 686

92 683

92 435

12 821

15 745

23 412

24 550

24 798

700

700

700

700

700

Beleidsartikelen/Artikel 44

Premie-uitgaven:

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de Eerste suppletore begroting 2009 en de begroting 2010 verwerkt. Voor 2009 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2010 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voorzover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

 

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

MEE-instellingen 171,7

177,8

178,0

178,1

178,3

178,3

178,3

Totaal 171,7

177,8

178,0

178,1

178,3

178,3

178,3

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

3,6%

0,1%

0,1%

0,1%

0,0%

0,0%

Bron: VWS

Premiegefinancierde prioriteiten

De volgende tabel geeft de premiegefinancierde prioriteiten weer. De beleidsinformatie is opgenomen onder de operationele doelstelling bij de betreffende prioriteit. Bij een onbekend bedrag is een «pm» opgenomen en daar waar budgetneutraliteit het uitgangspunt is een «n.v.t.».

Bron: VWS

44.3 Operationele doelstellingen

Er zijn vier operationele doelstellingen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning:

  • 1. 
    Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden;
  • 2. 
    Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning;
  • 3. 
    Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning;
  • 4. 
    Burgers met (psycho)sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning.

Beleidsartikelen/Artikel 44

44.3.1 Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden

Motivering

Motivering

Samen met gemeenten bevordert het kabinet de participatie van burgers. De Wmo biedt gemeenten, burgers en instellingen de mogelijkheid problemen rondom participatie op een vernieuwende manier op te lossen. Burgers gaan verbindingen met elkaar aan en er ontstaan sociale verbanden. Gemeenten worden ondersteund om op vernieuwende wijze integraal beleid te ontwikkelen en uit te voeren, waarbij verbindingen gelegd worden tussen verschillende onderdelen van de Wmo en met aanpalende beleidsvelden.

In 2010 concentreert het kabinet zich, in vervolg op 2009, op het geven van richting aan de Wmo via inhoudelijke kaders, onder andere op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties, vrijwilligersbeleid en mantelzorg en welzijn nieuwe stijl. De werking van de Wmo wordt gemonitord op grond van artikel 9 (horizontale verantwoording door gemeenten) via een benchmark. Tevens voert het SCP de eerste evaluatie van de Wmo (ex. Artikel 24 Wmo) uit die eind 2009 verschijnt. In het voorjaar van 2010 zal het kabinetsstandpunt daarop verschijnen. Daarnaast ondersteunt het kabinet innovatie via het programma «Beter in Meedoen» en activiteiten van het kennisinstituut Movisie. De eerste resultaten van dit 4-jarig programma zullen in 2010 zichtbaar worden.

Als het gaat om welzijn nieuwe stijl, waarover op 24 september 2009 een groot congres wordt georganiseerd, wordt bevorderd dat (welzijns)in-stellingen en gemeenten lange termijnafspraken maken om passende voorzieningen/interventies te kunnen bieden. Daarbij staan de volgende kernbegrippen centraal:

Verbinden;

Lokaal maatwerk;

Integraliteit;

Gedeeld/gelijkwaardig partnerschap;

Professionaliteit;

Direct eropaf/outreachend werken;

Cliënt centraal.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Bij alle operationele doelstellingen wordt een tabel opgenomen met de (basis)waarde en de streefwaarde van de prestatie-indicatoren. Deze tabel heeft dezelfde opbouw als in de begroting 2009.

 
           

Prestatie-indicatoren

 
   

Streefwaarde

Streefwaarde

Streefwaarde

 

2008

2009

2010

lange termijn

  • 1. 
    Percentage gemeenten waar één of meerdere Wmo beleids-

94%

100%

100%

100%

plannen zijn vastgesteld.

       
  • 2. 
    Percentage Wmo-cliënten dat aangeeft dat de Wmo ondersteu-

93%

94%

95%

100%

ning bijdraagt aan zelfstandig wonen en meedoen in de

       

samenleving.

       
  • 3. 
    Aantal projecten vernieuwend welzijn in wijken.

5

5

5

10

Bronnen:

  • 1. 
    Onderzoek Sociaal Cultureel Planbureau in kader van monitoring en evaluatie Wmo. (Deze indicator is geherformuleerd naar een percentage)
  • 2. 
    Wijkactieplannen Krachtwijken
  • 3. 
    Rapportage benchmark cliënten Wmo SGBO 2008 juni 2008
  • 4. 
    Movisie

Beleidsartikelen/Artikel 44

Instrumenten voor actieve participatie

+ Welzijn nieuwe stijl

Welzijn heeft waarde. De welzijnsfunctie kan -goed verweven in de buurt-lokale sociale problemen signaleren en aanpakken; bijvoorbeeld door overlastgevende jongeren te benaderen en ze te leiden naar de reguliere kanalen voor bijvoorbeeld scholing en werk of door kwetsbare eenzame ouderen te vinden, te activeren en te leiden naar maaltijdvoorziening en andere sociale activiteiten.

Door ontmoeting te faciliteren en te stimuleren zorgt welzijn ook voor sociale samenhang in de buurt. Vaak in de vorm van activiteiten in ontmoetingsruimten, maar ook door een meer actieve benadering van bewoners. Maar de welzijnsfunctie heeft vaak zowel een imago- als een kwaliteitsprobleem. Daarom zet het kabinet in op Welzijn nieuwe stijl. Welzijn moet worden geherwaardeerd en opnieuw gepositioneerd. De werkzaamheid van interventies is niet altijd duidelijk, een verdergaande professionalisering van de sector is nodig én de relatie tussen de welzijnsinstelling en de gemeente kan verbeteren. Kernbegrippen voor Welzijn nieuwe stijl zijn: burger centraal, gelijkwaardig partnerschap, versterkt professioneel handelen, empowerment van de burger, direct erop af, cliëntparticipatie en cliëntondersteuning en lokaal keuzes maken. Deze begrippen staan centraal tijdens het Wmo-congres van 24 september 2009 en zullen (in 2010) daarna concreet handen en voeten worden gegeven.

+ Wetswijziging Wmo

De wetswijziging Wmo gaat in op 1 januari 2010. Door de wetswijziging wordt de positie van de burger verbeterd doordat de burger bij een voorziening in natura niet geconfronteerd kan worden met werkgevers- of opdrachtgeverslasten. De invoering van de wetswijziging wordt door het gezamenlijke implementatiebureau van VWS en de VNG nadrukkelijk ondersteund via voorlichtingsbijeenkomsten, handreikingen, modelbepalingen, voorbeeldteksten en de website en helpdesk (www.invoeringwmo.nl) (€ 0,5 miljoen).

+ «Beter in Meedoen»

Om gemeenten en uitvoerende instellingen te ondersteunen bij de vernieuwing en kwaliteitsverbetering van het Wmo-beleid wordt in 2010 subsidie aan het Verwey-Jonker Instituut en het kennisinstituut Movisie (€ 2,8 miljoen) gegeven voor het uitvoeren van het vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen» (BIM). Bij Movisie ligt de focus op effectieve interventies en professionalisering van de sector. Bij het Verwey-Jonker instituut is governance de voornaamste insteek. In 2010 komen concrete resultaten beschikbaar.

+ Werkplaatsen Wmo

Voor een krachtig welzijnsbeleid is het nodig te investeren in de kwaliteit van de beroepsuitoefening. In zes regio’s gaan in september 2009 zes werkplaatsen van start voor een periode van 3 jaar. In de werkplaatsen werken hogeschool c.q. lectoraat, gemeenten, instellingen en beroepsbeoefenaren samen. De werkplaats heeft tot doel maatschappelijke problemen te verkennen, nieuwe praktijken te ontwerpen, de uitvoering te onderzoeken en de effecten ervan te evalueren. Op basis van deze nieuwe praktijkkennis ontwerpt de werkplaats competentieprofielen voor beroepskrachten en vrijwilligers en bijbehorende opleidingsmodulen en bestuurlijke modellen voor de onderlinge relaties in het veld van zorg en welzijn. Op deze manier worden het evidence- en practice-based werken

Beleidsartikelen/Artikel 44

in de sector zorg en welzijn bevorderd. Er is in 2010 een bedrag van € 0,9 miljoen beschikbaar (€ 0,15 miljoen per werkplaats per jaar). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het amendement Wolbert (kamerstuk 31 700 XVI, nr. 35). Daarnaast zal het concept buurtdiensten in een pilot nader worden uitgewerkt. Het verslag van de pilot zal in de vorm van een overdraagbare methodiek breed worden verspreid € 0,35 miljoen.

+ Verspreiden kennis Wmo

Movisie ondersteunt gemeenten en instellingen bij de invoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo. Movisie ontvangt hiervoor een subsidie van € 8,1 miljoen per jaar. De activiteiten worden uitgevoerd in zeven programma’s, die worden ingevuld door vragen uit het veld. De programma’s zijn: Leefbaarheid en sociale samenhang, Versterking vrijwillige inzet, Informele zorg, Hulpverlening en activering, Aanpak huiselijk en seksueel geweld, Kwaliteit van interventies, organisaties en beleid, en Kennis, internet en onderzoek. Hierbij zijn onder andere de volgende onderwerpen en producten aan de orde: wonen, zorg en welzijn (publicatie best practices), cliëntparticipatie (methodiekbeschrijving, artikelen, werkconferentie), het ondersteunen en versterken van vrijwilligersorganisaties met veel aandacht voor jongeren en jongerenparticipatie (handboek, tijdschrift, databank), het promoten en het versterken van het imago van vrijwilligerswerk (make a difference day, tijdschriftartikelen), vernieuwende vormen van mantelzorgondersteuning (tijdschriftartikelen, coaching en training, workshops), activering van kwetsbare groepen (artikelen, methodiekbeschrijvingen, werkconferentie), ketenaanpak van huiselijk geweld (regionale bijeenkomsten, deskundigheidsbevordering), en preventie van huiselijk en seksueel geweld (publicaties, conferenties, deskundigheidsbevordering). Al veel van deze informatie is ook te vinden op of via de website van Movisie.

+ Behoud van thuiszorgmedewerkers voor de zorg Het kabinet zet de beschikbare middelen in (€ 8 miljoen) om gezamenlijk met werkgevers, werknemers en gemeenten ervoor te zorgen dat medewerkers behouden blijven voor de thuiszorg. De verwachting is dat het beroep op de regeling lager is dan het oorspronkelijke budget, zodat het subsidieplafond met € 2 miljoen kan worden verlaagd. De € 2 miljoen wordt conform de voorjaarsbesluitvorming 2009 ingezet ter dekking van de rijksbrede taakstelling.

+ Sociale samenhang

Voor de kwaliteit van het bestaan zijn sociale netwerken – óók in de buurt-cruciaal. Mensen moeten zich prettig en vertrouwd voelen in hun directe omgeving. Dat is sociale samenhang, de verbinding van (groepen van) mensen in hun buurt. De Wmo is een belangrijk instrument voor gemeenten om sociale samenhang te vergroten. In 2010 zal het kabinet samen met de gemeenten van het project Wmo-in-de-buurt en met relevante landelijke veldpartijen, basisfuncties voor sociale samenhang ontwikkelen. Dat zijn spelregels, procesvoorwaarden en een breed gedragen operationele definitie van Wmo-sociale samenhang. Het kabinet wil hiermee gemeenten een stevig kader bieden om sociale samenhang in de stad te vergroten. Daarnaast wordt gewerkt aan de versterking van de welzijnsfuncties in de wijken, waaronder een vijftal aandachtswijken die meedoen aan het experiment «vernieuwend welzijn» van het ministerie van WWI. De welzijnsfuncties in de wijken kunnen een belangrijke rol spelen in het versterken van de sociale samenhang in de buurt (€ 0,6 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 44

+ «Erbij horen»

Erbij horen is belangrijk. Toch leven veel mensen zonder vrienden en geïsoleerd van buren en familie. Bovendien groeit het aantal mensen dat eenzaam is, zeker ook onder ouderen. De groep is moeilijk vindbaar omdat eenzame mensen vaak niet toe durven te geven dat ze eenzaam zijn. Bestrijding van eenzaamheid is niet makkelijk. Het vraagt een actieve lokale overheid die samen met welzijnsinstellingen, zorginstellingen en lokale vrijwilligersorganisaties nagaat waar de doelgroep zit en over de domeinen heen een aanpak ontwikkelt. Een aanpak gericht op het activeren van de eenzame ouderen zelf, op zingeving, ondersteuning en activering. Samen met de «Coalitie Erbij», een organisatie van publieke en private partijen wil het kabinet de komende drie jaar een stimulans geven aan «erbij horen» (€ 0,15 miljoen per jaar). Het taboe rond eenzaamheid moet doorbroken worden en er moeten goede methoden komen, zodat gemeenten, welzijnsorganisaties en vrijwilligers kunnen worden gefacili-teerd in hun werk. Daarnaast wordt Sensoor, de landelijke organisatie van telefonische hulpdiensten gesubsidieerd. Sensoor zorgt ervoor dat 1 200 vrijwilligers jaarlijks 230 000 telefoongesprekken voeren met eenzame mensen (€ 0,1 miljoen).

+ Lokale cliëntenparticipatie

De resultaten van de programma’s voor het verbeteren van de lokale inspraak van (kwetsbare) burgers in het gemeentelijke Wmo-beleid worden in 2010 op lokaal niveau verder opgepakt. Het kenniscentrum cliëntenparticipatie onder auspiciën van Movisie wordt gecontinueerd in 2010. Dit kenniscentrum is zowel gericht op cliënten als op gemeenten die (kwetsbare) mensen willen betrekken bij hun Wmo-beleid (€ 0,1 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Movisie incl. Vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen» Stimulansz

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Wetswijziging Wmo invoering financiële vergoeding

Vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen»

Werkplaatsen Wmo en buurtdiensten

Ondersteuning gemeenten

Behoud van thuiszorgmedewerkers voor de zorg

Erbij horen

Welzijn nieuwe stijl

Opdrachten

Waarvan onder andere: Beleidsdoorlichting Wmo Monitoring Wmo

 

11 573

9 765

9 332

7 135

7 135

10 640

9 332

9 332

7 135

7 135

933

433

0

0

0

14 268

14 581

14 884

16 868

17 868

500

500

500

500

500

2 800

2 800

2 800

2 800

2 800

1 250

1 250

1 250

1 250

1 250

500

500

500

500

500

8 000

8 000

8 000

8 000

8 000

250

250

250

0

0

600                      0                      0                      0                      0

1 800               1 800               2 000               2 000               2 000

 

1 100

1 100

1 000

1 000

1 000

300

300

800

800

800

Totaal

27 645

26 146

26 216

26 003

27 003

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 44

44.3.2 Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

Motivering

Motivering

Onze samenleving kent veel mensen die er niet voldoende in slagen om voor zichzelf te zorgen of om te participeren. De inzet van vrijwilligers of mantelzorgers zorgt er voor dat ook zij kunnen meedoen. Vrijwilligers en mantelzorgers dragen daarmee in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van anderen en zorgen voor verbinding, aan het vergroten van de onderlinge betrokkenheid en sociale samenhang in onze maatschappij. Het belangeloos inzetten voor een ander levert vrijwilligers en mantelzorgers ook voldoening, nieuwe ervaringen en kennis op. Het is van belang dat er voldoende vrijwilligers en mantelzorgers zijn en blijven. Verder moet overbelasting van deze mensen, die cruciale ondersteuning bieden, worden voorkomen.

Gemeenten zijn op grond van de Wmo verantwoordelijk voor de ondersteuning die vrijwilligers en mantelzorgers bieden. Op lokaal niveau moet er een adequaat ondersteuningsaanbod zijn voor mantelzorgers en vrijwilligers zodat zij zich met plezier en resultaat kunnen (blijven) inzetten voor de medemens. Het kabinet streeft naar het behoud van het aantal mantelzorgers en een toename van het aantal vrijwilligers (zie onderstaand schema).

 
                 

Prestatie-indicatoren

 

Kabinetsdoelstelling 35:

   

0-meting 2002

1-meting 2008

Streefwaarde 2009

Streefwaarde 2010

Streefwaarde lange termijn

  • 1. 
    Aantal mantelzorgers
  • 2. 
    Deelname aan vrijwillige inzet in % van aantal mensen van 18 jaar en ouder

het

42%

2,6 miljoen 42%

2,6 miljoen > 42%

2,6 miljoen > 42%

2,6 miljoen (2011)

> 42% (2012)

Bronnen:

  • 1. 
    A. de Boer en J. Timmermans, Blijvend in Balans; een Toekomstverkenning van Informele Zorg, SCP Den Haag juni 2007.
  • 2. 
    P. Dekker e.a., Toekomstverkenning Vrijwillige Inzet 2015, SCP Den Haag, juni 2007 en M. van Herten, Vrijwillige Inzet 2008, CBS Heerlen, april 2009.

Toelichting:

Het SCP meet iedere vijf jaar de participatie aan het vrijwilligerswerk in het kader van het Tijdsbestedingsonderzoek (Tbo). De volgende keer zal dat in 2010/11 zijn. Het CBS meet iedere twee jaar de deelname aan vrijwilligerswerk in het kader van het Permanent Onderzoek Leef-Situatie (POLS). De volgende keer zal dat in 2010 zijn. Dan wordt ook voor het eerst de mantelzorg in de meting opgenomen.

Instrumenten voor mantelzorg en vrijwillige ondersteuning

+ Verspreiden van kennis over mantelzorg en vrijwilligerswerk. VWS subsidieert Movisie, het Expertisecentrum Mantelzorg (EM) en Mezzo (belangenorganisatie mantelzorgers) (totaal € 5 miljoen) voor het verspreiden van kennis over vrijwilligerswerk en mantelzorg onder gemeenten en organisaties. Tevens ondersteunen zij gemeenten en organisaties bij de toepassing daarvan. In 2010 worden voorbereidingen getroffen voor het Europees jaar voor de vrijwilliger in 2011.

Beleidsartikelen/Artikel 44

+ Lokale ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligersorganisaties Het versterken van de lokale infrastructuur vindt verder plaats via de makelaarsfunctie maatschappelijke stage en vrijwilligerswerk, de implementatie van basisfuncties vrijwilligerswerk en mantelzorg in gemeenten via een op maat gesneden adviestraject (€ 4 miljoen). Het SCP onderzoekt de (over)belasting van mantelzorgers.

+ Regeling deskundigheidsbevordering vrijwilligers In het kader van deze regeling kunnen landelijke vrijwilligersorganisaties – als voldaan wordt aan bepaalde criteria – subsidie aanvragen voor trainingen van hun vrijwilligers. Hiervoor is in 2010 een bedrag van € 5 miljoen beschikbaar.

+ Bedrijven en vrijwilligers en mantelzorgers

Samen met het bedrijfsleven wordt het vrijwilligerswerk door werknemers gestimuleerd en de aandacht voor mantelzorg in personeelsbeleid vergroot, door bijvoorbeeld meer aandacht te hebben voor flexibel werken, voor ondersteuning van mantelzorgers op het werk, het betrekken van mantelzorg bij functioneringsgesprekken, et cetera. Met MVO-Nederland zijn afspraken gemaakt over het programma «Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen».

+ Regeling waardering mantelzorgers

In 2009 zijn de criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een compliment in de regeling waardering mantelzorg verruimd. Bovendien is een overgangsartikel in de regeling opgenomen om te voorkomen dat bij de overgang van de oude naar de nieuwe regeling mensen niet meer in aanmerking komen. Vanaf augustus 2009 wordt de gewijzigde regeling uitgevoerd. In 2010 vindt een evaluatie van de regeling plaats.

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Mezzo, Rode Kruis en Zonnebloem

Stimuleringsregeling Mantelzorgers

Vergoeding aan mantelzorgers

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Kennisverwerken/verspreiden m.b.t. mantelzorg

Deskundigheidsbevordering vrijwillige inzet

Behoud van aantal mantelzorgers en versterken vrijwillige inzet

Totaal

 

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

4 329

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

12 041

10 447

9 391

9 424

9 424

650

650

650

650

650

5 000

3 500

2 500

2 500

2 500

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

81 370

79 776

78 720

78 753

78 753

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 44

Motivering

44.3.3 Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning

Motivering

Mensen met een beperking moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. Door drempels te voorkomen of weg te nemen, kunnen mensen met beperkingen op voet van gelijkheid gebruik maken van algemene voorzieningen. Als zij er, al dan niet met behulp van vrijwillige inzet, niet in slagen voor zichzelf te zorgen of op eigen kracht te participeren, dan wordt dit met professionele ondersteuning of specifieke voorzieningen alsnog mogelijk gemaakt.

Om de positie van mensen met een beperking te verbeteren richten het

kabinet zich op:

+ Het bevorderen van gelijke behandeling door het wegnemen van

drempels (fysiek en sociaal) en het bevorderen van gelijke behandeling

door het verbeteren van de individuele rechtsbescherming; + Specifieke voorzieningen daar waar algemene voorzieningen niet

toegankelijk zijn; + Het verbeteren van de lokale belangenbehartiging en inspraak van

(kwetsbare) burgers.

 

Prestatie-indicatoren

 
 

2006

2007

2008

Streefwaarde 2009

Streefwaarde 2010

Streefwaarde lange termijn

  • 1. 
    Klanttevredenheid over Valys
  • 2. 
    Percentage 65+ dat extramuraal woont
  • 3. 
    Percentage gemeenten dat samenwerking aangaat met MEE

8,3

92,7%

7,1 92,9%

8,0

93,0%

90%

> 8,1

> 93,0%

> 90%

> 8,1

> 93,0%

> 90%

> 8,1

> 93,0%

100%

Bronnen

  • 1. 
    Jaarlijks tevredenheidsonderzoek
  • 2. 
    CBS/CTG, NZa
  • 3. 
    CVZ

Instrumenten voor de bevordering van gelijke behandeling

+ Uitbreiding Wet gelijke behandeling op grond van handicap of

chronische ziekte In 2010 zal de AMvB voor een toegankelijk openbaar vervoer in werking treden. De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) wordt daarmee ook voor het openbaar vervoer van kracht. De Wgbh/cz is al van toepassing op de terreinen arbeid, onderwijs en wonen. In 2010 wordt verder gewerkt aan de voorbereiding van een besluit over de uitbreiding van de Wgbh/cz op het terrein van het aanbieden van goederen en diensten.

+ Praktijkspoor goederen en diensten

In 2009 is een samenwerkingsverband van ondernemersorganisaties en organisaties die zich inzetten voor de belangen van mensen met een handicap of chronische ziekte gestart. Deze samenwerking wordt het Praktijkspoor genoemd. Met het Praktijkspoor wordt gestimuleerd dat aanbieders van goederen en diensten en de belangenorganisaties afspraken maken over hoe de toegankelijkheid kan worden bevorderd. Dit

Beleidsartikelen/Artikel 44

zal leiden tot een informatiebank met goede voorbeelden die voor iedereen te raadplegen is. In de loop van 2010 wordt deze operationeel (€ 0,6 miljoen).

+ Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Het kabinet zet zich actief in voor het ratificeren van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Na een grondige analyse van bestaande wetten door alle betrokken departementen zijn de consequenties van het Verdrag voor de Nederlandse wetten in kaart gebracht. De conclusies worden opgenomen in de voorstellen voor de goedkeuringswet en de invoeringswet. Deze zullen in het najaar van 2009 aan de Raad van State worden voorgelegd. Het kabinet zal na parlementaire goedkeuring initiatieven ontplooien en ondersteunen, gericht op de bekendheid van dit Verdrag (€ 0,15 miljoen in de jaren 2010 tot en met 2013).

+ EU-Richtlijn gelijke behandeling

De Europese Commissie heeft medio 2008 een voorstel ingediend voor een Richtlijn gelijke behandeling ongeacht geloof/overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid buiten de arbeidssfeer. De besprekingen in het Europees kader rond deze brede Richtlijn vergen naar zich laat aanzien nog geruime tijd; daar de inhoud van deze Richtlijn nog ter discussie staat, is niet zeker wanneer deze Richtlijn door de Raad van Ministers zal worden aangenomen.

Beschikbaarheid specifieke voorzieningen

+ Wonen met zorg en ondersteuning

VWS voert samen met de minister voor WWI en partijen in het veld het

Actieplan «Beter (t)huis in de buurt; Samenwerken aan wonen, welzijn en

zorg 2007–2011» uit.

In 2010 richten het kabinet zich op twee thema’s, namelijk «lokale

samenwerking» en «regievoering door de gemeente». Met een

ondersteuningsprogramma getiteld «Verbinding wonen, welzijn en zorg»

zal individuele en collectieve ondersteuning (adviseurs) aan een aantal

gemeenten worden geboden en komt er een «gereedschapskist» ter

beschikking van gemeenten en samenwerkingspartners met instrumenten

voor samenwerking en voor regievoering door de gemeente.

Daarnaast voeren veldpartijen in het kader van het Actieplan belangrijke activiteiten uit die waar wenselijk en mogelijk vanuit het Rijk worden ondersteund (€ 0,6 miljoen). In de brief van 13 juni 2008 (kamerstuk 30 597, nr. 15) is aangekondigd dat een aantal onderzoeken zal worden verricht naar de gevolgen van het scheiden van wonen en zorg. Bij brief van 26 juni 2009 (kamerstuk 30 957, nr. 78) heeft de Tweede Kamer een analyse van de resultaten van de onderzoeken ontvangen, alsmede de daaraan verbonden consequenties voor het bevorderen van het scheiden van wonen en zorg.

+ Bovenregionaal vervoer gehandicapten (Valys)

Valys is bedoeld om bovenregionaal vervoer per (deel)taxi te bieden aan mensen met een mobiliteitsbeperking. Dit is een aanvulling op het (minder toegankelijke) openbaar vervoer en het gemeentelijke Wmo-vervoer. In 2010 blijft het kabinet bijzondere aandacht geven aan de kwaliteit van het vervoer en de beheersbaarheid van de uitgaven (€ 59 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 44

Kengetallen

Aantallen pashouders persoonlijke kilometer budgetten (pkb) Valys en % pashouders dat daadwerkelijk reist

2006

2007

2008

 

120 433

168 876

209 592

5 210

6 588

7 444

125 643

175 464

217 036

Standaard PKB Hoog PKB

Totaal aantal pashouders

Percentage van aantal Valys-pashouders dat daadwerkelijk reist met bovenregionaal vervoer gehandicapten

Bron: Managementinformatie Valys conform de maandelijkse facturen van de vervoerder. Het aantal pashouders neemt maandelijks toe. Ultimo mei 2009 waren er 237 901 pashouders. Hiervan had 96,8% (230 193) een standaard pkb en 3,2% (7 708) een hoog pkb.

64,2%

63,5%

59,5%

+ Doelgroepenvervoer

Doel is te komen tot één loket, een eenvoudiger en klantvriendelijkere indicatiestelling en een doelmatigere organisatie en uitvoering van het doelgroepenvervoer.

Met de reeds afgeronde pilots, nog lopende pilots en de onderzoeken is een aantal aspecten van het bundelen van doelgroepenvervoer onderzocht (zie brief van 7 juli 2008; kamerstuk 25 847, nr. 62). Conclusie is dat nog een aantal zaken (indiceren, één loket, één telefoonnummer) kan worden verbeterd. Het gaat daarbij vooral om kwaliteitsverbetering voor de cliënt. Het kabinet wil met enkele pilots in 2010 de verbeteringsmogelijkheden verder verkennen. Over deze pilots en de daarbij behorende analyse wordt u zo spoedig mogelijk in 2010 geïnformeerd.

De gewenste samenwerking tussen betrokken partijen wordt op deze wijze door een praktische aanpak gestimuleerd, gericht op die vervoerssystemen waar samenwerking het makkelijkst te realiseren is. Vaak gaat dat stap voor stap. De vorm of mate van bundeling kan per regio verschillend zijn. Er is nu al op een groot aantal plaatsen in het land samenwerking ontstaan. Aangezien er niet voor wordt gekozen de samenwerking door regelgeving af te dwingen, is niet te voorspellen wanneer alle partijen in alle regio’s volledig met elkaar zullen samenwerken. In 2012 zal worden bezien of er op deze wijze voldoende voortgang wordt geboekt in de samenwerking en indien nodig zal de aanpak worden bijgesteld (€ 0,2 miljoen).

Instrumenten om de lokale belangenbehartiging en inspraak van (kwetsbare) burgers te verbeteren

+ (P) Cliëntondersteuning mensen met een beperking MEE-organisaties bieden cliëntondersteuning aan mensen met een beperking. Daarvoor ontvangen zij subsidie van het College voor Zorgverzekeringen op basis van de AWBZ (€ 178 miljoen). In 2010 is op basis van een onderzoek naar de normtijden van de diensten van MEE een efficiencykorting opgelegd. In 2009 zijn onderzoeken uitgevoerd naar een objectieve verdeelsleutel voor de MEE-middelen en de efficiency van de MEE-organisaties. Mede op basis van deze onderzoeken wordt de verdeelsleutel aangepast.

In 2009 is in de subsidieregeling opgenomen dat de MEE-organisaties rapporteren over de samenwerking met gemeenten. Deze verslagen worden geanalyseerd evenals de uitkomsten van een enquête die onder gemeenten en MEE-organisaties gehouden wordt. Eind 2009 komen de

Beleidsartikelen/Artikel 44

resultaten beschikbaar. Op basis hiervan zal besloten worden over eventuele verdere acties vanaf 2010 op het gebied van samenwerking van de MEE-organisaties met partijen op lokaal niveau.

 
   

Kengetallen Mee-organisaties

 

2005

2006

2007

2008

20091

Aantal cliënten Aantal diensten Aantal MEE-organisaties

82 531

122 417

26

91 183

163 675

25

100 546

185 976

23

110 601

204 611

23

102 000

185 000

22

Bron: Monitor van Mee-Nederland (2008)

Toelichting:

  • 1. 
    Schatting van 2009 door Mee-organisaties

+ De Taakgroep Handicap en Lokale Samenleving De Taakgroep faciliteert met de organisatie van overleggen en debatten, de communicatie tussen gemeentebesturen en (lokale organisaties van) burgers met een beperking. De Taakgroep wil er langs deze weg voor zorgen dat gemeenten inclusief beleidmaken en dus rekening houden met burgers met en zonder beperkingen. Ook langs deze weg kan de participatie van burgers met een beperking bevorderd worden (€ 0,3 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)

2010

2011

2012

2013

2014

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Doelgroepenvervoer

VN-verdrag

Woningaanpassingen

Wet gelijke behandeling gehandicapten en chronisch zieken

Wonen met zorg en ondersteuning

Taakgroep Handicap en Lokale Samenleving

Opdrachten

Bovenregionaal vervoer (Valys)

Totaal

15 268

74 348

14 385

14 468

14 268

14 268

 

200

200

200

0

0

150

150

150

150

0

12 993

12 993

12 993

12 993

12 993

600

600

600

600

600

600

258

500

500

500

319

184 0 0 0

59 080

59 080

59 080

59 280

59 280

59 080

59 080

59 080

59 280

59 280

73 465

73 548

73 548

73 548

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

44.3.4 Burgers met (psycho)sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

Motivering

Motivering

Het doel van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is mensen, die daar hun toevlucht hebben gezocht, perspectief te bieden om daarna weer mee te kunnen doen in de samenleving. Daarvoor is een samenhangend (lokaal) beleid nodig op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, veiligheid, wonen en zorg, inkomen en dagbesteding.

Beleidsartikelen/Artikel 44

Bij de uitvoering van dit beleid werkt VWS daarom nauw samen met andere departementen, waaronder Justitie en SZW.

Voor de doelgroep van de maatschappelijke opvang heeft het Plan van

aanpak van de G4 het beleid een enorme impuls gegeven. Het Plan berust

op twee centrale pijlers:

+ Een persoonsgerichte benadering met behulp van individuele trajectplannen en aan de individuele personen gekoppelde cliëntmanagers.

+ Een 100% sluitende samenwerking tussen alle betrokken partijen en instellingen.

Inmiddels hebben vrijwel alle andere centrumgemeenten zich daarbij aangesloten met een eigen Stedelijk Kompas maatschappelijke opvang.

Voor slachtoffers van huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, vrouwelijke genitale verminking (VGV) en mensenhandel gaat het kabinet in deze kabinetsperiode extra investeren om te komen tot een toekomstbestendig stelsel van opvang en hulpverlening. In «Beschermd en weerbaar» (kamerstuk 28 345, nr. 90) staat welke maatregelen daarvoor getroffen (gaan) worden. Op 18 juni 2008 is met de VNG/centrumgemeenten, de Federatie Opvang, de MOgroep en GGD Nederland een actieverklaring ondertekend om vanuit ieders verantwoordelijkheid een extra inspanning te leveren aan de totstandkoming van dit stelsel. In een actieprogramma zijn deze afspraken vertaald naar concrete acties. Daarin zijn ook de structurele middelen ad € 0,65 miljoen voor tienermoeders opgenomen (kamerstuk 28 345, nr. 90).

 
             

Prestatie-indicatoren

 
 

2006

2007

Streefwaarde

Streefwaarde

Streefwaarde

     

2009

2010

lange termijn

  • 1. 
    Uitbreiding van het aantal opvangplaatsen in
         

de vrouwenopvang (alle doelgroepen)

105

108

+ 100

+ 100

500

  • 2. 
    Opvangplaatsen voor mannelijke slachtoffers

-

-

+ 40

40

40

van ernstige dreiging van geweld in

         

afhankelijkheidsrelatie.

         
  • 3. 
    Aantal daklozen met trajectplan

-

3 000

5 000

7 500

10 000

Bronnen:

  • 1. 
    Voortgangsrapportage Maatschappelijke Opvang, kamerstuk 29 325, nr. 25
  • 2. 
    Het bedrag van € 0,8 miljoen hiervoor is overgeboekt naar het Gemeentefonds.
  • 3. 
    Monitor Plan van aanpak maatschappelijke opvang, Rapportage 2007, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

Beleidsartikelen/Artikel 44

 
 

t

   
   

2005

2006

2007

Maatschappelijke opvang

       

Nachtopvang

 

1 393

1 403

1 783

MO 24 uurs woonvoorziening

 

3 570

3 461

3 780

MO 24 uurs meerzorg

 

709

802

749

MO 24 uurs (crisis)opvang

 

784

718

903

Dagopvang

 

2 616

2 701

3 047

Totaal Maatschappelijke opvang

 

9 072

9 085

10 262

Vrouwenopvang (VO)

       

VO 24 uurs woon partieel

 

822

923

904

VO 24 uurs woonvoorziening (met

24-uurs begeleiding)

950

916

949

VO 24 uur (crisis)opvang

 

277

270

305

Nachtopvang

 

43

43

23

Dagopvang

 

86

131

210

Totaal Vrouwenopvang

 

2 178

2 283

2 391

Maatschappelijke opvang/Vrouwenopvang

     

MO/VO begeleid wonen

 

3 837

3 908

4 938

Bron: Monitor Plan van aanpak maatschappelijke opvang, rapportage 2007 Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

Toelichting:

Bovenstaande tabel laat de capaciteit naar voorzieningensoort in 2005, 2006 en 2007 zien. De capaciteit is onderverdeeld in drie categorieën: maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en een combinatie van beiden. De toename van het aantal plaatsen begeleid wonen past in het beleid om de doorstroom van de laagdrempelige opvang naar woonvoorzieningen te bevorderen.

Instrumenten ten behoeve van het uitvoeren van het plan van aanpak Maatschappelijke Opvang Rijk-G4 en Stedelijke Kompassen van de overige centrumgemeenten.

+ Decentralisatie-uitkering

Vanaf 2010 ontvangen de 43 centrumgemeenten jaarlijks de

decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, Openbare geestelijke

gezondheidszorg (Oggz) en verslavingsbeleid, mits zij prestatie-afspraken

hebben gemaakt die zijn afgeleid van de doelstellingen uit het Plan van

aanpak van de G4 of de Stedelijke Kompassen:

– Dakloosheid ten gevolge van uit huiszetting komt (vrijwel) niet meer

voor. – Dakloosheid ten gevolge van ontslag uit detentie komt (vrijwel) niet

meer voor. – Dakloosheid ten gevolge van uitval uit zorginstellingen komt (vrijwel)

niet meer voor. – Voor een afgesproken tijdstip is voor dak- en thuislozen een trajectplan

opgesteld en zijn zij – afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden

– voor zover mogelijk voorzien van inkomen, passende huisvesting,

effectieve ondersteuning, zorg, zinvolle dagbesteding en werk. – Bij een groot deel van de doelgroep is meetbaar overlastgevend

gedrag substantieel verminderd.

+ Verdeelsleutel Maatschappelijke opvang

Vanaf 2010 wordt de nieuwe verdeelsleutel maatschappelijke opvang (MO), Oggz en verslavingsbeleid ingevoerd. Deze verdeelsleutel is opgesteld door Cebeon op basis van een gezamenlijke opdracht van VWS en de VNG. De invoering van deze sleutel zorgt ervoor dat het beschikbare budget evenwichtiger verdeeld wordt over de 43 centrumgemeenten. De

Beleidsartikelen/Artikel 44

huidige verdeling was vooral historisch waardoor de verdeling onvoldoende recht deed aan de huidige problematiek. De invoering vindt plaats in een zodanig tempo dat de gemeenten die een lagere uitkering gaan ontvangen, voldoende tijd hebben om zich daarop voor te bereiden.

+ Longitudinaal onderzoek

In 2010 start het longitudinaal onderzoek met de vraag «Wat werkt voor wie in de maatschappelijke opvang». Daarvoor wordt gedurende vijf jaar een representatieve groep daklozen gevolgd. De focus ligt bij het perspectief van de dakloze zelf.

+ Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang G4

De G4 wil in 2010 starten met de tweede fase van het plan van het aanpak. Het doel daarvan is het rendement van de eerste fase te behouden en de succesvolle aanpak uit te breiden naar een bredere groep van kwetsbare mensen in de vier grote steden. Met dat laatste willen de steden een nieuwe instroom in de maatschappelijke opvang voorkomen. Bij de voorbereiding van de tweede fase van het plan zal VWS de G4 ondersteunen.

+ Zwerfjongeren

Onze inzet, samen met de minister voor Jeugd en Gezin, is het gezamenlijk met betrokken partijen uitvoeren van een plan van aanpak zwerfjongeren (kamerstuk 29 325, nr. 36). In dat kader wordt in 2010 een onderzoek uitgevoerd naar zwerfjongeren waarbij in ieder geval aandacht zal worden besteed aan wonen.

Instrumenten Beschermd en Weerbaar

+ Beschermd en Weerbaar

In totaal is voor het actieprogramma «Beschermd en Weerbaar» in 2010 € 33,95 miljoen beschikbaar. Een groot gedeelte hiervan € 22,95 miljoen is ondergebracht in de specifieke uitkering vrouwenopvang. Het resterende budget € 11,0 miljoen is bestemd voor projecten en opdrachten. In 2010 wordt het actieprogramma «Beschermd en Weerbaar» (kamerstuk 28 345, nr. 90) uitgevoerd. Dit programma is gebaseerd op de actieverklaring «Beschermd en Weerbaar» dat in 2008 is ondertekend door VNG, GGD-Nederland, MO-groep, Federatie Opvang en VWS en richt zich op het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van de opvang en hulp bij geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Daarnaast worden basisfuncties voor de steunpunten huiselijk geweld geïmplementeerd. Deze uniforme basisfuncties zorgen ervoor dat burgers weten waarop ze kunnen rekenen als ze bij een steunpunt aankloppen. Tevens worden de Steunpunten in 2010 voorbereid op hun voorgenomen extra taak als meldpunt huiselijk geweld.

Ter voorkoming van genitale verminking bij meisjes wordt in 2010 het medisch certificaat VGV (verder) landelijk ingevoerd. Het certificaat is een verklaring die ouders op vrijwillige basis ondertekenen waarmee zij aangeven dat hun dochter niet zal worden besneden. Tot slot vindt in 2010 besluitvorming plaats over de uitkomsten van het onderzoek naar de toereikendheid van het stelsel van de vrouwenopvang voor specifieke groepen zoals tienermoeders en mannelijke slachtoffers van geweld, alsmede naar de gevolgen van de verbreding van de functie van vrouwenopvang.

Beleidsartikelen/Artikel 44

+ Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Om professionals in staat te stellen risico’s op geweld vroegtijdig te signaleren, zodat geweld kan worden voorkomen of zo snel mogelijk wordt gestopt, wordt het gebruik van een meldcode verplicht gesteld. In 2010 biedt het kabinet, samen met de minister voor Jeugd en Gezin en de minister van Justitie, het wetsvoorstel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling aan de Tweede Kamer aan. Tevens ondersteunt het kabinet de betrokken sectoren bij invoering van deze wet door een intensief implementatietraject (€ 1,75 miljoen).

+ Tienermoeders

Het actieprogramma «Beschermd en Weerbaar» bevat acties die (ook) ten goede komen aan de hulp aan kwetsbare zwangere tieners en tienermoeders. Verder ontvangen 35 centrumgemeenten via de specifieke uitkering vrouwenopvang in totaal structureel € 0,65 miljoen voor gemeentelijke activiteiten voor deze groep. Daarnaast ontvangen Stichting Ambulante FIOM en VBOK subsidie voor specifieke activiteiten voor tienermoeders.

Grafiek: aantal geboorten onder meisjes van 15–19 jaar naar herkomst

4.000

3.500

3.000-2.500-

2.000-

1.500

1.000-

500

I                            I                             I                             I                             I                            I

2001           2002           2003           2004           2005           2006          2007

Totaal

Westers allochtoon

Autochtoon Niet-westers allochtoon

Bron: CBS

+ Slachtoffers van mensenhandel

Samen met de staatssecretaris van Justitie gaat VWS plekken beschikbaar stellen voor de categorale opvang van slachtoffers van mensenhandel. Daar zal hen de nodige rust, veiligheid en juridische ondersteuning worden geboden. Gedurende twee jaar wordt onderzocht hoe de opvang het beste structureel kan worden georganiseerd (€ 1,0 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 44

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies

Stichting Korrelatie

SOS telefonische Hulpdiensten

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Zwerfjongeren

Vrouwelijke Genitale Verminkingen

Verbeterplan Vrouwen Opvang

Projecten Wet Huisverbod

Meldcode

Mensenhandel

Opdrachten

Waarvan onder andere:

Longitudinaal onderzoek dak en thuislozen

Versterking kwaliteit MO/VO/Oggz

Specifieke Uitkeringen/betalingen via het Gemeentefonds

Specifieke uitkering VO Uitbreiding capaciteit VO Decentralisatieuitkering MO Verdeelsleutel MO

Totaal

 

891

891

891

891

891

662

662

662

662

662

229

229

229

229

229

1 992

12 675

12 879

13 014

13 014

500

500

500

500

500

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

2 500

2 500

2 500

2 500

2 500

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 750

       

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

750

116 811

750

750

750

119 094

117 798

117 933

750

 

300

300

300

300

300

250

250

250

250

250

103 178

104 778

103 278

103 278

103 278

88 778

88 778

88 778

88 778

88 778

2 400

5 000

7 500

7 500

7 500

7 000

7 000

7 000

7 000

7 000

5 000

4 000

0

0

0

117 933

44.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 

Overzicht beleidsonderzoeken

 
 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of

A Start

   

OD

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

-

   

Effectonderzoek ex post

Evaluatie Wmo

Alle doelstellin-

A 2007

   

gen

B 2009

 

Evaluatie Kennisbeleid

44.3.1

A 2007 B 2010

 

Evaluatie Deskundigheidsbevordering vrijwilligers

44.3.2

A 2009 B 2010

 

Evaluatie Beleidsbrief Voor Elkaar

44.3.2

A 2010 B 2011

 

Interdepartementaal onderzoek naar de gelijke behandeling

44.3.3

-

 

van mensen met een beperking (VWS is coördinerend

   
 

departement).

   

Overig evaluatieonderzoek

Tijdsbestedingsonderzoek Monitor vrijwilligerswerk (SCP)

44.3.2

A 2010 B 2011

 

Deelname aan vrijwilligersWerk, POLS (CBS)

44.3.2

A 2010 B 2011

 

Longitudinaal onderzoek daklozen

44.3.4

A 2010 B 2014

Artikel 46 Sport

46.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een sportieve samenleving waarin zowel veel aan sport wordt gedaan als van sport wordt genoten.

Belangrijkste beleidsonderwerpen Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

2010                                                          Het kabinet ziet sport als een bindende factorindesamenleving, omdat

het bijdraagt aan belangrijke doelen op het terrein van gezondheid, veiligheid, ontwikkeling van wederzijds respect, integratie, maatschappelijke binding en excelleren van talent. Het kabinet wil de grote maatschappelijke waarde van de sport nog beter benutten. Sport heeft bovenal een belangrijke intrinsieke waarde: het is leuk om te doen en om bij betrokken te zijn als vrijwilliger of supporter. Investeren in de sport vindt het kabinet daarom van essentieel belang.

Het kabinet heeft medio 2009 haar visie op het Olympisch Plan 2028 van NOC*NSF uiteen gezet in het kabinetsstandpunt «Uitblinken op alle niveau’s» (kamerstuk 30 234, nr. 25). Het doel van het Olympisch Plan 2028 (bijlage bij kamerstuk 30 234, nr. 25) is heel Nederland naar Olympisch niveau te brengen: niet alleen in de sport, maar op velerlei gebied. Dit is vastgelegd in vijf ambities: + Talentvol Nederland; + Meedoen in Nederland; + Vitaal Nederland; + De kaart van Nederland; + Nederland in beeld.

Het kabinet onderschrijft de Olympische ambities, maar realiseert zich wel dat voor het bereiken van de doelen de inzet van heel veel partijen noodzakelijk is. Belangrijk in de aanvangsfase van het Olympisch Plan is dan ook het versterken en verankeren van de samenwerking met alle betrokken partijen. Op veel terreinen zal de komende jaren hard gewerkt moeten worden om heel Nederland in 2016 op Olympisch niveau te krijgen. Of dit uiteindelijk kan en zal leiden tot een serieuze kandidaatstelling voor de organisatie van Olympische Spelen van 2028 moet daarna blijken. Om een dergelijke beslissing te zijner tijd gefundeerd te kunnen nemen, zal reeds in 2010 een onafhankelijke en deskundige Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) worden afgerond.

Het sportbeleid past heel goed binnen de ambities van het Olympisch Plan 2028 en draagt daar al in sterke mate aan bij. De belangrijkste beleidsonderwerpen in 2010 zijn: + Stimuleren van beweging en een actieve leefstijl, met speciale

aandacht voor de jeugd (46.3.1); + Versterken van sportverenigingen met oog op hun maatschappelijke

functie en hun inzet voor de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur

(46.3.2); + Stimuleren dat gehandicapten meer sporten en bewegen (46.3.2); + Bevorderen van sportiviteit en respect door middel van sport (46.3.2); + Benutten van de sport om bij te dragen aan armoedebestrijding,

welzijn en vredesopbouw in ontwikkelingslanden (46.3.2); + Mogelijk maken dat talenten kunnen excelleren op internationaal

niveau (46.3.3).

Beleidsartikelen/Artikel 46

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor:

+ Het bevorderen van een actieve en daarmee gezonde leefstijl van de burger door voorlichting te geven en kennis te verspreiden;

+ Het aanzetten van partijen in verschillende sectoren van de maatschappij tot het ontwikkelen van activiteiten die ertoe leiden dat mensen (meer) gaan sporten en bewegen en dat minder mensen inactief zijn;

+ Het ontwikkelen van programma’s en het stimuleren van activiteiten die ertoe leiden dat mensen door middel van sport meedoen aan maatschappelijke activiteiten en zich daarbij sportief gedragen;

+ Het scheppen van voorwaarden voor topsporters in Nederland waardoor zij op verantwoorde en professionele wijze aan topsport kunnen doen.

Externe factoren

Externe factoren

Voor een succesvolle uitvoering van het beleid is de inzet van veel verschillende partijen essentieel. Met deze partijen werkt het kabinet dan ook intensief samen op de verschillende beleidsdoelstellingen. De sportsector zelf bestaat uit een wijd vertakt netwerk van zeer diverse organisaties, opgericht en in stand gehouden door burgers zelf. De sportbeoefening, zowel in de top als op recreatief niveau, wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door deze private organisaties. Een belangrijke positie wordt ingenomen door de gemeenten. Zij zijn verantwoordelijk voor het lokale sportbeleid, waaronder het accommodatiebeleid. Een steeds belangrijker rol is weggelegd voor scholen en organisaties in de naschoolse opvang. Ook wordt gebruik gemaakt van kennisinstituten en onderzoeksinstellingen bij de uitvoering van het beleid. Vanzelfsprekend werkt VWS bij de uitvoering van het beleid eveneens samen met andere departementen.

Prestatie-indicator

Prestatie-indicator

De voortgang van het beleid gemeten met de volgende indicator:

 
       

Prestatie-indicatoren

 
 

Trendgegevens

Streefwaarde

Percentage van de Nederlandse bevolking dat minimaal twaalf keer per jaar aan sport doet

2003 2007

60% 65%

2011

65%

Bron: het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek vindt plaats in 2011.

Toelichting:

Deze indicator geeft aan hoe sportief de Nederlandse samenleving is.

Beleidsartikelen/Artikel 46

46.2 Budgettaire gevolgen van

Geraamde begrotingsuitgaven

beleid

Geraamde begrotingsbedragen (x € 1 000)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid
  • 2. 
    Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om
  • 3. 
    De topsort in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen-en buitenland

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

95 899

71 175

89 386

118 835

119 041

124 969

127 049

104 550

116 730

144 186

136 950

126 791

126 956

127 049

102 116

114 323

141 890

134 876

124 872

125 037

125 130

12 899

17 370

27 894

30 651

25 151

25 317

25 410

62 817

61 938

81 682

71 663

70 140

70 140

70 140

26 400

35 015

32 314

32 562

29 581

29 580

29 580

 

2 434

2 407

2 296

2 074

1 919

1 919

1 919

1 479

870

870

870

870

870

870

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen (x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

1.    Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

2.    Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om

– Juridisch verplicht

– Bestuurlijk gebonden

– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

3.    De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen-en buitenland

– Juridisch verplicht

– Bestuurlijk gebonden

– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

 

27 894

30 651

25 151

25 317

25 410

20 852

14 431

4 022

1 902

1 502

5 000

10 000

5 000

0

0

2 042

6 220

16 129

23 415

23 908

81 682

32 314

71 663

32 562

70 140

29 581

70 140

29 580

70 140

 

42 643

16 971

9 925

5 241

4 641

35 691

35 691

37 691

37 691

37 691

3 348

19 001

22 524

27 208

27 808

29 580

 

24 026

17 226

6 576

2 426

1 316

5 631

5 631

5 631

5 631

5 631

2 657

9 705

17 374

21 523

22 623

Toelichting:

De bedragen opgenomen op de regels «Niet verplicht of bestuurlijk gebonden» zijn beleidsmatig gereserveerd:

Operationele doelstelling 1:

– Betreft voor een belangrijk deel de reserveringen voor de implementatie van de Beweegkuur en voor vervolgbeleid op de lopende impuls

«Nationaal Actieplan Sport en Bewegen», een en ander in het kader van de ambitie «Vitaal Nederland» binnen het Olympisch Plan 2028. Operationele doelstelling 2: – Betreft reserveringen voor vervolgbeleid in het kader van de ambitie «Meedoen in Nederland» binnen het Olympisch Plan 2028 na afloop van het

lopende programma «Meedoen Alle Jeugd en Sport». Operationele doelstelling 3: – Betreft reserveringen voor het vervolgbeleid in het kader van de ambities «Talentvol Nederland» en «Nederland in Beeld» binnen het Olympisch

Plan 2028.

Beleidsartikelen/Artikel 46

46.3 Operationele doelstellingen

Er zijn drie operationele doelstellingen voor sport:

  • 1. 
    Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid.
  • 2. 
    Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om.
  • 3. 
    De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland.

46.3.1 Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid

Motivering

Motivering

In het gewone dagelijkse leven zijn flinke lichamelijke inspanningen vrijwel verdwenen. Bewegingsarmoede en verkeerde voedingspatronen leiden tot gezondheidsproblemen. Sport en beweging dragen bij aan een actieve en gezonde leefstijl van het individu en zijn daardoor in het belang van een gezonde samenleving waaraan mensen zo lang mogelijk actief blijven meedoen.

Om burgers op grote schaal tot een actieve leefstijl te verleiden, is een omslag nodig: dagelijks bewegen wordt de norm. Het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB) (http://www.nasb.nl) geeft daaraan een grote impuls. Partijen in verschillende sectoren van de maatschappij worden ertoe aangezet activiteiten te ontwikkelen waardoor mensen meer gaan sporten en bewegen en minder mensen inactief zijn.

Het kabinet wil bereiken dat:

+ Mensen meer sporten en bewegen en minder mensen inactief zijn; en

+ Mensen op een gezonde en verantwoorde manier aan sport doen.

In het Olympisch Plan 2028 is de ambitie «Vitaal Nederland» gericht op een actieve en gezonde leefstijl onder alle lagen van de bevolking. Met het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen worden belangrijke stappen gezet op weg naar het realiseren van deze ambitie.

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

 

Prestatie-indicatore

n

       

Trendgegevens

Streefwaarde

2004

2005

2006

2007

2008

2012

Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18

jaar) dat voldoet aan de beweegnorm

Percentage jeugdigen (4–17 jaar) dat voldoet aan de

beweegnorm

Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18

jaar) dat inactief is

60% 8,2%

63% 5,8%

68% 5,3%

64% 45% 5,2%

68% 47% 6,1%

70% 50% 5,0%

Bron: De gegevens maken onderdeel uit van het standaardonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), uitgevoerd door onder meer TNO.

Toelichting:

Deze indicatoren geven aan hoeveel Nederlanders voldoende bewegen voor hun gezondheid. Dit geeft een indicatie van de behaalde gezondheids-winst door sport.

Beleidsartikelen/Artikel 46

Als beweegnorm wordt de zogenaamde «combinorm» gehanteerd. Men voldoet aan die norm als men voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en/of de Fitnorm. De NNBG vereist minimaal 30 minuten matig intensief bewegen op minstens 5 dagen per week. Voor de jeugd tot 18 jaar is dit 60 minuten op zeven dagen per week. De Fitnorm vereist minimaal 20 minuten intensief bewegen (sport of fitness) op minstens 3 dagen per week. De realisatie van deze indicatoren wordt jaarlijks gemeten.

Instrumenten ten behoeve van het stimuleren van lichaamsbeweging en het tegen gaan van inactiviteit

+ Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

Doel is om gezonde lichaamsbeweging te stimuleren en inactiviteit tegen te gaan bij verschillende specifieke doelgroepen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de jeugd. Hiervoor zijn subsidies en uitkeringen beschikbaar (€ 12,2 miljoen) op alle relevante aandachtsgebieden van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen: wijk, school, werk, zorg en sport. Waarbij tevens wordt aangesloten op de afspraken met de minister van WWI en de G4 over de Gezonde Wijken.

Via de Impuls NASB worden in ruim 100 gemeenten burgers die te weinig actief zijn gestimuleerd meer te gaan bewegen, via succesvol gebleken sport- en beweegaanbod in de eigen woonomgeving. Van 2008 tot en met 2014 investeren het kabinet en de deelnemende gemeenten hierin gezamenlijk € 76 miljoen. De 1e tranche is in 2008 van start gegaan. Voor 2010 is daarvoor € 3,9 miljoen overgeboekt naar de begroting van het Gemeentefonds. De 2e tranche gaat medio 2010 van start. Daarvoor is in 2010 een bedrag van € 5 miljoen beschikbaar op de VWS-begroting.

Daarnaast wordt fors ingezet op het terugdringen van de bewegingsarmoede bij jeugdigen. Onder meer door middel van een bijdrage aan het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs, waarmee sport en bewegen in het MBO wordt gestimuleerd. Deze bijdrage, van € 1,5 miljoen in 2010, is opgenomen onder operationele doelstelling 46.3.2.

Het beleid wordt ondersteund door de Leefstijlcampagne Bewegen, die is opgenomen in het Programma Landelijke Leefstijlcampagnes binnen operationele doelstelling 41.3.1 Daartoe is voor 2010 € 1,7 miljoen overgeheveld naar artikel 41.

+ Beweegkuur

Verdere ervaring wordt opgedaan met het door de huisarts doorverwijzen van patiënten met Diabetes type II (of een verhoogd risico op het krijgen daarvan) naar een leefstijladviseur. De leefstijladviseur selecteert voor de patiënt een passend beweegprogramma, waarbij de patiënt maximaal één jaar wordt begeleid. Daarnaast worden voorbereidingen getroffen voor een mogelijke opname van de Beweegkuur in het verzekerde pakket. Voor deze activiteiten is in 2010 € 10,4 miljoen beschikbaar.

+ Gezonde sportbeoefening

Voor dit doel worden activiteiten ondersteund op het gebied van de sportmedische begeleiding van topsporters, de opleiding van sportartsen, het verbeteren van de kwaliteit van de sportgeneeskunde, blessurepreventie en het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie. Hiertoe worden subsidies en opdrachten verstrekt aan diverse instellingen (€ 5,3 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 46

De activiteiten voor blessurepreventie zijn ondergebracht op operationele doelstelling 41.3.3 Het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen. Daartoe is voor 2010 een bedrag van € 0,9 miljoen overgeheveld naar artikel 41.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Gezonde sportbeoefening

Decentralisatie-uitkering

Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

Projectsubsidies/Opdrachten

Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

Beweegkuur

Gezonde sportbeoefening

Totaal

 

202

202

202

202

202

202

202

202

202

202

5 000

10 000

5 000

0

0

5 000

10 000

5 000

0

0

22 692

20 449

19 949

25 115

25 208

7 181

7 035

13 632

18 798

18 891

10 400

7 900

0

0

0

5 111

5 514

6 317

6 317

6 317

27 894

30 651

25 151

25 317

25 410

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Motivering

46.3.2 Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om

Motivering

Sport is van grote maatschappelijke betekenis. Sport is een bindende factor in de samenleving. In (breedte)sport komen aspecten als gezondheid, veiligheid, ontwikkelen van wederzijds respect, integratie en maatschappelijke binding bijeen. De sport levert dan ook een belangrijke bijdrage aan de doelstellingen en pijlers van het kabinetsbeleid, waaronder: + Onderwijs/jeugd: betere schoolprestaties, minder schooluitval, beter

school- en leerklimaat, ontwikkeling van wederzijds respect; + Wijkaanpak: positieve bijdrage aan integratie, leefbaarheid, sociale

samenhang, waarden en normen.

Om dit te kunnen blijven realiseren dient de sport wel in voldoende mate te zijn toegerust om die maatschappelijke taken goed te kunnen vervullen. Investeren in de sport(vereniging) is daartoe van essentieel belang. In het kader van de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur wordt daarom geïnvesteerd in combinatiefuncties. Daardoor worden ook sportverenigingen versterkt.

Het kabinet wil bereiken dat:

Mensen meedoen aan sportactiviteiten op lokaal niveau; Verenigingen aantrekkelijk zijn voor grote groepen sporters en vrijwilligers en hun maatschappelijke taken kunnen uitoefenen; Jongeren meedoen in de samenleving door middel van sport; Mensen zich sportief gedragen en (spel)regels respecteren; Sport benut wordt om bij te dragen aan armoedebestrijding, welzijn en vredesopbouw in ontwikkelingslanden.

Beleidsartikelen/Artikel 46

De activiteiten in het kader van deze doelstelling dragen bij aan het realiseren van de ambitie «Meedoen in Nederland» van het Olympisch Plan 2028. Die ambitie beoogt dat sport voor iedereen in Nederland toegankelijk is en dat steeds meer mensen door sport meedoen aan de samenleving.

De activiteiten gericht op sport en onderwijs dragen bij aan de ambitie «Talentvol Nederland» en onze inspanningen op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking en van Internationale samenwerking zorgen er mede voor dat «Nederland in beeld» komt.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

 

Prestatie-indicator

en

       

Trendgegevens

Streefwaarde lange termijn

   

1995

1999

2003

2007

2011

  • 1. 
    Percentage van de Nederlandse bevolking dat lid is van een sportvereniging
  • 2. 
    Percentage van de Nederlandse bevolking dat als vrijwilliger in de sport actief is

36% 13%

35%

8% (2000)

35% 11%

34% 10%

38% 13%

Bron: Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek vindt plaats in 2011.

Toelichting:

  • 1. 
    Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders lid zijn van een sportvereniging. Dat is een indicatie van «meedoen in de maatschappij». Deze cijferreeks wijkt (voor de jaren 1999 en 2003) enigszins af van die in de vorige begroting, omdat de cijfers op een andere vraag uit het AVO zijn gebaseerd. Voor de trend heeft deze verandering geen gevolgen.
  • 2. 
    Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders als vrijwilliger actief zijn binnen de sport. Dat is een indicatie van «meedoen in de maatschappij».

Instrumenten ter bevordering van deelname aan sportactiviteiten op lokaal niveau

+ Sport en onderwijs

Samen met de partners uit de onderwijs- en sportsector, de naschoolse opvang en de gemeenten wil het kabinet de komende jaren een grote stap voorwaarts maken in de structurele samenwerking tussen sport en onderwijs, het creëren van een doorlopend sport- en beweegaanbod en uiteindelijk de toename in sport en beweging door de jeugd (€ 5,2 miljoen).

Onder meer met het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs streeft het kabinet we naar meer sportdeelname en beweging door de schoolgaande jeugd. In het beleidskader is prioriteit gegeven aan het middelbaar beroepsonderwijs en aan het verminderen van schooluitval door sport. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de ondersteuning van sportverenigingen en gemeenten bij de uitvoering van de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur.

+ Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur

Via deze impuls, die VWS in samenwerking met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) uitvoert, worden binnen gemeenten professionals aangesteld in combinatiefuncties. Daarmee zijn

Beleidsartikelen/Artikel 46

deze professionals werkzaam op meerdere terreinen. Hierdoor worden sportverenigingen versterkt met het oog op hun maatschappelijke functie. In 2010 gaat de 3e tranche van start met circa 165 gemeenten. Zij moeten een kleine 400 fte aan combinatiefuncties realiseren. Binnen de gemeenten uit de 1e en 2e tranche moeten in 2010 ruim 900 fte combinatiefuncties gerealiseerd worden.

De middelen worden via het Gemeentefonds in de vorm van decentralisatie-uitkeringen aan de gemeenten beschikbaar gesteld (€ 23,3 miljoen). Vanaf het tweede jaar van deelname nemen de gemeenten 60% van de financiering voor hun rekening.

+ Buurt, Onderwijs en Sport (BOS)

Het kabinet stimuleert samenwerking op lokaal niveau tussen buurt, onderwijs en sport (BOS) om door middel van sport achterstanden van jeugdigen op het gebied van gezondheid, sport en participatie tegen te gaan (€ 12,5 miljoen). Deze specifieke uitkering voor wijkgerichte projecten loopt de komende jaren af.

Instrumenten ten behoeve van het aantrekkelijk maken van verenigingen voor grote groepen sporters en vrijwilligers

+ Vernieuwing lokaal sportaanbod

In 15 Proeftuinen Nieuwe Sportmogelijkheden wordt ervaring opgedaan met vernieuwende vormen van sportaanbod. Bij dit programma, dat uitgevoerd wordt onder leiding van NOC*NSF en loopt tot medio 2011, zijn ruim 100 sportverenigingen, 17 sportbonden, 12 provinciale sportra-den en vele andere partijen betrokken (€ 3,9 miljoen).

+ Sportdeelname Gehandicapten

Doel is om de sportparticipatie van gehandicapten te bevorderen (€ 2,5 miljoen).

Gehandicaptensport Nederland richt zich op het creëren van structureel sportaanbod in 25 á 30 woonvoorzieningen voor mensen met een verstandelijke handicap en op het stimuleren van een actief beweegbeleid in alle woonvoorzieningen.

Gezamenlijk richten Gehandicaptensport Nederland en NOC*NSF zich op het stimuleren van sport in het speciaal onderwijs. Gehandicaptensport Nederland biedt via 24 Regionale Expertise Centra de beweeginterventies Special Heroes, SportMix en ClubExtra aan bij de aangesloten scholen. NOC*NSF biedt, in samenwerking met sportbonden en 400 sportverenigingen, een aangepast sportaanbod voor leerlingen uit het speciaal onderwijs binnen de reguliere sport.

+ Kennis en informatie

Doel is om de kennis van en de informatie over de sport te vergroten en te verspreiden. Daartoe worden subsidies verstrekt aan twee kennisinstituten (€ 4,7 miljoen).

+ Compensatie ecotax

Bijdragen verstrekken aan sportorganisaties om de kosten van sportverenigingen als gevolg van de regulerende energiebelasting, de ecotax, gedeeltelijk te compenseren (€ 9,4 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 46

Instrument ter bevordering van deelname van jongeren in de samenleving door middel van sport

+ Meedoen jongeren door sport

Dit programma heeft als doel om enerzijds de sportdeelname van jongeren te bevorderen en anderzijds met sport extra begeleiding en zorgtrajecten voor jongeren in de jeugdzorg uit te voeren (€ 12,2 miljoen). Dit programma wordt uitgevoerd door 9 sportbonden en 11 grote gemeenten. Gezamenlijk begeleiden zij 500 sportverenigingen bij het uitvoeren van projecten voor sportparticipatie. Van deze sportverenigingen zijn er 50 tevens actief bij het uitvoeren van extra begeleiding en zorgtrajecten.

Instrumenten ten behoeve van het sportieve gedrag van mensen en het respecteren van de (spel)regels

+ Sportkader

De aanwezigheid van voldoende gekwalificeerd kader binnen de sport is primair de verantwoordelijkheid van de sport zelf. Daarover is overeenstemming bereikt met NOC*NSF en de sportbonden. Daarmee komt een einde aan de subsidieverlening vanuit VWS aan de sportbonden. Voor de periode 2010 tot en met 2012 worden de vrijvallende middelen beschikbaar gesteld aan de georganiseerde sport voor de versterking van sportverenigingen (€ 2,6 miljoen).

+ Sportiviteit en respect

De sport hoort een sportieve en (sociaal) veilige omgeving te bieden, waar mensen elkaar met respect behandelen. Dit wordt onder meer nagestreefd door de uitvoering van het «Masterplan Arbitrage» door NOC*NSF en 15 sportbonden (€ 2,9 miljoen).

+ Koninkrijksband en internationale samenwerking

Ter versterking van de Koninkrijksband vinden elke twee jaar, in de

oneven jaren, de Koninkrijksspelen voor de jeugd plaats. In het kader van

Internationale samenwerking worden uitwisselingsprojecten gefinancierd

die passen binnen MoU’s (€ 0,8 miljoen).

In Europees verband blijft de behoefte aan meer rechtszekerheid voor de

sport aanwezig. In nauwe samenwerking met enkele andere lidstaten

wordt dit onderwerp hoog op de politieke agenda gehouden.

Instrument ten behoeve van het benutten van sport voor ontwikkelingssamenwerking

+ Sport en ontwikkelingssamenwerking

Ook voor mensen in ontwikkelingslanden is een sport een belangrijk middel bij het vergroten van sociale samenhang, leefbaarheid, wederzijds respect, een gezonde leefstijl en het zelfvertrouwen. Vanaf 2009 wordt geïnvesteerd in sportprojecten in een tiental landen: Burkina Faso, Bhutan, Mozambique, Guatemala, Zambia, Suriname, Zuid-Afrika, Kenia, Senegal, Indonesië. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de kennis en ervaring ter plaatste van diverse Nederlandse instellingen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking (€ 1,5 miljoen).

Beleidsartikelen/Artikel 46

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Sportdeelname gehandicapten Kennis en informatie

Specifieke uitkeringen

BOS-regeling

Decentralisatie-uitkering

Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur

Projectsubsidies/Opdrachten

Sport en onderwijs

Sportdeelname gehandicapten

Vernieuwen lokaal sportaanbod

Compensatie Ecotax

Meedoen jongeren door sport

Sportkader

Sportiviteit en respect

Koninkrijksband en Internationale Samenwerking

Sport en ontwikkelingssamenwerking

Kennis en informatie

Totaal

 

4 635

4 635

4 635

4 635

4 635

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

3 635

3 635

3 635

3 635

3 635

12 516

2 029

6

6

6

12 516

2 029

6

6

6

23 334

23 334

28 334

28 334

28 334

23 334

23 334

28 334

28 334

28 334

41 197

41 665

37 165

37 165

37 165

5 232

5 357

4 156

4 156

4 156

1 498

1 598

1 598

1 598

1 598

3 953

2 297

148

148

148

9 357

9 357

9 357

9 357

9 357

12 228

13 861

13 811

13 811

13 811

2 587

2 687

2 687

2 687

2 687

2 944

2 944

2 844

2 844

2 844

850

850

1 350

1 350

1 350

1 500

1 500

0

0

0

1 048

1 214

1 214

1 214

1 214

81 682

71 663

70 140

70 140

70 140

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Motivering

46.3.3 De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland

Motivering

Het kabinet ondersteunt de top 10 ambitie van de sport om Nederland een plaats te laten behouden in de internationale top tien landenklassering. Daarvoor moeten Nederlandse sporters goed presteren op Wereldkampioenschappen en op de Olympische Spelen. Om in de top tien te blijven, maakt de overheid duidelijke keuzes. De rijksoverheid investeert niet langer in alle topsportprogramma’s, maar concentreert de beschikbare middelen op die topsportonderdelen waarbij Nederlandse sporters nu of in de (nabije) toekomst goed presteren.

Om te kunnen concurreren met en te presteren binnen de internationale top zijn internationaal kwalitatief hoogwaardige sporttechnische programma’s essentieel voor het succes van onze sporters. Sporters moeten in staat gesteld worden om voltijds met hun sport bezig te zijn en moeten hierin goed begeleid worden. De rijksoverheid verliest hierbij het belang van de maatschappelijke carrière van de sporter niet uit het oog, onder meer door aandacht te schenken aan de combinatie topsport en onderwijs.

Het topsportbeleid is «inclusief beleid», dat wil zeggen dat alle topsportprogramma’s beschikbaar zijn voor sporters met en zonder handicap. De prestaties van de Nederlandse gehandicaptensport blijven achter op die van de valide topsporters. Daarom is een top 10 ambitie voor de Paralympische Spelen nu nog niet aan de orde.

Beleidsartikelen/Artikel 46

De in het Olympisch Plan 2028 opgenomen ambities «Talentvol Nederland» en «Nederland in beeld» krijgen binnen deze operationele doelstelling al een stevige impuls. Talentvolle sporters krijgen steeds meer mogelijkheden om te excelleren en door de organisatie van grote topsportevenementen laat Nederland aan de internationale (sport)wereld zien waar het toe in staat is.

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicator:

 

Prestatie-indicatoren

 
 

Waarde

Peildatum

Streefwaarde lange termijn

Positie van Nederland in de topsport landenklassering

9e plaats

Juli 2008

Positie bij de eerste tien (2010)

Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische

12e plaats

Aug. 2008

Positie bij de eerste

Zomerspelen

   

tien (2012)

Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische

10e Plaats

Feb. 2006

Positie bij de eerste

Winterspelen

   

tien (2010)

Bronnen: De bronnen zijn de World Sports Nations Index van NOC*NSF en de Medaillespiegels van de meest recente Olympische Spelen. In de World Sports Nations Index zijn de uitslagen verwerkt van alle medaille-evenementen van de laatst gehouden Wereld Kampioenschappen.

Toelichting:

Deze prestatie-indicatoren geven aan in hoeverre Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de top tien van topsportlanden.

Instrumenten ter bevordering van de topsport

+ Talentontwikkeling

Het doel is om het ontwikkelen van talenten te verbeteren en om talenten ook de laatste stap te laten zetten: het excelleren in internationale wedstrijden en competities. Dat gebeurt door projectplannen door de sportbonden uit te laten voeren, door meer specifieke talentcoaches in te zetten, door facilitaire ondersteuning door Olympische netwerken, door de combinatie van toptraining, onderwijs en wonen te verbeteren door Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO’s) en door een bijdrage te leveren aan hoogwaardige internationale trainings- en wedstrijdprogramma’s in voorbereiding op de Olympische Spelen (€ 9,1 miljoen).

Daarmee wordt ook in 2010 invulling gegeven aan de beleidsmaatregelen uit de Beleidsbrief «De kracht van sport» (kamerstuk 30 234, nr. 13). Daarnaast worden de investeringen in, evenredig over het land verspreide, Centra voor Topsport en Onderwijs verhoogd naar het structurele niveau van € 2,1 miljoen per jaar.

+ Topsportevenementen

Doel is om aansprekende topsportevenementen in Nederland te organiseren. Daarom zijn subsidies beschikbaar voor (sport)organisaties voor het verkrijgen en de organisatie van topsportevenementen in Nederland (€ 4,8 miljoen).

Het naar Nederland halen en in Nederland organiseren van grote topsportevenementen is een belangrijke pijler van het Olympisch Plan 2028. In 2010 wordt € 1 miljoen geïnvesteerd in pilots rondom grootschalige topsportevenementen, waarbij bovendien aandacht is voor de relatie tussen topsportevenementen en media. In aanvulling hierop zal het

Beleidsartikelen/Artikel 46

ministerie van Economische Zaken in 2010 € 1 miljoen extra investeren op het gebied van Holland branding, toerisme, evenementen en innovatie.

+ Coaches aan de top

Het doel is topcoaches vrij te maken voor hun trainerscarrière en te kunnen behouden voor de Nederlandse topsport. Daartoe wordt een bijdrage verstrekt aan het programma Coaches aan de top van de sportsector voor de aanstelling van 75 topcoaches (€ 4,5 miljoen).

+ Stipendiumregeling

Deze regeling is bedoeld voor het uitkeren van een stipendium aan

A-topsporters en nationale toptalenten met een inkomen dat lager is dan

het minimumloon, zodat zij zich vrij kunnen maken voor hun sportcarrière

(€ 5,6 miljoen). De bijdrage wordt verstrekt aan het Fonds voor de

Topsporter.

+ Tegengaan van dopinggebruik

Dopinggebruik is een grote bedreiging voor de sport. Het tast het grondbeginsel van fair play aan en leidt bovendien tot gezondheidsrisico’s voor de sporters. Het tegengaan van dopinggebruik wordt daarom onverminderd voortgezet. Daartoe worden subsidies verleend aan (inter)nationale antidopingorganisaties (€ 1,6 miljoen).

+ Kennis en innovatie topsport

Het doel is om grensverleggende innovatieve toepassingen voor de sport te ontwikkelen. Daartoe worden subsidies verstrekt aan InnoSportNL en NOC*NSF (€ 2,5 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Stipendiumregeling Dopingbestrijding

Projectsubsidies/Opdrachten

Talentontwikkeling Coaches aan de top Topsportevenementen Dopingbestrijding Kennis en Innovatie

Totaal

 

6 957

6 957

6 957

6 957

6 957

5 631

5 631

5 631

5 631

5 631

1 326

1 326

1 326

1 326

1 326

25 357

25 605

22 624

22 623

22 623

11 202

11 221

11 163

11 163

11 163

4 500

4 500

4 500

4 500

4 500

6 807

6 756

5 433

5 432

5 432

344

294

294

294

294

2 504

2 834

1 234

1 234

1 234

32 314

32 562

29 581

29 580

29 580

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 46

46.4 Overzicht beleidsonderzoeken

Overzicht beleidsonderzoek

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of A Start OD                               BAfgerond

Beleidsdoorlichting Effectonderzoek ex post

Overig evaluatieonderzoek

Uitvoering Sportbeleid

Eindevaluatie uitvoering sportprogramma

Tussenevaluatie (kosten)effectiviteit Beweegkuur

Outputmonitoring Impuls Brede Scholen, Sport en cultuur

Outcomemonitoring Impuls Brede Scholen, Sport en cultuur

Brede Analyse School en sport

Maatschappelijke Kosten-Baten analyse evenementen & Olympische Spelen

Rapportage Sport 2010

Onderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN)

Trendrapportage Bewegen & Gezondheid 2008/2009

Topsportklimaat onderzoek

 

46.1

A 2010

 

B 2011

46.1

A 2010

 

B 2011

46.3.1

A 2010

 

B 2010

46.3.2

A 2009

 

B 2010

46.3.2

A 2010

 

B 2010

46.3.2

A 2010

 

B 2010

46.3.3

A 2010

 

B 2010

46.1

A 2009

 

B 2010

46.3.1

Doorlopend

46.3.1

A 2008

 

B 2010

46.3.3

Doorlopend

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

47.1 Algemene beleidsdoelstelling

De erfenis van WO II is afgewikkeld en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Op het terrein van de Tweede Wereldoorlog is continuïteit en toekomstbestendigheid belangrijk. Het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog is essentieel. 2010 is een heel speciaal jaar: 65 jaar herdenking. Dit zal leiden tot veel extra aandacht. Naar verwachting zullen de activiteiten in het najaar van 2009 een aanvang nemen.

Voor 2010 ligt de nadruk op de volgende beleidsimpulsen:

+ Afronding van het programma Erfgoed van de oorlog (operationele

doelstelling 47.3.2) Dit programma, dat loopt van 2007 t/m 2009, is gericht op het behoud, de toegankelijkheid en de publieksgerichte toepassing van bijzonder of kwetsbaar erfgoedmateriaal dat betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog. In 2010 ligt het accent van de werkzaamheden voor het programma op de inhoudelijke en financiële eindverantwoording van de projecten en op het presenteren van de resultaten. Tevens zal gekeken worden op welke wijze de eenmalige investering duurzaam kan worden geborgd.

+ Voorbereiding overheveling naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei per 2011 van een aantal departementale taken gericht op het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog (operationele doelstelling 47.3.2). In de brief van 22 oktober 2008 (kamerstuk 20 454, nr. 93) is de Tweede Kamer geïnformeerd over dit voornemen en op hoofdlijnen geschetst wat het kabinet daarbij voor ogen staat. Door het herinneringsterrein dichter te koppelen aan de nationale herdenking zullen beide terreinen elkaar versterken.

+ Voorbereiding overheveling per 2011 van het cliëntbeheer van de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (operationele doelstelling 47.3.1)

Bij brief van 17 juni 2008 (kamerstuk 20 454, nr. 90) hebben we de Tweede

Kamer geïnformeerd over de wijzigingen in het uitvoeringsbestel met

ingang van 2011.

Ministeriële verantwoordelijkheid         Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor: + Het actueel houden van de wet- en regelgeving voor oorlogsgetroffenen. Wijzigingen zijn nodig in verband met de vereenvoudiging van de uitvoering van de wetten en in verband met wijziging van wetgeving op andere terreinen; + Het toezicht op drie zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s): de PUR, de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR);

Beleidsartikelen/Artikel 47

Externe factoren

+ De (financiering van de) infrastructuur die het mogelijk maakt de herinnering van WO II in stand te houden.

Externe factoren

Om de erfenis van WO II af te wikkelen, dat wil zeggen, de materiële en immateriële hulpverlening bij een dalend aantal oorlogsgetroffenen goed te laten verlopen, is het nodig dat uitvoeringsorganen in de laatste fase doelmatig en effectief blijven functioneren. Voor de PUR is dit geborgd door overheveling van het cliëntbeheer naar de SVB in 2011.

Prestatie-indicatoren

Bewustwording van de betekenis van het woord «vrijheid» wordt

ondersteund door WO II als referentiepunt te nemen. Daarvoor is het

belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden door:

+ Instandhouden van herinneringscentra;

+ Conserveren, het ontsluiten en het stimuleren van gebruik van

waardevol erfgoedmateriaal; + Vertalen van gebeurtenissen tijdens WO II naar deze tijd (voorlichting)

en het borgen van de toekomstbestendigheid hiervan met daarbij

bijzondere aandacht voor specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld de

jeugd.

Werken aan bewustwording van (met name) de jeugd over de betekenis van vrijheid in relatie tot WO II is een complexe aangelegenheid. Het resultaat is onder meer afhankelijk van actuele maatschappelijke ontwikkelingen en kan niet direct door ons beïnvloed worden.

Prestatie-indicatoren

Bij de algemene doelstelling is geen prestatie-indicator opgenomen, omdat de doelstelling meerdere, uiteenlopende elementen bevat die zich moeilijk in één of enkele indicatoren laten weergeven.

47.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsbedragen (x € 1 000)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen

Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw
  • 2. 
    De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – vooral jeugdigen – zijn zich van bewust van de betekenis van WO II

Apparaatsuitgaven

Ontvangsten

 

402 843

404 919

368 480

348 933

332 671

316 941

301 451

399 789

397 799

369 245

349 362

333 050

316 941

301 451

398 475

396 418

368 336

348 615

332 303

316 194

300 704

383 420

379 324

359 001

339 786

323 474

307 365

291 875

15 055

1 314

17 094

1 381

9 335

909

8 829

747

8 829

747

8 829

747

8 829

747

785                      0                      0                      0                      0                      0                      0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 47

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.       Wetten, regelingen en rechtsherstel WO II –        Juridisch verplicht –        Bestuurlijk gebonden –        Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

2.       Herinnering en bewustzijn WO II –        Juridisch verplicht –        Bestuurlijk gebonden –        Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden

 

359 001

339 786

323 474

307 365

291 875

357 516

329 919

311 598

295 489

279 999

937

9 319

11 105

11 105

11 105

548

548

771

771

771

9 335              8 829              8 829              8 829              8 829

8 329                      0                      0                      0                      0

1 006               8 829               8 829               8 829               8 829

00000

47.3 Operationele doelstellingen

Er zijn twee operationele doelstellingen voor dit beleidsterrein:

  • 1. 
    Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw;
  • 2. 
    De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II.

47.3.1 Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw

Motivering

Motivering

Het aantal oorlogsgetroffenen neemt om demografische redenen geleidelijk af. De kerncijfers van de Pensioen- en Uitkeringsraad (http://www.pur.nl) laten zien dat het aantal uitkeringen ingevolge de oorlogswetten daalt van 34 006 in 2008 naar 27 127 in 2013. Gezien deze ontwikkeling zullen ook de organisaties die de materiële en immateriële hulpverlening verzorgen, geleidelijk moeten afbouwen. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat de ondersteuning kwantitatief en kwalitatief op peil blijft. Het kabinet begeleidt en faciliteert deze afbouw. Dat gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking te stimuleren tussen de instellingen waar het draagvlak van de afzonderlijke instellingen te smal dreigt te worden. In dit kader zal het cliëntbeheer van de PUR (het berekenen en betalen van de pensioenen en uitkeringen en de verstrekking van bijzondere voorzieningen aan bestaandecliënten) per 1 januari 2011 worden overgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 12 november 2008 is uitvoerig gesproken over dit voornemen. Na dit debat is eind november 2008 een projectorganisatie gestart met deelname van het ministerie van VWS, het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SZW), PUR en SVB, die in enkele maanden een gemeenschappelijk plan van aanpak heeft ontwikkeld. Inmiddels is de uitvoering van het plan van aanpak voortvarend ter hand genomen en zijn in hoofdlijnen de volgende punten als stand van zaken te noemen:

+ Het wetsontwerp voor de wijziging van het uitvoeringsbestel van de wetten voor oorlogsgetroffenen is – na nauwe samenwerking met SZW – dezer dagen voor advies aangeboden aan de Raad van State.

Beleidsartikelen/Artikel 47

Het wetgevingstraject zal inclusief de parlementaire behandeling naar verwachting medio 2010 kunnen worden afgerond; + De SVB heeft voorstellen voor de inrichting van de SVB-afdeling voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen ontwikkeld en deze voorstellen zijn aan de ondernemingsraad van de SVB voorgelegd; + De PUR heeft – gezamenlijk met de SVB – voorstellen gedaan voor de afbouw en overdracht van het personeelsbestand van de PUR en het Sociaal Plan voor het betrokken personeel. Hierover wordt overleg gevoerd met de vakbonden en wordt de ondernemingsraad van de PUR geraadpleegd. Met al deze stappen komt het moment in zicht waarbij een fase van kwartiermaken begint bij de SVB en bij de PUR-nieuwe stijl. Belangrijkste taak van de PUR-nieuwe stijl is de «raadskamerfunctie», dat wil zeggen besluiten over de toelating tot de oorlogswetten van nieuwe aanvragers.

Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op de doelmatigheid (indicator 1) en de kwaliteit van dienstverlening (indicatoren 2 en 3) van de PUR.

Indicator 1 laat de apparaatskosten van de PUR zien in verhouding tot de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Dit verhoudingspercentage geeft een globale indicatie van de doelmatigheid van de PUR. Directe sturing op dit percentage is niet goed mogelijk, mede door de afbouwfase waarin de PUR zich bevindt. Het streven is erop gericht een (sterke) stijging van dit percentage zoveel mogelijk te voorkomen. De indicatoren 2 en 3 tonen de percentages eerste aanvragen en vervolgaanvragen (om een uitkering of voorziening) die binnen de wettelijke termijn zijn afgehandeld. Dit is een belangrijke indicator voor de kwaliteit van dienstverlening van de PUR. Het percentage schommelde in 2007 rond de 92 procent. Gestreefd wordt in 2010 dit percentage te handhaven.

 

Prestatie-indicatoren

       

Streefwaarde

 

2006

2007

2008

2010 e.v.

  • 1. 
    Percentage apparaatskosten PUR in verhouding tot de uitgaven voor

5,0%

4,8%

4,8%

4,8%

pensioenen en uitkeringen

       
  • 2. 
    Percentage eerste aanvragen die door de PUR binnen de (verlengde)

89%

91%

91%

92%

wettelijke termijn zijn afgehandeld

       
  • 3. 
    Percentage vervolgaanvragen die door de PUR binnen de (verlengde)

88%

93%

92%

92%

wettelijke termijn zijn afgehandeld

       

Bron: jaarverslag PUR 2008

Toelichting:

Prestatie-indicatoren 2 en 3: de basiswaarden en de streefwaarden voor de afhandeling van eerste aanvragen en vervolgaanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV), de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) en de Wetten buitengewoon pensioen (WBP). Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarverslag van de PUR.

Instrumenten

+ Wetten en regelingen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal uitkeringen/ pensioenen en de daarmee gemoeide totale uitgaven van de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen over de periode 2006–2008. De wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen worden bijgesteld, als wijzigingen in aanpalende wetten dat noodzakelijk maken.

Beleidsartikelen/Artikel 47

 
   
 
 

2006

2007

2008

Wuv

     

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (incl. uitkeringen art. 21b)

18 358

17 486

16 624

Uitgaven Wuv totaal (bedragen x € 1 miljoen)

187,2

187,3

182,5

Wubo

     

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (incl. toeslag art. 19)

13 298

13 265

13 338

Uitgaven Wubo totaal (bedragen x € 1 miljoen)

63,8

67,0

69,0

Wbp

     

Gemiddeld aantal betaalbare pensioenen

4 735

4 389

4 044

Uitgaven Wbp totaal (bedragen x € 1 miljoen)

92,4

91,3

85,2

AOR

     

Gemiddeld aantal uitkeringen

1 390

1 667

1 979

Uitgaven AOR totaal (bedragen x € 1 miljoen)

5,5

5,8

6,1

Bron: PUR, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, januari 2009

Toelichting:

AOR staat voor Algemene Ongevallenregeling.

Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv en Wbp daalt geleidelijk. Bij de Wubo en de AOR-regeling is er nog sprake van een stijging, direct of

indirect als gevolg van het project Gerichte Benadering.

+ Bijdragen verlenen aan ZBO’s

Om materiële hulp te kunnen verlenen aan oorlogsgetroffenen, stelt het kabinet in 2010 bijdragen ter beschikking aan de volgende ZBO’s: PUR, Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR). In totaal gaat het om € 27,4 miljoen. Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma heeft in 2010 uitsluitend nog een subsidierelatie met het Landelijk Steunpunt Sinti en Roma. Doel van dat steunpunt is om te voorzien in de behoefte van Rijk, gemeenten, maatschappelijke organisaties en Sinti en Roma om kennis te delen en hulp te bieden bij het blijvend verbeteren van de maatschappelijke positie van Sinti en Roma in Nederland. Naar verwachting zal het Landelijk Steunpunt Sinti en Roma minimaal 3 jaar nodig hebben om volledig tot ontwikkeling te komen. Gedurende die tijd zal de SRSR het toezicht uitoefenen.

+ Subsidies immateriële dienstverlening

Om immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen mogelijk te maken worden subsidies verleend aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de begeleidende instellingen Stichting Pelita, Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en Stichting 1940–1945 (€ 6,5 miljoen).

+ Toezicht houden op de ZBO’s

Het doel van dit toezicht op de ZBO’s is de verantwoordelijkheid voor een rechtmatige, doelmatige en kwalitatief goede uitvoering van het wettelijk stelsel voor oorlogsgetroffenen en het naoorlogs rechtsherstel te kunnen waarmaken. In de brief van 22 oktober 2008 (kamerstuk 20 454, nr. 93) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond het toezicht op de ZBO’s.

Beleidsartikelen/Artikel 47

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010

2011

2012

2013

2014

Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen

Waarvan onder andere:

Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940–1945 (Wuv) Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 40–45 (Wubo) Wetten buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)

Bijdragen aan ZBO’s (totaal)

Waarvan onder andere: Pensioen- en uitkeringsraad

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Waarvan onder andere:

Subsidies immateriële dienstverlening

Opdrachten

Projectsubsidies

Waarvan onder andere:

Projecten immateriële hulpverlening

Totaal

 

319 836

302 026

285 714

269 605

254 115

168 925

159 134

150 166

141 391

133 217

71 844

70 577

68 679

66 287

63 685

69 809

62 356

56 368

50 917

45 994

27 397

25 884

25 884

25 884

25 884

24 838

23 425

23 425

23 425

23 425

9 734

9 965

9 853

9 767

9 767

6 503

6 385

6 290

6 204

6 204

321

321

321

321

321

1 713

1 590

1 702

1 788

1 788

504

570

537

537

537

359 001

339 786

323 474

307 365

291 875

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Motivering

47.3.2 De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II

Motivering

Het is belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan deze herinnering. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor de mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar ook voor diegenen die na de oorlog deel zijn gaan uitmaken van de Nederlandse samenleving. Ook Nederlanders die geen persoonlijke relatie hebben met WO II moeten goed geïnformeerd zijn over het oorlogsverleden en de gevolgen daarvan. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II ligt vooral in de relatie tot actuele vraagstukken rond vrijheid, discriminatie, burgerschap en vrede.

Momenteel wordt de overdracht aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) voorbereid van een aantal departementale taken op het terrein van herdenken en vieren en voorlichtingsbeleid. Bedoeling is dat het NC zich zal ontwikkelen tot het kenniscentrum op het gebied van de herinnering aan WO II. In 2009 zijn al eerste stappen gezet door onder andere de lancering van de website WOII online. In 2010 zullen de voorbereidingen voor de overdracht worden gecontinueerd.

Onderstaande prestatie-indicatoren meten het belang dat de Nederlandse bevolking hecht aan 4 en 5 mei. De percentages zijn vrij stabiel met een lichte stijging in de afgelopen jaren waar het gaat om het belang dat wordt gehecht aan 4 mei. De meeste Nederlanders vinden herdenken belangrijker dan vieren, voor jongeren ligt dat in 2009 net andersom. Overigens is de mening van de Nederlandse bevolking over 4 en 5 mei maar beperkt beleidsmatig te sturen.

Beleidsartikelen/Artikel 47

 
             
   
 

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2010 e.v.

  • 1. 
    Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 4 mei hecht.
  • 2. 
    Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 5 mei hecht.

80% 77%

82% 72%

85% 79%

86% 77%

86% 77%

Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei. Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gemeten.

In de inleiding bij dit beleidsartikel is al opgemerkt dat continuïteit op dit terrein en het borgen van toekomstbestendigheid essentieel is. In het kader van deze operationele doelstelling betekent het dat de in het verleden geformuleerde prioriteiten zullen worden gehandhaafd. Dat betreft met name: + Het voorlichtingsbeleid en wel op zodanige wijze dat er toegewerkt

wordt naar de nieuwe invulling en voorgenomen overheveling naar

het Nationaal Comité 4 en 5 mei; + Het behoud en de toegankelijkheid van waardevol erfgoedmateriaal

WO II (het programma Erfgoed van de Oorlog).

Instrumenten

+ Subsidies Voorlichtingsbeleid

Het voorlichtingsbeleid is gericht op het aanvullen van de kennis en het inzicht van de Nederlandse bevolking met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en daarmee samenhangende thema’s. Het beleid wordt al in 2010 – het overgangsjaar naar de nieuwe situatie waarin overheveling plaatsvindt naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei – gericht op de Nederlandse burgers in het algemeen met daarin aandacht voor specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen. Belangrijk is dat ze bekend zijn met de Tweede Wereldoorlog en zich daardoor meer bewust worden van de betekenis van het woord «vrijheid». In mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 oktober 2008 is de stand van zaken met betrekking tot het voorlichtingsbeleid WO II geschetst en is ingegaan op de voorgenomen overheveling. Er wordt jaarlijks € 1,2 miljoen ter beschikking gesteld voor projecten voorlichting.

+ Subsidies herinnering WO II

Doel van deze subsidies is de herinnering aan WO II levend te houden en de betekenis ervan te vertalen naar deze tijd. VWS verleent onder andere subsidies voor het houden van nationale manifestaties (4 en 5 mei; 15 augustus). Verder worden vier nationale herinneringscentra in stand gehouden (€ 4,2 miljoen).

+ Internationaal beleid

Nederland heeft zich in een «Memorandum of Understanding» samen met Israël en Slowakije verbonden om Polen te ondersteunen bij het inrichten van een waardige herinneringsplaats in het voormalige vernietigingskamp Sobibor. Hier zijn in de Tweede Wereldoorlog 43 000 uit Nederland afkomstige joden om het leven gebracht. In 2010 zullen hiervoor kosten gemaakt worden. Vooralsnog is hiervoor € 1,0 miljoen gereserveerd. Nederland adviseert mee over de inrichting van deze herinneringsplek, waarbij er vooral gestreefd wordt naar het voor mensen die het verhaal

Beleidsartikelen/Artikel 47

niet kennen, inzichtelijk maken van wat er hier gebeurd is. VWS wordt hierbij ondersteund door Herinneringscentrum Kamp Westerbork, NIOD en het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

+ Nationaal Comité 4 en 5 mei en Nationaal Vrijheidsonderzoek Doel van het Nationaal Vrijheidsonderzoek is inzicht te verkrijgen in de gedachtevorming en bewustwording rond 4 en 5 mei en de achterliggende actuele thema’s (grondrechten, democratie, oorlog, vrijheid en verantwoordelijkheid). Het onderzoek wordt verricht in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bekostigd uit de instellingssubsidie die dit Comité van VWS ontvangt. Het draagvlakonderzoek 2009 is te vinden op www.herdenkenenvieren.nl.

+ Programma Erfgoed van de Oorlog

Het programma Erfgoed van de Oorlog loopt van 2007 tot en met 2009. Het is een eenmalige, krachtige impuls om ervoor zorg te dragen dat het meest waardevolle erfgoedmateriaal van WO II beschikbaar blijft en toegankelijk is (of wordt gemaakt) voor huidige en toekomstige generaties. Het kabinet heeft in de brief van 22 oktober 2008 (kamerstuk 20 454, nr. 92) de stand van zaken inzake Erfgoed WO II beschreven. Het programma Erfgoed van de Oorlog wordt in 2010 afgesloten. Dan is een maximale inspanning gepleegd om via subsidieverstrekking erfgoedbehe-rende instellingen in staat te stellen erfgoedmateriaal dat betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog, te behouden, te ontsluiten en voor een breed publiek toegankelijk te maken. Verreweg de meeste projecten worden eind 2009/begin 2010 afgerond en kennen een concreet resultaat. In de eerste helft van 2010 ligt het accent van de werkzaamheden dan ook op de inhoudelijk en financiële eindverantwoording van de projecten en op het presenteren van al die resultaten. In dat kader wordt in september 2010 een slotconferentie georganiseerd, bedoeld voor alle organisaties die zich op een of andere manier bezig houden met het overdragen van dit stuk geschiedenis, in woord, beeld en via moderne mediale toepassingen. In totaal is voor het programma Erfgoed van de oorlog in 2010 € 1,0 miljoen beschikbaar.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

2010                2011                 2012                2013                2014

 

4 257

4 257

4 257

4 257

4 257

2 793

2 793

2 793

2 793

2 793

4 659

4 572

4 572

4 572

4 572

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

Onder andere:

Nationaal Comité 4 en 5 mei

Projectsubsidies

Onder andere:

Projecten jeugdvoorlichting                                                                                             1147              1178              1178              1178              1178

Projecten ErfgoedWOII                                                                                                       587                      0                      0                      0                      0

Opdrachten                                                                                                                             419                      0                      0                      0                      0

Erfgoed vandeoorlog                                                                                                          419                      0                      0                      0                      0

Totaal                                                                                                                                    9335              8829              8829              8829              8829

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Beleidsartikelen/Artikel 47

47.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 

Overzicht beleidsonderzoeke

n

 
 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of OD

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting Effectonderzoek ex post Overig evaluatieonderzoek

– –

Erfgoed van de oorlog

47.3.2

A 2010 B 2010

Niet-beleidsartikel 98 Algemeen

98.1 Algemene doelstelling

In dit niet-beleidsartikel ramen we de ministerie- en zorgbrede uitgaven die niet specifiek zijn toe te rekenen aan een van de doelstellingen in de voorgaande beleidsartikelen.

98.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven

Begrotingsbedragen x € 1 000

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen Uitgaven

Programma-uitgaven

  • 1. 
    Beheer en toezicht stelsel
  • 2. 
    Internationale samenwerking
  • 3. 
    Verzameluitkering VWS

370 582

325 494

337 405

343 243

299 172

303 719

290 505

290 602

284 505

284 505

284 610

284 610

285 143

285 143

114 741           118 222             99 517             92 962             90 659             90 658            90 658

102 936           100 939             89 992             85 937             83 368             83 367             83 367

11805             17 283               9 525               7 025               7 291               7 291               7 291

0000000

 

Apparaatsuitgaven

210 753

225 021

204 202

197 640

193 846

193 952

194 485

– Inspectie Gezondheidszorg

43 634

53 655

45 411

44 594

42 395

42 352

41 572

– Sociaal en Cultureel Planbureau

9 968

7 634

5 365

4 655

4 655

4 655

4 655

– Raad voor Maatschappelijke Ontwikke-

1 239

1 219

1 153

1 088

1 088

1 088

1 088

ling

             

– Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

3 021

3 217

2 997

2 836

2 836

2 836

2 836

– Gezondheidsraad

5 470

4 725

3 655

3 274

3 214

3 209

3 209

– Centrale Commissie Mensgebonden

1 591

1 677

1 281

1 281

1 281

1 281

1 281

Onderzoek

             

– Strategisch onderzoek RIVM

16 150

18 182

18 107

17 956

17 956

17 956

21 975

– Strategisch onderzoek NVI

9 083

7 734

7 720

7 693

7 693

7 693

7 693

– Inspectie Jeugdzorg

4 541

6 000

5 970

5 892

5 892

5 892

5 892

– Personeel en materieel kernministerie

114 056

120 978

112 543

108 371

106 836

106 990

104 284

Ontvangsten

10 636

6 734

4 080

4 080

4 080

4 080

4 080

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

1.    Beheer en toezicht stelsel –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht of niet bestuurlijk gebonden

2.    Internationale samenwerking –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht of niet bestuurlijk gebonden

3.    Verzameluitkering VWS –     Juridisch verplicht –     Bestuurlijk gebonden –     Niet verplicht of niet bestuurlijk gebonden

89 992            85 937            83 368            83 367            83 367

89 992                      0                      0                      0                      0

0             85 937             83 368             83 367             83 367

00000

9 525               7 025               7 291               7 291               7 291

00000

9 525               7 025               7 291               7 291               7 291

00000

00000 00000 00000 00000

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

98.3 Operationele doelstellingen

In deze paragraaf wordt besproken wat het ministerie van VWS concreet doet in het kader van dit niet-beleidsartikel. Eerst wordt ingegaan in op de ZBO’s voor het beheer en het toezicht van het zorgstelsel en op het beleid voor internationale samenwerking. Daarna volgen zes subparagrafen over respectievelijk de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) en de Gezondheidsraad (GR). Vervolgens wordt ingegaan op het strategisch onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) en de apparaatskosten van de Inspectie Jeugdzorg. Ten slotte volgen de apparaatsuitgaven van het kernministerie die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen.

98.3.1 Beheer en toezicht stelsel

De beheerkosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) die zich bezig houden met de uitvoering van en het toezicht op het huidige zorgstelsel worden uit begrotingsmiddelen gefinancierd. Het gaat hierbij om de volgende ZBO’s: de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het College voor zorgverzekeringen (CVZ), het College bouw zorginstellingen (CBZ) en het College sanering zorginstellingen (CSZ).

Jaarlijks vóór 1 oktober dienen deze ZBO’s een werkplan en begroting ter goedkeuring bij VWS in voor het daaropvolgende begrotingsjaar.

De NZa is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en

moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening

van haar taken. Die taken zijn:

+ Marktwerking in de zorg op gang brengen en bewaken;

+ Tarieven in de zorg reguleren;

+ Toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ.

Het CVZ heeft tot taak het uitvoeren van:

+ Pakketbeheer Zvw/AWBZ;

+ Fondsbeheer van het zorgverzekeringsfonds en het algemeen fonds;

+ Uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen en de

beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de

AWBZ; + Uitvoering regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden,

wanbetalers, onverzekerden, illegalen, gemoedsbezwaarden).

De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het CBZ komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, is er een overeenkomst 2009 tot en met 2013 gesloten met TNO.

Het CSZ zal ook in de toekomst een rol houden in het ex-ante toezicht op het behoud van het vermogen in de zorg. De positie van het CSZ als ZBO zal tot aan de inwerkingtreding van de Wet Cliënt en Kwaliteit van Zorg worden gehandhaafd.

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

98.3.2 Internationale samenwerking bevorderen

De recente grieppandemie bewijst eens te meer het belang van goede internationale samenwerking. Het kabinet is ervan overtuigd dat internationale samenwerking meerwaarde heeft voor het VWS beleid. De recente kamerbrief over de meerwaarde van het Europees beleid schetst de uitgangspunten die hierbij worden gehanteerd. Het moet om zaken gaan waarbij een gemeenschappelijke benadering meerwaarde biedt boven een nationale aanpak; de nadruk moet liggen op grensoverschrijdende problemen en er moet concrete meerwaarde zijn vanuit de missie van VWS. Het kabinet kiest ervoor om goed samen te werken met andere landen en multilaterale organisaties bij het vormgeven van onze internationale ambities.

Eigen en gedeelde verantwoordelijkheid

VWS is verantwoordelijk voor afstemming van internationale samenwerking op de beleidsterreinen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op specifieke gebieden wordt hiertoe nadrukkelijk samengewerkt met andere ministeries. Vooral de samenwerking met de ministeries van Ontwikkelingssamenwerking (WHO), Justitie (drugs), Economische zaken (geneesmiddelenbeleid) en Sociale Zaken en werkgelegenheid (EU) is hierbij van belang.

Instrumenten en activiteiten

Internationale samenwerking kent een breed scala aan instrumenten en

activiteiten. Met name kan hier worden gewezen op de volgende zaken:

+ Integratie van de BES-eilanden

De integratie van de BES-eilanden binnen Nederland is een intensief en

belangrijk traject waar veel internationale capaciteit mee gemoeid is.

+ Samenwerking op Europees en mondiaal niveau Het vertegenwoordigen van Nederland voor de voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport relevante onderwerpen bij internationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties (VN). Contacten met een beperkt aantal voor VWS belangrijke landen wordt gestimuleerd en de noodzakelijke reguliere contacten met de andere landen worden behartigd.

+ Nieuw Partnerschap met de WHO

Nederland sluit een hernieuwd partnerschapsprogramma af met de WHO.

Hiermee is een bedrag van € 6,0 miljoen gemoeid.

Het ministerie van VWS is voornemens haar partnerschapsprogramma

vanaf 2010 te integreren met het partnerschapsprogramma dat het

ministerie van Ontwikkelingssamenwerking heeft met de WHO. Het

partnerschapsprogramma vergroot de Nederlandse invloed binnen de

WHO. Via het partnerschapsprogramma worden ook de contacten tussen

de WHO en aan VWS gelieerde organisaties bevorderd.

+ Internationale samenwerking en besmettelijke ziekten De wereld wordt steeds kleiner en internationale contacten steeds intensiever. Besmettelijke ziekten stoppen niet bij grenzen. Er wordt samengewerkt met andere lidstaten en binnen multilaterale organisaties om de verspreiding van besmettelijke ziekten te beperken en om te komen

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

tot de ontwikkeling van geneesmiddelen en vaccins ter bestrijding en voorkoming van deze ziekten. Internationale solidariteit is daarbij van belang.

+ Grensoverschrijdende gezondheidzorg

Binnen Europa gaan steeds meer burgers de grens over voor hun gezondheidszorg. Vooral in grensstreken kan de dichtstbijzijnde zorgaanbieder zich in het buitenland bevinden. Zowel in EU verband als via bilaterale programma’s met Duitsland en België, werken we eraan om hier invulling aan te geven.

+ Internationaal personeels- en detacheringsbeleid Om internationaal goed samen te kunnen werken plaatst en detacheert VWS medewerkers in het buitenland en bij multilaterale organisaties. Inzet is om het aantal detacheringsplaatsen langzaam te verhogen, met name bij de EU en de WHO.

98.3.3 Verzameluitkering VWS

In de verzameluitkering van het ministerie van VWS zijn voor 2010 nog geen specifieke uitkeringen opgenomen. Het bestaande programma voor topsportevenementen en -accommodaties komt voor de verzamel-uitkering in aanmerking. Het betreft een programma waarmee vooral subsidies worden verleend aan sportbonden voor de organisatie van een topsportevenement. Incidenteel vindt er een uitkering aan een mede-overheid plaats in het kader van dit programma. Deze uitkering zal dan bij suppletore begroting in de verzameluitkering worden verantwoord. Ook andere uitkeringen aan medeoverheden kunnen in 2010 worden toegevoegd aan de eerste en tweede suppletore begroting.

98.3.4 Inspectie Gezondheidszorg (IGZ)

De IGZ is een handhavingsorganisatie die toezicht houdt op de volksgezondheid en zorg en overtredingen van wet- en regelgeving opspoort. Zij opereert tussen politiek, professie en publiek. Zij is ván de staat en werkt aan veilige, effectieve en patiëntgerichte zorg vóór burgers via zorgaanbieders. Vanuit haar wettelijke taakopdracht, verantwoordelijkheden en bevoegdheden draagt ze bij aan bescherming en bevordering van de volksgezondheid. Veilige zorg is daar een heel belangrijke component van. Door te waken over de kwaliteit van zorg maakt de inspectie zich sterk voor een gerechtvaardigd vertrouwen van de zorgconsument in de kwaliteit van zorg. De IGZ hanteert de methodiek van het gefaseerd toezicht (GT). Met deze systematiek krijgt de inspectie onder andere aan de hand van prestatie-indicatoren informatie over de kwaliteit van geleverde zorg. De IGZ maakt op basis daarvan een risico-inschatting en prioriteert haar toezicht.

De missie en visie van de IGZ worden in het jaarlijkse werkplan uitgewerkt in doelen, activiteiten en benodigde formatie. Dit werkplan geeft aan met welke inzet van activiteiten (werkwijze) en mensen IGZ haar doelen wil realiseren. Er wordt in 2010 in tien integrale inspectieprogramma’s gewerkt:

1    Gezondheidsbevordering;

2    Gezondheidsbescherming;

3    Eerstelijnsgezondheidszorg;

4    Specialistische somatische en psychiatrische zorg;

5    Gehandicaptenzorg;

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

6    Ouderenzorg;

7    Zorg thuis;

8    Productveiligheid;

9    Geestelijke Gezondheidszorg;

10  Medische technologie.

In de beleidsartikelen is opgenomen welk van de programma’s van de IGZ relevant zijn voor het beleidsdomein van dat artikel. In haar meerjaren-beleidsplan (MJB) schetst de IGZ de speerpunten tot 2011. Het jaar 2010 is het derde jaar uit de MJB-cyclus.

Jaarlijks geeft de inspectie in de Staat van de Gezondheidszorg (SGZ) haar visie op een actueel thema dat de gezondheidszorg in de volle breedte raakt. In 2010 onderzoekt de IGZ hoe het staat met sociaal-economische gezondheidsverschillen.

98.3.5 Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)

Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het SCP verricht zelfstandig onderzoek en rapporteert – gevraagd en ongevraagd – aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer, ministeries en andere maatschappelijke en overheidsorganisaties. De belangrijkste taken van het SCP zijn: + Het beschrijven van de situatie op sociaal en cultureel terrein in

Nederland en de te verwachten ontwikkelingen; + Het bijdragen aan verantwoorde keuzen van doeleinden en middelen

in het sociaal en cultureel beleid en het ontwikkelen van alternatieven; + Het beoordelen van het gevoerde beleid, speciaal het interdepartementale beleid.

Het SCP verricht daartoe sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de leefsituatie en de opvattingen van de burger, alsmede naar het (overheids-)beleid dat daarop van invloed is. Het werk van het SCP omvat de terreinen van nagenoeg alle ministeries. Eens per jaar geeft het SCP een overzicht van de voorgenomen activiteiten in een werkprogramma. De minister van VWS heeft het werkprogramma 2010 vastgesteld volgens de in de instellingsbeschikking vastgelegde procedure. Het werkprogramma is gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

 

Prestatie-indicatoren: Uren wetenschappelijk onderzoek SCP 2010

Input (in uren)

Kosten (x € 1 000)

  • 1. 
    Wetenschappelijk onderzoek (58 rapporten) 44 159
  • 2. 
    Kennisverspreiding 5564

4 605 580

Totaal 49723

5 185

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

Toelichting

1.  Wetenschappelijk onderzoek

Het onderzoeksprogramma van het SCP staat in het teken van het ondersteunen van het beleid van de overheid, waar dat gericht is op het behoud en de verhoging van het welzijn en het welbevinden van de Nederlandse burger en samenleving.

Het Werkprogramma 2010 sluit aan op de zes pijlers van het Beleidsprogramma van het kabinet.

Veel van de door het SCP in 2010 uit te voeren projecten vloeien voort uit eerder gemaakte afspraken of verkregen opdrachten. Het Sociaal en Cultureel Rapport (SCR) verschijnt iedere twee jaar als verplichting die direct voortvloeit uit het KB van 1973 waarin de oprichting van het SCP geregeld is. In oneven jaren brengt het SCP «De Sociale Staat van Nederland» uit (een brede inventarisatie van de levensomstandigheden van de Nederlandse bevolking), in even jaren een meer thematisch SCR. Er zijn langjarige afspraken over de opstelling van bijvoorbeeld het Jaarrapport Integratie, de Armoedemonitor, de Monitor Discriminatie op de Arbeidsmarkt op grond van etnische herkomst, de Emancipatiemonitor, «De Sociale Staat van het Platteland», «Het Cultureel Draagvlak» en de ontwikkeling van ramingsmodellen voor de vraag naar Jeugdzorg en Langdurige Zorg. Veel van het SCP-onderzoek is gebaseerd op door het CBS verzamelde en ter beschikking gestelde gegevens. Daarnaast laat het SCP zelf ook enkele grote surveys uitvoeren: het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek (gebruik van voorzieningen in de publieke sector), de Survey Integratie Minderheden, het Tijdsbestedingsonderzoek en het onderzoek Culturele Veranderingen (opvattingen en houdingen). Ook in 2010 zal het SCP ten behoeve van het kabinet rapporteren over de uitkomsten van het in 2008 gestarte onderzoek naar zorgen en maatschappelijke kwesties die leven in de bevolking en van belang zijn voor de politiek (Continu Onderzoek Burgerperspectieven).

2.  Kennisverspreiding:

Vele SCP-medewerkers hebben contacten met of maken deel uit van voor het SCP relevante wetenschappelijke of maatschappelijke organisaties, of hebben vanwege hun SCP-werk of -expertise een adviserende rol in allerlei gremia. Kennisverspreiding via publicaties of presentaties zijn een belangrijk onderdeel van het werk.

Een kerntaak van het SCP is het adviseren van departementen en andere overheidsinstanties op basis van de beschikbare kennis en inzichten. De positionering van het bureau binnen de rijksoverheid maakt het mogelijk deel te nemen aan het commissie- en advieswerk binnen de overheid (onderraden en voorportalen). Afgezien van deze vorm van indirecte advisering brengt het bureau ook met regelmaat adviezen uit aan (beleidsdirecties van) departementen. Deze advisering kan zeer uiteenlopend van karakter zijn, bijvoorbeeld via participatie in de kenniskamers van verschillende ministeries.

98.3.6 Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) is de adviesraad van het kabinet en de Staten Generaal voor de sociale verhoudingen in Nederland.

De wetgever heeft de RMO de taak gegeven te adviseren over «participatie van burgers en stabiliteit van de samenleving». De RMO adviseert zowel gevraagd als ongevraagd over de hoofdlijnen van beleid. De

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

begroting van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is afgeleid van het door het kabinet vastgestelde werkprogramma. Het werkprogramma voor 2010 is nog niet vastgesteld.

98.3.7 Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)

Het adviesdomein van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) is

VWS-breed, en omvat dus de curatieve zorg, de langdurige zorg, de

publieke gezondheid en de maatschappelijke ondersteuning. Het kabinet

stelt in de zomer van 2009 het definitieve werkprogramma 2010 van de

RVZ vast. Thema’s in het werkprogramma voor 2010 zijn:

+ Nieuwe beroepen en opleidingen;

+ Sturen op gezondheid;

+ Intersectorale zorg voor het kind;

+ Strategische zorgagenda 2011–2015;

+ Zorgtaken gemeenten.

De RVZ voert samen met de Gezondheidsraad het secretariaat van het

Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG). Het CEG publiceert elk jaar

signalementen over ethische thema’s. De volgende onderwerpen staan

voor 2010 op de rol:

+ Genetische aanleg en etniciteit;

+ Zorg op afstand.

Overleg tussen Gezondheidsraad en RVZ is gaande over een gezamenlijk

signalement in 2010.

Ook heeft het CEG een verwijs- informatiefunctie. De RVZ neemt deze

functie voor rekening aangezien deze functie beter past bij het RVZ dan bij

Gezondheidsraad.

98.3.8 Gezondheidsraad (GR)

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan. De raad heeft als taak de regering en het parlement van advies te dienen over de stand van kennis ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid. De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) had als een van de sectorraden de taak te adviseren over vraagstukken op het gebied van gezondheidsonderzoek, zorgonderzoek, medische technologie en de bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Met ingang van 1 februari 2008 is de RGO als raadscommissie ondergebracht bij de Gezondheidsraad.

Het werkterrein van de Gezondheidsraad omvat thans de volgende onderwerpen: preventie, gezondheidszorg, voeding, leefomgeving, arbeidsomstandigheden, health technology assessment, gezondheids(zorg)-onderzoek, medische technologieontwikkeling en kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd adviezen uit. In september stelt de minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast. De raad verwacht in 2010 circa 25 adviezen uit te brengen aan verschillende departementen.

De Gezondheidsraad heeft samen met de Hoge Gezondheidsraad van België een Europees netwerk opgericht van vergelijkbare organisaties: EUSANH (European Science Advisory Network for Health). Vanuit dit netwerk wordt gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit en efficiency van de wetenschappelijke advisering op nationaal en op Europees niveau. Hiervoor is subsidie verkregen van de Europese Commissie. VWS draagt voor drie jaar bij aan het netwerk.

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

98.3.9 Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De CCMO is een bij wet ingestelde commissie (Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Embryowet). Zij is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen op 1 maart 2006, treedt de CCMO tevens op als bevoegde instantie.

98.3.10 Strategisch onderzoek RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een baten-lastendienst en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de ministeries van VWS, VROM en LNV. Daarnaast doet het RIVM ook zogenoemd strategisch onderzoek. Dit is onderzoek om de expertise te ontwikkelen die nodig is voor de continuïteit van het instituut. Zo kan het RIVM zijn toekomstige taken voor de opdrachtgevers adequaat uitvoeren, op zowel de middellange als de lange termijn.

De Wet op het RIVM vormt de wettelijke basis voor het strategisch onderzoek dat dit instituut uitvoert. Deze wet bepaalt dat de directeur-generaal RIVM jaarlijks een programma van onderzoek opstelt. Hierin beschrijft hij welke inzichten het instituut moet verwerven om zijn taken adequaat te kunnen uitvoeren. Dit programma is openbaar. Met deze wettelijke bepaling laat de wetgever zien dat het RIVM professioneel zelfstandig is. In het licht van de betekenis van het strategisch onderzoek voor de toekomstige kennispositie van het RIVM is het budget voor het strategisch onderzoek belegd bij de secretaris-generaal van VWS, als «eigenaar» van de baten-lastendienst RIVM.

Een nieuwe vierjaarscyclus met speerpunten is in 2007 gestart. De speerpunten dekken de kennisdomeinen waarop het RIVM zijn kennis en kunde intact moet houden of moet vernieuwen. Het gaat in totaal om circa 60 projecten die jaarlijks worden geëvalueerd, en door de Commissie van Toezicht worden gevolgd om de kennispositie van het instituut te garanderen.

98.3.11 Strategisch onderzoek NVI

Het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) is een baten-lastendienst die projecten uitvoert voor zijn primaire opdrachtgever VWS. Net als het RIVM verricht ook het NVI daarnaast strategisch onderzoek om wetenschappelijke kennis en expertise te verwerven. Met die kennis en expertise kan het NVI zijn kerntaken uitvoeren en kan de continuïteit van het NVI op de langere termijn worden bestendigd. Het strategisch onderzoek is gebundeld in het Strategisch Vaccin Onderzoek Programma (SVOP).

Het strategisch onderzoek van het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) kan niet direct gekoppeld worden aan een specifiek product (vaccin, onderzoeksopdracht). Het NVI ontwikkelt onder meer onderzoeksmethoden, analyses van en oplossingen voor vaccinatieproblematiek, en verbreedt vaccinkennis. De projecten binnen het strategisch onderzoeksprogramma zijn geen zelfstandige, externe producten, maar interne projecten die de continuïteit waarborgen op de langere termijn. In het licht van de betekenis van het strategisch onderzoek voor de toekomstige kennispositie van het NVI is het budget voor het strategisch onderzoek belegd bij de secretaris-generaal van VWS, als «eigenaar» van de baten-lastendienst NVI.

Niet-beleidsartikelen/Artikel 98

Het SVOP wordt jaarlijks vastgesteld. De wetenschappelijke directeur wordt hierbij geadviseerd door een commissie, de SVOP Commissie. Deze bestaat uit een aantal interne en externe leden met expertise op onderzoeksgebied van vaccins en vaccinaties. De SVOP Commissie zal de projectplannen voor 2010 beoordelen op wetenschappelijk inhoudelijke gronden. Daarna zal het concept SVOP 2010 nog voor beoordeling worden voorgelegd aan de Raad van Advies die ten slotte een advies hierover zal uitbrengen aan de Eigenaar. De Eigenaar stelt het SVOP vervolgens vast.

Gelet op de organisatieontwikkeling van het NVI naar aanleiding van het besluit van de minister van VWS d.d. 10 februari 2009 (kamerstuk 22 894, nr. 213) zal bij de begrotingsvoorbereiding voor 2011 bezien worden welk budget voor strategisch onderzoek passend is.

98.3.12 Inspectie Jeugdzorg (IJZ)

Onder deze doelstelling worden de apparaatskosten van de Inspectie Jeugdzorg verantwoord. De Inspectie Jeugdzorg valt beleidsmatig onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. De apparaatskosten blijven conform afspraak in het coalitieakkoord geraamd worden op de begroting van VWS.

98.3.13 Personeel en materieel kernministerie

Onder deze doelstelling worden de personele en materiële uitgaven voor de stafdiensten, de facilitaire diensten en de zorgbrede directies verantwoord. De geraamde uitgaven zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid.

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

99.1 Algemeen

Dit artikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit het begrotingsdeel van dit niet-beleidsartikel vinden overboekingen van loon-en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Een deel van de loonbijstelling moet nog worden toegedeeld. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven

Begrotingsbedragen x € 1 000

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verplichtingen Uitgaven

Programma-uitgaven

1 – Loonbijstelling

2 – Prijsbijstelling

3 – Onvoorzien

4 – Taakstelling

Ontvangsten

 

0

  • 42 077
  • 46 855

-49 818

  • 29 504
  • 10 225
  • 19 338

0

  • 42 077
  • 46 855
  • 51 068
  • 29 529
  • 10 266
  • 19 338

0

  • 42 077
  • 46 855
  • 51 068
  • 29 529
  • 10 266
  • 19 338

0

214

175

152

133

173

173

0

12 317

12 685

12 419

11 797

11 811

11 811

0

55

79

149

1 125

1 081

1 081

0

  • 54 663
  • 59 794
  • 63 788
  • 42 584
  • 25 331
  • 32 403

4 200

4 900

4 900

4 900

4 900

Premie-uitgaven:

Op dit artikel zijn verschillende bedragen opgenomen die nog niet aan de afzonderlijke beleidsartikelen zijn toegedeeld. Daarbij gaat het om de loon- en prijsbijstelling voor 2010 en latere jaren, gereserveerde bedragen voor bouw en de autonome volumegroei tot het jaar 2014.

 

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Nominaalenonvoorzien 67,0

179,7

934,8

1 821,0

4 952,8

8 342,2

11 978,6

Totaal 67,0

179,7

934,8

1 821,0

4 952,8

8 342,2

11 978,6

0

0

BATEN-LASTEN DIENSTEN

  • 1. 
    Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (aCBG)

1.1 Inleiding

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) bestaat uit een College en een secretariaat dat is ondergebracht in een agentschap (aCBG). Het College is een organisatie met een zelfstandige bevoegdheid (zelfstandig bestuursorgaan (ZBO)). De uitvoeringsorganisatie ter ondersteuning van het CBG is een agentschap van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Naast de taken voor het CBG ondersteunt het agentschap tevens het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bij de uitvoering van veterinaire geneesmiddelenbeoordeling door de Commissie Registratie Diergeneesmiddelen (CRD) en -bewaking en de directie Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie (VGP) van het ministerie van VWS bij de beoordeling van nieuwe voedingsmiddelen.

De belangrijkste taken op basis van de Nederlandse Geneesmiddelenwet

(2007), de Diergeneesmiddelenwet en Europese Verordeningen zijn voor

het CBG:

+ Verstrekken, handhaven en schorsen van handelsvergunningen op basis van de beoordeling van werkzaamheid, risico’s en kwaliteit;

+ Vaststellen van de afleverstatus humaan, dus het bepalen of het

geneesmiddel uitsluitend op recept, uitsluitend via de apotheek, via de drogist of in de vrije verkoop verkrijgbaar mag zijn;

+ Vaststellen van de afleverstatus veterinair, dus het bepalen of het diergeneesmiddel uitsluitend door een dierenarts mag worden toegediend, afgeleverd mag worden door dierenarts of apotheker, op recept afgeleverd mag worden door dierenarts, apotheker of vergunninghouder, of vrij verkrijgbaar is;

+ Geneesmiddelenbewaking;

+ Geven van wetenschappelijk advies in het kader van geneesmiddelontwikkeling.

De meest up-to-date informatie over de organisatiestructuur, collegeleden

en achtergrondinformatie over processen en procedures vindt men op de

CBG-website: www.cbg-meb.nl.

Baten-lasten diensten

1.2 Begroting van baten en lasten 2010

 

Tabel 1.1: Begroting van baten en

lasten (bedragen

x € 1 000)

 

2010

Baten

     

Opbrengst moederdepartement

   

178

Opbrengst overige departementen

   

500

Opbrengst derden

   

38 550

Rentebaten

   

400

Totaal baten

   

39 628

Lasten

     

Apparaatskosten

   

37 010

– Personele kosten

   

18 957

– Materiële kosten

   

18 053

ZBO College

   

725

Afschrijvingskosten

   

1 900

Totaal lasten

   

39 635

Saldo van baten en lasten

   

-7

Toelichting op de begroting van baten en lasten

 

Tabel 1.2: Verdeling productgroepen opbrengst derden (bedragen x

€ 1 000)

Beoordelen van nationale aanvragen

3 700

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

3 400

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

2 300

Beoordelen DCP’s

12 500

Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedings-

 

middelen

50

Jaarvergoedingen

12 800

Bureau Diergeneesmiddelen

3 800

Opbrengst derden

38 550

Beoordelen van nationale aanvragen

Het beoordelingsproces van een nationale aanvraag betreft de aanvraag van een handelsvergunning voor een nieuw op de Nederlandse markt te brengen geneesmiddel. De handelsvergunning wordt door het CBG afgegeven. Het betreffende geneesmiddel komt alleen in Nederland op de markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

Om een Europese handelsvergunning voor een geneesmiddel van de Europese Commissie toegekend te krijgen, moet de fabrikant de centrale procedure volgen. De fabrikant kan dan een handelsvergunning krijgen die in alle EU-lidstaten geldig is. De coördinatie van de centrale procedure berust bij het Europese geneesmiddelenagentschap (EMEA).

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP (Mutual Recognition Procedure)

In een MRP-procedure heeft een ander EU-lidstaat een handelsvergunning verleend. Het CBG beoordeelt of deze geneesmiddelen, op basis van het beoordelingsrapport van de andere lidstaat, toegelaten kunnen worden op de Nederlandse markt.

Baten-lasten diensten

+ Beoordelen DCP’s (Decentrale Procedures)

Een Decentrale Procedure kan door de fabrikant worden gebruikt om een handelsvergunning in meerdere lidstaten te verkrijgen als nog in geen enkel land een handelsvergunning is verkregen. De fabrikant kan een EU-lidstaat vragen om het beoordelingsproces te verrichten. Deze lidstaat wordt dan Referentieland (RMS). Na het beoordelingsproces starten de overige lidstaten een MRP-procedure.

+ Beoordeling van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

Het CBG verricht beoordelingswerkzaamheden voor homeopathische geneesmiddelen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen. Nieuwe voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen of voedselingrediënten die voor 15 mei 1997 niet in significante mate in de Europese gemeenschap voor de menselijke voeding zijn gebruikt.

+ Jaarvergoedingen

Voor het op de markt brengen van een geneesmiddel moet door de registratiehouder jaarlijks een vergoeding worden betaald. De tarieven zijn gebaseerd op het Besluit registratie geneesmiddelen (BRG) en het Besluit vergoedingen wet op de geneesmiddelenvoorziening. De tarieven zijn kostendekkend vastgesteld.

+ Bureau Diergeneesmiddelen

Het Bureau Diergeneesmiddelen beoordeelt en verleent vergunningen voor de productie en distributie van diergeneesmiddelen.

Naast opbrengsten van derden ontvangt het aCBG van het moederdepartement een bedrag van € 178 000 ter dekking van de kosten van het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen. Het Bureau Diergeneesmiddelen verricht voor het ministerie van LNV beleidsondersteunende activiteiten. Hiervoor is een bedrag begroot van € 500 000.

In de materiële kosten is een bedrag begrepen van € 4 miljoen in verband met de kosten van herhuisvesting.

De kosten van het ZBO College hebben betrekking op salariskosten, presentiegelden en vergaderkosten.

1.3 Doelmatigheid

Het aCBG zal gebruik maken van de volgende key performance indicators om doelmatigheid aan te tonen en/of te toetsen. De gerealiseerde waarden zullen worden afgezet tegen begrote waarden dan wel normen:

 

Tabel 1.3: Key performance indicatoren

   

2008

Begroot

2009

Begroot 2010

Aantal zaken per fte (om de efficiency van de productie inzichtelijk te maken)

 

100

 

119

124

Uurtarieven (om de kostenefficiency aan te tonen). Deze indicator zal een gemiddelde zijn over alle functies waarbij naar het primaire proces exclusief onderzoekskosten gekeken zal worden.

 

€ 95

 

€ 98

€ 99

Aantal en aard van klachten (om inzicht te krijgen in de geleverde kwaliteit van de productie)

7 klachten, waarvan 3 gegrond verklaard

 

-

15 klachten, waarvan 10 gegrond verklaard

Baten-lasten diensten

Toelichting

De stijging van het gemiddelde uurtarief wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere afschrijvingslasten van immateriële vaste activa en extra kosten in verband met de verwachte verhuizing.

  • 2. 
    Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG)

2.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2003 is het CIBG een baten-lastendienst. De kerntaken van het CIBG ten behoeve van zorgaanbieders, burgers en bedrijven zijn: + Het registreren, beheren, genereren, beoordelen en verstrekken van

vertrouwelijke (zorg)gegevens die leiden tot besluiten, beschikkingen

en vergunningen; + Hoogwaardig ondersteunen van onafhankelijke commissies en

colleges; + Verstrekken van informatie over en begeleiden bij implementatie van

CIBG producten. De organisatie bestaat nu nog uit een staf en twee ondersteunende afdelingen en acht uitvoerende units. In 2009 is een reorganisatietraject gestart waarbij een nieuw besturingsmodel wordt ingevoerd en de indeling van de organisatie wordt gewijzigd. In de begroting is met deze ontwikkelingen nog geen rekening gehouden.

Meer informatie over de organisatie en taken van het CIBG vindt men op de CIBG-website: www.cibg.nl.

2.2 Begroting van baten en lasten 2010

 

Tabel 2.1: Begroting van

baten

en lasten (bedragen

x € 1 000)

 

2010

Baten

       

Opbrengst opdrachtgevers VWS

   

22 478

Opbrengst derden

     

2 581

Rentebaten

     

10

Totaal baten

     

25 069

Lasten

       

Apparaatskosten

     

23 785

– Personele kosten

     

15 666

– Materiële kosten

     

8 119

Rentelasten

     

59

Afschrijvingskosten

     

1 213

Totaal lasten

     

25 057

Saldo van baten en lasten

     

12

Toelichting op de begroting van baten en lasten

Naast de opbrengsten op basis van opdrachten vanuit de beleidsdirecties van VWS ontvangt het CIBG ook opbrengsten (baten) van burgers en bedrijven voor het verrichten van verschillende (wettelijke) registratieactiviteiten en verleende vergunningen en ontheffingen tegen door het departement vastgestelde tarieven alsmede de verkoop van medicinale cannabis.

Baten-lasten diensten

 

Tabel 2.2: Opbrengst (bedragen x € 1 000)

 

Opdrachtgevers

Derden

 

VWS

 

RIBIZ (Registratie en Informatie Beroepen In de Zorg)

3 167

1 030

Farmatec (Farmacie en Medische Technologie)

1 109

1 250

BMC (Bureau Medicinale Cannabis)

130

266

Donorregister

3 699

 

UZI-register (Unieke Zorgverleners Identificatie)

4 300

 

SBVz (Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg)

4 229

 

Regionale Toetsingcommissies Euthanasie (RTE)

1 057

 

Deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en

   

levensbeëindiging pasgeborenen

82

 

Register van Donoren Kunstmatige Bevruchting

98

 

Databank Maatschappelijke Verantwoording

300

 

Toelating Zorginstellingen

1 918

 

Landelijke Verwijsindex Risicojongeren

447

 

Patiënten-, Gehandicapten- en Ouderenorganisaties

1 942

 

Kwaliteitsregister Paramedici

 

35

Totaal

22 478

2 581

2.3 Doelmatigheid

In de jaarverantwoording zal het daadwerkelijk gerealiseerde resultaat van een aantal afgesproken kwantitatieve en kwalitatieve prestatie-indicatoren (o.a. doorlooptijden, aantal klachten en bezwaarschriften, bereikbaarheid) in relatie tot het vorige boekjaar worden opgenomen.

 

Tabel 2.3: Verloop kostprijzen (in euro’s) en prestatie-indicatoren van enkele producten

 

2008

Begroot 2009

Begroot 2010

RIBIZ

     

Kostprijs beschikking BIG-register in €

130,00

147,00

147,00

Kostprijs vakbekwaamheidverklaring in €1

1 927,00

4 668,00

4 668,00

Aantal klachten/bezwaar en beroep

12

10

10

RTE

     

Kostprijs oordeel in €

498,00

526,67

526,67

Gerealiseerde doorlooptijd (wet. norm 42 dagen)

32 dagen

42 dagen

42 dagen

Donorregister

     

Kostprijs registratie wilsbeschikkingen in €

6,73

8,00

8,00

Aantal klachten/bezwaar en beroep

1

0

0

Gerealiseerde doorlooptijd (wet. norm 42 dagen)

22 dagen

42 dagen

42 dagen

Farmatec

     

Kostprijs vergunningen in €2

1 353,38

1 775,00

1 775,00

Toelichting:

1   De sterke daling (– 50%) van het aantal aanvragen voor een verklaring in relatie tot de relatief hoge vaste kosten en verschuiving van lasten heeft de kostprijs sterk doen stijgen.

2   Op grond van de nieuwe Geneesmiddelenwet is het aantal soorten vergunningen en daarmee ook het volume sterk teruggebracht. Als gevolg daarvan is de kostprijs sterk gestegen.

De kostprijsontwikkelingen worden daarnaast ook beïnvloed door onder andere gewijzigde productsamenstelling en doorberekening van hogere lasten door het kerndepartement.

Baten-lasten diensten

  • 3. 
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

3.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2004 is het RIVM een baten-lastendienst van het ministerie van VWS. Het RIVM bevordert door onderzoek, uitvoering en ondersteuning de publieke gezondheid en een schoon en veilig leefmilieu. De taken van het RIVM zijn erop gericht de publieke gezondheid, een gezond leefmilieu en de veiligheid van de leefomgeving te bevorderen. Kerntaak van het RIVM is het verrichten van onderzoek en het wereldwijd verzamelen van kennis. De uitkomsten daarvan dienen als beleidsondersteuning voor de overheid. Het RIVM voert onderzoek uit voor de ministeries van VWS, VROM, LNV en SZW, voor diverse inspecties en voor internationale organisaties zoals de Europese Unie, de WHO en de Verenigde Naties. Informatie over de resultaten van het RIVM-onderzoek zijn te vinden via de thematische ingangen van de website www.rivm.nl. Het RIVM vervult ook regiefuncties en verzorgt de landelijke coördinatie van preventie- en interventieprogramma’s, zoals het Rijksvaccinatie-programma (RVP).

3.2 Begroting van baten en lasten

 

Tabel 3.1: Begroting van

baten en

lasten (bedragen x € 1 000)

 
   

2008

2009

2010

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

121 102

119 575

117 440

– Eigenaar

 

13 578

13 150

13 144

Opdrachtgevers

 

107 524

106 425

104 29 6

Opbrengst overige departementen

55 406

52 610

51 836

- VROM

 

50 010

49 680

48 686

- LNV

 

632

780

650

– Overige departementen

 

4 764

2 150

2 500

Opbrengst derden

 

144 967

166 868

170 205

Rentebaten

 

4 029

1 050

1 050

Vrijval voorzieningen

 

4 243

0

0

Totaal baten

 

329 747

340 103

340 531

Lasten

       

Apparaatskosten

 

318 608

334 942

335 355

– Personele kosten

 

110 037

110 836

110 913

– Materiële kosten

 

208 571

224 106

224 442

Rentelasten

 

428

270

393

Afschrijvingskosten

 

5 559

4 891

4 783

Dotaties voorzieningen

 

8 819

0

0

Totaal lasten

 

333 414

340 103

340 531

Saldo van baten en lasten

 

-3 667

0

0

Toelichting op de begroting van baten en lasten

De bedragen 2008 betreffen de gerealiseerde baten en lasten volgens de jaarrekening over 2008. De bedragen 2009 betreffen het geplande beloop. De omzetbedragen voor 2010 voor de primaire opdrachtgevers (VWS-eigenaar, VWS-opdrachtgevers, VROM en LNV) zijn ramingen op grond van de gerealiseerde omzetten in het komende jaar en thans bekende

Baten-lasten diensten

ontwikkelingen in het komende jaar. De overige omzetbedragen zijn gebaseerd op lopende en naar verwachting nog aan te gane contracten met overige opdrachtgevers.

De hoogte van de inkomsten is afhankelijk van overeenstemming tussen opdrachtgevers en RIVM over aard en omvang van de te verrichten activiteiten en – daarmee samenhangend – de in rekening te brengen kosten (zijnde uren x tarief plus directe projectgebonden kosten). De geraamde baten van VWS-eigenaar zijn hoofdzakelijk bestemd voor het strategisch onderzoek van het RIVM en als aanvullend huisvestingsbudget.

De geraamde baten van VWS-opdrachtgevers betreffen inkomsten die het RIVM op grond van lopende werkprogramma’s en thans bekende ontwikkelingen verwacht te verkrijgen door opdrachtverlening door de beleidsdirecties van VWS, de IGZ en de VWA.

De geraamde baten van VROM en LNV volgen uit werkzaamheden die op het taakveld milieu worden uitgevoerd in opdracht van de beleidsdirecties van VROM en de VROM-Inspectie respectievelijk LNV. Baten van derden verkrijgt het RIVM door het uitvoeren van werkzaamheden voor derden in Nederland en internationaal.

Uit de baten worden de lasten bestreden. De personele kosten bedragen circa € 111 miljoen, waarvan € 94,4 miljoen voor ambtelijk personeel en € 16,6 miljoen voor inhuur. De materiële kosten bedragen circa € 224 miljoen. De helft daarvan betreft uitvoeringskosten voor het Rijks-vaccinatieprogramma (€ 114,8 miljoen).

In deze begroting zijn verwerkt de taakstellingen op grond van het Coalitieakkoord Balkenende IV, voor zover deze in euro’s gekwantificeerd zijn. De taakstellingen worden grotendeels ingevuld via efficiencymaatregelen waartoe de reële tarieven van het RIVM (dus los van algemene loon-en prijsontwikkelingen) worden verlaagd met 2% vanaf 2008, 4% vanaf 2009 en 6% vanaf 2010. De invulling van het restant van de totale aan het RIVM opgelegde taakstelling van 10% in 2011 zal naar verwachting plaatsvinden via uitplaatsing van taken. De kosten van deze uitplaatsingstrajecten zijn nog niet bekend en derhalve niet in de begroting opgenomen.

3.3 Doelmatigheid

Doelstelling bij de instelling als baten-lastendienst is geweest dat het RIVM door resultaatgericht management aantoonbaar doelmatiger gaat werken. Doelmatigheid heeft betrekking op het verband tussen de ingezette middelen en de door de dienst geleverde hoeveelheid producten en diensten. Het gaat om de verhouding tussen prijs en kwaliteit. Indicator voor de efficiency is het gewogen uurtarief. De uurtarieven worden jaarlijks door de eigenaar vastgesteld. De hoogte van de tarieven wordt bepaald door onder meer de ontwikkeling van de loonkosten, de materiële kosten (waaronder de huren die de Rijksgebouwendienst in rekening brengt) en het aantal te declareren uren per medewerker.

Baten-lasten diensten

 

Tabel 3.2: Ontwikkeling doelmatigheid bedrijfsvoering Rijksinstituut

voor Volksgezondheid

en Milieu

   
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Begroot 2009

Begroot 2010

Uurtarief

Gewogen uurtarief in € Ontwikkeling uurtarief (2003=100)

108,94 100,0

107,20 98,4

106,10 97,4

103,90 95,4

103,90 95,4

105,15 96,5

106,60 97,9

108,04 99,2

Taakstellingen (verwerkt in uurtarief)

Efficiencytaakstelling Balkenende I in % Efficiencytaakstelling Balkenende II in % Efficiencytaakstelling Balkenende IV in %

Exploitatieresultaat in k €

-

  • 2%
  • 1%

0

  • 1%
  • 1%

4 721

  • 1%
  • 1%

122

  • 2% 1 928
  • 2% -3 667
  • 2% 0
  • 2% 0

Toelichting

De stijging in de jaren 2009 en 2010 ten opzichte van het voorgaande jaar hangt samen met de stijgende personele kosten op grond van het CAO-akkoord Rijk 2007 en de stijging van de materiële kosten. Het gewogen uurtarief 2010 betreft het door het RIVM voorgestelde voorlopige tarief.

  • 4. 
    Nederlands Vaccin Instituut (NVI)

4.1 Inleiding

Het NVI heeft als missie: de Nederlandse bevolking beschermen tegen infectieziekten door vaccins te leveren voor vaccinatie onder normale en bijzondere omstandigheden. Het NVI heeft een drietal kerntaken: + Levering van vaccins voor de Nederlandse vaccinvoorziening (NVV); + Onderzoek en ontwikkeling op het terrein van vaccins voor de NVV; + Voorhanden hebben van actuele kennis over vaccins en vaccinatie. Meer informatie over de organisatie en taken van het NVI vindt men op de NVI-website: www.nvi-vaccin.nl.

Op 10 februari 2009 heeft de minister zijn besluit over de toekomst van het NVI per brief aan de Tweede Kamer medegedeeld. Dat besluit markeert de start van een transitieproces, dat grote impact zal hebben op het NVI in zowel het lopende jaar 2009 als het begrotingsjaar 2010. In onderstaande begroting is met de grotendeels nog onbekende financiële effecten hiervan nog niet of nauwelijks rekening gehouden.

In deze NVI-begroting is nog geen rekening gehouden met de kosten van de grieppandemie.

Baten-lasten diensten

4.2 Begroting van baten en lasten

 

Tabel 4.1: Begroting van baten en

lasten (bedragen x € 1 000)

 
   

2008

2009

2010

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

 

43 086

49 100

41 520

Opbrengst Rijksvaccinatieprogramma

 

57 134

98 300

72 300

Opbrengst derden

 

39 556

45 500

48 594

Buitengewone baten

 

125

1 300

0

Totaal baten

 

139 901

194 200

162 414

Lasten

       

Apparaatskosten

 

131 909

188 300

156 914

– Personele kosten

 

24 868

26 500

25 500

– Materiële kosten

 

56 914

72 300

66 964

– Aangekocht product Rijksvaccinatieprogramma

50 127

89 500

64 450

Rentelasten

 

1 251

2000

2 500

Afschrijvingskosten

 

3 207

6 000

7 000

Buitengewone lasten

 

6 130

0

0

Totaal lasten

 

142 497

196 300

166 414

Saldo van baten en lasten

 

-2 596

-2 100

-4 000

Toelichting op de begroting van baten en lasten

Het NVI genereert zijn opbrengsten door bijdragen van het moederdepartement, omzet uit belevering van het Rijksvaccinatieprogramma en werken voor derden.

+ De opbrengst moederdepartement bestaat onder andere uit de

opbrengsten voor het uitvoeren van de Opdrachtgeversovereenkomst (OGO), het Strategisch Vaccin Onderzoeksprogramma (SVOP) en (de bijdrage aan de vaste kosten van) het Gemeenschappelijk ProefdierLaboratorium (GPL). De bedragen voor de OGO en het SVOP zijn gebaseerd op de uitkomsten van het verbeterde kostprijsmodel op basis van integrale kosten. In onderstaande grafiek is de hieruit voortvloeiende budgetherverdeling met ingang van 2009 weergegeven (bedragen x € 1 000);

 
   

€ 26.721

 

€ 26.721

 

€ 25.000-

         
         

€ 20.000-

 

SVOP

 

overig

     
   
   

SVOP

   

€ 10.000

€ 5.000-

 
 

OGO

 

OGO

 
         
           

2009

na herverdeling

Baten-lasten diensten

+ De opbrengst moederdepartement in 2010 omvat naast een reguliere bijdrage van € 26,7 miljoen een bijdrage voor doorlopende vaste kosten (€ 8,0 miljoen) en € 6,8 miljoen aan additionele opbrengsten opgenomen voor o.a. het onderzoeksproject RSV (uit het Fonds economische structuurversterking). In 2009 is sprake van tijdelijke compensatie voor het aanschaffen van BMR (€ 2,1 miljoen) en een vergoeding voor het uitvoeren van een extra project (grieppandemie) van ca. € 5,0 miljoen;

+ De fluctuatie in de opbrengst RVP heeft onder meer te maken met de invoering van het HPV-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma en het uitvoeren van een inhaalcampagne;

+ De opbrengst derden vertoont een stijgende lijn. Dit wordt enerzijds verklaard door het uitvoeren van een aantal grote extern gefinancierde onderzoeksprojecten en anderzijds door een hogere omzet polio. Ook de opbrengst voor het uitvoeren van de griepcampagne is (nog) onder opbrengst derden opgenomen (vanwege de rol van de SNPG);

+ De buitengewone bate 2009 betreft een fiscale meevaller (vpb-teruggave uit voorgaande jaren).

Het NVI ontvangt compensatie voor vaste kosten van het productieapparaat, voor zover dat niet (meer) voor het RVP wordt benut. Het effect van het definitief stopzetten van de BMR-productie is hierin nog niet meegenomen; dit verklaart ook het negatieve saldo in 2009 respectievelijk 2010. Voor het vraagstuk van de onderbenutting van de productiecapaciteit zal in het kader van de transitie een structurele oplossing moeten worden gevonden.

De grootste kostenposten zijn materiële kosten, aangekocht product RVP

en personele kosten.

+ De fluctuatie in de materiële kosten wordt verklaard door het tijdelijk uitvoeren van extra projecten die ook tijdelijke extra kosten met zich meebrengen;

+ De fluctuatie in de kosten aangekocht product RVP heeft te maken met de invoering van het HPV-vaccin (zie ook opbrengst RVP);

+ De raming van de personele kosten is in 2010 met € 1 miljoen verlaagd ten opzichte van de verwachting 2009. Dit zal enerzijds worden opgelost door het natuurlijke verloop van het personeelbestand, anderzijds wordt een daling van de externe inhuur in 2010 verwacht. Beide effecten veronderstellen dat, vooruitlopend op de invulling van de personele taakstelling in het kader van de transitie, vacatures niet meer worden ingevuld en dat er sprake is van een hogere interne mobiliteit.

De rentelasten en afschrijvingskosten zijn de resultante van het meerjarige investeringsprogramma; ook dit zal in het kader van de transitie worden herijkt.

4.3 Doelmatigheidsparagraaf

Het NVI meet de doelmatigheid via de productiviteit per medewerker. Als nulmeting geldt de realisatie van 2008 die uitkwam op 75%. Voor 2009 is de doelstelling een productiviteit die hoger is dan 80%. De verwachting is dat medewerkers in het kader van het transitietraject meer aan (om)scho-ling gaan doen, wat ten koste van de productiviteit gaat. De verwachting is dat daardoor de productiviteit in 2010 op het niveau van 2008 zal liggen: 75%.

Baten-lasten diensten

Tabel 4.2: Ontwikkeling productiviteit per medewerker

Begroot Begroot 2008             2009              2010

Productiviteit per medewerker                                                    75%             80%               75%

  • 5. 
    Rijksinstelling voor gesloten jeugdzorg Den Engh

5.1 Inleiding

Sinds 1 februari 2009 is Den Engh een baten-lastendienst. In 2009 is de tijdelijke status toegekend (kamerstuk 31 914, nr. 1) en is het vervolgtraject naar een definitieve status ingezet. Den Engh is een voormalige rijksinrichting binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie, die per genoemde datum is omgevormd tot een gesloten jeugdzorg instelling. De primaire opdrachtgever van Den Engh is het ministerie voor Jeugd en Gezin. Omdat het een rijksinstelling betreft en het ministerie van VWS de beheersfuncties voor Jeugd en Gezin uitvoert, ressorteert de instelling onder het ministerie van VWS.

Den Engh richt zich op het opvoeden en behandelen van jongeren met (meervoudige) gedragsproblemen, met als doel het verminderen van probleemgedrag en het bieden van een reëel toekomstperspectief. De huidige behandelcapaciteit bedraagt 168 plaatsen. In 2010 zal het aantal behandelplaatsen worden uitgebreid naar 202 plaatsen door nieuwbouw op de locatie Ossendrecht. De capaciteit zal dan bestaan uit 120 plaatsen in Den Dolder (hoofdlocatie), 64 plaatsen in Ossendrecht en 18 plaatsen op een tweetal opleidingschepen.

Meer informatie over de organisatie en taken van het Den Engh vindt men op de website: www.den-engh.nl.

5.2 Begroting van baten en lasten

 

Tabel 5.1: Begroting van

baten en

lasten (bedragen

x € 1 000)

 

2010

Baten

       

Opbrengst Jeugd en Gezin

     

28 045

Opbrengst overige departementen

   

630

Overige opbrengsten

     

25

Totaal baten

     

28 700

Lasten

       

Apparaatskosten

     

26 727

– Personele kosten

     

18 066

– Materiële kosten

     

8 661

Afschrijvingskosten

     

1 220

Rentelasten

     

111

Dotatie voorzieningen

     

543

Totaal lasten

     

28 700

Saldo van baten en lasten

     

0

Baten-lasten diensten

Toelichting begroting van baten en lasten

Den Engh ontvangt vanuit Jeugd en Gezin een drietal bijdragen:

+ Een bijdrage voor exploitatielasten (gesloten jeugdzorg);

+ Een vaste bijdrage voor kapitaallasten (huur en service, rente en

afschrijving); + Incidentele bijdragen vanwege bijzondere omstandigheden als

Rijksinrichting (o.a. opbouw FLO-voorziening en transitiekosten).

Daarnaast voert Den Engh een ESF-project (Europees Sociaal Fonds) uit in het kader van Workwise (arbeidstoeleiding van gedetineerde jongeren). Het onderwijs dat de jongeren ontvangen wordt bekostigd vanuit middelen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW). Voor het ESF project fungeert OCW als co-financier.

Het aantal fte stijgt van 230 fte in 2009 naar 274 fte in 2010. Deze toename komt voort uit de uitbreiding van de capaciteit in Ossendrecht. Ook de materiële kosten zullen hierdoor stijgen.

De dotatie voor de voorziening betreft de medewerkers die vanwege een bezwarende functie gebruik maken van de FLO (functioneel leeftijdsontslag) regeling. Deze bedragen (loonkosten tot aan pensioenleeftijd van 65 jaar) worden ineens bij aanvang van het FLO ten laste van het resultaat aan de voorziening toegevoegd.

5.3 Doelmatigheid

Den Engh bevindt zich in de procedure naar een definitieve status van een baten-lastendienst. Op dit moment zijn er nog geen doelmatigheidsindica-toren benoemd met betrekking tot de gesloten jeugdzorg. In het «Startdocument baten-lastendienstvorming rijksinstelling Den Engh» is afgesproken dat de kandidaatsdienst vanuit het kwaliteitskader gesloten jeugdzorg in 2010 doelmatigheidsindicatoren heeft opgesteld. De indicatoren dienen SMART gedefinieerd te worden en gekoppeld te worden aan een norm.

De transitie van een jeugdgevangenis in Justitie-verband naar een relatief zelfstandige jeugdzorginstelling is een omvangrijk proces, zowel qua bedrijfsvoering, behandeling en huisvesting. Daarnaast is er veel inspanning nodig om te voldoen aan het streefbeeld jeugdzorg plus (zoals de certificering via Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector, het terugbrengen van de behandel groepsgrootte naar maximaal 10 per groep en het regionaal werken) en om de instroom en doorstroom van jongeren op de juiste wijze te regelen met behoud van voldoende bezetting.

Financiële verbetering is mogelijk door efficiencyslagen te maken binnen alle primaire en secundaire processen, door het kostenbewustzijn te verbeteren en door het vergroten van de behandelcapaciteit en het zorgaanbod.

De invoering van een ander (gedifferentieerd) kostprijssysteem prijs (p) x hoeveelheid (q) per product/dienst realisatie, zal leiden tot een transparantere kostenstructuur.

Baten-lasten diensten

  • 6. 
    Rijksinstelling voor gesloten jeugdzorg De Lindenhorst

6.1 Inleiding

Sinds 1 februari 2009 is De Lindenhorst een baten-lastendienst. In 2009 is de tijdelijke status toegekend en is het vervolgtraject naar een definitieve status ingezet (kamerstuk 31 914, nr. 1). De Lindenhorst is een voormalige rijksinrichting binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie, die per genoemde datum is omgevormd tot een gesloten jeugdzorg instelling. De primaire opdrachtgever van De Lindenhorst is het ministerie voor Jeugd en Gezin. Omdat het een rijksinstelling betreft en het ministerie van VWS de beheersfuncties voor Jeugd en Gezin uitvoert, ressorteert de instelling onder het ministerie van VWS.

De Lindenhorst is een gespecialiseerde jeugdzorg instelling en heeft als kerntaak het bieden van optimale bescherming en intensieve behandeling aan meisjes met ernstige gedragsproblemen.

Meer informatie over de organisatie en taken van De Lindenhorst vindt men op de website: www.delindenhorst.nl.

6.2 Begroting van baten en lasten

 

Tabel 6.1: Begroting van

baten en

lasten (bedragen

x € 1 000)

 

2010

Baten

       

Opbrengst Jeugd en Gezin

     

9 897

Opbrengst overige departementen

   

691

Opbrengst derden

     

26

Totaal baten

     

10 615

Lasten

       

Apparaatskosten

     

9 628

– Personele kosten

     

6 055

– Materiële kosten

     

3 198

– Kosten OCW i.h.k.v. ESF

     

375

Rentelasten

     

21

Afschrijvingskosten

     

120

Dotatie voorzieningen

     

845

Totaal lasten

     

10 615

Saldo van baten en lasten

     

0

Toelichting begroting van baten en lasten

Baten

De Lindenhorst ontvangt vanuit Jeugd en Gezin een drietal bijdragen:

+ Een bijdrage voor exploitatielasten (gesloten jeugdzorg);

+ Een vaste bijdrage voor kapitaalslasten (huur en service, rente en

afschrijving); + Incidentele bijdragen vanwege bijzondere omstandigheden als

Rijksinrichting (o.a. opbouw FLO voorziening en transitiekosten).

Baten-lasten diensten

Daarnaast voert De Lindenhorst een ESF-project (Europees Sociaal Fonds)

uit in het kader van Workwise (arbeidstoeleiding van gedetineerde

jongeren).

Het onderwijs dat de jongeren ontvangen wordt bekostigd vanuit

middelen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

(OCW).

Lasten

De dotatie voor de voorziening betreft de medewerkers die vanwege een bezwarende functie gebruik maken van de FLO (functioneel leeftijdsontslag) regeling. Deze bedragen (loonkosten tot aan pensioenleeftijd van 65 jaar) worden ineens bij aanvang van het FLO ten laste van het resultaat aan de voorziening toegevoegd.

6.3 Doelmatigheid

De Lindenhorst bevindt zich in de procedure naar een definitieve status van een baten-lasten dienst. Op dit moment zijn er nog geen doelmatig-heidsindicatoren benoemd met betrekking tot de Gesloten Jeugdzorg. In het «Startdocument baten-lastendienstvorming rijksinstelling De Lindenhorst» is afgesproken dat de kandidaatsdienst vanuit het kwaliteitskader gesloten jeugdzorg in 2010 doelmatigheidsindicatoren heeft opgesteld. De indicatoren dienen SMART gedefinieerd te worden en gekoppeld te worden aan een norm.

De visie van De Lindenhorst is gericht op een zo lang als nodig en zo kort als mogelijk verblijf van het meisje in de geslotenheid. De Lindenhorst heeft door de kleinschaligheid een relatief hoge kostprijs per capaciteits-plaats. De doelmatigheid zal gericht zijn op een kortere verblijfsduur met dezelfde kwaliteit.

De transitie van een jeugdinrichting in Justitie-verband naar een relatief zelfstandige jeugdzorginstelling is een omvangrijk proces, zowel qua bedrijfsvoering, behandeling en huisvesting. Daarnaast is er veel inspanning nodig om te voldoen aan het streefbeeld jeugdzorg plus (zoals de certificering via Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector en het regionaal werken) en om de instroom en doorstroom van jongeren op de juiste wijze te regelen met behoud van voldoende bezetting. Financiële verbetering is mogelijk door efficiencyslagen te maken binnen alle primaire en secundaire processen, door het kostenbewustzijn te verbeteren en door het vergroten van de behandelcapaciteit en het zorgaanbod.

De invoering van een ander (gedifferentieerd) kostprijssysteem prijs (p) x hoeveelheid (q) per product/dienst realisatie, zal leiden tot een transparantere kostenstructuur.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

De ontwikkeling van de bedrijfsvoering kan niet los gezien worden van departementale en interdepartementale bundeling en samenwerking, onder meer als gevolg van het programma Vernieuwing Rijksdienst. De VWS-bedrijfsvoering zal meer en meer inspelen op en profiteren van de in te voeren rijksbrede kaders en deze vertalen naar concernbrede acties. Delen van uitvoerende (productie)werkzaamheden en diensten worden buiten het departement geplaatst of gebundeld ondergebracht in samenwerkingsverbanden met andere ministeries. Om deze trajecten te kunnen begeleiden zal de VWS-bedrijfsvoering zich op het terrein van regie ontwikkelen.

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt ingegaan op de onderwerpen in de bedrijfsvoering die specifiek in 2010 aan de orde zullen zijn.

Personele ontwikkeling

Ook in 2010 wordt gewerkt aan de realisatie van de personele taakstelling in het kader van het project Vernieuwing Rijksdienst. In het komend jaar loopt het ritme van deze taakstelling aanzienlijk op. Waar in 2008 12,5% en in 2009 25% van de einddoelstelling gehaald moest worden, bedraagt dit percentage in 2010 50%. De resultaten uit 2008 en 2009 bieden een goed vertrekpunt voor het realiseren van deze doelstelling in 2010.

De gewenste personeelsreductie wordt in de eerste plaats bereikt door de mobiliteit van de medewerkers te vergroten. Daarnaast zal het personeel flexibeler worden ingezet door werkzaamheden meer horizontaal te organiseren en meer te werken in programma’s en projecten. Medewerkers waarvoor binnen VWS het loopbaanperspectief dreigt te verdwijnen, zullen praktische ondersteuning krijgen bij het verkennen van de externe arbeidsmarkt. Bovendien worden initiatieven, ontwikkeld in het kader van het project «Ambtenaar van de toekomst» bij VWS ingezet.

Voor de versobering bedrijfsvoering zal het ministerie van VWS aansluiten bij de initiatieven die rijksbreed worden ontwikkeld.

Informatisering

In het voorjaar 2010 komt de geactualiseerde visie van VWS op de concernbrede inzet van I en IT ten behoeve van het primaire proces gereed, die aansluit op de rijksbrede agenda voor I en IT. De visie onderscheidt drie domeinen:

  • 1. 
    I en IT in de bedrijfsvoering (o.a. P-direkt)
  • 2. 
    Informatiemanagement in het primair proces (Informatie transparant, herinrichting financiële informatievoorziening en de informatiseringsagenda)
  • 3. 
    I en IT in het beleidsveld van VWS

In 2010 start de uitvoering van de implementatiestrategie van VWS voor het gebruik van open standaarden en open source. Bovendien worden de taken en medewerkers van het semi-statisch archief van het kernministerie in de loop van 2010 ondergebracht bij de nieuw te vormen archieforganisatie voor de rijksdienst.

Ook zal VWS de CIO-rol (chief information officer) invullen. In 2010 zullen stappen worden genomen om het financiële systeem van VWS te vervangen. Dit project wordt samen met de ministeries van Financiën, VROM en SZW uitgevoerd.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inhuur externen

Om de uitgaven van inhuur externen te beheersen is het sturingsinstrument externe inhuur ontwikkeld. Dit instrument gaat uit van een vaste verhouding tussen de uitgaven inhuur externen en de loonkosten van het ambtelijk personeel. De uitgaven inhuur externen zullen worden teruggebracht naar 13%.

Duurzaam inkopen

In het kabinet is afgesproken dat in 2010 voor 100% duurzaam zal worden ingekocht. Voor circa 45 productgroepen zijn de duurzaamheidseisen en-wensen inmiddels vastgesteld. VWS zal in 2009 de nodige maatregelen nemen, zoals het opstellen van werkinstructies, om de doelstelling te kunnen realiseren.

Subsidiebeheer

In 2009 is de doorlichting naar de bestaande subsidiepraktijk afgerond en is een vervolgproject van start gegaan. In 2010 worden de verbeterpunten uit het project en het rijksbrede «Kader financieel beheer rijkssubsidies» verder geïmplementeerd. Binnen het vervolgproject staan het uniformeren en stroomlijnen van het subsidieproces centraal (kamerstuk 31 700 XVI, nr. 141 en kamerstuk 31 865, nr. 5).

Huisvesting

Voor de gezamenlijke huisvesting van de bestuursdepartementen van VWS en SZW in de Resident wordt momenteel in samenwerking met SZW gewerkt aan een visiedocument dat als basis dient voor verdere plannen en realisatie vanaf 2010. De verhuizing van het bestuursdepartement van SZW is voorzien in 2013. Gelet op deze en andere ontwikkelingen is afgesproken een integraal en meerjarig VWS-huisvestingsbeleid voor het hele concern te ontwikkelen. Dit traject zal begeleid worden door een huisvestingscoördinator, die in 2009 is aangesteld.

FINANCIEEL BEELD ZORG

  • 1. 
    Inleiding

In dit hoofdstuk staan de premiegefinancierde zorguitgaven centraal. Voor deze zorguitgaven geldt een ander regime dan voor de begrotings-gefinancierde uitgaven, namelijk het Budgettair Kader Zorg (BKZ). In deze bijlage wordt het BKZ en de uitgaven die daaronder vallen in samenhang en totaliteit behandeld.

Paragraaf 2 beschrijft de definitie van het BKZ en de uitgavenbegrippen. De gebruikte informatiebronnen komen in paragraaf 3 aan de orde. De ontwikkeling van de uitgaven onder het BKZ worden in paragraaf 4 behandeld. Daar is tevens een totaaloverzicht opgenomen van de maatregelen en beleidsvoornemens zoals die in de artikelen zijn genoemd. De financiering van de zorguitgaven en de ontwikkeling van de premies Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en Zorg-verzekeringswet (Zvw) worden in paragraaf 5 behandeld.

  • 2. 
    BKZ en uitgavenbegrippen

Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afspraken vastgelegd over het financieel kader 2008–2011. Er zijn drie uitgavenkaders afgesproken, het kader rijksbegroting in enge zin (RBG-eng), het kader sociale zekerheid en arbeidsmarkt (SZA) en het budgettair kader zorg (BKZ). Deze uitgavenkaders staan ook wel bekend als de ijklijnen en zijn vastgelegd in reële termen. Daarbij is de afspraak gemaakt dat de uitgavenkaders gaandeweg het jaar aangepast worden aan de ontwikkeling van de prijs nationale bestedingen (pNB). Ieder voorjaar wordt deze prijsaanpassing voor het dan lopende jaar definitief vastgesteld.

Uitgaven die vallen onder het BKZ zijn de zorguitgaven die behoren tot het verzekerde pakket van de AWBZ en de Zvw. Daarnaast vallen onder het BKZ ook de bedragen die in het gemeentefonds beschikbaar zijn gesteld voor de zorgkosten die gemeenten door de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dragen. Deze bedragen staan niet op de VWS-begroting, maar op de begroting van het gemeentefonds. Verder vallen de kosten van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de opleidingskosten voor de erkende medische en tandheelkundige specialismen en voor een aantal medische specialisaties onder het BKZ. Deze kosten worden vanuit de begroting gefinancierd en respectievelijk onder artikel 43 en 42 van de VWS-begroting verantwoord. Ten slotte zijn er bedragen voor zorguitgaven gereserveerd op de begroting van het ministerie van Financiën die vallen onder het BKZ, dit zijn onder andere loon- en prijsbijstellingen. Al deze uitgaven samen worden de BKZ-uitgaven genoemd.

De BKZ-uitgaven worden ook wel naar de voornaamste financieringsbron premiegefinancierde (zorg)uitgaven of premie-uitgaven genoemd. In werkelijkheid worden deze uitgaven niet alleen gefinancierd uit de premieheffing AWBZ en Zvw, maar ook uit rijksbijdragen en eigen betalingen van de zorgconsumenten.

De BKZ-uitgaven verminderd met deze eigen betalingen worden de netto-BKZ-uitgaven genoemd. De netto-BKZ-uitgaven zijn de collectief gefinancierde zorguitgaven. Deze netto-BKZ-uitgaven worden getoetst aan het door het kabinet vastgestelde BKZ (uitgavenplafond). Voor de BKZ-uitgaven inclusief de eigen betalingen wordt de term bruto-BKZ-uitgaven gehanteerd.

Financieel Beeld Zorg

  • 3. 
    Gebruikte informatiebronnen

De financiële informatievoorziening in de zorg komt tot stand door getrapte aanlevering. Verzekeraars, instellingen en individuele beroepsbeoefenaren leveren gegevens aan de zogenoemde gegevensleveran-ciers; financieringscijfers aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en de budgetgegevens aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Deze leveren op hun beurt geaggregeerde gegevens aan VWS.

College voor Zorgverzekeringen

De gegevens die het CVZ verstrekt over de AWBZ zijn voornamelijk gebaseerd op de bevoorschotting door het Centraal Administratiekantoor (CAK). Een klein deel van de financieringscijfers is gebaseerd op rapportages van de zorgkantoren.

Over de Zvw zijn voor de begrotingsvoorbereiding sinds het Jaarverslag 2008 en de Eerste suppletore begroting 2009 geactualiseerde gegevens ontvangen op basis van de jaarstaten van de zorgverzekeraars.

Nederlandse Zorgautoriteit

Voor de gebudgetteerde sectoren (waaronder ziekenhuizen en AWBZ-instellingen die zorg in natura leveren) ontvangt VWS informatie over de budgetontwikkeling van de NZa. Ten opzichte van het VWS Jaarverslag 2008 en de Eerste suppletore begroting 2009 zijn geactualiseerde gegevens ontvangen over de budgetontwikkeling in 2008 en voorgaande jaren. De budgetten over 2008 zijn gebaseerd op de gemaakte afspraken tussen zorgverzekeraars/zorgkantoren en zorgaanbieders. Daarnaast zijn de budgetten over de voorgaande jaren geactualiseerd aan de hand van de definitieve nacalculaties die hebben plaatsgevonden.

Informatie in het Financieel beeld zorg

Voor de bepaling van de uitgaven onder het BKZ zijn in eerste instantie de financieringscijfers van belang. Dit zijn CVZ gegevens over de schadelast in het kader van de Zvw en de AWBZ.

Ten aanzien van de gebudgetteerde ziekenhuissectoren wordt hiervan afgeweken en zijn de budgetten van de NZa gebruikt om de uitgavenontwikkeling van het A-segment te monitoren. Daarnaast is op basis van de jaarverslagen van de ziekenhuizen een voorlopige inschatting gemaakt van de kosten van de dbc’s met vrije prijzen, het B-segment. Deze kosten maken geen onderdeel meer uit van de budgetten. Schadelastgegevens laten met betrekking tot de ziekenhuissectoren ten opzichte van de budgetten een substantiële overdekking zien. Aangezien voor de gebudgetteerde ziekenhuissectoren voor het A-segment geldt dat de financiering via de dbc-declaraties dient ter dekking van het budget en een eventuele overdekking van de budgetten door verrekening ongedaan gemaakt wordt, wordt voor de gebudgetteerde ziekenhuissectoren voor het A-segment ervan uitgegaan dat de financiering gelijk is aan de budgetten. Voor het B-segment geldt dat de schadelastgegevens, voor het jaar 2008, pas eind van het jaar 2009 een meer definitief karakter krijgen. Hierdoor is in de ontwerpbegroting 2010 – op basis van de gegevens 2008 – geen aanpassing van het ziekenhuiskader mogelijk.

Ook voor de geneeskundige ggz door instellingen vormt de informatie van de NZa over de budgetontwikkeling de basis voor de in dit Financieel Beeld Zorg opgenomen informatie.

Financieel Beeld Zorg

Relatie tussen budgetten en financiering

De financieringscijfers betreffen de schadelast in het kader van de Zvw en de AWBZ bij verzekeraars en zorgkassen zoals het Zorgverzekeringsfonds (ZVF) en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Tussen budgetten en uitgaven van de verzekeraars en de zorgkassen kunnen echter verschillen optreden, de zogeheten financieringsachterstanden en-voorsprongen. Bij de AWBZ-sectoren gaat het daarbij om verschillen tussen de voorschotten die gedurende het jaar aan de instelling worden betaald enerzijds en de budgetten anderzijds. Deze budgetten worden vaak nog na afloop van het jaar naar boven of beneden bijgesteld in het kader van de nacalculatie. Wanneer financieringsachterstanden of -voorsprongen zijn opgetreden, worden deze vervolgens door aanpassing van de voorschotten (bij de AWBZ) of via verrekentarieven of door verrekeningen (bij de ziekenhuiszorg) weggewerkt. Het gevolg van het wegwerken van financieringsachterstanden of -voorsprongen is dat de ontwikkeling van de uitgaven van verzekeraars en de zorgkassen onder invloed staat van dit soort financieringsschommelingen.

  • 4. 
    Ontwikkeling van de uitgaven onder het BKZ

In tabel 1 is te zien hoe het BKZ voor het jaar 2010 sinds het coalitieakkoord (gepresenteerd in de ontwerpbegroting 2008) is aangepast en hoe de netto-BKZ-uitgaven zich verhouden tot het kader. Het BKZ is vastgesteld in het coalitieakkoord. Tijdens de kabinetsperiode verandert het kader in principe niet meer, afgezien van ijklijnmutaties (verschuivingen van uitgaven tussen de verschillende kaders), nominale bijstellingen en technische bijstellingen. Het BKZ wordt aangepast aan de ontwikkeling van de pNB. Hierdoor beweegt het kader mee met een hogere of lagere prijsontwikkeling. Sinds het opstellen van het coalitieakkoord is de verwachte prijsontwikkeling licht gedaald, waardoor het kader lager uitvalt. Daarnaast is het kader naar beneden aangepast als gevolg van ijklijnmutaties en technische bijstellingen. In het aanvullende beleidsakkoord heeft het kabinet daarnaast vastgelegd dat vanaf de begroting 2009 de uitgavenkaders ook gecorrigeerd worden voor macro-economische ontwikkelingen. Hiermee wordt de werking van de automatische stabilisatoren versterkt. Voor het BKZ houdt dit in dat het kader aangepast wordt aan het verschil tussen de ontwikkeling van de pNB en de daadwerkelijke ontwikkeling van de lonen en prijzen in de zorg. Als gevolg van al deze ontwikkelingen is het kader voor 2010 € 1 265 miljoen lager dan in de ontwerpbegroting 2008.

De mutaties in de bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten leiden per saldo tot een verlaging van de netto-BKZ-uitgaven met € 1 922 miljoen. Hiervan is bijna een miljard het gevolg van een daling van de verwachte loon- en prijsontwikkeling in de zorg. Daarnaast dalen de zorguitgaven omdat het BKZ vanaf 2010 een bijdrage levert aan de budgettaire problematiek op andere begrotingen. In totaal zijn voor 2010 de netto-uitgaven € 656 miljoen meer gedaald dan het kader. Voor 2010 is er dan ook sprake van een onderschrijding van het kader van € 656 miljoen.

Financieel Beeld Zorg

 
           
       
 

Bruto-BKZ-uitgaven

BKZ-ontvangsten (Eigen betalingen)

Netto-BKZ-uitgaven

BKZ

Overschrijding (+)/ Onderschrijding (-)

 

a

b

c=a-b

d

e=c-d

Stand VWS ontwerpbegroting 2008 Stand VWS ontwerpbegroting 2009 Stand VWS ontwerpbegroting 2010

62 057 61 293 59 734

3 377 3 047 2 975

58 681 58 246 56 759

58 681 58 686 57 416

-440 - 656

Mutatie

- 2 323

-401

- 1 922

- 1 265

- 656

Bron: VWS

4.1. Ontwikkeling BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2009 t/m 2014

Tabel 2 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2009 de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten zien. Waar in de begroting van 2009 de wijzigingen uit het laatst afgesloten jaar (jaarverslag) en het lopende jaar (Eerste suppletore begroting) gesaldeerd werden weergegeven, zijn nu alle grote mutaties vanaf de ontwerpbegroting 2009 zichtbaar.

Financieel Beeld Zorg

 
     
             
 

2009

2010

2011

2012

2013 2014

Bruto-BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting

         

2009

58 009,6

61 292,9

65 003,9

69 378,8

73 803,9

Productieontwikkelingen, mee- en tegenvallers

         
  • a. 
    Actualisatie zorguitgaven 2008 en doorwerking

838,4

804,9

804,5

804,8

804,8

Maatregelen en beleidsaanpassingen

         
  • b. 
    Preferentiebeleid en verlopen patenten
  • 370,0
  • 495,0
  • 545,0
  • 545,0
  • 545,0
  • c. 
    Tegenvaller receptregelvergoeding, aflopen
         

transitieakkoord en volume (gebruik) geneesmid-

         

delen

223,2

531,8

565,5

565,5

565,5

  • d. 
    (pseudo-)WW-premie

30,0

30,0

30,0

30,0

30,0

  • e. 
    Wijziging voorcalculatie
  • 67,4
  • 53,3
  • 55,7
  • 58,1
  • 59,8
  • f. 
    Besparingsverlies niet-indexeren huisartsen

37,0

9,0

6,0

3,0

2,0

  • g. 
    Maatregelen medisch specialisten
 
  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0
  • 375,0
  • h. 
    Tariefmaatregel ggz
 
  • 119,0
  • 119,0
  • 119,0
  • 119,0
  • i. 
    Wet geneesmiddelenprijzen
  • 12,5

-72,5

-80,0

-80,0

-80,0

  • j. 
    Doelmatig voorschrijven
 
  • 127,0
  • 110,0
  • 110,0
  • 110,0
  • k. 
    Aanpassing inschrijftarief
 
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • 60,0
  • l. 
    Beloning doelmatig voorschrijven
   

120,0

60,0

60,0

  • m. 
    Zelfverwijzers
 

-48,0

  • 117,0
  • 117,0
  • 117,0
  • n. 
    Tariefmaatregel alle vrije beroepsbeoefenaren
 
  • 57,5

-94,3

-94,3

-94,3

  • o. 
    Pakketuit-/opname
 

-3,3

-3,3

-3,3

-3,3

  • p. 
    Aanpak topinkomens
   
  • 27,0
  • 27,0
  • 27,0
  • q. 
    Sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk
         

gehandicapten

44,0

       
  • r. 
    Ramingsbijstelling PGB