Voorstel van wet - Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht)

Dit voorstel van wet i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 30832 - Versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht) i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht); Voorstel van wet  
Document­datum 09-10-2006
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST101580
Kenmerk 30832, nr. 2
Van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2006–2007

30 832

Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht)

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan te vullen met regels over de transparantie van studiekeuze-informatie, versterking van de rechtspositie van de individuele studenten en versterking van de stem van studenten in de medezeggenschapsraad, alsmede met regels over de verplichte instelling van de raad van toezicht en het verbeteren van de bevoegdheden van de raad van toezicht; dat het tevens wenselijk is in die wet enkele wijzigingen aan te brengen onder meer met betrekking tot accreditatie van opleidingen, Associate-degreeprogramma’s en master-opleidingen op het gebied van het hoger onderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In onderdeel n vervalt «, of artikel 7.7a».
  • 2. 
    In onderdeel v wordt aan het slot de punt vervangen door een puntkomma.
  • 3. 
    Aan het artikel worden drie nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:
  • w. 
    Ad-programma: Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid;
  • x. 
    toets nieuw Ad-programma: toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld;
  • y. 
    besluit toets nieuw Ad-programma: besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid.

B

Artikel 1.10 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid vervalt in onderdeel g de zinsnede «met uitzondering van artikel 9.46,» en wordt in onderdeel h de zinsnede «de artikelen 10.8 en 10.33» vervangen door: artikel 10.8.
  • 2. 
    In het tweede lid, onderdeel h, vervalt «met uitzondering van artikel 10.33,».

C

Artikel 2.6, vierde lid, tweede volzin, komt te luiden: Studenten die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens tellen alleen mee, indien

  • a. 
    zij onderwijs in Nederland volgen,
  • b. 
    zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondrepubliek Duitsland wonen, en
  • c. 
    het instellingsbestuur na verificatie van de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken studenten die gegevens heeft laten opnemen in het register, bedoeld in artikel 7.52.

D

In artikel 2.9, eerste lid, wordt aan de tweede volzin toegevoegd: , alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken.

E

Aan artikel 2.14 wordt toegevoegd: en kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

F

Artikel 5a.11, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. 
    Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit toets nieuwe opleiding. Het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, vervalt na zes jaar.

G

Artikel 5a.12 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste tot en met vierde lid wordt na «artikel 5a.9, zesde en zevende lid,» ingevoegd: of artikel 5a.12a, eerste lid,.
  • 2. 
    In het vijfde lid wordt na «artikel 5a.11, vijfde lid,» ingevoegd: of artikel 5a.12a, eerste lid,.

Artikel 5a.12a komt te luiden:

Artikel 5a.12a. Herstelperiode

  • 1. 
    Het accreditatieorgaan kan bepalen dat het laatstgenomen accredita-tiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, met het oog op een herstelperiode wordt verlengd met een termijn van maximaal twee jaar, indien:
  • a. 
    het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid,
  • b. 
    naar het oordeel van het accreditatieorgaan aannemelijk is dat de opleiding binnen twee jaar alsnog aan het accreditatiekader voldoet, en
  • c. 
    het accreditatieorgaan in de direct aan het besluit voorafgaande periode geen besluit tot verlenging van accreditatie heeft genomen.
  • 2. 
    Het accreditatieorgaan kan in het besluit tot verlenging van accreditatie procedurele voorwaarden opnemen en melding maken van de te verbeteren aspecten van kwaliteit.
  • 3. 
    Artikel 5a.9, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. 
    In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om accreditatie in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheid van het besluit tot verlenging van accreditatie.

I

Voorafgaand aan titel 3 van hoofdstuk 5a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a.13. Toets nieuw Ad-programma

  • 1. 
    Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het afnemen van de toets nieuw Ad-programma vast in een afzonderlijk toetsingskader met inachtneming van de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede en derde lid. Artikel 5a.8, eerste en vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Het accreditatieorgaan houdt bij de toepassing van het toetsingskader rekening met eerdere aanvragen door dezelfde instelling.
  • 2. 
    Het instellingsbestuur dient bij het accreditatieorgaan een aanvraag in om een Ad-programma te verzorgen, indien het Ad-programma voor die instelling niet in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is opgenomen.
  • 3. 
    Het accreditatieorgaan neemt, met inachtneming van het toetsingskader, bedoeld in het eerste lid, binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit toets nieuw Ad-programma. Indien het accreditatieorgaan niet binnen zes maanden een besluit heeft genomen, wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen.
  • 4. 
    Het besluit toets nieuw Ad-programma vervalt op het moment dat de geldigheid van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit toets nieuwe opleiding vervalt van de bacheloropleiding waarvan het Ad-programma onderdeel uitmaakt.
  • 5. 
    De artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

H

J

Artikel 6.2, tweede en derde lid, komt te luiden:

  • 2. 
    Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.
  • 3. 
    De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

K

In artikel 6.14, tweede lid, derde volzin, wordt «en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling» vervangen door: en het besluit tot instemming, bedoeld in artikel 6.2, derde lid.

L

In artikel 7.4b, vijfde lid, wordt «nurse» vervangen door: nursing. M

Na artikel 7.8 wordt een nieuw artikel 7.8a ingevoegd, luidende:

Artikel 7.8a. Associate-degreeprogramma

  • 1. 
    Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen.
  • 2. 
    De studielast van het Ad-programma bedraagt ten minste 120 studiepunten.
  • 3. 
    De artikelen 7.53, 7.54, 7.56, 7.57b, 7.57c, 7.57d en 7.57g zijn van overeenkomstige toepassing.

N

Na artikel 7.10a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.10b. Verlening van de graad Associate degree

  • 1. 
    Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit toets nieuw Ad-programma of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is genomen.
  • 2. 
    Artikel 7.11, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

O

Artikel 7.15 komt te luiden:

Artikel 7.15. Informatieverstrekking aan studenten en aanstaande studenten

  • 1. 
    Het instellingsbestuur verstrekt zodanige informatie aan studenten en aanstaande studenten over de instelling en het te volgen onderwijs dat het die personen in staat stelt opleidingsmogelijkheden te vergelijken en tijdig een keuze te maken voor onderwijs dat aansluit bij hun voorkeuren en mogelijkheden.
  • 2. 
    Indien de vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de universiteiten, de hogescholen en de Open Universiteit en de daarvoor in

aanmerking komende belangenorganisaties van studenten niet tot gezamenlijke afspraken kunnen komen over de specificaties van de informatie, bedoeld in het eerste lid, worden bij ministeriële regeling die nadere specificaties gegeven van zowel inhoud als vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van passend onderwijs.

P

Artikel 7.17 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Aan het einde van het tweede lid wordt toegevoegd: met het oog op de beoordeling van een doelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs.
  • 2. 
    Het derde en vijfde lid vervallen. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.
  • 3. 
    Het nieuwe vierde lid komt te luiden:
  • 4. 
    De instemming van Onze minister vervalt, indien de vestigingsplaats niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

Q

Artikel 7.19a wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het vierde lid wordt vernummerd tot vijfde lid.
  • 2. 
    Na het derde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende: 4. Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate

degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad.

R

Aan artikel 7.28, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.

S

Artikel 7.30c wordt vernummerd tot artikel 7.30e. T

Na artikel 7.30b worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7.30c. Toelatingseisen voor masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs; vrijstelling daarvan

  • 1. 
    Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
  • a. 
    aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en
  • b. 
    de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.
  • 2. 
    Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, indien uit een door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.

Artikel 7.30d. Toelatingseis niet van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken

De artikelen 7.30a, met uitzondering van het derde lid, onderdeel b, 7.30b en 7.30c zijn niet van toepassing op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin.

U

In artikel 7.30e wordt «de artikelen 7.30a en 7.30b» vervangen door: de artikelen 7.30a tot en met 7.30c.

V

In artikel 7.32, derde lid, wordt «ook kan geschieden» vervangen door: geschiedt.

W

Na artikel 7.36 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.36a. Individuele afspraken met studenten en extraneï

Het instellingsbestuur kan met een student of extraneus over het door hem te volgen onderwijs aanvullende rechten en plichten overeenkomen, zonder dat dit leidt tot een vermindering van de rechten die bij of krachtens deze wet dan wel bij de onderwijs- en examenregeling of andere door het instellingsbestuur vastgestelde regelingen aan de student of de extraneus zijn toegekend.

X

Artikel 7.51, tweede lid, onderdeel d, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Onder 1° vervalt de zinsnede «of een opleidingscommissie».
  • 2. 
    Onder 2° vervalt de zinsnede «of opleidingscommissie».

Y

In artikel 7.59, vijfde lid, onderdeel b, onder 1°, wordt «procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling» vervangen door: de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in artikel 7.60.

Z

In titel 4 van hoofdstuk 7 komt paragraaf 1 te luiden:

Paragraaf 1. Behandeling van klachten en geschillen binnen de instelling

Artikel 7.60. Begripsbepalingen paragraaf 1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. 
    klacht: een uiting van ongenoegen over een gedraging van een orgaan van de instelling of persoon die binnen de instelling werkzaam is, met uitzondering van een gedraging die inbreuk maakt op de rechten en plichten van de aanstaande student, student, aanstaande extraneus of extraneus , en
  • b. 
    geschil: een verschil van mening over een beslissing dan wel een uitgebleven beslissing die door een orgaan van de instelling of persoon die binnen de instelling werkzaam is, is genomen op grond van deze wet of op grond van een regeling van het instellingsbestuur die op grond van deze wet is vastgesteld, dan wel een verschil van mening over een uitgebleven beslissing, jegens een individuele aanstaande studen, student, aanstaande extraneus of extraneus, met uitzondering van geschillen op grond van artikel 9.37.

Artikel 7.61. Behandeling van klachten en geschillen binnen de instelling

  • 1. 
    Het instellingsbestuur zorgt ervoor dat aanstaande studenten, aanstaande extraneï, studenten en extraneï hun klachten en geschillen kunnen voorleggen op een voor de gehele instelling toegankelijke en eenduidige manier.
  • 2. 
    Het instellingsbestuur behandelt klachten van een persoon, bedoeld in het eerste lid, met toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
  • 3. 
    Het instellingsbestuur neemt een beslissing over een geschil tussen een student of extraneus en het instellingsbestuur dan wel een personeelslid of orgaan van de instelling en alle verzoeken om schadevergoeding. In afwijking van de eerste volzin neemt de examencommissie een beslissing over een geschil tussen een student of extraneus en de examencommissie dan wel examinator. Het instellingsbestuur en de examencommissie nemen een beslissing met toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van de hoofdstukken 6 en 7 en artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat:
  • a. 
    artikel 7:10, derde lid, van die wet niet van toepassing is,
  • b. 
    een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van die wet wordt ingesteld, waarvan de leden onafhankelijk zijn,
  • c. 
    die adviescommissie over geschillen naar aanleiding van een beslissing van een examencommissie dan wel een examinator advies uitbrengt aan de examencommissie,
  • d. 
    die adviescommissie over de overige geschillen en verzoeken om schadevergoeding advies uitbrengt aan het instellingsbestuur, en
  • e. 
    die adviescommissie ook bevoegd is een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen.
  • 4. 
    Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid een verzoek om schadevergoeding indient, brengt de commissie advies uit aan het instellingsbestuur over de hoogte van de vergoeding, overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels, voor de materiële schade die de desbetreffende persoon heeft geleden doordat zijn rechten niet in acht zijn genomen. In afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht staat tegen een beslissing van het instellingsbestuur op een verzoek om schadevergoeding rechtstreeks beroep open bij het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64.
  • 5. 
    De commissie kan in het advies opnemen dat onder welke voorwaarden opnieuw of alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel adviseren een tentamen, examen, toelatingsonderzoek, aanvullend onderzoek als

bedoeld in artikel 7.28, derde lid, of enig onderdeel daarvan opnieuw af te nemen.

  • 6. 
    Indien in de gevallen, bedoeld in het derde lid, sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de commissie op verzoek van een persoon, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat het geschil, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken wordt behandeld. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het geschil of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de student of extraneus en het instellingsbestuur of de examencommissie hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
  • 7. 
    De wijze waarop dit artikel wordt toegepast, wordt opgenomen in het bestuurs- en beheersreglement van de desbetreffende instelling.

AA

In titel 4 van hoofdstuk 7 komt paragraaf 2 te luiden:

Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs

Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1. 
    Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te ’s-Gravenhage.
  • 2. 
    Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden, alsmede een even groot aantal plaatsvervangende leden.
  • 3. 
    Het college van beroep wordt bijgestaan door een secretaris. Onze minister kan aan de secretaris ambtenaren toevoegen.
  • 4. 
    De ambtenaren die werkzaam zijn voor het college van beroep staan onder het gezag van dat college en leggen over werkzaamheden uitsluitend aan dat college verantwoording af.
  • 5. 
    Het college van beroep houdt zitting in kamers. Het college van beroep wijst de voorzitter van een kamer aan uit de leden.
  • 6. 
    Het college van beroep stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval worden geregeld:
  • a. 
    de splitsing in kamers,
  • b. 
    de verdeling van werkzaamheden over de verschillende kamers, en
  • c. 
    de wijze waarop de voorzitter van het college van beroep en van een kamer wordt vervangen.

Artikel 7.65. Rechtspositie leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1. 
    De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, onder wie de voorzitter en de plaatsvervangende leden, worden bij koninklijk besluit benoemd.
  • 2. 
    De secretaris wordt bij koninklijk besluit benoemd en is bezoldigd.
  • 3. 
    De leden en plaatsvervangende leden voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  • 4. 
    Een lid of plaatsvervangend lid wordt bij koninklijk besluit ontslagen met ingang van de eerstvolgende maand, nadat hij:
  • a. 
    hiertoe een verzoek heeft ingediend,
  • b. 
    de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt, of
  • c. 
    terzake gehoord, uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen of bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld.
  • 5. 
    De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.

Artikel 7.66. Bevoegdheid en procedure college van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1. 
    Het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt over het beroep dat een aanstaande student, aanstaande extraneus, student of extraneus heeft ingesteld tegen een beslissing op een geschil die het instellingsbestuur of de examencommissie jegens hem heeft genomen op grond van deze wet of op grond van een regeling van het instellingsbestuur die op grond van deze wet is vastgesteld. Tegen uitspraken van het college van beroep staat geen hoger beroep open.
  • 2. 
    Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, en 8:13.
  • 3. 
    Het griffierecht bedraagt € 38, onder overeenkomstige toepassing van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

BB

In titel 4 van hoofdstuk 7 vervalt paragraaf 3. CC

Artikel 9.3 komt te luiden:

Artikel 9.3. Samenstelling college van bestuur

Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de rector magnificus van de universiteit.

DD

Artikel 9.6 komt te luiden:

Artikel 9.6. Inlichtingenplicht college van bestuur

Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.

EE

Artikel 9.7 komt te luiden:

Artikel 9.7. Raad van toezicht

  • 1. 
    Elke universiteit heeft een raad van toezicht.
  • 2. 
    Een lid van de raad van toezicht heeft geen directe belangen bij de universiteit.
  • 3. 
    De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de universiteit, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad terzijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
  • a. 
    het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur,
  • b. 
    het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement,
  • c. 
    het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het instellingsplan van de universiteit,
  • d. 
    het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen, de branchecode, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, en de afwijkingen van die code,
  • e. 
    het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en

rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de universiteit verkregen op grond van artikel 2.5, derde lid,

  • f. 
    het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad, en
  • g. 
    het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met f, in het jaarverslag van de universiteit.
  • 4. 
    Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning.
  • 5. 
    De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.

FF

Artikel 9.8 vervalt. GG

Artikel 9.9 komt te luiden:

Artikel 9.9. Inlichtingenplicht raad van toezicht

De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

HH

In artikel 9.13, tweede lid, wordt «de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit» vervangen door: de desbetreffende medezeggenschapsraad.

II

Artikel 9.17 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het vierde lid vervalt.
  • 2. 
    Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid. JJ

Artikel 9.18 vervalt. KK

In titel 1 van hoofdstuk 9 vervalt paragraaf 5.

LL

De artikelen 9.30 tot en met 9.50 worden vervangen door tien nieuwe artikelen, luidende:

Artikel 9.30. Zorgplicht voor organisatie van de medezeggenschap; keuze uit medezeggenschapstelsels

  • 1. 
    Het college van bestuur zorgt ervoor dat binnen de universiteit een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van

studenten en personeel plaats kan vinden, waarbij ten minste wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a. 
    de verkiezingen zijn zodanig geregeld dat deze leiden tot medezeggenschapsraden die een representatieve vertegenwoordiging van studenten en personeel vormen,
  • b. 
    de medezeggenschapsprocedures sluiten aan bij de verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de universiteit en maken op een zodanig tijdstip onderdeel uit van de besluitvormingsprocedures dat de medezeggenschapsraden hun taak naar behoren kunnen vervullen, en
  • c. 
    aan de onderwerpen waarover medezeggenschap plaatsvindt, zijn adequate bevoegdheden van de bevoegde medezeggenschapsraad en verplichtingen van de bevoegde organen van de universiteit gekoppeld met inachtneming van de artikelen 9.31 tot en met 9.38.
  • 2. 
    Het college van bestuur legt de inrichting van de medezeggenschap vast in een medezeggenschapsreglement dat voldoet aan het eerste lid.
  • 3. 
    Het college van bestuur bepaalt in het medezeggenschapsreglement of de Wet op de ondernemingsraden, uitgezonderd hoofdstuk VII B, van toepassing is op de universiteit. Indien de voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, van toepassing zijn verklaard, zijn wat betreft het personeel buiten werking gesteld het eerste, tweede en vierde lid van dit artikel en de artikelen 9.31, eerste lid, onderdelen c en f, 9.32, onderdelen b en c, 9.33, 9.34, 9.35, met uitzondering van het tweede lid, en 9.36 tot en met 9.38 ten aanzien van de in de Wet op de ondernemingsraden bedoelde bevoegdheden van de ondernemingsraad.
  • 4. 
    De medezeggenschapsraden stellen een reglement vast waarin de zaken van huishoudelijke aard worden geregeld, evenals de wijze waarop de financiële middelen verdeeld worden die het college van bestuur beschikbaar heeft gesteld.

Artikel 9.31. Instemmingsrechten

  • 1. 
    Het bevoegde orgaan of het bevoegde personeelslid van een universiteit heeft de voorafgaande instemming nodig van de bevoegde medezeggenschapsraad, in elk geval bij een beslissing over:
  • a. 
    de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, voor zover die betrekking heeft op het onderwijsproces en niet op de inhoud van het onderwijs,
  • b. 
    de vormgeving van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.18, evenals het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de in dat artikel bedoelde beoordeling,
  • c. 
    het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,
  • d. 
    de vaststelling of wijziging van het bestuurs- en beheersreglement,
  • e. 
    de vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.30,
  • f. 
    de vaststelling of wijziging van regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
  • g. 
    aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, waarbij ten minste de instemming nodig is van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, en
  • h. 
    de vaststelling of wijziging van het instellingsplan.
  • 2. 
    Indien binnen een universiteit de Wet op de ondernemingsraden van toepassing is verklaard, heeft het college van bestuur ook de voorafgaande instemming nodig van de ondernemingsraad op een beslissing over het niet meer van toepassing verklaren van de Wet op de ondernemingsraden.
  • 3. 
    Het instemmingsrecht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, en het adviesrecht, bedoeld in artikel 9.32, onderdeel b, en zoals opgenomen in het medezeggenschapsreglement, zijn niet van toepassing, indien het gaat om een aangelegenheid die van algemeen belang is voor de

rechtspositie van het personeel van de universiteit, voor zover het overleg, bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, niet besluit de aangelegenheid ter behandeling aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad over te laten.

  • 4. 
    De bevoegdheden van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, zijn niet van toepassing, voor zover die aangelegenheid voor de universiteit al inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 9.32. Adviesrechten

Het bevoegde orgaan of het bevoegde personeelslid van een universiteit heeft het voorafgaande advies van de bevoegde medezeggenschapsraad nodig, in elk geval bij een beslissing over:

  • a. 
    de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, voor zover die betrekking heeft op het niveau van de opleiding, en het onderwijsproces, voor zover dat betrekking heeft op niveau en inhoud van de opleiding,
  • b. 
    het algemeen personeels- en benoemingsbeleid,
  • c. 
    de vaststelling of wijziging van de begroting, en
  • d. 
    aangelegenheden over samenwerkingen en fusies.

Artikel 9.33. Informatierecht

  • 1. 
    Het bevoegde orgaan of het bevoegde personeelslid van een universiteit verstrekt aan de medezeggenschapsraden tijdig alle inlichtingen en gegevens die zij redelijkerwijze nodig hebben om hun taak te vervullen. De inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
  • 2. 
    De medezeggenschapsraden ontvangen in ieder geval:
  • a. 
    ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en de inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de universiteit werkzame personen en de leden van het college van bestuur,
  • b. 
    ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en de inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met de raad van toezicht,
  • c. 
    aan het begin van het studiejaar schriftelijk de gegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid.
  • 3. 
    Het tweede lid, onderdeel a, is uitsluitend van toepassing op instellingsbesturen waarbij in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.
  • 4. 
    Ten aanzien van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt inzichtelijk gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorafgaande jaar.

Artikel 9.34. Onderzoeksrecht

  • 1. 
    Indien het college van bestuur systematisch niet voldoet aan artikel 9.33 over een onderwerp dat essentieel is voor zowel de universiteit als de studenten of het personeel, is de medezeggenschapsraad gerechtigd een schriftelijk of een mondeling onderzoek in te stellen of laten stellen naar de gang van zaken binnen de universiteit wat betreft dat onderwerp.
  • 2. 
    Het onderzoek wordt niet gestart dan nadat de geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.36, met betrekking tot het geschil over de toepassing van het informatierecht, bedoeld in artikel 9.33, in een uitspraak heeft vastgesteld dat een orgaan binnen de universiteit systematisch niet heeft voldaan aan dat informatierecht.
  • 3. 
    Bij toepassing van het eerste lid verleent het college van bestuur inzage in de benodigde zakelijke gegevens en stukken.

Artikel 9.35. Overige rechten

  • 1. 
    De bevoegde medezeggenschapsraden kunnen over alle aangelegenheden die de universiteit betreffen, aan het college van bestuur voorstellen doen en standpunten kenbaar maken. Na de mogelijkheid van overleg geboden te hebben reageert het college van bestuur binnen drie maanden schriftelijk en met redenen omkleed op die voorstellen, in de vorm van een voorstel aan de medezeggenschapsraad.
  • 2. 
    De bevoegde medezeggenschapsraden kunnen jaarlijks de wijze van uitvoering beoordelen van de onderwijs- en examenregelingen, bedoeld in artikel 7.13. De bevoegde medezeggenschapsraad stuurt de beoordeling naar het bevoegde orgaan of het bevoegde personeelslid van een universiteit.
  • 3. 
    Het college van bestuur zorgt ervoor dat de leden, kandidaatleden en voormalige leden van de medezeggenschapsraad niet op grond van hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie binnen de universiteit.
  • 4. 
    De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon is nietig, indien deze verband houdt met de kandidaatstelling, het lidmaatschap of het voormalige lidmaatschap van de medezeggenschapsraad.

Artikel 9.36. Geschillencommissie medezeggenschap

  • 1. 
    Er is een geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs die bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
  • 2. 
    Onze minister benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
  • 3. 
    Voor de benoeming, bedoeld in het tweede lid, dragen de gezamenlijke instellingen en vertegenwoordigers van de medezeggenschapsraden elk een lid en een plaatsvervangend lid voor. Die twee leden dragen een derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger voor.
  • 4. 
    De leden functioneren zonder last of ruggespraak.
  • 5. 
    De geschillencommissie stelt, na goedkeuring van Onze minister, een reglement vast over de wijze waarop zij een geschil behandelt.
  • 6. 
    In het reglement, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval vastgelegd dat de termijn waarbinnen de geschillencommissie een beslissing moet nemen over een geschil over het informatierecht, bedoeld in artikel 9.33, niet meer dan tien weken bedraagt.

Artikel 9.37. Bevoegdheden en procedure geschillencommissie medezeggenschap

  • 1. 
    De geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.36, neemt kennis van geschillen tussen de medezeggenschapsraad en het college van bestuur over:
  • a. 
    de toepassing van de zorgplicht, bedoeld in artikel 9.30, eerste lid,
  • b. 
    de totstandkoming, wijziging of toepassing van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.30, tweede lid, en
  • c. 
    geschillen over de toepassing van de artikelen 9.31 tot en met 9.35.
  • 2. 
    Indien er een geschil is tussen de medezeggenschapsraad en een bevoegd personeelslid, meldt een van beide partijen dit geschil aan bij het college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan de geschillencommissie, tenzij het college van bestuur een minnelijke schikking tot stand brengt.
  • 3. 
    Indien het geschil betrekking heeft op het niet of niet geheel volgen van het advies van de medezeggenschapsraad, wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort met vier weken, tenzij de medezeggenschapsraad geen bedenkingen heeft tegen onmiddellijke uitvoering van de beslissing.
  • 4. 
    De geschillencommissie is bevoegd een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, beslecht de geschillencommissie een aan haar voorgelegd geschil door een bindende uitspraak te doen, waarbij zij toetst of:
  • a. 
    het college van bestuur zich heeft gehouden aan de eisen van de wet en het medezeggenschapsreglement, en
  • b. 
    het college van bestuur bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het voorstel of de beslissing heeft kunnen komen.
  • 5. 
    Indien het college van bestuur voor de voorgenomen beslissing geen instemming van de medezeggenschapsraad heeft gekregen, kan het de geschillencommissie, in afwijking van het vierde lid, toestemming vragen om de beslissing te nemen. De geschillencommissie geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de medezeggenschapsraad om geen instemming te geven onredelijk is of indien de voorgenomen beslissing van het college van bestuur gevergd wordt door zwaarwegende organisatorische, economische of sociale redenen.

Artikel 9.38. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad

  • 1. 
    Van een uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.36, staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
  • 2. 
    De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden, als het beroep strekt tot naleving door het college van bestuur van de verplichtingen tegenover de medezeggenschapsraad, voortvloeiend uit de artikelen 9.30 tot en met 9.35. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing, indien het college van bestuur een geschil op grond van artikel 9.37, tweede lid, van een personeelslid overneemt.
  • 3. 
    Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand, nadat de medezeggenschapsraad dan wel het college van bestuur van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
  • 4. 
    Een beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de geschillencommissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.
  • 5. 
    Van een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen cassatie worden ingesteld.
  • 6. 
    In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de medezeggenschapsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

Artikel 9.39. Medezeggenschap onderzoekinstituten en onderzoekscholen

De artikelen 9.30 tot en met 9.38 zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan het bestuur met beheerstaken wordt belast.

MM

In het opschrift van hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 7, vervalt «of titel 2». NN

Artikel 9.50a wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift vervalt «of titel 2».
  • 2. 
    In het eerste lid vervallen «of titel 2» en de zinsnede «, dan wel toont aan in geval van afwijking van titel 2 dat is voorzien in een doelmatige vorm van medezeggenschap voor personeel en studenten».

OO Artikel 9.51, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In de tweede volzin vervalt de zinsnede: «voor zover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet».
  • 2. 
    Na de tweede volzin wordt een nieuwe volzin ingevoegd, luidende: De verplichting, bedoeld in de tweede volzin, geldt niet voor zover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur verzet behoudens de artikelen 9.7, 9.9 en 9.30 tot en met 9.39.
  • 3. 
    In de nieuwe vierde volzin wordt «die regelen» vervangen door: de regelen, bedoeld in de eerste volzin,.

PP

Artikel 10.2 komt te luiden:

Artikel 10.2. College van bestuur

  • 1. 
    Elke hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid heeft een college van bestuur. Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter.
  • 2. 
    Het college van bestuur heeft onder verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de hogeschool alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en van het beheer van de hogeschool. Het college van bestuur is bovendien belast met de door het instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden.

QQ

Artikel 10.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste lid vervalt.
  • 2. 
    De aanduiding «2.» voor het tweede lid vervalt. RR

Artikel 10.3b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In onderdeel a vervalt de zinsnede «indien het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, eerste lid,».
  • 2. 
    In onderdeel d, onder 2°, wordt de zinsnede «, het college van bestuur of de centrale directie» vervangen door: of het college van bestuur.

SS

Artikel 10.3c vervalt. TT

Na artikel 10.3c (oud) wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.3d. Raad van toezicht

  • 1. 
    Elke hogeschool heeft een raad van toezicht.
  • 2. 
    Artikel 9.7, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

UU

Artikel 10.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het tweede en derde lid vervallen.
  • 2. 
    Het vierde lid wordt vernummerd tot tweede lid. VV

Artikel 10.9 komt te luiden:

Artikel 10.9. Bestuursorganen

  • 1. 
    Elke hogeschool met rechtspersoonlijkheid heeft een college van bestuur en een raad van toezicht.
  • 2. 
    Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen.
  • 3. 
    De artikelen 10.2 tot en met 10.3d, 10.5 en 10.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

WW

De artikelen 10.10 tot en met 10.13 vervallen. XX

Artikel 10.14 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift wordt «bestuursorganen» vervangen door: het college van bestuur.
  • 2. 
    In het eerste lid vervalt de zinsnede «en van de bestuursraad».

YY

In artikel 10.16 wordt «de artikelen 10.9 en 10.11» vervangen door: artikel 10.9.

ZZ

Artikel 10.17 komt te luiden:

Artikel 10.17. Van overeenkomstige toepassing bepalingen medezeggenschap

De artikelen 9.30 tot en met 9.38 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen.

AAA

De artikelen 10.18 tot en met 10.39 vervallen.

BBB Artikel 11.2 komt te luiden:

Artikel 11.2. Samenstelling college van bestuur

Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter.

CCC

Artikel 11.3, tweede lid, tweede volzin, komt te luiden: Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.

DDD

Artikel 11.4 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste en tweede lid vervallen.
  • 2. 
    De aanduiding «3.» voor het derde lid vervalt. EEE

Artikel 11.5 komt te luiden:

Artikel 11.5. Raad van toezicht

  • 1. 
    De Open Universiteit heeft een raad van toezicht.
  • 2. 
    Artikel 9.7, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

FFF

Artikel 11.6 vervalt. GGG

Artikel 11.7 komt te luiden:

Artikel 11.7. Inlichtingenplicht raad van toezicht

De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

HHH

De artikelen 11.11 en 11.12 vervallen. III

Artikel 11.13 komt te luiden:

Artikel 11.13. Van overeenkomstige toepassing bepalingen medezeggenschap

De artikelen 9.30 tot en met 9.38 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.

JJJ

De artikelen 11.14 tot en met 11.16 vervallen. KKK

Artikel 14.1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    De onderdelen f en g worden verletterd tot onderdelen g en h.
  • 2. 
    Onderdeel d wordt verletterd tot onderdeel f.
  • 3. 
    Na onderdeel c worden twee nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:
  • d. 
    artikel 5a.11,
  • e. 
    artikel 5a.12a, eerste lid,.

LLL

Artikel 18.16 vervalt.

MMM

In de artikelen 18.17, eerste volzin, en 18.18, eerste lid, vervalt telkens «of artikel 18.16».

NNN

Na artikel 18.62 wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidende:

TITEL 10. WET VAN ... 2007 (STB. ...)

Artikel 18.63. Medezeggenschapsreglement

Het reglement, bedoeld in artikel 9.34, het reglement voor de medezeggenschap van studenten, indien het college van bestuur een besluit als bedoeld in artikel 9.30, eerste lid, onder a, heeft genomen, en het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 10.21, respectievelijk het reglement, bedoeld in artikel 11.14, zoals die bepalingen luidden op 31 augustus 2007, worden met ingang van 1 september 2007 aangemerkt als het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.30, tweede lid, artikel 10. 17 juncto artikel 9.30, tweede lid, respectievelijk artikel 11.13 juncto artikel 9.30, tweede lid, zoals die bepalingen luiden met ingang van 1 september 2007.

Artikel 18.64. Geschillenregeling medezeggenschap

  • 1. 
    De leden van de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, worden met ingang van 1 september 2007 aangemerkt als leden van de geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.36 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007.
  • 2. 
    Het college van bestuur stelt de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 10.26 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, tot uiterlijk 1 september 2008 in de gelegenheid de behandeling van geschillen af te ronden die de commissie zijn voorgelegd voor 1 september 2007. De behandeling van geschillen die na dat tijdstip nog niet zijn afgerond, wordt terstond overgedragen aan de geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.36 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007.
  • 3. 
    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van geschillen, bedoeld in artikel 11.16 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007.
  • 4. 
    Indien het college van bestuur van een hogeschool de beslissing, bedoeld in artikel 10.17 juncto artikel 9.30, derde lid, zoals die bepalingen luiden met ingang van 1 september 2007, heeft genomen tot toepassing van de Wet op de ondernemingsraden, wordt de behandeling van geschillen die op 1 september 2007 in behandeling zijn bij de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 10.26 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, in daarvoor op grond van de artikelen 26 of 36 van de Wet op de ondernemingsraden in aanmerking komende gevallen, in afwijking van het tweede lid, terstond overgedragen aan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam respectievelijk aan de kantonrechter.

Artikel 18.65. Overgangsregeling colleges van bestuur universiteiten, hogescholen en OU

  • 1. 
    De leden van een college van bestuur, benoemd op grond van de artikelen 9.3, tweede lid, 10.10, eerste lid, of 11.2, tweede lid, zoals die bepalingen luidden op 31 augustus 2007, worden met ingang van 1 september 2007 aangemerkt als leden van het college van bestuur van de desbetreffende instelling.
  • 2. 
    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de leden van het college van bestuur van een bijzondere universiteit of van een bijzondere hogeschool.
  • 3. 
    Het instellingsbestuur van een hogeschool die op 1 september 2007 een centrale directie heeft, draagt er voor 1 september 2008 zorg voor dat een college van bestuur als bedoeld in artikel 10.9 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007, wordt ingesteld. Totdat een college van bestuur als bedoeld in de vorige volzin is ingesteld, treedt het instellingsbestuur op als college van bestuur.

Artikel 18.66. Overgangsregeling raad van toezicht universiteit, hogescholen en OU

  • 1. 
    De leden van een raad van toezicht, benoemd op grond van de artikelen 9.7, tweede lid, of 11.5, tweede lid, zoals die bepalingen luidden op 31 augustus 2007, worden met ingang van 1 september 2007 aangemerkt als leden van een raad van toezicht van de desbetreffende instelling.
  • 2. 
    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de leden van de raad van toezicht van een bijzondere universiteit of van een bijzondere hogeschool, alsmede op de leden van de bestuursraad van een bijzondere hogeschool.
  • 3. 
    Ten aanzien van een hogeschool als bedoeld in artikel 18.65, derde lid, draagt het instellingsbestuur voor 1 maart 2008 zorg voor de benoeming van een raad van toezicht.

Artikel 18.67. Overgangsbepaling herstelperiode accreditatie

Indien uiterlijk op 31 augustus 2007 voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, geldt voor die opleiding de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a zoals luidend na inwerkingtreding van deze wet, gerekend vanaf het tijdstip dat het instellingsbestuur een besluit als bedoeld in artikel 5a.12a, eerste lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, heeft genomen.

Artikel 18.68. Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen

  • 1. 
    Universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, zijn, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan de desbetreffende bekostigde of aangewezen universiteit zijn verbonden, de masteroplei-dingen in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7.30c.
  • 2. 
    Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.

Artikel 18.69. Tijdelijkheid Ad-programma

  • 1. 
    Vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen studenten zich niet meer inschrijven voor een Ad-programma. Vanaf dat tijdstip zorgt het instellingsbestuur ervoor dat studenten die voor het Ad-programma binnen een opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid krijgen het programma te voltooien binnen een redelijke termijn, indien zij het programma zonder onderbreking blijven volgen. Artikel 6.15, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
  • 2. 
    De artikelen 5a.13 en 7.8a vervallen op een bij het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, te bepalen tijdstip dat ligt na de redelijke termijn, bedoeld in het eerste lid.
  • 3. 
    Personen die een voor 1 september 2007 op grond van artikel 7.11, vierde lid, afgegeven verklaring betreffende een Ad-programma inleveren bij het instellingsbestuur van de instelling waar die verklaring is afgegeven, ontvangen een desbetreffend getuigschrift en een desbetreffend diplomasupplement als bedoeld in het genoemde artikel, indien Onze minister bij besluit met het Ad-programma heeft ingestemd. Tevens verleent het instellingsbestuur op grond van artikel 7.10b, eerste lid, de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma met een studielast van ten minste 120 studiepunten.

Artikel 18.70. College van beroep voor de examens

  • 1. 
    Beroepen die voor 1 september 2007 zijn ingesteld bij een college van beroep voor de examens als bedoeld in artikel 7.60 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, worden met ingang van 1 september 2007 aangemerkt als geschillen voorgelegd aan de commissie, bedoeld in artikel 7.61, derde lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007.
  • 2. 
    Op de behandeling van geschillen die aan de beroepen, bedoeld in het eerste lid, voorafgaan, blijven de op 31 augustus 2007 geldende voorschriften van toepassing.

Artikel 18.71. Afhandeling klachten van studenten

  • 1. 
    Klachten van studenten die op grond van artikel 9.28 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, voor 1 september 2007 zijn ingediend, worden met ingang van dat tijdstip aangemerkt als klachten ingediend op grond van artikel 7.61, tweede lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007.
  • 2. 
    Op de behandeling van klachten, bedoeld in het eerste lid, blijven de op 31 augustus 2007 geldende voorschriften van toepassing.

Artikel 18.72. College van beroep voor het hoger onderwijs

  • 1. 
    De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, worden aangemerkt als leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007.
  • 2. 
    Voor de zittende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs blijven bij de toepassing van artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007, de benoemingstermijnen, bedoeld in artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, van kracht.
  • 3. 
    Over beroepen die voor 1 september 2007 zijn ingesteld bij het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, oordeelt het college van beroep, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007, met inachtneming van het recht dat gold op 31 augustus 2007.

Artikel 18.73. Colleges van beroep bijzonder onderwijs

  • 1. 
    De behandeling van beroepen die voor 1 september 2007 zijn ingesteld bij een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 7.68 zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2007, wordt overgedragen aan het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 2007. Het college van beroep voor het hoger onderwijs beslist met inachtneming van artikel 18.72, derde lid.
  • 2. 
    Het instellingsbestuur of de instellingsbesturen die het college van beroep bijzonder onderwijs hebben ingesteld, zorgen ervoor dat aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep eervol ontslag wordt verleend.

Artikel 18.74. Schorsing besluiten examencommissie Open Universiteit

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit neemt na de inwerkingtreding van artikel 7.61 binnen een redelijke termijn een besluit over lopende zaken over vernietiging respectievelijk schorsing van besluiten van de examencommissie.

Artikel 18.75. Regels goede invoering

Voor zover artikelen van deze wet, zoals luidend als gevolg van de wet van ... 2007 (Stb. ...) daarin niet voorzien of als dat nodig is in afwijking van het bij of krachtens de bedoelde artikelen van deze wet bepaalde, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de bedoelde artikelen van deze wet.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

Aan artikel 2.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 8. 
    Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegegevens, tellen alleen mee, indien:
  • a. 
    zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en
  • b. 
    zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.

ARTIKEL III. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING 2000

In de Wet studiefinanciering 2000 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 2.8, tweede lid, vervalt «en tweede». B

In artikel 2.9, tweede lid, vervalt «en tweede».

C

In artikel 5.7, vierde lid, wordt na «wetenschappelijk onderwijs» ingevoegd: en het examen van een Ad-programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW.

ARTIKEL IV. WIJZIGING WET TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

In de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 2.11, eerste lid, onderdeel b, vervalt «en tweede». B

Artikel 12.3a komt te luiden:

Artikel 12.3a. Afwijking van artikel 2.11

In afwijking van artikel 2.11 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor tegemoetkoming ingevolge afdeling 5.1 mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel 18.68 van de WHW, voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.

C

In artikel 5.3 wordt de zinsnede «het bedrag, genoemd in artikel 7.44 van de WHW» vervangen door: € 567,23.

D

In artikel 10.7, tweede lid, onder 1°, wordt de zinsnede «het desbetreffende in artikel 7.44, van de WHW genoemde collegegeld» vervangen door: € 567,23.

ARTIKEL V. WIJZIGING ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na onderdeel I, punt 2, ingevoegd:

J Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

  • 1. 
    Artikel 7.60 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

ARTIKEL VI. WIJZIGING ARBEIDSTIJDENWET

Artikel 1:6, onderdeel d, van de Arbeidstijdenwet komt te luiden: d. het uit het door het personeel gekozen deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;.

ARTIKEL VII. WIJZIGING WET OP DE ONDERNEMINGSRADEN

Artikel 53 van de Wet op de ondernemingsraden wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid, eerste volzin, vervalt de zinsnede «hogescholen, Open Universiteit,».
  • 2. 
    In het eerste lid, tweede volzin, wordt na «bekostigde universiteit» ingevoegd «of hogeschool» en wordt «die universiteit» vervangen door: die universiteit of hogeschool.
  • 3. 
    In het tweede lid wordt «Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen» vervangen door: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING WET RECHTSPOSITIE STUDENTEN EN RADEN VAN TOEZICHT

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 november 2005 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs) ( Kamerstukken I 2005/06, 30 387, A) tot wet is verheven, worden in deze wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel I, onderdeel A, onder 2 en 3, komt als volgt te luiden:

  • 2. 
    In onderdeel aa wordt aan het slot de punt vervangen door een puntkomma.
  • 3. 
    Aan het artikel worden drie nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende: bb. Ad-programma: Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid; cc. toets nieuw Ad-programma: toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld; dd. besluit toets nieuw Ad-programma: besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid.

B Artikel III komt als volgt te luiden:

ARTIKEL III. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING 2000

In de Wet studiefinanciering 2000 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid vervalt «en tweede».
  • 2. 
    Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
  • 3. 
    Het eerste lid geldt niet voor een inschrijving op grond van artikel 7.42j, derde lid, van de WHW.

B

Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid vervalt «en tweede».
  • 2. 
    Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
  • 3. 
    Het eerste lid geldt niet voor een inschrijving op grond van artikel 7.42j, derde lid, van de WHW.

C

In artikel 5.7, vierde lid, wordt na «wetenschappelijk onderwijs» ingevoegd: en het examen van een Ad-programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW.

D

Artikel 5.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het tweede lid vervalt.
  • 2. 
    Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

ARTIKEL IX. WIJZIGING WET FINANCIERING IN HET HOGER ONDERWIJS

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 november 2005 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs) (Kamerstukken I 2005/06, 30 387, A) tot wet is verheven, worden in die wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel I, onderdeel J, vervalt artikel 7.4b, achtste lid.

B Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42a als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Noordrijnland-Westfalen» vervangen door: Noord-Rijnland-Westfalen».
  • 2. 
    In het eerste lid, onderdeel b, wordt «college van bestuur» vervangen door «instellingsbestuur» en wordt «Informatiseringbank» vervangen door: Informatiseringsbank.
  • 3. 
    In het derde lid vervalt «voor de eerste maal». C

Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42b als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het derde lid, tweede volzin, wordt «zevende lid» vervangen door: zesde lid.
  • 2. 
    Het vijfde lid komt te luiden: 5. Het aantal leerrechten OU bedraagt per studiepunt één.

D

In artikel I, onderdeel R, wordt aan artikel 7.42e, eerste lid, toegevoegd: of, na omzetting daarvan overeenkomstig artikel 7.42i, vijfde lid, aan de Open Universiteit.

E

Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42f als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In de aanhef van het eerste en tweede lid wordt «leer- en uitloop-rechten voor een bacheloropleiding en op OU-leerrechten» telkens vervangen door: leerrechten, uitlooprechten en leerrechten OU voor een bacheloropleiding.
  • 2. 
    In het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, wordt «een getuigschrift» telkens vervangen door: een overeenkomstig de op 31 augustus 2002 geldende voorschriften verstrekt getuigschrift.

F

Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42h als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift wordt na «uitlooprechten» ingevoegd: en leerrechten OU.
  • 2. 
    In de tekst wordt na «opleiding» telkens ingevoegd «of onderwijs-eenheid» en wordt na «uitlooprechten» ingevoegd: of leerrechten OU.

G

In artikel I, onderdeel R, wordt in artikel 7.42i, negende lid, na «de aanstaande student» ingevoegd: of een instelling.

H

Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42j als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het derde lid wordt na «uitlooprechten» ingevoegd «en» en vervalt «in hetzelfde tijdvak waarvoor een leerrecht is aangewend».
  • 2. 
    Het vierde lid vervalt.

I

In artikel I, onderdeel S, wordt in artikel 7.43, vijfde lid, «1 juni» vervangen door: 1 juli.

J

In artikel I, onderdeel U, komt artikel 7.44a, tweede lid, als volgt te luiden:

  • 2. 
    Het instellingscollegegeld is verschuldigd door degene die niet over leer- en uitlooprechten beschikt en:
  • a. 
    volledig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 7.44, tweede lid, of
  • b. 
    geen leer- of uitlooprechten aanwendt vanwege het bepaalde in artikel 7.42i, tiende lid.

K

Artikel I, onderdeel AA, wordt wat betreft artikel 7.50 als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid wordt «een veertiende van het collegegeld» vervangen door «per studiepunt een zestigste van het collegegeld»«en vervallen de tweede en derde volzin.
  • 2. 
    Het tweede lid komt te luiden: 2. Cursusgeld OU is verschuldigd door degene die een of meer

leerrechten OU aanwendt voor het volgen van een onderwijseenheid.

L Artikel I, onderdeel BB, wordt wat betreft artikel 7.51 als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid, onderdeel c, wordt na «uitlooprechten» ingevoegd: en leerrechten OU.
  • 2. 
    In het tweede lid, onderdeel a, wordt «instelling» vervangen door «universiteit of hogeschool» en wordt na «opleiding» ingevoegd: of voor een onderwijseenheid aan de Open Universiteit.
  • 3. 
    In het tweede lid, onderdeel c, wordt na «uitlooprechten» telkens ingevoegd: of leerrechten OU.
  • 4. 
    In het derde lid wordt «instelling» vervangen door «universiteit of hogeschool» en wordt na «opleiding» ingevoegd: of voor een onderwijs-eenheid aan de Open Universiteit.
  • 5. 
    In het vierde lid, onderdeel a, wordt na «opleiding» ingevoegd: of onderwijseenheid.

M

Artikel I, onderdeel GG, komt te luiden:

GG

In de artikelen 9.33, onderdeel g, en 10.20, onderdeel g, wordt na «artikel 7.51» telkens ingevoegd «met uitzondering van de omvang van de voorzieningen» en wordt «de regels, bedoeld in het vijfde lid» telkens vervangen door: ten aanzien van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,.

N

Artikel I, onderdeel LL, wordt wat betreft artikel 18.57 als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid wordt «de opleidingen, bedoeld in artikel 18.55» vervangen door: de ongedeelde opleidingen, bedoeld in artikel 18.15.
  • 2. 
    Toegevoegd wordt een derde lid, luidend:
  • 3. 
    De voor de voortgezette opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, verbruikte leerrechten worden aangemerkt als leerrechten, bedoeld in artikel 7.42b, tweede en vierde lid.

O

In artikel I, onderdeel LL, wordt in artikel 18.59 na «uitlooprechten» ingevoegd: of leerrechten OU.

P

In artikel I, onderdeel LL, wordt in artikel 18.59a na «een maximum van één» ingevoegd: of, wat betreft de Open Universiteit, tot een maximum van zestig.

ARTIKEL X. INWERKINGTREDING

  • 1. 
    De artikelen van deze wet, met uitzondering van artikel I, onderdelen C, M, N, Q, en NNN, wat betreft artikel 18.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en artikel II treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
  • 2. 
    De artikelen I, onderdeel C, en II treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werken terug tot en met 18 augustus 2006.
  • 3. 
    Artikel I, onderdelen M, N en Q, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 september 2006.
  • 4. 
    Artikel I, onderdeel NNN, wat betreft artikel 18.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.