Memorie van toelichting - Voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 3 toegevoegd aan wetsvoorstel 30409 - Initiatiefvoorstel Verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen; Memorie van toelichting  
Document­datum 19-12-2005
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST93280
Kenmerk 30409, nr. 3
Van Staten-Generaal (SG)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 409

Voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

  • 1. 
    Algemeen

Sinds 1983 is in Nederland bij Europese richtlijn van 28 maart 1983 (83/129/EEG, PbEG L91), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn van de Raad van 8 juni 1989 (89/370/EEG, PbEG L163), betreffende de invoer in de lidstaten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde producten, een verbod ingesteld op de invoer van deze producten van zadelrobjongen (white coats) en klapmutsjongen (blue backs). Dit initiatiefwetsvoorstel beoogt de uitbreiding van dit verbod tot een verbod op de invoer en de handel van alle producten op basis van zadelrobben en klapmutsen van welke leeftijdscategorie dan ook. De afwijking van dit verbod voor producten afkomstig van de traditionele jacht van de Inuit, wordt, in lijn met richtlijn 83/129/EEG i, echter behouden. Wereldwijd worden jaarlijks honderdduizenden zadelrobben en klap-mutsen op een gruwelijke wijze afgeslacht. Het merendeel van deze zeehonden wordt in Canada tijdens de jaarlijkse commerciële zeehonden-jacht in het voorjaar gedood. De afgelopen 3 jaar hebben in Canada één miljoen van deze zeehonden de dood gevonden; 95% van deze zeehonden zijn nog geen drie maanden oud, het merendeel van de geslachte zeehonden zijn nog slechts baby’s. De beelden van deze jacht zorgden de afgelopen jaren dan ook voor grote, wereldwijde publieke verontwaardiging.

Dat de jacht op een gruwelijke en inhumane wijze plaatsvindt, wordt onderbouwd door waarnemingen van specialisten en NGO’s. In 2001 onderzocht een internationaal team gespecialiseerde dierenartsen een aantal karkassen van zeehonden die bij de jacht waren gedood. Hun conclusie was, dat bij 42% van de gedode dieren niet een zodanig schedelletsel werd waargenomen, dat daaruit mag worden afgeleid dat ze in elk geval buiten bewustzijn waren op het moment dat ze werden gevild. Verschillende NGO’s hebben de wrede en inhumane manier waarop de jacht plaatsvindt ter discussie gesteld. De jacht is bovendien zinloos, omdat er voor het bont en de overige producten die van deze zeehonden gemaakt worden veel alternatieven bestaan.

Daarnaast zijn de aantallen van deze zeehonden die jaarlijks in Canada en Groenland gedood worden, reden tot bezorgdheid ten aanzien van de bescherming van de zeehondenpopulatie. Zeehonden hebben naast de jacht reeds te maken met meerdere bedreigingen zoals klimaats-

1 De verenigbaarheid van het Wetsontwerp uit 2004 betreffende het verbod op de fabricage en de commercialisering van producten die afgeleid zijn van zeehonden met het Europese Gemeenschapsrecht en de bepalingen van de WTO door Prof. Dr. Ludwig Krämer, april 2005.

verandering, bijvangst, botsingen met schepen en ecologische achteruitgang van hun leefgebied.

Na een tijdelijke inzakking van de markt en invoering van lagere jacht-quota in de jaren tachtig, mede veroorzaakt door de implementatie van bovengenoemde Europese richtlijn, zijn de jachtquota de laatste jaren sterk verhoogd, is de jaarlijkse commerciële zeehondenjacht weer in volle hevigheid terug en massaler dan ooit. Het bestaande importverbod op bepaalde producten van jonge zadelrobben en klapmutsen tot 12 dagen is niet langer toereikend: de massale jacht vindt gewoonweg twee weken later plaats.

Dit wetsvoorstel regelt daarom een algemeen verbod op de import en handel van alle producten van zadelrobben en klapmutsen. Hiermee wordt aangesloten bij een Europese beweging: in België en Luxemburg zijn reeds vergunningenstelsels ingevoerd waarbij het verkrijgen van een vergunning ernstig aan banden is gelegd; België verwacht het bij de Europese Commissie genotificeerde wetsvoorstel begin 2006 te implementeren en in Duitsland, Luxemburg, Engeland en Italië zijn eveneens wetsvoorstellen in voorbereiding. Met deze Europese beweging wordt een duidelijk signaal afgegeven aan de landen die commercieel zeehonden bejagen, dat de gruwelijkheid en schaalgrootte van de commerciële jacht onaanvaardbaar is. Voorliggend initiatiefwetsvoorstel is in overeenstemming met het EG-Verdrag, specifiek met artikel 28 en 29, waarin in- en uitvoerbeperkingen verboden worden. Een uitzondering op dit verbod wordt mogelijk gemaakt in artikel 30: verboden zijn onder andere toegestaan uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, en de bescherming van de gezondheid van dieren. Op basis van deze twee uitzonderingsregelingen zijn de indieners van mening dat dit importverbod stand houdt binnen de Europese regelgeving. Hiervoor is een duidelijke aanwijzing. Het Belgische wetsvoorstel, dat dezelfde strekking heeft als dit initiatiefwetsvoorstel, is namelijk reeds bij de Europese Commissie genotificeerd. Deze heeft geen nadere bezwaren naar voren gebracht tegen de verheffing van dit voorstel tot nationale wetgeving. Voorts is natuur- en milieubescherming één van de belangrijkste doelstellingen van de Gemeenschap. Het spreekt voor zich en het vereist geen verder bewijs dat het milieu zich over de grenzen van het grondgebied van een Lidstaat en zelfs van de EU uitstrekt. Artikel 174 (1) van het EG-Verdrag erkent dit uitdrukkelijk door te vragen dat het beleid van de Europese Unie op milieugebied zou bijdragen tot het oplossen van de wereldwijde natuur- en milieuproblemen. Daarom heeft een lidstaat ook het recht om buiten zijn eigen grondgebied maatregelen ter bescherming van de natuur en het milieu te nemen.

Het voorliggende wetsvoorstel is verenigbaar met de bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie. Bij een eventuele aanvechting door Canada op basis van het GATT-artikel XI, welke vergelijkbaar is met het artikel 28 van het EG Verdrag, zijn tegenargumenten te noemen, vergelijkbaar met de hierboven beschreven Europese wetgeving. In het GATT artikel XX (a, b en g) worden in het bijzonder importverboden gerechtvaardigd op basis van de bescherming van de goede zeden, de bescherming van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten, en het behoud van uitputbare natuurlijke hulpbronnen.

Dus zowel het argument om vanuit het oogpunt van dierenwelzijn (gruwelijkheid van de jacht) als het argument om vanuit het oogpunt van bescherming van biodiversiteit (schaalgrootte van de jacht) een importverbod op zeehondenproducten in te voeren zijn houdbaar binnen zowel EG als WTO bepalingen.

De verenigbaarheid met zowel het EG Verdrag als WTO regels is aangetoond in een juridisch advies, opgesteld in opdracht van het International Fund for Animal Welfare (IFAW) uitgevoerd door Professor Krämer, hoofd van de juridische dienst en van de dienst Milieubeheer Europese Commissie, DG Milieu1.

Het voorstel van wet is op [datum notificatie, p.m.] gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen [notificatienummer [notificatienummer.../.../NL p.m.] ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG i van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG i van 20 juli 1998 (PbEG L217).

Tevens heeft melding plaatsgevonden aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994/235).

  • 2. 
    Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

Met de voorgestelde wijziging van artikel 5 van de Flora- en faunawet worden de zadelrob en de klapmuts als beschermde uitheemse diersoort aangemerkt. Hierdoor zijn op deze diersoorten de verbodsbepalingen van artikel 13 van de wet van toepassing, waardoor het niet is toegestaan producten van deze dieren te koop te vragen, te kopen, te verwerven, ten verkoop voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren of ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Onderdeel B

Door de voorgestelde wijziging van artikel 13 wordt bewerkstelligd dat de verboden van artikel 13 van de wet ten aanzien van zadelrobben en klap-mutsen niet van toepassing zijn op levende dieren, op producten van dieren die door de traditionele jacht door de Inuit zijn verkregen of op producten van dieren die zijn verworven door musea of wetenschappelijke instellingen.

In het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten was een vergelijkbare uitzondering opgenomen in verband met de traditionele jacht door de Inuit (artikel 12), zij het dat deze beperkt was tot huiden, of delen of producten daarvan, van jonge zadelrobben en klapmutsen. Omdat met het onderhavige wetsvoorstel niet alleen de invoer van huiden, of delen of producten daarvan, wordt verboden, maar alle handel in alle producten van de zadelrob en klapmuts, zijn de verboden van artikel 13 ook niet van toepassing als deze producten zijn verkregen door de traditionele jacht door de Inuit.

Voorts is een overgangsregime opgenomen waaruit volgt dat de verboden van artikel 13 niet gelden indien wordt aangetoond dat de producten van de zadelrob en de klapmuts voorafgaand aan het van kracht worden van artikel I, onderdeel A, en in overeenstemming met de Flora- en faunawet in Nederland zijn gebracht.

Onderdeel C

De voorgestelde wijziging van artikel 75 van de wet brengt met zich dat van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, voorzover

het de zadelrob en klapmuts betreft, geen vrijstelling of ontheffing kan worden verleend.

Artikel II en III

Deze artikelen bevatten afstemmingsbepalingen die verband houden met het bij koninklijke boodschap van 2 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met de verruiming van de mogelijkheden tot beheer en schadebestrijding van beschermde inheemse diersoorten.

Kruijsen Snijder-Hazelhoff

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.