Memorie van toelichting - Voorstel van wet van de leden Kalsbeek-Jasperse en Van Heemst tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot strafverzwarende omstandigheden bij gewelddelicten - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Zondag 5 juli 2020
kalender

Memorie van toelichting - Voorstel van wet van de leden Kalsbeek-Jasperse en Van Heemst tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot strafverzwarende omstandigheden bij gewelddelicten

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1998–1999

26 295

Voorstel van wet van de leden Kalsbeek-Jasperse en Van Heemst tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot strafverzwarende omstandigheden bij gewelddelicten

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

De afgelopen jaren is de samenleving een aantal keren opgeschrikt door gewelddelicten tegen burgers die probeerden anderen te weerhouden van geweld. Zo moest Joes Kloppenburg te Amsterdam het te hulp schieten van een persoon die in elkaar werd geslagen zelf bekopen met de dood. Recenter werd Meindert Tjoelker slachtoffer toen hij anderen probeerde af te houden van strafbaar gedrag.

Deze gebeurtenissen hebben gemeen dat zij de gevoelens van veiligheid van burgers ernstig aantasten. Een avondje uit, je ’s-avonds op straat bevinden kàn zo aflopen. De ontsteltenis over deze gebeurtenissen was echter eens te groter omdat het nu juist om burgers van goede wille ging. Burgers die blijk gaven van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef werden zelf slachtoffer.

De reacties op de dood van Meindert Tjoelker en Joes Kloppenburg tonen aan dat er met het normbesef van onze huidige samenleving, waaraan zo vaak wordt getwijfeld, niet zoveel mis is. Dat is ook nodig want de overheid kan niet alléén een veiliger samenleving bewerkstelligen. De overheid kan slechts samen met ouders, scholen en maatschappelijke instanties een belangrijke bijdrage leveren aan een veilige samenleving. Zonder de inzet van de individuele burgers, blijft een veilig land, waarin geweld en criminaliteit worden teruggedrongen buiten bereik; zelfs als de overheid op elke straathoek een agent neerzet. In zekere zin doet de overheid een appèl op een ieder om zich af te vragen of we zelf genoeg doen om de sociale samenhang te vergroten; trekken we grenzen, tonen we de moed om ongewenst gedrag aan de kaak te stellen? Het strafrecht is in een rechtsstaat één van de middelen om antwoord te geven op de vraag wat een samenleving nu wel en niet acceptabel gedrag vindt. Het strafrecht legitimeert immers niet alleen de overheid in te grijpen en van haar machtsmiddelen gebruik te maken; het strafrecht geeft ook uitdrukking aan de normen en waarden die in een samenleving van belang worden geacht.

De strafmaat is daarbij een hulpmiddel om de laakbaarheid van bepaald gedrag tot uitdrukking te brengen. Niet voor niets staat op moord een hoger strafmaximum dan op doodslag: het element van het van te voren bedenken, het beramen wordt een dader nog eens extra aangerekend. Na de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden in de zaak Tjoelker hebben de indieners van het onderhavige wetsvoorstel aangekondigd een initiatiefwetsvoorstel te overwegen waardoor zwaardere straffen kunnen worden geëist en opgelegd indien het gepleegde geweld een reactie is op het optreden van een burger die iemand tot de orde probeert te roepen. Zij achten dit gewenst omdat zij van mening zijn dat de overheid er geen twijfel over mag laten bestaan wat de norm is. De overheid behoort degenen die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen te beschermen. Door middel van een hogere strafmaat brengt de wetgever tot uitdrukking dat zij in strafrechtelijk opzicht de kant kiest van mensen die de moed hebben van hun burgerzin blijk te geven.

Om deze gedachte vorm te geven hebben de indieners aansluiting gezocht bij artikel 304, Wetboek van Strafrecht, waarin wordt bepaald dat onder omstandigheden de maximumstraf voor mishandeling met een derde wordt verhoogd. Wanneer naar de achtergrond van dit artikel wordt gekeken, bij de totstandkoming van het huidige Wetboek van Strafrecht, valt de vanzelfsprekendheid op van de aanwezigheid van de straf-verzwaring op de gewelddelicten in bijzondere omstandigheden. Als het gaat om geweld tegen ouders of kinderen of tegen de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie, dan wel geweld door middel van het toedienen van een voor het leven of de gezondheid gevaarlijke stof (de gifmenger) blijkt uit de parlementaire behandeling dat zonder noemenswaardige discussie wordt aangenomen dat gewelddelicten in deze omstandigheden meer strafwaardig zijn en dat dus hiervoor een hogere strafmaat moet gelden dan voor de «gewone» gewelddelicten. De logica van deze strafverzwaring in genoemde bijzondere omstandigheden is kennelijk zo evident geacht dat zij in de meer dan honderd jaren na de invoering door de wetgever niet meer ter discussie is gesteld. Vanwege deze vanzelfsprekendheid van de genoemde strafverzwarings-gronden hebben de indieners gemeend dat aansluiting bij artikel 304 Sr moet worden gezocht omdat zij van mening zijn dat het net zo vanzelfsprekend is, of op zijn minst zou moeten zijn, dat de overheid het geweld dat een persoon gebruikt tegen een burger die een geweld tegen personen of goederen tracht te verhinderen zwaarder aanrekent dan de gevallen waarop de artikelen 300–303 zien.

Artikel 304 Sr luidt als volgt:

«De in de artikelen 300–303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder,

zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot of zijn kind; 2°. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; 3°. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.»

Aan dit artikel wordt ingevolge het wetsvoorstel een nieuw onderdeel vier toegevoegd waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat indien een persoon die anderen van fysieke gewelddadigheden probeert te weerhouden en zelf daardoor het slachtoffer wordt van geweld, tegen de dader een straf kan worden geëist die een derde hoger ligt dan nu het geval is. Door middel van de introductie van deze strafverzwaringsgrond wordt als het ware het strafrechtelijke spiegelbeeld van het appèl op de individuele maatschappelijke verantwoordelijkheid vorm gegeven.

Natuurlijk betekent het toevoegen van deze strafverzwaringsgrond dat het openbaar ministerie in een voorkomend geval de feiten, waaruit blijkt dat een misdrijf is gepleegd tegen iemand die tracht te verhinderen dat geweld wordt gepleegd, moet bewijzen. Dat kan een reële verzwaring van de bewijslast betekenen. Toch is dat naar het inzicht van de indieners geen bezwaar. Het onderhavige wetsvoorstel laat immers de oorspronkelijke gewelddelicten in de artikelen 300–303 ongemoeid, zodat het openbaar ministerie altijd subsidiair het gronddelict ten laste kan leggen zonder de door het wetsvoorstel geïntroduceerde strafverzwaringsgrond van artikel 304, ten vierde.

De indieners hebben tevens – omdat de voorgestelde wijziging betrekking heeft op de strafmaat van klassieke delicten in het Wetboek van Strafrecht – het initiatiefvoorstel aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak voorgelegd voor advies. Het voorstel dat door de NVvR is beoordeeld was zodanig geformuleerd dat het de zinsnede «enig persoon die onmiddellijk tevoren heeft gepoogd» bevatte. De bedoeling van het opnemen van «onmiddellijk tevoren» in de wettekst was om duidelijk aan te geven dat er een causaal verband moet zijn tussen de poging geweld te verhinderen en het ondervonden geweld. Op advies van de NVvR hebben de indieners besloten om het element «onmiddellijk tevoren» niet in de wettekst op te nemen omdat te voorzien zou zijn dat dit element interpretatieproblemen zou veroorzaken. De vraag is immers wat onder «onmiddellijk» zou moeten worden verstaan. Het gevaar dreigt dat opnemen van dit element in de wettekst tot gevolg zou hebben dat niet zozeer het causaal verband maar het tijdsbestek tussen de poging geweld te verhinderen en het ondervonden geweld de cruciale factor zou worden. Dat neemt niet weg dat het tijdsbestek wel van invloed kan zijn op het causale verband. Te verwachten is dat hoe meer tijd er tussen beide gebeurtenissen is verstreken hoe moeilijker het zal zijn om het causale verband aan te tonen. Maar ook op het geval dat iemand een dreigende openlijke geweldpleging weet te voorkomen en vervolgens een uur later wordt opgewacht en uit wraak voor de verijdelde poging zelf wordt mishandeld door degene die daarvoor is verhinderd geweld te plegen, zou de voorgestelde strafverzwaring van toepassing dienen te zijn. Het voorstel biedt daartoe nu de mogelijkheid.

Alles afwegende hebben de indieners gemeend er goed aan te doen het advies van de NVvR te volgen en de zinsnede «onmiddellijk tevoren» achterwege te laten.

De NVvR heeft de indieners er tevens op gewezen dat het element «gepoogd te verhinderen» zeer ruim is te interpreteren. De vraag is of daaronder ook verbaal ingrijpen dient te worden verstaan. Naar het oordeel van de indieners zou wel degelijk ook verbaal ingrijpen onder het begrip «gepoogd te verhinderen» dienen te worden verstaan. Het wetsvoorstel heeft immers tot doel om door middel van een hogere strafmaat tot uitdrukking te brengen dat de wetgever in strafrechtelijk opzicht de kant kiest van mensen die de moed hebben van hun burgerzin blijk te geven. Daaronder vallen ook de mensen die proberen om anderen op een vreedzame wijze te weerhouden van het plegen van geweld door op hen in te praten. Het zou niet logisch zijn indien het wetsvoorstel wel strafrechtelijke bescherming geeft aan degene die zich genoodzaakt ziet geweld met geweld te bestrijden maar niet aan degene die door praten een ander tracht te weerhouden geweld te plegen.

E. Kalsbeek-Jasperse E. P. van Heemst

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.