Behandeling van:het voorstel van rijkswet Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verdediging (25367, R1593)  - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Woensdag 8 april 2020
kalender

Behandeling van:het voorstel van rijkswet Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verdediging (25367, R1593) 


1.

Tekst

Sprekers

De heer Van Middelkoop (GPV)
De heer Koekkoek (CDA)
De heer Rehwinkel (PvdA)
De heer Van den Berg (SGP)
De heer Hoekema (D66)
De heer Te Veldhuis (VVD)
De heer Verkerk (AOV)
Minister Dijkstal
Minister Voorhoeve
De heer Van Middelkoop (GPV)
De heer Koekkoek (CDA)
De heer Rehwinkel (PvdA)
De heer Hoekema (D66)
De heer Te Veldhuis (VVD)
De heer Verkerk (AOV)
Minister Dijkstal
Minister Voorhoeve

Aan de orde is de behandeling van:

  • het voorstel van rijkswet Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verdediging (25367, R1593).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

E. (Eimert) van MiddelkoopDe heer Van Middelkoop (GPV): Mijnheer de voorzitter! Op 8 maart a.s. is het 150 jaar geleden dat bij de Tweede Kamer 27 herzienings-ontwerpen op de Grondwet werden ingediend. Zij ademden de conservatieve geest van de tijd. Echter, die geest werd ingehaald door de revolutionaire ontwikkelingen in Frankrijk, dat enkele weken eerder de monarchie verving door de republiek. Koning Willem II reageerde daarop door op 13 maart, dus slechts vijf dagen later, de Kamer te berichten dat een uitgebreidere grondwetsherziening hem niet onwelkom was. Weer vier dagen benoemde hij een grondwetscommissie, waarvan Thorbecke stellig het meest vooraanstaande lid was. Op 3 november van datzelfde jaar werd de nieuwe, ingrijpend gewijzigde Grondwet plechtig afgekondigd.

Aan die gewichtige staatsrechtelijke omwenteling – want dat was het – zal dit jaar ruimschoots aandacht worden gegeven. Dit zo zijnde, is het een gelukkige keuze dat wij in deze eerste parlementaire werkweek van 1998 kunnen beginnen met de behandeling van een vijftal herzieningsvoorstellen van de Grondwet van 1983, waarvan het eerste betreffende de defensie stellig niet de minst belangrijke is.

De voorzitter: De discussie is niet alleen nu begonnen, maar zal ook deze week in dit huis voleindigd worden, conform de afspraken die wij gemaakt hebben met de Eerste Kamer.

De heer Van Middelkoop (GPV): Daar ben ik van uitgegaan, maar ook aan u mijn waardering en mijn complimenten dat u het daarheen heeft geleid dat wij deze week zo mooi kunnen beginnen!

Dat iemand die zich rekent – ik sprak eerder over de heer Thorbecke – tot de politiek nazaat van die andere grote 19de-eeuwer, namelijk Groen van Prinsterer, de aftrap mag geven, is een bijkomstigheid maar zegt wellicht tevens iets over de blijvende noodzaak van antirevolutionaire politiek.

Voorzitter! Soms wordt onze Grondwet gewijzigd om onze constitutionele orde en ons staatsrecht welbewust te vernieuwen. Dat was in 1948 stellig het geval. Veel vaker komt het voor dat er sprake is van codificatie van een al langer gegroeide praktijk, die zo belangrijk wordt gevonden dat die praktijk als een bepaling van recht een constitutionele verankering verdient. Zonder de ambities van de regering tekort te willen doen, meen ik dat met het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen vooral codificatie wordt beoogd. Natuurlijk, naar de letter is er wel degelijk sprake van vernieuwing. Ik wijs op artikel 97 waarin internationale taken van onze krijgsmacht een grondwettelijke vermelding krijgen en natuurlijk ook op artikel 100, waarin de bijzondere positie van de Staten-Generaal bij uitzending van militairen expliciet wordt geregeld. Echter, over de noodzaak van zowel het een als het ander bestaat al geruime tijd een vrij brede overeenstemming.

Artikel 97 bevat een nieuwe taakomschrijving van de krijgsmacht, waarin zowel de bescherming van nationale belangen als ook het internationale optreden zijn opgenomen. Over de gekozen redactie kom ik nog te spreken. Het wordt inderdaad hoog tijd dat op dit punt de Grondwet wordt geactualiseerd. Op dit moment voorziet onze Grondwet niet, althans niet expliciet en niet overtuigend, in een rechtsbasis voor militair optreden met andere oogmerken dan de bescherming van nationale belangen. In voorkomende gevallen moest daarom een beroep worden gedaan op artikel 90, waarin de regering wordt gevraagd de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Echter, hierin wordt de krijgsmacht niet vermeld en de in artikel 90 vermelde inspanningsverplichting levert in elk geval geen zelfstandige grond op voor de inzet van de krijgsmacht. Gelukkig is – althans voorzover ik weet – nooit aan een rechter de vraag voorgelegd of een militair wel mag worden uitgezonden ten behoeve van zogenaamde vredesoperaties, waarbij de basis voor uitzending zou hebben gelegen in het begrip ’’internationale rechtsorde’’. Nu er in de politiek een vrijwel Kamerbrede overeenstemming bestaat over rechtmatigheid van uitzending van militairen in algemene zin, is het verstandig daarvoor een expliciet constitutionele basis te formuleren. In die zin is artikel 97 winst.

Er zit naar mijn overtuiging ook een politiek moment in deze herformulering c.q. uitbreiding van de taakomschrijving van de krijgsmacht in de Grondwet. Dit kan niet vrijblijvend zijn. Wij behoeven vandaag niet de debatten van december over de defensiebegroting over te doen en evenmin te spreken over verkiezingsprogramma’s. Echter, minister Voorhoeve had wel gelijk toen hij op 22 december van vorig jaar in NRC Handelsblad schreef dat het defensiebeleid deel uitmaakt van de wijze waarop Nederland zich internationaal presenteert en verantwoordelijkheden draagt. Daarom zijn de defensie-uitgaven een van de maatstaven van onze bereidheid medeverantwoordelijkheid te dragen voor goede internationale verhoudingen. Ik ben het op deze punten met hem eens; dat zal hem niet verbazen. Wij zijn dan ook met dit voorstel veel meer op de goede weg dan in 1981 toen de regering in haar ijver voor deconstitutionalisering zover ging dat zij de krijgsmacht dreigde weg te laten uit de Grondwet. Het argument was toen het instrumentele karakter van de krijgsmacht, dat geen ander is dan dat van andere diensten zoals de politie. Staatsrechtelijk mocht dat een juiste opvatting zijn, politiek is het onbestaanbaar dat de zwaard-macht, waarvan de overheid monopoliehouder is, geen plaats zou krijgen in de Grondwet. Gelukkig heeft de Eerste Kamer daar toen een stokje voor gestoken. A contrario leidt dit nu echter wel tot de vraag of thans die zwaardmacht niet onvolledig in de Grondwet een plek heeft gekregen, aangezien immers de politie, die moet zorgen voor de inwendige orde, in de Grondwet geen rechtsbasis vindt. Wil de minister van Binnenlandse Zaken eens reageren op deze inconsistentie? Hij heeft dezer dagen toch al voldoende met de politie te maken.

Dan kan dit constitutionele puntje er vast nog wel bij.

Naar het oordeel van mijn fractie behoort elke Grondwet een taakomschrijving van de krijgsmacht te kennen. Ook als er in de verste verte geen sprake is van oorlogsdreiging of het participeren in operaties in welke vorm dan ook. De zwaard-macht is er ook om de macht en hoogheid van het overheidsambt te tonen. Deze hoogheid van de overheid is het wettige, over macht beschikkende en in volkenrechtelijk opzicht soevereine gezag van de overheid; een hoogheid overigens die de overheid van God heeft gekregen. Om eventuele misverstanden te voorkomen: die hoogheid betreft het ambt en niet, althans niet in de eerste plaats, de personen die dat ambt uitoefenen. Men kan zelfs zeggen dat de krijgsmacht meer dan welke overheidsdienst ook het vermogen heeft de schamelheid te verhullen van de personen die verantwoordelijkheid dragen. Wie mocht twijfelen aan deze schamelheid, die leze politieke biografieë n erop na.

Ter ondersteuning en ter bemoediging van minister Voorhoeve kan ik hem nog wijzen op het historisch feit dat na beëindiging van de Tachtigjarige Oorlog in 1650 de Staten van Holland een zeer verregaande afdanking van militairen voorstonden, hetgeen de Staten-Generaal afwezen met als belangrijkste argumenten de veiligheid van de Staat en de waardigheid van het bewind, aldus Groen van Prinsterer in zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland. Als wij dit jaar de 350ste verjaardag van de Vrede van Westfalen of van Mü nster herdenken, mag ook dit historisch feit vermeld worden.

Ik wil vervolgens stilstaan bij de redactie van artikel 97. Dat nu expliciet de taak van de krijgsmacht ten aanzien van de internationale rechtsorde wordt opgenomen, zal ons kunnen bevrijden van de nooit echt bevredigende discussie waar en wanneer het staatsbelang ophoudt. Natuurlijk vertegenwoordigt de internationale rechtsorde ook een nationaal belang, maar zij heeft evenzeer een zelfstandige betekenis. Wij vinden dit bijvoorbeeld terug in het Handvest van de Verenigde Naties, in het bijzonder waar het gaat om de taken van de Veiligheidsraad. Een moeilijk te beantwoorden vraag is waaruit nu precies die internatio- nale rechtsorde bestaat. Voltooid is zij in elk geval niet, want anders zou artikel 90 de regering niet oproepen die internationale rechtsorde te bevorderen. Op veiligheidsgebied is nog slechts zeer ten dele sprake van een internationale rechtsorde, in elk geval geen rechtsorde waaruit verplichtingen voortvloeien die Nederland en andere lidstaten van de VN automatisch moeten uitvoeren. Juist omdat de internationale rechtsorde nog zo weinig houvast biedt, hebben wij de laatste jaren verschillende malen met elkaar gesproken over het vinden van criteria of aandachtspunten voor militair optreden terzake van schendingen van het volkenrecht. Ook die discussies hebben niet echt geleid tot houvast biedende conclusies. Het Handvest van de VN gaat uit van de fictie van het bestaan van een collectief veiligheidssysteem. Iets daarvan bleek ten tijde van de Golfoorlog, maar spoedig daarna werd in enkele Afrikaanse landen en in voormalig Joegoslavië wel duidelijk dat de notie van een collectief veiligheidssysteem vooralsnog een illusie is. Dat doet intussen niet af van de blijvende noodzaak om evidente schendingen van volkenrechtelijke beginselen tegen te gaan. In die zin is het legitiem te spreken over het handhaven van de internationale rechtsorde.

Veel verder van de internationale realiteit verwijderd is het spreken over het bevorderen van de internationale rechtsorde. Dat hier taken liggen is duidelijk; zie artikel 90 van de Grondwet. Dat zulks ook een intrinsiek element van de taakomschrijving van de krijgsmacht moet zijn vind ik minder geslaagd. Op grond van artikel 90 zal de regering allerlei activiteiten ontplooien, al dan niet op eigen houtje, om de internationale rechtsorde te bevorderen. De Algemene Vergadering van de VN bijvoorbeeld is daarvoor een goede gelegenheid. En zo wordt die ook vaak benut. Ook het sluiten van verdragen kan men onderbrengen onder de bevordering van de internationale rechtsorde. Goede verdragen die vervolgens ook nageleefd worden, bevorderen die rechtsorde. Welnu, op deze wijze zal men niet snel spreken over het inzetten van de krijgsmacht, zeker niet op eigen initiatief en op eigen houtje. Het is al heel wat als wij, al dan niet op verzoek van de Veilig- heidsraad of de secretaris-generaal van de VN, bereid blijken om een bijdrage te leveren aan het handhaven van die rechtsorde. Onder het bevorderen van de internationale rechtsorde valt bijvoorbeeld ook het Joegoslaviëtribunaal in het nieuwe internationale strafhof. Natuurlijk is er niemand die eraan denkt om daarvoor de krijgsmacht in te schakelen. Ook dat is een reden om de onderscheiden bijdragen van de krijgsmacht terzake van de internationale rechtsorde ook terminologisch tot uitdrukking te brengen. En dan is het, naar ik meen, voldoende om te spreken over handhaving.

Zo spreken wij ook als het gaat om het binnenland. Daar heeft de politie een handhavingstaak en is de rechtsontwikkeling een taak van andere staatsorganen. Daarom heb ik een amendement ingediend om het woordje ’’bevordering’’ als onderdeel van de taakomschrijving van de krijgsmacht te schrappen.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Hoe ziet de heer Van Middelkoop de humanitaire hulpverlening door militairen? Valt die niet bij uitstek onder bevordering van de internationale rechtsorde? Moet dus niet om die reden alleen al die term toch in de Grondwet voorkomen?

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik zou kunnen vragen waarom je dat niet kunt rangschikken onder de verplichtingen ingevolge artikel 90 van de Grondwet, maar dan zou u zeggen dat wij daar de krijgsmacht voor inzetten, al is dat wellicht in een wat andere rol dan die waarvoor wij de krijgsmacht normaal gebruiken, en dus met gebruik van geweld. Waar ook het Handvest van de VN spreekt over handhaving en herstel – kennelijk doet het dat op een heel extensieve manier, omdat humanitaire hulpverlening ook daaronder gebracht kan worden – voel ik er wel wat voor om mij aan te sluiten bij de ijking van de begrippen in het Handvest en daar dan ook zo over te spreken in onze eigen Grondwet.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! Ik wil de heer Van Middelkoop vragen of zijn amendementen – hij zal dadelijk waarschijnlijk nog spreken over het zijn amendement op artikel 97 – er niet toe strekken dat in een periode waarin de taken van de krijgsmacht juist steeds breder worden, de omschrijving van die taken van de krijgsmacht in een vrij smal kader gegoten wordt. Immers, als hij spreekt over de handhaving van internationale vrede en veiligheid – daar komen zijn amendementen gecombineerd op neer – geeft hij een terminologie aan die eigenlijk vrij beperkt is en ook gevonden kan worden in met name hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties over bedreigingen van die vrede en veiligheid. Ik zie een zekere tegenstrijdigheid in de feitelijke ontwikkeling van de taken van de krijgsmacht en de wijze waarop de heer Van Middelkoop die taken in de Grondwet wil vastleggen.

De heer Van Middelkoop (GPV): U praat wel over feitelijke ontwikkelingen, maar voorlopig is het meer een feitelijke ontwikkeling van denkbeelden over de inzet van militairen dan werkelijkheid. In de afgelopen jaren, zeg in de jaren na de Koude Oorlog, hebben wij namelijk vooral te maken gehad met de klassieke vorm van peacekeeping, waarbij eventuele vormen van geweldsgebruik ook aan de orde waren. Hier en daar, ook in dit huis, is wel gefilosofeerd over humanitaire hulpverlening en dergelijke. Het is terecht dat dit een plek krijgt in de Grondwet. Kunt u echter voorbeelden uit de laatste jaren noemen die er wat toe doen, vanuit Nederland of vanuit andere landen? Die zijn er niet veel.

De heer Hoekema (D66): Laat ik ter illustratie van dit tot nu toe wat abstracte debat dan een voorbeeld noemen, namelijk de inzet van Nederlandse militairen in de kampen bij Goma tijdens de crisis in Rwanda en Zaïre in 1994. Ik zou zeggen dat dit een voorbeeld is van de bevordering van de internationale rechtsorde. Als ik de heer Van Middelkoop echter zou volgen in zijn redenering, dan zou dat bij wijze van spreken niet onder de taken van de krijgsmacht vallen, omdat het niet om de handhaving van de internationale rechtsorde gaat en het zeker niet om de handhaving van internationale vrede en veiligheid gaat.

De heer Van Middelkoop (GPV): Wij zitten een beetje te filosoferen op het grensgebied van beide begrippen. Een implicatie van mijn voorstel tot het schrappen van het woord ’’bevordering’’ is natuurlijk dat het begrip ’’handhaving’’ vrij extensief gebruikt wordt. Ik doe dit naar mijn gevoel evenwel conform het Handvest van de VN. Ik heb er geen moeite mee om de inzet van militairen in het door u genoemde voorbeeld ook onder handhaving te rangschikken. Bij de binnenlandse rechtsorde spreken wij ook altijd over handhaving daarvan door de politie. Daar valt ook onder dat een agent door een stad patrouilleert en verder nog geen moment denkt aan het gebruik van zijn wapenstok of een ander middel. Voor de bevordering van de binnenlandse rechtsorde zijn er echter andere organen. Ik denk dat deze analogie aardig opgaat.

De heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! In het verlengde hiervan en zeker naar aanleiding van de vraag van de heer Koekkoek wil ik weten waar ik volgens de gedachtewereld van de heer Van Middelkoop dan nog hulpacties van militairen bij bijvoorbeeld watersnoden of andere natuurrampen moet onderbrengen. Die vallen dan namelijk ook moeilijk meer onder handhaving te brengen.

De heer Van Middelkoop (GPV): Nu aarzel ik even. Ik heb namelijk aan dat punt niet zoveel aandacht besteed. Ik zou de stukken er even op na moeten lezen, want dat wordt ook door de regering op een bijzondere manier bejegend, bijvoorbeeld als het gaat om de toepassing van artikel 100. Ik vrees echter dat ik in onzorgvuldigheden terechtkom als ik probeer om uw vraag exact te beantwoorden.

De heer Te Veldhuis (VVD): Als het gaat om de bevordering van de internationale rechtsorde heb ik in de toelichting gelezen dat het bijvoorbeeld gaat om humanitaire acties, maar ook om hulpacties, zoals watersnood, overstromingen en natuurrampen, zoals onlangs in Tsjechië. Als je dat deel van de bevordering van de internationale rechtsorde weghaalt, blijft alleen maar een puur militaire handhavingstaak over. Dat zou betekenen dat in die zin de taken van de krijgsmacht zouden worden verminderd, dat althans de krijgsmacht niet meer zou worden ingeschakeld bij die zaken die wij hebben afgesproken bij de Prioriteitennota.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik weet het weer. Uw bezwaren,

voorzover het bezwaren zijn, gelden wellicht mijn amendering, maar evenzeer het voorstel van de regering, omdat de inzet van militairen bij bijvoorbeeld een watersnoodramp niets met de internationale rechtsorde heeft te maken, of je het nu bevorderen of handhaven noemt. U kunt diezelfde vraag dus ook aan de regering stellen. Het heeft echter weinig te maken met de discussie over de terminologie bevorderen en handhaven.

Voorzitter! Een laatste argument kan ontleend worden aan hoofdstuk VII van het Handvest van de VN, maatregelen met betrekking tot bedreiging van de vredebreuk en daden van agressie. In dat hoofdstuk komt men de term ’’bevorderen’’ niet tegen. Daar wordt gesproken over handhaven of herstel van de internationale vrede en veiligheid. Kortom, er is voldoende reden om te kiezen voor een wat meer terughoudende formulering. Dat beoog ik met mijn amendement. Ik voeg er nog een vraag aan toe. Waarom is in de nieuwe artikelen 97 en 100 gekozen voor het begrip ’’internationale rechtsorde’’ en niet, zoals het Handvest van de VN dat doet, voor ’’internationale vrede en veiligheid’’? Deze gedachte heb ik in de schriftelijke voorbereiding niet gelanceerd, omdat die pas later bij mij is opgekomen. Wordt met de term ’’internationale vrede en veiligheid’’ niet meer specifiek tot uitdrukking gebracht wanneer en waarom juist de krijgsmacht kan worden ingezet? Zou op deze manier ook het onderscheid met de veel meer algemene bepaling van artikel 90 niet beter tot uitdrukking worden gebracht? Graag hoor ik hierover het oordeel van de regering. Om de discussie te bevorderen heb ik dit ook in een amendement neergelegd. Ik weet niet of alle collega’s het inmiddels hebben, want het is vanmiddag pas naar de griffie gegaan, maar het is in ieder geval officieel ingediend.

Ik wil nu even stilstaan bij het nieuwe artikel 100. Daarin wordt – dat is echt een vernieuwing – een bijzondere inlichtingenplicht van de regering tegenover de Staten-Generaal vastgelegd ingeval van uitzending van militairen. Het is het resultaat van discussies die tussen de regering en Kamer enkele jaren geleden zijn gevoerd en die uitmondden in de motie die ik met een aantal collega’s in december 1994 indiende en waarin werd gevraagd om een formeel instemmingsrecht van de Staten-Generaal bij uitzending van militairen. De Kamer heeft die motie in meerderheid aanvaard. De vraag die zich derhalve thans voordoet, is of die motie voldoende wordt uitgevoerd. Welnu, dat is in elk geval niet naar de letter gebeurd. Tot dat inzicht is nu ook de regering gekomen, maar pas nadat de Raad van State haar op de vingers had getikt. Artikel 100 bevat immers niet een formeel instemmingsrecht.

Wat mij na aanvaarding van de motie heeft geïrriteerd, is dat de regering een dergelijk instemmingsrecht gewoon niet wil – de motie werd destijds dan ook sterk ontraden door de ministers Voorhoeve en Van Mierlo – maar dat de regering tot op de dag van vandaag niet de moed heeft gehad om dat ronduit te zeggen en daarbij passende argumenten te leveren. Bij herhaling heeft de Kamer gevraagd hoe het nu zat met de uitvoering van die motie. Telkens kwam het antwoord dat de motie zou worden uitgevoerd, maar daar werd ritueel aan toegevoegd ’’met inachtneming van de bestaande verhouding tussen de regering en de Staten-Generaal’’. Argumenten voor deze uiting van staatsrechtelijk conservatisme – jammer dat de heer Van Mierlo er niet bij is – werden er evenwel nooit bijgeleverd. Die argumenten zijn er dan ook niet, althans ze zijn niet aan de Grondwet zelf te ontlenen. Ik wil in dit verband nog eens wijzen op de argumentatie die de regering gebruikte bij de grondwetsherziening van 1983, toen zij zelf de bepaling over het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen welbewust heeft laten vervallen. Die schrapping was niet ingegeven door de wens tot deconstitutionalisering of de wens tot het kappen van dor hout. Neen, de regering achtte die bepaling ongewenst, omdat daarvan de onjuiste suggestie zou uitgaan dat in de verhouding tussen regering en parlement aan de bevoegdheden van de Staten-Generaal op het gebied van het buitenlands beleid bijzondere grondwettelijke grenzen zouden worden gesteld. Kortom, als nu de Staten-Generaal een formeel instemmingsrecht zou willen opeisen, dan kan en mag de regering dat niet tegenhouden met argumenten ontleend aan de bestaande constitutionele ordening zoals in de Grondwet is vastgelegd. Natuurlijk, zij kan het politiek niet willen, maar dat is een andere zaak. Dan moet dat ook uitgesproken worden.

Het enige argument dat ik ben tegengekomen – en ik kan het niet nalaten om dit toch maar te vermelden – werd geleverd in een ongevraagd advies van de Adviesraad voor vrede en veiligheid van 27 oktober 1995. In die raad was kennelijk paniek uitgebroken na aanvaarding van de motie, want daar had de gedachte postgevat als zou bij een formeel instemmingsrecht de Kamer zelfs het recht krijgen, zelf militairen uit te zenden tegen de wil van de regering in. Ik moet er niet aan denken. Ik zou niet weten hoe dat moest, maar dat vreesde men kennelijk. Hoe men op die gedachte is gekomen, is mij een raadsel. Niets in de argumentatie van de zijde van de Kamer heeft ooit gewezen op een dergelijke mogelijkheid. Ik heb in elk geval geen generaalsambities. Het zou natuurlijk ook absurd zijn. Dat had de raad zich moeten realiseren. Het was dan ook een slecht advies.

Voorzitter! Tot zover mijn ongenoegens. Nu de zaak zelf. Daarover is in een overleg op 21 december 1994 – de dag voorafgaande aan indiening en aanvaarding van de motie – overleg gevoerd met de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken. Ik releveer kort waar het mij als initiatiefnemer van de motie toen om ging. Kamer en regering werden in die tijd geconfronteerd met de nieuwe veiligheidspolitieke situatie in de wereld, waarbij inzet van Nederlandse militairen doorgaans niet meer zou voortvloeien uit de bijstandsverplichtingen ingevolge het NAVO- of WEU-verdrag. De beleidsvrijheid was derhalve toegenomen en navenant ook de verantwoordelijkheid. Mijn stelling was en is dat het goed zou zijn om die verantwoordelijkheid zoveel mogelijk gezamenlijk te dragen. Het accentueren van de rol van de Staten-Generaal werd nog eens versterkt door de afschaffing van de opkomstplicht. Een gevolg daarvan is dat de afstand tussen het parlement en de krijgsmacht losser en groter wordt. Een belangrijk volgend argument was het Nederlandse aanbod voor deelname aan UNSAS. De Kamer heeft daar destijds mee ingestemd. Het zou goed zijn om bij elke concrete honorering van een verzoek van de secretaris-generaal van de VN ook de Kamer een rol te geven bij het maken van de noodzakelijke afwegingen.

Deze argumentatie werd eigenlijk ook door de regering onderschreven en wel in de brief van 28 juni 1995, ondertekend door de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie. Die brief ging over het toetsingskader voor uitzending van militaire eenheden ten behoeve van internationale operaties. In de inleiding bij die brief schreef de regering: ’’Een toetsingskader heeft mede tot oogmerk zorgvuldig en weloverwogen te kunnen reageren op een soms mede door publiciteit verhoogde politieke druk tot militair ingrijpen in een moreel onaanvaardbaar geachte crisissituatie. Zo dient het risico van overreactie of door de actualiteit gestuurde selectiviteit te worden vermeden.’’

Dan volgt nog een waarschuwing tegen overhaaste besluitvorming. Welnu, het gevaar voor overhaasting wordt verminderd wanneer de besluitvorming in handen van twee organen wordt gelegd. Het laatste en zeker niet het minst belangrijke argument is nog dat het instemmingsrecht van de Kamer haar rol als volksvertegenwoordiging beter kan laten beleven. Het is tot op dit moment bij de meeste operaties gelukkig goed gegaan. Maar altijd moeten wij rekening houden met de situatie dat het echt fout gaat, dat er vele Nederlandse militairen sneuvelen. Dan kan een volksvertegenwoordiger bijvoorbeeld tegenover de familie natuurlijk niet volstaan met een verwijzing naar de primaire taak van de regering terzake. Neen, in een dergelijke situatie wordt het parlement als volksvertegenwoordiging natuurlijk direct medeverantwoordelijk gesteld. Zo hoort het ook. Het ligt dan in de rede om die verantwoordelijkheid te formaliseren in een instemmingsrecht.

De vraag die nu moet worden beantwoord, is of artikel 100 nieuw rechten van de Staten-Generaal bij uitzending van militairen in voldoende mate vastlegt. Naar de letter kan niet worden gesproken van volledige uitvoering van de motie van 21 december 1994. Toegegeven is echter dat de regering een serieuze poging heeft gedaan de motie qua strekking te honoreren.

Welke argumenten pleiten nu voor de gekozen opzet en redactie. In de eerste plaats verdient het waardering dat de regering haar beroep op de kennelijk gevoelde noodzaak de bestaande verhouding tussen regering en parlement in acht te nemen niet zover heeft gevoerd dat zij heeft verwezen naar artikel 68 Grondwet. Dat artikel regelt de inlichtingenplicht van ministers en staatssecretarissen en constitueert mede het staatkundig adagium ’’de regering regeert, het parlement controleert’’. Artikel 100 is qua opzet ook niet te beschouwen als een species van artikel 68 dat allereerst de mogelijkheid van controle achteraf garandeert. Artikel 100 gaat verder – en dat is te waarderen – door nadrukkelijk de mogelijkheid van controle vooraf te introduceren. Dat is nieuw. Het eerste lid veronderstelt – en nu citeer ik uit de memorie van toelichting – dat in beginsel voorafgaand overleg plaatsvindt en ook dat de regering uit eigen beweging de Staten-Generaal inlichtingen verstrekt. Samen met de heer Hoekema heb ik een amendement ingediend om dit letterlijk zo te formuleren, namelijk door het woordje ’’tijdig’’ te vervangen door ’’vooraf’’. Ik reken erop dat de regering deze amendering welwillend zal bejegenen.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Ik heb twee vragen aan de heer Van Middelkoop. Hoe kan hij tot de conclusie komen dat de motie-Van Middelkoop c.s. is uitgevoerd wat de strekking betreft? Een instemmingsrecht is echt iets anders dan een actieve informatieplicht. Dat is wat in het voorgestelde artikel staat.

Artikel 68 van de Grondwet over de inlichtingenplicht biedt de mogelijkheid om niet alleen achteraf, maar ook vooraf inlichtingen te vragen aan de regering. Het voorgestelde artikel 100 is dus een verbijzondering van artikel 68, in de zin van een actieve informatieplicht niet alleen tijdig, maar ook vooraf, waarvoor onze steun.

Graag hoor ik een reactie op mijn eerste vraag of het voorstel zoals het er nu ligt, een uitvoering is van de strekking van de motie. Ik begrijp dat niet.

De heer Van Middelkoop (GPV): Meent u dat nu?

De heer Koekkoek (CDA): Nee, omdat een instemmingsrecht iets anders is dan een informatieplicht.

De heer Van Middelkoop (GPV): Dat is het standpunt van de jurist. Daar hebt u gelijk in en in die zin zal ik u niet tegenspreken. Maar nu wat meer in ernst. Ik ben bezig om uit te leggen waarom ik materieel vind dat er wel degelijk gesproken kan worden van een instemmingsrecht of een afkeuringsrecht, een term die de minister van Defensie ooit heeft gebruikt. Ik spreek hier ook als defensiewoordvoerder, voorzover dat ü berhaupt te scheiden is, met enige kennis van de praktijk bij de uitzending van militairen, al sinds een jaar of acht. Als u mij toestaat, zal ik de argumenten verder voorlezen, dat komt de zindelijkheid van mijn redenering ten goede.

Op het laatste punt kan ik nu wel even ingaan, want dat deel van mijn betoog was klaar. Een deel van de argumentatie die leidt tot een zekere tevredenheid is dat ik mijn waardering heb uitgesproken dat de regering niet heeft gezegd dat artikel 68 voldoende is. Het simpele feit dat iets wat wellicht ook onder artikel 68 te brengen zou zijn, te weten informatie vooraf, eruit is gelicht en in de defensieparagraaf en in de Grondwet een eigen positie heeft gekregen, vind ik wel zo waardevol in die zin, dat er heel wat moet gebeuren wil een regering het in zo’n voorafgaand overleg echt op een botsing met de Kamer laten aankomen. Dat is een politieke weging van het naar het niveau van de Grondwet tillen van die voorafgaande informatie. Op grond van artikel 68 is het niet evident. De regering kan vooraf informatie verstrekken, maar is daartoe niet verplicht.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Ik kan mij voorstellen dat de heer Van Middelkoop daar een beetje tevreden mee is, maar dat hij erg tevreden over de uitvoering van zijn motie is, kan ik mij toch niet voorstellen.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik heb nog meer argumenten voor die tevredenheid. Laat ik dit woord maar met kleine letters schrijven, want ik moet het voor mijzelf ook niet te gek maken.

De heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! Is de heer Van Middelkoop het met mij eens dat zijn amendement op stuk nr. 7, herdruk, een afzwakking is van wat de regering voorstelt, namelijk de vervanging van het begrip ’’tijdig’’ door ’’vooraf’’? ’’Tijdig’’, voorzien van de toelichting van de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag, houdt in dat het vooraf plaatsvindt, en wel zodanig tijdig vooraf dat er overleg met de Staten-Generaal kan plaatsvinden. Bij vervanging van het begrip ’’tijdig’’ door het begrip ’’vooraf’’ betekent ’’vooraf’’ misschien een dag of zelfs een uur van tevoren. Er is dus veel minder waarborg voor een intensieve discussie met de Staten-Generaal dan in het voorstel van de regering. Veroorzaakt hij met zijn voorstel niet een verslechtering of een afzwakking?

De heer Van Middelkoop (GPV): Als je een amendement onwelwillend wilt bejegenen, kom je met dit soort gezochte argumenten. De heer Te Veldhuis loopt lang genoeg mee in de Kamer om te weten dat bij zo’n vitaal punt als uitzending van militairen geen enkele minister het durft te presteren om de Kamer een uur van tevoren te informeren, terwijl in de Grondwet een verplichting bestaat om tijdig te informeren. Dat vind ik echt academisch.

De heer Te Veldhuis (VVD): Ik wil absoluut geen academische discussie voeren. ’’Tijdig’’, zoals omschreven in de memorie van toelichting en in de nota naar aanleiding van het verslag, betekent dat het vooraf moet gebeuren, zoals is gezegd. Het moet zodanig tijdig vooraf gebeuren dat een volwaardige discussie met voldoende beschikbare tijd met de Staten-Generaal kan plaatsvinden. Het woord tijdig impliceert al vooraf in de interpretatie van de regering. De kans die de heer Van Middelkoop loopt met het woordje vooraf, is dat het in een acute situatie misschien een uurtje van tevoren kan zijn.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voor een acute situatie hebben wij een aparte bepaling. Om die situatie gaat het niet. Wij hebben het over de normale situatie. Wat kunnen wij samen overzien, mijnheer Te Veldhuis? Dat zijn uitzendingen naar Cambodja, Haïti, Angola en een paar keer naar Bosnië. Dat waren allemaal situaties waarbij wij weken van tevoren, dus voor het moment van daadwerkelijke uitzending, wisten waarover wij het hadden, waarbij de

Kamer werd geïnformeerd en waarna wij daarover overleg hadden. Laten wij het verschil ook niet groter maken dan nodig is tussen de woordjes tijdig en vooraf. Dat verschil is namelijk niet groot. De heer Hoekema en ik vinden met de Raad van de State dat het woord vooraf iets adequater formuleert waar het ons om gaat dan het woordje tijdig. Een grote zaak vind ik het echt niet. Als in de Grondwet staat dat de regering de Staten-Generaal vooraf moet informeren bij zo’n vitale aangelegenheid dan is het ondenkbaar dat het op een zodanige manier gebeurt dat het naar de letter wellicht vooraf is, maar slechts een uur voor daadwerkelijke uitzending. Ik zou niet graag de minister van Defensie zijn die dat moet verantwoorden tegenover de Staten-Generaal.

De heer Rehwinkel (PvdA): Ik neem aan dat wij van de heer Te Veldhuis nog een amendement met de term ’’tijdig vooraf’’ tegemoet mogen zien.

De heer Van Middelkoop (GPV): Dat heb ik ook overwogen, maar dat vond ik iets te gekunsteld worden.

De heer Rehwinkel (PvdA): Ik wil nog iets zeggen over de snelheid van handelen die geboden kan zijn. De heer Van Middelkoop is ingegaan op het argument van de regering dat de regering regeert en het parlement controleert. Een ander argument van de regering is dat soms snelle missies nodig zijn en soms zelfs geheime missies. Als ik het amendement van de heren Van Middelkoop en Hoekema tot mij laat doordringen, neem ik aan dat dergelijke snelle en geheime missies naar hun mening uitgesloten zijn. Als je zegt dat vooraf wordt geïnfor-meerd en niet dat ’’in principe’’ vooraf wordt geïnformeerd – dat laatste zou ook niet erg fraai zijn – zijn dergelijke snelle en geheime missies niet mogelijk.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik hoop dat de heer Rehwinkel het als parlementariër met mij eens is dat wij dergelijke missies niet al te vaak moeten hebben en dat wij er als Kamer graag bij betrokken willen zijn. Zo vaak is het ook niet voorgekomen. Ik zal hem niet uitdagen daarvan voorbeelden te noemen, want het zou hem de grootste moeite kosten, die te vinden.

De heer Rehwinkel (PvdA): Dat ben ik met de heer Van Middelkoop eens. Ik hoop dat hij het met mij eens is dat zijn amendement dergelijke missies in de toekomst onmogelijk maakt. Zo niet, dan wil hij mij misschien uitleggen waarom hij dat niet met mij eens is.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik meen dat artikel 100, tweede lid, voorziet in de situatie waarover de heer Rehwinkel spreekt, namelijk de situatie van overmacht bij de regering waarbij inderdaad heel snel moet worden ingegrepen en controle achteraf plaatsvindt. De heer Rehwinkel scheert met deze vraag langs de zaak.

Vervolgens mag erop worden gewezen dat artikel 100 de inmiddels gegroeide praktijk codificeert en verder laat ontwikkelen, waarin weliswaar geen sprake is van een instemmingsrecht in formele zin – ik beantwoord nu tevens een vraag van de heer Koekkoek – maar wel in materiële zin. De minister van Defensie zei in het algemeen overleg van 21 december 1994 dat een instemmingsrecht zich het beste kan ontwikkelen op basis van de gangbare praktijk, die erop neerkomt dat de Kamer in feit beschikt over een afkeuringsrecht. Zo staat het in het verslag van dat overleg. Het zijn geen letterlijke Handelingen.

De minister zei destijds toe, ter verdere structurering van een dergelijke overleg de Kamer te rapporteren over een toetsingskader. Ik sprak daar al over. Die belofte heeft hij gestand gedaan. Wij hebben een notitie gekregen en die tijdens een overleg in november 1995 besproken. Hoe ook een en ander constitutioneel wordt vastgelegd, het laat zich nauwelijks voorstellen dat de regering tot uitzending besluit als in het voorafgaande overleg blijkt dat een meerderheid van de Kamer daar overwegende bezwaren tegen zou hebben. Is de minister van Defensie dit met mij eens, zo vraag ik wellicht ten overvloede.

Ik wil er nog eens aan herinneren dat minister Ter Beek een beetje de trend heeft gezet door altijd heel nadrukkelijk eerst naar de Kamer te komen en de Kamer te informeren. Ik noem als voorbeeld Cambodja, voormalig Joegoslavië en dergelijke. Alle overleggen hadden een ander karakter dan een normaal overleg. Zij hadden het karakter van instemming. Na afloop van zo’n overleg werd als het ware de balans opgemaakt. In alle gevallen die ik heb meegemaakt, ging de Kamer bijna altijd in meerderheid of unaniem akkoord met uitzending van militairen. Dat is de praktijk, zeg ik als defensiewoordvoerder, en die wordt hier gecodificeerd. Het was de heer Ter Beek, en de heer Voorhoeve ongetwijfeld ook, altijd een eer om zo met de Kamer om te gaan. Zo is de trend gezet in de periode na de Koude Oorlog. Zo mag ik ook het voorstel van de regering in artikel 100 lezen en zo doe ik dat ook.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Wij zijn bezig met regeling van de Grondwet. Wij moeten dat zo precies mogelijk doen. Ziet de heer Van Middelkoop het verschil tussen uitdrukkelijke instemming van de Kamer met acties in het buitenland en het niet afkeuren door de Kamer van dergelijke acties? Immers, in het laatste geval laat zich heel goed denken dat de regering een voornemen heeft, dat de Kamer het eigenlijk niet zo goed weet en de regering door laat gaan. Als de Kamer de actie van de regering dus niet afkeurt, kan de regering gewoon doorgaan. Ik denk dat het vooral bij belangrijke beslissingen goed is als de Kamer zich ook bewust is van haar verantwoordelijkheid. Daarvan is de Kamer zich natuurlijk altijd goed bewust, maar dat wordt je als het ware extra ingeprent wanneer je uitdrukkelijk instemming moet geven. De heer Van Middelkoop zal toch niet ontkennen dat daar verschil tussen is. Met andere woorden, de beleidsruimte voor de regering is groter wanneer de regering niet afhankelijk is van een instemmingsrecht.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Ik zou bijna een beetje plagerig tegen de heer Koekkoek zeggen dat hij eens een tijdje mee moet lopen in de commissie voor Defensie en de commissie voor Buitenlandse Zaken. Dat de Kamer bij uitzending van militairen niet goed zou weten hoe ze moet oordelen, heb ik nog nooit meegemaakt. Trouwens, de Kamer zou geen knip voor de neus waard zijn als dat het geval zou zijn. Tot op heden heeft de Kamer altijd heel goed geweten waar het over ging.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Mag ik de heer Van Middelkoop interrumperen?

De voorzitter: Laat de heer Van Middelkoop eerst correct antwoord geven.

De heer Van Middelkoop (GPV): Stel dat de situatie zich zou voordoen dat je dat type Kamer zou krijgen, dan zou er reden temeer zijn om zo’n Kamer toch vooral geen formeel instemmingsrecht te geven. Stel je voor dat ze dan op een verkeerde manier van dat recht gebruik zou maken. Ik vind dat dus eerlijk gezegd geen sterk argument.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! De heer Van Middelkoop is heel goed op de hoogte van defensiezaken. Gesteld dat de Kamer een uitdrukkelijk instemmingsrecht bij de uitzending van Nederlandse troepen naar Srebrenica had gehad. Zou het dan zo kunnen zijn dat een of ander Kamerlid zich nog eens achter de oren had gekrabd bij de vraag of die instemming wel gegeven had moeten worden?

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik denk dat minister Voorhoeve die vraag misschien veel beter kan beantwoorden dan ik. Ik denk dat de Kamer in die tijd nog harder liep dan de regering zelf als het ging om het leveren van militairen voor operaties in de zogenaamde beveiligde gebieden. Dit is echt een zeer ongelukkig voorbeeld.

Formeel heeft de heer Koekkoek natuurlijk gelijk. Een formeel instemmingsrecht, zoals wij dat ook hebben bij goedkeuring van verdragen, is inderdaad iets anders dan een debat dat je voert bij controle vooraf en dat uitloopt in een eventuele motie waarin wordt uitgesproken dat je beter niet militairen naar dat en dat gebied kunt sturen. De heer Koekkoek weet namelijk evengoed als ik dat de regering zo’n motie naast zich neer kan leggen. Ik heb nu al een aantal jaren ervaring op defensiegebied en ik vind dat hoogst academisch. Ik vind dat de heer Koekkoek het verschil tussen formeel en materieel niet groter moet maken dan nodig is, gelet op de ervaringen van de laatste paar jaren.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzit- ter! Het gaat hier om de rechten van het parlement.

Minister Voorhoeve: Voorzitter! Mag ik kort ingaan op de vraag die de heer Koekkoek stelde aan de heer Van Middelkoop, die de vraag ook in zekere zin weer naar mij doorverwees?

De voorzitter: Als het heel kort kan, want dat valt een beetje buiten de orde van onze werkzaamheden.

Minister Voorhoeve: Het is wel een heel belangrijk voorbeeld dat de heer Koekkoek naar voren haalt. Het gaat hier om de besluitvorming in het vorige kabinet. Toen waren de rollen een beetje omgedraaid. De Kamer drong toen Kamerbreed nogal aan op het zo spoedig mogelijk aanvaarden van deze taak en de uitzending. Van de zijde van mijn voorganger waren er aarzelingen, maar die werden overwonnen en het eindigde met grote unanimiteit van de toenmalige Tweede Kamer en de toenmalige regering over de vraag of tot uitzending naar Srebrenica moest worden overgegaan.

De heer Van Middelkoop (GPV): Dat is inderdaad de gang van zaken geweest zoals ik mij die herinner.

Kortom, de voorgestelde regeling stelt de Staten-Generaal ten volle in staat om de eigen verantwoordelijkheid bij uitzending van militairen te beleven en ook daar ging het mij om.

Ik mag er ook nog aan herinneren dat toen, althans door mij als initiatiefnemer van een motie, niet bij voorbaat is gedacht aan een regeling in de Grondwet. Ik heb het ook niet uitgesloten, maar dat lag niet voorop. Nu dat wel gebeurt, mag ook dat legislatieve feit tellen. Er is in elk geval geen verschil van mening over het gewicht van de zaak. Een constitutionele verankering accentueert het nog eens extra en daarvoor past erkentelijkheid.

Voorzitter! Uit mijn toonzetting en de weging van de verschillende pro’s en contra’s en de beantwoording van de interrupties mag inmiddels duidelijk zijn dat ik het voorstel van de regering op dit punt aanvaardbaar vind. Ik zie dus af van pogingen tot formaliseren van een recht dat naar mijn mening thans materieel voldoende is gewaarborgd. Ik laat pogingen daartoe over aan de heer Koekkoek. Ik voeg daar nog de veronderstelling aan toe dat het voorliggende voorstel ook in de Eerste Kamer vermoedelijk op voldoende steun kan rekenen, zodat wij eindelijk een defensieparagraaf in de Grondwet krijgen die bij de tijd is.

©

A.K. (Alis)  KoekkoekDe heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Nu wij aan het begin staan van de behandeling van een groot aantal voorstellen tot herziening van de Grondwet, is het aardig om 200 jaar terug te gaan. Er werd toen een grondwet aanvaard die zeer uitvoerig was en allerlei uitvoerige ontboezemingen bevatte. De debatten die wij hier voeren, zijn vrij rustig. Wij hebben te maken met een vrij sobere Grondwet. Wij proberen een aantal wezenlijke zaken zo goed mogelijk te regelen.

Thans zijn aan de orde de defensiebepalingen. Het gaat om een soort derde bedrijf, omdat eerder twee pogingen om de defensiebepalingen te herzien, zijn mislukt. De CDA-fractie is niet gelukkig met het zonder meer schrappen van artikel 97 van de Grondwet. Artikel 97 verplicht alle Nederlanders, daartoe in staat, mee te werken tot handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en de verdediging van zijn grondgebied. Volgens de regering mist het huidige artikel zijn historische context. Dat is niet juist, want de context is nog precies dezelfde als in 1887, toen het artikel zijn huidige formulering kreeg. Artikel 97 vormt met de laatste volzin van artikel 98 de basis voor de civiele verdediging. In vergelijking met artikel 12a van de Duitse grondwet is de Nederlandse Grondwet bescheiden. Het Duitse artikel bevat een uitvoerige regeling van de civiele dienstplicht. De informatie van de regering dat deze Duitse bepaling een beperkte omschrijving zou geven, klopt ook niet. Volgens de regering bestaat de regelgeving betreffende de civiele verdediging niet meer. De Bescherming bevolking is inderdaad opgeheven, maar de civiele verdediging komt nog voor in de Provinciewet en de Gemeentewet. Artikel 24 van de Oorlogswet voor Nederland kent nog steeds de verplichte werkzaamheden van niet-militairen. Verplichtingen aan niet-militairen kunnen zeer ver gaan. Vanwege hun ingrijpendheid is er alle reden dat de Grondwet de basis legt voor de civiele verdediging. Weliswaar is de Koude Oorlog voorbij, maar als de nood aan de man komt, is ook de civiele verdediging essentieel. Daarom is het goed in de Grondwet een bepaling te handhaven betreffende verplichtingen van niet-militairen. Eerdere herzieningsvoorstellen deden dat ook. Het amendement op stuk nr. 9 heeft daarop betrekking.

Voorzitter! Het voorgestelde artikel 97 noemt de volgende taken van de krijgsmacht. In de eerste plaats de verdediging, in de tweede plaats de bescherming van de belangen van het Koninkrijk en in de derde plaats de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. Met de verdediging is, gelet op artikel 2 van het Statuut, in ieder geval de verdediging van het Koninkrijk bedoeld. Met de bescherming van de andere belangen van het Koninkrijk is niet anders dan de hulpverlening, de bijstand door militairen bedoeld. Met het amendement op stuk nr. 8 worden beide bedoelingen van de regering beter weergegeven en ook dit amendement sluit aan bij eerdere herzieningsvoorstellen.

Voorzitter – er is al even discussie over geweest – de CDA-fractie vindt het teleurstellend dat de regering de Kamerbreed gesteunde motie-Van Middelkoop c.s. waarin om een instemmingsrecht van het parlement werd gevraagd bij het uitzenden van militaire eenheden, niet heeft uitgevoerd. Het voorstel behelst niet meer dan een actieve informatieplicht. Zeker, dit is belangrijk, maar het is toch iets anders dan een instemmingsrecht. Met een instemmingsrecht wordt, anders dan de regering meent, volstrekt geen afbreuk gedaan aan het gezag van de regering over de krijgsmacht; dat blijft uiteraard bij de regering berusten. Onze fractie heeft er begrip voor dat de regering behoefte heeft aan een zekere speelruimte; een instemmingsrecht voor alle gevallen is wellicht ook te omslachtig, maar voor belangrijke besluiten met vergaande gevolgen is een instemmingsrecht van het parlement alleszins gerechtvaardigd. Het amendement op stuk nr. 10 biedt daartoe een mogelijkheid. Het voorziet erin dat als een van beide Kamers of ten minste eenvijfde van het aantal leden van een Kamer dat wenst, uitdrukkelijke instemming van het parlement met het uitzenden van troepen vereist is. Hierin ligt naar onze mening een belangrijke waarborg tegen onvoldoende overwogen beslissingen.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Ik vraag me af of de heer Koekkoek met het genoemde amendement echt volledige uitvoering van onze motie beoogt te bewerkstelligen, want dan zou hij het niet facultatief moeten laten zijn. Als hij zich echt zo druk maakte over de uitvoering van de motie-Van Middelkoop c.s., zou hij moeten voorschrijven dat elke beslissing tot uitzending van troepen instemming van de Kamer behoeft.

Maar belangrijker vind ik eigenlijk de vraag of de heer Koekkoek het als politicus en als staatsrechtsman echt elegant vindt om een voorhangbepaling in de Grondwet op te nemen. In de discussies over het rapport van de commissie-Deetman is nadrukkelijk gezegd dat wij zoveel mogelijk zouden moeten afzien van het opnemen van voorhangbepalingen, terwijl er nu zelfs een in de Grondwet zou worden opgenomen. Alleen al uit een oogpunt van elegante wetgeving zou ik dit van de heer Koekkoek niet verwacht hebben.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! De heer Van Middelkoop daagt mij uit, want hij spreekt mij aan op twee verantwoordelijkheden. Ik kan hem geruststellen, ik heb hier maar één verantwoordelijkheid, namelijk die van Kamerlid, net als hij. Desalniettemin, in de motie-Van Middelkoop was om een formeel instemmingsrecht gevraagd en om suggesties van de regering op dit punt. Die heeft gewoon geweigerd dergelijke suggesties te doen; ze heeft nooit modellen voor een instemmingsrecht aan de Kamer willen presenteren.

Vervolgens weeg je af hoe een formeel instemmingsrecht het best zou kunnen werken en dan luister je natuurlijk naar de argumenten van de regering. Ik ben het ermee eens dat er in ieder geval een actieve informatieplicht moet komen, wat de heer Van Middelkoop voorstelt, tijdig en vooraf. Vooraf is tijdig, maar het is meer dan tijdig; die uitleg lijkt mij toch nog wel nodig. Maar ik zou het willen gieten in de vorm van een actie die het parlement zou moeten ondernemen om, vanwege het belang van de zaak, al dan niet te kunnen instemmen met een bepaald besluit. Hierom kan worden gevraagd door een minderheid in de Kamer, bijvoorbeeld omdat het wel eens fiftyfifty in de Kamer zou kunnen zijn. Het is dus een vorm van instemmingsrecht waarmee echt volledig uitvoering aan de motie gegeven wordt.

De tweede vraag verbaast mij in zoverre enigszins, dat tot voor kort een bepaling gold die precies hetzelfde luidde, namelijk bij de stilzwijgende goedkeuring van verdragen. Enkele jaren geleden is de Wet goedkeuring verdragen tot stand gekomen. De betekenis van die bepaling – die nog altijd in de Grondwet in de additionele artikelen staat – is toen vervallen. Zo’n voorhangbepaling is dus niet vreemd. Ik spreek liever over een ’’alarmbelprocedure’’. De Kamer kan aan de bel trekken als zij uitdrukkelijke toestemming nodig vindt.

De heer Van Middelkoop (GPV): Wat kan dit in de praktijk betekenen? In de bepaling wordt een termijn van 30 dagen aan de Kamer gegund om erover te praten. Ik vind dit een vrij lange termijn. Als dit amendement wordt aanvaard, vallen dan niet erg veel operaties onder lid 2 van artikel 100? Ik doel hierbij op spoedeisende operaties waarop achteraf controle kan worden uitgeoefend. Dit is nooit onze bedoeling geweest. Mag je, met andere woorden, van de regering bij dit soort zaken verlangen dat 30 dagen niets wordt gedaan – de secretaris-generaal van de VN bijvoorbeeld heeft een verzoek gedaan – omdat de Kamer die termijn heeft gekregen om zich erover uit te spreken? Dat werkt toch niet?

De heer Koekkoek (CDA): In beide gevallen, zowel bij het voldoen aan de actieve informatieplicht als bij het eventueel gebruik maken van het formele instemmingsrecht, geldt dat zaken hun eigen loop hebben. In beide gevallen kan soms de parlementaire procedure niet plaatsvinden. Er kan een versnelling optreden, indien een dergelijke termijn is ingesteld. In zo’n geval kan echter ook een discussie plaatsvinden op basis van de actieve informatieplicht van de regering. Meestal begint het uitzenden met het ter beschikking stellen van troepen. Dan is in ieder geval tijdig bekend wat de bedoeling van de regering is. In de praktijk zal geen belemmering optreden omdat, hoe dan ook, de actieve informatieplicht geldt. Op basis daarvan kan al een debat plaatsvinden, terwijl in dat stadium ook de mogelijkheid bestaat tot het verlenen van formele instemming. Het is een extra waarborg die niets afdoet aan de actieve informatieplicht. Deze extra waarborg behoeft de besluitvorming niet te belemme-

De heer Van Middelkoop (GPV): U bent het toch met mij eens dat de regering er verstandig aan doet om nooit, gelet op de dan gewijzigde Grondwet, binnen 30 dagen na informatie van de Kamer daadwerkelijk militairen de grens over te sturen?

De heer Koekkoek (CDA): Neen, voorzitter. Het hangt helemaal van de situatie af. Als het tweede lid van artikel 100 geldt, wordt de ook door mij voorgestelde procedure buiten werking gesteld. Op dezelfde manier kan de actieve informatieplicht door dat tweede lid buiten werking worden gesteld. Wat dat betreft, is er geen verschil.

De heer Van Middelkoop (GPV): Hoe minder er gebruik wordt gemaakt van het tweede lid, hoe beter het is.

De heer Koekkoek (CDA): Dat ben ik helemaal met u eens.

De heer Te Veldhuis (VVD): Een vraag van puur staatsrechtelijke aard. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht. Ik heb daar geen amendement van de heer Koekkoek over gezien. Als het amendement van de heer Koekkoek wordt aangenomen – er wordt dan voor de Staten-Generaal instemmingsrecht gecreëerd – en de Staten-Generaal komen tot de uitspraak dat er geen inzet van militaire macht in het buitenland, of waar dan ook, kan plaatsvinden, betekent dit de facto aantasting van het oppergezag van de krijgsmacht. Bent u het daarmee eens? Zo ja, vindt u een dergelijke aantasting van de grondslagen van onze krijgsmacht wel gewenst? Betekent de uitvoering van het amendement in de praktijk dat vijftien mensen uit de Eerste Kamer de besluitvorming – zelfs in acute situaties – lange tijd kunnen ophouden? Vindt u dit geen gevaar voor de flexibiliteit en de snelheid waarmee opgetreden moet kunnen ren.

worden en voor de geloofwaardigheid van Nederland als natie? Inmiddels zou namelijk besloten kunnen zijn om troepen ergens in te zetten, waarna binnen 30 dagen diezelfde troepen weer teruggehaald moeten worden. Kun je een regering op deze manier fatsoenlijk in internationaal verband laten opereren?

De heer Koekkoek (CDA): De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht en houdt dit ook. Dat staat in de Grondwet. Het amendement doet daar volstrekt geen afbreuk aan, evenmin als de grondwettelijke bepalingen over de goedkeuring van verdragen afbreuk doen aan het bestuur van de buitenlandse betrekkingen, de verantwoordelijkheid die de regering wat dat betreft heeft. In dit opzicht is er geen enkel verschil. Het oppergezag blijft daar; alleen voor bepaalde besluiten van de regering is in bepaalde gevallen de instemming van het parlement nodig. Dat is het verschil, zoals dat ook bij het sluiten van verdragen het geval is. De regering sluit verdragen, het parlement keurt ze goed.

De heer Te Veldhuis (VVD): Als de Staten-Generaal niet instemt met het besluit van de regering, is daarmee dus het oppergezag de facto niet meer aanwezig, tenzij... En dat mag u zelf invullen.

De heer Koekkoek (CDA): Nee, dat oppergezag blijft bij de regering. Alleen het gebruik maken van de bevoegdheid door de regering is, zoals het aan zoveel beperkingen onderhevig is, ook in dit geval onderhevig aan parlementaire besluitvorming. Maar dat geldt in alle gevallen. Dat geldt ook voor de begrotingswetgever. De regering is gebonden aan de begroting voor Defensie, die met medewerking van de wetgever wordt vastgesteld. Zo geldt dit in alle gevallen. Het oppergezag is uiteraard gebonden aan de beslissingen en aan de kaders die het parlement daarvoor stelt. Dat spreekt vanzelf, maar dat doet niets af aan het oppergezag.

De heer Te Veldhuis (VVD): U stapt dus in dit geval af van het staatsrechtelijk beginsel dat de regering regeert en de Kamer controleert?

De heer Koekkoek (CDA): Ja, in dit geval wordt een uitdrukkelijk instemmingsrecht van de Kamer mogelijk, zoals dit ook geldt bij oorlogsverklaring en bij de goedkeuring van verdragen. Dat is inderdaad een andere rol voor de Kamer dan in het regeringsvoorstel is opgenomen, iets waar bijna Kamerbreed om gevraagd is in de motie-Van Middelkoop c.s.

De heer Hoekema (D66): De heer Koekkoek introduceert met zijn amendement een pendant van de oorlogsverklaring in artikel 96 van de Grondwet, een vrij zware, logge procedure die weliswaar facultatief is. Mijn vraag aan de heer Koekkoek is of hij niet bevreesd is dat de eventuele aanvaarding van dat amendement in de praktijk ertoe zal leiden dat de regering zeer vaak gebruik maakt van de vluchtweg in artikel 100, lid 2, die in de huidige opzet juist een uitzonderingsbepaling zou moeten zijn.

De heer Koekkoek (CDA): Die vraag heeft de heer Van Middelkoop ook al gesteld. Ik heb toen aangegeven dat dit in de praktijk weinig zou uitmaken.

In antwoord op de tweede vraag van de heer Te Veldhuis wil ik zeggen dat dit amendement ook geen afbreuk doet aan de vereiste flexibiliteit, zoals ook de actieve informatieplicht daaraan geen afbreuk doet.

Ik was bezig met artikel 100, eerste lid, in verband met de humanitaire hulpverlening buiten een gewapend conflict. Deze hulpverlening valt onder bevordering van de internationale rechtsorde. Ingevolge de eerste volzin van het voorgestelde artikel 100, eerste lid, geldt dan de actieve informatieplicht. De CDA-fractie wil daaraan niet afdoen als Nederlandse militairen voor humanitaire hulp bijvoorbeeld naar Zaïre – dit voorbeeld is genoemd – worden gezonden. De tweede volzin van het eerste lid, die de informatieplicht beperkt tot humanitaire hulp in het geval van een gewapend conflict, dient daarom te vervallen. Daartoe strekt het amendement op stuk nr. 11. Met belangstelling zie ik de reactie van de regering tegemoet.

©

J.P. (Peter)  RehwinkelDe heer Rehwinkel (PvdA): Mijnheer de voorzitter! ’’De fractie van de PvdA heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot modernisering van de bepalingen inzake de verdediging’’ had de aanhef van onze inbreng bij het onderhavige wetsvoorstel zullen luiden. Helaas is die inbreng door een fout onzerzijds niet in het verslag terechtgekomen. De inbreng was wel gemaakt, collega’s begonnen er ook naar te informeren. Onze verontschuldigingen. Dit betekent echter niet dat onze fractie over dit onderwerp niets te zeggen heeft.

In het voortraject van het wetsvoorstel is gesproken over de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij de inzet van Nederlandse troepen in het buitenland. Daaraan is al uitgebreid gerefereerd. Er is toen een motie aangenomen van de heer Van Middelkoop cum suis. Misschien mag ik hier vermelden dat tot die ’’cum suis’’ ook de heer Van Traa behoorde. In die motie werd uitgesproken dat wij bij uitzending van militaire eenheden een formeel instemmingsrecht van het parlement wensten. De regering heeft gemeend uitvoering te moeten geven aan die motie door een bepaling in het voorstel op te nemen dat de Staten-Generaal tijdig worden ingelicht over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Mijn fractie heeft zich werkelijk de vraag gesteld op welke wijze aan dat gevraagde instemmingsrecht inhoud zou moeten worden gegeven. Wij konden ons een grondwettelijke regeling voorstellen analoog aan de regeling van de inoorlogverklaring. Het verweer van de regering tegen een dergelijke regeling berust grotendeels op het argument dat het uitzenden van militairen onderdeel is van de executieve taak. De Staten-Generaal moeten, zoals wordt voorgeschreven door het adagium ’’de regering regeert, het parlement controleert’’ genoegen nemen met inlichtingen die de regering verstrekt conform artikel 68 van de Grondwet.

Het expliciet opnemen van de plicht het parlement tijdig te informeren over de uitzending van militairen naar het buitenland, past binnen zo’n redenering. Wij geloven echter niet dat vanwege dat adagium ’’de regering regeert, het parlement controleert’’ van een formeel instemmingsrecht behoeft te worden afgezien. De scheiding der machten is allang niet meer zo scherp als de regering nu toch een beetje doet voorkomen. Op verschillende onderdelen treedt het parlement op het terrein van de uitvoerende macht. Ik noem bijvoorbeeld de PKB en het goedkeuren van verdragen. Daarbij is de invloed van het parlement ook niet beperkt tot het controleren achteraf. Het invoeren van den instemmingsrecht is dus geen staatkundige noviteit.

Bij interruptie heb ik er voorts al op gewezen dat de regering een aantal procedurele problemen voorziet, die zich bijvoorbeeld zouden kunnen voordoen in situaties waarin de inzet van Nederlandse militairen slechts zinvol is als dat onverwijld gebeurt. De plicht om de instemming te vragen aan het parlement zou dan te veel vertraging met zich meebrengen. Ook zou het soms noodzakelijk zijn om militairen in het geheim uit te zenden. De regering heeft, wat mijn fractie betreft, tot nu toe onvoldoende aangegeven wanneer zich in het verleden bij de uitzending van Nederlands defensiepersoneel een van beide situaties heeft voorgedaan. Genoemd werd in het AO van januari 1995 het snel te hulp moeten schieten van een bevriend democratisch regime. Wij kunnen ons daar echter weinig anders bij voorstellen dan dat zo’n operatie zou plaatsvinden als uitvloeisel van onze verdragsverplichtingen jegens NAVO-en WEU-bondgenoten. Voor dergelijke situaties is het instemmingsrecht niet van toepassing. Mijn vraag in dit plenaire debat is of de regering concrete regimes kan noemen buiten het verdragsgebied van NAVO of WEU die zij te hulp zou willen schieten, zonder daarover tevoren het parlement te consulteren.

Mijn fractie vraagt zich af of snelle en geheime missies wenselijk zijn wanneer daartoe geen mandaat is verleend. De regering zegt dat niet alle relevante gevallen zijn te voorzien, maar mijn fractie wil toch dat preciezer wordt aangegeven wat relevante gevallen kunnen zijn. Het antwoord op die vraag kan, nogmaals, misschien vooral worden gegeven aan de hand van situaties die zich in het verleden hebben voorgedaan. Misschien kan de regering ook voor de toekomst preciezer aangeven aan welke missies moet worden gedacht. De precisie van het antwoord zal mijn fractie meewegen bij de uiteindelijke standpuntbepaling ten aanzien van het voorgestelde lid 2. Lid 2 moet volgens de heer Van Middelkoop zo weinig mogelijk worden gebruikt. Wij vragen ons zelfs af of het sowieso gebruikt moet kunnen worden. Uitzending van militairen naar oorlogsgebieden is immers niet zonder gevaar. Wanneer jonge mensen ver van huis hun leven riskeren, moeten zij zich zoveel mogelijk gesteund weten door een politieke meerderheid in het parlement. Daarover zullen wij niet van mening verschillen. Er zouden grote problemen kunnen ontstaan als achteraf blijkt dat het parlement tegen een uitzending is. Worden de Nederlandse militairen in zo’n geval onverwijld uit het oorlogsgebied teruggetrokken? Waarschijnlijk zal dat niet gebeuren en krijgt de Kamer te horen dat er internationale verplichtingen zijn aangegaan waardoor de terugtrekking onmogelijk is of dat terugtrekking het Nederlandse aanzien in het buitenland zou schaden.

Ik heb al gezegd dat er alternatieven zijn voor het regeringsvoorstel, die wellicht ook recht doen aan de door de Kamer uitgesproken wens om mee te beslissen over de uitzending van militairen. Daarbij kan worden gedacht aan het amendement van de heer Koekkoek, maar er kan ook worden gedacht aan opname van het instemmingsrecht in de Grondwet op een manier zoals in artikel 96 het instemmingsrecht van het parlement is verankerd voor de inoorlogverklaring.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! De heer Rehwinkel maakt mij nieuwsgierig naar de stellingname van de PvdA-fractie op dit essentiële punt. Hij vraagt de minister om een nadere toelichting op de wijze van gebruik en naar voorbeelden in het verleden van toepassing van artikel 100, lid 2. Dat is een zeer juiste vraag, maar hij schetst alternatieven voor artikel 100 en wat is dan de opvatting van de PvdA over de wijze waarop dat instemmingsrecht moet worden vastgelegd?

De heer Rehwinkel (PvdA): Er is niets op tegen om nog geen standpunt in te nemen en het antwoord van de regering af te wachten, maar dat zal dit keer niet het geval zijn. Ik kom nog tot een voorlopige conclusie, want dan wachten wij natuurlijk alsnog het antwoord van de regering af.

Voorzitter! Als voor de procedure analoog aan artikel 96 zou worden gekozen, zou een zeer zware procedure van parlementaire goedkeuring gelden. De Staten-Generaal moeten dan bijvoorbeeld in verenigde vergadering bijeenkomen.

Van andere aard is het amendement van de collega’s Van Middelkoop en Hoekema, maar het heeft naar onze mening dezelfde materiële gevolgen, namelijk dat het parlement vooraf aan uitzending gebrek aan goedkeuring kan laten blijken. De voorgestelde regeling komt naar ons inzicht in belangrijke mate tegemoet aan de procedurele bezwaren die toch aan een grondwettelijk goedkeuringsrecht analoog aan artikel 96 kleven. Wij zijn dan ook geneigd om het amendement van de collega’s Van Middelkoop en Hoekema te steunen. Ik heb sympathie voor de opmerkingen van de heer Te Veldhuis, maar wij menen toch dat het vooraf informeren als principe de voorkeur geniet boven het tijdig informeren, omdat ’’tijdig informeren’’ wat ons betreft toch te onbepaald is.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! De conclusie van de heer Rehwinkel verbaast mij wat, omdat hij in het overleg van november 1995 juist vroeg om een instemmingsrecht analoog aan artikel 96. Nu is hij tevreden met een actieve informatieplicht en niet met een instemmingsrecht. Wil hij uitleggen hoe hij deze bocht heeft genomen?

De heer Rehwinkel (PvdA): U moet niet te vroeg bochten constateren. Ik kan mij dat overigens niet zo herinneren, maar ik zal het verslag erop naslaan. Het moet u echter bekend zijn dat wij over de wijze waarop aan dat instemmingsrecht vorm moet worden gegeven, lang onze gedachten hebben laten gaan. Het is zelfs een openbaar proces geweest, waar u toch ook kennis van heeft genomen. De heer Van Traa heeft er wel eens voor gewaarschuwd om niet te gauw te kiezen voor een wettelijke verankering van het instemmingsrecht.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Ik geef slechts een samenvatting van wat de heer Rehwinkel heeft gezegd in dat overleg in november 1995.

De heer Rehwinkel (PvdA): Het is nu al een samenvatting geworden! De heer Koekkoek vindt het zeker niet erg als ik het verslag van dat algemeen overleg erop nasla!

Voorzitter! De heer Van Middelkoop stelt in zijn amendementen in de eerste plaats voor om de woorden ’’bevordering van de internationale rechtsorde’’ als taak van de krijgsmacht te schrappen en om te volstaan met het woord ’’handhaving’’. Daarover is al het een en ander gezegd. Van bevordering van de internationale rechtsorde is volgens de heer Van Middelkoop sprake bij het ontwikkelen van internationale rechtsnormen of bij het sluiten van verdragen. In zijn ogen zijn dat taken van de regering en niet van de krijgsmacht. Van ’’handhaving’’ is sprake bij de inzet van militairen bij een dreigende schending van de internationale rechtsorde. De memorie van toelichting is wat dat onderscheid betreft weinig expliciet. Dat zal ook de heer Van Middelkoop zijn opgevallen en ik zou daarom van de regering graag een definiëring van het begrip ’’bevordering van de internationale rechtsorde met militaire middelen’’ krijgen. Zo verneem ik ook graag van de regering wat de voordelen zouden zijn van het gebruik van de door haar voorgestelde terminologie boven die in het Handvest van de Verenigde Naties.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! De heer Rehwinkel liep net weg van datgene wat hij eerder heeft gezegd. Hij wist het niet precies

De heer Rehwinkel (PvdA): Ik liep niet weg. Ik zei dat ik nog eens met interesse de weergave van mijn woorden in het verslag zou nagaan. Ik begrijp dat u daarbij behulpzaam wilt zijn.

De heer Koekkoek (CDA): Ik wil u daarbij helpen door u letterlijk te citeren, omdat u toen vroeg: waarom wordt niet de in artikel 96 Grondwet geschetste procedure gevolgd, waarin staat dat het Koninkrijk niet in oorlog wordt verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal? Ik begrijp dat u toen in die richting dacht, maar dat u nu van dat instemmingsrecht afstapt.

De heer Rehwinkel (PvdA): Nu maak ik echt bezwaar. U zult weten dat u

meer.

mij niet letterlijk kunt citeren uit het verslag van een algemeen overleg, want van algemene overleggen worden geen woordelijke verslagen gemaakt. Het is hooguit een samenvatting van wat ik heb gezegd. Overigens is die samenvatting vaak correct en goed. Maar ik mag toch wel de vraag stellen? Dat is hier ook gebeurd. Daarom kon ik mij niet zo snel iets voorstellen bij datgene wat u zei. Ik mag toch op zijn minst de vraag stellen waarom niet wordt gekozen voor een procedure zoals neergelegd in artikel 96. Dat sluit ook volledig aan bij datgene wat ik heb gezegd, dat de PvdA-fractie zich heeft bezonnen op de vraag op welke wijze je dat instemmingsrecht vorm moet geven. Daarom is de vraag aan de regering waarom zij niet kiest voor de in artikel 96 neergelegde procedure iets heel anders dan het vastpinnen van de fractie op die uiteindelijke stelling-

De heer Koekkoek (CDA): U vindt een actieve informatieplicht dus hetzelfde als een instemmingsrecht?

De heer Rehwinkel (PvdA): Ik meen dat met het amendement van de heren Van Middelkoop en Hoekema bereikt kan worden wat ook u wilt bereiken, namelijk dat het parlement zijn goedkeuring of gebrek aan goedkeuring aan uitzending vooraf kan doen blijken. Dat is althans de hoofdregel. Wat lid 2 betreft, het eventueel later betrokken doen zijn van het parlement, nemen wij nog een nader standpunt in.

©

J.T. (Koos) van den BergDe heer Van den Berg (SGP): Voorzitter! De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, zo lezen wij in Romeinen 13; een buitengewoon fundamenteel hoofdstuk voor onze visie op het gezag van de overheid. De overheid heeft dus de zwaard-macht en bovendien het geweldsmonopolie. Die omstandigheden dringen er naar het oordeel van mijn fractie toe dat wij buitengewoon zorgvuldig met onze grondwettelijke vormgeving van de defensietaak omgaan. Overigens sluit ik mij graag aan bij de opmerking van de heer Van Middelkoop, dat die zwaard-macht, dat geweldsmonopolie meer omvat dan alleen het defensieapparaat. Dat wordt niet geheel weerspiegeld in de Grondwet. Daarover name.

hoeven wij nu niet te discussiëren, maar het is toch een belangwekkende vraag.

De noodzaak van aanpassing van de grondwettelijke bepalingen inzake de verdediging is op zichzelf niet zozeer een punt van discussie, maar de wijze van vormgeving wel. Wat dat betreft heeft dit wetsvoorstel toch een vrij bewogen voorgeschiedenis. Het is goed om dit op te merken, omdat het aanduidt dat in ieder geval op dit punt de Kamer heel zorgvuldig naar de redactie van deze bepalingen heeft gekeken. Ik herinner eraan dat in 1981 al een voorstel tot grondwetsherziening is verworpen in de Eerste Kamer en in 1987 in de Tweede Kamer. Allerlei omstandigheden leidden daartoe, maar dat heeft toch implicaties gehad. In 1995 was er een zeer beperkte grondwetsherziening, eigenlijk alleen redactioneel, hoofdzakelijk in verband met het besluit dat toen reeds was gevallen wat het afschaffen van de opkomstplicht betreft. Nu is toch de integrale herziening aan de orde waar duidelijk behoefte aan bestaat.

Het geheel overziende moet ik zeggen dat een deel van de bepalingen die nu aan de orde zijn hoofdzakelijk redactionele betekenis heeft. Dat geeft mijn fractie nog een enkele aanleiding tot opmerkingen. De meest in het oog springende wijziging betreft artikel 100 inzake de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter bevordering of handhaving van de internationale rechtsorde. Hiermee is uitvoering gegeven aan de eind 1994 door de Kamer aangenomen motie van collega Van Middelkoop c.s. Tot de ’’suis’’ behoorde ook de spreker die op dit moment aan het woord is, hetgeen maar aanduidt dat onze fractie destijds met deze denkrichting heeft ingestemd. De vraag is nu of wij akkoord gaan met de wijze waarop de regering daar uitvoering aan heeft gegeven. Ik kom daar zo op terug.

Ik wil eerst nog iets zeggen over de andere wijzigingen die nu voorliggen. Ik begin met artikel 97. In het licht van de gewijzigde internationale omstandigheden is het begrijpelijk dat de formulering van de taakomschrijving van de krijgsmacht wordt aangepast. De krijgsmacht – dit is niet nieuw, maar die ontwikkeling heeft zich wel geïntensiveerd – wordt inderdaad, zeker de laatste jaren, steeds meer ingezet voor taken op het gebied van handhaving van de internationale rechtsorde in gebieden waarin die rechtsorde is geschonden of geschonden dreigt te worden. Gegeven het uitgangspunt dat de Grondwet sober moet zijn en zich moet beperken tot de kernbepalingen van ons staatkundige bestel, is er veel te zeggen voor een zo kernachtig mogelijke omschrijving van de taken van de krijgsmacht. Wij kunnen ons wat dat betreft – dat hebben wij ook in de schriftelijke voorbereiding gemeld – wel vinden in de omschrijving, zoals die nu aan te treffen is in artikel 97. Wij vinden het terecht dat de verdediging van het Koninkrijk vooropstaat. Ook de bescherming van de belangen van het Koninkrijk dient vermeld te blijven, want het behoeft niet altijd te gaan om de verdediging. Wij lezen deze bepaling althans zo dat de krijgsmacht ook voor andere taken dan verdediging kan worden ingezet. De krijgsmacht moet kunnen worden ingezet ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk – dat is een juiste zaak – alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde.

Ik wil in dit verband nog een opmerking maken. Ook mijn fractie heeft na nadere bezinning op de omschrijving in het wetsvoorstel de vraag of het wel juist is om hier niet alleen te spreken van de handhaving van de internationale rechtsorde, maar ook van de bevordering van de internationale rechtsorde. Wat dat betreft kan ik mij wel vinden in het amendement van collega Van Middelkoop op stuk nr. 6. De bevordering van de internationale rechtsorde doen wij inderdaad niet primair met het defensieapparaat; daar zijn andere middelen voor. Ik vind handhaving iets wat bij uitstek past bij de aard en de taken van de krijgsmacht. Ik verwijs hierbij naar hetgeen ik zei over de zwaardmacht. Ik hoor hier natuurlijk graag de reactie van de regering op, maar mijn fractie heeft bij nader inzien toch een voorkeur voor het schrappen van de woorden ’’de bevordering van’’.

Met andere omschrijvingen, zoals de heer Van Middelkoop die heeft voorgesteld in het amendement op stuk nr. 12 voor internationale vrede en veiligheid – ook de heer Koekkoek heeft andere formuleringen voorgesteld – heb ik vooralsnog aanmerkelijk meer moeite. Ook op die punten hoor ik natuurlijk graag de visie van de regering, maar het begrip ’’internationale rechtsorde’’ is volgens ons een gevestigd begrip dat de kern van de zaak goed aanduidt. Ik heb er dan ook niet veel behoefte aan om daar nu van af te wijken.

Een ander punt dat mijn fractie nog bezighoudt betreft de inzet ten behoeve van de civiele verdediging. Het huidige artikel 97 heeft voornamelijk betrekking op de verplichting voor alle daartoe in staat zijnde Nederlanders en eventueel andere ingezetenen om mee te werken aan de handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en verdediging van zijn grondgebied. Het huidige artikel 98 handelt vooral over de krijgsmacht. Daarom zouden wij kunnen zeggen dat het inleidende artikel 97 mede zou kunnen zien op de civiele verdediging. Ik moet zeggen dat de motivering van de regering om niet een afzonderlijke bepaling over de civiele verdediging in de Grondwet op te nemen, voor onze fractie vooralsnog niet overtuigend is. Weliswaar kunnen verplichtingen inderdaad bij de wet worden opgelegd – dat erkennen wij natuurlijk – maar de vraag blijft of het in dit geval niet om een zo ingrijpende verplichting gaat, die bovendien een relatie heeft met de onderwerpen die hier aan de orde zijn, dat grondwettelijke verankering ook in dit kader gewenst is. Daarbij komt dat de verwijzing in de nota naar aanleiding van het verslag naar artikel 89, tweede lid, van de Grondwet als argument dat het niet noodzakelijk is om dit op te nemen, mij niet overtuigt. Artikel 89, tweede lid, is namelijk de bekende algemene bepaling dat voorschriften, door straffen te handhaven – het gaat dus om AMvB’s – alleen gegeven worden krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen. Dat heeft hier althans voor mij niet zo vreselijk veel mee te maken. Het is in ieder geval geen argumentatie om dit niet te doen. Ik wil dus graag nog een duidelijke uiteenzetting van de regering waarom het niet van belang zou zijn om bepalingen over de oplegging van verplichtingen in het kader van civiele verdediging niet ook in dit kader mee te nemen.

Ik besef overigens dat de reikwijdte van de civiele verdediging sinds het verdwijnen van de specifieke wetten die wij op dat punt hadden, van karakter is veranderd,

maar wij willen toch graag overeind houden dat de civiele verdedigingsverplichtingen op enig moment noodzakelijk kunnen zijn. Wij kunnen de toekomstige omstandigheden absoluut niet voorspellen. Dat zeg ik ook altijd in het kader van de handhaving van onze defensieinspanning. De minister van Defensie weet dat. Dat geldt echter ook ten aanzien van de eventuele civiele verdedigingsverplichtingen. Ik zou het een leemte vinden wanneer wij daar niet een uitdrukkelijke bepaling over zouden opnemen. Ik heb overigens begrepen dat inmiddels twee amendementen op dat punt voorliggen: de amendementen op de stukken nrs. 9 en 13 van de leden Koekkoek en Te Veldhuis. Het verschil tussen beide is dat de ene het als artikellid onderbrengt in een van de voorliggende bepalingen, terwijl de ander een afzonderlijke bepaling voorstelt. Dat laatste lijkt mij juister, gezien de systematiek van deze grondwetsherziening. Ik sta dus het meest sympathiek tegenover het voorstel van collega Te Veldhuis.

De heer Koekkoek (CDA): Het voorstel om het als een extra lid toe te voegen, stamt uit eerdere voorstellen tot herziening van de Grondwet. De achtergrond ervan is dat het bij verdediging zowel gaat om militaire verdediging als civiele verdediging. Daarom heb ik dat in één artikel tot uitdrukking willen brengen.

De heer Van den Berg (SGP): Ik herken die achtergrond, want ik heb ook de voorstellen uit het verleden er nog eens bij genomen. De gedachte is dus volstrekt begrijpelijk, maar als ik de systematiek van de bepalingen nalees, vraag ik mij af of het niet enigszins gewrongen is om het in een van de andere bepalingen onder te brengen. Het zou logischer zijn om er een afzonderlijke bepaling van te maken. Ik hoor graag de reactie van de regering.

Artikel 100 strekt ter uitvoering van de motie van collega Van Middelkoop. Wij hebben die motie destijds medeondertekend, met de volgende overwegingen. Wij vinden het uitzenden van militaire eenheden naar spanningsvolle gebieden een bijzonder zwaarwegende besluitvorming, zeker als het gaat om gebieden die vallen buiten de verdragsverplichtingen die wij al hebben. Daarbij zijn ingrijpende risico’s aan de orde en er kunnen mensenlevens mee gemoeid zijn. Dat geeft ons een zware verantwoordelijkheid. Ik heb al gewezen op de bijzondere aard van het krijgsmachtinstrument als zodanig. Wij vinden het laten optreden van de nationale krijgsmacht buiten de eigen grenzen een zo zwaarwegend aspect, dat ook de nationale soevereiniteit raakt, dat het alleszins redelijk is dat de Staten-Generaal daarbij een belangrijke rol spelen.

De regering heeft in het wetsvoorstel gekozen voor een tijdige verplichte informatieverschaffing aan de Staten-Generaal voor de uitzending van militairen in het kader van de internationale vredesoperaties. Onder tijdig wordt in dit verband verstaan: voordat tot daadwerkelijke uitzending wordt overgegaan, moet er gelegenheid geweest zijn voor overleg tussen regering en Staten-Generaal. De regering heeft, zo willen wij dit graag interpreteren, willen handelen in de geest van de motie door enerzijds te erkennen dat de positie van de Staten-Generaal met betrekking tot de inzet of het ter beschikking stellen van Nederlandse militairen bij internationale vredesoperaties, versterking behoeft en anderzijds niet te kiezen voor een formeel instemmingsrecht, omdat zij van mening is dat de bestaande constitutionele verhoudingen tussen regering en de Staten-Generaal inzake het gezag over de krijgsmacht toch onverlet moet worden gelaten. Die laatste overweging spreekt mijn fractie bijzonder aan. De regering weet dat mijn fractie altijd sterk hecht aan het adagium: de regering regeert, de Kamer controleert. Wij vinden hier wel een duidelijke argumentatie voor een versterking van de positie van de Kamer en voor het vastleggen van die versterkte positie, maar wij zouden op dit punt niet de staatsrechtelijke verhoudingen willen veranderen. Je kunt je natuurlijk afvragen of in de motie van de heer Van Middelkoop niet een wat te expliciete uitdrukking is gebruikt door te spreken over formeel instemmingsrecht. Ik denk dat het vooral ging om de geest en de intentie van de discussie waar wij op dat moment voor stonden. Ik ben dan ook zeer content met deze uitleg van de motie. Anders kom je terecht in analogieën met artikel 96 inzake de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij oorlogsverklaring. Maar die situatie is zodanig anders, dat wij wat dat betreft geen parallellen willen trekken, ook niet in formele zin. Ik wacht met grote belangstelling de reactie van de minister op dit punt af, met name wat de ingediende amendementen betreft. Wat dit laatste betreft merk ik nog op dat ik niet helemaal begrijp waarom de regering niet zelf het woord ’’vooraf’’ heeft gebruikt in plaats van ’’tijdig’’. Dat was een nog royalere uitleg naar de geest van het amendement van collega Van Middelkoop geweest. Ik neig ertoe om dat amendement van de collega’s Van Middelkoop en Hoekema te steunen, maar ik wacht eerst de reactie van de regering af.

Voorzitter! Ik heb nog één opmerking over artikel 100. Dat betreft een punt dat is aangesneden in een amendement van collega Koekkoek, namelijk het beperken van het tijdig verstrekken van inlichtingen als het gaat om de inzet van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening tot gevallen van een gewapend conflict. Ik vraag mij af of dit juist is en of het ook wel verstandig is. Ik denk dat er bij humanitaire hulpverlening grenssituaties zijn tussen gewapend en niet-gewapend conflict. Die situaties kennen wij allemaal. Dus die scheiding is niet zo duidelijk te maken. Belangrijker is echter dat de inzet van onze krijgsmacht buiten de landsgrenzen, buiten gebieden waar wij een verdragsverplichting hebben, een zodanig zwaarwegende daad is, dat dit op zichzelf een voldoende motivering is om de Kamer daarbij in te schakelen, wat de situatie in dat gebied ook is. Ik neig er derhalve toe het amendement van collega Koekkoek te steunen.

Het geheel overwegende is mijn fractie graag bereid om het regeringsvoorstel te steunen, in de hoop dat wij nu eindelijk op dit punt een serie grondwetsbepalingen krijgen die passen in het totaal van onze herziene Grondwet en die inhoudelijk de verantwoordelijkheden en het belang van deze materie duidelijk vastleggen.

©

J.Th. (Jan)  HoekemaDe heer Hoekema (D66): Voorzitter! Het is een bijzondere gelegenheid en het is voor mij ook een eer om in de eerste aflevering van een serie debatten over de grondwetsherziening vanmiddag het woord te mogen voeren. Minister Dijkstal heeft dan wel gezegd – en ik citeer uit een interview met hem in de uitgave ’’4 en 5 mei, vier vrijheid’’ – dat de twaalf wijzigingen die in verschillende stadia van behandeling in de Eerste Kamer en Tweede Kamer aan de orde zijn, geen groot onderhoud aan de Grondwet zijn. Ik betwijfel dat enigszins, eerlijk gezegd. De voorstellen mogen dan – en ik citeer de heer Dijkstal – ’’geen fundamenteel onrecht uitbranden’’, maar echt klein zijn zij ook niet. Dat betreft wat mijn fractie aangaat – hoe kan het ook anders – het referendum, de deconstitutionalisering van de burgemeestersbenoeming en het informeren en het raadplegen van het parlement bij vredesoperaties. Dat zijn toch drie verrijkingen van de Grondwet die, instrumenteel van karakter of niet, van groot belang zijn?

Voorzitter! Het zou verleidelijk zijn om in dit jubeljaar van 150 jaar Grondwet – ook de heer Van Middelkoop begon daarover – bij deze gelegenheid een debat te starten over het karakter van de Grondwet. Ik zal die verleiding weerstaan, maar er zijn voldoende aanknopingspunten, zoals de opmerking van minister Dijkstal in het eerder geciteerde interview, dat de Grondwet er tenslotte niet is om maatschappelijke verschijnselen te bestrijden, maar om de rechten van individuen te waarborgen. Ik werp de vraag op of dat nu werkelijk zo is en ik denk daarbij aan het discriminatieartikel 1 van de Grondwet. Misschien biedt het onderhavige voorstel ook niet eerder een verankering van defensie in ons staatsrechtelijk bestel dan dat met de artikelen waar wij het vandaag over hebben, rechten van burgers worden vastgelegd.

De verleiding is ook groot om in te gaan op de dezer dagen fraai aangeboden brochure van de gouverneur van Limburg over de relevantie van de Grondwet voor grensprovincies. Ook die uitdaging zal ik afweren.

Voordat ik kom op de herziening waar wij het over hebben, merk ik op dat mijn fractie de vele activiteiten waardeert die het projectbureau Grondwet 1848-1998 van Binnenlandse Zaken heeft ondernomen en nog zal ondernemen om de viering van 150 jaar Grondwet breed onder de aandacht te brengen, tot en met de jeugd, en velen daar actief bij te betrekken. Wij kijken met belangstelling uit naar het vele dat nog komen gaat. Wij stemmen van harte in met de constatering van de minister dat hij buitensporig verheugd is met de koppeling van de herdenking van 150 jaar Grondwet aan de bevrijdingsdag, een citaat uit de 4 en 5 mei-uitgave.

Voorzitter! Eerst een paar opmerkingen over de modernisering van de artikelen 97 t/m 99 van de Grondwet, die met de voorgestelde wijziging wordt beoogd. Mijn fractie acht deze inspanningen van het kabinet grosso modo geslaagd. Driemaal is scheepsrecht, zou men kunnen zeggen, met de ervaringen van de gestrande herzieningen van 1983 en 1987 in het hoofd. Maar pas op, een grondwetswijziging is pas na tweede lezing gerealiseerd, en je weet nooit wat er nog komen gaat.

De nieuwe redactie van artikel 97 legt voor een vermoedelijk lange periode de drie hoofdtaken van de nieuwe krijgsmacht: verdediging van het grondgebied, bescherming van de belangen van het Koninkrijk en bevordering van de internationale rechtsorde, op een juiste manier vast. Wij kunnen niet in de toekomst kijken en speculeren over de rol van de krijgsmacht in de 21ste eeuw, maar deze wijziging zal zeker een lange houdbaarheidsdatum kennen. Dat is ook voor de Grondwet vereist.

In het verslag heeft mijn fractie vragen gesteld over de begrippen ’’handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde’’. Ook andere fracties hebben dat gedaan. Er liggen amendementen van het GPV en het CDA over dit punt, waarover vanmiddag al uitvoerig is gesproken.

Alles afwegend heb ik begrip voor de argumenten van het kabinet om de gekozen vrij ruime bewoordingen ’’handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde’’ te handhaven en niet te kiezen voor ’’herstel van de internationale rechtsorde’’, zoals ik in het verslag heb gesuggereerd. Dit begrip draagt inderdaad wel erg sterk de connotatie van het redresseren van geweld, conform hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties.

Daarom ook heb ik het amendement van collega Van Middelkoop op stuk nr. 6 niet gesteund. De door het kabinet gegeven voorbeelden van inzet van de krijgsmacht ter bevordering van de internationale rechtsorde geven aan dat dit inderdaad een taak van de krijgsmacht is, die anders van karakter is dan handhaving van de internationale rechtsorde.

Voorzitter! Deze opmerkingen hebben ook betrekking op het amendement dat de heer Van Middelkoop heeft ingediend op stuk nr. 12, waarin het begrip ’’internatio-nale rechtsorde’’ wordt vervangen door ’’internationale vrede en veiligheid’’. Wij hebben hierover al een wisseling van argumenten gehad. Naar mijn idee houdt deze vervanging toch een beperking in van de inzet van de krijgsmacht, die ik niet voor mijn rekening zou willen nemen.

Wij kunnen natuurlijk twisten over voorbeelden, en dat hebben wij ook al gedaan. De heer Van Middelkoop zegt dat hij handhaving en internationale vrede en veiligheid breed uitlegt, zodat wij misschien wel op dezelfde voorbeelden uitkomen. Ik ben benieuwd naar de argumenten van het kabinet, maar ik heb toch het gevoel dat het begrip ’’internationale rechtsorde’’, dat in artikel 90 van onze Grondwet is verankerd – toegegeven: in een bredere context dan de bepalingen voor de defensie – beter het ruime scala aan inzetopties voor de krijgsmacht uitdrukt dan het begrip ’’internatio-nale vrede en veiligheid’’. Ik ben vooralsnog geneigd om het kabinet hierin te volgen en beide amendementen van collega Van Middelkoop niet te steunen.

Voorzitter! Het amendement van de heer Koekkoek op stuk nr. 8 over de omschrijving ’’belangen van het Koninkrijk’’ lijkt mij niet noodzakelijk. De toelichting roept een aantal vragen op. Ik denk dat de door het kabinet voorgestelde tekst van dit artikel juist is.

Er is een discussie ontstaan over de wenselijkheid om, anders dan het kabinet voorstelt, alsnog een bepaling toe te voegen over de civiele verdediging. De heer Te Veldhuis en de heer Van den Berg hebben hierover gesproken en de heer Koekkoek heeft hierover een amendement ingediend. Ook op dit punt volgen wij in eerste aanleg het kabinet, dat heeft betoogd dat de actuele situatie na de val van de Muur en het einde van de Koude Oorlog een bepaling over civiele verdediging minder noodzakelijk maken. Het kabinet geeft voorts een aantal juridische argumenten, ook in commentaar op het advies van de Raad van State, namelijk dat het niet noodzakelijk is om met het wegval- len van een bepaling over verplichtingen tot militaire inzet ook een bepaling te hebben over de verplichting tot civiele inzet. Ook daarvoor geldt, zoals voor andere facetten die van belang zijn, dat je bij wet of krachtens de wet kunt regelen om als de nood aan de man komt, de civiele verdediging een wettelijke basis te geven. Die civiele verdediging moet natuurlijk een wettelijke basis hebben. Daarover wil ik geen twijfel laten bestaan. Maar mijn fractie ziet vooralsnog geen aanleiding om in de Grondwet een bepaling hierover op te nemen.

Ik kom nu toe aan het pièce de résistance van vanmiddag: artikel 100 over de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij uitzending van Nederlandse militairen. De geschiedenis is bekend en gaat zelfs, met alle respect voor collega Van Middelkoop, nog veel verder terug dan de motie-Van Middelkoop. Ik heb nog eens de verschillende momenten en stadia van de discussie over de betrokkenheid van het parlement bij uitzending nagegaan. Als ik het goed zie, is de geschiedenis eigenlijk begonnen met de aanvaarding in 1979 van de motie-Brinkhorst ten tijde van de uitzending van Nederlandse militairen naar Libanon in het kader van de Unifil-operatie. Wij hebben de motie-Frinking gehad in 1988 over dienstplichtigen. Voorts was er de motie-Van Middelkoop uit 1992 en de discussie over de Prioriteitennota in 1993. Er zijn ook diverse artikelen verschenen van een aantal auteurs, waaronder ik een interessant artikel van de heer Hoekema uit januari 1994 aantrof, waarin een intellectuele bijdrage aan dit debat werd geleverd.

Het is van belang te constateren dat wij in januari 1998 weliswaar lang hebben moeten wachten op de uitvoering van de motie-Van Middelkoop – ik kom straks terug op de kwalificatie van die uitvoering – maar wij zijn in die vier jaar inmiddels wel een stuk verder gekomen. Ik citeer nu uit de nota van het vorige kabinet van de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken Ter Beek en Kooijmans. Immers, toen werd nog geconcludeerd op bladzijde 8 van de nota van januari 1994: ’’Alles overziende, meent de regering dat het bestaande grondwettelijke kader voldoende mogelijkheden in zich bergt voor de betrokkenheid van het parlement bij uitzendingen met behoud van de bestaande staatsrechtelijke uitgangspunten. Aanvullende grondwettelijke bepalingen acht de regering dan ook niet nodig.’’ Dat was vier jaar geleden een restrictief standpunt van een kabinet van PvdA en CDA. Wij zijn nu vier jaar later bezig met een grondwettelijke bepaling die er wezen mag.

Het oordeel van mijn fractie over het voorstel voor artikel 100 is overwegend positief. Zij vindt grosso modo de formulering in aanzienlijke mate, zij het niet ten volle tegemoetkomen aan het gevraagde in de motie-Van Middelkoop c.s. Weliswaar, ik geef dat toe, is geen formeel instemmingsrecht gerealiseerd onder alle omstandigheden, maar er wordt wel een belangrijke uitzondering gevestigd op de regel van parlementaire controle achteraf en dus ook op de regel van artikel 68 van de Grondwet door de nu voorgestelde codificatie van de bestaande staatsrechtelijke praktijk van inlichtingen vooraf, debat tussen Kamer en kabinet vooraf en de facto instemming vooraf. Deze praktijk is overigens door de kabinetten-Lubbers en -Kok in gang gezet. In de regel gaf dat aanleiding tot tevredenheid, zowel bij kabinet als Kamer.

Wij kunnen ons met het kabinet in zeer bijzondere situaties een uitzondering op het eventuele beginsel van informatie en controle vooraf voorstellen. Om in die uitzonderlijke situaties – ik ben benieuwd of het kabinet een aantal voorbeelden weet te noemen – operationele flexibiliteit te behouden, kan mijn fractie leven met de voorgestelde formulering van artikel 100 en acht zij het voorstel in ieder geval naar de geest een zo adequaat mogelijke uitvoering van de motie-Van Middelkoop. Wel is het goed, waar dat kan, verduidelijking en verscherping van de tekst aan te brengen om beter tot uitdrukking te brengen, dat het hierbij gaat om het beginsel van inlichtingen vooraf. Met andere woorden: ik heb met genoegen het amendement van de heer Van Middelkoop ondertekend om het woord tijdig in beide leden van het artikel te vervangen door vooraf. Dat brengt immers nog scherper tot uitdrukking waarom het hierbij gaat.

De Raad van State noemt interessante argumenten in punt 4 van het advies om die richting uit te gaan. Met collega Van Middelkoop hoop en reken ik op een positieve bejegening van het amendement op stuk nr. 7 door het kabinet. Wij zijn daarmee een heel eind gekomen in het realiseren van een behoorlijke en uitvoerbare regeling van het instemmingsrecht. Misschien niet formeel de jure, maar wel materieel hebben wij zo dicht mogelijk de geest van de motie-Van Middelkoop benaderd. Ik denk ook, en ik zei dat al even in een interruptie met collega Koekkoek, dat aanvaarding van zijn amendement over het facultatieve instemmingsrecht in de praktijk zal gaan betekenen dat lid 2 van artikel 100 de regel zal worden en toepassing van lid 1 van artikel 100 de uitzondering. Dan zetten wij de zaken precies op de kop en dan zijn wij niet waar wij wezen moeten. Wij achten die oplossing in de praktijk niet goed uitvoerbaar en ook staatsrechtelijk niet optimaal.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Meent de heer Hoekema nu werkelijk dat dit op basis van dat amendement de praktijk zal worden? Dat is toch onvoorstelbaar. Er kan enig verschil zijn, maar zoals hij het nu voorstelt, is het grotesk.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! Ik meen alles wat ik hier zeg in redelijkheid en ik zeg weinig groteske dingen vanaf deze plaats. Ik zal de heer Koekkoek meenemen naar een volgend scenario. Er is een kabinet, er is een oppositie met een aantal zetels in de Eerste en de Tweede Kamer en er is een discussie over uitzending van militairen. Dat is niet helemaal een fictief voorbeeld. Er zal dan toch een reële mogelijkheid zijn dat het kabinet geconfronteerd wordt met de stellige verwachting dat een dertigtal leden van de Kamer om een verenigde vergadering van de Staten-Generaal zal vragen. Ik vrees dat dit het kabinet ertoe zal kunnen brengen dat meer en meer gebruik wordt gemaakt van de vluchtroute die er nu eenmaal is, en die ook de heer Koekkoek het kabinet niet wil ontnemen, namelijk die van artikel 100, lid 2.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Dan zal niet alleen de oppositie, maar ook de coalitie de regering ter verantwoording roepen omdat de regering de grondwettelijke procedure wil ontlopen. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Dat begrijpt hij ook heel goed.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! Bij dit onderwerp is goede parlementaire controle, als regel vooraf, door de gehele Staten-Generaal natuurlijk bij uitstek belangrijk. Het gaat om de levens van Nederlandse militairen. De heer Rehwinkel zei dit eerder ook al. Over de condities van uitzending kun je niet serieus genoeg zijn. Het zou ook eigenlijk de voorkeur verdienen dat een zo breed mogelijk gedeelte van de Kamer daar haar goedkeuring en instemming aan hecht. Wij achten het amendement van de heer Koekkoek toch een middel dat tot vluchtgedrag van het kabinet aanleiding zou kunnen geven en het voorgestelde artikel 100 een betere aanpak.

Op een ander punt heeft mijn fractie wel wat meer sympathie voor de gedachtegang van de heer Koekkoek. Dat is zijn voorstel om de redactie van artikel 100, lid 1, nog eens kritisch te bekijken. Daarbij gaat het om de suggestie om de tweede volzin van artikel 100, lid 1, te schrappen. Als door het kabinet wordt bedoeld een uitzondering te maken voor de informatieplicht voor humanitaire hulp in situaties waarin geen sprake is van een gewapend conflict, waarom is dat dan niet expliciet geformuleerd? Ik vraag verder aan het kabinet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in een gewapend conflict niet ook onder de algemene bevordering van de internationale rechtsorde valt, die in de eerste volzin van artikel, lid 1, staat. Immers, op bladzijde 5 van de nota naar aanleiding van het verslag wordt die taak van de krijgsmacht, de humanitaire hulpverlening, door het kabinet genoemd als voorbeeld van bevordering van de internationale rechtsorde in de context van de discussie over de formulering van artikel 97. Hoe zit dat nu precies, zo vraag ik het kabinet. Zijn wij hier met de voorgestelde formulering van artikel 100, met name de tweede zin, niet meer politiek bezig dan dat wij juridisch strikt noodzakelijke redactiearbeid in de Grondwet verrichten? Moeten wij dan de politiek toch niet eerder overlaten aan het toetsingskader uitzending Nederlandse militairen. Ik krijg graag een reactie van het kabinet op dit punt.

©

A.J. (Jan) te VeldhuisDe heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! Het wetsvoorstel beoogt de bepalingen in de Grondwet ten aanzien van de verdediging te moderniseren, omdat de huidige bepalingen in sterke mate het stempel van een uitsluitend nationaal gerichte defensiepolitiek dragen, aldus de regering in de memorie van toelichting. Wij zijn het daarmee eens. De VVD-fractie stemt voor een groot deel met de wijzigingsvoorstellen in, voorzover het met de modernisering niet te ver gaat. Wij gaan akkoord met de nieuwe bepaling om de betrokkenheid van de Staten-Generaal te vergroten bij de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor de handhaving of de bevordering van de internationale rechtsorde, alsmede de voorwaarden waaronder dat mag gebeuren: het nieuwe artikel 100, het tijdig informeren over alle relevante aspecten. Over de woorden ’’tijdig’’ en ’’vooraf’’ hebben wij in een interruptiedebat al het een en ander gezegd. Ik wacht de reactie van de regering af.

De fractie van de VVD kan ook instemmen met de voorstellen en de toelichtingen in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag waar het gaat om de onderdelen Koninkrijk in plaats van de Staat, het nieuwe artikel 97, lid 1, en het begrip ’’oppergezag’’, het nieuwe artikel 97, lid 2. De regering houdt altijd het full command, al kan het operationeel gezag of een onderdeel van het gezag worden overgedragen. Overigens is de verdediging ingevolge het Statuut ook een koninkrijksaangelegenheid. In die zin is er een kortsluiting tussen Grondwet en Statuut aangebracht.

Bij de aanvaarding van de Prioriteitennota heeft de krijgsmacht er een nieuwe hoofdtaak bij gekregen. In het nieuwe grondwetsartikel 97 wordt die nieuwe hoofdtaak van de krijgsmacht verwoord. De VVD-fractie ziet op zichzelf niet een directe noodzaak om elke taakuitbreiding van de krijgsmacht onmiddellijk in de Grondwet vast te leggen, temeer omdat artikel 90 reeds verwoordt dat de regering de internationale rechtsorde bevordert. Ook in de oude situatie, dus voor deze grondwetswijziging, werd de krijgsmacht immers al voor dat doel ingezet zonder dat er een uitdrukkelijke grondwetsbepaling voor bestond. Ik verwijs naar de inzet van de krijgsmacht in Korea en Libanon. Wij zullen dit artikel echter niet amenderen, evenmin als de inhoud van artikel 100, omdat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag duidelijk heeft gesteld dat er op Nederland geen soort automatische verplichting rust om bij elke schending van de internationale rechtsorde de krijgsmacht in te zetten. Artikel 97 is een doelomschrijving. Het kan, maar het hoeft niet. Het is geen automatisme. Voor de fractie van de VVD geldt bij de inzet van de krijgsmacht door de Kamer het geaccordeerde toetsingskader als uitgangspunt. Bovendien zal het gebruik van militaire middelen alleen plaatsvinden binnen de grenzen van het Handvest van de VN en institutionele kaders van andere internationale organisaties. Overigens gaat de VVD-fractie ervan uit dat in de regel over elk voornemen van de regering om de krijgsmacht ter beschikking te stellen of daadwerkelijk in te zetten ter bevordering of handhaving van de internationale rechtsorde, vooraf overleg zal plaatsvinden met de Tweede Kamer, na tijdige informatie vooraf, dat het zal gaan gebeuren. Wij hebben op twee onderdelen problemen met de naar onze mening te ver doorgevoerde modernisering. Niet alles wat oud is, is fout. Onze bezwaren betreffen het laten vervallen van de burgerplicht tot landsverdediging en het niet meer opnemen van een bepaling over de civiele verdediging. De burgerplicht tot landsverdediging moet naar onze mening uitdrukkelijk vastgelegd blijven. Het huidige artikel 97 van de Grondwet bepaalt dat ’’alle Nederlanders daartoe in staat verplicht zijn om mede te werken aan de handhaving van de onafhankelijkheid’’. De regering vindt deze bepaling verouderd en stelt voor om die af te schaffen. Zij wil alleen het bestaan van de krijgsmacht als zodanig plus de dienstplicht in de Grondwet blijven opnemen. De VVD-fractie is het daarmee om een aantal redenen niet eens. De principiële reden is dat wij vinden dat van elke Nederlander mag worden verwacht en verlangd dat hij of zij zich inzet voor zijn respectievelijk haar land, althans voorzover men daartoe in staat is. Dat is een nationale burgerplicht, die als een wezenlijke grondslag van onze samenleving in de Grondwet verankerd behoort te zijn. Weliswaar is er op dit concrete moment geen dringende noodzaak om dit basisbeginsel in praktijk te brengen, maar de Grondwet is toch ook geen wet voor de korte termijn? Zo is en blijft toch ook nog steeds de vrijheid van drukpers in de Grondwet verankerd, hoewel er op dit moment geen enkele reden is om aan te nemen dat er wezenlijk aan die vrijheid getornd zal worden? En het gaat er toch om de wezenlijke grondslagen van onze Nederlandse samenleving in de Grondwet op te nemen?

Modernisering van de Grondwet betekent niet het modieus of kortzichtig maken van dit hoge constitutionele goed. Er is niets tegen, zo lijkt ons, om de gedachte van opkomen voor het vaderland in de Grondwet verankerd te houden. Wij kennen nog steeds de dienstplicht; de opkomstplicht is weliswaar opgeschort, maar deze kan worden hersteld als de internationale veiligheidssituatie daar aanleiding toe geeft. De voorgestelde nieuwe Grondwet kent weliswaar een krijgsmacht en een aantal bepalingen over de organisatie daarvan, maar de logische pendant ontbreekt, namelijk de plicht van burgers om mee te werken aan het handhaven van de onafhankelijkheid van het Rijk en aan het verdedigen van zijn grondgebied. En nogmaals, mits men daartoe in staat is.

Om deze reden willen wij de grondwettelijke vastlegging van de burgerplicht tot verdediging en bescherming van de belangen van het Koninkrijk uitdrukkelijk handhaven. Vandaar ons amendement op stuk nr. 14. Daarbij heb ik overigens de terminologie aangepast aan de nieuwe grondwetsbepalingen.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! De heer Te Veldhuis heeft in verband met het langetermijnkarakter en het principiële, misschien ook wel symbolische karakter van de Grondwet – ’’het moet geen modieuze wetgeving zijn’’ – de uitspraak gedaan: ’’niet alles wat oud is, is fout’’. Met een variatie daarop zou ik willen zeggen: maar ook niet alles wat oud is, is goed. Ik vraag me af hoever wij zouden komen als wij een bepaling handhaven, zij het in gemoderniseerde vorm, die in de praktijk eigenlijk loos is. Wat stelt de heer Te Veldhuis zich voor bij de daadwerkelijke effectuering van deze bepaling, anders dan wat reeds in de dienstplichtwet bepaald is over de opkomstplicht die weer kan worden ingevoerd als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, over de reservisten enz.? Of is het een louter symbolische bepaling?

De heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! Ik zie eerlijk gezegd geen noodzaak om in de uitvoeringsregelingen iets anders te bepalen dan wat er nu feitelijk plaatsvindt. Ik vind de term ’’symbolische bepaling’’ iets onder de maat, omdat wij niet zo graag met symboliek werken. Wij vinden het een wezenlijk element in de Nederlandse samenleving dat als een burger gevraagd kan worden zich voor zijn vaderland in te zetten, dit ook grondwettelijk verankerd is. Dit is een belangrijk uitgangspunt, veel belangrijker dan bijvoorbeeld de bepaling waarover wij morgen met de minister praten, de toevoeging van een tweede lid aan de bepaling in de Grondwet over hoe er in de praktijk met verzoekschriften moet worden omgegaan. Het gaat zozeer om een materieel belang van Nederlandse ingezetenen, dat het ook grondwettelijk verankerd moet worden als een belangrijke grondslag van de Nederlandse samenleving.

De heer Van Middelkoop (GPV): Maar de Grondwet bevat nu al de bepaling dat een zekere categorie Nederlanders, namelijk jongens boven een bepaalde leeftijd, zo nodig verplicht kan worden om in dienst te gaan. Wat voegt het amendement van de heer Te Veldhuis hier nu materieel aan toe, voorzitter? Een materiële toevoeging zou het amendement een zekere rechtvaardiging geven.

De heer Te Veldhuis (VVD): Het voegt toe dat er niet meer alleen indirect bepaald wordt dat er een dergelijke plicht voor Nederlanders bestaat, namelijk de dienstplicht, maar dat een dergelijke plicht ook grondwettelijk verankerd is.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik begrijp het nog niet. Kunt u een situatie beschrijven waarin naast hetgeen er in de Grondwet over de dienstplicht is bepaald, een beroep op de bepaling uit het amendement een toegevoegde waarde zou hebben als het om de bescherming van ons grondgebied gaat?

De heer Te Veldhuis (VVD): Ik kan deze vraag met een wedervraag beantwoorden. Wat hebben de bepalingen over de krijgsmacht in de Grondwet aan toegevoegde waarde buiten alles wat we via de wet op dit gebied hebben geregeld? In de Grondwet worden zaken vastgelegd die belangrijk zijn voor een principe van onze samenleving. Daarbij hoort wat je van burgers vraagt. Het gaat daarbij niet indirect om de dienstplicht waaraan mensen moeten deelnemen. Er staat een rechtstreekse bepaling in de Grondwet dat men daartoe, mits men ertoe in staat is, verplicht is.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik vind het zeer ingrijpend als de overheid van jongelui boven een bepaalde leeftijd vraagt in militaire dienst te gaan. Voor zo’n ingrijpende verplichting moet in de Grondwet een verankering bestaan. De uitwerking kan aan de wet worden overgelaten. Dan weet men welke concrete plichten aan die jongelui boven een bepaalde leeftijd worden opgelegd. Wat kan de overheid van alle Nederlanders vragen, anders dan wat aan de eerdergenoemde jongelui wordt gevraagd ten aanzien van de dienstplicht? Wat moet ik me daarbij voorstellen?

De heer Te Veldhuis (VVD): Volgens de huidige bepaling kan de overheid een bepaalde categorie Nederlanders verplichten de militaire dienstplicht te vervullen. Ik probeer aan te geven dat het niet direct via de dienstplicht hoeft te gebeuren, maar dat er rechtstreeks uit de Grondwet een plicht voor burgers kan worden afgeleid. Men heeft, mits daartoe gevraagd en in staat, de plicht om voor zijn vaderland op te komen. Een dergelijke belangrijke opdracht aan burgers van Nederland moet in de Grondwet verankerd zijn.

De heer Van Middelkoop (GPV): Hier komen we niet uit. Nog een aanvullende vraag. De heer Te Veldhuis heeft de bestaande bepalingen die de regering wilde schrappen, overgenomen. Hij heeft echter het tweede lid van het bestaande artikel 97 laten liggen waarin staat dat ook aan ingezetenen die geen Nederlander zijn, die plicht kan worden opgelegd. Waarom is dat, kennelijk welbewust, nagelaten?

De heer Te Veldhuis (VVD): Eerst het eerste punt. Als het werkelijk zo onlogisch is wat de VVD-fractie nu bij amendement voorstelt, vraag ik me af waarom in de afgelopen periode waarin deze bepaling in de Grondwet stond, nooit enig Kamerlid een initiatiefvoorstel heeft ingediend om dit af te schaffen. Ik speel de bal nu – een beetje flauw – terug. Dan de tweede vraag. Heel bewust is door ons niet meer het bestaande tweede lid ingebracht. Van niet-Nederlanders die toch ingezetenen zijn, kan niet worden verlangd dat zij de onafhankelijkheid van Nederland – en dus de verdediging van het grondgebied – verdedigen. Die plicht kan alleen van Nederlanders worden gevraagd.

De heer Verkerk (AOV): Ik kan me overigens in het amendement vinden, maar hoe gaat u om met Nederlanders die niet in Nederland zijn?

De heer Te Veldhuis (VVD): In beginsel zijn ze oproepbaar en hebben ze die plicht. Het is mogelijk dat men tijdelijk weg is, maar als men permanent weg is, zullen er volgens mij – zoals nu ook volgens de wettelijke regeling in verband met de dienstplicht – niet snel mensen uit het buitenland worden teruggehaald. Maar nogmaals: in beginsel geldt de plicht ook voor die mensen.

Dan kom ik bij de civiele verdediging, waarop ook collega Koekkoek uitvoerig is ingegaan. Wij vinden dat de civiele verdediging in de Grondwet vastgelegd moet blijven. Artikel 97, eerste lid, van het wetsvoorstel heeft uitsluitend het oog op de taak van de krijgsmacht. Het wetsvoorstel bevat nu geen voorziening meer in de Grondwet dat aan burgers met betrekking tot civiele verdediging plichten kunnen worden opgelegd als de wet in formele zin daartoe regels stelt. Om vergelijkbare redenen – ik noem de burgerplicht tot verdediging en de bescherming van koninkrijks-belangen – vindt de VVD-fractie dat er in de Grondwet wel een bepaling hoort te staan voor de civiele verdediging. Wij hebben hier de volgende argumenten voor. De wezenlijke rechten en plichten van Nederlandse burgers, die mede de grondslag van onze samenleving vormen, behoren in de Grondwet te zijn verankerd. Daartoe behoort naar onze mening ook de plicht voor de civiele verdediging. Met de Raad van State vindt de VVD-fractie dat gewaarborgd dient te zijn dat bijzondere verplichtingen die in het kader van de civiele verdediging immers wel aan burgers kunnen worden opgelegd, uitsluitend bij of krachtens de wet moeten kunnen worden opgelegd. De grondslag voor zo’n wettelijke verplichting dient dan wel grondwettelijk te worden verankerd om deze waarborgfunctie te benadrukken. De argumenten die de regering in de nota naar aanleiding van het verslag opvoert om er niet toe over te gaan, zoals het feit dat er geen Koude Oorlog meer is en dat er sowieso een legaliteitsbeginsel bestaat, vinden wij niet sterk genoeg. De Grondwet is min of meer een tijdloos wettelijk document, met de belangrijkste grondslagen voor onze Nederlandse samenleving. Kortetermijnsituaties zijn in dat verband minder relevant en het legaliteitsbeginsel geldt toch voor de meeste onderwerpen die in de Grondwet zijn opgenomen.

Om deze redenen – en ik spreek ook heel uitdrukkelijk in de richting van de heer Koekkoek – had ik een amendement voorbereid tot opname van de civiele verdediging in de Grondwet. Ik heb daarover verleden week overleg gehad met de heer Koekkoek, omdat wij in het verslag op dezelfde lijn bleken te zitten. De heer Koekkoek deelde mij mee dat hij toch de vorige week al het amendement wilde indienen, terwijl ik daarover vanochtend nog in fractieverband wilde discussiëren. Hij heeft een amendement op stuk nr. 9 ingediend voor een nieuw lid 3 op artikel 98. Ik had hem voor het overleg hier toegezegd, waar de VVD-fractie ook voor een bepaling over de civiele verdediging is, om aan de regering te vragen waar de regering de voorkeur aan geeft, aan een lid 3 conform het amendement van de heer Koekkoek dan wel een aparte bepaling zoals, zeg ik nu, per ongeluk via mijn amendement op stuk nr. 13. is ingediend. Voor beide is wat te zeggen. Voor beide zijn argumenten aangegeven. Ik wil u hier bekennen dat ik per abuis dit amendement had afgegeven bij de griffie, terwijl het het amendement had moeten zijn dat inmiddels onder nr. 14 is gedrukt.

Nu inmiddels de heer Van den Berg heeft gezegd dat hij dit eigenlijk een betere insteek vindt dan toevoeging van een lid 3, denk ik dat ik het amendement nog even laat hangen, met excuses aan de heer Koekkoek voor het misverstand. Als de regering nu een mening zou moeten geven over handhaving van de civiele verdediging, wat denkt zij dan dat beter is, een nieuw lid 3 conform het amendement-Koekkoek dan wel een aparte bepaling zoals in mijn amendement op stuk nr. 13? Wellicht kunnen de heer Koekkoek en ik gezamenlijk voor het beste alternatief in dat verband kiezen in een gezamenlijk amendement. Ik hoop dat ik hiermee de heer Koekkoek geëxcuseerd heb, want, zoals het hier in dit huis hoort, degene die eerst komt, maalt ook het eerst.

De voorzitter: Het is niet helemaal duidelijk. U laat het amendement hangen.

De heer Te Veldhuis (VVD): Ik laat het niet hangen, ik laat het ter discussie voorliggen. Ik wacht af wat de mening van anderen is over wat technisch de voorkeur verdient, een nieuw lid 3 of een aparte bepaling 96a. Wat ook wordt gekozen, dan is de heer Koekkoek de eerste ondertekenaar en ik de tweede. Zo elegant wil ik het naar hem toe spelen.

De heer Hoekema (D66): De heer Te Veldhuis zal het mij niet kwalijk nemen als ik hem even uitdaag, door zijn eigen woorden over zorgvuldige wetgeving die noodzakelijk is bij een tijdloos document als de Grondwet in herinnering te roepen. Er ligt nu door toevalligheden een amendement dat eigenlijk niet ingediend had moeten worden of dat in elk geval op een onjuiste manier is ingediend. Ik vind dat wij daar toch een beetje voorzichtig mee moeten zijn. Daar ligt nog een vraag achter. De regering geeft niet alleen tijdsargumenten, zoals de Koude Oorlog en de situatie die daarmee samenhangt, maar ook grondwettelijke argumenten om geen bepaling meer op te nemen over de civiele verdediging. Het argument is dat niet meer een pendant noodzakelijk is, die nog wel in het voorstel van 1986 aanwezig was, voor de inzet van de militaire verdediging. Hoe waardeert de heer Te Veldhuis nu dit argument om toch te pleiten voor een bepaling over civiele verdediging?

De heer Te Veldhuis (VVD): Uit de indiening van het amendement en op z’n minst ook het betuigen van instemming met de gedachte die achter het amendement van de heer Koekkoek zit, mag de heer Hoekema afleiden dat wij door die argumentatie van de regering niet onder de indruk zijn geraakt. Daar hebben wij onze redenering tegenover gezet. Wij zullen straks in de discussie merken hoe de regering daarop reageert.

Voorzitter! Tot slot heb ik nog een opmerking over de veelheid van terminologieën die voor vergelijkbare begrippen worden gebruikt. Wij zullen ons als VVD-fractie niet verzetten tegen de vervanging van het begrip verplichte krijgsdienst door het nieuwe begrip verplichte militaire dienst. Maar ontstaat nu wellicht niet het gevaar voor begripsverwarring met de terminologie dienstplicht in de Kaderwet dienstplicht? Als wij krijgsdienst vervangen door militaire dienst zou het dan terminologisch, begripsmatig gezien niet logischer zijn om krijgsmacht te vervangen door militaire macht? Kunnen wij, anders gezegd, nu niet het verwijt krijgen dat de modernisering van de Grondwet, hetgeen immers het argument is voor dit voorstel, zich wel erg modieus baseert op het spraakgebruik voor onderdelen van het totale militaire jargon? Immers, is de combinatie krijgsmacht, verplichte militaire dienst en dienstplicht nog wel logisch en overzichtelijk, zeker gezien vanuit het grondwettelijk oogpunt?

©

W.J. (Will.)  VerkerkDe heer Verkerk (AOV): Mijnheer de voorzitter! Ik zal ingaan op twee punten: de verdediging van de onafhankelijkheid van het Rijk en de noodzaak van het instemmingsrecht door de Staten-Generaal.

In grote lijnen is onze fractie ingenomen met deze grondwetswijziging, vooral gezien de nieuwe ontwikkelingen rondom de krijgsmacht die nu daarin zijn verwerkt. De fractie van het AOV blijft bij haar oordeel dat wij ook bij de schriftelijke inbreng hebben gegeven, dat het tamelijk lichtzinnig is om het huidige artikel 97 van de Grondwet door het nieuwe artikel 97 te vervangen. Daarbij vervalt de beginselverklaring over de onafhankelijkheid van het Rijk. Juist omdat het bij de onafhankelijkheid van het Koninkrijk om zoiets fundamenteels gaat, dient een uitgesproken element van die onafhankelijkheid in de Grondwet te worden gehandhaafd, evenals andere breed gedragen beginselen zoals de vrijheid van drukpers en de vrijheid van vergadering en vereniging.

Het AOV voelt zich in die mening gesteund door de fracties van de VVD en het GPV. De VVD komt nu zelfs met een amendement op stuk nr. 14 om dit te regelen. Ook de plicht tot verdediging heeft hierin een plaats gekregen. Het zal wel duidelijk zijn dat wij blij zijn met de richting die de VVD inslaat.

Het AOV vermoedt dat juist ten gevolge van de sinds de val van het IJzeren Gordijn in 1989 steeds grotere betrokkenheid van ons land bij alle mogelijke internationale activiteiten, bij de regering een gevoelen van eigen nietigheid en onmacht is gegroeid. Dat maakt een zelfstandig bestaan van een Koninkrijk der Nederlanden bij sommigen van haar leden kennelijk ietwat twijfelachtig. Zoals zo vaak in dit land, waarvan een groot deel der inwoners zich kenmerkt door een zwak ontwikkeld nationaal gevoel en historisch besef, is ook nu zichtbaar dat aan een wet of regel en in dit geval zelfs een grondwetsartikel op zijn minst gemorreld gaat worden wanneer dit onder druk van de praktijk komt te staan. In dit geval is dat de praktijk van een almaar groeiend aantal multilaterale overeenkomsten en een toenemende internationalisering van betrekkingen, terwijl men het in de ons omringende landen juist nodiger dan ooit acht om met des te meer kracht de eigen soevereiniteit te beleven en te accentueren. De voorgestelde vervanging van het huidige artikel 97 onder de vermeende, zo van regeringswege gevoelde druk van de praktijk, is geheel conform het Paarse, relativistische levensgevoel. Daarin is de feitelijke praktijk de maat van alle dingen, waardoor zelfs ’s lands bestaansrecht als onafhankelijke natie op het spel lijkt te worden gezet. Ik verwijs naar de discussies die destijds over de initiatiefwet zijn gevoerd om de bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal een plaats te geven in de Grondwet, welk initiatief het niet gehaald heeft, onder andere omdat de VVD er geen zin in had.

Het weerwoord van de regering dat aan het te vervangen artikel 97

’’van oudsher louter de betekenis van inleiding toekomt’’ is maar ten dele waar. Dat artikel werd pas in grondwetten van na 1814 gevolgd door gedetailleerde bepalingen over de inrichting van de dienstplicht, waardoor het pas na 1814 de betekenis van een inleiding kreeg. Maar in de Grondwet van 1814 had dit basisbeginsel terecht een zelfstandige betekenis en dus mist het heden ten dage eigenlijk zijn oorspronkelijke historische context niet zozeer, maar heeft het die veeleer herkregen.

Ik heb nog een ander argument voor het amendement van de VVD op stuk nr. 14 gevonden in het recent gepubliceerde onderzoek van de stichting Maatschappij en krijgsmacht, waaruit blijkt dat 46% van de ondervraagden de verdediging van het eigen grondgebied en van NAVO-bondgenoten als belangrijkste zaak voor de krijgsmacht ziet. De andere punten zijn voor een andere discussie.

In haar antwoord aan het AOV in het verslag wijst de regering er onder meer op dat volgens de artikelen 91 en 92 van de Grondwet verdragen alleen kunnen worden goedgekeurd door de Staten-Generaal. Noem het een formeel instemmingsrecht. Dit zou dan een argument moeten zijn om een aparte vermelding van de onafhankelijkheid van het Rijk in de Grondwet, zoals in het oude artikel 97 het geval is, overbodig te achten. Maar op pagina 9 van de nota weigert de regering in haar antwoord aan de GPV-fractie vreemd genoeg om aan het parlement een bij motie Kamerbreed gesteund verzoek om een formeel instemmingsrecht te verlenen door als randvoorwaarde de bestaande constitutionele verhoudingen tussen regering en parlement te hanteren. Als belangrijke reden voor deze weigering vermeldt de regering dat zulk een formeel instemmingsrecht ’’de ruimte beperkt die de regering niet kan ontberen in het internationale overleg en in de noodsituaties die zich kunnen voordoen’’, want ’’dit zou onvermijdelijk ten minste ten koste gaan van de vereiste flexibiliteit en snelheid bij de behartiging van de nationale belangen in de internationale arena en van het vereiste tempo en de effectiviteit bij de oplossing van urgente situaties, iets wat de regering ongewenst acht, gezien de grote nationale belangen die op het spel staan’’. Maar de regering doet het nu wel voorkomen alsof alle situaties waarin het voorgestelde artikel 100 opportuun is overeenkomstig het beroemde lid 2 noodsituaties zijn. Alsof het voorgestelde lid 2 het een en al van dat artikel is!

Verder meent het kabinet in reactie op het standpunt van CDA, GPV en SGP dat het bestaan van een formeel instemmingsrecht bij artikel 96 inzake de oorlogsverklaring niet als argument kan fungeren in een pleidooi voor verlening van eenzelfde recht bij het voorgestelde artikel 100, dit omdat een dergelijke uitzonderlijke situatie niet vergeleken kan worden met – in de ogen van de regering – zoiets reguliers als het sturen van Nederlandse gevecht-seenheden naar vreemde bodem. Maar zo regulier zou onze fractie dat niet willen vinden. Een aangevallen land zou wel eens heel weinig rekening kunnen houden met de VN-pet, die de Nederlandse troepen dan op hebben. Ik denk in dit verband aan de Servische bezwaren tegen Duitse deelname aan Unprofor. Het zou Nederland kunnen gaan beschouwen als een land dat het de oorlog heeft verklaard. Daarmee zouden onze nationale belangen in tweede instantie – dus nadat tot uitzending is besloten op grond van het eerste lid van artikel 100 – zeker wel in het geding zijn. Dan zal eveneens een noodsituatie kunnen ontstaan, iets wat de regering zelf ook voor mogelijk houdt. Er is dus wel degelijk naar onze mening een goede reden om het voorgestelde artikel 100 te vergelijken met artikel 96 en ook in dit geval niet de randvoorwaarden van inachtneming van de bestaande constitutionele verhoudingen tussen regering en parlement te hanteren. Ook collega Koekkoek heeft hierop gewezen.

Dat de regering zegt dit wel te willen doen, maakt haar meerdere keren gedane toezegging dat zij de motie-Van Middelkoop – die wij ook hebben ondertekend – zal uitvoeren tot een lege huls. Dat de regering in reactie op de glasheldere redenering van de GPV-fractie op pagina 8 van het verslag antwoordt dat zij niet kan ’’nagaan of dit uitgangspunt, indien in het verleden gehanteerd, in de weg zou hebben gestaan aan de parlementaire goedkeuring van verdragen’’ en daarom de kern van deze motie niet wil uitvoeren, is even vreemd als afkeurenswaardig. Hetzelfde geldt voor haar mening dat een formeel parlementair instemmingsrecht een schending betekent van artikel 97, lid 2.

Concluderend: het instemmingsrecht is niet goed geregeld, maar naar onze mening lijkt het hoogst haalbare wel te zijn bereikt.

De vergadering wordt van 18.10 uur tot 19.45 uur geschorst.

©

H.F. (Hans)  DijkstalMinister Dijkstal: Voorzitter! Ik ben de Kamer vanzelfsprekend zeer erkentelijk voor de zeer uitvoerige wijze waarop zij zich met dit voorstel tot grondwetswijziging en ook de andere heeft willen bezighouden. Ik wil een beetje tegen mijn gewoonte in eerst een paar algemene opmerkingen maken, omdat zich een paar bijzondere omstandigheden voordoen. Onder anderen de heer Hoekema heeft daarnaar verwezen, bijvoorbeeld door mij te citeren uit een geschrift waarin ik iets over de Grondwet zeg. Hij vraagt zich af of mijn argument dat de Grondwet niet het instrument is om ongewenste maatschappelijke verschijnselen tegen te gaan, wel stand houdt tegenover het argument dat het altijd gaat om de rechten van burgers, nog los van de spelregels die wij voor ons democratisch bestel hebben. Ik wil best uitspreken dat ik misschien niet duidelijk genoeg ben geweest. Ik denk dat het hetzelfde is, maar dat het net de vraag is van welke kant je ernaar kijkt. Hij geeft het voorbeeld dat discriminatie toch een maatschappelijk ongewenst verschijnsel is dat wij met artikel 1 moeten bestrijden. Ik keer dat om: elke burger in dit land heeft recht op een gelijke behandeling in een gelijke omstandigheid. Ik denk dat wij zo dicht bij elkaar komen.

Inderdaad is het een heel bijzonder moment. Het is een opmerkelijk toeval dat ik hier vandaag sta. Wat niet iedereen van u kan weten, tenzij u misschien net even naar het nieuws heeft gekeken, is dat wij vanmiddag om 12.00 uur op Binnenlandse Zaken een zeer groots opgezette persconferentie hebben gegeven waarin wij onze plannen voor 150 jaar Grondwet hebben gepresenteerd. Morgen hebben wij de nieuwjaarsreceptie van Binnenlandse Zaken, want morgen, 14 januari, is de geboortedag van Thorbecke. Wij zijn er van alle kanten mee bezig. Het is 150 jaar

Grondwet, maar de heer Koekkoek wees er terecht op dat je ook een ander jaartal had kunnen kiezen, bijvoorbeeld 1798 voor 200 jaar constitutie. Er zijn nog andere data te vinden rond de constitutie, maar wij hebben nu gekozen voor 1848, omdat wij het vandaag met dezelfde Grondwet doen, zij het met alle wijzigingen die erin zijn aangebracht. Het punt dat de heer Koekkoek meldde, was echter niet geheel ten onrechte. Laat het allemaal nog eens samenvallen met het feit dat 350 jaar geleden de Vrede van Münster werd gesloten. Dit jaar vieren wij ook 50 jaar Universele verklaring van de rechten van de mens. Laat Den Haag dit jaar 750 jaar bestaan en Friesland 500 jaar. Dit wordt toch een fantastisch jaar. Als wij in dat fantastische jaar de twee hoogtepunten hebben die een democratie kent, gemeenteraadsverkiezingen en parlementsverkiezingen, dan is het werkelijk fantastisch wat ons allemaal te wachten staat. Wij zullen proberen vanuit Binnenlandse Zaken zoveel mogelijk mensen mee te krijgen in een reeks van zeer interessante debatten, variërend van de zogenaamde Baliedebatten, de Res Publicadebatten, tot en met een debat in elke provincie in Nederland. Zo vindt hedenavond in Limburg de start van het debat plaats. Ik had er graag bij willen zijn; ik ben nog grager bij u. Dat gaf staatssecretaris Kohnstamm de gelegenheid om Binnenlandse Zaken in Limburg te vertegenwoordigen. Daarom heeft de commissaris van de koningin, de gouverneur te Limburg, dat boekwerkje gemaakt waar ik hem zeer voor prijs. Het ziet er zeer verzorgd uit en het is een zeer interessante bijdrage aan die discussie. In dit geval gaat het over de relatie Grondwet en Europa.

Er is meer dan dat. Wij proberen ook nadrukkelijk iets met de jeugd te doen met allerlei activiteiten die op dat terrein gericht zijn. Er is een grondwetstrijd. Wie ideeën heeft over wat er nog in de Grondwet zou kunnen, kan aan die wedstrijd meedoen. Als bijzonder moment breng ik 5 mei onder uw aandacht. Wij hebben vroegtijdig contact gezocht met het Comité 4 en 5 mei, omdat wij denken dat bevrijdingsdag bij uitstek de dag is waarop je stilstaat bij rechtsstaat en democratie. En dat is ook de overtuiging van het comité. Dit heeft ertoe geleid dat er op 5 mei in Den Haag een aantal activiteiten zal plaatsvinden in aanwezigheid van de Koningin. Ik ben daar zelf ronduit gelukkig mee.

Voorzitter! Als wij zo met de Grondwet aan de gang gaan, zoals de Kamer dat doet en zoals wij dat hebben willen doen om een levende Grondwet te krijgen, dan doet zich wel de vraag voor wat wij daar nu mee bedoelen. Behoort de Grondwet niet een dam op te werpen tegen al te snelle nieuwlichterij en de waan van de dag? De Grondwet kan niet zoals een andere wet even snel gewijzigd worden omdat er opeens iets verandert. Een zekere behoudendheid en een zekere voorzichtigheid lijken ons dus geboden. Er moet ook gezocht worden naar een zeker draagvlak in de samenleving. Dat geluid heb ik overigens ook al vaker in de Kamer gehoord. Hier staat echter tegenover dat wij in een samenleving leven die zeer dynamisch van aard is. Zij is zelfs zo dynamisch dat je je misschien wat vaker dan vroeger de vraag moet stellen of de Grondwet nog wel de waarborg is die wij wensen voor bijvoorbeeld de rechten van de burgers.

In die balans tussen aan de ene kant het opwerpen van een dam en aan de andere kant het vertalen van de dynamiek, heeft het kabinet, overigens in het verlengde van hetgeen het vorige kabinet gedaan heeft op onderdelen van de Grondwet, zich de afgelopen periode de vraag gesteld of niet nagedacht moest worden over aanpassing van de Grondwet. De Kamer weet dat dit in de afgelopen periode tot en met de dag van vandaag geleid heeft tot een heel lange reeks van onderwerpen. Ik noem het recht van petitie, waar wij nog over praten, het binnentreden van woningen, het recht op vertrouwelijke communicatie en bepalingen inzake voogdij van de Koning. Dit zijn onderwerpen die wij toevallig allemaal dezer dagen met elkaar bespreken. Wij staan op het punt om het correctief wetgevingsreferendum te behandelen in de Eerste Kamer. Vandaag spreken wij hier over de modernisering van de defensiebepalingen. Verder noem ik de positie van de Nationale ombudsman, de deconsti-tutionalisering van de benoeming van burgemeesters en commissarissen der koningin en zelfstandige bestuursorganen. Ook worden er nog wat additionele artikelen opgeschoond, zoals dat oneerbiedig heet.

Er is dus een hele hoop werk gedaan door dit kabinet, zoals gezegd soms in het verlengde van datgene wat het vorige kabinet al aangedragen had. Wij zijn hiermee aan de gang gegaan. Ik weet niet of dit groot onderhoud is. Als ik mij de grondwetswijziging van 1983 voor ogen haal, denk ik dat het dat niet is. Het is echter nadrukkelijk meer dan wat detailwerk. Wat is trouwens detailwerk, behalve opschoning van enkele additionele artikelen? Wat is detailwerk in de Grondwet? Het gaat toch altijd om wezenlijke rechten van burgers dan wel om andere zeer wezenlijke bepalingen.

Ik permitteer mij vandaag nog één vrijheid die ik anders niet gauw neem in het parlement. Ik zit echter geweldig met dit punt. Ik ben u, voorzitter, erkentelijk voor de hulp die u mij hierbij geboden hebt. Ingevolge de manier waarop wij de Grondwet tot nu toe gewijzigd hebben, moeten alle grondwetswijzigingen die wij voor ogen hebben voor 18 maart in het Staatsblad staan. Dat betekent dat ik een groot beroep op de Tweede Kamer doe om deze voorstellen zo snel mogelijk en het liefst met een positief resultaat af te handelen, opdat ik die ook in de Eerste Kamer ordentelijk kan behandelen. Daar zijn al goede werkafspraken over gemaakt, opdat wij niet in een dusdanige tijdnood komen dat wij eigenlijk een hele kabinetsperiode verliezen.

Voorzitter! Er is nog een punt waar ik ook graag meer in algemene zin op wil reageren. Dit ligt niet voor als een wijziging van de Grondwet, maar is om niet geheel onbegrijpelijke redenen door de heren Van Middelkoop en Van den Berg naar voren gebracht. Ik doel dan op de zwaardmacht van de overheid, de politie, in de Grondwet. Op zichzelf is hun opmerking terecht. Bij de grondwetsherziening van 1983 is de krijgsmacht als enige onderdeel van de rijksoverheid in de Grondwet gehandhaafd. In 1985 stelde de regering dat de krijgsmacht in de Grondwet blijft, omdat het gaat om een taak die ’’wanneer zij actueel wordt, dieper dan enige andere in de gang van de samenleving ingrijpt en voor de burger de plicht mee kan brengen om zijn leven in de waagschaal te stellen en dit zo nodig op te offeren’’. Dat zijn heel zware woorden. Het zijn zelfs zulke zware woorden dat de leden vandaag uitgebreid bij de defensiebepalingen hebben stilgestaan. De toenmalige regering meende evenwel, net als het huidige kabinet, dat dit niet in die zin geldt voor de politie. Ik ben daar niet absoluut in. Daar het nu niet voorligt en dit kabinet niet in staat is om zo’n grondwetswijziging, als het dat al zou willen, tijdig in te dienen, rest mij niets anders dan de heren Van Middelkoop en Van den Berg aan te raden mee te doen aan die grondwetstrijd. Ik heb ze datzelfde advies gegeven toen het ging om de Nederlandse taal in de Grondwet. Het was namelijk duidelijk dat hun voorstel het hier niet zou halen. Ik bedoel dit niet helemaal serieus, maar ik ben zelf nog niet zover dat ik vind dat de politie in de Grondwet moet. Ik sluit mij echter niet geheel af voor die discussie. Datzelfde geldt voor een sociaal grondrecht op veiligheid. Dat ligt in dezelfde range. ’’Range’’ zeg ik niet meer, in hetzelfde bereik. Zoals u ziet, is de Grondwet niet nodig, ik doe het zelf al.

De heer Koekkoek (CDA): Nu de minister aan het eind van zijn algemene beschouwingen is, wil ik hem een vraag stellen. De Grondwet is, kort gezegd, onder andere de waarborg voor onze constitutionele vrijheden. Een belangrijke waarborg daarvoor is dat de rechter ook kan toetsen of wetten wel in overeenstemming met de Grondwet zijn. De regering heeft daarover een notitie in het vooruitzicht gesteld. Gaat het nu op dezelfde manier als de vorige keer en zal de Kamer die notitie pas krijgen als het kabinet demissionair is? Of kunnen wij haar iets eerder verwachten?

Minister Dijkstal: Normaal gesproken zou zo’n kritische opmerking vanuit de Kamer tot schaamrood op de kaken van een kabinet moeten leiden, omdat het zo lang duurt. Hier heeft de zorgvuldigheid het willen winnen van het tempo. Het kabinet heeft in een laatste poging om zorgvuldig te handelen nog een laatste advies ingewonnen. Dat advies is inmiddels binnen, maar dat moeten wij nog verwerken. Wij moeten in staat zijn dat in een dusdanig tempo te doen dat wij dat uiterlijk over twee maanden rond hebben. Dus ver voordat het kabinet demissionair wordt, aannemende dat de Kamer het kabinet gunt op zijn minst tot 6 mei te blijven zitten.

De heer Koekkoek (CDA): Ik dank de minister dat hij eraan meewerkt of bevordert dat ik over dit interessante onderwerp met hem nog zal kunnen debatteren.

Minister Dijkstal: Ik vind het ook een zeer relevant onderwerp in de brede discussie over de positie van de Grondwet in onze samenleving.

Ik zal nu ingaan op hetgeen voorligt. Ik dank de heren Frinking, Brinkhorst, Jurgens, Van Middelkoop en al de anderen die hun handtekening onder de desbetreffende motie hebben gezet. Dat was namelijk het bouwmateriaal op basis waarvan het kabinet dit voorstel heeft opgesteld. Ik wil dat respect uitspreken aan het adres van diegenen die dat toen in politieke zin hebben veroorzaakt. Ik denk dat het daarom het meest voor de hand ligt om nu te beginnen met het meest verstrekkende voorstel dat van de kant van de Kamer op tafel ligt. Ik doel hier op het amendement van de heer Koekkoek over het instemmingsrecht. Daar is uitgebreid over gesproken door de woordvoerders. In dit verband verwijs ik ook naar wat de heer Verkerk daar in navolging van de heer Koekkoek over heeft gezegd.

Ik ontkom er natuurlijk niet aan dat wat ik zeg voor een deel herhaling van argumenten is. Je neemt een bepaald standpunt in op grond van een aantal overwegingen. Als het kabinet vasthoudt aan zijn standpunt, is dat natuurlijk voornamelijk op grond van diezelfde overwegingen. Dat spitst zich toe op drie soorten argumenten. Het eerste betreft de constitutionele verhoudingen. Ik geef toe dat dat niet een wet van Meden en Perzen is. De heer Koekkoek noemde in dit verband de goedkeuringsverdragen, waarin de nadrukkelijke instemming van de Kamer vereist is. Er zijn dus situaties waarin daar in de moderne verhouding tussen regering en parlement wat veranderingen kunnen komen, maar het kabinet wenst zeker in algemene zin vast te houden aan het adagium dat de regering regeert en Kamer achteraf controleert.

Er is verder een aantal overwegingen die van meer praktische aard zijn. Is het inderdaad wenselijk dat wij de krijgsmacht pas kunnen inzetten na 30 dagen, daarbij wachtend op het oordeel van ten minste vijftien senatoren, om het maar eens heel kort door de bocht te formuleren? Dat kan de praktische uitwerking zijn van het amendement van de heer Koekkoek.

Dit staat nog los van de algemene bezwaren tegen de voorhangprocedure. De heer Van Middelkoop wees in dit verband nog op de bijzondere situatie in het kader van de Grondwet. Dan is de drempel van eenvijfde wel erg willekeurig en in ieder geval veel te laag. Ook zijn er nog interessante opmerkingen te maken over de wijziging die het amendement impliciet aanbrengt in de positie van de Eerste Kamer. Hiermee krijgt de Eerste Kamer instemmingsrecht, terwijl het niet gaat om informatie of om wetgeving. Dan is de volgende vraag, of de verenigde vergadering een rol moet spelen, zelfs als de Eerste Kamer bijvoorbeeld instemt met de inzet van de krijgsmacht of niet reageert binnen de voorgeschreven termijn. Wat is overigens de constitutionele betekenis van de zinsnede ’’namens de Kamer’’? Wie is vertegenwoordigingsbevoegd? Wat voegt ’’door of namens één van de Kamers’’, zoals in het amendement staat, toe aan ’’door of ten minste eenvijfde van het grondwettelijk aantal leden van één van de Kamers’’? Al met al hebben wij dus grote bezwaren tegen aanvaarding van dit amendement. Daarbij hanteren wij als hoofdargument dat de wijziging die het kabinet voorstelt erop gericht is om het parlement in staat te stellen een oordeel te geven. Er is zojuist gesproken over het materiële instemmingsrecht en het formele instemmingsrecht. Wij denken, om de reden die ik eerder aangaf, dat het zeer bezwaarlijk is om dat formele instemmingsrecht in te voeren. De Kamer heeft toch materieel gesproken veel mogelijkheden om de regering over zo’n belangrijke zaak aan te spreken.

Voorzitter! In het verlengde van mijn opmerking over dit amendement wil ik iets zeggen over een amendement waar wij grote problemen mee hebben en dat is het amendement op stuk nr. 11 van de heer Koekkoek inzake de humanitaire hulp buiten het gewapende conflict. Tegen dit amendement pleiten een aantal argumenten. De Kamer wordt regulier al geïnformeerd over beleid inzake hulpverlening door militairen buiten geval van gewapend conflict door middel van beleidsnotities of door middel van de begrotingen van Buitenlandse Zaken of van Ontwikkelingssamenwerking. Bovendien is een volledige informatieplicht niet noodzakelijk, omdat er bij humanitaire hulp buiten gewapend conflict geen levensgevaar voor militairen bestaat. Dat was toch een van de redenen waarom wij de bijzondere informatieplicht bij militairen wel gezamenlijk wensten te honoreren.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Ik zal de minister niet op details interrumperen. Daar kom ik in tweede termijn wel op terug, maar dit is een heel belangrijk punt. Als wij Nederlandse militairen bijvoorbeeld naar een Afrikaans land sturen voor hulpverlening, zijn de omstandigheden daar zo bijzonder, ook al is het buiten een gewapend conflict, dat de risico’s voor de Nederlandse militairen aanzienlijk kunnen zijn. Ik denk dat dan een actieve informatieplicht alleszins gerechtvaardigd is.

Minister Dijkstal: Als zich heel bijzondere situaties voordoen, zal een kabinet de Kamer daarover zeker tijdig willen informeren. Los hiervan ben ik het vooralsnog niet met u eens. Ik kan mij niet zo gauw voorstellen dat er situaties ontstaan waar wij ons op voorhand niet op kunnen voorbereiden. Stel dat militairen worden uitgezonden naar een gebied waar sprake is van ernstige gezondheidsbedreigende omstandigheden. Dan kunnen wij natuurlijk met onze moderne geneeskundige middelen maatregelen nemen. Dat zijn situaties die van een totaal andere aard zijn dan de situatie van militairen die terechtkomen in een gewapend conflict waar de kogels hun om de oren kunnen vliegen.

De heer Van den Berg (SGP): Is de minister niet iets te stellig op dit punt? Er zijn toch situaties denkbaar die in eerste instantie niet de indruk geven dat er sprake is van een gewapend conflict, maar die daar wel snel in kunnen ontaarden. Ik denk aan stammenoorlogen. Die scheidslijn is niet zo helder. Zo’n situatie kan heel snel veranderen.

Minister Dijkstal: Soms kunnen ontwikkelingen snel gaan, dat geef ik toe. Dat neemt niet weg dat je toch wel erg doorslaat naar de andere kant, door alles wat niet een gewapend conflict is, onder de strekking van dit wetsvoorstel te brengen. Wat bedoelen wij dan precies? Hoe moeten wij dat organiseren? Als de overheid een Martinairtoestel chartert om goederen te brengen naar dat riskante gebied dat de heer Koekkoek voor ogen heeft, geldt het dan niet? Als het toevallig de F-27 is, of een ander groter vliegtuig dat wij nog hebben, zou het wel moeten gelden? Je komt in heel onduidelijke situaties, waarbij de afweging heel moeilijk te maken valt, los van de vraag of wij dan nog wel legervliegtuigen nemen of dure Martinair-vliegtuigen inhuren. Dat is misschien ook nog een praktisch gevolg hiervan.

Er is naar het oordeel van het kabinet geen heldere definitie te geven in welke situaties dat allemaal zou moeten. De regering acht het zeer onwenselijk dat het voor alle situaties geldt waarin humanitaire hulp wordt gegeven, ook al is dat door militairen. Wij vinden het echt zeer onwenselijk dat dit amendement zou worden aangenomen. Om die reden moet ik het dringend ontraden.

Ik zeg dit overigens met groot respect, want het is voor iedereen duidelijk vanuit welke invalshoek de heer Koekkoek deze amendementen heeft ingediend. Dat is allemaal zeer lovenswaardig, maar op grond van de argumenten voor en tegen deze punten hebben wij er zeer grote bezwaren tegen.

Hierbij kunnen nog twee andere dingen een rol spelen. Ik herhaal wat de heer Hoekema en de heer Van Middelkoop hebben gezegd. Als je het amendement op stuk nr. 10 zou aannemen, is het risico dat er een vlucht ontstaat naar het tweede lid.

Hoewel het parlementair niet helemaal fatsoenlijk is in de Tweede Kamer, zou ik het zeer betreuren als één van deze beide amendementen zou worden aangenomen, en als dat ertoe leidt dat het wetsvoorstel in de Eerste Kamer zou stranden. Dan eindigen wij met niets en dat kan toch voor niemand de bedoeling zijn. Zoals gezegd, ik weet dat dit een bijna oneigenlijk argument is in een afweging waarbij fracties ervoor staan naar hun oordeel het beste in een wetsvoorstel te krijgen. In dit jaar vecht ik er heel hard voor om zoveel mogelijk wijzigingen er doorheen te krijgen.

De heer Rehwinkel en de heer Hoekema hebben gevraagd hoe wij de werking van het tweede lid in de praktijk moeten zien. De heer Voorhoeve zal hier wat concrete voorbeelden van geven. Het is misschien goed dat ik herhaal welke criteria gehanteerd worden, voordat het tweede lid in werking treedt. Deze criteria werken overigens niet cumulatief. Het gaat om situaties die waarlijk exceptioneel zijn, die een zeer acute noodsituatie kunnen zijn, die zeer levensbedreigend zijn, waar een direct gevaar kan ontstaan of waar interventie alleen zinvol is bij volstrekte geheimhouding. Er moet dus gekeken worden naar een aantal nogal scherpe punten, of een of meerdere daarvan gelden. Wij gaan ervan uit dat het kabinet hierop bij uitzondering een beroep doet, omdat de inzet van het kabinet nadrukkelijk is gericht op het eerste lid, dus om de Kamer tijdig te informeren.

De Kamer tijdig informeren brengt ons met een soepele overgang op het amendement op stuk nr. 7. Naar ons oordeel verzekert het begrip ’’tijdig’’ dat inlichtingen worden verschaft na het uitzendingsbesluit van de regering, maar voorafgaand aan de uitvoering daarvan. Dat kan niet anders dan de betekenis zijn van het woord ’’tijdig’’. Dat blijkt ook wel, omdat uit de uitzondering van het tweede lid blijkt dat de hoofdregel van het eerste lid inhoudt dat er inlichtingen worden verschaft, voorafgaande aan de uitzending. Dat is de logica die in het eerste en het tweede lid van artikel 1 zit. Daarna moeten de Staten-Generaal zelf beslissen of zij overleg met de regering wensen over die tijdig ontvangen inlichtingen. Naar het oordeel van het kabinet is het amendement overbodig.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! In artikel 100 is niet alleen sprake van de inzet, maar ook van het ter beschikking stellen. Hoe stelt de minister zich dat voor? Wat betekent tijdig informeren over de terbeschikkingstelling? Betekent dit dat de regering besluit troepen ter beschikking te stellen en dan de Kamer informeert? Of betekent het dat de regering de Kamer informeert over het voornemen dat te doen, zodat de Kamer kan zeggen: nee regering, u moet dat niet doen?

Minister Dijkstal: Voorzitter! Dat laatste is het niet. Dat zou mij echt te ver gaan. Het is de eerste plicht van het kabinet zelf een oordeel te vormen als het vindt dat Nederland troepen ter beschikking moet stellen. De provisie die wij hier maken, is dat de uitvoering van dat besluit niet kan geschieden dan nadat de Kamer de gelegenheid heeft gehad zich daarover ook een oordeel te vormen en eventueel de regering van die weg terug te roepen. Het zou anders namelijk betekenen dat je in een wat vagere politiek-staatsrechtelijke verhouding ten opzichte van elkaar eens een balletje opgooit om te horen of iemand er wat voor voelt om van daaruit tot dit soort besluiten te komen. Dat loopt nooit parallel met de manier waarop je in internationale contacten in overleg met elkaar treedt. Het enige wat de regering wel weet, is dat als zij in gesprek is met andere landen over iets dergelijks, zij daar nooit zekerheid over kan verschaffen zolang niet het parlement, gebruik makend van het artikel dat wij nu wijzigen, de gelegenheid heeft gehad daarover het zijne te zeggen.

De heer Koekkoek (CDA): De minister legt nu precies de vinger bij het pijnpunt van de CDA-fractie. Zoals de regering het nu ziet, neemt de regering een besluit over inzet of ter beschikking stellen van de krijgsmacht. Vervolgens informeert zij de Kamer en stelt zij de Kamer in de gelegenheid de regering terug te fluiten. Dat is de voorgestelde procedure. Van een daadwerkelijk instemmingsrecht is dus geen sprake. Er is sprake van een afkeuringsrecht.

Minister Dijkstal: Als je ergens mee instemt, is dat goedkeuring, als je ergens niet mee instemt, is dat afkeuring volgens goed Nederlands taalgebruik. De heer Koekkoek zoekt spijkers op laag water als hij spreekt over instemmen of afkeuren. In het taalgebruik zijn beide het spiegelbeeld van hetzelfde begrip. Materieel gaat het om de vraag, zo heb ik van een aantal woordvoerders begrepen, of de Kamer de gelegenheid heeft om te zeggen: regering, u heeft dat besluit genomen en keurig aan ons voorgelegd, maar wij voelen er niet voor. De Kamer moet dan wel een instrument in handen hebben om dat de regering duidelijk te maken. Het gaat om een materieel afkeurings/ instemmingsrecht.

De heer Koekkoek (CDA): Het probleem is dat wat de minister zegt, niet in de voorgestelde tekst staat.

Daar staat alleen maar dat de regering de Staten-Generaal tijdig inlichtingen verstrekt, maar de besluiten zijn genomen. In de toelichting die de regering nu geeft, wordt gezegd dat de besluiten niet worden uitgevoerd alvorens er gelegenheid is geweest met de Kamer daarover te discussiëren.

Minister Dijkstal: Dat is juist. Het begrip tijdig omvat dat het besluit voorafgaand aan de Kamer wordt voorgelegd. Het gaat mijns inziens meer om de exegese van het begrip tijdig dan om de exegese van de woorden afkeuring of instemming. Dat staat los van het amendement van de heer Koekkoek. Het gaat om een andere situatie.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik dank de heer Koekkoek voor zijn goede interruptie op dit punt. Het zal echter ook duidelijk zijn dat de heer Hoekema en ik voorlopig nog wel bij ons amendement blijven. Het element van het ter beschikking stellen gecombineerd met het woordje tijdig houdt wel degelijk een zeker risico in. Het voorbeeld kan worden gebruikt dat een minister van Defensie of een minister van Buitenlandse Zaken op bezoek is bij de secretaris-generaal van de VN. De secretaris-generaal doet – ik denk dat dit ook wel eens gebeurd is – met een beroep op de UNSAS-afspraken het verzoek in een concrete situatie troepen ter beschikking te stellen. Ik kan mij voorstellen dat de minister van Defensie zegt daarmee akkoord te gaan omdat hij het redelijk vindt, onmiddellijk de Kamer informeert en dat dus tijdig doet, terwijl er toch een situatie ontstaat die wij niet wensen, te weten vooral informeren en de Kamer materieel de ruimte te geven om inwilliging van het verzoek eventueel af te keuren. Om die reden levert de interruptie van de heer Koekkoek een extra argument op om duidelijker te formuleren en het woordje vooraf te gebruiken en niet het woord tijdig.

Minister Dijkstal: Mijn stelling is dat het woord ’’tijdig’’ hier niets anders betekent dan het woord ’’vooraf-gaand’’. Op het moment dat die informatie de Kamer bereikt, heeft de Kamer alle instrumenten om de regering ter verantwoording te roepen en kan zij verder handelen zoals zij wenst. Ik wil hier niet het allerzwaarste woord over uitspreken.

Wij zitten een beetje met de betekenis van woorden. Ik geloof echt dat dit amendement overbodig is met de toelichting die ik geef op de gedachtegang van het wetsvoorstel. In parlementaire taal gesproken is dit een mild oordeel over een amendement dat wij niet willen. Ik heb grote bezwaren tegen de amendementen van de heer Koekkoek. Die heb ik net ook uitgesproken, maar dat ligt hier natuurlijk een slag anders. In die zin moeten wij er ook niet al te lang met elkaar over discussiëren. Dat is uiteindelijk een afweging die men moet maken.

Dan wil ik graag reageren op het amendement op stuk nr. 14 van de heer Te Veldhuis en in dat kader reageer ik natuurlijk meteen op de heer Koekkoek en de heer Verkerk die daar ook over gesproken hebben. De vraag was of het niet wenselijk is dat het huidige artikel 97 terugkomt. Ik zal kort reageren, want anders herhaal ik veel van wat er al in de stukken staat. Het is van oudsher een artikel dat louter als inleiding bedoeld is en het gaat verder terug dan 1848. Hier gaan wij terug tot 1814, toen deze inleiding tot een reeks van bepalingen een plek in de Grondwet heeft gevonden. De aanwijzing van de kring van personen is volledig en in dit geval dan zinledig. De opsomming van doeleinden van de verdediging is onvolledig. Het verwijst bijvoorbeeld niet meer naar de algemeen aanvaarde internationale taak en geeft dus alleen maar aanleiding tot misverstanden. Voor het opleggen van de defensieplicht aan burgers is de bepaling bovendien overbodig, omdat de toekomst van de wetgever al verzekerd is door de algemene bepaling van artikel 89 van de Grondwet en trouwens ook door het algemeen aanvaarde principe in onze rechtsstaat. Daar is ook al door anderen op gewezen. De heer Te Veldhuis zou zich ermee moeten troosten dat hij zich in het gezelschap van de heer P.J. Oud bevindt als hij hier zijn zin niet krijgt, want die dacht hier heel lang geleden ook al anders over. Om die reden ontraad ik dus aanneming van dit amendement over artikel 97.

Dan moet ik eerst nog een opmerking maken die van belang is voor het verdere debat. In de eerste termijn is een discussie ontstaan over de vraag of de heer Te Veldhuis er niet verstandig aan doet om ook lid 2 te handhaven. Als hij en de Kamer toch in die richting denken, wat ik dus onwenselijk acht, is het voor ons van belang dat lid 2 gehandhaafd wordt. Het gaat dan namelijk niet alleen om militaire dienst, maar het kan ook gaan om het fourneren van financiën of om het beschikbaar stellen van goederen in natura. Denk aan transportmiddelen en gebouwen. Ook aan ingezetenen die geen Nederlander zijn, kan dan een plicht tot medewerking aan de verdediging in die zin worden opgelegd. Dit tweede lid is in 1987 opgenomen om een heel goede reden. Toen speelde namelijk ook nog de mogelijkheid dat niet-Nederlandse ingezetenen een taak in de verdediging opgelegd krijgen op basis van de wederkerigheid die ontstaat als Nederlanders in andere landen van die regeringen ook bepaalde plichten opgelegd kunnen krijgen. Ik vraag de Kamer dus nadrukkelijk om dat tweede lid te handhaven als zij de verleiding niet kan weerstaan om dit terug te brengen in de Grondwet, hetgeen dus niet wenselijk is.

De heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! Die vraag was aan mij gericht. Voor het laatste doel, dus niet-Nederlanders inschakelen bij allerlei plichten op Nederlands grondgebied, is mijn amendement op stuk nr. 13 bedoeld en het amendement van de heer Koekkoek op stuk nr. 9 over de civiele verdediging. Daar zit de gedachtegang achter dat het op zichzelf vreemd is als wij niet-Nederlanders plichten opleggen voor de onafhankelijkheid van Nederland en voor de verdediging van het Nederlandse grondgebied. Dat is niet logisch in relatie tot lid 1, waarin je van Nederlanders vraagt op te komen voor hun vaderland. Dat kan toch moeilijk worden gevraagd aan mensen die hier weliswaar ingezetene zijn – tijdelijk werk – maar geen Nederlander zijn.

Minister Dijkstal: Tot op heden heeft dat risico zich niet voorgedaan. Het is in die zin nooit als een prangend probleem gezien. De praktische betekenis ervan is nog maar zeer de vraag.

Het argument dat de heer Te Veldhuis gebruikt, geeft mij een soepele overgang naar het amendement op stuk nr. 13 van de heer Te Veldhuis. Ik kom nog te spreken over de vraag welk amendement het beste is: nr. 9 of nr. 13. Ik vind ze alle twee niet goed. Het gaat niet alleen om het argument dat de civiele verdediging haar belang verloren heeft omdat de Koude Oorlog er niet meer is. Wie weet of er ooit weer een koude oorlog komt. De civiele verdediging heeft in ieder geval geen belangrijke functie meer binnen de NAVO. Verder is het begrip onduidelijk. Wat valt er allemaal onder? Als de heer Te Veldhuis onder het begrip ’’civiele verdediging’’ gaat brengen de plicht die elke ingezetene in dit land heeft om via een speciale belasting mee te betalen aan onze defensie, dan komt hij erg ver van huis als het gaat om wat wij in het verleden onder plichten in het kader van de civiele verdediging hebben verstaan. Ik denk aan de BB. Wat is, nu wij die wetten hebben afgeschaft, de betekenis van zo’n artikel? In ieder geval mag het er niet toe leiden dat wij weer zo’n wet moeten maken, want wij willen het helemaal niet. Wat voor mij misschien nog het lastigste probleem is, is dat ik niet zeker weet of als wij doen wat in een van beide amendementen wordt voorgesteld, de sociale dienstplicht eronder gaat vallen. Dat lijkt mij niet theoretisch, want ik herinner mij nog zeer levendig debatten in dit huis over burgerplichten. Door een van de fracties is die sociale dienstplicht als een zeer interessant politiek punt op tafel gelegd. Door het nu weer op te nemen, halen wij ons een heleboel problemen op de hals. Nu kan men zeggen: dat moet je maar doen, want het gaat erom dat je burgers niet al te lichtvaardig tot een plicht kunt brengen. Daar hebben wij het niet voor nodig. Daarom heb ik verwezen naar artikel 89 van de Grondwet en het legaliteitsbeginsel. Dat gaat ervan uit dat als de overheid een plicht op burgers legt, er een wet aan ten grondslag ligt. Mij ontgaat ook het belang en de ratio ervan om dat op deze manier in te voeren. Blijft over iets wat mij in de morele sfeer best aanspreekt, namelijk vaderlandsliefde. Dat mag voor mij ook gelden voor niet-ingezetenen, maar dan kom ik weer in moeilijkheden met het voorgaande. Wij staan bij deze twee amendementen niet te springen. Als het onvermijdelijk is, gaat onze voorkeur uit naar artikel 99a boven artikel 98, lid 3. Het betekent dat het amendement op stuk nr. 13 van de heer Te Veldhuis de voorkeur verdient.

De heer Te Veldhuis (VVD): Als de minister zich beroept op het legaliteitsbeginsel, waarom doet hij dat niet bij een aantal andere plichten en rechten die op grond van de Grondwet zijn uitgewerkt in allerlei wetten? Het legaliteitsbeginsel geldt overal voor. In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag zegt de minister dat er bijzondere verplichtingen kunnen worden opgelegd aan burgers bij of krachtens de wet. Wij zeggen met de Raad van State – het komt uit het advies van de Raad van State dat wij overnemen – dat als je zo’n plicht aan burgers kunt opleggen – niet hoeft – je het als een soort van waarborgfunctie in de Grondwet moet handhaven. Het is helemaal niet vreemd dat wij dat voorstellen, want het heeft er altijd in gestaan.

Minister Dijkstal: Dat laatste moet ik natuurlijk toegeven; ook hierbij gaat het om een vraagstuk waarbij de standpunten nooit recht tegenover elkaar kunnen staan. Als de bepaling er jarenlang in heeft gestaan, ook al had ze geen betekenis, kan die er natuurlijk weer in opgenomen worden, ook als ze geen betekenis zal hebben. Zo’n redenering kun je volgen. Ik denk alleen dat de heer Te Veldhuis twee dingen een beetje door elkaar haalt, voorzitter. Ik heb begrip voor zijn wens om iets uit te stralen in de sfeer van de moraliteit, een zekere vaderlandsliefde: als je in dit land woont, moet je toch ook de bereidheid hebben er iets voor te doen. Maar als het dan gaat om de plicht in relatie tot het recht van de burger dat hem of haar dit niet zomaar kan worden opgelegd, is de Grondwet daar helemaal niet voor nodig, dan is gewone wetgeving toereikend. Dit afwegende, geloof ik dan ook niet dat het zinvol zou zijn deze bepaling alsnog te handhaven en daarom raad ik de Kamer aanvaarding van beide amendementen af, even los van de voorkeur die ik zojuist aangaf.

©

J.J.C. (Joris)  VoorhoeveMinister Voorhoeve: Mijnheer de voorzitter! Ik ben de Kamer erkentelijk voor de grondige beschouwingen die zij aan de herziening van de defensiebepalingen in de Grondwet heeft gewijd. Ik behoef niet lang stil te staan bij de voorgestelde artikelen 98

en 99, want daarbij gaat het om bepalingen die wat inhoud en strekking betreft niet afwijken van wat er in de huidige artikelen wordt geregeld. Artikel 98 is recent aangepast in verband met de gewijzigde samenstelling van de krijgsmacht en de opschorting van de opkomstplicht. Artikel 99, de erkenning van gewetensbezwaren en de vrijstelling van militaire dienst in verband daarmee, is onomstreden. Die zaken dienen bij de wet te worden geregeld. In het verslag van de Kamer is daaraan terecht verder geen aandacht besteed.

Meer aandacht is natuurlijk vereist voor artikel 97. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, maakt de positie van de krijgsmacht in de samenleving en de bij de krijgsmacht berustende militaire middelen – de zwaardmacht – een aanduiding van de functies van de krijgsmacht en van de verhouding tussen regering en krijgsmacht in de Grondwet wenselijk. Er is daarbij gekozen voor een formulering die past bij de gewijzigde internationale verhoudingen en de daarmee samenhangende taken van de krijgsmacht. Ik doel hierbij natuurlijk op het toegenomen belang van deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties in vele vormen. De voorgestelde nieuwe doelomschrijving in het eerste lid van artikel 97 luidt: ’’Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.’’

Het is duidelijk dat er in deze omschrijving sprake is van drie oogmerken, drie taken, drie componenten. De eerste is de algemene verdedigingstaak, waartoe de bescherming van de integriteit van het eigen gebied behoort, inclusief dat van de koninkrijkspartners, en van het bondgenootschappelijke gebied. Dat is de militaire defensietaak. De tweede kring van taken is dat de krijgsmacht de andere belangen van het Koninkrijk dient te beschermen. Men denke aan de militaire bijstandstaak op grond van de Politiewet en de Rampenwet, aan hulpverlening van militairen aan burgers in nood, aan steunverlening in het openbaar belang en aan andere vormen van hulpverlening. Ten derde noem ik het blok handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. Natuurlijk sluiten deze drie onderwerpen elkaar niet uit. Het zijn als het ware elkaar overlappende cirkels. Onderdeel van de internationale rechtsorde is natuurlijk ook de bescherming van Nederland en binnen het volkenrechtelijke kader de behartiging van de Nederlandse belangen.

Handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde worden als afzonderlijke component vermeld. De handhaving en bevordering kunnen weliswaar als een facet van de belangen van het Koninkrijk worden gezien, maar ze strekken niet uitsluitend tot bescherming van die belangen. Tevens brengt de vermelding van de internationale rechtsorde de mogelijkheid tot uitdrukking van verschillende vormen van optreden van de krijgsmacht in internationaal verband. Daarbij gaat het met name om het uitvoeren van maatregelen ter handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid als bedoeld in de hoofdstukken VI met betrekking tot vreedzame regeling van geschillen en VII van het Handvest van de VN. Het betreft ook het uitvoeren van in ander internationaal verband – de WEU of de OVSE – overeengekomen maatregelen ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, zoals bedoeld in hoofdstuk VIII van het Handvest dat over regionale organisaties gaat.

De voorgenomen inzet van de krijgsmacht dient onder een van de hiervoor genoemde primaire redenen van de doelomschrijving te worden gebracht. Het element bevorderen van de internationale rechtsorde is opgenomen om zeker te stellen dat voor deze veelomvattende taak – en ik ben het op dat punt graag met de heer Van Middelkoop eens – ook de krijgsmacht kan worden ingezet. Het gaat dan niet om het sluiten van verdragen uiteraard, dat is het domein van Buitenlandse Zaken, het gaat erom de huidige praktijk van vredesoperaties – waaronder vredesopbouwoperaties en humanitaire hulpverlening – te continueren door deze vast te leggen als een van de elementen van de doelomschrijving. Het woord ’’bevorde-ring’’ heeft inderdaad een wat ruimere strekking dan het woord ’’handhaven’’ en slaat op diverse maatregelen die dienstbaar zijn aan de internationale rechtsorde.

De heer Van Middelkoop refereerde aan de tekst van het Handvest waar sprake is van handhaving. Zeker, maar wij zijn niet gedwongen ons tot die inmiddels 50 jaar oude tekst te beperken. In het woord ’’handhaven’’ zien wij ook maatregelen ter bevordering. Waarom dan niet gewoon opgeschreven dat we handhaven en bevorderen bedoelen? Ik zal een aantal redenen opgeven waarom het beter is dat we over ’’handhaving’’ spreken. De lijn tussen beide begrippen zal namelijk niet altijd scherp kunnen worden getrokken, omdat in een concrete situatie sprake kan zijn van handhaving of bevordering of een combinatie van beide. Soms moet er eerst bevorderd worden, voordat er wat te handhaven is. Het grote verschil tussen de binnenlandse rechtsorde, waaraan de heer Van Middelkoop refereerde, en de internationale rechtsorde is dat de binnenlandse een min of meer voltooide rechtsorde is – met met name heldere sanctiemogelijkheden – terwijl de internationale rechtsorde een zeer primitieve, incomplete en groeiende rechtsorde is, waarbij de regering zich inzet voor de verdere groei en dus bevordering daarvan. Vredesoperaties kunnen rechtsordebevorderend zijn. Soms is er geen vrede om te handhaven.

In dit opzicht kan ik wijzen op de actuele situatie met betrekking tot de uitvoering van de akkoorden van Dayton. Enerzijds vindt in NAVO-verband handhaving plaats, anderzijds wordt door civiel-militaire samenwerking aan de fundamentele voorwaarden voor het functioneren van de Bosnische samenleving gestalte gegeven. Gebleken is dat, daar waar militairen zich slechts bezighouden met de handhaving van de vrede, er een status quo kan ontstaan, zonder dat een politieke oplossing in zicht komt, zoals bijvoorbeeld de langdurige operaties in Libanon. De bevordering van de internationale rechtsorde is dan ook een wezenlijk onderdeel van het voorgestelde artikel 97. Het moge duidelijk zijn dat ik de Kamer aanvaarding van een voorstel tot wijziging van de artikelen 97 en 100, zoals bij amendement van de heer Van Middelkoop ingediend, waarbij de zinsnede met betrekking tot bevordering vervalt, wil ontraden.

Evenzeer ontraad ik aanvaarding van het amendement waarin de heer Van Middelkoop de woorden

’’internationale rechtsorde’’ wil vervangen door ’’internationale vrede en veiligheid’’. Ook dat is weer een beperking. Hij motiveert die terminologie met een verwijzing naar hoofdstuk VII van het Handvest van de VN. Het moge duidelijk zijn dat de taken die de krijgsmacht verricht, naast hoofdstuk VII ook betrekking hebben op hoofdstuk VI, de inzet van VN-waarnemers, het uitoefenen van politietaken internationaal en de vredeshandhaving in de strikte zin van het woord, maar ook op hoofdstuk VIII, de rol van regionale organisaties.

In gelijke zin wil ik mij uitlaten over het amendement van de heer Koekkoek met betrekking tot artikel 97. De heer Koekkoek stelt voor in dat artikel, eerste lid, een deel van de doelomschrijving, namelijk de woorden ’’ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk’’ te vervangen door ’’hulpverlening door militairen’’. Blijkens de toelichting op zijn amendement meent de heer Koekkoek dat met de bescherming van die andere belangen van het Koninkrijk niet anders wordt bedoeld dan de hulpverlening door militairen. Dat is echter een te beperkte interpretatie van wat de regering voor ogen heeft. De door de regering voorgestelde component van de doelomschrijving is ruimer. Bij wijze van voorbeeld wordt in de toelichting op het artikelonderdeel inderdaad de hulpverlening door militairen aan burgers in nood genoemd. Dat bracht de heer Koekkoek waarschijnlijk op deze gedachte. Ook wordt gewezen op de militaire bijstandstaken op grond van de Politiewet. Maar tevens moet worden gedacht aan de eigen taken van de Koninklijke marechaussee op basis van de Politiewet. Dat is iets anders dan hulpverlening. Voorts kan ook in koninkrijksverband worden gewezen op de bevoegdheid van de gouverneur van de Nederlandse Antillen en de gouverneur van Aruba om aan de betrokken regeringen de krijgsmacht van het Koninkrijk ter beschikking te stellen ten behoeve van militaire bijstand ter handhaving van de inwendige veiligheid en de openbare orde. Dat is geen theoretisch voorbeeld. Zowel in Aruba als in de Nederlandse Antillen is nog verleden jaar het verzoek aan mij voorgelegd om op tijdelijke basis mariniers ter beschikking te stellen om problemen in het gevangeniswezen te helpen oplossen, omdat er anders ernstige problemen in de rechtsorde zouden kunnen ontstaan.

Het is dan ook terecht dat, mede in relatie tot die andere componenten, ook in dit kader wordt gesproken over de bescherming van de belangen van het Koninkrijk. En dat geldt temeer nu het voorgestelde amendement van de heer Koekkoek zou leiden tot een doublure ten opzichte van de component bevordering van de internationale rechtsorde, waar die humanitaire hulpverlening en noodhulp in zit. Ik zou dus aanvaarding van dit amendement van de heer Koekkoek willen ontraden.

De heer Koekkoek (CDA): Is de bijstand, gevraagd door de gouverneur van de Nederlandse Antillen, een aangelegenheid van het Koninkrijk?

Minister Voorhoeve: Dat is een aangelegenheid van het Koninkrijk.

De heer Koekkoek (CDA): Maar volgens het Statuut is aangelegenheid van het Koninkrijk de verdediging van het Koninkrijk. Dat is dan wel een ruime uitleg van aangelegenheid van het Koninkrijk.

Minister Voorhoeve: Er staan in het Statuut een aantal koninkrijksaangelegenheden. Eén van de mogelijkheden is dus een beroep doen op de krijgsmacht ter ondersteuning van de interne rechtsorde, evengoed als dit in Nederland het geval is. In Nederland kan op een defensieonderdeel, de Koninklijke marechaussee, een beroep worden gedaan, bijvoorbeeld als mensensmokkelnetwerken moeten worden opgerold en er het risico is dat er nogal zwaar geweld wordt gebruikt door te arresteren personen.

De heer Koekkoek (CDA): In het laatste voorbeeld is geen sprake van een aangelegenheid van het Koninkrijk, maar van het inzetten van de marechaussee met het oog op het Nederlandse staatsbelang.

Minister Voorhoeve: Binnen Nederland. Maar de bescherming van de belangen van het Koninkrijk zijn dus veel breder, zoals ik met een aantal voorbeelden heb willen zeggen, dan hetgeen de heer Koekkoek vooropstelde, namelijk hulpverlening door militairen.

De heer Koekkoek (CDA): Die term is, zoals de minister heeft gezien, ontleend aan eerdere voorstellen tot grondwetsherziening. Daar hoort dus ook de ruime uitleg bij van de bijstand door militairen aan bijvoorbeeld de politie. In die ruime zin moet de term hulpverlening door militairen, zoals in eerdere voorstellen tot grondwetsherziening, worden begrepen.

Minister Voorhoeve: Maar als u hulpverlening door militairen interpreteert in die ruime zin dat het mede de bevordering van bepaalde belangen van het Koninkrijk betreft, waarom stemt u dan niet gewoon in met de tekst zoals die er staat? Waarom stelt u dan de wat beperktere tekst voor die u voorts weer ruim wilt interpreteren?

De heer Koekkoek (CDA): Ik heb dat aangegeven, want dan heb je aangelegenheden van het Koninkrijk in het Statuut en belangen van het Koninkrijk in de Grondwet over een onderwerp dat door het Statuut uitdrukkelijk als aangelegenheid van het Koninkrijk wordt aangemerkt. Dan rijst de vraag of de Grondwet nog wel in overeenstemming is met het Statuut.

Minister Voorhoeve: Ik begrijp die opmerking, maar wij komen een beetje in een woordenspel terecht. Bovendien gaat het niet alleen om datgene wat in het statuutskader aan de orde is. De krijgsmacht kan ook worden ingezet voor andere belangen van het Koninkrijk als die belangen daarmee zouden worden gediend. De instantie die interpreteert wat de belangen van het Koninkrijk zijn, zijn de regering en de volksvertegenwoordiging.

De heer Koekkoek (CDA): Maar ik zit dan met de vraag wat die andere belangen zijn dan de reeds door de regering en mijzelf genoemde.

Minister Voorhoeve: Ik dacht dat ik daarvan zojuist een opsomming had gegeven. Dat is wat breder dan alleen de hulpverlening. Hulpverlening is zeker een zeer belangrijk element daarin en daarom kwam de heer Koekkoek ook op deze gedachte. Maar ik zou het iets ruimer willen zien.

Mijnheer de voorzitter! In aanvulling op hetgeen collega Dijkstal al zei, wil ik ook ingaan op het amendement van de heer Koekkoek op artikel 100. Daarin stelt hij voor een derde lid toe te voegen, met name een voorstel om onder bepaalde voorwaarden een soort facultatief, expliciet instemmingsrecht te formuleren. Ik meen dat dit amendement in de praktijk in hoge mate afbreuk zou doen aan de slagvaardigheid van het regeringsoptreden. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt – ik wil dat nog eens nadrukkelijk herhalen – wordt de regering door een formeel instemmingsrecht, hoe beperkt dit ook wordt geformuleerd in het voorstel van de heer Koekkoek, te zeer beperkt in haar ruimte in internationaal overleg. Een procedure waarbij na de informatieverstrekking zonder meer een wachttijd in acht moet worden genomen, in het meest ongunstige geval zelfs een wachttijd van een maand, miskent de dynamiek en soms ook de urgentie van internationale crises en de behoefte aan slagvaardig optreden. Zij miskent ook het feit dat het zelden gaat om vraagstukken van unilateraal Nederlands optreden en meestal om vraagstukken die in internationaal overleg aan de orde komen, waarbij verschillende regeringen in goed overleg gezamenlijk besluiten om een bepaald probleem aan te pakken. Die regeringen moeten op elkaar kunnen rekenen als zij bij elkaar verwachting wekken dat zij gezamenlijk een bepaald probleem aan de orde stellen. Het is dan lastig als de Nederlandse regering de hand moet opsteken en meedelen dat er, ondanks het feit dat dit alles in principe is afgesproken, in Nederland een wachttijd is van 30 dagen en dat men, ook al gaat het om een zeer urgent vraagstuk, nergens aan kan meedoen. In de praktijk vind ik dit een onwenselijke beperking die ons land zou kunnen opbreken. Ik ga nu niet verder in op de meer principiële kant waarop de minister van Binnenlandse Zaken is ingegaan. Maar vanuit de operationele invalshoek ben ik dus gekant tegen dit amendement.

Ik voeg hieraan toe dat de in artikel 100 neergelegde procedure, zoals die nu geldt, niet nieuw is. Zij weerspiegelt de in de loop der jaren gegroeide werkwijze die wordt gevolgd bij de uitzending van militaire eenheden. Die werkwijze is tot nu toe bevredigend voor Kamer en regering verlopen. Er zijn nooit belangrijke meningsverschillen over ontstaan en wij willen die werkwijze codificeren in plaats van fundamenteel veranderen. Voor mij hebben de kwaliteit en de zorgvuldigheid daarbij steeds vooropgestaan. Die maken het de Kamer ook mogelijk de uitzending van eenheden vooraf grondig te toetsen. Dat is in feite de praktijk. Het in juni 1995 gepubliceerde toetsingskader gaat uitvoerig in op alle aspecten van de procedure van informatie en consultatie, die wat ons betreft in de Grondwet met deze eenvoudige maar veelbetekenende formuleringen wordt opgenomen. Daarbij gaat het om belangrijke aandachtspunten als de legitimering van Nederlandse deelneming – volkenrechtelijk – aan een internationale operatie, het mandaat van de Verenigde Naties of een andere internationale organisatie, de lastenverdeling in internationaal verband, de militaire risico’s die aan deelneming zijn verbonden, de commandovoering, de rules of engagement – de geweldsinstructie, hoewel dat elkaar misschien niet helemaal dekt – die gebruikt worden voor het optreden van onze militairen, de financiering en ook aspecten als het binnenlandpolitieke draagvlak voor deelneming. Dat toetsingskader gaat, zoals bekend, meer in detail op al die punten in en over die aspecten wordt de Kamer vooraf ingelicht, zodat daarover ook kan worden overlegd.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Als de minister het amendement van de heren Van Middelkoop en Hoekema en dat van mij op stuk nr. 10 naast elkaar legt, leest hij dat in het eerste amendement uitdrukkelijk wordt gevraagd om vooraf te informeren. Dat betekent dat de regering een voornemen kenbaar maakt, dus vooraf informeert, en pas daarna een besluit neemt. In mijn amendement is er de ruimte voor de regering om een besluit te nemen en dat ter kennis te brengen. Dan is er inderdaad die termijn van 30 dagen. Waar is de regering meer mee geholpen? Waar heeft de regering een grotere vrijheid? Ik denk dat die vrijheid van de regering in feite zeker zo groot is met mijn amendement, omdat daarin de regering een besluit kan nemen, terwijl in het amendement-Van Middelkoop/ Hoekema eerst informatie moet worden gegeven en dan pas door de regering een besluit kan worden genomen. Er is immers sprake van ’’vooraf informeren’’.

Minister Voorhoeve: Ik geloof dat u de bestaande handelwijze toch niet helemaal goed weergeeft. In die bestaande handelwijze, die nu grondwettelijk wordt verankerd, is de gang van zaken iets anders dan dat de regering het voornemen formuleert en de Kamer peilt. De regering besluit op basis van haar afwegingen dat het goed zou zijn om al dan niet aan een bepaalde internationale operatie onder bepaalde voorwaarden deel te nemen. In de praktijk besluit de ministerraad dat op een vrijdag en stuurt dezelfde dag een brief aan de Kamer met alle relevante informatie over de voorgenomen deelneming. Dat is een besluit van de regering, waarbij de regering er buitengewoon aan hecht de mening van de volksvertegenwoordiging te horen voordat het besluit ook wordt geëffectueerd. Alleen in die situatie en als er een noodsituatie is en de regering meent dat er onmiddellijk gehandeld moet worden en besluit morgenochtend uit te zenden, zal zij onmiddellijk de Kamer inlichten. Als zij dat wenst, komt de Kamer onmiddellijk bijeen om met de regering daarover te spreken. Ik zal dadelijk een aantal voorbeelden geven, die niet helemaal theoretisch zijn. In de praktijk zal iedere regering bij uitzending van militairen zeer hechten aan de mening van de volksvertegenwoordiging, ook voor het draagvlak en omdat er risico’s worden gelopen door Nederlandse militairen. De regering moet wel heel sterke argumenten hebben en wel heel overtuigd zijn van het eigen gelijk om te zeggen: in de Kamer ligt het heel verdeeld en eigenlijk is een meerderheid van de Kamer tegen, maar wij zetten toch door. In principe kan de regering dat doen, maar vervolgens moet zij rekening houden met de ernstige consequentie dat zoiets tot een crisis kan leiden.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! De minister beschrijft terecht de praktijk, maar de vraag is natuurlijk wat wij in de Grondwet zetten. Zoals het amendement-Van Middelkoop/ Hoekema luidt, komt in de Grondwet te staan: de regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Betekent ’’vooraf inlichten’’ ’’voordat de regering een besluit neemt’’? Of betekent het ’’voordat de regering uitvoering geeft aan het besluit’’?

Minister Voorhoeve: Het betekent het laatste.

De heer Koekkoek (CDA): U bedoelt het laatste, maar de vraag is of dat ook echt de bedoeling is. Wij moeten er wel helderheid over hebben.

Minister Voorhoeve: Voorzitter! De regering interpreteert het woord ’’tijdig’’ als ’’tijdig vooraf’’, opdat de volksvertegenwoordiging zich daarover kan uitlaten. Het is ook in het belang van het regeringsbeleid dat er duidelijk een draagvlak blijkt voor deelneming aan een internationale crisisoperatie. Het betekent niet dat de regering zegt: laten wij het eerst in de groep gooien, zien wat er gebeurt en dan een besluit nemen.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Dit is toch een vrij vitaal punt, ook met het oog op de juiste interpretatie van deze grondwetsbepaling. Ik lees het ook zo dat er een kabinetsbesluit valt: wij zijn voornemens dat te doen. Dat zal heel vaak betekenen dat bijvoorbeeld de secretaris-generaal van de VN wordt geïnformeerd of dat de NAVOpartners worden geïnformeerd, maar dat er nog geen bindende afspraken worden gemaakt met bijvoorbeeld internationale organisaties voordat de Kamer de gelegenheid heeft gehad om zich erover uit te spreken. Daarom mag deze interruptie worden beschouwd als een uitwerking van de woorden van de heer Koekkoek, die zo-even het onderscheid maakte tussen besluit en effectuering. Is dat een goede exegese?

Minister Voorhoeve: Dat is een goede exegese. Het is ook de praktijk dat de regering in het internationaal overleg steeds wijst de staatkundige praktijken bij ons. In een concreet geval, bijvoorbeeld het besluit om met Nederlandse militairen aan IFOR mee te doen, wordt de NAVO geïnformeerd: de regering is van mening dat dit zo moet gebeuren, maar let wel, bij ons zal de Tweede Kamer zich er nog over willen uitspreken; wij behouden ons altijd de mogelijkheid voor om op onze besluiten terug te komen als blijkt dat er geen enkel draagvlak voor zal zijn. De Kamer hoeft dus niet bang te zijn dat de regering 100% garanties aan een internationale organisatie afgeeft in een belangrijke vredesoperatie zonder enige aandacht te besteden aan wat de Kamer daarvan vindt. Dat zou bestuurlijk-staatkundig heel onverstandig zijn.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Ik dank de minister voor deze uiteenzetting, want ik denk dat die waardevol is. Ik voeg er wel aan toe dat dit wat mij betreft de noodzaak versterkt om toch over ’’vooraf’’ te spreken in plaats van over ’’tijdig’’. Dat past beter bij de exegese van het verhaal van de minister.

Minister Voorhoeve: ’’Tijdig’’ betekent dat de Kamer zo spoedig mogelijk de informatie en overwegingen krijgt van de regering en zich daarover een oordeel kan vormen. Daarin zit het woord ’’vooraf’’ begrepen, want tijdig is nooit achteraf, tenzij zich het noodgeval voordoet waarover ik zo kom te spreken. Dan betekent ’’tijdig’’ ’’zo spoedig mogelijk’’.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Ik begrijp best dat de minister mij niet kan bijvallen, want dan krijgt hij problemen met de minister van Binnenlandse Zaken. Ik begrijp het allemaal heel goed. Wij blijven bij ons amendement.

Minister Voorhoeve: Mijnheer de voorzitter! Ik ben bijna klaar. Het spreekt vanzelf dat de regering zeer zwaarwegende argumenten moet hebben en daar zeer van overtuigd moet zijn, wil zij een besluit tot uitzending doorzetten waarvoor niet een breed draagvlak aanwezig is in de volksvertegenwoordiging. Een cruciaal onderdeel van elk besluit tot uitzending van militairen is ook dat er steeds een einddatum wordt bepaald voor Nederlandse deelneming aan dergelijke operaties. Als die bereikt is, wordt de deelname beëindigd of legt het kabinet de Kamer een voorstel voor tot verlenging dan wel aanpassing, waarbij alle aspecten van het toetsingskader weer de revue zullen passeren. Intussen hebben wij de afgelopen jaren veel ervaring opgedaan met deze werkwijze en naar tevredenheid van in ieder geval de regering en hopelijk ook de

Kamer. Het duidelijkste voorbeeld is het zeer intensieve overleg van de Kamer met de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over de Nederlandse betrokkenheid bij de operaties in Bosnië en Haïti. Ik ben dan ook blij dat onze werkwijze nu juridisch wordt verankerd in de Grondwet.

Zoals bekend, valt de militaire hulpverlening in situaties waarin geen sprake is van een gewapend conflict of van een verhoogd risico, buiten het formele bereik van het toetsingskader, hoewel elementen van het toetsingskader daar ook aan de orde komen. De tweede volzin van het eerste lid van artikel 100 beoogt dat ook vast te leggen. Ik wil hier nog even kort op ingaan, ook met een aantal praktijkvoorbeelden. Voor humanitaire hulp buiten een gewapend conflict moet om praktische redenen een niet al te zware procedure gekozen worden. Het gaat daarbij immers vaak om eenvoudige dingen als hulpvluchten met voedsel en medicijnen voor landen en bevolkingsgroepen die zijn getroffen door een overstroming, een aardbeving of een epidemie, waarbij echt geen sprake is van militair gevaar. Dat is de strekking hier.

De collega voor Ontwikkelingssamenwerking hecht er dan ook aan dat de zware procedure van uitzending van militaire eenheden in vredesoperaties niet van toepassing wordt verklaard op dit soort humanitaire operaties waarbij hij gebruik maakt van de middelen van de defensieorganisatie, zoals een Herculesvrachtvliegtuig. De ene keer wordt daarvoor, zoals de minister van Binnenlandse Zaken aangaf, een civiel vliegtuig gehuurd en de andere keer wordt gebruik gemaakt van militaire middelen. Het is dan wat vreemd als alleen in het laatste geval een zware parlementaire procedure zou gelden, want dat zou de terechte en efficiënte benutting van militair beschikbare middelen voor ondersteuning van humanitaire hulpoperaties alleen maar bemoeilijken. Collega Pronk hecht er dus erg aan dat wij niet die zware procedure voor militaire inzet ook gaan toepassen op puur humanitaire operaties. Als het gaat om grote humanitaire operaties met aanmerkelijke risico’s voor het personeel, dan zal de regering de Tweede Kamer natuurlijk ten volle informeren. Dat is ook gebeurd bij bijvoorbeeld de inzet van 130

militairen in 1994-1995 bij de vluchtelingenkampen in Goma. Daar is uitgebreid over gesproken met de Tweede Kamer. Het gaat hier dus ook om de praktische reden dat de collega voor Ontwikkelingssamenwerking enige normale handelingsvrijheid heeft voor het patroon van humanitaire hulp, zoals dat is gevestigd en eigenlijk ook door iedereen wordt ondersteund.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Wanneer er een beleidsnotitie is voor de inzet van militairen voor humanitaire hulpverlening en dus een kader op basis waarvan de regering kan handelen – zo’n beleidsnotitie is er – dan is er volgens mij ook voldaan aan de grondwettelijke informatieplicht vooraf. Dan weet de Kamer waar zij aan toe is. Wil de regering echter buiten dat kader treden, dan is er uiteraard weer die actieve informatieplicht.

Minister Voorhoeve: Aan uw eerste verlangen is voldaan, want er is gesproken met de vaste commissies voor Ontwikkelingssamenwerking, voor Buitenlandse Zaken en voor Defensie over de inzet van militairen in humanitaire noodsituaties. Er is over dat onderwerp ook een akkoord tussen beide ministeries gesloten, waarin wordt bepaald hoe het in de praktijk moet lopen. Het algemene kader is dus bekend. Dat is besproken en men heeft zich daarmee akkoord verklaard. Ik denk dat ik daarom moet blijven bij mijn antwoord op het amendement van de heer Koekkoek. Het is een te zware procedure om het militaire kader van toepassing te verklaren in het geval van humanitaire operaties buiten een gewapend conflict.

De heer Koekkoek (CDA): Mijn punt is dat als daar een algemeen kader voor is, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in samenwerking met zijn collega van Defensie zo kan handelen en dan is de Kamer daarover tijdig, vooraf geïnformeerd. Maar op het moment dat het gebeurt buiten dat kader, geldt opnieuw die informatieplicht. Je kunt dus op verschillende manieren voldoen aan die actieve informatieplicht.

Minister Voorhoeve: Maar als het buiten dat kader valt, is het per definitie een inzet in een conflictsituatie en dan is datgene waar wij het vandaag over hebben van toepassing. Als u dus akkoord gaat met het algemene kader van humanitaire noodhulpverlening, met inzet van militaire middelen, buiten gewapende conflicten, op grond van die notities en beleidsdocumenten, is uw amendement niet meer nodig.

De heer Koekkoek (CDA): Het gaat net als bij de andere zaken om het leggen van een basis in de Grondwet voor een actieve informatieplicht van de regering, maar die informatieplicht kan op verschillende manieren worden vervuld, onder andere door voor de humanitaire hulpverlening een toetsingskader in te stellen.

Minister Voorhoeve: Ik vind dat een te zware en te ingewikkelde procedure voor iets dat snel en flexibel moet kunnen worden geregeld door de collega voor Ontwikkelingssamenwerking, bijvoorbeeld ingeval van een aardbeving of een overstroming.

De heer Rehwinkel heeft gevraagd welke noodsituaties de regering ertoe zouden kunnen nopen om niet tijdig vooraf inlichtingen aan de Kamer te geven. Ik wijs op die situaties waarin het geven van inlichtingen in het openbaar een volstrekt averechts en gevaarlijk effect heeft op de operatie, omdat dan ook potentiële vijanden op de hoogte kunnen worden gesteld van iets dat gaat gebeuren. Bij het arresteren van gezochte oorlogsmisdadigers is het niet verstandig om van tevoren in de internationale dagbladen te zetten dat dat gaat gebeuren. De betrokkenen zijn dan namelijk gewaarschuwd en zullen zich uit de voeten maken of maatregelen treffen, waardoor er bloed gaat vloeien als de arrestatie wordt doorgezet. Hetgeen in de nacht van 17 op 18 december gebeurde, was een in het geheim voorbereide operatie, waarin alleen overleg heeft plaatsgevonden met degenen die erover moesten worden ingelicht. Er is pas een mededeling gedaan over de operatie toen die met succes was voltooid en de twee oorlogsmisdadigers de handboeien om hadden.

Een ander voorbeeld laat zich ook gemakkelijk bedenken. Gesteld dat er een gijzelingssituatie is in het buitenland, waar Nederlanders bij betrokken zijn, dan kan het zeer onverstandig zijn om van tevoren uitgebreid te gaan discussiëren over hoe wij daarin gaan optreden, omdat daarmee een eventuele actie om de gijzeling met succes en zo weinig mogelijk risico ongedaan te maken, de grond in wordt geboord. Ik hoop niet dat Nederland ooit in een soort Entebbescenario terechtkomt en in het buitenland 100 Nederlanders moet bevrijden, maar een regering moet zich de vrijheid voorbehouden om snel en handelend op te kunnen treden als daar zeer dringende redenen voor zijn. Dan is de regering gehouden het woord ’’tijdig’’ zo te interpreteren dat het betekent ’’zo spoedig als dat verantwoord is en kan’’.

Een vergelijkbare situatie is denkbaar als er sprake is van zeer bedreigende omstandigheden en het verstandig wordt geacht om zonder enige ophef tot evacuatie over te gaan van een aantal personen. Dan is het ook verstandig om snel te handelen en zodra dat verantwoord is de volksvertegenwoordiging in te lichten. Er zijn tussensituaties waarin het mogelijk is dat bijvoorbeeld fractievoorzitters vertrouwelijk worden ingelicht over een activiteit die zeer spoedig gaat plaatsvinden.

Het zijn theoretische gevallen, maar de wereld is moeilijk voorspelbaar en een regering behoort zich de ruimte voor te behouden om snel en doortastend op te treden. In het geval van de oorlogsmisdadigers is niet van tevoren uitgebreid met de Tweede Kamer overlegd. Toen heeft ook niemand in de Tweede Kamer de hand opgestoken om te vragen waarom de Kamer niet is geïnfor-meerd over het feit dat voor deze actie een aantal militairen is ingezet.

De heer Van Middelkoop (GPV): Dat zou opgevat kunnen worden als een redelijk ernstig verwijt aan de Kamer, maar zo zal het niet bedoeld zijn.

Minister Voorhoeve: Nee, in het geheel niet.

De heer Van Middelkoop (GPV): Ik moet ook eerlijk bekennen dat ik daar niet echt bij stil heb gestaan. Los hiervan vraag ik mij af of een dergelijke operatie niet te beschouwen is als vallend binnen het mandaat. In die zin valt zo’n operatie onder de resolutie van de Veiligheidsraad waarover al eerder met de Kamer gesproken is.

Minister Voorhoeve: Dat is zo. U kunt dat zo interpreteren. Als je als volksvertegenwoordiger een scherpslijper zou zijn, dan kon je stellen dat er voor heel korte tijd militairen zijn uitgezonden, terwijl daarover niet formeel met de Kamer is gesproken toen de deelnemingen aan IFOR aan de orde waren. Toen zijn alle eenheden die werden uitgezonden duidelijk aangegeven. Voor deze actie heb ik een aantal militairen, die een speciale eenheid vormden, korte tijd naar Bosnië moeten zenden. Zij zijn vervolgens ook weer vertrokken. De volgende situatie is denkbaar. In een land in Centraal-Afrika lopen plotseling een aantal gezochte oorlogsmisdadigers rond die door het in de toekomst hopelijk permanente hof tegen oorlogsmisdaden worden gezocht en die duizenden doden op hun kerfstok hebben in Rwanda en Burundi. Vervolgens kan men op een aantal landen een beroep doen om de openbare aanklager van dat internationale gerechtshof van dienst te zijn om de betrokkenen te arresteren, terwijl de regering van het land waar die misdadigers rondlopen daar niet toe bereid is of niet de middelen heeft, maar het wel wil gedogen als de internationale gemeenschap dat doet. Als de internationale gemeenschap zich serieus wil inzetten op het punt van vervolging van oorlogsmisdadigers, kunnen wij in dat soort situaties terechtkomen. Dan kan het nodig zijn dat een aantal landen snel moet optreden en dat zij volgens de procedures die in die landen gelden hun volksvertegenwoordigingen hierover moeten inlichten.

De heer Rehwinkel (PvdA): Voorzitter! Ik vond de voorbeelden die de minister van Defensie noemde overtuigend. De minister heeft echter geen voorbeelden gegeven op het punt van het te hulp schieten van bevriende democratische regimes, waarover in het eerder gevoerde algemeen overleg is gesproken. Daar kon ik mij niet zoveel bij voorstellen gezien de verplichtingen die wij in het kader van de NAVO en van de WEU zijn aangegaan.

Minister Voorhoeve: Daar hebt u gelijk in. Dan kom je in steeds onwaarschijnlijker scenario’s terecht. De situatie kan ontstaan dat een democratische regering in een bepaald land wordt bedreigd door een staatsgreep die is geënsceneerd door bijvoorbeeld de internationale heroïnemaffia en dat die regering het onderspit dreigt te delven en een beroep doet op een aantal bevriende landen om te hulp te schieten. Zo’n verzoek van een regering aan een ander land of aan een groep andere land gebeurt dan op volkenrechtelijke basis. In het puur theoretische voorbeeld dat ik geef, kan het zijn dat een aantal regeringen zeggen: dat doen wij, en wel binnen twee weken, maar dat moet stil worden gehouden, anders leidt het tot een bloedbad en gijzelingssituaties. Dat is een puur theoretisch voorbeeld, waarmee ik nog eens onderstreep dat de regering altijd een mogelijkheid open moet houden, zoals nu is voorzien in het tweede lid.

De voorzitter: De eerste termijn is langdurig en zorgvuldig geweest, dus ik neem aan dat de tweede termijn buitengemeen kort kan zijn. Dan kunnen wij nog een tweede grondwetswijziging behandelen. Anders raakt onze relatie tot de Eerste Kamer in het ongerede. Dat is jammer voor de Eerste Kamer en voor ons is het ook niet goed.

©

E. (Eimert) van MiddelkoopDe heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Uw wensen zijn duidelijk. Ik dank beide bewindslieden voor de gegeven antwoorden. De minister van Binnenlandse Zaken begon aan het begin van zijn verhaal steeds meer op een feestredenaar te lijken die een heleboel verschillende verjaarspartijtjes moest bedienen. Op een gegeven moment dacht ik: hij wordt zo enthousiast, straks komt de saxofoon onder de tafel vandaan. Dat zou toch een zekere schending van het Reglement van orde te zien geven. Dat zou ook niet helemaal op zijn plaats zijn geweest, omdat de minister bij de verdediging van zijn voorstellen bepaald niet revolutionair was. Integendeel. Hij beriep zich op een zekere behoudzucht, maar dat kan ik mij voorstellen, als je met een aantal afgewogen voorstellen naar de Kamer komt.

Ik dank hem voor het respect dat hij een hele serie indieners van moties uit het verleden heeft betoond, waaronder ook mijn persoon. Ik herinner hem eraan dat die motie krachtig werd ontraden door de ministers Van Mierlo en Voorhoeve. Bedankt voor het respect.

Dat heeft in ieder geval zijn bijdrage geleverd aan het nieuwe artikel 100.

De argumenten die de ministers hebben gebruikt tegen het amendement van de heer Koekkoek op stuk nr. 10, kan ik wel delen. Dat is ook gebleken uit het interruptiedebat dat ik met de heer Koekkoek heb gehad. Ik voel weinig voor het amendement van de heer Koekkoek, ook al doet hij een poging om als het ware de echt uitvoerder te zijn van de motie-Van Middelkoop c.s. van destijds.

Ik heb in eerste termijn al gezegd dat ik tevreden ben met datgene wat nu is bereikt, maar ik heb nog steeds niet één goed argument gehoord wat erop tegen zou zijn om de Kamer een formeel instemmingsrecht te geven. Nogmaals, ik doe geen nieuwe poging tot amendering en ik vind het prima zo, maar ik heb geen goed argument gehoord wat erop tegen zou zijn. Zou het lastig zijn voor de armslag van het kabinet of anderszins? Dat schoot mij al luisterend op een gegeven moment te binnen.

Ik vond de minister niet duidelijk over het amendement op stuk nr. 14 van de heer Te Veldhuis, over het handhaven van artikel 97 over de burgerplicht. Hij wees het amendement af, want het was een wat loze bepaling. Het was sinds jaar en dag de traditionele inleiding tot een heleboel verdedigingsartikelen. Dat is waar. Later zei hij: als de Kamer dat dan toch wil, dan ook een regeling voor het ingezetenschap, want doen wij dat niet, dan kunnen wij de ingezetenen een heleboel verplichtingen niet opleggen. Toen dacht ik: kennelijk bevat artikel 97 wel degelijk een behoorlijke materiële inhoud. Dat riep bij mij de vraag op wat wij nu eigenlijk schrappen. Anders geformuleerd, wat wil de heer Te Veldhuis nu handhaven? Deze vraag leg ik voor aan de minister van Binnenlandse Zaken.

Dan kom ik op de andere amendementen die ik heb ingediend, te weten het voorstel om niet te spreken over het bevorderen, maar alleen over het handhaven van de internationale rechtsorde, en mijn voorstel om niet te spreken over de internationale rechtsorde, maar over internationale vrede en veiligheid. Ik ben maar blijven zitten, want ik had de indruk dat het eigenlijk een semantische discussie werd over wat onder handhaven en wat onder bevorderen wordt verstaan. Dat zeg ik tegen beide ministers.

Toch vond ik de argumentatie slecht te begrijpen. Ik blijf erbij dat ik een voorkeur heb voor handhaving sec. Daarmee blijf je dichter bij datgene wat de krijgsmacht als krijgsmacht kwalificeert, namelijk de beschikking over het geweldsmonopolie. Dat sluit niet uit dat naast het eventuele gebruik van militairen voor geweldsinzet er nog andere dingen kunnen worden gedaan door diezelfde krijgsmacht. De Grondwet geeft aan waarom een staat, waarom Nederland en de internationale samenleving belangrijke waarden beschermwaardig achten en waarom er derhalve een krijgsmacht is. Daar gaat het om. Daarom vinden wij de krijgsmacht zo belangrijk dat wij haar in de Grondwet een plaats willen geven. Dat sluit niet uit dat je voor een aantal andere taken een beroep op diezelfde krijgsmacht kunt doen.

In het verleden werd de krijgsmacht gebruikt voor hulp bij de varkenspest of bij de aardappeloogst, bij watersnoodrampen en dergelijke. Niemand heeft toen gezegd: ja, maar dat kan eigenlijk niet, want in de Grondwet wordt bij de taak van de krijgsmacht alleen gesproken over de handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en de verdediging van het grondgebied. Een belangrijk deel van de argumentatie van beide ministers tegen beide amendementen die ik heb ingediend, in elk geval tegen het amendement inzake het woordje bevorderen, begrijp ik niet als ik die afzet tegen de manier waarop wij de krijgsmacht hebben gebruikt in het verleden naast de toen geldende Grondwet.

Ik zou op dat punt graag een reactie van een van beide bewindslieden vernemen. Aan de hand daarvan zal ik bepalen wat ik met beide amendementen doe. Het mag duidelijk zijn dat het amendement dat de heer Hoekema en ik hebben ingediend over de woorden tijdig en vooraf gehandhaafd blijft, sterker nog extra bevorderd wordt.

©

A.K. (Alis)  KoekkoekDe heer Koekkoek (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik dank beide ministers voor hun beantwoording. Ik zal kort de verschillende door mij ingediende amendementen langslopen en de reacties van de regering daarop. Ik begin met het amendement op stuk nr. 8: de andere formulering van de taakstelling van de krijgsmacht. De

regering heeft mij ervan overtuigd dat de bescherming van de belangen van het Koninkrijk aangelegenheden van het Koninkrijk omvat die in het Statuut staan, maar daarnaast ook de bijstand, de hulpverlening, alsook de eigen politietaken van de krijgsmacht. Die taakstelling is inderdaad ruimer dan de omschrijving die ik heb gegeven en die ontleend was aan eerdere herzieningsvoorstellen. Laten wij spreken van voortschrijdend inzicht. Dat betekent dat ik het amendement op stuk nr. 8 hierbij intrek.

De voorzitter: Aangezien het amendement-Koekkoek (stuk nr. 8) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Koekkoek (CDA): Het amendement op stuk nr. 9 betreft de civiele verdediging. Met de heer Te Veldhuis hecht ik aan het handhaven van dit begrip in de Grondwet. Het gaat om de grondslag voor de civiele verdediging. Wij zullen onze amendementen samenvoegen. Zodra dat gebeurd is, kan ik mijn amendement intrekken, maar zover is het nog niet.

De minister van Binnenlandse Zaken zegt dat het begrip onduidelijk is. Dat is maar heel betrekkelijk. Het komt nog voor in de wetgeving: in de Provinciewet en in de Gemeentewet. Het komt ook nog voor in de Oorlogswet voor Nederland waarbij aan niet-militairen verplichtingen kunnen worden opgelegd. Dat kunnen zeer vergaande verplichtingen zijn waarbij inzet van het leven wordt gevraagd. Voor dergelijke ingrijpende verplichtingen is een grondwettelijke basis in onze ogen vereist.

Ik kom nu bij de militaire hulpverlening buiten een gewapend conflict. Ik heb er in het interruptiedebat al op gewezen dat de informatievoorziening aan de Kamer op verschillende manieren kan plaatsvinden en dat ook aan die informatieplicht voldaan is als de regering zoals in casu het geval is, een toetsingskader voorlegt dat vervolgens door de Kamer wordt goedgekeurd, niet formeel, maar waarmee de Kamer wel haar instemming heeft betuigd. Dat is ook een vorm van informatieverstrekking.

Nu wij het toch hebben over de taken van de krijgsmacht in het buitenland, lijkt het mij goed de humanitaire hulpverlening in haar geheel onverkort te regelen. Mij lijkt dat geen enkele belemmering, ook niet voor de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Voorzitter! Over het amendement op stuk nr. 10 over het instemmingsrecht heeft de minister van Binnenlandse Zaken een aantal opmerkingen gemaakt. Ik haal daar een enkele uit. De positie van de Eerste Kamer zou veranderen. Ik wijs erop dat ook in het voorstel van de regering de actieve informatieplicht – dat is de nieuwigheid in de Grondwet – geldt voor beide Kamers der Staten-Generaal. In het verlengde daarvan ligt dat wanneer je uitdrukkelijke instemming wilt invoeren of de mogelijkheid daartoe, de Eerste Kamer daarbij ook een rol speelt. Deden wij dat niet, dan zou dat zeker onaanvaardbaar zijn voor de Eerste Kamer.

Verder was de vraag van de minister wat de woorden ’’namens de Kamer’’ toch mogen betekenen. Dat begrijp ik niet helemaal. Tot voor kort stond dat in de Grondwet. In het Reglement van orde van de Kamer is het zo uitgelegd dat de voorzitter van de Kamer namens de Kamer kan handelen en dat lijkt mij een voortreffelijke uitleg van de grondwetsbepaling zoals die lang in de Grondwet heeft gestaan en dat lijkt mij helemaal geen probleem te geven.

De CDA-fractie hecht aan een uitdrukkelijk instemmingsrecht, ook al is er verduidelijking gekomen van de betekenis van de actieve informatieplicht als het amendementVan Middelkoop en Hoekema zou worden aanvaard. Ik voeg eraan toe dat de CDA-fractie het op prijs stelt om dat amendement mede te ondertekenen. Ik kan mij voorstellen dat dit voor andere fracties ook geldt. Daarmee kunnen wij aangeven dat de gehele Kamer deze aanvulling van belang vindt. Daarnaast hecht de CDA-fractie als extra waarborg aan volledige uitvoering van de motie-Van Middelkoop. Dat betekent dat wij volgende week in de fractievergadering ons standpunt over het wetsvoorstel bepalen en dat zal dan duidelijk worden bij de stemming over het wetsvoorstel.

De voorzitter: Het is overigens wel de bedoeling dat de stemming aanstaande donderdag plaatsvindt. Dat is in verband met de afspraken die in de Eerste Kamer zijn gemaakt.

De heer Koekkoek (CDA): Er is voor die tijd een fractievergadering. Aan die wens kan dus worden voldaan.

De voorzitter: U had het dus over volgende week, maar u bedoelde deze week.

De heer Koekkoek (CDA): Nee, ik had mij niet gerealiseerd dat wij deze week over de voorstellen zouden stemmen en ik dank u voor deze aanvulling.

©

J.P. (Peter)  RehwinkelDe heer Rehwinkel (PvdA): Voorzitter! Ik dank de ministers voor hun antwoord. Zij hebben mij in een aantal opzichten overtuigd en ik denk dat dit de mooiste dank is die je kunt uitspreken.

Het leven is voor deze minister van Binnenlandse Zaken kennelijk een feest. Hoe vaker daar een opmerking over wordt gemaakt, hoe meer ik geneigd ben om te zeggen dat dit vooral ook zo moet blijven. De herdenking van 150 jaar Grondwet wordt kennelijk ook nog een feest. Nu wij stilstaan bij de vervanging van de artikelen 97 t/m 100 van de Grondwet, moeten wij alleen constateren dat wij het niet meer over een feest hebben. De tekst van de artikelen herinnert mij althans aan de toch talrijke schendingen van de internationale rechtsorde. Soms kunnen wij een bijdrage leveren aan het wegnemen of het voorkomen van die schendingen, maar ik denk dat wij nooit over een feest mogen spreken.

Ik wil nog graag een opmerking maken over het amendement van de heer Koekkoek op stuk nr. 10. Ik heb al gezegd dat wij de artikel-100-procedure, dus de oorlogsverklaring, een te zware procedure vinden, vooral ook vanwege de verenigde vergadering van de Staten-Generaal die dan nodig is. In de beantwoording hebben de bewindslieden ook al gewezen op de wachttijd van 30 dagen. Die vinden wij, alles afwegende, ook bezwaarlijk. Als ik het mij goed herinner, heeft de minister van Defensie gezegd dat het consent van het parlement zo snel mogelijk verkregen moet worden. Daar moet niet 30 dagen op worden gewacht. Dat doet ook naar onze mening afbreuk aan de slagvaardigheid van het regeringsoptreden. Dat was zo’n punt waarop ik mij heb laten overtuigen en waarop ik hopelijk ook de fractie kan overtuigen.

Dan kom ik op artikel 100, lid 2. De ministers hebben gezegd dat het gebruik van artikel 100, lid 2, een exceptie zal zijn. In de voorbeelden die de minister van Defensie noemde, lag de nadruk vooral op de geheimhouding. In de schriftelijke behandeling werden eigenlijk twee argumenten voor het gebruik van de artikel 100, lid 2-procedure genoemd. Eén daarvan was de snelheid. Wij mogen er toch van uitgaan dat de gebruikelijke informatieverstrekking zo snel mogelijk plaatsvindt wanneer snelheid echt gewenst is. De minister van Defensie sprak over een tussensituatie als het gaat om het inlichten van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ik mag misschien nog in overweging geven dat het goed zou zijn als de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten er sowieso bij betrokken wordt, maar daar hoor ik graag nog de opvatting van de minister van Defensie over. Dan is er dus altijd een betrokkenheid van het parlement, ook al is het op die manier.

De gedachte van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking ten aanzien van het amendement op stuk nr. 11 vinden wij goed voorstelbaar. Het gaat om de informatieplicht bij humanitaire hulpverlening, als het beleidskader aanwezig is. Ik heb van de minister van Defensie begrepen dat het aanwezig is. Het amendement op stuk nr. 11 lijkt ons dan overbodig. De welwillendheid waarmee vooral de woordvoerder van D66 het amendement bejegende, zal welwillendheid in de richting van de heer Koekkoek zijn geweest.

De heer Koekkoek (CDA): Het is een wat vreemde redenering. Als wij die doortrekken naar de bestaande praktijk over het informeren van de Kamer over militaire operaties, dan wijs ik erop dat het ook al gebeurt. Er is hier een bepaalde praktijk gegroeid. Wij leggen die nu in de Grondwet vast. Precies hetzelfde doe ik voor de humanitaire hulpverlening van militairen buiten een gewapend conflict. Ook daarvoor geldt de informatieplicht vooraf. Het is wat inconsistent.

De heer Rehwinkel (PvdA): U spreekt te snel over inconsistentie. Misschien mag ik spreken over een cumulatie van argumenten, nadat ik in de eerste plaats heb geconstateerd dat het beleidskader aanwezig is. De informatieplicht bij humanitaire hulpverlening moet bijvoorbeeld ook als te zwaar worden beschouwd.

©

J.Th. (Jan)  HoekemaDe heer Hoekema (D66): Voorzitter! Ik dank beide bewindslieden voor de uitvoerige beantwoording. Ik hoop dat minister Dijkstal zijn aanstekelijk enthousiasme voor 150 jaar Grondwet nog kan bewaren in dit hoge tempo dat hij vanavond heeft laten zien tot en met 5 mei of 6 mei.

Ik meen dat de redactie van het amendement op stuk nr. 7 die wordt voorgesteld door collega Van Middelkoop en mij – de vervanging van ’’tijdig’’ door ’’vooraf’’ – beter en duidelijker is. De argumenten van het kabinet hebben mij er niet van overtuigd dat het amendement overbodig is.

Ik zou in de richting van de heer Koekkoek welwillendheid hebben betuigd terzake van het amendement op stuk nr. 11, aldus de heer Rehwinkel. Dat was inderdaad een welwillendheid die ik had, omdat ik meen dat de inzet voor humanitaire hulpverlening buiten een gewapend conflict moeilijk kan worden beschouwd als een bevordering van de internationale rechtsorde. Daarover kun je evenwel twisten. Is grootschalige hulpverlening bij een aardbeving in Turkije een onderdeel van de bevordering van de internationale rechtsorde? Als je een uitzonderingsbepaling wilt maken – daar is best iets voor te zeggen omdat er een beleidskader is; minister Pronk staat er niet op te springen om bij elke lege tent die wij uitsturen, de Kamer volgens de zware procedure in te lichten – had je het als een uitzondering moeten formuleren, een andere redactie van de tweede volzin van artikel 100, lid 1. De argumenten van minister Voorhoeve om niet elke kleinschalige humanitaire hulpverlening bij de zware informatieplicht te betrekken, overtuigen mij wel. Ik kan mij anderszins ook wel voorstellen dat een grootschalige hulpverlening buiten een gewapend conflict toch hoe dan ook aan de Kamer wordt meegedeeld. Als er twee Lockheeds en twee Herculesvliegtuigen uitgaan bij een aardbeving of een watersnoodramp, wordt dat meegedeeld in de vorm van informatie op de klassieke manier.

Voorzitter! Ik kom te spreken over de amendementen van de heer Van Middelkoop inzake de omschrijving van bevordering van de internationale rechtsorde. Ik volg hier het kabinet, omdat ze ertoe strekken om de inzet van de krijgsmacht op basis van de grondwetstekst te zeer te beperken. Deze amendering perkt de strekking van de Grondwet onnodig in.

Aan bepalingen over civiele verdediging heb ik op politieke en juridische gronden geen dringende behoefte. Ik volg hier het kabinet. Als de nood aan de man komt, kunnen wij met wetgeving de civiele verdediging regelen. En ik heb evenmin behoefte aan een bepaling over de inzet van alle Nederlanders voor de bescherming van het Koninkrijk.

Ten slotte een punt waarop de minister van Defensie in eerste termijn nog niet is ingegaan, namelijk de beëindiging van deelneming door Nederland aan een operatie. Aangezien deelneming daaraan een soeverein recht van Nederland is, denk ik dat ook terugtrekking van het Nederlandse aandeel daarin een soeverein recht is, of het nu door de Kamer wordt afgedwongen – dit lijkt mij onwaarschijnlijk, maar het zou kunnen – of door het kabinet wordt gestipuleerd. Nederland moet zich in ieder geval autonoom kunnen terugtrekken, al is het duidelijk dat dit op een ordentelijke wijze moet gebeuren, in overleg met de Verenigde Naties of een andere uitzendende instantie en liefst met opvolging. Maar wij hebben bijvoorbeeld in 1985 een bataljon uit Unifil teruggetrokken; zoiets moet mogelijk blijven.

©

A.J. (Jan) te VeldhuisDe heer Te Veldhuis (VVD): Voorzitter! Ik dank beide bewindslieden voor hun antwoorden. Ik zal nog op drie punten terugkomen.

Bij het amendement op stuk nr. 14 gaat het om de burgerplicht tot handhaving van de onafhankelijkheid en tot verdediging van het grondgebied. Het huidige artikel 97 gaat vervallen; het eerste lid daarvan is in dat amendement opgenomen. Maar verder gaat in het derde lid van artikel 98 ook vervallen dat de wet de verplichting tot ’s lands verdediging regelt voor degenen die niet tot de krijgsmacht behoren. Die verplichting kan volgens de huidige Grondwet aan twee groepen worden opgelegd, namelijk aan de groep die in krijgsdienst is en aan anderen die daar niet toe behoren. Welnu, deze bepaling is in het wijzigingsvoorstel van de regering vervallen, net als artikel 97, zoals ik al aangaf. Dit betekent dat er voor Nederlanders geen grondwettelijke plicht meer bestaat om buiten het verband van de militaire dienst mee te werken aan de verdediging van het land. Er blijft dus alleen een grondwettelijke plicht over om Nederland te helpen te verdedigen als dat via de krijgsmacht gaat.

Zoals ik in eerste termijn al heb gezegd, vinden wij dit te beperkt. Denk maar aan verplichtingen buiten de militaire dienstplicht om bijvoorbeeld in tijden van gevaar of problemen havens of luchthavens bereikbaar te houden. Je kunt ook denken aan de plicht voor chauffeurs om auto’s te besturen als dat voor het land van belang is, of aan de plicht voor bedrijven om in zo’n geval voertuigen, schepen en dergelijke beschikbaar te stellen. Zo’n belangrijke, afdwingbare plicht – de regering erkent in de stukken dat er zo’n plicht zal blijven bestaan – zou naar onze mening in ieder geval een grondwettelijke verankering moeten worden gegeven.

Voorzitter! Ik had dit in eerste termijn wat minder duidelijk naar voren gebracht, ook in het interruptiedebat hierover, maar dit zijn in ieder geval enkele bijkomende argumenten, naast de directe, actieve plicht buiten de krijgsmacht en de dienstplicht om, om principieel in de Grondwet te verankeren dat er in de Nederlandse samenleving zo’n grondslag bestaat.

Ik heb in het interruptiedebat met de minister van Binnenlandse Zaken al aangegeven dat wij het huidige tweede lid van artikel 98 niet meer willen, omdat wij het minder wenselijk achten om niet-Neder-landers te verplichten mee te werken aan de handhaving van de onafhankelijkheid van Nederland en aan de verdediging van het grondgebied van Nederland. Dat moet je aan Nederlanders opleggen, niet aan niet-Nederlanders.

De heer Koekkoek (CDA): Het blijft de vraag wat het amendement van de heer Te Veldhuis over artikel 96a toevoegt aan de militaire dienstplicht die in de Grondwet blijft staan en de verplichting in het kader van civiele verdediging waarvoor wij gezamenlijk een amendement hebben ingediend. Deze plichten tezamen zijn voldoende en artikel 96a voegt daar niets meer aan toe.

De heer Te Veldhuis (VVD): Dat is de directe opdracht aan Nederlanders via de Grondwet om beschikbaar te zijn – indien men daartoe in staat is – om aan de verdediging mee te werken. Dat kan anders zijn dan civiele verdediging. In het kader van militaire omstandigheden kun je aan burgers – buiten de dienstplicht om – opdrachten geven om mee te helpen met de verdediging van het grondgebied van Nederland. Dat loopt niet via de weg van de civiele verdediging.

De heer Koekkoek (CDA): Het is moeilijk om de verplichting te effectueren zonder wetgeving. Voor alle duidelijkheid: de verplichting die u bedoelt, valt onder het ruime begrip civiele verdediging.

De heer Te Veldhuis (VVD): Neen. Het amendement op stuk nr. 14 slaat ook op situaties waarin sprake is van de plicht voor Nederlanders om in moeilijke omstandigheden civiele plichten te verrichten, gekoppeld aan krijgsomstandigheden. Dat is niet hetzelfde als in civiele omstandigheden. En dat is het verschil dat tot op heden in de Grondwet wordt gemaakt.

De heer Verkerk heeft mij verzocht dit amendement mede te ondertekenen, omdat hij in de voorbereiding over hetzelfde punt heeft gesproken. Ik wil de ondertekening van het amendement dus aanpassen.

Ik kom bij de civiele verdediging. Met de heer Koekkoek meent ook de VVD-fractie dat een wezenlijke plicht tot civiele verdediging in de Grondwet moet zijn verankerd. Wij zijn het geheel eens met de Raad van State dat een dergelijke waarborg-functie in de Grondwet thuishoort. De regering erkent dat zo’n plicht kan worden opgelegd en zij wil dat doen op basis van het legaliteitsbeginsel. De VVD-fractie meent dat de grondslag in de Grondwet moet worden verankerd. Het legaliteitsbeginsel geldt immers voor zoveel plichten die aan burgers worden opgelegd, terwijl bovendien een dergelijke grondwettelijke verankering ook bestaat. In eerste termijn sprak ik al over de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting.

Zoals gezegd, vroegen we – indien we een dergelijke bepaling handhaven – welke de beste of de minst slechte zou zijn. De regering spreekt haar voorkeur uit voor nr. 13. De heer Koekkoek heeft dit amendement als eerste ingediend en ik gun hem graag de eer om de eerste ondertekening van dit onderdeel te behouden. De heer Koekkoek heeft zijn amendement op stuk nr. 9 ingetrokken ten gunste van een nieuw amendement dat ik mede heb ondertekend. De inhoud komt overigens overeen met mijn oorspronkelijke amendement op stuk nr. 13, maar de heer Koekkoek is de eerste ondertekenaar.

De heer Van Middelkoop (GPV): De minister van Binnenlandse Zaken keerde zich tegen dit amendement onder meer met het argument dat de discussie over de sociale dienstplicht kan worden heropend. De minister noemde het niet met zoveel woorden, maar de voormalige fractievoorzitter van het CDA, de heer Brinkman, kwam al eerder met dit voorstel. Nu de heer Koekkoek de eerste ondertekenaar van het amendement is geworden, is het interessant te vernemen of u meent dat een dergelijke bepaling een legitieme discussie over bijvoorbeeld sociale dienstplicht mogelijk maakt.

De heer Te Veldhuis (VVD): Ik heb daar met dit amendement niet het oog op en als de heer Koekkoek dat wel heeft, hebben we een verschil van mening.

De heer Koekkoek (CDA): Voor alle duidelijkheid: dit valt niet onder het begrip civiele verdediging.

De heer Te Veldhuis (VVD): Bij mij ook niet.

Ten slotte nog een opmerking over de begrippen ’’tijdig’’ en ’’vooraf’’ vanwege het beroep dat de heer Koekkoek heeft gedaan om gezamenlijk het amendement van de heren Hoekema en Van Middelkoop te tekenen. Ik heb in Van Dale nagekeken wat onder het begrip ’’tijdig’’ wordt verstaan. Daar staat: ’’op de juiste tijd’’, ’’op tijd’’ en ’’vroegtijdig’’. Als het niet op tijd is, dus te laat, dan is het ontijdig. Vandaar dat het woord ’’tijdig’’ naar mijn gevoelen alles dekt. Zoals ik in het eerste interruptiedebat met de heer Van Middelkoop heb aangeven, ik denk dat ’’tijdig’’ beter is dan ’’vooraf’’, omdat het ruimer is dan het woord ’’vooraf’’. Daarom zullen wij dat amendement niet steunen.

©

W.J. (Will.)  VerkerkDe heer Verkerk (AOV): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor hun reacties. Over het amendement over ’’tijdig’’ en ’’vooraf’’ ben ik nog een beetje aan het twijfelen. Ik kijk dan even naar de indieners van het amendement, want ik ben ook erg taalgevoelig. Mijn gevoel zegt ook dat in het woord ’’tijdig’’ meer is begrepen dan in ’’vooraf’’. Ik moet daar nog even over denken.

Wat het amendement op stuk nr. 10 betreft blijf ik erbij dat instemmingsrecht nodig is. Ik zal mijn fractiegenoot morgenochtend voorstellen om dit amendement te steunen.

Men kan weten dat ik nogal voor het punt van de civiele verdediging ben. Wij zullen dat dus steunen.

Wat het amendement op stuk nr. 14 betreft moest dit al duidelijk zijn bij de schriftelijke inbreng van onze fractie bij de voorbereiding van deze behandeling. Ik vind het dus plezierig om hierbij de heer Te Veldhuis te kunnen steunen.

©

H.F. (Hans)  DijkstalMinister Dijkstal: Mijnheer de voorzitter! Voorzover het gaat om het verleden, is er wellicht een misvatting bij de heer Van Middelkoop, omdat de inzet van de krijgsmacht bij de varkens en de aardappelen niet berustte op het huidige artikel 97, maar op het huidige artikel 98, ’’tot bescherming van de belangen van de Staat is er een krijgsmacht’’ etc. Dat is echter een klein detail. Mijn antwoord op het amendement op stuk nr. 14 dat het logisch is om het tweede lid ook mee te nemen, als je het oude artikel weer in ere wilt herstellen, wordt nu door de heer Van Middelkoop gebruikt als een tegenstrijdigheid in mijn eigen redenering. Dat lijkt mij nu weer niet logisch. Als je vindt dat er in de Grondwet een artikel staat dat een bepaalde betekenis heeft en als je van oordeel bent dat het kabinet iets te lichtvaardig dat eruit haalt, is het op zichzelf legitiem om dat te herstellen. Op het moment dat je dat maar half herstelt, ben ik bang dat dit precies het tegenovergestelde effect zal krijgen. Dan kan ineens een hele hoop afgeleid worden uit het feit dat het tweede lid er niet meer in staat. Dit gevoegd aan de logica, lijkt het mij voor de hand te liggen dat je het in de oude glorie herstelt, als je vindt dat het moet blijven. Maar wij vinden dat dus niet.

Dat brengt mij vanzelf op de discussie die de heer Koekkoek in relatie tot het amendement op stuk nr. 14 met de heer Te Veldhuis heeft gevoerd. Die betreft de vraag in hoeverre er nu overlappingen ontstaan tussen hetgeen in de voorstellen op tafel ligt als het gaat om de militairen. Het gaat dan om burgers – chauffeurs, havens, bepaalde concrete voorbeelden – die ook functioneren onder het gezag van de krijgsmacht, maar die geen militair zijn. En de andere categorie zijn dan burgers die in het kader van de civiele verdediging ook worden opgeroepen om de belangen van de Staat of wat dan ook te dienen. De heer Koekkoek heeft op zichzelf wel gelijk dat het dan helemaal onduidelijk wordt. Ik blijf die civiele verdediging helaas te vaag vinden. Principieel kan ik er niet zo’n bezwaar tegen hebben als de heer Te Veldhuis zegt dat het van belang is en dat de burgers het moeten weten. Waarom wel een grondwettelijke plicht voor de één en niet voor de ander? Dat is omdat het voor die ander minder opportuun is geworden. Immers, wat wij hadden aan civiele verdediging, hebben wij in de wetgeving afgeschaft. Het begrip tot hoever het zich strekt, is volstrekt onduidelijk en dat lijkt mij op zijn minst al vreemd. Nu zou dit nog niet zo erg zijn als de heer Te Veldhuis en wellicht ook de heer Koekkoek en anderen zeiden dat dit hun nu juist niet bevalt en dat zij concrete ideeën hebben over wat de civiele verdediging precies zou moeten inhouden. Als die ideeën er zijn, kunnen wij praten over de wet die er achteraan komt waarin wij dat verder regelen. Maar er komt niets concreets naar voren. Ik ben bang voor begrippen als sociale dienstplicht en ik vraag mij dan ook af wat nu eigenlijk de strekking is van dat amendement. Nu kan de heer Te Veldhuis tegenwerpen dat het er in het verleden ook in zat, ook nadat wij de BB hebben afgeschaft en dat niemand daarvan wakker heeft gelegen. Die argumenten hebben wij trouwens al uitgewisseld. Op zichzelf heeft hij daarin gelijk en daarom is het van een iets andere orde dan de meer principiële amendementen van de heer Koekkoek op de stukken nrs. 10 en 11. Toch ontgaat mij op dit moment wat precies het nuttige effect kan zijn van de amendementen op de stukken nrs. 9 en 13.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Ik denk dat het goed is om te proberen hierover duidelijkheid te krijgen.

De voorzitter: Wilt u wel proberen het heel kort te houden?

De heer Koekkoek (CDA): Zeker, voorzitter. In de eerste plaats komt het begrip nog steeds voor in de wetgeving, namelijk in de Gemeentewet en in de Provinciewet. In de tweede plaats kent de huidige wetgeving en zelfs nieuwe wetgeving die nog niet in werking is getreden, uitdrukkelijke verplichtingen voor niet-militairen. Daar biedt dit amendement ook een grondslag voor. Ik denk dat wij daarmee de duidelijkheid hebben gegeven van de reikwijdte van dit amendement.

Minister Dijkstal: Maar die grondslag hebben wij niet nodig. Als wij die nog nodig zouden hebben, ging ik sneller door de knieën. Ik heb betoogd dat artikel 89 die verplichting al met zich meebrengt dat de wetgever een wettelijke grondslag heeft voordat hij burgers plichten oplegt. Dat wordt op zichzelf niet ontkend. Ik denk dat alle argumenten nu gewisseld zijn, want ik hoor van de kant van de indieners niet veel nieuws meer en ik heb eerlijk gezegd ook niet veel nieuwe argumenten meer in te brengen.

Dat gezegd hebbend over zowel het amendement op stuk nr. 14 als over de samen te voegen amendementen op de stukken nrs. 9 en 13, waarbij het nieuwe amendement gericht zal zijn op dat op stuk nr. 13 hetgeen een verbetering is, kom ik nog even terug op het punt van de tijdigheid. Ik wil daar niet al te lang meer over praten. Als wij over tijdigheid praten, lijkt het alsof dit begrip bedoeld was voor het kabinet. Eigenlijk ben ik de heer Te Veldhuis die het woordenboek erbij haalde, dankbaar. Wij wilden met dat begrip immers aangeven dat de Kamer de tijd heeft om het werk te doen dat zij meent te moeten doen. Dat is ook de letterlijke betekenis ervan. De

indieners hebben mij dan ook niet overtuigd van de noodzaak om dat te veranderen.

Voorzitter! Ik kom nu bij de amendementen op de stukken nrs. 10 en 11. Aan het amendement op stuk nr. 10 heeft de heer Koekkoek nog een paar argumenten toegevoegd, zodat wij precies weten wat wij eronder moeten verstaan. Ik blijf grote bezwaren houden tegen het punt betreffende de Eerste Kamer. Materieel wordt de informatieplicht aan de Eerste Kamer met het daarbij behorende sanctiearsenaal, vervangen door een instemmingsrecht van de Eerste Kamer. Dat leidt tot extra bevoegdheden voor de Eerste Kamer. Het is zeer de vraag of dat wenselijk is, ook in relatie tot de Tweede Kamer. Ik vind dit heel verstrekkend, los van de vraag of je sowieso dat formele instemmingsrecht aan de Eerste Kamer wilt toekennen, hetgeen wij om de genoemde redenen niet zouden willen toekennen. Ik vind ook het begrip ’’namens de Kamer’’ niet duidelijk. Het is voor mij niet duidelijk of het daarbij om de voorzitter van de Tweede Kamer gaat, die namens de Tweede Kamer die instemming kan weigeren. Dat lijkt mij een beetje gek als ik kijk naar de politieke samenstelling van een parlement, bijvoorbeeld van dit parlement.

De heer Koekkoek (CDA): Voorzitter! Mag ik de minister aanspreken als oud-Kamerlid?

De voorzitter: Nee.

De heer Koekkoek (CDA): Ik bedoel in zijn herinnering. Het Reglement van orde heeft daarvoor immers die formule gevonden. Het is dus volstrekt helder wat daarmee bedoeld wordt.

Minister Dijkstal: Voorzitter! Uit mijn zorg die ik heb uitgesproken over het amendement op stuk nr. 11, kunt u opmaken dat ik in deze fase daar graag enige duidelijkheid over wil hebben. Als ik het goed heb begrepen, hebben zowel de PvdA als de VVD en D66 uiteindelijk geen behoefte aan het amendement op stuk nr. 11. Het is voor mij van belang dat ik dat vanavond kan vaststellen, omdat ik anders ook in een moeilijke procedurele situatie terechtkom ten opzichte van enkele collega’s in het kabinet. Ik wil hier niet onnodig schorsing vragen en daarom ga ik ervan uit dat wat ik zojuist zei, juist is. Dat maakt het leven voor mij op dit moment iets gemakkelijker.

©

J.J.C. (Joris)  VoorhoeveMinister Voorhoeve: Mijnheer de voorzitter! Er liggen voor mij nog twee punten ter beantwoording voor. De heer Van Middelkoop is er niet van overtuigd dat het woord ’’bevordering’’ van de internationale rechtsorde zo nodig is in dit grondwetsartikel. Wij vervallen in herhaling van zetten als ik zeg dat het om meer gaat dan de handhaving van de rechtsorde. Er zijn situaties waarin de krijgsmacht wordt ingezet, bijvoorbeeld in humanitaire operaties met een militaire component, waarin het niet alleen is de handhaving van de internationale rechtsorde. De regering verkiest dus een wat ruimere formulering dan alleen ’’handhaving’’. Ik heb in eerste termijn een aantal voorbeelden geven waarom de regering ’’handha-ving’’ te beperkt vindt. Als ik daar nu weer een uitgebreide woordenwisseling aan wijd met de heer Van Middelkoop, wordt dat een herhaling van zetten.

De heer Van Middelkoop (GPV): Dat hoeft ook niet, want ik wil ook geen herhaling. Het antwoord op die ene vraag leidt weer – en dat vloeit enigszins voort uit de logica van de beantwoording van beide ministers – tot de vraag waarom wij in het verleden of tot op dit moment dan wel soldaten laten assisteren bij de varkenspest, bij de aardappeloogst of bij een watersnoodramp en was er nooit iemand die zei dat dit niet kon omdat de Grondwet alleen maar spreekt over de handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en de verdediging van zijn grondgebied?

Minister Voorhoeve: De Grondwet is in het verleden steeds geïnterpre-teerd en bij de belangen van het Rijk is ook steeds uitgegaan van een opvatting van verlicht eigenbelang, waar ook bij hoorden de belangen van Nederland bij het opbouwen van een internationale rechtsorde. Nu we de Grondwet aan het moderniseren zijn, is het wel zo verstandig om preciezer, moderner en dus ook wat ruimer dan in het verleden op te schrijven wat we hier bedoelen. Om die reden kies ik toch voor de wat ruimere formulering dan de heer Van Middelkoop.

Voorzitter! Het tweede punt waar ik nog op moet ingaan, is de vraag van de heer Hoekema of nu onder dit kader ook valt de beëindiging van deelneming aan crisisbeheersingsoperaties en andere operaties in verband met de internationale rechtsorde of de belangen van het Koninkrijk. Uiteraard zal de Kamer altijd worden geïnformeerd over het feit dat iets afloopt en dat militairen worden teruggetrokken, maar het is niet nodig om dit formele punt daar ook weer op van toepassing te verklaren, want bij de beëindiging of opschorting geldt dat juist een einde komt aan de terbeschikkingstelling van militairen en aan de risico’s die deze militairen lopen. De situatie die aanleiding gaf tot de wat zwaardere procedure die wij met deze grondwetsartikelen kiezen, komt dus weer ten einde. Er is inderdaad een aantal concrete voorbeelden van te geven. De heer Hoekema sprak over de beëindiging van Unifil, maar ook de deelneming aan de MFO in de Sinaï is op een gegeven beëindigd nadat Nederland daar jarenlang aan had deelgenomen. Daar is de Kamer over geïnformeerd, maar daar heeft verder geen overleg met de Kamer over plaatsgevonden. De Kamer heeft daar kennis van genomen. Over het algemeen zal de Kamer kennis nemen van voornemens tot beëindiging, tenzij de regering iets wil beëindigen waar de Kamer mee wil doorgaan. Dat leidt altijd tot overleg. Overigens hebben wij in het toetsingskader afgesproken dat een van de elementen in de discussie tussen regering en Kamer aan het begin van een operatie steeds de vraag is of er een termijn is, een exitstrategie. Dat kan buitengewoon belangrijk zijn. Zoals wij weten uit de geschiedenis van de enclave Srebrenica, was er op zichzelf een termijn aan verbonden van anderhalf jaar. Het kostte Nederland grote moeite om dat gerealiseerd te krijgen. Met veel hangen en wurgen werd Oekraïne bereid gevonden om de rol van ons over te nemen. Maar vier dagen voordat de Oekraïense militairen de enclave in zouden rijden, viel de enclave door een Servische aanval. In het toetsingskader hebben wij afgesproken dat wij in de toekomst altijd zullen stilstaan bij de termijnen van vredesoperaties, zoals trouwens toen ook al het geval was.

Voorzitter! Ik meen dat ik verder niet moet ingaan op de individuele amendementen, want daarop heeft collega Dijkstal al gereageerd.

De heer Rehwinkel (PvdA): Voorzitter! Ik had nog een vraag gesteld over de betrokkenheid van de commissie voor de Inlichtingenen veiligheidsdiensten. Ik heb overigens de instemmende knik geconstateerd wat de snelheid betreft die gewenst is bij de gebruikelijke informatieverstrekking.

Minister Voorhoeve: Zeker, in voorkomende gevallen bij operaties die geheim zijn en die zich daarvoor lenen, kan zo nodig overleg met de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten plaatsvinden. Alleen de Tweede Kamer heeft die commissie. Het gaat trouwens in deze noodprocedure niet alleen om mogelijke geheime operaties, maar het kan ook gaan om operaties die onmiddellijk moeten plaatsvinden. Er is dan geen reden voor de regering om de Kamer niet te informeren, maar de informatie kan de Kamer wel eens bereiken op het moment dat militairen het vliegtuig ingaan omdat er een noodsituatie is en er onmiddellijk moet worden opgetreden.

De heer Rehwinkel (PvdA): De vraag is of de commissie er altijd bij betrokken kan worden en niet zo nodig, zoals de minister nu zegt.

Minister Voorhoeve: Dat kan ik niet toezeggen. Onze ervaring in de afgelopen jaren is dat iedere vredesoperatie, iedere crisisbeheersingsoperatie weer anders in elkaar zit en andere vereisten heeft. In het geval van de aanhouding van oorlogsmisdadigers moest om een aantal gewichtige redenen de grootst mogelijke geheimhouding worden betracht. Overigens wisten wij natuurlijk dat er in de Kamer een zeer breed draagvlak was voor het aanpakken van oorlogsmisdadigers zodra daartoe gelegenheid zou zijn. Ik kan niet garanderen dat de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten in alle denkbare gevallen van tevoren zal zijn ingelicht. Daarvoor is het scala van problemen waarvoor de regering zich gesteld kan zien eenvoudigweg te breed.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de tweede termijn van de behandeling van dit onderdeel met een nabe-trachting door de heer Van Middelkoop.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Het betreft geen nabetrachting. Ik denk dat alles al gewisseld is.

Ik wil een opmerking maken over de amendementen op de stukken nrs. 6 en 12 om het woord ’’bevorde-ren’’ te schrappen respectievelijk ’’internationale rechtsorde’’ te vervangen door ’’internationale vrede en veiligheid’’. Ik hecht eraan te zeggen dat ik niet overtuigd ben door de argumentatie van de regering. Dat is echt geen dwarsheid of eigenwijsheid. Ik heb echter geen behoefte aan donquichotterie. Ik trek deze amendementen in.

De heer Koekkoek was zo vrijmoedig om vanaf de katheder nadrukkelijk te vragen om het amendement op stuk nr. 7, ingediend door de heer Hoekema en mij, mede te ondertekenen. Ik zal het Bureau wetgeving vragen om een nieuw amendement rond te laten sturen. Daaronder komen dan de namen te staan van de heer Koekkoek, de heer Rehwinkel, de heer Van den Berg en de heer Verkerk.

De voorzitter: Aangezien de amendementen-Van Middelkoop (stukken nrs. 6 en 12) zijn ingetrokken, maken zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.