Toelichting bij COM(2001)257 - Recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er vrij te verblijven

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Inleiding

1.1. De instelling van een burgerschap van de Unie 'biedt de burger van de Unie de garantie dat hij deel uitmaakt van een gemeenschap die een politieke entiteit en een rechtsstaat vormt'. Zo staat een en ander in de resolutie van het Europees Parlement inzake het tweede verslag van de Commissie over het burgerschap van de Unie i. In hetzelfde verslag i bevestigt de Commissie dat het burgerschap van de Unie 'bij de burgers hogere verwachtingen heeft gewekt over de rechten die zij verleend en nageleefd willen zien'. In de conclusies van de Europese Raad van Cardiff wordt erkend dat de lidstaten en alle instellingen van de Unie hun inspanningen moeten voortzetten om de Unie dichter bij de burgers te brengen door deze doorzichtiger en begrijpelijker te maken en deze tevens dichter bij het dagelijkse leven te brengen.

1.2. In haar mededeling over de follow-up van de aanbevelingen van de groep op hoog niveau inzake het vrije verkeer van personen i heeft de Commissie bevestigd dat de instelling van het burgerschap van de Unie ten behoeve van alle burgers het recht heeft uitgebreid om het grondgebied van een andere lidstaat te betreden en er te wonen en te verblijven. Vanuit deze invalshoek maken deze rechten een integrerend deel uit van het juridisch erfgoed van iedere burger van de Europese Unie en zouden zij in een gemeenschappelijke basis moeten worden vastgelegd waarbij het noodzakelijk is dat de rechtspositie van alle EU-burgers in de lidstaten wordt geharmoniseerd, ongeacht of zij een economische activiteit uitoefenen of niet. Op deze wijze is een nieuwe benadering van de uitoefening van de rechten van de burgers van de Europese Unie noodzakelijk, waarbij moet worden gestreefd naar één enkel stelsel op het gebied van vrij verkeer in de zin van de artikelen 17 en 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen.

Dit voorstel voor een richtlijn past binnen het nieuwe juridische en politieke kader dat tot stand is gekomen in het raam van het burgerschap van de Unie. Het basisbeginsel is het volgende: het verkeer van de burgers van de Unie tussen de lidstaten moet, mutatis mutandis, plaatsvinden onder vergelijkbare voorwaarden als die welke gelden voor de burgers van een lidstaat die zich in eigen land verplaatsen en daar van woonplaats of activiteit veranderen. Bijkomende verplichtingen van administratieve of wetgevende aard moeten beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor de specifieke omstandigheden die samenhangen met het feit dat de persoon in kwestie geen ingezetene is.

Dit voorstel omvat verschillende onderdelen: in de eerste plaats worden alle bestaande teksten samengesmolten in één enkele tekst, een oplossing die het voordeel biedt dat leesbaarheid en doorzichtigheid tot stand worden gebracht; vervolgens de versoepeling van de voorwaarden die gelden voor het vrije verkeer van personen, welke, naargelang van de etappes van de integratie in het land, gaat van uitbreiding van het verblijfsrecht zonder enige formaliteit gedurende zes maanden, tot de opheffing van alle voorwaarden en iedere opdeling van de begunstigden, alsook de assimilatie met de ingezetenen van het betrokken land na vier jaar verblijf in het gastland; tenslotte worden de beperkingen op het verblijfsrecht beter omschreven. Bovendien vergemakkelijkt dit voorstel voor een richtlijn het recht van verkeer en verblijf van de familieleden van de burgers van de Unie aanzienlijk, ongeacht hun nationaliteit.

1.

2. De door het voorstel voor een richtlijn vastgestelde maatregelen


2.1. Het recht van toegang en verblijf van de burgers van de Unie is momenteel geregeld door een ingewikkeld wetgevingskader dat bestaat uit twee verordeningen en negen richtlijnen. Deze instrumenten zijn gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen van het EG-Verdrag en bestrijken uiteenlopende groepen begunstigden.

Door dit voorstel worden deze groepen samengebracht binnen één enkel rechtsinstrument. Wat betreft de werkenden, d.w.z. al dan niet in loondienst werkzame personen, blijft de enige voorwaarde inzake verblijfsrecht de uitoefening van een economische activiteit die moet worden bevestigd door middel van een gewone verklaring.

Wat niet werkende personen betreft, blijft de voorwaarde van toereikende bestaansmiddelen alsook ziekteverzekering gehandhaafd gedurende de eerste vier jaar van verblijf in het gastland, zulks om te vermijden dat de betrokkenen een onredelijke last worden voor de financiën van het gastland. In elk geval wordt de betrokken voorwaarde versoepeld door het feit dat het bedrag van de als toereikend beschouwde bestaansmiddelen niet meer in het voorstel is vastgelegd, en dat het evenmin door de lidstaten kan worden vastgesteld, terwijl het bewijs betreffende deze beide voorwaarden vervangen wordt door een gewone verklaring op erewoord die enkel mag worden geverifieerd in geval van beroep van de betrokkene op sociale bijstand of dekking door het stelsel inzake ziekteverzekering voor personen die geen ziekteverzekering hebben. Studenten moeten bewijzen dat zij bij een onderwijsinstelling zijn ingeschreven, en moeten via een verklaring garanderen dat zij voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering hebben.

2.2. De invoering van het duurzame verblijfsrecht na vier jaar regelmatig en ononderbroken verblijf in het gastland vormt een vernieuwing die het logische en noodzakelijke gevolg is van een fundamenteel en persoonlijk recht dat door het Verdrag aan elke burger van de Unie wordt verleend. Vier jaar verblijf in het gastland betekent voor de betrokkene dat alle voorwaarden inzake en alle beperkingen op zijn verblijfsrecht komen te vervallen, alsook quasi gelijke behandeling als de ingezetenen van het gastland.

2.3. De hierboven in het kort omschreven doelstellingen zouden niet worden bereikt indien de administratieve werkwijzen omslachtig en onverantwoord zouden zijn, aangezien een en ander een bijkomende belemmering zou meebrengen van de uitoefening van het recht van vrij verkeer van personen van de Unie. Dit voorstel voor een richtlijn is derhalve bedoeld om de burgers van de Unie en hun familieleden garanties en formaliteiten te verschaffen die 'gelijkwaardig' zijn aan die van de eigenlijke ingezetenen van de betrokken lidstaat.

Het geldende Gemeenschapsrecht legt deze doelstelling reeds op. Artikel 40 van het EG-Verdrag vereist trouwens het afschaffen van de administratieve procedures en handelwijzen, alsmede van de wachttijden en andere beperkingen die het vrije verkeer van werknemers kunnen belemmeren. De artikelen 9, lid 3, van Richtlijn 68/360 i en 7, lid 3, van Richtlijn 73/148 i bepalen dat 'de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de formaliteiten en procedures voor het verkrijgen van de verblijfsdocumenten zoveel mogelijk te vereenvoudigen'.

Het is derhalve nodig in de nieuwe communautaire wetgeving administratieve bepalingen op te nemen waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie.

Enerzijds vormt het recht van de burgers van de Unie om het grondgebied van een andere lidstaat te betreden en er te verblijven, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie bijvoorbeeld het arrest van 8 april 1976 in zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497, punten 31 en volgende), met het oog op de doelstellingen van het Verdrag, een recht dat direct wordt verleend door het Verdrag, of, naargelang van het geval, de bepalingen voor de tenuitvoerlegging ervan, en is het verworven ongeacht de uitreiking van een verblijfsvergunning door de bevoegde autoriteit van het gastland. Bijgevolg moet de toekenning van bedoeld bewijs worden beschouwd als maatregel die erop is gericht dat een lidstaat de individuele situatie van een onderdaan van een andere lidstaat vaststelt ten aanzien van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht. De verblijfsvergunning heeft met andere woorden volgens het Hof van Justitie een zuiver declaratoire en geen constitutieve waarde ten aanzien van het verblijfsrecht van de burgers van de Unie. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de lidstaten het door het Hof van Justitie erkende wettelijke recht hebben om de verplaatsing van personen op hun respectieve grondgebieden te kennen. Registratie bij de bevoegde autoriteiten van de plaats van verblijf in combinatie met het bezit van het identiteitsbewijs van het land van herkomst of van een geldig paspoort voldoet evenwel ten volle aan deze eis.

Bijgevolg breidt het voorstel in de eerste plaats de periode van verblijf in een andere lidstaat gedurende welke het volstaat om in het bezit te zijn van een identiteitsbewijs of een geldig paspoort, uit zonder dat een bijzondere formaliteit moet worden vervuld. De uitbreiding van deze periode van drie tot zes maanden is erop gericht een antwoord te geven op de moderne mobiliteitsvormen en de andere levenswijzen in de lidstaten.

Tegelijkertijd is een nieuwe benadering nodig in het kader van de uitoefening van het verblijfsrecht, met name door het beperken van de verplichting om een verblijfsvergunning te bezitten tot de situaties waarbij een en ander verantwoord is. De verplichting om een verblijfsvergunning te hebben zal enkel gehandhaafd kunnen blijven voor de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben: het ligt in de bedoeling voor deze laatsten via een verblijfsvergunning de uitoefening van hun recht op vrij verkeer te vergemakkelijken dat door het Gemeenschapsrecht wordt verleend.

Door de uitvoerige opsomming van de documenten die aan de bevoegde autoriteiten van het gastland moeten worden voorgelegd, de uiteenzetting van de te volgen procedures en de vaststelling van de na te leven termijnen, vereenvoudigt dit voorstel voor een richtlijn immers, door een en ander tot het strikt noodzakelijke te beperken, de formaliteiten voor de uitoefening van het verblijfsrecht door de burgers van de Unie en hun familieleden.

2.4. In het voorstel voor een richtlijn wordt ook specifiek rekening gehouden met de situatie van de familieleden van een burger van de Unie. Hoewel het recht op verkeer en verblijf van de familieleden van een burger van de Unie niet uitdrukkelijk in het Verdrag wordt vermeld, komt dit recht voort uit het recht op handhaving van eenheid van het gezin, dat intrinsiek verbonden is met het recht op bescherming van het gezinsleven, een fundamenteel recht dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, waarvan de eerbiediging gewaarborgd is door het Gemeenschapsrecht en is vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Door de extensieve definitie van het begrip 'gezinslid' wordt met dit voorstel in de eerste plaats niet alleen beoogd het acquis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie op te nemen alsook de evolutie van de nationale rechten in acht te nemen, doch ook het vrije verkeer van de burgers van de Unie te vergemakkelijken door elke mogelijke negatieve invloed uit te sluiten die het gevolg is van redenen voor gezinshereniging. Op grond van het momenteel geldende Gemeenschaprecht kan voorts het verblijfsrecht in het gastland worden ontzegd aan de gescheiden echtgenoot en de kinderen die niet meer minderjarig zijn of ten laste van de burger van de Unie komen, zulks ongeacht hun nationaliteit. Dit probleem is bijzonder groot voor de onderdanen van derde landen die behoren tot het gezin van een burger van de Unie; vandaar dat het nodig is maatregelen te nemen die billijke oplossingen bieden, met eerbiediging van het gezinsleven en de menselijke waardigheid, zij het onder bepaalde voorwaarden om misbruiken te voorkomen.

2.5. Het voorstel is tenslotte bedoeld om te komen tot een betere omschrijving van de mogelijkheid om het verblijfsrecht van een burger van de Unie en de leden van zijn gezin te beperken. In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat het Verdrag zelf in de mogelijkheid voorziet om het recht van vrij verkeer en verblijf te weigeren uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Ook al heeft het Hof van Justitie aanvaard dat de notie openbare orde kan verschillen binnen de nationale wetgevingen, toch heeft het, bij de interpretatie van Richtlijn 64/221 i, bepaalde preciseringen dienaangaande toegevoegd die opneming verdienen in dit voorstel, waardoor Richtlijn 64/221 wordt vervangen. Bovendien zal de invoering van nieuwe bepalingen waarbij wordt uitgegaan van de problematiek van de grondrechten, de burgers van de Unie meer garanties en betere bescherming bieden, en wel op administratief én gerechtelijk vlak, zulks ter bescherming tegen besluiten waardoor hun grondrecht inzake verkeer en verblijf wordt beperkt: deze bescherming is zelfs volledig voor minderjarigen die familiebanden hebben in het gastland, alsook voor personen die een duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen.

2.

3. Keuze van de rechtsgrondslag


3.1. Dit voorstel voor een richtlijn is gebaseerd op de artikelen 12, 18, lid 2, 40, 44 en 52. Aangezien artikel 18, lid 2, van het Verdrag het karakter heeft van een residuele rechtsgrondslag die uitsluitend als basis kan dienen voor niet-werkenden, is het nodig een beroep te doen op de specifieke rechtsgrondslagen van de artikelen 40, 44 en 52 die betrekking hebben op personen die een economische activiteit in het gastland uitoefenen, teneinde te bereiken dat één enkel instrument kan worden goedgekeurd, door de toepassing van één enkele procedure die alle procedures bestrijkt die door de voornoemde bepalingen zijn vastgesteld. In het kader van deze primordiale doelstelling van uniciteit van het voorgestelde instrument ziet de Commissie af van de uitoefening van de bevoegdheid die zij heeft op grond van artikel 39, lid 3, onder d), van het Verdrag om uitvoeringsverordeningen vast te stellen tot vastlegging van de voorwaarden voor het recht om te verblijven op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld. Dit voorstel voor een richtlijn bevat immers reeds bestaande bepalingen op het gebied van het verblijfsrecht die zijn vervat in Verordening nr. 1251/70 van de Commissie i: te gelegener tijd zal de Commissie een voorstel indienen tot opheffing van deze verordening (zie ook onderstaand commentaar bij artikel 42).

3.2. Daar het onderhavige voorstel voor een Richtlijn gebaseerd is op andere bepalingen van het Verdrag van de Europese Gemeenschap dan die van Titel IV van het zelfde Verdrag visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen, zal deze Richtlijn moeten worden omgezet in het recht van alle lid Staten van de Unie.

Subsidiariteit en evenredigheid



4.1. De artikelen 40, 44 en 52 leggen de Europese Gemeenschap op zich te voorzien van de wetgevingsinstrumenten die nodig zijn om het vrije verkeer te waarborgen - recht van toegang en verblijf - van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten. Artikel 18, lid 1, verleent een recht van verkeer en verblijf aan elke burger van de Unie, zij het met beperkingen en voorwaarden die zijn vastgesteld door het Verdrag of door de secundaire wetgeving: de lidstaten hebben in dit opzicht geen bevoegdheid. In de tweede plaats verleent artikel 18, lid 2, de Gemeenschap de bevoegdheid om bepalingen goed te keuren ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht op vrij verkeer. Vóór de invoering van artikel 18 in het Verdrag verleende artikel 235 (nieuw artikel 308) de Gemeenschap de mogelijkheid maatregelen goed te keuren om het vrije verkeer van personen te waarborgen die geen economische activiteit uitoefenden (gepensioneerden en niet-werkenden), terwijl artikel 7 (nieuw artikel 12) het vrije verkeer van studenten waarborgde.

4.2 De door het voorstel voor een richtlijn beoogde maatregelen,die geen afbreuk doet aan het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 14 (gewezen artikel 7A) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland, eerbiedigen de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap die moeten worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag, dat het volgende inhoudt: 'het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken'. Het recht op toegang en verblijf van de burgers van de Unie wordt momenteel geregeld door een wetgevingsraamwerk dat bestaat uit twee verordeningen en negen richtlijnen: dit voorstel is erop gericht dit alles binnen één enkel wetgevingsinstrument samen te brengen met invoering van wijzigingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van bedoelde rechten. Bijgevolg is het nodig de voorkeur te geven aan een richtlijn wanneer men één enkel wetgevingsinstrument tot stand wil brengen met inachtneming van de verplichting in verband met de aard van dit instrument die wordt opgelegd door bepaalde artikelen die de rechtsgrondslag van het voorstel vormen.

4.3. De keuze voor een richtlijn maakt het ook mogelijk duidelijk de beginselen van de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf te definiëren, terwijl verder de lidstaten de vorm en de middelen kunnen kiezen die het beste geschikt zijn om deze beginselen binnen hun administratief en rechtskader te verwezenlijken met inachtneming van de nationale tradities. Sommige bepalingen van het voorstel voor een richtlijn zijn evenwel zeer gedetailleerd om te vermijden dat uiteenlopende administratieve handelwijzen of interpretaties belemmeringen scheppen voor de praktische uitoefening van de beoogde rechten. Bovendien zal de door een richtlijn beoogde omzettingstermijn de lidstaten de mogelijkheid bieden om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de huidige regels aan te passen aan de nieuwe bepalingen van het voorstel voor een richtlijn.

3.

TOELICHTING OP DE ARTIKELEN


Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

De richtlijn vervangt een hele reeks wetgevingsinstrumenten betreffende vrij verkeer en verblijf: het voorwerp ervan is derhalve veelvoudig.

In de eerste plaats behelst zij de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf door de burgers van de Unie en hun familieleden: deze bepalingen vervangen die welke zijn vervat in de Richtlijnen 68/360, 73/148, 90/364 i,90/365 i en 93/96 i betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf van werkenden al dan niet in loondienst, niet-werkenden, gepensioneerden en studenten.

In de tweede plaats wordt door de richtlijn het duurzame verblijfsrecht vastgesteld, een nieuw concept dat door de richtlijn wordt ingevoerd. De bepalingen op dit gebied bevatten en vormen tevens een aanpassing van de essentie van het bepaalde in Verordening nr. 1251/70 en Richtlijn 75/34 i betreffende het verblijfsrecht van al dan niet in loondienst zijnde werkenden.

Tenslotte bevat zij de beperkingen op deze rechten, welke verband houden met openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid en vervangt zij de bepalingen die zijn vervat in Richtlijn 64/221 inzake openbare orde.

4.

Artikel 2


Dit artikel bevat de definities van drie concepten die worden aangewend in de bepalingen van het voorstel.

1. In de eerste plaats wordt het begrip burger van de Unie gedefinieerd zoals die is vervat in artikel 17 van het Verdrag.

2. In de tweede plaats wordt het begrip familielid gedefinieerd. Tot dusverre verschillen de familieleden van een burger van de Unie die, ongeacht hun nationaliteit, voor vrij verkeer in aanmerking komen naar gelang van de categorie waartoe de burger van de Unie behoort van wie zij afhangen. Wat de werknemers betreft, kent artikel 10, lid 1, van Verordening nr. 1612/68 i immers het verblijfsrecht toe aan de echtgenoot en de bloedverwanten in neergaande lijn die minderjarig zijn of nog ten laste komen, alsook aan de bloedverwanten in opgaande lijn die ten laste komen. Hetzelfde recht wordt toegekend door de richtlijnen inzake het verblijfsrecht van zelfstandigen, niet-werkenden en gepensioneerden. Richtlijn 93/96 inzake het verblijfsrecht van studenten daarentegen kent ditzelfde recht enkel toe aan de echtgenoot en de ten laste komende bloedverwanten in neergaande lijn. Hieruit volgt dat de moeder van een burger van de Unie die in een andere lidstaat werkt, tot nu toe niet bij haar zoon kan gaan wonen indien zij niet te zijnen laste is omdat zij een inkomen geniet, ook al is dit inkomen lager dan het bedrag van de door het gastland vastgestelde toereikende bestaansmiddelen. Evenzo heeft de moeder van een student geen enkel recht om bij haar zoon te gaan wonen, behalve indien zij over voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering beschikt.

Door lid 2 wordt een uniek en uitgebreid begrip familielid voorgesteld.

In de eerste plaats omvat dit begrip de echtgenoot doch ook de ongehuwde partner. In alinea b), die nieuw is, wordt immers het probleem behandeld van het verblijfsrecht van de ongehuwde partner van de burger van de Unie. De laatste tijd vindt ten aanzien van de 'familiegroep' een snelle evolutie plaats waarbij een stijgend aantal personen, dikwijls met kinderen, 'feitelijke' paren vormen. Bovendien wordt in verschillende lidstaten een speciaal statuut met een reeks rechten en plichten verleend aan ongehuwde paren die in vrij verband samenleven en zich aan deze speciale regeling willen onderwerpen. Het Gemeenschapsrecht kan deze evolutie niet ontkennen in het kader van het verblijfsrecht, en stelt voor, met het oog op het verblijf, de ongehuwde partner met de gehuwde gelijk te stellen wanneer de wetgeving van het gastland in een dergelijk statuut voorziet, en wel onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vervat in de wetgeving van het gastland.

In de tweede plaats omvat dit begrip de bloedverwanten in neergaande lijn van de echtgenoten zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met het feit dat zij minderjarig zijn of ten laste komen, en daarnaast de bloedverwanten in opgaande lijn van de echtgenoten, ongeacht of zij ten laste komen of niet.

Zoals wordt onderstreept in het verslag van de door Mevrouw Veil voorgezeten groep op hoog niveau is er geen enkele geldige reden om kinderen van ouder dan 21 jaar die niet ten laste van hun ouders komen of bloedverwanten in opgaande lijn zijn die niet ten laste van hun kinderen komen, het recht te ontzeggen om zich bij hun familie in een andere lidstaat te voegen.

3. Tenslotte wordt door het artikel gedefinieerd wat onder gastland moet worden verstaan.

5.

Artikel 3


1. Door deze bepaling worden de begunstigden van de bepalingen van de richtlijn gedefinieerd. Het gaat om elke burger van de Unie die zich naar een andere lidstaat begeeft of daar verblijft, alsmede de familieleden, ongeacht hun nationaliteit, welke die begeleiden of welke zich bij hem voegen. De doeleinden van de verplaatsing of het verblijf worden verder niet gespecificeerd. Het spreekt vanzelf dat de burger van de Unie zich naar een andere lidstaat zal kunnen begeven om er een activiteit al dan niet in loondienst uit te oefenen, om er een niet-winstgevende activiteit uit te oefenen dan wel een beroepsopleiding te volgen, of als niet-werkende, gepensioneerde, student, verlener of ontvanger van diensten.

2. Door deze bepalingen worden de reeds bestaande bepalingen overgenomen van artikel 10, lid 2, van Verordening nr. 1612/68, alsook van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 73/148/EEG, die bepalen dat de lidstaten de toelating van elk ander familielid van de burger van de Unie of zijn echtgenoot in de hand werken, die ten laste komt of in het land van herkomst bij hem woont. Deze bepalingen zouden enkel van toepassing zijn ingeval de betrokken persoon niet in aanmerking komt voor een persoonlijk verblijfsrecht.

6.

Artikel 4


Door deze bepaling worden de lidstaten verplicht toe te zien op de naleving van het beginsel van non-discriminatie bij de tenuitvoerlegging van alle in de richtlijn vervatte verplichtingen. In deze bepaling is rekening gehouden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 21), en wordt geen afbreuk gedaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit andere internationale instrumenten zoals het Europees Verdrag inzake de handhaving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden (artikel 14).

7.

Hoofdstuk II


Recht van verplaatsing en van verblijf tot zes maanden

Artikel 5

1. Deze bepaling behelst het recht voor elke burger van de Unie het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven. Door lid 1 worden grotendeels de bewoordingen overgenomen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 68/360 waarin is bepaald dat het recht om het grondgebied van een lidstaat te verlaten wordt uitgeoefend op eenvoudige voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, waarbij een en ander wordt aangepast aan de nieuwe regeling van afschaffing van controles aan de binnengrenzen van de Unie. Hiertoe wordt de uitdrukking overlegging vervangen door 'voorzien van'.

Door deze bepaling wordt het recht het grondgebied te verlaten uitgebreid tot de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben en de burger van de Unie begeleiden, dan wel zich bij hem voegen in het gastland; hierbij wordt grotendeels de laatste zin overgenomen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 68/360.

2. In dit lid worden de bewoordingen overgenomen van lid 4 van artikel 2 van Richtlijn 68/360 betreffende het verbod een uitreisvisum of een vergelijkbare verplichting op te leggen aan de begunstigden van het vrije verkeer.

3. In dit lid wordt het bepaalde overgenomen van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 68/360 betreffende de verstrekking of de verlenging door de lidstaten van reisdocument (paspoort of identiteitskaart) voor hun onderdanen.

4. Door dit lid worden de vergelijkbare bepalingen overgenomen en verduidelijkt van lid 3 van artikel 2 van Richtlijn 68/360 betreffende de geldigheid van reisdocumenten.

8.

Artikel 6


1. Door dit lid worden de bewoordingen overgenomen van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 68/360 betreffende het recht van toegang tot het grondgebied van een lidstaat dat door de burger van de Unie en zijn familieleden wordt uitgeoefend op eenvoudig vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Ook in dit geval wordt overlegging vervangen door 'voorzien van'. In de tweede alinea wordt het verbod voor de lidstaten dat is vervat in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 68/360 overgenomen om toegangsvisa of vergelijkbare verplichtingen op te leggen aan de burger van de Unie.

2. Deze bepalingen geven duidelijk aan dat slechts de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben en die aan de visumplicht kunnen worden onderworpen, die zijn welke de nationaliteit hebben van een land dat is vermeld in Verordening nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld i. Door de tweede zin van het lid wordt de belangrijke vernieuwing ingevoerd van gelijkwaardigheid tussen visa en verblijfsvergunningen die door een lidstaat worden verleend.

Thans genieten de familieleden die onderdaan zijn van een derde land, reeds elke faciliteit voor de verwerving van een visum, waarvan de verstrekking bovendien kosteloos is. Deze maatregel zou uitsluitend gehandhaafd blijven voor familieleden die nog niet in het bezit zijn van een verblijfsvergunning.

3. Deze bepaling is erop gericht het aanbrengen van stempels op het paspoort van het familielid te beperken tot strikt noodzakelijke gevallen (te weten het toegangsstempel dat samenhangt met de op het visum vermelde verblijfsduur of het uitreisstempel waardoor deze verblijfsduur wordt onderbroken). Het aanbrengen van stempels is verder overbodig wanneer de betrokkene in het bezit is van een verblijfskaart, die het recht op toegang tot en het verlaten van het grondgebied impliceert gedurende de geldigheidsduur van de kaart.

4. Deze bepaling beoogt de situatie waarin de begunstigde van het recht op vrij verkeer bij het overschrijden van de grens niet in staat zou zijn de nodige documenten voor te leggen (paspoort of identiteitskaart en zonodig verblijfsvergunning of visum). In een dergelijk geval zal de lidstaat verplicht zijn, alvorens over te gaan tot uitwijzing, de betrokken persoon alle mogelijkheden te bieden om te bewijzen dat hij in aanmerking komt voor het recht op vrij verkeer. Zo zou een familielid de nodige documenten kunnen verstrekken die gewoonweg thuis zijn achtergebleven. Bij visa zou moeten worden onderzocht of voldaan is aan de voorwaarden om het familielid dat aan een dergelijke verplichting is onderworpen, ertoe in staat te stellen het visum aan de grens te verkrijgen.

5. Gedurende de eerste zes maanden van zijn verblijf mag de burger van de Unie op het grondgebied van een andere lidstaat blijven wanneer hij gewoonweg in het bezit is van een identiteitsdocument. Hierdoor worden de bepalingen overgenomen die reeds van kracht zijn binnen het huidige recht (artikel 8 van Richtlijn 68/360 en artikel 4 van Richtlijn 73/148), waarbij evenwel twee wijzigingen worden ingevoerd. In de eerste plaats wordt de periode gedurende welke men op het grondgebied van een andere lidstaat kan blijven zonder enige formaliteit, uitgebreid tot zes maanden. Bij deze termijn wordt rekening gehouden met het feit dat een persoon in beginsel als gevestigd in een land wordt beschouwd wanneer hij er tenminste zes maanden per jaar woont. Aldus worden verblijven van korte duur van niet langer dan zes maanden van bijvoorbeeld stagiaires, studenten, enz. vergemakkelijkt. In de tweede plaats worden de bepalingen van artikel 8, onder a), van Richtlijn 68/360 en artikel 4, lid 2, derde alinea, van Richtlijn 73/148 gewijzigd waarbij wordt verwezen naar het document op vertoon waarvan hij het grondgebied heeft betreden, die niet verenigbaar zijn met een regeling waarbij controles aan de binnengrenzen zijn opgeheven, en waarbij een en ander wordt vervangen door de verplichting voor de burger om in het bezit te zijn van een identiteitskaart of een paspoort.

In de tweede zin wordt de mogelijkheid voor het gastland erkend om de betrokkenen op te leggen mede te delen dat zij aanwezig zijn op het grondgebied (binnen het huidige recht reeds bestaande verplichting). Het betreft een gewone mededeling aan de bevoegde autoriteiten die bepaalde lidstaten binnen hun interne recht kennen en die onder dezelfde omstandigheden, mutatis mutandis, moet worden gedaan als die welke gelden voor de eigen onderdanen. Deze eis is verenigbaar met de bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen die bedoeld zijn om de correcte kennis te waarborgen van de nationale autoriteiten inzake het bevolkingsverkeer op hun grondgebied (zie in dit verband arrest van het Hof van Justitie van 7 juli 1976, zaak 118/75 Watson, punten 17 en 18). Niet-naleving van deze verplichting kan eventueel bestraft worden met niet-discriminerende en evenredige sancties.

6. Dezelfde bepalingen als in lid 5 gelden voor de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben en die de burger van de Unie begeleiden of die zich bij hem voegen. Er is een uitzondering voorzien voor familieleden die aan de visumplicht zijn onderworpen, bijvoorbeeld door het feit dat zij nog geen verblijfsvergunning hebben verkregen. Deze personen zullen een verzoek om een verblijfskaart voor het verstrijken van hun visum moeten indienen, zulks om te vermijden dat zij zich in een onregelmatige situatie zouden bevinden.

9.

Hoofdstuk III


Recht van verblijf met een duur van meer dan zes maanden

Artikel 7

1. Door deze bepalingen worden de uitoefeningsvoorwaarden gedefinieerd waaraan het verblijfsrecht onderworpen is. Ook al moet de uitoefening van dit recht worden vergemakkelijkt, staat het feit dat in het huidige stadium de voorzieningen inzake sociale bijstand niet onder het Gemeenschapsrecht vallen en in de regel niet uitvoerbaar zijn, een volledige gelijke behandeling inzake sociale voorzieningen niet toe, anders zou men het risico lopen dat bepaalde groepen begunstigden van het verblijfsrecht, in het bijzonder die welke geen economische activiteit uitoefenen, een onredelijke last zouden worden voor de overheidsfinanciën van het gastland.

Voor de burgers van de Unie zijn deze voorwaarden duidelijk uiteengezet in de punten a), b), c) en d). De burger van de Unie moet een economische activiteit uitoefenen al dan niet in loondienst, moet over voldoende bestaansmiddelen beschikken, alsook over een ziekteverzekering die alle risico's in het gastland bestrijkt, dan wel student zijn die is toegelaten tot een beroepsopleiding in het gastland.

Punt d) is bedoeld voor de situatie van de burger van de Unie die zijn verblijfsrecht zou kunnen uitoefenen, ofwel omdat hij zelf voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de punten a), b) en c) (een economische activiteit uitoefenen, beschikken over voldoende bestaansmiddelen of student zijn), of omdat hij familielid is van de burger van de Unie die aan deze voorwaarden voldoet. Wanneer de voorwaarden verschillen naar gelang van het statuut op grond waarvan men het verblijfsrecht uitoefent, zal het, in het belang van het vrije verkeer, nodig zijn het gunstigste schema voor de begunstigde van het verblijfsrecht toe te passen.

2. Het verblijfsrecht van de familieleden van de burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, is afgeleid van het verblijfsrecht van de burger van de Unie, wat betekent dat dit recht samenhangt met de familiebanden en dat zij hem in de brede betekenis ervan in het gastland moeten begeleiden. In elk geval is voorzien in uitzonderingen in geval van overlijden of vertrek van de burger van de Unie of bij echtscheiding (artikelen 12 en 13).

10.

Artikel 8


1. Het Hof van Justitie heeft bevestigd dat de verblijfskaart geen vergunning is, doch gewoonweg een declaratoir besluit betreffende een vooraf bestaand recht (arrest van 8 april 1976, zaak 48/75 Royer, Jurispr. blz. 497, punt 50). De geldende handhaving en het gebruik van een dergelijk document zouden voor de burger van de Unie een nuttig effect moeten meebrengen en niet mogen leiden tot zuivere administratieve kosten voor de lidstaten.

De Commissie is van oordeel dat de verplichting tot materiële verstrekking van een verblijfskaart niet onontbeerlijk lijkt; het zou integendeel aanvaardbaar zijn dat de burger van de Unie die geen onderdaan is, onderworpen zou zijn aan dezelfde voorwaarden als die welke voor de ingezetenen gelden wanneer zij van woonplaats veranderen, te weten de verplichting om zich te laten inschrijven in het bevolkingsregister (of elk ander nationaal stelsel dat voor de ingezetenen geldt), zulks om te bewerkstelligen dat de autoriteiten akte nemen van de aanwezigheid van de betrokken persoon, door deze bijvoorbeeld op te nemen in een register voor niet-onderdanen, zoals een en ander in de meeste lidstaten reeds bestaat voor de verkiezingslijsten betreffende het stemrecht voor Europese en gemeenteraadsverkiezingen.

Op deze wijze moet het bepaalde in lid 1, eerste alinea, worden begrepen, waarin is bepaald dat de lidstaten de burgers van de Unie en hun familieleden met de nationaliteit van een lidstaat kunnen opleggen zich te laten inschrijven bij de bevoegde instanties van de woonplaats.

2. De door het gastland voor de inschrijving opgelegde termijn mag niet minder bedragen dan zes maanden, zulks in samenhang met artikel 6, dat een verblijfsrecht tot zes maanden zonder formaliteiten voorziet: dit belet de burger van de Unie niet zich vóór de zesde maand te laten inschrijven indien hij zulks nuttig acht. Aansluitend op de inschrijving voorziet de tweede zin van hetzelfde lid in de onmiddellijke afgifte van een inschrijvingsbewijs door de bevoegde nationale instantie. Het inschrijvingsbewijs zou voor de burger een vorm van ontvangstbewijs zijn, alsook een bewijs voor de autoriteiten dat de nodige stappen zijn ondernomen. Het bewijs wordt onmiddellijk door de verantwoordelijke dienst verstrekt na de vervulling van de in de leden 3, 4 en 6 bedoelde formaliteiten. Het verblijfsbewijs bevat de naam en het adres van de burger; een en ander heeft geen bepaalde geldigheidsduur en bevat enkel de inschrijvingsdatum. Het gaat er immers gewoon om dat bewezen is dat een administratieve stap is ondernomen.

In de laatste zin worden de sancties omschreven die gelden bij niet-naleving van de inschrijvingsplicht, die niet-discriminerend en evenredig dienen te zijn. Aangezien de tekst van de richtlijn een specifiek artikel bevat inzake de sancties met betrekking tot schendingen van de verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien, moeten daarbij logischerwijs de in dit artikel vervatte beginselen worden nageleefd.

3. Met het oog op de verstrekking van het inschrijvingsbewijs verklaart de burger van de Unie ofwel een economische activiteit uit te oefenen, dan wel te beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering ingeval hij geen economische activiteit zou uitoefenen als al dan niet in loondienst werkende. Door het hier voorgestelde systeem, dat vergelijkbaar is met dat wat binnen de huidige wetgeving reeds voor studenten bestaat, wordt de uitoefening van het verblijfsrecht aanzienlijk vereenvoudigd, en het is gebaseerd op het systeem van 'autocertificatie' dat in bepaalde lidstaten bestaat. Een valse verklaring zal eventueel kunnen worden bestraft door toepassing van het beginsel van gelijke behandeling als de eigen onderdanen en het proportionaliteitsbeginsel.

Binnen het voorgestelde systeem verifieert de lidstaat niet of de burger aan de verblijfsvoorwaarden voldoet, en schenkt hij vertrouwen in zijn verklaring. Een valse verklaring of eventueel de aanspraak door de betrokkene op overheidssteun zullen kunnen leiden tot een verzoek om bewijs van bestaansmiddelen en/of het opstarten van een administratief onderzoek waardoor het verblijfsrecht van de betrokkene in het geding zou kunnen komen. Het feit dat de burger niet in staat is de medische kosten te betalen die samenhangen met het feit dat hij geen medische bijstand kan genieten, kan trouwens gevolgen hebben op het vlak van de burgerlijke verantwoordelijkheden en zou ook kunnen leiden tot de opheffing van het verblijfsrecht.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat een eenvoudige verklaring inzake ziekteverzekering de betrokkene niet vrijstelt de beweegredenen van deze verzekering te verstrekken bij de betrekkingen met de overheidsdiensten die zijn belast met de verstrekking van medische zorgen, zulks indien daarin door de nationale wetgeving is voorzien.

4. De burger van de Unie die zich naar een andere lidstaat begeeft om er een studie te volgen, moet bewijzen dat hij bij een erkende instelling is ingeschreven om daar een beroepsopleiding als hoofdbezigheid te volgen, en hij zal ook een verklaring moeten afleggen dat hij over voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering beschikt.

5. Het bedrag van de bestaansmiddelen die als voldoende worden beschouwd, mag niet door de lidstaten worden vastgesteld - zoals in het kader van het bestaande recht het geval is - want bij een dergelijke maatregel zou geen rekening worden gehouden met de mogelijke uiteenlopende situaties.

6. De burgers van de Unie die van plan zijn zich in een andere lidstaat te vestigen als familieleden van een andere burger van de Unie die aan de verblijfsvoorwaarden voldoet, moeten het bewijs voorleggen dat zij behoren tot een van de categorieën bedoeld in artikel 2, lid 2, waarin de familieleden zijn gedefinieerd, of artikel 3, lid 2.

7. In deze bepalingen worden in hoofdzaak sommige bepalingen van Richtlijn 68/360 overgenomen, waarbij evenwel een en ander wordt verduidelijkt, alsook de jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt opgenomen betreffende het behoud van de hoedanigheid van werkende wanneer de werkende niet meer al dan niet in loondienst werkzaam is.

11.

Artikel 9


1. Familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit bezitten van een lidstaat, moeten een verblijfskaart aanvragen. De materiële verstrekking van een verblijfskaart aan deze categorie lijkt, in tegenstelling tot de burgers van de Unie, noodzakelijk in het belang van zowel de betrokken personen (onder andere voor de gelijkwaardigheid tussen de verblijfsvergunning en het visum bedoeld in artikel 6) als de overheidsinstanties.

2. Het verzoek moet worden ingediend binnen zes maanden na de aankomst van de betrokkene op het grondgebied van het gastland. De tweede zin betreft de familieleden die eventueel onderworpen zouden zijn aan de visumplicht en die het verzoek om een verblijfskaart moeten indienen voor het verstrijken van bedoeld visum.

3. In geval van niet-naleving van de verplichting om een verblijfskaart aan te vragen staat deze bepaling de toepassing door de lidstaten toe van de sancties met inachtneming van het beginsel bedoeld in artikel 8, lid 2.

12.

Artikel 10


1. Het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt vastgesteld door middel van een verblijfskaart die wordt verstrekt binnen de drie maanden die volgen op de indiening van de aanvraag: de verblijfskaart bevat duidelijk de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie, waarbij duidelijk wordt onderstreept dat de betrokkene in aanmerking komt voor toepassing van het Gemeenschapsrecht. Een bewijs van indiening van de aanvraag wordt onmiddellijk en kosteloos verstrekt: in dit bewijs wordt aangegeven dat de betrokkene in aanmerking komt voor toepassing van het Gemeenschapsrecht.

2. In deze bepaling wordt, onder verwijzing naar artikel 8, lid 6, uitvoerig een opsomming gegeven van de beweegredenen die de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, moeten aangeven teneinde hun verblijfskaart te verkrijgen. Het gaat om dezelfde beweegredenen als die welke worden geëist van de familieleden die de nationaliteit van een lidstaat hebben.

13.

Artikel 11


1. De verblijfskaart geldt voor ten minste vijf jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte. Na vier jaar ononderbroken verblijf verwerft het familielid immers een duurzaam verblijfsrecht en zal het het verzoek om een nieuwe verblijfskaart moeten indienen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV. Door het feit dat de oorspronkelijke kaart een looptijd van vijf jaar heeft, zal de betrokkene altijd in het bezit zijn van de nodige documenten in geval er enige tijd verstrijkt alvorens de nieuwe kaart kan worden verkregen (vervulling van administratieve formaliteiten).

In het kader van de huidige wetgeving dient het familielid dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, te ontvangen 'een verblijfsdocument dat dezelfde geldigheid heeft als het document afgegeven aan de werkende van wie hij afhankelijk is' (Richtlijn 68/360, artikel 4, lid 4). Aangezien in het kader van deze nieuwe richtlijn de burgers van de Unie geen verblijfskaart meer hebben, doch wel een eenvoudige verklaring die de functie van een bewijs heeft, heeft de notie geldigheid van het verblijfsdocument van het familielid ten aanzien van deze verblijfskaart van de burger van de Unie geen zin meer.

2. Afwezigheid gedurende zes maanden of meer om specifieke redenen is niet van invloed op de geldigheid van de verblijfskaart. Door deze bepaling wordt de formulering van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 68/360 overgenomen, en worden de mogelijke afwezigheidsperioden uitgebreid die dezelfde zijn als bedoeld in artikel 18, lid 1, van deze nieuwe richtlijn.

14.

Artikel 12


1. Familieleden die burgers van de Unie zijn, hebben een autonoom verblijfsrecht: hun verblijfsrecht wordt derhalve niet aangetast door het overlijden of het vertrek van de burger van de Unie van wie zij afhangen. Deze bepalingen zijn er eenvoudig op gericht te verduidelijken dat deze personen, in geval van overlijden of vertrek van de burger van de Unie die het verblijfsrecht ten principale heeft, persoonlijk moeten voldoen aan één van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht bedoeld in artikel 7, lid 1, zulks tot de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht.

2. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, hebben een verblijfsrecht dat is afgeleid van dat van de burger van de Unie van wie zij afhangen. In geval van overlijden van deze laatste kunnen zij evenwel hun verblijfrecht behouden. Het geval van vertrek van de burger van de Unie is niet voorzien voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben: in dit geval zullen zij tezamen met de burger van de Unie moeten vertrekken. Lid 3 bevat een uitzondering voor kinderen die studeren.

Het verblijfrecht voor nabestaande familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, is onderworpen aan de voorwaarde dat zij een economische activiteit uitoefenen of over voldoende bestaansmiddelen beschikken, dan wel dat zij de hoedanigheid van familielid bezitten die reeds in het gastland is verworven, van degene die aan deze voorwaarden voldoet, zulks tot de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht. In tegenstelling tot de burgers van de Unie zou een eenvoudige verklaring niet voldoende zijn: de belanghebbenden zullen moeten bewijzen dat zij aan deze voorwaarden voldoen. Door dit lid wordt ook het bedrag van de toereikende bestaansmiddelen vastgesteld, en worden de huidige bepalingen inzake het verblijf van niet-werkenden overgenomen.

3. Door dit lid wordt op wetgevingsvlak het beginsel bevestigd dat is vervat in het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 1989 in de gevoegde zaken 389 en 390/87, Echternach en Moritz, en wordt de situatie van de kinderen van de burger van de Unie beoogd die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, die studeren en zijn geïntegreerd in het onderwijsstelsel van het gastland, en die zich moeilijk zouden kunnen integreren in een nieuw onderwijsstelsel om taalkundige, culturele of andere redenen: deze personen zouden het slachtoffer kunnen zijn van het feit dat het familielid dat burger van de Unie is, het grondgebied van het gastland verlaat om beroeps- of andere redenen. Dit verblijfsrecht, dat beperkt kan worden tot de studieduur, is onderworpen aan de voorwaarde dat de kinderen ingeschreven zijn bij een onderwijsinstelling op middelbaar- of postmiddelbaar niveau, en wel omdat het precies op dit studieniveau is dat de integratie in een nieuw onderwijsstelsel moeilijker wordt. Logischerwijs blijven voor het verblijf van deze personen de beginselen gelden die zijn vervat in artikel 21 betreffende gelijke behandeling.

15.

Artikel 13


1. Echtscheiding of nietigverklaring van het huwelijk zijn niet van invloed op het verblijfsrecht van de familieleden die zelf burger van de Unie zijn. Met deze bepaling wordt enkel beoogd te verduidelijken dat deze familieleden, in geval van ontbinding van het huwelijk, persoonlijk moet voldoen aan een van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht bedoeld in artikel 7, lid 1.

2. Door het bepaalde in lid 2 van dit artikel wordt het probleem geregeld van het verblijfsrecht van de familieleden van de burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben, zulks in geval van echtscheiding of nietigverklaring van het huwelijk. Met deze bepaling wordt beoogd een zekere rechtsbescherming te bieden voor deze personen wier verblijfsrecht samenhangt met de familieband die door het huwelijk bestaat, en die hierdoor het slachtoffer zouden kunnen worden van chantage in het kader van de echtscheiding. Er moet op worden gewezen dat de ontbinding van het huwelijk noodzakelijkerwijs, om redenen van rechtszekerheid, de onherroepelijk uitgesproken echtscheiding impliceert; in geval van feitelijke scheiding wordt het verblijfsrecht van de echtgenoot helemaal niet aangetast. Verder heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de huwelijksband niet als verbroken kan worden beschouwd zolang daaraan geen einde is gemaakt door de bevoegde autoriteit. Dit is niet het geval voor echtgenoten die gewoonweg gescheiden leven, ook al zijn zij voornemens later te scheiden (arrest van het Hof van Justitie van 13 februari 1985 in zaak 267/83, Diatta, Jurisprudentie blz. 567, punt 20).

Het door deze bepaling toegekende recht gaat gepaard met drie alternatieve voorwaarden, te weten:

a) ofwel de duur van het huwelijk, tot het begin van de gerechtelijke procedure tot echtscheiding of nietigverklaring ten belope van vijf jaar, waarvan ten minste een jaar in het gastland, om pogingen te vermijden de bepalingen inzake het verblijfsrecht te omzeilen via schijnhuwelijken,

b) of de oppas van kinderen van de burger van de Unie is toevertrouwd aan de echtgenoot die niet de nationaliteit van een lidstaat heeft, en zijn verblijfsrecht ontleende aan de uit het huwelijk voortkomende familieband. Deze voorwaarde is zowel gunstig voor de kinderen die feitelijk niet gedwongen zullen zijn het grondgebied van het gastland te verlaten waar zij eventueel reeds geïntegreerd zijn, als voor de burger van de Unie die zich aldus zal kunnen verzekeren van de vlotte uitoefening van zijn bezoek- en toezichtrecht,

c) of de ontbinding van het huwelijk het gevolg is van bijzonder moeilijke situaties. De in het artikel gebruikte formulering is vaag, en is erop gericht met name situaties van gezinsgeweld te bestrijken.

Het verblijfsrecht voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, is onderworpen aan de voorwaarde een economische activiteit uit te oefenen of over voldoende bestaansmiddelen te beschikken, of hangt af van de hoedanigheid van lid van de familie dat in het gastland reeds bestaat, van degene die aan deze voorwaarden voldoet, zulks tot de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht. In tegenstelling tot wat voor de burgers van de Unie geldt, zou een eenvoudige verklaring niet voldoende zijn: de betrokkenen zullen moeten bewijzen dat zij aan deze voorwaarden voldoen. In dit punt wordt ook het bedrag van de toereikende bestaansmiddelen vastgesteld op basis van de huidige bepalingen inzake het verblijf van niet-werkenden.

16.

Hoofdstuk IV


Duurzaam verblijfsrecht

Het recht op voortgezet verblijfte houden is zeer limitatief binnen het geldende Gemeenschapsrecht en is onderworpen aan beperkende voorwaarden. Daarom stelt de Commissie voor een duurzaam verblijfsrecht in te stellen voor elke burger van de Unie en de familieleden, zelfs als zij niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, na een continu verblijf van vier jaar in het gastland. Verschillende lidstaten kennen trouwens in hun nationale wetgeving reeds een duurzaam verblijfsrecht - zonder onderscheid naar nationaliteit - waarvoor een voorwaarde inzake verblijfsduur geldt.

17.

Afdeling I


Verwerving

Artikel 14

1. Elke burger van de Unie verwerft een duurzaam verblijfsrecht in het gastland na een periode van vier jaar continu verblijf. Voor dit verblijfsrecht gelden niet meer de voorwaarden die zijn genoemd in hoofdstuk III van de richtlijn.

Na een voldoende lange verblijfsperiode mag men ervan uitgaan dat de burger nauwe banden met het gastland heeft ontwikkeld en een integrerend deel van de betrokken samenleving uitmaakt, wat de toekenning van een verblijfsrecht rechtvaardigt dat men versterkt zou kunnen noemen. Voorts is de integratie van de burgers van de Unie die blijvend in een lidstaat zijn gevestigd, een kernelement voor het bevorderen van de sociale samenhang, een fundamenteel doel van de Unie.

2. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben, zullen ook een duurzaam verblijfsrecht kunnen verwerven na, in de ruime betekenis ervan, gedurende vier jaar in het gastland te hebben gewoond bij de burger van de Unie van wie zij afhangen.

3. Het verworven duurzame verblijfsrecht verliest men slechts bij afwezigheid in het gastland van meer dan vier jaar. Het duurzaam verblijfsrecht erkent immers de integratie van de burger van de Unie en de familieleden in het gastland. Een afwezigheid van meer dan vier jaar laat vermoeden dat de integratie opgehouden heeft te bestaan.

18.

Artikel 15


Het bepaalde in artikel 15 is bedoeld voor het handhaven van de bestaande verworvenheden op het gebied van het recht op voorgezet verblijf te houden.

1. Artikel 2 van Verordening nr. 1251/70 van de Commissie en artikel 2 van Richtlijn 75/34 van de Raad bevatten de specifieke voorwaarden waaronder werkenden die hun beroepsactiviteit in het gastland hebben beëindigd, een recht op voortgezet verblijf kunnen verkrijgen na verblijfsperiodes van minder dan vier jaar. De bepalingen van dit lid zijn bedoeld om deze gunstiger regeling voor werkenden te handhaven, zulks in tegenstelling tot de algemene regel vervat in artikel 14.

2. In dit lid wordt het bepaalde overgenomen van artikel 2, lid 2, van Verordening nr. 1251/70 en van Richtlijn 75/34.

3. Indien de werkende van de Unie een duurzaam verblijfsrecht op basis van het bepaalde in lid 1 heeft verworven, wordt ditzelfde recht verworven door de leden van zijn familie, ongeacht hun nationaliteit, en zonder voorwaarde inzake voorafgaand verblijf. In deze bepalingen worden de bepalingen overgenomen die zijn vervat in de wetgeving inzake het recht op voortgezet verblijf te houden, waarin is bepaald dat de familieleden duurzaam het recht op voortgezet verblijf te houden in het gastland indien de werkende het recht van verblijf op het grondgebied van deze lidstaat heeft verworven (artikel 3, lid 1, van Verordening nr. 1251/70 van de Commissie en van Richtlijn 75/34 van de Raad).

4. Hierin wordt het bepaalde overgenomen van artikel 3, lid 2, van Verordening nr. 1251/70 en artikel 3 van Richtlijn 75/34, waarbij, onder bepaalde voorwaarden, duurzaam verblijfsrecht wordt toegekend aan de familieleden van een werkende van de Unie die al dan niet in loondienst werkzaam was en in de loop van zijn beroepsleven is overleden, ook al had de werkende dat recht nog niet verworven. Enige wijzigingen: de periode van aan het overlijden voorafgaand verblijf wordt verkort tot één jaar, zulks in tegenstelling tot de periode van twee jaar die in de huidige wetgeving is vervat, terwijl verder punt c) wordt verduidelijkt.

19.

Artikel 16


Met het oog op meer duidelijkheid beogen deze bepalingen de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die hun verblijfsrecht hadden behouden in geval van overlijden of echtscheiding van de burger van de Unie voor de verwerving van het duurzame verblijfsrecht en die zijn beoogd door het bepaalde in de artikelen 12, lid 2, en 13, lid 2. Indien deze personen aan de in deze bepalingen vervatte voorwaarden voldoen, verwerven zij een duurzaam verblijfsrecht na vier jaar continu verblijf in het gastland na hun binnenkomst.

20.

Afdeling II


Administratieve formaliteiten

Artikel 17

1. De verwerving van een duurzaam verblijfsrecht brengt een reeks belangrijke bijkomende rechten mee, zoals de toegang tot sociale bijstand in het gastland voor elke categorie begunstigden van de richtlijn, dan wel de uitsluiting van uitwijzing uit het grondgebied van de lidstaat waar men woonachtig is. Om deze reden moet dit recht worden bevestigd door de afgifte van een verblijfskaart. Hoewel de verwerving van deze kaart noodzakelijkerwijs administratieve stappen vereist, is het ook zo dat een en ander slechts één keer dient te gebeuren omdat de kaart een onbeperkte looptijd heeft.

2. De begunstigde van het duurzame verblijfsrecht beschikt over een termijn van twee jaar om de verblijfskaart aan te vragen. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 5, lid 1, van Verordening nr. 1251/70. Op het eerste gezicht kan deze bepaling beperkend lijken, doch daardoor wordt voorkomen dat het gastland meer restrictieve termijnen oplegt. Niet-naleving van de bedoelde termijn zou trouwens slechts kunnen worden bestraft door niet-discriminerende en evenredige sancties, zoals dat het geval is bij niet-naleving van de inschrijvingsplicht bedoeld in artikel 8.

3. De geldigheid van de aldus verkregen kaart kan slechts vervallen bij afwezigheid van meer dan vier jaar.

21.

Artikel 18


1. In deze bepalingen wordt met wijzigingen de tekst overgenomen van artikel 4 van Verordening nr. 1251/70 inzake het recht op voortgezet verblijf te houden. De continuïteit van het verblijf zal kunnen worden bewezen door verschillende middelen, met name het bewijs van uitoefening van een beroepsactiviteit, of de overlegging van huurkwitanties. De lidstaten moeten soepelheid betrachten met betrekking tot de middelen tot bewijs van de duur en de continuïteit van het verblijf. De duur van de toegestane afwezigheden die niet van invloed zijn op de continuïteit van het verblijf, werd uitgebreid tot zes maanden of meer dan zes maanden om bijzondere redenen, zoals de vervulling van dienstplicht, zwangerschap of moederschap, de voltooiing van studies of beroepsopleiding, of detachering om arbeidsredenen.

2. Dit lid impliceert dat de verblijfsduur wordt onderbroken wanneer een besluit tot verwijdering op geldige wijze werd genomen ten aanzien van de begunstigde van het verblijfsrecht.

22.

Hoofdstuk V


Gemeenschappelijke bepalingen inzake verblijfsrecht en duurzaam verblijfsrecht

Artikel 19

In de eerste zin zijn de bewoordingen overgenomen van artikel 6, lid 1, onder a), van Richtlijn 68/360, alsook van artikel 5 van Richtlijn 73/148. De tweede zin is gewijd aan het beginsel van gelijke behandeling, en bevat de bewoordingen van het arrest van het Hof van Justitie van 28 oktober 1975 in zaak 36/75, Roland Rutili versus minister van Binnenlandse Zaken, Jurisprudentie 1975, blz. 1219, punt 50.

23.

Artikel 20


De leden van de familie van de burger van de Unie hebben, ongeacht hun nationaliteit, het recht om in het gastland een al dan niet in loondienst verrichte economische activiteit uit te oefenen. In de bepalingen van dit artikel wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen de verschillende leden van de familie. Een en ander betekent een vernieuwing ten aanzien van de huidige wetgeving waardoor dit recht is beperkt tot de echtgenoot en de minderjarige of ten laste komende kinderen, hoewel het logisch is dat elke burger van de Unie rechtstreeks aan het Verdrag het recht ontleent om een economische activiteit uit te oefenen.

24.

Artikel 21


1. Deze bepaling bevat het beginsel van gelijke behandeling tussen burgers van de Unie en eigen onderdanen. Daarin worden in grote lijnen de conclusies overgenomen van het arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1998 in zaak C-85/96, Maria Martinez Sala tegen Freistaat Bayern, Jurisprudentie 1998, blz. I-2691, punt 62, en wordt een direct verband gelegd tussen het beginsel van non-discriminatie en het verblijfsrecht (artikelen 12 en 18, lid 1, van het EG-Verdrag).

Ditzelfde recht op gelijke behandeling wordt uitgebreid tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben, en die begunstigden zijn van het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht in het gastland.

2. Het algemeen beginsel van gelijke behandeling voor elke burger van de Unie wordt gematigd door deze bepaling, waardoor aan de burger van de Unie en de familieleden die in een andere lidstaat wonen zonder er een economische activiteit uit te oefenen, geen recht op prestaties uit hoofde van de sociale bijstand wordt toegekend teneinde geen buitensporige financiële gevolgen mee te brengen ten laste van het gastland. Artikel 7 preciseert trouwens duidelijk dat niet -werkende personen moeten beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering, zodat beroep op sociale bijstand de opheffing van het verblijfsrecht zou kunnen meebrengen. Het begrip sociale bijstand impliceert ook kosteloze medische prestaties waarin de eigen wetgeving van de lidstaat voorziet voor behoeftigen.

Het gastland is evenmin verplicht een beurs voor levensonderhoud toe te kennen aan de burgers van de Unie die zijn grondgebied binnenkomen om er hoofdzakelijk studies te volgen. Een beurs voor levensonderhoud ressorteert onder de notie sociale bijstand in de brede betekenis ervan, en bijgevolg hebben studenten er geen recht op op grond van deze richtlijn, omdat zij de nationale autoriteiten moeten verzekeren dat zij over bestaansmiddelen beschikken zodat zij geen last worden van de sociale bijstand van het gastland: met het oog op duidelijkheid is het wenselijk deze bepaling te handhaven. Toch moet worden onderstreept dat lid 1 studenten het recht biedt niet te worden gediscrimineerd wegens hun nationaliteit op andere gebieden, zoals bijvoorbeeld andere steun dan een beurs voor levensonderhoud of kredieten op middellange termijn met verlaagde rentevoet ten behoeve van studenten.

Deze situatie geldt tot de verwerving van het duurzame verblijfsrecht volgens het bepaalde in hoofdstuk IV van de richtlijn: wanneer dit recht eenmaal verworven is, wordt de situatie van de begunstigden van het duurzame verblijfsrecht gelijkgesteld met die van de nationale onderdanen.

25.

Artikel 22


1. Deze nieuwe bepaling brengt preciseringen aan over de waarde van de door het gastland verstrekte verblijfsdocumenten door consequenties te trekken uit het reeds door het Hof van Justitie erkende declaratoire karakter van de verblijfskaart: het bezit ervan is geen voorafgaande vereiste voor de uitoefening van de rechten die samenhangen met het vrij verkeer van personen en met name het verblijfsrecht in een andere lidstaat (onder meer arrest van 8 april 1978, Royer, 48/75, Jurisprudentie, blz. 497, punt 50).

2. De verblijfsdocumenten worden door de lidstaat kosteloos verstrekt of tegen het tarief dat geldt voor vergelijkbare documenten voor de eigen onderdanen (bijvoorbeeld kunnen de kosten van de verblijfskaart vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast voor de afgifte van de identiteitskaart aan eigen onderdanen).

26.

Artikel 23


Dit artikel is een uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de verplichting steeds in staat te zijn een verblijfsbewijs voor te leggen. De eerste alinea is geïnspireerd door het arrest van het Hof van Justitie van 27 april 1989 in zaak 321/87, Commissie/België, Jurisprudentie 1989, blz. 997, punt 12, en de tweede door de jurisprudentie van het Hof van Justitie (arresten van 12 december 1989 in zaak C-265/88, Messner, Jurisprudentie 1989, blz. 4209, punt 14, en van 30 april 1998 in zaak C-24/97, Commissie/Duitsland, Jurisprudentie 1998, blz. I-2133).

27.

Artikel 24


Het gaat hier om een nieuwe bepaling die dient ter bescherming van de burger van de Unie tegen arbitraire besluiten van de overheid.

Door het bepaalde in dit artikel worden de proceduregaranties vastgesteld die aan de begunstigde van het verblijfsrecht worden toegekend wanneer een lidstaat ertoe besluit tegen hem een besluit tot verwijdering van het grondgebied te nemen om redenen die verschillend zijn van die bedoeld in hoofdstuk VI (openbare orde). Het gaat om dezelfde als die welke zijn beoogd tegen besluiten tot uitwijzing om redenen van openbare orde: het gaat er immers om te vermijden dat een burger minder beschermd is tegen verwijderingbesluiten om administratieve redenen dan om redenen van openbare orde.

Een om deze redenen genomen verwijderingbesluit mag geen verbod van binnenkomst meebrengen op het grondgebied van de staat welke de maatregel heeft genomen, waardoor een dergelijke maatregel verschilt van een uitwijzingsbevel dat zou worden genomen om redenen van openbare orde.

28.

Hoofdstuk VI


Beperkingen op het inreis- en verblijfsrecht om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid

Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest van 3 juli 1980 in zaak 157/79, Regina/Pieck, Jurisprudentie 1980, blz. 2171), is het voorbehoud dat het Verdrag maakt ten aanzien van het vrij verkeer van personen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, geen voorwaarde ten aanzien van de verwerving van het recht van binnenkomst en verblijf, doch biedt het de mogelijkheid om, in individuele gevallen en zo een en ander gerechtvaardigd is, beperkingen op te leggen ten aanzien van de uitoefening van een recht dat rechtstreeks aan het Verdrag is ontleend. Bijgevolg hebben de lidstaten niet de mogelijkheid in het algemeen en zonder concrete rechtvaardiging de uitzondering in te roepen die samenhangt met de redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zulks teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf te beperken.

Het voorstel van de Commissie is bedoeld om de notie openbare orde beter te omschrijven door de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dienaangaande te integreren, de proceduregaranties te versterken, met name door altijd te voorzien in de mogelijkheid van het beroep bij de rechter, alsook om de bescherming te verhogen tegen uitwijzingsmaatregelen, zulks om met name met de graad van integratie van de burger in het gastland rekening te houden, en tenslotte om absolute bescherming te garanderen voor minderjarigen die familiebanden in het gastland hebben en degenen die duurzaam verblijfsrecht genieten.

29.

Artikel 25


1. Dit artikel bevat het reeds in het Verdrag vervatte beginsel dat beperkingen op vrij verkeer en verblijf slechts mogelijk zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Deze redenen kunnen niet worden ingeroepen op economische gronden (artikel 2, lid 2, van Richtlijn 64/221).

2. De maatregelen inzake openbare orde en openbare veiligheid moeten worden genomen op grond van het persoonlijk gedrag van de individuele persoon die het voorwerp van deze maatregelen uitmaakt. Het eenvoudige bestaan van een strafrechtelijke veroordeling kan de automatische goedkeuring van dergelijke maatregelen niet rechtvaardigen (Richtlijn 64/221, artikel 3, leden 1 en 2).

In deze alinea wordt de notie openbare orde gedefinieerd overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 27 oktober 1977 in zaak 30/77, Bouchereau, Jurisprudentie 1977, blz. 1999, punt 35. De door de individuele personen vertegenwoordigde bedreiging moet actueel en ernstig zijn, en gebaseerd zijn op een persoonlijk gedrag.

Deze alinea bekrachtigt op wetgevend vlak een beginsel uit het arrest van het Hof van Justitie van 18 mei 1982 in de gevoegde zaken 115 en 116/81, Adoui en Cornuaille, Jurisprudentie 1982, blz. 1665, punt 8, waardoor enerzijds de notie ernstige bedreiging wordt verduidelijkt en anderzijds een gelijke behandeling van de onderdanen van de andere lidstaten ten opzichte van de eigen onderdanen wordt gegarandeerd.

3. Dit lid vormt een herhaling, met enkele kleine wijzigingen, van de tekst van artikel 3, lid 3, van Richtlijn 64/221.

4. Dit lid vormt een herhaling, met enkele kleine wijzigingen, van de tekst van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 64/221.

5. Dit lid vormt een herhaling van de tekst van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 64/221.

30.

Artikel 26


1. Deze bepalingen zijn erop gericht een betere bescherming tegen maatregelen tot verwijdering van het grondgebied te garanderen door de lidstaten ertoe te verplichten, alvorens een besluit tot verwijdering tegen de burger van de Unie of een familielid te nemen, rekening te houden met de graad van integratie van de persoon in het gastland op basis van bepaalde elementen die indicatief zijn genoemd. Het gaat niet om een bepaling zonder juridische gevolgen, aangezien een besluit van de lidstaten waarbij met deze elementen geen rekening zou worden gehouden, eventueel zou kunnen worden beschouwd als onevenredig, en derhalve nietig zou kunnen worden verklaard door de nationale rechtbanken, die, bij uitdrukkelijke bepaling in deze richtlijn (artikel 29, lid 4), verplicht zullen zijn toe te zien op de daadwerkelijke inaanmerkingneming van deze elementen.

2. Door deze bepaling wordt een absolute bescherming ingevoerd tegen de uitwijzing van burgers van de Unie of de familieleden die een duurzaam verblijfsrecht hebben verworven, alsook voor de familieleden die minderjarig zijn. In het geval van de minderjarigen is deze bescherming ingegeven door humanitaire overwegingen. Wat betreft de personen die een duurzaam verblijfsrecht hebben verworven, wordt ervan uitgegaan dat deze personen met het gastland zeer nauwe integratiebanden hebben ontwikkeld die een verwijderingsmaatregel ongerechtvaardigd maken. Een uitwijzingsmaatregel heeft zeer ernstige gevolgen voor de betrokken personen, voor wie alle affectieve en familiebanden zouden worden verbroken die hij in het gastland had ontwikkeld.

31.

Artikel 27


1. Door deze bepalingen worden alleen ziektes en gebreken gespecificeerd die de weigering van toegang en verblijf kunnen rechtvaardigen om redenen van volksgezondheid. Het gaat om bepaalde ziektes en gebreken die voorkwamen in de bijlage bij Richtlijn 64/221 en die nog steeds actueel zijn. Daar de overige ziektes niet meer actueel zijn, is de bijlage bij Richtlijn 64/221 in deze tekst niet overgenomen.

2. Deze beperking neemt het bepaalde van artikel 4, lid 2, van Richtlijn 64/221 over, en staat het op losse schroeven zetten van het verblijfsrecht om gezondheidsredenen niet toe.

3. De toepassing van deze bepalingen moet volledig uitzonderlijk zijn, tenzij er ernstige aanwijzingen zijn dat de betrokken persoon lijdt aan een van de ziektes of een van de gebreken heeft die de afwijzing van toegang en verblijfsrecht kunnen rechtvaardigen, en het gastland alle kosten van het betrokken onderzoek draagt. Dit onderzoek mag in geen geval een systematisch karakter hebben, waardoor het nuttige effect in het gedrang zou worden gebracht van de bepalingen betreffende de afgifte van het bewijs van verblijf of de verblijfskaart, bedoeld in de artikelen 8 en 10.

32.

Artikel 28


1. In deze bepaling wordt de tekst van artikel 7, eerste alinea, van Richtlijn 64/221 overgenomen, waarbij tenslotte de wijze wordt gepreciseerd waarbij de kennisgeving moet plaatsvinden volgens een beginsel dat is vervat in het arrest van het Hof van Justitie van 18 mei 1982 in de gevoegde zaken 115 en 116/81, Adoui en Cornuaille, Jurisprudentie 1982, blz. 1665, punt 13. In de zin wordt niet geëist dat het besluit wordt vertaald in de taal van de betrokkene, vooral wanneer het gaat om een minder verspreide taal, maar wordt de lidstaten opgelegd alle maatregelen te nemen die ertoe kunnen bijdragen dat vaststaat dat de betrokkene de inhoud en de gevolgen van het besluit heeft begrepen.

2. In deze bepalingen wordt de tekst van artikel 6 van Richtlijn 64/221 overgenomen met invoeging van twee preciseringen die ingegeven zijn door de jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest van 28 oktober 1975 in zaak 36/75, Rutili, Jurisprudentie 1975, blz. 1219, punt 39), volgens welke de lidstaat de betrokkene, op het moment zelf waarop van de restrictieve maatregel met betrekking tot hem kennis wordt gegeven, de nauwkeurige en volledige motieven van het besluit moet mededelen om de betrokkene in staat te stellen zich naar behoren te verweren. Een bijkomende garantie is toegevoegd door erin te voorzien dat het besluit tot weigering van toegang of verblijfsrecht niet alleen moet worden gemotiveerd doch ook in schriftelijke vorm moet plaatsvinden, zulks om te bewerkstelligen dat de bevoegde rechtbanken eventueel een effectieve juridische controle kunnen uitoefenen.

3. Ter aanvulling van de bescherming van de betrokkene moet de kennisgeving deze op de hoogte brengen omtrent de rechtsmiddelen tegen een besluit tot weigering van binnenkomst of verblijfsrecht. In de laatste alinea wordt de tekst van artikel 7, tweede alinea, van Richtlijn 64/221 overgenomen, waardoor de betrokkene, behalve in geval van naar behoren gemotiveerde urgentie, ertoe in staat wordt gesteld op het grondgebied van het gastland te verblijven, en wel naargelang van het geval ten minste 14 dagen of een maand, wat hem de tijd geeft die nodig is om de formaliteiten voor de indiening van zijn beroep te vervullen.

33.

Artikel 29


1. Deze bepalingen zijn erop gericht de begunstigden van het verblijfsrecht toegang te garanderen tot de administratieve en gerechtelijke rechtsmiddelen, waardoor volledige rechtsbescherming wordt gegarandeerd.

2. Volledige rechtsbescherming sluit niet de mogelijkheid uit dat een lidstaat voorziet in een beroepsprocedure bij een administratieve instantie. In dat geval moeten de objectiviteitsgaranties worden nageleefd die vervat zijn in artikel 9 van Richtlijn 64/211, en met name het voorafgaand advies van een bevoegde instantie die verschillend is van die welke het besluit tot afwijzing van binnenkomst zal nemen of bevel tot verwijdering van het grondgebied zal geven, alsook garanties voor het recht van verweer.

3. Op grond van dit besluit zal de nationale rechter voortaan de mogelijkheid hebben de opheffing van de uitvoering van het besluit tot weigering van binnenkomst of verwijdering ten gunste van de betrokkene te gelasten, wanneer prima facie wordt geoordeeld dat het besluit ongerechtvaardigd is, zelfs indien het nationaal recht er niet in voorziet dat het beroep een opschortend effect heeft. De mogelijkheid voor het beroep een automatisch opschortend effect te erkennen lijkt geen geschikte oplossing te zijn omdat een en ander de weg zou openen voor eventueel misbruik. Toch kan men vertrouwen stellen in de beoordeling van de nationale rechter om zich te verzekeren van een adequate bescherming van zowel de belangen van particuliere personen als lidstaten.

4. Door deze bepaling, waarin punt 15 van het arrest Adoui en Cornuaille wordt overgenomen, wordt het duidelijk dat de controle van de nationale rechter niet enkel een controle inzake de wettigheid betekent, welke op het betrokken terrein slechts van zeer beperkt belang zou zijn, doch ook een controle van de feiten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De tweede alinea van lid 4 brengt alle elementen binnen het beoordelingsterrein van de nationale rechter die indicatief vermeld zijn in artikel 26 van deze richtlijn, door de rechter ertoe te verplichten over te gaan tot een controle van de maatregel in kwestie ten aanzien van het fundamentele beginsel van proportionaliteit.

5. Lid 5 stelt de lidstaten ertoe in staat de aanwezigheid van de betrokkene op hun grondgebied tot het proces te weigeren, terwijl zijn persoonlijke aanwezigheid ten overstaan van de rechter tijdens het proces wordt gewaarborgd, naast zijn fundamenteel recht op een billijk proces (arrest Pecastaing van het Hof van Justitie, punt 13).

34.

Artikel 30


1. Door deze bepaling wordt op wetgevingsvlak een recht bevestigd dat reeds door het Hof van Justitie is erkend (arrest van 18 mei 1982 in de gevoegde zaken 115 en 116/81, Adoui en Cornuaille, punt 12; arrest van 19 januari 1999 in zaak C-348/96, Donatella Calfa), waarbij het verblijfsverbod voor het leven wordt verboden voor personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verwijderingsmaatregel om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

2. Lid 2 bepaalt dat de redelijke termijn voor de indiening van een nieuw verzoek, waarvan door het Hof van Justitie melding werd gemaakt in het voornoemde arrest Adoui en Cornuaille, niet meer mag bedragen dan twee jaar te rekenen vanaf het besluit van afwijzing van toegang of verwijdering van het grondgebied. Bij het heronderzoek van het nieuw verzoek zal de lidstaat rekening moeten houden met elke materiële wijziging van de omstandigheden die het eerste besluit tot verwijdering hadden gerechtvaardigd.

Deze bepaling stelt ook de termijn vast waarbinnen de lidstaat zich over het nieuw verzoek moet uitspreken, zulks om te vermijden dat de eerste alinea haar nuttig effect verliest.

3. In lid 3 worden de bewoordingen van punt 12 van het voornoemde arrest Adoui en Cornuaille overgenomen. De oplossing lijkt aangepast aan de noodzaak eventueel misbruik uit te sluiten.

35.

Artikel 31


1. Deze nieuwe bepaling betreft de gevallen waarin de maatregel tot verwijdering van het nationaal grondgebied wordt genomen bij wijze van straf of maatregel ter aanvulling van een vrijheidsstraf, genomen door de strafrechter, dan wel door de administratie, zoals het geval is in bepaalde lidstaten wanneer er een strafrechtelijke veroordeling voor bepaalde misdrijven bestaat. Hoewel het strafrecht in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, behoort het tot de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het Gemeenschapsrecht voor deze bevoegdheid grenzen oplegt en dat een en ander in feite de fundamentele vrijheden niet mag beperken die gegarandeerd zijn door het Gemeenschapsrecht (arrest van 2 februari 1989 in zaak 186/87, Cowan, punt 19). Op grond van deze nieuwe bepaling moeten de nationale strafrechter of de administratieve autoriteit voortaan, alvorens bij wijze van sanctie of aanvullende maatregel vervat in de nationale wetgeving de uitwijzing van een burger van de Unie of een familielid op te leggen, ongeacht diens nationaliteit, het Gemeenschapsrecht eerbiedigen, en met name het bepaalde in deze richtlijn, in het bijzonder de artikelen 25, 26, 27 en 30, lid 1.

2. In verschillende lidstaten wordt de maatregel tot verwijdering op een wel bepaald moment genomen, dikwijls tegelijk met een strafrechtelijke veroordeling, terwijl de materiële uitvoering van de maatregel later gebeurt, soms verschillende jaren na het oorspronkelijke besluit. Deze bepaling legt de lidstaat de verplichting op na te gaan of op het moment van de uitvoering van de maatregel tot uitwijzing het gevaar voor de openbare orde en de openbare veiligheid nog bestaat, en te beoordelen of de omstandigheden niet zijn veranderd die aanleiding waren tot het oorspronkelijke besluit tot verwijdering.

36.

Hoofdstuk VII


Slotbepalingen

Artikel 32

Aangezien de richtlijn een nieuw stelsel inzake het vrij verkeer en het verblijf van de burgers van de Unie invoert en daardoor nieuwe rechten worden vastgesteld, is het wenselijk dat de lidstaten de burgers van de Unie over hun rechten en plichten informeren m.b.t. de door deze richtlijn bestreken aangelegenheden.

37.

Artikel 33


In dit artikel worden de beginselen gedefinieerd die moeten worden nageleefd bij de sancties die van toepassing zijn in geval van schending van de nationale bepalingen die werden vastgesteld in toepassing van de richtlijn. Zij moeten effectief, proportioneel en afschrikkend zijn en zij moeten vergelijkbaar zijn met die welke de lidstaten toepassen op eigen onderdanen bij minder belangrijke inbreuken op de wet. Door deze bepaling wordt de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie terzake opgenomen (zaken C-265/88 Messner en C-24/97 Commissie/Duitsland).

38.

Artikel 34


Deze richtlijn vormt geen hinderpaal voor de toepassing van nationale bepalingen die, wat betreft de onderdanen van de andere lidstaten, gunstiger zijn dan de bepalingen van deze richtlijn. De wetgeving van een lidstaat die erin voorziet dat een familielid dat onderdaan is van een derde land, na twee jaar verblijf een autonoom statuut kan verkrijgen, kan aldus verder worden toegepast.

39.

Artikel 35


Dit artikel bevat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht die worden ingetrokken of opgeheven en die welke gehandhaafd blijven. In de praktijk blijven van de huidige communautaire teksten inzake vrij verkeer en verblijfsrecht slechts de Verordeningen nrs. 1612/68 en 1251/70 van kracht.

Wat Verordening nr. 1612/68 betreft, worden door deze richtlijn sommige bepalingen ervan opgeheven betreffende de notie familielid en toegang tot werk van de familieleden: de bepalingen van deze richtlijn dienaangaande zijn immers op iedereen van toepassing, en vervangen derhalve vergelijkbare bepalingen die tot dusverre waren vervat in Verordening nr. 1612/68.

In aansluiting op de goedkeuring van deze richtlijn zal de Commissie te zijnertijd een voorstel indienen tot intrekking van Verordening nr. 1251/70, die zij had goedgekeurd op grond van artikel 39, lid 3, punt d), van het Verdrag, waarbij aan de Commissie exclusieve bevoegdheid werd verleend op het gebied van het verblijfsrecht voor werkenden.

Om het ontstaan van een juridisch vacuüm te vermijden, treden de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel op 1 juli 2003 in werking.

40.

Artikel 36


Dit artikel is gewijd aan de voorbereiding door de Commissie van een verslag over de toepassing van deze richtlijn, zoals dit dikwijls het geval is met nieuwe richtlijnen. Voor de Commissie zal het aldus mogelijk zijn de correcte omzetting van de richtlijn te verifiëren alsook eventuele moeilijkheden bij de toepassing ervan op te sporen, en na te gaan of het wenselijk is eventuele wijzigingen voor te stellen.

41.

Artikel 37


De lidstaten moeten deze richtlijn vóór 1 juli 2003 goedkeuren en publiceren, en de bepalingen ervan toepassen vanaf 1 juli 2003. Zij lichten de Commissie in over de wijzigingen in hun wetgevende, regelgevende en bestuursrechtelijke bepalingen. Bij de goedkeuring van deze bepalingen voegen zij een verwijzing naar deze richtlijn toe.

42.

Artikel 38


Dit artikel bevat de datum van inwerkingtreding van de richtlijn.

43.

Artikel 39


Deze richtlijn is enkel tot de lidstaten gericht.