Debat over de Hoenderloo Groep

Met dank overgenomen van W.P.H.J. (René) Peters i, gepubliceerd op woensdag 21 april 2021.

De decentralisaties zouden zorgen voor een zogenaamde transformatie. Een daadwerkelijke verandering. Want het ging niet goed in de jeugdzorg. We wilden afstappen van langdurige residentiële zorg in de bossen met een hek er om heen. Die was te vaak niet passend. We wilden kinderen zo normaal mogelijk, zo thuis nabij mogelijk helpen. Gespecialiseerde hulp in een kleinschalige setting of een gezinshuis, met oog voor school, werk, verenigingsleven en als het kan ook de familie. Meer maatwerk en meer perspectief dus.

Voorzitter,

De Hoenderloo Groep ging dicht. Op zich is dat voor mij niet per se een probleem. We wilden tenslotte af van dergelijke grote residentiele instellingen. Maar de sluiting stelde mensen wel voor enorme urgente en grote problemen. Want wat nu? En daarbij was de Hoenderloo groep misschien niet voor ieder kind passend. Maar voor sommige kinderen gewoon wel.

Voorzitter,

Kinderen die moeilijk plaatsbaar zijn hebben een overeenkomst. Ze zijn moeilijk plaatsbaar. En verder verschillen ze enorm van elkaar. De vraag was, en is, wie neemt de regie om een passende plek voor deze kinderen te organiseren.

Ik lees in de brief van de staatssecretaris eigenlijk dat voor alle kinderen een (meest) passende plaats is gevonden. Maar meest passend is het altijd, dat hangt af van het aanbod. Maar past het goed? Zijn de kinderen geholpen? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter,

Loopt er een onderzoek dat analyseert hoe de problemen van deze kinderen zijn ontstaan? Waar ze vandaan komen en hoe we eerder en beter kunnen helpen? Zo nee, kan zo’n onderzoek niet aansluiten bij het onderzoek ‘ketenbreed leren’. Dat levert winst op voor het kind. Maar we leren ook van het patroon. En dus goed voor de jeugdhulp.

Voorzitter,

Wij wilden zo thuis nabij mogelijke hulp voor kinderen. Dat zijn bijvoorbeeld gezinshuizen of kleinschalige voorzieningen.

Klopt het dat in de jeugdwet geen sprake is van gezinshuizen en kleinschalige voorzieningen. Maar alleen van pleegzorg? En waarom is dat?

Voorzitter,

Vervolgens is het de vraag of die plekken er ook zijn. Hoeveel gezinshuizen zijn er nu? En hoeveel kleinschalige voorzieningen? Peer van der Helm becijfert in Sociale Vraagstukken dat er nog zo’n 2700 bij moeten komen. Is de staatssecretaris het daar mee eens? En zo ja, wat gaat hij dan doen om te zorgen dat die plekken er ook komen?

Voorzitter,

Ik lees nog wel eens gemeentelijke stukken. Daar staat dan vaak, keurig conform de visie op transformatie in dat residentiële bedden worden afgebouwd. Chapeau. Dat is een goed idee. Maar wat komt daar dan voor in de plaats? Dat zouden dan die gezinshuizen en kleinschalige voorzieningen dichtbij het netwerk van de jongere moeten zijn? Maken/kennen de gemeenten de verschillen tussen residentiele bedden in drie milieu en residentiele bedden in een gezinshuis of kleinschalige voorzieningen? Of worden deze als aantallen over een kam geschoren? Zijn alle plekken in beeld?

Ik hoor dat dwang in de jeugdhulp afneemt. Maar evengoed in de GGZ weer toeneemt. Is hier sprake van communicerende vaten vraag ik aan de minister? Hoe voorkomen we nu dat straks op andere plaatsen instellingen plotseling omvallen zonder dat er iets geregeld is? En hoe helpen we gemeenten om de regie op die transformatie op te pakken? Of is de staatssecretaris dat zelf van plan.

Voorzitter,

Kinderen die moeilijk plaatsbaar zijn hebben een grote overeenkomst. En dat is dat ze moeilijk plaatsbaar zijn. Er is maatwerk nodig. Aandacht voor huisvesting, inkomen, scholing en het netwerk. We zorgen volstrekt onvoldoende voor de groep kinderen.

Hoe helpen we gemeenten regie te nemen. Hoe voorkomen we dat ongelukken als de Hoenderloo groep opnieuw gebeuren. En hoe helpen we deze meest kwetsbare kinderen alsnog aan maatwerk.

Tot zover