Richtlijn toereikende minimumlonen in de Europese Unie

Met dank overgenomen van Europa Nu.
Europese Commissie logo op het glas
Bron: © Kevin Bergenhenegouwen

De Europese Commissie i wil ervoor zorgen dat werknemers beschermd worden door toereikende minimumlonen, ongeacht waar ze werken in de Europese Unie i. De Commissie heeft eind oktober 2020 een voorstel gedaan voor een richtlijn i die dit regelt. Dit voorstel is onderdeel van een van de speerpunten van het programma van Commissie-Von der Leyen i: het versterken van de sociale markteconomie.

In alle 27 lidstaten i van de EU bestaat momenteel een minimumloon. In de meeste landen is dit wettelijk vastgesteld, zoals ook in Nederland. In zes lidstaten (Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden) zijn werknemers door collectieve arbeidsovereenkomsten van een minimumloon verzekerd. In de meeste lidstaten met een nationaal wettelijk minimumloon is dit loon echter te laag in vergelijking met andere lonen, of onvoldoende om een waardig leven te kunnen leiden. Te veel mensen leven dan ook onder de armoedegrens door de te lage lonen.

Het voorstel van de Commissie voor de richtlijn voor toereikende minimumlonen wordt nu ter goedkeuring voorgelegd aan het Europees Parlement i en de Raad i. Als de richtlijn wordt aangenomen, hebben de lidstaten daarna twee jaar de tijd om deze in nationaal recht om te zetten. Na vijf jaar zal de Commissie de richtlijn evalueren.

1.

De effecten van toereikende minimumlonen

Als minimumlonen op een toereikend niveau worden vastgesteld, levert dat volgens de Commissie veel voordeel op. Afgezien van een positief sociaal effect, zou het ook de loonongelijkheid verminderen en meer stimulans bieden voor mensen om te gaan werken. Daarnaast helpen minimumlonen met het bestrijden van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, aangezien vrouwen vaker dan mannen een minimumloon verdienen. Ook verbetert het de eerlijke concurrentiepositie van werkgevers die hun werknemers nu al fatsoenlijke lonen betalen. Wanneer de plannen van de Europese Commissie in alle landen worden opgevolgd kunnen tien ą twintig miljoen werknemers meer gaan verdienen, volgens de berekeningen in het voorstel van de Commissie.

Het minimumloon is in sommige landen zo laag dat het niet voldoende is om fatsoenlijk van te kunnen leven. Daarom stelt de Commissie dat er ook afspraken gemaakt moeten worden over de hoogtes van de minimumlonen, bij voorkeur ongeveer 60% van wat er gemiddeld wordt verdiend in een land. Juist in deze tijd van de coronacrisis zijn met name de sectoren met een groter aandeel laagbetaalde werknemers hard getroffen, dit zijn vaak ook de werknemers die nauwelijks het minimumloon verdienen. Voor een duurzaam economisch herstel is het belangrijk dat werknemers in de gehele Europese Unie toegang hebben tot arbeidskansen en toereikende minimumlonen. Betere arbeids- en levensomstandigheden – onder meer dankzij toereikende minimumlonen – komen uiteindelijk zowel de werknemers als de bedrijven in de Europese Unie ten goede en dragen bij aan een eerlijke arbeidsmarkt, verbetering van de productiviteit en economische en sociale vooruitgang, aldus de Commissie.

2.

Voorstel: geen verplichting voor lidstaten

Lidstaten zijn niet verplicht om een wettelijke minimumlonen in te voeren; er wordt ook geen gemeenschappelijk minimumloon vastgesteld. Wel geeft de Commissie zogenoemde indicatoren voor lidstaten om te gebruiken bij het vaststellen van minimumlonen. Daarnaast pleit de Commissie met de richtlijn voor een betere handhaving en een invoering van een jaarlijkse verplichting voor alle lidstaten om te melden hoe hun minimumlonen tot stand zijn gekomen. Maar de lidstaten mogen wel zelf bepalen hoe ze de richtlijn uitwerken, met het oog op de specifieke situaties in hun eigen land. Het voorstel van de Commissie voor een richtlijn toereikende minimumloon is daarmee in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel i.

De commissie stelt de volgende aanpassingen voor: in de lidstaten waar minder dan 70% van de lonen het resultaat is van collectieve onderhandelingen door sociale partners, wordt de lidstaten gevraagd een actieplan te presenteren om collectieve onderhandelingen te bevorderen. De lidstaten die wel een wettelijk minimumloon handhaven worden daarnaast geacht heldere criteria op te stellen voor het vast- en bijstellen van wettelijke minimumlonen. Hierbij verwacht de Commissie sterkere betrokkenheid van de sociale partners en beperkt gebruik van variaties en inhoudingen bij de vaststelling van het wettelijk minimumloon.

3.

Standpunten belanghebbenden

Europees Parlement

Het Europees Parlement verwelkomt het voorstel van de Europese Commissie voor een EU-richtlijn voor toereikende minimumlonen in de EU en noemt het een belangrijke stap om te kunnen garanderen dat iedereen een waardig bestaan kan leiden en kan deelnemen aan de maatschappij in de gehele Europese Unie. Het benadrukt dat werkgevers geen kosten zouden moeten aftrekken van het minimumloon, zoals voor accommodatie, werkkleding, gereedschap, persoonlijke beschermingsmiddelen en andere uitrusting. In het conceptrapport van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken i in het Parlement worden een aantal aanpassingen voorgesteld in de richtlijn van de Commissie: de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen in de lidstaten moet van 70%, zoals de Commissie voorstelt, naar 90% verhoogd worden, productiviteit mag niet als mogelijk criterium voor een minimumloon beschouwd worden en de minimumlonen moeten voor iedereen gelijkwaardig gelden. Na goedkeuring van dit conceptrapport in de commissie zal het als uitgangspunt van het Europees Parlement dienen bij de onderhandelingen met de lidstaten over de richtlijn.

Lidstaten

Het voorstel van de Commissie werd niet door alle lidstaten positief ontvangen. Verschillende landen vinden dat de Commissie zich hiermee te veel wil bemoeien met nationale zaken en zien de voorgestelde richtlijn als een aantasting van nationale bevoegdheden. Onder andere Bulgarije twijfelt of het voorstel in lijn is met het proportionaliteitsbeginsel i van de EU. Ook de Noordelijke lidstaten zien enige problemen wat betreft de bevoegdheid van de EU met deze richtlijn. Denemarken en Zweden vinden het voorstel in strijd met het subsidiariteitsbeginsel en hebben een subsidiariteitsbezwaar i ingediend tegen het voorstel.

4.

Nederlandse insteek

De Eerste en Tweede Kamer hebben de Europese bijdrage aan meer gelijkheid op sociaaleconomische gebied in de Europese Unie als prioritair verklaard. Dit houdt in dat het kabinet extra aandacht heeft voor (onder andere) deze richtlijn. Momenteel is het voorstel van de Europese Commissie in behandeling bij de commissie in de Eerste Kamer.

Zoals genoemd bestaat er in Nederland al een wettelijk minimumloon voor werknemers vanaf 22 jaar. Het Kabinet Rutte III i heeft aangegeven de vaststelling van de hoogte van het minimumloon als een nationale bevoegdheid te zien en benadrukt daarom het feit dat dit voorstel van de Commissie een richtlijn i is en niet bindend is. Deze bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten moet dan ook gerespecteerd blijven. Wat betreft het subsidiariteitsprincipe beoordeelt het kabinet het voorstel positief, wat betreft proportionaliteit is het kabinet echter deels negatief. Dit oordeel komt voort uit de keuze van de Commissie voor een richtlijn als instrument. Een aanbeveling i was volgens het kabinet een geschikter instrument geweest. Het kabinet is wel positief over het feit dat de richtlijn voldoende ruimte laat voor de lidstaten om zelf invulling te geven aan regels rondom het wettelijk minimumloon.

Het kabinet is verder van mening dat om de toereikendheid van minimumlonen te beoordelen niet alleen naar het bruto loon in verhouding tot het meest voorkomende of gemiddelde bruto inkomen gekeken moet worden. Nederland zal in de onderhandelingen dan ook inbrengen dat er ook een indicator moet komen die kijkt naar netto minimumlonen.

5.

Meer informatie