De slager die zijn eigen vlees keurt

maandag 30 november 2020, 13:00, Prof. dr. F.M. van der Meer en Mr. dr. G.S.A. Dijkstra

De verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie kindertoeslag zijn inmiddels afgelopen. In de eerste week zijn vooral topambtenaren verhoord, in de tweede week bewindspersonen. Het kan de modale krantenlezer niet zijn ontgaan.

De vraag die velen in de media en de politiek bezig houdt, is wie ‘schuldig’ is aan de toeslagenaffaire. De ‘echte’ schuldige lijkt niet gevonden te zijn: waren het vooral functionarissen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verantwoordelijk voor het beleid) of van het Ministerie van Financiën (waar de belastingdienst onder valt die de regeling uitvoert)? En zijn het de politiek verantwoordelijken of juist de topambtenaren en wie van hen is dan de ‘schuldige’? De (voormalige) bewindspersonen (waaronder onder meer Asscher i en Wiebes i) hebben vooral aangegeven dat zij het niet wisten of niet beseften welke consequenties het gevoerde beleid voor gedupeerden had. Ook uit de verhoren van de voormalige topambtenaren komt een soortgelijk beeld naar voren. Met uiteraard de verschillende nuances.

Laten wij eerst ingaan op de formele kant van de onderzoekscommissie. Het gaat hier om een parlementaire onderzoekscommissie van de Tweede Kamer, die de bevoegdheid heeft getuigen op te roepen en te verhoren. Alleen deze formele terminologie doet al niet geheel toevallig denken aan een procedure bij de (straf)rechter. Een getuige die de onwaarheid spreekt kan wegens meineed strafrechtelijk worden vervolgd en zou daarvoor zelfs een gevangenisstraf opgelegd kunnen krijgen.

De commissie is samengesteld uit leden van de Tweede Kamer (‘keurig’ verdeeld over de verschillende politieke partijen). Een lid van de commissie is onder andere Renske Leijten i, die samen met Pieter Omtzigt i (geen lid van de commissie) zich volledig geworpen heeft op de toeslagenaffaire. Interessant is verder dat er ook politici zijn verhoord, ook politici die op dit moment lid zijn van dezelfde Tweede Kamer die opdrachtgever is van de commissie (waaronder Lodewijk Asscher). Maar Asscher werd niet verhoord in zijn hoedanigheid van lid van de Tweede Kamer, maar als voormalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit roept de vraag of, of de focus enkel ligt op het functioneren van (voormalig) bewindspersonen (en topambtenaren), of dat ook de rol van de Tweede Kamer zelf aan de orde komt. Het begint nu al ongemakkelijk te worden.

We moeten uiteraard het rapport afwachten, maar alleen al uit de lijst van personen die zijn verhoord, bestaan bij voorbaat al twijfels. Waarom geen (voormalige) leden van de Tweede Kamer verhoord over de rol van de Tweede kamer? De Tweede Kamerleden die zich bij uitstek hebben bemoeid zijn Renske Leijten (lid van de commissie) en Pieter Omzigt (die niet werd verhoord door deze commissie). Wie de geschiedenis van de toeslagenaffaire wat verder terug zoekt, komt er achter dat met name de Tweede Kamer hevig verontwaardigd was toen er signalen kwamen dat er sprake van fraude was met de kindertoeslagen (er werd gesproken over de ‘Bulgarenfraude’). Hier moest volgens diverse leden van de Tweede Kamer (waaronder zeer zeker Pieter Omtzigt) keihard tegen worden opgetreden. Het valt dan ook te verwachten dat de rol van de Tweede Kamer zelf, onderbelicht dreigt te worden. Maar zelfs als hier aandacht voor is, doet de vraag zich voor of het dan juist leden van de Tweede Kamer zelf moeten zijn, die hier oordelen over moeten geven. Dat juist Renske Leijten lid is van deze commissie is niet verstandig.

Tevens had de Tweede Kamer niet zelf dit onderzoek moeten uitvoeren. De Eerste Kamer (die ook deze onderzoeksbevoegdheid heeft) zou wat onafhankelijker dit onderzoek kunnen verrichten. Maar ook dan speelt de politiek nog een belangrijke rol. In een eerdere bijdrage voor De Hofvijver i, hebben wij gepleit voor een onafhankelijk raad voor het overheidsfunctioneren, naar het model van de onderzoeksraad voor de veiligheid, maar wel met de bevoegdheid getuigen op te roepen en onder ede te verhoren. Na een rapport van een dergelijk raad, is het dan aan parlement en regering om de constateringen en aanbevelingen al dan niet over te nemen en ervan te leren. Van belang is trouwens dat de opdracht van deze commissie is puur te komen tot een feitenrelaas.

Naast dit principiële punt, doet zich de vraag voor hoe deze commissie zich in de verhoren heeft opgesteld. Twee constateringen kunnen wij hierbij maken. De eerste is dat uit de vragen niet blijkt dat de commissie enkel een feitenrelaas wenst op te stellen. Een tweede constatering die hiermee samenhangt is dat uit de vragen en opstelling van (leden van) de commissie naar voren komt dat zij zich niet onafhankelijk opstelt. Een rechter die dit type vragen stelt, zou gewraakt kunnen worden. Maar dit middel kent de wetgeving niet bij een parlementaire onderzoekscommissie. Uit de verhoren van afgelopen twee weken zijn hiervan legio voorbeelden te geven. Renske Leijten die een getuige aangeeft hypocriet te zijn, is daarvan het meest duidelijke voorbeeld. Getuigen die worden afgekapt door verschillende leden van de commissie waaronder de voorzitter, passen ook niet in de opdracht van de commissie die moet komen tot een feitenrelaas op een zo objectief mogelijke manier. Sommige leden van de commissie kunnen hun irritatie en eigen opvattingen vaak moeilijk verbloemen. Wellicht begrijpelijk. Leden van de Tweede Kamer zijn gewend een debat te voeren. En zeker valt de betrokkenheid zeer te begrijpen en te achten. Maar dat is exact ons principiële punt dat wij hierboven hebben weergegeven.

In dit licht valt ook de algemene opstelling van de commissie te begrijpen (maar zeker niet goed te keuren). Zij zoekt vooral naar ‘schuldigen ’ en mogelijk naar een enkele ‘schuldige’, wat vooral ook speelt bij de (voormalige) bewindspersonen. Omgekeerd kan de wellicht onterechte schijn ontstaan dat zo vlak voor de verkiezingen eigen politieke geestverwanten in bescherming wordt genomen; zie bijvoorbeeld het afkappen van een directeur-generaal door de commissie voorzitter Van Dam i (CDA) toen gewezen werd op de rol van zijn partijgenoot Wopke Hoekstra i. Dat het niet mogelijk is om een enkele ‘schuldige’ aan te wijzen lijkt voor leden van de commissie vaak moeilijk te accepteren. Bij het komen tot een feitenrelaas past trouwens ook niet het aanwijzen van ‘schuldigen’.

 

Gerrit Dijkstra is universitair docent bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. Frits van der Meer is bijzonder hoogleraar Comperative Public Sector and Civil Service Reform aan de Universiteit Leiden.