Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 35300 VIII - Vaststelling begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2020 i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020; Memorie van toelichting; Memorie van toelichting
Document­datum 17-09-2019
Publicatie­datum 17-09-2019
Nummer KST35300VIII2
Kenmerk 35300 VIII, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2019-

2020

35 300 VIII

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020

Nr. 2

MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgave

2.1    Beleidsprioriteiten    8

2.2    Belangrijkste beleidsmatige mutaties    23

2.3    Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven    31

2.4    Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen    33

2.5    Overzicht risicoregelingen    34

3.1    Art.nr. 1 Primair onderwijs    35

3.2    Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs    43

3.3    Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie    50

3.4    Art.nr. 6 en 7 Hoger onderwijs    61

3.5    Art.nr. 8 Internationaal beleid    72

3.6    Art.nr. 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid    77

3.7    Art.nr. 11 Studiefinanciering    81

3.8    Art.nr. 12 Tegemoetkoming studiekosten    93

3.9    Art.nr. 13 Lesgelden    96

3.10    Art.nr. 14 Cultuur    98

3.11    Art.nr. 15 Media    107

3.12    Art.nr. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid    112

3.13    Art.nr. 25 Emancipatie    117

4.1    Art.nr. 91 Nog onverdeeld    120

4.2    Art.nr. 95 Apparaat Kerndepartement    121

kst-35300-VIII-2 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2019

 

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

124

5.1

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

124

5.2

Nationaal Archief (NA)

132

6.

BIJLAGEN

138

 

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

138

 

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

144

 

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

159

 

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

231

 

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek

239

  • A. 
    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

  • A. 
    Slob
  • B. 
    BEGROTINGSTOELICHTING
  • 1. 
    DE LEESWIJZER

De begroting 2020 bevat de volgende onderdelen:

  • a. 
    Beleidsagenda;
  • b. 
    Beleidsartikelen;
  • c. 
    Niet-beleidsartikelen;
  • d. 
    Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;
  • e. 
    Verdiepingshoofdstuk;
  • f. 
    Bijlagen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte MI1.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2019 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • • 
    Bij artikel 11 Studiefinanciering is in tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» vanaf dit jaar gekozen voor een verhelderende indeling tussen de instrumenten inkomensoverdracht en leningen. In totaal zijn er vier wijzigingen die in de toelichting op de tabel nader worden toegelicht.
  • • 
    De budgetverantwoordelijkheid voor de verbetermiddelen voor Caribisch Nederland en de middelen voor de samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba is overgegaan van artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie naar artikel 1 Primair Onderwijs. In verband hiermee zijn deze middelen met ingang van 2020 overgeboekt van artikel 4 naar artikel 1.
  • • 
    Naar aanleiding van een toezegging van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is bij artikel 3 Voortgezet onderwijs een overzicht opgenomen van de geschatte uitgaven aan asielzoekerskinderen afkomstig uit DAC-landen voor primair en voortgezet onderwijs tijdens de eerstejaarsopvang.
  • • 
    Bij de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen in het onderdeel Beleidsagenda wordt nader ingegaan op de door het kabinet gestarte «Operatie Inzicht in Kwaliteit».

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen. Deze motie beoogt de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft een landenspecifieke aanbeveling gedaan omtrent kansengelijkheid en onderwijs dat opleidt voor een innovatieve arbeidsmarkt (aanbeveling 15). In de beleidsagenda wordt uitgebreid op deze onderwerpen ingegaan.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Minister en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting verwijzen we naar de openbare website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • • 
    Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW. Op de website van OCW in cijfers worden onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten gevolgd, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het po en vo. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO. Daarnaast geeft deze website met de infographic «Onderwijsmonitor» inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.
  • • 
    Begin november 2018 heeft het Sociaal Cultureel Planbureau de publicatie «Het Culturele Leven» uitgebracht. In dit rapport presenteert het Sociaal en Cultureel Planbureau een model voor een periodieke rapportage over dat culturele leven. Dit model is vervolgens in dit rapport toegepast om het culturele leven in de jaren 2012-2017 in kaart te brengen.
  • • 
    De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.
  • • 
    Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).
  • • 
    Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlich-tingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB's worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.
  • • 
    De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW, en de laatste stand van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

  • a. 
    Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen wij willen zetten. Ieder thema dat ingaat op een prioriteit bevat een tabel met indicatoren en streefwaarden. Daarnaast bevat de beleidsagenda een overzichtstabel waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een tabel met niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming, een tabel met de geplande beleidsdoorlichtingen en een overzicht van de risicoregelingen.

  • b. 
    Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • • 
    Algemene doelstelling met een toelichting daarop, met bijbehorende prestatie-indicatoren.
  • • 
    Rol en verantwoordelijkheid van de Minister.
  • • 
    Tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten.
  • • 
    Beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleidsdoorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond.
  • • 
    Tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven.
  • • 
    Toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.
  • c. 
    Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • • 
    Op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    Op artikel 95 (Apparaat kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en de ZBO's opgenomen.
  • d. 
    Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen 'Dienst Uitvoering Onderwijs' en het 'Nationaal Archief'.

  • e. 
    Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2019 en de ontwerpbegroting 2020. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald door een zogenoemde staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (leerlingen en studentenramingen en studiefinanciering, loonbijstelling, prijsbijstellingen en intensiveringen uit het Regeerakkoord).

  • f. 
    Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • • 
    Overzicht RWT's en ZBO's;
  • • 
    Verdiepingshoofdstuk;
  • • 
    Overzicht moties en toezeggingen;
  • • 
    Subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het ministerie;
  • • 
    Evaluatieoverzicht: het overzicht met onderzoeken is opgenomen in één centrale bijlage.
  • 2. 
    BELEIDSAGENDA

2.1  BeleidsprioriteitenInleiding

Het Regeerakkoord gaat uit van individuele vrijheden en een hecht collectief. Dit kabinet investeert in ieders kansen en versterkt dat collectief, onder andere door extra middelen voor onderwijs. Goed onderwijs helpt kinderen en jongeren om hun gaven en talenten te ontwikkelen. Daarmee draagt het op een cruciale manier bij aan de bloei en toekomst van onze samenleving. Onze ambities liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent, voldoende en goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs. De positie van Nederlandse onderzoekers in de wereldtop willen we behouden en versterken. Maar ook cultuur en het publieke en private mediabestel verrijken het individu en verbinden de samenleving. Schrijvers, theatermakers, filmers, ontwerpers en beeldend kunstenaars dagen onze verbeeldingskracht uit; dankzij hun beelden en verhalen kunnen we onze eigen voorstelling van de wereld kritisch toetsen en ontwikkelen. Erfgoed, zoals monumenten en musea, laat zien waar we vandaan komen, wat ons heden is en hoe we ons ontwikkelen. Daarom investeert dit kabinet flink in cultuur en erfgoed. Om te bereiken dat iedereen gelijk behandeld wordt en te komen tot LHBTI-acceptatie zetten we onze regenboogmaatregelen uit het regenboogakkoord ook het komende jaar voort.

  • 1. 
    Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen
 

Tabel: Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van de gemeenten die goab-middelen ontvangen, dat 960 uur voorschoolse educatie aanbiedt aan doelgroep-peuters tussen de 2,5 en 4 jaar

       

2021

PO

1

   

100%

Percentage kindercentra met een aanbod van voorschoolse educatie, dat per doelgroeppeuter 10 uur pedagogisch beleidsmedewerker per jaar inzet.

       

2022

PO

2

   

100%

Sociale inclusie van laaggeletterden

       

2020

 

MBO

     

-3

Kwalificatiewinst4

 

2012-2013

2016-2017

2017-2018

2020

 

MBO

82,7%

86,9%

87,6%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes eerstejaars mbo5

 

2012-2013

2016-2017

2017-2018

2020

 

MBO

82,9%

84,7%

84,2%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes doorstromers in eerste jaar hbo6

 

2012-2013

2015-2016

2016-2017

2020

 

MBO

78%

81%

79%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Aantal nieuwe vsv'ers7

 

2008-2009

2016-2017

2017-2018

2019-2020

 

VO &

       
 

MBO

41.800

23.744

25.574

20.000

1    Eerste meting (voorafgaande aan de invoering per 01-08-2020) zal najaar 2019 plaatsvinden.

2    Eerste meting (voorafgaande aan de invoering per 01-01-2022) zal naar verwachting najaar 2021 plaatsvinden.

3    De Kamer is op 18 maart jl. geïnformeerd over de nieuwe aanpak van laaggeletterdheid. Onderdeel hiervan is een nieuwe landelijke monitor, die in 2019 samen met gemeenten wordt opgezet.

4    Bron: Benchmark mbo 2017, KBA Nijmegen.

5    Licht gewijzigde definitie met ingang van 2016/17 (zonder entree-opleidingen). Bron: Benchmark mbo 2017, KBA Nijmegen.

6    Bron: DUO. Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig.

7    Bron: DUO.

Het is belangrijk dat ieder kind dezelfde kans heeft om zijn of haar talenten tot bloei te brengen. In de Staat van het Onderwijs schrijft de Inspectie van het Onderwijs dat leerlingen en studenten met verschillende sociaaleconomische achtergronden elkaar steeds minder tegenkomen. Dit vermindert de kans op sociale mobiliteit en vergroot de segregatie in het onderwijs. Wij zetten in op het bevorderen van gelijke kansen en sociale cohesie. Via onder meer burgerschapsonderwijs en maatschappijleer worden leerlingen uitgedaagd om begrip te krijgen voor andermans overtuigingen en te reflecteren op het eigen gedrag en de eigen standpunten. Daarnaast nemen wij maatregelen om de kansengelijkheid te vergroten, zoals de verhoging van het aantal uren voorschoolse educatie dat kinderen met een risico op een onderwijsachterstand met ingang van 2020 aangeboden krijgen (zie de eerste indicator in de tabel boven). Andere kinderen zijn gebaat bij een meer geleidelijke overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Daarom is een pilot gestart met 10-14-scholen, samenwerkingen tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. Leerlingen krijgen op deze scholen twee jaar langer de tijd om een niveau te kiezen. Met de pilot doen we onderzoek naar de resultaten, effecten en knelpunten in deze onderwijsvorm. Het onderzoeksbureau Oberon levert de resultaten eind 2020 op. Op basis hiervan informeren wij de Tweede Kamer over het verdere vervolg. Daarnaast vergroten we met de subsidie voor het doorstroomprogramma po-vo gelijke kansen voor iedere leerling.

Met de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) zetten wij in op een lokale aanpak van kansenongelijkheid in alle onderwijssectoren. Wij stimuleren samenwerkingsverbanden tussen lokale overheden en scholen en instellingen in het hoger- en middelbaar beroepsonderwijs. In samenwerking met elkaar en/of de gemeente voeren scholen op maat gemaakte interventies uit. Komend jaar zullen wij met gemeenten meerjarige agenda's opstellen. Ons doel is het aantal aangesloten gemeenten te verhogen van 28 naar 50. Daarnaast creëren wij communities rond centrale thema's op het gebied van kansengelijkheid. Scholen kunnen zich daarbij aansluiten om van elkaar te leren. De eerste is recent gestart: deze Community Urban Education richt zich op de professionalisering van docenten in een grootstedelijke context. Leraren worden getraind om les te geven aan een diverse groep leerlingen. Verspreid over Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Tilburg doen 36 scholen (po, vo en mbo) mee.

Met het mbo, vo en gemeenten starten wij dit jaar met een nieuwe ronde regionale afspraken om voortijdig schoolverlaten (vsv) tegen te gaan (zie indicator aantal nieuwe vsv'ers). Daarnaast willen wij dit jaar het succes van eerstejaars mbo-studenten en van mbo-doorstromers in het eerste jaar hbo vergroten. Wij monitoren dit met de indicatoren. Ook het tegengaan van stagediscriminatie is een prioriteit, hier voeren wij een campagne tegen, en wij versterken de (rechts)positie van studenten. Ten slotte zetten we in op de ontwikkeling van de regionale meld- en coördinatiefunctie en reageren binnenkort op de aanbevelingen uit het interdepartementaal beleidsonderzoek naar jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ook in het hoger onderwijs (ho) staat toegankelijkheid en gelijke kansen centraal. We proberen de selectie tot een minimum te beperken. Het is ons doel dat iedere student die dit kan en wil, deelneemt in het hoger onderwijs en de studie met succes afrond.

Vanaf schooljaar 2019-2020 krijgen samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs subsidie voor een onderwijs- en ondersteunings-aanbod voor hoogbegaafde leerlingen. In 2023 zullen we een monitorings-en impactonderzoek afronden naar alle interventies die met deze subsidie worden gedaan. De interventies met grote impact zullen als goede voorbeelden worden verspreid door een Kenniscentrum, dat wij begin 2020 inrichten. In de onderwijszorgbrief en de Kamerbrief Stand van zaken thuiszitters hebben wij een aantal maatregelen aangekondigd om het passend onderwijs voor kwetsbare leerlingen te versterken. Wij werken aan een betere samenwerking tussen onderwijs en zorg en aan een bijbehorende verdeling van financiële middelen. Uiteindelijk moeten zoveel mogelijk kinderen in staat zijn om onderwijs te volgen.

In Nederland hebben verschillende regio's te maken met krimp van leerlingenaantallen, met name in het vo. In 2020 publiceren wij een maatwerkregeling voor dit probleem waarmee scholen het onderwijs in samenwerking met de regio kunnen versterken en meer toekomstbe-stendig kunnen maken. Op de langere termijn komen wij ook met een structurele regeling, waaruit geïsoleerde kleine vo-scholen extra geld kunnen ontvangen. Ook bereiden wij een wetsvoorstel voor dat bestuurders verplicht een regionaal plan onderwijsvoorzieningen te maken. Ook het mbo heeft te maken met krimp van studentenaantallen. In het programma sterk beroepsonderwijs werken we samen met de VO-raad, de Stichting Platforms VMBO en de MBO Raad aan een betere aansluiting tussen vmbo en mbo. Hierbij is het aan scholen in het vo en mbo om een antwoord te formuleren op deze krimp, waarbij wij instellingen faciliteren bij regionale samenwerking. Daarnaast maken wij het wettelijk mogelijk dat vmbo-scholen en mbo-instellingen gezamenlijk doorlopende leerroutes aanbieden. Daarnaast werken we voor het mbo aan een wetsvoorstel voor fusie met behoud van eigenheid.

  • 2. 
    Sterke docenten
 

Tabel: Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie Streefwaarde

Percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

     

2020

PO

   

nvt2

Percentage van besturen dat aangeeft dat de P-MR ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdruk-middelen1

     

2020

PO

   

nvt2

Strategisch personeelsbeleid3

     

2020

 

PO

   

_3

Strategisch personeelsbeleid3

     

2020

 

VO

   

_3

1    De eerste uitvraag van deze indicator vindt plaats in augustus 2019.

2    Er is afgesproken met het PO-Front dat hierbij het uitgangspunt comply or explain geldt, een kwalitatieve toelichting op het antwoord kan aangegeven worden. Daarnaast wordt de voortgang rond het thema werkdruk gemonitord in de tussenevaluatie (Q1 2021).

3    Indicator en streefwaarde worden in de loop van 2019 ontwikkeld in samenspraak met de sector; over de voortgang wordt gerapporteerd in het kader van de tussen- en eindevaluatie van de sectorakkoorden.

Goed onderwijs vergt goede leraren. Samen met het werk van dienstbare bestuurders, schoolleiders, onderwijsondersteuners en conciërges maken zij goed onderwijs mogelijk. Het oplopende lerarentekort in het po, vo en mbo vormt hierbij een grote uitdaging. Binnen deze aanpak is ruimte activiteiten in te zetten om specifieke problemen op te lossen, bijvoorbeeld gericht op sommige scholen met een kwetsbare leerlingenpopulatie die moeite hebben om voldoende personeel te vinden. De aanpak hiervan heeft dan ook hoge prioriteit. We werken hard samen met onder meer de sector- en vakorganisaties aan de landelijke tafel lerarentekort1 om de instroom in de lerarenopleidingen te verhogen, zowel instroom vanuit het onderwijs als zij-instroom uit andere sectoren. Voor 2020 is er € 21,2 miljoen beschikbaar voor de regeling subsidie zijinstroom. Hiervan is € 4 miljoen specifiek bestemd voor zijinstroom van docenten voor beta- en techniekopleidingen in het mbo, gezien de tekorten aan technici op de arbeidsmarkt. Verder proberen we huidige leraren in het onderwijs te houden en mensen aan te trekken met een lesbevoegdheid die nu niet in het onderwijs werken (de stille reserve). Een ander factor in het lerarentekort is dat veel leraren deeltijd werken. Wij ontwikkelen momenteel oplossingen om leraren te stimuleren meer uren te werken.

Omdat de onderwijsarbeidsmarkt sterk verschilt per regio, stimuleren wij een regionale aanpak van het lerarentekort met een subsidieregeling. Om voldoende leraren te kunnen aantrekken, zijn aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden noodzakelijk. Het kabinet heeft daarom € 270 miljoen geïnvesteerd in verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor leraren in het po. Daardoor wordt het beroep van basisschoolleraar aantrekkelijker. In het vmbo en het mbo verkennen we de mogelijkheden om de inzet van hybride docenten te vergroten, in samenwerking met EZK. Als vervolg op het advies Ruim baan voor leraren van de Onderwijsraad ontwikkelen we bovendien plannen om werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken. In de Kamerbrief Naar een aantrekkelijke onderwijsarbeidsmarkt geven we een visie op een nieuw bevoegdhedenstelsel en lichten we de aanpak toe.

We werken er naartoe om eind 2020 een ontwerp voor een nieuw bevoegdhedenstelsel klaar te hebben liggen voor po, vo en mbo.

Voor schooljaar 2019-2020 is er € 333,5 miljoen beschikbaar om de werkdruk in het primair onderwijs tegen te gaan. De teams op de scholen beslissen met elkaar over de inzet van dit geld op hun school. Daarnaast heeft de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad hierop instemmingsrecht. Wij monitoren de besteding van de werkdrukgelden met de indicatoren percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen en percentage van besturen dat aangeeft dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van werkdrukmiddelen. In 2020 voeren wij een tussenevaluatie uit naar de werkdrukmiddelen en beslissen daarna of bijsturing nodig is.

Leraren die effectief werken aan hun ontwikkeling, blijken beter les te geven. Het Lerarenportfolio, dat we in 2020 uitbreiden, ondersteunt hen hierin. Met de Wet beroep leraar willen we ook in 2020 de ontwikkeling en positionering van leraren verstevigen. We gaan actief voorlichten over het professioneel statuut en het belang van professionele ontwikkeling. Leraren krijgen de ruimte om zelf vorm te geven aan de organisatie van de beroepsgroep. In het po en vo hebben we een onderzoek uitgevoerd naar het strategisch personeelsbeleid in de sectoren. Op basis van de resultaten helpen we samen met de sociale partners po-scholen met hun personeelsbeleid. Vo-scholen krijgen ondersteuning vanuit het programma Voortgezet Leren. Daarnaast werken we aan een deugdelijk-heidseis voor strategisch personeelsbeleid. De effecten hiervan moeten zichtbaar worden in de indicatoren strategisch personeelsbeleid po en vo. We zullen nog een indicator2 ontwikkelen om de voortgang te monitoren. Via Samen Opleiden werken lerarenopleidingen en scholen intensief samen om leraren op te leiden. Deze opleidingsvorm bereidt leraren beter voor op de praktijk en vergroot de aantrekkelijkheid van de opleiding. Het is onze ambitie om in 2025 alle studenten van lerarenopleidingen op deze manier op te leiden. Om dit te bereiken, voeren wij in 2020 een nieuw gemeenschappelijk kwaliteitskader in en ontwikkelen we een systeem van peer review, zodat instellingen van elkaar kunnen leren.

  • 3. 
    Opleiden voor de samenleving van de toekomst
 

Tabel: Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie Streefwaarde

Percentage leidinggevenden dat (zeer) tevreden is over de

 

2017

2017

2024

kwaliteit van het techniekonderwijs1

VO

54%

54%

65%

Percentage vmbo-leerlingen waarbij binnen een straal van 10

 

2017

2017

2024

km rondom woonadres een techniekvestiging is2

VO

95%

95%

90-100%

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Aandeel afgestudeerden bèta-techniek3

 

2012

2017

2018

2020

 

HBO

18%

20%

20%

Hoger t.o.v. basiswaarde

 

WO

21%

26%

27%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aandeel mbo-studenten techniek3

 

2011

2017-2018

2018-2019

2020

 

MBO

28%

27%

27%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau4

 

Cohort

2012-2013

Cohort

2014-2015

Cohort

2015-2016

2020

 

MBO

       
 

Entree

66%

60%

59%

Hoger t.o.v. basiswaarde

 

Niv. 2

77%

79%

80%

 
 

Niv. 3

85%

90%

90%

 
 

Niv. 4

83%

88%

88%

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was5

 

2012/2013

2014/2015

2015/2016

2020

MBO

76%

76%

77%

Hoger t.o.v. basiswaarde

           

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer)

 

2016

2018

2019

2020

goed geeft6

MBO

77%

77%

Nog niet gepubli-ceerd7

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft3

 

2016

2018

2019

2020

MBO

76%

80%

Nog niet gepubli-ceerd7

Vasthouden

Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit (LLL)8

 

2010

2017

2018

2020

MBO

17%

19,1%

19,1%

20%

Percentage hbo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is9

 

Cohort

2010-2011

Cohort

2013-2014

Cohort

2014-2015

2020

 

HBO

88%

87%

89%

Vasthouden

Percentage wo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is10

WO

88%

88%

90%

Vasthouden

   

2010

2017

2018

2020

Percentage werkende hbo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding11

HBO

79%

80%

81%

Vasthouden

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie Streefwaarde

Percentage werkende wo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding12

WO

n.b.

72%

n.b. Vasthouden

1    ECBO (2019) «Monitor Sterk Techniekonderwijs; de nulmeting».

2    Zie voetnoot hierboven.

3    Bron: DUO

4    Bron: CBS maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplo-mering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

5    Bron: ROA, BVE-Monitor.

6    Bron: Onderzoek SBB. De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar.

7    Nieuwe cijfers worden in 2020 gepubliceerd.

8    Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS).

9    Bron: CBS, maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde hbo-bachelors ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

10    Bron: CBS, maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde hbo-masters ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

11    Bron: ROA, Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, 2011, 2018 en 2019.

12    Bron: ROA, Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, 2011, 2018 en 2019. De enquête onder wo-afgestudeerden (Nationale Alumni Enquête) wordt tweejaarlijks gehouden, waardoor niet ieder jaar bekend is.

In het Regeerakkoord pleiten wij voor een goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Dit blijft één van onze prioriteiten. Er is in Nederland een tekort aan technisch geschoolde werknemers. Daarom maken wij ons hard voor sterk techniekonderwijs. In het vmbo gaan de regio's het plan Sterk Techniekonderwijs uitvoeren. Voor dit plan is € 100 miljoen structureel beschikbaar. Onderzoekers zullen de uitvoering monitoren. In 2019 starten we een evaluatie van het Techniekpact. Deze evaluatie richt zich niet alleen op het behalen van de doelen, maar wordt een bredere verkenning van de belangrijkste thema's, zoals als aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, de PPS'en en regionale verbanden, en de inzet van bedrijfsleven. Daarnaast houden we ook een brede verkenning naar de aansluiting van het huidige onderwijs op de arbeidsmarkt. Zie hiervoor ook de indicator arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau. In het hoger onderwijs wordt na het advies van de commissie Van Rijn de vaste voet van de onderwijsbekostiging eenmalig structureel herijkt, onder andere op basis van het aandeel studenten bètatechniek. Daarbij zullen de technische universiteiten een sectorplan voor de bètatechnische opleidingen opstellen, samen met de algemene universiteiten en hogescholen om te komen tot een betere opleidingscapaciteit, hoger studentsucces en betere aansluiting met de arbeidsmarkt. Daarbij wordt ook samengewerkt met werkgevers en het toeleverend onderwijs.

Wij werken ook het komende jaar nog aan de herziening van het curriculum voor het po en vo, zodat deze blijft aansluiten op de samenleving, arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Op dit moment is het curriculum overladen. Hierdoor is er niet altijd voldoende tijd om alle onderwerpen voldoende aandacht te geven, en scholen ervaren te weinig ruimte om eigen keuzes te maken. Daarom kiezen we voor een scherper afgebakende kern. Daarnaast versterken we een doorlopende leerlijn van po naar vo. In het najaar van 2019 nemen we een beslissing over de voorstellen van de ontwikkelteams van leraren en schoolleiders en zullen deze vertalen naar onderwijsdoelen.

De systematiek van lumpsum, verantwoording door de besturen, de hoogte van de reserves en de toereikendheid van de bekostiging is onderwerp van politiek en maatschappelijk debat. Dit jaar loopt er daarom een onderzoek naar de doelmatigheid en de toereikendheid van de bekostiging in het funderend onderwijs, waarvan we de uitkomsten in 2020 verwachten.

In de bekostiging van hoger onderwijs (ho) en onderzoek worden na het advies van de commissie Van Rijn vanaf 2020 enkele wissels omgezet. Om de overmatige groeiprikkel op studentenaantallen terug te dringen en meer stabiliteit te brengen in de bekostiging, wordt het aandeel vaste bekostiging groter en de variabele bekostiging kleiner. De reallocatie van variabel naar vast wordt in zowel het hbo als in het wo beleidsrijk ingevuld. Dit betekent dat we rekening houden met het aandeel studenten bètatechniek en het aantal studenten dat switcht van een andere instelling. Met de aanpassingen in de bekostiging wil ik toe naar meer samenwerking en minder concurrentie in onderwijs en onderzoek. Een goede samenwerking tussen instellingen, maar bijvoorbeeld ook tussen instellingen en bedrijfsleven, is van belang voor de student. Hij of zij moet op de juiste plek in het hoger onderwijs terecht komen, zichzelf kunnen ontwikkelen, zijn diploma kunnen halen, en zijn plek op de arbeidsmarkt goed vinden. De Onderwijsraad en de commissie Van Rijn constateren knelpunten in het systeem van hoger onderwijs die deels samenhangen met de beschikbare hoeveelheid middelen en deels met de keuzes die instellingen maken en de transparantie daarvan (waaronder het inzicht in de kosten bij de instellingen). In het najaar van 2019 starten we met de uitvoering van een onderzoek naar de kosten(toerekening) van de instellingen, waarbij we tevens het antwoord proberen te vinden op de vraag of het macrobudget toereikend is om de kwaliteit te realiseren die verondersteld wordt en doelmatig wordt besteed. Daarnaast zijn we een traject gestart om de transparantie en verantwoording door de instellingen te verbeteren, waarbij expliciet aan de orde komt de ontwikkeling van de reserves.

Onderwijsbesturen moeten zich beter verantwoorden over de besteding van onderwijsgeld. In het programma versterking verantwoording zetten we daarom benchmarks op waarin scholen openbaar hun (financiële) verantwoording delen. Bovendien is het mogelijk prestaties van scholen met elkaar te vergelijken. Hierdoor ontstaat er een lerende cultuur en verbetert de informatiepositie van ouders, medezeggenschap en overheden. Daarnaast zorgen we ervoor dat de jaarverslagen van besturen beleidsrijker en toegankelijker worden. Ook zetten wij erop in dat besturen geen onnodig hoge reserves aanhouden. Met de introductie van het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting voor de medezeggenschapsraad in het po en vo, versterken we de positie van de medezeggenschap. Wij dienen komend jaar een voorstel in tot aanpassing van de Wet Medezeggenschap Scholen.

Het kabinet staat voor vrijheid van onderwijs tegelijkertijd hoort hierbij de verantwoordelijkheid van scholen om goed onderwijs te verzorgen en zorgvuldig met de gegeven vrijheid om te gaan. Waar dat niet gebeurt, zal er ingegrepen worden. Het huidige instrumentarium wordt daarvoor uitgebreid. Met het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen introduceren we een nieuw systeem voor het starten van een school. Dit systeem biedt meer ruimte voor verschillende identiteiten van scholen, maar stelt tegelijkertijd strakke kaders voor onderwijskwaliteit. Initiatiefnemers voor een nieuwe school maken hun voornemen duidelijk door dit te plaatsen op een portaal, ouders kunnen daar vervolgens hun belangstelling op kenbaar maken. Wij hopen dit portaal in 2020 te lanceren.

Voor het mbo is 2020 het tweede jaar van de nieuwe kwaliteitsafspraken. De instellingen werken naast de drie landelijke speerpunten gelijke kansen, jongeren in een kwetsbare positie en opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst ook aan speerpunten die samen met regionale belanghebbenden zijn bepaald (zie de indicator Kwalificatiewinst). In 2021 vindt de tussentijdse beoordeling van de voortgang plaats over de periode 2019-2020. Een goede aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt is voor ons een prioriteit. Wij monitoren dit met de indicatoren percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was, percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft en percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft. In het najaar van 2019 dienen wij een wetsvoorstel in dat regelt dat mbo-studenten die uitvallen toch een bewijs meekrijgen van arbeids-marktwaarde: een mbo-verklaring. In dat wetsvoorstel regelen wij ook het mbo-studentenfonds en het zwangerschapsverlof. Dit fonds ondersteunt studenten die vertraging oplopen en levert een bijdrage voor onderwijs-benodigdheden aan minderjarige studenten uit minima-gezinnen. Er starten 8 regionale pilots ter uitvoering van de motie Kwint/Özdil om gediplomeerden van de entreeopleiding en mbo-2 te begeleiden bij hun eerste stappen op de arbeidsmarkt. Ook komen er pilots die jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunen. Enkele jaren geleden zijn in het mbo de keuzedelen ingevoerd, keuzemodules waarmee studenten hun vakmanschap kunnen verbreden of verdiepen. Keuzedelen geven flexibiliteit. Ze kunnen snel worden ontwikkeld en daarmee wordt ingespeeld op innovaties, maatschappelijke ontwikkelingen en behoeften van de landelijke of regionale arbeidsmarkt. Volgend jaar werken we hieraan verder, zodat de keuzedelen optimaal benut worden en aansluiten bij de flexibilisering en de wensen uit de regio. Daarnaast zijn er weer twee toekenningsrondes voor het regionaal investeringsfonds voor het mbo. Daarmee bevorderen we de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt. Sinds 2019 kunnen instellingen - naast nieuwe aanvragen -ook subsidie aanvragen voor het opschalen van lopende projecten. Onderwijsinstellingen en bedrijfsleven hebben afspraken gemaakt over een aangescherpte werkwijze waarop zij komen tot een doelmatig opleidingsaanbod. Dit jaar zullen de eerste opleidingen via deze nieuwe werkwijze beoordeeld worden. Komend jaar evalueren we de beleidsregel macrodoelmatigheid. Op basis van deze evaluatie beslissen we dan of deze wet- en regelgeving moet worden aangepast. Ook starten we een experiment met geregionaliseerde beroepsopleidingen. In deze opleidingen is een gedeelte van de opleiding niet landelijk vastgesteld maar regionaal, in samenwerking tussen onderwijsinstelling en het regionale bedrijfsleven. Het is de bedoeling dat deze opleidingen beter aansluiten op de regionale arbeidsmarkt, omdat de bedrijven meedenken over de opleiding en kunnen aangeven waar zij behoefte aan hebben.

Door een verschuiving van 2021 naar 2020 is er € 11,75 miljoen beschikbaar voor het actieprogramma leven lang ontwikkelen. Hieronder valt een verkenning van een digitaal overzicht van scholingsmogelijk-heden voor volwassenen en een programma flexibilisering in het mbo.

Om meer maatwerk voor volwassenen te creëren zal de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) met de mbo-instellingen verder werken aan het ontwikkelen van certificaten voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties. Met een indicator houden wij bij hoeveel 25-64 jarigen deelnemen aan een leeractiviteit. Ook starten wij samen met de Minister van SZW pilots praktijkleren. Laaggeletterde volwassenen (taal, rekenen en digitaal) ondersteunen we vanuit het programma Tel mee met taal; het kabinet heeft extra geld beschikbaar gesteld voor de vervolgaanpak vanaf 2020 om het bereik en de effectiviteit verder te vergroten. We blijven ons samen met onze collega-bewindslieden van BZK, EZK, VWS en SZW inzetten voor het stimuleren van de Nederlandse leercultuur met een brede aanpak. Samen maken we onder andere afspraken met sociale partners over hun inzet in arbeidsvoorwaarden en O&O-fondsen.

Scholen en andere onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland werken in 2020 aan de uitvoering van de tweede onderwijsagenda Samen werken aan de volgende stap (2017-2020). De onderwijsinstellingen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben nu allemaal de basiskwaliteit bereikt. De uitvoering van de tweede agenda draagt bij aan een verdere versterking van het onderwijs. Samen met de openbare lichamen ondersteunen we de scholen. Daarnaast werken we samen met de Minister van SZW om de voorschoolse educatie zo goed mogelijk te organiseren genaamd BES(t) for kids. Ondertussen wordt er nagedacht over het vervolg op de huidige onderwijsagenda. De vorm en de inhoud hiervan worden komend jaar bekend.

In het ho is het belangrijk dat het opleidingsaanbod responsief is en snel in kan spelen op veranderingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Instellingen kunnen daarom tussentijds hun opleidingen aanpassen, experimenteren met tracks, en nieuwe opleidingen starten. Instellingen doen dit volop. Er ontstaan bijvoorbeeld steeds meer brede en interdisciplinaire opleidingen, omdat hier steeds meer behoefte aan is. Daarnaast is er ook behoefte aan flexibelere opleidingen, bijvoorbeeld voor mensen die naast een baan nog onderwijs willen volgen. Dit maken wij mogelijk in het duale en deeltijd hbo-onderwijs in het experiment leeruitkomsten.

Toch zien we dat de aansluiting tussen het ho en de arbeidsmarkt nog verbeterd kan worden. Daarom hebben we de commissie doelmatigheid hoger onderwijs gevraagd de macrodoelmatigheid van het bestaande opleidingsaanbod te analyseren. Daarnaast zullen we in de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek die aan het eind van dit jaar uitkomt, onder meer ingaan op de flexibilisering van opleidingen, de aansluiting van ons opleidingsaanbod op de arbeidsmarkt en op de manier waarop het hoger onderwijs studenten nog beter kan voorbereiden op wat de veranderende samenleving en arbeidsmarkt van hen vraagt.

In Nederland heeft één op de tien huishoudens te maken met problematische schulden en voor één op de vijf huishoudens bestaat het risico om met problematische schulden te maken te krijgen. In het Regeerakkoord spraken wij af dat er meer moet worden ingezet op direct contact met schuldenaren, om escalatie van schulden te voorkomen. Naast een maatschappelijk belang heeft de overheid ook een financieel belang bij het meer persoonsgericht innen van schulden. Een deel van de schulden staat bij DUO uit als studielening, en meer dan 15% van de schuldenaren van DUO heeft momenteel een betalingsachterstand. Daarom gaat DUO op een meer persoonsgerichte manier schulden innen, door zelf proactief contact te zoeken met studenten en oud-studenten die een aanzienlijke betalingsachterstand hebben of dreigen te krijgen. Medewerkers van DUO zoeken samen met de (oud-)student naar een oplossing en kunnen een betalingsregeling op maat voorstellen. DUO heeft in 2018 succesvol geëxperimenteerd met deze aanpak.

  • 4. 
    Onderzoek van wereldformaat
 

Tabel: Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage open-access gepubliceerde artikelen1

 

2016

2017

2018

2020

 

OWB

42%

50%

Nog niet gepubli-ceerd2

100%

1    Bron: VSNU.

2    VSNU levert de cijfers in najaar 2019.

Nederlandse onderzoekers behoren tot de wereldtop. We willen onze positie behouden en versterken. In de brief Nieuwsgierig en betrokken beschreven wij onze ambities voor het wetenschapsbeleid voor de komende jaren. We streven naar 100% open access in 2020 (het percentage over 2017 is 50%). Dit zou betekenen dat dan alle wetenschappelijke publicaties voor iedereen gratis toegankelijk zijn.

Onderzoek staat in nauwe verbinding met de maatschappij. Komend jaar bouwen we die verbinding uit met de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De middelen die hiervoor beschikbaar zijn stijgen tot € 130 miljoen. Via de NWA stimuleren we multidisciplinaire samenwerking in de volle breedte van de wetenschap via 25 routes. De gehonoreerde consortia uit de eerste call voor langjarige onderzoeksfinanciering komen volgend jaar op stoom. Voor de onderwerpen die aangedragen zijn door de vakdepartementen zullen in 2020 calls gelanceerd worden op acht onderwerpen, waaronder digitale innovaties en werk, economische veerkracht van vrouwen, encryptie, herstel biodiversiteit en vernieuwing toezicht. Voor de ideeëngenerator voor creatieve, spannende en innovatieve onderzoeksideeën zijn er komend jaar twee aanvraagrondes.

Naar aanleiding van het advies van de commissie Van Rijn hebben we besloten om met ingang van 2020 in totaal € 60 miljoen over te hevelen van de middelen van NWO (tweede geldstroom) naar de universiteiten (eerste geldstroom). Door de middelen niet via NWO te verdelen maar direct aan de universiteiten toe te kennen, neemt de matchingsdruk bij universiteiten af en ontstaat meer vrije financiële ruimte bij hen. De universiteiten werken samen met NWO en de KNAW aan een voorstel om de overheveling op te laten lopen tot € 100 miljoen. Op basis daarvan wordt over de invulling van de resterende overheveling besloten. De prioriteiten uit het Regeerakkoord worden hierbij ontzien en de overheveling moet leiden tot meer samenwerking en profilering. Naar aanleiding van de motie van Meenen onderzoeken we op dit moment of de over te hevelen sectormiddelen voor bèta/techniek ten goede kunnen komen aan de algemene universiteiten.

Ook op Europees niveau zijn wij actief om onze doelen te bereiken. Wij dringen aan op een andere manier van onderzoeksbeoordeling, omdat de huidige focus op citatiescores niet voldoende zegt over de kwaliteit van wetenschap. Wij willen dat er ook aandacht is voor wetenschap met maatschappelijke impact, goede verbinding met onderwijs en academisch leiderschap. Na de Europese Gender Summit in oktober 2019 gaan wij een nationaal actieplan maken voor diversiteit in de wetenschap. Voor de nieuwe Europese begroting legt het Regeerakkoord de nadruk op een modernere Europese begroting die meer is gericht op onderzoek en innovatie. Onze uitgangspunten voor het Europese onderzoeksprogramma Horizon Europe i hebben een duidelijke plek gekregen in het akkoord: Excellentie, impact en open science. In 2020 krijgen wij met de tweejarige Balans van de Wetenschap inzicht in de positie van wetenschap in Nederland ten opzichte van andere landen. Wij blijven ons voor deze lijnen en uitgangspunten inzetten.

Ook onderzoeken we samen met de andere departementen in hoeverre aanvullende maatregelen gewenst zijn met betrekking tot de risico's van ongewenste kennis- en technologieoverdracht in het academisch onderwijs en onderzoek en op welke manier een brede kennisregeling kan worden opgezet.

  • 5. 
    Cultuur
 

Tabel: Cultuur

Doelstelling/indicator    Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie Streefwaarde

Percentage scholen dat deelneemt aan het programma CMK1

2017

2018

2020

Cultuur

42%

55%

>50%

Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede

2013

2018

2020

staat2

Cultuur

87%

84,5%3

85,5%4

1    Bron: Cultuureducatie met Kwaliteit.

2    Bron: Erfgoedmonitor.

3    Toelichting bij realisatie 2018 en streefwaarde: Als gevolg van een verbetering in de meetmethode is het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2018 lager dan in 2013. In de meting van 2013 waren alleen rijksmonumenten opgenomen die een abonnement hadden afgesloten bij de Monumentenwacht. Die zijn gemiddeld in betere staat dan de monumenten die niet worden geïnspecteerd. De nieuwe percentages uit 2018 zijn gebaseerd op metingen bij rijksmonumenten waarvoor geen abonnement bij de Monumentenwacht is afgesloten en zijn daardoor representatiever. De komende jaren wordt de meetmethodiek verder verbeterd. Omdat de basis verandert, verandert de streefwaarde ook. De doelstelling van 1% meer rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2020 blijft echter overeind (dit zijn ca 600 monumenten). In lijn daarmee is de streefwaarde voor 2020 bijgesteld naar 85,5% van de rijksmonumenten in redelijk tot goede staat.

4    Zie voetnoot hierboven.

2020 wordt een belangrijk jaar voor ons cultuurbeleid: wij besluiten dan over het cultuurstelsel 2021-2024. Cultuur is van en voor iedereen.

Daarom hebben we in de uitgangspuntenbrief Cultuurbeleid 2021-2024 beschreven hoe andere vormen, nieuwe genres en nieuw publiek een plaats krijgen in het cultuurbeleid. Zo versterken we het draagvlak voor cultuur. Door aandacht voor andere kunstvormen en nieuwe generaties makers bereiken we ook groepen die zich misschien minder aangesproken voelen door wat er nu in schouwburgen, concertzalen en musea te beleven is. Het nieuwe stelsel geven we in samenspraak met medeoverheden vorm. Vanuit regeerakkoordmiddelen investeren we ongeveer € 29 miljoen extra hierin, waarmee de totale intensivering in cultuur uitkomt op € 80 miljoen jaarlijks. Vooruitlopend op deze nieuwe periode komt al structureel extra geld vrij voor de toegankelijkheid van cultuur voor kinderen uit arme gezinnen en personen met een handicap. Daarnaast is er alvast extra geld voor talentontwikkeling en cultuurdeelname in de wijk. Naar aanleiding van de motie Ellemeet-Asscher over de onderhandelingspositie van zzp'ers onderzoeken we hoe experimenteerruimte gecreëerd kan worden, zodat zzp'ers werkzaam in de culturele en creatieve sector collectief kunnen onderhandelen. De behoefte van de sector hangt ook samen met maatregelen voor zzp'ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt, in het kader van vervanging van de Wet DBA en de mogelijkheden die de ACM beschrijft in haar «Leidraad tariefafspraken voor zzp'ers in cao's». Ook stellen wij in 2020 een scholingsfonds in en komt er incidenteel geld beschikbaar voor high end tv series en voorstellingen.

Het Nederlands erfgoed krijgt volgend jaar ook een forse financiële impuls. Uit het regeerakkoord wordt € 60 miljoen beschikbaar gesteld voor erfgoed en monumenten. Daarnaast is er € 10 miljoen voor verduurzaming vanuit de reguliere middelen. Ook de digitale toegang en gebruik van erfgoed wordt gestimuleerd. Het is ons streven om 90% van de Nederlandse bevolking met digitaal erfgoed te bereiken en 30% actief te laten participeren. Met het programma Historisch Democratisch bewustzijn wordt extra geïnvesteerd in bezoek aan onze musea en parlement en de toegankelijkheid van onze historische plaatsen. Een commissie onder leiding van James Kennedy adviseert het kabinet in april 2020 over een herijking van de Canon van Nederland. De commissie Pechtold brengt in het najaar van 2019 advies uit over de bescherming van cultureel erfgoed in particulier bezit. We komen volgend jaar met een reactie. Ten slotte moderniseren we de Archiefwet 1995. Hiermee geven we invulling aan de motie Segers om deze wet aan te passen aan de digitale ontwikkelingen en eisen.

  • 6. 
    Media
 

Tabel: Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie Streefwaarde

Alle afspraken uit prestatieovereenkomst worden door NPO

 

2017

2018

2020

nagekomen1

Media

33/342

33/342

34/34

1    Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media.

2    De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd.

Onafhankelijke, betrouwbare en kwalitatief hoogwaardige media zijn onmisbaar. Het belang van goede onderzoeksjournalistiek blijft onverminderd groot, de media vervullen een onontbeerlijke rol in onze maatschappij en democratie. We zetten daarom ook in 2020 in op de versterking van (onderzoeks)journalistiek, met nadruk op de regionale en lokale journalistiek. Wij stimuleren (onderzoeks)journalistieke producties, investeringen in professionalisering en talentontwikkeling en innovatie van de journalistieke infrastructuur in Nederland.

In samenwerking met het Ministerie van BZK, de VNG en de NLPO (Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen) werken we het advies uit over de organisatie en financiering van lokale publieke omroepen van de Raad voor cultuur en Raad voor het openbaar bestuur. Voor 2020 is er een subsidieregeling ingesteld voor de regionale publieke media-instellingen. Deze vervangt de eerdere regeling B van de Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019. Met deze subsidie investeren we in projecten gericht op toekomstgerichte innovatie en op samenwerking lokale, regionale en landelijke media.

De landelijke publieke omroep staat voor de uitdaging om toekomstgerichte keuzes te maken en zijn rol in de samenleving te bestendigen. De ontwikkelingen in de mediasector vragen daarom; media-gebruikers kijken niet meer alleen lineair maar ook wanneer het hen uitkomt en steeds meer online, er zijn allerlei nieuwe grote spelers op de markt en verdienmodellen veranderen. De NPO zal het komende jaar verdere invulling geven aan de Prestatieovereenkomst 2017-2020. In de visiebrief over de toekomst van het publieke omroepbestel staan de ambities van dit kabinet. We gaan de maatregelen uit de visiebrief uitwerken in overleg met de NPO, omroepen en betrokken partijen, omdat de keuzes die we gemaakt hebben van grote invloed kunnen zijn op hen en op de landelijke publieke omroep als geheel. Publieke en private mediapartijen werken ondertussen samen op verschillende vlakken om Nederlandse media-gebruikers ook in de toekomst een goed en gevarieerd media-aanbod te geven.

  • 7. 
    Emancipatie
 

Tabel: Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Acceptatie LHBTI1

 

2010

2016

2018

2020

 

Emancipatie

90%

93%

94%

> 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies2

 

2017

2018

 

2020

 

Emancipatie

RvB: 11,7% RvT: 16,2%

Nog niet gepubli-ceerd3

 

> 30%

1    Bron: LHBT monitor (SCP).

2    Bron: Bedrijvenmonitor topvrouwen 2017.

3    Cijfers worden eind september 2019 gepubliceerd.

Met de regenboogmaatregelen die wij aankondigden in het Regeerakkoord zetten wij in op het bevorderen van gelijke behandeling van LHBTI'ers. Wij doen dit vooral door het aanpassen van wetgeving en door te werken aan LHBTI'ers in het onderwijs.

Hierbij wordt ingezet op het versterken van juridische en feitelijke gelijke behandeling van mannen, vrouwen en LHBTI's. Het gaat hier om wijziging van artikel 1 Grondwet, verbod op trans- en intersekse discriminatie, het waar mogelijk beperken van onnodige geslachtsregistratie en een regeling voor deelgezag en draagmoederschap.

Zo heeft de Eerste Kamer onlangs het voorstel voor aanpassing van de Algemene Wet Gelijke behandeling met een specifiek verbod op trans- en intersekse discriminatie aangenomen. Door de modernisering van de transgenderwet wordt de verplichte deskundigenverklaring afgeschaft en wordt de procedure geslachtswijziging aangepast, ook voor intersekse personen.

Verder hebben wij drie samenhangende thema's waar we actief beleid op maken: arbeidsmarkt, sociale veiligheid en acceptatie, én genderdiversiteit en gelijke behandeling. Bij de maatregelen bouwen we voort op de resultaten van de Beleidsdoorlichting 2014-2018 In 2020 evalueren we het functioneren van de strategische allianties.

Op de arbeidsmarkt streven we naar een gelijk inkomen tussen mannen en vrouwen en voldoende vrouwen in hoge functies. We nemen extra maatregelen om het aantal vrouwen in hoge functies te laten toenemen (indicator Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies groter of gelijk aan 30%). Dit najaar presenteren wij na het verschijnen van het SER-advies «Diversiteit in de top» de maatregelen die wij hiervoor willen nemen. Een andere prioriteit is de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van vrouwen. Het is belangrijk dat genoeg vrouwen werken en ook voldoende uren maken, zodat zij financieel zelfstandig zijn. Bij onze projecten voor onder andere laagopgeleide vrouwen werken we samen met de Minister van SZW, gemeenten en het UWV aan het verkleinen van de achterstanden van vrouwen op de arbeidsmarkt. Om te zorgen dat vrouwen meer uren kunnen werken proberen we een gelijke verdeling te bereiken van zorg, zoals het huishouden, zorg voor kinderen, en mantelzorg. Voor meer sociale veiligheid werken we samen met gemeenten in een lokale aanpak. Het aantal gemeenten dat zich gaat inzetten voor Veilige Steden hebben we kunnen uitbreiden. Bijzondere aandacht hebben we voor preventie van geweld tegen vrouwen. Om meer genderdiversiteit te bereiken, willen we het bewustzijn van professionals en organisaties vergroten. Nog steeds kiezen meisjes minder vaak voor een technische opleiding. Om hierop vooruitgang te boeken, willen we bereiken dat jongeren niet begrensd worden door genderstereotypen en zich vrij voelen om in hun onderwijsloopbaan eigen keuzes te maken. We ondersteunen hen bijvoorbeeld met de alliantie werk.en.toekomst. Internationaal zetten we in op meer gendergelijkheid door naleving van het CEDAW-verdrag (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women). Met ons emancipatiebeleid dragen we ook bij aan de uitvoering van internationale afspraken, zoals de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) en het VN-Vrouwenrechtenverdrag. Verder vindt in 2020 het 25ste jubileum plaats van de Beijing Declaration and Program of Action (BPoA). BPoA is een omvattend beleidsraamwerk en actieplan om gendergelijkheid en mensenrechten voor vrouwen en meisjes te realiseren. Nederland zal deelnemen aan de Commission on the Status of Women (CSW), het High Level Special Event en andere bijeenkomsten ter viering van Beijing+25.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen (tabellen 3 t/m 8).

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige mutaties (uitgaven) (bedragen x € 1 miljoen)

 

Uitgaven

Artikelnr.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Vastgestelde Begroting 2019

 

42.024,2

41.594,6

41.582,4

41.787,6

42.115,0

 

Belangrijkste mutaties

1

Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

21,7

24,6

  • 9,3

5,0

17,9

 

2

Onderhoud en vervanging ICT

DUO

diverse

26,7

20,7

24,7

26,7

28,5

 

3

Invullen openstaande

Taakstelling

diverse

0,0

114,4

140,3

156,2

160,9

 

4

Inzet LPO voor Taakstelling en

DUO

diverse

  • 145,3
  • 148,3
  • 148,3
  • 148,6
  • 148,8
 

5

Ontvangen loon-en prijsbijstelling

91

1.042,4

1.032,5

1.035,2

1.041,9

1.047,7

 

6

Overheveling RA-middelen van de Aanvullende

Post

diverse

42,3

32,9

113,9

226,9

186,3

 

7

Intensivering

Bèta-techniek

diverse

41,0

41,0

41,0

41,0

41,0

 

8

Aanvullende middelen mediavisiebrief

15

3,0

47,5

44,5

40,0

40,0

 

9

Continueren

Fiscale scholingsaftrek

(overboeking naar Financiën)

4, 95

0,0

  • 218,0

0,0

0,0

0,0

 

10

Intensivering

Praktijkleren

 

0,0

10,6

10,6

10,6

10,6

 

11

Kasschuiven (loopt door in

2024)

diverse

54,8

252,7

  • 211,0
  • 95,2
  • 25,1
 

12

Niet-kaderrelevante mutaties

11, 12

  • 73,4
  • 84,1
  • 78,1
  • 68,0
  • 54,4
 

13

Overige mutaties

diverse

22,1

  • 3,3

0,3

2,6

22,0

 

Stand Begroting 2020

Totaal

43.059,5

42.717,8

42.546,2

43.026,7

43.441,6

43.258,9

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties (ontvangsten)(bedragen x € 1 miljoen)

 

Artikelnr.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Vastgestelde Begroting

2019

1.329,2

1.390,2

1.436,7

1.515,9

1.555,2

 

Belangrijkste

1    Leerlingen- en

           

studentenontwikkeling    diverse

  • 33,5
  • 46,2
  • 48,0
  • 44,5
  • 40,0
 

2 Niet-kaderrelevante

           

mutaties    11, 12

21,6

25,1

29,5

30,7

33,8

 

3 Rente studiefinan-

           

ciering    11

  • 2,8
  • 6,1
  • 3,4
  • 1,1

5,1

 

Overige mutaties diverse

  • 2,3

1,4

1,4

  • 1,5

20,2

 

Stand ontwerpbegroting 2020    Totaal

1.312,2

1.364,3

1.416,1

1.499,6

1.574,3

0,0

Toelichting:

Leerlingen- en studentenontwikkeling

In de begroting is de actuele raming verwerkt van de leerlingen- en studentenaantallen, en de raming van de kaderrelevante uitgaven aan studiefinanciering. Uit de Referentieraming 2019 blijkt dat het aantal leerlingen en studenten per saldo hoger is dan de in de begroting 2019 verwerkte aantallen; samen met de studiefinancieringsraming leidt de Referentieraming tot een tegenvaller op de begroting van € 70,8 miljoen in 2020 aflopend naar € 57,9 miljoen in 2023. De leerlingen- en studentenaantallen vallen hoger uit dan verwacht, met uitzondering van het voortgezet onderwijs waar de aantallen lager zijn. De studiefinancieringsraming leidt tot een meevaller. Deze is deels zichtbaar in de uitgaven en deels in de ontvangsten. De meevaller wordt onder andere veroorzaakt door lagere uitgaven op de omzetting van lening naar gift bij de bol in het mbo. Ook is er een bijstelling naar beneden op de uitgaven aan het ov. De per saldo tegenvaller op de leerlingen- en studentenraming en studiefinancieringsraming wordt door het Kabinet structureel generaal gecompenseerd. Hierdoor kunnen de onderwijsinstellingen structureel gecompenseerd worden voor de groei in leerlingen en studenten ten opzichte van de raming in het vorige jaar. Gepaard hiermee voeren wij per 2019 de mbo-systematiek in het hoger onderwijs. Hiermee verminderen wij de onrust in de begrotingscyclus. Een afwijking van het geraamde aantal studenten wordt voortaan in het ho met één jaar vertraging doorgerekend naar de ho-budgetten en de budgetten in het lopende begrotingsjaar worden niet aangepast. Hierdoor hoeft er niet meer in het lopende jaar onder tijdsdruk te worden omgebogen als er sprake is van een tegenvaller. Dit sluit aan bij de wijze waarop de leerlingenaantallen budgettair worden verwerkt in het mbo. Dit heeft als gevolg dat er in het lopende jaar voor het ho geen mee- of tegenvaller op de OCW-begroting plaatsvindt.

Onderhoud en vervangingen ICT DUO

Om de taken van DUO uit te kunnen blijven voeren, zijn investeringen nodig in onderhoud en vervanging van de ICT-systemen. Het gaat om een bedrag van € 20,7 miljoen in 2020 oplopend naar € 49,1 miljoen in 2030. Deze investeringen worden in deze begrotingswet gedekt. Voor 2020 worden de benodigde bedragen hiertoe op het instrument «bijdrage aan agentschappen» van de artikelen gezet, voor 2021 en verder zijn de middelen gereserveerd op artikel 91 «nog onverdeeld». DUO werkt momenteel aan de implementatie van de aanbevelingen uit de doorlichting. De ordentelijke implementatie van deze aanbevelingen is voorwaardelijk voor het aanwenden van de gereserveerde middelen tot en met 2024.

Invullen openstaande taakstelling

In de begroting 2019 was een taakstelling op Artikel 91 (Nog onverdeeld) geparkeerd, beginnend in 2020 met € 114,4 miljoen, oplopend tot € 160,9 miljoen in 2023. Deze taakstelling was het gevolg van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering in 2018. Deze taakstelling wordt in deze begroting structureel ingevuld door de inzet van lpo.

Inzet LPO voor taakstelling en DUO

Het grootste deel van de loon- en prijsontwikkeling (lpo) wordt uitgekeerd aan de sectoren: € 882,6 miljoen. Het restant van de lpo, € 148,3 miljoen, zetten we structureel in voor de openstaande taakstelling en het onderhoud en vervanging van de ICT-systemen bij DUO. Dit gaat om een deel van de lpo op onderwijs, onderzoek en de apparaatskosten. Als gevolg hiervan ontvangen de onderwijs- en onderzoeksectoren vanaf 2019 nog steeds meer geld, maar worden zij niet volledig gecompenseerd voor inflatie. Onder dit niet uitgekeerde deel van de lpo valt de prijsbijstelling op de onderwijsbekostiging (behalve die van artikel 1 (Primair onderwijs)), en de meeste loon- en prijsbijstelling op de andere begrotingsinstru-menten (bijvoorbeeld subsidies). Ook de prijsbijstelling over het apparaat van OCW en de agentschappen wordt ingehouden. Het grootste deel van de lpo op de OCW-begroting is echter wel uitgekeerd. Dit geldt voor alle loonontwikkeling op de onderwijsbekostiging, de loonontwikkeling op de loonsom van de apparaatskosten van de onderzoeksinstituten, de lpo op cultuur en media en de loonontwikkeling op de studiefinanciering. Daarnaast wordt de loonbijstelling op het apparaat en de agentschappen uitgekeerd.

In 2020 wordt € 148,3 miljoen ingehouden, oplopend tot € 149,2 miljoen in 2024 en verder. Deze lpo is voldoende om de openstaande taakstelling structureel te dekken en om onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen bij DUO tussen 2019 en 2024 te dekken. Omdat het kasritme van de problematiek niet aansluit met dat van de dekking is intertem-porele compensatie toegepast.

Daarnaast wordt vanaf 2024 de lpo-tranche 2018 op de intensiveringsmid-delen ingezet. Deze tranche is vorig jaar ingezet ter dekking van de problematiek in 2019-2023, en kan nu structureel worden ingezet voor 2024 en verder.

Ontvangen loon- en prijsbijstelling

Het Kabinet besloot dit voorjaar opnieuw loon- en prijsontwikkeling (lpo) uit te keren over de departementale begrotingen, ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. De lpo-tranche 2019 die OCW uitkeert aan de sectoren bedraagt in 2020 € 882,6 miljoen. Alle verplichte lpo wordt uitgekeerd. Een klein deel van de lpo wordt ingehouden ter dekking van de openstaande taakstelling en voor onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen bij DUO.

Overheveling RA-middelen van de Aanvullende Post Er zijn diverse Regeerakkoordmiddelen aan de OCW-begroting toegevoegd. Deze zijn toegelicht in de 1e suppletoire begrotingswet 2019.

Intensivering Bèta-techniek

Het Kabinet heeft structureel € 41 miljoen vrij gemaakt voor bèta-techniek. Deze middelen worden ingezet ter demping van de herverdeeleffecten van de herziening van de bekostiging in het hoger onderwijs, naar aanleiding van het advies van de commissie Van Rijn (€ 9 miljoen in het hbo en € 28 miljoen in het wo). Hierdoor gaat geen enkele instelling erop achteruit. Daarnaast wordt er € 4 miljoen beschikbaar gesteld voor zijinstroom van docenten voor bèta- en techniekopleidingen in het mbo, gezien de tekorten aan technici op de arbeidsmarkt.

Aanvullende middelen mediavisiebrief

Het Kabinet maakt structureel € 40 miljoen vrij om de publieke omroep te compenseren voor minder reclame-inkomsten. Dit is toegelicht in de brief over de visie toekomst publiek omroepbestel die op 14 juni 2019 naar de Tweede Kamer is verstuurd. Daarnaast is er voor de periode 2019 tot en met 2021 totaal € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor de versterking van de samenwerking tussen regionale en lokale publieke omroepen.

Intensivering Praktijkleren

Dit betreft een overboeking van de aanvullende post ter uitvoering van de motie Heerma om de sectoren landbouw, horeca en recreatie de komende vijf jaar tegemoet te komen met een investering in de scholing van werknemers. Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming in de loonkosten voor bbl-stageplekken.

Continueren Fiscale scholingsaftrek (overboeking naar Financiën)

Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Financiën. De fiscale regeling aftrek van scholingsuitgaven wordt nog een jaar langer dan oorspronkelijk beoogd gecontinueerd. Daarom wordt het bedrag dat in 2020 gereserveerd staat bij OCW voor een uitgavenregeling ter vervanging van de aftrek van scholingsuitgaven overgeboekt naar de begroting van het Ministerie van Financiën ter compensatie van derving van fiscale inkomsten.

Kasschuiven (loopt door in 2024)

Op diverse budgetten vinden kasschuiven plaats. Ter optimalisatie van het kasritme van de staat wordt een deel van de verplichting aan de vervoersbedrijven voor de OV-studentenkaart voor 2021 vooruitbetaald in 2020. Andere kasschuiven zijn bijvoorbeeld een schuif naar voren op de werkdrukmiddelen primair onderwijs en een schuif naar achter op de middelen van het regionaal investeringsfonds.

Niet-kaderrelevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat lagere niet-kaderrelevante uitgaven zien voor 2019 en verder, ten opzichte van de raming die in de OCW-begroting 2019 verwerkt is.

Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten en overboekingen van en naar andere departementen.

Rente studiefinanciering

De raming voor studiefinanciering laat lagere renteontvangsten zien dan de in de OCW-begroting 2019 verwerkte raming. Conform de begrotingsregels worden mutaties in de renteontvangsten generaal verwerkt.

Tabel 3 hieronder geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte III en tabel 4 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 5 geeft een saldo van tabel 3 en 4 weer.

In tabellen 6 t/m 8 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan uitgesplitst per sector weergegeven. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat een deel van de middelen per sector op begrotingsartikel 95 (Apparaat kerndepartement) belanden.

 

Tabel 3 Intensiveringen

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

1

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. 20 miljoen kleine scholen)

1

108.000

297.500

353.500

353.500

353.500

353.500

353.500

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

100.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

6, 16

25.000

38.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

55.000

0

0

0

0

0

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

50.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

G42 Media/ onderzoeksjournalistiek

15

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name nationaal restauratiefonds)

14

98.500

137.000

60.000

25.000

0

0

0

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

9.000

13.000

14.000

13.000

12.000

12.000

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl.

Pabo voor 2 jaar en intensivering profilerings- fondsen)

6, 7

70.000

165.000

165.000

170.000

170.000

175.000

175.000

Intensivering

Praktijkleren

4

0

0

10.600

10.600

10.600

10.600

10.600

Aanvullende middelen mediavi-siebrief

15

0

43.000

47.500

44.500

40.000

40.000

40.000

Beta en Techniek

4, 6, 7

0

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

Totaal

 

1.088.500

1.918.500

2.033.600

1.929.600

1.724.100

1.728.100

1.728.100

 

Tabel 4 Ombuigingen

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

G46 Doelmatiger onderwijs

diverse

  • 20.000
  • 92.000
  • 137.000
  • 183.000
  • 183.000
  • 183.000
  • 183.000

Korting Lumpsum

     

-

       

mbo

4

 

0

2.489

  • 2.489
  • 2.698
  • 2.489
  • 2.489

Korting Lumpsum ho

6, 7

 
  • 19.452
  • 3.143
  • 3.141
  • 3.515
  • 3.142
  • 3.142

Subsidietaakstelling

diverse

  • 34.261

0

0

0

0

0

0

Totaal

 
  • - 
    54.261
  • - 
    111.452
  • - 
    142.632
  • - 
    188.630
  • - 
    189.213
  • - 
    188.631
  • - 
    188.631
 

Tabel 5 Saldo intensiveringen en ombuigingen

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Saldo intensiveringen

diverse

1.088.500

1.918.500

2.033.600

1.929.600

1.724.100

1.728.100

1.728.100

Saldo ombuigingen / taakstellingen

diverse

  • 54.261
  • 111.452
  • 142.632
  • 188.630
  • 189.213
  • 188.631
  • 188.631

Totaal

 

1.034.239

1.807.048

1.890.968

1.740.970

1.534.887

1.539.469

1.539.469

Tabel 6 Intensiveringen per sector

 
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Primair onderwijs

1

431.000

717.000

813.000

813.000

813.000

813.000

813.000

Voortgezet onderwijs

3

45.000

87.106

138.575

138.826

118.405

118.001

118.001

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

5.000

10.993

22.434

22.589

22.272

21.987

21.987

Hoger beroepsonderwijs

6

63.602

143.188

147.914

150.393

148.868

151.516

151.516

Wetenschappelijk onderwijs

7

21.398

82.213

84.177

87.292

88.555

90.596

90.596

Cultuur

14

123.500

187.000

140.000

105.000

80.000

80.000

80.000

Media

15

5.000

48.000

52.500

49.500

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

150.000

228.000

225.000

225.000

225.000

225.000

225.000

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.088.500

1.918.500

2.033.600

1.929.600

1.724.100

1.728.100

1.728.100

 

Tabel 7 Ombuigingen per sector

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Primair onderwijs

1

  • 19.916
  • 30.664
  • 45.663
  • 60.996
  • 60.996
  • 60.996
  • 60.996

Voortgezet onderwijs

3

  • 10.771
  • 23.786
  • 35.420
  • 47.313
  • 47.313
  • 47.313
  • 47.313

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

  • 17.065
  • 12.666
  • 21.351
  • 27.684
  • 27.893
  • 27.684
  • 27.684

Hoger beroepsonderwijs

6

  • 2.513
  • 16.581
  • 15.028
  • 19.425
  • 19.657
  • 19.426
  • 19.426

Wetenschappelijk onderwijs

7

  • 3.354
  • 24.800
  • 20.770
  • 27.335
  • 27.477
  • 27.335
  • 27.335

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

  • 642
  • 2.955
  • 4.400
  • 5.877
  • 5.877
  • 5.877
  • 5.877

Totaal

 
  • - 
    54.261
  • - 
    111.452
  • - 
    142.632
  • - 
    188.630
  • - 
    189.213
  • - 
    188.631
  • - 
    188.631

Tabel 8 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector

 
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Primair onderwijs

1

411.084

686.336

767.337

752.004

752.004

752.004

752.004

Voortgezet onderwijs

3

34.229

63.320

103.155

91.513

71.092

70.688

70.688

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

  • 12.065
  • 1.673

1.083

  • 5.095
  • 5.621
  • 5.697
  • 5.697

Hoger beroepsonderwijs

6

61.089

126.607

132.886

130.968

129.211

132.090

132.090

Wetenschappelijk onderwijs

7

18.044

57.413

63.407

59.957

61.078

63.261

63.261

Cultuur

14

123.500

187.000

140.000

105.000

80.000

80.000

80.000

Media

15

5.000

48.000

52.500

49.500

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

149.358

225.045

220.600

219.123

219.123

219.123

219.123

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.034.239

1.807.048

1.890.968

1.740.970

1.534.887

1.539.469

1.539.469

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

 

Art.nr.

Naam artikel + totale uitgaven

Juridisch verplicht (totale uitgaven +%)

Niet-juridisch verplicht (totale uitgaven + %)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Primair onderwijs

€ 11.654.124

€ 35.504

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 30.764)
 

€ 11.689.628

99,70%

0,30%

  • • 
    Opdrachten (€ 4.740)

3

Voortgezet onderwijs

€ 8.684.485

€ 62.261

  • • 
    Nog nader in te vullen
 

€ 8.746.746

99,3%

0,70%

bekostiging (€ 0)

       
  • • 
    subsidies (€ 56.510)
       
  • • 
    opdrachten (€ 5.556)
       
  • • 
    bijdragen aan (inter)na- tionale organisaties (€ 195)

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

€ 4.655.507

€ 14.748

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 12.322)
 

€ 4.680.116

99,69%

0,31%

  • • 
    Opdrachten (€ 1.247)
       
  • • 
    Bijdrage aan medeover heden (€ 1.149)

6

Hoger onderwijs

€ 3.416.721

€ 78

  • • 
    Nog nader in te vullen
 

€ 3.416.799

99,99%

0,01%

subsidies (€ 78)

7

Wetenschappelijk onderwijs

€ 5.201.371

€ 1.627

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 848)
 

€ 5.202.998

99,97%

0,03%

  • • 
    Nog nader in te vullen opdrachten (€ 779)

8

Internationaal beleid

€ 12.308

€ 522

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 176)
 

€ 12.830

95,9%

4,1%

  • • 
    Nog nader in te vullen opdrachten (€ 207)
       
  • • 
    Nog nader in te vullen internationale organisatie (€ 139)

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

€ 84.484

€ 83.035

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 80.279)
 

€ 167.519

50,43%

49,57%

  • • 
    Opdrachten (€ 2.757)

14

Cultuur

€ 974.491

€ 30.604

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 15.788)
 

€ 1.005.095

97,0%

3,0%

  • • 
    Nog nader in te vullen opdrachten (€ 14.816)

15

Media

€ 1.005.920

€ 17.076

  • • 
    Nog nader in te vullen

Bekostiging (€ 13.527)

 

€ 1.022.996

98,33%

1,67%

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 8.116)
       
  • • 
    Nog nader in te vullen opdrachten (€ 442)
       
  • • 
    Internationale contri buties (€ 0)

16

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

€ 1.170.101

€ 2.345

  • • 
    Nog nader in te vullen subsidies (€ 2.245)
 

€ 1.172.446

99,80%

0,20%

  • • 
    Nog nader in te vullen

opdrachten (€ 100)

 

Art.nr. Naam artikel + totale uitgaven

Juridisch verplicht (totale uitgaven +%)

Niet-juridisch verplicht (totale uitgaven + %)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

25    Emancipatie

€ 11.908

€ 3.259

  • • 
    Nog nader in te vullen

Subsidies (€ 1.346)

€ 15.167

78,5%

21,5%

  • • 
    Opdrachten (€ 841)
     
  • • 
    Bijdrage aan medeover heden (€ 1071)

Bekostiging (€ 1)

Totaal aan niet verplichte uitgaven

 

€ 251.059

 

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

 

Tabel planning beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

       

Planning

   

2018    2019

2020

2021

2022

2023

Geheel 2024 artikel?

1.

Primair onderwijs

     

V

 

V

3.

Voortgezet onderwijs

     

V

 

V

4.

Beroeps en volwasseneneducatie

V

       

V

6.

Hoger beroepsonderwijs

V

       

V

7.

Wetenschappelijk onderwijs

V

       

V

8.

Internationaal beleid1

           

9.

Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

   

V

   

V

11.

Studiefinanciering

 

V

     

V

12.

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

         

V

13.

Lesgelden2

           

14.

Cultuur

   

V

   

V

15.

Media

 

V

     

V

16.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

   

V

   

V

25.

Emancipatie

V

       

V

Afgeronde en eerder toegezegde beleidsdoorlichtingen

1    Internationaal beleid is een restartikel en geen beleidsartikel. Er is dus geen beleidsdoorlichting gepland. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen.

2    Lesgelden: het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft ligt een beleidsdoorlichting niet in de rede.

Zie ook de bijlage «Overzicht evaluaties- en overig onderzoek».

Zie ook de Tabel realisatie beleidsdoorlichtingen.

Inzicht in Kwaliteit

Er is een breed gedragen behoefte om meer inzicht te krijgen in de resultaten die bereikt worden met de besteding van publiek geld. Om dat te bevorderen heeft het kabinet de Operatie Inzicht in Kwaliteit opgestart. Centraal daarin staat vergroting van kennis over maatschappelijke waarde, doelmatigheid en doeltreffendheid. Het programma kent twee trajecten:

  • • 
    (Evaluatie-) initiatieven die in het kader van het programma worden uitgevoerd en waarover op gezette tijden aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd;
  • • 
    Versterken van het onderliggende evaluatiestelsel.

OCW levert een bijdrage aan beide trajecten met als doel: evalueren, leren en beter beleid. De beleidsdoorlichting hoger onderwijs «nieuwe stijl» uit 2019 is een voorbeeld van deze nieuwe manier van evalueren waarbij de evaluatie is ingebed in de voorbereiding van de komende strategische agenda hoger onderwijs.

2.5 Overzicht risicoregelingen

 
 

Totaal plafond

i

O

o

o

ö

o

co

O

O

o

ö

00

co

 

Garantie plafond

i

i

i

 

Uitstaande garanties

2020

 

72.848

322.091

 

Geraamd te vervallen 2020

O

O

o

 

Geraamd te verlenen 2020

o

o

o

 

Uitstaande garanties

2019

163.921

72.848

322.091

 

Geraamd te vervallen 2019

1

O

346.511

CM

00

00

LO

 

Geraamd te verlenen 2019

o

131.263

15.321

O

o

o

F"

Uitstaande garanties

2018

163.921

CO

<J>

o

od

00

CM

322.652

x €

     

Tabel Overzicht verstrekte garanties (bedragen

Art. Omschrijving

7    Bouwleningen aan Academische

Ziekenhuizen

14 Indemniteits-regeling

14 Achterborg overeenkomst NRF

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het Nationaal Restauratiefonds is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de Achterborg.

  • 3. 
    DE BELEIDSARTIKELEN

3.1 Art.nr. 1. Primair onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 1.1 Kengetallen

Kengetal

   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1    Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

 

0,07%

0,08%

0,09%

0,10%

       
 

Aantallen

 

1.161

1.197

1.396

1.525

       

2    Aandeel leerlingen dat de referentie niveaus lezen, taal en rekenen haalt2

Lezen

1F

 

98%

97%

98%

       
   

2F

 

76%

67%

75%

       
 

Taalver zorging

1F

 

96%

96%

96%

       
   

2F

 

56%

57%

59%

       
 

Rekenen

1F

 

92%

93%

93%

       

2015    2016    2017    2018    2019    2020    2021    2022

Kengetal

IS    44%    48%    49%

3    Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolg3    79%    83%    84%

4    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt4    -    97%    -    97%

1    Bron: Leerplichttellingen; de cijfers betreffen schooljaar 2014-2015 tot en met 2017-2018.

2    Bron: 2016: College voor Toetsen en Examens. De opgenomen cijfers betreffen het in de CvTE-rapportage 2016-2017 opgenomen bijgestelde aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015-2016. Dit is het eerste schooljaar met verplichte rapportage. 2017 en 2018: Kamerstuk 31.293 nr. 422. De opgenomen cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2016-2017 (bijgesteld t.o.v. CvTE-rapportage 2016-2017) en in schooljaar 2017-2018.

3    De cijfers over 2018 worden in het najaar van 2019 in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

4    Bron: ITS monitor naar Sociale Veiligheid; dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

Tabel 1.2 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Leerlingen basisonderwijs1

  • • 
    Geen gewicht

1.292,4

           
  • • 
    Gewicht 0,3

56,6

           
  • • 
    Gewicht 1,2

56,5

           

Subtotaal

1.405,5

1.394,57

1.382,96

1.368,77

1.354,96

1.343,43

1.340,31

Leerlingen trekkende bevolking3 4 5

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1.405,9

1.394,97

1.383,36

1.369,17

1.355,36

1.343,83

1.340,71

Leerlingen in het speciaal

             

basisonderwijs

35,0

36,0

36,9

37,5

37,8

38,0

38,2

Leerlingen in het (voortgezet)

             

speciaal onderwijs

68,3

69,3

70,3

71,1

71,9

72,5

73,4

Totaal PO3

1.509,1

1.500,3

1.490,6

1.477,8

1.465,0

1.454,3

1.452,3

1    In verband met de nieuwe bekostigingssystematiek onderwijsachterstanden, is de onderverdeling naar gewichtenleerlingen met ingang van teldatum 1-10-2019 vervallen.

2    Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

3    (Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 1.3 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Primair onderwijs1

7,3

7,7

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

Bekostiging4

7,0

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

Exclusief ondersteuningsmid-

             

delen3

5,9

6,1

6,1

6,1

6,1

6,1

6,1

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In 2020 worden maatregelen genomen om de kansengelijkheid te vergroten, door onder andere het verhogen van het aantal uren voorschoolse educatie dat kinderen met een risico op een onderwijsachterstand krijgen. Daarnaast worden maatregelen genomen om het lerarentekort terug te dringen, zoals het ontwerpen van een nieuw bevoegdhedenstelsel. Om de verantwoording over besteding van onderwijsgeld te verbeteren, is het programma versterking verantwoording gestart. De belangrijkste wijzigingen op het terrein van het primair onderwijs worden nader toegelicht in de beleidsagenda. In 2020 zal daarnaast de eindevaluatie van het bestuursakkoord PO plaatsvinden. Met het bestuursakkoord is vanaf 2014 gewerkt aan een kwaliteitsverbetering op vier hoofdlijnen: talentontwikkeling door uitdagend onderwijs, het ontwikkelen van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering, professionele scholen en doorgaande ontwikkellijnen.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 1.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

11.687.151

11.735.797

11.715.269

11.680.756

11.618.258

11.535.682

11.485.834

Waarvan garantieverplich-tingen

12.590

  • 4.093
         

Waarvan overig

11.674.561

11.739.890

         

Totale uitgaven

11.142.533

11.653.457

11.685.628

11.650.756

11.588.258

11.505.682

11.455.834

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
 

Bekostiging

10.616.984

11.039.506

11.006.753

10.970.626

10.895.511

10.818.437

10.769.203

  • • 
    Hoofdbekostiging

10.292.897

10.714.488

10.687.914

10.651.787

10.584.909

10.507.835

10.455.101

  • Bekostiging Primair

Onderwijs

10.275.784

10.696.503

10.669.933

10.634.190

10.567.315

10.490.243

10.437.509

  • Bekostiging

Caribisch

Nederland

17.113

17.985

17.981

17.597

17.594

17.592

17.592

  • • 
    Prestatiebox

309.368

296.187

296.187

296.187

296.187

296.187

299.687

  • • 
    Aanvullende bekostiging

14.719

28.831

22.652

22.652

14.415

14.415

14.415

  • Overig

14.719

28.831

22.652

22.652

14.415

14.415

14.415

Subsidies

87.640

98.476

106.512

109.041

117.541

118.041

118.541

  • Regeling Onder wijsvoorziening jonggehandicapten

23.808

23.200

23.200

23.200

23.200

23.200

23.200

  • Nederlands onderwijs buitenland

14.006

12.600

12.600

12.600

12.600

12.600

12.600

  • Basis voor

Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek)

952

0

0

0

0

0

0

  • Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

11.900

12.130

12.630

13.130

13.630

14.130

14.630

  • Overig

36.974

50.546

58.082

60.111

68.111

68.111

68.111

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Opdrachten

6.901

3.750

11.296

11.373

13.621

14.425

14.626

Bijdrage aan agentschappen

29.651

41.663

33.145

29.469

29.550

29.518

29.613

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

29.651

41.663

33.145

29.469

29.550

29.518

29.613

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

34.907

7.734

7.734

7.731

7.731

7.731

7.731

  • Stichting Vervan gingsfonds en Particpatiefonds

33.502

5.231

5.231

5.228

5.228

5.228

5.228

  • UWV

1.405

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

Bijdrage aan medeoverheden

366.450

462.328

508.505

510.833

512.621

505.847

504.437

  • Gemeentelijk onderwijsachter standenbeleid

277.402

462.328

492.391

492.391

492.391

492.391

492.391

  • Aanvulling GOA

convenant G37

84.348

0

0

0

0

0

0

  • Verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine gemeenten

4.700

0

0

0

0

0

0

  • Caribisch

Nederland

0

0

16.114

18.442

20.230

13.456

12.046

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

11.683

11.683

11.683

11.683

11.683

  • Brede scholen

0

0

11.683

11.683

11.683

11.683

11.683

Ontvangsten

76.894

12.261

26.961

10.461

9.308

9.208

9.208

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 1 is voor 2020 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging: Het beschikbare budget in 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de lumpsumbekos-tiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de regelingen personele bekostiging en materiële instandhouding. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het (school)jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies: Het beschikbare budget in 2020 is voor 71,1 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten: Het beschikbare budget in 2020 is voor 58,0 procent juridisch verplicht. Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel.

Bijdrage aan agentschappen: Het budget in 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's: Het budget in 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden: Het budget in 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de specifieke uitkering betrekking heeft.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken: Het beschikbare budget in 2020 is 0 procent juridisch verplicht maar wel 100 procent bestuurlijk verplicht. Het betreft een bijdrage aan het gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen OCW, VWS en de VNG.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen. Daarnaast wordt via de groeibekos-tiging en de directie- en de kleinescholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school. Met de groeibekostiging is circa € 60 miljoen gemoeid, met de directietoeslag circa € 230 miljoen en met de kleinescholentoeslag circa € 130 miljoen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid ((speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) waar circa € 345 miljoen mee is gemoeid.

Voor de aanpak van werkdruk in het primair onderwijs was er al € 99 miljoen in 2018 en per 2019 € 237 miljoen structureel beschikbaar gekomen aan Regeerakkoordmiddelen. Op 6 maart 2019 besloot het kabinet om het geld voor het terugdringen van werkdruk eerder beschikbaar te stellen. Vanaf schooljaar 2019/2020 tot en met 2022/2023 is daarmee ruim € 333 miljoen beschikbaar, dat is € 220 per leerling voor de aanpak van werkdruk. Per schooljaar 2023/2024 stijgt dit, als de uitkomsten van de geplande evaluatie in 2020 voldoen aan bepaalde voorwaarden, naar een bedrag van structureel € 430 miljoen.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en deels middelen die rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van «passend onderwijs» besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

De tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

Tabel 1.5 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)

 
 

2020

2021

2022

2023

2024

Lichte ondersteuning - Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

410

405

400

400

395

Zware ondersteuning - cluster 1 en 2

285

285

285

285

285

Zware ondersteuning - samenwerkingsverbanden primair onderwijs

595

590

590

590

590

Zware ondersteuning - samenwerkinsgverbanden voortgezet onderwijs1

625

620

620

620

620

Lichte en zware ondersteuning - Totaal artikel 1

1.915

1.900

1.895

1.895

1.890

1 Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan en is inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd voor onderwijs in gesloten jeugdzorg en justitiële inrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het Bestuursakkoord met de PO-Raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs, vernieuwing en digitalisering, de brede aanpak onderwijsverbetering, professionalisering van scholen en de doorgaande ontwikkellijnen. Deze middelen komen daarnaast ook ten goede aan de afspraken die zijn gemaakt in het 'Techniekpact 2020' en het 'Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs'. Het Bestuursakkoord loopt in 2020 af. Op basis van de eindevaluatie in 2020 wordt bepaald wat er vervolgens met die middelen gebeurt.

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. De aanvullende bekostiging voor 2020 bestaat uit de kosten voor tweetalig onderwijs, de regeling tegemoetkoming vervangingskosten voor schoolleiders die een opleiding volgen, bewegingsonderwijs en hoogbegaafdheid.

Subsidies

Om verschillende beleidsdoelstellingen te behalen, worden subsidies verstrekt (zie de subsidiebijlage voor het totaaloverzicht). De grootste subsidies zijn de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten (€ 23,2 miljoen) en de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland (€ 12,6 miljoen). De Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten voorziet in diverse hulpmiddelen zodat deze leerlingen met goed gevolg onderwijs (van basis- tot en met hoger onderwijs) kunnen volgen. Voor de implementatie van het Bestuursakkoord PO worden middelen verstrekt ten behoeve van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering en voor het project 'Beter en slimmer leren met ict' en externe connecti-viteit. Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor humanistisch vormend en godsdienstonderwijs, onderwijs aan zieke leerlingen, het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen en het ontwikkelen van de (adaptieve) eindtoets.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroeg-schoolse educatie (VVE) en de uitvoeringskosten van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel. In 2020 worden overboekingen uitgevoerd naar artikel nr. 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) van uitgaven voor onderzoeken uitgevoerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voor passend onderwijs, onderwijsachterstanden, voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en werkplaatsonderzoeken en daarnaast kosten voor de ontwikkeling van de (adaptieve) eindtoets.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor begrotingsartikel 1.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

De stichtingen Vervangingsfonds en Participatiefonds ontvangen middelen voor het beheren van de vervangings- en werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. De kosten die het Vervangings- en Participatiefonds vergoeden worden gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder voor- en vroegschoolse educatie, schakelklassen en zomerscholen.

Op artikel 4 waren middelen gereserveerd voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba structureel een budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. Deze verbetermiddelen voor Caribisch Nederland en de middelen voor de samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba zijn met ingang van 2020 in verband met het overdragen van de budgetverantwoordelijkheid overgeboekt naar artikel 1. Hierbij gaat het om een bedrag van € 16,1 miljoen voor 2020 aflopend naar € 12 miljoen in 2024. (Zie ook de toelichting in het algemene deel van deze begroting).

Tabel 1.6 Overzicht Specifieke Uitkering (bedragen x € 1 miljoen)

2019    2020    2021    2022    2023    2024

Ontvangende partij(en)

Diverse gemeenten1    462.328    492.391    492.391    492.391    492.391    492.391

Korte omschrijving uitkering

Het betreft de specifieke uitkeringen op onderwijsachterstandenbeleid.

1 Gemeenten met ten minste één achterstandskind dat binnen de 15% doelgroep onderwijsachterstanden beleid valt.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Jaarlijks worden aan het Gemeentefonds middelen (€ 11,7 miljoen) ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatie-functies». Vanuit artikel 14 (Cultuur) wordt ook een bijdrage geleverd van € 1 miljoen; dit maakt de totale bijdrage van OCW € 12,7 miljoen. Het doel van deze impuls is onder andere sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen versterken.

Zoals beschreven bij het onderdeel «bijdrage aan medeoverheden», ontvangen gemeenten in Europees Nederland middelen via een specifieke uitkering voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. OCW levert vanaf 2020 via het programma «BES(t) 4 kids» ook op Caribisch Nederland een bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, alvorens de kinderen op school komen. Het programma «BES(t) 4 kids» is een samenwerking tussen SZW, VWS, BZK en OCW en gericht op het versterken van de kinderopvang (inclusief voorschoolse educatie) en de buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland.

3.2 Art.nr. 3. Voortgezet onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 3.1 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1    Aandeel thuiszit tende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit    %

zonder passend

0,17%

0,19%

0,19%

0,18%

       

onderwijsaanbod1 2 Aantallen

1.605

1.873

1.853

1.828

       

2    Aandeel zitten- blijvers3

5,5%

5,7%

5,7%4

6,2%

(2017

2018)

       

3    Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren5

94,8%

95,2%

95,7%

(2017)

         

4    Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd6

89%

85%

80% (2017)

         

5    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt7

8

 

95%

 

96,9%

       

6    Aantal vsv'ers9

24.353

22.953

23.793

25.574

       

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

7    Meer studenten volgen vakken op hoger niveau4

0,96%

0,96%

1,20%

1,54%

       

1    Het percentage betreft de vo leerlingen excl. vso leerlingen.

2    de cijfers betreffen schooljaar 2014-2015 tot en met 2017-2018. Dit betreft het aantal leerlingen dat >3 maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan.

3    Bron: DUO, gemeten over het schooljaar 2017-2018.

4    Examenmonitor 2018 VO.

5    Bron: IPTO en CentERdata.

6    De cijfers over 2018 worden in het najaar van 2019 in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

7    Bron: Praktikon monitor naar Sociale Veiligheid.

8    Dit kengetal wordt eens in de twee jaar gemeten.

9    Bron: DUO.

Tabel 3.2 Leerlingen voortgezet onderwijs

 
   

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

  • 1. 
    Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000). Nader te verdelen in
 

974,9

956,9

944,6

938,2

934,2

932,0

924,6

  • • 
    vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-21
 

389,0

382,7

382

383,9

382,7

380,0

373,2

  • • 
    vmbo leerjaar 3-4
 

209,8

200,5

191,4

185,9

184,2

184,3

183,7

  • • 
    havo/vwo leerjaar 3
 

90,1

89,1

88,9

88,0

89,0

89,5

88,8

  • • 
    havo/vwo vanaf leerjaar 4
 

250,1

249,2

247,4

245,4

243,1

242,5

242,7

  • • 
    pro alle jaren
 

29,2

28,2

28,6

28,6

29,0

29,5

30,1

  • • 
    pro vavo vo
 

6,7

6,6

6,5

6,4

6,3

6,1

6,1

  • 2. 
    totaal aantal scholen
 

649

649

649

649

649

649

649

  • 3. 
    Gemiddeld aantal leerlingen per school
 

1.502

1.474

1.456

1.446

1.439

1.436

1.425

1 De leerlingen in de brugjaren (vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-2) zijn in

lijn met de referentieraming niet onderverdeelt naar schoolsoort.

 

Tabel 3.3 Uitgaven per leerling1

(bedragen x € 1.000)

         
 

2018

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Voortgezet onderwijs2

8,8

 

9,2

9,2

9,1

9,1

9,1

9,1

Bekostiging3

8,7

 

9,1

9,1

9,0

9,0

9,0

9,0

Exclusief ondersteu-ningsmiddelen4

8,0

 

8,3

8,3

8,3

8,2

8,2

8,3

1    Vanaf de begroting 2020 wordt het bedrag per leerling berekend door de totale uitgaven, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO's/ RWT's, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar in plaats van door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar. In het primair onderwijs wordt dezelfde systematiek gehanteerd.

2    De totale uitgaven uit tabel 3.4, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO's/RWT's, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

3    De bekostiging uit tabel 3.4, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

4    De bekostiging uit tabel 3.4, minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel 3.5, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van het voortgezet onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda.

In 2020 starten pilots en vakvernieuwingstrajecten om een praktijkgerichte component in de nieuwe vmbo-leerweg vorm te geven. In deze pilots kunnen scholen aan de slag met de ontwikkeling van de nieuwe leerweg, onderzoeken welke aanpassingen in inventaris en welke materialen dit vraagt en gericht inzetten op scholing van personeel.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 3.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

8.814.741

9.219.845

8.764.430

8.590.936

8.601.806

8.564.490

8.545.232

Waarvan garantieverplichtingen

50.192

62.834

         

Waarvan overig

8.764.549

9.157.011

         

Totale uitgaven

8.707.896

8.874.180

8.746.746

8.654.754

8.588.900

8.563.313

8.543.564

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,3%

       
 

Bekostiging

8.527.776

8.663.804

8.560.277

8.468.034

8.401.933

8.375.880

8.359.168

  • • 
    Hoofdbekostiging

8.050.064

8.335.027

8.220.743

8.127.468

8.061.367

8.035.314

8.018.602

  • Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

7.336.257

8.319.004

8.204.822

8.111.631

8.045.530

8.019.505

8.002.695

  • Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

698.845

0

0

0

0

0

0

  • Bekostiging Caribisch

Nederland

14.962

16.023

15.921

15.837

15.837

15.809

15.907

  • • 
    Prestatiebox

290.268

311.677

322.434

323.466

323.466

323.466

323.466

  • Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

290.268

311.677

322.434

323.466

323.466

323.466

323.466

  • • 
    Aanvullende bekostiging

187.444

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

  • Regeling IGVO

(Internationaal Georiënteerd

Voortgezet Onderwijs)

4.700

0

0

0

0

0

0

  • Regeling leerplusar- rangement en eerste opvang nieuwkomers

104.768

0

0

0

0

0

0

  • Regeling functiemix

VO Randstadregio's

61.400

0

0

0

0

0

0

  • Resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor vo-scholen

16.576

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

Subsidies

63.815

93.794

81.449

82.469

82.434

82.564

79.064

  • Stichting Kennisnet

(basissubsidie) PO,

VO, MBO

12.260

19.240

19.240

19.240

19.240

19.240

15.740

  • ICT-projecten (incl.

transparantie)

4.749

0

0

0

0

0

0

  • Pilots zomerscholen1

7.972

9.000

0

0

0

0

0

  • Overige projecten

38.834

65.554

62.209

63.229

63.194

63.324

63.324

Opdrachten

3.861

5.653

6.770

6.735

6.835

7.000

7.300

  • In- en uitbesteding

3.861

5.653

6.770

6.735

6.835

7.000

7.300

Bijdragen aan agentschappen

54.546

52.772

52.530

51.878

52.060

52.064

52.227

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

54.546

52.772

52.530

51.878

52.060

52.064

52.227

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

57.775

57.962

45.525

45.358

45.358

45.525

45.525

  • ZBO: College voor

Toetsen en Examens

12.728

14.156

4.380

4.380

4.380

4.380

4.380

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

  • SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen

PO/VO/BVE (incl. examens)

45.047

43.806

41.145

40.978

40.978

41.145

41.145

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

123

195

195

280

280

280

280

  • GRAZ (ECML) en PISA

123

195

195

280

280

280

280

Ontvangsten

10.287

10.245

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

1 Vanaf 2018 is het beschikbare budget bekostigd via de prestatiebox.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 3 is voor 2020 99,3 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de wet voor voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2020 31,9 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden beschikt. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2020 is 23,1 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van (zeer) zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het komende jaar verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2020 is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het voortgezet onderwijs kent een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. De schoolbesturen ontvangen van de Rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen en de schoolsoort. Daarnaast wordt in de bekostiging rekening gehouden met bepaalde groepen leerlingen (leerplus, eerste opvang nieuwkomers en Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO)) en de regeling functiemix VO Randstadregio's vanwege randstedelijke problematiek. Met het leerplusarrangement is circa € 49 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers circa € 38 miljoen, met de functiemix VO Randstadregio's circa € 65 miljoen en met IGVO circa € 5 miljoen.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte ondersteuning. Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In de onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

 

Tabel 3.5 Ondersteuningsmiddelen (Bedragen x € 1 miljoen)

 

2020

2021

2022

2023

2024

Lichte ondersteuning lwoo/pro

608

600

600

600

600

Regionale ondersteuning

98

98

98

98

98

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

706

698

698

698

698

Daarnaast is in het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat het groen onderwijs wordt overgeheveld naar OCW. Met ingang van 2018 wordt het groen (voortgezet) onderwijs via artikel 3 bekostigd.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het (geactualiseerde) sectorak-koord met de VO-raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een extra impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording. Het sectorakkoord loopt in 2020 af. Op basis van de eindevaluatie in 2020 wordt bepaald wat er vervolgens met die middelen gebeurt.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

VO-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging tot en met het schooljaar 2019/2020 op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneducatie.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage:

Subsidies). De belangrijkste hiervan zijn de subsidies voor stichting Kennisnet en kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT. De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma's po-vo en doorstroomprogramma's vmbo-havo en vmbo-mbo. Daarnaast is er een subsidie beschikbaar voor de versterking van het techniekonderwijs op het vmbo en krijgen het Laks en de stichting School en Veiligheid ook een subsidie.

Opdrachten

Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het ondersteuningsprogramma voor zeer zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. Ze ontvangen samen ruim € 41,2 miljoen voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Onder deze post vallen bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA-project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

Bijdrage aan ODA

Onderstaande tabel is opgenomen naar aanleiding van een toezegging van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.6

 

Tabel 3.6 ODA-aandeel Begroting primair en voortgezet onderwijs in kader van onderwijskosten voor asielzoekers uit DAC-landen (bedragen x € 1.000)

 
 

2020

Bijdrage primair onderwijs

34.435

Bijdrage voortgezet onderwijs

11.300

Totaal

45.735

3.3 Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt en draagt zorg voor dat studenten adequaat worden voorbereid op deelname aan de maatschappij. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in, via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 4.1 Kengetallen

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1    Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

37%

38%

37%

         

2    Studenttevre- denheid2

  • • 
    Cijfer opleiding

7,0

 

7,1

         
  • • 
    Cijfer instelling

6,6

 

6,7

         

% tevreden over school en studie    62%3

1    Bron: ROA

2    Bron: JOB-monitor. Dit kengetal wordt twee jaarlijks gemeten

3    Vanwege een ander vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerder jaren en wordt deze niet getoond.

 

Tabel 4.2 Studenten mbo

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

  • 1. 
    Aantal mbo-studenten (incl. «groen onderwijs», excl vavo1

497.300

493.700

486.000

476.700

467.900

461.100

Bol

358.800

352.700

353.600

351.400

349.200

348.200

Bbl

138.500

141.000

132.400

125.300

118.700

112.900

Vavo

8.700

8.500

8.200

8.000

7.800

7.600

Bron: OCW-Referentieraming 2019

  • 2. 
    Onderwijsuitgaven per mbo-student (x

€ 1.000)2

8,4

8,4

8,4

8,1

9,1

8,7

1    (Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

2    De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2019. Vanaf 2018 zijn ook de studenten die groen onderwijs volgen meegenomen in deze berekening, want vanaf 2018 staan ook alle middelen voor groen mbo-onderwijs op dit artikel.

Toelichting:

In 2022 dalen de onderwijsuitgaven per student naar € 8.100 en in 2023 stijgen de onderwijsuitgaven per student naar € 9.100. Dit komt doordat het resultaatafhankelijk budget voor 2022 van € 200 miljoen doorgeschoven is naar 2023. Dit is conform de afspraken in het Bestuursakkoord mbo 2018-2022. Uitbetaling van het resultaatafhankelijk budget kan pas plaatsvinden in 2023 na de eindbeoordeling van de Kwaliteitsafspraken mbo 2019-2022 door de onafhankelijke adviescommissie kwaliteitsafspraken. Zonder deze kasschuif van € 200 miljoen zijn de gemiddelde onderwijsuitgaven per student in 2022 en 2023 € 8.600.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018-2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het Bestuursakkoord bevat de gezamenlijke ambities voor het mbo. Voortbouwend op de uitgangpunten uit het bestuursakkoord hebben alle mbo-instellingen eind 2018 een kwaliteitsagenda ingediend die moeten leiden tot een duidelijke verbetering voor studenten en de regionale partners van de instelling. Studenten en docenten en externe stakeholders (bedrijfsleven, regionale overheden, andere onderwijsinstellingen) zijn actief betrokken geweest bij het opstellen en de uitvoering van de kwaliteitsagenda. Daarbij is er aandacht voor drie landelijke speerpunten: onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst, gelijke kansen in het onderwijs (waaronder goede doorlopende leerlijnen) en jongeren en (jong)volwassenen in een kwetsbare positie. De kwaliteitsagenda's zijn in het voorjaar 2019 door de Minister goedgekeurd.

OCW werkt aan het versterken van de randvoorwaarden voor een leven lang ontwikkelen. Dit doet OCW samen met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders. Een van de randvoorwaarden waar aan wordt gewerkt is een digitaal overzicht dat inzichtelijk maakt welke scholingsmogelijkheden een individu heeft. Om meer maatwerk voor volwassenen te creëren zal de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) met de mbo-instellingen verder werken aan het ontwikkelen van certificaten voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties. Ook worden samen met het Ministerie van SZW pilots praktijkleren gestart.

Ook in 2020 zijn er weer twee toekenningsrondes voor het regionaal investeringsfonds mbo (RIF). Via het RIF wordt de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt bevorderd. Sinds 2019 kunnen instellingen - naast nieuwe aanvragen - ook subsidie aanvragen voor het opschalen van lopende projecten.

In het licht van de daling van de studentenaantallen zal werk worden gemaakt van een helder en duidelijk wettelijk kader, waarbinnen instellingen zelf antwoorden kunnen formuleren op de uitdagingen van deze daling. Hierbij wordt onder meer werk gemaakt van de fusie met behoud van eigenheid en zal worden gekeken naar het verstevigen van de positie van het specialistisch (groen) beroepsonderwijs (met hierbij nadrukkelijk aandacht voor de versterking van de koppeling tussen vmbo en mbo).

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 4.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

4.424.079

5.255.576

4.413.277

4.746.362

4.517.752

4.867.819

4.660.962

Waarvan garantieverplichtingen

110.994

  • 17.809
         

Waarvan overig

4.313.085

5.273.385

         

Totale uitgaven

4.601.918

4.672.996

4.680.116

4.787.894

4.536.512

4.928.113

4.685.282

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,69%

       
 

Bekostiging

4.151.144

4.222.502

4.218.881

4.147.071

3.902.939

4.306.537

4.070.563

  • • 
    Hoofdbekostiging

3.607.090

3.689.495

3.673.340

3.604.265

3.560.483

3.534.121

3.497.847

  • Bekostiging
             

mbo-instellingen1

3.537.697

3.617.175

3.600.720

3.531.675

3.487.993

3.461.601

3.425.327

  • Bekostiging Caribisch
             

Nederland

5.491

6.920

7.220

7.190

7.090

7.120

7.120

  • Bekostiging vavo

63.902

65.400

65.400

65.400

65.400

65.400

65.400

  • • 
    Kwaliteitsafspraken

399.635

417.800

440.000

440.000

240.000

645.000

445.000

  • Investeringbudget

196.069

381.300

440.000

240.000

240.000

245.000

245.000

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

  • Resultaatafhankelijk budget

203.566

36.500

0

200.000

0

400.000

200.000

  • • 
    Aanvullende bekostiging

144.419

115.207

105.541

102.806

102.456

127.416

127.716

  • Regionaal Investe- ringsfonds

22.729

22.078

23.075

22.256

21.906

46.866

47.166

  • Salarismix Randstad- regio's

47.591

48.529

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

  • Regionaal Programma

30.400

30.400

30.466

30.550

30.550

30.550

30.550

  • Tegemoetkoming schoolkosten MBO

10.000

10.000

0

0

0

0

0

  • Gelijke kansen

18.761

4.200

2.000

0

0

0

0

  • Schoolmaatschap- pelijk werk in het mbo

14.938

0

0

0

0

0

0

Subsidies

246.410

246.400

255.647

436.466

429.519

417.625

411.275

  • Subsidieregeling praktijkleren

201.500

204.048

212.600

206.600

201.600

197.600

194.600

  • Leven Lang Ontwik kelen

0

2.390

11.750

194.525

194.625

187.375

187.375

  • Actieplan

Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

22.780

20.000

14.500

16.000

15.450

14.850

14.200

  • Loopbaanorientatie

2.949

2.253

1.275

1.275

1.300

1.300

1.300

Vakwedstrijden MBO

0

0

3.200

4.100

4.100

4.100

900

  • ROC Leiden

525

0

0

0

0

0

0

  • Overige subsidies

18.656

17.709

12.322

13.966

12.444

12.400

12.900

Opdrachten

8.573

3.300

4.990

5.118

4.761

4.757

4.206

  • In- en uitbesteding

4.228

3.300

4.990

5.118

4.761

4.757

4.206

  • Caribisch Nederland2

4.345

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

21.108

18.519

19.334

18.774

18.824

18.725

18.769

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

18.312

15.519

16.334

15.774

15.824

15.725

15.769

  • Rijksdienst voor

Ondernemend

Nederland

2.796

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

54.910

56.517

66.399

65.600

65.604

65.604

65.604

  • College voor Toetsen en Examens

0

0

6.893

6.893

6.893

6.893

6.893

  • Wet SLOA

0

1.706

3.273

3.273

3.273

3.273

3.273

  • SBB

54.910

54.811

56.233

55.434

55.438

55.438

55.438

Bijdrage aan medeoverheden

119.773

125.758

114.865

114.865

114.865

114.865

114.865

  • RMC's

35.309

35.309

35.309

35.309

35.309

35.309

35.309

  • Educatie

60.391

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

  • Regionaal Programma

22.593

18.458

19.200

19.200

19.200

19.200

19.200

  • Caribisch Nederland2

1.480

11.635

0

0

0

0

0

Ontvangsten

6.742

4.000

4.000

3.000

3.000

3.000

3.000

1    Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groen mbo-onderwijs.

2    Dit is inclusief verbetermiddelen Caribisch Nederland.

Vanaf 2020 worden deze middelen overgeheveld naar artikel 1 primair onderwijs.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2020 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2020 95 procent juridisch verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2020 75 procent juridisch verplicht. Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door het RVO wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO) en het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2020 99 procent juridisch verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 tot en met 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de mbo-instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 tot en met 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma's van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl) en de opleiding (in dit geval de prijsfactor van de opleiding). Per 1 januari 2019 is de cascadebekostiging afgeschaft, dat betekent dat de verblijfsduur van een student niet meer meetelt bij de verdeling van het budget hetgeen de kansengelijkheid bevordert. Door het afschaffen van de cascadebekostiging vindt een herverdeling plaats van de rijksbijdrage. Om instellingen de gelegenheid te geven toe te groeien naar de nieuwe situatie is voorzien in een overgangsbekostiging van drie jaar. Vanaf 2022 zal er dus geen overgangsbekostiging meer zijn.

De regeling tegemoetkoming studiekosten loopt tot en met het studiejaar 2019-2020. De beschikbare middelen zullen vanaf 2020 worden toegevoegd aan de lumpsum bekostiging van de instellingen voor het inrichten van een mbo-studentenfonds. Een wetsvoorstel waarin dit fonds wettelijk wordt verankerd, is in de zomer van 2019 ingediend en beoogd wordt dat dit wetsvoorstel per 1-8-2020 in werking treedt.

Bekostiging Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op alle drie de eilanden, Bonaire, St. Eustatius en Saba (BES eilanden) middelbaar beroepsonderwijs aangeboden. Op de twee bovenwinds gelegen eilanden (St. Eustatius en Saba) wordt alleen een beperkt aantal entreeopleidingen en opleidingen op niveau 2 aangeboden. Op het benedenwinds gelegen eiland Bonaire worden op alle mbo-niveaus opleidingen aangeboden. De beschikbare middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen.

Bekostiging voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Voor de verdeling van de beschikbare middelen (Stb 2014, 148) voor het vavo wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma's.

Kwaliteitsafspraken

Investeringsbudget

De mbo-instellingen hebben over de periode 2019-2022 afspraken gemaakt met de Minister van OCW om de onderwijskwaliteit van de instelling te verhogen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de kwaliteits-agenda van de mbo-instelling. Mbo-instellingen hebben daarbij veel ruimte om eigen doelen te bepalen en daarbij concreet aan de slag te gaan met hun eigen specifieke regionale situatie. Daarnaast zijn er drie landelijke speerpunten: jongeren in kwetsbare positie, gelijke kansen en opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. De onafhankelijke commissie kwaliteitsafspraken mbo heeft de kwaliteitsafspraken beoordeeld en alle agenda's goedgekeurd. Alle instellingen ontvangen daardoor geld uit het investeringsdeel van het budget voor de kwaliteitsafspraken voor de financiering van de maatregelen uit de kwaliteitsagenda's.

Resultaatafhankelijk budget

Het resultaatafhankelijke deel van het budget voor de kwaliteitsafspraken wordt verdeeld onder de instellingen die de gestelde doelen in de kwaliteitsagenda in voldoende mate hebben gehaald. In 2021 vindt een tussentijdse beoordeling plaats van de voortgang in de jaren 2019 en 2020. In de 2023 vindt een eindbeoordeling plaats over de gehele periode 2019-2022.

Aanvullende bekostiging

Regionaal investeringsfonds

Met het Regionaal investeringsfonds mbo worden sinds 2014 middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen samen een aanvraag indienen. Die aanvraag moet bijdragen aan een betere aansluiting van beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en regionale overheden in de desbetreffende regio de subsidie aanvullen met een financiële bijdrage. Voor de periode 2019-2022 wordt het fonds voortgezet zodat aangesloten wordt bij de actuele uitdagingen van het mbo. Voor de nieuwe regeling Regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022 wordt in totaal € 100 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 25 miljoen in 2020.

Salarismix

In het Actieplan Leerkracht van Nederland zijn afspraken vastgelegd over de ambities op het gebied van professionalisering en de versterking van de salarismix in de zogenaamde Randstadregio's. In deze regio's kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom van) grootstedelijke problemen. Daarom zijn aanvullend op de lumpsum, middelen beschikbaar gesteld om tot een versterking van de salarismix te komen. Aan de hand van behaalde competenties zijn docenten daardoor benoemd in een hogere schaal.

Regionaal Programma

De urgentie om schooluitval aan te pakken blijft onverminderd hoog. Daarom heeft de aanpak van vsv in 2016 een krachtig vervolg gekregen, met een doelstelling van maximaal 20.000 nieuwe vsv'ers per jaar in 2021 (gemeten over schooljaar 2019/2020). In elk van de 39 RMC-regio's (RMC staat voor Regionale Meld- en Coördinatiefunctie) voeren scholen en gemeenten samen hun huidig vierjarig regionaal programma uit met maatregelen voor de aanpak van vsv en voor jongeren in een kwetsbare positie.

Voor de uitvoering van de maatregelen zijn de regionale programma-gelden beschikbaar, in 2020 een bedrag van € 49,6 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen) en deels via de contactgemeente (€ 19,2 miljoen, zie instrument bijdrage aan medeoverheden). In elke regio moet minimaal één plusvoorziening zijn voor overbelaste jongeren.

Subsidies

Subsidieregeling praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. De subsidieregeling praktijkleren is in 2019 tot 2023 verlengd. Aan de subsidieregeling is voor de komende vijf jaar € 10,6 miljoen per jaar toegevoegd om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in de scholing van werknemers (motie Heerma). Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming in de begeleidingskosten voor bbl-stageplekken.

Leven lang ontwikkelen

OCW werkt met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. De scholingsaftrek wordt met één jaar verlengd en is voor 2020 nog van kracht. Het kabinet is voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling, het STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarktpositie). In 2020 is in de OCW-begroting € 11,75 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo en het verkennen van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden en (op termijn) financiële rechten.

Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2020 middelen beschikbaar gesteld als bijdrage aan het landelijke programma «Tel mee met Taal» dat door de ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK wordt uitgevoerd en gefinancierd. Op 18 maart 2019 heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen waarin het kabinet maatregelen aankondigt om de aanpak van laaggeletterdheid in de periode 2020-2024 een extra impuls te geven. Het totaal beschikbare bedrag voor dit programma is verhoogd, mede dankzij een intensivering van € 5 miljoen in het Regeerakkoord van het kabinet. Met het programma «Tel mee met Taal» worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggelet-terden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

De LOB-middelen worden ingezet om de studiekeuze- en arbeidsmarkt-voorlichting van (aankomende) mbo-studenten te verbeteren met onder meer de portal «Kies MBO» door SBB. Ook wordt geïnvesteerd in verbetering van de loopbaanbegeleiding in de mbo-instellingen. Deze middelen zullen ook ingezet kunnen worden voor activiteiten ten behoeve van doorstroom van mbo naar hbo.

Vakwedstrijden mbo

Voor het organiseren van vakwedstrijden is de subsidieregeling vakwedstrijden vmbo en mbo opgesteld. De regeling is in de zomer van 2019 gepubliceerd. Organisaties die in de periode 2020-2023 jaarlijks de nationale vakwedstrijden in het vmbo, de nationale vakwedstrijden in het mbo en/of de internationale vakwedstrijden in het mbo willen organiseren, kunnen hiervoor een subsidie aanvragen.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals technieknetwerken, het netwerk burgerschap en het kennispunt onderwijs en examinering.

Opdrachten

In- en uitbesteding

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet SLOA

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting CITO, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

SBB

De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert de SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

RMC's

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio's. Daarvoor is in 2020 € 35,3 miljoen beschikbaar. De RMC heeft als taak om van jongeren tot 23 jaar die niet meer kwalificatieplichtig zijn en die geen startkwalificatie hebben, de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt te volgen. En vervolgens ervoor te zorgen, samen met andere betrokken partijen in de regio, dat deze jongeren worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering. De verdeling en uitbetaling van de middelen voor 2020 is geregeld in het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.

Educatie

Gemeenten ontvangen budget om cursussen taal, rekenen en digitale vaardigheden aan te bieden aan hun laaggeletterde volwassen inwoners. De doelgroep betreft zowel volwassenen die Nederlands als eerste taal en als tweede taal hebben, maar niet inburgeringsplichtig zijn. Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). Gemeenten hebben voor de besteding van dit budget «inkoopvrijheid». Zij kiezen zelf aanbieders op basis van de vraag en behoefte van hun doelgroepen.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen, zie instrument bekostiging) en deels via de 39 RMC-contactgemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering. De verdeling en uitbetaling van de middelen voor 2020 is geregeld in de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017.

Caribisch Nederland

Op artikel 4 BVE zijn tot en met 2019 middelen gereserveerd voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. Deze verbetermid-delen voor Caribisch Nederland en de middelen voor de samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba zijn met ingang van 2020 overgeboekt naar artikel 1 Primair onderwijs in verband met het overdragen van de budgetverantwoordelijkheid. Hierbij gaat het om een bedrag van € 16,1 miljoen voor 2020 aflopend naar € 12 miljoen in 2024.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Staatssecretaris van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3
  • BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramings-grond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en een programmering van evaluaties voor toekomstige jaren wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

 

Tabel 4.4 Fiscale regelingen 2018-20120 budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

   

2018

2019

2020

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)    240

237

238

1 [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Overzicht specifieke uitkeringen

 
   

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1.

Ontvangende partij(en)

35,3

35,3

35,3

35,3

35,3

35,3

Gemeenten

Korte omschrijving uitkering

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio's. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

Vindplaats regelgeving

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

  • 2. 
    Ontvangende partij(en)    60,4    60,4    60,4    60,4    60,4    60,4

Gemeenten

Korte omschrijving uitkering

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente).

Vindplaats regelgeving

Wijzigingswet Wet participatie-budget, enz. (invoeren specifieke uitkering educatie en vervallen verplichte besteding educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra)

  • 3. 
    Ontvangende partij(en)    18,5    19,2    19,2    19,2    19,2    19,2

Gemeenten

Korte omschrijving uitkering

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

Vindplaats regelgeving

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

3.4 Artikel 6 en 7. HOGER ONDERWIJS

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren: De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsaf-spraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

 

Tabel 6.1 Kengetallen

   

2016/17

2017/18

2018/19    2019/20    2020/21    2021/22    2022/23    2023/24

1    Studenttevre-

Hbo

75,8%

72,9%

-

denheid1

Wo

85,2%

84,0%

-

2    % 25-64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

18,8%

19,1%

19,1%

3    Uitval 1e jaar3

Hbo

26,8%

28,0%

 
 

Wo

15,7%

16,5%

 

4    Bachelor rendement (n+1)

Hbo

62,1%

63,3%

 

van herinschrijvers na het eerste jaar3

Wo

73,2%

72,6%

 

1 Bron: Nationale Studenten Enquête, voor 2018/19 zijn er geen nieuwe cijfers beschikbaar omdat de NSE niet door ging. Voor eerdere jaren is een

correctie toegepast.

2    Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS)

3    Bron: DUO

Tabel 6.2 Studenten hbo en wo

 

Bron: Referentieraming 2019

       
  • 3. 
    Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)7
 

2020

2021

2022

2023

  • • 
    hbo

7,6

7,9

8,0

8,1

  • • 
    wo

7,6

7,8

7,9

7,9

 
   

2018/19

2019/20

2020/21

2021/2122

2022/23

2023/24

2024/25

'

hbo voltijd associate degree

6,9

7,7

8,3

8,7

8,9

9,1

9,2

hbo voltijd bachelor

395,1

389,3

384,9

380,4

376,0

371,0

364,8

hbo voltijd master

4,8

5,0

5,1

5,1

5,2

5,2

5,3

hbo deeltijd associate degree

4,0

4,2

4,3

4,4

4,4

4,5

4,5

hbo deeltijd bachelor

36,8

36,8

36,8

36,5

35,9

35,2

34,1

hbo deeltijd master

7,8

7,7

7,5

7,4

7,1

6,9

6,6

 

Totaal hbo

455,2

450,7

446,8

442,4

437,6

431,8

424,5

wo voltijd bachelor

182,2

189,0

194,9

199,8

203,5

206,1

207,9

wo voltijd master

105,7

106,7

108,2

110,6

113,7

117,2

120,4

wo deeltijd bachelor

1,7

1,5

1,5

1,4

1,4

1,3

1,3

wo deeltijd master

3,2

3,0

2,9

2,8

2,7

2,5

2,4

 

Totaal wo

292,7

300,2

307,5

314,6

321,3

327,1

332,1

Bron: Referentieraming 2019

  • 2. 
    Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)
   

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

 

Hbo-voltijd Associate degree

1,2

1,2

1,3

1,4

1,4

1,4

1,4

 

hbo voltijd bachelor

64,0

61,2

59,4

58,3

57,7

57,6

57,4

 

hbo voltijd master

1,5

1,6

1,6

1,7

1,7

1,7

1,7

 

hbo deeltijd associate degree

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

 

hbo deeltijd bachelor

6,0

5,9

5,8

5,9

5,8

5,8

5,7

 

hbo deeltijd master

2,2

2,0

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

Totaal hbo

75,8

72,7

70,9

69,9

69,3

69,1

68,9

 

wo voltijd bachelor

34,0

34,1

34,8

35,7

36,6

37,2

37,6

 

wo voltijd master

42,5

42,3

42,3

42,6

43,2

44,0

45,0

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

 

wo deeltijd master

1,1

1,0

1,0

1,0

0,9

0,9

0,9

 

Totaal wo

77,8

77,6

78,3

79,5

80,9

82,4

83,7

  • 4. 
    Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

2019/20

2.083

Toelichting:

Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in de Staat van het hoger onderwijs 2019 en in OCW in cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In de bekostiging van hoger onderwijs en onderzoek worden na het advies van de commissie-Van Rijn vanaf 2020 enkele wissels omgezet. Om de overmatige groeiprikkel op studentenaantallen terug te dringen en meer stabiliteit te brengen in de bekostiging, en dus de concurrentie te verminderen, wordt het aandeel vaste bekostiging groter en de variabele bekostiging kleiner. De reallocatie van variabel naar vast wordt in zowel het hbo als in het wo beleidsrijk ingevuld. Dit betekent dat rekening wordt houden met het aandeel studenten bètatechniek en het aantal studenten dat switcht van een andere instelling.

In het verlengde daarvan worden in het najaar 2019, naar aanleiding van de motie Westerveld, twee onderzoeken gestart. Het eerste richt zich op de kosten van het opleiden in het hoger onderwijs en onderzoek, het tweede op de toereikendheid van het budget in relatie tot de veronderstelde kwaliteit en doelmatige besteding van de middelen.

Het is belangrijk dat het opleidingsaanbod responsief is en snel in kan spelen op veranderingen op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Instellingen voor hoger onderwijs kunnen daarom tussentijds hun opleidingen aanpassen, experimenteren met tracks, en nieuwe opleidingen starten. Instellingen doen dit volop. Er ontstaan bijvoorbeeld steeds meer brede en interdisciplinaire opleidingen, omdat hier steeds meer behoefte aan is. Daarnaast is er ook behoefte aan flexibelere opleidingen, bijvoorbeeld voor mensen die naast een baan nog onderwijs willen volgen. Dit maken wij mogelijk in het duale en deeltijd hbo-onderwijs in het experiment leeruitkomsten. Om de aansluiting tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt nog meer te verbeteren is de commissie doelmatigheid hoger onderwijs gevraagd de macrodoelmatigheid van het bestaande opleidingsaanbod te analyseren. Daarnaast zal in de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek die aan het eind van dit jaar uitkomt, onder meer worden ingaan op de flexibilisering van opleidingen, de aansluiting van ons opleidingsaanbod op de arbeidsmarkt en op de manier waarop het hoger onderwijs studenten nog beter kan voorbereiden op wat de veranderende samenleving en arbeidsmarkt van hen vraagt.

In juli 2019 is het interdepartementaal beleidsonderzoek Internationalisering van (hoger) onderwijs afgerond. Naar verwachting zal dit onderzoek, voorzien van de beleidsreactie van de Minister van OCW, in september 2019 met de Tweede Kamer worden gedeeld.

Het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs heeft financiële gevolgen voor de Rijksbegroting en daarmee een effect op het houdbaarheidssaldo. De kosten voor het jaar 2025 worden generaal gedekt (€ 1 miljoen). De structurele dekking (€ 226 miljoen) is technisch ingeboekt ten laste van de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (artikel 6 & 7).

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

3.461.463

3.475.544

3.476.868

3.440.545

3.504.665

3.481.285

3.508.811

Waarvan garantieverplichtingen

22.410

  • 3.007
         

Waarvan overig

3.439.053

3.478.551

         

Totale uitgaven

3.262.539

3.390.385

3.416.799

3.492.196

3.525.879

3.507.969

3.522.939

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,99%

       

Bekostiging

3.185.040

3.313.096

3.334.151

3.410.674

3.446.281

3.428.863

3.443.796

  • • 
    Hoofdbekostiging

3.185.040

3.193.130

3.193.490

3.171.801

3.147.421

3.113.727

3.087.249

  • Onderwijsdeel hbo1

3.091.346

3.093.289

3.096.421

3.078.726

3.055.861

3.021.620

2.976.411

  • Deel ontwerp en ontwikkeling

80.191

83.670

85.259

85.304

85.341

85.341

85.341

  • Vouchers studievoor- schot
     

238

1.167

3.969

23.779

  • Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

13.503

16.171

11.810

7.533

5.052

2.797

1.718

  • • 
    Prestatiebox

0

119.966

140.661

238.873

298.860

315.136

356.547

  • Studievoorschotmid- delen2
 

119.966

140.661

238.873

298.860

315.136

356.547

Subsidies

2.077

1.011

977

880

845

153

153

  • Overig

2.077

1.011

977

880

845

153

153

Bijdragen aan agentschappen

12.969

13.177

13.766

12.734

12.775

12.776

12.813

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

12.969

13.177

13.766

12.734

12.775

12.776

12.813

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

62.453

63.101

67.905

67.908

65.978

66.177

66.177

  • NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

48.963

48.963

53.265

54.013

52.065

52.065

52.065

  • NWO: Promotiebeurs voor leraren

9.238

9.292

10.144

10.144

10.144

10.144

10.144

  • Nederlands-Vlaamse

Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.252

4.846

4.496

3.751

3.769

3.968

3.968

Ontvangsten

2.057

2.913

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen). In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

5.038.007

5.305.477

5.297.994

5.368.661

5.433.378

5.475.821

5.583.185

Waarvan garantieverplichtingen

  • 22.983
  • 5.274
         

Waarvan overig

5.060.990

5.310.751

         

Totale uitgaven

4.860.007

5.131.157

5.202.998

5.318.098

5.413.688

5.471.899

5.538.978

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,97%

       
 

Bekostiging

4.829.573

5.099.345

5.172.422

5.287.483

5.383.616

5.442.026

5.509.405

  • • 
    Hoofdbekostiging

4.829.573

5.026.933

5.086.508

5.141.559

5.201.477

5.208.957

5.251.585

  • Onderwijsdeel wo1

2.196.748

2.279.732

2.329.860

2.381.227

2.434.354

2.440.250

2.478.572

  • Onderzoeksdeel wo

1.962.582

2.060.718

2.068.420

2.070.479

2.075.263

2.075.273

2.075.273

  • Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

670.243

686.483

688.228

689.853

691.843

693.337

694.793

  • Vouchers studievoor- schot
       

17

97

2.947

  • • 
    Prestatiebox

0

72.412

85.914

145.924

182.139

233.069

257.820

  • Studievoorschotmid-delen2
 

72.412

85.914

145.924

182.139

192.313

217.064

  • Profilering en zwaarte- puntvorming3
         

40.756

40.756

Subsidies

3.573

4.172

4.469

4.822

4.301

4.137

3.837

  • Open en online onderwijs

1.674

1.970

1.965

1.965

1.965

2.000

2.000

  • Overig

1.899

2.202

2.504

2.857

2.336

2.137

1.837

Opdrachten

2.404

2.672

2.029

1.884

1.862

1.827

1.827

  • Uitbesteding

2.404

2.672

2.029

1.884

1.862

1.827

1.827

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

24.457

24.968

24.078

23.909

23.909

23.909

23.909

  • Organisaties conform tabel 6.5

24.457

24.968

24.078

23.909

23.909

23.909

23.909

Ontvangsten

172

16

16

16

16

16

16

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen). In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3    De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Van het totale budget voor artikel 6 is voor 2020 99,99 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp en ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2020 is voor 92,0 procent juridisch verplicht. Dit betreft een verplichting ten behoeve van de publiek private samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven en een verplichting voor instroom in de Pabo.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan NWO voor praktijkgericht onderzoek hbo, de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de NVAO. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Van het totale budget voor artikel 7 is voor 2020 99,97 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2020 81,0 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs, de afstudeerregeling en de ondersteunende activiteiten voor Students4Students en Integraal Veiligheid HO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is voor 2020 61,6 procent juridisch verplicht op grond van in 2019 of eerder gesloten overeenkomsten.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan United Nations University (UNU), Europees Universitair Instituut Florence (EUI), Stichting EP-NUFFIC, Stichting Handicap en Studie, Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO), Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en Stichting Studiekeuze123. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bestaat uit de hoofdbekostiging en de middelen binnen het financiële instrument prestatiebox. Het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen worden afzonderlijk bekostigd.

Op de bekostiging van de tandartsopleidingen wordt komend voorjaar teruggekomen. Verwacht wordt dat het binnenkort te ontvangen advies van het capaciteitsorgaan zal aangeven dat de capaciteit van de initiële geneeskunde opleiding omlaag kan. In dat geval zal in overleg met de minister van VWS het aantal opleidingsplekken tandheelkunde per studiejaar 2021/2022 worden verhoogd en gelijk hieraan het aantal opleidingsplekken initiële geneeskunde worden verlaagd.

Hoofdbekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma's), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),
  • b. 
    een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en
  • c. 
    een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,
  • b. 
    een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten,
  • c. 
    een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht, en
  • d. 
    een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Vouchers studievoorschot

Bij het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de eerste vier cohorten studenten die zijn ingestroomd sinds de afschaffing van de basisbeurs bij afstuderen (hbo-bachelor of wo-master) een voucher ontvangen ter waarde van 2.000 euro, als tegemoetkoming vanwege het feit dat zij in mindere mate profiteren van de herinvestering van middelen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Deze afgestudeerden kunnen de vouchers 5 tot 10 jaar na afstuderen inzetten voor deelname aan (delen van) geaccrediteerde opleidingen hoger onderwijs, bij zowel bekostigde als niet-bekostigde instellingen. In het najaar van 2019 wordt de Kamer geïnformeerd over in hoeverre het mogelijk is de voucher vervroegd inzetbaar te maken en over het flexibel inzetten ervan (zie Motie van van Molen en Westerveld).

Deze vouchers vertegenwoordigen een aanzienlijk bedrag en maakt de doelgroep van deze werkende afgestudeerden interessant voor de instellingen die opleidingen hoger onderwijs verzorgen. De verwachting is dat de vouchers leiden tot een breder en meer divers scholingsaanbod voor werkenden in het hbo en wo. Dit aanbod komt daarmee ook beschikbaar voor werkenden zonder voucher en draagt op deze manier bij aan een leven lang ontwikkelen.

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Doel van de experimenten en pilots is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duale onderwijs. In het experiment vraagfinanciering maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 zijn er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Naar aanleiding van de tussenevaluatie is in april 2019 besloten de instroom in het experiment niet te verlengen. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (2024) aanspraak blijven maken op vouchers.

Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. De pilots zijn eveneens in 2016 van start gegaan en in 2017 en 2018 uitgebreid met meer opleidingen. Er nemen nu ongeveer 400 opleidingen van 20 hogescholen (publiek en privaat) deel aan de pilots flexibilisering.

De evaluatie van zowel het experiment als de pilots vindt in 2021 plaats.

Prestatiebox

Studievoorschotmiddelen

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Begin april 2018 is overeenstemming bereikt met ISO, LSVb, de Vereniging Hogescholen en de VSNU over de invulling en vormgeving van deze kwaliteitsafspraken. De juridische vertaling van het akkoord is in april 2019 inwerking getreden, via een wijziging van de Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Deze afspraken markeren een verschuiving van minder sturing vanuit de overheid naar meer vertrouwen in hogescholen en universiteiten. Sinds het voorjaar van 2019 zijn instellingen hun plannen voor de kwaliteitsafspraken aan het opstellen, zijn de eerste instellingen door de NVAO beoordeeld en heeft de Minister de eerste besluiten genomen. Het is de bedoeling dat alle instellingsplannen in het voorjaar van 2020 zijn beoordeeld.

Profilering en zwaartepuntvorming

In de sectorakkoorden is onder meer afgesproken dat de 2%- middelen voor profilering en zwaartepuntvorming door hogescholen blijvend ingezet kunnen worden voor het vormgeven van (verdere) profilering en zwaartepuntvorming van de instelling, bijvoorbeeld door middel van Centres of Expertise. De universiteiten kunnen de 2%-middelen tijdelijk (in ieder geval tot en met 2022) inzetten voor de sectorplannen bèta-/ technisch onderzoek en sociale-/geestwetenschappen. De middelen voor de hogescholen zijn structureel ondergebracht onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging en voor de universiteiten tot en met 2022.

Subsidies

Open en online hoger onderwijs (hbo en wo)

De regeling open en online hoger onderwijs 2018-2022 heeft twee doelstellingen, namelijk het versterken van open en online onderwijs en het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity's. Aan beide doelstellingen wordt gelijkwaardig aandacht besteed, doordat de regeling in twee pijlers is onderverdeeld: online onderwijs en open leermaterialen. De regeling is bedoeld om instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Projecten dragen bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijsmateriaal, en de toegankelijkheid van Nederlandse onderwijsinstellingen. SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de instellingen tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2019 15 projecten gestart: 9 voor de pijler online onderwijs en 6 voor de pijler open leermaterialen (in 2018 waren dit er respectievelijk 7 en 5). De instellingen matchen de aan hun toegekende subsidie met ten minste hetzelfde bedrag. De projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor diverse beleidsgerichte activiteiten/ onderzoeken en de communicatie rondom het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO: het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2018 wordt vanuit het Regeerakkoord 2017-2021 extra geïnvesteerd (oplopend tot € 17,5 miljoen structureel vanaf 2020) in de verdere capaciteitsopbouw van praktijkgericht onderzoek. Ook is er om een impuls te geven aan de verwevenheid van onderwijs en onderzoek een hbo-postdocprogramma, waarmee onderzoekers moeten worden behouden voor hun onderwijstaken.

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar reguliere taken en voor haar taken in het kader van de kwaliteitsafspraken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Organisaties conform tabel 6.5

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Tabel 6.5 Middelen organisaties1 (bedragen x € 1.000)

 
 

2020

2021

2022

2023

2024

United Nations University (UNU)

982

982

982

982

982

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.708

1.771

1.791

1.791

1.791

Stichting NUFFIC

15.168

14.999

14.979

14.979

14.979

Stichting Handicap en Studie

698

698

698

698

698

Stichting voor Vluchteling Studenten UAF

2.477

2.457

2.457

2.457

2.457

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

292

249

249

249

249

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

249

249

249

249

249

Stichting Studiekeuze123 (SKI123)

2.504

2.504

2.504

2.504

2.504

Totaal

24.078

23.909

23.909

23.909

23.909

1 In deze tabel zijn de organisaties vermeld en de bedragen waarop de bijdragen ten hoogste kunnen worden vastgesteld. Voor zover geen andere juridische grondslag van toepassing is, vormt deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht voor de subsidieverlening aan deze subsidieontvangers.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Art.nr. 8. Internationaal beleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren: Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere - vaak daarbij aangesloten - organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etc. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, Neth-ER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale - ondersteunende - maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op Onderwijs in Cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

13.236

13.392

12.810

11.409

11.169

11.171

10.803

Totale uitgaven

12.496

12.922

12.830

11.409

11.169

11.169

11.171

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

95,9%

       
 

Subsidies

820

291

241

226

186

186

186

  • Netherlands house for

Education and

Research (Neth-ER)

600

           
  • Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

155

116

116

116

116

116

116

  • Overige incidentele subsidies

65

175

125

110

70

70

70

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Opdrachten

 

222

207

207

207

207

207

  • Beleidsonderzoek en benchmarking
 

100

100

100

100

100

100

  • Incidentele Interna tionale activiteiten
 

122

107

107

107

107

107

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

11.250

11.888

11.861

10.455

10.255

10.255

10.257

  • Duitsland Instituut

Amsterdam (DIA)

859

803

803

776

776

776

778

  • Stichting Nuffic

3.875

3.858

3.826

3.746

3.746

3.746

3.746

  • Nederlandse Taalunie

2.727

2.856

2.861

2.827

2.827

2.827

2.827

  • Europa College

Brugge

30

30

30

30

30

30

30

  • Unesco
 

20

20

20

20

20

20

  • OESO CERI

77

82

82

82

82

82

82

  • Fulbright Center

468

368

368

368

368

368

368

  • DCICC
     

90

90

90

90

  • Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

  • Nationaal Agentschap

Erasmus + Onderwijs & Training

2.989

3.066

3.066

2.111

2.111

2.111

2.111

  • EU-programma's en activiteiten

40

20

20

20

20

20

20

  • Netherlands house for

Education and

Research (Neth-ER)

 

600

600

200

     

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

426

521

521

521

521

521

521

  • Vlaams-

Nederlandshuis

DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

426

521

521

521

521

521

521

Ontvangsten

113

99

99

99

99

99

99

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2020 95,9 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 27,0 procent juridisch verplicht. Dit betreft een incidentele subsidie aan de International Association for the Evaluation of Educational Achievement(IEA).

Opdrachten

Er zijn ten tijde van het opstellen van de begroting voor het jaar 2020 nog geen verplichtingen aangegaan ten laste van het beschikbare budget voor de opdrachten.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 98,8 procent juridisch verplicht. Een deel is verplicht op basis van internationale verdragen. Dit geldt voor de Nederlandse Taalunie, het Fulbright Center en het Nationaal Agentschap Erasmus+. De overige verplichtingen, zoals die aan de stichting Nuffic, worden jaarlijks aangegaan in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100 procent juridisch verplicht. De subsidiëring van de periode 2018-2021 vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten Subsidies

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van de samenwerking op het gebied van cultuur.

Overige incidentele subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur of wetenschap.

Opdrachten

Beleidsonderzoek en benchmarking

Dit betreft middelen ten behoeve van beleidsonderzoek, onder meer naar de effectiviteit van internationalisering en ten behoeve van benchmarking in het kader van de relevante internationale organisaties.

Incidentele internationale activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen ter bevordering van de samenwerking, die bij het opstellen van de begroting niet zijn te voorzien.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Duitsland Instituut Amsterdam

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) genereert en verspreidt kennis in Nederland over Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)).

Stichting Nuffic

De Stichting Nuffic, is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. Er vindt momenteel een heroverweging plaats van de subsidie aan Nuffic. Het betreft voorgenomen wijzigingen in de subsidie per 2021, na afloop van het huidige bestuursakkoord. Op basis van deze interne heroverweging zal een aantal taken wettelijk worden verankerd, worden aanbesteed of worden afgebouwd.

Deze aanpassing zal vanaf 2021 leiden tot een verlegging van een deel van de geldstroom, die wordt ingezet ter versterking van de internationale positie van het (hoger) onderwijs.

Nederlandse Taalunie

De Nederlandse Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Nederlandse Taalunie kennis en informatie over het Nederlands met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker. Verder stimuleert de Taalunie de optimale benutting van de hedendaagse (digitale) infrastructuur voor het Nederlands.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een postuniversitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door EU en EU-Lidstaten.

Unesco

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van Unesco.

OESO CERI

OESO CERI betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Center

Het Fulbright Center verzorgt voorlichtingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma's voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Cultural Contact Point

Het Cultural Contact Point geeft advies over de subsidieregelingen van het EU-cultuurprogramma en biedt begeleiding bij het doen van een aanvraag. Het is een uitvoerend orgaan ten behoeve van het EU-Cultuurprogramma en ondergebracht bij het Dutch Centre for International Cultural Cooperation (DCICC).

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen, onder meer met behulp van het jaarboek The Low Countries en het tijdschrift Ons Erfdeel.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Agentschap is belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+.

Incidentele EU-programma's en activiteiten Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma's, welke bij het opstellen van de begroting nog niet concreet zijn.

Neth-ER

Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie (onder andere TNO, KNAW, VSNU, MBO-Raad, NWO). Hun gezamenlijke doel is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma's te vergroten.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Tabel Homogene Groep Internationale Samenwerking

Tabel 8.2 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

51.437

52.770

52.770

52.770

52.770

52.770

52.770

Internationaal beleid (artikel 8)

766

837

822

912

912

912

912

Cultuur (artikel 14)

4.617

4.617

4.617

4.527

4.527

4.527

4.527

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

454

Apparaat kerndepartement (artikel 95)

139

144

269

394

394

394

144

Totaal

60.286

107.288

107.540

103.080

99.334

97.365

96.131

Toelichting:

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling van de HGIS middelen van OCW per artikel.

3.6 Art.nr. 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren: De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren: De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van het in 2007 uitgebrachte actieplan «LeerKracht van Nederland», het in mei 2011 uitgebrachte actieplan «Leraar 2020, een krachtig beroep!» en de in oktober 2013 opgestelde «Lerarenagenda 2013-2020: de leraar maakt het verschil» en de op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenanten en bestuursakkoorden.

Regisseren: De Minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken levert hij een bijdrage aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in de beleidsagenda en in OCW in Cijfers. Het Dashboard Lerarenagenda geeft een beeld van de kwantitatieve voortgang voor alle zeven agendalijnen van de Lerarenagenda.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren zijn de regionale aanpak lerarentekort en de zij-instroom. Deze worden toegelicht in de beleidsagenda.

Tabel 9.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

138.490

168.216

157.121

164.279

164.421

163.190

163.197

Totale uitgaven

140.384

168.212

167.519

164.279

164.421

163.190

163.197

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

50,43%

       
 

Bekostiging

26.720

32.692

35.619

32.283

32.982

31.750

31.750

  • • 
    Aanvullende bekostiging

26.720

32.692

35.619

32.283

32.982

31.750

31.750

  • Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

26.720

32.692

35.619

32.283

32.982

31.750

31.750

Subsidies

109.289

128.279

125.329

125.329

124.764

124.764

124.764

  • Lerarenbeurs

103.380

81.918

78.060

78.060

78.060

78.060

78.060

  • Zij-instroom
 

29.588

29.596

29.596

29.596

29.596

29.596

  • Impuls lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

687

           
  • Wet Beroep leraar en

Lerarenregister

822

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

  • Projecten professiona lisering

1.665

           
  • Regionale aanpak lerarentekort
   

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

  • Overige projecten

2.735

13.828

1.728

1.728

1.163

1.163

1.163

Opdrachten

1.623

3.656

3.635

3.715

3.715

3.715

3.715

  • Onderzoek, ramingen en communicatie

1.497

3.656

3.635

3.715

3.715

3.715

3.715

  • Leraren- en schoollei- dersregister

126

           

Bijdrage aan agentschappen

2.752

3.585

2.936

2.952

2.960

2.961

2.968

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

2.752

3.585

2.936

2.952

2.960

2.961

2.968

Ontvangsten

9.812

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 9 is voor 2020 50,4 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht op grond van een gepubliceerde bekostigingsregeling en bestemd voor betalingen aan samenwerkingsverbanden. De bekostigingsregeling loopt per schooljaar.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2020 36 procent juridisch verplicht, waarvan het grootste deel van het juridisch verplichte budget voor de lerarenbeurs bestemd is. Verder betreft dit subsidies die worden verstrekt op grond van gepubliceerde subsidieregelingen en individuele subsidies die voorafgaand aan het jaar worden verleend.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2020 24 procent juridisch verplicht op grond van in 2019 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeidsmarkt. Het resterende deel is niet-juridisch verplicht budget bestemd om beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van leraren (professionalisering onderwijspersoneel en aansluiting onderwijs op behoefte arbeidsmarkt) verder te ondersteunen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisatie DUO voor dat jaar.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Aanvullende bekostiging

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen op het gebied van opleiden en professionaliseren te verbeteren zijn 88 opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor po, vo, mbo) erkend. Zij ontvangen jaarlijks bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2020 is € 78,1 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling lerarenbeurs. Deze subsidie - voor zowel studiekosten als studieverlof -kan worden aangevraagd door leraren in het po, vo, mbo en hbo voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding.

Zij-instroom

Onder dit budget vallen twee verschillende subsidieregelingen:

  • 1. 
    De regeling zij-instroom: voor 2020 is € 21,2 miljoen beschikbaar voor een subsidie voor de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject zij-instroom in het beroep

Regionale aanpak lerarentekort

Voor 2020 en verder is € 13 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort. Deze subsidieregeling kan worden gebruikt om partijen in de regio te ondersteunen om het lerarentekort in het po, vo en mbo gezamenlijk aan te pakken.

Wet Beroep Leraar en lerarenregister

Voor 2020 is er € 2,9 miljoen beschikbaar voor het versterken van het beroep leraar. Dit budget wordt ingezet voor onder meer Leraar24, de ondersteuning van beroepsgroepvorming, de implementatie van het professioneel statuut van de leraar en een monitor op de Wet Beroep Leraar.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen ingehuurd.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

3.7 Art.nr. 11. Studiefinanciering

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

 

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering 2019 per maand in euro's

Normbedragen ho

   

Normbedragen mbo/bol

   
 

Uitwonend Thuiswonend

Studie- voorschot

Uitwonend Thuiswonend

Basisbeurs

€ 295,63

€ 106,18

n.v.t. Basisbeurs

€ 273,17

€ 83,70

Aanvullende beurs

€ 283,11

€ 260,96

€ 396,39 Aanvullende beurs

€ 366,50

€ 344,40

Maximaal leenbedrag

€ 303,73

€ 303,73

€ 486,08 Maximaal leenbedrag

€ 182,34

€ 182,34

Collegegeldkrediet

€ 173,58

€ 173,58

€ 173,58 Collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1056,05

€ 844,45

€ 1056,05 Totaal

€ 822,01

€ 610,44

Peildatum 1 september 2019

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Ook in het komende jaar gaat DUO door met een meer persoonsgerichte manier van het innen van schulden. Dat gaat DUO doen door zelf proactief contact te zoeken met studenten en oud-studenten die een substantiële betalingsachterstand hebben of dreigen te krijgen. Medewerkers van DUO zoeken samen met de student en oud-student naar een oplossing voor de ontstane problemen en kunnen een betalingsregeling op maat voorstellen.

 

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

6.200.225

5.547.637

5.221.098

4.940.462

5.665.703

5.749.571

5.774.741

Totale uitgaven

6.200.225

5.547.637

5.221.098

4.940.462

5.665.703

5.749.571

5.774.741

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Inkomensoverdracht

3.595.627

2.664.307

2.137.924

1.608.672

2.098.735

2.090.607

2.111.835

  • Basisbeurs gift (R)

1.210.960

1.084.608

840.285

595.990

409.145

363.934

352.268

  • Aanvullende beurs gift

(R)

672.109

664.582

674.557

693.566

707.600

713.727

717.889

  • Reisvoorziening gift

(R)

1.631.598

813.756

542.961

232.469

883.214

906.943

929.347

  • Caribisch Nederland gift (R)

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

  • Overige uitgaven (R)

77.750

98.151

76.911

83.438

95.566

102.793

109.121

Leningen

2.488.675

2.761.603

2.965.119

3.213.062

3.447.850

3.538.938

3.542.256

  • Basisbeurs prestatie beurs (NR)
  • 707.732
  • 792.730
  • 608.035
  • 392.971
  • 202.606
  • 146.314
  • 158.651
  • Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

136.424

145.917

115.192

91.006

74.297

60.872

46.974

  • Reisvoorziening (NR)

114.498

118.446

98.339

75.886

72.374

58.767

49.716

  • Rentedragende lening

(NR)

2.459.989

2.856.066

2.924.417

2.982.094

3.035.091

3.088.587

3.119.919

  • Collegegeldkrediet (NR)

352.355

363.363

353.529

366.405

371.260

375.746

379.290

  • Leven lang leren krediet (NR)

20.191

35.000

45.000

50.000

50.000

50.000

50.000

  • Overige uitgaven (NR)

112.950

35.541

36.677

40.641

47.434

51.280

55.008

Bijdrage aan agentschappen

115.923

121.727

118.055

118.728

119.118

120.026

120.650

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

115.923

121.727

118.055

118.728

119.118

120.026

120.650

Ontvangsten

846.307

885.248

936.149

1.005.775

1.076.894

1.151.569

1.223.241

Ontvangsten (R)

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

  • Ontvangen rente (R)

93.903

87.778

89.518

106.466

125.034

141.971

150.468

  • Overige ontvangsten

(R)

58.870

55.245

50.017

44.805

39.607

34.506

34.425

Ontvangsten (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

  • Terugontvangen hoofdsom (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 11.3 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

relevante uitgaven:

3.711.550

2.786.034

2.255.979

1.727.400

2.217.853

2.210.633

2.232.485

niet relevante uitgaven:

2.488.675

2.761.603

2.965.119

3.213.062

3.447.850

3.538.938

3.542.256

relevante ontvangsten:

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

niet relevante ontvangsten:

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2020 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

In tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» is vanaf dit jaar gekozen voor een verhelderende indeling tussen de instrumenten inkomensoverdracht en leningen. In totaal zijn er vier wijzigingen.

Ten eerste zijn de niet-relevante posten die onder het instrument inkomensoverdracht stonden overgeheveld naar het instrument leningen. Het betreft hier de posten Basisbeurs prestatiebeurs (NR), Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR), Reisvoorziening prestatiebeurs (NR) en Overige uitgaven niet-relevant (NR). De prestatiebeurzen worden in eerste instantie als lening toegekend aan de student en omgezet in een gift bij het behalen van een diploma. Het boeken van de niet-relevante posten onder het instrument leningen sluit beter aan op de wijze waarop de prestatiebeurzen aan de studenten worden toegekend. De onderliggende tabellen die een verdere uitsplitsing geven op deze posten worden voortaan ook toegelicht onder het kopje «Leningen».

Ten tweede worden alle relevante uitgaven aan de reisvoorziening gift nu onder hetzelfde budget geboekt. Voorheen waren deze uitgaven apart uitgesplitst naar Reisvoorziening gift (R), Bijdrage studerenden aan OV-contract (R) en Kosten contract OV-bedrijven. De reisvoorziening wordt nu op vergelijkbare manier weergegeven als de basisbeurs en de aanvullende beurs. De uitsplitsing naar deze drie posten is in de onderliggende tabellen weergegeven.

In de derde plaats is de post Rentedragende lening (NR) verder uitgesplitst naar de posten Rentedragende lening (NR) en Leven lang leren krediet (NR). Voorheen werden de uitgaven aan het Leven lang leren krediet volledig onder de post Rentedragende lening (NR) geboekt, nu wordt dit bedrag ook apart weergegeven.

Tot slot zijn de Relevante ontvangsten hoofdsom (R) nu geheel zichtbaar onder de post overige ontvangsten (R). Deze ontvangsten waren voorheen zichtbaar onder de post Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R). De rente-inkomsten hebben nu een aparte post Ontvangen rente (R), waardoor nu beter zichtbaar wordt wat de ontvangen rente is. De post die voorheen Kortlopende vorderingen (R) werd genoemd, valt nu onder de post Overige ontvangsten (R) samen met de Relevante ontvangsten hoofdsom (R).

 

Was

Wordt

  • • 
    Reisvoorziening gift (R)
  • • 
    Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)
  • • 
    Kosten contract OV-bedrijven (R)
  • • 
    Reisvoorziening gift (R)
  • • 
    Rentedragende lening (NR) inclusief leven lang leren krediet (NR)
  • • 
    Rentedragende lening (NR) exclusief leven lang leren krediet (NR)
  • • 
    Leven lang leren krediet (NR)
  • • 
    Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R) inclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)
  • • 
    Ontvangen Rente (R) exclusief relevante ontvangsten hoofdsom
  • • 
    Kortlopende vorderingen (R) exclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)
  • • 
    Overige ontvangsten (R) inclusief ontvangsten van kortlopende vorderingen en inclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)
  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot. De basisbeurs in het hoger onderwijs is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoor-ziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg is de basisbeurs onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

 

Tabel 11.4 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2019 afgeronde raming)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Studenten met basisbeurs

290.298

228.900

206.800

203.200

203.800

202.700

200.700

bol

220.603

211.300

202.000

200.600

202.400

202.000

200.700

hbo

64.064

14.700

4.000

2.100

1.100

500

0

wo

5.631

2.900

800

500

300

200

0

Studenten zonder basisbeurs

486.511

545.600

559.200

563.100

566.000

567.700

568.200

bol

8.067

7.800

7.500

7.400

7.500

7.500

7.500

hbo

277.321

324.600

330.600

328.700

326.000

322.700

318.800

wo

201.123

213.200

221.100

227.000

232.500

237.500

241.900

Totaal

776.809

774.500

766.000

766.300

769.800

770.400

768.900

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering. Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vindt een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde basisbeurs gift

88.310

84.989

78.802

77.358

77.069

80.060

79.717

bol

82.292

83.034

78.802

77.358

77.069

80.060

79.717

hbo

3.907

386

0

0

0

0

0

wo

2.111

1.569

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs

             

prestatiebeurs

1.122.649

999.619

761.483

518.632

332.076

283.874

272.551

bol

250.183

224.403

219.464

214.456

207.519

210.205

208.582

hbo

537.064

500.023

381.490

186.327

56.245

38.533

33.683

wo

335.402

275.193

160.529

117.849

68.312

35.136

30.286

Totaal

1.210.960

1.084.608

840.285

595.990

409.145

363.934

352.268

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In tabel 11.5 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 11.6 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2019 afgeronde raming)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bol

110.724

107.800

103.000

102.100

102.900

102.600

101.900

hbo

88.466

88.700

87.500

86.500

85.500

84.500

83.300

wo

30.127

31.100

31.900

32.700

33.500

34.200

34.800

Totaal

229.317

227.600

222.400

221.300

221.900

221.300

220.000

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze tabel laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt relatief vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo relatief vaker dan in het wo.

Tabel 11.7 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

283.500

286.012

274.872

275.216

275.776

273.760

271.083

bol

228.931

230.500

219.608

219.712

220.490

218.721

216.411

hbo

43.321

43.984

43.417

43.277

42.780

42.276

41.688

wo

11.248

11.528

11.847

12.227

12.506

12.763

12.984

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

388.609

378.570

399.685

418.350

431.824

439.967

446.806

bol

164.215

153.976

154.722

153.886

150.475

147.143

146.292

hbo

164.179

164.249

178.108

192.676

205.227

214.213

219.854

wo

60.215

60.345

66.855

71.788

76.122

78.611

80.660

Totaal

672.109

664.582

674.557

693.566

707.600

713.727

717.889

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.7 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 260,96 of € 283,11 (zie tabel 11.1). De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 396,39. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.8 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2019 afgeronde raming)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Aantal gebruikers van het

             

reisrecht

782.943

779.400

770.600

770.100

771.500

770.900

769.700

bol minderjarig

109.345

108.200

107.000

105.900

103.700

102.100

102.000

bol

215.032

209.200

200.000

198.600

200.400

200.000

198.700

ho

458.566

462.000

463.600

465.600

467.400

468.800

469.000

Aantal RBS

19.314

19.500

19.600

19.700

19.800

19.900

20.000

bol

2.992

2.900

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

ho

16.322

16.600

16.800

16.900

17.000

17.100

17.200

Totaal

802.257

798.900

790.200

789.800

791.300

790.800

789.700

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Per 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 11.9 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde reisvoorziening gift

70.219

66.746

67.223

68.055

69.223

70.152

71.252

bol

58.064

59.950

60.180

60.857

61.870

62.646

63.608

ho

12.154

6.796

7.043

7.197

7.353

7.505

7.644

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

695.785

666.337

699.828

731.692

747.318

771.306

790.144

bol

199.917

191.015

230.543

263.024

278.245

291.104

296.529

ho

495.868

475.322

469.285

468.668

469.073

480.201

493.615

Bijdrage studerenden aan OV-contract

  • - 
    857.909
  • - 
    876.723
  • - 
    896.097
  • - 
    911.816
  • - 
    930.546
  • - 
    947.322
  • - 
    963.682

bol

  • 346.466
  • 351.675
  • 352.388
  • 356.448
  • 362.997
  • 367.842
  • 373.429

ho

  • 511.442
  • 525.048
  • 543.709
  • 555.368
  • 567.549
  • 579.480
  • 590.253

Kosten contract OV-bedrijven

1.723.502

957.396

672.007

344.538

997.220

1.012.807

1.031.634

Totaal reisvoorziening

1.631.598

813.756

542.961

232.469

883.214

906.943

929.347

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bij de kosten contract OV-bedrijven is in 2018 een veel hoger bedrag uitgegeven dan in de overige jaren en in 2020 en 2021 een veel lager bedrag dan in de overige jaren. Dit heeft te maken met een aantal kasschuiven. Voor de betaling van het reisproduct aan vervoerbedrijven heeft een kasschuif van 2018 naar 2016 van € 44 miljoen plaatsgevonden. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast is er een kasschuif van 19,5 miljoen van 2019 naar 2018 en van 50 miljoen van 2020 naar 2019. Als laatste is er een kasschuif van € 200 miljoen van 2021 naar 2020. Contractueel is vastgelegd dat OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeld-krediet en het leven lang leren krediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot.

Tabel 11.10 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde basisbeurs

413.927

285.289

242.528

235.421

234.910

233.680

230.700

bol

238.488

234.355

224.737

223.780

226.551

226.969

226.077

hbo

158.613

41.661

14.464

9.472

6.820

5.477

4.012

wo

16.826

9.273

3.327

2.169

1.539

1.234

611

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

  • - 
    1.122.649
  • - 
    999.619
  • - 
    756.483
  • - 
    518.632
  • - 
    312.076
  • - 
    238.874
  • - 
    232.551

bol

  • 250.183
  • 224.403
  • 219.464
  • 214.456
  • 207.519
  • 210.205
  • 208.582

hbo

  • 537.064
  • 500.023
  • 381.490
  • 186.327
  • 41.245
  • 8.533
  • 3.683

wo

  • 335.402
  • 275.193
  • 155.529
  • 117.849
  • 63.312
  • 20.136
  • 20.286

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

990

  • - 
    78.400
  • - 
    94.080
  • - 
    109.760
  • - 
    125.440
  • - 
    141.120
  • - 
    156.800

bol

  • 2
  • 6.400
  • 7.680
  • 8.960
  • 10.240
  • 11.520
  • 12.800

hbo

152

  • 50.000
  • 60.000
  • 70.000
  • 80.000
  • 90.000
  • 100.000

wo

840

  • 22.000
  • 26.400
  • 30.800
  • 35.200
  • 39.600
  • 44.000

Totaal

  • - 
    707.732
  • - 
    792.730
  • - 
    608.035
  • - 
    392.971
  • - 
    202.606
  • - 
    146.314
  • - 
    158.651

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In tabel 11.10 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalt het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde aanvullende beurs

524.837

549.487

544.677

543.956

545.521

545.039

542.780

bol

164.272

162.209

155.552

154.892

156.808

157.097

156.480

hbo

262.252

282.811

281.539

278.729

275.790

272.659

268.978

wo

98.313

104.467

107.586

110.335

112.923

115.283

117.322

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

  • - 
    388.609
  • - 
    378.570
  • - 
    399.685
  • - 
    418.350
  • - 
    431.824
  • - 
    439.967
  • - 
    446.806

bol

  • 164.215
  • 153.976
  • 154.722
  • 153.886
  • 150.475
  • 147.143
  • 146.292

hbo

  • 164.179
  • 164.249
  • 178.108
  • 192.676
  • 205.227
  • 214.213
  • 219.854

wo

  • 60.215
  • 60.345
  • 66.855
  • 71.788
  • 76.122
  • 78.611
  • 80.660

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

196

  • - 
    25.000
  • - 
    29.800
  • - 
    34.600
  • - 
    39.400
  • - 
    44.200
  • - 
    49.000

bol

  • 4
  • 10.168
  • 12.168
  • 14.168
  • 16.168
  • 18.168
  • 20.168

hbo

36

  • 10.847
  • 12.847
  • 14.847
  • 16.847
  • 18.847
  • 20.847

wo

164

  • 3.985
  • 4.785
  • 5.585
  • 6.385
  • 7.185
  • 7.985

Totaal

136.424

145.917

115.192

91.006

74.297

60.872

46.974

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.11 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Tabel 11.12 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde reisvoorziening

810.274

812.283

831.167

846.078

863.693

879.573

894.860

bol

292.105

293.800

294.266

297.669

303.256

307.355

312.004

ho

518.169

518.483

536.901

548.409

560.437

572.218

582.856

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

  • - 
    695.785
  • - 
    666.337
  • - 
    699.828
  • - 
    731.692
  • - 
    747.318
  • - 
    771.305
  • - 
    790.144

bol

  • 199.917
  • 191.015
  • 230.543
  • 263.024
  • 278.245
  • 291.104
  • 296.529

ho

  • 495.868
  • 475.322
  • 469.285
  • 468.668
  • 469.073
  • 480.201
  • 493.615

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

9

  • - 
    27.500
  • - 
    33.000
  • - 
    38.500
  • - 
    44.000
  • - 
    49.500
  • - 
    55.000

bol

0

  • 2.500
  • 3.000
  • 3.500
  • 4.000
  • 4.500
  • 5.000

ho

9

  • 25.000
  • 30.000
  • 35.000
  • 40.000
  • 45.000
  • 50.000

Totaal reisvoorziening

114.498

118.446

98.339

75.886

72.374

58.767

49.716

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.12 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Rentedragende lening

2.459.989

2.856.066

2.924.417

2.982.094

3.035.091

3.088.587

3.119.919

Collegegeldkrediet

352.355

363.363

353.530

366.405

371.260

375.746

379.290

Leven lang leren krediet

20.191

35.000

45.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Totaal

2.832.535

3.254.429

3.322.947

3.398.499

3.456.351

3.514.333

3.549.209

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het collegegeldkrediet loopt in 2020 iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten wordt per collegejaar 2020-2021 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.14 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Ontvangen rente

93.903

87.778

89.518

106.466

125.034

141.971

150.468

Overige ontvangsten

58.870

55.245

50.017

44.805

39.607

34.506

34.425

Renteloos voorschot en relevante

             

rentedragende lening

1.197

1.149

1.021

909

811

730

659

Kortlopende vorderingen

57.673

54.096

48.996

43.896

38.796

33.776

33.766

Totaal relevante ontvangsten

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Hoofdsom (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Totaal niet-relevante

ontvangsten

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend.

3.8 Art.nr. 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

  • A. 
    Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele inkomensafhankelijke bijdrage in de schoolkosten en een eventuele inkomensafhankelijke bijdrage in het les- of cursusgeld.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de WTOS wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

 

Tabel 12.1 Normbedragen WTOS in euro's (per maand, tenzij anders vermeld)

 

Schoolkosten

Les- of

Basistoelage

Basistoelage

 

cursusgeld

thuiswonend

uitwonend

Leerlingen in het vo vanaf 18 jaar:

  • vo onderbouw

81,25

     
  • niet bekostigd vo onderbouw

111,24

97,33

115,23

268,67

  • vo bovenbouw

88,95

 

115,23

268,67

  • niet bekostigd vo bovenbouw

118,99

97,33

115,23

268,67

  • vso

53,97

 

115,23

268,67

  • vavo

118,99

97,33

115,23

268,67

Tegemoetkoming studenten 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd¦?

  • bij 540 of meer lesminuten per week

320,23

369,60

   
  • tussen 270 en 540 minuten per week

215,75

246,40

   

Lerarenopleidingen1

748,43

567,23

   

1 Bedragen per schooljaar Peildatum schooljaar 2019/2020

Toelichting:

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de vo bovenbouw gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit
 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

80.481

80.381

77.439

75.767

74.654

73.117

71.699

Totale uitgaven

80.481

80.381

77.439

75.767

74.654

73.117

71.699

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Inkomensoverdracht

75.006

75.027

71.987

70.299

69.178

67.641

66.241

  • Minderjarige deelnemers bol (R)

8

0

0

0

0

0

0

  • Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo)

(R)

3.611

3.611

3.611

3.611

3.611

3.611

3.611

  • Deeltijd vo (R)

2.238

2.238

2.238

2.238

2.238

2.238

2.238

  • Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

6.423

6.320

6.181

6.008

5.850

5.700

5.548

  • Meerderjarige scholieren vo (R)

58.883

59.163

56.400

54.941

54.027

52.730

51.568

  • Meerderjarige scholieren vso (R)

3.843

3.695

3.557

3.501

3.452

3.362

3.276

Leningen

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

  • STOEB/ALR (NR)

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

3.025

Bijdrage aan agentschappen

2.450

2.329

2.427

2.443

2.451

2.451

2.433

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs (R)

2.450

2.329

2.427

2.443

2.451

2.451

2.433

Ontvangsten

4.227

4.043

3.872

3.777

3.714

3.629

3.552

  • Minderjarige deelnemers bol (R)

84

0

0

0

0

0

0

  • Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

215

215

215

215

215

215

215

  • Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

3.928

3.828

3.657

3.562

3.499

3.414

3.337

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In tabel 12.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» is vanaf dit jaar gekozen om de post STOEB/ALR (NR) onder het instrument «lening» te boeken, omdat dit bedrag niet relevant is en daarmee geen inkomensoverdracht is.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2020 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie deze bedoeld is.

 

Tabel 12.3 Aantal gebruikers per regeling (vanaf 2019 afgeronde raming)

       
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Aantal gebruikers tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo

6.891

6.900

6.900

6.900

6.900

6.900

6.900

Aantal meerderjarige gebruikers

v(s)o en vavo

36.338

35.000

33.400

32.600

32.000

31.200

30.500

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Leningen

Sinds deze begroting wordt het onderdeel STOEB/ALR als lening verantwoord. Dit komt doordat dit bedrag niet-relevant is. Het zijn onterecht ontvangen bedragen op de WTOS die weer terug worden gevorderd. Dit kan als het ware worden gezien als lening.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.9 Art.nr. 13. Lesgeld

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Financieren: De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Indicatoren/kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling.

 

Tabel 13.1 Lesgeldbedrag (Bedragen x € 1)

           

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

2024/2025

Lesgeld    1.155    1.168    1.168    1,168    1,168    1,168    1.168

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 13.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

12.158

12.831

13.416

13.515

13.560

13.560

13.587

Totale uitgaven

12.158

12.831

13.416

13.515

13.560

13.560

13.587

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Bijdrage aan agentschappen

12.158

12.831

13.416

13.515

13.560

13.560

13.587

  • Dienst Uitvoering
             

Onderwijs

12.158

12.831

13.416

13.515

13.560

13.560

13.587

Ontvangsten

237.165

231.866

226.628

231.338

238.900

244.196

248.448

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2020 100 procent juridisch verplicht. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, studiefinanciering en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

Tabel 13.3 Aantal lesgeldplichtigen (vanaf 2019 afgeronde raming)

2018    2019    2020    2021    2022    2023    2024

bol/vo    217.236    211.300    202.000    200.600    202.400    202.000    200.700

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019-2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de deelnemers/leerlingen.

3.10 Art.nr. 14. Cultuur

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt.

Financieren: De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma's en regelingen op de terreinen erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken.

Stimuleren: De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma's als cultuureducatie, leesbevordering, ondernemerschap, historisch democratisch bewustzijn en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren: De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen

 

Tabel 14.1 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1    Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht

 

89%1

           

2    Percentage bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht

 

60%2

           

3 Percentage kinderen en jongeren tussen 6    99%

en 19 jaar die voorstellingen, musea en    (6-11

bibliotheken heeft bezocht    jaar)

99%

(12-19

jaar)2

1    De gegevens over 2016 zijn de meest recente. Deze zijn gebaseerd op de Vrijetijdsomnibus (VTO), een tweejaarlijks onderzoek naar cultuur- en sportparticipatie van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over 2017 en 2018 is nog in uitvoering.

2    Zie voetnoot hierboven.

Bron: SCP/CBS

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven de ontwikkelingen weer van het cultuurbereik. Daarmee zijn deze in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur.

In 2016 bezochten negen op de tien mensen van 6 jaar en ouder jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling, evenement of culturele instelling. Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 60% van de mensen bezocht. Het is belangrijk dat iedereen al vroeg met cultuur in aanraking komt. Op basis van deze gegevens blijkt dat bijna alle kinderen en jongeren tot en met 19 jaar in 2016 minstens één keer een voorstelling, een museum of bibliotheek bezochten.

Meer kengetallen en indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd in OCW in cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In de brief Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024 van 11 juni 2019 zijn de hoofdlijnen van het nieuwe cultuurstelsel beschreven. De basisinfrastructuur wordt uitgebreid waarbij fair practice, regionale samenwerking en de maker centraal staan. Na advies van de Raad voor Cultuur wordt in september 2020 de definitieve samenstelling van de basisinfrastructuur bekend.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 14.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)1

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

511.415

402.672

2.353.015

532.910

519.678

528.196

525.543

Waarvan garantieverplichtingen

34.823

  • 206.876
         

Waarvan overig

476.592

609.548

         

Totale uitgaven

852.585

969.812

1.005.094

961.765

948.533

957.052

954.399

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,0%

       
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

 

Bekostiging

717.121

829.433

851.217

854.680

845.080

853.856

853.856

  • Culturele basisinfra structuur

423.247

453.088

455.571

477.047

477.744

477.783

477.783

Vierjaarlijkse instellingen

239.409

250.565

249.748

277.227

278.874

278.913

278.913

Vierjaarlijkse fondsen

183.838

202.523

205.823

199.820

198.870

198.870

198.870

  • Erfgoedwet

138.511

134.114

128.614

128.614

128.614

128.614

128.614

Huisvesting

91.860

87.208

87.208

87.208

87.208

87.208

87.208

Beheer en onderhoud collecties

46.651

46.906

41.406

41.406

41.406

41.406

41.406

  • Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

0

0

49.786

50.041

50.020

50.020

50.020

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

0

0

23.101

23.101

23.080

23.080

23.080

Digitale openbare bibliotheek

0

0

14.674

14.929

14.929

14.929

14.929

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

0

0

12.011

12.011

12.011

12.011

12.011

  • Monumentenzorg

117.814

199.231

174.241

155.582

135.386

130.236

130.236

  • Archieven incl.

Regionale Historische Centra

25.281

25.933

25.938

26.553

26.553

26.553

26.553

  • Flankerend beleid huisvesting

2.050

6.573

6.573

6.573

6.573

6.573

6.573

  • Cultuureducatie met

Kwaliteit

10.218

10.494

10.494

10.270

20.190

34.077

34.077

Subsidies

76.789

77.018

93.845

47.870

48.402

48.402

45.746

  • Verbreden inzet cultuur

13.903

14.966

16.716

11.791

15.166

15.166

15.166

  • Internationaal cultuurbeleid (incl.

HGIS)

8.873

8.748

9.005

8.052

8.052

8.052

8.052

  • Programma leesbevor dering

3.427

3.350

3.350

3.350

3.350

3.350

3.350

  • Creatieve Industrie

1.998

1.827

1.975

1.975

1.975

1.975

1.975

  • Monumentenzorg

6.801

3.516

138

135

0

0

0

  • Erfgoed en ruimte

2.125

           
  • Erfgoed en fysieke leefomgeving
 

1.730

1.000

2.450

2.750

2.750

2.750

  • Specifiek cultuurbeleid

39.662

42.881

61.661

20.117

17.109

17.109

14.453

Opdrachten

14.421

17.755

14.843

15.100

10.937

10.680

10.680

  • Beleidsonderzoek,

evaluaties en kennisbasis

1.235

1.829

2.026

2.076

2.051

1.926

1.926

  • Monumentenzorg

6.732

7.947

3.717

3.692

3.692

3.692

3.692

  • Archeologie

1.845

5.267

4.393

4.393

865

865

865

  • Erfgoed en Ruimte

1.580

           
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

  • Erfgoed en fysieke leefomgeving
 

359

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

  • Overige opdrachten

3.029

2.353

2.207

2.439

1.829

1.697

1.697

Bijdragen aan agentschappen

41.396

42.757

42.340

41.266

41.265

41.265

41.268

  • Nationaal Archief

27.440

27.832

28.862

28.082

28.082

28.083

28.086

  • Nationaal Archief

Programma

13.956

14.925

13.478

13.184

13.183

13.182

13.182

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.858

2.849

2.849

2.849

2.849

2.849

2.849

Bijdragen aan

(inter-)nationale organisaties

2.858

2.849

2.849

2.849

2.849

2.849

2.849

Ontvangsten

7.648

1.987

494

494

494

494

494

1 De indeling van deze tabel is gewijzigd ten opzichte van de vorige begroting. Onder het instrument bekostiging vervalt de post Archeologie.

Toelichting:

De verplichtingen liggen in 2020 met € 2,4 miljard hoger dan in andere jaren. Dit komt omdat in 2020 de verplichtingen voor de culturele basisinfrastructuur 2021-2024 meerjarig worden aangegaan.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2020 97 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op betalingen aan culturele instellingen, cultuurfondsen en monumenteneigenaren. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en onderliggende besluiten en regelingen. Het moment van juridisch verplichten gaat vooraf aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 83,3 procent juridisch verplicht voor 2020. Dit betreft het deel van de subsidies waarvoor al voor de start van 2020 een beschikking is verstuurd.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 0,3 procent juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft de contributies voor (inter)nationale verdragen en lidmaatschappen. Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken. Het budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur

De culturele basisinfrastructuur wordt voor een periode van vier jaar bekostigd. De besluiten over de culturele basisinfrastructuur voor de periode 2017-2020 zijn in de brief van 20 september 2016 beschreven. In totaal heeft het Rijk voor deze periode subsidie toegekend aan 88 culturele instellingen en zes fondsen. De culturele basisinfrastructuur bestaat uit vierjaarlijkse instellingen op het gebied van podiumkunsten (toneel, dans, opera en orkesten), beeldende kunsten, film, musea, letteren, architectuur, vormgeving, nieuwe media, cultuureducatie en een aantal bovensectorale instellingen. Daarnaast zijn er zes cultuurfondsen, die sectoraal zijn georganiseerd. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel. Door middel van flexibele en kortlopende subsidieregelingen kunnen zij de dynamiek en de vernieuwing in de sector op de voet volgen en zijn zij in staat snel op sectorale ontwikkelingen te reageren.

In 2020 zullen de besluiten over de culturele basisinfrastructuur 2021-2024 worden genomen. De Tweede Kamer is in de brief van 11 juni 2019 over de uitgangspunten voor deze periode geïnformeerd. Vanuit de Regeerakkoord middelen wordt in 2020 via het Filmfonds € 5,5 miljoen geïnvesteerd in voortzetting van de succesvolle pilot om de Film Production Incentive (cash rebate) uit te breiden naar high end tv-series.

Erfgoedwet

Op basis van de Erfgoedwet zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak worden op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting.

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

Per 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. De wet organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland tevens taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshandicap. Activiteiten richten zich in 2020 op de aandachtspunten uit de evaluatie van de Wsob, waaronder de kosten voor jeugdleden. Daarnaast op de doorontwikkeling van het model voor e-lending van de digitale openbare bibliotheek en in vervolg op de Motie van het lid Asscher c.s. op de spreiding en bereikbaarheid van de fysieke bibliotheek.

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is sinds 1 juli 2016 het juridisch kader voor de financiering van de monumentenzorg. Wat betreft de financiering van de instandhouding van rijksmonumenten is de brief Erfgoed Telt het beleidskader.

De extra middelen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld worden in 2020 ingezet voor onder andere de restauratie van grote monumenten en onderhoud aan monumenten in Groningen.

De fiscale monumentenaftrek is in 2019 omgevormd tot de woonhuisregeling. Deze middelen staan nu op de begroting van OCW. Daarnaast krijgen in 2020 onderwerpen als toegankelijkheid, verbindende waarde en verduurzaming aandacht. Ten slotte wordt vanuit Erfgoed Telt geïnvesteerd in curricula voor bouwspecialismen, kwaliteitsnormen, het ondersteunen van vrijwilligers en de implementatie van het Verdrag van Faro.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Een wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 11 juni 2018, zal in 2020 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Flankerend beleid huisvesting

Deze middelen zijn gereserveerd voor het Garantiefonds rijksmusea. Ze zijn bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet.

Cultuureducatie met kwaliteit

Het programma Cultuureducatie met Kwaliteit is voor de periode

2017- 2020 voortgezet met een jaarlijkse investering van ruim € 10 miljoen. Het programma zet in op goed cultuuronderwijs voor ieder kind, op verschillende manieren. Door een gezamenlijke inzet van de scholen, de culturele instellingen en de drie overheden wordt de kwaliteit van cultuureducatie bevorderd. De samenwerking tussen de school en de culturele en sociale omgeving wordt gestimuleerd. De inhoudelijke deskundigheid van leraren, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie wordt versterkt. Sinds het schooljaar

2018- 2019 zijn vanuit het Regeerakkoord aanvullende middelen toegevoegd om een bezoek aan het (rijks)museum mogelijk te maken.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

Voor de financiering van de cultuurkaart is meerjarig een budget opgenomen van € 4,9 miljoen per jaar. In aanvulling op het programma Cultuureducatie met Kwaliteit zet OCW samen met private partijen tot en met 2020 extra in op muziekonderwijs in het primair onderwijs. OCW investeert in 2020 samen met het Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP) een bedrag van € 850.000 voor lokale verankering. Daarnaast wordt de toegankelijkheid van cultuur verbeterd door ondersteuning van het Jeugdfonds Sport & Cultuur, een extra bijdrage aan de Brede Regeling Combinatiefuncties en een regeling bij het FCP voor participatie (in 2020 € 4,3 miljoen). Voorts zijn middelen beschikbaar voor de intensivering van de uitvoering van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed. Vanuit het Regeerakkoord zijn hiervoor middelen toegevoegd (in 2020 € 6 miljoen) met als doel de digitale toegankelijkheid en gebruik van erfgoed, archieven en collecties te vergroten.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief HGIS)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van OCW en Buitenlandse Zaken. In de periode 2017-2020 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelstellingen: een sterke cultuursector die in kwaliteit groeit door internationale uitwisseling en duurzame samenwerking die in het buitenland wordt gezien en gewaardeerd, een bijdrage van cultuur aan een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld en culturele diplomatie (Kamerbrieven van 4 mei 2016 en 15 februari 2017).

Voor de versterking van de Nederlandse cultuursector wordt gekozen voor acht focuslanden waar de meest betrokken partijen (diplomatieke posten, fondsen, DutchCulture, anderen) samen optrekken op basis van een meerjarige strategie. Daarnaast kunnen deze partijen inspelen op initiatieven vanuit het veld in zes zogenoemde maatwerklanden, waar zich - vanwege een specifieke aanleiding - uitgelezen kansen voordoen voor Nederlandse cultuuruitingen. Voor de versterking van het internationale culturele profiel van Nederland zijn vanuit het Regeerakkoord structurele middelen toegevoegd (vanaf 2018 jaarlijks € 2 miljoen).

Programma leesbevordering

Het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen is onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2020-2024. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om laaggeletterdheid te voorkomen en tegen te gaan. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 18 maart 2019 is aangekondigd, is het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen de afgelopen jaren bewezen effectief geweest en wordt het daarom ook in 2020 voortgezet.

Creatieve industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan ten behoeve van de Creatieve Industrie. Dit gebeurt in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor de ontwerpdisciplines zoals architectuur, vormgeving en digitale cultuur.

In samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een architectuurprogramma gefinancierd.

Erfgoed en fysieke leefomgeving

De ervaringen uit het programma Erfgoed en ruimte worden gebruikt om vorm te geven aan het erfgoedbeleid in de fysieke leefomgeving, waarin het onder andere gaat om de Nationale Omgevingsvisie en haar uitwerking en de energietransitie. In de brieven Erfgoed Telt en Cultuur in een open samenleving stelt het kabinet het erfgoed van onze leefomgeving te willen beschermen én te benutten voor actuele ruimtelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en stedelijke groei.

Het kabinet versterkt deze relatie in trajecten als de Omgevingswet, de Nationale Omgevingsvisie en het Deltaprogramma. Het kabinet zoekt hiervoor tevens verdere samenwerking met de andere overheden en maatschappelijke partijen via de Erfgoed Deal waarmee het Rijk de bijdrage van erfgoed aan veranderingen in onze leefomgeving wil versterken. De inzet van het Rijk wordt gematcht door de medeoverheden.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen. De -in financiële zin- grootste onderwerpen in 2020 zijn hierna verder toegelicht.

Een bedrag van € 24,6 miljoen is bestemd voor de arbeidsmarktagenda, waarvan € 15 miljoen voor permanente professionele ontwikkeling in het kader van verbetering van de arbeidsmarktsituatie van kunstenaars, € 5 miljoen voor een revolverend productiefonds voor innovatie in de podiumkunsten en € 2,3 miljoen voor het verstrekken van leningen aan individuen en organisaties uit alle disciplines in de creatieve sector die aantoonbaar een professionele beroepspraktijk hebben. Het resterende bedrag is beschikbaar voor diverse maatregelen in de aanloop van de nieuwe culturele basisinfrastructuur periode 2021-2024.

Er wordt uit de Regeerakkoord middelen € 10 miljoen gestort in het Museaal Aankoopfonds.

In 2019 en 2020 staan we erbij stil dat Nederland 75 jaar geleden is bevrijd en we sindsdien in vrijheid leven. Voor uitvoering van beleid rond deze mijlpaal ontvangt OCW € 15 miljoen (waarvan € 10 miljoen in 2020) van het Ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De middelen worden op basis van de beleidsuitgangspunten van VWS via het Mondriaan Fonds beschikbaar gesteld en zijn bedoeld voor modernisering van een aantal oorlogsmusea, wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en het vergemakkelijken van de digitale toegang tot bronnen en archieven van de Tweede Wereldoorlog.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring van versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Monumentenzorg

De middelen zijn bestemd voor opdrachten op het gebied van de monumentenzorg voor kennis- en onderzoeksprogramma's, ondersteuning infrastructuur erfgoed en informatie- en communicatietechniek.

Archeologie

Deze middelen zijn bestemd voor ondersteuningstaken op het gebied van onderzoek en kennis. Daarnaast zijn vanuit het Regeerakkoord middelen beschikbaar gesteld voor extra investeringen in instandhouding van archeologische rijksmonumenten, maritieme archeologie, wetenschappelijke innovatie en publieksbereik.

Erfgoed en fysieke leefomgeving

Deze middelen zijn bestemd voor opdrachten op het terrein van gebiedsgericht erfgoedbeleid voor uitvoeringsprogramma's.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor opdrachten voor diverse programma's, zoals Gedeeld Cultureel Erfgoed en Werelderfgoed.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast de prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor de UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuurverdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages) en de Nederlandse Taalunie.

Ontvangsten

Er zijn ontvangsten geraamd als gevolg van het definitief vaststellen van subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3
  • BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramings-grond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 14.3. Fiscale regelingen 2018-2020, budgettair belang op transactiebasis in

 

1 lopende prijzen (x € miljoen)1

 

2018

2019

2020

Aftrek kosten monumentenpanden

78

-

-

BTW Laag tarief culturele goederen en diensten

1.217

997

1.042

1 [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Art.nr. 15. Media

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid, waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol, vooral ook een regisserende rol.

Financieren: De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep, en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan sluit de Minister elke vijf jaar een prestatie-overeenkomst met de publieke omroep.

Stimuleren: Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma's, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Mediawijzer.net).

Regisseren: Als regisseur is de Minister verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen over audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Op 14 juni 2019 is de visiebrief toekomst publiek omroepbestel van dit kabinet verschenen. In de mediabegrotingsbrief 2019 zijn de algemene uitgangspunten daarvoor gegeven: de publieke omroep moet geworteld zijn in de maatschappelijke pluriformiteit, iedereen kunnen bereiken, een stabiele financiering hebben, vernieuwend zijn en kunnen samenwerken. Vanuit deze uitgangspunten stelt het kabinet maatregelen voor die zich laten clusteren onder de volgende doelstellingen: versterking van een pluriforme programmering, versterking van de financieringsbasis en versterking van de organisatie.

De maatregelen uit deze visiebrief zullen worden vertaald in een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008. Vanwege een aantal wettelijke termijnen rond de komende concessie- en erkenningsperiode (zoals voor de indiening van het concessiebeleidsplan door de NPO, de teldatum voor ledenaantallen voor de omroepverenigingen en de indiening van erkenningsaanvragen) zullen parallel aan de uitwerking van deze visiebrief via een spoedwetsvoorstel de huidige concessie- en erkenningsduur verlengd worden met één jaar tot 1 januari 2022. Het streven is om het grootste deel van de maatregelen uit deze visiebrief vanaf 1 januari 2021 in te laten gaan, zodat deze maatregelen, met het uitstel van de nieuwe concessie- en erkenningsperiode, voor de nieuwe periode hun effect kunnen hebben. Vanaf 2020 zal de rijksmediabijdrage met € 40 miljoen worden verhoogd.

Voor de regionale, lokale en streekomroepen is € 15 miljoen toegevoegd aan de beschikbare rijksmediabijdrage. Dit bedrag wordt als volgt over drie jaren verdeeld: € 3 miljoen in 2019, € 7,5 miljoen in 2020 en 4,5 miljoen in 2021. In zowel 2019 als 2020 wordt € 3 miljoen bestemd voor de streekomroepen in het kader van de motie Sneller c.s.; voor 2020 en 2021 is voor beide jaren € 4,5 miljoen beschikbaar voor de samenwerking tussen regionale en lokale publieke omroepen.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit
 

Tabel 15.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (bedragen x € 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

915.524

1.016.563

1.023.125

1.005.480

1.028.355

1.027.835

1.052.738

Totale uitgaven

973.392

1.016.563

1.023.125

1.005.480

1.028.355

1.027.835

1.052.738

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,3%

       
 

Bekostiging

966.516

1.004.521

1.009.493

994.848

1.022.223

1.021.701

1.046.580

  • Publieke Omroep

(omroepinstellingen)

940.139

888.388

893.658

887.958

891.946

895.146

898.278

Landelijke publieke omroep

795.844

731.821

736.205

739.908

743.896

747.096

750.228

Regionale omroep

144.295

156.567

157.453

148.050

148.050

148.050

148.050

  • Beheertaken landelijke publieke omroep

39.251

40.312

39.880

39.880

39.880

39.880

39.880

Stichting Omroep

Muziek

16.366

16.766

16.484

16.484

16.484

16.484

16.484

Uitzenden en uitzendgereedmaken

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

22.885

23.546

23.396

23.396

23.396

23.396

23.396

  • Dotaties, bijdragen publieke omroep

16.796

15.933

18.894

18.946

19.003

19.047

19.047

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

5.434

2.194

2.190

2.190

2.190

2.190

2.190

Onderzoeksjournalistiek (RA-middelen)

 

2.231

5.138

5.138

5.138

5.138

5.138

Filmfonds van de omroep en Telefilm (CoBO)

8.274

8.335

8.399

8.451

8.508

8.552

8.552

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.519

1.561

1.558

1.558

1.558

1.558

1.558

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stichting Nederlandse Lokale Publieke

Omroepen (NLPO)

1.569

1.612

1.609

1.609

1.609

1.609

1.609

  • Dotatie/onttrekking

Algemene Mediare-serve

  • 30.040

58.921

56.281

47.284

70.614

66.848

88.595

  • Overige bekostiging media

370

967

780

780

780

780

780

Subsidies

1.820

6.811

8.411

5.411

911

911

911

  • Subsidies

1.820

6.811

8.411

5.411

911

911

911

Opdrachten

170

442

442

442

442

442

442

  • Opdrachten

170

442

442

442

442

442

442

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

4.826

4.728

4.718

4.718

4.718

4.720

4.744

  • Commissariaat voor de Media

4.826

4.728

4.718

4.718

4.718

4.720

4.744

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

60

61

61

61

61

61

61

  • European Audiovisual

Observatory

60

61

61

61

61

61

61

Ontvangsten

164.157

149.854

147.854

142.854

148.854

143.854

164.504

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 15 is voor 2020 99,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is bijna volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Subsidies

Van het beschikbare budget is nul procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is nul procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het beschikbare budget voor 2020 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdragen aan internationale organisaties.

Het beschikbare budget voor 2020 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in onze samenleving.

Onderzoeksjournalistiek

Het budget voor onderzoeksjournalistiek wordt ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen.

Filmfonds van de Omroep en Telefilm (CoBO)

Het CoBO-fonds ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten waarin wordt deelgenomen door een of meer van de publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Vlaamse publieke omroep (VRT) en/of Duitse publieke omroepen en/of onafhankelijke filmproducenten en/of instellingen werkzaam op het gebied van de podiumkunsten.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

Dotatie / onttrekking Algemene Mediareserve Op basis van de verwachte uitgaven op de mediabegroting en de verwachte reclameopbrengsten van de Ster worden middelen toegevoegd of onttrokken aan de Algemene Mediareserve (AMr). De AMr kan op grond van de Mediawet worden gebruikt voor de opvang van dalende Ster-inkomsten, bijdragen aan de bekostiging van reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en voor de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantverhouding voor betalingen aan instellingen.

Vanaf 2020 zal de rijksmediabijdrage structureel met € 40 miljoen worden verhoogd. Deze middelen zijn voorlopig toegevoegd aan de post dotatie/ontrekking AMr en zullen op een later tijdstip na uitwerking van de maatregelen uit de visiebrief worden verdeeld over de mediabegroting.

Overige bekostiging Media

Te laste van dit budget wordt onder meer het NICAM betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer.

Subsidies

Ten laste van dit budget worden de jaarlijkse subsidies aan het AWO-fonds voor de Omroep voor diverse projecten op het gebied van arbeidsmarktontwikkeling, werkgelegenheid en opleiding en aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekpro-jecten betaald. Daarnaast worden nog incidentele subsidies op het gebied van de media betaald.

Daarnaast is € 3 miljoen in 2019, € 7,5 miljoen in 2020 en 4,5 miljoen in 2021 voor de regionale, lokale en streekomroepen uit de visiebrief onder de subsidies toegevoegd. Deze middelen kunnen op een later tijdstip na uitwerking van de maatregelen uit de visiebrief waar nodig nog worden herverdeeld over de mediabegroting.

Opdrachten

Te laste van dit budget worden onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald. Daarnaast worden nog incidentele opdrachten op het gebied van Media betaald.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De kerntaak van het Commissariaat voor de Media (CvdM) bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instellingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Het CvdM is tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Daarnaast heeft het CvdM tot taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders.

Ontvangsten

Dit betreffen de ramingen van de reclameopbrengsten van de Ster. Op basis van de raming zoals opgenomen in de Kamerbrief mediabegroting 2019 is de raming van de reclameopbrengsten naar beneden bijgesteld.

3.12 Art. 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

Financieren: De Minister bekostigt het onderzoeks- en wetenschaps-bestel.

Stimuleren: De Minister stimuleert in het wetenschappelijk onderzoek:

  • • 
    kwaliteit en excellentie;
  • • 
    zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord;
  • • 
    samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het innovatiebeleid, waarvoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat verantwoordelijk is, is hiervoor de missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid ontwikkeld.

Regisseren: De Minister schept voorwaarden voor:

  • • 
    een klimaat voor universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;
  • • 
    borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;
  • • 
    het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;
  • • 
    de Nederlandse en internationale onderzoeksfaciliteiten;
  • • 
    Internationale samenwerking in de wetenschap en op wetenschapsbeleid en wetenschapsdiplomatie;
  • • 
    de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Kengetallen

 

Tabel 16.1 Kengetallen

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1    Top 5-positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

5

6

6

6

       

2    Publieke investering in

R&D als % bbp2

0,66

0,66

0,67

         

3    R&D personeel als %o van de beroepsbevolking2

14,36

14,77

15,20

         

1    Bron: RVO

2    Bron: OECD

Bron: RVO, OECD

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In 2020 wordt het budget van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) verhoogd van € 108 miljoen naar € 130 miljoen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de afspraken in het regeerakkoord over de NWA (zie de beleidsagenda).

De Nederlandse wetenschap is onderdeel van het internationale bestel en Nederland werkt erg succesvol internationaal samen. Zo wordt 7,8% van de middelen uit het huidige EU-Kaderprogramma verworven door Nederland. De inzet is er op gericht deze hoge score in het nieuwe Kaderprogramma vast te houden (zie de beleidsagenda).

Open science en open access worden de norm in wetenschappelijk onderzoek. Zoals beschreven in het Nationaal Plan Open Science (NPOS) streeft OCW naar 100% open access van publicaties in 2020 en het optimaal hergebruik van data. Om de overgang naar open science te versnellen, starten de partijen binnen het NPOS dit jaar met een aantal concrete projecten op het gebied van open access, FAIR-data en waarderen en belonen van onderzoekers. Daarnaast komt er dit jaar meer duidelijkheid over de ontwikkeling van de European Open Science Cloud (EOSC).

OCW stelt ook in 2020 en verder middelen beschikbaar voor investeringen in wetenschappelijke onderzoeksinfrastructuur. Met deze middelen zal in 2020 een nieuwe (tweejaarlijkse) ronde van de Roadmap Grootschalige Wetenschappelijke infrastructuur worden gehouden door NWO. Daarnaast zal OCW de investeringen in de IT-infrastructuur naar aanleiding van het ICT-rapport van NWO het komende jaar uitwerken met extra middelen voor high performance computing, netwerken en data-opslag, ICT-ondersteuning bij data- en software intensief onderzoek, én ontsluiting en toegankelijk maken van data.

Vanaf 2020 komt er jaarlijks € 70 miljoen aan extra onderzoeksmiddelen beschikbaar voor sectorplannen. Hiervan zal € 60 miljoen gaan naar sectorplannen voor bèta en techniek en € 10 miljoen naar een sectorplan voor Sociale en Geesteswetenschappen (SSH). Via een sectorplan wordt een strategische samenwerking tussen faculteiten aangegaan, met als doel het leggen van een verbinding tussen onderwijs, onderzoek en maatschappelijke doelen. Vanaf 2020 zullen met de eerste middelen die worden uitgekeerd aan de universiteiten, de faculteiten een start maken met de uitvoering van de ingediende en beoordeelde faculteitsplannen.

Naar aanleiding van de evaluatie van de instituten-portfolio van NWO en KNAW zullen NWO en KNAW vanaf 2020 een grotere dynamiek van het portfolio bewerkstelligen door een onafhankelijke commissie die periodiek een strategische conferentie organiseert met partijen uit het Nederlandse kennisveld. Eens in de zes jaar zal gecontroleerd worden of de dynamiek hiermee daadwerkelijk bereikt wordt.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit
 

Tabel 16.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

1.122.383

1.191.385

1.213.270

1.163.142

1.160.592

1.159.653

1.159.073

Waarvan garantieverplichtingen

  • 934
           
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Waarvan overig

1.123.317

           

Totale uitgaven

1.216.958

1.238.799

1.172.446

1.163.845

1.160.209

1.159.653

1.159.073

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,8%

       
 

Bekostiging

1.101.220

1.114.385

1.049.574

1.040.297

1.036.661

1.036.105

1.035.525

  • • 
    Hoofdbekostiging

742.322

706.516

658.529

655.490

655.327

656.258

656.178

NWO-wet en WHW

  • NWO

556.834

520.582

521.225

518.388

518.961

518.966

518.886

  • KNAW

89.646

89.527

89.525

89.323

89.132

89.446

89.446

  • KB

95.842

96.407

47.779

47.779

47.234

47.846

47.846

  • • 
    Aanvullende bekostiging

358.898

407.869

391.045

384.807

381.334

379.847

379.347

  • NWO Talentenontwik keling

160.885

170.885

165.885

165.885

165.885

165.885

165.885

  • NWO STW

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

  • NWO Grootschalige researchinfrastructuur

85.380

85.380

55.380

55.380

55.380

55.380

55.380

  • Nationaal Regieorgaan

Onderwijsonderzoek

28.986

29.957

26.133

21.542

18.069

16.582

16.082

  • Poolonderzoek

3.147

3.147

3.147

1.500

1.500

1.500

1.500

  • Caribisch Nederland

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

  • NWO NWA

70.000

108.000

130.000

130.000

130.000

130.000

130.000

Subsidies

22.549

27.239

25.815

26.491

26.452

26.491

26.491

  • Stichting NLBIF

550

550

550

550

550

550

550

  • Naturalis Biodiversity

Center

6.265

6.265

6.265

6.266

6.266

6.266

6.266

  • BPRC

9.608

9.608

9.608

9.609

9.609

9.609

9.609

  • NCWT/NEMO

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

  • STT

221

221

221

221

221

221

221

  • Stichting AAP

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

  • Nationale coördinatie

1.507

6.197

4.773

5.447

5.408

5.447

5.447

Opdrachten

163

379

340

340

379

340

340

  • opdrachten

163

379

340

340

379

340

340

Bijdrage aan agentschappen

673

921

842

842

842

842

842

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

0

2

2

2

2

2

2

  • Rijksdienst voor

Ondernemend

Nederland

673

919

840

840

840

840

840

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

92.353

95.875

95.875

95.875

95.875

95.875

95.875

  • EMBC

918

941

941

941

941

941

941

  • EMBL

5.176

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

  • ESA

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

  • CERN

44.199

46.168

46.168

46.168

46.168

46.168

46.168

  • ESO

8.425

9.871

9.902

9.902

9.902

9.902

9.902

  • NTU/INL

2.570

2.603

2.572

2.572

2.572

2.572

2.572

Ontvangsten

504

101

101

101

101

101

101

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 16 is voor 2020 99.8% procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB alsmede een aantal bijdragen met een structureel karakter. De wettelijke grondslag van de bekostiging is vastgelegd in de NWO-weten de WHW.

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2020 is 89.5% procent juridisch verplicht. Het betreft hier subsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur zoals Naturalis Biodiversity Center, BPRC en NCWT/NEMO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2020 is 60% procent juridisch verplicht op grond van een in 2015 aangegane overeenkomst.

Bijdrage aan agentschappen, aan medeoverheden en aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB. Hiermee stelt de Minister deze organisaties in staat om binnen de wettelijke kaders en in lijn met de vierjaarlijkse strategische agenda en strategische plannen van de instellingen hun missie en doelstellingen te realiseren. Die zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin.

OCW draagt met een structureel karakter bij aan:

  • • 
    NWO voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige researchinfrastructuur. Met de inzet van deze middelen worden Nederlandse onderzoekers in de gelegenheid gesteld om te kunnen werken met onderzoeksfaciliteiten van wereldniveau;
  • • 
    NWO voor het uitvoeren van een integraal persoonsgebonden talentprogramma waarin naast de «Vernieuwingsimpuls» ook de voormalige middelen voor de specifieke doelgroepen zijn opgedaan. Doelen zijn om via competitie op basis van wetenschappelijke kwaliteit voldoende ruimte te geven aan (jonge) veel belovende onderzoekers, excellentie in het onderzoek te bevorderen, en te zorgen voor een adequate in- en doorstroom van onderzoekers zodat er verbetering optreedt in hun loopbaanperspectieven;
  • • 
    Aanvullende bekostiging voor NWO voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijs Onderzoek;
  • • 
    Aanvullende bekostiging voor NWO voor een onderzoeksprogramma «Wetenschap op de Cariben».
  • • 
    In het kader van talentontwikkeling zet OCW via NWO € 5 miljoen in voor talent. Deze middelen worden ingezet om onderzoekers met een migratieachtergrond en vrouwen in bèta en techniek te stimuleren. NWO is met de uitwerking van de programma's bezig. De eerste call zal eind 2019 uitgaan.
  • • 
    NWO-programma voor het uitvoeren van vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek via de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De NWA is gericht op wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken. Belangrijk daarbij is de breedte, de multidisciplinaire aanpak en samenwerking tussen de kennisketen en maatschappelijke partners uit publieke en semipublieke sectoren en uit het bedrijfsleven.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstellingen van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB) worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur, het gaat hier o.a. om bijdrage aan:

  • • 
    Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar de biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;
  • • 
    Het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) voor primatenonder-zoek en de huisvestiging van primaten en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;
  • • 
    Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijke festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebeid van wetenschaps- en technologiecommunicatie en -educatie.

Opdrachten

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor het beleidsgericht onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsinstantie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijk Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie «Horizon 2020». Team Internationale Research- en Innovatiesamen-werking (IRIS) bij RVO.nl is het Nationaal Contactpunt Kaderprogramma in Nederland.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties EMBC, EMBL, ESA, CERN en ESO. Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen de Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van Nederlands nationale onderzoeksbestel.

3.13 Art.nr. 25. Emancipatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister zet zich in voor gender- en LHBTI-gelijkheid en het voorkomen van discriminatie van en geweld tegen deze groepen. Hierbij heeft de Minister een agenderende, coördinerende en aanjagende rol. De Minister doet dit in nauwe samenspraak en samenwerking met verschillende departementen en andere overheden. Daarnaast financiert de Minister programma's en projecten van maatschappelijke instellingen gericht op het vergroten van bewustwording en het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren: De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en LHBTI-gelijkheid. Ook financiert de Minister het monitoren van ontwikkelingen van gender- en LHBTI-gelijkheid in de samenleving.

Stimuleren: Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is weten regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022 die vanaf 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze regeling voorziet in:

  • • 
    het verstrekken van instellingssubsidies aan acht strategische allianties;
  • • 
    het verstrekken van projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren door:

  • • 
    Samenwerking op departementaal niveau, dat doen we met name met de ministeries van BZK, J&V, VWS, SZW, BZ.
  • • 
    de uitvoering van de samenwerkingsafspraken met gemeenten over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid.
  • • 
    Inspanningen op internationaal en Europees niveau.
  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van emancipatie worden beschreven in de beleidsagenda.

OCW zet zich in op drie samenhangende thema's waarop zich stevige knelpunten voordoen. Het bestaande beleid daarop wordt voortgezet. Verder is er voor de financiële onafhankelijkheid vrouwen in overleg met SZW besloten om binnen het «ZonMw Kennisprogramma Vakkundig aan het Werk» een extra ronde te organiseren om de re-integratie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt meer gendersensitief te maken en daarmee de uitkeringsafhankelijkheid en armoede- en schuldenproblematiek van vrouwen te voorkomen en te verminderen.

De komende periode steunt OCW de alliantie van christelijke LHBTI-netwerken in hun activiteiten voor jonge lhbti-ers in reformatorische en evangelische geloofsgemeenschappen.

Om te zorgen voor meer veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte wordt de samenwerking «Veilige steden» met gemeenten uitgebreid en meerjarig voortgezet.

Om tot een evenwichtige representatie van vrouwen en mannen in de media te komen is een programma gericht op media en uitgevers in ontwikkeling. In 2019 wordt een monitor over de media representatie opgestart.

In de brief onnodige sekseregistratie staan maatregelen vermeld om onnodige sekseregistratie te beperken. Bij de uitvoering van deze maatregelen worden publieke en private partijen betrokken.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 25.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

6.003

4.913

5.626

6.473

8.708

15.804

15.804

Uitgaven

12.929

15.924

15.167

15.020

15.021

15.804

15.804

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

78,5%

       
 

Bekostiging

8.500

8.447

8.447

8.247

8.347

8.447

8.447

  • • 
    Kennisinfrastructuur

8.500

8.447

8.447

8.247

8.347

8.447

8.447

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

8.500

8.447

8.447

8.247

8.347

8.447

8.447

Subsidies

3.613

4.036

3.287

3.341

3.241

3.071

3.071

  • • 
    Subsidieregeling emanci patie 2011

1.844

839

78

0

0

0

0

  • Vrouwenemancipatie

1.100

394

         
  • LHBTI

744

445

78

       
  • • 
    Subsidieregeling Gender- en

LHBTI-gelijkheid 2017-2022

1.769

3.197

3.209

3.341

3.241

3.071

3.071

Opdrachten

783

1.213

1.205

1.204

1.205

1.205

1.205

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

783

1.213

1.205

1.204

1.205

1.205

1.205

Bijdrage aan agentschappen

3

0

0

0

0

0

0

  • • 
    Bijdrage aan agentschappen

3

           

Bijdrage aan medeoverheden

 

2.228

2.228

2.228

2.228

3.081

3.081

  • • 
    Gemeentefonds BZK
 

2.228

2.228

2.228

2.228

3.081

3.081

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

 

2.228

2.228

2.228

2.228

3.081

3.081

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

30

0

0

0

0

0

0

  • LHBTI

30

           

Ontvangsten

53

           

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 25 is voor 2020 78,5 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2020 is voor 100 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2020 is voor 59,1 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten:

Het beschikbare budget in 2020 is voor 30,2 procent juridisch verplicht. Bijdrage aan medeoverheden:

Het beschikbare budget in 2020 is voor 51,8 procent juridisch verplicht voor decentralisatie uitkeringen aan Regenboogsteden, die zich inzetten voor de gezamenlijke doelstelling de veiligheid, weerbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI (Lesbische vrouwen, Homoseksuele mannen, Biseksuelen, Transgenderpersonen en intersekse personen) verder te bevorderen en voor gemeenten die het programma Veilige Steden uitvoeren. Het programma heeft als doel de sociale veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte te vergroten door gemeenten te stimuleren stappen te zetten of te continueren op dit onderwerp.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022.

zijn in 2017 acht allianties voor vijf jaar verplicht. De acht strategisch partners zijn merendeel allianties; in totaal vijftien organisaties. Het doel is om met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend gender- en LHBTI-gelijkheid te realiseren.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als LHBTI-gelijkheid worden besteed aan onderzoeken en symposia.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten actief op het gebied van gender- en LHBTI gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

  • 4. 
    DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

4.1 Art.nr. 91. Nog onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • • 
    Loonbijstelling;
  • • 
    Prijsbijstelling;
  • • 
    Onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen
 

1 Tabel 91.1 Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

0

0

0

4.000

6.000

7.800

13.800

Uitgaven

0

0

0

4.000

6.000

7.800

13.800

  • • 
    Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

  • waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

  • waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

  • • 
    Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

  • waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

  • waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

  • • 
    Onvoorzien

0

0

0

4.000

6.000

7.800

13.800

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Op het onderdeel Onvoorzien staan onder andere middelen die een budgettair effect hebben op meer dan één beleidsartikel en waarvan de verdeling over deze artikelen nog niet bekend is.

Dit onderdeel bevat de oploop in de middelen voor problematiek van DUO van € 4 miljoen in 2021 oplopend tot € 13,8 miljoen in 2024. In de Eerste Suppletoire Begrotingswet 2019 zijn de omvang en dekking van de structurele problematiek bij DUO gemeld en gedekt. Het gaat om een bedrag van € 26,7 miljoen in 2019 oplopend naar € 49,1 miljoen in 2030. Het benodigde bedrag voor 2020 (€ 20,7 miljoen) is hiertoe op het instrument «bijdrage aan agentschappen» van de artikelen gezet voor de jaren 2020 en verder. Het restant van de benodigde bedragen is geparkeerd op dit begrotingsonderdeel «Onvoorzien» op artikel 91. Momenteel wordt door DUO gewerkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de doorlichting. De ordentelijke implementatie van deze aanbevelingen is voorwaardelijk voor het aanwenden van de gereserveerde middelen.

4.2 Art.nr. 95. Apparaat Kerndepartement

Op dit artikel worden de personele en materiële uitgaven van het kerndepartement, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en adviesraden geraamd.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 95.1 Apparaatsuitgaven Kerndepartement Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

250.379

274.291

277.396

287.009

285.840

286.001

282.128

Uitgaven

250.379

274.291

277.396

287.009

285.840

286.001

282.128

 

Personele uitgaven

185.942

193.611

210.166

215.636

214.758

214.529

210.827

Waarvan

  • eigen personeel

177.316

183.564

200.632

205.873

204.979

204.750

201.048

  • externe inhuur

5.190

6.265

5.749

5.757

5.767

5.767

5.767

  • overige personele uitgaven

3.436

3.782

3.785

4.006

4.012

4.012

4.012

Materiële uitgaven

63.217

80.680

67.230

71.373

71.082

71.472

71.301

Waarvan

  • ICT

23.442

29.263

26.274

30.437

30.484

30.379

30.136

  • bijdrage aan SSO's

15.121

24.790

22.973

21.891

21.928

21.947

21.966

  • overige materiële uitgaven

24.654

26.627

17.983

19.045

18.670

19.146

19.199

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.220

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

2.428

567

567

567

567

567

567

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Op het artikel Apparaat Kerndepartement staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de adviesraden van het Ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan SSO's geraamd.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schatkistbankieren geraamd. OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 Apparaat Kerndepartement. De ontvangen premies van aan OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan OCW overgemaakt en via de slotwet en de saldibalans (toevoeging premie aan gegroeide reserve) in het jaarverslag verwerkt. De geraamde uitgaven vanuit deze reserve zijn als onderdeel van de materiële uitgaven gespecificeerd in tabel 95.1.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, Onderwijsraad,

Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en

Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en ZBO's weergegeven.

Tabel 95.2 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/-kosten inclusief agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1 miljoen)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

250,4

274,3

277,4

287,0

285,8

286,0

282,1

Kerndepartement

142,5

163,2

171,3

180,9

180,5

180,4

175,6

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

34,7

37,0

35,1

35,0

34,2

34,3

34,7

Inspectie van het Onderwijs

65,3

65,8

63,4

63,7

63,6

63,8

64,3

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

2,3

2,3

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

Onderwijsraad

2,3

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

Raad voor Cultuur

2,1

2,2

2,2

2,0

2,1

2,1

2,1

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1,2

1,3

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

 

Totaal apparaatskosten agentschappen

365,6

308,6

345,8

329,0

325,2

321,3

320,8

Dienst Uitvoering Onderwijs

326,8

271,6

302,8

289,6

286,3

282,4

281,9

Nationaal Archief

38,8

37,0

43,0

39,4

38,9

38,9

38,9

 

Totaal apparaatskosten ZBO's

380,5

391,4

374,3

362,9

354,7

348,7

171,3

Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+

7,0

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

2,8

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

Stichting Mondriaan Fonds

3,2

3,7

3,6

3,6

3,6

3,6

3,6

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

4,3

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

Stichting Stimuleringsfonds

Creatieve Industrie

2,0

1,9

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Nederlands Letterenfonds

2,8

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

Bureau Architectenregister

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Commissariaat voor de Media (CvdM)

5,1

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)

2,1

2,3

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Regionale Publieke

Omroep

1,0

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4,3

4,8

4,5

3,8

3,8

4,0

4,0

Koninklijke Nederlandse

Academie van Wetenschappen (KNAW)

54,2

56,7

53,9

52,4

52,4

52,6

52,9

Koninklijke Bibliotheek (KB)

63,1

60,7

62,5

62,5

62,5

63,5

64,6

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

208,0

219,1

203,6

19,4

186,1

178,8

 

Stichting Participatiefonds

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Vervangingsfonds

2,7

2,7

2,7

2,7

2,7

2,7

2,7

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

15,3

15,3

15,3

15,3

15,3

15,3

15,3

Stimuleringsfonds voor de

Journalistiek

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

De cijfers in bovenstaande tabel zijn niet met elkaar te consolideren aangezien het zowel uitgaven als kosten betreft.

De apparaatskosten bij de baten-lastendiensten betreffen naast de apparaatskosten in verband met werkzaamheden voor OCW ook de kosten die verband houden met werkzaamheden die voor tweeden en derden worden uitgevoerd.

Het personeel van het CvTE bestaat uit Rijksambtenaren, de apparaatskosten van het CvTE zijn dan ook opgenomen in de apparaatsuitgaven van het kerndepartement.

Het bedrag (exclusief inkomsten uit inschrijving), dat is geraamd voor het Bureau Architectenregister valt weg in de afronding.

Toelichting:

In bovenstaande tabel zijn RWT's waarbij een individuele uitvraag in het veld nodig is niet opgenomen. Dit betreft ondermeer alle onderwijsinstellingen, academische ziekenhuizen en musea. ZBO's waarbij de gegevens met betrekking tot de apparaatsuitgaven uit hoofde van reguliere bestaande informatiestromen beschikbaar zijn, zijn wel opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement weergegeven zoals deze direct toe te rekenen zijn aan de verschillende beleidsterreinen.

 

Tabel 95.3 Apparaatsuitgaven per beleidsartikel (bedragen x € 1 miljoen)

Beleidsartikel

Bedrag

Totaal apparaat

45,9

Primair onderwijs

7,0

Voortgezet onderwijs

8,0

Middelbaar Beroepsonderwijs

6,5

Hoger onderwijs en Studiefinanciering

6,4

Internationaal beleid

2,9

Cultuur

9,5

Onderzoek en wetenschapsbeleid

3,3

Emancipatie

2,3

  • 5. 
    BEGROTING AGENTSCHAPPEN

5.1. Dienst Uitvoering Onderwijs

In deze paragraaf is de begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

In het afgelopen voorjaar 2019 heeft het Ministerie van OCW in samenwerking met het Ministerie van Financiën een agentschapsdoorlichting uitgevoerd van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het is gebruikelijk om tenminste elke 5 jaar een dergelijke doorlichting uit te voeren. Deze doorlichting is met een jaar vervroegd. Reden hiervoor waren signalen over de druk op de continuïteit van de dienstverlening door DUO. Het rapport concludeert dat de ingezette ontwikkeling bij DUO de goede richting heeft. Er volgen in de rapportage een aantal aanbevelingen om de transitie te doen slagen. Met DUO is afgesproken dat opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport en dat deze aanbevelingen uit het rapport voorwaardelijk zijn voor het aanwenden van de in het meer jaren beeld, vanaf 2021, beschikbare middelen.

In de onderstaande tabel 1 is een meerjarige raming van de baten en lasten voor de DUO-begroting opgenomen.

Tabel 1 Begroting van baten en lastenagentschap voor het jaar 2020 (bedragen x € 1.000)

 
 

Slotwet 2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Baten

Omzet moederdepartement

270.500

218.863

243.030

242.111

244.326

246.422

252.218

Omzet overige departementen

64.880

57.300

72.623

65.213

65.213

65.213

65.213

Omzet derden

7.489

5.200

6.423

5.788

5.335

5.335

5.335

Rentebaten

   

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

13,00

 

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

Totaal baten

342.882

281.363

322.076

313.112

314.874

316.970

322.766

 

Lasten

Apparaatskosten

326.811

271.563

302.776

289.612

286.274

282.370

281.866

  • personele kosten

232.026

184.563

213.776

201.012

194.974

191.070

190.566

  • waarvan eigen personeel

156.284

146.960

173.017

170.325

171.490

168.317

168.317

  • waarvan inhuur externen

68.515

31.603

34.759

24.687

17.484

16.753

16.249

  • waarvan overige personele kosten

7.227

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

  • materiële kosten

94.785

87.000

89.000

88.600

91.300

91.300

91.300

  • waarvan apparaat ICT

23.542

22.000

22.000

22.000

22.000

22.000

22.000

  • waarvan bijdrage aan

SSO's

23.274

22.000

23.000

22.000

22.000

22.000

22.000

  • waarvan overige materiële kosten

47.869

43.000

44.000

44.600

47.300

47.300

47.300

Rentelasten

15

0

500

600

800

1.000

1.200

Afschrijvingskosten

12.448

9.700

17.200

21.300

26.200

32.000

38.100

  • materieel

10.418

7.700

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

  • waarvan apparaat ICT

10.127

7.400

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

  • immaterieel

2.030

2.000

5.200

9.300

14.200

20.000

26.100

Overige kosten

3.034

0

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

  • dotaties voorzieningen

3.034

0

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

  • bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

342.308

281.263

321.976

313.012

314.774

316.870

322.666

 

Saldo van baten en lasten

574

100

100

100

100

100

100

Agentschapsdeel Vpb lasten

99

100

100

100

100

100

100

Totaal saldo van baten en lasten

475

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de begroting van baten en lasten:

Baten

Omzet moederdepartement

De opbrengst moederdepartement (€ 243,0 miljoen) betreft de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan de opdrachtgever OCW. Van de omzet moederdepartement 2020 is € 182,6 miljoen gerelateerd aan de vijf hoofdproducten, te weten Bekostiging (€ 34,8 miljoen, zijnde 19 procent), Studiefinanciering (€ 95,5 miljoen, zijnde 52 procent), Examens (€ 22,3 miljoen, zijnde 12 procent), Registers (€ 24,1 miljoen, zijnde 13 procent), Informatiediensten (€ 6,0 miljoen, zijnde 3 procent). Daarnaast zijn middelen toegewezen ten behoeve van het niet activeerbare gedeelte van de vervangingen van het systeemlandschap (€ 14 miljoen) en voor de afschrijvingslasten van het immaterieel vast actief (€ 5,2 miljoen).

Tevens is in de begroting € 21,8 miljoen opgenomen voor de implementatie van beleidswijzigingen en € 19,4 miljoen voor nieuwe taken welke nog geen onderdeel zijn van de lumpsum financiering van het basiscontract. De stijgende lijn in de opbrengst moederdepartement hangt samen met de toegekende middelen in de voorjaarsnota 2019 voor de noodzakelijke vervanging en onderhoud van het systeemlandschap en is in lijn met de aanbeveling uit de doorlichting vanuit het Ministerie van Financiën om incidentele financiering in het lopende begrotingsjaar zoveel mogelijk te beperken. Momenteel wordt door DUO gewerkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de doorlichting. De ordentelijke implementatie van deze aanbevelingen is voorwaardelijk voor het aanwenden van de in het meerjaren beeld, vanaf 2021, beschikbare middelen.

Uitgangs- en markeringspunten van belang voor exploitatie DUO De digitale infrastructuur onderwijs bij DUO is van essentieel belang voor de uitvoering van wet- en regelgeving, voor de daarbij behorende dienstverlening en communicatie aan studenten, instellingen en ouders/ burgers. Om continuïteitsrisico's én issues op het gebied van privacy en security te voorkomen is er, onder voorwaarde van ordentelijke implementatie van de aanbevelingen doorlichting, meerjarig nieuw budget toegevoegd voor onderhoud en vervanging van het ICT-landschap.

De IV-strategie (informatie voorziening) van DUO is basis voor de vervanging van het ICT-landschap. De bijbehorende IV-roadmap geeft aan hoe dit de komende jaren gestalte moet krijgen. In stappen worden oude applicaties vervangen door pakket-software, nieuwe systemen of Cloud-oplossingen. Op middellange termijn kunnen alle oude systemen en platformen daarna worden uitgefaseerd. De hiervoor benodigde middelen zijn inmiddels toegekend en opgenomen in deze begroting.

Omzet overige departementen

De omzet Overige departementen (€ 72,6 miljoen) betreft opbrengsten in verband met uitvoering inburgeringstaken (€ 37,1 miljoen) en uitvoering landelijk register kinderopvang (€ 8,5 miljoen) voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werkzaamheden ten behoeve van het examen Wet financieel toezicht (€ 1,9 miljoen) in opdracht van het Ministerie van Financiën, print- en couverteerwerkzaamheden ten behoeve van het CJIB van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (€ 1,2 miljoen) en compensatie van loonkosten voor gedetacheerde medewerkers (€ 0,8 miljoen). Daarnaast is € 23,1 miljoen aan omzet opgenomen in verband met werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie welke onder DUO valt. Het betreft hier werkzaamheden voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid (€ 7,0 miljoen), het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (€ 1,5 miljoen), het Ministerie van Economische Zaken (€ 2,6 miljoen), het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 4,2 miljoen), het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 1,3 miljoen) en het Ministerie van Financiën (€ 0,2 miljoen). Daarnaast is onder de omzet tweeden voor € 6,3 miljoen aan omzet opgenomen voor werkzaamheden ten behoeve van het Bestuursdepartement, Inspectie van het Onderwijs, Nationaal Archief en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Omzet derden

Bij omzet derden (€ 6,4 miljoen) gaat het met name om te innen leges voor OCW examens (€ 3,4 miljoen), leges voortvloeiende uit diverse overige OCW taken (€ 0,9 miljoen) en opbrengsten voor het uitvoeren van (bekostiging gerelateerde) werkzaamheden voor het Participatiefonds (€ 1,1 miljoen) alsmede werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie (SSO) Noord (€ 1,0 miljoen).

Lasten

Personele kosten

De personele kosten betreffen de kosten van eigen personeel (€ 173,0 miljoen) op basis van de gemiddelde loonkosten, de begrote kosten voor externe inhuur (€ 34,8 miljoen) en een reële inschatting van de overige personele kosten zoals opleidingsbudget en reiskosten (€ 6,0 miljoen). De stijging van het eigen personeel hangt samen met de toekenning van de structurele middelen voor onderhoud en vervanging van het systeemland-schap, uitbreiding van de basis dienstverlening en werkzaamheden voor Tweeden. Daarnaast is DUO bezig met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende meer eigen kennisopbouw en kostenreductie te realiseren. Dit is ook zichtbaar in de afname van de post externe inhuur vanaf 2021 en verder.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit vaste lasten, zoals kosten informatievoorziening en automatisering (€ 22,0 miljoen), externe diensten (zoals deurwaarderskosten, detachering en vergoeding examinatoren en surveillanten) en drukwerk (€ 44,0 miljoen) en de bijdrage aan de Shared Service Organisatie (SSO) Noord (€ 23,0 miljoen) welke met name betrekking heeft op de huisvestingskosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen materiële en immateriële vaste activa. De stijging in 2020 en verder hangt samen met de geplande investeringen in immateriële vaste activa (vervanging ICT-landschap) voor de komende jaren.

Tabel 2 Kasstroomoverzicht over het jaar 2020 (bedragen x € 1.000)

 
 

Omschrijving

Slotwet 2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1.

Rekening-courant RHB

1 januari + depositorekeningen

26.580

14.040

14.194

14.794

16.294

19.194

23.994

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

352.671

281.363

322.076

313.112

314.874

316.970

322.766

 
  • /- totaal uitgaven operationele kasstroom
  • 350.167
  • 271.663
  • 303.376
  • 290.312
  • 287.174
  • 283.470
  • 283.166

2.

Totaal operationele kasstroom

2.504

9.700

18.700

22.800

27.700

33.500

39.600

 
  • /- totaal investeringen
  • 37.865
  • 9.858
  • 39.500
  • 45.200
  • 50.800
  • 52.700
  • 52.700
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

  • 235
           
 

Totaal investeringskas-stroom

  • - 
    38.100
  • - 
    9.858
  • - 
    39.500
  • - 
    45.200
  • - 
    50.800
  • - 
    52.700
  • - 
    52.700

3.

  • /- eenmalige uitkering aan moederdepartement

-

           
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

-

           
 
  • - 
    /- aflossingen op leningen
  • 1.352
  • 936
  • 6.100
  • 9.300
  • 12.800
  • 16.700
  • 20.300
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

16.800

1.248

27.500

33.200

38.800

40.700

40.700

4.

Totaal financieringskas-stroom

15.448

312

21.400

23.900

26.000

24.000

20.400

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen

(+1+2+3+4)

6.432

14.194

14.794

16.294

19.194

23.994

31.294

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De operationele kasstroom is het saldo ontvangsten moederdepartement, overige departementen en Derden waar uitgaven tegen overstaan aan crediteuren en personeel. Het totaal van investeringen (onder andere apparatuur voor het rekencentrum: aanschaf servers en storageappa-ratuur en investeringen in immateriële vaste activa) is gelijk aan de zogenoemde vervangingsinvesteringen voor de materiële vaste activa en uitbreidingsinvesteringen voor het ICT-landschap. De investering in immateriële vaste activa is gedekt middels een beroep op de leenfaciliteit. Onder de «aflossingen op leningen» is de aflossing opgenomen voor de leningen welke ten behoeve van de vervanging van het systeemlandschap zijn opgenomen. De stijging van het beroep op de leenfaciliteit hangt samen met de investeringen in het ICT-landschap. Voor 2019 is in de voorjaarsnota de leenfaciliteit uitgebreid met € 47,7 miljoen waarvan € 21,9 miljoen ten behoeve van de investeringen in zelfontwikkelde software ten behoeve van het ICT-landschap en overige € 25,9 miljoen ten behoeve van computerhardware en -software.

Doelmatigheid

DUO heeft, mede naar aanleiding van de doorlichting in het eerste kwartaal van 2019, haar doelmatigheidsparagraaf herzien. In deze paragraaf worden de nieuwe indicatoren nader toegelicht.

Basisindicatoren zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. DUO streeft naar gelijkblijvende kosten bij een verbeterde dienstverlening zichtbaar in de klanttevredenheid van het digitale kanaal. Dit is zichtbaar in de gelijkblijvende indexgetallen in de tabel in combinatie met de kwaliteitsindicatoren. DUO bevindt zich namelijk in een transitie van een organisatie met een complex systeemlandschap gebaseerd op ad hoc financiering, naar een wendbare ICT-gedreven organisatie waarin onderhoud en vervanging structureel gefinancierd worden via Life Cycle Management (LCM). Met de invoering van deze LCM-systematiek gaat DUO van grote eenmalige project investeringen naar structurele investeringen die over langere tijd afgeschreven worden. Dit is zichtbaar gemaakt door de toevoeging van de post «vervangingskosten», zijnde de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen en de post «immateriële vaste activa» welke de omvang van het ICT-landschap weerspiegelt.

DUO wil doelmatig zijn in het gebruik van ICT-systemen, door te sturen op een stabilisering en uiteindelijke daling van de omvang van haar ICT-landschap. Dit wil DUO bereiken door «slim» te vervangen en daarmee te komen tot een onder architectuur ontwikkeld modern, simpel en kleiner ICT-landschap. Ook wil DUO sturen op de stabilisering van de kosten van onderhoud. Onder onderhoud wordt verstaan datgene wat nodig is voor instandhouding van de geautomatiseerde uitvoeringsprocessen. DUO wil dit gaan bereiken door (verouderde) systemen tijdig te vervangen. Daarnaast heeft DUO een nieuwe indicator opgenomen voor het aantonen van doelmatigheid bij overhead. Daar waar in het verleden een percentage van 21% is gerealiseerd wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

Tabel 3 Doelmatigheidsindicatoren

 
 

Slotwet 2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Omschrijving Generiek Deel

Omzet Bekostiging Instellingen1

21%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Studiefinanciering1

49%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Examendiensten1

13%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Basisregisters1

14%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Informatiediensten1

3%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Totaal basiscontract excl. LCM1

 

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

 

Vervangingskosten1

n.v.t.

100,0

126,1

153,2

179,3

188,3

188,3

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer1

n.v.t.

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Immateriële vaste activa (x1 mln.)

n.v.t.

 

€ 64,5

€ 88,4

€ 113,0

€ 133,6

€ 148,2

 

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

21%

n.v.t.

20%

20%

20%

20%

20%

FTE

FTE-ARAR

n.v.t.

2.200

2.614

2.628

2.627

2.623

2.623

FTE-Extern

n.v.t.

n.v.t.

252

178

156

138

135

Tarieven/uur

ICT gerelateerd

€ 112,00

€ 114,00

€ 114,00

€ 114,00

€ 114,00

€ 114,00

€ 114,00

Overige uren

€ 76,50

€ 77,50

€ 77,50

€ 77,50

€ 77,50

€ 77,50

€ 77,50

Saldo baten en lasten (%)

0,14%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

 

Kwaliteitsindicatoren

Klantcontact digitaal

6,0

6,0

6,5

6,5

6,5

6,5

6,5

Klantcontact traditioneel

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

1 Index 2019 is gelijk aan 100

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Omzet/kostprijs per product. DUO aggregeert haar werkzaamheden in de going concern (basiscontract) naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten. Zoals blijkt uit de tabel streeft DUO voor de komende jaren naar gelijkblijvende prijzen bij een verbeterde dienstverlening zichtbaar in de klanttevredenheid van het digitale kanaal en uiteindelijk tevens een kwaliteitsverbetering door de investeringen in het ICT-landschap.

Daarnaast heeft DUO de effecten van Life Cycle Management inzichtelijk gemaakt door de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen (vervangingskosten) van de immateriële vaste activa (IMVA) op te nemen. Ook is in de tabel de balanspost «immateriële vaste activa» opgenomen om de omvang van het ICT-landschap weer te geven. Doelmatigheid wordt bereikt door de omvang van het ICT-landschap uiteindelijk af te vlakken en te stabiliseren (daar waar in het verleden een autonome groei van zes procent normaal was, hetgeen in lijn is met observaties binnen de rijksoverheid en lager dan in de algemene markt conform onderzoek Gartner 2018) en de onderhouds- en beheerkosten niet verder te laten stijgen. In 2023 zit DUO op het gewenste investeringsniveau per jaar waarbij na 2027 de afschrijvingslasten gelijk zijn aan het investeringsniveau en de balanspost immateriële vaste activa niet verder toeneemt.

Immateriële vaste activa: Om de omvang van het ICT-landschap te meten wordt de balanspost immateriële vaste activa opgenomen als indicator. Hierin zijn alle zelf ontwikkelde en aangekochte software opgenomen.

Deze post zal de eerste jaren een stijging laten zien en vanaf 2027 een vlakke lijn waarbij de autonome groei van het systeemlandschap is ondervangen en deze post zal stabiliseren rond de € 161,0 miljoen exclusief uitbreidingsinvesteringen als gevolg van nieuw beleid of afwaardering van bestaande systemen. Ook moet deze post worden gezien in relatie tot de indicator kosten met betrekking tot onderhoud en beheer.

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer. Door het tijdig en slim vervangen van het systeemlandschap streeft DUO (daar waar, volgens onderzoek Gartner 2018, normaliter sprake is van een autonome groei van circa zes procent) naar een gelijkblijvend onderhoud en beheer wat zichtbaar is in het gelijkblijvende indexgetal van 100.

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%): De nieuwe indicator drukt de overhead uit als percentage van de totale kosten. Daar waar in het verleden een percentage van 21% is gerealiseerd wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

FTE totaal: De stijging van het personeel hangt samen met de toekenning van de structurele middelen voor onderhoud en vervanging van het systeemlandschap en uitbreiding van de basisdienstverlening en werkzaamheden voor overige departementen. Daarnaast is DUO bezig met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende meer kennisopbouw en kostenreductie te realiseren en op de lange termijn te kunnen voldoen aan de Rijksbrede norm van 10 procent inhuur extern personeel. Daarnaast is deze verambtelijking passend op het Rijksbrede beleid voor flexwerk. In de gepresenteerde FTE's is ook dat deel van de bezetting opgenomen wat werkzaam is ten behoeve van de ontwikkeling van software in eigen beheer, welke financieel gezien worden aangemerkt als een investering in immateriële vaste activa.

Tarieven: Projecttarief per uur. Het projecttarief per uur (€ 114,00) is een gemiddeld uurtarief ten behoeve van systeem- en procesaanpassingen. Meerwerktarief per uur: Voor niet ICT-gerelateerde inzet geldt een lager tarief van € 77,50 per uur. De tarieven laten een stijging zien ten opzichte van het voorgaande jaar passend in de loon- en prijsontwikkeling. Indicatoren: Klanttevredenheid Klantcontact digitaal norm 6,5 en Klanttevredenheid klantcontact traditioneel norm 7,0. Het betreft hier respectievelijk de tevredenheid van individuele klanten op de kanalen Mijn DUO en de website (digitaal) en tevredenheid op de kanalen telefonie, email en balie (traditioneel), op een schaal van 1 tot en met 10.

5.2. Nationaal Archief

5.2.1. Algemene toelichting

Het Nationaal Archief beheert de archieven van de rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto's.

De missie van het Nationaal Archief is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaar-dering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de Minister van OCW een specifieke verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC's). De RHC's zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. Deze begroting handelt alleen om de baten en lasten van het Nationaal Archief. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC's zijn onderdeel van artikel 14 van de begroting van OCW.

Tabel 1 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2020 (bedragen x € 1.000)

 
 

SlotwetVast-gestelde 2018    begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Baten

Omzet

  • Omzet moederdepartement

38.559

35.566

40.819

38.170

38.169

38.169

38.058

  • Omzet overige departementen

400

400

400

400

400

400

400

  • Omzet derden

792

683

740

775

825

850

850

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Mutatie projectgelden

416

2.959

3.167

2.124

1.456

1.150

533

Vrijval voorzieningen

144

55

27

27

27

7

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

Totaal baten

40.311

39.662

45.153

41.496

40.877

40.576

39.841

 

Lasten

Apparaatskosten

38.818

37.006

43.026

39.440

38.920

38.935

38.918

  • personele kosten

18.305

17.532

19.347

18.639

18.478

18.463

18.493

  • waarvan eigen personeel

14.892

15.664

16.873

16.187

15.955

15.923

15.923

  • waarvan inhuur externen

2.335

872

1.421

1.406

1.481

1.498

1.528

  • waarvan overige personele kosten

1.078

996

1.053

1.046

1.042

1.042

1.042

  • materiële kosten

20.513

19.474

23.679

20.801

20.442

20.472

20.425

  • waarvan apparaat ICT

912

1.001

1.100

1.101

1.102

1.102

1.102

  • waarvan bijdrage aan SSO's

2.726

5.017

6.361

6.283

6.313

6.313

5.265

  • waarvan overige materiële kosten

16.875

13.456

16.218

13.417

13.027

13.056

14.058

Afschrijvingskosten

1.554

2.636

2.119

2.051

1.954

1.639

921

  • materieel

1.554

2.636

2.119

2.051

1.954

1.639

921

  • waarvan apparaat ICT

97

291

77

68

60

60

0

  • immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

9

20

7

5

3

2

1

Totaal lasten

40.381

39.662

45.153

41.496

40.877

40.576

39.841

Saldo van baten en lasten

  • 70

0

0

0

0

0

0

Toelichting baten lasten:

Baten

De omzet van het moederdepartement betreft de inkomsten van het Nationaal Archief voor de geleverde producten en diensten. Deze bestaat uit structurele middelen voor de primaire activiteiten (1e geldstroom) en incidentele middelen voor projectmatige activiteiten (2e geldstroom).

De bijdrage 2020 van het moederdepartement is ten opzichte van 2019 gestegen vanwege vooral de loon- en prijscompensatie. Vanaf 2019 is structureel geld toegekend voor het aanstellen van een applicatie portfolio manager.

Vanaf 2012 is de subsidie aan het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) opgenomen, die namens het moederdepartement wordt verstrekt. Het Nationaal Archief vervult hierin alleen de kasfunctie. De subsidie voor 2020 bedraagt € 1,87 miljoen.

Omzet overige departementen

Het Nationaal Archief fungeert als rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Zuid Holland en ontvangt daarvoor een jaarlijkse bijdrage.

Omzet derden

De omzet derden bestaat hoofdzakelijk uit inkomsten van derde partijen voor specifieke producten en diensten.

Mutatie projectgelden

Dit betreft de inzet projectgelden en investeringsbijdragen die zijn vooruit ontvangen voor de ontwikkeling van specifieke eenmalige producten en diensten voor verschillende opdrachtgevers. Het gaat met name om het programma DTR en het masterplan Concentratie Archiefdepot.

Vrijval voorzieningen

Dit betreft de onttrekking aan de voorziening voor de kosten van wachtgeld en reorganisatie.

Lasten

Apparaatskosten

  • - 
    Personele kosten

De personele kosten zijn gebaseerd op een formatie van ca. 200-210 fte. In 2020 tot en met 2024 blijven de personele kosten stabiel op een niveau waarop het Nationaal Archief met voldoende kwaliteit diensten en producten kan leveren.

  • Materiële kosten

Dit betreft onder andere de huisvestingskosten zoals de huurkosten en servicekosten samenhangend met de huisvesting en kantoorautomatisering. Tevens zijn onder deze post de materiële uitgaven verantwoord die worden gedaan in het primaire proces, zoals voor het fysieke depot, de digitale taken rijksarchieven, tentoonstellingen, dienstverlening en in de projecten. Door de dalende inkomsten moeten de overige materiële kosten ook dalen om de begroting sluitend te maken.

De bijdrage aan SSO's stijgt ten opzichte van de vastgestelde begroting 2019, omdat in 2020 de nieuwe opslaglocatie in Emmen het hele jaar operationeel is. De stijging ten opzichte van de Slotwet 2018 is vanwege de SSO's die zijn aangepast aan de gehanteerde definitie van SSO's volgens de Rijksbrede kostensoortentabel en de kosten van de nieuwe opslaglocatie in Emmen.

Afschrijvingskosten

Forse instandhoudingsinvesteringen in het fysieke depot en de ICT hardware zijn de komende jaren niet te verwachten, omdat deze investeringen recent zijn gedaan en we geen investeringen verwachten op basis van de huidige prognose van de datagroei.

Rentelasten

De rentelasten dalen t.o.v. de vastgestelde begroting vanwege het niet opnemen van een lening in 2018 die het Nationaal Archief voornemens was af te sluiten voor investeringen in met name ICT hardware en in het nieuwe depot op locatie Emmen.

Tabel 2 Kasstroomoverzicht over het jaar 2020 (bedragen x € 1.000)

 
 

Omschrijving

Slotwet

2018

Vastge stelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + depositorekeningen

21.945

16.719

20.708

20.178

19.961

20.315

20.781

 

+/+ totaal ontvangen operationele kasstroom

56.024

36.349

42.664

39.388

39.437

39.462

39.351

 
  • /- totaal uitgaven operationele kasstroom
  • 40.396
  • 37.026
  • 43.034
  • 39.445
  • 38.923
  • 38.937
  • 38.920

2.

Totaal operationele kasstroom

15.628

  • 677
  • 370
  • 57

514

525

431

 
  • /- totaal investeringen
  • 6.187
  • 7.151

0

0

0

0

0

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

  • 6.187
  • 7.151

0

0

0

0

0

 
  • /- eenmalige uitkering aan moederdepartement
  • 500

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 
  • /- aflossingen op leningen
  • 100
  • 600
  • 160
  • 160
  • 160
  • 60
  • 60
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

  • 600
  • 600
  • 160
  • 160
  • 160
  • 60
  • 60

5.

Rekening courant RHB 31 december = stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

30.786

8.291

20.178

19.961

20.315

20.781

21.152

Toelichting kasstroomoverzicht:

De operationele kasstroom in 2020 is nagenoeg in balans.

De financieringskasstroom betreft de aflossing van de leenfaciliteit welke is aangegaan ten behoeve van de verbouwing van de publieke ruimte, het fysieke depot en investeringen in ICT.

Het verschil in de verwachte Rekening Courant RHB positie begin 2020 ten opzichte van de vastgestelde begroting 2019 wordt met name veroorzaakt door terugbetalingen van RHC's van hun gereserveerde onderhoudsfonds.

Kapitaaluitgaven:

Specificatie kapitaaluitgaven agentschap NA 2020

Investeringen gebouw

Kantoormeubilair

Kantoormachines

Automatiseringsapparatuur

Depotinrichting

App. conservering & restauratie

Inrichting studiezaal

Totaal investeringen    0

Aflossing op leningen    -    160

Totaal financieringskasstroom    -    160

Kapitaaluitgaven    -    160

Doelmatigheid

 

Tabel 3 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

 

Slotwet 2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Omschrijving Generiek Deel

 

Gemiddeld gewogen kostprijs per productgroep:

  • de (gem) prijs per km fysiek archief (capaciteit)

15

14

14

14

14

14

14    1

  • de (gem) prijs per Terabyte digitaal archief (capaciteit)

1.163

1.290

1.290

1.290

1.290

1.290

1.290    1

Gemiddeld gewogen uurtarief intern personeel:

  • primaire taken - activiteiten

51

54,5

54,5

54,5

54,5

54,5

54,5    2

Aantal fte:

  • formatie op lumpsum en projecten

198,29

200-210

200-210

200-210

200-210

200-210

200-210

Saldo baten en lasten:

  • 70.332

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeling aantallen bezoekers:

  • bezoekers

19.078

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

  • onderwijs

7.539

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

  • studiezaal - bezoekers

15.433

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

  • studiezaal - raadplegingen archiefstukken

104.570

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

  • Website Nationaal Archief (x 1.000)

1.721

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500