Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden - Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2018 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 22 augustus 2019
kalender

1.

Tekst

2.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018-

2019

35 200 VIII

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2018

Nr. 6

VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 juni 2019

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 23 mei 2019 voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 7 juni 2019 zijn ze door de Minister en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie,

Arends

kst-35200-VIII-6 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2019

Welke verplichtingenmutaties tussen de € 1 miljoen en € 10 miljoen zijn er voor het primair onderwijs?

De Slotwetmutaties tussen de € 1 miljoen. en € 10 miljoen. betreffen voor primair onderwijs dit jaar onder meer extra onderuitputting teambeurs en schoolleidersbeurs en meer verplichtingen voor 2019 die in 2018 zijn aangegaan dan verwacht.

Op basis van model 3.54 van de rijksbegrotingsvoorschriften moeten voor art. 1 van de OCW-begroting (primair onderwijs) enkel mutaties boven de € 10 miljoen worden toegelicht, aangezien het totaal van het begrotingsartikel boven de € 1 miljard uitkomt. Mutaties onder de € 10 mln. zijn daarom in deze Slotwet niet toegelicht.

2

Welke verplichtingenmutaties tussen de € 1 miljoen en € 10 miljoen zijn er voor het voortgezet onderwijs?

De Slotwetmutaties tussen de € 1 miljoen en € 10 miljoen betreffen voor voortgezet onderwijs dit jaar onder meer minder leerlingen bij de definitieve leerlingentelling, wisselkoersverschillen in Caribisch Nederland en een groter aantal nieuwkomers dan verwacht.

Op basis van model 3.54 van de rijksbegrotingsvoorschriften moeten voor art. 3 van de OCW-begroting (voortgezet onderwijs) enkel mutaties boven de € 10 miljoen worden toegelicht, aangezien het totaal van het begrotingsartikel boven de € 1 miljard uitkomt. Mutaties onder de € 10 mln. zijn daarom in deze Slotwet niet toegelicht.

3

Kunt u de stelling van de Algemene Rekenkamer dat op artikel 1 een overschrijding was van € 379,4 miljoen, nader toelichten?

Zie het antwoord op vraag 4.

4

Kunt u een nadere toelichting geven over de grotere verplichtingsmutatie op de bekostiging waarbij wordt gesteld dat vanwege de schooljaarssys-tematiek in dat jaar ook de in 2019 vallende uitgaven van schooljaar 2018-2019 verplicht zijn?

In de begroting 2018 is voor artikel 1 (primair onderwijs) het meerjarig uitgavenbudget én het daarmee samenhangende meerjarig verplichtingenbudget opgenomen (tabel 6.3).

Voor zover het ramingsjaren betreft (2018 en volgende) worden in de begrotingsadministratie de verplichtingen bijgehouden met een vaste relatie tot de uitgaven. Voor artikel 1 wordt daarbij een zuivere 1 op 1 verhouding gehanteerd, dat wil zeggen dat de omvang van het geadministreerde verplichtingenbudget in een bepaald jaar gelijk is aan de omvang van het geraamde uitgavenbudget voor dat jaar.

Met name vanwege het feit dat de bekostiging in het po op schooljaar-basis wordt verstrekt en verplicht, zullen de gerealiseerde verplichtingen qua omvang echter afwijken van het verplichtingenbudget zoals opgenomen in de administratie. In 2018 worden immers niet de reguliere uitgaven voor het kalenderjaar 2018 verplicht, maar de reguliere uitgaven voor het schooljaar 2018 - 2019. Deze verplichting betreft deels uitgaven 2018 (die voor de laatste 5 maanden van het jaar), maar ook deels uitgaven 2019 (die voor de eerste 7 maanden van 2019). Door bijvoorbeeld leerlingendaling of loonontwikkeling zullen de reguliere uitgaven 2018 - 2019 afwijken van de uitgaven voor het kalenderjaar 2018, en treedt een verschil op met de stand in de begrotingsadministratie. Dit verschil, in omvang veelal beperkt, wordt steeds bij Slotwet gemuteerd.

In 2018 is dit verschil aanzienlijk groter dan in voorgaande jaren. Deze toename hangt samen met de start in 2018 van forse extra investeringen voortvloeiend uit het Regeerakkoord. Hier treedt een fors verschil op tussen het uitgavenbedrag 2018 en het gerealiseerde verplichtingenbedrag 2018. Dit ontstaat omdat de in 2018 gerealiseerde verplichtingenstand niet alléén de uitgaven 2018 van deze investeringen omvat, maar ook een groot deel van de uitgaven 2019. In 2018 wordt immers de reguliere bekostiging voor het schooljaar 2018 - 2019 verplicht. Bijvoorbeeld bij de toegevoegde middelen voor de bestrijding van de werkdruk bedraagt het uitgavenbedrag 2018 € 99 miljoen (de laatste 5 maanden van 2018), maar het gerealiseerde verplichtingenbedrag € 237 miljoen (het hele schooljaar 2018-2019). De extra middelen voor de modernisering van de arbeidsvoorwaarden van onderwijzend personeel kenden in 2018 een uitgavenbedrag van € 270 miljoen, maar het gerealiseerde verplichtingenbedrag 2018 was € 447 miljoen omdat niet alleen de verhoging van het kalenderjaar 2018, maar ook de verhoging voor de laatste 7 maanden van het schooljaar 2018-2019 in 2018 is verplicht.

Ook bij de verhoging van het budget voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid heeft zich een fors verschil tussen het in de begrotingsadministratie opgenomen verplichtingenbudget en de gerealiseerde verplichting voorgedaan. De extra investering in 2018 betrof qua uitgaven € 40 miljoen. Maar in 2018 is de verplichting aangegaan voor de uitgavenverhoging in 2019 van € 130 miljoen. De in 2018 gerealiseerde verplichtingen zijn daarmee € 90 miljoen hoger dan geraamd.

De totale overschrijding op de geadministreerde verplichtingenstand bedraagt voor artikel 1 primair onderwijs € 535,9 miljoen. Daarvan is € 156,5 miljoen technisch van aard (loon- en prijsbijstelling) en 379,4 miljoen beleidsmatig van aard. Dat laatste bedrag betreft de door de Algemene Rekenkamer genoemde rechtmatigheidsfout.

5

Wordt er bij toekomstige verplichtingsmutaties bij suppletoire wetten rekening gehouden met de schooljaarssystematiek?

Ja, bij de beleidsmatige uitgavenmutaties die onderdeel gaan vormen van de schooljaarbekostiging zullen de verplichtingen in de begrotingsadministratie niet langer standaard worden bijgehouden met de onder antwoord 3 opgenomen 1 op 1 relatie, maar zal gekeken worden naar het effect van de schooljaarbekostiging op de omvang van de desbetreffende verplichtingen.

6

Kunt u nader toelichten hoe het komt dat rentedragende leningen en collegekredietgelden naar beneden zijn bijgesteld respectievelijk € 91,0 miljoen en € 21,1 miljoen omdat zij lager zijn dan geraamd?

Grotendeels blijkt uit de realisatiegegevens van DUO dat er iets minder werd geleend dan geraamd. Daarnaast geldt dat door de invoering van het nieuwe PVS systeem er in 2018 op deze post geen prestatiebeurzen zijn omgezet naar leningen, hierdoor valt deze post nog lager uit.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35 200 VIII, nr. 6 3


 
 

3.

Meer informatie

 
 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.