Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2018 - Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2018 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 22 augustus 2019
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018-

2019

35 200 VIII

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2018

Nr. 1

JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Aangeboden 15 mei 2019

kst-35200-VIII-1 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2019

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen In miljoenen euro Totaal 42.326,9

Primair onderwijs 11.142,5

Voortgezet onderwijs 8.707,9

Middelbaar beroepsonderwijs 4 601 9 en volwasseneneducatie .    '

Hoger beroepsonderwijs 3.262,5 Wetenschappelijk onderwijs 4.860,0 Internationaal beleid 12,5 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid 140,4 |

Studiefinanciering 6.200,2

Tegemoetkoming 805 onderwijsbijdrage en schoolkosten 80,5

Lesgelden 12,2 Cultuur 852,6 Media 973,4 Onderzoek en wetenschapsbeleid 1.217,0  JEmancipatie 12,9 Nominaal en onvoorzien 0,0 Apparaat Kerndepartement 250,4 |

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen In miljoenen euro Totaal 1.368,6

Primair onderwijs 76,9

Voortgezet onderwijs 10,3

Middelbaar beroepsonderwijs 6 7 en volwasseneneducatie '

Hoger beroepsonderwijs 2,1

Wetenschappelijk onderwijs 0,2

Internationaal beleid 0,1

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid 9,8

Studiefinanciering 846,3

Tegemoetkoming 4 2 onderwijsbijdrage en schoolkosten '

Lesgelden 237,2 Cultuur 7,6 Media 164,2

Onderzoek en wetenschapsbeleid 0,5 Emancipatie 0,1 Nominaal en onvoorzien 0,0 Apparaat Kerndepartement 2,4

Inhoudsopgave

Blz.

dechargeverlening    5

Art. nr. 1 Primair onderwijs    37

Art. nr. 3 Voortgezet onderwijs    46

Art. nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie    54

Art. nr. 6 en 7 Hoger onderwijs    64

Art. nr. 8 Internationaal beleid    75

Art. nr. 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid    80

Art. nr. 11 Studiefinanciering    84

Art. nr. 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten    94

Art. nr.    13 Lesgelden    97

Art. nr.    14 Cultuur    99

Art. nr.    15 Media    107

Art. nr.    16 Onderzoek en wetenschapsbeleid    113

Art. nr.    25 Emancipatie    119

Art. nr. 91 Nominaal en onvoorzien    124

Art. nr. 95 Apparaat Kerndepartement    125

9.1    Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)    141

9.2    Nationaal Archief (NA)    151

Cultuur en Wetenschap    171

onderwijssector    209

  • A. 
    ALGEMEEN
  • 1. 
    AANBIEDING JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGE-VERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hierbij bieden de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2018 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoeken wij de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media decharge te verlenen over het in het jaar 2018 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport op. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. 
    het gevoerde financieel en materieel beheer;
  • b. 
    de bijgehouden administraties van het Rijk;
  • c. 
    de financiële informatie in het jaarverslag;
  • d. 
    de betrokken saldibalans;
  • e. 
    de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;
  • f. 
    de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. 
    het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2018;
  • b. 
    het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;
  • c. 
    het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;
  • d. 
    de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2018 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2018, alsmede over de Saldibalans van het Rijk over 2018 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voorgezet Onderwijs en Media,

  • A. 
    Slob

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van........(datum).

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van.......(datum).

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

  • 2. 
    LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2018 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • A. 
    Een algemeen deel
  • B. 
    Het beleidsverslag
  • C. 
    De jaarrekening
  • D. 
    Bijlagen

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Bij het Regeerakkoord is - met ingang van de begroting 2018 - het groen onderwijs als beleidsterrein ondergebracht bij het Ministerie van OCW. In het jaarverslag 2018 is de verantwoording van het groen onderwijs volledig geïntegreerd.

  • A. 
    Algemeen deel

Het Algemeen deel bevat de aanbieding van het departementaal jaarverslag, het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Groeiparagraaf

Voor het opstellen van het departementaal jaarverslag gelden de Rijksbegrotingsvoorschriften van de Minister van Financiën. Als gevolg van wijzigingen in deze voorschriften zijn de volgende veranderingen doorgevoerd ten opzichte van het jaarverslag 2017:

  • • 
    Staafdiagrammen (geraamde) uitgaven en ontvangsten

Het voorgeschreven staafdiagram heeft geen totaalbalk meer, waardoor de overige balkjes met artikelen relatief beter te onderscheiden zijn. De totaaltelling wordt in tekst opgenomen.

  • • 
    Bedrijfsvoeringsparagraaf

Departementen moeten tenminste iedere vijf jaar een beschrijving opnemen van de departementale checks and balances voor subsidieregelingen. Ook moet worden beschreven welke beleidsmatige en algemene ontwikkelingen met betrekking tot het toezicht op het normenkader financieel beheer hebben plaatsgevonden. OCW verwijst daarvoor naar de bijlage Toezichtsrelaties RWT's en ZBO's.

  • • 
    Bijlage Toezichtrelaties RWT's en ZBO's

In de bijlage Toezichtrelaties RWT's en ZBO's is een aanvullende tabel opgenomen met meer uitgesplitste, gespecificeerde (financiële) informatie over grote RWT's en ZBO's.

Daarnaast heeft Tweede Kamer verzocht om in het jaarverslag inzicht te bieden in de diverse geldstromen en de verdeling daarvan in het wetenschappelijk onderwijs. Dit overzicht is opgenomen in bijlage 4. Hiermee wordt invulling gegeven aan de toezegging uit het Wetgevingsoverleg van 10 oktober 2018.

Voor de verantwoording 2018 heeft de Tweede Kamer «de onderbouwing van de ramingen van inkomsten en uitgaven» als focusonderwerp benoemd. De Minister van Financiën heeft op 18 oktober 2018 de Tweede Kamer geïnformeerd dat in het Financieel Jaarverslag Rijk 2018 hier invulling aangegeven zal worden.

Tot slot: een jaarverslag vormt het spiegelbeeld van de begroting. In het onderdeel Beleidsprioriteiten wordt dan ook per beleidsterrein geschetst welke voortgang is geboekt op de door het vorige kabinet gestelde doelen en welke (eerste) stappen zijn gezet voor de uitvoering van het Regeerakkoord. In dit onderdeel vindt ook nog de verantwoording plaats over de indicatoren van het voorgaande kabinet. Om deze reden sluiten de thema's van de tabellen in het beleidsverslag niet volledig aan op de thema's van de kopjes. Om de indicatoren zichtbaar te maken in de lopende tekst van het beleidsverslag, zijn de tabellen zo goed als mogelijk is, ingedeeld. Sommige van de indicatoren worden niet meer gemeten, zoals ook gemeld in de brief aan de Tweede Kamer. De indicatoren die niet meer gemeten worden, zijn niet opgenomen in de lopende tekst, maar staan wel in de totaaltabel achter de beleidsprioriteiten. Alle indicatoren, oud en nieuw zijn te vinden op Onderwijs in cijfers.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Ministers en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting wordt verwezen naar de openbare website OCW in cijfers. Belangrijke kengetallen zijn opgenomen op de openbare website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • • 
    Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW. Op de website van OCW in cijfers worden onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten gevolgd, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het po en vo. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO. Daarnaast geeft deze website met de infographic «Onderwijsmonitor» inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.
  • • 
    Begin november 2018 heeft het Sociaal Cultureel Planbureau de publicatie «Het Culturele Leven» uitgebracht. In dit rapport presenteert het Sociaal en Cultureel Planbureau een model voor een periodieke rapportage over dat culturele leven. Dit model is vervolgens in dit rapport toegepast om het culturele leven in de jaren 2012-2017 in kaart te brengen.
  • • 
    De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.
  • • 
    Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).
  • • 
    Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlich-tingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB's worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.
  • • 
    De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW, en de laatste stand van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Op grond van het overgangsrecht in artikel 10.2 van de Comptabiliteitswet 2016 blijven voor de presentatie en inrichting van de jaarverslagen en slotwetten over 2018 de bepalingen uit de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018. Voor de dechargeverlening inzake het jaar 2018 over het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer zijn de bepalingen van de Comptabiliteitswet 2016 en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing. Dit is conform de brief aan het parlement over het overgangsrecht in de Comptabiliteitswet 2016 (Vergaderjaar 2018-2019, 34 426, nr. 33). Om die reden moet telkens bij de verwijzingen naar de bepalingen van de Comptabiliteitswet worden gelezen de artikelen van de Comptabiliteitswet 2001 voor de presentatie en inrichting en voor de begrotingsuitvoering de artikelen van de Comptabiliteitswet 2016 conform de transponeringstabel bij de Comptabiliteitswet 2016, Stb. 2017, 139.

 

Art. in CW 2016

Art. in CW 2001

cd

l

CNj

cd

19, eerste lid; 21, eerste en tweede lid

3.5

22, eerste lid; 26, eerste lid

3.8

58, eerste lid, onderdeel a, en derde lid; 61, derde lid

3.9

58, eerste lid, onderdeel b en c

2.37

60, tweede en derde lid; 63, eerste en vierde lid

2.35

61, tweede tot en met vierde lid

2.40

64

7.12

82, eerste lid; 83, eerste lid

7.14

82, vijfde lid; 83, tweede tot en met vierde lid

  • B. 
    Het beleidsverslag kent de volgende elementen:
  • 1. 
    Beleidsprioriteiten
  • 2. 
    De beleidsartikelen
  • 3. 
    De niet-beleidsartikelen
  • 4. 
    Bedrijfsvoeringparagraaf
  • 1. 
    Beleidsprioriteiten

In het onderdeel Beleidsprioriteiten wordt teruggekeken op de activiteiten in 2018. Daarbij wordt per beleidsterrein aangegeven welke stappen zijn gezet met daarbij de relevante indicatoren. Daarnaast is een tabel met de gerealiseerde beleidsdoorlichtingen opgenomen en een overzicht van de risicoregelingen.

  • 2. 
    De beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • • 
    Een algemene doelstelling met een toelichting daarop.
  • • 
    Een passage gewijd aan de verantwoordelijkheid van de Ministers.
  • • 
    De beleidsconclusies.
  • • 
    De tabel budgettaire gevolgen van beleid.
  • • 
    Een toelichting op de financiële instrumenten.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

De tabel budgettaire gevolgen van beleid bevat een vaste indeling naar soorten financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de kolom «Vastgestelde begroting» is de stand ontwerpbegroting (derde dinsdag van september) plus de mutaties die bij een nota van wijziging, amendement of motie ten opzichte van de ontwerpbegroting (dus na de derde dinsdag van september, maar voor de mutaties eerste suppletoire begroting) zijn aangebracht.

Relatie verplichtingen versus uitgaven

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid staan naast de uitgaven en de ontvangstenmutaties ook verplichtingenmutaties. Bij de verplichtingen wordt ook aangegeven welk deel garantieverplichtingen betreft. Het gaat hier met name om zogenaamde garanties voor her- en nieuwbouw in het onderwijs in het kader van schatkistbankieren, kredietgaranties/ verzekeringen in de cultuursector en de garanties voor de rekening courantlimieten die instellingen aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Bij kredietgaranties/verzekeringen moet gedacht worden aan een indemniteitsregeling voor kunstvoorwerpen die op uitleenbasis in een Nederlands museum zijn tentoongesteld.

Toelichting financiële instrumenten

In de toelichting op de financiële instrumenten zoals opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid worden de voornaamste verschillen verklaard tussen de oorspronkelijke begroting en de realisatie. De kasuitgaven zijn voor deze toelichting leidend. In het algemeen is er in de begroting sprake van een vaste verhouding tussen de verplichtingen en uitgaven die gerelateerd is aan het bekostigingsmoment voor scholen/ instellingen. Er geldt daarom alleen een aanvullende, aparte toelichting voor de verplichtingmutaties als er sprake is van een opmerkelijk verschil met de uitgavenmutaties. Hiervoor wordt het procentuele realisatiever-schil bij de verplichtingen vergeleken met het procentuele realisatiever-schil bij de uitgaven. En als het verschil tussen deze percentages meer dan 10 bedraagt, dan worden de verplichtingenmutaties apart toegelicht.

In de toelichting op de financiële instrumenten wordt daarnaast toegelicht waarvoor de instrumenten bedoeld waren. Hierbij wordt aangesloten bij de toelichting uit de begroting. Indien relevant wordt op bondige wijze ingegaan op verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar. Voor de toe te lichten instrumenten wordt een keuze gemaakt op basis van financieel belang en/of politieke relevantie. Als norm voor financieel belang geldt de voorgeschreven staffel uit de Rijksbegrotingsvoorschriften.

  • 3. 
    De niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • • 
    Op artikel 91 (Nominaal en onvoorzien) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon-en prijsbijstelling.
  • • 
    Op artikel 95 (Apparaat Kerndepartement) worden de apparaatsuitga-ven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en een aantal ZBO's en RWT's verantwoord.
  • 4. 
    Bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel- en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

  • C. 
    Jaarrekening

De jaarrekening bevat de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen, de jaarverant-woording van de agentschappen Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Nationaal Archief (NA), de saldibalans en de publicatie WNT-verantwoording.

  • D. 
    Bijlagen

De volgende bijlagen zijn opgenomen:

  • 1. 
    Toezichtrelaties RWT's en ZBO's
  • 2. 
    Afgerond evaluatie en overig onderzoek
  • 3. 
    Externe inhuur
  • 4. 
    Financiële gegevens uit de jaarrekeningen per onderwijssector
  • B. 
    BELEIDSVERSLAG
  • 3. 
     BELEIDSPRIORITEITENInleiding

De begroting 2018 is opgesteld door het voorgaande kabinet. In dit beleidsverslag wordt daarom zowel verantwoording afgelegd over de beleidsprioriteiten uit de begroting 2018 en die van het nieuwe kabinet. In 2018 zijn we voortvarend aan de slag gegaan met de uitvoering van het huidige Regeerakkoord. Voor 2018 was € 1,09 miljard begroot aan Regeerakkoordintensiveringen. We zijn er in 2018 in geslaagd om bijna alle van de voorgenomen investeringen ook te besteden. In dit verslag zullen wij per beleidsterrein de resultaten noemen, en verwijzen naar de achterliggende regelingen en brieven voor meer informatie.

Een gebeurtenis die in 2018 veel aandacht kreeg, was het probleem met de schoolexamens van VMBO Maastricht. In juni kwamen hier grote onregelmatigheden aan het licht in de examens. De inspectie uitte het voornemen om de examens van honderden leerlingen ongeldig te verklaren. Hierdoor leefden zij in onzekerheid over of zij hun diploma zouden krijgen en verder konden studeren. Door maatwerk per leerling konden veel gedupeerde leerlingen alsnog zo snel mogelijk hun diploma halen. In onze brief van 14 december 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar aanleiding van deze situatie, en de lessen die we hieruit hebben getrokken.

  • 1. 
    Onderwijs

1.1 Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator    Sector Basis- Eerdere Actuele Tussen-/ Art.nr. Reden    Bron waarde realisatie realisatie streef-    Opname

(jaartal) (jaartal) (jaartal) waarden

(jaartal)

1 Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

  • a) 
    Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd
 

Aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten

po

47%

(2015)

65%

(2017)

Nog niet gepubliceerd

79%

(2018)

100%

(2020)

1

SA

 Enquêtes BestuursakkoordPO Regioplan

Aandeel toptalentleerlingen dat zich vaak of bijna altijd verveelt omdat de lesstof te makkelijk is of omdat hij/zij eerder klaar is dan de rest

vo

56%

(2013)

20%

(2017)

Wordt niet meer gemeten

41%

(2016)

25%

(2018)

3

SA

Toptalenten in het onderwijs, 2017

Aandeel scholen dat aandacht heeft voor toptalenten in de vorm van uitdagend aanbod of talentprogramma's

vo

82%

(2015)

84%

(2017)

Wordt niet meer gemeten

88%

(2016)

100%

(2018)

3

SA

Toptalenten in het onderwijs, 2017

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

mbo

34%

(2010)

37%

(2016)

38%

(2017)

Hoger

(2018)

4

C

ROA

Doelstelling/indicator

Sector

Basis-

Eerdere

Actuele

Tussen-/

Art.nr.

Reden

Bron

   

waarde

realisatie

realisatie

streef-

 

Opname

 
   

(jaartal)

(jaartal)

(jaartal)

waarden

     
         

(jaartal)

     
  • • 
    Percentage studenten dat

ho

hbo: 58%

hbo: 55%

hbo: 52%

Hoger -

6/7

C

Studentenmo-

tevreden is over uitdagend

 

(2010-

(2016-

(2017-

     

nitor Hoger

onderwijs

 

2011)

2017)

2018)

     

Onderwijs

   

wo: 68%

wo: 68%

wo: 69%

Hoger -

     
   

(2010-

(2016-

(2017-

       
   

2011)

2017)

2018)

       
  • • 
    Aandeel thuiszittende

po

0,07%

0,09%

0,10%

0% (2020)

1

SA

Leerplichttelling

leerlingen dat drie of meer

 

(2014-

(2016-

(2017-

     

2017-2018

maanden thuis zit zonder

 

2015)

2017)

2018)

       

passend onderwijsaanbod

vo

0,17%

0,14%

0,18%

0,10%

3

SA

 
   

(2014-

(2016-

(2017-

(2017)0%

     
   

2015)

2017)

2018)

(2020)

     
  • b) 
    Vergroten studiesucces
  • • 
    Aandeel leerlingen dat het

po

99%

97%

98%

Niet

1

SA

College voor

referentieniveau voor lezen

 

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

Toetsen en

behaalt

 

2016)

2017)

2018)

     

Examens

Kamerbrief

resultaten

eindtoets

2017-2018

Aandeel leerlingen dat het

po

95%

96%

96%

Niet

1

SA

College voor

referentieniveau voor

 

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

Toetsen en

taalverzorging behaalt

 

2016)

2017)

2018)

     

Examens

Kamerbrief

resultaten

eindtoets

2017-2018

Aandeel leerlingen dat het

po

87%

93%

93%

Niet

1

SA

College voor

referentieniveau voor

 

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

Toetsen en

rekenen behaalt

 

2016)

2017)

2018)

     

Examens

Kamerbrief

resultaten

eindtoets

2017-2018

  • • 
    Aandeel zittenblijvers

po

2,2%

1,7%

1,7%

1,5%

1

SA

DUO

   

(2012-

(2016-

(2017-

(2020)

     
   

2013)

2017)

2018)

       
 

vo

5,9%

5,7%

6,2%

4,7%

3

SA

DUO

   

(2012-

(2016-

(2017-

(2017)

     
   

2013)

2017)

2018)

3,9%

(2020)

     
  • • 
    Percentage

mbo 2007-2008 2015-2016 2016-2017

2018

4

C

MBO Raad

mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

 

Niveau 1: 66%

Niveau 1: 78%

Niveau 1: 79%

Hoger

     
 

Niveau 2:

Niveau 2:

Niveau 2:

Hoger

     
   

62%

73%

72%

       
   

Niveau 3:

Niveau 3:

Niveau 3:

Hoger

     
   

63%

72%

72%

       
   

Niveau 4:

Niveau 4:

Niveau 4:

Hoger

     
   

65%

74%

75%

       
   

Totaal:

Totaal:

Totaal:

Hoger

     
   

64%

73%

74%

       

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

  • • 
    Bachelor studiesucces (n+1)

van herinschrijvers na het eerste jaar

ho

hbo:

65,7%

(2010

2011)

hbo:

62,1%

(2016

2017)

hbo:

63,3%

(2017

2018)

 

6/7

C

DUO

   

wo:

57,3%

(2010

2011)

wo:

73,2%

(2016

2017)

wo:

72,6%

(2017

2018)

       
  • • 
    Uitval in het eerste jaar

ho

hbo:

27,9%

(2010

2011)

hbo:

26,8%

(2016

2017)

hbo:

28,0%

(2017

2018)

 

6/7

C

DUO

   

wo:

18,8%

(2010

2011)

wo:

15,7%

(2016

2017)

wo:

16,5%

(2017

2018)

       
  • • 
    Switchen na het eerste jaar

ho

hbo: 8,4% (20102011)

hbo:

8,3%

(2016

2017)

hbo: 8,3% (20172018)

 

6/7

C

DUO

   

wo:

9,0%

(2010

2011)

wo:

8,3%

(2016

2017)

wo:

9,1%

(2017

2018)

       

Iedere leerling, ongeacht afkomst, moet zijn of haar talenten maximaal kunnen ontplooien. Het kabinet zet daarom in op gelijke kansen voor iedere leerling om zich te ontwikkelen, en heeft hiervoor in 2018 verschillende maatregelen genomen. In oktober is het programma «Gelijke Kansen» gestart met als opdracht om meer samenhang aan te brengen in het bestaande beleid van OCW, en de netwerkaanpak binnen de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) verder uit te bouwen. In het primair onderwijs (po) en het voorgezet onderwijs (vo) is het aantal gelijke-kansen-allianties uitgebreid van 28 naar 60. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met de VO-raad over een dekkend aanbod van brede brugklassen. De pilot met «10-14 scholen» is in 2018 uitgebreid, waarbij leerlingen pas na hun veertiende instromen op een specifiek niveau, in plaats van op hun twaalfde. Ook is, vooruitlopend op de structurele verhoging van € 170 miljoen uit het Regeerakkoord, er in 2018 € 40 miljoen geïnvesteerd in vroeg- en voorschoolse educatie en is er jaarlijks € 9,5 miljoen vrijgemaakt voor doorstroomprogramma's po-vo. Daarnaast is begin 2018 gereageerd op het onderzoek naar de deelname aan en uitgaven voor het zogenaamde «schaduwonderwijs», waarmee alle vormen van extra ondersteuning die leerlingen krijgen buiten het reguliere onderwijs, zoals bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining worden bedoeld. Uit het onderzoek bleek dat dat de financiële omvang beperkt is en dat deze vorm van onderwijsondersteuning voor ongeveer de helft kosteloos wordt aangeboden. In het Regeerakkoord is structureel € 15 miljoen extra uitgetrokken voor beter onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen. In maart hebben wij een brief gestuurd, en hebben wij de Regeling «subsidie begaafde leerlingen po en vo» opgesteld. Deze subsidieregeling stimuleert samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om te zorgen voor een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen in de regio.

In het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is gelijke kansen één van de landelijke speerpunten in de nieuwe kwaliteitsagenda's van mbo-instellingen. In november 2018 is de cascadebekostiging in de mbo afgeschaft. Hierdoor tellen alle studenten even zwaar mee in de bekostiging, ook degenen die meer tijd nodig hebben om hun diploma te halen of opleidingen stapelen. Daarnaast is de wijziging van de wet educatie en beroepsonderwijs door de Tweede Kamer aangenomen, om bestrijding van voortijdig schoolverlaters (vsv) aan te pakken. Met het programma «Sterk beroepsonderwijs» wordt samen met betrokkenen in het veld gewerkt aan een betere aansluiting tussen vmbo en mbo. Vanuit de subsidieregeling doorstroom mbo-hbo, is ruim € 10 miljoen geïnvesteerd in projecten voor het verbeteren van de aansluiting van het mbo op het hbo en het bevorderen van het studiesucces in het hbo van mbo-gediplomeerden. In het ho is de associate degree per 1 januari 2018 een zelfstandige opleiding geworden. Deze opleiding biedt mbo-studenten die een vierjarige bachelor te lang vinden de mogelijkheid om alsnog door te stromen naar het ho. Ook is het programma «Students4Students» ingezet om gelijke kansen in het ho te bevorderen. In dit programma worden studenten begeleid door rolmodellen en coaches.

1.2 Curriculumontwikkeling, en leerlingenkrimp en verantwoording

In 2017 is besloten om het onderwijscurriculum te actualiseren. Het doel hiervan is om vanuit de onderwijspraktijk te komen tot een toekomstgericht en samenhangend curriculum met een heldere doorlopende leerlijn van het begin van het po tot het eind van het vo. In maart 2018 zijn er ontwikkelteams, bestaande uit leraren en schoolleiders, gestart met de ontwikkeling van het nieuwe curriculum. Deze teams actualiseren in samenwerking de kerndoelen en eindtermen van het onderwijs. Zij zullen in 2019 bouwstenen opleveren voor nieuwe kerndoelen en eindtermen.

In het Regeerakkoord is opgenomen dat rekenen voor alle leerlingen een integraal onderdeel van het examen wordt. In de brief Toekomst van rekenen in het vo en mbo is er met de Kamer gecommuniceerd over een alternatief voor de rekentoets. Inmiddels is de inhoud van de brief onderwerp van debat geweest in de Tweede Kamer.

Wij blijven inzetten op een pluriform scholenaanbod en thuisnabij onderwijs. Daarom is in 2018 € 10 miljoen toegevoegd aan de toeslag voor kleine scholen in het po. Daarnaast is in juni de jaarlijkse voortgangsrapportage leerlingendaling naar de Kamer verstuurd, over de leerlingendaling in het po, vo en mbo. Hierin geven wij aan schoolbesturen steviger te gaan aanspreken op hun verantwoordelijkheid om de kwaliteit en de continuïteit van het onderwijs te borgen, zoals wij ook hebben aange-kondigd in het Regeerakkoord. Om besturen te ondersteunen vergroten we de ruimte voor samenwerking en stimuleren we regionale samenwerking. Dit doen we ook in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs waar de komende jaren de leerlingen- en studentenaantallen ook zullen dalen, bijvoorbeeld met het faciliteren van doorlopende leerroutes vo-mbo en het in de wet opnemen van het samenwerkingscollege mbo. Daarnaast is in het najaar van 2018 de commissie-Dijkgraaf ingesteld, die gaat adviseren over de leerlingendaling in het vo.

In onze brief waarin wij reageren op het advies van de Onderwijsraad, onderschrijven wij hun advies om de lumpsumbekostiging te behouden. De verantwoording van onderwijsinstellingen laat echter wel ruimte voor verbetering. Onze brief kondigt acties aan om de verantwoording van scholen te verbeteren door in te zetten op financiële benchmarks. Een eerste indruk hiervan is te vinden op het nieuwe dashboard.

1.3 Leraren, lerarentekort en lerarenregister

 

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en ambitieus leerklimaat

professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

               
 
  • • 
    Aandeel lessen dat wordt gegeven door daartoe bevoegde en benoembare leraren

vo

83,5%

(2011)

95,2%

(2016)

95,7%

(2017)

96% (2016) 100% (2020)

3

SA

IPTO en CenterData

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo-/wo masterop-leiding

po

20% (2013)

22% (2016)

Wordt niet meer gemeten

25% (2018) 30% (2020)

1

SA, LA

Onderwijs Werkt!; Regioplan en DUO

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding

vo

33% (2013)

38% (2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017) 50% (2020)

3

SA, LA

CenterData en DUO

   

Bovenbouw vwo

53% (2013)

63% (2016)

Wordt niet meer gemeten

Hoger

(2017)

80-85%

(2020)

3

SA, LA

CenterData en DUO

   

Hbo

66,2%

(2011)

75,2%

(2015)

Wordt niet meer gemeten

80% (2016)

6/7

C

1

PoMo

(Personeels- en

mobiliteits onderzoek),

bewerking

Vereniging

Hogescholen

(2016).

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste drie jaar ervaring dat de

po

85% (2013)

84% (2015)

Wordt niet meer gemeten

96% (2018) 100% (2020)

1

SA, LA

Onderwijs verslag;

Inspectie

 

algemeen didactische vaardigheden beheerst

vo

76% (2013)

67% (2016)

Wordt niet meer gemeten

90% (2017) 100% (2020)

3

SA, LA

van het Onderwijs

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste tien jaar ervaring dat de

po

56% (2013)

56% (2015)

Wordt niet meer gemeten

79% (2018) 100% (2020)

1

SA, LA

Onderwijs verslag;

Inspectie

 

differentiatie vaardigheden beheerst

vo

34% (2013)

33% (2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017) 100% (2020)

3

SA, LA

van het Onderwijs

b)

Verbetercultuur

               
 
  • • 
    Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

po

62% (2014)

74% (2016)

Wordt niet meer gemeten

87% (2018) 100% (2020)

1

LA, T

Onderwijs werkt!;

Regioplan

   

vo

63% (2014)

68% (2016)

Wordt niet meer gemeten

81% (2017) 100% (2020)

3

 

(20142015); PoMo (BZK, 2016)

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

  • • 
    Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenregister

po/vo/

mbo

8% (2014)

35% (2017)

Wordt niet meer gemeten

100%

(2019)

1, 3 en 4

SA, LA, T

Lerarenre gister

  • • 
    Aandeel schoolleiders dat is geregistreerd in het schoolleidersre-gister

po

31% (2015)

69% (2017)

79% (2018)

100%

(2018)

1

SA

Schoolleiders-register po

  • c) 
    Veilig leerklimaat
  • • 
    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

po

95% (2012)

97% (2016)

97% (2018)

Stabiel of hoger (2017, 2020)

1

T

Praktikon:

monitor

naar

sociale

 

vo

93% (2012)

95% (2016)

97% (2018)

Stabiel of

3

 

veiligheid;

hoger

(2017,

2020)

Goede en betrokken docenten zijn essentieel voor kwalitatief goed onderwijs. Het lerarentekort vormt een grote uitdaging. Om het lerarentekort tegen te gaan, investeert het kabinet sterk in leraren. Sinds 2017 werken we met zes actielijnen om het lerarentekort aan te pakken. Er is structureel € 270 miljoen beschikbaar gesteld voor het verhogen van het salaris voor leraren in het in het po. Ook de besturen zetten € 70 miljoen van de middelen voor de functiemix in om de salarissen van docenten te verbeteren. Het subsidieplafond van de regeling zij-instroom is structureel verhoogd naar € 17,2 miljoen, om meer mensen als zij-instromer tot docent op te leiden. Nieuwe studenten die per studiejaar 2018-2019 starten met een lerarenopleiding betalen de eerste twee jaar maar de helft van het collegegeld. Daarnaast is ingezet op een regionale aanpak van het lerarentekort door schoolbesturen, scholen en lerarenopleidingen. Op 8 februari 2018 is voor het po het werkdrukakkoord afgesloten met vertegenwoordigers van het veld. In dit akkoord is afgesproken om structureel € 237 miljoen in te zetten om de werkdruk te verlagen. Scholen kunnen zelf bedenken hoe zij dit geld willen inzetten, zodat maatwerk mogelijk is. Over de representatie van de beroepsgroep leraren heeft de heer Rinnooy Kan afgelopen jaar als verkenner onderzocht wat de mogelijkheden zijn om beroepsgroepvorming onder leraren te stimuleren. Zijn advies volgen wij op door leraren de tijd en de ruimte te geven om van onderop, los van bestaande organisaties en onder regie van de leraren zelf, een beroepsgroep te vormen die het vervolg op het lerarenregister bepaalt. Tot die tijd wordt het lerarenregister niet verder ontwikkeld.

1.4 Sectorakkoorden, kwaliteitsafspraken en Strategische agenda

 

Doelstelling/indicator    Sector    Basis waarde (jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/    Art.nr.

streef waarden

(jaartal)

Reden

Opname

Bron

3 Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

Aandeel scholen dat

Vensters volledig heeft

po

5,3% (2014)

35% (2017)

45% (2018)

100%

(2017)

1

SA, T

PO-Raad

 

ingevuld

vo

94% (2014)

92% (2017)

93% (2018)

Hoger

(2016)

100%

(2017)

3

 

VO-raad

 

Aandeel scholen dat op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoort

po

38%

(2012

2013)

41%

(2014

2015)

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of hoger (2017) Hoger (2020)

1

SA

Onderwijsverslag; Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel scholen dat opbrengstgericht werkt

vo

47%

(2012

2013)

64%

(2015

2016)

Wordt niet meer gemeten

77% (2017) 100% (2020)

3

SA

Onderwijsverslag; Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel (zeer) zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert

po

27%

(2012

2013)

41%

(2015

2016)

65%

(2016

2017)

60% (2016) 100% (20172018)

1

SA

Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel (zeer) zwakke afdelingen dat zich binnen de gestelde termijn verbetert

vo

72% (2012)

74% (2016)

Wordt niet meer gemeten

100%

(2020))

3

SA

Inspectie van het Onderwijs

 

Oordeel ouders over betrokkenheid

po

Cijfer 7 (2012)

Cijfer 7 (2014)

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of hoger (2017) Hoger (2020)

1

T

Monitor

Ouder-

betrok

kenheid

 

Aantal voortijdig schoolverlaters

vo/mbo

41.800

(2008

2009)

23.744

(2016

2017)

25.574

(2017

2018)

20.000

(2019

2020)

3 en 4

T

DUO

Studenten-tevredenheid

mbo

       

4

CJOB-monitor

 
  • Opleiding
 

7,0 (2014)

7,0 (2016)

7,1 (2018)

7,3 (2020)

     
 
  • Instelling
 

6,5 (2014)

6,6 (2016)

6,7 (2018)

6,7 (2020)

     
 

% tevreden over school en studie (meting tot 2018)

 

49% (2014)

52% (2016)

 

55% (2020)

     
 

% tevreden over school en studie (meting vanaf 2018)

     

62% (2018)

       

Studenttevredenheid

ho

hbo: 65,6% (20102011)

hbo: 75,8% (20172018)

hbo: 72,9% (20182019)

-

6/7

C

Nationale

Studenten

Enquête

     

wo: 81,1% (20102011)

wo: 85,2% (20172018)

wo: 84,0% (2018-2019)

       

In het Regeerakkoord is afgesproken dat de doelen uit de sectorakkoorden voor het po en vo worden gehandhaafd. De sectorakkoorden zijn geactualiseerd, op basis van de tussenevaluatie in 2017, de geboekte voortgang en maatschappelijke ontwikkelingen. In juni zijn de geactualiseerde akkoorden met het primair en voortgezet onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd.

Voor het mbo was 2018 het laatste jaar dat de kwaliteitsafspraken voor 2015-2018 golden. Uit de voortgangsrapportage van «mbo in bedrijf» blijkt dat veel instellingen verwachten dat zij de kwaliteitsafspraken gaan halen. In februari hebben wij het nieuwe bestuursakkoord «Trots, vertrouwen en lef» gesloten met de mbo-sector, met nieuwe kwaliteitsafspraken. Mbo-instellingen krijgen hierin meer ruimte om zelf te bepalen hoe zij zich kunnen verbeteren. Elke instelling stelt een eigen kwaliteitsa-genda op, zodat zij rekening kan houden met de eigen regionale situatie. Soms is het docenten en schoolleiders onduidelijk welke ruimte er in de regels zit voor onderwijsvernieuwing. Hiervoor is in 2018 ruimte in regels mbo gepubliceerd, waarin de meest gestelde vragen van docenten over de wet- en regelgeving aan bod komen. Het groen onderwijs valt sinds januari 2018 onder de verantwoordelijkheid van OCW. In 2018 was de bekostiging van de groene onderwijsinstellingen nog niet geharmoniseerd met de bekostiging van de andere bekostigde instellingen. Om verdere achterstand in de bekostiging van de aoc's te voorkomen is voor 2018 incidenteel € 11 miljoen toegevoegd aan het budget voor aoc's. In onze brief van 13 september 2018 hebben we de Tweede Kamer geïnformeerd over de toekomstbestendigheid van het groene onderwijs en de gespreksronde met de aoc's in 2018. Met JOB en de MBO Raad zijn afspraken gemaakt over de schoolkosten in het mbo. Hierdoor is er voor instellingen en studenten meer helderheid over schoolkosten in het mbo en kan de Inspectie van het Onderwijs beter toezien op naleving. Verder is aangekondigd dat mbo'ers vanaf studiejaar 2020-2021 wettelijk «studenten» gaan heten in plaats van «deelnemers». Door nu ook in de wet de term deelnemer te veranderen in het woord student wordt recht gedaan aan de waarde van mbo-opleidingen.

In april 2018 zijn de sectorakkoorden hbo en wo gesloten. Belangrijke onderdeel hiervan zijn de kwaliteitsafspraken op instellingsniveau, die uitgaan van minder sturing door de overheid en meer vertrouwen in de instellingen. Daarnaast bevatten de akkoorden afspraken over verantwoording en transparantie. De commissie Van Rijn is gevraagd alle knelpunten en oplossingsrichtingen te bekijken en te komen met een advies voor één voorkeursscenario voor de herziening van de bekostigingssystematiek in het ho. Voor onderwijsvernieuwing in het ho zijn er in 2018 74 Comeniusbeurzen verstrekt aan docenten en onderwijsleiders. Deze investering is onderdeel van de strategisch agenda en wordt betaald uit de studievoorschotmiddelen. Daarnaast heeft de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in 2018 een nieuw platform opgezet voor erkende onderwijsinnovatoren die zich inzetten om het ho te verbeteren. Ook is het budget voor de regeling open en online is in 2018 verhoogd van € 1 naar € 2 miljoen. Er is een nieuwe regeling gepubliceerd met twee pijlers: online onderwijs en open leermaterialen.

1.5 Internationalisering

In juni hebben wij de visiebrief «internationalisering in evenwicht» aan de Tweede Kamer gestuurd. Met onze aanpak stimuleren wij de internationalisering van het mbo en ho, maar wel met aandacht voor de keerzijden ervan. Het is belangrijk dat er bewust taalbeleid wordt gevoerd, dat de onderwijskwaliteit voorop staat en dat het onderwijs toegankelijk blijft. Ook is de algemene maatregel van bestuur in werking getreden over de voorschriften voor het verzorgen van hoger onderwijs in het buitenland (transnationaal onderwijs) in het voorjaar van 2018. De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor de versterking van het programma «Erasmus+».

Duizenden Nederlandse kinderen gaan naar school in het buitenland. Het is belangrijk dat zij goed onderwijs krijgen in het Nederlands, zodat zij na terugkomst probleemloos instromen in het onderwijs en in de maatschappij. Voor de Nederlandse scholen in het buitenland is met ingang van 2018 structureel € 3 miljoen per jaar vrijgemaakt.

1.6 Opleiden voor de samenleving van de toekomst

 

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

4 Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel leerlingen in de beroepsgerichte leerweg van het vmbo dat kiest voor techniek

vo

23% (2012)

24% (2017)

24,3%

(2018)

30% (2017)

3

 

DUO

'

Aandeel mbo-studenten techniek

mbo

28% (2011)

27,2%

(2017

2018)

27%

(2018

2019)

Hoger

(2018)

4

C

DUO

Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl.

ho

hbo: 18% (2012)

hbo: 20% (2017)

hbo: 20% (2018)

hbo: 19% (2016)

6/7

C

DUO

 

snijvlakopleidingen

 

wo: 21% (2012)

wo: 26% (2017)

wo: 27% (2018)

wo: 22% (2016)

     
 

Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

mbo/ ho

17% (2010)

19% (2016)

19,1%

(2017)

20% (2020)

4/6/7

C

Eurostat,

Labour

Force survey

(LFS)

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat

mbo

79% (2012)

76% (2016)

77% (2017)

Hoger

(2018)

4

T

ROA, BVE-Monitor

 

de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

hbo

72% (2013)

75% (2016)

75% (2017)

Hoger

(2020)

6/7

C

HBO-

Monitor

(factsheet

Vereniging

Hoge scholen)

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt

wo

56% (2011)

47% (2015)

52% (2017)

Hoger

(2020)

6/7

C

NAE, Rapport Academici op de arbeidsmarkt

 

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

77% (2016)

 

77% (2018)

Hoger

(2020)

4

T

SBB

 

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

76% (2016)

 

80% (2018)

Hoger

(2020)

4

T

SBB

De leerlingen van nu zijn de werknemers en ondernemers van de toekomst. Om de waarde van opleidingen voor het individu en de maatschappij te vergroten dienen opleidingen aan te sluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. In 2018 is er € 40 miljoen beschikbaar gesteld om nieuwe beroepsgerichte profielen in te voeren in het vmbo. In het technisch vmbo daalt het aantal leerlingen namelijk hard. Bij ongewijzigd beleid zou dit leiden tot sluiting van techniekafdelingen op vmbo's en dat er steeds grotere gaten ontstaan in het onderwijsaanbod.

Dit is een punt van zorg, zeker gezien de tekorten aan technisch personeel op de arbeidsmarkt. In onze brief van 15 juni 2018 schreven wij dat regionale samenwerking de sleutel is om te komen tot een transitie naar een duurzaam, dekkend en kwalitatief hoogstaand technisch onderwijsaanbod. In het mbo is in 2018 een nieuwe regeling voor het Regionaal Investeringsfonds gepubliceerd. Om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in het mbo te verbeteren, is vanuit dit fonds € 18,4 miljoen toegezegd aan 15 samenwerkingsverbanden tussen mbo-instellingen en bedrijven. Deze richten zich onder andere op digitale vaardigheden, zorg, bouw en infrastructuur en levensmiddelentechnologie. Daarnaast is de subsidieregeling praktijkleren meerjarig verlengd. Ook hebben wij dit jaar ingezet op het programma «Leven lang ontwikkelen». Dit programma stimuleert mensen om hun hele leven lang deel te blijven nemen aan onderwijs. Ook is het subsidieplafond van de regeling «Tel mee met Taal» voor scholing voor laaggeletterden in 2018 opgehoogd met € 5 miljoen en is er een extra aanvraagperiode geweest. Dit extra geld is ingezet voor taalscholing van laaggeletterde werknemers en ouders, en activiteiten van regionale samenwerkingsverbanden.

  • 2. 
    Wetenschap: Horizon 2020 en het nieuwe Europese Kaderprogramma
 

Doelstelling/indicator

Sector    Basis waarde (jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/    Art.nr.

streef waarden

(jaartal)

Reden

Opname

Bron

5 Behoud van kwaliteit wetenschap

en wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

   
  • • 
    Mondiale top-5 positie op basis van citatie-scores

owb    2e plaats

(2009-2012) 1,52

3e plaats (2012-2015) 1,52

 

kleiner of    16

gelijk 5 (2018)

C

Clarivate Analytics/ Web of Science. Bewerking CWTS

In het voorjaar van 2018 hebben we in de brief Uitwerking investeringen in wetenschap en onderzoek uiteengezet hoe de middelen uit het Regeerakkoord zullen worden ingezet. Een belangrijk onderdeel daarvan is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De eerste programmeerronde van de NWA is medio 2018 gestart, hier was met 330 vooraanmeldingen veel belangstelling voor. Via de actielijn binnen de NWA, waarin vakdepartementen langjarige en vernieuwende wetenschappelijke onderzoeksprogramma's financieren, heeft een extra investering van € 11,6 miljoen plaatsgevonden. Dit bedrag is verdubbeld uit de NWA middelen tot € 23,2 miljoen. Er is in 2018 besloten dat daarmee de volgende zes initiatieven worden uitgewerkt: cybersecurity, duurzame voedseltransitie, ecologie en Noordzee, opslag en conversie (energie), preventie en big data en schulden en armoede. Wetenschappelijk onderzoek is per definitie internationaal en een goede verbinding tussen nationaal en EU-beleid is dan ook essentieel. In 2018 heeft de Europese Commissie het plan voor het negende Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie gepresenteerd: «Horizon Europe i». Samen met het Ministerie voor Economische Zaken en Klimaat hebben we het Nederlandse standpunt voor dit nieuwe programma uiteengezet in het BNC Fiche. Dit heeft geleid tot een deelakkoord in de Raad voor Concurrentievermogen op 30 november 2018 waar Nederland zich goed in kan vinden. Wij zetten ons bij de onderhandelingen in voor excellentie, impact en open science als basis voor het bereiken van wetenschappelijke doorbraken en impact van onderzoek op de samenleving.

  • 3. 
    Cultuur: herijking van het monumentenstelsel en herijking BIS
 

Doelstelling/indicator

Sector

Basis-

Eerdere

Actuele

Tussen-/

Art.nr.

Reden

Bron

   

waarde

realisatie

realisatie

streef-

 

Opname

 
   

(jaartal)

(jaartal)

(jaartal)

waarden

     
         

(jaartal)

     

6 Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het cultureel erfgoed

  • a) 
    Aantal bezoeken
 
  • • 
    Aantal bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland)

cultuur

2,2 miljoen (2012-2015)

2,5 miljoen (2016)

2,5 miljoen (2017)

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

  • • 
    Aantal bezoekers gesubsidieerde musea

cultuur

7,8 miljoen (2012-2015)

9 miljoen (2016)

9 miljoen (2017)

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

  • b) 
    •    Cultuurbereik:

Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken bezoekt

cultuur

89% (2012)

89% (2014)

89% (2016)

 

14

C

SCP/CBS

(VTO

2012-2014)

Dit kabinet heeft voorgenomen flink in cultuur te investeren: € 325 miljoen in erfgoed en monumenten en € 80 miljoen structureel in cultuur en historisch-democratisch bewustzijn. Een deel van deze middelen is in 2018 toegekend (€ 98,5 miljoen erfgoed en monumenten, € 25 miljoen cultuur en historisch-democratisch bewustzijn): in Cultuur in een open samenleving, Erfgoed telt en met de vele acties in de brief Voortgang Cultuur in een open samenleving is hierover gerapporteerd. Het kabinet heeft extra middelen ter beschikking gesteld aan de cultuurfondsen voor vernieuwing en talentontwikkeling. Ook willen we zo veel mogelijk kinderen en jongeren historisch-democratisch bewustzijn bijbrengen. Hiervoor zijn in 2018 via de prestatiebox extra middelen beschikbaar gesteld aan scholen in het po, om musea en historische plaatsen te bezoeken. Ook het Rijksmuseum ontvangt extra middelen om scholieren uit het po te ontvangen. In het programma «Erfgoed telt» hebben we de doelen van het erfgoedbeleid uitgewerkt. De nadruk ligt op instandhouding en herbestemming, de leefomgeving en de verbindende kracht van erfgoed. In 2018 is € 25 miljoen extra geïnvesteerd in het Museaal Aankoopfonds en € 30 miljoen extra in monumenten, waaronder kerken. Daarnaast is er € 30 miljoen extra geïnvesteerd in de restauratie en herbestemming van monumenten. Om kwaliteit te borgen en subsidie alleen aan monumentale onderdelen te besteden, heeft het kabinet besloten de monumentenaftrek om te vormen tot een subsidie. De Tweede en Eerste Kamer hebben met de vervangende subsidieregeling ingestemd. De digitale openbare bibliotheek wordt uitgebreid met meer actuele titels en meer titels voor de jeugd. Ook verbeteren we de positie van makers: rechthebbenden ontvangen vanaf 1 januari 2019 een uitleenvergoeding die op 50/50-basis wordt verdeeld tussen uitgevers en makers. Dit is met bibliotheken, uitgevers en makers overeengekomen in het convenant e-lending, dat in 2018 is gesloten.

In de adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur hebben wij de uitgangspunten voor de periode 2021-2024 benoemd: verbreding en vernieuwing, ruimte voor makers en kunstenaars, een sterke cultuursector en samenwerking tussen overheden. Voor culturele instellingen en opdrachtgevers vinden wij een goede balans tussen artistieke kwaliteit en een gezonde bedrijfsvoering, inclusief fair practice, van groot belang. Wij ondersteunen de initiatieven die het culturele veld neemt op het gebied van de arbeidsmarkt en zetten ons in om structureel de juiste voorwaarden te scheppen.

  • 4. 
    Media: eerste concessiebeleidsplan RPO en onderzoek naar onafhankelijke journalistiek in Nederland

Het jaar 2018 was een jaar van transitie. Dit kabinet staat voor een sterke publieke omroep, die alle groepen binnen onze samenleving aanspreekt en bereikt. Vanwege de dalende Ster-inkomsten, hebben we echter het budget voor de NPO naar beneden moeten bijstellen. Naar aanleiding van de motie Pechtold c.s. die in 2018 werd aangenomen, heeft het kabinet voor 2019 maximaal € 40 miljoen extra beschikbaar gesteld, om de NPO te compenseren voor deze daling. De NPO heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. In 2018 is een traject in gang gezet dat moet leiden tot een visie op de toekomst van de publieke omroep. We willen voor de langere termijn een sterke en pluriforme publieke omroep met een kwalitatief, pluriform en inclusief media-aanbod behouden. De uitgangspunten voor deze visie zijn in de mediabegrotingsbrief 2019 beschreven. Verder is in 2018 het toegezegde onderzoek naar de toekomst van de onafhankelijke journalistiek in Nederland uitgevoerd in vier deelonderzoeken en met een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. In het Regeerakkoord is € 5 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor onderzoeksjournalistiek. De Tweede Kamer is op 22 juni 2018 in een brief geïnformeerd over de besteding van deze middelen in 2018 en de structurele ambities.

In 2018 is een onderzoek naar de mediawettelijke doorgifteverplichting naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze brief is ook aangekondigd dat de mediapartijen gezamenlijk willen optrekken om te komen tot een bredere en meer integrale visie op de toekomst van de mediasector. In 2018 zijn de eerste gesprekken met partijen uit de sector gevoerd. Voor de Regionale Publieke Omroep (RPO) en de regionale publieke omroepen stond 2018 in het teken van de uitvoering van het eerste concessiebeleidsplan. In de reactie op dit concessiebeleidsplan is aangekondigd om per 1 januari 2019 formeel de concessie aan de RPO te verlenen. Ook is de Tweede Kamer geïnformeerd over de frictiekostenregeling voor samenwerkingsprojecten van de regionale omroepen, waarvan in de praktijk blijkt dat het tweede deel van deze frictiekostenregeling (de zogenoemde regeling B) voor de RPO en de regionale publieke omroepen lastig uitvoerbaar is. Daarom is in de mediabegrotingsbrief 2019 een alternatieve vorm van bekostiging voor die projecten aangekondigd.

  • 5. 
    Emancipatie: bevorderen van gelijkheid in Nederland
 

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname

Bron

8 Het bevorderen van emancipatie

  • • 
    Sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking

emanci patie

90% (2010)

93% (2016)

94% (2018)

>90%

25

C

LHBT

monitor

(SCP)

In maart is de emancipatienota aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin zijn de beleidsdoelen voor emancipatie in de komende jaren beschreven. De acht strategische partnerschappen werken aan gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid door in te zetten op onderwijs, veiligheid en arbeidsmarkt. Voor de verbetering van economische en financiële zelfstandigheid van vrouwen is samen met SZW ingezet op verhoging van het aantal vrouwen dat werkt en het aantal uren dat zij werken. Tevens is ingezet op het bestrijden van ongelijk loon voor gelijkwaardig werk. Om te stimuleren dat 30% van de topposities worden vervuld door vrouwen, zijn afspraken gemaakt met het bedrijfsleven, zodat zij op eigen kracht het doel van meer vrouwen aan de top bereiken. De regenboogmaatregelen uit het Regeerakkoord lopen volgens planning en richten zich op het bevorderen van gelijke behandeling van LHBTI-personen, vooral door het aanpassen van wetgeving en ook over het bevorderen van LHBTI-acceptatie op school bij de opleiding van docenten en in het mbo. Om ruimte te geven aan genderdiversiteit zijn we gestart met activiteiten binnen onze bestaande initiatieven voor jongeren en in het onderwijs. Daarbij streven we naar meer genderdiversiteit en inclusief lesmateriaal.

  • 6. 
    Caribisch Nederland: tweede onderwijsagenda (2017-2020)

De scholen en andere onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland hebben ook afgelopen jaar hard gewerkt om het onderwijs op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba verder te verbeteren. Dit gebeurt via de uitvoering van de «Tweede Onderwijsagenda» (2017-2020). Vrijwel alle onderwijsinstellingen hebben het niveau basiskwaliteit bereikt. Daarnaast hebben we de ondersteuning van de scholen door de bestuurscoach voortgezet en aanvullende bekostiging verstrekt voor onder meer taalonderwijs en implementatie van het stelsel van de Caribbean Examinations Council (CXC) op Saba en Sint Eustatius. Ook is met de scholen in Caribisch Nederland een overleg gestart over het verbeteren van de arbeidsvoorwaardenvorming. Daarnaast zijn ook in Caribisch Nederland de salarissen van docenten verbeterd en is er geïnvesteerd om de werkdruk te verlagen.

Leeswijzer indicatorentabel

In de onderstaande tabel zijn de ambities voorzien van een aantal kwantitatieve doelen. Per indicator zijn bijbehorende (tussen)streef-waarden opgenomen, passend bij de beleidsambities. Ten behoeve van een consistente monitoring zijn doelen en ambities van het beleidsverslag 2018 één op één overgenomen uit de beleidsagenda 2018.

Eindjaar per doelstelling

Per streefwaarde wordt voor zover mogelijk een eindjaar vermeld (kabinetsperiode of horizon van de betreffende afspraken met de sector). Het eindjaar kan verschillen per indicator, omdat met verschillende sectoren afspraken zijn gemaakt met een verschillende tijdshorizon: een voorbeeld zijn de indicatoren uit de bestuurs- en sectorakkoorden po/vo. Hiervoor zijn voornamelijk afspraken gemaakt voor het eindjaar 2020. Bij enkele indicatoren zijn geen (tussen)streefwaarden opgenomen. Bij deze indicatoren zijn afspraken op het niveau van de instelling gemaakt, die niet vertaald worden naar een streefwaarde op landelijk niveau. Opgenomen zijn de gerealiseerde landelijke waarden, bedoeld als signalering voor de voortgang op het stelselniveau. Zij dienen als onderbouwing bij de analyse of bijstelling van beleid noodzakelijk is. In dit jaarverslag zijn de laatste twee bekende gerealiseerde waarden opgenomen.

Indicatoren die niet meer gemeten worden

In de begroting 2019 is zijn nieuwe indicatoren opgenomen. In dit jaarverslag verantwoorden we ons over de indicatoren uit de begroting 2018. Sommige van deze indicatoren worden echter niet meer gemeten en komen ook niet terug in de begroting 2019. Hierover is een brief gestuurd naar de Tweede Kamer1. In de tabel hebben we aangegeven welke indicatoren niet langer gemeten worden. De indicatoren uit de begroting 2019 zijn te vinden op het dashboard verantwoordingscijfers.

 

Tabel Indicatoren

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname1

Bron

1 Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

  • a) 
    Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd
  • • 
    Aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten

po

47% (2015)

65% (2017)

Nog niet gepubli-ceerd2

79% (2018) 100% (2020)

1

SA

Enquêtes Bestuursakkoord PO Regioplan

  • • 
    Aandeel toptalentleer-lingen dat zich vaak of bijna altijd verveelt omdat de lesstof te makkelijk is of omdat hij/zij eerder klaar is dan de rest

vo

56% (2013)

20% (2017)

Wordt niet meer gemeten

41% (2016)

25% (2018)

3

SA

Toptalenten in het

onderwijs,

2017

Doelstelling/indicator

Sector    Basis-

Eerdere

Actuele

Tussen-/

Art.nr.

Reden

Bron

 

waarde

realisatie

realisatie

streef-

 

Opname1

 
 

(jaartal)

(jaartal)

(jaartal)

waarden

     
       

(jaartal)

     
  • • 
    Aandeel scholen dat

vo 82% (2015)

84% (2017)

Wordt niet

88% (2016)

3

SA

Topta-

aandacht heeft voor

   

meer

100%

   

lenten in

toptalenten in de vorm

   

gemeten

(2018)

   

het

van uitdagend aanbod

           

onderwijs,

of talentprogramma's

           

2017

  • • 
    Percentage studenten

mbo 34% (2010)

37% (2016)

38% (2017)

Hoger

4

C

ROA 2017,

in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

     

(2018)

   

2018

  • • 
    Percentage studenten

ho hbo: 58%

hbo: 55%

hbo: 52%

Hoger -4

6/7

C

Studenten-

dat tevreden is over

(2010-

(2016-

(2017-

     

monitor

uitdagend onderwijs3

2011)

2017)

2018)

     

Hoger

 

wo: 68%

wo: 68%

wo: 69%

Hoger -4

   

Onderwijs

 

(2010-

(2016-

(2017-

       
 

2011)

2017)

2018)

       
  • • 
    Aandeel thuiszittende

po6    0,07%

0,09%

0,10%

0% (2020)

1

SA

Leerplicht-

leerlingen dat drie of

(2014-

(2016-

(2017-

     

telling

meer maanden thuis zit

2015)

2017)

2018)

     

2017-2018

zonder passend onderwijsaanbod5

vo7    0,17%

(2014-

0,14%

(2016-

0,18%

(2017-

0,10%

(2017)

3

SA

 
 

2015)

2017)

2018)

0% (2020)

     
  • b) 
    Vergroten studiesucces
  • • 
    Aandeel leerlingen dat

po    99%

97%

98%

Niet

1

SA

College

het referentieniveau

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

voor

voor lezen behaalt

2016)

2017)

2018)

     

Toetsen en Examens; Kamerbrief resultaten eindtoets 2017-2018

Aandeel leerlingen dat

po    95%

96%

96%

Niet

1

SA

College

het referentieniveau

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

voor

voor taalverzorging

2016)

2017)

2018)

     

Toetsen en

behaalt

           

Examens

Kamerbrief

resultaten

eindtoets

2017-2018

Aandeel leerlingen dat

po    87%

93%

93%

Niet

1

SA

College

het referentieniveau

(2015-

(2016-

(2017-

benoemd

   

voor

voor rekenen behaalt

2016)

2017)

2018)

     

Toetsen en Examens; Kamerbrief resultaten eindtoets 2017-2018

  • • 
    Aandeel zittenblijvers8

po 2,2%(2012-

1,7%

1,7%

1,5%(2020)

1

SA

DUO

 

2013)

(2016-

(2017-

       
   

2017)

2018)

       
 

vo 5,9%(2012-

5,7%

6,2%

4,7% (2017)

3

SA

DUO

 

2013)

(2016-

(2017-

3,9% (2020)

     
   

2017)

2018)

       

Doelstelling/indicator

Sector    Basis waarde (jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname1

Bron

 
  • • 
    Percentage

mbo 2007-2008

2015-2016

2016-2017

2018

4

C

MBO Raad

 

mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

Niveau 1: 66%

Niveau 1: 78%

Niveau 1: 79%

Hoger

     
 

Niveau 2: 62%

Niveau 2: 73%

Niveau 2: 72%

Hoger

     
   

Niveau 3: 63%

Niveau 3: 72%

Niveau 3: 72%

Hoger

     
   

Niveau 4: 65%

Niveau 4: 74%

Niveau 4: 75%

Hoger

     
   

Totaal:

64%

Totaal:

73%9

Totaal: 74%

Hoger

     
 
  • • 
    Bachelor studiesucces

(n+1) van herin-schrijvers na het eerste jaar3

ho hbo: 65,7% (20102011)

hbo:62,1%

(2016

2017)

hbo: 63,3% (20172018)

-4

6/7

C

DUO

 

wo: 57,3% (20102011)

wo:

73,2%

(2016

2017)

wo: 72,6% (20172018)

       
 
  • • 
    Uitval in het eerste jaar3

ho hbo: 27,9% (20102011)

hbo:

26,8%

(2016

2017)

hbo: 28,0% (20172018)

-4

6/7

C

DUO

   

wo: 18,8% (20102011)

wo:

15,7%

(2016

2017)

wo: 16,5% (20172018)

       
 
  • • 
    Switchen na het eerste jaar3

ho hbo: 8,4% (20102011)

hbo:

8,3%

(2016

2017)

hbo: 8,3% (20172018)

-4

6/7

C

DUO

   

wo: 9,0% (20102011)

wo:

8,3%

(2016

2017)

wo:

9,1%

(2017

2018)

       

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en ambitieus leerklimaat

professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

             
 
  • • 
    Aandeel lessen dat wordt gegeven door daartoe bevoegde en benoembare leraren

vo    83,5%

(2011)

95,2%

(2016)

95,7%

(2017)

96% (2016) 100% (2020)

3

SA

IPTO en CenterData

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo-/wo masteropleiding

po 20% (2013)

22% (2016)

Wordt niet meer gemeten

25% (2018)

30% (2020)

1

SA, LA

Onderwijs Werkt!; Regioplan en DUO

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding

vo 33% (2013)

38% (2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017)

50% (2020)

3

SA, LA

CenterData en DUO

   

Bovenbouw 53% (2013) vwo10

63% (2016)

Wordt niet meer gemeten

Hoger

(2017)

80-85%

(2020)

3

SA, LA

CenterData en DUO

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname1

Bron

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde master-of PhD-opleiding

hbo

66,2%

(2011)

75,2%

(2015)

Wordt niet meer gemeten

80% (2016)

6/7

C    PoMo

(Personeels- en

mobiliteits onderzoek),

bewerking

Vereniging

Hogescholen

(2016).11

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste drie jaar ervaring dat de

po

85% (2013)

84% (2015)

Wordt niet meer gemeten

96% (2018)

100%

(2020)

1

SA, LA

Onderwijs verslag;

Inspectie

 

algemeen didactische vaardigheden beheerst

vo

76% (2013)

67% (2016)

Wordt niet meer gemeten

90% (2017)

100%

(2020)

3

SA, LA

van het Onderwijs

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste tien jaar ervaring dat de

po

56% (2013)

56% (2015)

Wordt niet meer gemeten

79% (2018)

100%

(2020)

1

SA, LA

Onderwijs verslag;

Inspectie

 

differentiatie vaardigheden beheerst

vo

34% (2013)

33% (2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017)

100%

(2020)

3

SA, LA

van het Onderwijs

b)

Verbetercultuur

               
 
  • • 
    Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

po

62% (2014)

74%

(2016)12

Wordt niet meer gemeten

87% (2018)

100%

(2020)

1

LA, T

Onderwijs werkt!;

Regioplan

   

vo

63% (2014)

68%

(2016)12

Wordt niet meer gemeten

81% (2017)

100%

(2020)

3

 

(20142015); PoMo (BZK, 2016)

 
  • • 
    Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenregister

po/vo/

mbo

8% (2014)

35%

(2017)12

Wordt niet meer gemeten13

100%

(2019)

1, 3 en 4

SA, LA, T

Lerarenre gister

 
  • • 
    Aandeel schoolleiders dat is geregistreerd in het schoolleidersre-gister

po

31% (2015)

69% (2017)

79% (2018)

100%

(2018)

1

SA

Schoolleiders-register po

c)

Veilig leerklimaat

               
 
  • • 
    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

po

95% (2012)

97% (2016)

97% (2018)

Stabiel of hoger (2017,

2020)

1

T

Praktikon : monitor

naar

sociale

   

vo

93% (2012)

95% (2016)

97% (2018)

Stabiel of hoger (2017,

2020)

3

 

veiligheid

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

     
 
  • • 
    Aandeel scholen dat Vensters volledig heeft

po

5,3% (2014)

35% (2017)

45% (2018)

100%

(2017)

1

SA, T

PO-Raad

 

ingevuld

vo

94% (2014)

92% (2017)

93% (2018)

Hoger

(2016)

100%

(2017)

3

 

VO-raad

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname1

Bron

 

Aandeel scholen dat op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoort

po

38%

(2012

2013)

41% (20142015) 12

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of hoger (2017) Hoger (2020)

1

SA

Onderwijsverslag; Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel scholen dat opbrengstgericht werkt14

vo

47%

(2012

2013)

64%

(2015

2016)

Wordt niet meer gemeten

77% (2017) 100% (2020)

3

SA

Onderwijsverslag; Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel (zeer) zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert15

po

27%

(2012

2013)

41%

(2015

2016)

65%

(2016

2017)

60% (2016) 100% (20172018)

1

SA

Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel (zeer) zwakke afdelingen dat zich binnen de gestelde termijn verbetert

vo

72% (2012)

74% (2016)

Wordt niet meer gemeten

100%

(2020)

3

SA

Inspectie van het Onderwijs

 

Oordeel ouders over betrokkenheid

po

Cijfer 7 (2012)

Cijfer 7 (2014)

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of hoger (2017) Hoger (2020)

1

T

Monitor

Ouder-

betrok

kenheid

 

Aantal voortijdig schoolverlaters

vo/mbo

41.800

(2008

2009)

23.744

(2016-

2017)16

25.574

(2017/2018)

20.000

(2019/2020)

3 en 4

T

DUO

Studenten tevredenheid

mbo

       

4

C

JOB-

monitor

 
  • Opleiding
 

7,0 (2014)

7,0 (2016)12

7,1 (2018)

7,3 (2020)

   

2016, 2018

 
  • Instelling
 

6,5 (2014)

6,6 (2016)12

6,7 (2018)

6,7 (2020)

     
 

% tevreden over school en studie (meting tot

2018)

 

49% (2014)

52% (2016)

 

55% (2020)

     
 

% tevreden over school en studie (meting vanaf 2018)

     

62%

(2018)17

       
 

Studenttevredenheid

ho

hbo: 65,6% (20102011)

hbo: 75,8% (20172018)

hbo: 72,9% (20182019)

-18

6/7

C

Nationale

Studenten

Enquête

     

wo: 81,1% (20102011)

wo: 85,2% (20172018)

wo: 84,0% (20182019)

       

4 Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel leerlingen in de beroepsgerichte leerweg van het vmbo dat kiest voor techniek

vo

23% (2012)

24% (2017)

24,3%

(2018)

30% (2017)

3

 

DUO

Aandeel mbo-studenten techniek

mbo

28% (2011)

27,2%

(2017

2018)

27%

(2018

2019)

Hoger

(2018)

4

C

DUO

Aandeel afgestudeerden bètatechniek

ho

hbo: 18% (2012)

hbo: 20% (2017)

hbo: 20% (2018)

hbo: 19% (2016)

6/7

C

DUO

 

incl. snijvlakoplei-dingen

 

wo: 21% (2012)

wo:

26% (2017)

wo:

27% (2018)

wo: 22% (2016)

     

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.

Reden

Opname1

Bron

  • • 
    Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

mbo/

ho

17% (2010)

19% (2016)

19,1%

(2017)

20% (2020)

4/6/7

C

Eurostat,

Labour

Force survey

(LFS)

  • • 
    Percentage gediplo meerden dat aangaf dat

mbo

79% (2012)

76% (2016)

77% (2017)

Hoger

(2018)

4

T

ROA 2017, 2018

de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

hbo

72% (2013)

75% (2016)

75% (2017)

Hoger

(2020)

6/7

C    HBO-

Monitor (factsheet Vereniging Hogescholen)

  • • 
    Percentage gediplo meerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt

wo

56% (2011)

47% (2015)

52% (2017)

Hoger

(2020)

6/7

C

NAE, Rapport Academici op de arbeidsmarkt

  • • 
    Percentage leerbe drijven dat over vakkennis het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

77%

(2016)19

 

77%

(2018)20

Hoger

(2020)

4

T

SBB

  • • 
    Percentage leerbe drijven dat over beroepsvaardigheden het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

76%

(2016)19

 

80%

(2018)20

Hoger

(2020)

4

T

SBB

5 Behoud van kwaliteit wetenschap en wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

 

Mondiale top-5 positie

owb    2e plaats

3e plaats

  • kleiner of

16

C    Clarivate

op basis van citatie-

(2009-

(2012-

gelijk 5

 

Analytics/

scores

2012) 1,52

2015) 1,52

(2018)

 

Web of Science. Bewerking CWTS

6 Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het cultureel erfgoed

  • a) 
    Aantal bezoeken21
 
  • • 
    Aantal bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland)

cultuur

2,2 miljoen (20122015)

2,5 miljoen (2016)

2,5 miljoen (2017)22

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

  • • 
    Aantal bezoekers gesubsidieerde musea

cultuur

7,8 miljoen (20122015)

9 miljoen (2016)

9 miljoen (2017)22

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

  • b) 
    • Cultuurbereik:

Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken bezoekt

cultuur

89% (2012)

89% (2014)

89%

(2016)23

24

14

C

SCP/CBS

(VTO

2012-2016)

7 Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking25

 

Doelstelling/indicator

Sector

Basis waarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Art.nr.    Reden

Opname1

Bron

• -

media

           

8 Het bevorderen van emancipatie'

26

           
  • • 
    Sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking

emanci patie

90% (2010)

93% (2016)

94% (2018)

>90%

25    C

LHBT

monitor

(SCP)

1    SA = Sectorakkoorden, LA = Lerarenagenda, T = Toezegging Minister & Staatssecretaris, C = Opgenomen in verband met consistentie/afspraak met het veld.

2    De publicatie van deze realisatiewaarde vindt te laat plaats om in dit jaarverslag meegenomen te kunnen worden.

3    De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset.

4    Hier geen landelijk streefdoel omdat er in de periode 2012-2016 prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt en er in 2018 geen afspraken met instellingen zijn gemaakt waaraan indicatoren gekoppeld zijn.

5    Dit betreft het aantal leerlingen dat >3 maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan.

6    Het percentage betreft de po leerlingen incl. (v)so leerlingen.

7    Het percentage betreft de vo leerlingen excl. vso leerlingen.

8    Basis-, tussen en streefwaarde zijn veranderd t.o.v. begroting/jaarverslag 2016 ten gevolge van een andere meetmethode (zie ook jaarverslag 2015).

9    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie.

10    Voor de bovenbouw vwo betreft dit het aandeel leraren met een wo-masteropleiding.

11    Het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (PoMo) wordt tweejaarlijks uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het coördinerend ministerie voor de arbeidszaken (arbeidsvoorwaarden, pensioenen, personeelsbeleid) van de overheid als geheel. Het onderzoek wordt gehouden onder zittend personeel en medewerkers die recent zijn in- en uitgestroomd. De resultaten worden verwerkt tot rapportages, themapublicaties en infographics die te vinden zijn op www.kennis-openbaarbestuur.nl.

12    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de onderliggende dataset.

13    Deze indicator wordt niet langer op deze manier gemeten als gevolg van wijzigingen rondom het lerarenregister. Het nieuwe register is nog niet volledig operationeel en er wordt op dit moment gewerkt aan de opzet van een monitor die naar verwachting een indicator oplevert die goed bruikbaar is in begrotingsverband.

14    Dit betreft het aandeel scholen dat adequaat fase 1 doorloopt (meten en analyseren van behaalde resultaten van leerlingen).

15    Dit gegeven voor 2018 betreft de scholen die in 2016-2017 zeer zwak of zwak zijn geworden. Na een jaar (na afloop schooljaar 2017-2018) wordt gekeken hoeveel procent zich in één jaar heeft verbeterd tot het niveau voldoende. Per 1 augustus 2017 is het toezicht van de Inspectie vernieuwd en wordt er gesproken van onvoldoende scholen in plaats van zwakke scholen. In het volgende jaarverslag zal de term onvoldoende scholen worden opgenomen.

16    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in voorlopige naar definitieve cijfers.

17    Vanwege een recente wijziging in de vraagstelling van de enquête over de studenttevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

18    Hier geen landelijk streefdoel omdat niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt.

19    Het gaat hier om een eerste meting van SBB onder erkende en niet erkende leerbedrijven. Voor de overige meetresultaten van het onderzoek naar leerwerkbedrijven zie de onderwijsmonitor en de website onderwijsincijfers.nl (https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/aansluiting-mbo-arbeidsmarkt). Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de afronding.

20    Het gaat hier om een tweede meting van SBB onder erkende en niet erkende leerbedrijven. Voor de overige meetresultaten van het onderzoek naar leerwerkbedrijven zie de onderwijsmonitor en de website onderwijsincijfers.nl (https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/aansluiting-mbo-arbeidsmarkt).

21    In de begroting van 2017 is de basiswaarde gewijzigd ten opzichte van de begroting 2016, omdat de basiswaarde 2009 geen reëel beeld gaf van de groep instellingen die vanaf de periode 2013-2016 via de BIS werden gesubsidieerd. Het aantal bezoeken betreft het aantal bezoeken per uitvoering of bij tentoonstellingen, inclusief schoolbezoeken. De streefdoelen zijn ontleend aan de aanvragen van instellingen voor de BIS- periode 2017-2020.

22    Gegevens over 2018 zijn pas beschikbaar na vaststelling van dit jaarverslag en daarom zijn hier de cijfers over 2017 opgenomen.

23    Het percentage is gebaseerd op onderzoek (de Vrijetijdsomnibus) van het SCP dat eens in de twee jaar wordt uitgevoerd. Er zijn daarom ook geen recente realisatie cijfers beschikbaar.

24    Hier is geen streefwaarde aan verbonden. De indicator is als kengetal opgenomen om ontwikkelingen te volgen. Cultuurbereik: het percentage van de bevolking dat wordt bereikt door culturele voorzieningen geeft een beeld van het totale bereik van culturele voorzieningen. Dit is in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14.

25    Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting Media (2014) zijn de indicatoren voor artikel 15 herzien. Hierbij wordt aangesloten op de prestatieafspraken met de NPO voor de periode 2017-2020. Omdat de gesprekken over de prestatieafspraken ten tijde van het opstellen van de begroting nog liepen, zijn in de begrotingen 2017 en 2018 geen indicatoren media opgenomen. In de begroting 2019 is wel een indicator opgenomen.

26    De ontwikkeling van de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van vrouwen is opgenomen in de begroting 2019.

Intensiveringen (bedragen x € 1.000)

 
 

Artikel

Begroot

Gerealiseerd

G32 Voor- en vroegschoolseeducatie

1

40.000

40.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. € 20 miljoen kleine scholen)

1

108.000

108.000

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

40.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

95.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

16

25.000

25.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

45.000

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

25.000

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

G42 Media/ onderzoeksjournalistiek

15

5.000

5.000

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name Nationaal Restauratiefonds)

14

98.500

97.750

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

15.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

244.000

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

0

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profile-ringsfondsen)

6,7

70.000

70.000

Totaal

 

1.088.500

1.087.750

Realisatie beleidsdoorlichtingen

 

Tabel Realisatie beleidsdoorlichtingen

 

2012

2013

2014

2015    2016    2017    2018

Geheel artikel

  • 1. 
    Primair onderwijs

1, 3, 4, 6, 7 en 9

Onderwijs

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog1

     

X

Nee2

Doelmatigheid en focus op het onderwijs1

     

X

Nee2

Goed opgeleide en professionele leraren, docenten en schoolleiders1

     

X

Nee2

1, 3, 4, 6 en 7

Onderwijs

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk

   

X

 

Nee2

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat

   

X

 

Nee2

Brede scholen3

   

X

 

Nee2

Actieplan

Leerkracht

 

X

   

Nee

  • 12. 
    WTOS

Beleidsdoorlichting tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

     

X

Ja

  • 14. 
    Cultuur

Cultuur 2009-2014

     

X

Ja

  • 15. 
    Media

Mediabeleid

2010-2013

   

X

 

Ja

  • 16. 
    Onderzoek en wetenschapsbeleid
  • 25. 
    Emancipatie

Emancipatie

2011-2014

   

X

 

Ja

Emancipatie 2014 -2018

     

X

Ja

1 De overkoepelende doorlichting Prestaties leerlingen en studenten omhoog is uitgevoerd met daarin duidelijk herkenbaar de door te lichten beleidsdoelstellingen Doelmatigheid en focus op het onderwijs en Goed opgeleide en professionele leraren, docenten en schoolleiders.

2    Deze beleidsdoorlichtingen zijn gebaseerd op de beleidsdoelstellingen die in de beleidsagenda 2012 zijn opgenomen en zijn artikel overschrijdend.

3    Deze doorlichting is onderdeel van de beleidsdoorlichting Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat.

Zie ook: Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek Zie ook: «meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen»

Overzicht van Risicoregelingen

Tabel 1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties

2017

Verleend

2018

Vervallen

2018

Uitstaande garanties

2018

Garantie plafond

Totaal plafond

Totaal stand risicovoor-ziening

14

Indemniteitsregeling

284.298

429.291

425.493

288.096

 

300.000

 
 

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

176.631

0

12.710

163.921

     

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemni-teitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobe-heersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op de aanwezigheid van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

 

Tabel 2 Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Artikel Omschrijving

2017

2018

14    Achterborgovereenkomst NRF

341,6

322,7

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van Rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratie-opgave gefinancierd te krijgen. De achterborgovereen-komst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van Rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel beduidend hoger dan de uitstaande leningen onder de achterborg.

Een nadere toelichting op de regelingen is opgenomen bij het onderdeel Saldibalans.

  • 4. 
    DE BELEIDSARTIKELEN

Art.nr. 1 Primair onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het stelsel primair onderwijs worden beschreven op Onderwijs in Cijfers.

Tabel 1.1 Indicatoren

 

Doelstelling/indicator    Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

1    Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

  • a) 
    Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd
 

Aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten

47% (2015)

65% (2017)

Nog niet gepubli-ceerd1

79% (2018) 100% (2020)

Enquêtes Bestuursakkoord PO Regioplan

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod2 3

0,07%

(2014-2015)

0,09%

(2016-2017)

0,10%

(2017-2018)

0% (2020)

Leerplicht- telling

2017-2018

  • b) 
    Vergroten studiesucces
 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

 
  • • 
    Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor lezen behaalt

99%

(2015-2016)

97%

(2016-2017)

98%

(2017-2018)

Niet benoemd

College voor Toetsen en Examens Kamerbrief resultaten eindtoets 2017-2018

 

Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor taalverzorging behaalt

95%

(2015-2016)

96%

(2016-2017)

96%

(2017-2018)

Niet benoemd

College voor Toetsen en Examens Kamerbrief resultaten eindtoets 2017-2018

 

Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor rekenen behaalt

87%

(2015-2016)

93%

(2016-2017)

93%

(2017-2018)

Niet benoemd

College voor Toetsen en Examens Kamerbrief resultaten eindtoets 2017-2018

 
  • • 
    Aandeel zittenblijvers4

2,2%

(2012-2013)

1,7%

(2016-2017)

1,7%

(2017-2018)

1,5% (2020)

DUO

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

         
 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo/wo masteropleiding

20% (2013)

22% (2016)

Wordt niet meer gemeten

25% (2018) 30% (2020)

Onderwijs Werkt!; Regioplan en DUO

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste drie jaar ervaring dat de algemeen didactische vaardigheden beheerst

85% (2013)

84% (2015)

Wordt niet meer gemeten

96% (2018) 100% (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste tien jaar ervaring dat de differentiatievaardigheden beheerst

56% (2013)

56% (2015)

Wordt niet meer gemeten

79% (2018) 100% (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

b)

Verbetercultuur

         
 
  • • 
    Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

62% (2014)

74% (2016)5

Wordt niet meer gemeten

87% (2018) 100% (2020)

Onderwijs werkt!; Regioplan (2014-2015); PoMo (BZK, 2016)

 
  • • 
    Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenre gister

8% (2014)

35% (2017)6

Wordt niet meer gemeten7

100% (2019)

Lerarenre gister

 
  • • 
    Aandeel schoolleiders dat is geregistreerd in het

Schoolleidersregister

31% (2015)

69% (2017)

79% (2018)

100% (2018)

Schoolleiders-register po

c)

Veilig leerklimaat

         

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

  • • 
    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

95% (2012)

97% (2016)

97% (2018)

Stabiel of hoger (2017, 2020)

Praktikon: monitor naar sociale veiligheid

3 Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

  • • 
    Aandeel scholen dat Vensters volledig heeft ingevuld

5,3% (2014)

35% (2017)

45% (2018)

100% (2017)

PO-Raad

  • • 
    Aandeel scholen dat op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoort

38%

(2012-2013)

41%

(2014-2015)6

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of hoger (2017) Hoger (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

  • • 
    Aandeel (zeer) zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert9

27%

(2012-2013)

41%

(2015-2016)

65%

(2016-2017)

60% (2016) 100% (2017-2018)

Inspectie van het

Onderwijs

  • • 
    Oordeel ouders over betrokkenheid

Cijfer 7 (2012)

Cijfer 7 (2014)

Wordt niet meer gemeten

Stabiel of    Monitor

hoger (2017)    Ouder-

Hoger (2020) betrokkenheid

1    De publicatie van deze realisatiewaarde vindt te laat plaats om in dit jaarverslag meegenomen te kunnen worden.

2    Dit betreft het aantal leerlingen dat >3 maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan.

3    Het percentage betreft de po leerlingen incl. (v)so leerlingen

4    Basis-, tussen- en streefwaarde zijn veranderd t.o.v. begroting/jaarverslag 2016 ten gevolge van een andere meetmethode (zie ook jaarverslag 2015).

5    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de onderliggende dataset.

6    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de onderliggende dataset.

7    Deze indicator wordt niet langer op deze manier gemeten als gevolg van wijzigingen rondom het lerarenregister. Het nieuwe register is nog niet volledig operationeel en er wordt op dit moment gewerkt aan de opzet van een monitor die naar verwachting een indicator oplevert die goed bruikbaar is in begrotingsverband.

9 Dit gegeven voor 2018 betreft de scholen die in 2016-2017 zeer zwak of zwak zijn geworden. Na een jaar (na afloop schooljaar 2017-2018) wordt gekeken hoeveel procent zich in één jaar heeft verbeterd tot het niveau voldoende. Per 1 augustus 2017 is het toezicht van de Inspectie vernieuwd en wordt er gesproken van onvoldoende scholen in plaats van zwakke scholen. In het volgende jaarverslag zal de term onvoldoende scholen worden opgenomen.

 

Tabel 1.2 leerlingen primair onderwijs (Aantallen x 1.000; Bron: DUO)

 

2014

2015

2016

2017 Raming 2018

Realisatie

2018

Leerlingen basisonderwijs

  • • 
    geen gewicht

1.310,3

1.309,2

1.302,8

1.295,4

1.293,7

1.292,4

  • • 
    gewicht 0,3

78,5

70,2

64,5

60,7

58,5

56,6

  • • 
    gewicht 1,2

68,6

63,7

60,1

58,2

52,9

56,5

Subtotaal1

1.457,3

1.443,1

1.427,5

1.414,3

1.405,1

1.405,6

Leerlingen trekkende bevolking2

0,5

0,4

0,4

0,4

0,2

0,2

Totaal1

1.457,8

1.443,5

1.427,9

1.414,7

1.405,3

1.405,8

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

36,8

34,7

33,9

34,0

33,7

35,0

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

70,9

68,2

67,1

67,5

65,4

68,4

Totaal PO

1.565,5

1.546,4

1.528,9

1.516,2

1.504,3

1.509,1

1    (Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

2    Dit zijn leerlingen op rijdende scholen.

 
 

2014

2015

2016

2017

Raming 2018

Realisatie

2018

Primair onderwijs1

6,2

6,4

6,6

6,9

6,9

7,3

1 In tegenstelling tot Begroting 2018 wordt geen verdere uitsplitsing gemaakt in «bekostiging» en «exclusief ondersteuningsmiddelen». De uitgaven voor de reguliere bekostiging en de uitgaven als ondersteuningsmiddel zijn in de bekostigingssystematiek geïntegreerd tot één financiële stroom.

  • C. 
    Beleidsconclusies

Aanvullend op datgene wat in het onderdeel beleidsprioriteiten 2018 is opgenomen, kunnen de volgende opmerkingen wat betreft het realiseren van het voorgenomen beleid gemaakt worden.

Op het terrein van het creëren van gelijke kansen is het volgende beeld zichtbaar. Ook in 2018 is het aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten toegenomen. Van de subsidie voor doorstroomprogramma's PO-VO is door 670 basisscholen en 185 vo-scholen gebruik gemaakt. De scores op het terrein van het behalen van de referentieniveaus zijn vergelijkbaar met die van 2017.

De tussenevaluatie van het bestuursakkoord PO eind 2017 liet zien dat er weliswaar op bepaalde terreinen grote stappen zijn gezet, maar dat andere onderwerpen een onvoldoende voortgang kennen, zoals de vulling van Vensters en het aanbod van bewegingsonderwijs. Ook was de verantwoording van besturen over de financiële middelen die aan hen worden uitgekeerd voor de sectorakkoorden voor verbetering vatbaar.

Met de in 2018 overeengekomen actualisatie van het bestuursakkoord zijn daarvoor aanvullende acties afgesproken.

Wat betreft passend onderwijs is er in 2018 veel aandacht geweest voor de aansluiting van samenwerkingsverbanden met jeugdhulp/gemeenten. In de brief over Onderwijs en Zorg is door de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgesteld wat aangepakt wordt op het snijvlak van onderwijs en zorg. Ook is een start gemaakt met de uitwerking van de vereenvoudiging van de financiering van zorg in onderwijstijd, met een professionaliseringslag onder onderwijs(zorg)con-sulenten en met betere communicatie over bestaande maatwerkmogelijkheden.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 Primair onderwijs (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

9.558.272

10.342.863

10.216.767

10.632.968

11.687.151

10.505.757

1.181.394

Waarvan garantieverplichtingen

3.000

3.700

  • 194

19.065

12.590

0

12.590

Waarvan overige verplichtingen

9.555.272

10.339.163

10.216.961

10.613.903

11.674.561

10.505.757

1.168.804

Uitgaven

9.674.957

10.032.762

10.212.474

10.494.756

11.142.533

10.505.757

636.776

 

Bekostiging

9.168.073

9.508.229

9.702.789

9.986.309

10.616.984

9.990.506

626.478

  • • 
    Hoofdbekostiging

8.979.272

9.362.138

9.532.349

9.742.879

10.292.897

9.688.072

604.825

  • Bekostiging Primair

Onderwijs

8.967.791

9.347.550

9.515.642

9.725.580

10.275.784

9.672.842

602.942

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • Bekostiging Caribisch

Nederland

11.481

14.588

16.707

17.299

17.113

15.230

1.883

  • • 
    Prestatiebox

161.987

128.675

156.230

228.085

309.368

282.234

27.134

  • • 
    Aanvullende bekostiging

26.814

17.416

14.210

15.345

14.719

20.200

  • 5.481
  • Overig

26.814

17.416

14.210

15.345

14.719

20.200

  • 5.481
 

Subsidies

98.795

95.901

87.272

88.877

87.640

93.584

  • - 
    5.944
  • Regeling Onderwijsvoor ziening jonggehandicapten

23.000

23.000

23.000

23.191

23.808

23.000

808

  • Basis voor Presteren

(School aan Zet en Bèta Techniek)

20.575

6.089

5.900

1.519

952

0

952

  • Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

9.464

10.442

10.130

11.510

11.900

11.630

270

  • Overig

45.756

56.370

48.242

52.657

50.980

58.954

  • 7.974
 

Opdrachten

6.354

8.100

9.982

6.915

6.901

12.053

  • - 
    5.152

Bijdrage aan agentschappen

32.699

33.902

25.538

26.207

29.651

23.912

5.739

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

32.699

33.902

25.538

26.207

29.651

23.912

5.739

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

8.327

25.180

25.443

19.997

34.907

7.565

27.342

  • Stichting Vervangings fonds en Particpatiefonds

6.127

15.229

24.358

18.412

33.502

5.062

28.440

  • Stichting

Vervangingsfonds/

Bedrijfsgezondheid

 

8.040

13

   

0

0

  • UWV

2.200

1.911

1.072

1.585

1.405

2.503

  • 1.098
 

Bijdrage aan medeoverheden

360.709

361.450

361.450

366.451

366.450

366.750

  • - 
    300
  • Gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid

261.009

261.750

261.750

266.750

277.402

277.402

0

  • Aanvulling GOA
             

convenant G37

95.000

95.000

95.000

95.000

84.348

84.348

0

  • Verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine
             

gemeenten

4.700

4.700

4.700

4.701

4.700

5.000

  • 300
 

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

11.387

  • - 
    11.387
  • Brede Scholen

0

0

0

0

0

11.387

  • 11.387

Ontvangsten

18.171

17.530

32.607

23.358

76.894

17.661

59.233

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven in 2018 is € 636,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 59,2 miljoen hoger dan begroot.

De realisatie van de verplichtingen in 2018 is € 1.181,4 miljoen hoger dan begroot.

De hogere uitgaven hangen samen met forse meerjarige uitgavenreeksen die aan de oorspronkelijke begrotingsstand zijn toegevoegd, met name loonbijstelling en investeringen voortvloeiend uit het Regeerakkoord. In 2018 zijn daarvan niet alleen de uitgaven in kalenderjaar 2018 verplicht, maar ook een deel van de uitgaven in 2019. Vanwege de bekostiging op schooljaar zijn in 2018 immers de volledige schooljaaruitgaven 2018-2019 verplicht. Vandaar dat de afwijking van de verplichtingen ten opzichte van de oorspronkelijke begrote verplichtingen hoger is dan de afwijking van de uitgaven ten opzichte van de oorspronkelijk begrote uitgaven.

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging primair onderwijs: Schoolbesturen in het primair onderwijs ontvangen bekostiging van het Rijk via de lumpsum. De realisatie op de bekostiging Primair Onderwijs is € 602,9 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaak is het aan de lumpsum toevoegen van € 270,0 miljoen voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor leerkrachten in het primair onderwijs.

Daarnaast heeft de toegekende loon- en prijsbijstelling voor 2018 geleid tot een uitgavenverhoging van per saldo € 246,9 miljoen, en is met ingang van 1 augustus 2018 de eerste tranche werkdrukmiddelen aan de bekostiging toegevoegd (€ 97,2 miljoen). Deze bijstellingen waren nog niet opgenomen in de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Er is een bedrag van € 7,7 miljoen meer uitgegeven dan begroot vanwege een hoger aantal leerlingen dan geraamd. Ook is er in 2018 € 9,6 miljoen overgeboekt van artikel nr. 14 (cultuur) naar artikel nr. 1 (primair onderwijs) ten behoeve van de aan scholen toegekende middelen cultuureducatie en museumbezoek voor het schooljaar 2018-2019. Daarnaast is het budget verlaagd ten gevolge van een overboeking van € 9,3 miljoen naar de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) als gevolg van minder plaatsen in justitiële inrichtingen, en is op de gewichtenregeling € 18,5 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Scholen ontvangen door deze regeling een hogere bekostiging als zij meer leerlingen hebben met laagopgeleide ouders. In 2018 vielen de uitgaven aan deze regeling lager uit dan verwacht doordat er minder kinderen waren met laagopgeleide ouders dan geraamd.

Bekostiging Caribisch Nederland: Het Rijk verstrekt bekostiging ten behoeve van scholen in Caribisch Nederland. Het betreft schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. De realisatie op de bekostiging Caribisch Nederland is € 1,9 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaak van het verschil tussen realisatie en begroting is de op dit instrument geboekte bijdrage aan het pensioenfonds Caribisch Nederland van € 2,0 miljoen waarvoor de dekking op het instrument bekostiging primair onderwijs stond.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het sectorakkoord met de PO-Raad ontvangen schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. De realisatie op de prestatiebox is € 27,1 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De reden is het opnemen van loon- en prijsbijstelling in de voor 2018 verstrekte middelen (€ 15,0 miljoen), een verhoging van de verstrekte middelen ten behoeve van museumbezoek (€ 1,9 miljoen) en een eenmalige aanpassing van het betaalritme om aan te sluiten bij de ongelijke verdeling van de middelen uit de begrotingsafspraken over de kalenderjaren (€ 10 miljoen).

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen scholen middelen voor specifieke doelen. De gerealiseerde aanvullende bekostiging voor 2018 bestond uit uitgaven voor tweetalig onderwijs, voor de regeling teambeurs voor professionalisering van teams van leerkrachten, voor de regeling tegemoetkoming vervangingskosten voor schoolleiders die een opleiding volgen, voor het Lerarenontwikkelfonds (LOF) en voor curriculumontwikkeling.

De totale realisatie voor deze doelen ligt per saldo circa € 5,5 miljoen lager dan begroot. Enerzijds is er sprake geweest van een hoger beschikbaar budget door een bijdrage in de uitgaven voor het LOF en de curriculumontwikkeling uit artikel nr. 3 (voortgezet onderwijs) ter grootte van € 3,7 miljoen. Anderzijds heeft zich op het geraamde budget voor de team- en schoolleidersbeurs een onderuitputting voorgedaan van € 9,2 miljoen. Deze onderuitputting is ontstaan doordat er minder gebruik is gemaakt van de team- en de schoolleidersbeurs dan geraamd. Van deze € 9,2 miljoen is in de eerste suppletoire wet 2018 € 3 miljoen ingezet als taakstellende dekking voor de tegenvaller op de leerlingen- en studentenramingen.

Subsidies

Om de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen worden subsidies verstrekt. De belangrijkste subsidies zijn de regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten, de regeling Nederlands onderwijs in het buitenland en Humanistisch vormend onderwijs en godsdienstonderwijs. Daarnaast is subsidie verstrekt voor de coaching en ondersteuning van besturen en schoolleiders van scholen in het primair-en voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland ter verbetering van de kwaliteit en zijn subsidies verstrekt in relatie tot de bestuursafspraken met de sector primair onderwijs. De realisatie op de subsidies is € 5,9 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Daarvan betreft € 3 miljoen een onderuitputting op de lerarenbeurs en € 1,5 miljoen een onderuitputting op de regeling snel internet. Deze onderuitputting van in totaal € 4,5 miljoen is in de eerste suppletoire wet 2018 ingezet als taakstellende dekking voor de tegenvaller op de leerlingen- en studentenramingen. De resterende € 1,4 miljoen betreft onder meer een onderuitputting op het geraamde budget voor voornoemde bestuursafspraken en voor herintreders.

Opdrachten

De realisatie van het instrument opdrachten heeft betrekking op de kosten voor beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel, projecten in het kader van voor- en vroeg-schoolse educatie (VVE) en de ontwikkeling van de (adaptieve) eindtoets. De realisatie op de opdrachten is € 5,1 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Voor € 3,1 miljoen heeft een overboeking naar artikel nr. 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) plaatsgevonden omdat de realisatie van begrote uitgaven voor onderzoeken uitgevoerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voor passend onderwijs, onderwijsachterstanden en werkplaatsonderzoeken daar heeft plaatsgevonden. Daarnaast is een taakstelling van € 2,0 miljoen op dit budget verwerkt.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 5,7 miljoen hoger dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft onder meer:

  • • 
    de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,5 miljoen hoger),
  • • 
    interne overboekingen naar dit instrument (€ 2,6 miljoen) ter dekking van op dit instrument drukkende DUO-uitgaven voor projecten,
  • • 
    meeruitgaven DUO (€ 1,7 miljoen) die niet waren geraamd
  • • 
    een budgetverhoging van € 1,0 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

De stichtingen Vervangingsfonds en Participatiefonds ontvangen middelen voor het beheren van de vervangings- en werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. De kosten die het Vervangings- en Participatiefonds aan besturen vergoeden worden gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

De realisatie op de bijdragen aan ZBO's/RWT's is € 27,3 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door een betaling van € 28,8 miljoen aan het Participatiefonds. Het Participatiefonds vergoedt de uitkeringskosten voor werkloosheid voor de sector primair onderwijs. Achteraf wordt per geval bekeken of deze kosten ten laste komen van het fonds (het collectief) of van het schoolbestuur waar het ontslag heeft plaatsgevonden. Als het Participatiefonds besluit dat ze ten laste komen van het desbetreffende bestuur, worden de kosten door het Ministerie van OCW in mindering gebracht op de bekostiging van dat bestuur en vervolgens weer beschikbaar gesteld aan het Participatiefonds (zie ook het kopje Ontvangsten). De betaling van € 28,8 miljoen bestaat voor het grootste deel uit een inhaalslag in de verwerking van dergelijke gevallen in de jaren vanaf 2012. De inhaalslag was eind 2018 zo goed als afgerond.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het onder dit instrument begrote bedrag betreft een bijdrage aan het Gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen het Ministerie van OCW, het Ministerie van VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Deze is door middel van een overboeking gerealiseerd, en daarom op dit begrotingsartikel niet als uitgave zichtbaar.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn € 59,2 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. In de tweede suppletoire wet 2018 waren al de volgende oorzaken opgenomen:

  • • 
    op de bekostiging in mindering gebrachte uitkeringskosten voor werkloosheid. Uiteindelijk is deze ontvangst opgelopen naar € 28,8 miljoen; dit bedrag is gedesaldeerd en aan het Participatiefonds beschikbaar gesteld (zie ook het kopje Bijdrage aan ZBO's en RWT's).
  • • 
    meer ontvangsten dan geraamd door terugvordering gewichtenmiddelen op basis van rechtmatigheidscontroles; dit betreft een bedrag van € 23,8 miljoen
  • • 
    door de Inspectie van het Onderwijs opgelegde sancties met name bij fusies waar na controle bleek dat geen enkele leerling van de opgeheven school was overgegaan naar de fusieschool. Het totaal van de ontvangsten ten gevolge van opgelegde sancties bedraagt € 6,8 miljoen.

De overige ontvangsten, waaronder ontvangsten bij afrekening van subsidies en opdrachten en ontvangsten n.a.v. afhandeling Jaarrekening, bleken € 0,2 miljoen lager uit te komen dan oorspronkelijk geraamd.

Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voorgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het stelsel voortgezet onderwijs worden beschreven op Onderwijs in Cijfers.

Tabel 3.1 Indicatoren

 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

       

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

         
 
  • • 
    Aandeel toptalentleerlingen dat zich vaak of bijna altijd verveelt omdat de lesstof te makkelijk is of omdat hij/zij eerder klaar is dan de rest

56% (2013)

20% (2017)

Wordt niet meer gemeten

41% (2016) 25% (2018)

Toptalenten in het onderwijs, 2017

 
  • • 
    Aandeel scholen dat aandacht heeft voor toptalenten in de vorm van uitdagend aanbod of talentpro-gramma's

82% (2015)

84% (2017)

Wordt niet meer gemeten

88% (2016) 100% (2018)

Toptalenten in het onderwijs, 2017

 
  • • 
    Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1 2

0,17%

(2014-2015)

0,14%

(2016-2017)

0,18%

(2017-2018)

0,10% (2017) 0% (2020)

Leerplicht- telling

2017-2018

b)

Vergroten studiesucces

         
 
  • • 
    Aandeel zittenblijvers3

5,9%

(2012-2013)

5,7%

(2016-2017)

6,2%

(2017-2018)

4,7% (2017) 3,9% (2020)

DUO

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

         
 
  • • 
    Aandeel lessen dat wordt gegeven door daartoe bevoegde en benoembare leraren

83,5% (2011)

95,2% (2016)

95,7% (2017)

96% (2016) 100% (2020)

IPTO en CenterData

 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding

33% (2013)

38%(2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017) 50% (2020)

CenterData en DUO

 

Bovenbouw vwo4

53% (2013)

63%(2016)

Wordt niet meer gemeten

Hoger (2017) 80-85% (2020)

CenterData en DUO

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste drie jaar ervaring dat de algemeen didactische vaardigheden beheerst

76% (2013)

67% (2016)

Wordt niet meer gemeten

90% (2017) 100% (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

 
  • • 
    Aandeel leraren met ten minste tien jaar ervaring dat de differentiatievaardigheden beheerst

34% (2013)

33% (2016)

Wordt niet meer gemeten

40% (2017) 100% (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

b)

Verbetercultuur

         
 
  • • 
    Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

63% (2014)

68% (2016)5

Wordt niet meer gemeten

81% (2017) 100% (2020)

Onderwijs werkt!; Regioplan (2014-2015); PoMo (BZK, 2016)

 
  • • 
    Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenre gister

8% (2014)

35% (2017)5

Wordt niet meer gemeten6

100% (2019)

Lerarenre gister

c)

Veilig leerklimaat

         
 
  • • 
    Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

93% (2012)

95% (2016)

97% (2018)

Stabiel of hoger (2017, 2020)

Praktikon: monitor naar sociale veiligheid

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

   
 
  • • 
    Aandeel scholen dat Vensters volledig heeft ingevuld

94% (2014)

92% (2017)

93% (2018)

Hoger (2016) 100% (2017)

VO-Raad

 
  • • 
    Aandeel scholen dat opbrengstgericht werkt7

47%

(2012-2013)

64%

(2015-2016)

Wordt niet meer gemeten

77% (2017) 100% (2020)

Onderwijsverslag; Inspectie van het

Onderwijs

 
  • • 
    Aandeel (zeer) zwakke afdelingen dat zich binnen de gestelde termijn verbetert

72% (2012)

74% (2016)

Wordt niet meer gemeten

100% (2020)

Inspectie van het

Onderwijs

 
  • • 
    Aantal voortijdig schoolverlaters

41.800

(2008-2009)

23.744

(2016-2017)

25.574

(2017-2018)

20.000

(2019/2020)

DUO

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

       

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

  • • 
    Aandeel leerlingen in de beroepsgerichte leerweg van het vmbo dat kiest voor techniek

23% (2012)

24% (2017)

24,3% (2018)

30% (2017)

DUO

1    Het percentage betreft de vo leerlingen excl. vso leerlingen.

2    Dit betreft het aantal leerlingen dat >3 maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan.

3    Basis-, tussen en streefwaarde zijn veranderd t.o.v. begroting/jaarverslag 2016 ten gevolge van een andere meetmethode (zie ook jaarverslag 2015).

4    Voor de bovenbouw vwo betreft dit het aandeel leraren met een wo-masteropleiding.

5    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de onderliggende dataset.

6    Deze indicator wordt niet langer op deze manier gemeten als gevolg van wijzigingen rondom het lerarenregister. Het nieuwe register is nog niet volledig operationeel en er wordt op dit moment gewerkt aan de opzet van een monitor die naar verwachting een indicator oplevert die goed bruikbaar is in begrotingsverband.

7    Dit betreft het aandeel scholen dat adequaat fase 1 doorloopt (meten en analyseren van behaalde resultaten van leerlingen).

Tabel 3.2 Kengetallen

 
   

2014

2015

2016

20171

20182

1.

Totaal aantal ingeschreven leerlingen3

Nader te verdelen in:

956.600

966.200

970.100

961.100

974.900

 
  • • 
    Vmbo (incl. lwoo)

414.800

416.200

392.600

377.900

394.800

 
  • • 
    Havo

252.700

256.200

259.000

261.400

258.900

 
  • • 
    Vwo

254.000

258.500

282.700

285.800

285.300

 
  • • 
    Pro

28.900

29.400

29.400

29.100

29.200

 
  • • 
    Vavo

6.200

6.100

6.400

6.800

6.700

2.

Uitgaven per leerling (x €)4

7.690

7.978

8.198

8.362

8.722

3.

Totaal aantal scholen

643

641

640

644

649

4.

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.465

1.488

1.516

1.492

1.502

1    Vanaf 2017 zijn de leerlingen en scholen in het groen onderwijs ook meegenomen in de aantallen.

2    Deze aantallen zijn gebaseerd op de voorlopige telling op de teldatum.

3    Op de teldatum. Ten behoeve van de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld. Vanwege een wijziging in deze toedeling is er vanaf 2016 een verschil te zien in de leerlingenaantallen in de verschillende schoolsoorten ten opzichte van de jaren ervoor.

Bron: DUO

4    De totale uitgaven uit tabel 3.3, exclusief de bijdragen aan agentschappen (DUO) en ontvangsten, gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

  • C. 
    Beleidsconclusies

In het onderdeel beleidsprioriteiten zijn de belangrijkste beleidsconclusies over 2018 opgenomen. In 2018 is verder gewerkt aan de invoering van maatwerk in de afwijking onderwijstijd passend onderwijs. Daarmee is het per 1 augustus 2018 mogelijk om leerlingen, die een tijdelijke zorgbehoefte hebben en niet volledig naar onderwijs kunnen, de mogelijkheid te bieden minder onderwijs te laten volgen, onder verantwoordelijkheid van de scholen. Het uitgangspunt is wel om deze leerlingen toe te laten groeien naar het volgen van de volledige onderwijstijd. Met deze maatregel wordt meer verantwoordelijkheid van schoolbesturen verwacht voor leerlingen met een tijdelijke zorgbehoefte en, daarmee, minder thuiszitters ofwel minder langdurig geoorloofd verzuimd. Het aantal keren dat een leerling drie of meer maanden thuis zat (waarbij niet gemeten werd of sprake was van een passend aanbod) was in 2018 overigens opgelopen ten opzichte van het jaar ervoor tot 4.479 in primair en voortgezet onderwijs.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 Voortgezet onderwijs (bedragen x € 1.000)

 
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

7.486.937

8.024.207

7.942.036

8.326.918

8.814.741

8.350.551

464.190

Waarvan garantieverplichtingen

39.139

21.057

39.487

45.105

50.192

 

50.192

Waarvan overige verplichtingen

7.447.798

8.003.150

7.902.549

8.281.813

8.764.549

8.350.551

413.998

Uitgaven

7.315.883

7.662.616

7.951.000

8.143.906

8.707.896

8.460.939

246.957

 

Bekostiging

7.157.951

7.503.239

7.800.337

7.992.965

8.527.776

8.315.829

211.947

  • • 
    Hoofdbekostiging

6.855.763

7.165.499

7.359.766

7.545.671

8.050.064

7.816.749

233.315

  • Bekostiging Voortgezet

Onderwijs lumpsum

6.276.935

6.557.349

6.723.308

6.890.750

7.336.257

7.172.972

163.285

  • Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

566.334

592.409

621.677

639.339

698.845

628.137

70.708

  • Bekostiging Caribisch

Nederland

12.494

15.741

14.781

15.582

14.962

15.640

  • 678
  • • 
    Prestatiebox

149.854

176.884

200.850

259.356

290.268

304.881

  • 14.613
  • Regeling prestatiebox

Voortgezet Onderwijs

149.854

176.884

200.850

259.356

290.268

304.881

  • 14.613
  • • 
    Aanvullende bekostiging

152.334

160.856

239.721

187.938

187.444

194.199

  • 6.755
  • Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het vo

48.425

           
  • Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang vmbo-mbo2

18.600

           
  • Regeling IGVO (Internati onaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

3.505

3.120

3.515

3.906

4.700

3.940

760

  • Regeling leerplusarran- gement eerste opvang nieuwkomers

80.382

96.578

161.929

109.922

104.768

111.325

  • 6.557
  • Regeling visueel gehandicapten

1.300

           
  • Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

122

     

0

250

  • 250
  • Regeling functiemix VO

Randstadregio's

 

61.158

61.197

61.214

61.400

61.584

  • 184
  • Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters voor VO-scholen
   

13.080

12.896

16.576

17.100

  • 524
 

Subsidies

51.025

57.773

51.513

54.473

63.815

54.995

8.820

  • Stichting Kennisnet

(basissubsidie) PO, VO, MBO

17.500

12.000

12.300

12.280

12.260

12.240

20

  • ICT-projecten (incl.

Transparantie)

1.390

700

3.293

6.172

4.749

5.000

  • 251
         

Realisatie Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • Onderwijs Bewijs

1.468

942

656

     

0

  • Regionale verwijzings-
             

commissies VO

6.867

7.103

         
  • Pilots zomerscholen
 

4.501

8.750

8.276

7.972

 

7.972

  • Overige projecten

23.800

32.527

26.514

27.745

38.834

37.755

1.079

 

Opdrachten

2.513

2.360

3.730

4.981

3.861

5.054

  • - 
    1.193
  • In- en uitbesteding

2.513

2.360

3.730

4.981

3.861

5.054

  • 1.193
 

Bijdrage aan agentschappen

37.072

31.192

30.311

32.310

54.546

31.752

22.794

  • Dienst Uitvoering
             

Onderwijs

37.072

31.192

30.311

32.310

54.546

31.752

22.794

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

67.126

67.961

64.768

58.969

57.775

53.202

4.573

  • ZBO: College voor

Toetsen en Examens

10.785

11.052

11.733

12.718

12.728

5.400

7.328

  • SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/MBO (incl. examens)

56.341

56.909

53.035

46.251

45.047

47.802

  • 2.755
 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

196

91

157

208

123

107

16

  • GRAZ (ECML) en PISA

196

91

157

208

123

107

16

 

Garantie-uitgaven

0

0

184

0

0

0

0

  • - 
    Garantie-uitgaven
   

184

     

0

Ontvangsten

8.588

8.795

7.936

9.173

10.287

7.391

2.896

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven in 2018 is € 247,0 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 2,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

De ophoging van de garantieverplichtingen ter grootte van € 50,2 miljoen is het gevolg van leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Bekostiging

Bekostiging Voortgezet Onderwijs lumpsum

Schoolbesturen in het voortgezet onderwijs ontvangen bekostiging van het Rijk via de lumpsum. De realisatie op de bekostiging Voortgezet Onderwijs lumpsum is € 163,3 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn de doorverdeling van het budget voor lichte ondersteuning van het groen onderwijs voor € 62,4 miljoen, toekennen van de loon- en prijsbijstelling voor 2018 van € 188,3 miljoen en de extra middelen voor vmbo techniek van € 34 miljoen. Dit was niet opgenomen in de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging voor de lichte ondersteuning voor het leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (lwoo/pro) geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging is opgesplitst in een deel basisbekostiging en een deel ondersteuningsbekostiging lwoo/pro.

De realisatie is € 70,7 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn de doorverdeling van het budget voor lichte ondersteuning van het groen onderwijs voor € 62,4 miljoen en het toekennen van de loon- en prijsbijstelling voor een bedrag van € 15,4 miljoen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging ten behoeve van scholen in Caribisch Nederland. Het betreft schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De realisatie op de bekostiging van Caribisch Nederland is € 0,7 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De goedkopere dollar is de belangrijkste oorzaak (€ 0,9 miljoen).

Prestatiebox

Regeling Prestatiebox Voortgezet Onderwijs

Voor het realiseren van de afspraken in het sectorakkoord met de VO-raad ontvangen schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. De realisatie op de regeling Prestatiebox Voortgezet Onderwijs is € 14,6 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de overboeking van € 9 miljoen voor de uitvoering van de zomerscholen.

Aanvullende bekostiging

Regeling IGVO (Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

De realisatie op de Regeling IGVO is € 0,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers De realisatie op de Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers is € 6,6 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De bekostiging van nieuwkomers eerste categorie (nieuwkomer op 1 oktober 2016 nog niet in Nederland) is opgedeeld in een regulier deel en in een aanvullend deel. Het budget voor het reguliere deel van de bekostiging van nieuwkomers eerste categorie staat, samen met het aanvullende deel, op de begroting onder aanvullende bekostiging. Het budget voor het reguliere deel is overgeboekt naar de hoofdbekostiging in 2018. Deze overboeking zorgt ervoor dat de realisatie op de eerste opvang nieuwkomers lager uitvalt (€ 9,7 miljoen).

Regeling functiemix VO Randstadregio's

In het Aktieplan LeerKracht van Nederland zijn afspraken gemaakt over de versterking van de functiemix in de zogenoemde Randstadregio's. De realisatie op de Regeling functiemix Vo Randstadregio's is € 0,2 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Resultaat afhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) VO Voor het aanpakken van schooluitval ontvangen schoolbesturen resultaat-afhankelijke bekostiging. De realisatie op de regeling Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) VO is € 0,5 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Subsidies

Om de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen worden subsidies verstrekt. De grootste hiervan zijn de subsidies voor Stichting Kennisnet, voor de pilots zomerscholen en de doorstroom-regelingen po-vo en vmbo-havo/mbo. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen in het primair-, voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs bij het benutten van ICT. De pilots zomerscholen hebben als doel om het zittenblijven tegen te gaan door middel van scholing in de mei- en zomervakanties. De regelingen doorstroom po-vo en doorstroom vmbo-havo/mbo hebben het doel om de overgang van het po naar het vo enerzijds, en de overgang van het vmbo naar de havo of het mbo anderzijds te verbeteren. De realisatie op de subsidies is € 8,8 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Opdrachten

Door middel van opdrachten worden beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken uitgevoerd. Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken zoals de ondersteuning voor zeer zwakke scholen en onderzoeken naar regelluwe scholen en hoogbegaafden. De realisatie ligt € 1,2 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 22,8 miljoen hoger dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft onder meer de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,7 miljoen hoger) én een verhoging van € 14,5 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau. Het overige verschil wordt verklaard door overboekingen voor diverse projecten van DUO, zoals doorontwikkelen BRON.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie, de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en Nederlands als tweede taal (NT2). De realisatie op de bijdrage aan het CvTE is € 7,3 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting.

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van Stichting Cito en SLO. De realisatie op de bijdrage aan Stichting Cito en SLO is € 2,8 miljoen lager dan de oorspronkelijke begroting.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het European Centre for Modern Languages (ECML) ontvangt een bijdrage voor onderzoek naar talenonderwijs. De Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ontvangt een bijdrage ten behoeve van PISA. De realisatie op de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is € 0,02 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting.

Ontvangsten

In 2018 is € 2,9 miljoen meer ontvangen dan begroot. De ontvangsten bestaan voornamelijk uit terugvorderingen van bekostiging bij schoolbesturen en terugbetaling van onterecht betaalde subsidies.

Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) sector omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een belangrijke leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een belangrijke schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, bestuurlijke afspraken zoals de kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het onderwijsstelsel zijn te vinden op OCW in cijfers.

 

Tabel 4.1 Indicatoren

Doelstelling/indicator    Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

         

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

         
 
  • • 
    Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

34% (2010)

37% (2016)

38% (2017)

Hoger (2018)

ROA 2017, 2018

b)

Vergroten studiesucces

         
 
  • • 
    Percentage mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

2007-2008

2015-2016

2016-2017

2018

MBO Raad

   

Niveau 1: 66%

Niveau 1: 78%

Niveau 1: 79%

Hoger

 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

   

Niveau 2: 62%

Niveau 2: 73%

Niveau 2: 72%

Hoger

 
   

Niveau 3: 63%

Niveau 3: 72%

Niveau 3: 72%

Hoger

 
   

Niveau 4: 65%

Niveau 4: 74%

Niveau 4: 75%

Hoger

 
   

Totaal: 64%

Totaal: 73%1

Totaal: 74%

Hoger

 

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

b)

Verbetercultuur

         
 
  • • 
    Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenre gister

8% (2014)

35% (2017)1

Wordt niet meer gemeten2

100% (2019)

Lerarenre gister

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

   
 
  • • 
    Aantal voortijdig schoolverlaters

41.800

(2008-2009)

23.7443

(2016-2017)

25.574

(2017-2018)

20.000

(2019-2020)

DUO

 
  • • 
    Studenten-tevredenheid
       

JOB-monitor 2016, 2018

 
  • Opleiding

7,0 (2014)

7,0 (2016)4

7,1 (2018)

7,3 (2020)

 
 
  • Instelling

6,5 (2014)

6,6 (2016)4

6,7 (2018)

6,7 (2020)

 
 

% tevreden over school en studie (meting tot 2018)

49% (2014)

52% (2016)

 

55% (2020)

 
 

% tevreden over school en studie (meting vanaf 2018)

 

62% (2018)5

     

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

       
 
  • • 
    Aandeel mbo-studenten techniek

28% (2011)

27,2%

(2017-2018)

27%

(2018-2019)

Hoger (2018)

DUO

 
  • • 
    Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

17% (2010)

19% (2016)

19,1% (2017)

20% (2020)

Eurostat, Labour Force survey (LFS)

 
  • • 
    Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

79% (2012)

76% (2016)

77% (2017)

Hoger (2018)

ROA 2017, 2018

 
  • • 
    Percentage leerbedrijven dat over vakkennis het oordeel (zeer) goed geeft

77% (2016)6

-

77% (2018)7

Hoger (2020)

SBB

 
  • • 
    Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardig heden het oordeel (zeer) goed geeft

76% (2016)6

-

80% (2018)7

Hoger (2020)

SBB

1    Het cijfer kan licht afwijken van het eerder gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie in de onderliggende dataset.

2    Deze indicator wordt niet langer op deze manier gemeten als gevolg van wijzigingen rondom het lerarenregister. Het nieuwe register is nog niet volledig operationeel en er wordt op dit moment gewerkt aan de opzet van een monitor die naar verwachting een indicator oplevert die goed bruikbaar is in begrotingsverband.

3    Het cijfer kan licht afwijken van eerdere gepubliceerde cijfer vanwege een mutatie van voorlopige naar definitieve cijfer.

4    De cijfers kunnen licht afwijken van eerdere gepubliceerde cijfers vanwege mutaties.

5    Vanwege een recente wijziging in de vraagstelling van de enquête over de studenttevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

6    Het gaat hier om een eerste meting van SBB onder erkende en niet erkende leerbedrijven. Voor de overige meetresultaten van het onderzoek naar leerwerkbedrijven zie de onderwijsmonitor en de website onderwijsincijfers.nl (http://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/aansluiting-mbo-arbeidsmarkt).

7    Het gaat hier om een tweede meting van SBB onder erkende en niet erkende leerbedrijven. Voor de overige meetresultaten van het onderzoek naar leerwerkbedrijven zie de onderwijsmonitor en de website onderwijsincijfers.nl (http://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/ aansluiting-mbo-arbeidsmarkt)

Tabel 4.2 Kengetallen

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

1    Aantal studenten mbo (x 1.000 excl. «groen onderwijs»,

(uitgezonderd 2018) vavo)1

450,1

446,3

453,6

461,8

496,2

Bol

354,8

355,8

359,2

359,2

375,6

Bbl

94,4

90,3

94,5

102,5

120,6

Deeltijd-bol

0,9

0,2

0,0

0,0

0,0

Vavo

7,8

8,6

8,7

8,9

9,4

Bron: OCW-Referentieraming

2    Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.000)2

7,4

8,1

8,0

8,1

8,2

1 (Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

2 De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming (telling 1 oktober 2018) plus de vavo studenten.

  • C. 
    Beleidsconclusies

In het algemeen onderdeel beleidsprioriteiten zijn de belangrijkste beleidsconclusie over 2018 opgenomen. Aanvullend kan worden gemeld dat in 2018 het bekostigingsmodel voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is geëvalueerd. Vavo-instellingen waren met de invoering van de bekostiging door het rijk (per 2013) niet langer afhankelijk van gemeentelijke besluitvorming voor de omvang en samenstelling van het vavo-aanbod. Daarmee werd beoogd het vavo-aanbod te waarborgen, mede gezien de belangrijke rol bij het voorkomen van het voortijdig schoolverlaten (VSV). Uit het evaluatierapport blijkt dat de doelstelling een stabiel vavo-aanbod in stand te houden, is gerealiseerd. Ook uit de deelname aan het vavo (aantal vavo-studenten) blijkt dat de gestelde doelstelling wordt bereikt. Het vavo biedt leerlingen die hun opleiding voortijdig dreigen te verlaten of hebben verlaten een tweede kans of weg alsnog een vo-diploma te halen. De omvang en de samenstelling van het vavo is gecontinueerd waarmee dit perspectief op het behalen van een diploma voor deze doelgroep bestendigd kan worden mede door de wijziging van de wijze van bekostigen.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

3.898.698

3.964.746

4.478.441

4.333.854

4.424.079

4.449.579

  • - 
    25.500

Waarvan garantieverplichtingen

25.160

34.560

5.866

  • 20.656

110.994

0

110.994

Waarvan overige verplichtingen

3.873.538

3.930.186

4.472.575

4.354.510

4.313.085

4.449.579

  • 136.494

Uitgaven

3.757.009

4.065.903

4.118.177

4.209.212

4.601.918

4.496.879

105.039

 

Bekostiging

3.404.283

3.686.725

3.704.063

3.786.795

4.151.144

4.045.594

105.550

  • • 
    Hoofdbekostiging

3.166.278

3.381.311

3.278.808

3.298.079

3.607.090

3.506.738

100.352

  • Bekostiging roc's/ overige regelingen

2.995.643

3.268.662

3.210.597

3.229.517

3.537.697

3.437.190

100.507

  • Bekostiging kbb's

108.001

46.012

0

0

0

0

0

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • Bekostiging Caribisch

Nederland

4.313

6.600

7.020

6.109

5.491

7.094

  • 1.603
  • Bekostiging vavo

58.321

60.037

61.190

62.454

63.902

62.454

1.448

  • • 
    Kwaliteitsafspraken

31.845

214.086

298.623

366.000

399.635

400.000

  • 365
  • Investeringsbudget

4.100

187.449

179.935

183.600

196.069

196.500

  • 431
  • Resultaatsafhankelijk budget

27.745

26.637

118.688

182.400

203.566

203.500

66

  • • 
    Aanvullende bekostiging

206.160

91.327

126.632

122.716

144.419

138.856

5.563

  • Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

13.922

13.939

15.003

15.000

14.938

15.000

  • 62
  • Regionaal Investerings- fonds

3.575

11.218

15.834

20.691

22.729

25.861

  • 3.132
  • Salarismix Randstadre- gio's

41.114

0

41.277

42.293

47.591

45.595

1.996

  • Regionaal programma

0

0

0

30.400

30.400

30.400

0

  • Plusvoorziening overbelaste jongeren en wijkscholen

30.408

30.400

30.400

0

0

0

0

  • Programmagelden regio's

19.458

19.150

19.150

0

0

0

0

  • Tegemoetkoming schoolkosten mbo

0

0

4.968

10.000

10.000

10.000

0

  • Gelijke kansen

0

0

0

4.332

18.761

12.000

6.761

  • Convenanten met

RMC-regio's

16.329

16.620

0

0

0

0

0

  • Taal en Rekenen

52.600

0

0

0

0

0

0

  • Leerlinggebonden financiering (LGF)

18.529

0

0

0

0

0

0

  • School-ex 2.0

10.115

0

0

0

0

0

0

  • Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo

2

110

0

0

0

0

0

0

 

Subsidies

238.592

229.039

254.258

235.308

246.410

229.971

16.439

  • Subsidieregeling praktijkleren

197.055

188.825

188.450

196.500

201.500

196.500

5.000

  • Actieplan

Laaggeletterdheid/Tel mee met taal

3.715

3.930

11.688

14.072

22.780

12.010

10.770

  • Loopbaanorientatie

700

1.700

737

1.462

2.949

1.700

1.249

  • ROC Leiden

0

0

32.458

7.017

525

525

0

  • Pilots laaggeletterdheid

5.000

5.000

0

0

0

0

0

  • Sectorplan mbo-hbo techniek

0

0

0

0

0

0

0

  • Netwerkscholen

3.500

0

0

0

0

0

0

  • Overige subsidies

28.622

29.584

20.925

16.257

18.656

19.236

  • 580
 

Opdrachten

6.556

17.351

11.642

15.567

8.573

2.314

6.259

         

Realisatie Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • In- en uitbesteding

6.556

3.644

3.515

6.214

4.228

2.314

1.914

  • Caribisch Nederland1

0

13.707

8.127

9.353

4.345

0

4.345

 

Bijdragen aan agentschappen

19.123

21.191

29.760

24.328

21.108

24.101

  • - 
    2.993
  • Dienst Uitvoering
             

Onderwijs

19.123

17.372

27.312

22.128

18.312

21.601

  • 3.289
  • Rijksdienst voor
             

Ondernemend Nederland

0

3.819

2.448

2.200

2.796

2.500

296

 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

45

20.833

3.984

51.901

54.910

62.945

  • - 
    8.035
  • College voor Toetsen en
             

Examens

45

0

0

0

0

4.365

  • 4.365
  • Wet SLOA

0

0

0

0

0

3.604

  • 3.604
  • SBB

0

20.833

3.984

51.901

54.910

54.976

  • 66

Bijdragen aan medeoverheden

34.526

90.764

114.470

95.313

119.773

131.954

  • - 
    12.181
  • RMC's

32.200

32.550

33.350

34.068

35.309

34.067

1.242

  • Educatie

0

56.700

57.548

58.985

60.391

58.985

1.406

  • Caribisch Nederland

2.326

1.514

1.722

2.260

1.480

17.052

  • 15.572
  • Regionaal Programma

0

0

21.850

0

22.593

21.850

743

 

Bijdragen aan sociale fondsen

53.884

0

0

0

0

0

0

  • Participatiebudget

53.884

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

8.038

10.875

3.338

2.786

6.742

3.000

3.742

1 Dit is inclusief verbetermiddelen Caribisch Nederland. Zie overzicht rijksuitgaven Caribisch Nederland van het BES-fonds

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt € 105 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 3,7 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verschillen worden bij de toelichting op de instrumenten verduidelijkt.

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging roc's/overige regelingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De bekostiging is nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WEB.

In 2018 waren er nog twee afzonderlijke budgetten een voor de roc's en vakinstellingen en een voor aoc's verdeeld over de respectievelijke instellingen. Het landelijk budget dat beschikbaar is voor de onderscheiden mbo-instellingen wordt verdeeld in een budget voor entreeoplei-dingen en een budget voor de niveaus 2 t/m 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 t/m 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma's van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl), de opleiding (c.q. de prijsfactor van de opleiding) en het aantal verblijfsjaren in het mbo (cascade). De mate waarin een diploma meetelt is afhankelijk van het niveau en de vraag of de student al eerder een mbo-diploma heeft behaald. In 2018 is € 100,5 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor de roc's en vakinstellingen en de aoc's gezamenlijk. Deze stijging van beide budgetten wordt grotendeels verklaard door de verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2018. Bovendien is voor de aoc's in 2018 eenmalig € 11 miljoen toegevoegd aan de lumpsum naar aanleiding van het bestuursakkoord mbo 2018-2022.

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen. In Caribisch Nederland wordt op alle drie de eilanden, Bonaire, St. Eustatius en Saba (Bes eilanden) middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aangeboden. Op de twee Bovenwinds gelegen eilanden (St. Eustatius en Saba) wordt alleen een beperkt aantal entree-opleidingen en opleidingen op niveau 2 aangeboden. Op het Benedenwinds gelegen eiland Bonaire worden op alle mbo-niveaus opleidingen aangeboden.

Bekostiging vavo

De rijksbijdrage voor het verzorgen van het vavo (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) is voor 2018 beschikbaar gesteld op basis van het vanaf 2015 ingevoerde bekostigingsmodel voor het vavo. De verdeling van de beschikbare middelen voor 2018 heeft plaatsgevonden aan de hand van het aantal ingeschreven studenten op 1-10-2016, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma's in het kalenderjaar 2016.

Kwaliteitsafspraken

Investeringsbudget

Met als doel de verbetering van de kwaliteit van het mbo zijn er in 2015 kwaliteitsafspraken gemaakt. In 2015 hebben alle mbo-instellingen hun ambities ten aanzien van de verbetering van de onderwijskwaliteit in een kwaliteitsplan vastgelegd. In 2018 hebben de instellingen verder gewerkt aan de uitvoering van de kwaliteitsplannen en zijn de plannen van de kwaliteitsafspraken 2015 t/m 2018 afgerond. Aan de instellingen is voor de uitvoering van de kwaliteitsplannen een vast investeringsbudget beschikbaar gesteld.

Resultaatsafhankelijk budget

Daarnaast is er een resultaatafhankelijk budget beschikbaar gesteld voor een aantal onderwerpen, namelijk de studiewaarde, voortijdig schoolverlaten en de verbetering van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming. In 2018 zijn de mbo-instellingen verder gegaan met de uitvoering van deze verbeterplannen en zijn de plannen van de kwaliteitsafspraken 2015 t/m 2018 afgerond. Indien aan de voorwaarden hiervoor is voldaan, zijn extra middelen aan de instellingen uitgekeerd.

Aanvullende bekostiging

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

Voor schoolmaatschappelijk werk zijn middelen aan de mbo-sector ter beschikking gesteld. Met deze middelen hebben de instellingen studenten met psychosociale problemen die dit (tijdelijk) nodig hebben, ondersteuning geboden. Deze ondersteuning helpt studenten voorkomende problemen op te lossen en levert zo een bijdrage aan het terugdringen van voortijdig schoolverlaten.

Regionaal investeringsfonds (RIF)

Met het Regionaal investeringsfonds mbo, zijn in de periode 2014 tot en met 2017 middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen. Deze aanvragen moeten bijdragen aan een betere aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en, bij voorkeur, regionale overheden in de desbetreffende regio financieel bijdragen. Uit de evaluatie is gebleken dat het fonds als katalysator werkt om de totstandkoming van pps'en te stimuleren. Wegens succes is het fonds in 2018 verlengd. Van 2014 tot en met 2018 zijn 119 publiek-private samenwerkingsverbanden tot stand gekomen en is in totaal door het Ministerie van OCW € 108 miljoen verplicht in het kader van het RIF. Daarvan is € 18,4 miljoen verplicht in 2018.

Salarismix Randstadregio's

In het mbo zijn, aanvullend op de lumpsum, middelen beschikbaar gesteld om tot een versterking van de salarismix te komen in de Randstadregio's. Aan de hand van behaalde competenties zijn docenten benoemd in een hogere schaal. De mbo-instellingen hebben de doelstellingen van de regeling zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin nagenoeg behaald. Met instellingen die de doelstellingen nog niet hebben behaald zijn nadere afspraken gemaakt waarmee op korte termijn wel invulling wordt gegeven aan de doelstellingen van de salarismix. Hiervoor was in 2018 € 47,6 miljoen beschikbaar.

Regionaal Programma

In 2018 zijn alle 39 RMC-regio's (Regionaal Meld- en Coördinatiepunt) verder gegaan met de uitvoering van de afspraken uit de vierjarige regionale programma's voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de begeleiding van jongeren in een kwetsbare positie. Voor de uitvoering van de regionale maatregelen was in 2018 in totaal € 52,99 miljoen beschikbaar. Hiervan is € 30,4 miljoen via de contactschool naar de regio gekomen. Het andere deel van het beschikbare budget is via de RMC-contactgemeente naar de regio gegaan (zie bijdrage aan medeoverheden). In het schooljaar 2017/2018 is het aantal vsv'ers 25.574.

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

Via de «Regeling tijdelijke voorziening leermiddelen» is in 2018 € 10 miljoen beschikbaar gesteld om de schoolkosten voor minderjarige bol-studenten uit minimagezinnen te beperken. Hiermee wordt geborgd dat minderjarige bol-studenten niet vanwege financiële redenen afzien van een mbo-opleiding en dat deze studenten de opleiding volgen die bij hun talenten en ambities past.

Gelijke kansen

Van de middelen bestemd voor de Gelijke kansen is een deel besteed voor de uitvoering van het Actieprogramma Gelijke Kansen. Van de € 12 miljoen die beschikbaar was in 2018 voor mbo, was € 7,5 miljoen bestemd voor de regeling doorstroom mbo-hbo, € 4 miljoen voor de regeling compensatie langere inschrijvingsduur en € 0,5 miljoen was bestemd voor de regeling stimulering doorstroom niet verwant mbo-pabo. Uiteindelijk is er in 2018 op dit onderdeel € 18,8 miljoen gerealiseerd. Deze hogere realisatie is onder andere te verklaren omdat de middelen die in 2017 verplicht waren voor de regeling doorstroom mbo-hbo, conform regeling, in 2018 tot uitbetaling kwamen.

Subsidies

Subsidieregeling praktijkleren

Het doel van de subsidieregeling praktijkleren is om werkgevers te stimuleren praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen te bieden aan leerlingen, studenten en onderzoekers. De subsidie is een tegemoetkoming voor de kosten van de begeleiding in de praktijk. In 2018 is het beschikbare budget volledig uitgeput. Er zijn meer aanvragen gedaan voor de bbl dan het beschikbare budget. De regeling, die per 1 januari 2019 zou vervallen, is verlengd tot 2023 naar aanleiding van de motie van het lid Tielen om de subsidieregeling praktijkleren meerjarig vast te leggen.

Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid zijn in 2018 middelen beschikbaar gesteld als bijdrage aan het actieplan «Tel mee met Taal 2016-2018» dat door de Ministeries van OCW, SZW en VWS wordt uitgevoerd en bekostigd. Met dit actieprogramma werden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. Ook werden taalhuizen en taalpunten opgericht en taalvrijwilligers getraind. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd. Het programma is verlengd tot en met eind 2019. Daarnaast is om de aanpak van laaggeletterdheid te versterken, in het Regeerakkoord afgesproken om het structurele budget voor de aanpak van laaggeletterdheid vanaf 2018 met € 5 miljoen per jaar te verhogen. Daarnaast kan de hogere realisatie in 2018 verklaard worden door bijdragen van andere departementen en een kasschuif uit 2017. In 2018 is de regeling geëvalueerd en is in voorjaar van 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

De LOB middelen zijn ingezet voor de LOB portal KiesMBO, dat in november 2018 is gelanceerd. Voorts zijn de middelen besteed aan het LOB Expertisepunt vo-mbo om de kwaliteit van loopbaanbegeleiding te verbeteren en de bestuurlijke afspraken in de LOB agenda's vo en mbo te ondersteunen. Tevens wordt het project LOB en Gelijke Kansen in het mbo uitgevoerd ter versterking van de jongeren in een achterstandspositie en voor het creëren van gelijke kansen.

ROC Leiden

In het kader van de problematiek rondom ROC Leiden is in totaal een (maximale) financiële bijdrage van € 40 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag is in tranches in 2016 tot en met 2018 verstrekt. Het budget is conform vastgestelde begroting in 2018 in zijn geheel uitgeput.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals het Techniekpact, het Netwerk Burgerschap en het Steunpunt taal & Rekenen.

Opdrachten

In- en uitbesteding

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken.

Caribisch Nederland

Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast zijn deze middelen onder meer ingezet voor het scholen van docenten en de transitie naar de Engelse taal op St. Eustatius om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren. De middelen voor Caribisch Nederland waren begroot op het instrument bijdrage aan medeoverheden. Vanuit dat instrument heeft er een overboeking van € 4,3 miljoen naar het instrument opdrachten plaatsgevonden.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 3,3 miljoen lager dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft onder meer de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,5 miljoen hoger) én een verlaging van € 5,1 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budget neutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de examens voor rekenen en taal in het beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal. De realisatie is in 2018 € 4,4 miljoen lager dan de vastgestelde begroting. Dit komt met name doordat de middelen zijn overgeheveld naar art.nr 3 (Voortgezet onderwijs).

Wet SLOA

De middelen worden ingezet voor het ontwikkelen van centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo door Cito. De subsidieverlening voor het Cito verloopt op basis van de wet SLOA. De realisatie in 2018 is € 3,6 miljoen lager dan de vastgestelde begroting. Dit komt met name doordat de middelen zijn overgeheveld naar art.nr 3 (Voortgezet onderwijs) ten behoeve van Cito.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB heeft middelen ontvangen om de wettelijke taken uit te voeren. Hiermee is een bijdrage geleverd aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Dit omvat zowel het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur, als het werven en accrediteren van leerbedrijven. Daarnaast zorgt SBB voor voldoende praktijkplaatsen en bevordert de kwaliteit van deze praktijkplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

RMC's

Dit betreft de bekostiging van de rmc-functie van 39 rmc-regio's. De rmc-functie heeft tot taak met de vsv'ers van 18 jaar en ouder uit vo en mbo contact te leggen en hen zoveel mogelijk terug te begeleiden naar school of naar een combinatie van school en werk. Hiervoor was in 2018 € 35,3 miljoen beschikbaar.

Educatie

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). De verplichte besteding bij roc's, die tussen 2015 en 2017 geleidelijk is afgebouwd, is per 2018 geheel vervallen. Zo kunnen gemeenten beter maatwerk bieden voor de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie.

Caribisch Nederland

Aan de openbare lichamen in Caribisch Nederland wordt jaarlijks een bijzondere uitkering verstrekt voor de Sociale Kanstrajecten Jongeren.

Ook zijn er voor de samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba middelen beschikbaar gesteld, bestemd voor het stimuleren van studeren in de regio en het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. De gerealiseerde opdrachten en subsidies ten behoeve van Caribisch Nederland zijn onder de instrumenten opdrachten en subsidies gerealiseerd. Daarnaast hebben er kasschuiven naar latere jaren plaatsgevonden, met name vanwege vertraging in de onderwijshuisvesting. Hierdoor is de op dit instrument de realisatie € 15,6 miljoen lager.

Regionaal Programma

Voor de uitvoering van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie was in de begroting 2018 een bedrag van € 21,85 miljoen opgenomen. Dit is in de vorm van een specifieke uitkering aan RMC-contactgemeenten verstrekt. Door een administratieve fout is er op dit begrotingsartikel daarnaast nog € 0,7 miljoen betaald, terwijl dit pas in 2019 had moeten gebeuren. Dit leidt in 2018 tot een overschrijding van het budget met € 0,7 miljoen.

Ontvangsten

De ontvangsten van € 6,7 miljoen in 2018 zijn het gevolg van onder andere afrekeningen die betrekking hadden op subsidies en regelingen.

Art.nr. 6 en 7 Hoger onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren:

De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatie-stelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder ook het accreditatiestelsel.

Indicatoren/kengetallen

 

Tabel 6.1 Indicatoren

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

1    Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

  • a) 
    Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd
  • • 
    Percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs1

hbo: 58% (2010-2011)

hbo:55%

(2016-2017)

hbo: 52% (2017-2018)

Hoger -2

Studenten monitor

Hoger

Onderwijs

 

wo: 68% (2010-2011)

wo: 68% (2016-2017)

wo: 69% (2017-2018)

Hoger -2

 
  • b) 
    Vergroten studiesucces
  • • 
    Bachelor studiesucces (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar3

hbo: 65,7% (2010-2011)

hbo: 62,1% (2016-2017)

hbo: 63,3% (2017-2018)

-2

DUO

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

   

wo: 57,3% (2010-2011)

wo: 73,2% (2016-2017)

wo: 72,6% (2017-2018)

   
 
  • • 
    Uitval in het eerste jaar3

hbo: 27,9% (2010-2011)

hbo: 26,8% (2016-2017)

hbo: 28,0% (2017-2018)

-2

DUO

   

wo: 18,8% (2010-2011)

wo: 15,7% (2016-2017)

wo: 16,5% (2017-2018)

   
 
  • • 
    Switchen na het eerste jaar3

hbo: 8,4% (2010-2011)

hbo: 8,3% (2016-2017)

hbo: 8,3% (2017-2018)

-2

DUO

   

wo: 9,0% (2010-2011)

wo: 8,3% (2016-2017)

wo: 9,1% (2017-2018)

   

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

         
 
  • • 
    Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo master- opleiding4

66,2% (2011)

75,2% (2015)

Wordt niet meer gemeten

80% (2016)

PoMo (Personeels-en mobiliteitsonderzoek), bewerking Vereniging Hogescholen (2016).5

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

   
 
  • • 
    Studenten-tevredenheid

hbo: 65,6% (2010-2011)

hbo: 75,8% (2017-2018)

hbo: 72,9% (2018-2019)

-6

Nationale

Studenten

Enquête

   

wo: 81,1% (2010-2011)

wo: 85,2% (2017-2018)

wo: 84,0% (2018-2019)

   

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

       
 
  • • 
    Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl. snijvlakop- leidingen

hbo: 18% (2012)

hbo: 20% (2017)

hbo: 20% (2018)

hbo: 19% (2016)

DUO

   

wo: 21% (2012)

wo:26%

(2017)

wo:27%

(2018)

wo: 22% (2016)

 
 
  • • 
    Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

17% (2010)

19% (2016)

19% (2017)

20% (2020)

Eurostat, Labour Force survey (LFS)

 
  • • 
    Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

72% (2013)

75% (2016)

75% (2017)

Hoger (2020)

HBO-Monitor

(factsheet

Vereniging

Hogescholen)

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

  • • 
    Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt

56% (2011)

47% (2015)

52% (2017)

Hoger (2020)

NAE, Rapport Academici op de arbeidsmarkt

1    De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset.

2    Hier geen landelijk streefdoel omdat er in de periode 2012-2016 prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt en er in 2018 geen afspraken met instellingen zijn gemaakt waaraan indicatoren gekoppeld zijn.

3    De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset.

4    Voor het hbo betreft dit het aandeel docenten met een afgeronde master- of PhD-opleiding.

5    Het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (PoMo) wordt tweejaarlijks uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het coördinerend ministerie voor de arbeidszaken (arbeidsvoorwaarden, pensioenen, personeelsbeleid) van de overheid als geheel. Het onderzoek wordt gehouden onder zittend personeel en medewerkers die recent zijn in- en uitgestroomd. De resultaten worden verwerkt tot rapportages, themapublicaties en infographics die te vinden zijn op www.kennis-openbaarbestuur.nl.

6    Hier geen landelijk streefdoel omdat niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt.

Tabel 6.2 Kengetallen

 
  • 1. 
    Ingeschreven studenten (inclusief groen

2013/14

2014/15

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

onderwijs, aantallen x 1.000)

           
  • • 
    hbo voltijd bachelor

385,9

395,2

392,9

397,1

401,3

402,0

  • • 
    hbo voltijd master

3,0

3,3

3,2

3,5

4,1

4,8

  • • 
    hbo deeltijd bachelor

42,3

38,7

37,0

37,1

39,0

40,7

  • • 
    hbo deeltijd master

8,5

8,6

8,8

8,4

7,7

7,8

Totaal hbo

439,8

445,9

442,0

446,1

452,2

455,2

  • • 
    wo voltijd bachelor

155,1

158,0

158,4

162,7

171,0

182,2

  • • 
    wo voltijd master

88,0

91,0

95,7

98,4

102,0

105,7

  • • 
    wo deeltijd bachelor

2,4

2,0

1,8

1,6

1,7

1,7

  • • 
    wo deeltijd master

4,0

3,7

3,4

3,3

3,2

3,2

Totaal wo

249,5

254,7

259,3

266,0

278,0

292,7

Bron: 1cijferho

  • 2. 
    Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

  • • 
    hbo voltijd bachelor

51,8

54,3

58,1

59,8

63,6

65,2

  • • 
    hbo voltijd master

1,1

1,2

1,3

1,3

1,3

1,5

  • • 
    hbo deeltijd bachelor

8,7

8,0

7,5

7,0

6,3

6,8

  • • 
    hbo deeltijd master

2,4

2,4

2,2

2,5

2,4

2,2

Totaal hbo

64,0

65,9

69,1

70,6

73,6

75,8

  • • 
    wo voltijd bachelor

31,6

31,7

33,6

33,4

34,0

34,0

  • • 
    wo voltijd master

35,1

37,1

38,8

40,0

41,0

42,5

  • • 
    wo deeltijd bachelor

0,5

0,4

0,4

0,3

0,2

0,2

  • • 
    wo deeltijd master

1,4

1,3

1,4

1,1

1,1

1,1

Totaal wo

68,7

70,5

74,0

74,8

76,3

77,8

Bron: 1cijferho

  • 3. 
    Onderwijsuitgaven per student2 (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

  • • 
    hbo
   

6,9

6,9

7,0

7,4

  • • 
    wo
   

6,9

6,9

7,0

7,4

  • 4. 
    Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)
         

2017/18

 
         

2.006

 

1    De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset. Daarnaast zijn de aantallen ingeschreven studenten en gediplomeerden nu inclusief het groene onderwijs, en daardoor niet vergelijkbaar met de aantallen uit de begroting 2018 en de jaarverslagen over voorgaande jaren.

2    Onderwijsuitgaven per student zijn in constante prijzen 2018 (dat wil zeggen gecorrigeerd voor de uitgekeerde loon- en prijsbijstelling).

Toelichting:

Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in het Staat van het Onderwijs 2016-2017 en in OCW in Cijfers.

  • C. 
    Beleidsconclusies

In het onderdeel beleidsprioriteiten zijn de belangrijkste beleidsconclusies over 2018 opgenomen. Aanvullend kan nog worden gemeld dat het experiment flexstuderen met ingang van het studiejaar 2017/2018 van start is gegaan (tussenrapportage volgt uiterlijk in september 2019, eindevaluatie in september 2022) en de pilot instellingsaccreditatie met lichte opleidingsaccreditatie per 2018 in werking is getreden.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 Hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

2.961.392

2.874.883

2.867.843

3.213.191

3.461.463

3.215.709

245.754

Waarvan garantieverplichtingen

26.789

25.983

70.434

53.643

22.410

 

22.410

Waarvan overige verplichtingen

2.934.603

2.848.900

2.797.409

3.159.548

3.439.053

3.215.709

223.344

Uitgaven

2.732.897

2.811.099

2.833.160

2.925.976

3.262.539

3.140.498

122.041

 

Bekostiging

2.688.138

2.756.130

2.773.809

2.868.197

3.185.040

3.080.297

104.743

  • • 
    Hoofdbekostiging

2.518.043

2.578.000

2.584.417

2.713.021

3.185.040

3.080.297

104.743

  • Onderwijsdeel hbo

2.445.854

2.507.785

2.505.033

2.630.368

3.091.346

2.989.506

101.840

  • Deel ontwerp en ontwikkeling

69.201

70.046

70.915

72.439

80.191

73.961

6.230

  • Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen
   

8.346

10.171

13.503

16.830

  • 3.327
  • Bekostiging experi menten open bestel

2.537

           
  • Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

451

169

123

43

     
  • • 
    Prestatiebox

170.095

178.130

189.392

155.176

0

0

0

  • Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering

170.095

178.130

189.392

155.176

     
 

Subsidies

752

3.798

5.569

5.001

2.077

1.806

271

  • Regeling stimulering Bèta/techniek
 

2.758

4.289

3.143

   

0

  • Overig

752

1.040

1.280

1.858

2.077

1.806

271

Opdrachten

242

271

0

0

0

0

0

  • Uitbesteding1

242

271

         

Bijdragen aan agentschappen

17.851

17.613

17.540

14.089

12.969

14.080

  • - 
    1.111
  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

17.851

17.613

17.540

14.089

12.969

14.080

  • 1.111
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

23.616

31.096

36.242

38.689

62.453

44.315

18.138

  • NWO (Praktijkgericht onderzoek hbo)

23.616

28.696

29.477

29.329

48.963

31.769

17.194

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • NWO (Promotiebeurs voor leraren)
 

2.400

2.949

5.720

9.238

9.026

212

  • Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)2
   

3.816

3.640

4.252

3.520

732

 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.298

2.191

0

0

0

0

0

  • Stichting Studiekeuze

1233

2.298

2.191

         
 

Ontvangsten

2.615

1.288

1.903

1.358

2.057

1.213

844

1    Noot 1: Vanaf 2016 opgenomen onder opdrachten artikel 7 wo (zie tabel 6.4)

2    Noot 2: Tot 2016 opgenomen onder bijdragen aan ZBO's/RWT's artikel 7 wo (zie tabel 6.4)

3    Noot 3: Vanaf 2016 opgenomen onder bijdragen aan (inter)nationale organisaties artikel 7 wo (zie tabel 6.4)

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 Wetenschappelijk onderwijs (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

4.293.686

4.235.203

4.391.850

4.663.507

5.038.007

4.753.943

284.064

Waarvan garantieverplichtingen

9.017

  • 22.983
 
  • 22.983
  • 22.983
 
  • 22.983

Waarvan overige verplichtingen

4.284.669

4.258.186

4.391.850

4.686.490

5.060.990

4.753.943

307.047

Uitgaven

4.152.113

4.210.383

4.328.205

4.443.628

4.860.007

4.696.066

163.941

 

Bekostiging

4.115.685

4.178.621

4.298.116

4.416.577

4.829.573

4.667.614

161.959

  • • 
    Hoofdbekostiging

3.986.790

4.042.961

4.153.232

4.300.299

4.829.573

4.667.614

161.959

  • Onderwijsdeel wo

1.641.970

1.675.277

1.731.117

1.831.298

2.196.748

2.092.269

104.479

  • Onderzoeksdeel wo

1.730.563

1.750.117

1.768.756

1.800.009

1.962.582

1.920.983

41.599

  • Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

614.257

617.567

653.359

668.992

670.243

654.362

15.881

  • • 
    Prestatiebox

128.895

135.660

144.884

116.278

0

0

0

  • Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering

128.895

135.660

144.884

116.278

     
 

Subsidies

10.067

4.709

3.160

2.553

3.573

3.995

  • - 
    422
  • Subsidieregeling Sirius programma

5.443

1.726

         
  • Subsidieregeling Libertas

Noodfonds

605

265

         
  • 3TU's samenwerking

1.500

           
  • Open en online onderwijs
   

1.027

988

1.674

1.600

74

  • Overig

2.519

2.718

2.133

1.565

1.899

2.395

  • 496

Opdrachten

1.240

1.374

2.716

1.851

2.404

1.705

699

  • Uitbesteding1

1.240

1.374

2.716

1.851

2.404

1.705

699

 

Bijdragen aan ZBO's/RWT

3.769

4.032

         
  • Nederlands-Vlaamse
             

Accreditatie Organisatie (NVAO)2

3.769

4.032

         
 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

21.352

21.647

24.213

22.647

24.457

22.752

1.705

  • Organisaties3

21.352

21.647

24.213

22.647

24.457

22.752

1.705

Ontvangsten

10.426

592

2.253

1.364

172

16

156

1    Noot 1: Vanaf 2016 inclusief opdrachten artikel 6 hbo (zie tabel 6.3)

2    Noot 2: Vanaf 2016 opgenomen onder bijdragen aan ZBO's/RWT's artikel 6 hbo (zie tabel 6.3)

3    Noot 3: Vanaf 2016 inclusief bijdragen aan (inter)nationale organisaties artikel 6 hbo (zie tabel 6.3)

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt voor het hbo € 122,0 miljoen en voor het wo € 163,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verhoogde realisatie van de uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door de bekostiging. De realisatie van de ontvangsten is bij het hbo € 0,8 miljoen en bij het wo € 0,2 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verschillen worden bij de toelichting op de instrumenten verduidelijkt.

Bekostiging

De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bestaat uit de hoofdbekostiging waarbij het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen afzonderlijk worden bekostigd. De bekostiging is voor het hbo met € 104,7 miljoen en voor het wo met € 162,0 miljoen verhoogd.

Dit betreft:

  • • 
    Aanpassing op basis van de studentenaantallen uit de Referentieraming 2018 (hbo + € 33,6 miljoen en wo + € 58,0 miljoen);
  • • 
    De verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2018 (hbo + € 72,0 miljoen en wo + € 106,4 miljoen);
  • • 
    Toevoeging van de regeerakkoordmiddelen toegepast onderzoek (hbo + € 4,5 miljoen);
  • • 
    Een meevaller (hbo - € 0,8 miljoen) op de bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen. Er werden minder vouchers toegekend dan geraamd;
  • • 
    Diverse kleinere mutaties voor onder andere lerarenbeleid, uitbesteding van opdrachten en overige beleidsgerichte activiteiten (hbo -€ 4,6 miljoen en wo - € 2,4 miljoen).

Hoofdbekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma's), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),
  • b. 
    een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en
  • c. 
    een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,
  • b. 
    een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten,
  • c. 
    een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht, en
  • d. 
    een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Dit deel bestaat uit het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering. Doel is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duale onderwijs. In het experiment vraagfinanciering maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 zijn er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Doordat het experiment deels nog in een opstartfase zat, bleef het aantal aangevraagde vouchers in 2018 achter bij de raming. De realisatie in 2018 is daardoor € 3,3 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. Van dit bedrag is € 2,5 miljoen conform de gehanteerde regelgeving en systematiek overgeheveld naar het onderwijsdeel van de rijksbijdrage van de instellingen, het restant is als meevaller te beschouwen.

Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders, onder andere door te werken met leeruitkomsten en leerwegonafhankelijke toetsing, bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. De pilots zijn eveneens in 2016 van start gegaan en in 2017 uitgebreid met meer opleidingen, er nemen nu ongeveer 500 opleidingen van 21 hogescholen (publiek en privaat) deel aan de pilots flexibilisering. De evaluatie van zowel het experiment als de pilots vindt in 2021 plaats. Een tussenevaluatie is in voorjaar 2019 aan de Tweede Kamer gezonden. Op basis van de tussenevaluatie kan worden besloten of het experiment vraagfinanciering eventueel wordt uitgebreid of aangepast.

Subsidies

Open en online hoger onderwijs (hbo en wo)

Vanaf 2018 is er een nieuwe regeling open en online hoger onderwijs 2018-2022. Ten opzichte van de eerdere stimuleringsregeling heeft deze als extra doelstelling, naast het versterken van open en online onderwijs, ook het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity's. De regeling is bedoeld om instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. De regeling bestaat uit twee pijlers: online onderwijs en open leermaterialen. Projecten dragen bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijsmateriaal, en de toegankelijkheid van Nederlandse onderwijsinstellingen. SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de instellingen tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2018 12 projecten gestart: 7 voor de pijler online onderwijs en 5 voor de pijler open leermaterialen. De instellingen matchen de aan hun toegekende subsidie met ten minste hetzelfde bedrag. De projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.

Overig (hbo en wo)

Hieronder vallen, afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo, overige subsidietoekenningen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek en communicatie rondom het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7. De gerealiseerde uitgaven liggen € 1,1 miljoen lager dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft onder meer verhogingen vanwege uitvoering halvering van het collegegeld (€ 2 miljoen) en toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,4 miljoen) én verlagingen voor het naar 2019 overhevelen van middelen vervangingsportfolio DUO (€ 1,5 miljoen) en in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW (€ 2,4 miljoen), welke laatste middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO; het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2018 is vanuit het Regeerakkoord Rutte III extra geïnvesteerd in het praktijkgericht onderzoek, voor 2018 is daardoor het budget verhoogd met € 10,5 miljoen. Daarnaast is het budget verhoogd voor de OCW-programma's Postdoc/City Deals Kennis Maken (€ 3 miljoen), het IenM-programma PROO/VANG (€ 1 miljoen) en het LVN-groenpact (€ 2 miljoen). Tenslotte is het budget aangepast voor de loon- en prijsbijstelling (€ 0,7 miljoen).

Praktijkgericht onderzoek van hogescholen groeit uit tot een eigenstandige en hoogwaardige vorm van onderzoek met een sterke binding met maatschappij en economie en een duidelijk eigen positie in het kennisbestel. Het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (onderdeel van NWO) stimuleert en richt de verdere vernieuwing en uitbouw van het onderzoek aan hogescholen. In 2018 honoreerde Regieorgaan SIA daartoe 338 projecten (van 450 ontvankelijke indie-ningen) in 11 verschillende regelingen. In 2018 zijn 321 projecten gestart. Ultimo 2018 waren er 669 projecten in uitvoering.

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. In 2018 is via NWO aan 48 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid en geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Dit betreft de bijdrage die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen met name terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van een getroffen afbetalingsregeling of door correcties en eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende bekostiging en subsidies.

Art.nr. 8 Internationaal beleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid Stimuleren:

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere - vaak daarbij aangesloten - organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etc. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, Neth-ER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale - ondersteunende - maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op OCW in Cijfers. Deze website biedt ook informatie over de indicatoren over o.a. het programma Erasmus+, maar ook de prestaties van de beroepsbevolking worden internationaal vergeleken in het kader van het «Programme for International Assessment of Adult Competencies» (PIAAC).

  • C. 
    Beleidsconclusies

De belangrijkste conclusies op het terrein van internationaal beleid worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 Internationaal beleid (bedragen x € 1.000)

Realisatie Vastge- Verschil    HGIS

stelde    realisatie begroting

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

2018

Verplichtingen

13.973

14.645

11.001

13.080

13.236

11.116

2.120

807

Uitgaven

12.330

12.669

12.281

11.625

12.496

11.716

780

766

 

Subsidies

1.297

1.559

1.595

856

820

821

  • - 
    1

155

         

Realisatie

Vastge stelde begroting

Verschil

HGIS

realisatie

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

2018

  • Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

773

724

632

         
  • Netherlands house for Education and

Research (Neth-ER)

450

600

600

600

600

600

   
  • Frans-Nederlandse academie (FNA)

20

             
  • Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

24

135

211

186

155

196

  • 41

155

  • Overige incidentele subsidies

30

100

152

70

65

25

40

 
 

Opdrachten

6

359

1.002

56

0

210

  • - 
    210

0

  • Beleidsonderzoek en benchmarking

6

33

61

30

 

103

  • 103
 
  • Incidentele Internationale activiteiten
 

22

3

23

 

107

  • 107
 
  • EU-Voorzitterschap
 

304

938

3

       

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

10.577

10.301

9.234

10.287

11.250

10.259

991

185

  • OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

141

135

135

135

 

135

  • 135
 
  • EP Nuffic

4.690

3.505

3.566

3.838

3.875

3.793

82

 
  • Nederlandse Taalunie

3.224

4.140

2.806

2.821

2.727

2.764

  • 37
 
  • Europa College Brugge

30

30

30

30

30

30

0

 
  • Unesco
         

20

  • 20
 
  • OESO CERI

67

69

71

74

77

76

1

 
  • Fulbright Center

388

368

368

368

468

368

100

 
  • DCCIC

90

90

90

     

0

 
  • Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

0

185

  • Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

1.762

1.779

1.963

2.208

2.989

2.064

925

 
  • EU-programma's en activiteiten
   

20

 

40

20

20

 
  • Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)
     

628

859

804

55

 
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

450

450

450

426

426

426

0

426

  • Vlaams-Nederlands huis DeBuren (Hoofdstuk V BuZa)

450

450

450

426

426

426

0

426

Ontvangsten

310

113

1

24

113

99

14

 
  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt € 0,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Het betreft hier voornamelijk een ophoging van het budget voor het Nationaal Agentschap Erasmus+. De realisatie van de verplichtingen is € 2,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Het betreft hier mutaties waarbij de verplichting in 2018 is aangegaan met kasgevolgen voor 2019. De realisatie van de ontvangsten is bijna gelijk aan het oorspronkelijk begrote bedrag.

Subsidies

Neth-ER

De vereniging Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie. De leden van Neth-ER bestaan op dit moment uit: MBO-raad; Nuffic; KNAW; NFU; TNO; VSNU; Vereniging Hogescholen; NWO; ISO; JOB; LSVB; en ZonMw. Het gezamenlijke doel van de vereniging is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma's te vergroten door de leden onder andere te voorzien van informatie over het Europees beleidsproces en het versterken van het netwerk van de leden. Daarnaast vormt Neth-ER ook een platform voor vroegtijdige afstemming tussen OCW en de in Neth-ER verenigde veldorganisaties op het gebied van Europees onderwijs- en wetenschapsbeleid. Neth-ER wordt gefinancierd vanuit bijdragen van de leden en een aanvullende subsidie van het Ministerie van OCW.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nuffic

Nuffic ondersteunt de internationalisering in het onderwijs. In het primair en voortgezet onderwijs doet Nuffic dit met kennis en kleine financiële bijdrages voor onder meer expertiseontwikkeling en mobiliteit van leerlingen, onderwijzend personeel, voor vroegtijdig vreemdetalenonderwijs, tweetalig onderwijs en internationale uitwisseling.

Nederlandse Taalunie

De Nederlandse Taalunie is de verdragsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van het Nederlands. De Taalunie is de organisatie die namens de overheden van Nederland en Vlaanderen het taalbeleid vormgeeft. De Taalunie stimuleert ook de uitwerking van door het Comité van Ministers vastgesteld beleid door organisaties te steunen die op veel taalgebonden terreinen werkzaam zijn.

Fulbright Center

Het Fulbright Center verzorgt mobiliteitsprogramma's voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Cultural Contact Point

Het Cultural Contact Point geeft advies over de subsidieregelingen van het EU-cultuurprogramma en biedt begeleiding bij het doen van een aanvraag. Het is een uitvoerend orgaan ten behoeve van het EU-Cultuurprogramma en ondergebracht bij DutchCulture centre for international cooperation(DCCIC). In 2017 is de reservering voor de bijdrage aan het Cultural Contact Point overgedragen naar art.nr. 14(cultuur).

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen, onder meer met behulp van het tijdschrift Ons Erfdeel en het Jaarboek The Low Countries, Septentrion en de Franse Nederlanden.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training is samen met het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+. Het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training is een samenwerking van Nuffic en Cinop. De omvang van het Europese programma Erasmus+ en de daarbij behorende uitvoeringskosten zijn sterk gestegen. De ophoging van de OCW bijdrage aan het Agentschap volgt de ophoging van de Europese Commissie aan het Agentschap.

Duitsland Instituut Amsterdam

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) genereert en verspreidt kennis in Nederland over de ontwikkelingen in Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het instituut doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)). Daarnaast stimuleert het DIA het onderwijs in de Duitse taal in Nederland.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Tabel 8.2 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

3.155

3.155

3.155

2.858

2.873

2.873

0

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

54.338

51.688

52.588

49.001

51.437

50.311

  • 1.126

Internationaal beleid (artikel 8)

705

810

886

932

766

942

176

Cultuur (artikel 14)

5.459

5.393

5.739

4.640

4.617

4.617

 

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

524

454

454

454

454

454

 

Apparaatskosten (artikel 95)

       

139

0

  • 139

Totaal

64.181

61.500

62.822

57.885

60.286

59.197

  • - 
    1.089

Toelichting:

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling van de HGIS middelen van het Ministerie van OCW per artikel.

Art.nr. 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren:

De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (meefinancieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren:

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van het in 2007 uitgebrachte actieplan «LeerKracht van Nederland», het in mei 2011 uitgebrachte actieplan «Leraar 2020, een krachtig beroep!» en de in oktober 2013 opgestelde «Lerarenagenda 2013-2020: de leraar maakt het verschil» en de op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenanten en bestuursakkoorden.

Regisseren:

De Minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken levert zij een bijdrage aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Zij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Indicatoren/kengetallen:

De indicatoren voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten en in OCW in cijfers. Het Dashboard Lerarenagenda geeft een beeld van de kwantitatieve voortgang voor alle zeven lijnen van de Lerarenagenda.

  • C. 
    Beleidsconclusies

Onderwijscoöperatie

In mei 2018 heeft de Onderwijscoöperatie (OC) besloten zichzelf op te heffen. Dit betekent dat de subsidierelatie tussen OCW en de OC per 1 januari 2019 is beëindigd. Inmiddels zijn de meeste taken van de OC stopgezet. De OC heeft in 2018 al geen Leraar van het Jaar-verkiezing meer georganiseerd en ook het Lerarencongres is geannuleerd. De publiekrechtelijke taken van de OC, met als voornaamste de uitvoering van het Lerarenontwikkelfonds (LOF), zijn overgedragen naar het CAOP. Voor de medewerkers die nog geen andere aanstelling hebben kunnen vinden, heeft de OC een sociaal plan opgesteld. Leraren zijn nu weer aan zet om te komen tot een nieuwe, stevige, breed gedragen beroepsorganisatie van leraren die de beroepsgroep vertegenwoordigt.

De belangrijkste andere wijzigingen op het gebied van leraren worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid
 

Tabel 9.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 Arbeidsmarkt-

en personeelsbeleid (bedragen x € 1.000)

   
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

153.898

168.537

188.280

152.191

138.490

180.323

  • - 
    41.833

Uitgaven

339.016

209.749

208.594

162.367

140.384

181.159

  • - 
    40.775
 

Bekostiging

157.130

18.720

24.612

27.820

26.720

32.442

  • - 
    5.722
  • • 
    Hoofdbekostiging
  • • 
    Prestatiebox

33.700

           
  • Professionalisering po/vo/bve

33.700

           
  • • 
    Aanvullende bekostiging

123.430

18.720

24.612

27.820

26.720

32.442

  • 5.722
  • Functiemix VO Randstad- regio's

61.075

           
  • Salarismix MBO

Randstadregio's

41.001

           
  • Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

16.120

18.720

24.612

27.820

26.720

32.442

  • 5.722

G.O.- en vakbondsfaciliteiten po    5.234

 

Subsidies

156.984

177.228

167.251

125.339

109.289

135.889

  • - 
    26.600
  • Lerarenbeurs/zij-instroom

81.474

111.722

115.534

109.945

103.380

122.642

  • 19.262
  • impuls lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

16.103

20.366

16.774

2.625

687

1.638

  • 951
  • Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

17.942

16.779

17.418

63

     
  • Verankering academische opleidingsschool

2.665

2.383

1.120

       
  • Innovatielmpuls

Onderwijs

2.726

385

         
  • Arbeidsmarkt-/

kennisactiviteiten po

2.230

           
  • Onderwijscoöperatie

2.900

2.908

3.015

2.945

822

2.945

  • 2.123
  • Open Universiteit (LOOK)

1.937

           
  • Promotiebeurs voor leraren

7.874

7.610

6.502

3.251

   

0

  • Projecten professionali sering

959

1.327

1.092

3.899

1.665

2.000

  • 335
  • Projecten regionale arbeidsmarktproblematiek

7.335

4.733

654

     

0

  • Caribisch Nederland

2.097

2.308

         
  • Overige projecten

10.742

6.707

5.142

2.611

2.735

6.664

  • 3.929
 

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019,

35 200 VIII,

nr. 1

81

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Opdrachten

9.168

7.302

10.908

3.654

1.623

7.492

  • - 
    5.869
  • Onderzoek, ramingen en communicatie

9.168

7.302

3.837

2.685

1.497

3.492

  • 1.995
  • Leraren- en schoollei- dersregister
   

7.071

969

126

4.000

  • 3.874
 

Bijdrage aan agentschappen

7.770

6.499

5.823

5.554

2.752

5.336

  • - 
    2.584
  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

7.770

6.499

5.823

5.554

2.752

5.336

  • 2.584
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

7.964

           
  • - 
    Stichting Vervangings fonds Bedrijfsgezondheid

7.964

           

Ontvangsten

6.544

7.596

12.319

11.319

9.812

6.000

3.812

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 is € 40,8 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De realisatie van de ontvangsten is € 3,8 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Bekostiging

Aanvullende bekostiging Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen:

Opleidingsscholen ontvangen aanvullende bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden. De realisatie is € 5,7 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. Het aantal studenten dat bepalend is voor het niveau van de bekostiging op de opleidingsscholen heeft niet het maximum bereikt.

Subsidies

Om de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen worden subsidies verstrekt. De belangrijkste subsidies zijn de lerarenbeurs (t.b.v. bachelor- en masteropleiding voor leraren in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs), zij-instroom (t.b.v. instroom uit andere beroepssectoren), impuls tekortvakken vo en wetenschap en techniek pabo. De realisatie op de subsidies is € 26,6 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door de taakstelling van € 25,0 miljoen op de lerarenbeurs. Daarnaast is door de afbouw van activiteiten door de Onderwijscoöperatie € 2,1 miljoen niet besteed. Verder is de realisatie op de regeling tegemoetkoming onderwijsmasters € 1,1 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting en is de realisatie van een subsidie voor een onderzoek naar innovatieve concepten € 0,5 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

Opdrachten

Door middel van opdrachten worden beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken uitgevoerd. De realisatie op de opdrachten is € 5,9 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit komt voornamelijk door de taakstellende onderuitputting op het lerarenregister door de afbouw van activiteiten door de Onderwijscoöperatie.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs:

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 2,6 miljoen lager dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft een verlaging van € 2,6 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn € 3,8 miljoen hoger doordat meer leraren, die hun opleiding niet of niet voldoende hebben afgerond in voorgaande jaren, de toegekende beurs hebben terugbetaald.

Art.nr. 11 Studiefinanciering

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren:

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers.

  • C. 
    Beleidsconclusies

Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS)

Het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) omvat de integrale vernieuwing van de uitvoering van de studiefinancieringssystemen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs en zorgt voor een toekomst vaste en efficiënte uitvoering. In 2018 heeft de grootste programma-activiteit plaatsgevonden: de conversie van de WSF-gegevens naar het nieuwe systeem. PVS is in 2018 succesvol afgerond, waardoor alle (oud-)studenten zijn aangesloten op PVS. Door een overstap op het PVS systeem kunnen de leningen (zowel basisbeurs, aanvullende beurs als de reisvoorziening) van sommige studenten eerder dan voorheen omgezet worden in een gift. Oorspronkelijk worden leningen altijd in januari van het volgende jaar omgezet. Met het huidige systeem kunnen de leningen gelijk omgezet worden als studenten hun diploma halen. Dit sluit beter aan bij de belevingswereld van de studenten en voorkomt verwarring. Het betreft hier studenten die al aan het terugbetalen zijn, studenten die bijna moeten beginnen met terugbetalen en studenten waarvan de diplomatermijn binnen een jaar verstrijkt of al verstreken is.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid
 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

4.846.345

4.367.687

5.828.062

4.563.829

6.200.225

5.373.215

827.010

Uitgaven

4.846.345

4.367.687

5.828.062

4.563.829

6.200.225

5.373.215

827.010

 

Inkomensoverdracht

3.011.892

2.261.813

3.202.597

1.496.930

3.251.767

2.252.834

998.933

  • • 
    Basisbeurs

1.363.422

1.307.103

1.014.122

741.403

503.228

533.880

  • 30.652
  • Gift (R)

989.938

1.045.073

1.075.460

1.108.885

1.210.960

1.075.269

135.691

  • Prestatiebeurs (NR)

373.484

262.030

  • 61.338
  • 367.482
  • 707.732
  • 541.389
  • 166.343
  • • 
    Aanvullende beurs

683.797

736.390

757.761

777.233

808.533

804.037

4.496

  • Gift (R)

537.091

579.340

585.282

608.481

672.109

618.438

53.671

  • Prestatiebeurs (NR)

146.706

157.051

172.479

168.752

136.424

185.599

  • 49.175
  • • 
    Reisvoorziening

819.053

167.521

1.420.507

  • 41.301

1.631.598

742.473

889.125

  • Bijdrage aan vervoersbe drijven (R)

1.124.222

384.717

1.605.171

122.391

1.723.502

867.313

856.189

  • Gift (R)

521.861

594.044

639.958

668.643

718.370

667.203

51.167

  • Prestatiebeurs (R)
  • 827.030
  • 811.239
  • 824.622
  • 832.335
  • 810.274
  • 792.043
  • 18.231
  • • 
    Overige uitgaven

145.620

50.798

10.207

19.595

308.408

172.444

135.964

  • Overige uitgaven relevant

(R)

170.521

97.552

117.723

285.356

77.750

79.087

  • 1.337
  • Caribisch Nederland (R)

2.129

3.013

3.320

3.491

3.210

4.031

  • 821
  • Overige uitgaven niet-relevant (NR)
  • 27.030
  • 49.767
  • 110.836
  • 269.252

227.448

89.326

138.122

 

Leningen

1.713.785

1.974.217

2.500.210

2.934.328

2.832.535

3.014.916

  • - 
    182.381
  • Rentedragende lening

(NR)

1.551.003

1.771.421

2.238.174

2.612.321

2.480.180

2.670.455

  • 190.275
  • Collegegeldkrediet (NR)

162.782

202.796

262.036

322.007

352.355

344.461

7.894

 

Bijdrage aan agentschappen

120.668

131.657

125.255

132.571

115.923

105.465

10.458

  • Dienst Uitvoering

Onderwijs (R)

120.668

131.657

125.255

132.571

115.923

105.465

10.458

Ontvangsten

751.400

764.976

795.034

826.628

846.307

896.901

  • - 
    50.594
  • Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R)

186.151

154.920

128.017

106.887

95.100

107.886

  • 12.786
  • Kortlopende vorderingen

(R)

96.423

92.801

83.054

93.778

57.673

81.559

  • 23.886
  • Terugontvangen hoofdsom (NR)

468.826

517.254

583.963

625.963

693.534

707.456

  • 13.922
       

Realisatie Vastge-stelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018 2018

2018

Totaal programma-uitgaven

4.846.345

4.367.687

5.828.062

4.563.829

6.200.225

5.373.215

827.010

Relevante uitgaven:

2.639.400

2.024.157

3.327.547

2.097.483

3.711.550

2.624.763

1.086.787

Niet-relevante uitgaven:

2.206.945

2.343.531

2.500.515

2.466.346

2.488.675

2.748.452

  • 259.777

Totaal ontvangsten

751.400

764.976

795.034

826.628

846.307

896.901

  • - 
    50.594

Relevante ontvangsten:

282.574

247.721

211.071

200.665

152.773

189.445

  • 36.672

Niet-relevante ontvangsten:

468.826

517.254

583.963

625.963

693.534

707.456

  • 13.922
  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenkader. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door de studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenkader, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

De realisatie van de uitgaven lag in 2018 € 827,0 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De relevante uitgaven vielen € 1086,8 miljoen hoger uit dan begroot. Hiervan wordt een groot deel verklaard door kasschuiven die hebben plaatsgevonden in de Miljoenennota en de Najaarsnota voor de optimalisatie van het kasritme van de Staat. Het betreft hier een vooruitbetaling van € 869,6 miljoen aan OV-bedrijven voor de OV-abonnementen van studenten. De niet-relevante uitgaven waren € 259,8 miljoen lager dan begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 50,6 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. De relevante ontvangsten waren € 36,7 miljoen lager dan begroot, de niet-relevante ontvangsten waren € 13,9 miljoen lager.

De verschillen tussen de begrotingsramingen en de realisaties 2018 worden hierna bij de instrumenten toegelicht.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

De basisbeurs is een algemene voorziening die er toe bijdraagt dat deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) financieel in staat worden gesteld om onderwijs te volgen in Nederland en daarbuiten. Sinds de invoering van het studievoorschot ontvangen studenten die aan een nieuwe opleiding beginnen in het hoger onderwijs (ho) geen basisbeurs meer. Er zijn nog wel studenten die basisbeurs ontvangen omdat zij voor de invoering van het studievoorschot zijn begonnen met studeren.

Tabel 11.3 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Studerenden met basisbeurs

665.088

630.872

506.094

395.402

290.298

306.100

  • - 
    15.802

Bol

237.993

238.947

236.048

230.764

220.603

226.000

  • 5.397

Hbo

283.878

265.655

197.812

132.213

64.064

74.100

  • 10.036

Wo

143.217

126.270

72.234

32.425

5.631

6.000

  • 369

(Nul)lening en geen basisbeurs

109.981

153.663

277.203

393.096

486.511

477.600

8.911

Bol

6.235

6.975

7.702

8.432

8.067

7.100

967

Hbo

52.994

75.663

142.916

214.365

277.321

269.200

8.121

Wo

50.752

71.025

126.585

170.299

201.123

201.300

  • 177

Totaal

775.069

784.535

783.297

788.498

776.809

783.700

  • - 
    6.891

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Uit de realisatiecijfers blijkt dat het totaal aantal studerenden met studiefinanciering in 2018 lager lag dan geraamd (6.891 studerenden minder).

In de tabel zijn studenten die te maken hebben met het studievoorschot opgenomen in de categorie «(nul)lening en geen basisbeurs», omdat zij geen basisbeurs ontvangen. Deze categorie bevat ook studerenden die hun recht op basisbeurs reeds hebben verbruikt. Het aantal studenten in zowel bol, hbo als wo met een basisbeurs is lager dan was geraamd. Het aantal studenten met een (nul)lening zonder basisbeurs is juist hoger in de bol en het hbo dan was geraamd. In het wo is dit aantal ongeveer gelijk gebleven.

Tabel 11.4 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1 miljoen)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol direct gift

115,6

103,2

85,0

79,3

82,3

78,1

3,2

Bol omzettingen prestatiebeurs in

             

gift

201,3

209,5

217,0

226,0

250,2

228,4

21,8

Ho direct gift

2,7

2,4

2,7

3,4

6,0

0,5

5,5

Ho omzettingen prestatiebeurs in

             

gift

670,3

730,0

770,8

800,2

872,5

768,3

104,2

Totaal

989,9

1.045,1

1.075,5

1.108,9

1211,3

1.075,3

134,7

Bron: Realisatiegegevens DUO

       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol toekenningen

251,8

256,7

259,5

249,8

238,5

254,2

  • 15,7

Bol omzettingen

  • 200,1
  • 208,0
  • 217,0
  • 226,0
  • 250,2
  • 228,4
  • 21,8

Ho toekenningen

977,9

933,7

662,8

406,8

175,4

191,8

  • 16,4

Ho omzettingen

  • 656,1
  • 720,4
  • 766,6
  • 798,0
  • 871,5
  • 759,1
  • 112,4

Totaal

373,5

262,0

  • - 
    61,3
  • - 
    367,5
  • - 
    707,8
  • - 
    541,4
  • - 
    166,4

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In de beroeps opleidende leerweg (bol) is in 2018 per saldo € 12,5 miljoen (€ 3,2 miljoen en - € 15,7 miljoen) minder aan basisbeurs uitbetaald dan geraamd. Deze € 12,5 miljoen lagere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door het lagere studentenaantal en een verschuiving van uitwonende studenten naar thuiswonende studenten.

In 2018 zijn per saldo € 21,8 miljoen meer basisbeursuitgaven in de bol in gift omgezet dan geraamd. In het ho is ten opzichte van de raming € 104,2 miljoen meer basisbeurs omgezet in gift. Dit geldt zowel in het hbo als in het wo. Zie hiervoor de toelichting bij de beleidsconclusies.

De toekenningen als gift van basisbeurzen aan ho-studenten die al een diploma hebben, zijn € 5,5 miljoen hoger dan geraamd. Dit zijn studenten die nog recht hebben op een basisbeurs, omdat zij sneller zijn afgestudeerd dan de voorgeschreven vier jaar. Waarschijnlijk is dit het resterende effect van de boeggolf voor het studievoorschot.

De toekenningen basisbeurs als prestatiebeurs in het hoger onderwijs waren € 16,4 miljoen lager dan begroot, omdat er minder studenten waren die nog onder het overgangsrecht vielen en daardoor nog recht hadden op de basisbeurs.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de studie van hun kinderen. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt waarvan de hoogte afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

 

1 Tabel 11.6 Totaal aantal studerenden met aanvullende beurs

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol

112.519

115.390

115.226

112.894

110.724

109.700

1.024

Hbo

85.600

88.881

86.974

88.376

88.466

87.600

866

Wo

28.077

29.202

28.540

29.288

30.127

29.800

327

Totaal

226.196

233.473

230.740

230.558

229.317

227.100

2.217

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal verstrekte aanvullende beurzen is in 2018 in het bol, hbo en wo hoger uitgekomen dan geraamd.

 
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol direct gift

232,4

239,8

228,6

224,8

228,9

223,0

5,9

Bol omzettingen prestatiebeurs in gift

130,9

135,4

139,7

147,2

164,2

151,3

12,9

Ho direct gift

36,5

48,1

47,1

51,3

54,6

49,3

5,3

Ho omzettingen prestatiebeurs in gift

137,3

156,0

169,8

185,2

224,4

194,8

29,6

Totaal

537,1

579,3

585,3

608,5

672,1

618,4

53,7

Bron: Realisatiegegevens DUO

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol toekenningen

158,2

167,7

174,0

171,9

164,3

171,1

  • 6,9

Bol omzettingen

  • 128,2
  • 132,8
  • 139,8
  • 147,3
  • 164,2
  • 151,3
  • 12,9

Ho toekenningen

250,3

275,7

307,2

328,8

360,6

359,7

0,9

Ho omzettingen

  • 133,6
  • 153,6
  • 168,9
  • 184,7
  • 224,2
  • 193,8
  • 30,3

Totaal

146,7

157,0

172,5

168,8

136,4

185,6

  • - 
    49,2

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De toekenningen van aanvullende beurzen in de bol zijn in 2018 per saldo € 1,0 miljoen (€ 5,9 miljoen en - € 6,9 miljoen) lager uitgekomen. De aanvullende beurzen gift in de bol zijn hoger uitgevallen dan geraamd en de aanvullende beurs prestatiebeurs is lager uitgevallen dan geraamd. De omzettingen van prestatiebeurs bol naar gift zijn € 12,9 miljoen hoger dan geraamd. De omzettingen van aanvullende beurzen in gift bij het ho vielen € 29,6 miljoen hoger uit dan geraamd. Zie hiervoor de toelichting bij de beleidsconclusies.

De toekenningen van aanvullende beurzen aan ho-studenten zijn in 2018 per saldo € 6,2 miljoen (€ 5,3 miljoen en € 0,9 miljoen) hoger dan geraamd. Dit is het gevolg van hogere studenten aantallen dan geraamd in zowel het hbo als het wo.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.9 Aantal studenten met een reisvoorziening

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Aantal gebruikers van het

             

reisrecht

657.972

668.303

663.486

771.330

782.943

766.100

16.843

Bol

210.984

215.151

214.627

316.008

324.377

307.700

16.677

Ho

446.988

453.152

448.859

455.322

458.566

458.400

166

Aantal RBS

19.345

20.614

20.568

20.480

19.314

20.900

  • - 
    1.586

Bol

2.809

2.978

3.017

3.240

2.992

2.900

92

Ho

16.536

17.636

17.551

17.240

16.322

18.000

  • 1.678

Totaal

677.317

688.917

684.054

791.810

802.257

787.000

15.257

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal studenten dat gebruik heeft gemaakt van de reisvoorziening is in 2018 per saldo hoger (totaal 15.257) dan begroot waarbij de verhoging vooral veroorzaakt wordt door bol-studenten. Sinds 2017 hebben minderjarige bol-studenten ook recht op een reisproduct. De hogere realisatie in 2018 zit echter zowel in de minderjarige als de meerderjarige bol-studenten. Het aantal studenten dat in 2018 een financiële vergoeding voor studeren in het buitenland ofwel de reisvoorziening buitenland studerenden (RBS) ontving is 1.586 studenten lager dan geraamd. Het aantal RBS in de bol viel hoger uit dan geraamd, het aantal RBS in het ho juist lager.

 

Tabel 11.10 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1 miljoen)

         

Realisatie Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Betaling aan vervoerbedrijven

1.124,2

384,7

1.605,2

122,4

1.723,5

867,3

856,2

Bol prestatiebeurs

  • 242,2
  • 238,9
  • 246,3
  • 307,4
  • 292,1
  • 285,6
  • 6,5

Bol omzettingen

159,4

181,5

193,3

196,5

199,9

204,4

  • 4,5

Ho prestatiebeurs

  • 584,8
  • 572,3
  • 578,3
  • 524,9
  • 518,2
  • 506,4
  • 11,8

Ho omzettingen

335,6

385,7

419,5

448,2

495,9

437,5

58,4

RBS en overig

26,9

26,9

27,2

24,0

22,6

25,2

  • 2,7

Totaal reisvoorziening

819,1

167,5

1.420,5

  • - 
    41,3

1.631,6

742,5

889,1

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De realisatie 2018 van de uitgaven reisvoorziening is totaal € 889,1 miljoen hoger dan geraamd.

De bijdrage aan de vervoersbedrijven is € 856,2 miljoen hoger dan geraamd. Dit wordt voor een groot deel verklaard door kasschuiven van totaal € 869,5 miljoen die hebben plaatsgevonden in de Miljoenennota en de Najaarsnota voor de optimalisatie van het kasritme van de Staat. Het resterende bedrag betreft een verlaging op dit budget wat wordt veroorzaakt door lagere prijzen dan aanvankelijk geraamd.

De reisvoorziening is voor de meeste studerenden onderdeel van de prestatiebeurs. Deze prestatiebeurzen worden relevant negatief geboekt als tegenhanger van de betaling aan de vervoersbedrijven. Voor de bol prestatiebeurs geldt dat dit negatieve bedrag € 6,5 miljoen negatiever was dan geraamd. Dit is het gevolg van hogere studentenaantallen dan geraamd. In het ho is het prestatiebeursbedrag € 11,8 miljoen negatiever dan geraamd.

De omzettingen van prestatiebeurs naar gift waren voor de bol-studenten € 4,5 miljoen lager en voor de studenten hoger onderwijs € 58,4 miljoen hoger. Ook hier speelt het naar voren halen van de omzettingen zoals toegelicht bij de basisbeursuitgaven een rol. Het verschil tussen begroting en realisatie 2018 bij de reisvergoeding aan studerenden in het buitenland is - € 2,7 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door lagere studentenaantallen.

Overige uitgaven

De overige uitgaven omvatten voornamelijk technische boekingen, waaronder achterstallige rechten, omzettingen van prestatiebeurzen naar rentedragende lening en overige technische correcties tussen relevante-en niet-relevante uitgaven. Daarnaast worden ten laste van dit artikelonderdeel ook uitgaven gedaan aan Caribisch Nederland, EG-studerenden, kwijtscheldingen en voorschotten. Tot slot worden ook niet-relevante uitgaven aan de reisvoorziening hieronder geschaard. Het totale verschil tussen raming en realisatie 2018 bij overige uitgaven bedraagt € 136,0 miljoen, waarvan - € 2,2 miljoen relevant en € 138,1 miljoen niet-relevant. De hogere niet-relevante uitgaven zijn te wijten aan de invoering van het nieuwe PVS systeem: er is nu sprake van één geïntegreerd systeem, waarbij bepaalde boekingsgangen zijn verbeterd. Het betreft hier de niet-relevante boekingsgang van prestatiebeurs naar definitieve rentedragende lening. Deze boekingsgang wordt in het nieuwe systeem pas uitgevoerd als de prestatiebeurs uit de termijn loopt, waar dit voorheen al eerder werd omgezet naar lening. Dit betekent dat er op deze post een hoger bedrag blijft staan aan prestatiebeurzen.

Leningen

De leenmogelijkheden in de studiefinanciering stellen studerenden in staat om hun eigen bijdrage tegen relatief gunstige voorwaarden via de rijksoverheid te financieren.

Naast een rentedragende lening voor levensonderhoud kunnen studenten in het hoger onderwijs gebruik maken van het collegegeldkrediet.

Tabel 11.11 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1 miljoen)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Rentedragende lening

1.551,0

1.771,4

2.238,2

2.612,3

2.480,2

2.670,5

  • 190,3

Collegegeldkrediet

162,8

202,8

262

322,0

352,4

344,5

7,9

Totaal

1.713,8

1.974,2

2.500,2

2.934,3

2.832,5

3.014,9

  • - 
    182,4

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Per saldo zijn in 2018 de niet-relevante uitgaven aan de leenfaciliteit € 182,4 miljoen lager dan geraamd. De uitgaven aan de rentedragende lening zijn in 2018 per saldo € 190,3 miljoen lager dan geraamd. Hiervan is een groot deel te wijten aan de invoering van het nieuwe PVS systeem: er is nu sprake van één geïntegreerd systeem, waarbij bepaalde boekingsgangen zijn verbeterd. Het betreft hier de niet-relevante boekingsgang van prestatiebeurs naar definitieve rentedragende lening. Deze boekingsgang wordt in het nieuwe systeem pas uitgevoerd als de prestatiebeurs uit de termijn loopt, waar dit voorheen al eerder werd omgezet naar lening.

De niet-relevante uitgaven aan collegegeldkrediet zijn gestegen. In totaal is er € 7,9 miljoen meer collegegeldkrediet verstrekt. Dit komt door grotere aantallen studenten die collegegeldkrediet aangevraagd hebben.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 10,5 miljoen lager dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft voornamelijk een verlaging van € 4,8 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budget-neutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau. Het resterende verschil betreft onder meer de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 2,2 miljoen hoger) en andere overige mutaties.

Ontvangsten

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of niet volledig terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.12 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (bedragen x € 1 miljoen)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Hoofdsom (NR)

468,8

517,3

584,0

626,0

693,5

707,5

  • 13,9

Relevante rentedragende lening

2,4

2,2

1,1

1,0

0,7

0,8

  • 0,1

Rente ontvangsten

177,7

146,5

126,3

105,8

93,9

106,5

  • 12,6

Renteloos voorschot

6,1

6,2

0,6

0,1

0,5

0,5

  • 0,1

Totaal

655,0

672,2

712,0

732,9

788,6

815,3

  • - 
    26,7

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In vergelijking met de raming is er in 2018 per saldo € 26,7 miljoen minder ontvangen dan geraamd. De belangrijkste componenten van deze lagere ontvangsten zijn de ontvangsten op de hoofdsom en de renteont-vangsten. Doordat de rente de afgelopen jaren steeds verder is gedaald, is ook het rentebedrag dat studenten terug moeten betalen steeds lager geworden. Dit is zichtbaar in de lagere rente ontvangsten van € 12,6 miljoen. De terugbetaling studieleningen is € 13,9 miljoen lager dan begroot.

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

Leningen

13.803,3

15.083,0

16.778,1

18.812,9

20.498,8

Collegegeldkrediet

583,3

699,9

850,0

1034,2

1377,6

Levenlanglerenkrediet

0

0

0

3,9

23,9

Totaal

14.386,6

15.782,9

17.628,1

19.851,0

21.900,3

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Tabel 11.13 geeft de vorderingsstanden aan het einde van het jaar weer. Het betreft de vorderingen op oud-studenten en op actieve studenten, exclusief de uitgaven aan prestatiebeursleningen. De bedragen in 2017 komen niet overeen met de bedragen in het jaarverslag 2017. Dit komt doordat in 2017 per abuis is vergeten om de rentebedragen bij de totale schulden op te tellen alsook het levenlanglerenkrediet. Het totaal aan uitstaande leningen in 2018 is € 21,9 miljard. Het betreft hier de uitstaande leningen op oud-studenten en actieve studenten. Het totaal aan uitstaande leningen is in 2018 gestegen met € 2,0 miljard. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat er steeds meer studenten onder het studievoorschot vallen die gemiddeld een hoger bedrag lenen. Daarnaast is het totaal aantal studenten in het ho toegenomen. Ook het levenlanglerenkrediet is nu een eerste vol jaar in gebruik genomen.

Tabel 11.14 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (bedragen x € 1 miljoen)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Achterstallig lager recht (ALR)

50,8

47,6

41,8

53,6

26,9

41,8

  • 14,9

Reisvoorziening

35,1

35,2

35,2

34,2

28,7

35,2

  • 6,5

Overig

10,5

10,0

6,0

6,0

2,1

4,5

  • 2,4

Totaal

96,4

92,8

83,1

93,8

57,7

81,6

  • - 
    23,9

Bron: Realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het verschil tussen realisatie en raming 2018 bij de ontvangsten op kortlopende vorderingen bedraagt totaal - € 23,9 miljoen. Er is voor € 14,9 miljoen minder ontvangen op achterstallig lager recht. Door het inwerking treden van het PVS systeem is de post achterstallig lager recht (ALR) een stuk lager.

De ontvangsten op de post overig zijn € 2,4 miljoen lager dan begroot.

  • A. 
    Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren:

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers.

  • C. 
    Beleidsconclusies

Op dit artikel hebben zich qua uitvoering en resultaten in 2018 geen bijzonderheden voorgedaan.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid
 
     

Realisatie

Vastge stelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017    2018

2018

2018

Verplichtingen

102.472

93.696

86.708

92.792

80.481

89.501

  • - 
    9.020

Uitgaven

102.472

93.696

86.708

92.792

80.481

89.501

  • - 
    9.020
 

Inkomensoverdrachten

85.476

75.881

69.787

76.913

78.031

73.889

4.142

  • • 
    TS 17-

15.888

6.661

15

4

8

0

8

  • Minderjarige deelnemers bol (R)

15.888

6.661

15

4

8

0

8

  • • 
    TS 18+

5.900

5.506

5.391

5.968

5.849

5.392

457

  • Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.955

3.634

3.327

3.741

3.611

3.327

284

  • Deeltijd vo (R)

1.945

1.872

2.065

2.227

2.238

2.065

173

  • • 
    VO 18+

63.688

63.713

64.381

70.941

72.174

68.497

3.677

  • Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

5.882

6.295

5.787

6.204

6.423

6.148

275

  • Meerderjarige scholieren vo (R)

51.245

51.019

53.369

58.773

58.883

57.411

1.472

  • Meerderjarige scholieren vso (R)

5.613

5.519

4.730

4.242

3.843

4.442

  • 599
  • STOEB/ALR (NR)

948

880

495

1.722

3.025

496

2.529

 

Bijdrage aan agentschappen

16.996

17.815

16.921

15.879

2.450

15.612

  • - 
    13.162
  • Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

16.996

17.815

16.921

15.879

2.450

15.612

  • 13.162

Ontvangsten

3.645

3.444

2.630

3.813

4.227

2.415

1.812

  • TS 17- (R)

693

542

318

144

84

0

84

  • TS 18+ (R)

96

75

85

158

215

85

130

  • VO 18 + (R)

2.856

2.827

2.227

3.511

3.928

2.330

1.598

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt € 9,0 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 1,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Inkomensoverdracht

Uitgaven

De uitgaven bij de diverse WTOS-regelingen zijn in 2018 per saldo € 9,0 miljoen lager dan begroot. De lagere uitgaven worden voor € 13,2 miljoen veroorzaakt door een verlaging van het budget van DUO. Daarnaast worden er ook hogere uitgaven van € 4,1 miljoen gerealiseerd op de WTOS. Dit komt doordat er meer meerderjarige leerlingen in het (deeltijd) voortgezet onderwijs zijn die een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten aanvragen.

Tabel 12.2 Aantal gebruikers per regeling

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Aantal gebruikers TS 17-

26.800

1.859

0

0

0

0

 

Aantal gebruikers TS 18+

6.676

5.470

6.092

6.363

6.891

6.100

791

Aantal gebruikers VO 18+

34.328

33.261

32.852

35.808

36.338

34.200

2.138

Bron: Realisatiegegevens DUO

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 13,6 miljoen lager dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft voornamelijk een verlaging van € 13,6 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau. Het resterende verschil betreft onder meer de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,3 miljoen hoger) en andere overige mutaties.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugbetalingen van teveel of onterecht verstrekte WTOS-uitkeringen. Het verschil tussen de raming en realisatie 2018 bij de diverse onderdelen van de WTOS is totaal € 1,8 miljoen.

Art.nr. 13 Lesgeld

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid Financieren:

De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Indicatoren/kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel staan de lesgeldbedragen (vastgesteld tot en met 2018)aangegeven.

 

Tabel 13.1 Lesgeldbedrag (bedragen x € 1)

           
 

2013/14

2014/15

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

Voltijd mbo

1.090

1.118

1.131

1.137

1.137

1.155

Bron: Regeling tarieven 18/19

  • C. 
    Beleidsconclusies
       

Op dit artikel hebben zich qua uitvoering en resultaten in 2018 geen bijzonderheden voorgedaan.

D.Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 Lesgeld (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

7.116

7.626

7.198

7.334

12.158

6.555

5.603

Uitgaven

7.116

7.626

7.198

7.334

12.158

6.555

5.603

 

Bijdrage aan agentschappen

7.116

7.626

7.198

7.334

12.158

6.555

5.603

  • Dienst Uitvoering Onderwijs

7.116

7.626

7.198

7.334

12.158

6.555

5.603

Ontvangsten

224.407

259.160

248.477

241.966

237.165

238.269

  • - 
    1.104
  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt € 5,6 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 1,1 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 5,6 miljoen hoger dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Dit verschil betreft voornamelijk een verhoging van € 4,7 miljoen in het kader van de (op totaalniveau budgetneutrale) herverdeling basisbetaling DUO over de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW. Deze middelen zijn herverdeeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek door een extern onderzoeksbureau. Het resterende verschil betreft onder meer de toegepaste loon- en prijsbijstelling 2018 (€ 0,1 miljoen hoger) en andere overige mutaties.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

 

Tabel 13.3 Aantal lesgeldplichtigen

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Bol/vo

230.916

229.109

227.533

221.191

217.236

222.800

5.564

Bron: realisatiegegevens DUO en ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal lesgeldplichtigen in 2018 is hoger dan begroot. Het aantal lesgeldplichtigen is een afgeleide van demografische ontwikkelingen en van de opleidingskeuze van studerenden/leerlingen. Er zijn geen basis- en streefwaarden vastgesteld.

Art.nr. 14 Cultuur

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt.

Financieren:

De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma's en regelingen op de terreinen erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken.

Stimuleren:

De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma's als cultuureducatie, leesbevordering, ondernemerschap en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren:

De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Erfgoedinspectie. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Indicatoren/kengetallen

 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

Eerdere

Actuele

Tussen-/

Bron

 

(jaartal)

realisatie

realisatie

streefwaarden

 
   

(jaartal)

(jaartal)

(jaartal)

 

6 Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het cultureel erfgoed

  • a) 
    Aantal bezoeken1
 

Aantal bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland)

2,2 miljoen (2012-2015)

2,5 miljoen (2016)

2,5 miljoen (2017)2

Stabiel of hoger (2020)

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

Aantal bezoekers gesubsidieerde musea

7,8 miljoen (2012-2015)

9 miljoen (2016)

9 miljoen (2017)2

Stabiel of hoger (2020)

Opgaven van gesubsidieerde instellingen aan OCW

Cultuurbereik: Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken bezoekt

89% (2012)

89% (2014)

89% (2016)3

 

SCP/CBS (VTO 2012-2016)

1    In de begroting van 2017 is de basiswaarde gewijzigd ten opzichte van de begroting 2016, omdat de basiswaarde 2009 geen reëel beeld gaf van de groep instellingen die vanaf de periode 2013-2016 via de BIS werden gesubsidieerd. Het aantal bezoeken betreft het aantal bezoeken per uitvoering of bij tentoonstellingen, inclusief schoolbezoeken. De streefdoelen zijn ontleend aan de aanvragen van instellingen voor de BIS- periode 2017-2020.

2    Gegevens over 2018 zijn pas beschikbaar na vaststelling van dit jaarverslag en daarom zijn hier de cijfers over 2017 opgenomen.

3    Het percentage is gebaseerd op onderzoek (de Vrijetijdsomnibus) van het SCP dat eens in de twee jaar wordt uitgevoerd. Er zijn daarom nog geen recente realisatie cijfers beschikbaar.

In dit jaarverslag verantwoorden we ons over de indicatoren uit de begroting 2018. In de begroting 2019 zijn nieuwe indicatoren opgenomen. Hierover is een brief gestuurd naar de Tweede Kamer. De indicatoren uit de begroting 2019 zijn te vinden op het dashboard verantwoordingscijfers. Meer indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd op OCW in cijfers.

  • C. 
    Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen in de begroting. In 2018 zijn de plannen voor cultuur uit het Regeerakkoord verder uitgewerkt. De brief Cultuur in een open samenleving presenteert de concrete maatregelen op het gebied van vernieuwing en talentontwikkeling, regionale proeftuinen, scholenbezoek aan musea en cultuureducatie in brede zin. Met de andere overheden heeft overleg plaatsgevonden over de voorbereiding voor de periode 2021-2024 en is een gezamenlijke adviesaanvraag ingediend bij de Raad voor Cultuur.

In de brief Erfgoed Telt is de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen om ons erfgoed te behouden en toegankelijk te maken. De omvorming van de fiscale monumentenaftrek in een uitgavenregeling ter tegemoetkoming aan de monumenteigenaren is geregeld en start in 2019. Daarnaast kregen in 2018 onderwerpen als herbestemming en verduur-zaming aandacht. Hiertoe is in 2018 onder meer geïnvesteerd in restauratie van grote monumenten, (digitale) toegankelijkheid en museaal aankoopfonds.

In mei 2018 is een brief aan de Kamer gestuurd en gemeld dat, na de rijksgesubsidieerde musea (met ingang van 1-1-2017) nu ook de RHC's met ingang van 1-1-2019 zelf verantwoordelijk zijn voor hun huisvesting. Voor zowel de rijksmusea als de RHC's geldt een proefperiode, die eindigt op 1-1-2022, waarna een evaluatie plaatsvindt. Tevens is in juni 2018 een brief aan de Kamer gestuurd waarin de Minister haar voornemen te kennen geeft tot moderniseren van de Archiefwet 1995.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 Cultuur (bedragen x € 1.000)1

 
     

Realisatie

Vastge stelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017    2018

2018

2018

Verplichtingen

766.072

599.736

2.072.046

506.851

511.415

398.142

113.273

Waarvan garantieverplichtingen

473.197

432.037

55.649

103.359

34.823

0

34.823

Waarvan overige verplichtingen

292.875

167.699

2.016.397

403.492

476.592

398.142

78.450

Uitgaven

709.466

713.445

795.135

738.415

852.585

787.883

64.702

 

Bekostiging

608.412

616.810

600.818

633.284

717.121

697.242

19.879

  • Culturele basisinfrastructuur

487.566

478.041

475.203

398.644

423.247

411.387

11.860

Vierjaarlijkse instellingen

333.074

322.949

318.126

232.252

239.409

248.881

  • 9.472

Vierjaarlijkse fondsen

154.492

155.092

157.077

166.392

183.838

162.506

21.332

  • Erfgoedwet
     

121.722

138.511

121.238

17.273

Huisvesting

     

81.547

91.860

81.665

10.195

Beheer en onderhoud collecties

     

40.175

46.651

39.573

7.078

  • Wet stelsel openbare biblio theekvoorzieningen
     

0

 

46.099

  • 46.099

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

     

0

 

22.629

  • 22.629

Digitale openbare bibliotheken

     

0

 

12.200

  • 12.200

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

     

0

 

11.270

  • 11.270
  • Monumentenzorg

79.792

75.266

78.754

45.953

117.814

68.469

49.345

  • Archieven incl. Regionale

Historische Centra

25.577

25.384

26.607

24.787

25.281

24.647

634

  • Flankerend beleid huisvesting

4.189

28.104

10.254

31.960

2.050

7.902

  • 5.852
  • Cultuureducatie met Kwaliteit

10.000

10.000

10.000

10.218

10.218

17.500

  • 7.282
  • Archeologie

1.288

15

0

 

0

0

0

 

Subsidies

58.127

37.155

58.519

45.529

76.789

37.529

39.260

  • Verbreden inzet cultuur

7.670

8.519

15.043

8.991

13.903

8.684

5.219

  • Internationaal cultuurbeleid

(incl. HGIS)

6.715

6.471

6.862

6.327

8.873

7.155

1.718

  • Programma bibliotheekver- nieuwing

17.963

   

0

0

0

 
  • Programma leesbevordering

2.900

2.900

3.476

3.437

3.427

3.350

77

  • Creatieve Industrie

2.940

1.609

 

1.823

1.998

1.975

23

  • Monumentenzorg
       

6.801

 

6.801

  • Erfgoed en ruimte

2.016

 

2.567

2.667

2.125

3.500

  • 1.375
  • Programma ondernemerschap

1.475

1.575

1.575

0

0

0

0

  • Specifiek cultuurbeleid

16.448

16.081

28.996

22.284

39.662

12.865

26.797

         

Realisatie

Vastge stelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Opdrachten

4.411

14.568

95.405

16.982

14.421

10.079

4.342

  • Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

4.411

14.568

95.405

2.233

1.235

2.127

  • 892
  • Monumentenzorg
     

6.941

6.732

3.717

3.015

  • Archeologie
     

1.976

1.845

865

980

  • Erfgoed en ruimte
     

1.366

1.580

2.500

  • 920
  • Overige opdrachten
     

4.466

3.029

870

2.159

 

Bijdrage aan agentschappen

34.793

42.101

37.180

39.771

41.396

40.307

1.089

  • Nationaal Archief

34.793

42.101

37.180

39.771

27.440

25.778

1.662

  • Nationaal Archief Programma
       

13.956

14.529

  • 573
 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.723

2.811

3.213

2.849

2.858

2.726

132

  • - 
    Uitvoering internationale verdragen

1.384

1.163

1.875

2.849

2.858

2.726

132

  • - 
    Uitvoering internationale contributies

2.285

1.648

1.338

0

     
  • - 
    Europese samenwerking

54

0

0

0

0

 

0

Ontvangsten

13.380

32.322

2.421

11.031

7.648

494

7.154

1 De indeling van deze tabel is gewijzigd ten opzichte van de vorige begroting. Dit is nodig in verband met de komst van twee nieuwe wetten (de Erfgoedwet en de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen). Daarnaast worden de financiële instrumenten opdrachten en subsidies nader gespecificeerd, om zo beter inzicht te kunnen bieden. Ten slotte wordt het instrument bijdragen aan (inter)nationale organisaties niet langer gespecificeerd, in verband met de beperkte omvang van dit budget.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de verplichtingen in 2018 is per saldo € 113 miljoen hoger dan was geraamd bij de vastgestelde begroting. Hiervan is € 35 miljoen het gevolg van het positieve saldo van verleende en vervallen garanties. Het resterende verschil is grotendeels veroorzaakt door de toevoeging van regeerakkoordmiddelen aan het budget.

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur

De culturele basisinfrastructuur wordt voor een periode van vier jaar bekostigd. De besluiten over de culturele basisinfrastructuur voor de periode 2017-2020 zijn in de brief van 20 september 2016 opgenomen. In het tweede jaar van deze periode kende het Rijk subsidie toe aan 87 culturele instellingen en 6 cultuurfondsen.

Het budget is per saldo verhoogd met in totaal € 11,9 miljoen. Dit betreft vooral de toevoeging van de loon- en prijscompensatie (€ 10,8 miljoen), de toevoeging van middelen vanuit het Regeerakkoord voor de cultuurfondsen, voor talentontwikkeling in de beeldende kunst, voor volkscultuur, voor aanvullende bekostiging van jeugdtheaters en EYE Filmmuseum (€ 6,1 miljoen) en de overboeking naar het financiële instrument Erfgoedwet voor de extra liquiditeitsbevoorschotting aan Naturalis (€ 4,5 miljoen).

Erfgoedwet

Op basis van de Erfgoedwet worden museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak wordt op grond van de regeling Beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting.

Het budget is per saldo verhoogd met € 17,3 miljoen. Dit betreft voornamelijk de loon- en prijscompensatie (€ 2,2 miljoen), interne overboekingen voor de extra liquiditeitsbevoorschotting voor de nieuwbouw van Naturalis (€ 9 miljoen) en een uitgave via de Erfgoedwet aan Het Nieuwe Instituut die geraamd was op het financiële hoofdinstrument Subsidies (€ 5,5 miljoen).

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

De Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) als nationale bibliotheek van Nederland een coördinerende rol vervult.

In 2018 concentreerden de activiteiten zich op de uitvoering van een gezamenlijke innovatieagenda, op de voorbereiding van de evaluatie van de wet en op de doorontwikkeling van de digitale openbare bibliotheek. Daarvoor is op 3 oktober 2018 een convenant e-lending afgesloten met auteurs, uitgevers en bibliotheken.

Het budget is verlaagd met € 46,1 miljoen en betreft een overboeking naar art.nr. 16 (onderzoek- en wetenschapsbeleid) voor subsidieverlening aan de KB op basis van de Wsob. Deze overboeking bestaat uit € 22,6 miljoen voor landelijke stelseltaken, € 12,2 miljoen voor digitale infrastructuur (inkoop e-content) en € 11,3 miljoen voor de voorziening leesgehandicapten.

Monumentenzorg

In juli 2016 is de Erfgoedwet, die een aantal wetten op het gebied van cultureel erfgoed vervangt waaronder de Monumentenwet, van kracht geworden. Daarmee is de Erfgoedwet het nieuwe kader geworden voor de financiering van de monumentenzorg. Wat betreft de financiering van de instandhouding van rijksmonumenten is in 2018 de Beleidsbrief inzake wijzigingen in de instandhoudingssubsidie voor rijksmonumenten per 2013 van belang. Voorts is aandacht besteed aan restauraties van (grote) monumenten. De brief Erfgoed Telt is gepubliceerd. In 2016 heeft een eerste pilot voor verduurzaming van monumenten plaatsgevonden. De uitkomsten van deze pilot zijn aanleiding geweest om in 2018 budget voor duurzame monumenten via het Revolving Fund (Nationaal Restauratiefonds) toe te voegen mede om de doelstellingen over het energiebeleid tot en met 2050 te behalen.

Het budget is per saldo verhoogd met € 49,3 miljoen. Dit betreft voornamelijk de toevoeging van Regeerakkoordmiddelen (€ 63 miljoen), de overheveling naar het Provinciefonds voor monumenten in het aardbe-vingsgebied (€ 5 miljoen), de overboeking naar het financiële instrument Opdrachten voor de uitvoeringskosten monumentenzorg (€ 6,3 miljoen) en een overboeking naar het financiële instrument Subsidies voor de regeling Restauratie Mobiel Erfgoed (€ 1 miljoen).

Archieven incl. Regionale Historische Centra Het Ministerie van OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra (RHC's), die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Voor de archiefsector vervult het Nationaal Archief een ondersteunende functie op het terrein van kennis en innovatie.

Flankerend beleid huisvesting

De middelen voor flankerend beleid huisvesting zijn voor het Garantiefonds rijksmusea, bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet. Daarnaast zijn de middelen bestemd voor huisvestingskosten van instellingen die niet onder de Erfgoedwet vallen.

Het budget is verlaagd met € 5,9 miljoen. Dit betreft hoofdzakelijk een overheveling naar het financiële instrument Erfgoedwet voor de extra liquiditeitsbevoorschotting aan Naturalis.

Cultuureducatie met kwaliteit

Het programma Cultuureducatie met Kwaliteit is voor de periode 2017-2020 voortgezet. Het programma gaat uit van drie pijlers. Ten eerste de implementatie, verdieping en ontwikkeling van het curriculum voor het leergebied kunstzinnige oriëntatie. Ten tweede de inhoudelijke deskundigheid versterken van leraren, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie. En ten derde het versterken van de relatie van de school met de culturele en sociale omgeving. Door een gezamenlijke inzet van de scholen, de culturele instellingen en de drie overheden wordt de kwaliteit van cultuureducatie bevorderd.

Het budget is verlaagd met € 7,3 miljoen. Dit betreft een overheveling naar art.nr. 1 (primair onderwijs) ten behoeve van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

Voor de financiering van de cultuurkaart is meerjarig een budget opgenomen van € 4,9 miljoen per jaar. In aanvulling op het programma Cultuureducatie met Kwaliteit zet OCW samen met private partijen tot en met 2020 extra in op muziekonderwijs in het primair onderwijs. Het Ministerie van OCW investeert tot en met 2020 samen met het Fonds voor Cultuurparticipatie tot een bedrag van € 25 miljoen. Scholen kunnen een beroep doen op de regeling Impuls muziekonderwijs via het Fonds voor Cultuurparticipatie om de kwaliteit van het muziekonderwijs op scholen te verbeteren. Daarnaast zijn in 2018 uitgaven gedaan voor deskundigheidsbevordering van mensen die voor de klas staan. Verder zijn op dit financiële instrument ook middelen beschikbaar voor digitalisering in de cultuursector.

Het budget is per saldo verhoogd met € 5,2 miljoen. Dit betreft de toevoeging van middelen vanuit het Regeerakkoord voor Impuls muziekonderwijs (€ 5 miljoen). Daarnaast zijn teruggevorderde middelen ingezet ter verbetering van de infrastructuur digitalisering erfgoed (€ 0,2 miljoen).

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van OCW en het Ministerie van Buitenlandse

Zaken. In de periode 2017-2020 gelden drie doelstellingen: een sterke cultuursector die in kwaliteit groeit door internationale uitwisseling en duurzame samenwerking die in het buitenland wordt gezien en gewaardeerd, een bijdrage van cultuur aan een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld en culturele diplomatie (Kamerbrieven van 4 mei 2016 en 15 februari 2017).

In oktober 2018 is de rapportage van de Ministeries van OCW en Buitenlandse Zaken over de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Programma leesbevordering

Het programma Kunst van Lezen is voortgezet als onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2016-2018. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak van het Ministerie van OCW samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om laaggeletterdheid te voorkomen en tegen te gaan. Tel mee met Taal is in maart 2018 met een jaar verlengd.

Creatieve Industrie

Ten laste van dit budget zijn uitgaven gedaan op het gebied van de architectuur en de creatieve industrie in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Monumentenzorg

De middelen zijn bestemd voor subsidies op het gebied van monumentenzorg. Het gaat daarbij om projecten op het gebied van archeologie, restauratie van rijksmonumenten, kwaliteit in de sector en het opleiden van vakmensen. De basis hiervoor is gelegd in de beleidsbrieven Cultuur in een open samenleving en Erfgoed telt.

Erfgoed en ruimte

Het programma Visie Erfgoed en Ruimte is in 2018 afgesloten. Dit programma had ten doel de relatie tussen ruimtelijke ontwikkeling en erfgoed te versterken. Met de beleidsbrief Erfgoed Telt wordt dit ruimtelijk erfgoedbeleid gecontinueerd via uitvoeringsmaatregelen als de Erfgoed Deal en deelname aan de Nationale Omgevingsvisie.

Specifiek cultuurbeleid

Onder dit instrument worden verschillende incidentele en kleinere subsidiebudgetten verantwoord. Het Mondriaanfonds heeft middelen ontvangen voor hun Aankoopfonds (motie Van Veen) en voor een subsidieregeling voor de restauratie van mobiel erfgoed. Daarnaast heeft het NWO middelen ontvangen voor archeologisch onderzoek, heeft het Fonds Cultuurparticipatie middelen ontvangen voor een programma archeologieparticipatie en heeft de gemeente Amsterdam een decentralisatie-uitkering ontvangen voor de centrale voorziening van het digitale stelsel voor de Omgevingswet. De tijdelijke subsidie aan het Nationaal Holocaust Museum i.o is op verzoek van de ontvanger een jaar uitgesteld.

Het budget is verhoogd met € 26,8 miljoen. Deze verhoging betreft voornamelijk de aanvulling van het Museaal Aankoopfonds met € 25 miljoen vanuit het Regeerakkoord.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring en versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Monumentenzorg

Deze middelen zijn bestemd voor opdrachten op het gebied van de monumentenzorg voor kennis- en onderzoeksprogramma's, ondersteuning infrastructuur erfgoed en informatie- en communicatietechniek.

Archeologie

Deze middelen zijn bestemd voor enkele ondersteuningstaken die na uitvoering van de verbetervoorstellen naar aanleiding van de evaluatie op de archeologiewetgeving die met de brief van 7 februari 2012 aan de Tweede Kamer is gestuurd, structureel noodzakelijk worden geacht.

Erfgoed en Ruimte

Deze middelen zijn bestemd voor opdrachten die worden verstrekt in het kader van de uitvoering van het programma Erfgoed en Ruimte.

Overige opdrachten

Deze middelen zijn bestemd voor opdrachten op het gebied van de programma's Erfgoed digitaal, Gedeeld Cultureel Erfgoed en voor werelderfgoed.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. De baten en lasten van deze dienst worden apart in het jaarverslag opgenomen.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast de prioriteiten, die onder het financiële instrument Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS) zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor de UNESCO cultuur- en erfgoed-verdragen. Ook wordt in dit kader bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages) en de Nederlandse Taal Unie.

Ontvangsten

De realisatie van de ontvangsten is € 7,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Dit betreft de desaldering van de ontvangst van € 5,7 miljoen van de rijksmusea met betrekking tot de vordering van de bestemmingsfondsen (motie Van Veen), de afroming van het eigen vermogen van het Nationaal Archief voor € 0,5 miljoen en € 0,9 miljoen meer ontvangsten als gevolg van het definitief vaststellen van toegekende subsidies.

Art.nr. 15 Media

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid, waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol, vooral ook een regisserende rol.

Financieren

De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep, en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereen-komst met de publieke omroep.

Stimuleren

Verder is de Minister verantwoordelijk voor het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur en voor het bevorderen van mediawijsheid.

Regisseren

Als regisseur is de Minister verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen over audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

De OCW-begroting wordt in het najaar nader uitgewerkt in de mediabe-grotingsbrief, die als basis dient voor de begrotingsbehandeling van dit artikel 15 door de Tweede Kamer. Deze brief geeft een gedetailleerde vooruitblik op het nieuwe jaar, een uitwerking van de maatregelen op het gebied van media alsmede een terugblik op de realisatie van voorgaand jaar.

Op basis van het vijfjaarlijkse concessiebeleidsplan heeft de Minister voor de erkenningperiode die loopt tot en met 2020, een prestatieovereen-komst afgesloten met de landelijke publieke omroep. Over de uitvoering van deze prestatieovereenkomst rapporteert de landelijke publieke omroep jaarlijks aan de Minister. Deze verantwoording wordt gevalideerd door het Commissariaat voor de Media. Als de publieke omroep een afspraak niet naleeft, kan de Minister een boete opleggen. Zowel de verantwoording als de validatie wordt als bijlage bij de mediabegrotings-brief aan de Tweede Kamer verzonden.

Indicatoren/kengetallen

Tabel 15.1 Kengetallen

2015    2016    2017    2018    2019    2020    2021

  • 1. 
    Waarborgen dat alle lagen van de bevolking toegang hebben tot een kwalitatief hoogstaand media-aanbod
 
  • • 
    de NPO wordt gewaardeerd door de

Nederlandse bevolking

  • waardering Nederlandse

Publieke Omroep

7,1

7,0

7,0

7,2

  • waardering commerciële omroepen

6,9

6,8

6,8

6,7

Bron: Ipsos

  • • 
    de NPO bereikt met zijn program mering een groot deel van de

Nederlandse bevolking:

  • Integraal bereik NPO (13+)

87%

86%

85%

84%

  • gemiddeld weekbereik (NPO1,

NPO2, NPO3), 15 minuten aaneengesloten voor de Nederlandse bevolking van 6

jaar en ouder    79,3%    77,7%    75,4%    73,1%

Bron: NPO

  • 2. 
    Het waarborgen van een kwalitatief hoogstaande journalistieke informatievoorziening met voldoende onafhankelijk media-aanbod
  • • 
    Nederland handhaaft een hoge positie op de World Press Freedom

Index    #4/180    #2/180    #5/180    #3/180

Bron: Reporters without borders

Doelstelling/indicator    Basiswaarde    Eerdere    Actuele    Tussen-/    Bron

(jaartal) realisatie realisatie    streefwaarden

(jaartal)    (jaartal)    (jaartal)

7 Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking2

In 2018 is besloten dat voor 2019 € 1,5 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de pilot regionale vensterprogrammering van de RPO en NPO. De voorbereidingen voor de pilot zijn in volle gang, zodat in april kan worden gestart.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 Media (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

1.180.980

1.020.726

990.792

996.678

915.524

989.426

  • - 
    73.902

Uitgaven

1.149.484

864.629

1.019.469

977.791

973.392

989.426

  • - 
    16.034
 

Bekostiging

1.143.398

859.804

1.012.881

971.732

966.516

983.679

  • - 
    17.163
  • Publieke Omroep

(omroepinstellingen)

1.012.687

776.518

923.624

893.656

940.139

892.605

47.534

Landelijke publieke omroep

836.974

648.767

765.473

752.149

795.844

751.870

43.974

Regionale omroep

174.413

127.751

158.151

141.507

144.295

140.735

3.560

Minderhedenprogramma

1.300

           
  • Beheertaken landelijke publieke omroep

72.858

49.924

64.844

64.782

39.251

64.453

  • 25.202

Stichting Omroep Muziek

18.097

12.358

15.952

16.143

16.366

16.144

222

Uitzenden en uitzendge-reedmaken

29.713

20.725

25.577

25.730

 

25.730

  • 25.730

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

25.048

16.841

23.315

22.909

22.885

22.579

306

  • Dotaties, bijdragen publieke omroep

32.542

28.614

32.866

13.267

16.796

13.263

3.533

Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties

18.646

17.202

19.613

0

0

0

0

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.101

2.185

2.156

2.119

5.434

2.105

3.329

Filmfonds van de omroep en Telefilm (COBO)

9.156

6.534

8.064

8.106

8.274

8.113

161

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.859

1.446

1.498

1.498

1.519

1.498

21

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

780

1.247

1.535

1.544

1.569

1.547

22

  • Dotatie/onttrekking

Algemene Mediareserve (AMR)

24.736

4.258

  • 8.917
  • 463
  • 30.040

12.858

  • 42.898
  • Overige bekostiging media (uit rente AMR)

250

165

134

490

370

500

  • 130
  • Basisinfrastructuur

Cultuur 2013-2016

325

325

330

0

   

0

Vierjaarlijkse instellingen

325

325

330

     

0

         

Realisatie Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Subsidies

498

463

358

311

1.820

919

901

  • Subsidies

498

463

358

311

1.820

919

901

 

Opdrachten

7

552

899

650

170

0

170

  • Opdrachten

7

552

899

650

170

0

170

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

5.519

3.750

5.271

5.038

4.826

4.793

33

  • Commissariaat voor de

Media

5.519

3.750

5.271

5.038

4.826

4.793

33

 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

62

60

60

60

60

35

25

  • - 
    Uitvoering internationale verdragen en contributies

62

60

60

60

60

35

25

Ontvangsten

196.571

191.501

206.979

199.517

164.157

206.500

  • - 
    42.343
  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2018 ligt lager dan oorspronkelijk begroot, als gevolg van een hogere onttrekking aan de AMR (-/- € 42,9 miljoen), toevoeging van de prijsindexeringen (€ 21,0 miljoen), toevoeging RA middelen (€ 4,9 miljoen) en overige kleine mutaties. Per saldo is dit -/€ 17,0 miljoen.

De realisatie van de verplichtingen 2018 ligt € 73,9 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. Naast de hierboven genoemde lagere uitgaven, gaat het om in december 2018 aangegane verplichtingen voor 2019 op basis van de mediabegrotingsbrief voor 2019. Het budget in 2019 ligt lager, het verplichtingenbudget 2018 wordt dus aangepast aan het uitgavenbudget 2019.

De raming van de ontvangsten is met -/- € 42,3 miljoen bijgesteld, met name als gevolg van minder reclame-inkomsten dan verwacht.

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogwaardig en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt de Minister van OCW de landelijke publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep. De hogere uitgaven van de publieke omroep zijn het gevolg van de prijsindexering 2018 van € 16,3 miljoen, overheveling budget van uitzenden en uitzendgereedmaken naar landelijk publieke omroep van € 25,7 miljoen en een schikking bezwaarprocedure NPO van € 1,9 miljoen.

De hogere uitgaven van de regionale omroepen zijn het gevolg van de prijsindexering 2018 van € 3,6 miljoen.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

De Stichting Omroep Muziek (SOM) is door de Minister aangewezen als instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid is door de Minister aangewezen als instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in onze samenleving. In het Regeerakkoord is € 4,9 miljoen aan het budget onderzoeksjournalistiek toegevoegd zodat het budget ruim € 7.0 miljoen was. Van dit budget is € 1,6 miljoen gerealiseerd op het instrument subsidies. (Kamerstuk 32 827, nr. 126)

Filmfonds van de Omroep en Telefilm (CoBO)

Het CoBO-fonds ondersteunt de documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten waarin wordt deelgenomen door een of meer van de publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Vlaamse publieke omroep (VRT) en/of Duitse publieke omroepen en/of onafhankelijke filmproducenten en/of instellingen werkzaam op het gebied van de podiumkunsten.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG) betrokken.

Onttrekking Algemene Mediareserve

De AMR dient voor het opvangen van schommelingen bij zowel de uitgaven als de ontvangsten op het mediabudget. Hierdoor wordt in het ene jaar geld gedoteerd en in een ander jaar geld onttrokken aan de AMR. De hogere onttrekking aan de AMR van in totaal € 42,9 miljoen is het gevolg van:

  • • 
    een uitgedeelde prijsindex 2018 van -/- € 20,7 miljoen;
  • • 
    prijsbijstelling 2018 van € 10,4 miljoen;
  • • 
    ontvangst als gevolg van ontbinding Stichting Mediafonds van € 1,5 miljoen;
  • • 
    desaldering lagere STER-inkomsten van -/- € 28,4 miljoen en -/€ 16,6 miljoen;
  • • 
    uitgaven Stimuleringsfonds voor de journalistiek op subsidies -/- € 1,6 miljoen;
  • • 
    onttrekking als gevolg van een schikking bezwaarprocedure NPO van -/- € 1,9 miljoen;
  • • 
    kasschuif van 2021 naar 2018 van € 15 miljoen;
  • • 
    diverse kleine hogere en lagere uitgaven van -/- € 0,6 miljoen;

Subsidies

Ten laste van dit budget worden de jaarlijkse subsidies aan de Stichting Arbeidsmarkt- Werkgelegenheids- en Opleidingsfonds voor de Omroep (hierna: AWO-fonds) voor diverse projecten op het gebied van arbeids-marktontwikkeling, werkgelegenheid en opleiding en aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten betaald. Daarnaast is nog geld beschikbaar voor incidentele subsidies op het gebied van de media. De hogere uitgaven van € 0,9 miljoen zijn het gevolg van € 1,6 miljoen uit het Regeerakkoord voor onderzoeksjournalistiek die op het instrument bekostiging zijn ontvangen en zijn gerealiseerd op subsidies en kleinere budgetmutaties van -/- € 0,7 miljoen.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

De kerntaak van het Commissariaat voor de Media (hierna: CvdM) bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instellingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Het CvdM is tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Daarnaast heeft het CvdM tot taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders.

Ontvangsten

Dit betreffen de ramingen van de reclameopbrengsten van de STER en van de renteontvangsten op de AMR. In de mediabegrotingsbrief voor 2018 is opgenomen dat de ontwikkelingen van de reclamemarkt snel zijn gegaan. In 2018 heeft een desaldering van de te verwachte ontvangsten plaatsgevonden van € 16,6 miljoen en € 28,4 miljoen in totaal € 45 miljoen. Per saldo zijn er in totaal € 42,3 miljoen minder ontvangsten. De werkelijke realisatie van de reclameopbrengsten over 2018 is pas bekend in mei 2019, wanneer de jaarrekening van de STER wordt gepubliceerd. Deze realisatiecijfers worden meegenomen in de mediabegrotingsbrief voor het jaar 2020. In de mediabegrotingsbrief voor 2019 is een nieuwe structurele raming opgenomen.

Art.nr. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

Financieren:

De Minister bekostigt het onderzoeks- en wetenschapsbestel.

Stimuleren:

De Minister stimuleert in het wetenschappelijk onderzoek:

  • • 
    kwaliteit en excellentie;
  • • 
    zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord;
  • • 
    samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het bedrijvenbeleid, waarvoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat verantwoordelijk is, is hiervoor de topsectorenaanpak ontwikkeld met bijbehorende innovatiecontracten.

Regisseren:

De Minister schept voorwaarden voor:

  • • 
    een klimaat voor universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;
  • • 
    borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;
  • • 
    het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;
  • • 
    de Nederlandse onderzoeksfaciliteiten;
  • • 
    de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren en overige informatie over de toerusting en de prestaties voor het onderzoekstelsel worden beschreven op OCW in cijfers.

De kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en de kwaliteit van het wetenschapssysteem kan o.a. bezien worden op basis van citaties naar wetenschappelijke publicaties. Wanneer het aantal citaties wordt genormeerd op een mondiaal gemiddelde dan geeft dat de positie van Nederland in de wereld aan. Nederland neemt in de periode 2012-2015 mondiaal een vooraanstaande derde positie in wat betreft de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek.

De kwaliteit van de Nederlandse wetenschap blijkt ook uit het hoge aandeel van Nederlandse wetenschappers over de volle breedte van Horizon 2020, het Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. Zowel als het gaat om de maatschappelijke uitdagingen als bijvoorbeeld de European Research Council.

Tabel 16.1 Indicatoren

 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

5    Behoud van kwaliteit wetenschap en wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

  • • 
    Mondiale top-5 positie op basis van citatiescores

2e plaats (2009-2012) 1,52

3e plaats (2012-2015) 1,52

 

kleiner of gelijk 5 (2018)

Clarivate Analytics/ Web of Science. Bewerking CWTS

  • C. 
    Beleidsconclusies

De verdeling van de middelen uit het Regeerakkoord voor wetenschap en onderzoek zijn uitgewerkt in de Kamerbrief Uitwerking investeringen in wetenschap en onderzoek. Een belangrijk onderdeel daarvan is de Nationale Wetenschapsagenda. De eerste programmeerronde van de Nationale Wetenschapsagenda is medio 2018 gestart en lijkt met 330 ingediende voorstellen een groot succes. De nationale roadmap grootschalige wetenschappelijke infrastructuur is met de Regeerakkoordmid-delen opgehoogd met 30 miljoen euro, tot in totaal 138 miljoen euro. Met dit bedrag zijn in april 2018 tien voorstellen gehonoreerd.

Met de uitvoering van de talentbrief is ingezet op het versterken en verbreden van loopbaanperspectieven van wetenschappers. Met het oog op loopbaanmogelijkheden hebben NWO en VSNU afspraken gemaakt over inbeddingsgaranties bij de Veni, Vidi en Vici-beurzen. Op het gebied van divers talent is de Westerdijkimpuls een groot succes gebleken. Met deze éénmalige impuls zijn 100 extra vrouwelijke hoogleraren benoemd, bovenop de streefcijfers van de universiteiten. De laatste benoemingen hebben begin 2018 plaatsgevonden, waardoor het hele effect pas eind 2019 in de totaalcijfers te zien zal zijn. Daarnaast draagt de in 2018 gestarte NWO-pilot Vluchtelingen in de wetenschap bij aan meer diversiteit.

De strategische samenwerking en profilering tussen universiteiten wordt vergroot door de investering in twee sectorplannen: bèta en techniek en sociale en geesteswetenschappen. Hiermee investeren we in de basis van het onderzoek, zoals uitbreiding in onderzoekscapaciteit en het aantrekken en behouden van onderzoekstalent. De kwartiermakers hebben samen met het veld sectorbeelden opgesteld. De twee onafhankelijke commissies die de voorstellen van het veld gaan beoordelen zijn in december 2018 van start gegaan.

Om het belang van maatschappelijke impact op de maatschappij te onderstrepen is eerder een nationale valorisatieprijs aangekondigd. Deze prijs, de Stevinpremie, is in oktober 2018 voor het eerst aan twee wetenschappers uitgereikt, gelijktijdig met de Spinozapremie voor excellent onderzoek.

In 2018 is open science in samenwerking met de stakeholders langs de drie hoofdlijnen uit de brief en het Plan verder ontwikkeld: open toegang tot wetenschappelijke publicaties, optimaal hergebruik van onderzoek en innovatie en aanpassing van de waardering en evaluatie van wetenschap. In 2018 werd bekend dat het percentage open access publicaties over 2017 op 50% ligt. De doelstelling is 100% in 2020. In februari 2018 is tevens de eerste nationaal coördinator open science benoemd. Door middel van deze ambassadeursrol wordt ingezet op een versnelling van de transitie. Inmiddels hebben meerdere landen ons voorbeeld gevolgd.

Het institutenstelsel (de instituten van NWO en de KNAW) is zoals aangekondigd in de Wetenschapsvisie geëvalueerd waarbij is gekeken naar hun toegevoegde waarde voor het wetenschapsbestel en hun responsiviteit ten aanzien van de Nationale Wetenschapsagenda. Deze evaluatie is begin 2019 afgerond.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid (bedragen x € 1.000)

 
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

1.342.276

1.038.163

964.085

1.064.240

1.122.383

1.027.309

95.074

Waarvan garantieverplichtingen

   
  • 846
  • 889
  • 934
 
  • 934

Waarvan overige verplichtingen

1.342.276

1.038.163

964.931

1.065.129

1.123.317

1.027.309

96.008

Uitgaven

926.503

1.034.719

1.040.139

1.034.753

1.216.958

1.008.396

208.562

 

Bekostiging

756.167

913.370

923.215

913.550

1.101.220

880.871

220.349

  • • 
    Hoofdbekostiging

504.082

661.764

669.606

657.342

742.322

629.458

112.864

NWO-wet en WHW

  • NWO

365.891

483.207

489.560

475.144

556.834

494.119

62.715

  • KNAW

91.331

88.880

89.435

89.573

89.646

88.786

860

  • KB

46.860

89.677

90.611

92.625

95.842

46.553

49.289

  • • 
    Aanvullende bekostiging

252.085

251.606

253.609

256.208

358.898

251.413

107.485

  • NWO Talentenontwik keling

165.865

162.318

161.409

161.246

160.885

160.885

0

  • NWO STW

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

0

  • NWO Grootschalige researchinfrastructuur

61.963

54.243

55.295

55.382

85.380

55.380

30.000

  • NWO Nationaal

Regieorgaan Onderwijsonderzoek

16.257

21.603

23.258

25.933

28.986

21.501

7.485

  • Poolonderzoek

0

2.942

3.147

3.147

3.147

3.147

0

  • Caribisch Nederland

0

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

0

  • NWO NWA

0

0

0

0

70.000

0

70.000

 

Subsidies

83.131

25.759

22.123

21.746

22.549

26.944

  • - 
    4.395
  • CPG

261

0

0

0

0

0

 
  • Montesquieu Instituut

559

0

0

0

0

0

 
  • Stichting NLBIF

0

0

0

0

550

550

0

  • Naturalis Biodiversity

Center

10.235

6.262

6.266

6.265

6.265

6.265

0

  • BPRC

8.635

8.359

8.359

9.608

9.608

9.608

0

  • NCWT/NEMO

3.520

3.366

3.393

3.366

3.366

3.366

0

  • STT

231

219

221

221

221

221

0

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

  • Stichting AAP

1.027

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

0

  • Nationale coördinatie

6.098

2.885

1.352

1.254

1.507

5.902

  • 4.395
  • Bilaterale samenwerking

3.570

3.636

1.500

0

0

0

0

  • NTU/INL

3.053

0

0

0

0

0

0

  • Poolonderzoek

2.500

0

0

0

0

0

0

  • Caribisch Nederland

2.942

0

0

0

0

0

0

  • Genomics

40.500

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

676

691

318

223

163

304

  • - 
    141
  • opdrachten

676

691

318

223

163

304

  • 141
 

Bijdrage aan agentschappen

303

303

291

950

673

770

  • - 
    97
  • Dienst Uitvoering

Onderwijs

303

303

291

286

0

279

  • 279
  • Rijksdienst voor

Ondernemend Nederland

0

0

0

664

673

491

182

Bijdrage aan medeoverheden

480

650

813

0

0

0

0

  • Nationaal contactpunt
             

Kaderprogramma

480

650

813

0

0

0

0

 

Bijdrage aan internationale

             

organisaties

85.746

93.946

93.379

98.284

92.353

99.507

  • - 
    7.154
  • EMBC

775

812

832

853

918

853

65

  • EMBL

4.732

4.846

5.016

5.198

5.176

5.198

  • 22
  • ESA

30.362

30.950

31.061

31.065

31.065

31.065

0

  • CERN

41.363

47.832

44.937

49.891

44.199

49.800

  • 5.601
  • ESO

8.514

7.032

9.044

8.773

8.425

10.019

  • 1.594
  • NTU/INL

0

2.474

2.489

2.504

2.570

2.572

  • 2

Ontvangsten

117

441

722

3.793

504

101

403

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven in 2018 ligt € 208,6 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verhoogde realisatie van de uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door de bekostiging. De realisatie van de ontvangsten is € 0,4 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verschillen worden bij de toelichting op de instrumenten verduidelijkt.

De realisatie van de verplichtingen zijn per saldo € 116,0 miljoen lager dan verwacht. Dit wordt veroorzaakt door:

  • • 
    het afboeken van een aanvullende verplichting van € 266,0 miljoen die op de saldibalans was opgenomen in verband met de administratieve verwerking van subsidieverplichtingen die de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek(NWO) is aangegaan richting de kennisinstellingen. Deze aanvullende verplichting wordt nu afgeboekt gezien een herziene afspraak met de NWO. Als gevolg hiervan is er geen sprake meer van een aanvullende verplichting
  • • 
    verder is er in 2018 een verplichting aangegaan van € 150,0 miljoen met kasgevolgen in 2019. Het betreft hier de Regeerakkoordmiddelen voor Fundamenteel Onderzoek, Toegepast onderzoek innovatie en onderzoeksinfrastructuur.

Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de nationale onderzoeksinstellingen Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en Koninklijke Bibliotheek (KB). Hiermede stelt de Minister deze organisaties in staat om binnen de wettelijke kaders en in lijn met de vierjaarlijkse strategie van de instellingen hun missies en doelstellingen te realiseren. Deze missies en doelstellingen zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin.

OCW draagt structureel bij aan:

  • • 
    NWO voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige researchinfrastructuur. Met de inzet van deze middelen worden onderzoekers in staat gesteld om te kunnen werken met onderzoeksfaciliteiten van wereldniveau;
  • • 
    NWO voor het uitvoeren van een integraal persoonsgebonden talentprogramma waarin naast de «vernieuwingsimpuls» ook de voormalige middelen voor de specifieke doelgroepen zijn opgegaan. Doelen zijn om via competitie op basis van wetenschappelijke kwaliteit voldoende ruimte te geven aan (jonge) veelbelovende onderzoekers, excellentie in het onderzoek te bevorderen en te zorgen voor een adequate in- en doorstroom van onderzoekers zodat er verbetering optreedt in hun loopbaanperspectieven;
  • • 
    NWO voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma «Wetenschap op de Cariben» en het in stand houden en in bedrijf houden van een multifunctioneel kenniscentrum op Sint Eustatius;
  • • 
    NWO voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek ten behoeve van de coördinatie en financiering van het onderwijsonderzoek.
  • • 
    NWO-programma voor het uitvoeren van vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek via de Nationale Wetenschapsagenda (NWA).

De bekostiging is met € 220,3 miljoen verhoogd. Dit betreft:

  • • 
    De verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2018 (€ 1,9 miljoen);
  • • 
    Een overboeking van € 48,6 miljoen van art.nr. 14 (Cultuur) met betrekking tot de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen (WSOB). De taken, die zijn vastgelegd in artikel 9 van de WSOB, worden uitgevoerd door de KB;
  • • 
    De overheveling van de Regeerakkoordmiddelen voor Fundamenteel Onderzoek, Toegepast onderzoek innovatie en onderzoeksinfrastructuur (€ 150 miljoen);
  • • 
    Diverse interdepartementale overboekingen voor het uitvoeren van een aantal programma's in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda (€ 6,7 miljoen);
  • • 
    Diverse interne overboekingen o.a. ten behoeve van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (€ 13,1 miljoen).

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstelling van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB) worden subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onderandere om bijdragen aan:

  • • 
    Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;
  • • 
    Het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) voor het primatenon-derzoek en de huisvesting van primaten en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;
  • • 
    Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van gerelateerde landelijke activiteiten op het gebied van wetenschaps- en technologiecommuni-catie en -educatie.

Het budget voor subsidies is per saldo met € 4,4 miljoen verlaagd. Dit wordt met name veroorzaakt door interne overboekingen naar andere instrumenten binnen artikel 16.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek en evaluaties.

Bijdrage aan agentschappen

Opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie «Horizon 2020». Team Internationale Research- en Innovatiesamen-werking (IRIS) bij RVO is het Nationaal Contactpunt Kaderprogramma in Nederland.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties EMBC, EMBL, ESA, CERN en ESO. Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen onze wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van ons nationale onderzoeks-bestel.

Het budget is per saldo met € 7,2 miljoen verlaagd. De oorzaak van deze verlaging is o.a een gunstige wisselkoers van de Zwitserse Frank met betrekking tot de contributie aan CERN.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen met name terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

Art.nr. 25 Emancipatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en LHBTI-gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en mensen met een intersekse conditie) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarnaast heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren:

De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en LHBTI-gelijkheid en voor het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren:

Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022. Deze regeling voorziet in het verstrekken van instellingssubsidies aan instellingen voor gender- en LHBTI-gelijkheid en projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren:

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid. Samen met gemeenten is in een intentieverklaring vastgelegd wat de aandachtspunten van het LHBTI-beleid zijn. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen voor gender- en LHBTI gelijkheid.

Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren op dit beleidsterrein zijn opgenomen op OCW in cijfers.

 

Doelstelling/indicator

Basiswaarde

(jaartal)

Eerdere realisatie

(jaartal)

Actuele realisatie

(jaartal)

Tussen-/

streef waarden

(jaartal)

Bron

8 Het bevorderen van emancipatie 1

  • • 
    Sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking

90% (2010)

93% (2016)

94% (2018)

>90%

LHBT

monitor

(SCP)

1 De ontwikkeling van de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid

van vrouwen

is opgenomen in

de begroting 2019.

 
  • C. 
    Beleidsconclusies

De beleidsdoorlichting emancipatiebeleid is in november 2018 met een beleidsreactie en de beoordeling van een extern deskundige (Universiteit Utrecht) aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 511, nr 31).

Veel van de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting zijn al meegenomen in het huidige beleid. Voor het thema sociale veiligheid van vrouwen is het beleid aangepast. In 2018 is met twaalf gemeenten een pilot gestart voor samenwerking op lokaal beleid voor veiligheid in de publieke ruimte («veilige steden»). Het Programma Economische Zelfstandigheid is niet gecontinueerd. Uit de beleidsdoorlichting bleek, dat hiermee niet voldoende bereik werd gerealiseerd. In overleg met de Staatssecretaris van SZW wordt bezien hoe de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van vrouwen op een andere wijze gestimuleerd kan worden.

In het onderwijsveld zijn initiatieven van start gegaan voor meer genderdi-versiteit en gelijke behandeling.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid
 

Tabel 25.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 Emancipatie (bedragen x € 1.000)

         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

15.444

7.145

13.475

45.373

6.003

5.831

172

Uitgaven

13.124

12.968

11.614

12.363

12.929

15.444

  • - 
    2.515
 

Bekostiging

4.148

4.148

4.198

6.199

8.500

8.000

500

Kennisinfrastructuur

4.148

4.148

4.198

6.199

8.500

8.000

500

  • Vrouwenemancipatie

2.948

2.948

2.948

2.949

   

0

  • LHBT

1.200

1.200

1.250

1.250

   

0

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

     

2.000

8.500

8.000

500

 

Subsidies

7.370

6.814

5.985

4.963

3.613

3.614

  • - 
    1

Subsidieregeling emancipatie

2.590

291

0

0

0

0

0

  • Vrouwenemancipatie

2.590

267

       

0

  • LHBT
 

24

       

0

Subsidieregeling emancipatie

2011

4.780

6.523

5.985

4.266

1.844

1.623

221

  • Vrouwenemancipatie

2.568

3.687

3.846

2.557

1.100

678

422

  • LHBT

2.212

2.836

2.139

1.709

744

945

  • 201

Subsidieregeling Gender- en LHBTI- gelijkheid 2017-2022

     

697

1.769

1.991

  • 222

Opdrachten

1.455

1.730

1.096

1.024

783

668

115

  • Vrouwenemancipatie

852

1.297

625

913

   

0

  • LHBT

603

433

471

111

   

0

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

       

783

668

115

Bijdrage aan agentschappen

151

151

145

137

3

132

  • - 
    129
  • DUO

151

151

145

137

3

132

  • 129
 

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

0

0

3.000

  • - 
    3.000

Gemeentefonds BZK

0

0

0

0

0

3.000

  • 3.000
  • Vrouwenemancipatie
           

0

  • LHBT
           

0

  • Gender- en LHBTI-

gelijkheid

         

3.000

  • 3.000
 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

0

125

190

40

30

30

0

  • LHBT
 

125

190

40

30

30

0

Ontvangsten

89

58

284

54

53

0

53

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven in 2018 ligt € 2,5 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 0,05 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verplichtingen zijn met € 0,2 miljoen verhoogd.

Bij Voorjaarsnota 2018 zijn de verplichtingen met € 0,5 mln. verlaagd. Met de Najaarsnota 2018 zijn de verplichtingen met € 0,8 mln. verhoogd. Met de slotwet zijn zowel de verplichtingen als de kas met € 0,1 miljoen verlaagd.

Bekostiging

Ik bekostig vanaf 2018 acht strategisch partners. Deze acht partners zijn merendeel allianties; in totaal vijftien organisaties.

Het budget is met € 0,5 miljoen verhoogd. De strategische allianties zijn vanaf 2018 gestart met de uitvoering van hun activiteitenplannen.

Subsidies

Voor het uitvoeren van de voornemens uit de emancipatienota 2018-2021 zijn subsidies verleend voor activiteiten die passen bij het beoogde emancipatiebeleid. De instrumenten die zijn ingezet voor het uitvoeren van het emancipatiebeleid 2018-2021 zijn de «Subsidieregeling emancipatie 2011» en de «Subsidieregeling gender- en LHBTI- gelijkheid emancipatie 2017-2022».

Opdrachten

De middelen voor opdrachten zijn besteed aan onderzoeken en symposia. De realisatie op dit instrument is € 0,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Bijdrage aan agentschappen

Het betreft het aandeel uitbetaalde Loon- en prijsbijstelling 2018 aan DUO. Tevens zijn de uitvoeringskosten van de subsidieregelingen door DUS-I € 0,1 miljoen uit dit instrument betaald.

Bijdrage aan medeoverheden

Voor actieve gemeenten op het gebied van gender- en LHBTI- emancipatiebeleid wordt via een decentralisatie-uitkering budget overgeheveld naar het Gemeentefonds. De verantwoordelijkheid voor deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf. Een bedrag van € 0,9 miljoen is overgemaakt naar het Gemeentefonds voor 25 gemeenten om het programma economische zelfstandigheid van vrouwen uit te voeren door het te stimuleren om stappen te zetten richting de arbeidsmarkt. Een bedrag van € 0,9 miljoen is overgemaakt naar het Gemeentefonds voor 36 gemeenten en de 4 grote steden met als de doel de «veiligheid, weerbaarheid en sociale acceptatie» van LHBTI verder te bevorderen. Om gemeenten te stimuleren om de sociale veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte te vergroten is € 0,3 miljoen overgemaakt voor de 4 grote steden en 7 gemeenten. Een bedrag van € 0,1 miljoen is voor bovenstaande projecten overgemaakt naar het BTW compensatiefonds van het Ministerie van Financiën. Een aantal gemeenten heeft geen beroep gedaan op aanvraag voor een bijdrage uit het gemeentefonds. Hierdoor is de realisatie € 0,6 miljoen lager dan begroot. Het budget op het instrument «Bijdrage aan mede-overheden» is verlaagd met een bedrag van € 0,2 miljoen ten gunste van het instrument «Bekostiging».

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Bijdrage aan het Europese project «Rights, Equality and Citizenship Programme» van Transgender Europe (TGEU). Binnen dit project is succesvol gewerkt aan capaciteitsversterking van lokale transorganisaties in Europa en is bijgedragen aan een effectieve belangenbehartiging richting internationale organisaties.

  • 5. 
    NIET-BELEIDSARTIKELEN

Art.nr. 91. Nominaal en onvoorzien D. Budgettaire gevolgen van beleid

 

Tabel 91.1 Nominaal en onvoorzien: opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de vastgestelde begroting t, realisatie en het verschil (bedragen x € 1.000)

       

Realisatie Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014