Voorstel van wet - Invoering van een bronbelasting en afschaffing van de dividendbelasting alsmede wijziging van enige wetten in verband met enkele maatregelen voor het bedrijfsleven (Wet bronbelasting 2020) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Zondag 15 december 2019
kalender

1.

Tekst

2.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018-

2019

35 028

Invoering van een bronbelasting en afschaffing van de dividendbelasting alsmede wijziging van enige wetten in verband met enkele maatregelen voor het bedrijfsleven (Wet bronbelasting 2020)

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele fiscale maatregelen te treffen om voor ondernemingen een aantrekkelijk vestigingsland te blijven en gelijktijdig de aanpak van belastingontwijking voortvarend voort te zetten;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Bronbelasting

Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van de opbrengstgerechtigde, bedoeld in artikel 2.1.

Artikel 1.2 Definities

  • 1. 
    In deze wet wordt verstaan onder:
  • a. 
    opbrengstgerechtigde: een lichaam dat is gerechtigd tot voordelen als bedoeld in artikel 3.3;
  • b. 
    inhoudingsplichtige: een vennootschap die voordelen als bedoeld in artikel 3.3 ter beschikking stelt;
  • c. 
    aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap: een vennootschap:

1°. waarin de opbrengstgerechtigde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;

2°. waarin een derde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft, terwijl die derde tevens onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de opbrengstgerechtigde; of

kst-35028-2 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2018

3°. waarin de opbrengstgerechtigde onmiddellijk of middellijk een belang heeft en waarin hij samen met een of meer andere lichamen die met hem een samenwerkende groep als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vormen onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft;

  • d. 
    kwalificerend belang: een belang waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een lichaam of vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van het lichaam, onderscheidenlijk de vennootschap, kunnen worden bepaald;
  • e. 
    laagbelastende jurisdictie: een bij ministeriële regeling aangewezen staat die:

1°. op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, of artikel 5.2, tweede lid, lichamen niet of naar een tarief van minder dan 7% onderwerpt aan een belasting naar de winst; of

2°. is opgenomen in een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdvak, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, of artikel 5.2, tweede lid, geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;

  • f. 
    vaste inrichting: een vaste inrichting als bedoeld in artikel 15f van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
  • g. 
    vennootschap: naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschap en andere vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.
  • 2. 
    In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt een staat die voor het eerst bij ministeriële regeling wordt aangewezen als staat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en in relatie waarmee op het moment van die eerste aanwijzing reeds een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van kracht is voor de toepassing van deze wet niet eerder als laagbelastende jurisdictie aangemerkt dan nadat sinds dat moment drie kalenderjaren zijn verstreken.

Artikel 1.3 Gelijkstellingen en fictieve vestigingsplaats

  • 1. 
    Voor de toepassing van deze wet worden bewijzen van deelgerech-tigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en lidmaatschaps-rechten in in Nederland gevestigde coöperaties gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen, onderscheidenlijk de coöperaties, gelijkgesteld met vennootschappen. Voor de toepassing van deze wet wordt mede verstaan onder:
  • a. 
    een coöperatie: een vereniging op coöperatieve grondslag;
  • b. 
    een lidmaatschapsrecht: een daarmee op één lijn te stellen bewijs van deelgerechtigdheid tot het vermogen van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.
  • 2. 
    Heeft de oprichting van een vennootschap plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt die vennootschap geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van deze wet geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
  • 3. 
    Voor de toepassing van deze wet worden op de BES eilanden gevestigde lichamen die door de toepassing van artikel 5.2 van de Belastingwet BES geacht worden niet op de BES eilanden te zijn gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd.

HOOFDSTUK 2 BELASTINGPLICHT

Artikel 2.1 Belastingplichtigen

  • 1. 
    Belastingplichtig voor de belasting is een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in artikel 3.3 en dat:
  • a. 
    in een laagbelastende jurisdictie is gevestigd volgens de fiscale of andere regelgeving van die jurisdictie;
  • b. 
    aandelen in, certificaten van aandelen in, winstbewijzen van of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap bezit die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie;
  • c. 
    volgens de fiscale regelgeving van een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, in die staat is gevestigd en een onmiddellijk of middellijk belang in de in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij:

1°. een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;

2°. een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen; of

  • d. 
    volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin de opbrengstgerechtigde is gevestigd aldaar niet wordt behandeld als de gerechtigde tot die voordelen omdat die opbrengstgerechtigde een belang in de in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap heeft door tussenkomst van een lichaam dat die staat als gerechtigde tot die voordelen beschouwt.
  • 2. 
    Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat de opbrengstgerechtigde volgens de fiscale regelgeving van een andere staat, niet zijnde een laagbelastende jurisdictie, tevens in die staat is gevestigd en aldaar wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en die opbrengstgerechtigde niet volgens een door die staat met een andere staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting geacht wordt te zijn gevestigd in die andere staat.
  • 3. 
    Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, volgens de fiscale regelgeving van de staat waarin dat lichaam is gevestigd aldaar als de gerechtigde tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef, wordt beschouwd, in welk geval dat lichaam wordt geacht de opbrengstgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, te zijn.
  • 4. 
    Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van hetgeen wordt verstaan onder geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

HOOFDSTUK 3 HEFFINGSGRONDSLAG

AFDELING 3.1 BEPALING HEFFINGSGRONDSLAG

Artikel 3.1 Heffingsgrondslag

De belasting wordt geheven over de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3.

Artikel 3.2 Bepaling heffingsgrondslag

De voordelen in de vorm van dividenden worden bepaald volgens de regels van afdeling 3.2.

AFDELING 3.2 DIVIDENDEN

Artikel 3.3 Heffingsgrondslag dividenden

  • 1. 
    De voordelen in de vorm van dividenden zijn de voordelen uit hoofde van de gerechtigdheid - rechtstreeks of door middel van certificaten - tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op vennootschapsbelasting 1969 aan een in Nederland gevestigde aan de opbrengst-gerechtigde gelieerde vennootschap.
  • 2. 
    Tot de opbrengst, bedoeld in het eerste lid, behoren:
  • a. 
    onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan daaronder begrepen hetgeen ter gelegenheid van inkoop van aandelen of bij liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de betreffende aandelen gestorte kapitaal;
  • b. 
    de nominale waarde van aandelen uitgereikt aan aandeelhouders, voor zover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden, met dien verstande dat bijschrijving op aandelen wordt gelijkgesteld met uitreiking van aandelen;
  • c. 
    gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort voor zover er zuivere winst is;
  • d. 
    hetgeen wordt uitgekeerd op winstbewijzen, daaronder begrepen hetgeen wordt genoten ter gelegenheid van afkoop of inkoop daarvan;
  • e. 
    vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
  • f. 
    het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening voor zover winsten van dat fonds worden bestemd om te gelden als storting op aan deelgerechtigden uit te geven of reeds uitgegeven bewijzen van deelgerechtigdheid;
  • g. 
    renten op inleggelden en, in het algemeen, alle vergoedingen voor kapitaalverstrekkingen door oprichters, aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden als zodanig.
  • 3. 
    Indien bij een inkoop van aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of bij een afkoop of inkoop van winstbewijzen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt de waarde in het economische verkeer die ten tijde van de inkoop, onderscheidenlijk afkoop, aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, aangemerkt als hetgeen ter gelegenheid van die inkoop, onderscheidenlijk afkoop, wordt uitgekeerd.
  • 4. 
    Tot de opbrengst, bedoeld in het eerste lid, behoort mede het bedrag dat wordt genoten bij vervreemding van onmiddellijk gehouden aandelen in, certificaten van aandelen in, winstbewijzen van of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op vennootschapsbelasting 1969 aan een in Nederland gevestigde aan de opbrengst-gerechtigde gelieerde vennootschap, voor zover dat bedrag verband houdt met de zuivere winst van die vennootschap, alsmede het bedrag in verband met die zuivere winst dat wordt genoten bij een rechtshandeling met behoud van die aandelen, certificaten, winstbewijzen of geldleningen. Indien de aandelen in, certificaten van aandelen in, winstbewijzen van of geldleningen aan een in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerech-tigde gelieerde vennootschap middellijk worden gehouden door tussenkomst van uitsluitend een of meer lichamen die een onmiddellijk of middellijk belang in die vennootschap hebben met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en waarbij sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing op het bedrag dat wordt genoten bij vervreemding van aandelen in, certificaten van aandelen in, winstbewijzen van of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan een of meer van die lichamen, voor zover dat bedrag verband houdt met de zuivere winst van de in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap, alsmede op het bedrag in verband met die zuivere winst dat wordt genoten bij een rechtshandeling met behoud van laatstgenoemde aandelen, certificaten, winstbewijzen of geldleningen.
  • 5. 
    Indien bij de vervreemding of andere rechtshandeling een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst wordt voor de toepassing van het vierde lid het bedrag dat bij die vervreemding, onderscheidenlijk andere rechtshandeling, wordt genoten gesteld op de waarde in het economische verkeer die ten tijde van de vervreemding, onderscheidenlijk andere rechtshandeling, aan de aandelen, certificaten, winstbewijzen of geldleningen, onderscheidenlijk het vermogensrecht, kan worden toegekend.
  • 6. 
    Voor de toepassing van deze wet wordt de opbrengst, bedoeld in het vierde lid, op het onmiddellijk aan de vervreemding of andere rechtshandeling voorafgaande tijdstip geacht ter beschikking te zijn gesteld door de in Nederland gevestigde aan de opbrengstgerechtigde gelieerde vennootschap waarin de aandelen of certificaten of waarvan de winstbewijzen onmiddellijk of middellijk worden of werden gehouden of waaraan de geldleningen onmiddellijk of middellijk worden of werden verstrekt.
  • 7. 
    Voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat over een bedrag reeds met toepassing van het vierde lid of artikel 3.4, vijfde lid, belasting is geheven, behoort dat bedrag niet tot de opbrengst, bedoeld in het eerste lid.
  • 8. 
    Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

Artikel 3.4 Op aandelen gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing of fusie

  • 1. 
    Voor zover de storting op aandelen in een vennootschap bestaat uit aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van alle aandeelhouders slechts als gestort kapitaal aangemerkt hetgeen op de laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in contanten is bijbetaald.
  • 2. 
    In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de eerste zin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
  • 3. 
    In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste een evenredig gedeelte van het bedrag van het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de splitsing toegekende aandelen, en wordt, in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal in dezelfde mate verminderd. Indien in het kader van de splitsing een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de eerste zin het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
  • 4. 
    Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon.
  • 5. 
    Ingeval de splitsende rechtspersoon in Nederland is gevestigd en de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het derde lid buiten toepassing en wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon.
  • 6. 
    Een splitsing wordt voor de toepassing van het vijfde lid, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen. Zakelijke overwegingen worden voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen, liquide middelen daaronder begrepen, of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan, onderscheidenlijk achterblijven, geen afzondering van ingehouden winst representeren.
  • 7. 
    De rechtspersoon die zekerheid wenst omtrent de vraag of een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing, kan vóór de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Artikel 3.5 Vaststelling gestort kapitaal

De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van een vennootschap, alsmede het gemiddeld op de betreffende aandelen gestorte kapitaal.

HOOFDSTUK 4 TARIEF Artikel 4.1 Tarief

De belasting bedraagt 23,9% van de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3.

Artikel 4.2 Belasting voor rekening inhoudingsplichtige

Neemt de inhoudingsplichtige de belasting voor zijn rekening, dan worden voor het berekenen van de belasting de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3, vermenigvuldigd met 100/(100-T), waarbij T staat voor het geldende percentage van het tarief, bedoeld in artikel 4.1.

HOOFDSTUK 5 WIJZE VAN HEFFING

Artikel 5.1 Heffing door inhouding

  • 1. 
    De belasting wordt geheven door inhouding op de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3.
  • 2. 
    De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3, ter beschikking worden gesteld.
  • 3. 
    De inhoudingsplichtige is verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
  • 4. 
    Overtreft de belasting de voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3, in geld, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de opbrengstgerechtigde. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in geld genoten voordelen in de vorm van dividenden, bedoeld in artikel 3.3, opschorten tot voldoening van die vordering plaatsvindt.

Artikel 5.2 Heffing door voldoening op aangifte

  • 1. 
    Op de ter zake van een opbrengst als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, verschuldigde belasting is artikel 5.1 niet van toepassing.
  • 2. 
    De belastingplichtige is verplicht de over een tijdvak verschuldigde belasting, bedoeld in het eerste lid, op aangifte te voldoen.

HOOFDSTUK 6 BIJZONDERE BEPALINGEN Artikel 6.1 Naheffing

Onverminderd het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan de inhoudingsplichtige dan wel aan de belastingplichtige indien de inhoudingsplichtige de belasting die moet worden afgedragen geheel of gedeeltelijk niet heeft betaald.

Artikel 6.2 Informatieverplichting

  • 1. 
    Artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die van belang kunnen zijn voor de heffing van de belasting waarvan de inhouding is opgedragen aan de inhoudingsplichtige en die in het bezit zijn van een niet in Nederland gevestigd lichaam dat onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in die inhoudingsplichtige. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing ingeval artikel 4.2 toepassing vindt.
  • 2. 
    Artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ingeval niet of niet volledig wordt voldaan aan de informatieverplichting ingevolge het eerste lid.

Artikel 6.3 Inlichtingenverplichting

  • 1. 
    De inhoudingsplichtige en de belastingplichtige zijn gehouden de inspecteur eigener beweging juiste en volledige inlichtingen of gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van bronbelasting te verstrekken binnen twee weken nadat de inhoudingsplichtige, onderscheidenlijk de belastingplichtige, bekend is geworden dat die inlichtingen of gegevens niet, onjuist of onvolledig door de inhoudingsplichtige, onderscheidenlijk de belastingplichtige, zijn verstrekt.
  • 2. 
    De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt nagekomen op de door de inspecteur aangegeven wijze.
  • 3. 
    De verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Artikel 6.4 Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting

  • 1. 
    Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige of de belastingplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, niet wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
  • 2. 
    De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, niet zou zijn geheven.
  • 3. 
    Voor de toepassing van dit artikel is artikel 67o, eerste en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
  • 4. 
    De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN ANDERE WETTEN

Artikel 7.1 Wijzigingen Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2019

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 3.54a, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In de eerste zin wordt «80%» vervangen door «(100-L/100) deel».
  • 2. 
    Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, luidende: Daarbij staat L voor het percentage van het laagste tarief, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geldend op het tijdstip van de voortzetting, bedoeld in het eerste lid.
  • 3. 
    In de derde zin (nieuw) wordt «vorige volzin» vervangen door «eerste zin».

B

In artikel 4.34, vijfde lid, eerste zin, wordt «20% van» vervangen door «het laagste tarief, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geldend op het tijdstip van de voortzetting, vermenigvuldigd met».

Artikel 7.2 Wijzigingen Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2020

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift wordt «inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting» vervangen door «inkomensbestanddelen en rendementsgrondslag».
  • 2. 
    In het tweede lid wordt «aanmerkelijk belang, de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de op grond van artikel 9.2 ter zake als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting» vervangen door «aanmerkelijk belang en de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen».
  • 3. 
    In het vierde lid wordt «inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting» vervangen door «inkomensbestanddelen en rendementsgrondslag».

B

Artikel 2.17 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift wordt «rendementsgrondslag, geheven dividendbelasting» vervangen door «rendementsgrondslag».
  • 2. 
    In het tweede lid, eerste zin, wordt «Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting» vervangen door «Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid».
  • 3. 
    In het derde lid wordt «komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover» vervangen door «komen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren voor zover».
  • 4. 
    In het vierde lid, eerste zin, wordt «inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting» vervangen door «inkomensbestanddeel of voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen».

C

Artikel 3.14, zesde lid, onderdeel a, komt te luiden: a. geheven kansspelbelasting;.

Artikel 4.15, vierde lid, onderdeel a, komt te luiden: a. geheven kansspelbelasting;.

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste lid, onderdeel b, vervalt onder verlettering van de onderdelen c en d tot b en c.
  • 2. 
    Het tweede tot en met vierde lid vervallen onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot tweede tot en met vierde lid.
  • 3. 
    Het achtste lid vervalt onder vernummering van het negende lid tot vijfde lid.

F

Artikel 10bis.5, achtste lid, vervalt onder vernummering van het negende lid tot achtste lid.

Artikel 7.3 Wijzigingen Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van 1 januari 2019

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 8, zesde lid, wordt «Voor de toepassing van artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door «In afwijking van artikel 3.30a, derde lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de bodemwaarde van een gebouw in eigen gebruik als bedoeld in dat onderdeel de WOZ-waarde van dat gebouw. Voor de toepassing van dat artikel».

B

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het vierde lid, aanhef, wordt «13l, 14, 14a, 15ac, 15ad» vervangen door «14, 14a, 15ac».
  • 2. 
    In het zesde lid wordt «het eerste tot en met derde lid en van artikel 15ad» telkens vervangen door «het eerste tot en met derde lid».

C

In artikel 12be, eerste lid, onderdeel b, wordt «18/H gedeelte van de kwalificerende voordelen uit hoofde van dat immateriële activum die in de aan dat jaar voorafgaande jaren bij de toepassing van artikel 12b in aanmerking zijn genomen, waarbij H staat voor het in dat jaar geldende percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22» vervangen door «het gedeelte van de kwalificerende voordelen uit hoofde van dat immateriële activum dat in de aan dat jaar voorafgaande jaren door de toepassing van artikel 12b niet in aanmerking is genomen».

D

Artikel 13l vervalt.

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid, eerste zin, wordt «, op toepassing van de innova-tiebox,» vervangen door «, op toepassing van de innovatiebox, op voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b,».
  • 2. 
    In het tweede lid, eerste zin, wordt «, op toepassing van de innovatiebox,» vervangen door «, op toepassing van de innovatiebox, op voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b,».
  • 3. 
    In het zevende lid, tweede zin, wordt «de toepassing van de innovatiebox» vervangen door «de toepassing van de innovatiebox, de voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».

F

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid, eerste zin, wordt «, op toepassing van de innovatiebox,» vervangen door «, op toepassing van de innovatiebox, op voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b,».
  • 2. 
    In het vijfde lid, tweede zin, wordt «de toepassing van de innovatiebox» vervangen door «de toepassing van de innovatiebox, de voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».
  • 3. 
    Het twaalfde tot en met veertiende lid vervallen.

Artikel 14b wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid, eerste zin, wordt «op toepassing van de innovatiebox» vervangen door «op toepassing van de innovatiebox, op voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».
  • 2. 
    In het vierde lid, tweede zin, wordt «de toepassing van de innovatiebox» vervangen door «de toepassing van de innovatiebox, de voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».
  • 3. 
    Het negende tot en met elfde lid vervallen.

Artikel 14ba wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid, eerste zin, wordt «op toepassing van de innovatiebox» vervangen door «op toepassing van de innovatiebox, op voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».
  • 2. 
    In het vierde lid, tweede zin, wordt «de toepassing van de innovatiebox» vervangen door «de toepassing van de innovatiebox, de voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van artikel 15b».

I

In artikel 14c, derde lid, eerste zin, wordt «20/45 deel» vervangen door «19/44 deel».

J

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het veertiende lid, onderdeel c, wordt «13d, achtste en negende lid, en 15ab tot en met 15af» vervangen door «13ab, 13d, achtste en negende lid, 15ab tot en met 15af, 15aha, 15ahb, 15b, vijfde lid, en 23e».
  • 2. 
    In het zestiende lid wordt «13a, 13l en 20a» vervangen door «13a en 20a».

K

In artikel 15ab, derde lid, aanhef, wordt «negen» vervangen door «zes».

L

Artikel 15ad vervalt.

In artikel 15ae, derde lid, wordt «de artikelen 20, vierde en zesde lid, en 20a» vervangen door «artikel 20a».

N

In artikel 15af, zevende lid, wordt «artikelen 20, vierde en zesde lid, en 20a» vervangen door «artikel 20a».

O

In artikel 15ah, eerste lid, wordt «15ac, zevende lid, 15ad en 15ae» vervangen door «15ac, zevende lid, en 15ae».

P

Na artikel 15ah worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 15aha

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, komen de voor het voegingstijdstip van een maatschappij ontstane saldi aan renten die zijn voortgewenteld naar het volgende jaar (voorvoegingsrenten) in aftrek bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid van een jaar voor zover:
  • a. 
    bij de fiscale eenheid in dat jaar ruimte bestaat voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten; en
  • b. 
    die maatschappij aannemelijk maakt dat er bij haar in dat jaar ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten zou bestaan, indien zij geen deel zou uitmaken van de fiscale eenheid.
  • 2. 
    Indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid, komen voorvoegingsrenten van die bestaande fiscale eenheid in aftrek bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid van een jaar voor zover:
  • a. 
    bij de fiscale eenheid in dat jaar ruimte bestaat voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten; en
  • b. 
    de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden aannemelijk maken dat er in dat jaar ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten zou bestaan, indien zij geen deel zouden uitmaken van de fiscale eenheid.
  • 3. 
    Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing voor zover de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten ontstaat door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorvoegingsrenten in aftrek te brengen. Rechtshandelingen worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorvoegingsrenten in aftrek te brengen indien de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.
  • 4. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten verstaan: het bedrag waarmee het hoogste van de bedragen, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, het saldo aan renten van het jaar overschrijdt.

Artikel 15ahb

  • 1. 
    Vanaf het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij worden voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, de volgende voortgewentelde saldi aan renten (ontvoegingsrenten) in aanmerking genomen bij het bepalen van de door die dochtermaatschappij na dat tijdstip genoten winst:
  • a. 
    de voorvoegingsrenten van die maatschappij; en
  • b. 
    de voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat die saldi bij die maatschappij zouden zijn ontstaan, indien zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid, waarbij geen rekening wordt gehouden met het bedrag, genoemd in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b.
  • 2. 
    Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing indien de maatschappij, bedoeld in dat onderdeel, en de moedermaatschappij daarom verzoeken.
  • 3. 
    In afwijking van het eerste lid worden ontvoegingsrenten niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst van de ontvoegde dochtermaatschappij voor zover de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten ontstaat door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om ontvoegingsrenten in aftrek te brengen. Rechtshandelingen worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om ontvoegingsrenten in aftrek te brengen, indien de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.
  • 4. 
    Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan bij de aangifte van de moedermaatschappij over het laatste jaar waarin de dochtermaatschappij nog deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De inspecteur stelt de aan de dochtermaatschappij toe te rekenen voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De voortgewentelde saldi aan renten, bedoeld in de tweede zin, verminderen de voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid en de inspecteur herziet de beschikking, bedoeld in artikel 15b, vijfde lid, dienovereenkomstig.
  • 5. 
    Vanaf het ontvoegingstijdstip, bedoeld in het eerste lid, worden voortgewentelde saldi aan renten die ingevolge artikel 15b, vijfde lid, in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst van de ontvoegde dochtermaatschappij, niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.

Q

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid wordt «negen» vervangen door «zes».
  • 2. 
    Het vierde tot en met zesde lid vervallen onder vernummering van het zevende tot en met negende lid tot vierde tot en met zesde lid.
  • 3. 
    In het vijfde lid (nieuw) wordt «negende lid» vervangen door «zesde lid».
  • 4. 
    In het zesde lid (nieuw) wordt «achtste lid» vervangen door «vijfde lid».

R

Artikel 20b, vijfde lid, vervalt.

S

In artikel 22 wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan    bedraagt de belasting het in kolom III

vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

 

I

II

III

IV

_

€ 200.000

-

19%

€ 200.000

-

€ 38.000

24,3%

Artikel 29a vervalt.

Na artikel 34g worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 34h

  • 1. 
    Een bedrag aan rente dat ingevolge artikel 14a, twaalfde tot en met veertiende lid, artikel 14b, negende tot en met elfde lid, of artikel 15ad, eerste lid, zoals die artikelen luidden op 31 december 2018 niet in aftrek is gekomen en ingevolge artikel 15ad, achtste lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018 of met overeenkomstige toepassing van dat artikel is overgebracht naar het volgende jaar, wordt voor de toepassing van artikel 15b, in het eerste jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019, toegevoegd aan het saldo aan renten, bedoeld in artikel 15b, tweede lid. Voor de toepassing van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, blijft de eerste zin buiten beschouwing.
  • 2. 
    Een bedrag aan rente dat ingevolge artikel 14a, achtste lid, artikel 14b, zesde lid, of artikel 15ad, eerste lid, zoals die artikelen luidden op

31 december 2006 niet in aftrek is gekomen en dat ingevolge artikel VIIIc van de Wet werken aan winst zoals dat artikel luidde op 31 december 2018 wordt verrekend met het belastbare bedrag van een volgend jaar, wordt voor de toepassing van artikel 15b, in het eerste jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019, toegevoegd aan het saldo aan renten, bedoeld in artikel 15b, tweede lid. Voor de toepassing van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, blijft de eerste zin buiten beschouwing.

Artikel 34i

Met betrekking tot te verrekenen verliezen die zijn geleden vóór de aanvang van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019 en waarop artikel 20, vierde en zesde lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018 van toepassing was, blijft artikel 20, vierde tot en met zesde lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018 van toepassing. Voor de toepassing van de eerste zin blijven de artikelen 15ae, derde lid, en 15af, zevende lid, zoals die artikelen luidden op 31 december 2018 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.4 Wijzigingen Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van 1 januari 2020

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 8a vervalt.

In artikel 10, eerste lid, onderdeel f, wordt «dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting».

C

In artikel 14c, derde lid, eerste zin, wordt «19/44 deel» vervangen door «17,5/43 deel».

D

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het zestiende lid wordt «13a en 20a» vervangen door «13a, 15ba en 20a».
  • 2. 
    Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
  • 18. 
    Voor de toepassing van het zestiende lid worden onder de saldi aan renten, bedoeld in artikel 15ba, verstaan de saldi aan renten toerekenbaar aan een belastingplichtige als ware er geen fiscale eenheid in de zin van dit artikel. Voor zover door de toepassing van de eerste zin de saldi aan renten niet langer kunnen worden voortgewenteld naar het volgende jaar, kunnen die saldi aan renten niet in aftrek komen bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige waarin het uiteindelijke belang in belangrijke mate is gewijzigd als bedoeld in artikel 15ba.

E

In artikel 15aha worden, onder vernummering van het vierde lid tot zesde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. 
    Met betrekking tot het in aftrek brengen van voorvoegingsrenten, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in artikel 15ba voor de belastingplichtige gelezen: de maatschappij, onderscheidenlijk de bestaande fiscale eenheid die wordt uitgebreid, of de bestaande fiscale eenheid die wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
  • 5. 
    Voor de toepassing van artikel 15ba, tweede lid, worden de werkzaamheden die na het begin van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, binnen een fiscale eenheid van de ene maatschappij zijn overgedragen aan een andere maatschappij, gedurende het bestaan van de fiscale eenheid tussen die maatschappijen nog in aanmerking genomen bij de overdragende maatschappij.

F

Aan artikel 15ahb wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. 
    Ten aanzien van een ontvoegde dochtermaatschappij die bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid in aanmerking mag nemen, wordt in artikel 15ba voor de belastingplichtige gelezen: de maatschappij.

G

Na artikel 15b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 15ba

  • 1. 
    Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b nog niet volledig in aftrek is gekomen, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, worden de saldi aan renten die zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel 15b, vijfde lid, niet meer in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst na het tijdstip van de bedoelde wijziging. Het saldo aan renten dat in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden, is ontstaan na het tijdstip waarop die wijziging heeft plaatsgevonden, wordt in dat jaar niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst genoten vóór het tijdstip van die wijziging. Voor de toepassing van de eerste en de tweede zin worden het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst vóór en na het tijdstip van de wijziging, bedoeld in de eerste zin, in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden afzonderlijk bepaald en wordt het bedrag, genoemd in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, in dat jaar naar tijdsgelang in aanmerking genomen.
  • 2. 
    Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 20a, tweede tot en met achtste lid, tiende lid, onderdelen a, b en c, en elfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 20a, vierde, zesde, zevende en elfde lid, voor verlies wordt gelezen: saldo aan renten.

H

In artikel 18, eerste lid, wordt «artikel 15b en artikel 15d» vervangen door «artikel 15b, artikel 15ba en artikel 15d».

In artikel 22 wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan    bedraagt de belasting het in kolom III

vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

 

I

II

III

IV

_

€ 200.000

-

17,5%

€ 200.000

-

€ 35.000

23,9%

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

Als voorheffing wordt aangewezen de naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting, betrekking hebbende op bestanddelen van de winst en van het Nederlandse inkomen.

K

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid, aanhef, wordt «het beleggen van vermogen» vervangen door «het beleggen van vermogen met uitzondering van het beleggen in onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen en rechten waaraan deze zijn onderworpen».
  • 2. 
    Aan het derde lid, onderdeel a, wordt op een nieuwe regel toegevoegd «waarbij het ontwikkelen van vastgoed ten behoeve van het lichaam of met dat lichaam verbonden lichamen die als beleggingsinstelling zijn aangemerkt, is beperkt tot het ontwikkelen van niet in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;».
  • 3. 
    Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:
  • b. 
    het investeren in een verbetering of uitbreiding van niet in Nederland gelegen vastgoed, ingeval de investering minder bedraagt dan 30% van de waarde in het economische verkeer van dat vastgoed voorafgaande aan de aanvang van de werkzaamheden;.
  • 4. 
    In het derde lid, onderdeel e, aanhef, wordt «een rechtstreeks verband» vervangen door «rechtstreeks verband».
  • 5. 
    Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, op een nieuwe regel toegevoegd «waarbij bijkomstige werkzaamheden als bedoeld in de aanhef die rechtstreeks verband houden met beleggingen in vastgoed van het lichaam of van met dat lichaam verbonden lichamen die als beleggingsinstelling zijn aangemerkt rechtstreeks verband houden met niet in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen.».

In artikel 28a, tweede lid, wordt «dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting».

M

Artikel 34a vervalt.

Artikel 7.5 Wijzigingen Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van 1 januari 2021

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 14c, derde lid, eerste zin, wordt «17,5/43 deel» vervangen door «16/42 deel».

B

In artikel 22 wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan    bedraagt de belasting het in kolom III

vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

 

I

II

III

IV

_

€ 200.000

-

16%

€ 200.000

-

€ 32.000

22,25%

Artikel 7.6 Wijzigingen Algemene wet inzake rijksbelastingen met ingang van 1 januari 2020

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 30h, eerste lid, wordt «dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting».

B

In artikel 30ha, vierde lid, wordt »dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting als bedoeld in de Wet bronbelasting 2020».

C

In artikel 30hb, eerste lid, wordt »dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting».

Artikel 67ca, eerste lid, onderdeel d, vervalt onder verlettering van de onderdelen e en f tot d en e.

Artikel 7.7 Wijzigingen Invorderingswet 1990 met ingang van 1 januari 2020

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 22, derde lid, onderdeel a, onder 6°, wordt «dividendbelasting» vervangen door «bronbelasting».

B

In artikel 25, achtste lid, onderdeel b, wordt «dividendbelasting of inkomstenbelasting» vervangen door «inkomstenbelasting».

C

In artikel 26, vierde lid, wordt «dividendbelasting of, indien dit meer bedraagt, aan de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting» vervangen door «inkomstenbelasting».

D

Na artikel 36 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

  • 1. 
    Hoofdelijk aansprakelijk is:
  • a. 
    voor de belasting die een inhoudingsplichtige als bedoeld in de Wet bronbelasting 2020 is verschuldigd: ieder van de bestuurders van die inhoudingsplichtige;
  • b. 
    voor de belasting die een inhoudingsplichtige als bedoeld in de Wet bronbelasting 2020 is verschuldigd over het aan de belastingplichtige ter beschikking gestelde voordeel, bedoeld in de Wet bronbelasting 2020: de belastingplichtige, bedoeld in de Wet bronbelasting 2020;
  • c. 
    voor de belasting die een belastingplichtige als bedoeld in de Wet bronbelasting 2020 is verschuldigd: ieder van de bestuurders van die belastingplichtige.
  • 2. 
    Niet aansprakelijk is de bestuurder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover hij aannemelijk maakt dat:
  • a. 
    hij op het tijdstip waarop het voordeel, bedoeld in de Wet bronbelasting 2020, aan de belastingplichtige ter beschikking is gesteld niet wist of behoorde te weten dat de inhoudingsplichtige de bronbelasting verschuldigd was; en
  • b. 
    het niet aan hem is te wijten dat de bronbelasting niet of niet volledig is betaald.
  • 3. 
    Niet aansprakelijk is de bestuurder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de bronbelasting niet of niet volledig is betaald.
  • 4. 
    Voor de toepassing van dit artikel is artikel 36, vijfde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
  • 5. 
    De aansprakelijkheid geldt tevens indien de bestuurder, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, of de belastingplichtige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, niet in Nederland woont of is gevestigd.

In artikel 41, eerste lid, wordt «dividendbelasting» vervangen door bronbelasting».

Artikel 7.8 Wijziging Wet werken aan winst met ingang van 1 januari 2019

In de Wet werken aan winst vervalt artikel VIIIc.

Artikel 7.9 Wijziging Wet maatregelen woningmarkt 2014 II met ingang van 1 januari 2019

In de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wordt in artikel 1.7 «0,591%» vervangen door «0,561%».

HOOFDSTUK 8 OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 8.1 Overgangsbepaling verliesverrekening

In afwijking van artikel 20, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt een verlies:

  • a. 
    dat wordt geleden in het boekjaar dat aanvangt in het kalenderjaar

2019    verrekend vóór verliezen die zijn of worden geleden in de boekjaren die zijn aangevangen in de kalenderjaren 2017 en 2018;

  • b. 
    dat wordt geleden in het boekjaar dat aanvangt in het kalenderjaar

2020    verrekend vóór een verlies dat is of wordt geleden in het boekjaar dat is aangevangen in het kalenderjaar 2018.

Artikel 8.2 Overgangsbepaling dividendbelasting

De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zoals die wetten luidden op 31 december 2019 blijven van toepassing met betrekking tot de belasting die is verschuldigd ingevolge de Wet op de dividendbelasting 1965 zoals die wet luidde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld ter zake waarvan de belasting is verschuldigd.

HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.1 Intrekking van de Wet op de dividendbelasting 1965

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt ingetrokken.

Artikel 9.2 Inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019, met dien verstande dat artikel 7.3, onderdelen A, B, D, E, F, G, H, J, K, L, M, N, O, P ,Q, R, T en U, en de artikelen 7.8 en 8.1 voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019.
  • 2. 
    In afwijking van het eerste lid treden de hoofdstukken 1 tot en met 6 en de artikelen 7.2, 7.4, 7.6, 7.7, 8.2 en 9.1 in werking met ingang van

1 januari 2020, met dien verstande dat artikel 7.4, onderdelen D tot en met H en K, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020.

  • 3. 
    In afwijking van het eerste lid treedt artikel 7.5 in werking met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 9.3 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bronbelasting 2020.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35 028, nr. 2 21


 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.