Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2019 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Dinsdag 15 oktober 2019
kalender

1.

Tekst

2.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018-

2019

35 000 VII

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2019

Nr. 2

MEMORIE VAN TOELICHTING INHOUDSOPGAVE

TINGSWETSVOORSTEL    3

2.1    Beleidsprioriteiten    8

2.2    Belangrijkste beleidsmatige mutaties    19

2.3    Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven    23

2.4    Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen    24

2.5    Overzicht van risicoregelingen    26

3.1    Artikel 1. Openbaar bestuur en democratie    29

3.2    Artikel 2. Nationale veiligheid    40

3.3    Artikel 3. Woningmarkt    42

3.4    Artikel 4. Energietransitie gebouwde omgeving en

bouwkwaliteit    54

3.5    Artikel 5. Ruimtelijke ordening en omgevingswet    64

3.6    Artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving    74

3.7    Artikel 7. Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid    84

3.8    Artikel 8. Kwaliteit Rijksdienst    90

3.9    Artikel 9. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid    92

4.1    Artikel 11. Centraal apparaat    98

4.2    Artikel 12. Algemeen    101

4.3    Artikel 13. Nog onverdeeld    103

kst-35000-VII-2 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2018

5.1    Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)    104

5.2    Logius    112

5.3    P-Direkt    119

5.4    Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering    Rijk (UBR)    125

5.5    FMHaaglanden (FMH)    130

5.6    Shared Service Centrum ICT (SSC-ICT)    135

5.7    Rijksvastgoedbedrijf (RVB)    140

5.8    Dienst van de Huurcommissie (DHC)    152

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak    159

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage    161

Bijlage 3: Moties en toezeggingen    182

Bijlage 4: Subsidieoverzicht    249

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek    254

Bijlage 6: Specifieke uitkeringen    261

Bijlage 7: Was-Wordt tabel nieuwe begrotings-structuur    267

  • A. 
    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETS-VOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3 eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K.H. Ollongren

  • B. 
    BEGROTINGSTOELICHTING
  • 1. 
     LEESWIJZERAlgemeen

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2019 van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Groeiparagraaf

De begroting 2019 bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van de begroting 2018, welke reeds zijn gepresenteerd in nota's van wijziging voor de begroting 2018. Het betreft de integratie van de begroting Wonen en Rijksdienst (XVIII) in de begroting van BZK (VII) evenals de overkomst van het dossier digitale overheid voor bedrijven van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de onderdelen ruimtelijke ordening en omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).

Nieuwe begrotingsstructuur

Daarnaast wordt de ontwerpbegroting 2019 gepresenteerd in een nieuwe begrotingsstructuur. In het licht van de toevoeging van de begroting Wonen en Rijksdienst (XVIII) en de herverkavelingen uit het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte-III, is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de begrotingsstructuur van de begroting van BZK (VII) vanaf 2019 te herzien en de begroting beter aan te laten sluiten bij inhoudelijke doelstellingen en de beleidspraktijk. De aanpassing van de begrotingsstructuur is een belangrijke stap om inzicht in kwaliteit te verbeteren, ook in relatie tot artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet (CW). Bovendien is na een aantal recente beleidsdoorlichtingen toegezegd om de begrotingsstructuur op onderdelen te wijzigen (Kamerstukken II 2017-2018, 30 985, nr. 25). Deze toezeggingen zijn eveneens meegenomen in de aanpassing van de begrotingsstructuur. Op hoofdlijnen blijft de artikelstructuur van de BZK-begroting intact. De onderstaande tabel bevat de structuurwijzigingen op artikelonderdeelniveau. De voornaamste wijzigingen vinden plaats bij beleidsartikelen 1, 4 en 6. Daarnaast wordt beleidsartikel 8 samengevoegd met beleidsartikel 7.

 

Artikel

WAS

Artikel

WORDT

(onderdeel)

 

(onderdeel)

 

1

Openbaar bestuur en democratie

1

Openbaar bestuur en democratie

1.1

Bestuurlijke en financiële verhoudingen

1.1

Bestuur en regio

1.2

Participatie

1.2

Democratie

2

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)

2

Nationale veiligheid

2.1

Apparaat

2.1

AIVD apparaat

2.2

Geheim

2.2

AIVD geheim

3

Woningmarkt

3

Woningmarkt

3.1

Betaalbaarheid

3.1

Woningmarkt

3.2

Onderzoek en kennisoverdracht

3.1

Woningmarkt

4

Woonomgeving en Bouw

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

4.1

Energie en bouwkwaliteit

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

   

4.2

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

4.2

Woningbouwproductie

3.1

Woningmarkt

   

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

4.3

Kwaliteit woonomgeving

1.1

Bestuur en regio

   

1.2

Democratie

   

3.1

Woningmarkt

   

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

4.4

Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

5

Ruimte en omgeving

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet

5.1

Ruimtelijke ordening

5.1

Ruimtelijke ordening

5.2

Omgevingswet

5.2

Omgevingswet

6

Dienstverlenende en innovatieve overheid

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

6.2

Informatiebeleid en ontwikkeling

1.2

Democratie

 

e-overheidsvoorzieningen

6.2

Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving

6.3

Betrouwbare levering van

6.2

Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en

 

e-overheidsvoorzieningen

 

informatiesamenleving

6.4

Burgerschap

1.2

Democratie

6.5

Reisdocumenten en basisadministratie personen

6.5

Identiteitsstelsel

   

6.6

Investeringspost digitale overheid

7

Arbeidszaken overheid

7

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

7.1

Overheid als werkgever

7.1

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

   

1.2

Democratie

   

12

Algemeen

7.2

Pensioenen, uitkeringen en benoemingsrege-

1.2

Democratie

 

lingen

7.2

Pensioenen en uitkeringen

8

Kwaliteit Rijksdienst

7.1

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

   

11

Centraal apparaat

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

9.1

Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

9.1

Doelmatige Rijkshuisvesting

9.2

Beheer materiële activa

9.2

Beheer materiële activa

11

Centraal apparaat

11

Centraal apparaat

12

Algemeen

12

Algemeen

13

Nominaal en Onvoorzien

13

Nog onverdeeld

14

VUT-fonds

   

Beleidsagenda

De beleidsagenda geeft een overzicht van de hoofdlijnen van het beleid.

De beleidsagenda wordt afgesloten met de volgende vijf overzichten:

  • Overzichtstabel belangrijkste beleidsmatige mutaties

In de beleidsagenda is een overzichtstabel opgenomen met de belangrijkste beleidsmatige mutaties;

  • Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

In dit overzicht zijn de niet-juridisch verplichte uitgaven opgenomen;

  • Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In de tabel meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is per artikel voor de periode 2016-2022 opgenomen wanneer een beleidsdoorlichting is gerealiseerd of gepland. De aanvullende informatie wordt opgenomen in bijlage 5 «Evaluatie- en overig onderzoek»;

  • Overzicht van Risicoregelingen

In de beleidsagenda zijn de tabellen «Garanties» en «Achterborgstellin-gen» opgenomen. Het betreft de rijkshypotheekgaranties en de achterborgstellingen voor het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW).

  • Was/wordt tabel nieuwe begrotingsstructuur

De tabel bevat een overzicht van de wijzigingen op artikelonderdeel-niveau.

Beleidsartikelen

In de beleidsartikelen staan de beleids- en de financiële informatie over de voorgenomen uitgaven. De begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bevat acht beleidsartikelen: artikel 1 Openbaar bestuur en democratie, artikel 2 Nationale veiligheid, artikel 3 Woningmarkt, artikel 4 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit, artikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet, artikel 6 Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving, artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoe-ringsbeleid en artikel 9 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid.

Een beleidsartikel bestaat uit de volgende elementen:

  • A. 
    Algemene doelstelling
  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid
  • C. 
    Beleidswijzigingen

D1. D1. Budgettaire gevolgen van beleid D2. D2. Budgetflexibiliteit E. Toelichting op de instrumenten

Budgetflexibiliteit

De peildatum van de gepresenteerde budgetflexibiliteit (juridisch verplicht) is 1 januari 2019.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van BZK bevat drie niet-beleidsartikelen: artikel 11 Centraal apparaat, artikel 12 Algemeen en artikel 13 Nog onverdeeld.

Begroting agentschappen

De begroting van BZK kent acht baten-lastenagentschappen, te weten de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG), Logius, P-Direkt, Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), FMHaaglanden (FMH), Shared Service Centrum ICT (SSC-ICT), Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en Dienst van de Huurcommissie (DHC).

Bijlagen

De begroting van BZK bevat zes bijlagen: 1) ZBO/RWT's, 2) Verdiepings-bijlage, 3) Moties en toezeggingen, 4) Subsidieoverzicht, 5) Evaluatie- en overig onderzoek en 6) Specifieke uitkeringen.

Het uitgangspunt is om in de verdiepingsbijlage de beleidsmatige en technische mutaties toe te lichten die groter zijn dan of gelijk zijn aan de ondergrens zoals deze in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2018 (RBV 2018) is opgenomen. In het kader van transparantie of anderszins kan het voorkomen dat mutaties beneden deze ondergrenzen ook worden toegelicht.

 

Begrotingsartikel

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € mln.)

Technische mutaties (ondergrens in € mln.)

  • 1. 
    Openbaar bestuur en democratie

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 2. 
    Nationale Veiligheid

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 3. 
    Woningmarkt

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 20 mln.

 

Ontvangsten: 5 mln.

Ontvangsten: 10 mln.

  • 4. 
    Energietransitie gebouwde omgeving en

Verplichtingen/Uitgaven: 2/5 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4/10 mln.

bouwkwaliteit

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 5. 
    Ruimtelijke ordening en Omgevingswet

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 6. 
    Overheidsdienstverlening en informatiesa-

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.

menleving

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 7. 
    Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 8. 
    Kwaliteit Rijksdienst

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 9. 
    Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.

 

Ontvangsten: 2 mln.

Ontvangsten: 4 mln.

  • 11. 
    Centraal apparaat

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 12. 
    Algemeen

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

  • 13. 
    Nog onverdeeld

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.

 

Ontvangsten: 1 mln.

Ontvangsten: 2 mln.

Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG's)

Het kabinet heeft zich verbonden aan het behalen van de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs) in 2030. In deze begroting is het daarvoor noodzakelijke beleid opgenomen. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) coördineert de Nederlandse inzet op de SDGs. Jaarlijks in het voorjaar rapporteert het kabinet over de voortgang; de meest recente SDG-rapportage is 18 mei 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd.

  • 2. 
    BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

BZK staat voor een sterke en levende democratie en een slagvaardig openbaar bestuur waar inwoners uit het hele Koninkrijk op kunnen vertrouwen. Nu en in de toekomst. Als één overheid zorgen we samen met medeoverheden dat mensen in hun dagelijks leven ervaren dat het beter gaat. Dat zij prettig samen kunnen wonen in betaalbare, veilige en energiezuinige woningen in een buurt waar iedereen meetelt en meedoet. We willen dat alle mensen het gevoel hebben dat de overheid er voor hen

We zorgen dat mensen samen initiatieven kunnen nemen en dat problemen dicht bij mensen aangepakt worden. Daarbij hebben we oog voor regionale verschillen en kijken over grenzen heen, ook over bestuurlijke grenzen. De grote opgaven van deze tijd pakken we slagvaardig en in samenhang aan, resultaatgericht en met ruimte om te experimenteren. We zoeken de verbinding tussen de lokale democratie en de opgaven in het ruimtelijk-fysieke domein waaronder de woningbouw, energietransitie, bereikbaarheid en natuur en waterveiligheid. Op die manier dragen we bij aan een evenwichtige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De overkomst van de omgevingswet en ruimtelijke ordening naar BZK maakt het mogelijk de regionale ontwikkeling en de bouwopgave integraal aan te sturen.

De afgelopen jaren heeft BZK belangrijke stappen gezet om onze democratie en bestuur aan te passen aan deze tijd. De veranderende rol en inrichting van de overheid vraagt continue aandacht. De informatiesamenleving brengt nieuwe vraagstukken, uitdagingen en kansen voor onze democratie en ons openbaar bestuur. Die handschoen pakken we op, met een ambitieuze digitaliseringsagenda die oog heeft voor de kernwaarden van onze democratie. Tegelijkertijd hebben we aandacht voor de schaduwzijde van de technologie; voor mensen die niet mee kunnen komen, voor cybercrime en voor heimelijke beïnvloeding met valse informatie door statelijke actoren. Waarborgen van de publieke waarden en grondrechten staat aan de basis van het vertrouwen van mensen in de overheid en de democratie. Voor die opgave staat BZK.

Samen meer bereiken als één overheid

De start van het interbestuurlijk programma (IBP) betekent een nieuwe start in de gezamenlijke aanpak van maatschappelijke vraagstukken van nu. Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen werken samen aan de duurzame toekomst van Nederland. Samen pakken we problemen aan die mensen dagelijks ervaren, zoals eenzaamheid en problematische schulden. Het IBP markeert tevens de rol die BZK deze kabinetsperiode op zich neemt: zoeken naar samenhang, verbinding en onbenutte kansen. Het IBP biedt het platform om samen te werken en raakvlakken tussen de grote maatschappelijke opgaven te benutten.

Door de handen ineen te slaan en als één overheid te werken voor mensen in Nederland bereiken we meer. Op die manier moeten mensen weer ervaren dat de overheid er voor hen is. Voor mensen maakt het immers niet uit door welke overheid zij worden geholpen. We putten uit ervaringen die we hebben opgedaan met de decentralisaties in het sociaal domein.

Het idee dat we als één overheid meer kunnen bereiken, passen we ook toe in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin we de langetermijn-visie op de evenwichtige ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland vastleggen. In de NOVI werken we met medeoverheden uit hoe maatschappelijke opgaven de leefomgeving in Nederland veranderen en geven we richting aan de aanpak. We zoeken samenhang tussen ruimtelijke prioriteiten en beschermen en ontwikkelen wat we belangrijk vinden in het landschap.

In het IBP en de NOVI pakken we opgaven gebiedsgericht aan, want we zien regionaal en lokaal grote verschillen in opgaven, problemen en kansen. De woningmarkt in Amsterdam vraagt om andere oplossingen dan de woningmarkt in de Achterhoek. Tegelijkertijd beperken uitdagingen zich niet tot de grenzen van een gemeente of de regio. Zo vraagt de energietransitie aanpassing van landgebruik en van de gebouwde omgeving over grenzen van gemeenten en regio's heen.

Verbindingen gaan we aan in partnerschap. Met coalities van overheden, zoals gemeenten en provincies, kennis- en onderwijsinstellingen en private partijen organiseren we de aanpak van prioritaire onderwerpen. Gezamenlijk stellen we omgevingsagenda's op, waarin we de nationale doelen uit de NOVI en de regionale doelen uit provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies concreet op elkaar laten aansluiten. Daarmee hebben we een unieke kans om omgevingsvisies in co-creatie op te stellen en verbindingen tussen maatschappelijke opgaven te verzilveren.

In 2018 zijn Regio Deals gesloten die de regionale economische structuur en leefbaarheid van de BES-eilanden, Zeeland, Rotterdam-Zuid en Brainport Eindhoven en rondom ESTEC versterken. In 2019 voeren we deze deals uit en sluiten we nieuwe Regio Deals. De besluitvorming over de Regionale middelen uit het regeerakkoord wordt gecoördineerd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in overleg met de Minister van BZK. Ook starten we in 2019 een aantal nieuwe City Deals, waarin steden ruimte krijgen om te experimenteren en te vernieuwen. Zo geven we een impuls aan de economische groei, leefbaarheid en innovatie in de steden.

In coalities van rijkspartijen, medeoverheden, marktpartijen en andere organisaties zetten we rijksvastgoed in om maatschappelijke opgaven te realiseren. Met dit Regionaal Ontwikkelprogramma werken we aan optimaal financieel én maatschappelijk rendement. Dit is ondersteunend aan de strategische opgaven van het regeerakkoord van dit kabinet. Als start hebben we zeven projecten in verschillende regio's geselecteerd rondom de thema's duurzaamheid, woningbouwproductie en sociaaleco-nomische kansen. De lijst met projecten is niet limitatief, maar dient als inspiratie en kan groeien. Op die manier zorgen we voor een brede verankering van de inzet van rijksvastgoed voor rijksdoelen in de regio en dat is goed voor de regio, voor de gebruikers en voor de waarde van het rijksvastgoed.

We stimuleren samenwerking over de landsgrenzen heen om economische groei en sociale en fysieke leefbaarheid te versterken, vooral in grensregio's. Langs vier samenhangende lijnen doorbreken we barrières, creëren we randvoorwaarden en ondersteunen we kansen en initiatieven. We zorgen dat alle overheden aan beide kanten van de grens beter gebruik maken van de mogelijkheden die internationale organisaties bieden om de samenwerking te verbeteren. Met medeoverheden, koepels en kennisinstellingen én met onze buurlanden werken we aan nieuwe oplossingen. Daarbij hebben we oog voor culturele, economische en bestuurlijke overeenkomsten en verschillen.

Groningen heeft de bijzondere aandacht. Er komt een nieuwe verster-kingsaanpak, zodat mensen veilig kunnen wonen in Groningen. Met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de (waarnemend) Nationaal Coördinator Groningen en de regio werken we deze aanpak uit. We willen de regio een nieuw toekomstperspectief bieden, zodat mensen ervaren dat het beter gaat. Daarom zetten we een ambitieuze meerjarige aanpak van Rijk en regio op met passende investeringen gericht op ruimtelijke-economische structuurversterking en verbetering van de sociale en fysieke leefbaarheid. Daarbij hebben we aandacht voor de energietransitie en de demografische en economische ontwikkelingen.

Vernieuwing van de democratie en openbaar bestuur Samen meer bereiken, heeft ook gevolgen voor de lokale democratie. De lokale politiek maakt steeds vaker belangrijke keuzes op het gebied van wonen, zorg, energie en leefomgeving. Die keuzes grijpen direct in op het dagelijks leven van de inwoners. In deze tijd willen mensen daarbij betrokken zijn, meepraten, en vooral ook mee doen.

We willen mensen meer mogelijkheden geven om mee te doen in de lokale democratie. We zijn gestart met het Plan van Aanpak Versterking Lokale Democratie en Bestuur (Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 VII, nr. 69). Het bouwen van aardgasvrije woningen is de eerste nationale proeftuin waarbij inwoners kunnen meebesluiten over hoe dit vorm krijgt in hun wijk. Ook wil het kabinet het aantal gemeenten dat met Right to Challenge werkt verdubbelen. Bewoners kunnen dan taken van gemeenten overnemen als zij denken dat het anders, beter, slimmer of goedkoper kan. Nog in 2018 starten 10 experimenten waarbij inwoners de exploitatie en het beheer van vastgoed overnemen. We geven meer ruimte voor lokale keuzes en maatwerk in de Gemeentewet en mogelijk ook in aanvullende wet- en regelgeving.

We brengen overheid en het bestuur dichter bij mensen door te zoeken naar nieuwe verbindingen tussen inwoners en hun bestuur. Nu verantwoordelijkheden verschuiven naar het lokale niveau, verschuiven ook de verwachtingen van mensen over lokale politici en bestuurders. Zij vervullen een sleutelrol in de lokale democratie en verdienen goede ondersteuning. Daarom verbeteren we met het actieplan de ondersteuning van lokale politieke ambtsdragers, onder andere met een beter opleidingsaanbod. Met het actieplan vergroten we ook de weerbaarheid van het lokaal bestuur.

Het vertrouwen in de Nederlandse democratie is groot. Dat vertrouwen is geen gegeven. Daar moeten we hard aan blijven werken. De evaluatie van de verkiezingen in 2017 liet zien dat er ruimte voor verbetering is. Daarom voeren we vanaf 2019 een aantal vernieuwingen in het verkiezingsproces door (Kamerstuk 31 142, nr. 83, 33 829, nr. 83). Met deze vernieuwingen vergroten we de transparantie. Iedereen kan voortaan controleren hoe de verkiezingsuitslag is berekend. We maken het stemmen en het stembiljet toegankelijker. We kijken bovendien hoe we onze democratie kunnen aanpassen aan de eisen van deze tijd. We onderzoeken de impact van digitalisering op de nationale en lokale democratie. De Staatscommissie Parlementair Stelsel buigt zich over de vraag of het parlementaire stelsel nog beantwoordt aan de eisen van de tijd. Eind 2018 komt zij met haar rapport. In 2019 gaat het kabinet aan de slag met de uitkomsten van dit onderzoek.

Met een ambitieuze, brede agenda pakken we overheidsbreed onbenutte kansen op die de informatiesamenleving biedt voor vernieuwing van het openbaar bestuur en voor de aanpak van belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Deze agenda digitale overheid, genaamd NL DIGIbeter, is onderdeel van de bredere digitaliseringsstrategie van dit kabinet. In NL DIGIbeter staan we een aanpak voor waarin technologische en sociale innovatie hand in hand gaan, met oog voor de kernwaarden van onze democratie. Zo is een belangrijk uitgangspunt dat iedereen mee kan doen. We voeren nationale en internationale dialogen en smeden coalities met medeoverheden, uitvoeringsorganisaties, bedrijven, kennisinstellingen en klankbordgroepen met inwoners en bedrijven. Omdat digitalisering zich niet aan landsgrenzen houdt, werken we nauw samen met andere Europese landen en organisaties.

We investeren in de mogelijkheden van nieuwe technologieën om overheidsdienstverlening en de inrichting van het openbaar bestuur te vernieuwen. We maken de dienstverlening persoonlijker en experimenteren samen met de markt, wetenschap en startups met creatieve oplossingen. Om innovatie te stimuleren, stellen we budget beschikbaar aan overheden en bedrijven voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken die meer dan één overheidsinstantie raken. Daarnaast stimuleren we het gebruik van open data, opensource toepassingen, standaarden en duurzame toegankelijkheid. Verder gaan we het gesprek aan met de initiatiefnemers van het wetsvoorstel Open Overheid om te onderzoeken hoe de verruiming van openheid gestalte kan krijgen zonder hoge kosten voor de organisatie en uitvoering.

We hebben een breed pakket aan digitale voorzieningen, standaarden en afspraken die veilig en betrouwbaar zijn, zoals DigiD en de basisregistraties. Hier zijn we trots op. Dit vormt de solide basis waarop we verder bouwen. Veel voorzieningen vergen een moderniseringsslag, zoals de voorzieningen voor digitaal machtigen en MijnOverheid. We gaan MijnOverheid verbeteren. Mensen en bedrijven moeten op MijnOverheid regie op hun eigen gegevens kunnen voeren, digitale identiteitsmiddelen en machtigingen kunnen regelen en berichten kunnen ontvangen van de overheid én ook kunnen sturen naar de overheid.

Overheden krijgen door de stelselherziening van het omgevingsrecht meer afwegingsruimte om doelen in de leefomgeving te bereiken. Hierdoor wordt de leefomgeving centraal gesteld in beleid, besluitvorming en regelgeving. Regels worden eenvoudiger en inzichtelijker voor mensen en bedrijven en besluitvorming over projecten in de leefomgeving versnelt en verbetert. Daarmee versterken we bovendien de verbinding tussen mensen en overheden. Samen met de Unie van Waterschappen (UvW), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) implementeren we de Omgevingswet. Het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) maakt het contact tussen mensen of bedrijven met overheden eenvoudiger en eenduidiger. Uitgangspunt is toegankelijkheid van informatie voor iedereen. Inwoners, bedrijven en professionals kunnen met hun vragen over omgevingsrecht bij het Informatiepunt terecht. We bereiden alle overheden voor om aan de slag te gaan met het nieuwe stelsel door uitgebreide invoeringsonder-steuning.

Het gebruik van bodem- en ondergrondgegevens bij de overheid en particuliere organisaties is de laatste decennia sterk toegenomen, zowel kwalitatief als kwantitatief. Deze gegevens spelen een cruciale rol op uitvoerend niveau, maar zijn ook van belang bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Zo zijn deze gegevens nodig om de gevolgen van klimaatverandering te bepalen. BZK is verantwoordelijk voor de grote basisregistraties op dit terrein. De nationale geo-informatieinfrastractuur (NGII) brengen we verder met de realisatie van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) en met meer integratie van de geografische (basis)registraties (zoals Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), Basisregistratie Waardering Onroerende Zaken (WOZ)). Dit vormt een complexe operatie waarbij de inzet van de uitvoeringsorganisaties, zoals het Kadaster, essentieel is.

In 2017 is de operatie Basisregistratie Personen (BRP) gestopt. Het huidige technische systeem (GBA-V) blijft daardoor langer in gebruik dan voorzien. Gezamenlijk met de stakeholders, gemeenten en andere gebruikers ontwikkelen we een visie op het BRP-stelsel in de toekomst. De eerste beelden zijn hiervoor opgehaald. Volgende stap is het vastleggen van richtinggevende principes op het toekomstige model van de BRP.

Deze visiebrief zal in 2020 naar de Tweede Kamer worden gestuurd, waarna we een gezamenlijke ontwikkelagenda formuleren om de visie technisch te realiseren. Daarbij houden we rekening met het BIT-advies en de lessen van de Commissie BRP (Kamerstukken II 2017-2018, 27 859 nr. 124).

Bescherming van de democratie en grondrechten

Onze democratie verdient bescherming tegen ondermijnende invloeden, dreigingen van buitenaf en tegen onbedoelde gevolgen van de informatiesamenleving. De dreiging voor de democratie en nationale veiligheid zal, onder meer door het ontstaan en voortduren van wereldwijde conflicten, de komende jaren niet afnemen. Met de digitalisering nemen ook dreigingen en kwetsbaarheden toe. De cyberdreiging is meervoudig, er is namelijk sprake van digitale spionage, sabotage en van ongewenste buitenlandse inmenging.

Daarnaast blijft de jihadistische-terroristische dreiging aanhouden, die wel van aard verandert en voorlopig niet minder wordt. Vanaf 2019 wordt de nieuwe Geïntegreerde Aanwijzing Inlichtingen en Veiligheid (GA I&V) van kracht. In de nieuwe GA I&V geeft het kabinet aan wat noodzakelijk wordt geacht voor een veilig Nederland, voor een goed geïnformeerde regering en voor de internationale veiligheid. Daarin worden deze en andere relevante dreigingen geadresseerd en bepalen daarmee de inhoudelijke taakuitvoering van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De GA I&V wordt ieder jaar geëvalueerd.

Cyberdreiging is de dreiging van vandaag en morgen. We constateren dat steeds meer landen heimelijke offensieve digitale operaties uitvoeren. De complexiteit van dergelijke operaties neemt toe. Deze operaties zijn onder andere gericht op het volgen en intimideren van diasporagemeen-schappen in Nederland («de lange arm»), de aantasting en ondermijning van politiek-bestuurlijke en democratische besluitvorming en ontvreemding van strategische bedrijfsinformatie of hoogwaardige (technologische) kennis. Met name dit laatste tast het economisch verdienvermogen van Nederland aan. De toename van waargenomen digitale aanvallen op vitale infrastructuur in West-Europa om digitale sabotage mogelijk te maken, is een zorgelijke ontwikkeling. De AIVD werkt nauw samen met de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) om de rijksoverheid en publieke en private organisaties inzicht te kunnen verstrekken over het cyberdreigingsbeeld en (mogelijke) concrete digitale aanvallen. Ook wordt advies verstrekt op het gebied van informatiebeveiliging en schadeherstel.

Om de dreiging van ondermijning en ondemocratische beïnvloeding van het democratisch proces tegen te gaan en om te zorgen voor de veiligheid en integriteit van politieke ambtsdragers, werken we in een gezamenlijke aanpak aan bewustwording, versterking van de informatiepositie en het handelingsperspectief van het lokaal bestuur. Dat doen we onder andere met het Netwerk Weerbaar Bestuur (Kamerstukken II 2017-2018, 28 684, nr. 536), het programma Versterking Lokale Democratie en Bestuur (Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 VII, nr. 69) en het Strategisch beraad Ondermijning (Kamerstukken II 2017-2018, 29 911, nr. 207).

Het is vanzelfsprekend dat ook in het digitale tijdperk waarden en grondrechten als veiligheid, privacybescherming, zelfbeschikking en solidariteit voorop staan. Daarom willen we de rechten van mensen en ondernemers beschermen én versterken als die onder druk komen te staan door nieuwe ontwikkelingen, zoals Artificial Intelligence (AI) en toepassing van algoritmen. Hiertoe voeren we het maatschappelijk debat over rechten in de informatiesamenleving en maken we een nationale data agenda waarin staat wat de overheid in zijn geheel gaat doen om (nog) beter om te gaan met persoonsgegevens, open data en big data.

Een samenleving waarin iedereen mee kan doen

BZK staat voor een samenleving waarin iedereen mee kan doen. Dat geldt voor mensen met een beperking, voor mensen die digitaal minder vaardig zijn en mensen die moeite hebben om berichten van diensten van de overheid te begrijpen. Voor die mensen willen we samen met andere betrokken departementen een merkbare verbetering realiseren met het actieprogramma «Onbeperkt meedoen! Implementatie VN-Verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap». Zo maken we bijvoorbeeld het verkiezingsproces toegankelijker. Vanaf volgend jaar moeten alle stemlokalen toegankelijk zijn voor kiezers met een lichamelijke beperking. En we voeren gesprekken met relevante organisaties om te kijken of hulp in het stemhokje is toe te staan aan kiezers met een verstandelijke beperking.

We stimuleren overheidswerkgevers een maximale inspanning te leveren om meer mensen met een arbeidsbeperking bij de overheid te behouden en in te laten stromen en zo het ingestelde wettelijk quotum te halen. Alle ministeries hebben een meerjarig plan van aanpak opgesteld om meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. We werken samen om de instroom van mensen met een arbeidsbeperking op hbo- of wo-niveau bij het Rijk te versnellen en efficiënter te maken. De Rijkdienst kan haar inkoopkracht benutten om, bijvoorbeeld via Social Return eisen voor leveranciers, de bedrijven waar het mee samenwerkt aan te zetten om mee te doen.

Om mee te kunnen doen, moeten publieke gebouwen goed toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. In de praktijk is dat nu niet altijd het geval. Het Rijksvastgoedbedrijf neemt daarom maatregelen in een aantal grote rijkskantoren (ministeriegebouwen) in Den Haag. Andere maatregelen worden de komende tijd bij regulier onderhoud, verbouwingen of grote renovaties meegenomen. Het Rijksvastgoedbedrijf onderzoekt ook of maatregelen in de rest van de vastgoedportefeuille van het Rijk nodig zijn.

Maar de verantwoordelijkheid van BZK gaat verder dan alleen publieke gebouwen. In 2019 voeren we het actieplan uit dat gezamenlijk met de bouwsector, cliëntorganisaties en mensen met een beperking is opgezet om de toegankelijkheid van gebouwen (waaronder woningen) voor mensen met een beperking te verbeteren. Er komen eenduidige richtlijnen voor toegankelijk (ver)bouwen, met het doel om partijen concrete handvatten te bieden voor de vraag wanneer gebouwen voldoende toegankelijk zijn en welke maatregelen zij daartoe kunnen nemen. Ook onderzoeken we of knelpunten in de praktijk moeten leiden tot aanvullende eisen in het Bouwbesluit. We volgen nadrukkelijk de afgesproken acties en de effecten daarvan en sturen waar nodig en mogelijk bij.

Op die manier bevorderen we de rechten van mensen met een beperking die volgen uit het VN-verdrag voor de rechten van personen met een handicap. BZK is als hoeder van de Grondwet breder verantwoordelijk voor mensenrechten. Eind 2019 brengt BZK een Nationaal Actieplan Mensenrechten uit, waarin het kabinet aangeeft hoe het de mensenrechten in Nederland wil beschermen en bevorderen.

Via cursussen en ondersteuning helpen we mensen die moeite hebben met digitalisering. Inwoners en ondernemers krijgen meer mogelijkheden om anderen digitaal te machtigen, zodat anderen namens hen bepaalde zaken met de overheid kunnen regelen. Diensten en communicatie van de overheid moeten zo goed mogelijk aansluiten bij de wensen, verwachtingen en situatie van inwoners en ondernemers. Daarom worden zij actief betrokken bij het verbeteren en ontwikkelen van de overheidsdienstverlening.

Wonen in energiezuinige woningen en in een prettige leefomgeving De tijd van de dip in de woningmarkt ligt inmiddels achter ons. Sinds het einde van de crisis is het verschil tussen de vraag naar en het aanbod van woningen enorm toegenomen. De woningmarkt wordt steeds krapper, al zijn regionale verschillen nog steeds groot. Tegelijkertijd worden meer bouwvergunningen afgegeven en worden weer meer woningen opgeleverd. Maar het is nog niet genoeg: tot 2025 moeten jaarlijks zo'n 75 duizend woningen van de juiste kwaliteit en passend bij de behoefte worden bijgebouwd.

In Nederland is het altijd passen en meten geweest om ruimte te vinden om te wonen, werken, bewegen en recreëren. De kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave is dan ook een belangrijk onderdeel van de NOVI waarin we evenwicht zoeken met ruimtelijke prioriteiten rond energie, mobiliteit, natuur en water. We houden rekening met duurzame landbouw en beschermen open ruimten zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe. Bovendien verankeren we in de NOVI het ruimtelijk perspectief op vitaal en leefbaar houden van krimpregio's inclusief het Groninger aardbevingsgebied.

We zijn in gesprek met de regio's over woningbouw, doorstroming op de woningmarkt, mobiliteit, de leefbaarheid van wijken en vraagstukken gerelateerd aan krimp. Met de regio's stellen we een ruimtelijk kwaliteits-kader op voor woningbouwlocaties. In de Nationale woonagenda hebben we met een breed spectrum aan maatschappelijke partijen afspraken gemaakt om de bouwproductie te versnellen en te vergroten en om de woningvoorraad beter te benutten en betaalbaar te houden (Kamerstukken II 2017-2018, 32 847, nr. 365). Partijen willen deze prioriteiten samen oppakken, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en expertise.

Als rijksoverheid nemen we belemmeringen zoveel mogelijk weg en maken we ruimte om te experimenteren. We kijken hoe we onderbenutte binnenstedelijke locaties versneld kunnen transformeren voor woningbouw. We passen de Crisis- en herstelwet aan om ruimtelijke plannen sneller uit te voeren en geplande bouwprojecten naar voren te halen door bijvoorbeeld kortere (aanvraag)procedures (Kamerstukken II 2017-2018, 33 118 nr. 102). Verder beschermen we mensen tegen risico's van de spanning op de woningmarkt. We kijken naar de kwaliteit van woningtaxaties en wijzen consumenten nadrukkelijker op de mogelijkheid om een voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring op te nemen in de koopovereenkomst.

De opgave om sneller en meer te bouwen en de bestaande woningvoorraad beter te benutten, ligt primair bij medeoverheden en andere regionale partijen. In de meest gespannen regio's brengen we in kaart wat we kunnen doen om het aantal bouwplannen te vergroten. Aan andere regio's bieden we ondersteuning met het expertteam woningbouw. In de regio's moet ook de vraag beantwoord worden of de woningvoorraad wel past bij de vraag van huishoudens, nu en in de toekomst.

Op het lokale schaalniveau manifesteren problematische situaties en excessen op de woningmarkt zich het eerst. Het gaat dan om discriminatie, malafide verhuurders, excessen als gevolg van toeristische verhuur of bewoning van vakantieparken. Met de betrokken sectoren kijken we hoe dergelijke excessen aangepakt en voorkomen kunnen worden en of gemeenten voldoende sturingsmogelijkheden hebben.

Er zijn nog steeds te weinig huurwoningen in het middensegment. Het is aan de lokale partijen om gezamenlijk afspraken te maken om middenhuur te bouwen, te bestemmen en te behouden. Ook hier ondersteunen we de lokale samenwerkingstafels via het Expertteam Woningbouw. Waar nodig halen we belemmeringen weg. Zo komt er een wetsvoorstel Maatregelen middenhuur met daarin de vereenvoudiging van de markttoets en verduidelijken we de Huisvestingswet. Met lokaal maatwerk kunnen gemeenten specifieke oplossingen voor knelpunten uitwerken.

Sommige huishoudens op de woningmarkt hebben een extra steuntje nodig om geschikte woonruimte te vinden. Binnen het Platform hypotheken bespreken we met de sector knelpunten en oplossingen in de hypotheekverstrekking voor senioren en koopstarters. Met maatschappelijke partners hebben we het Pact voor de Ouderenzorg ondertekend, om ervoor te zorgen dat ouderen en mensen met een beperking in de juiste woning op de juiste plaats wonen (Kamerstukken II 2017-2018, 31 765, nr. 299). Daarnaast willen we de doorstroming vanuit beschermd wonen en maatschappelijke opvang richting zelfstandig(er) wonen bevorderen.

We verbeteren de veiligheid van woningen door de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te verbeteren en versterken de positie van de consument als opdrachtgever in de bouw. In het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen (Kamerstukken II 2015-2016, 34 453, nr. 2) vergroten we de aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering van bouwwerken. Belangrijk onderdeel van de wet is dat de gemeente niet langer de kwaliteit van het bouwwerk toetst. Hiervoor komt een onafhankelijke private kwaliteitsborger. Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer bezien we hoe we aan nog levende zorgpunten over het wetsvoorstel tegemoet kunnen komen.

De woningopgave is niet los te zien van de noodzakelijke energie- en klimaattransitie en vraagt een integrale aanpak. Woningcorporaties hebben een belangrijke rol in het verwezenlijken van de ambities voor een betaalbare woningmarkt en de energietransitie. Voor de gereguleerde huursector hebben we aan partijen gevraagd om per 1 oktober 2018 een nieuw akkoord af te sluiten. Hierbij betrekken we ook de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN) en Vastgoed Belang. Om huurwoningen in de sociale sector te verduurzamen kunnen woningcorporaties gebruik maken van de vermindering van de verhuur-derheffing, waarvoor het kabinet structureel € 100 mln. heeft vrijgemaakt. Daarnaast krijgen woningcorporaties een tegemoetkoming in het kader van de toegenomen fiscale lasten van woningcorporaties en de woning-marktambities van dit kabinet. Vanaf 2019 verlagen we de verhuurder-heffing structureel met € 100 mln., door het tarief te verlagen.

De klimaat- en energietransitie is één van de grootste opgaven voor de ruimtelijke ordening van de komende decennia. Duurzame energie heeft veelal een groter ruimtelijk beslag dan fossiele energie. De transitie heeft daarom een ruimtelijke impact, zowel op land als op zee, boven en onder de grond. Voor het Klimaatakkoord zetten we daarom ruimtelijke expertise in om de ruimtelijke impact van de transitie vroegtijdig in beeld te krijgen en deze mee te wegen in de te nemen beslissingen. De uitkomsten hiervan dienen ook als onderbouwing voor de te maken keuzes in de NOVI. Aansluitend werken medeoverheden en Rijk samen aan Regionale Energiestrategieën, waarin we middels een programmatische aanpak samenwerken om de klimaat- en energietransitie regionaal vorm te geven.

In het regeerakkoord is de ambitie opgenomen om broeikasgassen met 49% te verminderen in 2030 ten opzichte van 1990. Het kabinet heeft dit vertaald naar indicatieve opgaven voor de vijf sectoren: gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw en landgebruik, elektriciteit en industrie. De gebouwde omgeving is goed voor ruim 30% van het totale energieverbruik in Nederland en gebruikt hiervoor circa 90% aardgas. De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de gebouwde omgeving ingevuld moet worden, bedraagt 3,4 megaton koolstofdioxide (CO2). Onze ambitie is om 30.000 - 50.000 woningen per jaar aardgasvrij of aardgasvrij-ready te maken voor het einde van de kabinetsperiode. In het Klimaatakkoord worden in 2018 nadere afspraken gemaakt over de maatregelen die hiervoor nodig zijn. Onderdeel hiervan is een wijkgerichte aanpak die in 2018 reeds gestart is met grootschalige proeftuinen gericht op opschaling en het opdoen van kennis en ervaring. Goede betrokkenheid van bewoners en gebouweigenaren is van groot belang.

Ook woningeigenaren stimuleren we om maatregelen te nemen. Zij kunnen gebruik maken van laagrentende leningen voor energiebesparing uit Het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF). Het Rijk zet extra middelen in om geld van banken aan te trekken en aantrekkelijke leningen aan te bieden met name gericht op Verenigingen van Eigenaren (VvE's). We onderzoeken de mogelijkheden om het NEF verder te verbeteren, onder meer met langere looptijden voor leningen aan VvE's om zo grote energiezuinige renovaties mogelijk te maken.

In 2019 zetten we verder in om kantoren, scholen, zorginstellingen, sporthallen en andere utiliteitsgebouwen te verduurzamen. Vanaf 2023 mogen kantoren met een oppervlakte van 100m2 of meer, met uitzondering van monumentale panden en enkele andere categorieën, alleen nog gebruikt worden als zij minstens energielabel C hebben (Kamerstukken II, 2016-2017, 30 196, nr. 485). Verdere maatregelen werken we uit in het Klimaatakkoord. We verkennen hoe toekomstig beleid voor de utiliteitsbouw succesvol is in te richten, hoe expertise is op te bouwen en proefprojecten zijn uit te voeren.

Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners versnellen we de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed inclusief gebouwen in bezit van het Rijk. Een voorbeeld hiervan is het Innovatieprogramma aardgasvrije en frisse basisscholen. In circa tien pilots worden energie-onzuinige schoolgebouwen verduurzaamd tot aardgasvrije scholen met een goed binnenklimaat. Daarmee doen we ervaring op om de verduurzaming van schoolgebouwen verder op te schalen. We maken het voor aanbieders, scholen en gemeenten makkelijker om te kiezen voor verduurzaming via eenvoudig toe te passen verduurzamingsconcepten. Ook investeren we de komende jaren in de duurzaamheid van het rijksvastgoed. In het project EnergieRijk Den Haag verduurzamen we samen met de gemeente, provincie en marktpartijen de overheidsgebouwen in het centrumgebied van Den Haag.

Een aardgasvrije gebouwde omgeving is een grote opgave en voldoende tempo is nodig om deze doelstelling tijdig te halen. Beschikbare oplossingen zijn vaak nog duur en passen onvoldoende bij de verschillende gebouwtypen en de wensen van de bewoners. Om oplossingen te verbeteren is in 2018 gestart met een innovatieprogramma in samenwerking met het Topconsortium voor Kennis en Innovatie Urban Energy en de Bouwagenda. Naast een innovatieprogramma gericht op onderzoek en ontwikkeling is er ook ruimte voor pilots met eerste prototypes, als voorbereiding op bredere opschaling via de aardgasvrije wijken aanpak.

Een Rijksdienst die met de tijd meegaat vraagt continue aandacht De opgaven van deze tijd vragen om een sterke Rijksdienst die meegaat met de tijd. Effectiviteit staat daarbij voorop, niet de departementale grenzen. BZK is zowel kadersteller, opdrachtgever als uitvoerder. We pakken kansen op om de bedrijfsvoering te verbeteren en tegelijkertijd kabinetsambities rond verduurzaming en diversiteit te realiseren.

Moderne cao's met moderne arbeidsvoorwaarden zijn essentieel voor een goed functionerende, toekomstbestendige arbeidsmarkt in de publieke sector. Dit betekent méér ruimte voor maatwerk en keuzevrijheid in de verdeling tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en investeren in duurzame inzetbaarheid. Onderdeel van de modernisering is de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren. Voor het Rijk als werkgever staat 2019 in het teken van de implementatie van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) en de eerste privaatrechtelijke Rijkscao. De implementatie van de Wnra geeft een impuls om binnen de Rijksdienst de samenwerking over departementsgrenzen heen te versterken.

We stimuleren integriteit door in te zetten op een veilige werkcultuur. Daarvoor versterken we de positie van vertrouwenspersonen en doen we onderzoek naar ongewenste omgangsvormen. De samenwerking met andere overheidswerkgevers en relevante partners wordt hierbij voortgezet. De Gedragscode Integriteit Rijk wordt onder andere aangepast aan de invoering van de Wet normalisering ambtelijke rechtspositie.

Voor ons werk is kennis van ICT onmisbaar geworden. Daarom richten we een academie op waar ambtenaren hun kennis en kunde op het terrein van ICT kunnen vergroten. De nieuwe RijksAcademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO) is begin 2018 begonnen met het eerste aanbod voor beleidsambtenaren. De komende jaren zetten we de organisatie op en breiden we het aanbod uit voor de doelgroepen beleid, uitvoering, toezicht en bedrijfsvoering voor het Rijk en medeoverheden.

De Algemene Bestuursdienst (ABD) heeft het voortouw genomen met scholing aan onze topambtenaren. Vanaf 2019 komen daar ook de midden-managers bij.

Maar we werken niet alleen aan moderne arbeidsvoorwaarden. Bij vrijwel alle betrokken partijen groeit het besef dat het huidige overlegmodel van het bovensectorale overleg in de publieke sector aan vernieuwing toe is. Het gesprek over onderwerpen als een krapper wordende arbeidsmarkt en banen voor mensen met een arbeidsbeperking wordt gemist. Aan de Sociaal Economische Raad is gevraagd te verkennen hoe decentrale overheidswerkgevers en onderwijswerkgevers beter zijn te betrekken bij besluitvorming over wetgeving. In 2019 zet het kabinet de gesprekken over de bovensectorale arbeidsverhoudingen met de betrokken sociale partners voort.

Meegaan met deze tijd betekent dat de informatiehuishouding en informatiebeveiliging op orde zijn. Met het programma Rijk aan Informatie (RAI) brengen we de basis voor vindbare en duurzaam toegankelijke overheidsinformatie op orde en maken we overheidsinformatie toekomst-bestendig. Waar mogelijk lossen we knelpunten in de informatiehuishouding geautomatiseerd op. In 2019 versterken we de informatiehuishouding en richten we onze aandacht op het overbrengen, bewaren, archiveren of vernietigen van digitale informatie. We verbeteren de samenwerking en het versterken rol van de medewerker in de informatiehuishouding.

De Algemene Rekenkamer heeft rijksbreed een aanzienlijk aantal onvolkomenheden vastgesteld op het gebied van informatiebeveiliging over de laatste jaren. We werken uit hoe we de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over het versterken van de centrale rol voor BZK/CIO Rijk vorm kunnen geven, als systeemverantwoordelijke en als vormgever van architectuur en infrastructuur op het gebied van informatiebeveiliging. In het najaar van 2018 sturen we een kamerbrief met de nadere uitwerking.

In de afgelopen jaren is gebouwd aan een gemeenschappelijke rijksbrede bedrijfsvoering. De vorming van shared service organisaties (SSO's) was hiervan onderdeel, vooral ingegeven vanuit kostenbesparingen. Steeds meer springt in het oog dat de bedrijfsvoering op afstand van het primaire proces is geplaatst. Dit heeft consequenties voor de ervaren kwaliteit van dienstverlening. We werken aan het structureel op orde krijgen van de basis per SSO. In dit kader is een quickscan uitgevoerd bij UBR, met SSO-breed toepasbare aanbevelingen, en is opdracht gegeven voor een doorlichting van SSC-ICT. Gelijktijdig gaat het ook om resultaten te halen in onderlinge samenwerking tussen SSO's, opdrachtgevers en in wisselwerking met beleid. We werken aan meer voorspelbare en transparante tarieven en integrale dienstverlening in klantnabijheid. Waar mogelijk met inzet van bewezen innovatieve technieken en aanpakken.

De eisen die aan het rijksvastgoed worden gesteld zijn de afgelopen jaren flink toegenomen. Dit zal de komende jaren niet minder worden. Er staan investeringen gepland in de kantorenportefeuille in Utrecht, Enschede, Zwolle, Leeuwarden, Rotterdam en Eindhoven en aan de rechtbanken Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Amsterdam. Andere grote projecten zijn de nieuwbouw voor het European Medicines Agency (EMA) en de renovatie van het Binnenhof. Naast de reguliere verkoop- en onderhouds-opdracht zetten we rijksvastgoed in voor maatschappelijke opgaven. De verwachting van onze omgeving (opdrachtgevers en beleidsbepalers) is groot. Met het integraal programma brengen we de vraag voor de komende jaren in kaart en brengen we deze meer in balans met de capaciteit van het Rijksvastgoedbedrijf en de toenemende spanning op de bouw- en vastgoedmarkt. Hiervoor maken we meerjarige afspraken met de grote klanten van het Rijksvastgoedbedrijf en ontwikkelen we met marktpartijen tijdig een gezamenlijke aanpak voor de uitvoering.

In 2019 starten we met de uitvoering van de geactualiseerde master-plannen. Bij de actualisatie zijn rijksbrede thema's, onder meer op het terrein van verduurzaming van de gebouwde omgeving, maatschappelijk gewenste gebiedsontwikkeling, en herbestemming en herontwikkeling van het rijksvastgoed voor maatschappelijke doeleinden meegenomen. Hierbij wordt een optimaal financieel en maatschappelijk rendement in het oog gehouden. De masterplannen worden daarbij meer vanuit een integraal bedrijfsvoeringperspectief ingericht met aandacht voor facilitair management, beveiliging en ICT-voorzieningen.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten, uitgaven en niet-belastingontvangsten)

Uitgaven

Opbouw uitgaven (bedragen x € 1.000)

 
 

art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018 (inclusief NvW)

 

5.455.381

5.456.705

5.417.979

5.515.872

5.649.652

0

 

Stand ontwerpbegroting 2018 (na ISB)

 

5.550.381

5.456.705

5.417.979

5.515.872

5.649.652

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting

2018

 

224.925

47.104

18.061

22.057

  • 36.492

0

 

Belangrijkste mutaties

  • 1) 
    Afdracht NHG 2017

3

30.608

0

0

0

0

0

  • 2) 
    Kasschuif STEP

4

  • 75.000
  • 69.000

144.000

0

0

0

  • 3) 
    Kasschuif SEEH

4

  • 13.000

13.000

0

0

0

0

  • 4) 
    Kasschuif NEF

4

0

10.000

  • 10.000

0

0

0

  • 5) 
    Kasschuif Energielabel

4

  • 3.500

3.500

0

0

0

0

  • 6) 
    Kasschuif BRO

5

  • 4.917

1.121

882

1.869

1.045

0

  • 7) 
    Kasschuif projecten BIRK en

Nota Ruimte

5

  • 9.650
  • 1.070

5.789

400

3.360

1.171

  • 8) 
    Kasschuif omgevingswet (bijdrage medeoverheden)

5

  • 9.177

9.177

0

0

0

0

  • 9) 
    Bijdrage elD OCW

6

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

  • 10) 
    Klimaatenvelop

8

2.250

0

0

0

0

0

  • 11) 
    Evaluatie FMHaaglanden

11

4.453

4.752

4.943

4.943

4.943

4.943

  • 12) 
    Kasschuif vennootschapsbelasting (VPB)

12

0

  • 2.500

2.500

0

0

0

 

Overige mutaties

 

3.723

6.717

238

2.651

4.901

5.769.267

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

5.703.096

5.481.506

5.586.392

5.549.792

5.629.409

5.777.381

Toelichting

  • 1) 
    Afdracht NHG 2017

De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) betaalt jaarlijks een achtervangvergoeding voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). De jaarlijkse vergoeding wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoor-ziening NHG. De afdracht over het boekjaar 2017 bedraagt € 30,6 mln.

  • 2) 
    Kasschuif STEP

Eerder is de aanvraagperiode voor subsidie binnen de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP) verlengd tot en met 2018. Een vastgestelde subsidie wordt pas uitbetaald als het energielabel in het register is aangepast. Dit moet uiterlijk binnen twee jaar geschieden. Het kasritme is aangepast naar de verwachte uitbetalingen in de periode 2018-2020.

  • 3) 
    Kasschuif SEEH

Binnen de middelen voor de Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) wordt het deel voor verenigingen van eigenaren op basis van de meest recente prognoses van het aantal aanvragen doorgeschoven naar 2019.

  • 4) 
    Kasschuif NEF

De geplande bijdrage aan het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) voor 2020 wordt een jaar eerder beschikbaar gesteld.

  • 5) 
    Kasschuif Energielabel

Op 1 januari 2020 worden de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG) van kracht. In het kader daarvan wordt momenteel gewerkt aan de nieuwe bepalingsmethode energieprestatie. Hierdoor zijn de aanpassingen aan het energielabel in de tijd zijn verschoven en wordt een deel van de beschikbare middelen doorgeschoven naar 2019.

  • 6) 
    Kasschuif BRO

Bij 1e suppletoire begroting 2018 zijn middelen voor Basisregistratie ondergrond (BRO)overgeheveld vanuit het Deltafonds naar de begroting van BZK. Op basis van de vier voorziene tranches in de periode 2018-2022 zijn de beschikbare middelen in het verwachte kasritme gezet.

  • 7) 
    Kasschuif projecten BIRK en Nota Ruimte

De middelen voor de projecten BIRK en Nota Ruimte zijn op basis van recente inzichten in het verwachte kasritme gezet. De voortgang van deze langlopende projecten laat zien dat de volgtijdelijkheid van werkzaamheden, in verband met bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid in het gebied, niet meer binnen de overeengekomen einddatum zullen worden afgerond. De resterende subsidiebedragen komen hiermee ook later tot betaling.

  • 8) 
    Kasschuif omgevingswet (bijdrage medeoverheden)

Bij 1e suppletoire begroting 2018 zijn middelen voor de omgevingswet overgeheveld vanuit het Infrastructuurfonds. Op basis van de verwachte bijdragen aan ontwikkelpartners is een deel van het budget doorgeschoven naar 2019.

  • 9) 
    Bijdrage eID OCW

Dit betreft de structurele bijdrage van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aan de stelselkosten eID.

  • 10) 
    Klimaatenvelop

Vanuit de klimaatenvelop uit het regeerakkoord is er voor klimaat (CO2-reductie) en de circulaire transitie in 2018 € 2,25 mln. beschikbaar voor de Rijksinkoop. Een deel daarvan wordt nu aangewend voor CO-2 meting en grootschalig onderhoud inkoopcriteria.

  • 11) 
    Evaluatie FMHaaglanden

Dit betreft overboekingen van/naar diverse departementen, als uitvloeisel van de evaluatie centrale bekostiging FMHaaglanden zoals besloten in de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst (ICBR).

  • 12) 
    Kasschuif vennootschapsbelasting (VPB)

Dit betreft een kasschuif die samenhangt met de kasschuif van de veiling van locaties van benzinestations (zie ontvangsten). Door een verschuiving in de ontvangsten uit de veiling van benzinestation locaties, vindt er ook een verschuiving plaats in het kasritme van de verschuldigde VPB.

Ontvangsten

 

Opbouw ontvangsten (bedragen x € 1.000)

art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018 (inclusief NvW)

668.894

716.513

706.924

655.538

642.538

0

 

Stand ontwerpbegroting 2018 (na ISB)

668.894

716.513

706.924

655.538

642.538

0

Mutatie Ie suppletoire begroting

 

2018

140.974

  • 13.962
  • 5.656

17.228

12.936

0

Belangrijkste mutaties

 
  • 1) 
    Afdracht NHG 2017

3

30.608

0

0

0

0

0

  • 2) 
    Kasschuif veiling locaties
             

benzinestations

9

0

  • 10.000

10.000

0

0

0

  • 3) 
    Desaldering ontvangsten GDI

12

0

  • 15.000
  • 15.000
  • 15.000
  • 15.000

0

 

Overige mutaties

 

311

1.886

0

0

0

634.474

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

840.787

679.437

696.268

657.766

640.474

634.474

Toelichting

  • 1) 
    Afdracht NHG 2017

De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) betaalt jaarlijks een achtervangvergoeding voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). De jaarlijkse vergoeding wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoor-ziening NHG. De afdracht over het boekjaar 2017 bedraagt € 30,6 mln.

  • 2) 
    Kasschuif veiling locaties benzinestations

De veiling van ieder afzonderlijke locatie voor een benzinestation langs een rijksweg geschiedt één keer per 15 jaar. Vanwege een temporisering in eerdere jaren wordt de ontvangstenraming voor 2019 verlaagd en voor 2020 verhoogd.

  • 3) 
    Desaldering ontvangsten GDI

Bij het samenstellen van de aanvullende post GDI in 2015 is besloten € 15 mln. structureel op de begroting van BZK als ontvangst te boeken. Dit had als doel deze middelen via een doorbelasting op te halen bij belanghebbenden. Inmiddels is de doorbelasting georganiseerd middels facturatie vanuit de uitvoerder. Hiermee is de ontvangstenreeks op de begroting BZK niet meer nodig.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

 

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x1.000)

 

Art.nr.

Naam artikel (totale uitgaven per artikel)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-Juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Openbaar bestuur en democratie (59.323)

48.939 (82%)

10.384 (18%)

  • Verbinding inwoner en overheid (5.231)
  • Bestuur en regio (2.532)
  • Politieke partijen (891)
  • Overig (1.730)

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit (209.008)

206.585

(99%)

2.423 (1%)

  • Bouwregelgeving en bouwkwaliteit (1.637)
  • Energietransitie en duurzaamheid (550)
  • Overig (236)

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet (102.919)

86.638 (84%)

16.281 (16%)

  • Aan de slag (9.136)
  • Programma Ruimtelijk Ontwerp (1.189)
  • Ruimtelijk instrumentarium (933)
  • Eenvoudig Beter (950)
  • Basis Registratie Ondergrond (826)
  • Overig (3.247)

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving (174.479)

83.960 (48%)

90.519 (52%)

  • Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid (56.943)
  • Overheidsdienstverlening (10.191)
  • Identiteitsstelsel (8.838)
  • Informatiebeleid en -samenleving (6.458)
  • Overig (8.089)

7

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid (33.427)

24.853 (74%)

8.574 (26%)

  • Betreft contracten Kandidatenprogramma opleidingen, DG-abelen en ABD doelgroep-opleidingen, informatiesysteem doelgroepen, professionalisering MD Rijk en kosten profesionalisering Interim-managers (2.284)
  • Werkgeversbeleid (2.532)
  • Bedrijfsvoeringsbeleid (2.198)
  • FMHaaglanden (kwaliteitsverbetering)

(1.528)

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid (117.329)

107.839

(92%)

9.490 (8%)

  • Een deel van de middelen voor onderhoud en beheerskosten is juridisch verplicht a.g.v. afspraken met de markt. Het niet verplichte deel zal worden ingezet voor onderhoud en beheer (3.825)

Het overgrote deel van de overige middelen is juridisch verplicht a.g.v. afspraken met de markt. Het restant is niet vrij beschikbaar omdat hiermee wordt bijgedragen aan het apparaat van het Rijksvastgoedbedrijf (o.a. Atelier Rijksbouwmeester) (5.665)

Totaal aan niet verplichte uitgaven

137.671

2.4 Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

 

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

   

(realisatie)

     

(planning)

Geheel

Artikel

Naam artikel

2017    2018

2019

2020

2021

2022    2023

artikel onderdeel?

1

Openbaar bestuur en democratie

           

1.1

Bestuur en regio

U

     

U

Ja

1.2

Democratie

U

     

U

Nee

2

Nationale veiligheid

         

NVT

3

Woningmarkt

           

3.1

Woningmarkt

       

U

Ja

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

           

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

     

U

 

Ja

4.2

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

     

U

 

Ja

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet

           

5.1

Ruimtelijke ordening

   

U

   

Ja

5.2

Omgevingswet

   

U

   

Ja

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

           

6.2

Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving

   

U

   

Ja

6.5

Identiteitsstelsel

 

U

     

Ja

6.6

Investeringspost digitale overheid

     

U

 

Ja

7

Werkgevers- en bedrijfsvoerings-beleid

           

7.1

Werkgevers- en bedrijfsvoerings-beleid

U

U

U

   

Ja

7.2

Pensioenen en uitkeringen

U

       

Nee

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

           

9.1

Doelmatige Rijkshuisvesting

     

U

 

Nee

9.2

Beheer materiële activa

   

U

   

Nee

Toelichting:

1.2 Democratie

De Kiesraad en de (subsidie) Politieke partijen worden niet door het ministerie geëvalueerd vanwege hun onafhankelijke positie.

  • 2. 
    Nationale veiligheid

Met ingang van 1 mei 2018 is de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WiV 2017) van kracht geworden. Een beleidsdoor-lichting is voor begrotingsartikel 2 (Rijksbegroting, hoofdstuk VII) op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WiV 2017) niet mogelijk. In dit kader wordt ook verwezen naar de artikelen 12, lid 3 en artikel 23 van de WiV 2017.

3.1    Woningmarkt

In dit artikel zitten ook de uitgaven voor onderzoek en kennisoverdracht besloten die niet specifiek gericht zijn op een bepaald beleidsdossier maar die ook betrekking hebben op zowel beleidsartikel 3 als 4

4.1    Energietransitie en duurzaamheid

De beleidsdoorlichting van het onderdeel Energietransitie gebouwde omgeving is gepland in 2021 en zal onder meer betrekking hebben op de realisatie van de doelen voor 2020 van het Energieakkoord. In deze beleidsdoorlichting worden de evaluaties van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP), het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF), de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH) en het Revolverend fonds energiebesparing verhuurders (met betrekking tot de leningen en de uitvoeringskosten) meegenomen.

4.2    Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

De beleidsdoorlichting van het onderdeel Bouwkwaliteit is gepland in 2021. Hierin zal onder meer gekeken worden naar het proces van de incorporatie van de bouwregelgeving in de Omgevingswet, waarvan inwerkingtreding is voorzien voor 2021.

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen - waarvan het voorstel op 11 juli 2017 op verzoek van de Minister is aangehouden door de Eerste Kamer - zal drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden. Deze evaluatie kan niet worden meegenomen in de voorziene beleidsdoorlichting voor Bouwkwaliteit in 2021.

6.6 Investeringspost digitale overheid

Artikel 6.6 betreft de Investeringspost voor doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid. De besluitvorming over besteding van deze middelen is onderdeel van de governance voor de digitale overheid. Het Instellingsbesluit sturing digitale overheid, waaronder de bepaling van de gezamenlijke middelen, wordt na één jaar geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie worden meegenomen in de evaluatie in 2020 over de besteding van de middelen. Deze resultaten zijn input voor de beleidsdoorlichting van artikelonderdeel 6.6 op basis waarvan zal worden besloten over continuering van de Investeringspost als apart artikelonderdeel.

7.1    Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Vanaf 2019 bestaat artikel 7 uit een aantal onderdelen die in vorige begrotingen nog separaat zijn gepresenteerd. Voor 2018 wordt het onderdeel Overheid als werkgever geëvalueerd. Terwijl voor 2019 het aspect Kwaliteit Rijksdienst wordt doorgelicht. Hierbij worden de subsidies Fysieke Werkomgeving Rijk en het A&O-fonds betrokken. Verder zal ingegaan worden op de budgetten op deze begroting voor de aspecten Bedrijfsvoering Rijk en Arbeidsmarkt Communicatie. Omdat het Bureau ICT Toetsing (BIT) pas sinds 2016 operationeel is, wordt deze pas in 2020 voor het eerst doorgelicht. In 2018 staat voor het BIT een tussenevaluatie gepland die wordt meegenomen in de beleidsdoorlichting in 2019. Een volgende doorlichting zal een integraal beeld geven van dit nieuwe artikel.

7.2    Pensioenen en uitkeringen

Voor beleidsartikel 7.2 geldt dat pensioenen en uitkeringen zich niet laten toetsen op doeltreffendheid en ten dele op doelmatigheid.

  • 9. 
    Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

De instrumenten op dit artikel hebben betrekking op de ondersteuning voor Rijkshuisvesting en het onroerend goed van en voor het Rijk. Voor de moederbijdrage geldt dat dit geen beleidsmatige doelstellingen kent en zich daarom niet leent voor een doorlichting in de zin van doelmatigheid en doeltreffendheid. Verder geldt dat voor artikelonderdelen 9.1 en 9.2 nu verscheidene evaluaties staan gepland in 2018 t/m 2020 welke dienen als basis voor de doorlichtingen die in respectievelijk 2020 en 2021 in de planning zijn opgenomen. Tenslotte is het Kader Overname Rijksvastgoed (KORV) bij verkoop geïntroduceerd in (medio) 2014 en wordt in 2020 doorgelicht. Deze doorlichting stond aanvankelijk in 2019 gepland, maar wordt thans gecombineerd met de doorlichting van artikelonderdeel 9.2

Voor een overzicht van de gerealiseerde beleidsdoorlichtingen en evaluaties wordt verwezen naar de meest recente jaarverslagen en/of de site van het Ministerie van Financiën: http://www.rijksbegroting.nl/ beleidsevaluaties.

Voor de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen en evaluaties wordt verwezen naar de bijlage bij deze begroting: «Evaluatie- en overig onderzoek». Voor de gerealiseerde beleidsdoorlichtingen en overige evaluaties zijn hyperlinks opgenomen die meteen verwijzen naar de betreffende documenten.

2.5 Overzicht van Risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

 

Artikel

Omschrijving

Uitstaande    Geraamd    Geraamd Uitstaande    Geraamd    Geraamd    Uitstaande    Totaal garanties    te    te    garanties    te    te    garanties    plafond

2017    verlenen    vervallen    2018    verlenen    vervallen    2019

2018    2018    2019    2019

Artikel 71

(Werkgevers- en bedrijfsvoe-ringsbeleid)

Rijkshypotheekga ranties

29

0

6

23

0

6

17

170

 

Totaal

 

29

0

6

23

0

6

17

170

1 Tot en met 2017 viel dit onder artikel 3 van begrotingshoofdstuk 18 - Wonen en Rijksdienst. In 2018 viel dit onder artikel 8 van begrotingshoofdstuk 7 - Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Toelichting

Het betreft de aflopende regeling Rijkshypotheekgaranties. Bij beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid gecreëerd om onder bepaalde voorwaarden een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Er zijn nog 2 garanties geldig. De laatste garantie vervalt in 2024. Het theoretische risico bedraagt € 17.000. Voor deze garantie is geen begrotingsreserve aanwezig en wordt geen premie afgedragen als vergoeding voor de afgegeven garantie.

Overzicht achterborgstellingen

Achterborgstelling Sociale Woningbouw (WSW) (bedragen x € 1 mln.)

 

Omschrijving

2017

2018

2019

Achterborgstelling

81.000

82.800

85.700

Bufferkapitaal (Fondsvermogen)

407

351

290

Obligo

3,1 mld.

3,1 mld.

3,1 mld.

Stand risicovoorziening

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bron: WSW

Toelichting

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) staat borg voor de leningen die deelnemende woningcorporaties aantrekken voor de bouw van sociale huurwoningen. Het WSW zorgt er op die manier voor dat deelnemende woningcorporaties toegang hebben tot de kapitaalmarkt tegen zo optimaal mogelijke financieringskosten.

De borgstelling is ingebed in een zekerheidsstructuur waarbij verliezen opgevangen worden door de sector zelf (sanering, obligo of eigen risicovermogen van het WSW). Indien deze zekerheden niet toereikend zijn, dan kan het WSW aanspraak doen op het Rijk en de gemeenten - als achterborg - voor renteloze leningen (ieder voor 50%). Deze situatie heeft zich nog nooit voorgedaan en wordt op basis van de huidige prognose ook niet verwacht. Het WSW betaalt geen achtervangvergoeding aan het Rijk en gemeenten.

Het WSW stuurt op een zekerheidsniveau van 99%. Dit betekent dat het WSW in een bepaald jaar met 99% zekerheid geen beroep hoeft te doen op de achtervang. Uit de prognoses volgt dat het obligo de komende jaren ongeveer op hetzelfde niveau blijft. De achterborgstelling neem iets toe. Voor het bufferkapitaal wordt in 2019 net als in 2018 een daling voorzien. Dit heeft te maken met de uitgaven die WSW voorziet op basis van de verplichtingen die zij is aangegaan voor woningcorporaties die niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

De cijfers in de tabel betreffen voorlopige cijfers die (nog) geen onderdeel uitmaken van de jaarrekeningverantwoording van het WSW.

 

Achterborgstelling Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) (bedragen x € 1 mln.)

Omschrijving

2017

2018

2019

Gegarandeerd vermogen

198.000

202.350*

208.600*

Risicodragend gegarandeerd vermogen

10.300

Geen prognose beschikbaar

Geen prognose beschikbaar

Bufferkapitaal (Fondsvermogen)

1.104

1.248*

1.381*

Obligo

n.v.t.

n.v.t

n.v.t.

Stand risicovoorziening

106,9

137,6*

164,6*

Bron: WEW Jaarverslag 2017, WEW Liquiditeitsprognose 2018-2023 en gegevens WEW en BZK (* = prognose)

Toelichting

Het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) staat borg voor hypothecaire leningen afgesloten met een Nationale Hypotheekgarantie (NHG). Het Rijk is de achtervanger bij het WEW. Dit betekent dat het Rijk zich verplicht heeft gesteld om zodra het fondsvermogen van het WEW onder de grens van 1,5 keer het vijfjaarsgemiddelde van het verliesniveau valt, een achtergestelde renteloze lening te verschaffen. Voor gevallen tot 2011 is het Rijk samen met de gemeenten voor 50% achtervanger, vanaf 1 januari 2011 is alleen het Rijk achtervanger. Een geldnemer betaalt voor een hypothecaire lening met NHG een eenmalige premie aan het WEW, waarvan het WEW een deel afdraagt aan het Rijk als vergoeding voor diens rol als achtervanger. Deze achtervangvergoeding wordt gestort in de in de tabel genoemde risicovoorziening waaruit een eventuele aanspraak op de achtervang allereerst zal worden opgevangen.

Het gegarandeerd vermogen is het bedrag aan hypotheken waarop een NHG-garantie is afgegeven verminderd met het bedrag aan garanties dat is vervallen door volledige aflossing, oversluiting of gedwongen verkoop en verminderd met de annuïtaire daling van de garantie. Het door WEW gegarandeerde vermogen groeit de komende jaren. Deze toename komt door het hoge aantal transacties en de stijgende prijzen op de koopmarkt en de hieruit volgende groei van het aantal nieuwe NHG garanties. Het gegarandeerd vermogen is geen weergave van het risico dat het WEW en de overheid (als achtervang van het fonds) lopen. Tegenover de hypothecaire leningen staat de actuele waarde van de desbetreffende woningen. Ook heeft de borgstelling enkel betrekking op een eventuele restschuld bij gedwongen verkoop. Het risicodragend gegarandeerd vermogen is het vermogen gecorrigeerd voor deze factoren en is daarmee een inschatting van de maximale schadelast voor het WEW als alle lopende hypotheekgaranties uitmonden in een gedwongen verkoop. Eind 2017 bedroeg het risicodragend gegarandeerd vermogen € 10,3 mld.

Het bufferkapitaal van het WEW neemt de komende jaren naar verwachting toe en verbetert zo de solvabiliteit van het fonds. Hierdoor ontstaat een buffer voor toekomstige aanspraken op het waarborgfonds.

  • 3. 
    BELEIDSARTIKELEN

3.1  Artikel 1. Openbaar bestuur en democratieA Algemene doelstelling

Een goed functionerende democratie en een slagvaardig en weerbaar openbaar bestuur waar inwoners op kunnen vertrouwen.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel van het openbaar bestuur. Die verantwoordelijkheid richt zich op de bestuurlijke verhoudingen, het medebeheer van het Gemeentefonds en het Provinciefonds en interbestuurlijk toezicht. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de bestuurlijke organisatie (de Grondwet, de Gemeente- en Provinciewet, de Financiële verhoudingswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen). In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III zijn op dit vlak ambitieuze beleidsvoornemens geformuleerd. Maatschappelijke opgaven spelen steeds vaker op meerdere schaalniveaus tegelijk en oplossingen liggen niet binnen het bereik van één overheidslaag. Een toenemend aantal maatschappelijke opgaven is alleen op te lossen wanneer gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk als één overheid samenwerken richting partners. Samenwerking vindt ook in toenemende mate plaats op regionaal niveau. Vrijwel overal in Nederland zijn regionale coalities van overheden en andere partijen op zoek naar passende governance arrangementen om aan te sluiten op hun regionale opgaven. De Minister van BZK draagt er samen met medeoverheden zorg voor dat het openbaar bestuur in staat is om op deze veranderingen in te spelen. BZK biedt ruimte voor maatwerk in de werkwijze en inrichting van het openbaar bestuur. Dit komt onder andere tot uiting in de ontwikkeling en uitvoering van Agenda Stad. Dit programma richt zich op het (bevorderen van) groei, leefbaarheid en innovatie in Nederlandse steden door middel van City Deals.

Een belangrijke pijler van de legitimiteit van het Nederlandse openbaar bestuur is het democratische en rechtsstatelijke gehalte van de publieke besluitvorming en beleidsvoering. De Minister van BZK waarborgt het functioneren van het constitutionele bestel, waaronder het stelsel van de representatieve democratie. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de verkiezingen (de Kieswet) voor vertegenwoordigende lichamen op de verschillende bestuurlijke niveaus.

De Minister van BZK werkt verder aan het versterken van de (lokale) democratie. De Minister van BZK voert daarbij de regie, stimuleert en faciliteert betrokken partijen en draagt zorg voor kennisontwikkeling en -verspreiding langs drie lijnen:

  • 1. 
    Versterking van de verbinding tussen inwoners en hun overheid.
  • 2. 
    Betere toerusting en ondersteuning van politieke ambtsdragers.
  • 3. 
    Een weerbaar bestuur.

C Beleidswijzigingen

Interbestuurlijk programma

Het kabinet Rutte-III heeft in het Regeerakkoord op verschillende thema's ambities geformuleerd voor samenwerking tussen het kabinet en de medeoverheden. Daarom is onder regie van de Minister van BZK een interbestuurlijk programma (IBP) gestart (Kamerstukken II 2017-2018, 29 362, nr. 266). Met de ondertekening van de programmastart IBP hebben het Rijk en de medeoverheden een brede basis gelegd voor de samenwerking op urgente maatschappelijke opgaven in deze kabinetsperiode. Departementen en medeoverheden werken met het IBP met verschillende snelheden aan uitwerkingsafspraken en mijlpalen. Per maatschappelijke opgave komen er verschillende akkoorden, afspraken en acties. Met het IBP bevordert BZK dat de bestuurlijke afspraken ook daadwerkelijk leiden tot concrete resultaten op lokaal niveau en in de regio. BZK is verantwoordelijk voor het bewaken van de voortgang van de maatschappelijke opgaven (monitoring), het signaleren en agenderen van knelpunten, onbenutte kansen en raakvlakken tussen de opgaven. Dit gebeurt op integrale wijze doordat er periodiek een kabinetsdelegatie met de koepels samenkomt om de voortgang te bespreken. Ook bij onvoorziene omstandigheden gaan het Rijk en medeoverheden met elkaar in gesprek.

Gebiedspecifieke aanpak

Het is belangrijk dat de uitwerking van de maatschappelijke opgaven die zijn beschreven in het IBP gebiedsgericht vorm krijgt. De samenhang van opgaven in gebieden en hun specifieke context (gebieden verschillen in toenemende mate van elkaar) vraagt om een aanpak, waarbij sectorale belangen, instrumenten en effecten samenkomen. Het gaat om het bieden van maatwerk en meerjarig partnerschap van het Rijk.

Daarnaast is in deze regeerperiode een Regio Envelop beschikbaar gesteld. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) coördineert, in overleg met het Ministerie van BZK en de betrokken vakdepartementen, de zorg voor de begeleiding van de proposities van gebieden, de weging en besluitvorming van voorstellen alsmede de uitwerking daarvan in Regio Deals. Voorts heeft BZK een rol bij de uitvoering en monitoring van de nieuwe Regio Deals, zoals ook voor de gebieden waar in 2018 een deal overeengekomen is (o.a. Zeeland, Rotterdam Zuid en Eindhoven).

Toekomst Toezicht

In het IBP is met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken te werken aan vernieuwing van het interbestuurlijk en financieel toezicht, zodat het toezicht zo effectief mogelijk is en passend is bij een gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven. In 2018 is gestart met de uitwerking van deze afspraak en in goede samenspraak werken het Rijk, provincies en gemeenten aan een strategische agenda voor de toekomst van het toezicht. De acties die nodig zijn om tot de modernisering van het toezicht te komen worden in 2019 verder opgepakt.

Wet Raadgevend Referendum

In december 2017 is conform het regeerakkoord het wetsvoorstel tot intrekking van de Wet raadgevend referendum ingediend. In februari 2018 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer, waarna in juli 2018 het wetsvoorstel is aangenomen door de Eerste Kamer (Handelingen I 2017-2018, nr. 38).

Versterking lokale democratie

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte III en het IBP staat dat BZK deze kabinetsperiode met interbestuurlijke en maatschappelijke partners werk maakt van de versterking van de lokale democratie. Dit wordt gedaan met het meerjarig samenwerkingsprogramma Democratie in Actie (DiA), dat is vormgegeven langs de drie lijnen die onder rol en verantwoordelijkheid beschreven staan (Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 VII, nr. 69). Er wordt toegewerkt naar een meer responsieve politiek en bestuur en een grotere directe invloed van inwoners op de beleids- en besluitvorming, waarbij zij meer medeverantwoordelijkheid kunnen nemen voor maatschappelijke voorzieningen (lijn 1). Daarnaast wordt voor alle decentrale politieke ambtsdragers een zodanig duurzaam ondersteuningsaanbod ontwikkeld, dat zij zich voldoende toegerust en ondersteund weten om taken en verantwoordelijkheden op adequate wijze in te vullen (lijn 2). Verder wordt de integriteit en veiligheid van politieke ambtsdragers bevorderd en een preventieve bestuurlijke aanpak van ondermijning versterkt en de maatschappelijke weerbaarheid en leefbaarheid in ondermijningsgevoelige gebieden vergroot. Ook worden ondemocratische tendensen tegengegaan en wordt de controlerende rol van gemeenteraadsleden versterkt (lijn 3).

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr. Verplichtingen:

30.876

51.851

59.323

56.261

52.216

48.160

48.160

Waarvan garantiever-

             

plichtingen

             
 

Uitgaven:

34.147

51.851

59.323

56.261

52.216

48.160

48.160

Waarvan juridisch

             

verplicht (percentage)

   

82%

       
 

1.1    Bestuur en regio

12.159

17.737

12.772

10.727

9.754

8.554

8.693

Subsidies

6.492

5.033

5.411

4.470

4.176

4.176

4.315

Bestuur en regio

0

0

2.073

1.132

838

838

977

Diverse subsidies

2.922

1.695

0

0

0

0

0

Oorlogsgravenstichting

             

(OGS)

3.570

3.338

3.338

3.338

3.338

3.338

3.338

Opdrachten

3.321

5.342

5.161

4.597

5.121

4.121

4.121

Bestuur en regio

0

0

5.161

4.597

5.121

4.121

4.121

Communicatie,

             

kennisdeling en

             

onderzoek

3.321

5.342

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

             

RWT's

2.282

7.260

2.200

1.660

457

257

257

Diverse bijdragen

2.282

7.260

2.200

1.660

457

257

257

Bijdragen aan (inter)na-

             

tionale organisaties

64

102

0

0

0

0

0

Bijdragen internationaal

64

102

0

0

0

0

0

Democratie

21.988

34.114

46.551

45.534

42.462

39.606

39.467

Subsidies

17.996

17.235

26.356

26.356

23.408

22.708

22.569

Verbinding inwoner en

overheid

0

0

500

500

500

500

500

Toerusting en ondersteuning Politieke Ambtsdragers

0

0

3.059

3.059

2.709

2.009

2.009

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Weerbaar bestuur

0

0

464

464

466

466

327

Politieke partijen

17.992

17.235

17.820

17.820

15.220

15.220

15.220

ProDemos

0

0

4.403

4.403

4.403

4.403

4.403

Comité 4/5 mei

0

0

110

110

110

110

110

Raadgevend

referendum

4

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

2.390

4.169

12.346

11.330

11.205

9.049

9.049

Verbinding inwoner en

overheid

0

0

10.462

9.784

9.803

8.303

8.303

Toerusting en ondersteuning Politieke Ambtsdragers

0

0

1.123

1.123

973

673

673

Weerbaar bestuur

0

0

761

423

429

73

73

Kiesraad

711

0

0

0

0

0

0

Raadgevend

referendum

62

2.049

0

0

0

0

0

Verkiezingen

1.617

2.120

0

0

0

0

0

Inkomensoverdracht

0

0

7.782

7.781

7.782

7.782

7.782

Toerusting en ondersteuning Politieke Ambtsdragers

0

0

7.782

7.781

7.782

7.782

7.782

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

0

2.130

0

0

0

0

0

Raadgevend

referendum

0

2.130

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeo-

verheden

1.602

10.580

0

0

0

0

0

Experiment centrale

stemopneming

1.203

580

0

0

0

0

0

Raadgevend

referendum

399

0

0

0

0

0

0

Vergoeding raadsleden

0

10.000

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)na-

tionale organisaties

0

0

67

67

67

67

67

Bijdragen internationaal

0

0

67

67

67

67

67

               

Ontvangsten

26.952

22.423

21.965

21.965

21.965

21.965

21.965

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 1 is 82% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 96% juridisch verplicht. Het betreft onder andere subsidies aan de politieke partijen, de Oorlogsgravenstichting (OGS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Opdrachten

Het budget voor opdrachten is voor 50% juridisch verplicht. Het betreft hier middelen voor onder andere verkiezingen, kenniscentra en onderzoeken door derden, de ondersteuning van de aanpak van ondermijning en het bevorderen van de leefbaarheid en de Monitor Sociaal Domein.

Inkomensoverdracht

Het budget is voor 95% juridisch verplicht. Het betreft onder andere pensioenen en uitkeringen aan voormalige ministers en staatssecretarissen en uitkeringen aan voormalige burgemeesters.

Bijdragen aan ZBO/RWT's

Het budget is voor 95% juridisch verplicht. Aan ICTU wordt een bijdrage verstrekt voor de ondersteuning van het Interbestuurlijk Programma (IBP), het doorontwikkelen van een Webscrape tool voor de IBP-opgaven, het doorontwikkelen van een webbased tool voor de regioadviseurs en het ontwikkelen van een tool ter meting van de kwaliteit en tevredenheid bij de inzet van de expertpool.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

De bijdrage aan (inter)nationale organisaties is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft financiële ondersteuning aan organisaties die actief Europees burgerschap bevorderen.

E Toelichting op de instrumenten

1.1 Bestuur en Regio

Subsidies

Bestuur en regio COELO

Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) ontvangt een subsidie voor het doen van onderzoek naar en laagdrempelige informatievoorziening over economische en financiële aspecten van medeoverheden.

OTAV

De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ontvangt de laatste termijnbetaling van de subsidie voor de activiteiten van het Ondersteu-ningsteam Asielzoekers Vergunninghouders (OTAV) voor het project «lokale preventieve aanpak gezondheidsbevordering statushouders».

Kenniscentrum Europa Decentraal

Het Kenniscentrum Europa Decentraal ontvangt een subsidie. Dit is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van BZK, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de VNG en de Unie van Waterschappen, dat zich richt op toepassing en verspreiding van kennis en expertise over Europees recht bij de medeoverheden.

Bevolkingsdaling

BZK zet in 2019 in op kennisdeling en regionale integrale gebiedsontwik-keling in krimp- en anticipeerregio's. Voor alle krimp- en anticipeerregio's kent BZK een ondersteuningsaanbod dat bestaat uit beschikbare kennis en instrumentarium toe te passen in de regionale maatwerkaanpak. Middelen uit het programma bevolkingsdaling worden ingezet voor kennisdeling en ondersteuning van regio deals specifiek gericht op krimpproblematiek. Daarnaast kunnen krimp- en anticipeerregio's aanspraak maken op middelen voor het ontwikkelen van deals in de regio.

Oorlogsgravenstichting (OGS)

Namens de Nederlandse overheid onderhoudt de Oorlogsgravenstichting wereldwijd ongeveer 50.000 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Deze graven liggen in meer dan vijftig landen, verspreid over vijf continenten. Het zwaartepunt ligt daarbij in Indonesië. Tevens verzorgt de Stichting ruim 10.000 graven van militairen van de geallieerde strijdkrachten in Nederland. De Oorlogsgravenstichting ontvangt een subsidie voor de uitvoering hiervan.

In 2016 is de subsidieregeling Oorlogsgravenstichting 2013 geëvalueerd. De resultaten van de gesprekken met de oorlogsgravenstichting over de uitkomsten van deze evaluatie worden verwerkt in de nieuwe Subsidieregeling die naar verwachting per 1 januari 2019 in werking treedt.

Opdrachten

Bestuur en regio

In het openbaar bestuur wordt de komende jaren veel gevraagd van het effectief en democratisch gelegitimeerd organiseren van samenwerking. Het Ministerie van BZK wil (samenwerkende) overheden hierbij ondersteunen en zal actief betrokken zijn bij regio's in Nederland.

De Minister van BZK zet zich in voor kennisdeling en kennisvermeerdering ten behoeve van een goed functionerend openbaar bestuur. Verschillende publicaties, congressen en onderzoeken op het terrein van het functioneren van het openbaar bestuur worden gefinancierd.

Sociaal Domein

Tot de maatschappelijke opgaven die het Rijk en de medeoverheden in het IBP hebben opgenomen, behoort ook de opgave in het sociaal domein. Onder de opgave «Merkbaar beter in het sociaal domein» wordt ingezet op twaalf programmatische thema's zoals: mensen die te maken hebben met eenzaamheid, mensen met afstand tot de arbeidsmarkt perspectief op werk bieden, mensen die zich met het Nederlands niet goed kunnen redden en recidive na detentie voorkomen door meer aansluiting tussen detentie en gemeenten.

De Minister van BZK zet de coördinerende rol voort aan Rijkskant en tussen overheden en draagt bij aan goede randvoorwaarden, zoals op het gebied van opdrachtgeverschap en privacy. In het Programma Sociaal Domein wordt verder samengewerkt om knelpunten in de praktijk in gezamenlijkheid - Rijk, gemeenten, instellingen en inwoners - op te pakken.

In 2019 zal een rapportage naar de Tweede Kamer gestuurd worden dat verdiepend inzicht geeft in de werking van het gedecentraliseerde sociaal domein. In het interbestuurlijke programma sociaal domein wordt met Rijkspartners, gemeenten en kennisinstellingen verder gewerkt aan andere manieren van meten, spiegelen en leren. Met deze informatie zal het beeld van de transformatie in het sociaal domein verder worden aangevuld, met als doel het lokale transformatieproces te ondersteunen.

Er blijft aandacht voor de verantwoording over de besteding van middelen in het sociaal domein. Enerzijds is er een (steeds kleiner wordende) groep van gemeenten die nog geen goedkeurende controle-verklaring hebben gekregen van hun accountant. Anderzijds zijn er gemeenten die zoeken naar mogelijkheden om de verantwoording dienstbaar te maken aan de transformatie gedachte in het sociaal domein. Voor beide groepen van gemeenten zijn er initiatieven ontwikkeld.

Bevolkingsdaling

2019 is het laatste lopende jaar voor het huidige programma Bevolkingsdaling. Het programma wordt daarom eind 2019 geëvalueerd, uitmondend in een plan van aanpak voor voortgang van de Rijksinzet gericht op krimpproblematiek.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Diverse bijdragen

Aan ICTU wordt een bijdrage verstrekt voor de ondersteuning van het IBP, het doorontwikkelen van een Webscrape tool voor de IBP-opgaven, doorontwikkelen van een webbased tool voor de regioadviseurs en het ontwikkelen van een tool ter meting van de kwaliteit en tevredenheid bij de inzet van de expertpool. Daarnaast ontvangt ICTU een bijdrage voor de continuering en afronding van activiteiten in het sociaal domein.

1.2 Democratie

Subsidies

Verbinding inwoner en overheid

In het kader van het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie ontvangt de VNG een subsidie. Democratie in Actie heeft tot doel gemeenten én gemeentelijke spelers gericht te stimuleren en te ondersteunen ten aanzien van responsief bestuur en democratische initiatieven, onder meer met ruimte voor bewonersinitiatief, Right to Challenge en Right to Bid.

Het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners (LSA) ontvangt in 2019 een subsidie voor het in algemene zin bevorderen van bewonersparticipatie. LSA is voor BZK de gesprekspartner over bewonersinitiatieven, waaronder Right to Challenge, bewonersorganisatie en de verbinding tussen bewoners en overheid.

Ook de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen (LVKK) ontvangt in 2019 subsidie. Deze subsidie is gericht op activiteiten met als oogmerk het versterken van de zelforganisatie en burgerbetrokkenheid in dorpskernen.

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers Op decentraal niveau zijn er in Nederland ongeveer 12.000 politieke ambtsdragers actief in gemeenten, provincies en waterschappen. Om te zorgen dat er voldoende goed toegeruste politieke ambtsdragers beschikbaar zijn en beschikbaar blijven, verstrekt de Minister van BZK subsidies aan de beroepsgroepen van politieke ambtsdragers en griffiers, o.a. de beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers (Nederlands Genootschap van Burgemeesters, Wethoudersvereniging, Statenlid.nu, Nederlandse vereniging van raadsleden), de Vereniging van Griffiers en koepels van medeoverheden. Samen met de beroepsgroepen, de koepels van medeoverheden en (bestuurdersverenigingen van) politieke partijen wordt via deze subsidies zorggedragen voor passende eigentijdse inwerken opleidingsprogramma's voor de verschillende beroepsgroepen. Daarnaast wordt via de subsidies in 2019 ook bijzondere inzet gepleegd om de aantrekkelijkheid van het politieke ambt te vergroten, een brede, diverse instroom in het ambt te bevorderen en te zorgen dat mensen na het ambt weer goed landen op de arbeidsmarkt.

In aanloop naar de Provinciale Staten en Waterschapsverkiezingen in maart 2019 wordt incidenteel subsidie verstrekt ten behoeve van inwerken opleidingsprogramma's voor Statenleden en leden van het Algemeen Bestuur.

Daarnaast wordt in 2019 subsidie verstrekt ten behoeve van (bestuurders-verenigingen van) politieke partijen om leren en reflecteren in het ambt en onderlinge kennisdeling te stimuleren. Ook wordt er een subsidie verstrekt ter ondersteuning en toerusting van (een kenniscentrum voor) lokale politieke partijen.

Naast individuele ondersteuning wordt vanuit het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie, waarvoor de VNG subsidie ontvangt, een collectief aanbod aan gemeenteraden en provinciale staten gedaan om leren en reflecteren in het hoogste bestuursorgaan te bevorderen.

Weerbaar bestuur

In het Netwerk Weerbaar Bestuur wordt door het Ministerie van BZK samengewerkt met andere departementen, beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers, bestuurdersverenigingen van landelijke politieke partijen, koepels van medeoverheden en diverse andere relevante partners. De gezamenlijke aanpak richt zich op het bevorderen van de integriteit en veiligheid van politieke ambtsdragers, het tegengaan van ondermijning van het openbaar bestuur en ondemocratische beïnvloeding van de democratie. Daarbij wordt ingezet op bewustwording, vroeg signalering, versterking van de informatiepositie en op het vergroten van het handelingsperspectief van het lokaal bestuur. BZK verstrekt daartoe subsidies aan de netwerkpartners voor (gezamenlijke) activiteiten, waaronder de invoering van een basistoets integriteit en een basisscan persoonlijke veiligheid (o.a. in de woning), trainingen en leermodules met handelingsperspectieven en een goede 1ste en 2de- lijnsondersteuning voor politieke ambtsdragers bij incidenten.

De Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) ontvangt subsidie voor de versterking van de lokale rekenkamers en de ondersteuning van het kwaliteitsbeleid. Het doel van de subsidie is een situatie te bereiken en in stand te houden waarin de gemeentelijke rekenkamer de gemeenteraad in hun gemeente op een adequate wijze ondersteunt.

Politieke partijen

Politieke partijen ontvangen subsidie op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp). Een politieke partij komt voor subsidie in aanmerking als zij voldoet aan de in deze wet genoemde voorwaarden. De Wfpp is in 2017 geëvalueerd door een onafhankelijke commissie en de Minister van BZK heeft het rapport begin 2018 ontvangen (Kamerstukken II 2017-2018, 32 752, nr. 50). De kabinetsreactie wordt naar verwachting in het najaar van 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Overzicht subsidie politieke partijen (bedragen in €)

 

Partij

Waarde 2015

Waarde 2016

Waarde 20171 2

Waarde 2018

VVD

3.702.152

3.565.054

3.336.506

3.100.663

PvdA

3.558.735

3.437.283

2.361.386

1.368.197

SP

1.524.176

1.601.846

1.576.132

1.496.922

CDA

1.648.734

1.651.300

1.852.561

2.057.472

D66

1.570.213

1.561.302

1.826.685

2.077.049

CU

938.383

948.044

937.595

921.182

GL

820.801

840.522

1.197.475

1.657.287

SGP

908.654

905.595

908.830

864.740

PvdD

621.330

632.359

742.723

886.447

50PLUS

458.533

399.277

491.292

567.935

OSF

333.942

233.002

368.440

375.581

VNL

0

349.831

215.238

0

DENK

0

157.231

356.293

535.373

FvD

0

0

590.860

718.650

 

Totaal

16.085.652

16.282.645

16.762.016

16.627.499

1    Het betreft hier voorlopige bedragen voor de jaren 2017 en 2018. 80% daarvan is inmiddels uitgekeerd. Uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het subsidiejaar moeten partijen een definitieve subsidieaanvraag indienen. Als bij de beoordeling daarvan blijkt dat de partijen voldoen aan de voorwaarden, wordt de resterende 20% uitgekeerd.

2    De loon- en prijsbijstellingen 2017 en 2018 moeten nog in deze bedragen worden verwerkt.

De reeks loopt nu van 2015 tot en met 2018. Bij de subsidiebedragen uit 2017 en 2018 gaat het om voorlopige bedragen. De Minister van BZK beslist voor 1 november 2018 over de aanvragen tot vaststelling over 2017, die de politieke partijen uiterlijk 1 juli 2018 moesten aanleveren.

ProDemos

ProDemos, Huis voor de Democratie en Rechtstaat ontvangt subsidie voor het vergroten van de betrokkenheid en kennis van de democratische rechtstaat. Bij de activiteiten rondom het bevorderen van democratisch burgerschap behoort onder andere het bezoek van scholieren aan het parlement.

Comité 4/5 mei

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei besteedt de subsidie in het kader van bevordering van kennis en bewustzijn over burgerschap, democratie en rechtsstaat op de bevrijdingsfestivals tijdens de jaarlijkse Nationale Viering van de Vrijheid op 5 mei.

Opdrachten

Verbinding inwoner en overheid Verkiezingen

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de uitvoering van de landelijke informerende verkiezingscampagne en het faciliteren van de gemeenten bij de uitvoering van de verkiezingen die in Nederland worden gehouden (inclusief de verkiezingen in Caribisch Nederland). In maart 2019 worden de Provinciale Statenverkiezingen en de Waterschapsverkie-zingen gehouden en in mei 2019 de verkiezingen voor het Europese Parlement.

Samenwerkingsprogramma Democratie in Actie

De gemeente is voor burgers de meest nabije overheid. Daar liggen grote kansen op verbinding. Veel activiteiten vanuit Democratie in Actie in 2019 zijn gericht op het ondersteunen van gemeenten. Bijvoorbeeld in de vorm van kennisuitwisseling en kennisvermeerdering. Het Ministerie van BZK financiert hiertoe de ontwikkeling van verschillende instrumenten, publicaties, (regio)bijeenkomsten, congressen en onderzoeken (door derden).

Vanuit Democratie in Actie wordt daarnaast ingezet op proeftuinen en pilots met manieren om inwoners meer invloed te geven op besluitvorming. Zo wordt met digitale participatiemiddelen ervaring opgedaan en bezien hoe de digitale democratie van de toekomst gestalte kan krijgen en welke randvoorwaarden hiervoor vanuit BZK dienen te worden gecreëerd. Hiervoor worden diverse opdrachten verstrekt, waaronder van het ICTU.

In Democratie in Actie is de agenda Open Overheid geïntegreerd. In de zomer van 2018 is de derde agenda Open Overheid van start gegaan. Het loopt van 1 juli 2018 tot 1 juli 2020. De focus van de agenda Open Overheid ligt op de volgende drie punten:

  • 1. 
    Het vergroten en verbeteren van open besluitvorming bij gemeenten en provincies;
  • 2. 
    Het versterken van de transparantie van de financiering van politieke partijen in het decentraal bestuur;
  • 3. 
    Het aanjagen van openheid in de lokale politiek door het uitbreiden van het Pioniersnetwerk Open Overheid voor Gemeenten.

Verminderen regeldruk

Het kabinet wil de door burgers ervaren regeldruk merkbaar verminderen. Samen met vertegenwoordigers van doelgroepen en betrokken organisaties worden knelpunten in kaart gebracht en wordt geprioriteerd naar welke knelpunten als eerste opgelost dienen te worden. Door middel van een landelijk panelonderzoek wordt op verschillende momenten van de kabinetsperiode de tevredenheid van burgers over de overheidsdienstverlening gemeten. Mogelijke verbeteringen worden doorgevoerd en geëvalueerd.

Overig

Het adviesorgaan voor de Friese taal DINGtiid ontvangt een jaarlijkse bijdrage.

Toerusting en ondersteuning Politieke Ambtsdragers Om te zorgen dat er voldoende goed toegeruste politieke ambtsdragers beschikbaar zijn en beschikbaar blijven, verstrekt de Minister van BZK -naast de beroeps- en belangenverenigingen van politieke ambtsdragers, de griffiers en de koepels van medeoverheden - samen met bestuurders-verenigingen van politieke partijen en andere relevante organisaties opdrachten om te komen tot een duurzaam ondersteuningsaanbod voor politieke ambtsdragers. Hiervoor worden inwerkprogramma's en opleidingen en leermodules mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de rolneming van raden, staten en algemene besturen versterkt.

Weerbaar Bestuur

Via het Netwerk Weerbaar Bestuur worden opdrachten verstrekt ter versterking van de integriteit en veiligheid van het openbaar bestuur. Ter ondersteuning van de lokale aanpak van ondermijning en leefbaarheid (maatschappelijke weerbaarheid) verstrekt BZK opdrachten voor de ondersteuning van kennisbijeenkomsten en leerkringen, voor de uitvoering van de Leefbaarometer, de CityDeal Zicht op ondermijning en de pilot Burgers Alert Real Time (BART!). Ook verstrekt BZK opdrachten ter verbetering van het handelingsperspectief van het lokaal bestuur voor het tegengaan van ondemocratische beïnvloeding van de lokale besluitvorming. Om de kennisontwikkeling en -verspreiding op dit terrein te vergroten, worden de resultaten van een in 2018 opgezette kenniswerkplaats en bij een aantal gemeenten uitgevoerde pilots in 2019 verder verspreid.

Ter bevordering van de leefbaarheid, handhaving en toezicht, het tegengaan van ondemocratische beïnvloeding van de lokale besluitvorming en het wegnemen van voedingsbodems in ondermijningsge-voelige gebieden ondersteunt BZK een aantal gemeenten waarin nieuwe aanpakken worden toegepast. In 2019 verstrekt BZK ook opdrachten ter ondersteuning van de kennisdeling tussen gemeenten bij de inzet van het versterkte handhavingsinstrumentarium op grond van de Woningwet (aanpak malafide pandeigenaren), bij de inzet van de Wet aanpak woonoverlast (gedragsaanwijzing burgemeester) en bij de implementatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp).

Inkomensoverdracht

Toerusting en ondersteuning Politieke Ambtsdragers Uit deze middelen worden de rechtspositionele regelingen van (voormalige) politieke ambtsdragers gefinancierd. Het betreft pensioenen en uitkeringen aan voormalige ministers en staatssecretarissen en uitkeringen aan voormalige burgemeesters.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Bijdragen internationaal

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage ten behoeve van het Europe for Citizens Point (ECP) voor de uitvoering van het programma «Europa voor de burger» dat actief Europees burgerschap bevordert, om zo het proces van Europese integratie te stimuleren en de kloof tussen de burger en de Europese Unie te verkleinen.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de Waarderingskamer.

3.2 Artikel 2. Nationale Veiligheid

A Algemene doelstelling

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) beschermt de nationale veiligheid. Dit doet de AIVD door tijdig dreigingen, internationale politieke ontwikkelingen en risico's te onderkennen, die niet direct zichtbaar zijn en doet daartoe onderzoek in binnen- en buitenland. De AIVD signaleert, adviseert en deelt gericht informatie met zijn samenwerkingspartners zodat deze de dreiging en risico's kunnen reduceren. Waar nodig reduceert de AIVD zelfstandig risico's.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is verantwoordelijk voor de taakuitvoering van de AIVD. De AIVD verricht onderzoek in binnen- en buitenland met behulp van inlichtingenmiddelen. Op basis van de bevindingen informeert en adviseert de AIVD de samenwerkingspartners met ambtsberichten en analyses (waaronder openbare publicaties). De Minister van BZK legt zo veel als mogelijk in het openbaar verantwoording af aan de Tweede Kamer. Waar dat niet kan, vanwege geheimhoudings-noodzaak, gebeurt dit via de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer.

C Beleidswijzigingen

(Jihadistisch) terrorisme

Het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III stelt dat terrorismebestrijding onverminderde aandacht vergt. De AIVD constateert dat de jihadistische dreiging van aard verandert, maar voorlopig niet minder wordt. De afgelopen jaren is in aanslagen tegen westerse doelwitten het accent verschoven van centraal aangestuurde, gecoördineerde aanslagen naar gestimuleerde of gecoachte aanslagen en vooral naar tactisch minder complexe en kleinschaliger geïnspireerde aanslagen.

Dit heeft onder meer te maken met het verlies aan slagkracht en organisatievermogen van ISIS, niet met de intenties van deze organisatie of de wil van (aspirant) jihadisten om aanslagen te plegen, waar ook ter wereld. Al Qa'ida heeft de ambitie om zich opnieuw te manifesteren als de nummer één van de mondiale jihadistisch-terroristische beweging. De AIVD richt zich op het tijdig onderkennen van deze jihadistisch-terroristische dreiging maar richt zich ook op het verzwakken van de jihadistische dreiging met inzet van inlichtingenmiddelen conform de WiV 2017.

Om hier nadere invulling aan te geven heeft de AIVD met ingang van 2018 structureel € 3 mln. aan de begroting toegevoegd gekregen, vanuit de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). De middelen worden ingezet teneinde de operationele onderzoekscapaciteit van de AIVD op het gebied van contra-terrorisme te versterken, zoals de duiding van de dreiging die uitgaat van potentiële terugkeerders. Ook is de AIVD beter in staat om handelingsperspectief te bieden aan de partners in de veiligheidsketen.

De AIVD werkt onder meer nauw samen met de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), de Nationale Politie, het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), het Openbaar Ministerie (OM) en gemeenten. De AIVD werkt ook internationaal samen op operationeel gebied met de Europese veiligheidsdiensten, onder meer in de Counter Terrorism Group (CTG).

Cybersecurity

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III zijn tevens extra middelen uitgetrokken voor de intensivering van cybersecurity. Voor 2019, 2020 en 2021 e.v. wordt respectievelijk € 8 mln., € 9 mln. en € 12 mln. (structureel) toegevoegd aan de begroting van de AIVD met als doel uitbreiding van de personele capaciteit en ICT-voorzieningen. Door het inlichtingenmatige cyberonderzoek van de AIVD, in nauwe samenwerking met de MIVD, kan het zicht op - en inzicht in - digitale dreigingen voor de nationale veiligheid worden versterkt. Juist ook het heimelijke en zeer geavanceerde karakter van deze dreigingen maakt dat daar in beperkte mate met inlichtingenmatig cyberonderzoek door de AIVD zicht op - en inzicht in -verkregen kan worden. De realisatie van adequate informatiebeveiliging door aan de nationale veiligheid gerelateerde publieke, vitale en private organisaties, is een verantwoordelijkheid van die organisaties zelf. Daar waar de beveiliging (mede) gebaseerd is en moet zijn op inlichtingenmatig (staatsgeheim gerubriceerd) verkregen inzicht door de AIVD, is de dienstverlening van de AIVD op het gebied van preventie (informatiebe-veiligingsadvies), detectie en incident-respons, vaak nodig en soms onvermijdelijk.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr.

Verplichtingen:

241.762

258.795

274.253

276.438

281.779

279.423

278.952

 

Waarvan garantiever-plichtingen

             
 
 

Uitgaven:

233.767

258.795

274.253

276.438

281.779

279.423

278.952

 

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

100%

       
 

2.1

AIVD apparaat

216.917

247.445

262.958

265.143

270.484

268.128

267.657

 

2.2

AIVD geheim

16.850

11.350

11.295

11.295

11.295

11.295

11.295

 
 

Ontvangsten:

14.646

13.214

13.214

13.214

13.214

13.214

13.214

D2 Budgetflexibiliteit

Omdat het budget als apparaat wordt aangemerkt, is het gehele budget juridisch verplicht verondersteld.

E Toelichting op de instrumenten

Vanwege het bijzondere karakter van dit begrotingsartikel en de gedeeltelijk geheime uitgaven zijn de uitgaven niet nader uitgesplitst en zijn de apparaatsuitgaven niet opgenomen in het centraal apparaatsartikel.

Ontvangsten

De AIVD verricht veiligheidsonderzoeken voor andere (overheidsorganisaties en brengt daarvoor een tarief in rekening. De ontvangsten hebben hier voornamelijk betrekking op.

3.3 Artikel 3. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen. Tevens voert de Minister van BZK de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige omvang en verdeling van de woningvoorraad.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving met betrekking tot de betaalbaarheid van het wonen, onder meer via de Wet op de huurtoeslag, de huur(prijs)regulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt.

De Minister van BZK is medeverantwoordelijk voor regelgeving met betrekking tot de fiscale behandeling van de eigen woning en de hypothecaire leennormen. Tevens draagt de Minister van BZK zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt, bijvoorbeeld via het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving inzake de verhuurderheffing en de huurtoeslag. Tevens is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het budgettair beheer van de huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. De uitvoering van de verhuurderheffing en de huurtoeslag is onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de verhuurderheffing en huurtoeslag.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de regelgeving ten aanzien van (het stelsel van) woningcorporaties. Woningcorporaties zijn via de Woningwet gebonden aan een begrensd werkdomein waarbinnen zij werkzaamheden met staatssteun mogen uitvoeren. Deze zijn het bouwen, verhuren en beheren van woningen met een lage huur voor huishoudens met een laag inkomen en andere doelgroepen die op de reguliere woningmarkt moeilijk een woning kunnen vinden.

De Minister van BZK draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

C Beleidswijzigingen

Administratieve lastenvermindering corporaties In 2019 worden maatregelen geïmplementeerd om de administratieve lasten van corporaties te verminderen. Zo werken vanaf 1 januari 2019 de Autoriteit woningcorporaties en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw met één gezamenlijk beoordelingskader voor corporaties en gaan zij gebruik maken van eikaars inzichten over corporaties. Het toezicht en de borging worden daarnaast meer risicogericht vormgegeven met een onderscheid in een basisbeoordeling en verdiepende beoordeling alleen wanneer daar vanuit risico-optiek aanleiding toe is. Ook vindt in het kader van het convenant «Verbeteren Informatievoorziening Woningcorporaties» een verdere verlaging plaats van de informatie-uitvraag aan corporaties (Stcrt. 2017, 72199).

Herziening Woningwet

Mede op basis van de uitkomsten van de evaluatie van de herziene Woningwet zal in 2019 worden gewerkt aan een wetsvoorstel en verdere beleidsmaatregelen. Onderdeel hiervan is hoe de woningwet toekomstbe-stendig kan worden gehouden gelet op de maatschappelijke opgaves die corporaties in de komende jaren moeten oppakken.

Fiscale regels eigenwoningbezit

In 2019 vindt een aantal wijzigingen plaats in de fiscale regels rondom eigenwoningbezit. Het maximale percentage waartegen rente en kosten met betrekking tot de eigen woning mogen worden afgetrokken daalt met 0,5 procentpunt naar 49%. Vanaf 2020 zal dit percentage in stappen van 3 procentpunt verder dalen totdat het basistarief van ongeveer 37% in 2023 bereikt is. Verder is eind 2017 besloten de aftrek die eigenwoningbezitters hebben wanneer zij geen of een geringe eigenwoningschuld hebben in 30 jaar geleidelijk uit te faseren. In 2019 vindt de eerste stap plaats. De aftrek daalt naar 96 2/3% van de oorspronkelijke aftrek.

Wet maatregelen middenhuur

Om het aanbod middenhuurwoningen in de vrije sector te vergroten, wordt er naar gestreefd om per 1 juli 2019 de Wet maatregelen middenhuur in werking te laten treden. Met dit wetsvoorstel wordt de markttoets voor woningcorporaties vereenvoudigd door onnodige processtappen weg te nemen en door over te gaan van rendements-toetsing op projectniveau naar toetsing op portefeuilleniveau. De wijzigingen blijven binnen de bestaande uitgangspunten achter de markttoets en de scheiding tussen DAEB en niet-DAEB. Investeringen moeten bijvoorbeeld nog steeds ten dienste staan van de kerntaak en mogen niet worden gefinancierd met voor de DAEB bedoelde staatssteun. Verder wordt de Huisvestingswet 2014 verduidelijkt zodat gemeenten middenhuurwoningen als schaars kunnen markeren. Dit wetsvoorstel is één van de maatregelen om aanbod van middenhuurwoningen te vergroten, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het rapport «Samen bouwen aan middenhuur» (Kamerstukken II 2017-2018, 32 847, nr. 333).

Nationale woonagenda

Op 23 mei 2018 heeft de Minister van BZK met partijen de Nationale woonagenda vastgesteld (Kamerstukken II 2017-2018, 32 847, nr. 365). Hiermee willen de partijen in gezamenlijkheid de uitdagingen op de woningmarkt voor de korte en de lange termijn aanpakken. Dat gebeurt langs drie uitdagingen; het vergroten en versnellen van de woningbouw, het beter benutten van de bestaande voorraad en de betaalbaarheid van het wonen. De Nationale woonagenda is geen eenmalig akkoord. De in de Nationale woonagenda benoemde uitdagingen en maatregelen bepalen de agenda voor de komende jaren voor alle betrokken partijen. Dat zal in verschillende trajecten en snelheden gaan.

Goed verhuurderschap

Misstanden als discriminatie op de woningmarkt en huisjesmelkerij zijn ongewenst. Aanvullend op bestaande wet- en regelgeving wil de Minister van BZK in gezamenlijkheid met de sector inzetten op het stimuleren van goed verhuurderschap. De sector heeft zich inmiddels uitgesproken tegen excessen en ongewenste praktijken. Zodoende werkt de Minister van BZK met de sector verder aan «goed verhuurderschap», onder meer door afspraken te maken over preventie, voorlichting, monitoring, (zelfregulering en het verkennen van de inzet van praktijkonderzoek. Met de sector wordt bovendien verkend of aanvulling of aanpassing van wet- en regelgeving gewenst is.

Versterking gemeentelijk woonbeleid

Met de sector wordt bezien of er mogelijkheden zijn om het gemeentelijk instrumentarium voor wonen te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het tegengaan van excessen in de woningmarkt, zoals in de toeristische verhuur en bij malafide verhuurders. Daarbij wordt de mogelijkheid van aanvullende wetgeving overwogen. In 2019 wordt mogelijk uitvoering gegeven aan nadere maatregelen. Gemeenten worden door het Rijk aangespoord om gebruik te maken van deze sturingsmogelijkheden en in te zetten op handhaving.

Huurtoeslag

Vanaf 2019 wordt de eigen bijdrage in de huurtoeslag jaarlijks geïndexeerd met de verwachte huurprijsontwikkeling. Hiermee vervalt de automatische compensatie via de huurtoeslag voor een achterblijvende bijstandsontwikkeling en ontstaat meer transparantie. Door altijd te indexeren met het percentage van de huurprijsontwikkeling ontstaat er een eenduidige relatie met het huurbeleid. Ook wordt hiermee de doorwerking van bijvoorbeeld maatregelen in de sociale zekerheid uit de regeling gehaald. Vanaf 2020 vervallen de maximale inkomensgrenzen van de huurtoeslag. De huurtoeslag wordt over een langer inkomen-straject afgebouwd. Hierdoor verdwijnt de situatie waarbij bij een beperkte stijging van het inkomen ineens de volledige huurtoeslag vervalt en worden de armoedeval en de marginale druk beperkt. Hiertoe is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2017-2018, 34 940, nr. 1).

Heffingsvermindering verhuurderheffing

De bestaande heffingsverminderingen in de verhuurderheffing zijn per 1 juli 2018 gesloten vanwege uitputting van het budget. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III is afgesproken dat er een nieuwe heffingsvermindering voor verduurzaming komt van € 100 mln. structureel. Woningen die onder de verhuurderheffing vallen en met minimaal 3 energie-indexstappen verbeterd worden naar een maximale energie-index van 1,4, komen in aanmerking voor deze heffingsvermindering. Deze maatregel loopt mee in het Belastingplan 2019.

Tariefsverlaging verhuurderheffing

Woningcorporaties krijgen een tegemoetkoming in het kader van de toegenomen fiscale lasten van woningcorporaties en de woningmarktam-bities van dit kabinet, door de verhuurderheffing vanaf 2019 structureel te verlagen met 100 mln. Deze maatregel loopt mee in het Belastingplan 2019.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art. nr. Verplichtingen:

4.002.525

4.152.572

4.104.088

4.291.902

4.445.731

4.598.243

4.749.907

Waarvan garantiever-plichtingen

 

Uitgaven:

4.022.685

4.153.109

4.104.213

4.291.902

4.445.606

4.598.243

4.749.907

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

100%

       
 

3.1    Woningmarkt

4.017.614

4.145.149

4.104.213

4.291.902

4.445.606

4.598.243

4.749.907

Subsidies

36.092

52.480

23.366

13.833

9.212

10.800

11.300

Binnenstedelijke transformatie

0

28.000

10.000

0

0

0

0

Woonconsumentenorga nisaties

1.036

1.171

0

0

0

0

0

Woningmarkt

0

0

3.227

3.100

2.973

3.100

3.100

Beleidsprogramma betaalbaarheid

184

2.800

0

0

0

0

0

Bevordering eigen woningbezit (BEW)

4.501

6.239

6.239

6.239

6.239

7.700

8.200

Huisvestingsvoorziening statushouders

1.900

14.270

3.900

4.494

0

0

0

Saneringsbijdrage woningcorporatie WSG

28.471

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

31.823

31.998

3.366

2.019

3.191

3.540

2.804

WSW Risicovoorziening

1.176

537

0

0

0

0

0

NHG Risicovoorziening

30.018

30.608

0

0

0

0

0

Beleidsprogramma betaalbaarheid

629

853

0

0

0

0

0

Woningmarkt

0

0

3.366

2.019

3.191

3.540

2.804

Inkomensoverdracht

3.934.868

4.040.400

4.063.600

4.260.300

4.417.200

4.567.900

4.719.800

Huurtoeslag

3.934.868

4.040.400

4.063.600

4.260.300

4.417.200

4.567.900

4.719.800

Bijdragen aan agentschappen

14.831

18.831

11.291

11.460

11.463

11.463

11.463

Dienst van de Huurcom-missie

14.456

17.709

6.908

6.908

6.908

6.908

6.908

ILT (Autoriteit woningcorporaties)

375

653

653

653

653

653

653

RVO.nl (Uitvoeringskosten BEW)

0

98

3.011

3.180

3.183

3.183

3.183

RVO.nl (Uitvoeringskosten Huisvestingsvoorziening statushouders)

0

371

719

719

719

719

719

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

0

0

1.150

2.850

3.100

3.100

3.100

Woningmarkt

0

0

1.150

2.850

3.100

3.100

3.100

Bijdragen aan andere begrotingsstukken

0

1.440

1.440

1.440

1.440

1.440

1.440

Financiën en Nationale Schuld (H9)

0

1.440

1.440

1.440

1.440

1.440

1.440

Onderzoek en kennisoverdracht

5.071

7.960

0

0

0

0

0

Subsidies

1.625

1.864

0

0

0

0

0

Samenwerkende kennisinstellingen e.a.

1.625

1.864

0

0

0

0

0

Opdrachten

1.136

2.381

0

0

0

0

0

Basisonderzoek en verkenningen

1.136

2.381

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/ RWT's

2.310

3.715

0

0

0

0

0

Basisonderzoek en verkenningen

2.310

3.715

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

557.315

523.245

521.000

516.000

478.000

462.000

456.000

1 Tot en met begrotingsjaar 2017 viel dit artikel onder begrotingshoofdstuk 18 - Wonen en Rijksdienst

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 3 is 100% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 98% juridisch verplicht. Het betreft vooral in het verleden aangegane verplichtingen op basis van de Wet bevordering eigenwoningbezit (BEW), de subsidies voor huisvestingsvoorziening statushouders en het fonds binnenstedelijke transformatie.

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 50% juridisch verplicht. Het gaat hierbij om risicovoorzieningen, zoals de Nationale Hypotheekgarantie (NHG, jaarlijkse storting) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW), en activiteiten voor onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van wonen en bouwen.

Inkomensoverdracht

Het huurtoeslagbudget is voor 100% juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 95% juridisch verplicht. Het betreft een agentschapsbijdrage aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), Inspectie Leefomgeving Transport (ILT) en de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 95% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor de activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van wonen en bouwen.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is voor 95% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan de Belastingdienst voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging en verhuurder-heffing.

E Toelichting op de instrumenten

3.1 Woningmarkt

Subsidies

Binnenstedelijke transformatie

De ontwikkeling van woningbouw op complexe binnenstedelijke locaties komt in veel gevallen niet tijdig van de grond door gebrek aan financiering in de voorfase. Dit gebrek aan financiering heeft te maken met hoge kosten van benodigde investeringen in de voorfase (bijvoorbeeld saneren, verwerven of ontsluiten van de locaties) in combinatie met onzekerheid over de doorgang van projecten en een lange terugver-dientijd. In 2018 en 2019 stelt het Ministerie van BZK in totaal € 38 mln. beschikbaar om woningbouw op binnenstedelijke locaties te versnellen. Het Ministerie van BZK voert momenteel gesprekken met partijen over vormen van cofinanciering en nadere voorwaarden om de gelden zo efficiënt mogelijk in te zetten voor woningbouw in gespannen regio's.

Woningmarkt

De Minister van BZK verstrekt subsidies ten behoeve van onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van de woningmarkt, om te komen tot evidence-based beleidsvorming. Het betreft incidentele subsidies, zoals voor de studentenmonitor. Daarnaast betreft het structurele subsidies, zoals voor de Woonbond om de positie van de huurder op de woningmarkt te versterken en voor Platform 31 die een onafhankelijke positie inneemt tussen overheid, corporaties bewoners en overige stakeholders op de woningmarkt en (on)gevraagd advies geeft op diverse volkshuisves-telijke vraagstukken.

Bevordering eigen woningbezit (BEW)

De Wet Bevordering eigen woningbezit is gericht op de bevordering van het eigen woningbezit onder lagere inkomensgroepen. Zoals gemeld aan de Tweede Kamer, is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet Bevordering eigen woningbezit geen budget meer beschikbaar (Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XVIII, nr. 74). De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend voor de betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Huisvestingsvoorziening statushouders

Met deze tijdelijke subsidieregeling (looptijd tot 1 januari 2021, met de voorwaarde dat de woonvoorziening uiterlijk eind 2018 is aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)) wordt de realisatie van extra huisvestingscapaciteit gestimuleerd. De wijze waarop de regeling is vormgegeven, zorgt ervoor dat er zo weinig mogelijk verdringing plaatsvindt ten opzichte van reguliere woningzoekenden en dat de kosten voor de samenleving voor de huisvesting van vergunninghouders worden beperkt. Er kan bij bewoning door tenminste vier vergunninghouders geen aanspraak worden gemaakt op huurtoeslag als gevolg van een vastgestelde maximale huurprijs en via het toepassen van de kostendelersnorm kan de druk op het bijstandsbudget worden beperkt.

Opdrachten

Woningmarkt

De activiteiten voor onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van wonen en bouwen. De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en evidence-based onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ontwikkeling van het ramingsmodel.

Inkomensoverdrachten

Huurtoeslag

Circa 1,4 miljoen huishoudens ontvangen huurtoeslag. De huurtoeslag is een bijdrage in de huurlasten en kan aangevraagd worden als de huur in verhouding tot het inkomen te hoog is. Bij de huurtoeslag is sprake van meevallers. Voor 2018 en later worden meerjarige meevallers geraamd van gemiddeld € 120 mln. per jaar. Lagere werkloosheid, lagere asielin-stroom, hogere inkomensontwikkeling en lagere huurprijsontwikkeling zijn hiervoor de voornaamste verklaringen.

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag op de huurlasten voor ontvangers van huurtoeslag tonen onderstaande grafieken het aandeel van de brutohuur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door ontvangers van huurtoeslag is verschuldigd. Het percentage is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een minimuminkomen en een huur op exact 90% van de diverse huurgrenzen van de huurtoeslag.

Uit de grafieken blijkt dat het aandeel van de brutohuur dat door de ontvanger van huurtoeslag nog zelf netto betaald moet worden in 2019 voor de voorbeeldhuishoudens nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van 2018. In de grafieken valt de daling in 2017 op. Deze daling is het gevolg van het besluit om de koopkracht voor lagere inkomens te ondersteunen. Hierdoor is de eigen bijdrage in 2017 met € 10,50 per maand verlaagd.

Netto huurontwikkeling Eenpersoonshuishoudens

65,0% -|-

 

62,6% 62,2%

   

60,0%

59,9%

59,8%

 

-•

51,5%    51,3%

s-

-------49,7%

49,7%

49,6%

509%    50,5%

49,1%

49,0%

-X

48,9%

2015    '    2016    '    2017

2018

2019

—•— Huur op 90% kwaliteitskortingsgrens —•— Huur op 90% aftoppingsgrens

Huur op 90% huurgrens

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur= (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Huur op 90% kwaliteitskortingsgrens Huur op 90% aftoppingsgrens -- Huur op 90% huurgrens

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur= (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Netto huurontwikkeling Eenpersoosnhuishouden-ouderen

70,0% -|-

 

62,1%

61,8%

-

59,5%

59,4%

59,4%

   
     

-•-

-•

51,2%

•-

51,0%

-

 ^   49,4%

49,4%

49,3%

506%

50,3%

 

-1-

s

   

48,8%

48,7%

48,6%

 

2015

2016

2017

2018

2019

  • Huur op 90% kwaliteitskortingsgrens
  • Huur op 90% aftoppingsgrens
  • Huur op 90% huurgrens

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur= (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Netto huurontwikkeling Meerpersoonshuishouden-ouderen

70,0%-

 
 

61,6%

0—-

61,3%

     
   

59,0%

59,0%

58,9%

         
       

...................... •

50,8%

t~

50,6%

49,0%

49,0%

49,0%

50,3%

50,0%

-

48,5%

-1-

48,4%

-•

48,3%

 

2015

2016

2017

2018

2019

65,0%

60,0%

55,0%

50,0%

45,0%

40,0%

Huur op 90% kwaliteitskortingsgrens Huur op 90% aftoppingsgrens -- Huur op 90% huurgrens

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur= (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Bijdragen aan agentschappen

Dienst van de Huurcommissie

De Huurcommissie bestaat uit het ZBO de Huurcommissie en het agentschap de Dienst van de Huurcommissie, die het ZBO ondersteunt in zijn taken. Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben over de hoogte van de huurprijs of van de servicekosten en er ook met eventuele hulp van de Huurcommissie onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraak. De Huurcommissie beslecht ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv).

Voor 2019 worden de onderstaande productieaantallen geraamd:

 

Product

Geschatte productie

Huurprijsgeschillen

4.356

Servicekostengeschillen

1.872

Huurverhogingsgeschillen op basis van punten

441

Huurverhogingsgeschillen op basis van inkomen

657

WOHV geschillen1

5

Onderzoeksrapporten rechtbank

10

Onderzoeksrapporten publieksrechtelijke organen

60

Advies geliberaliseerde huurprijs

50

KHV2

250

Verklaring over redelijkheid van de huurprijs

0

Totaal

7.701

1    Wet Overleg Huurders/Verhuurders

2    Klachten van huurders over de door de verhuurders geleverde producten en verrichte diensten

ILT (Autoriteit woningcorporaties)

De Autoriteit woningcorporaties (Aw) houdt namens de Minister van BZK toezicht op de Wet Normering Topinkomens (WNT) bij woningcorporaties. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ontvangt hiervoor een bijdrage. De totale kosten voor de Autoriteit woningcorporaties worden voor het jaar 2019 geraamd op ongeveer € 14 mln. Op grond van de Woningwet wordt dit grotendeels via een heffing bij de toegelaten instellingen gefinancierd, gecorrigeerd voor een batig/negatief saldo van het voorafgaande jaar. De heffing wordt na goedkeuring door het Ministerie van BZK door de ILT uitgevoerd en wordt op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) verantwoord.

RVO.nl (Uitvoeringskosten BEW)

De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van de Wet Bevordering Eigen Woningbezit en de Regeling Vermindering Verhuurderheffing.

RVO.nl (Uitvoeringskosten Huisvestingsvoorziening statushouders)

De RVO.nl ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van de Tijdelijke regeling subsidie huisvesting vergunninghouders.

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

Woningmarkt

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van wonen en bouwen, specifiek in samenwerking met bijvoorbeeld het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens over de woningmarkt. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en evidence-based onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ontwikkeling van ramingsmodellen.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Financiën en Nationale Schuld (H9)

De Belastingdienst ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging en verhuurderheffing.

Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit teruggevorderde huurtoeslag. Terugvorderingen op de huurtoeslag ontstaan tijdens het toeslagjaar door controles van de Belastingdienst en na afloop van het subsidiejaar bij de definitieve vaststelling van de bijdrage.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op de woningmarkt. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor stedelijke herstructurering betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2017-2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 mln.)1

 
 

2017

2018

2019

Hypotheekrenteaftrek

11.244

10.269

9.806

Aftrek financieringskosten eigen woning

238

219

193

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

30

31

31

Aftrek rente en kosten van geldleningen restschuld vervreemde eigen woning

29

30

30

Eigenwoningforfait

  • 3.257
  • 3.258
  • 3.366

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

604

621

626

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

190

190

190

OVB Verlaagd tarief woning2

3.000

3.075

3.241

Vermindering verhuurderheffing

45

69

193

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

1    [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2    OVB = overdrachtsbelasting

3.4 Artikel 4. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

A Algemene doelstelling

Stimuleren van een goede kwaliteit van de gebouwde omgeving op de aspecten duurzaamheid, energiezuinigheid, veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.

Met deze doelstelling doet het Ministerie van BZK recht aan diverse publieke waarden:

  • De energietransitie in de gebouwde omgeving zorgt voor vermindering van de CO2-uitstoot en kan de woonlasten/gebruikslasten voor eigenaren en huurders van gebouwen verminderen.
  • Gebouwen voldoen aan de eisen van bouwregelgeving op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.
  • Vermindering van het gebruik van primaire grondstoffen in de bouw door onder meer zo hoogwaardig mogelijk gebruik van bouw- en sloopafval draagt bij aan de beschikbaarheid en betaalbaarheid van producten en diensten op de langere termijn.

Deze publieke waarden worden op onderdelen concreet gemaakt in de volgende op termijn te bereiken resultaten:

  • Vermindering van de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving met minstens 3,4 Mton in 2030 in het kader van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 49% ten opzichte van 1990, zoals afgesproken in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III.
  • Met het oog op een aardgasvrije gebouwde omgeving richting 2050 zullen conform het Regeerakkoord aan het eind van de kabinetsperiode nieuwe woningen en andere nieuwe gebouwen in de regel niet meer op gas verwarmd worden en zullen 30.000-50.000 bestaande woningen per jaar aardgasvrij of aardgasvrij-ready gemaakt worden.
  • Het programma «Nederland circulair in 2050» heeft als einddoel een volledig circulaire economie in 2050 (Kamerstukken II 2015-2016,

32 852, nr. 33). Onderdeel hiervan is de ambitie om samen met maatschappelijke partners 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) te realiseren in 2030 als tussendoel. Het kabinet heeft onlangs aangegeven zich met maatschappelijke partners in te zetten om de transitie naar een circulaire (bouw-)economie te versnellen, en om de doelstelling voor 2030 verder te preciseren op basis van de gewenste effecten op milieu, leveringszekerheid en economisch concurrentievermogen (Kamerstukken II 2017-2018, 32 852, nr. 59).

B Rol en verantwoordelijkheid

Met het oog op de doelen binnen dit beleidsartikel is de inzet van burgers, instellingen, bedrijven en de gehele overheid noodzakelijk. Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen zijn gestart met het Interbestuurlijke Programma (IBP) van 2018 en een gezamenlijke agenda (Kamerstukken II 2017-2018, 29 362, nr. 266). Het belangrijkste doel van het IBP is een optimale samenwerking tussen de overheden, zodat er rond belangrijke maatschappelijke opgaven een meer gezamenlijke aanpak tot stand komt. De Minister van BZK heeft hierbij een stimulerende en regisserende rol.

Stimuleren:

Op basis van de Woningwet (artikel 120), de Wet milieubeheer (hoofdstuk 4) en de Kadasterwet is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving. De Minister van BZK geeft invulling aan deze verantwoordelijkheid door kaderstelling (wet- en regelgeving), het uitvoeren van de acties van het Energieakkoord en afspraken die volgen uit het nog af te sluiten het Klimaatakkoord, ondersteuning van innovatie (onder andere door middel van subsidies en «zachte» leningen) en monitoring. Daarnaast stimuleert de Minister van BZK energietransitie in de gebouwde omgeving met verschillende (subsidie)instrumenten, afspraken en ondersteuningsmaatregelen.

Regisseren:

Op basis van de Woningwet (artikel 2) is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het opstellen en het beheer van de bouwregelgeving en stelselverantwoordelijk voor het borgen van de bouwkwaliteit. Op grond van deze verantwoordelijkheid worden in ieder geval regels gesteld over het bouwen van nieuwe bouwwerken, de staat van bestaande bouwwerken en het gebruiken en slopen van bouwwerken. Deze regels worden gesteld vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of milieu. Door naleving van deze regels is de minimumkwaliteit van bouwwerken gewaarborgd. Toezicht en handhaving hierop berust bij gemeenten.

C Beleidswijzigingen

Energiebesparing huursector

In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III is een bedrag gereserveerd oplopend tot structureel € 100 mln. voor vermindering van de verhuur-dersheffing ten behoeve van de energetische verbetering van sociale huurwoningen. De wetgeving hiertoe zal naar verwachting in het voorjaar van 2019 van kracht zijn. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de verduurzaming van sociale huurwoningen.

Energiebesparing koopsector

Het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) start, na hiervoor in 2018 de nodige voorbereidingen te hebben getroffen, in 2019 met zijn tweede periode van het verstrekken van laagrentende leningen voor energiebesparing door eigenaren-bewoners en verenigingen van eigenaren. Het eerder in het fonds gestorte revolverende Rijksgeld is samen met financiering van banken uitgezet in leningen. Het fonds krijgt extra revolverend geld vanuit de rijksoverheid en zal nieuw bankengeld aantrekken. Met deze middelen zal het fonds meer aantrekkelijke leningen aanbieden aan de doelgroep. Voor de tweede periode wil het NEF voor grote energiezuinige renovaties van VvE's leningen met langere looptijden mogelijk maken. Daarnaast wordt gekeken naar verdere mogelijkheden tot verbetering van het NEF.

Energiebesparing utiliteitsbouw

In 2019 zet het Ministerie van BZK zich verder in om de utiliteitsbouw te verduurzamen, onder meer door middel van het Innovatieprogramma aardgasvrije en frisse basisscholen. Het doel hiervan is opschaling van verduurzaming van de meest energie-onzuinige schoolgebouwen te realiseren (versnelling, repeteerbaarheid, kostendaling). Bijkomende subdoelen zijn aanbieders bewust te maken van de noodzaak van grootschalig en eenvoudig toe te passen verduurzamingsconcepten en het voor scholen/gemeenten makkelijker te maken om te kiezen voor verduurzaming. In dit kader worden circa tien pilots uitgevoerd waarin energie-onzuinige schoolgebouwen omgebouwd worden tot aardgasvrije en frisse scholen met ondersteunende financiering uit de Klimaatenvelop 2018.

Fonds Energiebesparing Huursector

Het kabinet heeft bij voorjaarsnota 2018 besloten het merendeel van de middelen van het Fonds Energiebesparing Huursector (FEH) alternatief in te zetten binnen de begroting van BZK. In totaal wordt € 40 mln. ingezet voor het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) over 2018-2019 en € 30 mln. grotendeels in de periode 2018-2022 voor het vanuit Europa verplichte energielabel voor woningen en andere gebouwen en voor communicatie over energiebesparing. Het FEH is op 1 juli 2018 beëindigd; de in 2018 aangevraagde leningen tot een maximum van in totaal € 2,8 mln. worden nog door RVO.nl behandeld.

Groningen

In lijn met het advies van de Mijnraad (juli 2018) kiest het kabinet voor de overgang naar een nieuwe versterkingsaanpak, en daarmee naar een veilig Groningen. De Minister van EZK en de Minister van BZK gaan hieraan samen met de regio - en met ondersteuning van de (waarnemend) Nationaal Coördinator Groningen - verder uitwerking geven. Ook gaan Rijk en regio samen verder invulling geven aan een nieuw toekomstperspectief voor de regio. Dit perspectief richt zich, in het licht van de energietransitie en de demografische en economische transities, op ruimtelijke-economische structuurversterking en de verbetering van de sociale en fysieke leefbaarheid. Hierbij wordt ingezet op een ambitieuze meerjarige aanpak van Rijk en regio met daarbij passende investeringen.

Kwaliteitsborging voor het bouwen

Het kabinet beoogt een sterkere positie van de consument als opdrachtgever in de bouw, door in het wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen (Kamerstukken II 2015-2016, 34 453, nr. 2) de aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering van het bouwwerk te vergroten. Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel de bouwplantoets door de gemeente vervangen door toetsing van de kwaliteit van het gerede bouwwerk door een onafhankelijke private kwaliteitsborger. Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer op 4 juli 2017 wordt nog bezien hoe aan nog levende zorgpunten ten aanzien van het wetsvoorstel tegemoet kan worden gekomen.

Stelsel certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties Een wettelijk stelsel wordt voorbereid voor certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties om de kwaliteit van deze werkzaamheden te verbeteren met als doel het aantal koolmonoxideonge-vallen te reduceren.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nrVerplichtingen:

232.210

226.105

78.008

23.728

23.891

23.683

18.420

Waarvan garantieverplich-tingen

 

Uitgaven:

96.521

266.105

209.008

167.728

23.891

23.683

18.420

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

99%

       
 

4.1 Energietransitie en duurzaamheid

71.398

240.489

202.955

161.881

18.514

18.386

13.386

Subsidies

68.823

148.063

180.889

146.409

2.538

2.410

1.410

Beleidsprogramma

Energiebesparing

5.923

11.801

0

0

0

0

0

Energietransitie en duurzaamheid

0

0

2.412

2.409

2.538

2.410

1.410

Beleidsprogramma bouwregelgeving

2.713

4.143

0

0

0

0

0

Energiebesparing

Koopsector

39.917

5.302

13.000

0

0

0

0

Energiebesparing

Huursector

0

121.817

130.477

144.000

0

0

0

FES IAGO

270

0

0

0

0

0

0

Revolverend fonds EGO

0

5.000

0

0

0

0

0

Nationaal Energiebespaar-fonds (NEF)

0

0

35.000

0

0

0

0

Fonds duurzaam funde-ringsherstel

20.000

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

1.432

3.210

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Beleidsprogramma

Energiebesparing

635

1.600

0

0

0

0

0

Energietransitie en duurzaamheid

0

0

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Beleidsprogramma bouwregelgeving

797

1.610

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

0

650

0

0

0

0

0

Toelatingsorganisatie

0

650

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.143

3.224

20.717

14.123

14.627

14.627

10.627

Dienst Publiek en Communicatie

1.143

620

60

0

0

0

0

Diverse Agentschappen

0

350

750

0

0

0

0

ILT (Handhaving

Energielabel)

0

0

500

500

500

500

500

ILT (Toezicht EU-Bouwregelgeving)

0

51

0

0

0

0

0

RVO.nl (Energietransitie en duurzaamheid)

0

0

6.580

6.209

6.199

6.199

6.199

RVO.nl (Uitvoering Energieakkoord)

0

2.203

12.413

7.414

7.928

7.928

3.928

 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

RVO.nl (Uitvoeringskosten

FEH)

0

0

414

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

85.342

249

249

249

249

249

Economische Zaken (H13)

0

226

249

249

249

249

249

Gemeentefonds (H50)

0

85.000

0

0

0

0

0

Infrastructuur en Waterstaat (H12)

0

116

0

0

0

0

0

 

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

22.617

18.208

6.053

5.847

5.377

5.297

5.034

Subsidies

337

300

1.751

1.751

1.431

1.351

1.351

Beleidsprogramma

Woningbouw

337

300

0

0

0

0

0

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

0

0

1.751

1.751

1.431

1.351

1.351

Opdrachten

165

55

3.273

3.217

3.267

3.267

3.004

Beleidsprogramma

Woningbouw

165

55

0

0

0

0

0

Bouwregelgeving en Bouwkwaliteit

0

0

3.273

3.217

3.267

3.267

3.004

Bijdragen aan agentschappen

22.062

17.853

51

51

51

51

51

ILT (Toezicht EU-Bouwregelgeving)

0

0

51

51

51

51

51

RVO.nl (Beleidsprogramma Woningbouw)

22.062

17.853

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

0

0

650

500

300

300

300

Toelatingsorganisatie

0

0

650

500

300

300

300

Bijdragen aan medeoverheden

53

0

0

0

0

0

0

Bijdrage woningbouw

53

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

328

328

328

328

328

Infrastructuur en Waterstaat (H12)

0

0

328

328

328

328

328

4.3 Kwaliteit woonomgeving

2.462

3.460

0

0

0

0

0

Subsidies

1.356

1.646

0

0

0

0

0

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

1.356

1.646

0

0

0

0

0

Opdrachten

1.005

1.564

0

0

0

0

0

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

1.005

1.564

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

75

250

0

0

0

0

0

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

75

250

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

26

0

0

0

0

0

0

 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

26

0

0

0

0

0

0

 

Revolverend Fonds

Energiebesparing

Verhuurders

44

3.948

0

0

0

0

0

Leningen

0

2.800

0

0

0

0

0

Revolverend Fonds

Energiebesparing

Verhuurders

0

2.800

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

44

1.148

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

44

1.148

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

605

91

91

91

91

91

91

1 Tot en met begrotingsjaar 2017 viel dit artikel onder begrotingshoofdstuk 18 - Wonen en Rijksdienst

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 4 is 99% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft subsidies in het kader van de energietransitie en duurzaamheid voor onder andere energiebesparing in de koopsector (SEEH), energiebesparing in de huursector (STEP) en het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF).

Opdrachten

De budgetten voor opdrachten voor de beleidsprogramma's zijn voor 50% juridisch verplicht. Ter uitvoering van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord worden in 2019 diverse onderzoeksopdrachten uitgevoerd.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het Ministerie van BZK verstrekt een bijdrage aan de Toelatingsorgani-satie in het kader van de voorbereiding van het nieuwe stelsel voor kwaliteitsborging voor het bouwen. Dit budget is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een agentschapsbijdrage aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl).

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft een bijdrage aan het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor de Nationale Energieverkenning door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN).

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

4.1 Energietransitie en duurzaamheid

Het Ministerie van BZK zet diverse instrumenten in om energietransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen, zorg te dragen voor een minimumniveau voor veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid van gebouwen, de positie van de consument als opdrachtgever in de bouw te versterken en het gebruik van primaire grondstoffen te verminderen. In dit kader verstrekt het Ministerie van BZK subsidies, opdrachten en bijdragen aan partijen buiten en binnen de rijksoverheid.

Subsidies

Energietransitie en duurzaamheid

In het kader van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord verstrekt het Ministerie van BZK in 2019 subsidies aan enkele partijen, onder meer voor klantcontact en informatievoorziening over het energielabel voor woningen en andere gebouwen.

Energiebesparing Koopsector

De uitvoering van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH) wordt voortgezet voor Verenigingen van Eigenaren (VvE's). Het Ministerie van BZK zet - van het totale bedrag van € 100 mln. dat destijds in het Belastingplan 2016 beschikbaar werd gesteld - voor 2019 € 13 mln. in voor subsidies ten behoeve van energiebesparende maatregelen door VvE's. Voor deze doelgroep duurt het subsidieaanvraagproces langer.

Energiebesparing Huursector

In 2019 zet de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) in opdracht van het Ministerie van BZK de uitvoering voort van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector voor investeringen van verhuurders in energiebesparende maatregelen. 2018 is het laatste jaar waarin aanvragen kunnen worden gedaan. De subsidies worden twee jaar na verlening uitbetaald. Daarnaast zal in 2019 naar verwachting de heffingsvermindering verduurzaming huurwoningen worden ingevoerd voor verduurzaming van sociale huurwoningen.

Nationaal Energiebespaarfonds

Bij voorjaarsbegroting 2018 zijn extra middelen vrijgemaakt voor het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF). Het betreft de volgende reeks: € 5 mln. (2018) en € 35 mln. (2019). Het fonds zal daarnaast nieuw bankengeld aantrekken. Het fonds start met deze middelen in 2019, na hiervoor in 2018 de nodige voorbereidingen getroffen te hebben, zijn tweede periode van het daadwerkelijk verstrekken van leningen voor energiebesparing door eigenaren-bewoners en verenigingen van eigenaren. Voor de tweede periode wil het NEF voor grote energiezuinige renovaties van VvE's leningen met langere looptijden mogelijk maken. Daarnaast wordt gekeken naar verdere mogelijkheden tot verbetering van het NEF.

Opdrachten

Energietransitie en duurzaamheid

Ter uitvoering van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord verstrekt het Ministerie van BZK ook in 2019 diverse onderzoeksopdrachten.

Bijdragen aan agentschappen

Dienst Publiek en Communicatie

Deze middelen worden ingezet voor het campagnemanagement voor de activerende voorlichtingscampagne «Energie besparen doe je nu» (www.energiebesparendoejenu.nl) door het agentschap Dienst Publiek en Communicatie.

Diverse agentschappen

In samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) betreft dit een bijdrage aan de rijksbrede koepelcampagne in het kader van de klimaatdoelstellingen uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III. Het doel van de campagne is mensen te informeren en enthousiasmeren over de bijdrage die zij zelf kunnen leveren aan de reductie-opgave.

ILT (Handhaving Energielabel)

In 2019 zet de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) haar werkzaamheden voort op het gebied van de handhaving van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het energielabel in het kader van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen.

RVO.nl (Energietransitie en duurzaamheid)

De middelen zijn bestemd voor het jaarprogramma 2019 dat RVO.nl in opdracht van het Ministerie van BZK uitvoert op het gebied van energie-transitie in de gebouwde omgeving. Het programma behelst kennisverspreiding, beleidsonderbouwing en uitvoering van subsidieregelingen over de hele breedte van dit beleidsterrein waaronder de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP) en de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH).

RVO.nl (Uitvoering Energieakkoord)

Ter uitvoering van afspraken uit het Energieakkoord voor duurzame groei zorgt RVO.nl in opdracht van het Ministerie van BZK ook in 2019 voor beheer en onderhoud van het systeem voor verkrijging van een definitief energielabel voor woningen op basis van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen. Het systeem wordt voortgaand gemonitord, waarbij de effecten van handhaving worden betrokken. De webtool voor verkrijging van het label wordt waar nodig verbeterd en aangepast op basis van actuele ontwikkelingen. Daarnaast beheert RVO.nl de energiela-beldatabase.

RVO.nl (Uitvoeringskosten FEH)

Het betreft de laatste werkzaamheden van RVO.nl ter uitvoering van het Fonds energiebesparing huursector (FEH).

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Economische Zaken (H13)

Dit betreft een overboeking naar de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor de Nationale Energiever-kenning door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), nodig om de voortgang van de maatregelen voor energietransitie in de gebouwde omgeving in het kader van het Energieakkoord en het Klimaatakkoord te monitoren.

Subsidies

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

In 2019 verstrekt het Ministerie van BZK enkele subsidies in het kader van het streven om de vraaggerichtheid in de bouwsector en de positie van de bouwconsument te versterken door middel van private afspraken zoals een benchmarkingsysteem en een opleverdossier voor de consument. Verder worden enkele subsidies verstrekt om het belang van verduur-zaming in VvE's verder onder de aandacht te brengen in het kader van de Wet verbetering functioneren verenigingen van eigenaars (Stb. 2017, 241). Deze wet verplicht VvE's ertoe om jaarlijks een minimumbedrag te reserveren voor onderhoud en herstel van het gebouw en heeft bij VvE's de aandacht voor de combinatie van groot onderhoud en verduurzaming vergroot.

Opdrachten

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Het Ministerie van BZK verstrekt ten behoeve van een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving ook in 2019 opdrachten voor werkzaamheden van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), de Helpdesk bouwregelgeving en de Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften. Vanuit de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden waar nodig wijzigingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving aangebracht. In het belang van de toegankelijkheid van gebouwen wordt met betrokken organisaties gewerkt aan de uitvoering van het Actieplan «Toegankelijkheid voor de bouw» en aan het opzetten van een monitor om de uitvoering van de afgesproken acties en de effecten daarvan te volgen en waar nodig en mogelijk bij te sturen. Ook wordt met organisaties overlegd om de bruikbaarheid en een voldoende mate van brandveiligheid van de gebouwde omgeving te borgen en te stimuleren. In 2019 wordt ook verder gewerkt aan het integreren van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de bouwparagraaf van de Woningwet in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking zal treden.

In 2020 worden de nieuwe energieprestatie-eisen van kracht voor nieuwbouw (eisen voor bijna energieneutrale gebouwen). In 2019 zal het Ministerie van BZK de implementatie van een nieuwe integrale bepalingsmethode voor de energieprestatie (NTA 8800) en de kwaliteitsborging hierbij verder stimuleren en ondersteunen, zodat de markt zich tijdig kan voorbereiden om vanaf 2020 daadwerkelijk bijna energieneutraal te kunnen bouwen. Verder wordt gewerkt aan de implementatie van de herziening van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen. Deze herziening bevat onder meer bepalingen over elektrisch vervoer en energiemanagementsystemen. De lidstaten moeten de herziene richtlijn begin 2020 hebben omgezet.

In 2019 worden de werkzaamheden voortgezet in het kader van de introductie van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging in de bouwsector (Kamerstukken II 2015-2016, 34 453, nr. 2). Hierbij gaat het onder andere om de uitvoering van het implementatieplan dat in overleg met betrokken partijen is gemaakt, de opzet van de voorziene toelatingsorganisatie, en de landelijke organisatie van meer proefprojecten.

Ook wordt een certificeringsstelsel voorbereid om de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te verbeteren, teneinde het aantal koolmonoxideongevallen te reduceren. Hiermee wordt invulling gegeven aan advies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van november 20151.

Ter uitvoering van de afspraken in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III over circulaire bouweconomie wordt deze kabinetsperiode onderzocht hoe de bouwregelgeving effectief kan worden ingezet om de afspraken te realiseren. Ook wordt ondersteunend beleid ingezet voor kennisontwikkeling en -verspreiding. Hiertoe verstrekt het Ministerie van BZK opdrachten aan onder meer de Stichting Bouwkwaliteit en Platform31.

Bijdragen aan Agentschappen

ILT (Toezicht EU-Bouwregelgeving)

In 2019 voert de ILT toezicht en handhaving uit op de naleving van de Europese Verordening bouwproducten.

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

Toelatingsorganisatie

Het Ministerie van BZK verstrekt een bijdrage aan de Toelatingsorganisatie in het kader van de voorbereiding van het nieuwe stelsel voor kwaliteitsborging voor het bouwen.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Infrastructuur en Waterstaat (H12)

Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ten behoeve van het Omgevingsloket online, waarbij particulieren en bedrijven een omgevingsvergunning kunnen aanvragen en een vergunning check en melding kunnen doen.

Ontvangsten

Dit betreft ontvangsten uit afrekeningen van eerder verstrekte subsidies door RVO.nl en uit boetes wegens het niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van het energielabel bij verkoop en verhuur van gebouwen.

3.5  Artikel 5. Ruimtelijke ordening en omgevingswetA Algemene doelstelling

Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Gericht op het realiseren van een concurrerend, duurzaam en leefbaar Nederland, waarin sprake is van regionale differentiatie en maatwerk.

B Rol en verantwoordelijkheid

Het huidige Rijksbeleid voor ruimtelijke ordening is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstukken II 2011-2012, 32 660, nr. 50). De nieuwe Nationale Omgevingsvisie zal naar verwachting medio 2019 worden vastgesteld. Deze zal het kader vormen voor het omgevingsbeleid en de aanpak kenmerkt zich als integraal en gebiedsgericht. Er wordt gewerkt vanuit een richtinggevende en uitnodigende visie met duidelijke kaders die gebaseerd zijn op nationale belangen en die ruimte laat voor regionale en lokale activiteiten. Deze nieuwe sturingsfilosofie wordt «Ruimtelijke Activering» genoemd en hierin heeft de Minister van BZK zowel een stimulerende als een regisserende rol.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de stelselherziening omgevingsrecht (Omgevingswet), gericht op een samenhangende benadering van de leefomgeving, eenvoudiger regels voor burgers en bedrijven en betere en snellere besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving. De Minister van BZK is ook verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening en het stimuleren van (de kwaliteit van) ruimtelijke investeringen.

Stimuleren

Het ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op de nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III en de Nationale Omgevingsvisie (na vaststelling in 2019). De Minister van BZK is hierbij (medeverantwoordelijk voor:

  • Het zorgdragen voor een gestructureerde afstemming met de regio in de vorm van het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT), waarin het Rijk en de regio afspraken kunnen maken over afgestemde acties en investeringsbeslissingen;
  • Het - via de gebiedsagenda's - in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (o.a. woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid). In het kader van de Nationale Omgevingsvisie worden de gebiedsagenda's geactualiseerd en verbreed naar omgevingsagenda's;
  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals een visie op de ruimtelijke vertaling voor duurzame energieopwekking, -opslag en -transport in 2050 en een visie op verstedelijking en krimp;
  • De inhoudelijke inbreng vanuit het ruimtelijk beleid, een aspect van de fysieke leefomgeving, in de Nationale Omgevingsvisie;
  • De inbreng van ontwerp in ruimtelijke projecten en programma's bij het Ministerie van BZK en het stimuleren van ontwerp bij projecten en programma's, zowel interdepartementaal als bij andere overheden.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de stelselherziening omgevingsrecht. Deze omvat:

  • De bundeling, vereenvoudiging, stroomlijning en harmonisering van wet- en regelgeving met betrekking tot het fysieke domein;
  • De implementatie van het nieuwe stelsel via het implementatiepro-gramma Aan de slag met de Omgevingswet met een interbestuurlijk opdrachtgeverschap van Rijk, VNG, IPO en UvW;
  • • 
    Het ondersteunen van burgers, bedrijven en overheden bij de stelselherziening door het vergroten van kennis over het leren werken met de nieuwe wet- en regelgeving;
  • • 
    Het ontwikkelen van een landelijke voorziening in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) die ondersteunt bij de uitvoeringsprocessen van de Omgevingswet ondersteunen.
  • De realisatie en - na vaststelling - uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Regisseren

De Minister van BZK heeft een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van omgevingsbeleid en de ruimtelijke ordening, ongeacht wie verantwoordelijk is voor het resultaat of welke doelen worden nagestreefd. De Minister van BZK is vanuit deze rolopvatting eerstverantwoordelijk voor:

  • De uitvoering van de SVIR en voor het beheer en onderhoud van het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en Europese kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de bijbehorende informatievoorziening;
  • Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders;
  • Het samenwerken met het bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren. En het versterken van de samenhang in het geo-informatiebeleid;
  • Het zorg dragen voor zorgvuldige ruimtelijke keuzes en de structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling van medeoverheden;
  • De verdere ontwikkeling van kennis van de fysieke leefomgeving ten behoeve van beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden;

Ten slotte is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 4).

C Beleidswijzigingen

Naar aanleiding van het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III wordt gewerkt aan vernieuwing van het beleid ten aanzien van open ruimten. Met de vaststelling van de NOVI in 2019 zal er sprake zijn van een actualisatie van al het beleid ten aanzien van de fysieke leefomgeving.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nrVerplichtingen:

0

87.924

94.897

91.644

62.186

57.593

51.453

Waarvan garantieverplich-tingen

 

Uitgaven:

0

103.583

102.919

93.875

62.186

57.593

51.453

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

84%

       
 

5.1 Ruimtelijke ordening

0

55.534

59.745

64.461

54.025

49.964

46.740

Subsidies

0

1.895

1.895

1.595

380

380

380

Basisregistraties

0

680

680

380

380

380

380

Programma Ruimtelijk

Ontwerp

0

1.215

1.215

1.215

0

0

0

Opdrachten

0

10.677

9.304

7.707

7.594

6.972

6.420

Basisregistraties Ondergrond (BRO)

0

2.828

1.651

1.369

777

552

0

Gebiedsontwikkeling

0

1.541

1.416

1.461

1.381

1.176

1.176

Nationale Omgevingsvisie

0

1.230

1.450

0

0

0

0

Programma Ruimtelijk

Ontwerp

0

2.553

2.377

2.220

2.919

2.919

2.919

Ruimtegebruik bodem (diversen)

0

265

265

265

265

265

265

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

0

1.985

1.865

2.112

1.972

1.780

1.780

Windenergie op zee

0

275

280

280

280

280

280

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

0

31.327

36.945

36.814

34.066

28.117

27.634

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

0

8.040

8.900

8.443

6.452

493

0

Geo-informatie

0

2.364

2.278

2.578

2.492

2.502

2.512

Kadaster (Basisregistraties)

0

20.923

25.767

25.793

25.122

25.122

25.122

Bijdragen aan medeoverheden

0

2.700

2.550

9.310

2.950

5.910

3.721

Diverse projecten Ruimtelijke Kwaliteit

0

2.700

2.550

9.310

2.950

5.910

3.721

Bijdrage aan agentschappen

0

8.935

9.051

9.035

9.035

8.585

8.585

RVB

0

2.356

2.356

2.340

2.340

2.340

2.340

RWS (Leefomgeving)

0

6.129

6.245

6.245

6.245

6.245

6.245

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

0

450

450

450

450

0

0

 

5.2 Omgevingswet

0

48.049

43.174

29.414

8.161

7.629

4.713

Subsidies

0

5.000

4.000

0

0

0

0

Eenvoudig Beter

0

5.000

4.000

0

0

0

0

Opdrachten

0

5.290

20.172

28.206

6.953

6.421

3.505

Eenvoudig Beter

0

1.575

1.900

840

540

1.231

1.231

Aan de Slag

0

3.715

18.272

27.366

6.413

5.190

2.274

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdragen aan agent-

schappen

0

23.729

8.904

1.208

1.208

1.208

1.208

Aan de Slag

0

23.104

8.104

608

608

608

608

Eenvoudig Beter

0

625

800

600

600

600

600

Bijdragen aan medeover-

heden

0

14.030

10.098

0

0

0

0

Aan de Slag

0

14.030

10.098

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

8.824

3.824

3.824

3.824

3.824

3.824

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 5 is 84% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 98% juridisch verplicht. Het betreft onder andere subsidie voor de Stimuleringsregeling Implementatie Omgevingswet en subsidies aan een aantal lead partners (het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam, de TU Delft en de Academies van Bouwkunst) in het kader van het programma ruimtelijk ontwerp. Daarnaast wordt subsidie verstrekt aan Geonovum en aan het Samenwerkingsverband bronhouders voor de basisregistratie grootschalige topografie.

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 50% juridisch verplicht. In 2019 worden diverse opdrachten verstrekt op het gebied van het programma ruimtelijk ontwerp, geo-informatie, de Basisregistratie Ondergrond (BRO) en gebiedsontwikkeling. Daarnaast betreft het opdrachten ter bevordering van de implementatie van de Omgevingswet (Aan de Slag).

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's/RWT's is 100% juridisch verplicht. Dit betreft een bijdrage aan het Kadaster voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties, beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie (Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK)) en het Nationaal GeoRegister (NGR).

Bijdragen aan medeoverheden

De bijdragen aan medeoverheden zijn 95% juridisch verplicht. Het betreft onder meer bijdragen aan projecten ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast betreft het diverse bijdragen ten behoeve van de ontwikkeling van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO).

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn 95% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan Rijkswaterstaat (RWS) ten behoeve van de Ruimtelijke Inpassingsplannen en de ontwikkeling van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Daarnaast betreft het een bijdrage aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voor de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV).

E Toelichting op de instrumenten

5.1 Ruimtelijke ordening Subsidies

Basisregistraties

Met het oog op het uitvoeren van het basisprogramma op het terrein van geo-informatie en de geo-basisregistraties wordt een subsidie verleend aan Geonovum en aan het Samenwerkingsverband bronhouders voor de basisregistratie grootschalige topografie (SVB-BGT).

Programma Ruimtelijk Ontwerp

Het budget van 2017-2021 voor de Actieagenda Ruimtelijke Ontwerp wordt deels als een meerjarige subsidie toegekend aan een aantal van de lead partners (het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam, de TU Delft en de Academies van Bouwkunst) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk. De subsidies ondersteunen onderwijsprogramma's die de rol van ontwerp als onderzoeksinstrument belichten, platforms die innovatieve praktijken en onderzoeken verbinden en ondersteunen, alsmede programma's die in een actieve kennisoverdracht naar de lokale en regionale praktijk voorzien.

Opdrachten

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

De Basisregistratie Ondergrond (BRO) wordt stapsgewijs ingevoerd. Er zijn vier tranches voorzien in de periode 2018-2022. Per tranche treden verplichtingen in werking waarbij bronhouders conform de BRO-standaarden gegevens moeten aanleveren aan de landelijke voorziening BRO. Daartoe is een aantal generieke voorzieningen gerealiseerd (waaronder Landelijke Voorziening BRO, Bronhouderportaal, ontsluiting naar Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK), inrichting servicedesk). De eerste release hiervan is op 1 januari 2018 in gebruik genomen. De opdrachten betreffen de realisatie en doorontwikkeling van de BRO, waaronder het leveren van (monitorings)rapportages, communicatie-uitingen, analyses en de realisatie van diverse proof of concepts die de business case ondersteunen.

Gebiedsontwikkeling

De opdrachten in relatie tot de gebiedsontwikkeling worden uitgevoerd in het kader van Ruimtelijke Economische Ontwikkelstrategie (REOS), Greenports 3.0, de ruimtelijke inbreng in de Nota Luchtvaart 2020-2040 en het MIRT. Het betreft onderbouwend onderzoek, ontwerpend onderzoek en advisering op o.a. (financiële) haalbaarheid.

Het MIRT is het meerjarenprogramma van de opgaven in het ruimtelijk fysieke domein. Onderdeel van het MIRT zijn de landsdelige gebiedsa-genda's. In deze gebiedsagenda's wordt de samenhang tussen de nationale opgaven en regionale opgaven en initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties inzichtelijk gemaakt. Op basis van de NOVI zullen de gebiedsagenda's worden vernieuwd. Vooruitlopend daarop vindt de pilot vernieuwing Gebiedsagenda Oost plaats, die naar verwachting in het voorjaar van 2019 bestuurlijk wordt afgerond.

Verder heeft de opdrachtverlening betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: de ruimtelijke inbreng in het Klimaatakkoord en de Regionale Energie- en Klimaatstrategieën (REKS), uitvoering van de Structuurvisie buisleidingen, de Structuurvisie Energievoorziening en de Structuurvisie Wind op land.

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De opdrachten voor de Nationale Omgevingsvisie hebben betrekking op de inspraakprocedure van de ontwerp NOVI, de planMER en de publicatie van de vastgestelde Nationale Omgevingsvisie.

Programma Ruimtelijk Ontwerp

Ruimtelijk ontwerp richt zich op de goede ontwikkeling en een duurzaam beheer van de fysieke leefomgeving. De Rijksinzet met de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp biedt voor de periode 2017-2020 een programmatisch kader om de rol van ontwerpend onderzoek te versterken. Hierbij staat de inzet van ontwerpkracht bij urgente maatschappelijke opgaven, zoals geagendeerd in de startnota Nationale Omgevingsvisie en bij het opstellen van gebiedsagenda's en omgevingsplannen en -visies, centraal.

De financiële middelen voor ruimtelijk ontwerp worden deels toegekend in de vorm van subsidies ten behoeve van het stimuleringsprogramma voor specifieke doelgroepen en opgaven. Daarnaast worden de middelen ingezet voor:

  • Het College van Rijksadviseurs; ten behoeve van onafhankelijk advies aan het Rijk in zake ruimtelijke aspecten van urgente maatschappelijke opgaven en Rijksbelangen;
  • Het programma Atelier X (BZK): ten behoeve van beleidsverkennend ontwerpend (interdepartementaal) onderzoek. Onderzoek onder andere op thema-s zoals energietransitie, klimaatadaptatie, verstedelijking, bereikbaarheid en beleid open ruimten;
  • Het O-team; ten behoeve van ontwerpadvies lokale gebiedsontwikke-ling.

De uitvoering van deze programma's gebeurt binnen een samenhangend netwerk van het Rijk met lead partners.

Ruimtegebruik bodem

De uitvoering van de Structuurvisie Buisleidingen (SVB) ziet op het reserveren van ruimte ten behoeve van vervoer van gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie faciliteren we de aanleg van buisleidingen met het vrijhouden van ruimte. Een deel van de tracés is inmiddels vastgelegd in de Structuurvisie Buisleidingen, een deel (de indicatieve tracés) zal nog volgen. De te volgen werkwijze nu is de indicatieve tracés toevoegen aan de SVB en ter inzage leggen voor belanghebbenden, gelegenheid bieden om zienswijzen in te dienen en rekening houdend met deze zienswijzen de tracés vastleggen in wetgeving.

Ruimtelijk instrumentarium

Het vigerend beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De financiële middelen voor het Ruimtelijk instrumentarium worden in 2019 met name ingezet:

  • Om zicht te houden op de realisatie van de SVIR om zorg te dragen voor kennisontwikkeling ten behoeve van de uitvoering van de SVIR;
  • Voor het beheer en onderhoud van het stelsel van de Wro;
  • Voor de ontwikkeling van een perspectief voor het vitaal en bereikbaar houden van de krimpregio's en de ondersteuning van provincies en gemeenten in krimp- en anticipeerregio's door middel van kennis en experimenten;
  • Voor de ontwikkeling van een ruimtelijke perspectief voor duurzame verstedelijking;
  • Voor het uitwerken van de acties uit het uitvoeringsprogramma Ruimtelijke Economische Ontwikkelstrategie (REOS);
  • Voor de voorbereiding van de ruimtelijke inbreng in de NOVI en het klimaatakkoord.

Windenergie op zee

De routekaarten windenergie op zee voor 2023 en 2030 komen tezamen uit op 11,5 GW in de Noordzee in 2030. BZK draagt daaraan bij via haar rol in de energietransitie en verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening van de Noordzee. De beschikbare middelen worden ingezet voor:

  • Het proces van de ruimtelijke afstemming van windparken met de belangen op de Noordzee (visserij, scheepvaart, mijnbouw, natuur, etc.);
  • De voorbereiding van kavelbesluiten (mede bevoegd gezag) en voorbereidingsbesluiten daarvoor;
  • Het mogelijk maken en afstemmen van meervoudig- en multifunctioneel ruimtegebruik op zee (visserij, scheepvaart, mijnbouw, natuur, etc.). In het bijzonder doorvaart en medegebruik in de huidige en toekomstige windparken;
  • De inpassing via Rijkscoördinatieregeling van het elektriciteitsnet op zee;
  • Bijdragen aan het opstellen van een financieel kader voor de inpas-singskosten en waar mogelijk een koppeling met de opbrengsten van nieuwe windparken;
  • Bijdragen aan de uitwerking van de Routekaart windenergie op zee 2030;
  • Bijdragen aan het opstellen van de Noordzeestrategie 2030.

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

De bijdrage aan Geonovum voor de BRO betreft de ontwikkeling van standaarden. De BRO wordt stapsgewijs ontwikkeld. Er zijn vier tranches met in totaal ca. 30 registratieobjecten (bijv. een sondering of een grondwaterput), die in de periode 2018-2022 per tranche worden opgenomen in de regelgeving. In 2017 en 2018 heeft Geonovum een bijdrage ontvangen om de standaarden voor de 1e en 2e tranche te ontwikkelen. In 2019, 2020 en 2021 zijn bijdragen voorzien voor ontwikkeling van tranches 3 en 4.

Geo-informatie

Geonovum en ICTU ontvangen een bijdrage voor de realisatie en doorontwikkeling van basisregistraties en voorzieningen in het kader van de Nationale Geo-Informatie Infrastructuur. Het betreft onder meer de ontwikkeling van standaarden, inhoudelijke doorontwikkeling en ontwikkeling van informatiemodellen. Naast de bestaande basisregistraties en voorzieningen betreft het investeringen in een integrale doorontwikkeling van de basisregistraties, onder de noemer «doorontwikkeling-in-samenhang».

Kadaster

Dit betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties en in enkele gevallen ook het actueel houden van de inhoud. Tevens gaat het om beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie: Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK), het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn INSPIRE en de beheerkosten van het landelijke online portaal voor ruimtelijke plannen.

Bijdragen aan medeoverheden

Diverse projecten Ruimtelijke Kwaliteit Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten Arnhem, Breda, Delft, Dordrecht, Integrale Ontwikkeling Delft-Schiedam (IODS) en Venlo zijn volop in uitvoering. Een vijftal BIRK-projecten ontvangt nog een bijdrage.

Projecten Nota Ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. De projecten Maastricht, Nijmegen en Rotterdam zijn volop in uitvoering. De slotbetaling aan het laatste project is voorzien in het jaar 2020.

Projecten Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn een jaarlijkse bijdrage vanuit het Rijk als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam om de doelstellingen van het deelproject BRG te kunnen bereiken. BRG bestaat uit een aantal deelprogramma's en projecten dat tot doel heeft de ruimte in de haven beter te benutten en de leefbaarheid van de regio Rijnmond te vergroten.

Bijdragen aan agentschappen

RVB

De Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV) heeft tot taak om beleidsambities en beleidsagenda's die consequenties kunnen hebben voor de taakuitvoering van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en tevens (ontwikkel)opdrachten aan het RVB interdepartementaal af te stemmen.

De ICRV beschikt over een budget om, naast de bekostiging van het secretariaat, de kennis, expertise en het vastgoed van het RVB in te schakelen bij beleidsprocessen van de leden en bij uitvoeringsvraag-stukken bij het RVB en andere vastgoedhoudende Rijksdiensten.

RWS (Leefomgeving)

Rijkswaterstaat (RWS) ontvangt een bijdrage voor het ontwikkelen van Ruimtelijke Inpassingsplannen voor onder andere windparken op land en 230kV tracés. Daarnaast betreft het de jaarlijkse opdracht aan RWS ten behoeve van het beheer en onderhoud van het systeem Omgevingsloket-online (OLO2), dat nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Waterwet.

Basisregistraties Ondergrond (BRO)

Het betreft een bijdrage aan het Bodem Informatiesysteem (BIS) dat in beheer is bij Wageningen Environmental research (WENR). Het BIS is een gegevensbron van de BRO. WENR draagt o.a. bij aan het creëren van meerwaarde (value engineering).

TNO ontvangt via het GIP-programma bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een bijdrage voor de ontwikkeling en het beheer van de BRO. TNO heeft de wettelijke taak om de landelijke voorziening BRO te ontwikkelen en te beheren. Tevens beheert TNO ook de door Geonovum ontwikkelde standaarden.

5.2 Omgevingswet

Subsidies

Eenvoudig Beter

Vanuit het belang de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te ondersteunen bij het implementeren van de Omgevingswet, is in totaal éénmalig € 18 mln. extra ter beschikking gesteld. Hiervan is € 9 mln. reeds besteed. In 2018 en 2019 worden de overige middelen uitgekeerd.

Opdrachten

Eenvoudig Beter

Deze financiële middelen zijn beschikbaar voor opdrachten aan partijen die bijdragen aan het uitwerken van de uitgangspunten van de Omgevingswet, de uitvoeringsregelgeving, de invoeringswetgeving, toetsing en consultatie.

Aan de slag

Om de implementatiedoelstelling «iedereen kan werken met en naar de bedoeling van de Omgevingswet» te bereiken wordt de invoering van de Omgevingswet ondersteund. Dit vindt plaats door onder andere het organiseren en creëren van bijeenkomsten, workshops, handleidingen en praktijkvoorbeelden. Op basis van onder andere de resultaten uit de Monitor Implementatie Omgevingswet worden specifieke communicatie en invoeringsactiviteiten vormgegeven.

Bijdragen aan agentschappen

Aan de Slag

RWS ontvangt een bijdrage voor de ontwikkeling van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor burgers en bedrijven is DSO het nieuwe Omgevingsloket dat digitale informatie over de fysieke leefomgeving op een plek ontsluit, inzicht geeft in wat mag op een bepaalde locatie en het proces van vergunningverlening ondersteunt. Daarnaast wordt door RWS in opdracht van BZK het Informatiepunt doorontwikkeld. Dit biedt praktische informatie en inhoudelijke uitleg over de Omgevingswet, regelgeving en kerninstrumenten. Het Informatiepunt ontsluit deze kennis via de website en de helpdesk. Ook is het Informatiepunt de helpdesk-functie voor het DSO aan het vormgeven.

Eenvoudig Beter

Rijkswaterstaat (RWS) draagt bij aan de invoering van de Omgevingswet door inhoudelijke expertise te leveren op onderwerpen als vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en de Crisis- en herstelwet (Chw). Deze expertise wordt middels een bijdrage aan RWS bekostigd.

Bijdragen aan medeoverheden

Aan de Slag

Dit betreft bijdragen aan ontwikkelpartners van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-Landelijke Voorziening) ter ondersteuning van de nieuwe Omgevingswet

Ontvangsten

Dit betreft de bijdrage van de Unie van Waterschappen voor de basisregistraties.

3.6 Artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

A Algemene doelstelling

Zorgen voor veilige, gebruiksvriendelijke en inclusieve (digitale) overheidsdienstverlening, waaronder een veilig en betrouwbaar identi-teitsstelsel waarbij veilig en efficiënt gebruik wordt gemaakt van (persoons)gegevens. De informatiepositie van burgers en bedrijven verbeteren door te zorgen voor toegankelijke en transparante overheidsinformatie en daarmee bijdragen aan het vertrouwen in de overheid. Het bewaken van rechten en publieke waarden, zoals privacybescherming en zelfbeschikking, in de informatiesamenleving en daarmee bijdragen aan de borging van de kernwaarden van de democratie.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor een doelmatig, doeltreffend en democratisch openbaar bestuur en een goede organisatie daarvan, met het oog op een adequate dienstverlening voor burgers en bedrijven. De Minister van BZK is stelselverantwoordelijk voor de inrichting en governance van de digitale overheid, waaronder de digitale basisinfrastructuur die deze mogelijk maakt. In het verlengde van de verantwoordelijkheid een adequate digitale dienstverlening te bevorderen, heeft ook de Minister van BZK de verantwoordelijkheid te zorgen voor maatregelen die burgers rechten geven en beschermen tegen ongewenste aspecten van digitalisering. De Minister van BZK pakt de rol om voortdurend de beleidsagenda op het terrein van de informatiesamenleving en overheid te herijken aan de eisen van de tijd.

De Minister van BZK heeft een kaderstellende rol op het gebied van de digitale overheid. Kaderstellen gebeurt in de vorm van wetgeving, standaarden, architectuurkaders en richtlijnen rekening houdend met Europese ontwikkelingen en verplichtingen. Onder deze verantwoordelijkheid valt de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking, beveiliging en betrouwbaarheid van generieke voorzieningen voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing, alsmede van voorzieningen voor elektronische authenticatie en registratie van machtigingen in het burgerservicenummer (BSN)-domein.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beleid rondom het vaststellen van de identiteit alsmede de verstrekking van reisdocumenten op basis daarvan. Ook is de Minister van BZK verantwoordelijk voor de vastlegging van persoons- en adresgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP). In dat kader houdt de Minister van BZK toezicht op de uitvoering van de Paspoortwet, monitort de uitvoering van de wet BRP en ondersteunt de gemeenten die primair verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wetten. De Minister van BZK faciliteert hiermee het juiste gebruik van persoons- en adresgegevens door andere overheidsinstanties. Het tegengaan van fraude met, en het corrigeren van fouten van, persoons- en adresgegevens en reisdocumenten vormt hiervan een integraal onderdeel.

C Beleidswijzigingen

Regeerakkoord kabinet Rutte-III

Naar aanleiding van het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III is de beleidsinzet op een aantal terreinen vergroot. Zo is het programma Regie op gegevens na de verkenningsfase op basis van een meerjarige aanpak voortgezet en uitgebreid en wordt op basis van onderzoek gekeken naar het versturen van pushberichten via MijnOverheid. Ook wordt het programma Machtigen voortgezet om een generieke machtigingsvoor-ziening voor burgers en bedrijven te realiseren. Tot slot wordt op basis van onderzoeken die zijn uitgevoerd in 2018 gewerkt aan de modernisering van de Basisregistratie Personen, zoals gemeld in de Kamerbrief over de toekomst BRP (Kamerstukken II 2017-2018, 27 859, nr. 127).

Healthcheck Basisregistratie Personen (BRP)

In 2017 is de Operatie BRP stopgezet. De gereserveerde budgetten voor de Operatie BRP worden ingezet voor het uitgestelde onderhoud van de BRP zoals gemeld in de Kamerbrief over het rapport commissie BRP en de uitkomsten healthcheck (Kamerstukken II 2017-2018, 27 859, nr. 124).

Bundeling verantwoordelijkheid digitale overheid voor burgers en bedrijven

Op advies van onder andere de studiegroep Informatiesamenleving en Overheid is de verantwoordelijkheid voor de digitale overheid voor burgers en bedrijven in het kabinet Rutte-III gebundeld en belegd bij het Ministerie van BZK. Het doel hiervan is de samenhang in beleidsvorming tussen digitale overheid voor bedrijven en voor burgers te vergroten. In deze begroting zijn de budgetten en inzet op dit terrein voor het eerst samen opgenomen.

Doorbelasting GDI-voorzieningen

Het kabinet Rutte-II heeft op 24 februari 2017 besloten dat de toerekenbare beheer- en exploitatiekosten van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) worden doorbelast, te beginnen in 2018 voor drie voorzieningen (DigiD, MijnOverheid (MO) en Digipoort). Vanaf 2019 zullen ook de noodzakelijke overige voorzieningen van de GDI worden doorbelast. Deze budgetten voor beheer- en exploitatiekosten worden ingezet voor doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid.

Governance digitale overheid

Op 23 februari 2018 is de nieuwe governance voor de digitale overheid2 in werking getreden. Binnen deze governance wordt interbestuurlijk samengewerkt aan de beleidsmatige vraagstukken van de digitale overheid. Hiertoe is door het Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid (OBDO) de Agenda Digitale Overheid opgesteld (Kamerstukken II 2017-2018, 26 643 VII, nr. 252). Binnen de governance wordt ook het Programmaplan Basisinfrastructuur opgesteld, dit is de opvolger van het Digiprogramma en bevat een weergave van de digitale basisinfrastructuur (de Generieke Digitale Infrastructuur) en de ontwikkeling daarvan. Onderdeel van de governance is een Investeringspost voor doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid (inclusief de basisinfrastructuur), voorheen de zogenaamde Aanvullende Post GDI. Deze is nu budgettair geplaatst tot en met 2021 op artikel 6 van de begroting van BZK.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art. nr. Verplichtingen:

147.334

192.449

174.479

172.686

167.516

110.306

110.421

Waarvan garantiever-plichtingen

 

Uitgaven:

198.313

192.449

174.479

172.686

167.516

110.306

110.421

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

48%

       
 

6.2    Overheidsdienstver lening, informatiebeleid en informatiesamenleving

47.165

68.656

78.034

77.340

76.342

76.042

76.042

Subsidies

688

859

200

200

200

200

200

(Door)ontwikkeling

e-overheidsvoorzieningen

287

415

0

0

0

0

0

Communicatie, kennisdeling en onderzoek

321

424

0

0

0

0

0

Digitale dienstverlening

80

20

0

0

0

0

0

Overheidsdienstverlening

0

0

200

200

200

200

200

Opdrachten

15.748

22.872

19.028

22.995

24.297

23.997

23.997

(Door)ontwikkeling

e-overheidsvoorzieningen

1.991

4.816

0

0

0

0

0

Aanpak fraudebestrijding

10.849

11.482

0

0

0

0

0

Digitale dienstverlening

1.114

2.588

0

0

0

0

0

Informatiebeleid

1.794

2.422

6.687

7.187

8.187

8.187

8.187

Informatiesamenleving

0

0

2.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Investeringspost Digitale Overheid

0

1.564

0

0

0

0

0

Overheidsdienstverlening

0

0

10.341

10.808

11.110

10.810

10.810

Bijdragen aan agentschappen

28.627

36.765

45.156

39.995

37.695

37.695

37.695

Agentschap Telecom

0

0

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Logius

24.496

31.985

22.860

20.330

20.260

20.260

20.260

RvIG

2.731

2.150

5.560

2.000

2.000

1.816

1.816

RvIG (Aanpak fraudebestrijding)

657

480

0

0

0

0

0

RVO.nl

35

2.150

7.150

8.080

5.850

6.034

6.034

UBR

708

0

7.986

7.985

7.985

7.985

7.985

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

1.600

6.972

12.900

13.400

13.400

13.400

13.400

CBS

0

22

500

0

0

0

0

ICTU

0

4.000

4.500

5.500

5.500

5.500

5.500

Kadaster

0

250

0

0

0

0

0

KvK

0

2.700

7.900

7.900

7.900

7.900

7.900

RDW

1.600

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

502

987

700

700

700

700

700

   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Gemeenten

502

953

700

700

700

700

700

 

Provincies

0

12

0

0

0

0

0

 

Waterschappen

0

22

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

201

50

50

50

50

50

 

Ministerie van Buitenlandse Zaken (H5)

0

50

50

50

50

50

50

 

Diverse bijdragen

0

151

0

0

0

0

0

 

6.3

Betrouwbare levering van e-overheidsvoorzieningen

101.511

79.243

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

2.206

2.342

0

0

0

0

0

 

Beheer

e-overheidvoorzieningen

415

155

0

0

0

0

0

 

Officiële publicaties en wettenbank

1.791

2.187

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan agentschappen

99.305

70.734

0

0

0

0

0

 

Agentschap Telecom

0

1.644

0

0

0

0

0

 

Logius

88.522

50.916

0

0

0

0

0

 

RvIG

3.434

3.512

0

0

0

0

0

 

RVO.nl

0

7.085

0

0

0

0

0

 

UBR

7.349

7.577

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

0

6.167

0

0

0

0

0

 

CBS

0

1.045

0

0

0

0

0

 

ICTU

0

422

0

0

0

0

0

 

KvK

0

4.700

0

0

0

0

0

 

6.4

Burgerschap

7.365

11.258

0

0

0

0

0

 

Subsidies

5.012

6.739

0

0

0

0

0

 

Comité 4/5 mei

106

296

0

0

0

0

0

 

Democratie

0

1.100

0

0

0

0

0

 

ProDemos

4.312

4.603

0

0

0

0

0

 

Programma burgerschap

594

740

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

2.353

4.519

0

0

0

0

0

 

Democratie

1.057

2.128

0

0

0

0

0

 

Programma burgerschap

1.296

2.391

0

0

0

0

0

 

6.5

Identiteitsstelsel

42.272

33.292

39.502

38.386

34.214

34.264

34.379

 

Opdrachten

9.287

4.066

19.938

18.826

14.672

14.672

14.707

 

Beleid BRP en reisdocumenten

146

4.052

0

0

0

0

0

 

Identiteitsstelsel

0

0

19.938

18.826

14.672

14.672

14.707

 

Operatie BRP

9.141

14

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan agentschappen

32.659

27.798

19.564

19.560

19.542

19.542

19.542

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

RvIG

32.659

27.798

19.564

19.560

19.542

19.542

19.542

Bijdragen aan ZBO's /

             

RWT's

0

350

0

0

0

0

0

ICTU

0

350

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeover-

             

heden

326

1.078

0

0

0

50

130

Gemeenten

326

1.078

0

0

0

50

130

Investeringspost digitale overheid

0

0

56.943

56.960

56.960

0

0

Opdrachten

0

0

56.943

56.960

56.960

0

0

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

0

0

56.943

56.960

56.960

0

0

               

Ontvangsten

25.255

6.490

1.609

1.612

1.612

1.612

1.612

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 6 is 48% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 26% verplicht. Het gaat om subsidies aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) en Stichting Missing Chapter.

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 14% verplicht. Dit betreft onder andere verplichtingen die zijn aangegaan voor de aanpak fraudebestrijding en de productie van officiële publicaties. Van het budget voor opdrachten is € 57 mln. bestuurlijk gebonden. Dit betreft de middelen van de Investe-ringspost Digitale Overheid.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 92% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor het beheren en doorontwikkelen van diverse e-overheidsvoorzieningen, zoals het eID-stelsel en het BRP-stelsel.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De bijdragen aan ZBO's/RWT's zijn voor 81% juridisch verplicht. Het betreft onder andere verplichtingen die aangegaan zijn het programma Regie op Gegevens en voor het beheren en doorontwikkelen van het Digitaal Ondernemersplein.

Bijdragen aan medeoverheden

De bijdragen aan medeoverheden zijn voor 76% juridisch verplicht. Het betreft onder andere verplichtingen die aangegaan zijn voor het verstrekken van DigiD's aan niet-ingezetenen.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor het verstrekken van DigiD's in het buitenland.

E Toelichting op de instrumenten

6.2 Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving

Het Ministerie van BZK wil de komende jaren veilig, snel en betrouwbaar diensten verlenen en maatschappelijke vraagstukken aanpakken. Om deze ambitie vorm te geven is NL DIGIbeter, de Agenda Digitale Overheid, opgesteld. De financiering van de agenda geschiedt in de eerste plaats uit het reguliere begrotingsgeld van de betrokken overheden (zoals de middelen op dit artikelonderdeel). Daarnaast is een Investeringspost digitale overheid (artikel 6.6) beschikbaar.

Subsidies

Overheidsdienstverlening

Ten behoeve van verbetering van de overheidsdienstverlening in de informatiesamenleving wordt onder andere subsidie verleend aan stichting Missing Chapter. Deze stichting ondersteunt bedrijven, scholen, overheden en maatschappelijke organisaties die kinderen willen betrekken bij het nemen van besluiten. Voor het Ministerie van BZK ondersteunt zij de Raad van Kinderen. Daarnaast wordt subsidie verleend aan TNO voor het ontwikkelen en stimuleren van inclusive design van overheidsweb-sites.

Opdrachten

Informatiebeleid

Toegankelijke en transparante overheidsinformatie versterkt de informatiepositie van burgers en bedrijven en dragen bij aan de publieke verantwoording van de overheid. De Minister van BZK werkt aan open databeleid dat zich richt op optimale openbare beschikbaarheid en (her)gebruik van overheidsdata. Ook is de Minister van BZK verantwoordelijk voor verschillende elektronische publicaties waaronder Wetten.nl en de Staatscourant, alsmede voor de coördinatie van alle officiële publicaties. Dit betreft een wettelijke taak. De productie van officiële publicaties vindt plaats bij de Sdu.

Daarnaast werkt de Minister van BZK aan een adequaat informatiebeveili-gingsbeleid. Hiervoor wordt onder andere een campagneplan «Informatiebeveiliging voor bestuurders en ambtenaren» opgezet ten behoeve van het structureel op de agenda plaatsen van het thema informatiebeveiliging. Daarbij wordt onder meer een congres, campagnemateriaal en e-learning ingezet.

Informatiesamenleving

De inzet van digitale technologieën kunnen publieke waarden, zoals gelijke behandeling en privacy, versterken, maar ook onder druk zetten.

De Minister van BZK zorgt voor de bescherming van de rechten van burgers en ondernemers in de informatiesamenleving. De Minister van BZK onderzoekt en investeert door middel van cursussen daarom in kennis over de effecten van nieuwe technologieën en voert nationale en internationale dialogen om te komen tot nieuw beleid en waar nodig wetgeving.

Overheidsdienstverlening

Adequate dienstverlening door de overheid sluit aan bij de behoeften van burgers en bedrijven en gaat mee met ontwikkelingen in de samenleving. Het Ministerie van BZK werkt aan de verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van digitale dienstverlening. Concrete mijlpaal bij deze opgave is dat alle websites van overheidsinstanties per 23 september 2020 voldoen aan de Europese webtoegankelijkheidsrichtlijn, en mobiele apps per 23 september 2021. Het gebruikersperspectief staat centraal en de dienstverlening wordt georganiseerd rond behoeften en gedifferentieerd naar omstandigheden. Hierbij worden de kansen die digitalisering biedt benut door experimenten en pilots uit te voeren om de overheidsdienstverlening te innoveren. Tegelijkertijd is er ook aandacht voor de aanzienlijke groep mensen die moeite heeft digitaal mee te komen. Via het Rijksbrede programma Digitale Inclusie wordt extra ingezet op ondersteuning van mensen om zelfredzaam te zijn en te blijven, door het bevorderen van digitale vaardigheden en digitaal bewustzijn.

Bijdragen aan agentschappen

Om digitale dienstverlening en digitale beschikbaarheid van overheidsinformatie mogelijk te maken is een digitale basisinfrastructuur nodig. Het beheer en de doorontwikkeling van de basisinfrastructuur is belegd bij verschillende overheidsorganisaties.

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het uitvoeren van toezicht op het stelsel van elektronische toegangs-diensten (eTD) in het bedrijvendomein.

Logius

Een randvoorwaarde voor goede digitale dienstverlening is één regime voor digitale identificatie en authenticatie die voor burgers en bedrijven veilig en betrouwbaar is. Logius ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer van het eID stelsel. Daarnaast ontvangt Logius bijdragen voor het doorvoeren van verbeteringen aan MijnOverheid, doorontwikkeling van de Berichtenvoorziening voor burgers, beheer en exploitatie van eHerkenning, het Bureau Forum Standaardisatie en de verbreding van Standard Business Reporting (SBR).

RvIG

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor de beheervoorziening Burgerservicenummer.

De beheervoorziening Burgerservicenummer zorgt voor het toekennen van een uniek Burgerservicenummer bij inschrijving in de Basisregistratie Personen en het beheer van deze nummers om een efficiënte koppeling tussen burgers en instanties te maken.

RVO.nl

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer en de exploitatie van voorzieningen ten behoeve van digitale overheid voor bedrijven. Het betreft onder andere het beheer en doorontwikkeling van Antwoord voor Bedrijven en de Berichtenbox voor Bedrijven. Daarnaast ontvangt PIANOo, het Expertisecentrum Aanbesteden van RVO.nl, een bijdrage voor de ondersteuning van inkopers bij vraagstukken op het gebied van inkoop van open source software.

UBR

Het Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP), onderdeel van UBR, ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer van de Wettenbank, het open data portal en overheid.nl. Via deze portalen worden diverse elektronische publicaties en overheidsinformatie openbaar gemaakt.

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

CBS

Het Centraal Bureau voor de Statistiek ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK ten behoeve van de participatie in Standard Business Reporting (SBR).

ICTU

ICTU ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor activiteiten ten behoeve van het Programma Regie op Gegevens. Het programma werkt aan het principe dat burgers en bedrijven regie krijgen op eigen gegevens en hoe dat in de praktijk kan worden vormgegeven. Dit betekent dat mensen bij het regelen van bepaalde zaken hun gegevens kunnen inzien, (her)gebruiken, wijzigen of verwijderen. Om bijvoorbeeld hun zorg, overzicht in financiën, het aanvragen van aangepast vervoer of het afsluiten van een hypotheek makkelijker te kunnen regelen. Om dit principe in de praktijk te brengen werkt het programma samen met de samenleving (inwoners/ondernemers, publieke, private, maatschappelijke partijen en belangenorganisaties) aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken of innovaties, waarbij «de mens centraal» staat en «regie hebben op je gegevens» het uitgangspunt is. Van een principe naar uitvoering komen vraagt om heldere afspraken over hoe (overheidsgegevens ontsloten kunnen worden, zodat gebruikers, maar ook gegevens-houders en dienstenaanbieders met vertrouwen mee kunnen doen. Daarom werkt het programma aan 1) generieke afspraken die het voeren van «regie op je gegevens» door inwoners/ondernemers in de praktijk mogelijk maken, 2) het gegevenslandschap van de overheid helpen inrichten om «regie op gegevens» te faciliteren en 3) het helpen ontstaan van de eerste toepassingen om gegevensuitwisseling onder regie van de inwoner/ondernemer daadwerkelijk plaats te laten vinden.

Een samenhangend informatiebeleid van de overheid dat voldoet aan veranderende maatschappelijke eisen maakt gemeenschappelijke afspraken noodzakelijk. In de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur (NORA) zijn de vigerende, breed geldende afspraken van de digitale overheid opgenomen. ICTU ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer en de doorontwikkeling van NORA.

KVK

De Kamer van Koophandel (KvK) ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer en de exploitatie van het Digitaal Ondernemers-plein en voor het beheer en ontwikkeling van MijnOverheid voor Ondernemers.

Bijdragen aan medeoverheden

Gemeenten

Gemeenten die DigiD's aan niet-ingezetenen verstrekken, ontvangen hiervoor een bijdrage.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Ministerie van Buitenlandse Zaken (H5)

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) ontvangt een bijdrage voor de uitgifte van DigiD's in het buitenland.

6.5 Identiteitsstelsel

Opdrachten

Identiteitsstelsel

Een veilig en betrouwbaar identiteitsstelsel gaat mee met de ontwikkelingen in de samenleving, en past zich aan aan de wensen en behoeften van gebruikers. De belangrijkste elementen van het huidige identiteitsstelsel zijn de Basisregistratie Personen (BRP) en het reisdocumentenstelsel. De Minister van BZK werkt aan de ontwikkeling van een digitaal stelsel en een digitale identiteit.

De BRP bevat persoonsgegevens van ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen met een band met de Nederlandse overheid. Deze gegevens worden door circa 800 overheidsorganisaties en derden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van hun wettelijke taken. De Minister van BZK werkt aan de modernisering van de BRP. Daarnaast wordt gewerkt aan het oplossen van de problemen die burgers kunnen ondervinden in de dienstverlening van de overheid, indien zij niet of niet op de juiste wijze in de BRP zijn ingeschreven. Het gaat daarbij onder andere om voorlichting en training van gemeenteambtenaren.

Het reisdocumentenstelsel omvat de aanvraag, uitgifte, registratie van reisdocumenten, alsmede het houden van toezicht op de uitvoering daarvan door de uitgevende instanties. De Minister van BZK werkt aan verbetering van het stelsel gericht op verdere digitaliseringsmogelijk-heden en het verbeteren van de kwaliteit van de biometrie. Ook wordt de toezicht systematiek geëvalueerd.

De Minister van BZK zet zich in voor het voorkomen van fraude en het juist gebruiken van persoonsgegevens. Deze inspanningen zijn gericht op verdere verhoging van de kwaliteit van de BRP en van de identiteitspro-ducten. Dit wordt mede gerealiseerd in het project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA). Om de kwaliteit van de BRP te verhogen en adresfraude op te sporen, leggen gemeenten adresbezoeken af en wisselen ketenpartners gegevens beter uit.

Bijdragen aan agentschappen

RvIG

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ontvangt een bijdrage van de Minister van BZK voor het beheer en onderhoud van de centrale voorzieningen van de BRP, waaronder de GBA-V, het Register Niet-Ingezetenen (RNI) en de Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba Verstrekkingen (PIVA-V). Hieronder vallen ook de activiteiten voor het uitgestelde onderhoud als gevolg van het stopzetten van de operatie BRP, zoals gemeld in de Kamerbrief over het rapport commissie BRP en de uitkomsten van de health check (Kamerstukken II 2017-2018, 27 859, nr. 124). Daarnaast verstrekt RvIG jaarlijks, namens de Minister van BZK, een vergoeding aan de RNI-loketgemeenten voor de inschrijving van niet-ingezetenen.

Om het identiteitsstelsel veilig en betrouwbaar te houden is het belangrijk dat burgers melding kunnen doen als hun identiteitsgegevens onjuist zijn of onjuist gebruikt worden. Om dit mogelijk te maken ontvangt RvIG een bijdrage voor het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten.

6.6 Investeringspost digitale overheid

De Investeringspost digitale overheid is bestemd voor gezamenlijke doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid, waaronder doorontwikkeling en innovatie van de digitale basisinfrastructuur (de generieke digitale infrastructuur). De bestemming van de Investeringspost wordt afgestemd in de governance van de digitale overheid (OBDO), daarbij is de Agenda Digitale Overheid en het Programmaplan Basisinfrastructuur leidend.

Opdrachten

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

Er is overheid breed behoefte aan een generieke machtigingsvoorziening zodat burgers en bedrijven zich veilig digitaal kunnen laten vertegenwoordigen. Het programma Machtigen heeft tot doel verbetering en samenhang aan te brengen in het huidige machtigingslandschap en daarmee invulling te geven aan deze machtigingsvoorziening.

In 2018 zijn de generieke voorzieningen voor de Europese eIDAS-verordening gerealiseerd. Hiermee is mogelijk gemaakt dat Europese burgers en bedrijven met een genotificeerd nationaal inlogmiddel ook met buitenlandse overheidsorganisaties digitaal zaken kunnen doen. In 2019 worden de voorzieningen doorontwikkeld en in gebruik genomen.

De Investeringspost wordt daarnaast ingezet voor de projecten uit het Programmaplan Basisinfrastructuur en de Agenda Digitale Overheid.

Ontvangsten

Dit betreft de bijdrage van de Unie van Waterschappen ten behoeve van de Investeringspost digitale overheid.

3.7  Artikel 7. Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleidA Algemene doelstelling

Bijdragen aan goed werkgeverschap voor ambtenaren en aan een goede Bedrijfsvoering van het Rijk.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) staat voor een (Rijks)overheid die een aantrekkelijke werkgever is. Om dit te bereiken wordt ingezet op goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, efficiënte arbeidsmarktcommunicatie en modern personeelsbeleid. De Minister van BZK heeft een kaderstellende rol op het terrein van de organisatie en bedrijfsvoering van de Rijksdienst. Daarnaast zet de Minister van BZK zich in om via de bedrijfsvoering kabinetsambities rond verduurzaming en diversiteit op te pakken.

Regisseren

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel waarin (organisaties van) werkgevers en werknemers in verschillende overheids- en onderwijssectoren afspraken over de collectieve arbeidsvoorwaarden maken. Dit is vastgelegd in de Ambtenarenwet, de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers en de Wet privatisering ABP.

De Minister van BZK is medeverantwoordelijk voor het realiseren van een hoogwaardig leidinggevend kader in de Rijksdienst, is werkgever voor de circa 90 managers op het hoogste niveau en verzorgt voor een grote groep (top)managers de werving en selectie, loopbaanbegeleiding en een gericht ontwikkelaanbod. Daarnaast ondersteunt de Minister van BZK de departementen bij de doelstelling om ten minste 30% van de topfuncties binnen de Rijksdienst vervuld te hebben door een vrouw.

De Minister van BZK stimuleert een veilige, integere en gezonde werkomgeving en creëert voorwaarden ter bescherming van klokkenluiders binnen de publieke en private sector.

De publieke verantwoordelijkheid van de overheid vraagt om het tegengaan van bovenmatige topbeloningen in de (semi-)publieke sector. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het op de Wet normering topinkomens (WNT) gebaseerde stelsel dat hiervoor de grondslag biedt.

De Minister van BZK regisseert, in samenwerking met de andere ministeries, de totstandkoming van samenhangende kaders voor een efficiënte organisatie en bedrijfsvoering van de Rijksdienst. Daarbij is ook aandacht voor maatschappelijke verantwoordelijkheid en de voorbeeldrol van de rijksoverheid richting partners. Het gaat om het benutten van inkoopkracht voor het realiseren van maatschappelijk effect en in de masterplannen voor de Rijkskantoorhuisvesting rekening houden met kabinetsbrede ambities op het terrein van duurzaamheid.

Binnen die kaders zijn de afzonderlijke ministers verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van hun eigen ministerie. De Minister van BZK adviseert over organisatievormen en werkwijzen en monitort de naleving van de kaders en spreekt betrokkenen waar nodig aan op de naleving van normen en standaarden of het aanpassen van de kaders aan de geconstateerde tekortkomingen.

Uitvoeren

De Minister van BZK is uitvoeringsverantwoordelijk voor de pensioenregelingen van Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

C Beleidswijzigingen

De masterplannen voor de Rijkskantoorhuisvesting worden periodiek geactualiseerd om alle ontwikkelingen binnen de Rijksdienst te accommoderen. In 2019 wordt het traject tot actualisatie van de masterplannen afgerond, waarna de uitvoering van de nieuwe plannen kan worden opgepakt. Bij de actualisatie worden Rijksbrede thema's die voortvloeien uit het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III, onder meer op het terrein van verduurzaming van de gebouwde omgeving en maatschappelijk gewenste gebiedsontwikkeling, meegenomen. Ook worden stappen gezet om de masterplannen meer vanuit een integraal bedrijfsvoeringper-spectief in te richten, waarbij - naast huisvesting - aandacht is voor zaken als facilitair management, beveiliging en ICT-voorzieningen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr. Verplichtingen:

29.068

28.660

33.427

29.215

27.964

26.945

26.945

Waarvan garantiever-

             

plichtingen

             
 

Uitgaven:

28.566

28.660

33.427

29.215

27.964

26.945

26.945

Waarvan juridisch

             

verplicht (percentage)

   

74%

       
 

7.1    Werkgevers- en

             

bedrijfsvoeringsbeleid

12.159

11.250

24.941

21.560

20.263

20.287

20.287

Subsidies

7.121

6.446

7.165

3.457

3.457

3.481

3.481

Bedrijfsvoeringsbeleid

0

0

200

0

0

0

0

Werkgeversbeleid

0

0

731

623

623

647

647

A&O-fonds

0

0

3.400

0

0

0

0

Overlegstelstel

3.066

3.025

2.834

2.834

2.834

2.834

2.834

Internationaal

236

175

0

0

0

 

0

Diverse subsidies

3.819

3.246

0

0

0

0

0

Opdrachten

5.038

4.804

10.916

11.243

11.474

11.474

11.474

Bedrijfsvoeringsbeleid

0

0

3.530

3.730

3.961

3.961

3.961

Werkgeversbeleid

0

0

4.647

4.774

4.774

4.774

4.774

Kwaliteit Management

             

Rijksdienst

0

0

2.739

2.739

2.739

2.739

2.739

Arbeidsmarktbeleid

4.242

3.831

0

0

0

0

0

Zorg voor politieke

             

ambtsdragers

796

973

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agent-

             

schappen

0

0

6.860

6.860

5.332

5.332

5.332

Kwaliteitsverbetering

0

0

1.528

1.528

0

0

0

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

UBR (Arbeidsmarkt Communicatie)

0

0

5.332

5.332

5.332

5.332

5.332

 

7.2    Pensioenen en uitke ringen

16.407

17.410

8.486

7.655

7.701

6.658

6.658

Inkomensoverdracht

5.428

7.782

0

0

0

0

0

Pensioenen en uitkeringen Politieke ambtsdragers

5.428

7.782

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

10.979

9.628

8.486

7.655

7.701

6.658

6.658

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

10.979

9.628

8.486

7.655

7.701

6.658

6.658

Ontvangsten    25    575    520    450    64    64    64

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 7 is 74% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies

De subsidies zijn voor 96% juridisch verplicht. Het betreft o.a. subsidies aan het kennisinstituut Center for People and Buildings voor de Fysieke Werkomgeving Rijk en aan het Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Rijk (A&O-fonds). Een overzicht van de subsidies is te vinden in de subsidiebijlage.

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 38% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die zijn aangegaan voor bestaande contracten voor het kandidatenprogramma, het learning center en onderhoudscontracten voor het ISA systeem. Daarnaast betreft het bijdragen voor programmaovereen-komsten met ICTU, de evaluatie van het Rijkshuisvestingsstelsel in 2019/2020, de verdere doorontwikkeling en verbetering van het Rijksin-koopstelsel en de verdere doorontwikkeling inzake duurzaamheid (Energierijk Den Haag, Logistieke HUB).

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 78% juridisch verplicht. Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van UBR ontvangt een bijdrage voor het uitvoeren van de Rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie. Hierbij zorgt EC O&P ervoor dat de rijksoverheid zich profileert en werft als één werkgever.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP).

E Toelichting op de instrumenten

7.1 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid Subsidies

Bedrijfsvoeringsbeleid

De Minister van BZK verstrekt subsidie aan het kennisinstituut Center for People and Buildings voor Fysieke Werkomgeving Rijk (FWR). De FWR is een concept voor een werkomgeving voor

Rijksambtenaren dat flexibel, tijd- en plaatsonafhankelijk (samen)werken mogelijk maakt. De subsidie heeft tot doel de generieke ontwikkeling van toepasbare kennis in het domein van de kantoorhuisvesting. Daarbij gaat het om het opbouwen van kennis over kwalitatieve en financiële aspecten van de normering FWR voor kantoorgebouwen van het Rijk.

Werkgeversbeleid

De Minister van BZK verstrekt incidenteel subsidie ter bevordering van modern en goed werkgeverschap binnen de publieke sector. Daarnaast verstrekt de Minister van BZK subsidie aan het European Institute of Public Administration, die wordt aangewend ter bevordering van de vaardigheden van overheidsfunctionarissen bij het afhandelen van zaken van de Europese Unie.

A&O-fonds

De Minister van BZK verstrekt een bijdrage aan het Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Rijk in de vorm van een subsidie. Deze bijdrage is onderdeel van de cao-afspraken. Het fonds zet de subsidie in voor arbeidsmarktprojecten binnen het Rijk die het bestuur van het A&O-fonds goedkeurt.

Overlegstelsel

Door het subsidiëren van de Stichting Verdeling Overheidsbijdragen (SVO), het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO) en de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel draagt de Minister van BZK bij aan het in stand houden van een adequaat overlegstelsel inzake arbeidsmarktbeleid.

Opdrachten

Bedrijfsvoeringsbeleid

De Minister van BZK verleent diverse opdrachten voor het uitvoeren van beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld het belevingsonderzoek voor Center for People and Buildings.

Werkomgeving

Het verhogen van de kwaliteiten van de werkomgeving is een belangrijke ambitie, hierbij is speciale aandacht nodig voor ICT, het stroomlijnen van de facilitaire dienstverlening en de verduurzaming van de bedrijfsvoering en de toegankelijkheid van de Rijksgebouwen (motie Voortman). In de Rijksbreed vastgestelde kaders is vastgelegd dat een Rijkskantoor flexibel moet zijn en dat ambtenaren er op een veilige en comfortabele manier moeten kunnen werken. Gebouwen moeten het primaire proces zoveel mogelijk ondersteunen.

Ten aanzien van de facilitaire dienstverlening vindt stapsgewijs de overdracht plaats van departementen aan de vier Rijksconcerndienstver-leners (de Belastingdienst, Rijkswaterstaat (RWS), Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en FMHaaglanden).

Inkoopbeleid

Voor dit kabinet is het verduurzamen van Nederland een speerpunt. Ook via het eigen handelen wil de rijksoverheid een bijdrage leveren aan de verduurzaming van Nederland. Door in de eigen bedrijfsvoering te experimenteren en duurzame oplossingen toe te passen en op te schalen draagt de Rijksorganisatie bij aan de duurzame transities die het kabinet voorstaat. Speerpunten zijn het verder verduurzamen van Rijkskantoren, het op eigen areaal opwekken van duurzame elektriciteit ten behoeve van de bedrijfsvoering, vergroening van het wagenpark en 10 circulaire inkoopcategorieën. Het programma Versnelling Duurzame Bedrijfsvoering Rijk geeft inzicht in de Rijksbrede voortgang, zorgt voor verbinding tussen de beleidsdirecties bij verschillende departementen en de uitvoeringsorganisaties van het Rijk, biedt inhoudelijke en financiële ondersteuning aan projecten en stimuleert innovatie.

Het Rijk werkt in 2019 tevens verder aan het benutten van inkoopkracht voor het realiseren van maatschappelijk effect. In dat verband worden onder meer de gehanteerde inkoopcriteria op het gebied van circulaire economie, klimaat en biobased verdiept en versterkt.

De informatiehuishouding van het Rijk

In 2019 wordt middels het programma Rijk aan Informatie (RAI) gewerkt aan de implementatie van nieuwe vormen van e-mail en webarchivering waardoor Rijksonderdelen worden ontzorgd en informatie beter bewaard en vindbaar zal zijn. Daarnaast zal een fors deel van het werk van RAI gericht zijn op actieve openbaarmaking en betere vindbaarheid van overheidsinformatie en op verkorting van overbrengingstermijnen naar het Nationaal Archief. In 2019 zal er ook verder worden gewerkt aan vraagstukken die Rijksbreed om een kader of oplossing vragen die de kwaliteit van de informatiehuishouding versterken. Denk daarbij aan digitale informatie bewaren, archiveren of vernietigen, digitale overbrenging, meer samenwerking en het versterken van de medewerker in de informatiehuishouding.

Rijksacademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO)

Om overheden en overheidsorganisaties hun werk optimaal te laten doen, is een academie in oprichting waar ambtenaren hun kennis en kunde op het terrein van IT kunnen vergroten. Naar aanleiding van de uitkomsten van de Commissie Elias (Kamerstukken II 2014-2015, 33 326, nr. 5) en de adviezen in het rapport Maak Waar (Kamerstukken II 2016-2017, 26 643, nr. 460) is besloten tot de oprichting van de Academie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO).

De RADIO is begin 2018 gestart met het eerste aanbod voor beleidsambtenaren. De komende jaren zal het aanbod worden uitgebreid voor de doelgroepen beleid, uitvoering, toezicht en bedrijfsvoering, en dat voor het Rijk en de andere overheden. Tegelijkertijd zal in deze kwartiermakers fase de organisatie worden opgezet. De Algemene Bestuursdienst (ABD) heeft het voortouw genomen met de scholing aan de topambtenaren en neemt vanaf 2019 ook de midden-managers voor haar rekening. De RADIO richt zich op de beleidsambtenaren en de overige genoemde doelgroepen.

Werkgeversbeleid

De Minister van BZK verstrekt diverse opdrachten om de kennisbasis op het gebied van arbeidsmarktbeleid te vergroten. Het gaat hierbij onder andere om het vergaren van kennis over de omvang en samenstelling van het werknemersbestand in de publieke sector, over de drijfveren en betrokkenheid van de medewerkers, de mate van tevredenheid over de organisatie. Hiermee ondersteunt de Minister van BZK het werkgeverschap op landelijk en lokaal niveau binnen de overheid. Daarnaast worden opdrachten verstrekt ten behoeve van handhaving van de Wet normering topinkomens en de implementatie van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren.

Kwaliteit management Rijksdienst

Een blijvende investering in de versterking van de kwaliteit van het (top)management bij het Rijk is essentieel. Dat gebeurt onder meer door inzet van een specifiek op de doelgroep toegesneden leer- en ontwikkel-aanbod. Er zijn programma's op het gebied van talentontwikkeling, leiderschapsontwikkeling en ambtelijk vakmanschap.

Mede dankzij de doorstroom in managementfuncties vervult de ambtelijke top een voorbeeldrol in het streven naar meer mobiliteit en flexibele inzet van personeel binnen de Rijksdienst. De professionele ondersteuning bij werving- en selectieprocedures draagt bij aan een hoogwaardig leidinggevend kader binnen de rijksoverheid. Om inzicht te hebben in de managementfuncties bij het Rijk en de mobiliteit van managers in de schalen 15 en hoger wordt gebruik gemaakt van een personeelsinformatiesysteem.

Bijdrage aan agentschappen

Kwaliteitsverbetering

Het budget voor kwaliteitsverbetering dat afkomstig is uit het afgeroomde Eigen Vermogen van FMH is voor alle SSO's beschikbaar.

UBR (Arbeidsmarkt Communicatie)

Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P), onderdeel van UBR, ontvangt een bijdrage voor het uitvoeren van de Rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie. Hierbij zorgt EC O&P ervoor dat de rijksoverheid zich profileert en werft als één werkgever.

7.2 Pensioenen en uitkeringen

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

Dit betreft de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de Garantiewet Surinaamse Pensioenen van de SAIP BZK verrekent jaarlijks een deel van dit bedrag met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ).

3.8 Artikel 8. Kwaliteit Rijksdienst

A Algemene doelstelling

Het tot stand brengen van een moderne rijksoverheid met goede prestaties op het gebied van de Rijksbrede bedrijfsvoering, goed werkgeverschap, en management van de Rijksdienst van hoge kwaliteit.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft een beleidsontwikkelende en kaderstellende rol op het terrein van de organisatie en bedrijfsvoering van de Rijksdienst. De Minister van BZK bevordert eenheid in het Rijksbreed bedrijfsvoeringbeleid en is systeem-verantwoordelijke op de terreinen personeel, organisatie, ICT, facilitaire dienstverlening, huisvesting en beveiliging. De Minister van BZK is daarnaast verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van de ambtenaren werkzaam bij de sector Rijk, inclusief de modernisering van het werkgeverschap.

De Minister van BZK regisseert, in samenwerking met de andere ministeries, de totstandkoming van kaders en brengt daarin meer samenhang aan, met als doel een beter bestuurbare, data gedreven en efficiëntere bedrijfsvoering binnen de Rijksdienst. Binnen die kaders zijn de afzonderlijke ministers verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van hun eigen ministerie.

De uitgaven voor de bedrijfsvoering worden verantwoord door de individuele ministers, tenzij de taak is gecentraliseerd en het budget is overgeheveld. Op dit begrotingsartikel zijn middelen beschikbaar die de Minister van BZK inzet voor het invullen van zijn systeemverantwoorde-lijkheid ten aanzien van de bedrijfsvoering van het Rijk. Deze verantwoordelijkheid krijgt in de praktijk vorm door één of meer van de volgende componenten:

  • • 
    Kaderstelling door het vastleggen van normen en standaarden;
  • • 
    Monitoring door het volgen van de uitvoering in de praktijk;
  • • 
    Het zo nodig plegen van interventies door het aanspreken van betrokkenen op de naleving van normen en standaarden of het aanpassen van de kaders aan de geconstateerde tekortkomingen.

Bovendien is de Minister van BZK werkgever voor de circa 90 managers op het hoogste niveau, daar waar het gaat om benoeming, arbeidsvoorwaarden en ontslag.

Om de kwaliteit van de Rijksdienst te bevorderen, verzorgt Bureau Algemene Bestuursdienst (ABD) de werving en selectie en loopbaanbegeleiding voor (top)managers in Rijksdienst en bij de Nationale Politie. Tevens zorgt het bureau voor een gericht ontwikkelaanbod voor managers op het gebied van leiderschaps- en talentontwikkeling.

Bureau ABD ondersteunt de departementen bij de doelstelling om ten minste 30% van de topfuncties binnen de Rijksdienst vervuld te hebben door een vrouw. Om de instroom van vrouwen in de ABD te vergroten, zorgt Bureau ABD er onder meer voor dat er voldoende zicht is op talent en managementpotentieel binnen de Rijksdienst. Daarnaast verleent het bureau diensten aan nieuwe doelgroepen, zoals publiekrechtelijke ZBO's en diverse gemeenten. Ook verzorgt Bureau ABD enkele HR-diensten aan de kabinetsleden, waaronder de salarisadministratie.

C Beleidswijzigingen

Vanaf de ontwerpbegroting 2019 kent de begroting van BZK een nieuwe begrotingsstructuur. In deze nieuwe begrotingsstructuur is beleidsartikel 8 samengevoegd met beleidsartikel 7. De middelen voor het begrotingsjaar 2019 en verder worden voortaan verantwoord op beleidsartikel 7.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

 

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr. Verplichtingen:

48.620

71.328

0

0

0

0

0

Waarvan garantiever-plichtingen

 

Uitgaven:

47.648

71.328

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

 

8.1    Kwaliteit Rijksdienst

47.648

71.328

0

0

0

0

0

Subsidies

3.600

3.600

0

0

0

0

0

A&O-fonds

3.400

3.400

0

0

0

0

0

Fysieke Werkomgeving

Rijk

200

200

0

0

0

0

0

Opdrachten

9.931

11.606

0

0

0

0

0

Bedrijfsvoering Rijk

9.931

11.606

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

34.060

55.334

0

0

0

0

0

Bedrijfsvoering beleid

0

890

0

0

0

0

0

DICTU

150

0

0

0

0

0

0

FMHaaglanden

0

1.783

0

0

0

0

0

Logius

2.067

3.500

0

0

0

0

0

P-Direkt

2.210

0

0

0

0

0

0

Rijkswaterstaat

200

0

0

0

0

0

0

SSC-ICT

15.231

39.805

0

0

0

0

0

UBR

7.493

2.927

0

0

0

0

0

UBR (Arbeidsmarkt Communicatie)

6.709

6.429

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

57

388

0

0

0

0

0

Bedrijfsvoering Rijk

0

351

0

0

0

0

0

CBS

3

23

0

0

0

0

0

VNG

54

14

0

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

400

0

0

0

0

0

Bedrijfsvoering Rijk

0

400

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

90.455

36.500

0

0

0

0

0

1 Tot en met begrotingsjaar 2017 viel dit artikel onder begrotingshoofdstuk 18 - Wonen en Rijksdienst

3.9 Artikel 9. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

A Algemene doelstelling

Uitvoering geven aan Rijksvastgoedbeleid door:

  • • 
    het verzorgen van de Rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor Rijkshuisvesting en het uitvoeren van het Rijkshuisvestingsbeleid;
  • • 
    het realiseren van een optimaal financieel resultaat en maatschappelijk rendement bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor het Rijk voor de realisatie van Rijksdoelstellingen, gerelateerd aan de strategische opgaven van het kabinet.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is, als opdrachtgever en uitvoerder, verantwoordelijk voor:

  • • 
    de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ;
  • • 
    de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat;
  • • 
    het beheer en onderhoud van de monumenten die aan het RVB zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten;
  • • 
    de doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de Minister van BZK als uitvoerder op het terrein van

Rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • • 
    het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere ministers is gelegd;
  • • 
    de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingspro-jecten waarbij meervoudige Rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) Rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk.
  • • 
    ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministeries. Voor zover er op basis van de huidige begrotingsregels van het kabinet sprake is van een generieke middelenafspraak met een Minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door de betreffende Minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

C Beleidswijzigingen

Er zijn geen beleidswijzigingen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

 

1 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 

20171    2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art. nr. Verplichtingen:

102.003    119.523

117.329

117.164

118.758

120.275

128.231

Waarvan garantiever-plichtingen

 

Uitgaven:

105.319    119.523

117.329

117.164

118.758

120.275

128.231

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

 

92%

       

9.1 Doelmatige Rijkshuis-

 

vesting

44.673

55.058

52.758

54.542

55.629

56.698

64.639

Bijdrage aan agentschappen

44.673

55.058

52.758

54.542

55.629

56.698

64.639

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk

Huis, Hoge Colleges van Staat en AZ)

31.760

44.622

41.395

45.184

45.635

47.799

55.756

waarvan:

begroting I, de Koning

11.686

16.315

15.713

15.695

15.527

15.536

15.536

begroting IIA, Staten-Generaal

5.664

7.945

9.207

11.500

7.891

9.046

9.046

begroting IIB, Hoge

Colleges van Staat

8.453

8.774

10.177

12.086

10.416

11.091

11.091

begroting III, Ministerie van AZ

5.434

2.557

2.884

3.475

2.533

2.829

2.829

RVB (Bijdrage voor monumenten)

5.344

3.837

4.791

2.786

2.786

2.830

2.814

RVB (Bijdrage voor Rijkshuisvesting)

7.569

6.599

6.572

6.572

7.208

6.069

6.069

 

9.2    Beheer materiële activa

60.646

64.465

64.571

62.622

63.129

63.577

63.592

Opdrachten

4.779

7.462

6.987

4.647

4.647

4.647

4.647

Onderhoud- en beheer-kosten

4.779

7.462

6.987

4.647

4.647

4.647

4.647

Bekostiging

44.142

45.282

45.860

46.367

46.878

47.328

47.328

Zakelijke lasten

44.142

45.282

45.860

46.367

46.878

47.328

47.328

Bijdrage aan agentschappen

11.725

11.721

11.724

11.608

11.604

11.602

11.617

RVB

11.725

11.721

11.724

11.608

11.604

11.602

11.617

 

Ontvangsten

134.313

174.126

99.782

121.690

121.574

120.282

120.282

1 Tot en met begrotingsjaar 2017 viel dit artikel onder begrotingshoofdstuk 18 - Wonen en Rijksdienst

D2 Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget van artikel 9 is 92% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 25% juridisch verplicht. De opdrachten hebben betrekking op onderhoud- en beheerkosten. Slechts een beperkt deel hiervan is juridisch verplicht als gevolg van afspraken met de markt.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 90% juridisch verplicht. Het restant is echter niet vrij beschikbaar omdat hiermee o.a. wordt bijgedragen aan het apparaat van het Rijksvastgoedbedrijf.

Bekostiging

De bekostiging van de zakelijke lasten is 100% juridisch verplicht.

E Toelichting op de instrumenten

9.1 Doelmatige Rijkshuisvesting Bijdrage aan agentschappen

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en AZ)

Deze bijdragen zijn bedoeld voor betalingen aan het RVB om de kosten te dekken van huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ. Hierbij geldt dat in het kader van de agentschapvorming van het RVB het noodzakelijk is geacht dat er sprake moet zijn van duidelijkere opdrachtgeverrelaties, waarbij genieten, beslissen en betalen meer in één hand liggen. Als gevolg hiervan worden deelbudgetten naar opdrachtgevers overgeboekt. Daarnaast wordt bezien of er met de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ afspraken gemaakt kunnen gaan worden over een betere governance rond hun huisvesting.

Voor het Koninklijk Huis betreft het de drie staatspaleizen: paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam. De bijdrage is gesplitst naar de vier begrotingshoofdstukken ten behoeve waarvan de uitgaven worden gedaan.

In 2015 heeft het kabinet besloten om de uitgaven die worden gedaan voor de Koning uitgebreider toe te lichten. Op de begroting van Ministerie van BZK staan de huisvestingsbudgetten voor de paleizen. Hieronder volgt een nadere toelichting. Bij de begroting van de Koning (I) is een extracomptabele bijlage opgenomen waarin deze uitgaven ook worden gepresenteerd.

Specifieke toelichting huisvesting Koninklijk Huis Krachtens de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (artikel 4) worden drie paleizen ter beschikking gesteld aan de Koning. Dit zijn paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam. De uitvoering hiervan vindt plaats via de begroting van BZK.

Als bijdrage aan het Rijksvastgoedbedrijf voor huisvesting van het Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ is in de begroting € 41 mln. opgenomen, waarvan bijna € 16 mln. voor de paleizen.

De bijna € 16 mln. voor de paleizen die aan het RVB wordt betaald, is opgebouwd uit een aantal componenten.

  • • 
    ten eerste ruim € 6 mln. rente en afschrijving voor investeringen die via de leenfaciliteit zijn gefinancierd en zijn geactiveerd op de balans van het RVB;
  • • 
    vervolgens ruim € 6 mln. voor regulier onderhoud. Hiervoor worden de technische installaties onderhouden en -indien zij aan het einde van hun technische levensduur zijn- vervangen, worden storingen verholpen, en worden gebouwen geschilderd, onderhouden en hersteld. Evenzo worden terreinen onderhouden en hersteld. Voor het onderhoud aan de paleizen geldt, vanwege het veelal monumentale karakter van de objecten, een hogere norm dan voor kantoren en;
  • • 
    het restant (ruim € 3 mln.) betreft betalingen voor met name kleinere investeringen op basis van wet- en regelgeving (o.a. brandveiligheid), kosten voor kleinere aanpassingen, voor apparaatsinzet en voor heffingen.

Ook voor latere jaren zijn deze middelen nodig, omdat gebouwen structureel onderhouden moeten worden, er langdurig wordt afgeschreven en er rente wordt betaald op de leningen. In de middelen zijn begrepen de kosten voor rente en afschrijving van de investeringen in paleis Huis ten Bosch (circa € 0,9 mln. per jaar vanaf 2019).

Conform een toezegging van de Minister-President gedaan bij de behandeling van de ontwerpbegroting 2016 van de Koning geeft onderstaande meerjarenplanning inzicht in geplande onderzoeken naar en het meerjarig groot onderhoud/renovatie van de paleizen. Over de wijze waarop zulke projecten gefinancierd worden is de Tweede Kamer geïnformeerd in de brief van 2 december 2015 (Kamerstukken II 2015-2016, 34 300 XVIII, nr. 45).

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Onderzoek

Koninklijk

Paleis

Amsterdam

         

Renovatie/groot onderhoud:

Paleis Huis ten Bosch

lopend

geen

geen

geen

geen

geen

Koninklijk Paleis Amsterdam

geen

Start

Renovatie

Burgerzaal

Renovatie

Burgerzaal

geen

geen

geen

Paleis Noordeinde

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Paleis Huis ten Bosch

De totale investeringen voor de renovatie zijn begroot op € 63,1 mln. conform de brief aan de Kamer uit november 2017 (Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 XVIII, nr. 6). Via de begroting van het Ministerie van BZK wordt in totaal € 18 mln. bijgedragen aan de renovatie. De overige € 45,1 mln. komt ten laste van de voor het paleis gecreëerde voorziening op de balans van het agentschap RVB. Oplevering van het gerenoveerde paleis is voorzien eind 2018.

Paleis Noordeinde

Vanaf 2019 is onderhoud aan de logeervleugel van het paleis voorzien. Hierbij worden o.a. loden leidingen vervangen en de inrichting vernieuwd. De kosten van dit onderhoud worden binnen de beschikbare middelen gedekt.

Koninklijk Paleis Amsterdam

Eind 2018 wordt een multidisciplinair bouwhistorisch onderzoek in de Burgerzaal afgerond. Dit is nodig om een bouwkundig plan te kunnen maken voor een renovatie van de zaal vanaf 2019. Daarnaast zal in 2019 gestart worden met reparatie aan het dak en de timpaan /gevel aan de Nieuwezijds Voorburgwal, die door eerdere bezuinigingen niet konden worden uitgevoerd. De kosten voor deze werkzaamheden worden gedekt binnen de beschikbare begrotingsmiddelen.

RVB (Bijdrage voor monumenten)

De middelen zijn de bijdrage aan het RVB voor het beheer en onderhoud van een aantal monumenten dat naar hun aard niet geschikt is voor huisvesting van Rijksdiensten.

RVB (Bijdrage voor Rijkshuisvesting)

Het RVB draagt bij aan de realisatie van Rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing in de Rijkshuisvesting, de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk en de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingstelsel. En ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de Rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Dit gebeurt door middel van zorgvuldig en transparant aanbesteden, de coördinatie van deze diensten en afstemming met de markt. En ook door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst. Dit komt tot uiting bij het tot stand brengen, het wijzigen en het beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van het RVB zich uitstrekt.

Naast de experimentele projecten die zijn gestart om de mogelijkheden gericht op een energieneutrale gebouwde omgeving te verkennen, zijn projecten in uitvoering gericht op een circulaire economie op termijn (2050). Het Rijksvastgoedbedrijf beheert uiterlijk in 2030 de Rijkskantorenportefeuille circulair en heeft de ambitie dat alle opdrachten vanaf 2030 circulair zijn. Het RVB heeft daartoe onder meer samen met Rijkswaterstaat het initiatief genomen om het Platform Circulair Bouwen 2023 (CB»23) op te richten. Dit platform richt zich op het maken van bouwbrede afspraken over onder meer nieuwe werkwijzen, uniformering en normeringen. Binnen het RVB loopt het Programma Groene Technologieën. Op basis van de resultaten van de monitoring die in 2018 aanbesteed en gestart is, worden in 2019 de succesvolle innovaties die in de Testomgeving in Rijswijk en op voormalig vliegkamp Valkenburg getest zijn, waar mogelijk opgeschaald binnen de portefeuille van het RVB.

9.2. Beheer materiële activa

Opdrachten

Onderhoud- en beheerkosten

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken (niet-Rijkshuisvesting) welke in het bezit zijn van het RVB. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld energie-, beveiligings- en taxatiekosten.

Bekostiging

Zakelijke lasten

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat voor zover het niet de Rijkshuisvesting betreft. Gedacht moet worden aan de onroerendzaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor circa 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten. De zakelijke lasten die samenhangen met Rijkshuisvesting worden verantwoord op de baten-lastenbegroting van het agentschap RVB.

Bijdrage aan agentschappen

RVB

Het betreft de bijdrage aan het RVB voor de uitvoering van de wettelijke taak van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken (niet-Rijkshuisvesting) die de Staat toebehoren. Dit beheer betreft met name werkzaamheden rond (ver)huur, (erf)pacht, medegebruik en de verwerking van zakelijke lasten van het Rijk.

Ontvangsten

Zakelijke lasten

De ontvangsten betreffen met name terugbetalingen door huurders -niet zijnde Rijksgebruikers- van door het RVB betaalde gebruikerslasten.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (met name verpachting en verhuur) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de (o.a. agrarische) onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat. De opbrengsten uit middelenafspraken worden verantwoord via de begrotingen van het vakdepartement.

Generale ontvangsten

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen zoals zand en de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen.

Over de winst van een gedeelte van de generale ontvangsten moet het Ministerie van BZK vennootschapsbelasting afdragen. Deze uitgave vindt plaats op de begroting van BZK op niet-beleidsartikel 12 Algemeen.

  • 4. 
    NIET-BELEIDSARTIKELEN

4.1 Artikel 11 Centraal apparaat

  • A. 
    Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel worden naast alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het kerndepartement ook de apparaatsuitgaven van de agentschappen gepresenteerd.

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

 
   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr.

Verplichtingen:

362.821

445.272

399.997

369.717

360.946

357.101

357.212

 

Waarvan garantiever-plichtingen

             
 
 

Uitgaven:

366.513

445.272

399.997

369.717

360.946

357.101

357.212

                 

11.1

Apparaat (excl. AIVD)

366.513

445.272

399.997

369.717

360.946

357.101

357.212

 

Personele uitgaven

175.581

223.887

204.802

176.473

167.692

164.422

164.422

 

waarvan: Eigen personeel

167.527

201.141

185.949

162.795

158.863

156.357

156.357

 

waarvan: Inhuur externen

4.725

18.391

14.842

9.667

4.818

4.054

4.054

 

waarvan: Overige personele uitgaven

3.329

4.355

4.011

4.011

4.011

4.011

4.011

 

Materiële uitgaven

190.932

221.385

195.195

193.244

193.254

192.679

192.790

 

waarvan: Bijdrage SSO's

177.366

196.620

179.375

179.006

179.011

178.511

178.511

 

waarvan: ICT

1.525

8.207

0

0

0

0

0

 

waarvan: Overige materiële uitgaven

12.041

16.558

15.820

14.238

14.243

14.168

14.279

 
 

Ontvangsten

81.708

54.409

17.432

17.422

17.422

17.422

17.422

In deze tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement opgenomen, inclusief het Huis voor Klokkenluiders (HvK). De reeks is exclusief de apparaatsuitgaven van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Deze zijn vanwege het specifieke karakter begroot op beleidsartikel 2.

  • B. 
    Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten inclusief agentschappen en ZBO/RWT's

De apparaatskosten van BZK bestaan uit de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement, de AIVD en de apparaatskosten voor acht baten-lastenagentschappen. In tabel 11.2 staan de structurele apparaatsuitgaven van het kerndepartement en de AIVD aangegeven.

Tabel 11.2 totaal apparaatsuitgaven ministerie (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatsuitgaven

Ministerie van BZK

583.430

692.717

662.955

634.860

631.430

625.229

624.869

Kerndepartement

366.513

445.272

399.997

369.717

360.946

357.101

357.212

Algemene Inlichtingen- en

Veiligheidsdienst (AIVD)

216.917

247.445

262.958

265.143

270.484

268.128

267.657

Tabel 11.3 geeft een overzicht van de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen, de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en de Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's).

Tabel 11.3 Totaaloverzicht apparaatskosten agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatskosten Agentschappen

1.149.179

1.175.329

1.265.306

1.274.475

1.251.140

1.259.193

1.256.411

Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)

130.722

100.160

91.148

88.042

84.463

83.839

77.994

Logius

175.837

205.861

228.368

228.604

202.800

207.044

211.787

P-Direkt

71.324

76.247

86.871

88.953

89.077

86.662

84.982

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

199.791

220.615

233.320

240.093

246.335

253.733

253.733

FMHaaglanden (FMH)

112.968

110.293

115.336

115.219

115.219

115.219

115.219

SSC-ICT

211.638

203.100

248.826

253.329

254.011

254.011

254.011

Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

235.036

248.737

251.706

250.504

249.504

248.954

248.954

Dienst van de Huurcommissie (DHC)

11.863

10.316

9.731

9.731

9.731

9.731

9.731

 

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's 1

2.155

189.254

200.522

200.343

198.346

197.349

195.187

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

1.313

1.254

1.522

1.343

1.346

1.349

1.187

Bureau Architectenregister2

842

           

Referendumcommissie

0

0

0

0

0

0

0

Kadaster

 

188.000

199.000

199.000

197.000

196.000

194.000

1    BZK verstrekt bijdragen aan vijf begrotingsgefinancierde ZBO's en RWT's: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP), Huis voor Klokkenluiders (HVK), de Referendumcommissie, de Huurcommissie en het Kadaster. De apparaatskosten van het HVK en de Huurcommissie zijn hier niet vermeld, omdat ze respectievelijk worden bekostigd vanuit de apparaatskosten van het kerndepartement (artikel 11) en de apparaatskosten van het agentschap Dienst van de Huurcommissie (DHC). De apparaatsuitgaven voor de Referendumcommissie worden geraamd op nihil, tenzij er in een jaar een referendum wordt voorzien. Bij de SAIP worden de apparaatskosten niet alleen door BZK gefinancierd, maar ook door andere opdrachtgevende ministeries en derden. Voor meer informatie over de ZBO's en RWT's van BZK zie de bijlage ZBO's en RWT's in de begrotingshoofdstukken IIB en VII.

2    Het Bureau Architectenregister valt per 1 juli 2017 onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)

  • C. 
    Apparaatsuitgaven per Directoraat Generaal

Om de Tweede Kamer inzicht te bieden in de apparaatsuitgaven per beleidsterrein wordt in tabel 11.4 weergegeven wat de apparaatsuitgaven zijn per onderdeel van het Ministerie van BZK.

Tabel 11.4 Apparaatsuitgaven per Directoraat Generaal (bedragen x € 1.000)

 

Directoraat Generaal

2019

Totaal apparaat

399.997

Algemene Bestuursdienst (Bureau ABD)

31.104

Bestuur, Ruimte en Wonen (DGBRW)

2.275

Koninkrijksrelaties (DGKR)

2.699

Omgevingswet (Programma DG OW)

17.646

Overheidsorganisatie (DGOO)

161.811

Vastgoed en bedrijfsvoering Rijk (DGVBR)

14.779

SG-Cluster (SGC)

166.689

Huis voor Klokkenluiders

2.994

4.2 Artikel 12 Algemeen

 

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

         

2017    2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr. Verplichtingen:    13.328    12.421

6.558

11.406

8.930

7.680

7.680

Waarvan garantiever-plichtingen

         

Uitgaven:    13.354    12.421    6.558    11.406    8.930    7.680    7.680

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

 

12.1    Algemeen

13.354

12.421

6.558

11.406

8.895

7.645

7.645

Subsidies

776

444

444

445

434

434

434

Diverse subsidies

603

394

394

395

384

384

384

Koninklijk Paleis

Amsterdam

173

50

50

50

50

50

50

Opdrachten

662

912

912

759

759

759

759

Diverse opdrachten

140

313

313

389

408

408

408

Internationale Samenwerking

522

599

599

370

351

351

351

Bijdragen aan ZBO's/

RWT's

13

0

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

13

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

11.903

11.065

5.202

10.202

7.702

6.452

6.452

Financiën en Nationale Schuld (Belastingdienst)

11.903

11.065

5.202

10.202

7.702

6.452

6.452

12.2 Verzameluitkeringen

0

0

0

0

35

35

35

Bijdragen aan (inter-

             

)nationale organisaties

0

0

0

0

35

35

35

IPSV en impulsbudget

0

0

0

0

35

35

35

 

Ontvangsten

1.500

890

0

0

0

0

0

Toelichting

12.1 Algemeen Subsidies

Diverse subsidies

Dit betreft voornamelijk de subsidie aan de Stichting Parlementaire Geschiedenis voor exploitatie van het Centrum Parlementaire Geschiedenis (CPG).

Opdrachten

Internationale Samenwerking en diverse opdrachten Budget is opgenomen voor het versterken van de strategische, constitutionele en wetgevende, internationale en economische advisering voor BZK breed en dient als verbindende spil tussen de (beleids)directies onderling en de politieke en ambtelijke leiding. Hier worden opdrachten verstrekt die ondersteunend zijn aan bovengenoemd doel en daarbij vaak een (specifiek) beleidsveld overstijgend karakter hebben.

Daarbij is een veilige informatievoorziening en verbetering van de ICT prioriteit. Hier zorgt de CIO-office voor samenhang in de informatievoorziening en voor de verdere versterking van de beheersing van de projecten met een ICT-component, waaronder het meehelpen bij het doorvertalen van beleidsdoelen naar ICT. Het budget voor de CIO-office wordt aangewend om bij te dragen aan de verdere inrichting van strategische advisering en toezicht, IT-governance en securitygovernance, informatievoorziening en professionalisering.

Voorts zijn middelen bestemd voor de inrichting van de crisisbeheersings-organisatie bij BZK en voor fysieke- en informatiebeveiliging van de organisatie op basis van risicomanagement. Naast bovenstaande zal bijzondere aandacht uitgaan naar de verdere versterking en inrichting van de adviescapaciteit op het gebied van Openbare Orde, Inlichtingen en Veiligheid.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Financiën en Nationale Schuld (Belastingdienst)

Vanaf 2016 moet over de winst op een aantal activiteiten op de begroting van BZK en daaronder vallende agentschappen vennootschapsbelasting (VPB) worden afgedragen. Het Ministerie van BZK ontvangt één aanslag van de Belastingdienst. Deze wordt verantwoord onder artikel 12 Algemeen. De uitgave aan VPB betreft de voorlopige aanslag voor 2019 over de winst op de generale en specifieke ontvangsten van artikel 9 (Uitvoering Rijksvastgoedbeleid) van deze begroting.

4.3 Artikel 13 Nog onverdeeld

 

1 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

2017    2018

2019

2020

2021

2022

2023

Art.nr. Verplichtingen:    0    0

0

0

0

0

0

Waarvan garantiever-plichtingen

 
 

Uitgaven:

0

0

0

0

0

0

0

 

13.1

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

13.2

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

13.3

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

 
 

Ontvangsten:

0

0

0

0

0

0

0

  • 5. 
    BEGROTING AGENTSCHAP

5.1 Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)

Inleiding

RvIG is de autoriteit en regisseur van het veilig en betrouwbaar gebruik van identiteitsgegevens en is de uitvoeringsorganisatie op het gebied van persoonsgegevens en reisdocumenten voor het Koninkrijk der Nederlanden. In een constant veranderende samenleving is de veiligheid en betrouwbaarheid van identiteitsgegevens van essentieel belang.

RvIG streeft samen met ketenpartners naar een uitstekende dienstverlening voor burgers. Zowel analoog als digitaal, en toekomstbestendig door innovatie.

RvIG is verantwoordelijk voor de volgende stelsels:

  • • 
    de Basisregistratie personen (BRP);
  • • 
    de beheervoorziening burgerservicenummer (BV-BSN);
  • • 
    het systeem van aanvraag, productie en distributie van reisdocumenten;
  • • 
    de persoonsinformatievoorziening van het Caribisch gebied (PIVA);

Verder beheert RvIG de volgende registers:

  • • 
    het Register Paspoortsignaleringen (RPS);
  • • 
    het Basisregister Reisdocumenten (BRR);
  • • 
    het Verificatieregister Reisdocumenten (VR).

Onder RvIG valt verder ook het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI).

Producten:

Basisregistratie personen (BRP)

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is verantwoordelijk voor de registratie van ingezetenen, de Basisregistratie personen (BRP) en de Registratie niet-ingezetenen (RNI). Deze registraties vormen samen het BRP stelsel en is een kernproduct uit de RvIG productportfolio. Onderstaand de speerpunten voor 2019 van RvIG in het kader van de BRP werkzaamheden.

  • • 
    Uitvoering van de kwaliteitsmonitor is een jaarlijkse kwaliteitsmeting die deels uit een zelfevaluatie en deels uit een bestandscontrole bestaat. Ook in 2019 dienen alle gemeenten deze kwaliteitsmeting onder toezicht van RvIG uit te voeren.
  • • 
    Health check

Aanleiding voor de health check is het beëindigen van Operatie BRP zoals door de toenmalig Minister van BZK in het Algemeen Overleg op 5 juli 2017 aan de Tweede Kamer is toegezegd. Daarop heeft de Minister van BZK ook de toezegging gedaan, dat er onderzoek naar het toekomstvast maken van de bestaande centrale voorziening GBA-V zal worden uitgevoerd. De werkzaamheden die onder de health check vallen, zijn de volgende:

  • A. 
    Uitgesteld onderhoud van de RNI, Schouwen & Toetsen, Wet Besluit en Regeling BRP en het Logisch Ontwerp BRP;
  • B. 
    Gegevensverstrekking volgens overheidsstandaarden;
  • C. 
    Oplossen van knelpunten

De extra geraamde kosten voor de health check 2018/2019/2020 bedragen € 14,7 mln., waarvan € 6,8 mln. voor 2019 en € 6,4 mln. voor 2020.

Burgerservicenummer (BSN)

RvIG is verantwoordelijk voor de beheervoorziening BSN. Hieronder valt het beheer van de voorziening voor het genereren, distribueren, toekennen en beheren van burgerservicenummers.

De werkzaamheden die RvIG voor de BSN uitvoert zijn:

  • • 
    Het zorgdragen voor gedegen voorzieningen voor het stellen van verificatievragen over de identiteit van een persoon en over Nederlandse identiteitsdocumenten;
  • • 
    Het beheer van het foutenmeldpunt voor het melden van vermoedens over BSN nummerfouten;
  • • 
    Het beheren van de voorzieningen met behulp waarvan algemene informatie beschikbaar wordt gesteld met betrekking tot het gebruik van burgerservicenummers en de gegevensverwerking van gebruikers;
  • • 
    Het beheren van de voorziening waar burgers met vragen en klachten over het gebruik van hun BSN terecht kunnen (BSN-punt).

Reisdocumenten

RvIG ziet in zijn verantwoordelijkheid voor het reisdocumentenstelsel toe op de productie van paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten (NIK) en het aanvraag- en uitgifteproces bij uitgevende instanties. Daarnaast beheert RvIG drie registers.

In 2019 zal een start worden gemaakt met de voorbereidende werkzaamheden voor de aanbesteding van de paspoorten en de vervanging van het Reisdocumenten Aanvraag- en Archiefstation (RAAS). Deze twee contracten voor het reisdocumentenstelsel vervallen begin 2021.

Caribisch gebied

In 2019 wordt gezamenlijk met het Caribisch gebied, zijnde de Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) en de landen binnen het koninkrijk der Nederlanden (Aruba, Curagao en Sint Maarten), gewerkt aan verdere kwaliteitsverbetering van de bevolkingsadministraties. In samenwerking met het Openbaar Lichaam Sint Eustatius wordt over de periode 1 maart 2017 tot 1 maart 2021 duurzame ondersteuning geboden in de vorm van personele inzet van RvIG medewerkers bij de afdeling burgerzaken. Daarbij wordt met name aandacht besteed aan het opleiden van de lokale medewerkers. Samen met de Rijksdiensten en de afdelingen burgerzaken in het Caribisch Nederland wordt verder gewerkt aan verbetering van de kwaliteit en het gebruik van PIVA-V (Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba-Verstrekkingen). Daarnaast zullen de beheer- en onderhoudstaken van de PIVA-V, PGK (PIVA-GBA Koppeling) en de Sédula worden voortgezet.

Elektronische Identiteit (eID(AS)-stelsel)

eID is een programma om met behulp van elektronische identiteit (eID) op een hoogbetrouwbare manier digitale dienstverlening mogelijk te maken van (semi) overheid aan burgers, en bedrijven binnen Europa.

Het eID-stelsel wordt in het najaar door RvIG in gebruik genomen.

In 2019 zal RvIG ook het stelselbeheer over het BRP koppelpunt voeren, een van de voorzieningen binnen eIDAS. De impact hiervan is nog geen onderdeel van de OW 2019.

Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI)

Het CMI begeleidt slachtoffers van identiteitsfraude. Tevens begeleidt het CMI burgers met fouten met betrekking tot hun persoonsgegevens. Het aantal meldingen blijft jaarlijks toenemen. Er is een plan opgesteld voor doorontwikkeling van het Meldpunt. RvIG fungeert als ketenregisseur en schakelt indien nodig ketenpartners als Politie, Belastingdienst, RDW, IND en Logius in.

Ontwikkelingen

RvIG vervult een rol in de Digitale agenda Rijksdienst. Hierbij wordt samengewerkt met publieke-, private- en wetenschappelijke partijen. RvIG wil de essentie van e-governance en digital citizenship verkennen.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lasten agentschap RvIG voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

42.746

26.399

35.944

39.559

33.750

33.543

33.738

Omzet overige departementen

0

0

0

0

0

0

0

Omzet derden

120.241

98.519

32.603

24.281

26.138

28.278

22.226

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

20.407

26.172

26.545

23.988

24.000

Bijzondere baten

0

0

4.737

0

0

0

0

Totaal baten

162.987

124.918

93.691

90.012

86.433

85.809

79.964

               

Lasten

Apparaatskosten

130.722

100.160

91.148

88.042

84.463

83.839

77.994

  • personele kosten

17.410

15.156

16.788

17.019

17.254

17.492

17.733

waarvan eigen personeel

13.664

11.743

13.859

14.059

14.262

14.468

14.677

waarvan externe inhuur

3.746

3.413

2.929

2.960

2.992

3.024

3.056

waarvan overige personele

kosten

0

0

0

0

0

0

0

  • materiële kosten

113.312

85.005

74.360

71.023

67.209

66.347

60.261

waarvan apparaat ICT

731

904

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

waarvan bijdrage aan SSO's

83

665

165

165

165

165

165

waarvan overige materiële

kosten

112.498

83.436

72.945

69.608

65.794

64.932

58.846

Rentelasten

11

60

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

4.301

3.487

1.350

1.970

1.970

1.970

1.970

  • materieel

3.930

3.487

1.350

1.970

1.970

1.970

1.970

waarvan apparaat ICT

0

1.500

1.350

1.970

1.970

1.970

1.970

  • immaterieel

371

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

21.213

21.211

1.193

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

21.213

21.211

1.193

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

156.247

124.918

93.691

90.012

86.433

85.809

79.964

 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

 

Voorlopige exploitatieresultaat

6.740

0

0

0

0

0

0

waarvan te restitueren aan BRP gebruikers

4.737

           

waarvan te restitueren aan opdrachtgever Reisdoc.

2.003

           

Saldo baten lasten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De kosten voor het beheren van de BRP worden doorberekend aan de gebruikers met een kostendekkend tarief in de vorm van een abonnementsprijs. De financieringssystematiek zal in 2019 gelijk zijn aan 2018. De kosten voor het beheren van de reisdocumentenketen, innovatie, investering en de kosten van de productie en distributie worden in de huidige systematiek gedekt uit het tarief dat RvIG in rekening brengt bij de uitgevende instanties. De overige opdrachten worden betaald door de opdrachtgever, namelijk het Ministerie van BZK.

Baten

De omzet van het moederdepartement bestaat grotendeels uit:

  • • 
    de abonnementen voor het gebruik van de BRP door de afnemers die met ingang van 1 januari 2008 onder de budgetfinanciering vallen

(€ 22,1 mln.);

  • • 
    de bijdrage in de kosten van de BV-BSN (€ 4,5 mln.);
  • • 
    de bijdrage in de kosten voor de voorziening PIVA-V en Sédula (€ 1,5 mln.);
  • • 
    de bijdrage CMI (€ 0,7 mln.);
  • • 
    de bijdrage in de kosten voor de Health Check (€ 6,8 mln.).

De omzet van derden bestaat vooral uit:

  • • 
    de opbrengsten van de afnemers van de BRP die niet onder budgetfinanciering vallen (€ 9,5 mln.);
  • • 
    de leges voor de reisdocumenten die de uitgevende instanties aan RvIG afdragen (€ 23,0 mln.). Dit bedrag is fors lager dan in voorgaande jaren. 2019 is het eerste jaar van de dip veroorzaakt door de 10 jaar geldigheid van het paspoort.

Vrijval voorziening

Om te voorkomen dat er grote fluctuaties in de kostprijs van reisdocumenten ontstaan als gevolg van de invoering van de 10-jarige geldigheid, maakt RvIG gebruik van een egalisatierekening. Dit maakt realisatie van kostendekkendheid over 10 jaar mogelijk. Vanaf 2019 zal per jaar een deel van de het opgebouwde bedrag op de egalisatierekening vrijvallen om de kostprijs gelijk te houden. In 2019 is dat bedrag € 20,4 mln.

Bijzondere baten

Dit betreft een omzetting van de schuld aan gebruikers van € 4,7 mln. (exploitatieresultaat 2017) in een bijdrage om het tarief 2019 gelijk te houden aan dat van 2018.

Lasten

Apparaatskosten Personele kosten

De personele lasten bedragen € 16,7 mln. De verhoging van de eigen personele kosten heeft o.a. te maken met de verambtelijking en extra taken. De externe inhuur is licht gedaald. Er is nog geen zicht of de invoering van AVG leidt tot een toename van het aantal verzoeken van burgers om inzage in hun persoonsgegevens.

Materiële kosten

Het grootste gedeelte van de lasten betreft de kosten die worden gemaakt voor de productie en distributie van de reisdocumenten. Deze kosten, die onderdeel uitmaken van de overige materiële kosten, zijn fors afgenomen door de dip in de vraag naar reisdocumenten. Andere lasten worden veroorzaakt door het in stand houden van het BRP-netwerk, het beheer van de centrale verstrekkingvoorziening van de BRP (GBA-V en RNI) en de beheervoorziening BSN, CMI, PIVA-V en Sédula. Voor de uitvoering van de taken maakt RvIG gebruik van geautomatiseerde systemen die werken op een technische infrastructuur. De technische infrastructuur en het beheer daarvan zijn vervangen en uitgebreid. Hiermee sluit RvIG aan op de doelstellingen van de compacte Rijksdienst en de informatiestrategie (I-strategie).

Afschrijvingskosten

Op de materiële activa wordt in 2019 € 1,3 mln. afgeschreven. Dit betreft de afschrijving op de investering van de vernieuwde RvIG-infrastructuur. Deze kosten zijn lager dan in 2018 doordat een groot deel van de activa in 2019 is afgeschreven. Er zal verder geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van de infrastructuur.

Dotatie voorzieningen

Het betreft de dotatie aan de egalisatievoorziening reisdocumenten voor de eerste drie maanden van 2019. Hierna stopt de opbouw en loopt de periode van 5 jaar af waarin de voorziening is opgebouwd om de daling van de opbrengsten van de paspoorten, vanwege de 10-jaar geldigheid, op te vangen.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
   

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

99.447

120.181

139.446

114.845

88.643

62.068

38.050

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

167.660

124.918

68.547

63.840

59.888

61.821

55.964

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 146.857
  • 100.220
  • 91.148
  • 88.042
  • 84.463
  • 83.839
  • 77.994

2.

Totaal operationele kasstroom

20.803

24.698

  • - 
    22.601
  • - 
    24.202
  • - 
    24.575
  • - 
    22.018
  • - 
    22.030
 

-/- totaal investeringen

  • 101
  • 7.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
   

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

  • - 
    101
  • - 
    7.000
  • - 
    2.000
  • - 
    2.000
  • - 
    2.000
  • - 
    2.000
  • - 
    2.000
 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

  • 4.800
  • 3.433

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

  • 2.500
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

7.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

4.

Totaal financieringskas-stroom

  • - 
    7.300

1.567

0

0

0

0

0

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen

(=1+2+3+4)

(noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

112.849

139.446

114.845

88.643

62.068

38.050

14.020

Toelichting

Operationele kasstroom

In 2019 zal de operationele kasstroom een negatief saldo vertonen. Dit wordt veroorzaakt doordat in 2019 het aantal aangevraagde 10-jarige reisdocumenten sterk zal teruglopen waardoor kasontvangsten ook zullen teruglopen.

Investeringskasstroom

Voor 2019 wordt de omvang van de investeringen geraamd op € 2 mln. Het grootste deel van de investeringen betreft investeringen ten behoeve van de technische infrastructuur. Desinvesteringen worden niet verwacht. De omvang van de investeringen aan de technische infrastructuur zal ook afhankelijk zijn van de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van dienstverlening van andere organisaties binnen het Rijk. De keuze om de investering zelf te doen of de diensteverlening in te kopen bij andere organisaties binnen het Rijk moet nog worden gemaakt.

Beroep op leenfaciliteit

Het beroep op de leenfaciliteit omvat de door RvIG bij het Ministerie van Financiën geleende bedragen. Het beroep op de leenfaciliteit wordt gedaan ter financiering van investeringen in de infrastructuur.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren RvIG

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

Kostprijzen per product (in euro)

Abonnementsstructuur (B)

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

Reisdocumenten: Paspoort 5 jaar

21,31

21,31

21,78

21,78

21,78

21,78

21,78

Reisdocumenten: Paspoort 10 jaar

34,61

34,61

35,37

35,37

35,37

35,37

35,37

Identiteitskaart 5 jaar

5,33

5,33

5,45

5,45

5,45

5,45

5,45

Identiteitskaart 10 jaar

27,36

27,36

27,96

27,96

27,96

27,96

27,96

 

Omzet per productgroep (bedragen x 1.000 euro):

BRP

33.547

27.588

31.742

37.463

37.700

37.941

38.185

Reisdocumenten

11.008

90.205

23.049

12.997

14.782

16.850

10.723

 

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

170

166

167

167

167

167

167

 

Saldo van baten en lasten (%)

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

 

Omschrijving Specifiek Deel

ICT diensten

Kwaliteitsindicatoren

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Beschikbaarheid GBA netwerk

100,0%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Beschikbaarheid GBA -V

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Responstijd GBA-V

<3 sec

<3 sec

<3 sec

<3 sec

<3 sec

<3 sec

<3 sec

Beschikbaarheid Basisregister

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Beschikbaarheid Verificatiere-gister

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Beschikbaarheid BSN

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Klanttevredenheid

7,4

n.v.t.

7,5

n.v.t.

7,5

n.v.t.

7,5

Doorlichting uitgevoerd cq.

gepland in:    2020

Toelichting

De doelmatigheid van RvIG wordt inzichtelijk gemaakt door tarieven voor de reisdocumenten en de BRP en indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van deze producten op te nemen.

Kostprijs per product

De hoogte van de leges die RvIG in rekening brengt bij de uitgevende instanties, zoals de gemeenten, de buitenlandse posten en de Caribische gemeenten (Bonaire, Eustatius en Saba), is gelijk aan de kostprijs van de documenten. De gepresenteerde kostprijs is exclusief de gemeentelijke leges en eventuele spoedtoeslagen. In de stijgingen van de kosten voor de komende jaren is rekening gehouden met een prijsindexcijfer.

Het BRP-tarief is onder andere door doelmatigheidsresultaten uit efficiëntere inkoop en aanbesteding stabiel gebleven ten opzichte van 2017 en 2018. Het maximale tarief opgenomen in de abonnementen voor 2019 is € 0,24 per bericht. Gebruik binnen de bandbreedte van het abonnement leidt tot een lagere prijs per bericht (staffel). De bandbreedte van het meest gebruikte abonnement B bedraagt 10.000-100.000 berichten (maximale tarief).

FTE-totaal

Het aantal FTE zal in 2019 nagenoeg gelijk zijn aan 2018.

Beschikbaarheid

De doelstelling in 2019 is het halen van de gestelde normen, als opgenomen in de tabel.

Klanttevredenheid

Tweejaarlijks vindt er een klanttevredenheidsonderzoek plaats, het eerstvolgende onderzoek staat gepland voor 2019.

5.2 Logius

Inleiding

Logius biedt als uitvoeringsorganisatie voor de hele overheid betrouwbare en generieke ICT-oplossingen die alle publieke organisaties eenvoudig kunnen gebruiken. De producten van Logius zorgen voor een veilige toegang en gegevensuitwisseling binnen de digitale overheid, waarmee overheid, bedrijven en burgers in staat zijn om snel, eenvoudig en veilig met elkaar te communiceren. Logius bewaakt mede de samenhang op de generieke digitale infrastructuur. We werken voor alle publieke organisaties. We zijn transparant in wat we doen. We geven inzicht in de belangen die er spelen en de keuzes die we maken of voorstellen. Daarbij hebben we oog voor wat bij de eindgebruikers speelt. Zo zorgen we voor een evenwichtige digitale overheid. Hierdoor kunnen publieke organisaties zich maximaal richten op hun kerntaken. Logius biedt dienstverlening op de volgende gebieden:

Toegang: Logius biedt inlogmethodes waardoor mensen en organisaties veilig toegang krijgen tot de digitale overheid.

Standaarden en stelsels: Via standaarden en stelsels zorgt Logius voor eenduidigheid, herbruikbaarheid en generieke oplossingen binnen de digitale overheid.

Gegevensuitwisseling: Logius biedt oplossingen voor elektronisch berichtenverkeer tussen overheden en hun ketenpartners. Dit maakt ontsluiten en beschikbaar stellen van gegevens mogelijk én hierdoor wordt informatie maar één keer aangeleverd.

Producten

DigiD

Met DigiD kunnen personen inloggen en zich identificeren voor de digitale dienstverlening van verschillende overheidsdiensten en daarmee hun zaken met de overheid veilig regelen. Logius beheert de bestaande DigiD voorziening en werkt daarnaast continu aan verbetering en uitbreiding van de functionaliteit en betrouwbaarheidsniveaus van DigiD, onder andere op gebied van de DigiD app, en verhoging van de betrouwbaarheid van verificatieniveaus bij inloggen tot DigiD Substantieel en DigiD Hoog.

MijnOverheid

MijnOverheid is de persoonlijke website van burgers voor overheidszaken. Zij kunnen daar hun digitale post van meerdere overheidsorganisaties ontvangen, hun lopende zaken met overheidsorganisaties volgen en bekijken welke gegevens de overheid over hen heeft.

Logius stelt het gebruikersperspectief centraal bij de ontwikkeling van dienstverlening. Zo wordt onder meer opvolging gegeven aan de aanbevelingen van de ombudsman in zijn rapport «Hoezo MijnOverheid», zoals het doorontwikkelen van de Berichtenbox app.

Digipoort

Digipoort is een ICT-faciliteit waar berichtenverkeer voor de overheid afgehandeld wordt. Met Digipoort worden belangrijke stappen geautomatiseerd in het verwerkingsproces van grote hoeveelheden aangiftes, rapportages of meldingen, bijvoorbeeld het onderling gegevens uitwisselen tussen bedrijven, semi-overheden en overheden en verantwoor-dingsinformatie aanleveren aan de overheid.

Het huidige contract voor de elektronische berichtenverkeervoorziening voor Digipoort loopt eind 2019 af. Inmiddels heeft Logius de voorbereidingen voor een nieuw contract gestart met als belangrijke criteria gebruikersgemak, continuïteit, veiligheid, wendbaarheid en doelmatigheid.

Overige toegangsdiensten

Logius beheert en ontwikkelt naast DigiD ook andere toegangsdiensten zoals (DigiD) Machtigen, eHerkenning, PKI Overheid en BSNk, en werkt mee aan de ontwikkeling van het eID stelsel.

Speerpunten 2019

Doorbelasting

Het kabinet heeft in februari 2017 besloten de exploitatiekosten van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) door te belasten aan de publieke en private organisaties die de voorzieningen gebruiken in hun dienstverlening aan burgers en bedrijven. Dit is in 2018 geëffectueerd voor DigiD, MijnOverheid en Digipoort. Vanaf 2019 wordt dit doorgevoerd voor alle overige GDI-voorzieningen. De doorbelasting leidt tot omvangrijke administratieve gevolgen.

Organisatieontwikkeling

De doorbelasting van GDI-voorzieningen leidt tot veranderende verhouding met de opdrachtgevers, afnemers en bekostigers. Logius wil in 2019 de eigen interne organisatie hierop aanpassen om naar de toekomst de benodigde wendbaarheid om in te spelen op de wensen van de afnemers blijvend te vergroten. Concreet betekent dit dat Logius investeert in de kwaliteit van de dienstverlening, een professionele relatie met de afnemers, de kwaliteit van de organisatie en samenhang ervan.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap Logius voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

108.616

61.643

26.471

26.227

23.272

23.758

24.301

Omzet overige departementen

68.070

88.425

153.580

153.858

136.524

139.375

142.561

Omzet derden

3.070

56.263

48.728

48.950

43.435

44.342

45.356

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

394

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

180.150

206.331

228.779

229.015

203.211

207.455

212.198

 

Lasten

Apparaatskosten

175.837

205.861

228.368

228.604

202.800

207.044

211.787

  • personele kosten

52.968

68.737

53.613

55.712

56.955

57.720

58.500

waarvan eigen personeel

24.667

31.136

29.967

29.289

32.027

32.741

33.469

waarvan externe inhuur

26.773

35.333

21.394

23.923

22.378

22.378

22.378

 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

waarvan overige personele

kosten

1.528

2.268

2.252

2.500

2.550

2.601

2.653

  • materiële kosten

122.869

137.124

174.755

172.892

145.845

149.324

153.287

waarvan apparaat ICT

3.415

4.132

3.500

3.700

3.885

4.079

4.283

waarvan bijdrage aan SSO's

115

129

200

200

210

221

232

waarvan overige materiele

kosten

119.339

132.863

171.055

168.992

141.750

145.024

148.772

Rentelasten

0

0

1

1

1

1

1

Afschrijvingskosten

763

470

410

410

410

410

410

  • materieel

763

470

410

410

410

410

410

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

  • immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

1.727

0

0

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

1.727

0

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

178.327

206.331

228.779

229.015

203.211

207.455

212.198

               

Saldo van baten en lasten

1.823

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement, overige departementen en derden De begrote omzet voor 2019 is € 229 mln. De omzetstijging in 2019 en 2020 is een gevolg van eenmalige kosten voor de aanbesteding, migratie en transitie van enkele grote contracten in het kader van infrastructuur, middleware en applicatiesoftware. Aangezien Logius kostendekkende tarieven in rekening brengt en deze eenmalige kosten geen investeringen betreffen worden deze kosten in het betreffende jaar in rekening gebracht bij opdrachtgevers en/of afnemers.

Als gevolg van het kabinetsbesluit in februari 2017 zal de omzet voor beheer en exploitatie van de overige GDI-voorzieningen worden doorbelast. Sommige onderdelen worden al vanaf 2018 doorbelast, de resterende onderdelen volgen in 2019. Het gevolg is dat de omzet niet meer alleen van de beleidsopdrachtgevers (Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wordt ontvangen, maar ook van derden zoals ZBO's, gemeenten, provincies en waterschappen.

Daarnaast zijn er een aantal ontwikkelingen zoals het uitbreiden van de betrouwbaarheidsniveaus DigiD (substantieel en hoog) en de ontwikkeling van een portaal voor een MijnOverheid voor Ondernemers (MOvO). Voor deze ontwikkelingen ontvangt Logius gelden van de beleidsopdracht-gever.

Onderstaande tabel geeft de omzetverdeling 2019 weer van de voorzieningen.

Omzetverdeling voorziening 2019 (bedragen x € 1 mln.)

 
 

Moederdepartement

Overige departementen

Derden

GDI-voorzieningen

eID

12,0

0,0

0,0

Programma Machtigen

0,0

0,0

0,0

MijnOverheid (inclusief Berichtenvoorziening)

1,0

23,6

13,9

ETD eHerkenning/Idensys

3,6

0,0

0,0

Bureau Forum Standaardisatie - Standaarden

1,4

0,7

0,0

Diginetwerk

0,0

1,1

1,3

Digitoegankelijk

0,0

0,5

0,1

DigiD

0,0

9,3

24,3

Digipoort FS

0,0

2,5

0,2

Digipoort SBR

0,8

31,3

5,3

DigiD Machtigen

0,0

13,6

0,1

Stelselvoorzieningen

0,5

12,3

2,3

Digipoort HT

0,0

44,7

0,0

PKI Overheid

0,0

1,1

0,2

e-Factureren

0,0

5,5

0,0

Samenwerkende catalogi

0,0

0,3

0,1

eIDAS

0,0

0,8

0,0

Niet GDI-voorzieningen

Haagse Ring

6,3

0,9

0,0

Digiinkoop

0,4

3,4

0,0

Rijksdiensten

0,2

1,7

0,0

Centrale Catalogi

0,0

0,4

0,0

DigiZSM

0,0

0,0

1,1

Totaal

26,2

153,7

48,9

Lasten

Personele kosten

De kosten voor eigen personeel zijn gebaseerd op een formatie van 355,8 fte's per 31 december 2018. Voor het overige deel aan personele inzet wordt extern ingehuurd. De combinatie van organisatorische randvoorwaarden (formatie), arbeidsmarktproblematiek (schaarste aan ICT-personeel) en politiek-bestuurlijke urgenties (nieuwe werkzaamheden) maakt dat bij Logius het aandeel externe inhuur hoog is. Daarbij wordt er zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van detacheringen, I-interim en resultaatverplichtingen, waardoor de kosten externe inhuur worden beperkt.

Materiële kosten

De materiële kosten van € 175 mln. bestaan voor het grootste deel uit contractkosten voor de dienstverlening van Logius, zoals deze zijn opgenomen bij de omzet. Deze kosten vallen onder overig materieel en bestaan uit kosten voor leveranciers die zorgen voor o.a. applicatiebeheer, infrastructuurbeheer en hosting van de producten. De stijging in 2019 en 2020 wordt veroorzaakt door de aanbesteding, migratie en transitie van enkele grote contracten in het kader van infrastructuur, middleware en applicatiesoftware. Daarnaast vallen hieronder de contractkosten voor bedrijfsvoering. Een klein deel van de materiële kosten, de kantoorautomatisering en huisvesting, valt onder apparaat ICT en bijdrage SSO's. De afschrijvingen betreffen afschrijvingskosten voor de investeringen uit 2016 van de migratie van de Digipoort.

Kasstroomoverzicht

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

  • 1. 
    Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

66.171

48.000

48.000

48.000

48.000

48.000

48.000

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

177.925

206.331

228.779

229.015

203.211

207.455

212.198

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 176.829
  • 205.931
  • 228.379
  • 228.615
  • 202.811
  • 207.055
  • 212.198
  • 2. 
    Totaal operationele kasstroom

1.096

400

400

400

400

400

0

-/- totaal investeringen

0

0

0

0

0

0

0

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

  • 3. 
    Totaal investeringskasstroom

0

0

0

0

0

0

0

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

-/- aflossingen op leningen

  • 1.624
  • 400
  • 400
  • 400
  • 400
  • 400

0

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

  • 4. 
    Totaal financieringskas-stroom
  • - 
    1.624
  • - 
    400
  • - 
    400
  • - 
    400
  • - 
    400
  • - 
    400

0

  • 5. 
    Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

65.643

48.000

48.000

48.000

48.000

48.000

48.000

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren Logius (bedragen in €)

 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

Verloop kostprijs (basisjaar 2017 = 100)

97

99

99

98

97

96

95

Verloop tarieven (basisjaar 2011 = 100)

94

93

94

94

94

94

94

 

Totale omzet Logius

180 mln.

181 mln.

229 mln.

229 mln.

203 mln.

207 mln.

212 mln.

Omzet per cluster (in %):

 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Identificatie & Authenticatie

35%

33%

28%

28%

34%

35%

35%

Dienstverlening

35%

36%

36%

36%

34%

34%

33%

Gegevens

6%

8%

7%

7%

8%

7%

7%

Interconnectiviteit

17%

18%

24%

23%

19%

19%

19%

Overige voorzieningen

7%

6%

6%

6%

5%

5%

5%

% FTE Overhead

31

22

30

30

30

30

30

FTE-totaal, excl. externe inhuur

290

349 fte

356 fte

356 fte

356 fte

356 fte

356 fte

Saldo van baten en lasten (%)

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Klanttevredenheid (KTO)

niet uitgevoerd

7

nvt

7

nvt

7

nvt

Medewerkerstevredenheid (MTO)

niet uitgevoerd

7

nvt

uitgevoerd

nvt

uitgevoerd

nvt

Benchmark

nvt

uitgevoerd

nvt

uitgevoerd

nvt

uitgevoerd

nvt

Omschrijving Specifiek Deel

DigiD

Aantal DigiD authenticaties

280 mln.

358 mln.

341 mln.

375 mln.

413 mln.

454 mln.

499 mln.

MijnOverheid

Aantal berichten

75 mln.

101 mln.

106 mln.

106 mln.

106 mln.

106 mln.

106 mln.

Digipoort

Aantal berichten via Digipoort

143 mln.

159 mln.

169 mln.

179 mln.

189 mln.

199 mln.

209 mln.

Doorlooptijd 1e lijns vraagbeant-woording

96% 48 uur

90%

24 uur

90%

24 uur

90%

24 uur

90% 24 uur

90%

24 uur

90% 24 uur

Toelichting

  • • 
    Verloop kostprijs: deze doelmatigheidsindicator is gebaseerd op het gemiddelde verloop van de producten DigiD, Keteninformatiediensten H&T en MijnOverheid.
  • • 
    De tarieven per uur zijn de tarieven eigen personeel en gebaseerd op de handleiding overheidstarieven.
  • • 
    De omzet is ingedeeld naar clusters. Deze indeling sluit aan op de indeling van de generieke digitale infrastructuur (GDI).
  • • 
    Klanttevredenheid: tweejaarlijks organiseert Logius een onderzoek naar klanttevredenheid met betrekking tot de dienstverleningspresta-ties. De doelstelling is een minimale score van 7 te halen.
  • • 
    Medewerkerstevredenheid: tweejaarlijks organiseert het moederdepartement een onderzoek naar de medewerkerstevredenheid. De uitkomsten worden op onderdelen van het departement vergeleken en tevens middels een benchmark op de publieke taak.
  • • 
    Benchmark: het algemene beleid van Logius is om elke twee jaar een benchmark uit te laten voeren over de volwassen dienstverlening of delen van dienstverlening die bij Logius in beheer zijn. Benchmarking is voor Logius een methode om op een objectieve wijze inzicht te verkrijgen in de marktconformiteit van haar dienstverlening, die van haar externe leveranciers en transparantie van de dienstverlening.
  • • 
    Aantal DigiD authenticaties: de prognose voor 2018 is bijgesteld van 358 miljoen naar 310 miljoen authenticaties. Dit heeft gevolgen voor de prognoses van 2019 en verder. Gezien de ervaring van de afgelopen jaren is een stijging van gemiddeld 10% reëel.

MijnOverheid: reden voor de vlakke lijn in 2019 tot en met 2023 is dat een goed toekomstig inzicht ontbreekt om een prognose aan te leveren. Historisch gezien blijken de prognoses ingehaald te worden door de actuele ontwikkelingen. Op dit moment zijn drie ontwikkelingen gerelateerd aan de vlakke lijn: (1) het mogelijk verdwijnen van de verplicht-stelling uit de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Wet EBV) (Kamerstukken II 2017-2018, 31 066, nr. 421), (2) signalen over terughoudendheid op aansluiten of verzenden vanwege de doorbelasting en (3) de ontwikkelingen rond het federatief stelsel.

5.3 P-Direkt

Inleiding

P-Direkt levert direct toegankelijke bedrijfsvoeringservices met een focus op personeel, voor en door de Rijksambtenaar. P-Direkt bedient de Rijksambtenaar met het P-Direktportaal, Rijksportaal Personeel en het contactcenter P-Direkt.

De dienstverlening bestaat uit een gevarieerd pakket aan HR-services aan ruim 120.000 Rijksambtenaren, werkzaam voor 10 ministeries, een aantal Hoge Colleges van Staat en het Kabinet der Koning. De diensten zijn gericht op eigen verantwoordelijkheid, vertrouwen en zelfbediening. De salarisbetaling en personele informatievoorziening zijn belangrijke eindproducten.

De doelstellingen voor 2019 en verder

Ontwikkelingen in het P-Direktportaal

P-Direkt werkt voortdurend aan vernieuwing van het P-Direktportaal. Een compleet andere look and feel en processen die aansluiten op de behoefte van de gebruikers. Zo wordt voor 2019 een chatfunctionaliteit voor enkele processen opgezet. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om overal de status van een aanvraag te bekijken en alle uitstaande acties komen overzichtelijk op één pagina te staan.

Samenwerking met de SSO's en het bedrijfsvoeringsdomein

De rijksbrede bedrijfsvoeringfunctie is volop in ontwikkeling. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) wil de dienstverlening verbeteren in perspectief van de rijksbrede ontwikkeling en samenwerking.

P-Direkt zal de modernisering van haar dienstverlening zodanig vormgeven dat een eventuele uitbreiding in de toekomst voor andere bedrijfsvoeringelementen niet in de weg wordt gestaan.

De verdergaande digitalisering van de HR processen Rijksbreed is reden voor P-Direkt om verder te kijken naar mogelijkheden voor technische ondersteuning.

Verbetering informatievoorziening

Voor de verbetering en vernieuwing van de informatievoorziening voert P-Direkt de nodige vernieuwingen door aan de «achterkant van het systeem», die zorgen ervoor dat het portaal en de bijbehorende informatievoorziening steeds sneller wordt en dat nieuwe functionaliteiten kunnen worden ingepast, zoals de normalisering van de rechtspositie van de ambtenaar.

P-Direkt legt de focus bij de standaard informatievoorziening op de rol van de manager. Het uitgangspunt is dat de manager informatie op een snelle manier moet kunnen ontvangen en verwerken zodat hij/zij die direct kan gebruiken.

Er wordt een bijdrage geleverd aan het meer datagedreven werken van de overheid. Het geheel ondersteunt de ministeries in de groei van kennis en toepassingen op gebied van HR-analytics. Het helpt bij het realiseren van de verbinding met de lijn en primaire processen.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap P-Direkt voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

67.756

71.337

89.826

89.168

88.312

86.973

86.144

Omzet overige departementen

20.844

19.732

8.830

8.830

7.710

6.934

6.933

Omzet derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

369

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

88.969

91.069

98.656

97.998

96.022

93.907

93.077

               

Lasten

Apparaatskosten

71.324

76.247

86.871

88.953

89.077

86.662

84.982

  • personele kosten

44.921

46.294

50.118

52.089

52.227

50.668

49.345

waarvan eigen personeel

36.844

38.013

42.166

42.788

43.107

42.375

41.643

waarvan externe inhuur

7.475

7.147

6.717

8.048

7.857

7.052

6.483

waarvan overige personele

kosten

602

1.134

1.235

1.253

1.263

1.241

1.219

  • materiële kosten

26.403

29.953

36.753

36.864

36.850

35.994

35.637

waarvan apparaat ICT

8.057

6.827

11.109

11.094

11.080

10.565

10.551

waarvan bijdrage aan SSO's

15.905

20.472

23.394

23.503

23.503

23.207

22.910

waarvan overige materiële

kosten

2.441

2.654

2.250

2.267

2.267

2.222

2.176

Rentelasten

985

679

340

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

12.857

14.143

11.445

9.045

6.945

7.245

8.095

  • materieel

171

200

95

95

95

95

95

waarvan apparaat ICT

46

200

95

95

95

95

95

  • immaterieel

12.686

13.943

11.350

8.950

6.850

7.150

8.000

Overige kosten

537

0

0

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

85.703

91.069

98.656

97.998

96.022

93.907

93.077

               

Saldo van baten en lasten

3.266

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De structurele budgettaire reeksen van de ministeries voor de P-Direkt basisdienstverlening zijn overgeheveld naar de begroting van BZK. De ministeries ontvangen geen factuur meer voor de basisdienstverlening. Met het overhevelen van deze budgetten voor P-Direkt naar de begroting van BZK, is de opdrachtgeversrol van de ministeries centraal neergelegd bij de centrale opdrachtgever BZK.

De omzet stijgt in 2019 ten opzichte van 2018. Dit is het gevolg van:

  • • 
    Het verwerken van een geprognosticeerde inflatie van 1,5% in de tarieven;
  • • 
    De dienstverlening van P-Direkt neemt toe door een stijging van de aantallen medewerkers bij de departementen, voornamelijk veroorzaakt door de binnenkomst van de ambtenaren van de Rijks Schoonmaak Organisatie (RSO) bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Daarnaast sluiten de Eerste en Tweede Kamer met ingang van 2019 aan op de dienstverlening van P-Direkt;
  • • 
    Nieuwe dienstverlening in het kader van de samenwerking met UBR EC O&P zoals de inbesteding van het beheer van het CSO-platform (de Rijksbrede Carrière Sites van de Overheid) en het client-volg-systeem van UBR EC O&P (InBeeld) bij P-Direkt;
  • • 
    Het in beheer (over) nemen van de Rijkspas van SSC-ICT en;
  • • 
    Uitbreiding van dienstverlening zoals het op orde brengen van de P-dossiers voor enkele departementen. De uitvoerende werkzaamheden zullen worden uitgevoerd met behulp van arbeidsparticipanten die in dienst zijn van de departementen.

Lasten

Personele kosten

De stijging van de kosten van eigen personeel is het gevolg van extra benodigde IT-kennis door de hoeveelheid IT-ontwikkeling, de gestegen complexiteit van de systemen, de intensivering van het systeemon-derhoud (meer kort cyclische vernieuwing), de hogere aantallen individuele arbeidsrelaties (IAR's) en de nieuwe dienstverlening in het kader van de samenwerking met UBR EC O&P.

Materiële kosten

De kosten stijgen als gevolg van de hogere kosten van de dienstverlening housing & hosting van de apparatuur, de hogere materiële kosten als gevolg van de kort cyclische vernieuwing (maar lagere afschrijvingskosten op systeembouw) en de inkoopkosten als gevolg van de samenwerking van de dienstverlening Rijksbreed; o.a. het beheer van de Rijkspas.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten voor de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen ten behoeve van de investeringen in de aanschaf van de licenties en de bouw van de dienstverlening. Gegeven de nihil rentestand wordt voor de nieuwe leningen geen rente ingecalculeerd.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in de immateriële en materiële vaste activa. Het betreft onder andere de P-Direkt-systemen Payroll, het Portaal, het HR-registratiesysteem, het Electronisch personeelsarchief en het Contact center/Optimaal Verbinden.

De komende jaren worden de systemen gemoderniseerd. De afschrijvingslast zal, door minder grootschalige bouw, structureel op een lager niveau liggen, maar daar staat tegenover dat het kort cyclisch onderhoud en beheer intensiever zal worden.

Kasstroomoverzicht

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

  • 1. 
    Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

11.219

9.523

3.919

5.047

6.425

5.393

4.803

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

15.820

91.069

98.656

97.998

96.022

93.907

93.077

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 3.088
  • 76.926
  • 87.211
  • 88.953
  • 89.077
  • 86.662
  • 84.982
  • 2. 
    Totaal operationele kasstroom

12.732

14.143

11.445

9.045

6.945

7.245

8.095

-/- totaal investeringen

  • 2.313
  • 8.200
  • 8.095
  • 8.095
  • 8.095
  • 8.095
  • 8.095

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

  • 3. 
    Totaal investeringskas- stroom
  • - 
    2.313
  • - 
    8.200
  • - 
    8.095
  • - 
    8.095
  • - 
    8.095
  • - 
    8.095
  • - 
    8.095

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

2.416

0

0

0

0

0

0

-/- aflossingen op leningen

  • 9.911
  • 11.782
  • 10.222
  • 7.572
  • 7.882
  • 7.740
  • 8.000

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

  • 4. 
    Totaal financieringskas- stroom
  • - 
    7.495
  • - 
    3.782
  • - 
    2.222

428

118

260

0

  • 5. 
    Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

14.143

11.684

5.047

6.425

5.393

4.803

4.803

Toelichting

Investeringskasstroom

In 2019 verwacht P-Direkt door te gaan met de transitie naar SAP HANA, een in-memory data- en applicatieplatform, die de basis vormt voor de verdere ontwikkelingen rondom informatievoorziening en de vervanging van software die aan het eind van de levensduur is.

Verder wordt gestart met het inrichten van nieuwe koppelvlakken en een nieuw integratieplatform. In de loop van 2019 en 2020 kunnen hierop nieuwe tooling aansluiten voor complexe klantvragen en tooling voor informatievoorziening en HR analytics.

Beroep op de leenfaciliteit

Voor 2019 en volgende jaren wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor de modernisering van de ICT-technologie. De leningen worden bij aanvang van de dienstverlening of bij oplevering van het gerealiseerde actief in vijf jaar afgelost en afgeschreven.

 

1 Overzicht van doelmatigheidsindicatoren P-Direkt

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Slotwet Vastgestelde

         
   

begroting

         

Omschrijving Generiek Deel

Kostprijzen per product (groep)

691,8

693,6

689,6

681,5

674,6

667,8

661,1

Verloop tarieven/uur (basisjaar

2011 = 100)

120,3

120,6

119,9

118,5

117,3

116,1

115,0

Aantal individuele arbeidsrelaties (IAR)

125.532

127.142

128.630

129.130

129.130

129.130

129.130

Totale omzet basisdienstverlening (x 1.000)

83.154

86.037

84.126

83.478

82.633

81.800

80.979

Totale omzet overige + projecten (x 1.000)

5.446

5.032

14.530

14.520

13.389

12.107

12.098

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

582,77

605

622

627

627

613,5

600

Saldo van baten en lasten (%)

3,69

0

0

0

0

0

0

Medewerkerstevredenheid

ng1

7

7

7

7

7

7

Omschrijving Specifiek Deel ICT diensten

Gebruikerstevredenheid

De mate waarin medewerkers en managers tevreden zijn over de

 

dienstverlening van P-Direkt.

7

>7

>7

>7

>7

>7

>7

Tijdige afhandeling vragen, klachten, wijzigingen en documenten:

P-Direkt beantwoordt vragen en klachten binnen 5 werkdagen.

ng2

ng

90%

90%

90%

90%

90%

P-Direkt verwerkt wijzigingen binnen 5 werkdagen.

ng

ng

90%

90%

90%

90%

90%

P-Direkt archiveert documenten binnen 10 werkdagen.

ng

ng

90%

90%

90%

90%

90%

De gemiddelde wachttijd per dag aan de telefoon is maximaal 45 seconden.

43 sec

60 sec

45 sec

45 sec

45 sec

45 sec

45 sec

Beschikbaarheid systeem:

Het P-Direktportaal is zeven dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar. Op werkdagen geldt een beschikbaarheidsnorm tussen 8.00 uur tot 17.00 uur.

96,7%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Bereikbaarheid:

Het contactcenter is bereikbaar van 8.00 uur tot 22.00 uur.

ng

ng

98%

98%

98%

98%

98%

Betrouwbaarheid:

P-Direkt zorgt voor volledige en tijdige dataleveringen via interfaces.

ng

98%

98%

98%

98%

98%

98%

 
 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

P-Direkt verwerkt wijzigingen op

een juiste manier.

ng

98%

98%

98%

98%

98%

98%

1    NG = niet gemeten

2    Hoewel de nieuwe opzet van servicelevels veel beter aansluit bij de huidige dienstverlening van P-Direkt, is wel een nadeel dat een (eenmalige) trendbreuk ontstaat waardoor vergelijkingen met voorgaande jaren niet meer mogelijk is.

Toelichting

P-Direkt streeft naar operational excellence gecombineerd met customer intimacy (maximale afstemming op behoefte gebruiker). Hierbij zet P-Direkt de Lean filosofie en methodiek in als basis voor continu verbeteren.

P-Direkt werkt met een Producten- en dienstengids (PDG) inclusief servicelevels. In de PDG zijn de verschillende diensten en activiteiten, leveringsvoorwaarden en de kwaliteitsborging vastgelegd die de ministeries van P-Direkt kunnen verwachten.

P-Direkt verantwoordt zich naar de centraal opdrachtgever, respectievelijk de achterliggende departementen, door een aantal servicelevels op de dienstverlening en beschikbaarheid/ bereikbaarheid.

Onze servicelevels gelden voor het hele jaar en zijn voor alle klanten hetzelfde. De servicelevels zijn geen doel op zich, maar minimale normen. P-Direkt informeert de stakeholders periodiek over de servicelevels. De behaalde servicelevels worden drie keer per jaar in het bestuurlijk overleg besproken.

Inhoudelijk zijn deze servicelevels sinds 2010 grotendeels ongewijzigd gebleven. Door alle ontwikkelingen in ons takenpakket, maar ook de huidige professionele sturingsbeginselen en verbetering op meetmethoden, sluiten deze servicelevels niet meer goed aan.

Om die reden is in juni 2018 in overleg met de centraal opdrachtgever, het ICOP en BO gekozen voor een nieuw stelsel van servicelevels. Hierin staat de maandelijks gemeten gebruikerstevredenheid centraal en een aantal daarvan afgeleide servicelevels.

P-Direkt realiseert jaarlijks goedkopere basis dienstverlening: tot en met

2018    1,5%, voor 2019 en verder 1%. Om dat te kunnen realiseren daalt de betreffende P-Direkt-formatie. Daartegenover staat de toename door de hogere IAR-aantallen, intensivering van onderhoud en beheer en uitbreiding van dienstverlening. Per saldo zal sprake zijn van een gelijkblijvende formatie.

Het aantal klanten (individuele ambtenaren) is de laatste jaren weer gestegen. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt door de binnenkomst van de ambtenaren van de Rijks Schoonmaak Organisatie (RSO) bij het Ministerie van SZW en de Eerste en Tweede Kamer die met ingang van

2019    aansluiten op de dienstverlening van P-Direkt.

5.4 Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

Inleiding

UBR richt zich op integrale en hoogwaardige advies- en transitiediensten door bedrijfsvoeringbrede en specialistische kennis en kunde te verbinden aan ervaring met interim-, project- en programmamanagement. UBR kent de overheid van binnenuit en zet haar gebundelde expertise in voor de primaire processen en veranderopgaven van haar opdrachtgevers.

UBR focust op het exploitabel maken van technologische ontwikkelingen, innovatieve dienstverleningsconcepten en nieuwe manieren van werken. Daarmee draagt UBR bij aan het invullen van politiek-bestuurlijke ambities en Rijksbrede prioriteiten.

De activiteiten van UBR worden bekostigd uit de omzet gebaseerd op aan afnemers geleverde producten en diensten tegen jaarlijks vastgestelde tarieven (p x q). Het onderdeel Expertise Centrum Organisatie & Personeel van UBR (UBR|EC O&P) heeft een belangrijk deel van haar dienstverlening budget gefinancierd op basis van het doorberekenen van de jaarlijkse kosten naar rato van het aantal individuele arbeidsrelaties (IAR) bij de betreffende departementen.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap UBR voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

62.109

69.046

70.235

72.252

74.110

76.312

76.312

Omzet overige departementen

130.115

143.014

154.556

159.028

163.149

168.030

168.030

Omzet derden

5.898

10.111

10.495

10.800

11.081

11.414

11.414

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

535

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

198.657

222.171

235.286

242.080

248.340

255.756

255.756

               

Lasten

Apparaatskosten

199.791

220.615

233.320

240.093

246.335

253.733

253.733

  • personele kosten

134.026

148.800

152.598

157.842

162.399

168.040

168.040

waarvan eigen personeel

109.268

126.825

132.593

137.345

141.522

146.646

146.646

waarvan externe inhuur

21.409

15.762

13.756

14.095

14.349

14.699

14.699

waarvan overige personele

kosten

3.349

6.213

6.249

6.402

6.528

6.695

6.695

  • materiële kosten

65.765

71.815

80.722

82.251

83.936

85.693

85.693

waarvan apparaat ICT

7.263

3.064

2.815

2.860

2.902

2.948

2.948

waarvan bijdrage aan SSO's

15.592

15.588

15.931

16.279

16.602

16.981

16.981

waarvan overige materiële

kosten

42.910

53.163

61.976

63.112

64.432

65.764

65.764

Rentelasten

1

2

2

2

2

0

0

 

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Afschrijvingskosten

1.612

1.496

1.964

1.985

2.003

2.023

2.023

  • materieel

827

777

797

809

819

830

830

waarvan apparaat ICT

8

17

17

17

17

17

17

  • immaterieel

785

719

1.167

1.176

1.184

1.193

1.193

Overige kosten

180

58

0

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

155

58

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

25

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

201.584

222.171

235.286

242.080

248.340

255.756

255.756

 

Saldo van baten en lasten

  • - 
    2.927

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van UBR is een kostendekkende exploitatie.

Bij het opstellen van de begroting 2019 is uitgegaan van de 2018 tarieven, geïndexeerd met 2,8%. Deze jaarlijkse indexatie is gebaseerd op Centraal Economisch Plan (CEP) 2018 verwachtingen voor loongevoelige kosten voor loonvoetontwikkeling sector overheid en voor niet loongevoelige kosten op overheidsconsumptie (IMOC).

In geval van (momenteel nog onvoorziene) grote structurele prijsstijgingen van toeleveranciers berekent UBR dit door in de betreffende tarieven.

Omzet

De organisatieonderdelen die de grootste bijdrage in 2019 leveren aan de omzet en kosten zijn de Rijksbeveiligingsorganisatie (UBR|RBO) voor circa € 70 mln., UBR|EC O&P voor circa € 75 mln., I-Interim Rijk (UBRMIR) voor circa € 32,5 mln. en de programma's bij het Ontwikkelbedrijf (UBR|OW) voor circa € 21 mln.

De groei van de activiteiten van UBR|RBO als gevolg van toegenomen inbesteding van de beveiliging van het Rijk bij UBR, de uitbreiding van de dienstverlening van UBRMIR en de uitvoering van twee grote programma's (Rijks-ICT Gilde en Binnenwerk) bij UBR|OW leiden tot de toename van de omzet van UBR in 2019 ten opzichte van 2018.

De meerjarenontwikkeling van de omzet is een resultante van de verwachte toename van de reguliere productieafzet bij meerdere organisatieonderdelen als gevolg van uitbreiding van de interdepartementale klantenkring en/of aanpassing van het producten- en dienstenaanbod op de vraag.

Kosten

De ontwikkeling van de lasten is gerelateerd aan de omzetontwikkelingen bij de organisatieonderdelen van UBR.

Personele kosten

De ontwikkeling van de kosten eigen personeel is voornamelijk het gevolg van gestegen loonkosten door stijgende werkgeverslasten, pensioenpremie als gevolg van CAO ontwikkelingen.

De externe inhuur voor UBR komt naar verwachting uit op € 13,8 mln. in 2019. Om de flexibiliteit in de vraag te kunnen opvangen huurt UBR|EC O&P arbeidsjuristen in en UBR|HIS inkoopdeskundigen. De overige externe inhuur bij UBR|EC O&P hangt samen met het business model bij het onderdeel Workflow en de dienstverlening op gebied van recruitment, waarbij gewerkt wordt met een kleine vaste bezetting en aangevuld met een grote flexibele schil van zzp-ers conform afspraken in de Interdepartementale Commissie Organisatie en Personeel.

Materiële kosten

De ontwikkeling van de materiële kosten is gerelateerd aan de omzetontwikkeling bij de organisatieonderdelen van UBR.

Afschrijvingskosten

De materiële afschrijvingskosten betreffen met name de bedrijfsauto's van UBRMPKD en de immateriële afschrijvingskosten betreffen de geactiveerde investeringen in het financiële systeem voor UBR en productiesystemen bij UBR|EC O&P die in nauwe samenwerking met P-Direkt worden ontwikkeld.

Kasstroomoverzicht

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

         
   

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

18.446

4.508

7.404

8.641

9.851

11.113

12.336

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

232.914

222.171

235.286

242.080

248.340

255.756

255.756

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 252.145
  • 220.675
  • 233.322
  • 240.095
  • 246.337
  • 253.733
  • 253.733

2.

Totaal operationele kasstroom

  • - 
    19.231

1.496

1.964

1.985

2.003

2.023

2.023

 

-/- totaal investeringen

  • 1.642
  • 1.000
  • 1.000
  • 1.000
  • 1.000
  • 1.000
  • 1.000
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

237

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskas-stroom

  • - 
    1.405
  • - 
    1.000
  • - 
    1.000
  • - 
    1.000
  • - 
    1.000
  • - 
    1.000
  • - 
    1.000
 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

7.225

2.927

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

  • 527
  • 527
  • 727
  • 775
  • 741
  • 800
  • 1.000
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

1.000

1.000

1.000

1.000

0

4.

Totaal financieringskas-stroom

6.698

2.400

273

225

259

200

  • - 
    1.000

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen

(=1+2+3+4)

(noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

4.508

7.404

8.641

9.851

11.113

12.336

12.359

Toelichting

De investering in de jaren 2019 t/m 2023 betreft voor € 1 mln. overige materiële vaste activa bij organisatieonderdelen van UBR, waaronder reguliere vervanging van bedrijfsmiddelen en vervoersmiddelen voor UBRMPKD en UBR|EC O&P (bedrijfsmaatschappelijk werk). Voor de financiering van de investeringen zal naar verwachting een beroep worden gedaan op de leenfaciliteit.

Het rekening-courantsaldo ultimo 2019 is een resultante van de ontwikkeling van de operationele kasstroom, de verwachte investeringen en ontvangsten en uitgaven van financieringen.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren UBR (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

Kostprijzen per product (groep)

             

(indexcijfer)

107,3

106,8

113,4

116,6

119,5

123,0

126,5

Tarieven/uur (indexcijfer)

105,8

106,8

113,4

116,6

119,5

123,0

126,5

Omzet per FTE

142

135

144

148

152

156

156

 

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

1.391

1.515

1.635

1.636

1.637

1.637

1.637

 

Saldo van baten en lasten (%)

  • 1,5%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

 

Kwaliteitsindicator 1 - KTO

nvt

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

Kwaliteitsindicator 2 - MTO

in 2018

7,5

nvt

7,5

nvt

7,5

nvt

 

Omschrijving Specifiek Deel

Tevredenheid dienstverlening:

UBRIBv&F

 

7

7

7

7

7

7

UBRIECO&P

 

7

7

7

7

7

7

UBRIHIS

 

7

7

7

7

7

7

UBRIICG

 

8

8

8

8

8

8

UBRIIIR

 

8

8

8

8

8

8

UBRIKOOP

 

7

7

7

7

7

7

UBRIIPKD

 

7

7

7

7

7

7

UBRIRBO

 

7

7

7

7

7

7

Toelichting

UBR levert als shared service organisatie vele producten en diensten.

Door de diversiteit van producten en diensten en de tarieven is gekozen voor een tweetal overall indicatoren voor de integrale kostprijzen en de verkooptarieven. Beide zijn door indexcijfers weergegeven (2011 = 100). In 2019 t/m 2023 zijn de UBR tarieven gemiddeld met 2,8% geïndexeerd voor loon- en prijsbijstelling. Het indexcijfer kostprijs en indexcijfer tarieven komen als gevolg hiervan uit op 113,4 in 2019.

De toename van het aantal FTE's in 2019 ten opzichte van 2018, is vooral een gevolg van de uitbreiding van de dienstverlening bij UBR|IIR.

De toename van de omzet per FTE in 2019 is een gevolg van de relatief grotere toename van fte's in de hogere loonschalen.

5.5 FMHaaglanden (FMH)

Inleiding

FMH is de professionele facilitair dienstverlener voor rijksorganisaties in de Haagse regio. FMH levert werkplekken met faciliteiten die het mogelijk maken dat mensen comfortabel kunnen werken, met aandacht voor service in nabijheid, klanttevredenheid en eenvoud in bekostiging en aansturing. Alle dienstverlening wordt gecontracteerd en geregisseerd en in samenhang op en rond de werkomgeving aangeboden.

In 2019 levert FMH dienstverlening voor de kerndepartementen (uitgezonderd het Ministerie van Algemene Zaken) en diverse rijksorganisaties in de regio Den Haag. Voor het Ministerie van Financiën levert FMH alleen personenvervoer. Daarnaast voert FMH DBFMO (Design, Build, Finance, Maintain, Operate) -contractmanagement uit voor de panden Bezuiden-houtseweg 30 en Rijnstraat 8.

FMH heeft de volgende meerjarige doelen:

  • • 
    Voorbereid zijn op en uitvoeren van veranderingen van het verzorgingsgebied;
  • • 
    Vormgeven en intensiveren samenwerking en partnerschap;
  • • 
    Implementeren veranderingen bedrijfsvoering Rijk;
  • • 
    Doorontwikkeling medewerkers en dienstverlening FMH.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap FMH voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

78.651

84.032

83.111

83.194

83.194

83.194

83.194

Omzet overige departementen

40.417

30.345

36.208

36.206

36.206

36.206

36.206

Omzet derden

2.294

2.609

3.119

3.119

3.119

3.119

3.119

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

5

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

121.367

116.986

122.438

122.519

122.519

122.519

122.519

               

Lasten

Apparaatskosten

112.968

110.293

115.336

115.219

115.219

115.219

115.219

  • personele kosten

36.028

38.125

39.263

39.199

39.199

39.199

39.199

waarvan eigen personeel

31.217

34.381

35.466

35.466

35.466

35.466

35.466

waarvan externe inhuur

4.811

3.744

3.796

3.733

3.733

3.733

3.733

waarvan overige personele

kosten

0

0

0

0

0

0

0

  • materiële kosten

76.940

72.168

76.073

76.020

76.020

76.020

76.020

waarvan apparaat ICT

60

60

61

61

61

61

61

waarvan bijdrage aan SSO's

39.287

43.175

47.383

47.351

47.351

47.351

47.351

waarvan overige materiële

kosten

37.593

28.933

28.629

28.608

28.608

28.608

28.608

 

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Rentelasten

340

340

341

341

341

341

341

Afschrijvingskosten

6.615

6.353

6.761

6.959

6.959

6.959

6.959

  • materieel

6.615

6.353

6.761

6.959

6.959

6.959

6.959

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

  • immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

119.923

116.986

122.438

122.519

122.519

122.519

122.519

 

Saldo van baten en lasten

1.444

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement heeft met name betrekking op de generieke facilitaire dienstverlening binnen het verzorgingsgebied. De budgetten van de departementen voor de facilitaire dienstverlening (het generieke pakket) zijn overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft betrekking op de generieke dienstverlening van de nog niet centraal bekostigde departementen en de specifieke dienstverlening die geleverd wordt aan de overige departe-

 

menten. De stijging is het gevolg van meer afname van specifieke dienstverlening.

Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)

Departementen

1e supple-toire begroting

2018

2019

2020

2021

2022

2023

BZ

7.201

10.335

10.334

10.334

10.334

10.334

DEF

392

402

402

402

402

402

EZK

1.803

1.852

1.852

1.852

1.852

1.852

FIN

1.903

2.333

2.333

2.333

2.333

2.333

lenW

10.377

11.638

11.637

11.637

11.637

11.637

JenV

6.840

7.768

7.768

7.768

7.768

7.768

OCW

676

694

694

694

694

694

SZW

403

414

414

414

414

414

VWS

752

772

772

772

772

772

Totaal

30.345

36.208

36.207

36.207

36.207

36.207

Omzet derden

De omzet derden betreft de facilitaire dienstverlening die geleverd wordt aan de Kansspelautoriteit, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Lasten

Apparaatskosten Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit directe inkoop-kosten van de dienstverlening (circa 88% van de materiële kosten). De inkoopkosten zijn opgenomen onder de posten bijdrage SSO's en overige materiële kosten.

In de bijdrage aan SSO's hebben de kosten voor Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) een groot aandeel. Dit betreft bijvoorbeeld de kosten voor de Rijksbeveiligersorganisatie in de panden waar FMH de dienstverlening verzorgt. Daarnaast zijn de kosten voor de onder andere Rijnstraat 8 door het consortium DBFMO hier opgenomen, aangezien deze kosten via het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) bij FMH in rekening worden gebracht.

Rentelasten

Onder deze post zijn alle rentelasten opgenomen die verband houden met de financiering van materiële vaste activa vanuit het Ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten

De overgenomen activa (m.n. meubilair en audiovisuele middelen) van de departementen zijn geactiveerd en worden conform de betreffende regelgeving afgeschreven. Voor nieuwe investeringen is dit eveneens van toepassing.

Kasstroomoverzicht

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

         
   

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

20.266

16.089

16.973

16.772

15.722

14.660

13.401

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

108.068

116.986

122.438

122.519

122.519

122.519

122.519

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 99.261
  • 110.145
  • 115.677
  • 115.560
  • 115.560
  • 115.559
  • 115.560

2.

Totaal operationele kasstroom

8.807

6.841

6.761

6.959

6.959

6.960

6.959

 

-/- totaal investeringen

  • 3.261
  • 11.040
  • 9.100
  • 4.100
  • 4.100
  • 4.100
  • 12.100
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

173

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskas-stroom

  • - 
    3.088
  • - 
    11.040
  • - 
    9.100
  • - 
    4.100
  • - 
    4.100
  • - 
    4.100
  • - 
    12.100
 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

  • 7.145
  • 1.331

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

  • 4.851
  • 4.626
  • 6.962
  • 8.009
  • 8.021
  • 8.219
  • 7.042
 

+/+ beroep op leenfaci-liteit

2.100

11.040

9.100

4.100

4.100

4.100

12.100

4.

Totaal financieringskas-stroom

  • - 
    9.896

5.083

2.138

  • - 
    3.909
  • - 
    3.921
  • - 
    4.119

5.059

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

16.089

16.973

16.772

15.722

14.660

13.401

13.319

Toelichting

FMH investeert voornamelijk in meubilair en audiovisuele middelen. In 2019 en 2023 wordt een piek verwacht door het vernieuwen van de activa in een deel van het verzorgingsgebied.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren FMH (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

Verloop tarieven generieke dienstverlening

100%

94,4%

ntb

ntb

ntb

ntb

ntb

Omzet per productgroep (pxq):

121.362

106.452

122.438

122.519

122.519

122.519

122.519

Generiek

108.155

90.724

109.107

109.189

109.189

109.189

109.189

Specifiek

13.106

15.728

13.331

13.330

13.330

13.330

13.330

Overig

101

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten (%)

1,2

0

0

0

0

0

0

 

Personele kosten als % van de totale kosten

30

31,1

32,1

32,0

32,0

32,0

32,0

Materiële kosten als % van de totale kosten

70

68,9

67,9

68,0

68,0

68,0

68,0

 

Omschrijving Specifiek Deel

Apparaatskosten

45.077

38.141

48.392

48.321

48.321

48.321

48.321

Klanttevredenheid KTO

nvt

nvt

nvt

tevreden

nvt

tevreden

nvt

Tevredenheid maatwerk

7,7

7

7

7

7

7

7

Medewerkerstevredenheid

nvt

tevreden

nvt

tevreden

nvt

tevreden

nvt

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

451

432

492

492

492

492

492

Toelichting

De verrekensystematiek voor de generieke dienstverlening zal vanaf 2019 worden aangepast waardoor een vergelijking met voorgaande jaren niet gemaakt kan worden.

De productgroep Generiek is een afgesproken pakket producten en diensten dat wordt afgenomen waarvoor een vaste prijs per vaste verrekeneenheid wordt betaald. De prijs (p) en hoeveelheid (q) staan in principe gedurende het jaar vast.

De productgroep Specifiek heeft betrekking op producten en diensten waarvoor de opdrachtgever afhankelijk van de afgenomen hoeveelheid een prijs per product/dienst betaalt (vb. catering, extra beveiliging, overig vervoer) en/of producten en diensten waarover tussen opdrachtgever en opdrachtnemer aparte afspraken worden gemaakt (vb. uitvoering van maatwerkprojecten).

Het klanttevredenheidonderzoek (KTO) vindt om de twee jaar plaats. Het KTO vindt in 2018 plaats waardoor de volgende meting pas in 2020 plaatsvindt.

Inleiding

SSC-ICT is de rijksbrede shared service organisatie die de Rijksdienst ontzorgt met generieke en gemeenschappelijke ICT-oplossingen. SSC-ICT levert generieke rijksbrede toepassingen als het Rijksportaal en de Samenwerkingsruimte.

Daarnaast verzorgt SSC-ICT voor de aangesloten departementen de telecommunicatie, hosting van bedrijfsspecifieke applicaties en op de Digitale Werkplekomgeving Rijk (DWR) gebaseerde kantoorautomatisering. In 2019 betreft dit de Ministeries van Algemene Zaken (AZ), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Buitenlandse Zaken (BZ), Financiën (FIN), Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Justitie en Veiligheid (JenV), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap SSC-ICT voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

57.706

45.500

69.896

70.978

71.139

71.139

71.139

Omzet overige departementen

184.338

213.181

248.510

252.360

252.933

252.933

252.933

Omzet derden

318

0

385

391

392

392

392

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

1.751

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

6.532

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

250.645

258.681

318.791

323.729

324.464

324.464

324.464

               

Lasten

Apparaatskosten

211.638

203.100

248.826

253.329

254.011

254.011

254.011

  • personele kosten

121.347

110.500

139.353

143.123

143.209

143.209

143.209

waarvan eigen personeel

66.744

71.070

90.872

94.642

94.728

94.728

94.728

waarvan externe inhuur

51.170

36.930

42.826

42.826

42.826

42.826

42.826

waarvan overige personele

kosten

3.453

2.500

5.655

5.655

5.655

5.655

5.655

  • materiële kosten

90.291

92.600

109.473

110.206

110.802

110.802

110.802

waarvan apparaat ICT

75.339

67.300

93.250

93.620

94.014

94.014

94.014

waarvan bijdrage aan SSO's

13.010

17.300

14.223

14.586

14.788

14.788

14.788

waarvan overige materiële

kosten

1.942

8.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Rentelasten

46

250

250

250

250

250

250

Afschrijvingskosten

45.858

55.331

69.715

70.150

70.203

70.203

70.203

  • materieel

39.696

55.331

62.022

62.434

62.484

62.484

62.484

waarvan apparaat ICT

-

55.331

62.022

62.434

62.484

62.484

62.484

  • immaterieel

6.162

0

7.692

7.716

7.719

7.719

7.719

Overige kosten

30.814

0

0

0

0

0

0

 

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

  • dotaties voorzieningen

13.435

0

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

17.379

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

288.356

258.681

318.791

323.729

324.464

324.464

324.464

 

Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening

  • - 
    37.711

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb baten

6

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

  • - 
    37.705

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

De baten stijgen sinds 2017 gelijkmatig als gevolg van de doorberekening van autonome kostenstijgingen en uitbreidingsinvesteringen aan de afnemers, zoals het concept mobiel werken.

De komende jaren zal geïnvesteerd worden in ICT, vooral om de digitale veiligheid te verbeteren en steeds geavanceerdere dreigingen te kunnen weerstaan. De komende jaren wordt voor alle klanten een grotere bijdrage voorzien. De procentuele stijging voor de drie klantgroepen, is gelijk verondersteld in deze begroting.

Lasten

De lasten stijgen sinds 2017 gelijkmatig als gevolg van autonome kostenstijgingen en uitbreidingsinvesteringen.

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele lasten stijgen van 2017 naar 2019 doordat extra ambtelijk personeel wordt geworven. Naast een hoeveelheidseffect, meer ambtelijk personeel, is er tussen 2017 en 2019 ook sprake van een prijseffect vanwege van de aanpassing van de cao-lonen. De toename wordt behalve vanwege de vervulling van vacatures, ook verklaard doordat enkele taken die nu zijn uitbesteed, door SSC-ICT zelf uitgevoerd gaan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan helpdesktaken. Hiernaast wordt rekening gehouden met een beperkte uitbreiding van de personele capaciteit voor security. Ook huurt SSC-ICT elk jaar extern personeel in vanwege specifieke expertise, vooral op projecten.

Materiële kosten

De materiële lasten zullen naar verwachting gaan stijgen de komende jaren. Oorzaken zijn extra uitgaven op het gebied van security en duurdere kortdurende licenties, welke niet afgeschreven worden. Hier staat een beperkte daling van de kosten tegenover, doordat de effecten van het afstoten van de locaties in Zoetermeer, resulteren in lagere huisvestingskosten.

Afschrijvingskosten

Materieel

Zoals aangegeven worden investeringen voorzien in security. Deze investeringen verklaren de hogere afschrijvingskosten. Voor de volledigheid wordt vermeld dat in 2018 geen onderscheid gemaakt is in materiële en immateriële afschrijvingen.

Immaterieel

Qua immateriële activa, wordt geïnvesteerd in licenties en software maar ook de ontwikkeling van DWR Next voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). Doordat nieuwe diensten geactiveerd worden en naar verwachting een doorontwikkeling ondergaan aan het einde van de afschrijvingstermijn, neemt de waarde van de immateriële activa de komende jaren toe en daarmee ook de afschrijvingslast.

Kasstroomoverzicht

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

         
   

2017

Stand

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

8.645

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

58.126

258.681

318.791

323.729

324.464

324.464

324.464

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 48.255
  • 203.350
  • 249.076
  • 253.579
  • 254.261
  • 254.261
  • 254.261

2.

Totaal operationele kasstroom

9.871

55.331

69.715

70.150

70.203

70.203

70.203

 

-/- totaal investeringen

  • 88.738
  • 30.000
  • 47.118
  • 70.352
  • 56.208
  • 73.059
  • 58.016
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

320

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskas-stroom

  • - 
    88.418
  • - 
    30.000
  • - 
    47.118
  • - 
    70.352
  • - 
    56.208
  • - 
    73.059
  • - 
    58.016
 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

15.230

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

  • 34.963
  • 55.331
  • 69.715
  • 70.150
  • 70.203
  • 70.203
  • 70.203
 

+/+ beroep op leenfaci-liteit

93.040

30.000

47.118

70.352

56.208

73.059

58.016

4.

Totaal financieringskas-stroom

73.307

  • - 
    25.331
  • - 
    22.597

202

  • - 
    13.995

2.856

  • - 
    12.186

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

3.405

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

Toelichting

De belangrijkste ontwikkeling qua kaseffect, zijn de verwachte investeringen en het daarbij behorende beroep op de leenfaciliteit. Voor 2019 geldt dat er investeringen voorzien worden in security, de ICT-infrastructuur, beheer- en diagnosetools en DWR Next voor het Ministerie van JenV. In 2022 en 2023 leidt dit tot vervangingsinvesteringen. Hiernaast worden in 2022 aanzienlijke vervangingsinvesteringen voorzien voor DWR Next en iDiplomatie. Deze ontwikkelingen tezamen zorgen voor de geraamde investeringsverwachtingen. De investeringen worden geactiveerd en daardoor qua kosten, én doorbelasting aan de afnemers, geëgaliseerd.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren SSC-ICT (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

Kostprijs voor beheertaken (werkplektarief)

1.570

           

Kostprijs backend werkomgeving

780

780

865

865

865

865

865

Kostprijs locatiegebonden werkplek

680

680

795

795

795

795

795

Kostprijs Kiosk PC incl. monitor

270

270

245

245

245

245

245

 

Totale omzet per product of dienst:

242.362

258.681

318.791

323.729

324.464

324.464

324.464

Generiek (infrastructuur,

Rijksportaal en samenwerkfuncti-onaliteit, ODC DH km2)

11.514

14.000

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

Gemeenschappelijk (basis kantoorautomatisering en hosting)

191.903

183.512

273.791

278.729

279.464

279.464

279.464

Specifiek (plusdiensten en maatwerk)

38.945

50.050

33.500

33.500

33.500

33.500

33.500

 

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

834,4

925,1

1.043

1.087

1.088

1.088

1.088

Aantal externe FTE's in % van de totale FTE's

27,9%

23,3%

20,1%

19,5%

19,5%

19,5%

19,5%

Saldo van baten en lasten (%)

  • 15,6%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

 

Klanttevredenheid (KTO)

6,9

7

7

7

7

7

7

Medewerkertevredenheid (MTO)

6,8

7

7

7

7

7

7

 

Omschrijving Specifiek Deel -ICT-diensten

Beschik-/betrouwbaarheid basisfunctionaliteit

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Geleverd binnen gestelde termijn

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

Incidenten hersteld binnen afgesproken tijd

87,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

 

2017

Slotwet

2018

Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Kwaliteit beantwoorden vragen

Beantwoorden helpdeskvragen binnen afgesproken tijd

97,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

Direct beantwoorden helpdesk-vragen

86,0%

80,0%

85,0%

85,0%

85,0%

85,0%

85,0%

Toelichting

De tarieven zijn opgenomen zoals deze voor 2018 goedgekeurd zijn. De tarieven voor 2019 zijn op het moment van verschijnen van deze begroting nog niet definitief vastgesteld.

De gemeenschappelijke omzet stijgt doordat de tarieven gelijke tred houden met de geschetste kostenstijgingen qua materiële uitgaven en afschrijvingen, die voortkomen uit de eerder geschetste investeringen.

In 2017 is in 86% van de helpdeskvragen onmiddellijk beantwoord. Daarom is het ook in 2019 en latere jaren de ambitie om dit niveau van helpdesk ondersteuning te realiseren.

5.7 Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

Inleiding

Het RVB is sinds 1 januari 2016 baten-lastenagentschap. Hierin zijn de voormalige baten-lasten agentschappen Dienst Vastgoed Defensie, de Rijksgebouwendienst en het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf samengevoegd.

De vastgoedportefeuille die door de fusie is ontstaan, is de grootste en meest diverse vastgoedportefeuille van Nederland en bestaat uit (landbouw)gronden, gevangenissen, rechtbanken, kazernes, vliegvelden, oefenterreinen, ministeries, havens, (belasting)kantoren, monumenten zonder huisvestingsfunctie, musea en paleizen. Het gaat in totaal om ruim 12 miljoen vierkantemeters aan gebouwen en circa 93.000 hectare aan grond.

Het RVB zet dit vastgoed in voor de realisatie van rijksoverheidsdoelen, in samenwerking met, en met het oog voor de omgeving. De opdracht is het effectief en efficiënt inzetten van het rijksvastgoed, het maatschappelijk en financieel rendement uit vastgoed optimaliseren en het verlagen van kosten voor het Rijk.

De hiertoe strekkende vastgoedportefeuillestrategie steunt op vijf pijlers: toekomstbestendigheid, technische kwaliteit, veiligheid, maatschappelijk rendement en duurzaamheid.

Het overzicht doelmatigheidsindicatoren is aan het einde van deze paragraaf opgenomen.

Het RVB verzorgt o.a.:

  • • 
    de rijkshuisvesting via kantoren en specialties;
  • • 
    de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken (AZ), de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van monumenten in beheer van het RVB;
  • • 
    het onderhoud aan en beheer van defensiegebouwen en terreinen;
  • • 
    projectontwikkeling en nieuwbouw voor Defensie;
  • • 
    de doelmatige verkoop van overtollig rijksvastgoed en geeft dit waar mogelijk in gebruik;
  • • 
    uitgifte in pacht van gronden;
  • • 
    de vertegenwoordiging namens het rijk bij gebiedsontwikkelingspro-jecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn.

Het RVB staat de komende jaren voor een aanzienlijke opgave voor de rijkshuisvesting. Tot en met 2020 moet de huisvesting worden gerealiseerd die de departementen de mogelijkheden geeft om de taakstellingen op de bedrijfsvoering in het kader van SGO-5 te realiseren. Daarnaast zijn er hoge verwachtingen en ambities met betrekking tot duurzaamheid en veiligheid van de vastgoedportefeuille. Ook in de minst ingrijpende scenario's vergt dit forse investeringen.

Het RVB is vraaggestuurd. De vraag vloeit met name voort uit de masterplannen voor de kantoorhuisvesting, de huisvestingsbehoeften vanuit de specialties, de wensen voor dienstverlening vanuit Defensie en de behoefte aan te verkopen/ontwikkelen projecten/gebieden. De begrotingsposten van het RVB betreffen een deel van de dienstverlening. De staat van baten en lasten geeft daarom onvoldoende inzicht in de productie van het RVB. Dit komt omdat op grond van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving diverse posten niet tot omzet mogen worden gerekend. Omdat ze niet in de verantwoording mogen worden opgenomen, worden de posten ook niet begroot.

Aan het eind van de paragraaf «Overzicht doelmatigheidsindicatoren» is een tabel opgenomen die een beter inzicht geeft in de productie van het RVB.

Staat van baten en lasten3

Begroting van baten-lastenagentschap RVB voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

24.312

25.423

148.757

154.581

152.619

157.572

164.404

Omzet overige departementen

1.015.083

980.808

856.165

884.265

859.260

896.395

887.594

Omzet derden

47.980

117.974

129.668

134.003

140.375

141.954

139.991

Rentebaten

317

1.000

500

500

500

500

500

Vrijval voorzieningen

21.363

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

88.589

55.659

50.085

50.085

50.085

50.085

50.085

Totaal baten

1.197.644

1.180.864

1.185.175

1.223.434

1.202.839

1.246.506

1.242.574

Lasten

 

Apparaatskosten

235.036

248.737

251.706

250.504

249.504

248.954

248.954

  • personele kosten

180.631

190.436

191.029

193.353

193.353

193.353

193.353

waarvan eigen personeel

161.231

172.769

172.279

174.603

174.603

174.603

174.603

waarvan externe inhuur

19.291

16.500

18.750

18.750

18.750

18.750

18.750

waarvan overige personele kosten

109

1.167

0

0

0

0

0

  • materiële kosten

54.405

58.301

60.677

57.151

56.151

55.601

55.601

waarvan apparaat ICT

25.994

26.463

31.400

29.750

28.750

28.200

28.200

waarvan bijdrage SSO's

0

0

0

0

0

0

0

waarvan overige materiële kosten

28.411

31.838

29.277

27.401

27.401

27.401

27.401

Rentelasten

70.955

88.210

89.713

100.121

104.686

118.409

118.907

Afschrijvingskosten

295.014

311.595

350.583

379.088

393.003

436.504

440.285

  • materieel

295.014

311.595

350.583

379.088

393.003

436.504

440.285

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

  • immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige lasten

541.747

532.322

493.173

493.721

455.646

442.639

434.428

  • dotaties voorzieningen

28.547

5.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

  • bijzondere lasten

513.200

527.322

489.173

489.721

451.646

438.639

430.428

Totaal lasten

1.142.752

1.180.864

1.185.175

1.223.434

1.202.839

1.246.506

1.242.574

Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening voor belastingen    54.892    0    0    0    0    0    0

 
 

2017

stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Agentschapsdeel Vpb lasten

750

           
 

Saldo van baten en lasten

54.142

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De Minister van BZK betaalt de kosten voor een aantal taken aan het RVB. Het gaat met name om de kosten van:

  • • 
    het onderhoud van de monumenten met een erfgoedfunctie (zonder huisvestingsfunctie) in beheer bij het RVB;
  • • 
    het leveren van ondersteuning aan BZK en de uitvoering van het rijksbeleid gerelateerd aan de rijkshuisvesting;
  • • 
    het apparaat om de uitvoering van het beheer van materiële activa mogelijk te maken.

Daarnaast zijn vanaf 2019 in deze omzet de baten opgenomen van huisvesting voor de Hoge Colleges van Staat, Ministerie van AZ, de staatspaleizen en Ministerie van BZK. Tot en met 2018 zijn deze kosten opgenomen in de omzet overige departementen.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen omvat opbrengsten voor geleverde producten en diensten. Het gaat daarbij met name om ontvangen gebruiksvergoedingen voor kantoren en specialties. Vanaf 2019 zijn de baten vanuit huisvesting voor de Hoge Colleges van Staat, Ministerie van AZ, de staatspaleizen, Ministerie van BZK, musea en internationale organisatie bij de andere omzetposten opgenomen.

Binnen de huur-verhuurstelsels voor rijkshuisvesting worden interne verhuurcontracten afgesloten tussen het RVB en de departementen. Op basis van de overeengekomen huurprijsmethodiek brengt het RVB een gebruiksvergoeding in rekening. In de ramingen van de gebruiksver-goeding is onder meer rekening gehouden met de masterplannen kantoren, het afsluiten van nieuwe contracten en met de verwachte beëindiging van contracten als gevolg van voorziene krimp van de overheid.

Voor wat betreft de dienstverlening aan Ministerie van Defensie is alleen de vergoeding vanuit Defensie voor de apparaatinzet van het RVB in deze post opgenomen. De bijdragen voor de instandhouding aan Defensie-objecten zijn thans niet meer onder de omzet opgenomen.

Omzet derden

Deze omzet betreft met name de baten vanuit het Kader Overname Rijksvastgoed (KORV), de verkoop van onroerend goed en de inkomsten vanuit de exploitatie van een aantal bijzondere objecten zoals parkeergarages en de grafelijke zalen. Voorts zijn in deze omzet opgenomen de baten uit verhuur aan musea en internationale organisatie. Tot en met 2018 zijn deze baten opgenomen in de omzet overige departementen.

Rentebaten

Dit betreft de baten voorzien vanuit de rekening courantverhouding met het Ministerie van Financiën.

Bijzondere baten

Dit betreft met name het deel van de apparaatinzet bij projecten dat wordt geactiveerd.

Lasten

Apparaatskosten (personeel en materieel)

Personele kosten

Dit betreft de kosten van het eigen apparaat, met name van salaris- en opleidingskosten. Daarnaast betreft het externe inzet voor zowel het primaire als het secundaire proces.

Materiële kosten

Deze kosten betreffen met name de kosten voor de eigen huisvesting en van het eigen ICT-gebruik.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit investeringen en zijn geraamd op basis van de afgesloten en nog af te sluiten leningen met het Ministerie van Financiën voor rijkshuisvesting (masterplannen kantoren en huisvestings-behoefte voor specialties) en KORV- en ontwikkelprojecten.

Afschrijvingskosten

Dit betreft met name de afschrijvingen op geactiveerde waarden van objecten, voortvloeiend uit investeringen vanuit masterplannen kantoren en huisvestingsbehoeften voor specialties. De afschrijvingstermijnen zijn afhankelijk van de categorie: grond/terreinen 0 jaar, erfpacht 5-100 jaar, gebouwen 15-60 jaar, vervoermiddelen 4-6 jaar en inventaris 3-15 jaar.

Overige lasten

Dotaties aan voorzieningen

Dit betreft met name dotaties aan de voorziening voor asbest.

Bijzondere lasten

De bijzondere lasten betreffen belangrijke elementen van de primaire processen van het RVB. In de tabel hierna zijn zij gespecificeerd en onder de tabel is een toelichting van de specificatie opgenomen.

Specificatie Bijzondere lasten (bedragen x € 1.000)

 
 

2017

realisatie

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Markthuren

193.274

185.135

180.007

173.335

148.777

142.461

134.891

DBFMO-lasten

43.117

47.144

71.829

62.177

71.411

67.008

69.882

Onderhoud rijkshuisvesting

124.833

95.939

106.505

108.088

104.860

105.336

104.942

Belastingen en heffingen

23.316

22.878

23.251

22.051

21.823

21.717

21.563

Energielasten

32.057

28.238

26.478

26.072

24.786

25.168

24.928

Ontwikkeling en verkoop

             

onroerend goed

22.538

101.000

57.500

57.500

57.500

57.500

57.500

Overige bijzondere lasten

74.065

46.988

23.603

40.498

22.489

19.449

16.722

Totaal

513.200

527.322

489.173

489.721

451.646

438.639

430.428

Toelichting

Markthuren

Deze post betreft de huren die het RVB aan de markt betaalt. Het beleid is erop gericht departementen en diensten zo veel mogelijk in eigendomsob-jecten te huisvesten. Hierdoor nemen de vierkantemeters huurhuisvesting en de kosten ervan af.

DBFMO-lasten

Dit betreft de lasten van lopende en nieuwe contracten met marktpartijen. Vanaf 2017 is het investeringsdeel van deze lasten omgerekend naar rente en afschrijving en aldaar opgenomen.

Onderhoud

Deze post betreft de kosten voor onderhoud en instandhouding van gebouwen en terreinen voor de rijkshuisvesting.

Belastingen en heffingen

Deze post betreft met name de onroerende zaakbelasting en de waterschapslasten over de voorraad onroerend goed die het RVB inzet voor rijkshuisvesting.

Energielasten

Dit betreft de energielasten in de kantoren bij de rijkshuisvesting. Deze kosten worden afzonderlijk bij de departementen in rekening gebracht.

Ontwikkeling en verkoop onroerend goed

Dit betreft de kosten van ingekocht onroerend goed binnen het Kader Overname Rijksvastgoed (KORV) en de kostprijs van verkochte eigen gebouwen en terreinen (niet KORV).

Overige bijzondere lasten

De overige lasten betreffen met name de wederopleveringkosten bij contracteinde, kleinere investeringen voor de gebruikers, facilitaire leegstandkosten en verwachte waardedaling.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen beschikbaar zijn gekomen of naar verwachting zullen komen en op welke wijze gebruik is, of zal worden gemaakt van deze middelen.

De operationele kasstromen zijn aanzienlijk hoger dan de inkomsten en uitgaven in de baten-lastenbegroting. Deze kasstromen zijn namelijk inclusief de dienstverlening aan Defensie, de kasstromen vanuit de kas-verplichtingenbegroting en de werkzaamheden buiten begrotings-verband, welke op basis van de verslaggevingsregels niet tot de omzet worden gerekend.

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

         
   

2017

Stand

Slotwet

2018

1e supple-toire begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening-courant RHB

1 januari

364.009

430.605

454.661

413.283

424.950

447.503

504.979

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

1.890.618

1.042.120

1.812.028

1.835.372

1.826.476

1.866.337

1.860.964

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 1.551.608
  • 788.310
  • 1.522.301
  • 1.510.859
  • 1.494.102
  • 1.489.040
  • 1.474.719

2.

Totaal operationele kasstroom

339.010

253.810

289.727

324.513

332.374

377.297

386.245

 

-/- totaal investeringen

  • 397.059
  • 793.000
  • 665.000
  • 525.000
  • 515.000
  • 515.000
  • 515.000
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

30.482

60.775

36.000

36.000

36.000

36.000

36.000

3.

Totaal investeringskas-stroom

  • - 
    366.577
  • - 
    732.225
  • - 
    629.000
  • - 
    489.000
  • - 
    479.000
  • - 
    479.000
  • - 
    479.000
 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

  • 79.801
  • 34.486

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

  • 223.297
  • 256.043
  • 367.105
  • 348.846
  • 345.821
  • 355.821
  • 355.489
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

397.261

793.000

665.000

525.000

515.000

515.000

515.000

4.

Totaal financieringskas-stroom

94.163

502.471

297.895

176.154

169.179

159.179

159.511

5.

Rekening courant RHB

31 december + stand depositorekeningen

(=1+2+3+4)

(noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

430.605

454.661

413.283

424.950

447.503

504.979

571.735

Toelichting

Investeringskasstroom

De investeringen in rijkshuisvesting en het beroep op de leenfaciliteit zijn gebaseerd op lopende en voorgenomen huisvestingsprojecten. Het RVB investeert in grond en gebouwen die in de balans onder de post materiële vaste activa worden verantwoord. In deze investeringen worden ook brandveiligheidinvesteringen meegenomen en de investeringen uit hoofde van de instandhoudingsplicht, die bij het RVB is belegd. De investeringskasstroom neemt in 2018 en 2019 toe met name als gevolg van een aantal aankopen en voor het project EMA (European Medicine Agency). Daarnaast worden investeringen voorzien in het kader van de overname van vastgoed van andere rijksdiensten en betreft het investeringen voor ontwikkelprojecten.

Financieringskasstroom

De afdrachten aan het moederdepartement betreffen, conform de Regeling Agentschappen, het surplus op het eigen vermogen.

Daarnaast gaat het om de aflossing op lopende en toekomstige leningen in het kader van de rijkshuisvesting, de overname van vastgoed van andere rijksdiensten en aflossingen op leningen voor ontwikkelprojecten. Het beroep op de leenfaciliteit komt overeen met de investeringsstroom.

In de investeringsstroom zijn de diverse rijkshuisvestingsprojecten opgenomen. In onderstaande tabel zijn in ieder geval de grotere projecten opgenomen. Deze worden (deels) via de leenfaciliteit gefinancierd4. Het meerjarige (indicatieve) bedrag van het investeringsvolume via de leenfaciliteit is opgenomen. De investeringen van PPS-marktpartijen zijn daarbij niet verwerkt.

Investeringen rijkshuisvesting boven € 15 mln. (bedragen x € 1 mln.)

In ieder geval de volgende grotere projecten zullen (deels) via de leenfaciliteit gefinancierd worden:

Investeringen rijkshuisvesting boven € 15 mln. (bedragen x € 1 mln.)

 

Project

 

Indicatie investerings volume leenfaciliteit

Eerste jaar investering

1.

Den Haag, veiligheidsdiensten

Nog niet gegund

2016

2.

Den Haag, Binnenhofcomplex

499

lopend

3.

Amsterdam, Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA)

310

lopend

4.

Utrecht, PPS nieuwbouw RIVM

179

lopend

5.

Amsterdam, PPS nieuwbouw rechtbank Parnas

140

lopend

6.

Apeldoorn, Walterbos Complex

Nog niet gegund

2019

7.

Den Bosch, Paleizenkwartier

Nog niet gegund

2017

8.

Utrecht, Herman Gorterstraat

Nog niet gegund

2018

9.

Eindhoven, Rijkskantoor

Nog niet gegund

2019

10.

Rotterdam, Rijkskantorencampus

55

lopend

11.

Amsterdam, Spark, tijdelijke huisvesting EMA

43

lopend

12.

Den Haag, PI Scheveningen

Nog niet gegund

2017

13.

Vught, PI

Nog niet gegund

2017

14.

Utrecht, verdichting KNMI-complex

Nog niet gegund

2017

15.

Assen, Mandemaat EZK

Nog niet gegund

n.t.b.

16.

Veenhuizen, PI

Nog niet gegund

n.t.b.

17.

Den Haag, Defensie, Plein Kalvermarkt Complex

Nog niet gegund

n.t.b.

18.

Rotterdam, rechtbank

24

lopend

19.

Emmen, Nationaal Archief + rijkskantoor

23

lopend

20.

Den Haag, verbouwing Bruggebouw

Nog niet gegund

2018

21.

Den Haag, Terminal Noord

Nog niet gegund

2018

22.

Arnhem, Stationsplein West

Nog niet gegund

n.t.b.

23.

Den Haag, Paleis van Justitie - rechtbank

Nog niet gegund

n.t.b.

24.

Haarlem, renovatie Surinameweg Rijkswaterstaat

Nog niet gegund

2018

Ad 1. Den Haag, veiligheidsdiensten

Dit project voorziet in gezamenlijke huisvesting van de AIVD en MIVD. Momenteel is dit project in afwachting van politieke besluitvorming op basis van een actualisatie van het project. De actualisatie vindt plaats gegeven onder andere de groei van de beide diensten.

Ad 2. Den Haag, Binnenhofcomplex

Met brief Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 293, nr. 33, dd.

29 maart 2018 is de Kamer erover geïnformeerd dat de kosten luiden in prijspeil 2017 (rekening houdend met de voorcalculatorische bouwindex van 2,5%). In 2019 worden er investeringen gedaan voor de tijdelijke huisvesting van de gebruikers van het Binnenhof. Van genoemd bedrag is € 12,5 mln. (in prijspeil 2015) bedoeld voor niet-huisvestingskosten van de gebruikers van het Binnenhof.

Ad. 3 Amsterdam, aankoop grond, ontwerp en bouw EMA.

Het stichtingsbudget ten laste van de leenfaciliteit voor het gebouw ten behoeve van huisvesting EMA bedraagt € 310 mln. Dit bestaat uit investeringen voor ontwerp, de bouw en de grond. De waarde van het met de marktpartij afgesloten contract over 20 jaar bedraagt € 255 mln. en kent naast de investering in ontwerp en bouw ook de onderhoudscom-ponent van het pand.

Ad 4. Utrecht, PPS nieuwbouw RIVM

Het in de tabel vermelde bedrag is de bijdrage van het Rijk in de financiering van het project. De waarde van het met de marktpartij afgesloten contract over 25 jaar bedraagt € 267 mln. Dit betreft zowel investering, als onderhoud als de algehele exploitatie van het pand.

Ad 5. Amsterdam, PPS nieuwbouw rechtbank Parnas Het in de tabel vermelde bedrag is de bijdrage van het Rijk in de financiering van dit PPS-project. De waarde van het met de marktpartij afgesloten contract over 30 jaar bedraagt ruim € 230 mln. Dit betreft zowel investering, als onderhoud als de algehele exploitatie van het pand.

Ad. 11. Amsterdam, Spark, tijdelijke huisvesting EMA In 2019 wordt het kantoorgebouw Spark in Amsterdam aangekocht voor € 43 mln. ten laste van de leenfaciliteit. De eerste periode zal het EMA dit kantoor betrekken totdat de nieuwbouw gereed is.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

 

Overzicht doelmatigheidsindicatoren RVB (bedragen x € 1.000)

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Omzet per product:

Ingebruikgeving

894.211

763.314

853.289

887.753

870.990

910.788

904.689

waarvan extern

16.584

13.585

10.804

10.714

10.702

10.702

10.702

Instand houden vastgoed

59.901

167.434

142.192

145.187

144.500

144.501

146.644

waarvan andere eigenaar

59.901

18.257

37.917

36.835

36.901

33.953

34.000

Projectrealisatie

61.839

46.018

33.470

34.296

31.506

35.376

35.400

waarvan andere eigenaar

21.335

46.018

33.116

34.052

31.201

35.376

35.400

Verkoop

43.319

115.284

70.294

70.292

70.292

70.290

70.290

Expertise en advies

28.105

32.155

35.345

35.321

34.966

34.966

34.966

 

Saldo baten en lasten

54.142

0

0

0

0

0

0

in %

4,6%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Huisvestingsvoorraad * 1.000 m2 BVO1

6.189

5.812

5.725

5.449

5.244

5.190

5.116

waarvan verhuurd

5.403

5.025

4.855

5.044

4.885

4.896

4.877

waarvan leeg frictie

 

75

63

88

94

92

84

waarvan leeg renovatie

 

325

367

140

143

97

81

waarvan leeg afstoot

 

410

439

176

122

105

74

waarvan eigendom

4.867

4.660

4.656

4.419

4.373

4.353

4.322

waarvan huur

1.322

1.152

1.069

1.030

871

838

794

 

Gem. leegstand rijkshuisvesting voor rekening RVB

5,9%

4,3%

         

ITK rijkshuisvesting

2,2

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

 

Voorraad beheerde Defensieob-jecten

Gebouwen * 1.000 m2 BVO1

6.033

5.562

5.959

5.778

5.746

5.727

5.534

Terreinen * 1.000 m2 BVO1

350.575

345.199

348.899

347.334

347.173

347.086

347.002

Doelmatigheid verkoop vastgoed

11.385

>0

>0

>0

>0

>0

>0

 

Bezetting ambtelijke fte's ultimo

2.009

1.922

2.122

2.122

2.122

2.122

2.122

Apparaat-omzetindicator

21,6%

17,3%

22,2%

21,4%

21,7%

20,8%

20,9%

Projecten binnen budget gerealiseerd

87%

82%

83%

84%

85%

85%

85%

Projecten tijdig gerealiseerd

97%

82%

83%

84%

85%

85%

85%

Productiviteit

914

955

965

975

1.000

1.025

1.025

1 BVO is bruto vloeroppervlak

Toelichting

Omzet per product

Met de producten bestrijkt het RVB de gehele keten van de huisvesting, vanaf de initiële vraag van een afnemer tot en met de realisatie (bouw en/of verbouw), het beheer, ontwikkeling en de afstoot. Het RVB werkt vraaggestuurd. Dit betekent dat in principe de jaarlijkse omzet voor een groot deel bepalend is voor de benodigde omvang van het personeelsbestand. Vanwege de afslanking van de rijksoverheid zal er op termijn minder huisvestingsvraag zijn. Het RVB zal daardoor minder mhuisvesting leveren.

Overigens neemt de omzet komende jaren toe. Dit heeft ermee te maken dat nieuwe huisvesting per definitie duurder is (hogere afschrijvingslasten) dan oude huisvesting. Daarbij worden oude objecten verkocht. Zodoende resteert een relatief nieuwe voorraad.

Saldo baten en lasten

Het saldo van baten en lasten geeft een sluitend resultaatbeeld.

Rijkshuisvestingsvoorraad in 1.000 m2 BVO De huisvestingsvoorraad zal de komende jaren door enerzijds het kabinetsbeleid en anderzijds adequate sturing door het RVB afnemen. Bij de gepresenteerde afname is rekening gehouden met de gevolgen voor de departementen van kabinetsbesluiten over de masterplannen huisvesting. Indien de voorraad niet in de voorziene mate daalt, zullen de leegstandkosten voor het RVB stijgen en daarmee het saldo van baten en lasten dalen.

De leegstand is opgenomen in drie categorieën. Met name de afstootleeg-stand moet zo laag als mogelijk zijn.

Indicator technische kwaliteit (ITK) rijkshuisvesting Dit betreft het gewogen gemiddelde van de technische conditie van alle gebouwen op een schaal van 1 (nieuwbouw) t/m 6 (extreem slecht). Deze conditie wordt mede bepaald door de staat van het onderhoud en (vervangings)investeringen. Op grond van voorraadoverwegingen (o.a. is een pand wel/niet strategisch, blijft het wel/niet in de voorraad) worden economische afwegingen gemaakt over het uitvoeren van onderhoud en investeringen. Voor een deel van de (niet-strategische) voorraad kan dan een slechtere ITK-score worden geaccepteerd.

Voorraad beheerde Defensieobjecten in 1.000 m2 BVO De Defensieobjecten worden door het RVB onderhouden (instandhouding). Defensie voorziet de komende jaren een kleine krimp in haar portefeuille.

Doelmatigheid verkoop vastgoed.

Doelstelling is objecten te verkopen tegen tenminste de voorgecalculeerde bedragen die in een businesscase waren opgenomen. Het totale resultaat van het verkochte onroerend goed zal tenminste positief moeten zijn.

Bezetting in fte's

De bezetting van ambtelijk personeel neemt toe als gevolg van de gestegen vraag naar dienstverlening.

Apparaat-omzet indicator

Dit betreft de procentuele verhouding van de apparaatskosten van het RVB tot de omzet (totale baten) van de dienst. De dalwaarde van 2018 komt doordat in dat jaar conform de begroting 2018 werkzaamheden voor Defensie voor instandhouding nog onderdeel van de omzet vormden. In de realisatie 2017 en vanaf de begroting 2019 is deze dienstverlening uit de omzet gehaald.

Een daling van de waarde van de indicator geeft aan dat de verhouding tussen de omzet en het ingezette apparaat verbetert.

Projecten binnen budget gerealiseerd

Het percentage projecten binnen budget gerealiseerd is na de fusie gesteld op meer dan 80%. Het getuigt van ambitie om als norm te hebben dat het overgrote deel van de projecten wordt uitgevoerd binnen het afgesproken budget.

De ervaring leert dat het prognosticeren van de kosten van vastgoedprojecten niet eenvoudig is. De uitkomsten van aanbestedingen laten zich lastig voorspellen. Daarnaast kunnen tijdens de uitvoering van de projecten tegenvallers aan het licht komen. De verwachting is dat de kennisbundeling en professionalisering de komende jaren tot betere resultaten zal leiden. De norm van 80% kan daarmee over enkele jaren (2021) naar 85% worden bijgesteld.

Projecten tijdig gerealiseerd

Het percentage projecten tijdig gerealiseerd is na de fusie gesteld op meer dan 80%. Deze norm houdt concreet in dat minder dan 20% van de projecten later wordt opgeleverd dan met de opdrachtgever is afgesproken. Een deel van de projecten kan vertragen doordat tijdens de uitvoering feiten boven water komen, waar vooraf geen rekening mee is gehouden. Dit zal nooit uit te sluiten zijn, maar ook voor deze indicator geldt dat met een goede kennisbundeling en professionaliteit het percentage waarbij de afgesproken tijd wordt overschreden, kan worden verminderd. Over enkele jaren (2021) kan deze norm ook naar 85%.

Productiviteit

De productiviteit geeft inzicht in de sturing op directe uren. Hoe meer directe uren worden ingezet, ofwel hoe minder indirecte/overige, hoe beter wordt gepresteerd. Tussen 2018 en 2020 is nog sprake van een langzaam groeipad als gevolg van de in uitvoering zijnde harmonisatie en integratie van de processen van de fusiepartners en de daarmee samenhangende herinrichting van de automatisering.

Als gevolg van de fusie kan personeel effectiever op de verschillende activiteiten worden ingezet. Daarnaast leidt de fusie ook tot minder indirecte functies en meer productiviteit in de primaire processen.

Productie RVB

De omzet van het RVB in deze baten-lastenbegroting geeft onvoldoende zicht op de werkelijke omvang van de te verrichten werkzaamheden, omdat een deel van deze werkzaamheden op grond van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving niet tot omzet mogen worden gerekend. Het gaat hierbij om de programmakosten voor Defensie, om posten uit de kas-verplichtingenbegroting en om verkopen en ingebruikgevingen op grond van middelenafspraken.

In onderstaande tabel zijn al deze werkzaamheden, gebaseerd op kasstromen, opgenomen in een overzicht van de «productie».

De hoge «piekproductie» in 2019 en 2020 wordt mede bepaald door een aantal aankopen van objecten voor de rijkshuisvesting.

 

1 Productie RVB (bedragen x € 1 mln.)

 

2019

2020

2021

2022

2023

Ingebruikgeving

454

449

413

396

386

Instandhouding

319

316

313

302

301

Projectrealisatie

802

653

655

665

664

Verkoop en ontwikkeling

194

194

194

194

194

Expertise en advies

206

205

204

201

201

Totaal «productie»

1.974

1.816

1.779

1.758

1.745

Inleiding

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt voor een grootste deel gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben en er onderling niet uitkomen, dan doet de Huurcommissie op verzoek van de huurder of de verhuurder een uitspraak in geschillen over de hoogte van huurprijzen en servicekosten. De Huurcommissie beslecht ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv).

Het Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) Huurcommissie (zonder eigen rechtspersoonlijkheid) wordt ondersteund door het agentschap de Dienst van de Huurcommissie (DHC). Voor de huurders en verhuurders presenteert de Huurcommissie zich als één landelijk opererende, onpartijdige en&n