Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2019 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Maandag 21 oktober 2019
kalender

1.

Tekst

35 000 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2019

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

3

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

1.

LEESWIJZER

4

2.

BELEIDSAGENDA 2019: ZORG VOOR MENSEN, MENSEN VOOR DE ZORG

5

2.1

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar

22

2.2

Pilot Lerend evalueren

30

2.3

Overzicht Niet-juridisch Verplichte Uitgaven

32

2.4

Overzicht Risicoregelingen

34

2.5

De Staat van Volksgezondheid en Zorg en de VWS monitor

38

3.

BELEIDSARTIKELEN

44

Artikel 1 Volksgezondheid

44

Artikel 2 Curatieve zorg

62

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

83

Artikel 4 Zorgbreed beleid

100

Artikel 5 Jeugd

118

Artikel 6 Sport en bewegen

126

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

137

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

145

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

149

Artikel 9 Algemeen

149

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

153

Artikel 11 Nog onverdeeld

161

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

162

5.1

Agentschap college ter Beoordeling van Geneesmiddelen

162

5.2

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG)

169

5.3

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

175

6.

FINANCIEEL BEELD ZORG BEGROTING 2019

180

7.

BIJLAGEN

283

Bijlage 1: ZBO's en RWT's

283

Bijlage 2: Verdiepingshoofdstuk begroting

287

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

299

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

334

Bijlage 5: Evaluatie- en onderzoeksoverzicht begroting 2019

339

Bijlage 6: Afkortingen

345

  • A. 
    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

  • B. 
    BEGROTINGSTOELICHTING
  • 1. 
    LEESWIJZER

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2019 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

    • Beleidsagenda
    • Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen
    • Begroting baten-lastenagentschappen
    • Financieel Beeld Zorg
    • Diverse bijlagen

De beleidsprioriteiten met betrekking tot de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg worden vermeld in het Financieel Beeld Zorg.

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsagenda’s een eigensstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft geen landenspecifieke aanbevelingen gedaan voor de VWS-begroting.

Groeiparagraaf

    • Afzonderlijke posten in de budgettaire tabellen in de beleidsartikelen worden toegelicht als het hiermee gepaard gaande bedrag voor de uitgaven en ontvangsten hoger is dan € 2,5 miljoen. Daar waar het kleinere bedragen betreft worden deze alleen toegelicht indien deze politiek relevant zijn.
    • De structuur van artikel 6 is aangepast. De bestaande artikelonderdelen Passend sport- en beweegaanbod, Uitblinken in sport en Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling worden samengevoegd en vervangen door één nieuw artikelonderdeel: Sport verenigt Nederland. Aanleiding is het eind juni 2018 ondertekende Nationaal sportakkoord. In de nieuwe structuur worden bestaand beleid en nieuwe beleidsvoornemens die uit het Sportakkoord volgen, beter samenhangend gepresenteerd dan mogelijk was in de oude structuur. De algemene doelstelling van het artikel en de taken en verantwoordelijkheden van de Minister veranderen niet wezenlijk.
    • VWS is in 2018 met de pilot Lerend evalueren gestart. De pilot wordt in goede samenwerking op ambtelijk niveau met het Ministerie van Financiën uitgevoerd. Het doel van de pilot is het verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van het beleid door de evaluaties op te nemen in de beleidscyclus en zodoende te leren van de resultaten van de evaluatie. Dit leidt ertoe dat wordt afgeweken van het in de Rijksbegrotingsvoorschriften opgenomen format voor het overzicht van de beleidsdoorlichtingen.
  • 2. 
    BELEIDSAGENDA 2019: ZORG VOOR MENSEN, MENSEN VOOR DE ZORG
  • 1. 
    Inleiding

«Is de zorg er straks nog wel voor mij, als ik ouder word?» «Blijft de zorg wel betaalbaar?» «Hebben artsen nog wel aandacht voor patiënten als ze al die formulieren moeten afvinken?» We zien dat veel Nederlanders zorgen om de zorg hebben.

Vertrouwen in de toekomst is de titel van ons regeerakkoord. Dat vertrouwen is geen gegeven. Daar moeten we hard aan werken. Zeker ook als het gaat om de zorg. Internationale vergelijkingen laten zien dat de zorg in Nederland op een hoog niveau staat. Maar er is een actieve houding nodig om die positie te behouden.

De afgelopen jaren is ons zorgstelsel ingrijpend veranderd. Nieuwe hervormingen zijn niet nodig, wel verbeteringen. Onze grootste opdracht de komende periode is dat patiënten en cliënten gaan merken dat de zorg beter en persoonlijker wordt. Dat de juiste zorg op de juiste plek beschikbaar is, dichtbij huis of thuis als het kan, verder weg als het moet.

We willen dat mensen die werken in de zorg ervaren dat ze minder tijd kwijt zijn aan administratie en meer aandacht kunnen geven aan patiënten en cliënten. We werven actief nieuwe collega’s om het werk te kunnen doen en we willen dat het werk zo optimaal mogelijk wordt vormgegeven en verdeeld. Technologie, zoals E-Health, kan daarbij van grote hulp zijn.

Onze gezondheid is oneindig veel waard, maar ons budget is helaas niet oneindig. Daarom moeten we ervoor zorgen dat de zorg betaalbaar blijft voor iedereen, nu en in de toekomst.

Dat vraagt om een omslag in denken en doen. Van iedereen.

Veel gezondheidsproblemen kunnen worden voorkomen als mensen er in slagen hun leefstijl aan te passen. Preventie moet veel meer dan nu cultuur worden in de zorg. Mensen hebben daar baat bij en het bespaart zorgkosten.

De omslag in denken en doen betekent ook dat niet elk probleem om een medisch antwoord vraagt. Gezondheid is meer dan de afwezigheid van ziekte. Gezondheid is ook: je kunnen ontplooien en kunnen meedoen in de samenleving. Naar elkaar omzien, zin geven aan ons leven en voor onszelf en elkaar kunnen zorgen helpt gezondheidsklachten, eenzaamheid en andere sociale problemen te voorkomen.

Ook als mensen al (chronisch) ziek zijn of ondersteuning nodig hebben, is het belangrijk dat ze kunnen rekenen op hulp in hun directe omgeving. Om dit te bereiken werken zorgverleners goed samen. Met elkaar en met patiënten en cliënten zelf, met gemeenten, sociale wijkteams, familieleden, scholen en andere partijen. Zo kunnen we mensen in hun eigen omgeving begeleiden naar een zo goed en zelfstandig mogelijk leven.

Onze agenda is duidelijk: De zorg toegankelijk houden, de zorg betaalbaar houden, en het merkbaar beter doen voor mensen. Dat bereiken we alleen als we genoeg mensen hebben die in de zorg werken en als we de zorg anders en slimmer organiseren. Bijvoorbeeld door een betere taakverdeling en het gebruik van technologie. Ofwel: Zorg voor mensen, mensen voor de zorg.

Met een reeks concrete maatregelen die hun basis vinden in ondermeer het regeerakkoord en de hoofdlijnenakkoorden zijn we inmiddels op weg om deze ambities waar te maken. Resultaten staan voor ons voorop. Die zullen we dan ook meten en rapporteren.

  • 2. 
    Betaalbare zorg

Kan ik de zorg straks nog wel betalen? Dat is een terechte vraag. We hebben in ons land goede, toegankelijke zorg. Mede daardoor leven we steeds langer en blijven we ook steeds langer gezond. Dat heeft een prijs.

Het is onvermijdelijk dat de zorgkosten verder toenemen. Als we niets doen, stijgen de zorgkosten zelfs tot onverantwoorde hoogte. Want de vraag naar zorg blijft toenemen, vooral door demografische ontwikkelingen. Maar medisch is ook steeds meer mogelijk. Er komen meer nieuwe, veelbelovende medicijnen bij. Deze medicijnen bieden vaak nieuw perspectief aan patiënten, maar de kosten zijn hoog, soms tot meer dan 100.000 euro per behandeling per jaar.

Gelukkig delen we die kosten in belangrijke mate met elkaar. Voor mensen met lage inkomens is er de zorgtoeslag en we hebben ervoor gekozen om het eigen risico niet verder te laten stijgen. Daarnaast pakken we de stapeling van eigen bijdragen aan.

Om de stijging van de zorgkosten af te remmen, hebben we voor de periode tot en met 2022 nieuwe hoofdlijnenakkoorden afgesloten met de medisch-specialistische zorg, de geestelijke gezondheidszorg, wijkverpleegkundigen en huisartsen. Hierin staan afspraken over het verbeteren van de kwaliteit van de zorg en het in de hand houden van de kosten. Zo mogen de uitgaven in de medisch-specialistische zorg in 2019 maximaal 0,8 procent groeien. Het is zaak deze afspraken de komende jaren van papier in de praktijk te brengen met tastbare resultaten voor patiënten en verzekerden.

De groei van de uitgaven voor medische zorg valt door de maatregelen in deze kabinetsperiode 2,3 miljard euro lager uit. Nu moeten we zorgen dat we binnen dit nieuw vastgestelde budget blijven. Dit meten we door de daadwerkelijke uitgaven af te zetten tegen het afgesproken budget.

Bij nieuwe, dure medicijnen gaan we vaker onderhandelen over de prijs. Het gaat daarbij om geneesmiddelen die jaarlijks meer dan 50.000 euro per patiënt kosten, of voor alle patiënten samen meer dan 40 miljoen euro per jaar. Dankzij deze onderhandelingen komt vanaf augustus 2018 het dure geneesmiddel Spinraza in het basispakket voor jonge kinderen die lijden aan de ernstige spierziekte SMA en dringende behandeling nodig hebben.

We willen dat verantwoorde geneesmiddelenuitgaven hand in hand gaan met een gunstig klimaat voor innovatieve middelen. Daarvoor is het nodig dat fabrikanten transparanter worden over de totstandkoming van de prijzen van hun geneesmiddelen. We gaan daarom aandringen op meer openheid over de opbouw van medicijnprijzen en zullen zowel nationale als internationale farmaceutische bedrijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid.

We houden ook ons geneesmiddelenvergoedingssysteem tegen het licht. We gaan opnieuw kijken welke geneesmiddelen tegen welke prijs vergoed worden. Vanaf 2019 gaan we bovendien samen met andere Europese landen internationale horizonscans uitvoeren. Deze moeten ons helpen bijtijds duidelijkheid te krijgen over de komst van nieuwe geneesmiddelen en hun impact op de zorgkosten. Dat helpt om in een vroeg stadium onderhandelingen over prijzen te starten. Verder gaan we zorgen voor meer duidelijkheid over de bevoegdheid voor apothekers om zelf medicijnen te maken voor hun patiënten. Tot slot kan goed en doelmatig gebruik van geneesmiddelen helpen in het betaalbaar houden van zorg.

Het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) bepaalt welke medicijnen toegang krijgen tot de Europese markt en ziet toe op de veiligheid van onze medicijnen. We zijn trots dat EMA zich volgend jaar definitief in Nederland vestigt en verwachten dat de komst van EMA als een magneet zal werken voor de vestiging van onderzoeksinstellingen, bedrijven, dienstverleners en maatschappelijke organisaties in Nederland.

In de zorg gaat veel geld om. Bedoeld én onbedoeld komt dat geld niet altijd op de juiste plek terecht. Dat is niet alleen nadelig voor patiënten en cliënten, maar voor de hele samenleving. We willen onrechtmatigheden in de zorg verminderen. Dat doen we met het programmaplan Rechtmatige zorg. We gaan scherpere eisen stellen aan de toetreding van nieuwe zorgaanbieders en fraudeurs komen in het Waarschuwingsregister Zorg, dat in 2019 verder wordt uitgebreid.

We hebben in Nederland een groot aanbod van zorgverzekeringen. Het is goed dat er iets te kiezen valt, maar in de praktijk zien we dat er veel verschillende verpakkingen zijn om hetzelfde product. We hebben zorgverzekeraars opgeroepen om het aanbod aan polissen transparanter te maken. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit zal meer gaan controleren op de transparantie-eisen. Zo moet het bij een collectiviteitskorting direct duidelijk zijn over welke polis het gaat, zodat mensen makkelijk kunnen vergelijken en een echte keuze kunnen maken. Tegelijkertijd zal transparantie zorgverzekeraars stimuleren om zich op kwaliteit en kosten van elkaar te onderscheiden.

Ondanks al deze inspanningen zal het de komende jaren een uitdaging blijven om de zorguitgaven te beheersen. We hebben daarom een verkenning van de Sociaal-Economische Raad en een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid gevraagd over de gevolgen van de toenemende zorguitgaven en hoe deze ook op de lange termijn te beheersen. We willen de keuzes en dilemma’s die voor ons liggen delen met iedereen in dit land, zodat mensen kunnen meedenken hoe we ook in de toekomst betaalbare zorg kunnen blijven bieden.

Aandacht voor duurzaamheid is belangrijk in de zorg. De zorg is een grote economische sector met impact op leefbaarheid en klimaat. Innovatie en cultuurverandering zijn noodzakelijk om verder te werken aan verduurzaming: bijvoorbeeld minder medicijnresten in water, minder afval en meer hergebruik en energiebesparing. In het najaar van 2018 presenteren we een nieuwe Green Deal van de zorgsector mede als uitwerking van het Klimaatakkoord en het Rijksbrede circulaire economie programma «Nederland circulair in 2050».

  • 3. 
    De juiste zorg op de juiste plek

Gezondheid is meer dan geen dokter nodig hebben. Het is ook: zelfstandig kunnen functioneren, zelf keuzes maken, kunnen meedoen in de samenleving, een zo goed mogelijk leven leiden terwijl je een ziekte, aandoening of beperking hebt, prettig oud worden. In hun eigen omgeving kunnen mensen vaak een beroep doen op buren, vrienden en familie, bijvoorbeeld om te helpen met klusjes zoals het doen van boodschappen en stofzuigen. Dat draagt bij aan zelfredzaamheid en eigen regie. En als toch medische zorg nodig is, dan ontvangen mensen dat het liefst in de eigen vertrouwde omgeving. Alleen als het echt niet anders kan gaan mensen naar het ziekenhuis, verpleeghuis of ggz-instelling. In nauw overleg met hun arts, hun zorgverleners en hun naasten.

Om zo lang mogelijk gezond en zelfredzaam te zijn, en om bij ziekte mee te kunnen beslissen over wat de juiste zorg is, is het nodig dat mensen goed geïnformeerd zijn over gezondheid, leefstijl en behandelmogelijkheden. Bijvoorbeeld over meer bewegen, goede voeding, stoppen met roken en matigen met alcohol. Mensen hebben recht op goede en begrijpelijke medische informatie. Dan staan ze sterk om samen met de arts te bepalen welke behandeling en ondersteuning het best bij hen past.

Maar soms komen mensen er niet uit. Vooral bij complexe zorgvragen is het soms lastig de juiste weg in de zorg te vinden. «Moet ik naar de gemeente, de zorgverzekeraar, of het centrum indicatiestelling zorg, of alle drie? Of gaat de school erover? Of het UWV?». En ook als duidelijk is wat er moet gebeuren, zijn de problemen soms zo complex dat de benodigde zorg moeilijk is te vinden. Het Juiste Loket van Ieder(in) en PerSaldo helpen patiënten, zorgaanbieders en gemeenten om in de praktijk bij complexe situaties maatwerk te bieden. Ook zorgverzekeraars en zorgkantoren helpen mensen door te adviseren en te bemiddelen naar de juiste zorg op de juiste plek.

Tweedelijnszorg is soms nodig, maar niet altijd. De verschuiving van tweedelijnszorg naar de eerste lijn maakt onderdeel uit van de afspraken die we hebben gemaakt in de hoofdlijnenakkoorden. Zo kunnen we goede zorg ook voor de langere termijn zeker stellen.

Een goede behandeling moet passen bij de persoonlijke situatie van de patiënt en moet echt bijdragen aan een prettiger leven. Maar de keuze voor een behandeling kan per persoon verschillen. Inzicht in de uitkomsten van de behandeling is daarom cruciaal. Een topsporter wil bij een liesbreuk misschien zo snel mogelijk weer fit zijn en heeft daar een operatie met de bijbehorende risico’s voor over, terwijl een ander deze risico’s misschien liever vermijdt en afwacht hoe het herstel verloopt. We willen dat patiënten en artsen samen de juiste keuze maken voor een passende behandeling.

Nieuwe, slimme technologie kan helpen de juiste zorg op de juiste plek te bieden. Dat is één van de redenen dat we investeren in digitaal ondersteunende zorg en digitale vaardigheden. Hierdoor is ook zorg op afstand mogelijk. Patiënten kunnen via beeldbellen met de arts bespreken hoe het gaat en hoe het verder moet. Dat scheelt een tocht naar het ziekenhuis en duimen draaien in de wachtkamer. Mensen met een beperking kunnen door technische aanpassingen zelfstandig wonen en zoveel mogelijk zelfstandig meedoen. En ook mensen met psychische problemen kunnen met online ondersteuning veel meer hun eigen beslissingen nemen.

Een belangrijk onderdeel van de juiste zorg en ondersteuning op de juiste plek is regie voeren op je eigen gezondheid. Goede en actuele informatie is hiervoor een belangrijke voorwaarde. Patiënten moeten binnen enkele jaren zelf hun medische gegevens kunnen inzien en gebruiken. Bijvoorbeeld via een app of website.

Onder de noemer MedMij werkt de patiëntenfederatie, samen met andere zorgpartijen en met ons, aan een veilige manier om de informatie in te zien. Zonder dat de privacy van mensen in gevaar komt. Nu al kunnen mensen zelf - bijvoorbeeld via een app of website - beschikken over hun gegevens zoals die zijn opgeslagen bij de apotheker, huisarts, ziekenhuis en door zelfmetingen. Maar we willen dat vanaf 2020 iedereen kan beschikken over zijn eigen gezondheidsgegevens. En dat deze online gezondheidsomgeving gebundelde informatie bevat die nu nog bij verschillende artsen ligt. Daar kan de patiënt zelf gemeten informatie aan toevoegen. Het gebruik van de persoonlijke gezondheidsomgeving meten we onder andere aan de hand van het aantal gebruikers.

We willen dat mensen de juiste zorg en ondersteuning op de juiste plek krijgen. Als het kan in de eigen omgeving. Het liefst gewoon thuis. In het najaar van 2018 ontwikkelen we een toolkit en een lerende community om partijen in het veld te helpen om de beweging van de juiste zorg op de juiste plek te versterken. Een kennisplatform zal adviseren op welke manier het effect van de beweging kan worden gemeten.

Met de medisch specialisten, de ggz, wijkverpleegkundigen, huisartsen, zorgverzekeraars, patiënten en gemeenten hebben we hoofdlijnenakkoorden gesloten. Hierin staan ondermeer afspraken over het organiseren van de juiste zorg op de juiste plek. Zodat mensen bijvoorbeeld alleen voor complexe ingrepen naar het ziekenhuis hoeven. En dat zorg vaker thuis kan worden gegeven, onder meer door gebruik van slimme technologie. Zorg dichtbij is prettig voor mensen, en bespaart kosten. Zo helpen deze akkoorden ons om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit.

Het is nu aan alle spelers in de zorg om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan wat mensen willen en nodig hebben. Zo hebben we met de huisartsen afspraken gemaakt over meer tijd voor de patiënt en over het leveren van zorg in de avond-, nacht- en weekenduren. Met de wijkverpleging hebben we afspraken gemaakt over het verstevigen van de verbinding tussen medische en sociale zorg en ondersteuning. Patiënten die bijvoorbeeld behoefte hebben aan sociale contacten kunnen worden doorverwezen naar vrijetijdsbesteding, een maatjesproject of vrijwilligerswerk.

Zorgprofessionals die plezier in hun werk hebben, én tijd hebben voor hun patiënten en cliënten, zijn gemotiveerder en maken minder fouten. Dit komt de kwaliteit van zorg en de veiligheid van de patiënt ten goede. Tijd hebben voor «een goed gesprek» en «samen beslissen» levert betere zorg op, zorgt voor minder onnodig medisch handelen én lagere kosten. Minder administratieve lasten, betere ICT en meer ondersteuning geven de medisch specialist tijd voor de patiënt en ruimte om te doen waar dokters voor zijn: dokteren!

We stimuleren en ondersteunen instellingen en zorgverleners actief om de ziekenhuiszorg zelf ook veiliger te maken. Zij maken hiervoor een plan dat in de komende jaren wordt uitgevoerd. Een significante vermindering van onbedoelde schade en potentieel vermijdbare sterfte is daarbij het doel.

  • 4. 
    Werken in de zorg

Het tekort aan medewerkers in de zorg is één van de belangrijkste uitdagingen waarvoor we staan. Nu al is er krapte aan personeel, bijvoorbeeld in verpleeghuizen, bij de spoedeisende hulp en in de ggz. We zetten vol in op het werven van personeel voor de zorg maar nemen ook andere maatregelen om de capaciteit in de zorg beter te benutten.

We willen het tekort aan personeel in de zorg terugdringen onder meer door mensen te werven en door de capaciteit in de zorg op andere wijze beter te benutten. Dit meten we onder andere aan de hand van het aantal zij-instromers en herintreders, het ziekteverzuim en de uitbreiding van de contractomvang.

Het aantal jongeren dat voor een zorgopleiding kiest, stijgt. We willen graag dat nog meer mensen kiezen voor de zorg. Of dat nu leerlingen en studenten, zij-instromers of herintreders zijn. Toch zijn we er niet alleen met extra personeel. Het werk moet ook beter en anders georganiseerd worden. Door onnodige administratie weg te nemen en taken beter te verdelen. En door het gebruik van innovaties die de zorg verbeteren en het werk lichter maken. Met het programma Werken in de zorg werken we aan deze doelen.

Zorg moet van goede kwaliteit zijn. Goed opgeleide mensen zijn daarbij van cruciaal belang. Er is 350 miljoen euro beschikbaar voor het programma dat onder meer wordt besteed aan scholing van (nieuw) personeel, loopbaanbegeleiding en loopbaanoriëntatie. Elke student moet kunnen rekenen op een stageplek en op inspirerend en uitdagend onderwijs dat is toegespitst op de praktijk. Werkgevers en opleidingen maken afspraken om tot meer stageplekken te komen. Hier is in sommige regio’s een tekort aan. Voor het huidige personeel staat permanent leren en ontwikkelen centraal.

Een belangrijk deel van het scholingsgeld is bestemd voor verpleeghuizen. Maar ook de ambulancezorg is in de afgelopen periode gegroeid en daarmee is de vraag naar geschoold personeel gestegen. We hebben hier 10 miljoen euro voor beschikbaar gesteld. In de geestelijke gezondheidszorg hebben we het aantal beschikbare opleidingsplekken inmiddels met circa 40 procent verruimd.

Door het beter herschikken van taken kunnen mensen weer doen waarvoor ze zijn opgeleid. Het werk wordt beter verdeeld en er ontstaan banen voor mensen die anders moeilijk aan het werk komen, zoals ouderen of mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Eén van de maatregelen waar we in de regio’s mee aan de slag gaan is een betere inzet van oudere werknemers voor wie het werk fysiek te zwaar wordt. Om uitval te voorkomen moet eerder en creatiever worden nagedacht over lichtere functies. Oudere werknemers kunnen bijvoorbeeld studie- en stagebegeleiding voor nieuwe medewerkers op zich nemen. Daarbij snijdt het mes aan twee kanten: de oudere werknemer kan langer zinvol aan de slag blijven en andere verpleegkundigen en verzorgenden worden ontlast.

Voor een prettige werkomgeving is het ook nodig dat de hoge werkdruk afneemt. Bijvoorbeeld door minder overbodige administratieve lasten en regeldruk. Registreren is niet per definitie slecht en maakt ook deel uit van het werk van de zorgprofessional. Goed meten leidt immers tot betere zorg. Maar het moet wel proportioneel zijn en een duidelijk doel dienen. Het actieplan Ontregel de zorg, dat in samenwerking met het zorgveld tot stand is gekomen, betekent onder meer dat ziekenhuizen in 2019 het standaard registreren van verpleegkundige routinehandelingen schrappen en er ook daadwerkelijk mee stoppen.

Werk wordt ook prettiger door slimmer te werken met behulp van de nieuwste technologieën. Zo zijn er apps waarmee mensen thuis hun bloeddruk kunnen meten zodat zij een te hoge bloeddruk eerder kunnen opmerken. COPD-patiënten kunnen al beeldbellen met de verpleegkundige van de longpoli. Dit scheelt een hoop bezoekjes aan het ziekenhuis en kan het aantal opnames helpen verminderen omdat symptomen eerder kunnen worden herkend. Daar hebben zowel artsen en verpleegkundigen als patiënten en cliënten baat bij.

  • 5. 
    Preventie

Wie gezondere keuzes maakt, heeft minder kans om ziek te worden en kan zo lang mogelijk in goede gezondheid van het leven genieten. Als minder mensen ziek worden, scheelt dat bovendien in de zorgkosten. Preventie is daarom een belangrijk onderdeel van onze agenda.

We sluiten een Nationaal Preventieakkoord met onder andere patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en sportbonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Met dit preventieakkoord richten we ons vooral op stoppen met roken (we streven naar een rookvrije generatie), overgewicht en obesitas en problematisch alcoholgebruik. Deze drie leiden tot een groot gezondheidsverlies en veroorzaken een hoge ziektelast.

Mensen met een lagere opleiding en een lager inkomen roken vaker en hebben vaker overgewicht dan hoogopgeleiden. Veelal zijn er achterliggende oorzaken, zoals armoede en schulden. Om resultaten te bereiken moeten deze problemen worden aangepakt.

Om overgewicht terug te dringen en te voorkomen, willen we gezond eten en meer bewegen bevorderen. Onder meer door te zorgen dat er op scholen en op het werk meer aanbod van groente en fruit is en dat er meer mogelijkheden zijn om te bewegen in je eigen omgeving. We pakken alcoholmisbruik aan door bijvoorbeeld in te zetten op een verantwoord schenkbeleid in de sportkantine. Kortom: het moet voor mensen makkelijker worden om gezond te leven.

Het Nationaal Preventieakkoord komt niet in de plaats van bestaande programma’s. Het akkoord kan deze programma’s wel versnellen of versterken. Daarom sluit het Preventieakkoord aan op wat al gebeurt in verschillende gemeenten. Zodat we zowel lokaal als nationaal een gezonde omgeving creëren met goede zorg, gezonde voeding en gezond bewegen.

We willen dat het preventieakkoord, dat we in het najaar van 2018 zullen sluiten, een zichtbare bijdrage levert aan de afname van het aantal rokers, het problematisch alcoholgebruik en mensen met overgewicht en obesitas. Nu rookt nog ruim 23% van de volwassenen en ruim 10% van de jongeren, drinkt ruim 9% van de volwassenen overmatig en heeft bijna de helft van de volwassenen en ruim 13% van de jongeren overgewicht.

Of je nou in Nederland woont of in het Caribisch deel van ons Koninkrijk, iedereen moet kunnen rekenen op de best mogelijke zorg. De afgelopen jaren is hard gewerkt om de zorg in Caribisch Nederland te verbeteren. Nu gaan we flink aan de slag met jeugdhulp, welzijn en sport. Toegesneden op de gezondheidsuitdagingen op de eilanden zullen we ook flink investeren in preventie. Bovendien zullen we inzetten op het voorkomen van en ondersteunen bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen.

Ook snelle opsporing van ziektes kan vaak erger voorkomen. Het is daarom goed dat bijna alle ouders ervoor kiezen hun pasgeboren baby te laten onderzoeken op 19 zeldzame aandoeningen via de hielprik. Vanaf 2019 gaan we de hielprik uitbreiden met onderzoek naar nieuwe aandoeningen.

In 2019 is het bevolkingsonderzoek darmkanker volledig ingevoerd. vanaf dat jaar krijgen jaarlijks naar schatting bijna 2,3 miljoen mensen een uitnodiging om mee te doen.

  • 6. 
    Gezondheidsbescherming

Vaccinaties bieden de belangrijkste en meest effectieve bescherming tegen ernstige infectieziekten. Daarom bieden we waar nodig vaccinaties zoals de griepprik aan en breiden we het Rijksvaccinatieprogramma uit. Komend jaar worden rotavaccinatie en het vaccin tegen kinkhoest bij zwangeren (ter bescherming van de baby) aan het programma toegevoegd. In 2019 worden daarnaast circa 650.000 kinderen extra opgeroepen om zich te laten inenten tegen de zeer ernstige infectieziekte meningokokken. De licht dalende vaccinatiegraad vinden we ongewenst. Daarom komen we nog dit jaar met maatregelen om de vaccinatiegraad te bevorderen.

Antibioticaresistentie kan de volksgezondheid in gevaar brengen. Bacteriën worden wereldwijd in toenemende mate ongevoelig voor antibiotica, mede als gevolg van te kwistig of verkeerd gebruik. Dit maakt het behandelen van infecties lastiger, met hogere kosten, ziekte of zelfs sterfte tot gevolg. Antibioticaresistentie is een wereldwijde zorg. De aanpak van dit grensoverschrijdende probleem vereist dan ook een samenhangende visie. We gaan door met het internationaal onder de aandacht brengen van antibioticaresistentie.

We gaan in 2019 ook verder met het programma Antibioticaresistentie via onze One Health-aanpak. Dat betekent dat de maatregelen niet alleen in de gezondheidszorg worden genomen, maar dat antibioticaresistentie ook wordt bestreden in de dierhouderij, in bodem en water en in de voedselketen. De regionale zorgnetwerken die zich bezighouden met antibioticaresistentie zijn medio 2019 volledig operationeel.

We willen het voedsel van consumenten verbeteren. We meten dit aan de hand van cijfers uit de NVWA-monitor over de mate van vertrouwen in voedsel door consumenten. Daarnaast spannen we ons in om de vaccinatiegraad te bevorderen. In het najaar van 2018 zal de Tweede Kamer over het plan van aanpak worden geïnformeerd.

Voedsel in Nederland is over het algemeen veilig. Daar moeten we op kunnen vertrouwen. Een goed functionerend systeem van wetgeving en toezicht op de voedselveiligheid blijft daarom van groot belang. De bijna 10.000 bedrijven die in Nederland levensmiddelen produceren, importeren, koelen of transporteren zijn daarvoor in eerste instantie verantwoordelijk. De overheid houdt hierop het toezicht. Het kabinet heeft een bedrag oplopend tot 20 miljoen euro ter beschikking gesteld om het toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te versterken.

De fipronilcrisis heeft vorig jaar voor veel onrust gezorgd. De aanbevelingen van de commissie Sorgdrager, die de fipronilcrisis heeft onderzocht, volgen we op. Meer dan nu moet voedselveiligheid bij de NVWA voorop staan.

  • 7. 
    Sport en bewegen

Sporten en bewegen met plezier is belangrijk. Of je nu jong bent of oud, man of vrouw, ziek of gezond, met of zonder beperking; elke Nederlander moet in zijn eigen omgeving met plezier kunnen sporten en bewegen. Door sport ontmoeten we elkaar. En sport leert ons onuitwisbare levenslessen. Over doorzetten, samenwerken, eerlijkheid, respect voor elkaar en omgaan met verlies. Onze topsporters maken ons trots. Sport verbindt en verbroedert. En natuurlijk: door te sporten en te bewegen blijven we gezond en fit.

Ruim 9,4 miljoen Nederlanders sporten wekelijks, er zijn 25.000 sportverenigingen, op meer dan 1.000 locaties zijn sport- en beweegaanbieders actief en honderdduizenden vrijwilligers helpen in de sport. Nederland heeft veel goede en moderne accommodaties. We organiseren fantastische sportevenementen en doen het goed in de internationale toernooien.

Het gaat goed, maar er zijn ook groepen mensen die te weinig bewegen en de motorische vaardigheden van kinderen nemen af. Niet iedereen weet zich respectvol te gedragen op het veld of langs de lijn en verenigingen hebben steeds minder leden en vrijwilligers. Dat zet de klassieke sportvereniging onder druk. En daar willen we iets aan doen. Daarom hebben we een Nationaal Sportakkoord gesloten met de sport, gemeenten, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Het Sportakkoord is erop gericht om sport zo leuk en toegankelijk mogelijk te maken voor álle Nederlanders, in álle levensfasen.

We investeren de komende jaren in toegankelijke, maar ook duurzame sportaccommodaties. Lagere energielasten betekenen ook lagere kosten voor accommodaties, waardoor we contributies betaalbaar kunnen houden. Ook willen we sportaanbieders klaarmaken voor de toekomst. Sportverenigingen moeten zich meer richten op de wensen van sporters die steeds vaker in hun eentje bewegen, bijvoorbeeld met behulp van apps.

We willen dat iedereen een leven lang met plezier kan sporten en bewegen. Belemmeringen die mensen ervaren nemen we weg. Bijvoorbeeld door de inzet van buurtsportcoaches. Om dit te bereiken investeren we onder andere in de uitbreiding van het aantal fte buurtsportcoaches van 2.900 tot 3.625.

We hebben de vrijgestelde vrijwilligersvergoeding verhoogd van 1.500 naar 1.700 euro. Dat maakt het financieel aantrekkelijker om als vrijwilliger in de sport aan de slag te gaan. In elke gemeente komen beweegprogramma’s voor kinderen onder de zes jaar, zodat de motorische vaardigheden van kinderen verbeteren. En door de sporthulpmiddelenregeling uit te breiden, kunnen nog meer mensen met een beperking deelnemen aan sport.

De gezamenlijke ambities van de sport, gemeenten, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven worden de komende tijd verder uitgewerkt tot concrete acties en plannen. Acties en plannen die passen in de steden en dorpen, gemeenten en regio’s. Samen zorgen we ervoor dat iedereen lol in sport kan hebben. Nu en in de toekomst.

  • 8. 
    Jeugd en gezin

Elk kind heeft het recht om gezond, kansrijk en veilig op te groeien. Om zich te kunnen scholen en ontwikkelen en zich veilig en geliefd te voelen. En elke jongvolwassene verdient het om goed op weg te worden geholpen naar een zeker en zelfstandig bestaan.

In de afgelopen jaren is het stelsel voor jeugdzorg flink op de schop gegaan, maar ouders en jongeren die hulp nodig hebben, merken nog niet altijd dat de zorg voor hen daadwerkelijk beter is geworden. Met het programma Zorg voor de Jeugd willen we de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering merkbaar beter maken voor kinderen, jongeren en gezinnen, zodat ze op tijd de hulp krijgen die ze nodig hebben. Dit doen we samen met gemeenten, zorgaanbieders en professionals.

We willen dat kinderen en gezinnen betere toegang krijgen tot jeugdhulp. Zij moeten weten waar ze voor hulp terecht kunnen en moeten kunnen rekenen op hulpverleners die ze vertrouwen.

Kinderen hebben het recht zo thuis mogelijk op te groeien. Het liefst bij de eigen ouders, of als dat niet gaat bij een liefdevol pleeggezin. We willen dat alle kinderen de kans krijgen zich te ontwikkelen door passend onderwijs te bieden. En we helpen kwetsbare jongeren op weg om zelfstandig te worden. Zo krijgt in beginsel elk kind dat uit huis is geplaatst een eigen coach en gaat elke jongere in de jeugdzorg die dat wil, een toekomstplan maken voor na zijn 18e. We verlengen de pleegzorg naar 21 jaar.

Situaties die onveilig zijn voor kinderen gaan we te lijf. We gaan eerder ingrijpen bij gezinnen waar een onveilige situatie niet snel genoeg verbetert. Deze maatregelen kunnen diep ingrijpen in het leven van ouders en kinderen en moeten daarom goed worden onderbouwd en uitgelegd.

Ten slotte investeren we in het verbeteren van het vakmanschap van jeugdzorgprofessionals. Door van elkaar en van de praktijk te leren kunnen ze elke dag beter worden in hun vak en in hun hulp aan kinderen. Daarvoor is het ook nodig dat ze niet belemmerd worden door onnodig papierwerk.

We willen dat jongeren en gezinnen zich in de jeugdhulp merkbaar beter ondersteund voelen. Dit meten we onder andere aan de hand van cijfers over cliënttevredenheid.

Juist achter de eigen voordeur moeten kinderen, jongeren en volwassenen zich veilig voelen. Elk geval van huiselijk geweld is er één teveel. Dit geweld moet zo vroeg mogelijk in beeld worden gebracht en moet zo snel mogelijk stoppen. Samen met gemeenten starten we het programma Geweld hoort nergens thuis. Hiermee willen we huiselijk geweld en kindermishandeling tegengaan. Ook willen we dat vermoedens van huiselijk geweld snel worden gemeld. Daar is moed en vertrouwen voor nodig. Maar de melding van één persoon kan al genoeg zijn om de cirkel van geweld binnen een gezin te doorbreken.

Alle kinderen hebben recht op een goede start in het leven, een goede basis om zich te ontwikkelen. De kans op een goede start krijg je maar één keer. Het is onze opdracht die kans zo groot mogelijk te maken.

Met het programma Kansrijke Start willen we ervoor zorgen dat kinderen die stevige basis tijdens die cruciale eerste 1.000 dagen van het leven geboden krijgen. Dat doen we door voorlichting aan risicogroepen over zwangerschap en passende begeleiding tijdens de zwangerschap. Daarvoor moeten de professionals in de geboortezorg, de jeugdgezondheidszorg en de jeugdzorg goed met elkaar samenwerken. Daarom investeren we ook in het project Nu niet zwanger. Met extra investeringen en onderzoek willen we samen met veldpartijen helpen voorkomen dat meisjes en vrouwen onbedoeld zwanger worden. Dit is vaak een ingrijpende en emotionele gebeurtenis. De mogelijkheid om ondersteuning en zorg te kunnen bieden aan de onbedoeld zwangere en haar partner, die voor dilemma’s komen te staan, is essentieel.

Jongeren moeten hun talenten kunnen ontdekken en ontwikkelen. Daarbij is het de normaalste zaak van de wereld dat ze hun talenten ook inzetten voor hun omgeving. De maatschappelijke diensttijd biedt jongeren een kans om ervaring op te doen in bijvoorbeeld de zorg, het onderwijs of bij sportverenigingen en biedt mogelijkheden om mensen met verschillende achtergronden en leeftijden dichter bij elkaar te brengen.

  • 9. 
    Waardig ouder worden

Nederland telt nu 1,3 miljoen mensen ouder dan 75 jaar. In 2040 is dat aantal bijna verdubbeld. Dat betekent iets voor de manier waarop we onze samenleving inrichten, voor de manier waarop we met elkaar wonen, werken, leven en voor elkaar zorgen.

Samen met zo’n 35 partijen hebben we begin 2018 het Pact voor de Ouderenzorg gesloten. Met het pact komen we samen in actie om de kwaliteit van de verpleeghuiszorg te verbeteren, goede zorg en ondersteuning thuis te organiseren en eenzaamheid bij ouderen te voorkomen of te doorbreken.

Ouderen blijven steeds langer thuis wonen, in hun eigen vertrouwde omgeving. Als het thuis niet meer gaat, verhuizen zij naar een verpleeghuis. Ze moeten er dan wel op kunnen vertrouwen dat zij in het verpleeghuis van hun keuze de aandacht en zorg krijgen die zij nodig hebben.

We zien dat er behoorlijke verschillen zijn tussen zorgorganisaties. Terwijl sommige instellingen zorg van hoge kwaliteit leveren, hebben andere nog veel werk te verzetten om aan de kwaliteitseisen te voldoen. Soms zijn er niet genoeg zorgverleners om de taken goed uit te voeren, of om genoeg tijd, aandacht en liefdevolle zorg aan de bewoners te geven. Met het programma Thuis in het verpleeghuis willen we aan de hand van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg zorgen voor een omslag, zodat de kwaliteit op alle locaties hoog is.

We investeren structureel 2,1 miljard euro in de verpleegzorg zodat er voldoende tijd, aandacht en goede zorg is voor alle bewoners, met meer zorgverleners. We investeren in scholing voor zorgverleners en brengen de administratieve lasten terug. Zodat de zorgverlener meer tijd heeft om te doen wat de bewoner wenst en nodig heeft. Ook het gebruik van innovatie helpt daarbij. Zo kan een bewoner er langer en zelfstandiger op uit door het gebruik van GPS.

Met ingang van 2019 brengen we onder andere informatie over de cliënttevredenheid en bewonerservaringen per locatie in beeld. Toekomstige bewoners kunnen dan in één oogopslag een indruk krijgen van de locatie waarvoor zij kiezen.

We willen dat er meer tijd en aandacht is voor bewoners van verpleeghuizen en dat er voldoende, gemotiveerde en deskundige zorgverleners zijn. Dit meten we onder andere aan de hand van cijfers over cliënttevredenheid en medewerkerstevredenheid.

Van de 75-plussers woont nu 92% zelfstandig. Het programma Langer Thuis, dat we met gemeenten en maatschappelijke partijen zijn gestart, is bedoeld om de zorg en de woonsituatie voor ouderen merkbaar te verbeteren. Zodat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen, met ondersteuning, zorg en in een woning die aansluit bij de persoonlijke behoeften. Thuis zolang het kan, met een soepele overgang naar andere woonvormen als het thuis niet meer kan.

Veel ouderen kunnen er prima zelf voor zorgen dat ze betrokken en vitaal blijven. Maar een steuntje in de rug kan heel welkom zijn, bijvoorbeeld vanuit de eigen omgeving, het sociaal werk of beide. Als mensen vervolgens toch aangewezen raken op professionele ondersteuning en zorg thuis, zien we dat zorgverleners soms niet goed samenwerken, of dat niet altijd duidelijk is wie de regie heeft. We willen ervoor zorgen dat zorgprofessionals, met name als het gaat om de meest kwetsbare groep ouderen, steeds meer als team rondom de cliënt samenwerken, op basis van een persoonlijk ondersteunings- en zorgplan.

E-health draagt bij aan de kwaliteit van zorg en kan de kwaliteit van leven van ouderen verbeteren, bijvoorbeeld doordat zij met slimme toepassingen zorg op afstand kunnen krijgen en daarmee langer thuis kunnen blijven wonen. Ook willen we dat ouderen altijd toegang tot hun medische gegevens kunnen hebben, ongeacht bij wie zij de ondersteuning of zorg afnemen. Om het gebruik van E-health en de uitwisseling van gegevens te stimuleren stellen we vanaf 2019 circa 60 miljoen euro beschikbaar.

We zorgen ervoor dat geriatrische expertise op het juiste moment, op de juiste plek beschikbaar is. Dus ook buiten het verpleeghuis. En we regelen dat doorstroom van en naar tijdelijk verblijf soepeler verloopt, voor als het thuis even niet gaat.

Om de toch al moeilijke overgang naar een verpleeghuis soepel te laten verlopen, pakken we de zorgval aan, zodat mensen hun recht op goede zorg behouden en niet ineens minder uren zorg ontvangen. Dat doen we door het verruimen van overbruggingszorg van zes naar dertien weken voor cliënten die op een wachtlijst van een zorginstelling staan. Ook verruimen we de regeling Extra kosten thuis waardoor cliënten die nu te weinig zorg ontvangen, 25% extra zorg kunnen aanvragen. Zo kunnen mensen langer thuis blijven wonen.

Om te bevorderen dat ouderen geschikt wonen, gaan we aan de slag met meer (geclusterde) woonzorgvormen voor ouderen en lokale acties om ervoor te zorgen dat woningen goed passen bij de behoeften van mensen. We stellen vanaf 2019 circa 30 miljoen beschikbaar om vernieuwende vormen van huisvesting in gemeenten te stimuleren.

Mantelzorgers spelen een onmisbare rol bij de ondersteuning van hun naasten. Zij hebben hulp nodig om niet overbelast te raken. Mantelzorgers en vrijwilligers moeten weten dat ze er niet alleen voor staan. Hebben ze ondersteuning of respijtzorg nodig, dan willen we dat eenvoudig en snel kunnen bieden. Bovendien kan het gebruik van E-health mantelzorgers ontlasten.

Tussen gezond zijn en je goed voelen zit soms een wereld van verschil. Meer dan de helft van de 75-jarigen zegt zich eenzaam te voelen. Dat zijn meer dan 700.000 ouderen, dat baart ons zorgen.

Eenzaamheid kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van leven. Met het programma Eén tegen eenzaamheid willen we de eenzaamheid in Nederland doorbreken. De rol van gemeenten, zorgverleners en andere betrokkenen bij het tijdig signaleren van eenzaamheid is cruciaal. Als elke gemeente iedere 75-plusser jaarlijks bezoekt weten we beter wat iemand nodig heeft. We investeren de komende jaren 29 miljoen euro extra om eenzaamheid de aandacht én aanpak te geven die daarvoor nodig is. De komende periode kijken we of het aantal gemeenten dat jaarlijks 75-plussers bezoekt, is toegenomen en of het aantal lokale initiatieven tegen eenzaamheid is gegroeid.

  • 10. 
    Leven met een beperking

Meedoen in de samenleving is lang niet voor iedereen vanzelfsprekend. Mensen met een beperking - en dat zijn er 2 miljoen - kunnen vaak minder goed deelnemen aan het gewone leven. Sporten, naar school gaan, boodschappen doen. Het gaat niet vanzelf. Ze lopen letterlijk en figuurlijk tegen obstakels aan. Dat moet en kan anders. Door het weghalen van drempels; van de fysieke drempels in winkels en horeca tot de figuurlijke drempels op school en op de werkvloer.

Met het programma Onbeperkt Meedoen werken we aan een samenleving waarin iedereen kan meedoen, ongeacht talenten of beperkingen. Het VN-Verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap is de basis voor dit programma.

Een toegankelijke samenleving bereik je niet met één druk op de knop vanuit Den Haag. Via verschillende acties werken we samen met gemeenten, maatschappelijke organisaties en natuurlijk met mensen met een beperking zelf, aan concrete verbeterpunten. Dat moet onder meer leiden tot beter toegankelijke gebouwen, meer aangepaste woningen, meer kansen op een reguliere baan, eenvoudiger zelfstandig reizen met het openbaar vervoer en onderwijs voor alle kinderen. En natuurlijk moet iedereen kunnen meedoen met leuke dingen. Van het bezoeken van poppodia en musea tot het genieten van de natuur.

We willen een merkbare verbetering realiseren voor mensen met een beperking. Dit meten we onder andere aan de hand van de ervaring en beleving van mensen met een beperking over het naar eigen wens en vermogen kunnen meedoen in de samenleving.

Mensen met een beperking en een intensieve zorgvraag zijn vaak levenslang afhankelijk van ondersteuning en zorg. Het is daarom voor deze groep mensen (en hun naasten) extra belangrijk dat zorg en ondersteuning goed geregeld zijn. Helaas is dat niet altijd zo. De gezinnen van deze mensen komen daardoor soms in de knel, omdat er een te groot beroep op hen wordt gedaan.

We willen mensen met een beperking die een intensieve zorgvraag hebben, en hun naasten, beter passende zorg en ondersteuning van hogere kwaliteit aanbieden. Hierdoor zal hun gevoel van afhankelijkheid verminderen en zullen zij meer kwaliteit van leven ervaren.

Om dit te bereiken gaan we het aanbod van de zorg aanpassen aan de veranderende zorgvraag. In het bijzonder voor mensen met complexe langdurige zorgvragen moet er passende zorg beschikbaar zijn. Een deel van deze mensen verblijft noodgedwongen bij ouders of familie na een soms jarenlange zoektocht naar een passende zorgplek. En de cliënten die wel zorg krijgen, worden soms overgeplaatst van instelling naar instelling omdat zorgteams «opbranden» vanwege de intensieve zorg.

Ten slotte richten we ons op het ontzorgen van naasten; dit is vaak een onzichtbare groep, die al onze aandacht verdient. We meten de tevredenheid van cliënten, hun naasten en dat van medewerkers om te kijken of we op het goede pad zitten.

Het persoonsgebonden budget is een belangrijk instrument om de zorg in te kopen die mensen nodig hebben en waarmee zij de regie kunnen blijven voeren over hun leven. Helaas is in de loop der tijd een aantal uitdagingen ontstaan ten aanzien van dit instrument. Daarom stellen we samen met partijen een actieagenda pgb op die als doel heeft om te komen tot een toekomstbestendig pgb. De invoering van een nieuw PGB2.0-systeem vanaf 2019 voorkomt administratieve rompslomp en helpt budgethouders om hun zaken makkelijker af te doen en hun budget beter te beheren. Ook kent het systeem ingebouwde controles waardoor de rechtmatigheid zal worden verhoogd en fouten en misbruik meer kunnen worden voorkomen.

  • 11. 
    Psychische kwetsbaarheid

Bijna twee miljoen Nederlanders hebben psychische klachten. Soms tijdelijk, soms een leven lang. Mensen met psychische problemen moeten zo goed en zo snel als mogelijk hulp krijgen. Zo licht als mogelijk, zo intensief als nodig. En het liefst thuis, in de eigen vertrouwde omgeving en zo min mogelijk in een instelling. De hulpverlening moet er op gericht zijn dat iemand kan blijven meedoen in de samenleving en het gevoel heeft ertoe te doen. Zonder stigma.

Dat kan alleen als er een samenhangende aanpak van de problemen is. Niet alleen gericht op medische behandeling en diagnostiek van psychische problemen; maar ook op het op orde brengen van je leven. Het behouden of vinden van werk en woonruimte, het aanpakken van schulden, het aangaan en onderhouden van sociale contacten, enzovoort. Als onderdeel van een kabinetsbrede schuldenaanpak bevorderen we de uitstroom van meer mensen uit de wanbetalersregeling, verlagen we de opslag van de regeling en schelden we schuld bij de eindafrekening vrij.

In het hoofdlijnenakkoord dat we hebben gesloten met de geestelijke gezondheidszorg en partijen uit het sociaal domein, staan afspraken over het verbeteren van de kwaliteit van zorg en ondersteuning. Dat betekent onder andere dat mensen de juiste zorg op de juiste plek krijgen; minder in een instelling en meer thuis. Daarnaast gaat de geestelijke gezondheidszorg meer gebruik maken van ervaringsdeskundigen. Voor veel mensen kan een gesprek met iemand die hetzelfde heeft meegemaakt, dezelfde taal spreekt, het belangrijkste zetje zijn naar de juiste hulp.

Wereldwijd staat Nederland aan de top met de geestelijke gezondheidszorg. Toch moeten mensen met psychische problemen soms vele maanden wachten op een passende behandeling. Dat kan grote gevolgen hebben. Mensen kunnen in de schulden raken, hun baan verliezen, relatieproblemen krijgen. Dan gaat het van kwaad tot erger. Daarom hebben we in het hoofdlijnenakkoord afgesproken de wachttijden terug te dringen. Ggz-aanbieders moeten mensen die op een wachtlijst staan informeren over de wachttijden en ze eventueel doorverwijzen naar een andere ggz-instelling. Ook zorgverzekeraars kunnen mensen die wachten op een behandeling, helpen aan een andere hulpverlener. De Nederlandse Zorgautoriteit ziet er op toe dat dit gebeurt.

Een tekort aan gespecialiseerde zorgverleners is een ander probleem. Hier werken we aan door de opleidingscapaciteit te vergroten, zorgprofessionals bij- en nascholing aan te bieden en afspraken te maken om medewerkers beter in te zetten.

Mensen met psychische problemen moeten zoveel mogelijk in een gewone wijk kunnen wonen en daar passende hulp en ondersteuning krijgen, zodat ze zoveel mogelijk zelfstandig kunnen leven en zelf beslissingen kunnen nemen. De meerjarenagenda Beschermd wonen en maatschappelijke opvang is hierop gericht. Tot de prioriteiten behoren onder andere: voldoende geschikte woningen, sneller signaleren van beginnende problemen en goede toegang tot voorzieningen.

Daarnaast hebben we met GGZ-Nederland, UWV, gemeenten, professionals en cliëntorganisaties in het convenant Samen werken aan wat werkt afspraken gemaakt om mensen die psychisch kwetsbaar zijn aan werk te helpen of te houden. Want werk kan een enorm positief effect hebben op de psychische gezondheid.

We willen dat zorg en ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen omgeving plaatsvindt. Afgesproken is dat partijen zich inspannen om de ambulante zorg en ondersteuning te versterken zodat mensen thuis goed ondersteund worden. We zullen deze ontwikkeling monitoren. In het najaar van 2018 zal meer duidelijkheid zijn over de monitoring.

In Nederland hebben ieder jaar ruim 800.000 mensen een depressie. Met hulp van vrienden of familie kunnen zij daar misschien uitkomen. Lukt dat niet en vinden zij niet op tijd de juiste professionele hulp, dan kan een depressie een allesoverheersend probleem worden.

Daarom is het zo belangrijk op tijd de juiste stappen te zetten. Maar de meeste mensen durven niet over hun depressie te praten. Terwijl erover praten helpt en ervoor zorgt dat mensen zich minder alleen voelen. Bovendien wordt dan de stap om passende hulp te zoeken kleiner.

De voorlichtingscampagne Hey het is oké, maak depressie bespreekbaar moet het praten over depressie makkelijker maken. Specifieke aandacht gaat daarbij uit naar vrouwen met een postnatale depressie. Eén op de acht vrouwen krijgt hier na de bevalling last van.

Het bespreekbaar maken van depressies kan ook helpen bij het voorkomen van zelfdoding. We zijn geschrokken van de stijging van het toegenomen aantal suïcides in Nederland, met name onder jongeren. Door onder meer de subsidie aan de stichting 113 Zelfmoordpreventie met 2 miljoen te verhogen naar 5,4 miljoen per jaar, willen we de preventie verbeteren. Extra aandacht gaat uit naar het terugdringen van zelfdoding onder lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele jongeren (LHBTI).

Tot slot. In de zorg wordt dagelijks met hart en ziel gewerkt. Met diezelfde inzet willen we bijdragen aan het merkbaar en voelbaar beter maken van de zorg. Zodat mensen er op kunnen vertrouwen dat de zorg ook in de toekomst betaalbaar, beschikbaar en goed is. Zorg voor mensen, mensen voor de zorg. Dat is onze missie.

Monitoring van beleid

De vraag om meer transparantie en inzicht in de resultaten van beleid neemt toe. VWS wil maatschappelijke resultaten boeken en de impact van het beleid vergroten. Inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid is hiervoor van groot belang.

Het kabinet heeft hier reeds op ingespeeld met de operatie «Inzicht in Kwaliteit» als onderdeel van het regeerakkoord. VWS werkt hier al langer aan, onder meer door het concreter maken van doelstellingen en onderliggende maatregelen in de begroting, de pilot Lerend evalueren en de VWS-monitor.

De VWS-monitor geeft inzicht in de ontwikkeling van lange termijntrends met als hoofddoelstelling het informeren van de Tweede Kamer over hoe het ervoor staat met de gezondheid(szorg) in Nederland. De maatschappelijke doelstellingen en indicatoren in de VWS-monitor staan vast, juist zodat trends over een langere periode kunnen worden gevolgd en hiermee signalerend en agenderend kunnen werken.

Een aanbeveling van het RIVM is om naast de huidige maatschappelijke doelstellingen ook specifieke doelen met een directere link naar het bestaande beleid op te nemen. Op die manier voldoet de monitor beter aan de verantwoordingsfunctie richting de Tweede Kamer. Het is ook onze nadrukkelijke wens om de resultaten van de regeerakkoordprioriteiten te monitoren en hierover verantwoording af te leggen. De regeerakkoordprioriteiten vinden hun weerslag in de beleidsagenda als onderdeel van deze begroting. Die bestaat uit diverse beleidsthema’s, programma’s en akkoorden. Een deel daarvan is reeds uitgewerkt en aan de Kamer gestuurd, een deel is nog in ontwikkeling. De uitgewerkte programma’s zijn waar mogelijk reeds van concrete indicatoren voorzien. Deze worden waar relevant ook aangehaald in de beleidsagenda. Voor overige progamma’s geldt dat hiervoor nog een monitoringsinstrument in ontwikkeling is of dat hierover nog afspraken moeten worden gemaakt met het veld. Ten aanzien hiervan zal nog nadere duidelijkheid komen van de wijze van monitoring.

De monitor van onze beleidsprioriteiten vormt de basis voor de beleidsagenda’s en beleidsverslagen voor de komende kabinetsperiode. De beleidsprioriteiten zullen de komende periode worden gevolgd in de begrotings- en verantwoordingsstukken van VWS. Rapportage hiervoor vindt plaats parallel aan overige voortgangsinformatie die door het jaar heen per programma of per akkoord aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

2.1 Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (uitgaven) Bedragen x € 1.000

Artikelnummer

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018 (inclusief NvW)

15.261.447

15.413.683

15.828.153

16.322.923

16.800.768

0

Belangrijkste mutaties:

Het Rijksvaccinatieprogramma wordt uitgebreid met de vaccinatie tegen meningokokken groep W infecties (TK 32 739, nr. 279). De kosten bedragen € 10,7 miljoen in 2018 en structureel € 13,4 miljoen. Hiertoe is aanvullend budget gereserveerd.

1

6.700

9.400

9.400

9.400

9.400

9.400

Op basis van het advies van de GR worden ook 15-, 16- en 17-jarigen gevaccineerd tegen meningokokken w. Omdat meerdere landen zullen besluiten te gaan vaccineren zal er direct gestart moeten worden met de aanbesteding. De dekking voor deze eenmalige vaccinatie-impuls wordt gevonden binnen het RVP en de resterende prijsbijstelling tranche 2018.

1

0

30.000

0

0

0

0

In de decembercirculaire 2016 is aangekondigd dat het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wettelijk verankerd wordt in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Met deze wetswijziging wordt een deel van de uitvoering van het RVP onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten gebracht. Er worden daarom middelen naar het Gemeentefonds overgeheveld.

1

0

  • 31.744
  • 31.744
  • 31.744
  • 31.744
  • 31.744

Dit betreft de overheveling van een deel van de middelen uit de Regeerakkoord envelop «capaciteit NVWA» naar de begroting van VWS. Deze eerste tranche heeft een totale omvang van € 5 miljoen structureel vanaf 2019. Van deze middelen is 2/3 beschikbaar voor LNV en 1/3 voor VWS. Daarnaast is door het vorige kabinet eenmalig € 25 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de NVWA. Vanuit die extra middelen is € 4 miljoen incidenteel voor 2019 ingezet (idem voor LNV 2/3 en VWS 1/3). De extra middelen worden ingezet voor meer capaciteit voor het toezicht op voedselveiligheid en dierenwelzijn. De intensivering bij de NVWA vindt onder andere plaats door te investeren in digitaal toezicht, het versterken van de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) en door een pilot te starten met cameratoezicht in slachthuizen.

1

0

3.000

1.667

1.667

1.667

1.667

De Staat is aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van narcolepsie bij een aantal kinderen die in 2009 zijn gevaccineerd tegen de Mexicaanse griep. Er loopt een procedure om te komen tot een schikking zonder erkenning van aansprakelijkheid. Dit traject vergt meer tijd dan voorzien omdat, in goed overleg met de belanghebbenden, een zorgvuldig proces wordt doorlopen waarbij onder meer onafhankelijke deskundigen dienen te worden geraadpleegd. Daarom wordt voorgesteld om € 5 miljoen van 2018 naar 2019 door te schuiven.

2

  • 5.000

5.000

0

0

0

0

Dit betreft de bijstelling van de uitgavenraming rijksbijdrage 18- naar aanleiding van de actuele ramingen van het CPB.

2

0

  • 108.100
  • 109.600
  • 118.700
  • 135.400
  • 19.000

Op 13 februari 2018 heeft de Eerste Kamer het initiatiefwetsvoorstel van het lid Dijkstra (D66) tot invoering van een actief DonorRegistratiesysteem (ADR) aangenomen. De kosten bestaan uit het aanschrijven en registreren door het Donorregister van alle ongeregistreerde inwoners, het geven van voorlichting over de systeemwijziging en oproep tot registratie, het geven van voorlichting in verband met informed consent voor de categorie geen bezwaar en de structurele kosten voor de registratie van 18-jarigen en nieuw ingezetenen. Hiervoor worden aanvullende middelen gereserveerd.

2

6.982

11.315

31.432

8.600

8.600

8.600

Overheveling vanuit het Uitgavenplafond zorg naar de VWS-begroting van de bij het bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg toegekende middelen voor toekomstbestendige digitalisering. Aangezien dit programma vanuit de VWS-begroting worden gefinancierd, worden de middelen daarnaartoe overgeheveld.

2

0

0

25.000

25.000

25.000

0

Ten behoeve van het uitvoeren van diverse afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord is budget overgeheveld vanuit het Uitgavenplafond zorg naar de begroting.

2

0

22.800

29.800

29.800

29.800

4.000

Het informatie-uitwisselingsprogramma in de ggz (VIPP ggz) is erop gericht dat instellingen daadwerkelijk de digitale basis op orde brengen om gestandaardiseerd, veilig en met regie van de patiënt gegevensuitwisseling mogelijk te maken. Er worden middelen overgeheveld van 2018 naar 2019 als gevolg van vertraging bij het opstellen van de subsidieregeling, terwijl tegelijkertijd door instellingen wordt aangegeven dat ook zij meer voorbereidingstijd nodig hebben om de gewenste resultaten te realiseren.

2

  • 9.200

9.200

0

0

0

0

Het beroep op de overgangsregeling voor medisch specialisten is lager dan verwacht. In 2019 loopt de regeling af en de verwachting is dat in het laatste jaar nog wel een fors beroep op deze regeling wordt gedaan. Er worden daarom middelen doorgeschoven naar 2019.

2

  • 5.167

5.167

0

0

0

0

De onafhankelijke cliëntondersteuning wordt versterkt. Zo kunnen meer mensen tijdig worden geholpen met o.a. vraagverheldering en de toeleiding naar de juiste zorg en ondersteuning. In juli 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de drie actielijnen waarlangs de functie zal worden doorontwikkeld (TK 31 476, nr. 22). In 2018 vindt verdieping van de aanpak plaats met gemeenten, aanbieders van cliëntondersteuning en de beroepsgroep. In 2019 zal de ontwikkelde aanpak verder worden uitgerold.

3

0

14.420

14.420

9.835

0

0

Mensen moeten kunnen vertrouwen op goede zorg thuis en steun van hun mantelzorgers. Ten behoeve van het programma Waardig ouder worden, worden aanvullende middelen gereserveerd.

3

41.300

41.300

41.300

21.300

21.300

21.300

De subsidieregeling e-health thuis heeft als doel om zoveel mogelijk mensen (met name ouderen) te ondersteunen in hun wens om langer thuis te wonen door het opschalen en structureel maken van initiatieven waar e-health wordt benut om integrale (en veilige) ouderenzorg thuis te realiseren. Hier worden in de periode 2019-2021 middelen voor gereserveerd.

3

0

30.000

30.000

30.000

0

0

Middels een subsidieregeling worden gemeenten gestimuleerd om met behulp van woningcorporaties, projectontwikkelaars, burgerinitiatieven en/of zorgaanbieders een projectplan in te dienen voor de opzet van nieuwe woonzorgarrangementen. Hier worden in de periode 2019-2021 aanvullende middelen voor gereserveerd.

3

0

30.000

30.000

30.000

0

0

«VIPP care» (Versnellingsprogramma Informatie uitwisseling Patiënt Professional) heeft als doel om de informatiehuishouding van alle zorgaanbieders in de langdurige zorg (extramuraal en intramuraal) geschikt te maken voor informatie-uitwisseling met een digitale persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO) waar alle cliënten desgewenst de beschikking over krijgen. Hier worden in de periode 2019-2021 middelen voor gereserveerd.

3

0

30.000

30.000

30.000

0

0

Dit betreft de bijstelling van de uitgavenraming rijksbijdrage BIKK naar aanleiding van de actuele ramingen van het CPB.

3

19.100

85.500

19.000

27.900

  • 49.600

120.900

Met ingang van 2019 wordt het (verwachte) negatieve saldo van het Fonds Langdurige Zorg (FLZ) jaarlijks weggewerkt door een even grote Rijksbijdrage Wlz in het fonds te storten. Een negatief saldo roept het onbedoelde en onjuiste beeld op dat er onvoldoende budget is om zorg te leveren. De Rijksbijdrage heeft een puur administratief karakter en heeft dus geen materiële betekenis. De raming voor 2019 bedraagt circa € 1,1 miljard en loopt in latere jaren op vanwege de oploop van de Wlz-uitgaven. Zie voorts paragraaf 4.3.2 van het Financieel Beeld Zorg over de financiering van de Wet Langdurige Zorg.

3

0

1.000.000

3.300.000

5.300.000

6.200.000

7.000.000

Voor de uitvoering van het pg trekkingsrecht is 35,6 miljoen overgeheveld vanuit het gemeentefonds.

3

0

35.647

0

0

0

0

Het nieuwe programma Maatschappelijke diensttijd gaat in 2018 van start met (experiment) projecten via ZonMw. Hiervoor zijn op artikel 4 middelen gereserveerd.

4

5.325

17.299

0

0

0

0

Er is meer dan verwacht ingeschreven op de experimentenregeling Maatschappelijke diensttijd. De (voorlopige) beoordelingen van de eerste call van ZonMw laten zien dat het budget voor 2018 ontoereikend is om alle kansrijke experimenten te honoreren. Daarom wordt budget overgeheveld van 2019 naar 2018.

4

6.340

  • 6.340

0

0

0

0

In het Hoofdlijnenakkoord ggz is afgesproken dat in 2019 € 20 miljoen extra wordt geïnvesteerd in opleidingen die het meest bijdragen aan het oplossen van wachttijden. De middelen worden toegevoegd aan de opleidingen.

4

0

20.000

0

0

0

0

In 2018 is er ruim € 19 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling «Bijzondere transitiekosten Jeugdwet». In eerdere jaren is minder subsidie verstrekt dan mogelijk was. In 2018 wordt verwacht dat deze regeling alsnog (deels) wordt uitgeput. Het beschikbare budget is niet toereikend voor deze verwachte extra aanvragen en wordt daarom verhoogd met € 35 miljoen.

5

35.000

0

0

0

0

0

In het Regeerakkoord wordt ruim aandacht gegeven aan het verbeteren van de positie van kwetsbare kinderen. Voor kwetsbare jongeren is de overgang naar volwassenheid (op hun 18e) extra moeilijk. Om die reden is het voornemen om de pleegzorg standaard te verlengen tot 21 jaar, in plaats van de huidige 18 jaar.

5

6.500

10.500

10.500

10.500

0

0

Voor de buurtsportcoaches is € 47,4 miljoen in 2018 overgeheveld naar het gemeentefonds

6

  • 47.400

0

0

0

0

0

Voor het uitvoeren van het sportakkoord is extra budget beschikbaar gesteld.

6

3.000

12.000

12.000

11.000

10.000

10.000

Voor de intensivering van het topsportbeleid wordt het budget verhoogd met € 10 miljoen.

6

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Door een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU is de BTW-vrijstelling voor sport verbreed. Dit leidt tot een financieel nadeel voor gemeenten en sportverenigingen. Zij zullen hiervoor worden gecompenseerd. De «Regeling specifieke uitkering stimulering sport» beoogt daarom de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen door gemeenten te stimuleren, waar de mogelijkheid tot BTW-aftrek is vervallen.

6

0

152.000

152.000

152.000

152.000

152.000

Met de subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties kunnen sportaanbieders (sportverenigingen, stichtingen en andere niet-winstbeogende investeerders in sportaccommodaties) een subsidie aanvragen voor de bouw of het onderhoud van sportaccommodaties, of voor de aanschaf of het onderhoud van sportmaterialen.

6

0

87.000

87.000

87.000

87.000

87.000

Dit betreft de bijstelling van de uitgavenraming zorgtoeslag naar aanleiding van de actuele ramingen van het CPB.

8

  • 637.900
  • 689.400
  • 708.700
  • 662.900
  • 473.800
  • 255.951

Sinds 2017 bouwt VWS een begrotingsreserve op bij Financiën met het oog op eventuele schade in het kader van achterborg voor het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). In de begroting is rekening gehouden met een jaarlijkse opbouw van € 5 miljoen en een structurele storting van € 20 miljoen vanaf 2020. Omdat het garantievolume afneemt en er reeds voldoende risicomitigerende maatregelen zijn ingebouwd, volstaat een jaarlijkse storting van € 5 miljoen.

9

  • 5.000
  • 10.000
  • 15.000
  • 15.000
  • 15.000
  • 15.000

Voor diverse apparaatsuitgaven (onder andere Projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein en de EMA) wordt aanvullend budget gereserveerd.

10

76.641

46.651

36.786

27.295

21.083

0

Overige mutaties

29.528

136.495

144.507

108.774

92.913

17.082.152

Stand ontwerpbegroting 2019

14.798.196

16.413.793

18.977.921

21.424.650

22.763.987

24.185.324

Artikelnummer

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018 (inclusief NvW)

99.585

93.939

93.835

93.826

93.826

0

Belangrijkste mutaties:

Er worden een aantal aanpassingen gedaan binnen de wanbetalersregeling. Bij uitstroom uit de wanbetalersregeling wordt de resterende schuld bij het CAK kwijtgescholden en daarnaast komt er een uitstroomregeling voor wanbetalers onder bewind. Deze aanpassingen leiden tot lagere ontvangsten.

4

  • 2.500
  • 5.000
  • 4.900
  • 4.900
  • 4.900
  • 4.900

Vanwege het wegvallen van ontvangsten door de transitie zijn de ontvangsten bij Jeugd substantieel lager dan geraamd.

5

0

0

  • 4.423
  • 4.423
  • 4.423
  • 4.423

De ontvangsten van de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein zijn gedesaldeerd.

10

12.225

0

0

0

0

0

De bijdrage van het RIVM en het CIBG voor de kosten van SSC/ICT 2018 wordt op het ontvangstenbudget geboekt. Dit is het gevolg van het feit dat dit baten-lastenagentschappen zijn. Om de betalingen aan SSC/ICT te verrichten worden de ontvangsten via een desaldering omgezet naar het uitgavenbudget.

10

8.048

0

0

0

0

0

Overige mutaties

9.097

  • 1.376
  • 1.626
  • 1.626
  • 1.626

92.200

Stand ontwerpbegroting 2019

126.455

87.563

82.886

82.877

82.877

82.877

2.2 Pilot Lerend evalueren

VWS is een pilot gestart met als doel het werkende weg verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van het beleid en het effect hiervan op de samenleving. Belangrijk hierbij is dat evaluaties onderdeel uitmaken van de beleidscyclus van VWS en zodoende alle betrokkenen actief leren van de resultaten van de evaluaties. In het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst is aangekondigd te starten met de «Operatie Inzicht in Kwaliteit». In de brief hierover aan de Tweede Kamer1 wordt de pilot van VWS genoemd als een voorbeeld avant la lettre waarbij verplichtingen op grond van het evaluatiestelsel tijdelijk buiten toepassing kunnen worden gesteld. Voor de te evalueren thema’s in de pilot is een planning voor vijf jaar gemaakt. De thema’s zijn complexe beleidsvraagstukken op het brede terrein van VWS. De inhoud staat centraal en wordt niet begrensd door de begrotingsindeling van VWS. Anders dan bij beleidsdoorlichtingen van voor 2018 worden naast de betreffende uitgaven op de VWS-begroting ook - waar dat aan de orde is - de betreffende uitgaven die vallen onder het gehele Uitgavenplafond Zorg betrokken in de evaluatieonderzoeken. In de pilot wordt geëxperimenteerd met innovatieve onderzoeksmethoden. Hierbij wordt zoveel mogelijk in de geest van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) gewerkt, maar er kan gemotiveerd van worden afgeweken. Om de pilot goed te kunnen evalueren is in 2018 een nulmeting uitgevoerd om de huidige situatie in beeld te brengen. De beleidsdoorlichtingen van de afgelopen jaren zijn de basis om de juiste indicatoren te ontwikkelen. Er komt een evaluatie in 2020 en een eindevaluatie in 2022, het belangrijkste criterium hierbij is of inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid is toegenomen en daarmee de bruikbaarheid van de resultaten voor het verbeteren van beleid. De evaluatie Eenzaamheid (nr. 18) is in de plaats gekomen van de evaluatie Sturingsinstrumenten Wmo 2015 omdat deze is betrokken in de evaluatie van de Hervorming Langdurige Zorg.2 De Kamer is met een brief voorafgaande aan Prinsjesdag nader geïnformeerd over de voortgang van de pilot in 2018 en over de taakopdrachten voor de evaluaties die in 2019 zullen starten.

Nr

Beleidsthema voor evaluatie

2018

2019

2020

2021

2022

Volksgezondheid

1

Samenhang: Wpg, Jeugdwet, Wmo

EP

3

Preventie

ED

ED

ED

EP

w.o. a) Alles is gezondheid

w.o. b) Overgewicht

w.o. c) Sport en bewegen in de buurt

w.o. d) Gezond en veilig opgroeien

4

Rijksvaccinatieprogramma

EP

Jeugdwet

EP

5

Transitie Autoriteit Jeugd

EP

6

Topsport

EP

Curatieve zorg

7

De juiste zorg op de juiste plek1

ED

EP

8

Bestuurlijke afspraken zorg

EP

9

Geneesmiddelenvisie

ED

EP

10

Zvw-pgb wijkverpleging

EP

11

Wanbetalers Zvw-premie

EP

12

Uitkomstgerichte zorg

EA

ED

ED

ED

EP

Langdurige zorg

13

Onafhankelijke cliëntondersteuning

EA

ED

EP

14

Langer thuiswonende ouderen

EA

EP

15

Experimenten persoonsvolgende zorg

ED

EP

16

Goed bestuur

EP

17

Arbeidsmarkt en opleiden

EP

Evaluatie Hervorming Langdurige Zorg

EP

18

Eenzaamheid

ED

ED

ED

EP

VWS-breed

19

Subsidies

EP

Interdepartementaal: resultaten pilot

2

Kennisfunctie VWS

ED

EP

20

Pilot Lerend evalueren

EA

EP

EP

EA: Ex ante, ED: Ex durante, EP: Ex post

Noot 1

Voorheen in het overzicht substitutie genoemd.

2.3 Overzicht Niet-Juridisch Verplichte Uitgaven

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van voorgenomen uitgaven die naar verwachting op 1 januari 2019 nog niet juridisch zijn verplicht. Het gaat om gereserveerde middelen die later in het begrotingsjaar worden verplicht. In veel gevallen liggen er ook bestuurlijke afspraken aan deze voornemens ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending.

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bijdragen x € 1.000)

Art.

Naam artikel

Artikeltotaal

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridische verplichte uitgaven

Bestemming van de niet juridisch verplichte uitgaven

1

Volksgezondheid

730.754

698.69

95,60%

32.063

4,40%

3.588

voor subsidieregeling Preventiecoalities

500

voor subsidieregeling Nader onderzoek naar de doodsoorzaak van kinderen (NODOK)

300

voor depressiepreventie

650

voor Productverbetering en onderzoek vergunningstelsel

200

voor Novel foods

125

voor College Toetsing Bestrijdingsmiddelen

4.800

voor financiële tegemoetkoming Q-koorspatiënten o.b.v. Regeerakkoord

5.000

voor uitvoering subsidieregeling NIPT

3.500

voor de uitbreiding van vaccinaties en preventieve medicaties

3.000

voor Interventies voor specifieke risicogroepen o.b.v. Regeerakkoord

5.000

voor Kansrijke start

500

voor preventie schadelijke middelengebruik ADT

1.500

Voor Uitrol landelijk netwerk voor keuzegesprekken o.b.v. Regeerakkoord

3.400

voor preventief gebruik hiv-remmers (PrEP)

2

Curatieve zorg

3.177.587

3.158.579

99,40%

19.008

0,60%

5.000

Voor bestrijding van antibioticaresistentie

2.000

Voor werkzaamheden ten behoeve van de implementatie Wet verplichte ggz.

3.000

Voor de uitvoering van het hoofdlijnenakkoord MSZ

2.578

Voor het overgangsrecht FLO/VUT ouderenregeling

1.800

Voor kwaliteitsgelden wijkverpleging als onderdeel van het hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging

1.000

Voor de uitvoering nationale onderzoeksagenda als onderdeel va het hoofdlijnenakkoord Huisartsenzorg

1.000

Voor de uitvoering van het hoofdlijnenakkoord Huisartsenzorg

2.630

Voor overig bestuurlijk gebonden opdrachten en subsidies

3

Langdurige zorg en ondersteuning

5.165.018

5.109.943

98,94%

55.075

1,06%

55.075

Voor de verschillende programma’s, cliëntondersteuning, palliatieve zorg, levensbegeleiders/geestelijke verzorging en LVB

4

Zorgbreed beleid

1.211.761

1.175.407

97%

36.354

3%

4.600

Programma’s jeugdgezondheidszorg

950

Programma’s tussen weten en doen

2.500

Programma academische werkplaatsen gehandicaptenzorg

2.000

Innovatie beroepen en opleidingen

2.000

Bijdragen onderzoeksprogramma SCP/CPB/Staat van VWS/RvS

450

Opzetten informatie knooppunt zorgfraude als organisatie met een wettelijke taak

1.500

subsidies transparantie kwaliteit van zorg

20.000

HLA: investering in opleidingen die het meest bijdragen aan het oplossen van wachttijden ggz

1.100

HLA: doorontwikkeling vervolgopleidingen MSZ

1.254

Overige bestuurlijke gebonden subsidies en opdrachten

5

Jeugd

101.104

87.524

86,60%

13.579

13,40%

79,677

voor de invulling van subsidies voor het programma Zorg voor de Jeugd

6,334

Voor de opdrachten, met name voor de aanpak kindermishandeling, professionalisering, informatievoorziening en gepaste zorg

6

Sport en bewegen

409.498

400.969

97,90%

8.529

2,10%

8.529

Voor diverse voorgenomen subsidies en opdrachten op het terrein van sportevenementen, de deelakkoorden van het sportakkoord en kennis en innovatie

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII

260.760

258.739

99,20%

2.021

0,80%

2.021

Voor de programma’s op het terrein van educatie en projecten toekomst herinnering

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

5.051.849

5.051.849

100%

0

0%

0

Niet van toepassing

Totaal aan niet verplichte uitgaven

218.739

2.4 Overzicht Risicoregelingen

In reactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen heeft het kabinet in 2013 voor nieuwe en bestaande risicoregelingen een garantiekader opgesteld (TK 33750, nr. 13). In lijn met het kabinetsbeleid gaat VWS terughoudend om met het gebruik van risicoregelingen. Conform de afspraken binnen het kabinet worden in deze paragraaf de garanties en achterborgstelling van VWS uitgebreid toegelicht.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantie plafond 2019

Totaal plafond

2

Voorzieningen tbv De Hoogstraat

begrotingswet

8.837

0

397

8.440

0

397

8.043

8.440

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

1958

235.912

1.418

34.317

203.013

0

30.995

172.018

203.013

3

Voorzieningen tbv verpleeghuizen

financiering

11.224

0

2.323

8.901

0

1.889

7.012

8.901

3

Voorzieningen tbv psychiatrische instellingen

1958

21.088

0

2.664

18.424

0

2.536

15.888

18.424

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigen inrichtingen

1958

6.054

0

1.144

4.910

0

1.019

3.891

4.910

3

Voorzieningen tbv overige instellingen

1958

495

0

168

327

0

128

199

327

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

1958

20.319

0

2.105

18.214

0

2.105

16.109

18.214

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigeninrichtingen

rijksregeling

4.561

0

434

4.127

0

433

3.694

4.127

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

rijksregeling

61.595

0

7.633

53.962

0

5.028

48.934

53.962

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

rijksregeling

268

0

33

235

0

34

201

235

3

Niet sedentaire personen

717

0

127

590

0

127

463

590

TOTAAL

371.070

1.418

51.345

321.143

0

44.691

276.452

321.143

Toelichting

Doel en werking garantieregeling

De in de tabel vermelde verstrekte garanties komen voort uit drie aparte regelingen: de Garantieregeling inrichtingen voor gezondheidszorg 1958, de Rijksregeling Dagverblijven voor gehandicapten inzake erkenning, subsidiëring, verlening van garanties en toezicht uit 1971 en de Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor gehandicapten, ook uit 1971. De betreffende regelingen dateren uit een tijd dat de overheid een expliciete verantwoordelijkheid had voor bouw en spreiding van intramurale zorgvoorzieningen. Door het afgeven van de garanties was het voor zorginstellingen eenvoudiger om via institutionele beleggers, en in latere jaren door banken, financiering te krijgen voor investeringen in hun vastgoed.

Beheersing risico’s en versobering

De Rijksgarantieregelingen zijn rond de eeuwwisseling gesloten voor nieuwe gevallen waardoor het financiële risico van het Ministerie van VWS door reguliere en vervroegde aflossing van de uitstaande leningen geleidelijk wordt afgebouwd. De laatste rijksgegarandeerde lening loopt af in 2043. Het monitoren van de instellingen aan wie een rijksgarantie verstrekt is, alsmede van de leningen (bijv. renteherziening), wordt sinds 2004 in mandaat uitgevoerd door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) namens de Minister van VWS (Besluit van 17 december 2003, Stcrt. 2004, nr. 7, blz. 11).

Instellingen die financieel in de gevarenzone dreigen te komen, worden door het WFZ onder verscherpte bewaking gesteld waarbij onder meer frequent informatie wordt ingewonnen. Indien een zorginstelling met een geborgde lening niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen dan neemt het Ministerie van VWS in een dergelijk geval de betalingsverplichting van de zorginstelling over. Dit betekent dat een schade niet ineens hoeft te worden uitgekeerd, maar ook verspreid over de resterende looptijd van de lening kan worden betaald.

Premiestelling en kostendekkendheid

De bovengenoemde regelingen zijn rond de eeuwwisseling gesloten. Voor de afgegeven garanties worden geen risicopremies doorberekend en dit is op basis van de afgesloten contracten ook niet mogelijk.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantieplafond 2019

Totaal plafond

2

GO Cure

23.314

0

21.187

2.127

0

1.107

1.020

2.127

Toelichting

Garantie ondernemingsfinanciering cure

De tijdelijke regeling Garantie Ondernemingsfinanciering Curatieve Zorg (GO Cure) is in het kader van de kredietcrisis ingesteld om de bouw in de curatieve gezondheidszorg te stimuleren. Ziekenhuizen, categorale instellingen, geestelijke gezondheidszorg en zelfstandige behandelcentra hebben tot en met 2012 gebruik kunnen maken van de regeling. Bij de GO cure heeft de overheid garanties verstrekt voor 50% van een nieuwe banklening vanaf € 1,5 tot € 50 miljoen, met een maximale looptijd van 8 jaar. De verstrekte garanties lopen af in 2020. De GO Cure maakt deel uit van de bredere Garantieregeling Ondernemingsfinanciering die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. De cijfermatige gegevens van de GO Cure zijn daarom tevens opgenomen onder de GO in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Omschrijving

2018

2019

Achterborgstelling

7.063,9

6.550,1

Bufferkapitaal

287,2

293,8

Obligo

211,9

196,5

Stand begrotingsreserve

5

10

Toelichting

Doel en werking garantieregeling

De bovenstaande tabel is gebaseerd op gegevens van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Het WFZ verstrekt garanties aan financiële instellingen voor leningen van de bij het WFZ aangesloten leden. De Staat is achterborg voor het WFZ. Het WFZ is voortgekomen uit de financieringsproblemen voor zorginstellingen die ontstonden begin jaren ’90 van de vorige eeuw. Het WFZ is door de koepels in de sector opgericht om de financiering voor zorginstellingen te vergemakkelijken en daarmee de continuïteit van de zorg veilig te stellen. Het totaal bedrag aan uitstaande verplichtingen is in 2019, volgens de raming van het WFZ, € 6.550,1 miljoen.

Beheersing risico’s en versobering

De risico’s voor het Ministerie van VWS van de achterborg worden beperkt door een aantal maatregelen. Allereerst kent het WFZ een selectieve toelating. Voor deelname aan het WFZ moeten zorginstellingen hun financiële situatie voldoende op orde hebben. Daarnaast worden garanties alleen verstrekt aan vertrouwenwekkende investeringen. Te risicovolle projecten worden niet geborgd. Verder zijn aangesloten leden gebonden aan het reglement van het WFZ en de daarin omschreven risicobeperkende bepalingen. Een deelnemer mag bijvoorbeeld niet zonder toestemming van het WFZ gebruik maken van rentederivaten. In het kader van het kabinetsbeleid van versobering van risicoregelingen heeft een evaluatieonderzoek van het WFZ plaatsgevonden. Dit onderzoek is in maart 2015 afgerond (TK 34 000 XVI, nr. 108). Het onderzoek laat zien dat de doelstellingen van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) nog steeds actueel zijn: bevorderen van de continuïteit van financiering, beperken van de macrorentekosten en stimuleren van goed financieel management bij zorginstellingen. Het WFZ, met het Rijk als achterborg, speelt kortom nog steeds een waardevolle rol bij de financierbaarheid van investeringen in zorgvastgoed.

Premiestelling en kostendekkendheid

Het Ministerie van VWS ontvangt geen premie voor de achterborg. Zorginstellingen betalen een eenmalige premie (disagio) voor de garantstelling aan het WFZ. Hiermee bouwt het WFZ een risicovermogen op waarmee eventuele claims kunnen worden gedekt. Als dit risicovermogen onvoldoende zou zijn om eventuele schades te dekken, kunnen de deelnemers aan het WFZ via de zogenaamde obligo worden verplicht een financiële bijdrage te leveren van maximaal 3% van de uitstaande garanties van de instelling. Als het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van de deelnemers tezamen niet voldoende zijn voor het WFZ om aan zijn verplichtingen richting geldverstrekkers te kunnen voldoen, kan het WFZ zich richting VWS beroepen op de achterborg. Dit houdt in dat op dat moment VWS het WFZ van een lening zal voorzien zodat het WFZ aan zijn verplichtingen kan voldoen. Het WFZ heeft nog nooit een beroep hoeven doen op de obligoverplichting van de WFZ-deelnemers.

Begrotingsreserve

Het is nog nooit nodig is geweest voor het WFZ om de achterborg van het Rijk in te roepen. Niettemin is besloten om in het kader van de verdere beperking van de risico’s vanaf het jaar 2017 een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg. Deze begrotingsreserve is opgenomen onder artikel 9 Algemeen.

2.5 De Staat van Volksgezondheid en Zorg en de VWS monitor VWS-monitor: maatschappelijke doelstellingen

Toegankelijkheid1

Kwaliteit2

Betaalbaarheid

Betrokken samenleving

Algemene, levensfase overstijgende thema’s

  • • 
    Ondersteuning van samen beslissen door mensen meer regie te geven over hun gezondheidsgegevens en professionals te laten beschikken over de juiste informatie op het juiste moment
  • • 
    Bijdragen aan een toename van de levensverwachting resp. van de levensverwachting in goed ervaren gezondheid
  • • 
    Houdbare ontwikkeling van de macro zorguitgaven
  • • 
    Voldoende tevreden en goed toegeruste medewerkers
  • • 
    Zorg ook thuis kunnen laten plaatsvinden d.m.v. «e-health»
  • • 
    Lastenreductie door eenmalig registreren en meervoudig gebruik
  • • 
    Een goed werkende en transparante verzekeringsmarkt
  • • 
    Bevorderen van zelf- en samenredzaamheid
  • • 
    Iedereen die zorg en ondersteuning thuis ontvangt heeft de mogelijkheid om via een beeldscherm 24 uur per dag met een zorgverlener te communiceren
  • • 
    Zorg op de juiste plek en het juiste moment kunnen laten plaatsvinden door informatie op de juiste plek en het juiste moment
  • • 
    Voorkómen van isolement/ eenzaamheid van mensen met gezondheidsproblemen

Zorg rond de geboorte

  • • 
    Optimale keuzevrijheid voor type bevalling en begeleiding
  • • 
    Voorkomen hoge geboortesterfte
  • • 
    De investering in goede geboortezorg en preventie draagt bij aan voorkomen zware zorg later
  • • 
    Snel herstel in gezinsverband
  • • 
    Goed geïnformeerde keuzes kunnen maken
  • • 
    Perinatale sterfte zo laag mogelijk
  • • 
    Kosteneffectiviteit preventie
  • • 
    Vroegsignalering van medische en sociale problemen
  • • 
    Een gezond kind op de wereld zetten is voor iedereen betaalbaar
  • • 
    Stimuleren sociale netwerken, sport en bewegen, maatschappelijk en vrijwilligerswerk
  • • 
    Mensen herstellen snel en worden ook tijdens ziekteproces in staat gesteld te participeren

Gezond blijven

  • • 
    Er is een laagdrempelige ondersteuning naar behoefte
  • • 
    Gezond en veilig opgroeien
  • • 
    Stimuleren maatschappelijke participatie
  • • 
    Er is goed aanbod van gezondheidsbevordering voor groepen
  • • 
    Het bevorderen van een gezonde leefstijl
  • • 
    Cliënten en naasten ondersteunen om laatste levensfase zo lang mogelijk in of nabij eigen sociale omgeving door te kunnen brengen
  • • 
    Aandacht voor voldoende vrijwilligers dat palliatieve zorg verleent

Beter worden (acute zorg én niet-acute zorg)

  • • 
    De cliënt centraal: mensen kunnen bij voldoende zorgaanbieders binnen redelijke termijn terecht
  • • 
    Zinnige zorg en therapietrouw
  • • 
    Beheersen zorgkosten per zorgsector
  • • 
    Bevorderen dat mensen met elkaar het gesprek aangaan (omtrent de invulling van de laatste levensfase) met daarin een rol voor patiënten, naasten, vrijwilligers, artsen en andere hulpverleners
  • • 
    Beperken stapeling eigen betalingen
  • • 
    Zorg met zo min mogelijk belasting en zo veel mogelijk resultaat voor patiënt.
  • • 
    Doelmatige inzet van middelen
  • • 
    voorkomen van (vermijdbare) complicatie zoals vermijdbare sterfte, onverwacht lange ligduur en heropnamen
  • • 
    Onnodig doorbehandelen voorkomen door goede (kennis over) palliatieve zorg
  • • 
    De medicatieveiligheid vergroten
  • • 
    Zorg in de laatste fase is doelmatig georganiseerd

Leven met een chronische ziekte en beperkingen

  • • 
    De cliënt centraal: mensen kunnen bij voldoende zorgaanbieders binnen redelijke termijn terecht
  • • 
    De medicatieveiligheid te vergroten,
  • • 
    Beperken stapeling eigen betalingen
  • • 
    Maatwerk gericht op participatie en zelfredzaamheid
  • • 
    Binnen 5 jaar heeft 80% van de chronisch zieken direct toegang tot bepaalde medische gegevens. Van de niet chronisch zieken is dit 40%
  • • 
    Ervaren kwaliteit van leven
  • • 
    Van chronisch zieken en kwetsbare ouderen kan 75% binnen 5 jaar zelfstandig metingen uitvoeren

Zorg in de laatste fase

  • • 
    De cliënt centraal: mensen kunnen zelf kiezen in welke omgeving zij wensen te overlijden
  • • 
    De wensen van de cliënt (welke zorg en waar) staan centraal op basis van het goede gesprek (samen beslissen).

Noot 1

Toegankelijkheid heeft de dimensies: Bereikbaarheid, Financiële toegankelijkheid, Tijdigheid, Toegankelijkheid naar behoefte, Keuzevrijheid

Noot 2

Kwaliteit heeft de dimensies: Effectiviteit, Veiligheid, Patiëntgerichtheid

VWS-monitor: indicatoren1

Toegankelijkheid

Kwaliteit

Betaalbaarheid

Betrokken samenleving

Algemene, levensfase overstijgende thema’s

  • • 
    Inzage medische gegevens chronisch zieken
  • • 
    Levensverwachting
  • • 
    Zorguitgaven op macroniveau (BKZ) incl. jaarlijkse groei
  • • 
    Werkgelegenheid in zorg en welzijn
  • • 
    Zelfmeting en telemonitoring
  • • 
    Levensverwachting in goed ervaren gezondheid
  • • 
    Aandeel BBP besteed aan zorg
  • • 
    Opleidingen gediplomeerden mbo, hbo, wo zorg en welzijn
  • • 
    % Bevolking dat een (zeer) goede gezondheid ervaart
  • • 
    Lasten per volwassene aan zorg
  • • 
    Overstappers zorgverzekering
  • • 
    Modelovereenkomsten polismarkt
  • • 
    Wanbetalers zorgverzekering
  • • 
    Percentage collectief verzekerden

Zorg rond de geboorte

  • • 
    % Bereik acute verloskunde binnen 45 minuten
  • • 
    Foetale sterfte
  • • 
    Kosten van zorg rond zwangerschap, bevalling en kraambed
  • • 
    % Deelname PSIE (zwangerschapsscreening)
  • • 
    Aantal verloskundigen
  • • 
    Neonatale sterfte
  • • 
    % Vrouwen dat op enig moment in de zwangerschap heeft gerookt
  • • 
    Deelname zuigelingen Rijksvaccinatie-programm

Gezond blijven

  • • 
    Aantal JOGG-gemeenten (Jongeren op Gezond Gewicht, Nationaal Programma Preventie)
  • • 
    Vaccinatiegraad D(K)TP, BMR en HPV
  • • 
    Uitgaven aan preventie, gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering (VWS-begroting)
  • • 
    % jongeren dat dagelijks sociaal contact heeft met familie resp. vrienden en kennissen
  • • 
    Aantal gezonde sportkantines
  • • 
    % (jongeren) met overgewicht resp. dat rookt resp. alcohol drinkt resp risicovol sociale media gebruikt
  • • 
    % deelname sport en bewegen totaal resp. naar leeftijd
  • • 
    Aantal gezonde Scholen
  • • 
    % deelname screeningen
  • • 
    Aantal jongeren met jeugdhulp (met/zonder verblijf), -bescherming of -reclassering

Beter worden (acute zorg én niet-acute zorg)

  • • 
    Wachttijden: % dat boven Treeknormen zit
  • • 
    Potentieel vermijdbare sterfte
  • • 
    Uitgaven aan zorg per sector (GGZ, eerste lijn, MSZ)
  • • 
    Aantal mantelzorgers
  • • 
    % boven 15 minuten aanrijdtijden ambulances
  • • 
    Zorggerelateerde schade
  • • 
    Gebruik generieke geneesmiddelen extramuraal
  • • 
    Mensen met een lichamelijke beperking die betaald werk hebben
  • • 
    Percentage met minimaal één keer per jaar contact met de huisarts resp. specialist resp. tandarts
  • • 
    Vermijdbare ziekenhuis-opnamen: aantal opnamen per 100.000 inwoners bij diabetes /astma/COPD/hartfalen [p.j.]
  • • 
    De gemiddelde ligduur in ziekenhuizen
  • • 
    % volwassenen dat zich eenzaam voelt
  • • 
    Afzien van zorg vanwege de kosten
  • • 
    5-jaarsoverleving kanker bij baarmoederhals-, resp. borst-, resp. dikke darmkanker)
  • • 
    Wlz-uitgaven en -ontvangsten per sector
  • • 
    % 75-plussers dat zich eenzaam voelt»
  • • 
    Huisarts betrekt patiënt bij beslissingen / besteedt voldoende tijd aan patiënt / geeft patiënt gelegenheid om vragen te stellen
  • • 
    Zorginfecties in ziekenhuizen

Leven met een chronische ziekte en beperkingen

  • • 
    Het aantal personen in zorg bij huisarts voor één resp. twee of meer chronische ziekten
  • • 
    Percentage zorgverleners dat aangeeft dat de kwaliteit van zorg verleend door de eigen afdeling/team niet goed is
  • • 
    Aantal mensen met een pgb
  • • 
    Aantal patiënten van 65 jaar of ouder dat vijf of meer geneesmiddelen gebruikt
  • • 
    Gebruik zorg met verblijf en gebruik zonder verblijf (wijkverpleging)
  • • 
    Wachtlijst Wlz

Zorg in de laatste fase

  • • 
    Aantal meldingen van euthanasie naar locatie
  • • 
    Aantal euthanasieverzoeken aan huisarts
  • • 
    Aantal meldingen van euthanasie naar type aandoening
  • • 
    Aantal palliatieve sedaties door huisarts.

Noot 1

Er zijn alleen indicatoren gebruikt die als kerncijfer op www.StaatVenZ.nl zijn opgenomen. Nieuwe kerncijfers op de StaatVenZ kunnen leiden tot nieuwe indicatoren in de VWS-monitor.

Enkele mogelijke voorbeelden van indicatorwaarden, referentiewaarden en trends

Toegankelijkheid

Betaalbaarheid

Kwaliteit

Betrokken samenleving

Zorg rond de geboorte

Binnen 45 min. vervoerd naar ziekenhuis met acute verloskunde

Neonatale sterfte na een zwangerschapsduur van 22 weken

Vrouwen die roken tijdens zwangerschap

Indicatorwaarde: 99,8% (2016)

Indicatorwaarde: 3,1 per 1.000 (2014)

Indicatorwaarde: 8,6% (2015)

Referentiewaarde: -

Referentiewaarde: geen vergelijkbaar internationaal cijfer beschikbaar)

Referentiewaarde: 0,9% (is het aandeel onder hoger opgeleiden)

3-jarige trend: stabiel over de tijd

3-jarige trend: stabiel over de tijd

3-jarige trend: ongunstige trend

Gezond blijven

Vaccinatiegraad D(K)TP 10-jarigen

Indicatorwaarde: 92,7% (2013)

Referentiewaarde: 90% (de WHO-norm, nodig om groepsimmuniteit te bereiken)

3-jarige trend: stabiel over de tijd

Beter worden (acute zorg)

Ambulanceritten die binnen de 15-minutennorm plaatsvinden

30-dagen sterfte na ziekenhuis-opname voor acuut myocardinfarct

Heupfracturen die uiterlijk volgende kalenderdag geopereerd worden

Indicatorwaarde: 93,4% (2015)

Indicatorwaarde: 7,7% (2013)

Indicatorwaarde: 86,8% (2013)

Referentiewaarde: 95% (wettelijke verplichting bij A1-inzetten)

Referentiewaarde: 8,4% (mediaan over de OECD-landen)

Referentiewaarde: 70,1% (Mediaan van OECD-landen)

3-jarige trend: gunstige trend

3-jarige trend: gunstige trend

3-jarige trend: stabiel over de tijd

Beter worden (niet acute zorg)

Wachttijden behandeling in zieken-huizen langer dan de Treeknorm

Mensen die afzien van periodiek mondonderzoek vanwege kosten

Ervaren problemen in afstemming tussen eerste en tweede lijn

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

Indicatorwaarde: 13,0% (2015)

Indicatorwaarde: 1,5% (2014)

Indicatorwaarde: 15% (2013)

Indicatorwaarde: 85,3% (2014)

Referentiewaarde: 0% (wachttijd moet onder de treeknorm blijven)

Referentiewaarde: 3,8% (dit is de mediaan van OECD-landen)

Referentiewaarde: 29% (dit is de mediaan van OECD-landen)

Referentiewaarde: 85,9% (dit is de mediaan van OECD-landen)

3-jarige trend: stabiel over de tijd

3-jarige trend: ongunstige trend

3-jarige trend: geen trend beschikbaar

3-jarige trend: stabiel over de tijd

Leven met een chronische ziekte en beperkingen

Onvoldoende kwaliteit van zorg op de afdeling volgens verpleegkundigen en verzorgenden in de langdurige zorg Indicatorwaarde: 12,5% (2015)

Referentiewaarde: PM

3-jarige trend: stabiel over de tijd

Zorg in de laatste fase

Continue diepe sedatie met alleen morfine

Indicatorwaarde: 6,0 (2010)

Referentiewaarde: 0,0% (Gebruik van alleen morfine als sedativum wordt door de KNMG ontraden)

3-jarige trend: gunstige trend

Bron: https://www.volksgezondheidenzorg.info/prestatie-indicatoren-voor-gezondheidszorg/overzicht-indicatoren

  • 3. 
    BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Volksgezondheid

  • 1. 
    Algemene doelstelling

1981

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

  • 1. 
    Absolute levensverwachting in jaren:
  • mannen

72,7

77,2

78,8

79,2

79,1

79,4

79,9

79,7

79,9

80,11

  • vrouwen

79,3

81,6

82,7

82,9

82,8

83,0

83,3

83,1

83,1

83,31

  • 2. 
    Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:
  • mannen

59,9

62,5

63,9

63,7

64,7

64,6

64,9

64,6

64,9

65,0

  • vrouwen

62,4

61,8

63,0

63,3

62,6

63,5

64,0

63,2

63,3

63,8

Bron

De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2017 bedroeg 83,3 jaar. Dat is 3,2 jaar hoger dan die van mannen (80,1 jaar). Sinds 1981 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1981 een winst van 7,4 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 4,0 jaar ouder geworden.

Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

  • 1. 
    Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?
  • 2. 
    Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

Noot 1

Voorlopige cijfers

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave voor de Minister van VWS is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Mensen zijn in eerste instantie echter wel zelf verantwoordelijk voor hun gezondheid en dienen zichzelf -indien mogelijk- te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet en de Tabakswet. Op het gebied van voedselveiligheid en consumenteninformatie zijn vrijwel uitsluitend Europese Verordeningen rechtstreeks van toepassing.

De Minister vervult de volgende rollen:

Stimuleren:

    • Bevorderen dat mensen gezonder leven door gezonde keuzes makkelijker te maken en te zorgen voor betrouwbare informatie over een gezonde leefstijl.
    • Inzetten op een gezonder aanbod van voeding (Akkoord Verbetering Productsamenstelling).

Financieren:

    • Financieren van doelmatige, kwalitatieve en toegankelijke bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing van levensbedreigende ziekten, zoals borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.
    • Financiering Nationaal Programma Grieppreventie.
    • Financiering van de neonatale hielprikscreening en de prenatale screeningen.
    • Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere de financiering van het Rijksvaccinatieprogramma en de bescherming tegen infectieziekten.
    • Financiering voor het uitvoeren van wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.
    • Financiering van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting.
    • Financiering van de abortusklinieken.
    • Financiering van de landelijke ondersteuningsstructuur ten behoeve van de kwaliteit en doelmatigheid van zorg.

Regisseren:

    • Het opstellen van een wettelijk kader voor bescherming van consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen en het handhaven ervan door de NVWA.
    • Het opstellen van een wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak en doen handhaven ervan door gemeenten respectievelijk de NVWA.
    • Het opstellen van een wettelijk kader voor de bescherming van proefpersonen bij medisch-wetenschappelijk onderzoek zonder de voortgang van de medische wetenschap onnodig te belemmeren, en het toezicht houden op de toetsing en uitvoering van het onderzoek.
    • Aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze de makkelijke keuze is.
    • Het tegengaan van ontstaan en verspreiding van antibioticaresistentie in de gezondheidszorg, voedsel, milieu en binnen de dierhouderij, in nauwe samenwerking met het Ministerie van EZK.
    • Opstellen wettelijk kader en doen handhaven van de kwaliteit van de jeugdgezondheidszorg.
    • In het geval van A-ziekten (Wet publieke gezondheid) geeft de Minister leiding aan de bestrijding van deze infectieziekten.
    • Coördinatie van het interdepartementaal drugsbeleid en zorgen voor het wettelijk kader (Opiumwet) en voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.
    • Het formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Beleidswijzingen Regeerakkoord/ Beleidsagenda bewindspersonen VWS

Thema Jeugd en Familie

Kansrijke start

Ongeveer 14% van de kinderen heeft geen goede start bij de geboorte, dat wil zeggen wordt te vroeg geboren, heeft een te laag geboortegewicht of allebei (Pregnancy and childbirth, Waelput et al. BMC, 2017). Als een kind tijdens de eerste 1.000 dagen van het leven blootstaat aan stress, rook, slechte voeding, mishandeling of andere risicofactoren, dan heeft dat een negatief en vaak blijvend effect op zijn of haar ontwikkeling. Een goede start begint al voor de geboorte van het kind; zelfs nog vóór de conceptie en tijdens de zwangerschap.

Om ervoor te ervoor te zorgen dat meer kinderen een kansrijke start krijgen is in 2018 gestart met een actieprogramma Kansrijke start. Dit programma zet hierbij in op extra ondersteuning voor kwetsbare gezinnen, inclusief gezinnen waar (al dan niet tijdelijk) sprake is van een kwetsbare opvoedsituatie, rondom bewust zwanger worden, een goede zwangerschap en veilig ouderschap. Daarbij is een goede koppeling tussen het medische en sociale domein (inclusief publieke gezondheid) essentieel, zodat meer kinderen een kansrijke start krijgen. Daarbij spelen gemeenten een belangrijke rol. We zetten de komende kabinetsperiode in op:

    • Voor de zwangerschap: goed voorbereid zwanger en minder ongeplande zwangerschappen door o.a. landelijke beschikbaarheid van Nu Niet Zwanger.
    • Tijdens zwangerschap: eerder signaleren van problemen door o.a. prenatale huisbezoeken.
    • Na de zwangerschap: meer ouders zijn toegerust voor opvoedtaken en minder uithuisplaatsingen door o.a. flexibele contactmomenten JGZ en opvoedondersteuning bij kwetsbare ouders.

Lokale coalities van gemeenten, verzekeraars, verloskundigen, jeugdartsen, huisartsen en wijkteams werken een ketenstandaard kansrijke start uit. Daarin worden afspraken over de uitvoering van de maatregelen en de samenwerking tussen partijen opgenomen.

Thema Preventie

Preventie in zorg

Ook in de zorg komt steeds meer aandacht voor het belang van preventie, voorkomen is beter dan genezen. Om dit te bevorderen loopt het traject preventie in het zorgstelsel. De beleidsmaatregelen hebben tot doel gemeenten en zorgverzekeraars te stimuleren gezamenlijk werk te maken van preventie voor risicogroepen zoals mensen met overgewicht en kwetsbare ouderen. Bijvoorbeeld door het stimuleren van de opname van kansrijke, effectieve interventies in het basispakket en van de samenwerking tussen het medische en het sociale domein. Met ingang van 2019 is het mogelijk de «gecombineerde leefstijl interventie» (GLI) voor mensen met overgewicht/obesitas uit de Zorgverzekeringswet te vergoeden (TK 32 793, nr. 300 van 26 april 2018). In 2019 vindt verdere implementatie van de GLI plaats.

Preventieakkoord

Er wordt hard aan gewerkt om het preventieakkoord in oktober 2018 met veel maatschappelijke partijen te sluiten voor de thema’s roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht/obesitas. Het preventieakkoord zal de hele kabinetsperiode doorwerking hebben. Het jaar 2019 is het eerste volledige implementatiejaar waarin naast de uitvoering van de afspraken in het akkoord ook de governance, borging en monitoring vorm krijgen. Uw Kamer wordt jaarlijks (eerste kwartaal 2019) over de voortgang van de uitvoering van de afspraken geïnformeerd.

Zoals eerder aangekondigd zal het nationaal programma preventie ook worden voortgezet (tot en met 2021) met maatregelen om andere - dan de drie thema’s in het preventieakkoord- urgente opgaven zoals depressie, dementie, stress op de werkvloer en dergelijke ook aan te pakken.

Depressiepreventie

Op basis van het meerjarenprogramma depressiepreventie (TK 32 793, nr. 259) is er in 2019 voor alle risicogroepen (tieners, pas bevallen moeders, patiënten bij huisartsen, mantelzorgers en jonge werkende vrouwen) een plan van aanpak in uitvoering. Uw Kamer wordt in het najaar van 2019 geïnformeerd over de stand van zaken van dit meerjarenprogramma en een eventueel vervolg op de «Hey publiekscampagne».

Onbedoelde zwangerschappen

Nederland behoort wereldwijd tot de landen met het laagste geboortecijfer en ook het aantal tienerzwangerschappen is in internationaal perspectief laag. Tegelijkertijd is in Nederland één op de vijf vrouwen ooit onbedoeld zwanger geweest en was 68% van deze zwangerschappen ongewenst (https://fiom.nl/kenniscollectie/ongewenste-zwangerschap/cijfers-en-feiten). Ondanks de in internationaal perspectief gunstige cijfers, is er dus verbetering mogelijk.

Voor het onderwerp onbedoelde (tiener) zwangerschappen is in het Regeerakkoord voor 2019 € 17,2 miljoen beschikbaar gesteld. Veldpartijen hebben in 2018 gezamenlijk een plan van aanpak ingediend waarin ze aangeven wat zij kunnen bijdragen aan het verminderen van onbedoelde (tiener)zwangerschappen en het ondersteunen van vrouwen en hun partner die te maken hebben met een ongewenste zwangerschap door middel van keuzebegeleiding. Thema’s die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: preventie op scholen, keuzehulpgesprekken, campagnes en specifiek beleid op hoogrisicogroepen. Dit najaar ontvangt de Kamer een brief waarin de aanpak nader wordt uitgewerkt. In 2019 zullen de veldpartijen met deze thema’s aan de slag gaan, zoveel mogelijk met gezamenlijke plannen.

De Kamer zal in 2019 over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak worden geïnformeerd.

Thema gezondheidsbescherming

Antibioticaresistentie

Antibioticaresistentie (ABR) kan de volksgezondheid in gevaar brengen. In toenemende mate worden wereldwijd bacteriën ongevoelig voor antibiotica. Daarom werken we via het programma ABR (2015-2019) aan een integrale aanpak (one health) om resistentie te voorkomen en de gevolgen van resistentie zoveel mogelijk terug te dringen. Dit betekent voor 2019 onder andere het volgende.

    • Er is door het nieuwe «samenwerkingsverband richtlijnen infectiepreventie» gestart met de actualisatie van de richtlijnen infectiepreventie.
    • De 10 regionale ABR zorgnetwerken zijn volledig operationeel en voorkomen door goede samenwerking en informatie uitwisseling dat resistente bacteriën worden verspreid.
    • Uitvoering geven aan het programma «Aanpak antibioticaresistentie in verpleeghuizen» en opschaling tot 500 verpleeghuislocaties (infectiepreventie en bewustwording).
    • IGJ zet zowel bij ziekenhuizen als verpleeghuizen onverminderd in op het toezicht op infectiepreventie en zorgvuldig gebruik van antibiotica.
    • Inzet op innovatie en onderzoek nieuwe middelen, alternatieven en betere diagnostiek.

Gezien het feit dat het huidige programma in 2019 afloopt, wordt eind 2019 een besluit genomen over het al dan niet geven van een vervolg hieraan. De Kamer wordt jaarlijks via een brief over de voortgang van het programma geïnformeerd.

Veilig voedsel

Met het oog op de voedselveiligheid en het voorkomen van voedselfraude wordt gewerkt aan aanvullende maatregelen op het terrein van voedselveiligheid en voedselfraude. Zo wordt, vooral in Europees verband, gewerkt aan mogelijke maatregelen voor onder andere voedselcontact- materialen, minerale oliën, Campylobacter, Toxoplasma, aangepaste monitoring van residuen van stoffen en maatregelen om aanwezigheid van contaminanten zoals acrylamide en kwik in voedsel te voorkomen.

Het incident fipronil in eieren in 2017 heeft een aantal knelpunten in het systeem van de beheersing van de voedselveiligheid blootgelegd. De Commissie Sorgdrager heeft medio 2018 een aantal aanbevelingen gedaan aan de departementen VWS en LNV, aan de NVWA en de betrokken pluimveesectoren. Ten slotte is goede informatie op het etiket van levensmiddelen nodig om de misleiding van consumenten te voorkomen.

Alle maatregelen moeten bijdragen aan de borging van het hoge niveau van voedselveiligheid in Nederland en het behoud van het vertrouwen van consumenten in voedsel.

Voor 2019 hebben daarom de volgende onderdelen de aandacht:

    • de uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie Sorgdrager, die zich richten op het versterken van de aandacht voor voedselveiligheid, de evaluatie van het Actieplan etikettering van levensmiddelen.

Thema Medische ethiek

Het doel van dit kabinet is om bij medisch-ethische vraagstukken te komen tot beleid dat kan rekenen op breed draagvlak binnen onze samenleving; dat aansluit bij ons moreel kompas. Het kabinet hanteert daarbij drie vragen: een vraag naar de medisch-wetenschappelijke noodzaak, naar de medisch-ethische dimensie en naar maatschappelijke discussie en politieke bezinning.

In 2019 wordt uitvoering gegeven aan de nota medische ethiek die op 6 juli 2018 aan uw Kamer is aangeboden (TK 34 990, nr.1). Uw Kamer wordt over de voortgang van de in de nota genoemde onderwerpen, geïnformeerd.

In 2019 gaat het met name om:

    • De start van een onderzoeksprogramma bij ZonMw om alternatieven voor onderzoek met embryo’s te stimuleren. In het programma wordt onderzocht of, en zo ja hoe met behulp van (geïnduceerde pluripotente) stamcellen ernstige erfelijke ziekten kunnen worden voorkomen. De ambitie is dat Nederland een leidende rol gaat spelen in het internationale wetenschappelijke veld.
    • Wijzigingsvoorstel voor de Embryowet om:
      • 1. 
        geslachtskeuze bij het risico op een ernstige erfelijke aandoening met ongelijke geslachtsincidentie mogelijk te maken;
      • 2. 
        te voorzien in een expliciete grondslag voor het gebruik van restmateriaal (embryo’s en geslachtscellen) voor kwaliteitsbewaking in fertiliteitsklinieken.
    • Een voorstel voor regulering op basis van het advies van de Gezondheidsraad over regulering cybriden en iPS-chimaeren en de voorlichting van de Raad van State.
    • Wijzigingsvoorstel voor de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Naar aanleiding van de brief over het Actieplan ondersteuning donorkinderen wordt het toezicht op het aantal kinderen per donor versterkt. Daarnaast wordt het met deze wet voor halfbroers en -zussen makkelijker om met elkaar in contact te komen als daar behoefte aan is.
    • De evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap. ZonMw heeft in 2018 de opdracht gekregen om de Waz te evalueren.
    • Onderzoek naar de omvang en de omstandigheden van de groep mensen voor wie de door de commissie Schnabel genoemde ruime interpretatie en toepassing van de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas biedt in de ogen van betrokkenen.

Overige beleidswijzigingen

Landelijke nota Gezondheidsbeleid

De Kamer ontvangt eind 2019 de vierjaarlijkse landelijke nota Gezondheidsbeleid. Bij het opstellen van de nota zal onder meer gebruik worden gemaakt van de inzichten die zijn opgedaan uit de in 2018 verschenen Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) (TK 32 793, nr. 286).

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

713.544

693.573

681.398

676.925

673.233

694.988

691.537

Uitgaven

621.682

674.665

730.754

683.879

676.433

694.988

691.537

Waarvan juridisch verplicht (%)

93,70%

  • 1. 
    Gezondheidsbescherming

107.563

116.307

125.386

124.870

124.906

140.780

136.774

Subsidies

3.980

10.763

20.026

20.842

20.913

16.242

12.242

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid / Nationaal Programma Preventie

3.703

10.413

19.551

20.367

20.563

15.992

11.992

Overig

277

350

475

475

350

250

250

Opdrachten

1.894

2.601

1.827

1.816

2.014

1.891

1.891

Aanschaf Jodiumtabletten

375

0

0

0

0

0

0

Overig

1.519

2.601

1.827

1.816

2.014

1.891

1.891

Bijdragen aan agentschappen

101.464

102.920

103.396

102.075

101.842

102.069

102.064

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

81.760

83.602

86.720

85.449

85.449

85.454

85.454

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

19.704

18.158

15.831

15.831

15.229

15.229

15.228

Overig

0

1.160

845

795

1.164

1.386

1.382

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

207

0

0

0

0

0

0

Overig

207

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

18

23

137

137

137

20.578

20.577

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

0

12

126

126

126

126

126

Lokaal verbinden

0

0

0

0

0

20.000

20.000

Overig

18

11

11

11

11

452

451

  • 2. 
    Ziektepreventie

439.051

469.291

521.403

472.598

467.377

470.057

470.738

Subsidies

230.853

241.284

262.109

246.645

237.772

238.921

239.527

Ziektepreventie

7.586

8.864

26.294

14.529

8.208

6.605

6.605

RIVM: Regelingen publieke en seksuele gezondheid

205.337

213.805

211.225

207.675

205.351

208.337

208.943

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

17.930

18.615

24.590

24.441

24.213

23.979

23.979

Opdrachten

475

417

11.050

11.151

11.151

11.152

11.152

(Vaccin)onderzoek

0

0

11.027

11.027

11.027

11.027

11.027

Overig

475

417

23

124

124

125

125

Bijdragen aan agentschappen

206.834

226.572

247.226

213.784

217.435

218.965

219.040

RIVM: Opdrachtverlening Centra

206.834

226.572

247.226

213.784

217.435

218.965

219.040

Bijdragen aan medeoverheden

889

1.018

1.018

1.018

1.019

1.019

1.019

Overig

889

1.018

1.018

1.018

1.019

1.019

1.019

  • 3. 
    Gezondheidsbevordering

55.621

69.223

64.571

67.512

65.247

65.254

65.125

Subsidies

38.817

48.682

45.217

46.112

44.080

44.085

44.082

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

9.361

11.026

10.037

9.207

8.685

8.587

8.587

Gezonde leefstijl en gezond gewicht

15.066

18.149

15.052

15.107

13.591

13.191

13.191

Letselpreventie

3.987

4.340

4.151

4.158

4.158

4.158

4.158

Bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

6.203

5.199

4.598

4.598

4.598

4.598

4.598

Bevordering van seksuele gezondheid

2.965

7.783

11.287

12.587

12.587

12.588

12.588

Overig

1.235

2.185

92

455

461

963

960

Opdrachten

3.227

6.389

4.120

5.181

5.181

5.181

5.181

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

2.854

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

Communicatie verhoging leeftijdsgrenzen alcohol en tabak

0

0

0

1.060

1.060

1.060

1.060

Overig

373

3.289

1.020

1.021

1.021

1.021

1.021

Bijdragen aan agentschappen

0

381

643

634

480

480

355

Overig

0

381

643

634

480

480

355

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

146

191

728

728

728

728

Overig

0

146

191

728

728

728

728

Bijdragen aan medeoverheden

13.577

13.625

14.400

14.857

14.778

14.780

14.779

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

13.577

13.303

13.303

13.303

13.303

13.303

13.302

Overig

0

322

1.097

1.554

1.475

1.477

1.477

  • 4. 
    Ethiek

19.447

19.844

19.394

18.899

18.903

18.897

18.900

Subsidies

18.363

17.784

17.709

17.214

17.218

17.212

17.215

Abortusklinieken

16.543

16.081

16.092

16.106

16.110

16.104

16.107

Beleid Medische Ethiek

1.820

1.703

1.617

1.108

1.108

1.108

1.108

Opdrachten

83

341

341

341

341

341

341

Overig

83

341

341

341

341

341

341

Bijdragen aan agentschappen

1.001

1.719

1.344

1.344

1.344

1.344

1.344

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

1.001

1.719

1.344

1.344

1.344

1.344

1.344

Ontvangsten

18.716

8.403

11.903

11.903

11.903

11.903

11.903

Bestuurlijke boetes

6.981

5.400

5.400

5.400

5.400

5.400

5.400

Overig

11.735

3.003

6.503

6.503

6.503

6.503

6.503

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 345,1 miljoen is 94,3% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de tot en met 2019 aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS én de Subsidieregelingen publieke gezondheid, Preventiecoalities, NODOK, NIPT en Abortusklinieken.

Opdrachten

Van het budget voor 2019 van € 17,3 miljoen is 75,4% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van verplichtingen die tot en met 2018 zijn aangegaan.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2019 aan het RIVM, de NVWA en het CIBG. Op basis van het offertetraject is het budget 2019 van € 352,6 miljoen voor 97,8% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Dit betreft de Afgifte van Schengenverklaringen via het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het budget voor 2019 van € 0,2 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan medeoverheden

Dit betreft de heroïneverstrekking door gemeenten op medisch voorschrift via een toevoeging aan het gemeentefonds, de bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de bijdrage aan Caribisch Nederland inzake de Tijdelijke Regeling Publieke Gezondheid. Het budget voor 2019 van € 15,6 miljoen is voor 97,5% juridisch verplicht.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten

Subsidies

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie

In 2019 zal verdere uitwerking worden gegeven aan de voornemens die zijn opgenomen in landelijke nota gezondheidsbeleid die in december 2015 (TK 32 793, nr. 204) is verschenen.

De uitgaven op dit instrument betreffen onder andere:

    • Nationaal Programma Preventie (NPP) (€ 3 miljoen)

    Het Nationaal Programma Preventie (NPP) wordt tot 2021 voortgezet (TK 32 793, nr. 245). Via het programmabureau Alles is gezondheid... worden maatschappelijke initiatieven gestimuleerd die bijdragen aan een gezonder Nederland. Maatschappelijke organisaties zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Netwerkvorming en kennisdeling worden daarbij benut om het bereik en de impact van deze initiatieven te vergroten.

    • Preventiecoalities (€ 4,8 miljoen)

    Dit betreft het faciliteren van samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars onder de noemer preventiecoalities. Dit gebeurt door middel van bijdragen in de kosten van de procescoördinatie voor effectieve preventieactiviteiten voor risicogroepen met als doel de gezondheid van deze groep te verbeteren.

    • Veenkoloniën (€ 1,3 miljoen)

    Het amendement Wolbert (TK 34 000, nr. 43) vraagt om een regionale aanpak van gezondheidsachterstanden in de Veenkoloniën waar meerdere gemeenten en regionale (zorg)organisaties bij betrokken zijn. VWS financiert deze regionale aanpak. Het programma besteedt nadrukkelijk aandacht aan de wensen, behoefte en participatie van bewoners.

    • Depressiepreventie (€ 0,8 miljoen)

    VWS financiert de uitvoering van een meerjarenprogramma om te komen tot meer aandacht voor depressiepreventie (TK 32 93, nr. 259). In het meerjarenprogramma wordt toegewerkt naar een sluitende keten van «nuldelijn» (wat kunnen mensen zelf doen) tot «tweedelijn» (wat kunnen professionals doen) bij de zes hoogrisicogroepen: jongeren, jonge vrouwen, huisartsenpatiënten, werknemers in stressvolle beroepen, chronisch zieken en mantelzorgers. Daarbij ligt de focus in 2019 bij jongeren en jonge vrouwen.

    • Effectieve interventies (€ 4 miljoen, waarvan € 3 miljoen uit het Regeerakkoord)

    Financiering van longitudinaal epidemiologisch onderzoek, met daarin ook informatie die beschikbaar is in biobanken. Het doel is waargenomen trends in de volksgezondheid te kunnen verklaren en aangrijpingspunten voor effectieve preventieve interventies te vinden.

Kansrijke start (€ 4,9 miljoen)

Om ervoor te zorgen dat meer kinderen een kansrijke start krijgen is in 2018 gestart met een actieprogramma Kansrijke start. Dit programma zet hierbij in op extra ondersteuning voor kwetsbare gezinnen, inclusief gezinnen waar (al dan niet tijdelijk) sprake is van een kwetsbare opvoedsituatie, rondom bewust zwanger worden, een goede zwangerschap en veilig ouderschap.

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De Minister van VWS is opdrachtgever voor het agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA heeft een centrale rol bij het bewaken van de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten op grond van de wettelijke normen. Hiervoor is in 2019 € 86,7 miljoen beschikbaar. Dit is inclusief een deel van de middelen uit de Regeerakkoord envelop «capaciteit NVWA» naar de begroting van VWS. Deze eerste tranche heeft een totale omvang van € 5 miljoen structureel vanaf 2019. Van deze middelen is 2/3 beschikbaar voor LNV en 1/3 voor VWS. Daarnaast is door het vorige kabinet eenmalig € 25 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de NVWA. Vanuit die extra middelen is € 4 miljoen incidenteel voor 2019 ingezet (idem voor LNV 2/3 en VWS 1/3). De extra middelen worden ingezet voor meer capaciteit voor het toezicht op voedselveiligheid en dierenwelzijn. De intensivering bij de NVWA vindt onder andere plaats door te investeren in digitaal toezicht, het versterken van Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) en door een pilot te starten met cameratoezicht in slachthuizen.

In onderstaande tabel is weergegeven hoe het aantal verloren levensjaren door voedselinfecties zich ontwikkelt.

Kengetallen voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland gegevens 2016 (RIVM Letter Reports disease burden 2012, 2013, 2014 en 2016; M. Bouwknegt et al.)

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)1

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Toxoplasma gondii

1.093

1.068

1.088

1.063

1.062

1.100

Campylobacter spp.

1.951

1.917

1.869

1.691

1.501

1.300

Salmonella spp.

1.486

670

649

643

757

680

  • S. 
    aureus toxine

194

194

193

192

192

190

  • C. 
    perfringens toxine

176

176

177

177

177

180

Norovirus

297

286

285

301

375

270

Rotavirus

161

186

78

165

88

140

  • B. 
    cereus toxine

28

28

28

28

28

29

Listeria monocytogenes

94

68

191

165

310

190

STEC O157

61

61

61

61

61

61

Giardia spp.

29

29

29

29

29

29

Hepatitis-A virus

7

7

6

5

5

6

Cryptosporidium spp.

6

11

11

19

22

14

Hepatitis-E virus

34

30

73

103

102

70

Totaal

5.618

4.732

4.738

4.642

4.708

4.200

De getallen zijn gebaseerd op het aantal jaarlijks gerapporteerde gevallen en de daarmee gepaarde ziektelast gecorrigeerd voor: i) de dekkingsgraad (indien van toepassing); ii) onderdiagnose en onderrapportage; en iii) het feit dat niet elke zieke medische zorg nodig heeft. Het berekeningsmodel voor deze getallen kent een schattingselement omdat het gebaseerd is op een aantal aannames. Daarom worden de kengetallen als afgeronde getallen weergegeven.

Noot 1

DALY=Disability Adjusted Life Year. Maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaarequivalenten). In deze maat komen de drie belangrijke aspecten van de volksgezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit van leven en het aantal personen dat een effect ondervindt.

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

Het RIVM heeft de wettelijke taak periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. Het RIVM vormt voorts samen met een zevental kennisinstellingen een consortium, dat verantwoordelijk is voor de Staat van Volksgezondheid en Zorg (www.staatvenz.nl), kerncijfers voor beleid. Via deze webportal worden actuele en eenduidige cijfers beschikbaar gesteld over de domeinen van het Ministerie van VWS. Verder voert het RIVM opdrachten uit op terrein van Sport, Geneesmiddelen en Medische Technologie en Risicoschatting en -beoordeling voor Beleid. In totaal is voor het RIVM voor deze taken in 2019 € 15,8 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Uitvoering van het preventieprogramma via ZonMw

Betreft de verdere uitvoering van het vijfde Preventieprogramma (PP5). Dit programma levert kennis op die bijdraagt aan de doelstellingen van het Nationaal Programma Preventie (NPP). Verder gaat in 2019 het zesde Preventieprogramma van start. In dit onderzoeksprogramma zal worden aangesloten bij de «Kennisagenda preventie. Nationale wetenschapsroute Gezondheidsonderzoek, preventie en behandeling», de uitkomsten van de onderzoeks- en ontwikkelagenda’s van de VTV-2018 van het RIVM, het onderbouwen van de effectiviteit van interventies en de opbrengsten van de eerdere preventieprogramma’s, zodat kennis die werkt beter ontsloten zal worden.

De hiervoor beschikbare middelen (€ 7 miljoen in 2019) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «Toelichting op de instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdragen aan medeoverheden

Lokaal verbinden

Financiering van het programma «Gezond in...» (TK 32 793, nr. 267). Het beschikbare budget van jaarlijks € 20 miljoen is voor de periode 2018 tot en met 2021 overgeheveld naar het gemeentefonds en wordt via een decentralisatie-uitkering aan de gemeenten beschikbaar gesteld.

  • 2. 
    Ziektepreventie

Subsidies

Ziektepreventie

De Minister zorgt op het terrein van de ziektepreventie subsidies (€ 26,3 miljoen) voor een goede bescherming tegen infectieziekten, preventie van chronische ziekten en de jeugdgezondheidszorg (JGZ) door onder andere te zorgen voor:

    • Een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden.
    • Het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen.
    • Subsidiëring van het Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum dat zich inzet om de preventie, diagnostiek en behandeling van de ziekte van Lyme te verbeteren, waarbij alle betrokken partijen hun eigen inbreng leveren.
    • Subsidiëring van de stichting Q-support om patiënten, die na de Q-koorts-epidemie te maken hebben met langdurige klachten, te ondersteunen, te adviseren en te begeleiden.
    • Het ondersteunen van het Kennisplatform Intensieve Veehouderij en Humane Gezondheid dat handvatten kan meegeven aan lokale bestuurders voor de afweging van gezondheid in de bestuurlijke beslissingen bij ontwikkelingen in de veehouderij.
    • Het in internationaal verband initiëren en implementeren van doelgerichte acties om antibioticaresistentie te voorkomen en te verminderen. Het opzetten van regionale zorgnetwerken antibioticaresistentie en het verbeteren van de surveillance systemen. Het financieren van onderzoek om de ontwikkeling van nieuwe antibiotica en alternatieven voor antibiotica te stimuleren, zoals verwoord in de Kamerbrief van 24 februari 2017 (TK 32 620 nr. 187).
    • Financiering van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

Verder ontvangen Q-koortspatiënten een vorm van tegemoetkoming als gebaar ter erkenning van de grote gevolgen die zij hebben ondervonden (TK 25 295, nr.43)(voor de totale tegemoetkoming is € 15,5 miljoen beschikbaar, waarvan € 9,6 miljoen in 2019).

Na vaccinatie tegen Mexicaanse griep in 2009 is een aantal personen gediagnostiseerd met narcolepsie. In goed overleg met de betrokkenen wordt momenteel een zorgvuldig proces doorlopen, waarbij onder meer onafhankelijke deskundigen worden geraadpleegd. Het doel van dit traject is om te komen tot een schikking met de betrokken personen. Hiervoor is voor 2019 een bedrag van € 5 miljoen gereserveerd voor de schikkingen.

RIVM: Regelingen publieke en seksuele gezondheid

De Subsidieregeling publieke gezondheid wordt uitgevoerd door het RIVM en bestaat uit:

    • Het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker (€ 126,6 miljoen).
    • Het financieren van het Nationaal Programma Grieppreventie. Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60-plussers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie, zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 37,4 miljoen).
    • Het financieren van soa-onderzoek en aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie (€ 35,1 miljoen).

Verder verstrekt het RIVM, op basis van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, subsidies op het terrein van de seksuele gezondheid (€ 12,1 miljoen) en aan de regionale centra voor prenatale Screening (€ 3,5 miljoen). Inhoudelijk wordt het onderwerp seksuele gezondheid toegelicht onder het artikelonderdeel Gezondheidsbevordering.

Kengetallen Deelname aan vaccinatieprogramma, bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten

2005

2010

2015

2016

2017

  • 1. 
    Percentage deelname aan Rijksvaccinatieprogramma

95,8%

95,0%

94,8%

93,1%

91,2%

  • 2. 
    Percentage deelname aan Nationaal Programma Grieppreventie

76,9%

68,9%

50,1%

53,5%

-

  • 3. 
    Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek borstkanker

81,7%

80,7%

77,6%

-

-

  • 4. 
    Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

65,5%

64,3%

64,4%

60,3%

-

  • 5. 
    Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek darmkanker

-

-

73,0%

73,0%

-

  • 6. 
    Percentage deelname aan hielprik

99,6%

99,7%

99,3%

99,2%

-

Bron:

Voor het verslagjaar 2016 (betreft alle vaccinaties gegeven t/m 2015) is dit percentage 93,1%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2014 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd. Zie ook mijn brief van 25 juni 2018 (TK 32 793, nr. 315).

Dit kerncijfer betreft het percentage gevaccineerde personen in de groep patiënten die conform het advies van de Gezondheidsraad in aanmerking komen voor vaccinatie tegen influenza. Zie ook mijn brief van 9 oktober 2017 (TK 32 793 nr. 283)

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek borstkanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 50-75 jarige vrouwen.

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 30-65 jarige vrouwen.

Dit kerncijfer betreft het percentage personen dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek (screening) naar dikkedarmkanker.

Dit kerncijfer betreft het percentage pasgeborenen dat gescreend is.

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

Tijdens de zwangerschap kan met de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) onderzocht worden of het ongeboren kind mogelijk downsyndroom, edwardssyndroom of patausyndroom heeft. Tot 1 januari 2020 wordt de NIPT als eerste test in onderzoekssetting gefinancierd. Hiervoor is in 2019 € 24,6 miljoen beschikbaar.

In 2019 wordt bekeken hoe de financiering van de NIPT vanaf 2020 plaats zal vinden.

Opdrachten

(Vaccin)onderzoek

Er is in totaal € 7,4 miljoen gereserveerd voor vaccinonderzoek (circa € 5,8 miljoen) en onderzoek naar alternatieven voor dierproeven (circa € 1,7 miljoen). Vanaf 2013 zijn deze taken ondergebracht bij de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein (PdALt). Het voornemen is om het onderdeel (vaccin)onderzoek van PdALt met ingang van 2019 te privatiseren. Voorts is € 3,6 miljoen beschikbaar voor de uitbreiding van vaccinaties en preventieve medicatie.

Bijdragen aan agentschappen

RIVM: Opdrachtverlening Centra

Het RIVM stelt zich tot doel om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen en te bevorderen. Het RIVM doet dit door middel van het (doen) uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en advisering op het terrein van volksgezondheid en het voeren van de regie op diverse terreinen van de publieke gezondheid. Binnen het RIVM zijn hiertoe verschillende centra actief, zoals:

    • Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) ontvangt financiële middelen voor het vervullen van zijn taken ten aanzien van de preventie en bestrijding van infectieziekten met specifiek ook aandacht voor antimicrobiële resistentie, het bevorderen van seksuele gezondheid door de ondersteuning van professionals bij een goede uitvoering en taken op het gebied van vaccinologie (€ 49,4 miljoen).
    • Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) ontvangt financiële middelen voor het uitvoeren van zijn coördinerende taken gericht op de voorlichting over bevolkingsonderzoeken, het Nationaal Programma Grieppreventie en pre- en neonatale screeningen en de kwaliteit van de uitvoering en monitoring ervan. Mensen die tot de betreffende doelgroep behoren, kunnen vrijwillig aan de bevolkingsonderzoeken deelnemen (€ 18,5 miljoen). Ook verzorgt het CVB de uitvoering van de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (€ 19,2 miljoen), het Nationaal Programma Grieppreventie (€ 10,1 miljoen) en de hielprik (€ 17,3 miljoen).
    • Het Centrum Gezondheid en Milieu (CGM) ontvangt financiële middelen om de Minister van VWS en de regio’s bij te staan met gezondheidskundige advisering, advisering over het uitvoeren van gezondheidsonderzoek en risicoanalyses over mogelijke gezondheidseffecten en over psychosociale nazorg. Vragen over gezondheid en veiligheid in relatie tot milieu en het voorkomen van incidenten en rampen komen samen bij het CGM. Het CGM is erop gericht deze kennis waar nodig te ontwikkelen, te borgen en te ontsluiten voor professionals en bestuurders (€ 6 miljoen).
    • De Dienst Vaccinatievoorzieningen en Preventieprogramma’s (DVP) zorgt ervoor dat er voldoende goede en betaalbare vaccins, antisera en slecht verkrijgbare medicijnen beschikbaar zijn voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het Nationaal Programma Grieppreventie (NPG) en calamiteiten (€ 2 miljoen). Voor de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma is € 118,9 miljoen beschikbaar, inclusief de eenmalige extra vaccinatiecampagne tegen meningokokken type W infectie (TK 32 793, nr. 322).
    • Het Centrum Gezond Leven (CGL) ontvangt financiële middelen met als doel samenhangende en effectieve lokale gezondheidsbevordering te faciliteren. Het CGL bevordert het gebruik van erkende leefstijlinterventies, onder meer door beschikbare interventies overzichtelijk te presenteren en te beoordelen op kwaliteit en samenhang en het versterken van gezondheidsbeleid via diverse handreikingen. Daarnaast voert het CGL het programma «Structurele versterking Gezondeschool.nl» uit (€ 3,2 miljoen).
  • 3. 
    Gezondheidsbevordering

Subsidies

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

Organisaties zoals het Trimbos-instituut ontvangen instellings- en projectsubsidies voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik en voor andere VWS-beleidsterreinen, zoals de geestelijke gezondheidszorg. Het Trimbos-instituut zet zich in om wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie te geven aan professionals en burgers. Voorbeelden zijn de uitvoering van de Nationale Drug Monitor (NDM), het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS), het Nationaal Expertisecentrum Tabak (NET) en ondersteuning van de Taskforce Rookvrije Start. Voor 2019 gaat het om projectsubsidies van circa € 3,4 miljoen en bij de instellingssubsidies gaat het in totaal om circa € 6,7 miljoen.

Gezonde leefstijl en gezond gewicht

De inzet op gezonde leefstijl, gezonde voeding en een gezond gewicht krijgt in 2019 extra aandacht via het Nationaal Preventieakkoord. Hierbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij effectieve en bestaande programmalijnen. Dit zijn onder andere:

    • Subsidie aan het Voedingscentrum om te voorzien in de juiste informatie over gezonde voeding voor burgers en professionals.
    • Subsidie aan de Stichting Jongeren Op Gezond Gewicht (TK 34 080 A, nr. 1) om in gemeenten een gezonde(re) omgeving te creëren en in te zetten op een stijging van het aantal jongeren op een gezond gewicht in minimaal 75 (JOGG-) gemeenten in 2020. Hierbij werkt de stichting samen met diverse partijen: overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Vanuit Care for Obesity wordt ingezet op de doorontwikkeling en implementatie van het landelijk model voor een sluitende ketenaanpak op obesitas voor kinderen.
    • Het brede programma Gezonde School en Gezonde Kinderopvang. Hierin worden in nauwe samenwerking met de Ministeries van OCW, EZK en SZW kinderen in voorschoolse voorzieningen, het basis- en voortgezet onderwijs en mbo gestimuleerd tot een gezonde leefstijl. Onderdeel daarvan is het streven dat alle schoolkantines beschikken over een gezond aanbod volgens de richtlijnen van het Voedingscentrum.

Letselpreventie

Voor letselpreventie is € 4,2 miljoen beschikbaar. Dit is onder andere voor een instellingssubsidie aan de Stichting VeiligheidNL voor het uitvoeren en monitoren van haar activiteiten die zijn gericht op letselpreventie. Zij doen dit door middel van interventies en programma’s voor bijvoorbeeld jongeren en ouderen.

Bevordering van kwaliteit en toegankelijkheid van zorg

De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie (€ 4,6 miljoen) voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Het gaat daarbij om mensen die minder vaardig zijn in het verkrijgen, begrijpen en gebruiken van informatie over (hun) gezondheid bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen. Verder worden gemeenten geactiveerd om lokale gezondheidsachterstanden structureel aan te pakken. Het lokale proces wordt ondersteund door het landelijk stimuleringsprogramma waarin kennis van werkzame interventies, goede voorbeelden en ervaringen worden samengebracht, onder regie van Pharos en Platform31 (TK 32 793, nr. 267).

Bevordering van de seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (onder andere FIOM), dan wel via het RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers, Soa-Aids Nederland, Stichting HIV-monitoring en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse instellingen die zich bezighouden met gezondheidsbevordering. De middelen die via het RIVM als subsidie worden verstrekt aan (onder andere) de genoemde organisaties staan geraamd onder het artikelonderdeel Ziektepreventie. Voor onbedoelde zwangerschappen is in 2019 € 17,2 miljoen beschikbaar. Inmiddels is hiervan € 5 miljoen overgeheveld vanaf de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën. Tot slot is voor preventief gebruik van hiv-remmers (PrEP) € 3,4 miljoen beschikbaar (TK 29 477, nr. 511).

Opdrachten

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

De geraamde kosten voor de medicatie voor de medische heroïnebehandeling zijn € 3,1 miljoen; zie verder onder Bijdragen aan medeoverheden.

Bijdragen aan medeoverheden

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

VWS verstrekt een financiële bijdrage (circa € 13,3 miljoen) aan gemeenten voor het binnen een gesloten systeem aanbieden van een behandeling van een beperkte groep langdurige opiaatverslaafden, waarbij naast methadon medicinale heroïne wordt verstrekt.

Kengetallen Gezondheidsbevordering (in procenten)

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Rokers 18 jaar e.o.1

28,6

26,9

27,0

24,5

24,7

25,7

26,3

24,1

23,1

Rokers laatste maand, 12-16 jaar2

16,9

10,6

Alcoholgebruik laatste maand, 12-16 jaar2

37,8

25,5

Cannabisgebruik laatste jaar, 12-16 jaar2

6,0

9,7

Cannabisgebruik laatste jaar 18 jaar e.o.3

6,8

7,6

6,7

6,6

7,2

Overgewicht 18 jaar e.o. 4

46,4

47,3

47,3

47,1

47,1

49,4

49,3

49,2

48,7

Overgewicht 4-18 jaar4

13,2

13,3

12,5

12,3

11,7

11,9

11,6

13,6

13,5

Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures (x 1.000)5

640

600

600

590

430

519

506

470

577

Bronnen:

1: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM

2: Jeugd en Riskant Gedrag 2015, Trimbos-instituut

3: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Door wijziging in meetmethoden na 2009 zijn de cijfers met 2014 en 2015 beperkt vergelijkbaar.

4: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Door wijziging in meetmethoden tussen 2009 -2010 en 2013-2015 zijn de cijfers vóór en na deze perioden slechts in beperkte mate te vergelijken.

5: Kerncijfers LIS, VeiligheidNL. De daling in 2013 is toe te schrijven aan een technisch registratieprobleem in dat jaar.

  • 4. 
    Ethiek

Subsidies

Abortusklinieken

Sinds de inwerkingtreding van Wet langdurige zorg vindt de subsidiëring van de abortusklinieken (€ 16,1 miljoen) plaats via een subsidieregeling.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

Het CIBG verzorgt het secretariaat van de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (€ 1,3 miljoen).

De secretariaten van de regionale toetsingscommissies euthanasie en de beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen zijn bij een uitvoeringseenheid van het Ministerie van VWS ondergebracht. De daarmee samenhangende middelen staan geraamd op artikel 10 onder Personele uitgaven kerndepartement.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

CCMO is een bij wet (Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Embryowet) ingestelde commissie en waarborgt de bescherming van proefpersonen betrokken bij medisch-wetenschappelijk onderzoek, via toetsing aan de daarvoor vastgestelde wettelijke bepalingen en met inachtneming van de voortgang van de medische wetenschap. Vanwege de implementatie van EU-verordening 536/2014 i voor klinisch geneesmiddelenonderzoek krijgt de CCMO een aantal extra taken en bevoegdheden.

De CCMO ontvangt in 2019 in totaal een bijdrage van € 4,2 miljoen. Deze middelen staan geraamd op artikel 10 bij het onderdeel Personele uitgaven SCP en raden.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

In het kader van haar handhavingsbeleid schrijft de NVWA bestuurlijke boetes uit. Hieruit vloeien ontvangsten voort. Deze worden voor 2019 geraamd op € 5,4 miljoen.

Overig

Dit betreft geraamde ontvangsten als gevolg van in eerdere jaren te hoog verstrekte (subsidie)voorschotten (€ 6,5 miljoen).

Beleidsartikel 2 Curatieve zorg

  • 1. 
    Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk verantwoorde kosten.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister voor Medische Zorg is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) de wettelijke basis van dit stelsel.

Vanuit deze verantwoordelijkheid vervult de Minister de volgende rollen:

Stimuleren:

    • Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt)veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.
    • Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren. Belangrijk daarin zijn de initiatieven om te komen tot een betrouwbare en veilige informatieuitwisseling. Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.
    • Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening.
    • Het bevorderen dat verzekerden beschikken over de juiste en begrijpelijke informatie om een keuze te kunnen maken voor een zorgverzekering.
    • Het stimuleren van regionale samenwerking tussen zorgaanbieders in de eerste en de tweedelijn om antibioticaresistentie aan te pakken.
    • Het faciliteren en ondersteunen van gemeenten en regio’s in het realiseren van een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag.

Financieren:

    • Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.
    • Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek.
    • Het financieren van onderzoek dat gericht is op een snellere ontwikkeling van waarde toevoegende medische producten en behandelwijzen tegen aanvaardbare prijzen.
    • Het financieren van onderzoek dat bijdraagt aan kwalitatief goed gepast gebruik van genees- en hulpmiddelen.
    • Het financieren van initiatieven voor het ontwikkelen van alternatieve verdienmodellen voor geneesmiddelenontwikkeling.
    • Verbetering van de kwaliteit van de zorg door financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen.
    • Financieren van diverse initiatieven gericht op suïcidepreventie waaronder 24/7 beschikbaarheid van acute anonieme psychische hulp.
    • Het (mede)financieren van het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector.
    • Het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie.
    • Het financieren van onderzoek ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.
    • Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het (deels) compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan onverzekerde (verwarde) personen, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.
    • Het compenseren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren (risicoverevening).
    • Financieren van initiatieven op het gebied van ICT infrastructuur ten behoeve van innovatieve zorgverlening en toegankelijkheid van gegevens voor patiënten.

Regisseren:

    • Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.
    • Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.
    • Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld het BIG-register) die worden bijgehouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Thema Betaalbaarheid van de zorg

Het kabinet wil zich de komende jaren inzetten voor het verder verbeteren van de kwaliteit, doelmatigheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg. Daarom zijn er voor de periode 2019 - 2022 hoofdlijnenakkoorden gesloten voor de medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging. Met deze akkoorden hebben betrokken partijen zich gecommitteerd aan een transformatie naar de juiste zorg op de juiste plek. Doel hiervan is om de komende jaren (duurdere) zorg te voorkomen, zorg te verplaatsen, de kwaliteit en doelmatigheid te verbeteren en waar zinvol «traditionele» zorg te vervangen door nieuwe, meer innovatieve vormen van zorg met een gelijkwaardige of betere kwaliteit. Ook over andere inhoudelijke onderwerpen zijn afspraken gemaakt zoals bijvoorbeeld arbeidsmarkt, contractering, regeldruk, kwaliteit en transparantie, wachttijden, e-health en innovatie en zorginfrastructuur.

Hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg

Voor de periode 2019-2022 is een hoofdlijnenakkoord gesloten voor de medisch-specialistische zorg. Om de kwaliteit van zorg nog verder te verbeteren zijn in dit hoofdlijnenakkoord afspraken gemaakt over de beweging naar het leveren van de juiste zorg op de juiste plek, door de juiste professional, op het juiste moment en tegen de juiste prijs. Concreet betekent dit dat de zorg minder zal gaan plaatsvinden in de medisch-specialistische zorg en meer in de eerstelijnszorg door huisartsen en wijkverpleegkundigen. Het maximale landelijke groeipercentage in de medisch-specialistische zorg bouwt gedurende het akkoord af van 0,8% in 2019 naar 0% groei in 2022. Om deze transformatie vorm te geven zijn vanaf 2019 transformatiemiddelen beschikbaar gesteld voor de looptijd van het akkoord. De NZa analyseert de contracten tussen verzekeraars en aanbieders en maakt daarin zichtbaar welke transformatieafspraken zijn gemaakt.

Om de arbeidsmarkt en werkomstandigheden te verbeteren hebben partijen zich in het akkoord gecommitteerd aan het Actieprogramma Werken in de Zorg en de Arbeidsmarktagenda MSZ en is er een aantal concrete afspraken gemaakt. Zo stelt VWS vanaf 2019 € 2 miljoen per jaar beschikbaar voor de versterking van het imago van de verpleegkundigen en verzorgenden, vergroting van de aantrekkelijkheid en kwaliteit van het beroep en het behouden van voldoende zorgverleners in de praktijk. Tevens worden vanaf 2019 middelen vrijgemaakt voor functiedifferentiatie bij verpleegkundigen. Het programma Topzorg en het Citrienfonds zullen gedurende de looptijd van dit akkoord worden voortgezet. Hiervoor is in totaal € 13 miljoen per jaar beschikbaar.

In het akkoord is over de regeldruk afgesproken dat we ons richten op uitkomstregistraties. De ambitie is om het aantal structuur- en procesindicatoren met 25% te reduceren in 2019 en een verdere reductie in de jaren daarna. Verder worden dubbele registraties geschrapt en is afgesproken dat voor 1 maart 2019 een nieuwe werkwijze wordt vastgesteld voor de governance van de uitwerking van medisch inhoudelijke richtlijnen. Verder hebben partijen afgesproken dat datasets binnen de kwaliteitsregistraties worden gestandaardiseerd en partijen in 2019 een plan opstellen ten aanzien van het reduceren van het aantal te registreren items.

Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg

Voor de periode 2019 - 2022 is er een hoofdlijnenakkoord gesloten voor de huisartsenzorg. Doel van het hoofdlijnenakkoord is om de kwaliteit van zorg in Nederland verder te verbeteren en eraan bij te dragen dat de zorg zowel nu als op de lange termijn fysiek, tijdig als financieel toegankelijk blijft voor iedereen die zorg nodig heeft, met als streven op termijn de totale kosten in de zorg niet sneller te laten stijgen dan de economische groei.

Om dit te bereiken zijn in het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg afspraken gemaakt over de beweging naar de juiste zorg op de juiste plek. In dit kader zijn onder andere afspraken gemaakt over meer tijd voor en met de patiënt, de zorg in de avond-, nacht- en weekenduren, het versterken van de organisatiegraad van de eerste lijn, de zorg voor kwetsbare groepen en ICT-infrastructuur. Huisartsen(organisaties) en verzekeraars geven hier regionaal invulling aan. Tevens wordt met dit akkoord extra geïnvesteerd in de zorg in achterstandswijken. Het maximaal landelijke groeipercentage in de huisartsenzorg is 2,5% in de jaren 2019 en 2020 en 3% in de jaren 2021 en 2022. Daarnaast wordt in 2019 structureel € 50 miljoen extra aan het kader toegevoegd. Ook wordt voor de zorg in achterstandswijken in 2019 € 11,8 miljoen structureel aan het kader toegevoegd. Daarnaast wordt er gedurende de looptijd van het akkoord in specifieke programma’s geïnvesteerd zoals het versterken van ICT in de huisartsenpraktijk, de digitale uitwisseling van gegevens tussen huisartsen en patiënten en de uitvoering van de nationale onderzoeksagenda huisartsengeneeskunde.

Hoofdlijnenakkoord wijkverpleging

In het hoofdlijnenakkoord wijkverpleging zijn specifieke afspraken gemaakt over het verder verbeteren van de contractering, het verstevigen van de verbinding van het medisch en sociaal domein en het verbeteren van de kwaliteit en transparantie. Partijen werken deze afspraken voor het eind van 2018 uit in een uitvoeringsraamwerk. In de wijkverpleging en bij de ggz loopt het aantal contracten tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars terug. Dit is onwenselijk. Contractering van zorg door zorgverzekeraars is namelijk hèt vehikel om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en de betaalbaarheid te vergroten en daarmee in het belang van patiënten en premiebetalers. Daarom heeft het kabinet conform het Regeerakkoord onderzoek gedaan naar de oorzaken van de teruglopende contractering (TK 29 689, nr. 885 en nr. 898). Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken zijn in het hoofdlijnenakkoord (HLA) over de wijkverpleging en het HLA ggz afspraken gemaakt om de contracteergraad te bevorderen. Vanaf het eerste kwartaal in 2019 wordt de ontwikkeling van het aandeel niet-gecontracteerde zorg per kwartaal in beeld gebracht en besproken. Het streven is om in 2019 een daling te realiseren ten opzichte van 2017.

Thema Zorg op de juiste plek

Zorg op de juiste plek

Het voorkomen van (duurdere) zorg, verplaatsen van zorg (dichterbij mensen thuis als het kan, verder weg als het moet) en het vervangen van zorg (door andere zorg zoals e-health) zijn belangrijke elementen van het nog beter laten functioneren en betaalbaar houden van ons zorgstelsel. In het rapport van de Taskforce Juiste zorg op de juiste plek worden deze thema’s benoemd en uitgewerkt (TK 29 689, nr. 896). Het rapport is door veldpartijen goed ontvangen en heeft een prominente plek gekregen in de afgesloten hoofdlijnenakkoorden. De Taskforce beoogt een beweging op gang te brengen in de zorgpraktijk, waarbij partijen beter kijken naar het effect van de zorg op het dagelijks functioneren van de zorggebruiker en de ontwikkeling van zorgvraag en -aanbod in de regio. Zodat partijen gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen om de zorg zo te organiseren dat deze beter aansluit op de (verwachte) behoefte van inwoners om goed te kunnen functioneren. VWS draagt hier graag aan bij en zal de Kamer in het najaar van 2018 informeren over hoe deze bijdrage zal worden ingevuld en welke activiteiten in 2019 zullen worden ondernomen om de veldpartijen te ondersteunen bij het realiseren van de doelen uit het rapport.

Polyfarmacie

Ouderen die meerdere geneesmiddelen gebruiken lopen een relatief groot risico op gezondheidsschade door verkeerd gebruik van deze geneesmiddelen of door bijwerkingen. Om dit risico te beperken is in 2012 door veldpartijen de multidisciplinaire richtlijn «Polyfarmacie bij ouderen» opgesteld. Er is sprake van polyfarmacie als een patiënt minimaal vijf verschillende geneesmiddelen gebruikt. Bij polyfarmacie is het belangrijk dat de patiënt juist geïnformeerd is over het gebruik van deze verschillende geneesmiddelen. Naast de informatie uit de bijsluiters hebben de verschillende zorgverleners van de patiënt een centrale rol in de informatieoverdracht over het gebruik van deze verschillende geneesmiddelen.

De richtlijn «Polyfarmacie bij ouderen» geeft een definitie van een voorstel voor de uitvoering van de periodieke medicatiebeoordeling, waarbij voorschrijver en apotheker in samenspraak met de patiënt periodiek, systematisch en op gestructureerde wijze het medicatiegebruik van de polyfarmaciepatiënt beoordelen. Op basis van ervaringen uit de praktijk en wetenschappelijke evaluaties is door de betrokken veldpartijen geconstateerd dat er behoefte is aan doorontwikkeling van de richtlijn. Gedurende de periode 2018-2020 ondersteunt VWS deze doorontwikkeling, waarmee handvatten beschikbaar komen voor het uitvoeren van een doelmatige medicatiebeoordeling op maat, met aandacht voor het verantwoord afbouwen en stoppen van medicatie.

Dure geneesmiddelen

Het kabinet wil zich de komende jaren inzetten voor een beheerste uitgavenontwikkeling voor genees- en hulpmiddelen. In het Regeerakkoord is hiertoe een taakstelling opgenomen die oploopt tot € 467 miljoen in 2022. Voor de invulling van deze taakstelling wordt gekozen voor een pakket van maatregelen en initiatieven dat niet alleen inzet op aanvaardbare prijzen van genees- en hulpmiddelen maar ook op het toegankelijk en beschikbaar houden van geneesmiddelen en het verminderen van bijbetalingen voor patiënten. Op 15 juni 2018 is hierover een brief naar de Tweede Kamer verzonden (TK 29 477, nr. 489). Er worden prijsdrukkende maatregelen en instrumenten vanuit centraal niveau ingezet, zoals aanpassing van de Wet geneesmiddelenprijzen, de voortzetting en uitbreiding van financiële arrangementen over dure geneesmiddelen en een modernisering van het geneesmiddelenvergoedingssysteem. Op decentraal niveau worden initiatieven op het gebied van scherpere inkoop van genees- en hulpmiddelen gefaciliteerd, zoals overhevelingen van geneesmiddelen van de openbare apotheek naar het ziekenhuis, preferentiebeleid en het platform inkoopkracht. Ook wordt er op internationaal niveau verder gewerkt, door een intensivering van de samenwerking met andere landen. Daarnaast wordt er vanaf 2019 een maximering voor eigen betalingen aan geneesmiddelen van € 250 per verzekerde per jaar geïntroduceerd.

Wettelijke verankering verzekerdeninvloed

Om de invloed van verzekerden op het beleid van hun zorgverzekeraar te borgen, wordt deze wettelijk vastgelegd. Doel is om de betrokkenheid van verzekerden bij het beleid van de zorgverzekeraar te vergroten. Hiertoe is inmiddels een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Het moment van inwerkingtreding is afhankelijk van de behandeling in beide Kamers. Individuele verzekerden krijgen de mogelijkheid om hun meningen en wensen kenbaar te maken over het zorginkoop- en het klantcommunicatiebeleid van zorgverzekeraars (verzekerdeninspraak). Zorgverzekeraars moeten hiervoor een schriftelijke inspraakregeling vastleggen en een representatieve, deskundige en onafhankelijke verzekerdenvertegenwoordiging organiseren.

Polisaanbod

Het aanbod van zorgverzekeringspolissen is erg groot. Hoewel het goed is om iets te kiezen te hebben, is het huidige aanbod van een dergelijke omvang dat het de keuze juist bemoeilijkt. Bovenal blijkt dat het aanbod vooral bestaat uit polissen die sterk op elkaar lijken of identiek zijn, maar met andere «verpakkingen» worden aangeboden en waarvan de premie wel verschilt. Er worden daarom maatregelen getroffen om het polisaanbod overzichtelijker en inzichtelijker te maken en te verkleinen. Zorgverzekeraars zijn opgeroepen om zich te committeren aan een kleiner en meer onderscheidend polisaanbod. De NZa houdt toezicht op de transparantie van het polisaanbod; het moet verzekerden direct duidelijk zijn met welke «standaardpolis» ze van doen hebben en welke alternatieven er zijn. Daarnaast wordt met ingang van 2020 de korting op collectiviteiten verlaagd naar 5%. Met zorgverzekeraars is besproken dat ze nog een kans krijgen om de korting te legitimeren via zorginhoudelijke elementen. In 2020 zal een nieuwe meting naar de stand van zaken worden uitgevoerd.

Subsidieregeling Veelbelovende Zorg Sneller bij de Patiënt

Het Zorginstituut gaat in samenwerking met ZonMw vanaf 2019 uitvoering geven aan de subsidieregeling Veelbelovende Zorg Sneller bij de Patiënt, die de regeling voor voorwaardelijke pakkettoelating per 2019 gaat vervangen (TK 29 269, nr. 905). Voor lopende voorwaardelijke toelatingstrajecten betekent dit dat deze trajecten onder de huidige regeling blijven lopen tot ze zijn afgerond. Dit geldt ook voor ingediende voorstellen in de rondes van 2017 en 2018 die nog in de procedure zitten.

Het doel van de nieuwe subsidieregeling is het versnellen van de toegang van de patiënt tot potentieel veelbelovende en innovatieve zorg via opname in het basispakket. Tevens is het van belang om met deze regeling kleinere innoverende partijen (zoals MKB, start-ups, algemene ziekenhuizen) beter te kunnen ondersteunen bij deze laatste ontwikkelstap richting het basispakket.

De subsidieregeling kent een aanloopfase van één jaar in verband met de doorlooptijd van de voorbereidingsprocedure van de onderzoekaanvragen die circa één jaar beslaat.

De voor de subsidieregeling beschikbare bedragen worden derhalve vanaf 2020 in de begroting verwerkt. Vanuit de subsidieregeling, de geneesmiddelenregeling en de aanvullende inzet op zorgevaluatie van bestaande zorg zal structureel jaarlijks € 105 miljoen beschikbaar worden gesteld.

Thema GGZ

Agenda GGZ

De Agenda voor de ggz voor gepast gebruik en transparantie is een agenda gepresenteerd door vertegenwoordigers van patiënten, zorgprofessionals en ggz-instellingen in 2015. Inmiddels is het een samenwerkingsverband geworden tussen deze partijen. VWS is betrokken in een toehorende rol. Dit jaar richtte de Agenda een nieuw kwaliteitsinstituut ggz op waarin het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling ggz (NKO) en Stichting Benchmark ggz opgaan, genaamd Akwa. De oprichting van Akwa zal in januari worden afgerond.

Hoofdlijnenakkoord GGZ

Voor de periode 2019-2022 is een hoofdlijnenakkoord gesloten voor de geestelijke gezondheidszorg. Partijen hebben de ambitie zich de komende jaren gezamenlijk in te zetten voor een inclusieve samenleving, zonder stigma voor mensen met ggz-problematiek, waarin er vanuit de maatschappij gekeken wordt welke ondersteuning en zorg iemand nodig heeft om naar eigen vermogen mee te doen (niet het systeem, maar de mens is leidend en beslist mee). Verzekeraars, zorgkantoren, gemeenten en aanbieders maken uiterlijk 1 juli 2019 nadere afspraken over de in- en uitstroom van patiënten in beveiligde zorg.

Verder wordt in 2019 de inzet van diverse (ondersteunende) beroepen, zoals de ervaringsdeskundige medewerker, gefinancierd vanuit de reguliere tarieven. Zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bezien hoe de reeds bestaande financieringsmogelijkheid van max-maxtarieven beter benut kan worden. Partijen verzoeken de NZa in 2019 een bekostigingsexperiment uit te voeren dat ondersteunend is aan de invoering van een nieuwe prestatiestructuur en waarin de beroepen die het meest bijdragen aan het verkorten van de wachttijden declarabel worden.

Om bij te dragen aan het oplossen van het tekort aan regiebehandelaren stelt VWS in 2019 150 extra opleidingsplaatsen voor gz-psychologen beschikbaar bovenop de 610 plekken die al eerder beschikbaar zijn gesteld op basis van het advies van het Capaciteitsorgaan. Ook wordt in 2019 eenmalig maximaal € 20 miljoen, via de rijksbegroting en vooruitlopend op de raming van het capaciteitsorgaan, extra geïnvesteerd in opleidingen die het meest bijdragen aan het oplossen van de wachttijden.

Partijen spreken af om de afspraken waar dat nodig is voor 1 januari 2019 te hebben voorzien van een SMART uitvoeringsraamwerk inclusief het benoemen van trekkers, tijdpaden en mee te nemen reeds lopende projecten en nog te starten projecten, zodat de uitvoering van het akkoord goed kan worden gevolgd. VWS blijft in gesprek met de partijen waarmee het akkoord gesloten is, om zo de voortgang te monitoren en te kijken waar knelpunten in de uitvoering zitten.

Op specifieke onderdelen zal de Kamer worden geïnformeerd over de voortgang. Zo zal het kabinet u met een brief na het zomerreces informeren over aanvullende maatregelen om contractering te bevorderen en de toename van niet-gecontracteerde zorg om te buigen. Ook wordt de Kamer op de hoogte gehouden van de voortgang van het traject rondom wachttijden.

Implementatie Wet verplichte ggz

Op 23 januari 2018 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) door de Eerste Kamer aangenomen. De wet zal per 1 januari 2020 in werking treden. De partijen die betrokken zijn bij de Wvggz zijn reeds gestart met de implementatie. In 2019 faciliteert VWS de ketenpartijen hierbij en is verantwoordelijk voor een eenduidige informatievoorziening over de wet in de vorm van handleidingen en andere voorlichtingsmaterialen.

Personen met verward gedrag

In 2018 en 2019 worden pilots uitgevoerd die erop zijn gericht een beter samenhangend aanbod van zorg en begeleiding tot stand te brengen. Deze samenhang komt niet vanzelf tot stand omdat de zorg en begeleiding op het grensvlak liggen van de Wmo en de Zvw. Bijzondere aandacht gaat uit naar het flexibel kunnen op- en afschalen van behandeling en begeleiding, omdat bij psychische problematiek het verloop vaak grillig is. De pilots geven inzicht in de opbrengst en effectiviteit van de flexibele inzet van begeleiding en behandeling en in de randvoorwaarden die nodig zijn om dit te kunnen realiseren. Dit resultaat is uiterlijk aan het einde van de pilotperiode gerealiseerd (TK 25 424, nr. 377).

Om de keten van acute en niet-acute zorgmeldingen te verbeteren worden pilots uitgevoerd naar een modelmeldfunctie. Met deze pilots zal worden getest op welke manier 24/7 bereikbaarheid van de gemeentelijke of regionale advies- en meldpunten doelmatig en doeltreffend georganiseerd kan worden. Aan hand van de pilots zal het definitieve model worden vastgesteld.

Bij een aantal gemeenten is extra inzet nodig om te komen tot een volledig landelijk dekkende aanpak van verwarde personen. Achterblijvende gemeenten worden geholpen door de inzet van deskundigen (Vliegende Brigade).

De inzet moet resulteren in extra lokale en regionale samenwerkingsafspraken in de jaren 2019 en 2020 (TK 25 424, nr. 395).

Thema Preventie

Suïcidepreventie

Uit onderzoek blijkt dat de helft van de lesbische, homo- en biseksuele jongeren wel eens aan zelfmoord denkt en dat lesbische, homo- en biseksuele jongeren bijna 5 keer vaker een suïcidepoging doen dan leeftijdsgenoten (Kuyper, 2016). In het Regeerakkoord is afgesproken dat gedurende deze kabinetsperiode extra zal worden ingezet op het terugdringen van suïcide, en dat daarbij speciale aandacht geschonken zal worden aan lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen.

Hiertoe wordt de hulp en steun die 24 uur per dag laagdrempelig door 113 Zelfmoordpreventie wordt geboden voortgezet. Daarnaast zal worden geïnvesteerd in het bereiken van meer mensen en het verbeteren van de effectiviteit en kwaliteit van het hulpaanbod. Op projecten die reeds lopen, zoals de Landelijke agenda, Supranet Community en Supranet Care, zal gedurende de periode 2018-2021 intensiever worden ingezet.

De proeftuinen die in 2016 door 113 Zelfmoordpreventie zijn gestart om met een lokale aanpak het aantal suïcides omlaag te brengen, zullen worden voortgezet. Binnen deze proeftuinen zal extra aandacht uitgaan naar de eerdergenoemde LHBTi-groep. Verder wordt in samenwerking en afstemming met het Ministerie van OCW een meerjarig project gestart gericht op de LHBTi-jongeren.

Over de voortgang vindt vier keer per jaar overleg plaats en de Kamer zal eveneens geïnformeerd worden over de voortgang en resultaten.

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

3.533.901

3.538.593

3.152.861

3.347.690

3.439.449

3.501.200

3.457.728

Uitgaven

3.735.344

3.493.577

3.177.587

3.257.687

3.295.545

3.387.002

3.458.028

Waarvan juridisch verplicht (%)

98%

  • 1. 
    Kwaliteit en veiligheid

149.906

199.147

241.563

236.582

196.664

190.195

140.636

Subsidies

138.424

178.347

215.995

193.218

174.318

171.243

122.285

IKNL en NKI

53.192

52.466

54.323

54.323

54.323

54.323

54.323

Zwangerschap en geboorte

5.504

5.323

3.104

2.604

2.604

2.604

2.604

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

3.401

3.648

3.712

3.712

3.712

3.712

3.712

Ontsluiten patiëntgegevens ziekenhuizen

25.289

47.875

28.844

0

0

0

0

Stimuleren E health en versterken inzet ICT GGZ

0

10.700

39.074

17.000

0

0

0

Nederlandse transplantatie stichting

3.790

3.705

7.500

7.500

7.500

7.500

7.500

Orgaandonatie en transplantatie

11.047

6.781

4.413

4.413

4.413

4.413

4.413

Expertisefunctie zintuigelijk gehandicapten

22.112

21.967

0

0

0

0

0

Antibioticaresistentie

3.257

10.000

15.100

15.100

15.100

15.100

15.100

Basisondersteuning Research Prinses Maxima Centrum

0

4.114

4.114

0

0

0

0

Digitale landelijke gegevensuitwisseling in de geboortezorg

0

0

4.500

4.500

3.500

2.500

0

Hoofdlijnenakkoord MSZ

0

0

13.000

38.000

37.000

35.000

10.000

Hoofdlijnenakkoord GGZ

0

0

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Hoofdlijnenakkoord Huisartsenzorg

0

0

18.000

23.000

23.000

23.000

0

Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging

0

0

2.800

4.430

4.872

4.938

403

Overig

10.832

11.768

12.511

13.636

13.294

13.153

19.230

Opdrachten

3.434

11.291

15.020

7.708

6.576

6.486

6.485

Publiekscampagne orgaandonatie

1.585

8.200

10.000

3.000

1.700

1.700

1.700

Overig

1.849

3.091

5.020

4.708

4.876

4.786

4.785

Bijdragen aan agentschappen

7.705

8.058

8.756

30.943

8.396

6.254

5.654

aCBG

2.700

2.700

0

0

0

0

0

CIBG: Donorregister

2.759

2.440

3.040

27.640

5.040

3.040

3.040

Overig

2.246

2.918

5.716

3.303

3.356

3.214

2.614

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

343

1.451

1.792

1.713

1.374

212

212

Overig

343

1.451

1.792

1.713

1.374

212

212

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

3.000

6.000

6.000

6.000

Overig

0

0

0

3.000

6.000

6.000

6.000

  • 2. 
    Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

3.457.367

3.245.303

2.858.118

2.961.103

3.051.962

3.161.168

3.278.484

Subsidies

22.493

44.046

52.385

44.891

39.518

39.153

39.152

Sluitende aanpak personen met verward gedrag

2.206

13.384

17.581

13.858

10.051

9.779

9.779

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

2.063

2.000

0

0

0

0

0

Stimuleringsprogramma competentieontwikkeling openbaar apothekers

236

1.789

2.888

2.723

0

0

0

Vertrouwenspersoon in de ggz

6.528

6.541

6.686

6.686

6.686

6.686

6.686

Suïcidepreventie

4.186

4.040

9.056

8.726

7.933

5.933

5.683

Subsidieregeling Borstvergroting transgenders

2.100

4.200

4.200

2.800

2.800

2.800

Overig

7.274

14.192

11.974

8.698

12.048

13.955

14.204

Bekostiging

3.429.614

3.185.514

2.787.715

2.906.618

3.000.521

3.108.625

3.225.023

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

2.490.500

2.695.900

2.749.100

2.868.000

2.961.900

3.070.000

3.186.400

Rijksbijdrage dempen premie ten gevolgen van HLZ

902.000

451.000

0

0

0

0

0

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

37.114

38.614

38.615

38.618

38.621

38.625

38.623

Opdrachten

3.544

10.489

14.308

6.497

8.795

8.268

8.268

Kwaliteit, veiligheid, doelmatigheid hulpmiddelen

194

3.200

900

900

900

900

900

Tolkenvoorziening huisartsen - statushouders

0

2.805

0

0

0

0

0

Pilot Inbedding Psychosociale zorg bij somatische aandoeningen

0

4.000

0

0

0

0

0

Implementatie wet verplichte GGZ

0

0

5.437

0

0

0

0

Overig

3.350

484

7.971

5.597

7.895

7.368

7.368

Bijdragen aan agentschappen

1.716

3.489

2.739

2.739

2.738

2.738

2.738

CIBG: WPG/GVS/APG

1.716

3.489

2.739

2.739

2.738

2.738

2.738

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

1.765

971

358

390

2.384

3.303

ZonMW: gepast gebruik genees- en hulpmiddelen

0

1.633

0

0

0

0

0

Overig

0

132

971

358

390

2.384

3.303

  • 3. 
    Ondersteuning van het stelsel

128.070

49.127

77.906

60.002

46.919

35.639

38.908

Subsidies

1.837

2.270

34.272

19.545

10.225

2.225

6.185

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

1.171

1.295

1.270

1.270

1.270

1.270

1.270

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

80

190

32.727

18.000

8.680

680

4.640

Overig

586

785

275

275

275

275

275

Bekostiging

3.430

0

0

0

0

0

0

Afwikkeling algemene kas ZFW

3.430

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten

104.121

22.076

17.696

15.023

11.261

7.981

7.290

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

23.056

21.950

17.570

14.897

11.135

7.855

7.164

Schadevergoeding Erasmus MC

80.968

0

0

0

0

0

0

Overig

97

126

126

126

126

126

126

Opdrachten

3.161

5.306

5.006

4.978

4.978

4.978

4.978

Risicoverevening

1.699

1.954

1.954

1.954

1.954

1.954

1.954

Uitvoering zorgverzekeringstelsel

263

1.215

915

887

887

887

887

Overig

1.199

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

Bijdragen aan agentschappen

15.521

14.284

15.595

15.594

15.593

15.593

15.593

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

15.521

14.284

15.595

15.594

15.593

15.593

15.593

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

5.110

5.256

4.781

4.781

4.781

4.781

SVB: Onverzekerden

0

3.099

3.781

3.781

3.781

3.781

3.781

Overig

0

2.011

1.475

1.000

1.000

1.000

1.000

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

81

81

81

81

81

81

VenJ: Bijdrage C2000

0

81

81

81

81

81

81

Ontvangsten

8.905

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

Overig

8.905

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 302,7 miljoen is 78% juridisch verplicht. Het betreft diverse subsidies op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid, subsidies ter bevordering van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en subsidies die de werking van het stelsel bevorderen.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 34,3 miljoen is 70% juridisch verplicht. Het betreft diverse opdrachten op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid en opdrachten die de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en de werking van het stelsel moeten bevorderen.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 2,8 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van verzekerden jonger dan 18 jaar en de bekostiging van de compensatie van (een deel van) de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2019 van € 17,7 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de de overgangsregeling FLO/VUT voor het ambulancepersoneel.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 27,1 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CJIB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 8 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het Zorginstituut Nederland voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet en de middelen aan ZonMW voor het programma goed gebruik hulpmiddelen.

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2019 van € 0,1 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan C2000.

  • 5. 
    Instrumenten

1.Kwaliteit en veiligheid

Subsidies

Integraal kankercentrum Nederland (IKNL) en Nederlands Kanker Instituut (NKI)

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) is een kennis- en kwaliteitsinstituut voor professionals en bestuurders in de oncologische en palliatieve zorg met als doel deze zorg voortdurend te verbeteren. Het IKNL draagt bij aan het verbeteren van de oncologische en palliatieve zorg door het verzamelen van gegevens, het opstellen van richtlijnen, het bewaken van kwaliteit, het faciliteren van samenwerkingsverbanden en bij- en nascholing. In totaal is voor de uitvoering van deze activiteiten in 2019 een bedrag van € 36,8 miljoen beschikbaar.

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI) is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. VWS financiert het NKI met als doel fundamenteel, translationeel en klinisch kankeronderzoek te bevorderen ten behoeve van verbetering van de overleving van kanker en kwaliteit van leven van de patiënt. In totaal is in 2019 een bedrag van € 17,5 miljoen beschikbaar. Mede naar aanleiding van de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 2.1. van de begroting van VWS wordt bezien hoe de subsidieverstrekking aan IKNL toekomstbestendig gemaakt kan worden door te bezien of deze nog effectief, doelmatig, rechtmatig is.

Zwangerschap en geboorte

De recente cijfers over de perinatale sterfte laten zien dat er in Nederland sprake is van een dalende trend. De cijfers uit verschillende andere Europese landen laten zien dat een verdere daling van de perinatale sterfte mogelijk is. De komende jaren zal daarom worden ingezet op het doorvoeren van verdere verbeteringen in de geboortezorg. Met als doel het terugdringen van de perinatale sterfte en het hebben van een goede start van moeder en kind. In 2019 is hiervoor in totaal circa € 3,1 miljoen beschikbaar. Een deel hiervan gaat als subsidie naar het College Perinatale Zorg (CPZ) en Perined. Perined zorgt ervoor dat de afzonderlijke registraties (van de verschillende beroepsgroepen) worden gekoppeld, waardoor een sectorbrede perinatale registratie ontstaat, die mogelijkheden biedt voor onderzoek, vergelijkingen en indicatoren op basis waarvan verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Daarnaast ontvangt Perined middelen voor de perinatale audit. CPZ geeft richting aan de beste geboortezorg voor moeder en kind door visieontwikkeling, verbinden, agenderen, adresseren, faciliteren en regievoeren op het gebied van preventie, kwaliteitsontwikkeling, zwangere centraal en verbeteren integrale geboortezorg op basis van de adviezen van de stuurgroep Zwangerschap en Geboorte «Een goed begin»(2010) en de agenda geboortezorg 2018-2022 (TK 32 279, nr. 119).

Verder is er voor de periode 2017-2021 € 20 miljoen beschikbaar voor de voortzetting van het ZonMw-programma Zwangerschap en geboorte op basis van de nieuwe onderzoeksagenda «Een gezonde start voor moeder en kind; Integrale zorg rondom zwangerschap». Deze middelen zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

De Stichting Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) beheert de landelijke databank met alle pathologie-uitslagen en het computernetwerk voor de gegevensuitwisseling met alle pathologielaboratoria in Nederland. Alle 46 laboratoria voor pathologie in Nederland nemen deel aan het PALGA-netwerk. De pathologielaboratoria zorgen gezamenlijk voor alle uitslagen van pathologieonderzoek: kwaadaardige aandoeningen, goedaardige aandoeningen maar ook de uitslagen van onderzoek waarbij geen afwijkingen zijn aangetroffen. Dankzij het PALGA-netwerk is een optimaal gebruik mogelijk van gegevens die eenmalig worden vastgelegd in het laboratorium. De gegevens in het centrale systeem vormen de basis voor de landelijke kankerregistratie, zijn onmisbaar voor de evaluatie en monitoring van de bevolkingsonderzoeken, ondersteunen de patiëntenzorg en worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Voor de uitvoering van deze activiteiten is in 2019 een bedrag beschikbaar van € 3,7 miljoen.

Ontsluiten patiëntgegevens medisch specialistische zorg

Gedurende de periode 2017-2019 stelt het Ministerie van VWS in totaal € 105 miljoen beschikbaar aan ziekenhuizen en andere instellingen voor medisch-specialistische zorg om hen in staat te stellen hun ICT-infrastructuur patiëntgerichter te maken en gestandaardiseerde gegevensuitwisseling mogelijk te maken (Versnellingsprogramma Informatieuitwisseling Patiënt en Professional (VIPP)). Hiermee krijgt de patiënt op veilige wijze toegang tot zijn gegevens en kan hij deze gebruiken voor regie over zijn gezondheid, bijvoorbeeld door de inzet van apps of delen met andere zorgverleners. Door de standaardisering van gegevensuitwisseling wordt ook een basis gelegd voor de inzet van e-health in de zorg en de ontwikkeling dat zorg steeds meer in netwerken en door meerdere zorgverleners wordt geleverd. In het kader van het onlangs gesloten hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg is er voor een vervolg op dit programma voor de periode 2020-2022 jaarlijks € 25 miljoen beschikbaar als tijdelijke impuls voor nieuwe ontwikkelingen. In de budgettaire tabel zijn deze middelen geraamd onder de post Hoofdlijnenakkoord medische specialistische zorg.

Stimuleren E health en versterken inzet ICT ggz

In de nieuwe afspraken «aanpak wachttijden ggz (TK 25 424, nr. 369)» is afgesproken om de inzet van e-health in de ggz te stimuleren en te investeren in informatievoorziening zoals een verbeterde uitwisseling tussen zorgverleners en hun patiënten. Dit draagt eraan bij dat de patiënt veilig en gestandaardiseerd over zijn medische gegevens kan beschikken in een persoonlijke gezondheidsomgeving en kan kiezen met welke zorgverleners hij deze wil delen. De inzet van e-health is belangrijk om patiënten meer steun te kunnen bieden als zij op de wachtlijst staan, en ervoor te zorgen dat de patiënt eerder bij de juiste zorgverlener terecht kan. Hierdoor kan er doelmatiger worden behandeld wat op termijn bijdraagt aan kortere wachttijden. Hiervoor is in de periode 2018-2020 in totaal € 50 miljoen beschikbaar.

Nederlandse Transplantatie Stichting

De Nederlandse Transplantatie Stichting krijgt op structurele basis subsidie voor activiteiten op het terrein van voorlichting over orgaandonatie en het ondersteunen en monitoren van de donorwerving in ziekenhuizen. In 2019 wordt een aantal taken en activiteiten op het terrein van weefseldonatie die tot en met 2018 premiegefinancierd waren toegevoegd aan de subsidie. In 2019 wordt in totaal een bedrag van € 7,5 miljoen geraamd.

Orgaandonatie en transplantatie

Twintig ziekenhuizen in regio’s rondom de academische centra van Groningen, Nijmegen, Maastricht, Utrecht, Amsterdam, Leiden en Rotterdam krijgen subsidie voor beleid en organisatie rond orgaandonatie. De bekostiging van de Zelfstandig Uitname Teams (ZUT) wordt met ingang van juli 2018 volledig gefinancierd door een premiegefinancierde beschikbaarheidbijdrage postmortale orgaandonatie. Hierdoor daalt het subsidiebedrag ten opzichte van voorgaande jaren tot € 4,4 miljoen.

Antibioticaresistentie

Zoals aangegeven in de laatste Kamerbrief over de voortgang aanpak antibioticaresistentie (TK 32 620, nr. 201) is op 1 mei 2017 een tweejarige pilot gestart waarin tien regionale zorgnetwerken antibioticaresistentie (ABR) worden opgebouwd tot actieve en effectieve samenwerkingsverbanden. In 2018 is de structurele bekostiging van de zorgnetwerken ABR voorbereid (TK 32 620, nr. 203). De verwachting is dat vanaf 1 mei 2019 de regionale zorgnetwerken ABR volledig operationeel zijn. Voor de aanpak van antibioticaresistentie in de zorg is vanaf 2019 een bedrag van € 15,1 miljoen beschikbaar.

Basisondersteuning research Prinses Maxima Centrum (PMC)

Om overlevingskansen voor kinderen met kanker te verbeteren is wetenschappelijk onderzoek van cruciaal belang. In juni 2018 is daartoe het Prinses Maxima Centrum geopend. Er is een researchorganisatie opgericht die wordt ondergebracht bij het PMC. Hiermee worden de doelmatigheid en opbrengsten van onderzoek van kinderoncologische zorg en hoogwaardig onderzoek verbeterd. Er wordt een subsidie verleend voor het bekostigen van de research infrastructuur in het algemeen (zoals het bekostigen van een deel van de vaste staf), de preklinische research infrastructuur (zoals de aanschaf van specifieke microscopen die gebruikt kunnen worden voor beeldvorming in cellen, tumoren en organen) en de klinische research infrastructuur (zoals het opzetten en uitbouwen van een trialcentrum). Hiervoor is in 2019 een bedrag van € 4,1 miljoen beschikbaar. Vanaf 2020 zal dit worden gefinancierd vanuit de beschikbaarheidbijdrage academische zorg.

Digitale landelijke gegevensuitwisseling in de geboortezorg

Er is in het veld een grote behoefte aan gegevensuitwisseling tussen de verschillende professionals als extra stimulans voor integraal werken. Daarnaast is er de landelijke afspraak gemaakt over het mogelijk maken van het ontsluiten van de gegevens naar de patiënt per 2020.

In de periode 2019-2022 is € 15 miljoen beschikbaar voor het landelijk digitaal uitwisselen van gegevens in de keten geboortezorg (van preconceptiezorg tot aan 6 weken post partum met overdracht naar JGZ) en het ontsluiten van deze gegevens naar de cliënt. Het zal per subsidie verleend gaan worden aan regio’s.

Hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg

Het programma Topzorg en het Citrienfonds zullen gedurende de looptijd van dit akkoord worden voortgezet. Hiervoor is in totaal € 13 miljoen per jaar beschikbaar. Om de randvoorwaarden te realiseren zoals genoemd bij de onderdelen innovatieve zorgvormen/e-health en ICT-zorginfrastructuur in dit akkoord zal, in vervolg op het Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (VIPP), een nieuw programma worden ingericht voor alle instellingen die medisch-specialistische zorg leveren (Universitair Medische Centra, algemene ziekenhuizen, revalidatiecentra, zelfstandige behandelcentra en overige instellingen voor medisch-specialistische zorg), uitgezonderd ggz-instellingen. Dit programma richt zich specifiek op het realiseren van aansluiting bij het afsprakenstelsel van MedMij zodat de patiënt op een veilige manier over zijn medische gegevens kan beschikken in een persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO). Voor dit programma is voor de periode 2020-2022 jaarlijks € 25 miljoen beschikbaar als tijdelijke impuls voor nieuwe ontwikkelingen.

De gelden die op dit moment beschikbaar zijn voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch-Specialistische zorg (€ 12,5 miljoen per jaar) en voor de Patiëntenfederatie Nederland voor patiëntenparticipatie (€ 3 miljoen per jaar) blijven ook gedurende de looptijd van het onderhavige akkoord beschikbaar. VWS treft in overleg met veldpartijen voorbereidingen om deze gelden vanaf 2019 via ZonMw te financieren. In afwachting van de uitkomsten uit dit overleg zijn deze middelen vooralsnog gereserveerd binnen het uitgavenplafond zorg, terug te vinden in hoofdstuk 6 van deze begroting (Financieel Beeld Zorg).

Hoofdlijnenakkoord geestelijke gezondheidszorg

Voor de uitvoering van het hoofdlijnenakkoord geestelijke gezondheidszorg is gedurende de looptijd van het akkoord (2019-2022) jaarlijks € 14,4 miljoen beschikbaar. Hiervan is jaarlijks € 5 miljoen beschikbaar voor het onderzoeksprogramma GGZ via ZonMw en € 2 miljoen voor projecten gericht op destigmatisering en zelfmanagement en herstel. Het reeds beschikbare bedrag van € 5 miljoen voor de uitvoering van de agenda voor gepast gebruik en transparantie blijft beschikbaar en is opgehoogd naar een bedrag van € 7,4 miljoen. VWS treft in overleg met veldpartijen voorbereidingen om deze gelden vanaf 2019 via ZonMw te financieren. In afwachting van de uitkomsten uit dit overleg zijn deze middelen vooralsnog gereserveerd binnen het uitgavenplafond zorg, terug te vinden in hoofdstuk 6 van deze begroting (Financieel Beeld Zorg).

Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg

Voor de uitvoering van het hoofdlijnenakkoord huisartsen is in 2019 € 18 miljoen en in de periode 2020-2022 € 23 miljoen beschikbaar. Voor de uitvoering van het programma OPEN is in 2019 € 15 miljoen en in de periode 2020-2022 jaarlijks € 20 miljoen beschikbaar. Voor de uitvoering van de Nationale Onderzoeksagenda Huisartsgeneeskunde van de NHG is voor de looptijd van dit akkoord jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar gesteld. De uitvoering van deze agenda zal verlopen via ZonMw.

Voor de uitvoering van landelijke projecten die ondersteunend zijn aan de afspraken in dit akkoord is voor de looptijd van dit akkoord jaarlijks een bedrag van € 1 miljoen beschikbaar.

De middelen die het NHG jaarlijks reeds ontvangt voor richtlijnontwikkeling in de huisartsenzorg (jaarlijks circa € 3 miljoen) worden structureel opgehoogd met € 0,1 miljoen voor patiënteninbreng bij richtlijnontwikkeling. VWS treft voorbereidingen om deze middelen vanaf 2019 via ZonMw te financieren. In afwachting van de uitkomsten uit dit overleg zijn deze middelen vooralsnog gereserveerd binnen het uitgavenplafond zorg, terug te vinden in hoofdstuk 6 van deze begroting (Financieel Beeld Zorg).

Hoofdlijnenakkoord wijkverpleging

Voor de uitvoering van het hoofdlijnenakkoord wijkverpleging is gedurende de looptijd van het akkoord (2019-2022) jaarlijks € 5 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de activiteiten in de paragraaf over kwaliteit en transparantie in het akkoord. Dit betreft ondermeer de ontwikkeling van kwaliteitsrichtlijnen en uitkomstindicatoren. Een deel van deze middelen is reeds belegd bij ZonMw en derhalve overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Overig

Hieronder vallen ondermeer de subsidies voor het toepassen van innovatieve perfusietechnieken voor donororganen (€ 1,7 miljoen), de werving van stamceldonoren door de stichting Matchis (€ 1 miljoen), kwaliteitsgelden (€ 4 miljoen), expertisecentra zeldzame aandoeningen (€ 0,5 miljoen) en de subsidieregeling Donatie bij leven (€ 0,9 miljoen).

Opdrachten

Publiekscampagne orgaandonatie

Met het oog op de nieuwe Donorwet wordt het publiek door doelgroep gerichte voorlichtingscampagnes zo goed mogelijk geïnformeerd over het Donorbeslissysteem. Hiervoor is in 2019 € 10 miljoen geraamd. In het najaar van 2018 zal de Tweede Kamer het hieraan ten grondslag liggende communicatieplan ontvangen.

Programma Gender en gezondheid

Voor het doen van onderzoek naar genderverschillen in de gezondheidszorg, en het beter verspreiden van kennis voert ZonMw van 2016 tot en met 2022 het programma «Gender en gezondheid» uit. VWS heeft hiervoor in totaal € 12 miljoen ter beschikking gesteld. De middelen hiervoor zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Overig

Hier worden ondermeer de kosten geraamd voor onderzoeken acute zorg (€ 0,4 miljoen) en maatregelen orgaandonatie (€ 0,8 miljoen).

Bijdragen aan agentschappen

aCBG

Het agentschap College ter beoordeling van Geneesmiddelen (aCBG) ontvangt in de periode 2017 tot en met 2019 jaarlijks € 2,7 miljoen om te investeren in uitbreiding en opleiding van personeel en het coachen en trainen van beoordelaars uit de nieuwere EU-lidstaten. Dit hangt samen met de voorgenomen Britse uittreding uit de EU en het daarmee gepaard gaande vertrek van de European Medicines Agency (EMA) uit Londen. Hierdoor neemt het aantal door het aCBG en elders te beoordelen toelatingsdossiers naar verwachting toe.

CIBG: donorregister

Het agentschap CIBG verzorgt onder meer het Donorregister waarin de keuze omtrent orgaandonatie van burgers wordt vastgelegd. In verband met de nieuwe Donorwet treft het Donorregister voorbereidingen voor het aanschrijven van het publiek in 2020 en het aanpassen van de ICT omgeving. In 2019 is een bedrag van € 3 miljoen voor het Donorregister gereserveerd.

Overig

Hier worden ondermeer kosten geraamd voor maatregelen invoeren Actief Donatie Registratie Systeem (€ 2,5 miljoen), implementatie verordening hulpmiddelen en goed gebruik medische hulpmiddelen (€ 0,5 miljoen), en onderzoeken acute zorg (€ 0,4 miljoen).

  • 2. 
    Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies

Sluitende aanpak personen met verward gedrag

Voor een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag wordt een samenhangend pakket aan maatregelen genomen waarvoor in 2019 ruim € 36 miljoen, in 2020 bijna € 32 miljoen en vanaf 2021 jaarlijks € 26 miljoen beschikbaar is gesteld.

Van het bedrag van € 36 miljoen dat beschikbaar is in 2019 is € 18 miljoen beschikbaar op artikel 2. Hiervan is € 8 miljoen beschikbaar om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland de zorg krijgt die hij/zij nodig heeft. Hiertoe is een subsidieregeling opgesteld waar zorgaanbieders - onder strikte voorwaarden - de kosten kunnen declareren voor zorg aan mensen die onverzekerd zijn. Daarnaast is er een bedrag van € 2 miljoen beschikbaar voor het stimuleren van pilots met een flexibele inzet van behandeling en begeleiding, een bedrag van € 4,5 miljoen voor het stimuleren van extra ggz expertise in de wijk, een bedrag van € 1,5 miljoen voor pilots met gemeentelijke meldpunten en een bedrag van € 2 miljoen voor het vervolg en de borging van de resultaten van het schakelteam personen met verward gedrag.

Van het bedrag van € 36 miljoen dat beschikbaar is in 2019 is € 15,5 miljoen beschikbaar op artikel 4. Een bedrag van € 12 miljoen is beschikbaar voor een meerjarig ZonMw-programma om projecten en initiatieven te faciliteren die bijdragen aan het realiseren van een regionale sluitende aanpak voor personen met verward gedrag. Voor het vervoer van personen met verward gedrag door regionale ambulancevoorzieningen is jaarlijks € 6 miljoen beschikbaar gesteld. In overleg met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland is ervoor gekozen vanaf 2018 tijdelijk een deel van deze middelen via ZonMw beschikbaar te stellen voor pilots met vervoer van personen met verward gedrag door regionale ambulancevoorzieningen. Het resterende bedrag van € 2,5 miljoen is beschikbaar binnen het uitgavenplafond zorg.

Stimuleringsprogramma competentieontwikkeling openbare apothekers

Om de huidige generatie openbaar apothekers, net als de nieuwe generatie openbaar apothekers, klaar te stomen voor de veranderingen in het beroep en te borgen dat zij toegerust zijn en blijven in het verlenen van farmaceutische patiëntenzorg wordt via een meerjarige projectsubsidie (2016- 2020) aan de KNMP een stimuleringsprogramma voor competentieontwikkeling van openbaar apothekers op de gewenste gebieden georganiseerd. In 2019 is hier een bedrag van € 2,9 miljoen voor gereserveerd.

Vertrouwenspersonen in de ggz

In de ggz kan een beroep worden gedaan op de patiëntenvertrouwenspersoon (pvp) en de familievertrouwenspersoon (fvp). De werkzaamheden van de pvp hebben een wettelijke basis in de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en het besluit Bopz. Met een instellingssubsidie stelt VWS de stichting PVP in staat om de wettelijke taak van de pvp uit te voeren. Met een instellingssubsidie aan de landelijke stichting familievertrouwenspersonen draagt VWS bij aan de financiering van een landelijk dekkend netwerk voor de inzet van familievertrouwenspersonen.

Op 1 januari 2020 treedt de wet verplichte geestelijke gezondheidszorg in werking en hebben de pvp en de fvp beiden een wettelijke verankering. In totaal is voor de vertrouwenspersonen in de ggz in 2019 een bedrag beschikbaar van € 6,7 miljoen.

Suïcidepreventie

Stichting 113 Zelfmoordpreventie (verder te noemen 113) ontvangt een instellingssubsidie voor het verlenen van concrete hulp en interventies alsook ook voor de verspreiding van kennis via voorlichting, bewustwording en advisering over het terugdringen van suicide. Daarnaast ontvangt 113 een projectsubsidie voor de coördinatie en het aanjagen van de uitvoering van de Landelijke agenda suïcidepreventie. De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de landelijke suïcidecijfers en de uitvoering van deze agenda. Verder ontvangt 113 een projectsubsidie voor Supranet. Het doel van deze subsidie is het realiseren van een lokale aanpak binnen zeven regio’s om het aantal suïcides terug te dringen. In 2019 is hiervoor € 9,1 miljoen beschikbaar.

Memorabel

Voor het vervolg op het ZonMw-onderzoeksprogramma Memorabel (deel 2) is in totaal € 32 miljoen beschikbaar voor de periode 2017-2020. Met dit programma wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek naar de oorzaken, preventie, diagnostiek en behandeling van dementie en de zorg voor mensen met dementie. Voor de curatieve zorg is hier jaarlijks € 3 miljoen voor beschikbaar gesteld, die zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Subsidieregeling borstvergroting transvrouwen

Bij de meerderheid van de man-vrouw transgenders is, ook na hormonale therapie, te weinig borstweefsel aanwezig om een voldoende vrouwelijk profiel te hebben. Transgenders ervaren dit als een ernstige belemmering bij hun transitie. Vergoeding via de Zorgverzekeringswet (Zvw) is niet mogelijk gebleken. Voor deze regeling is in 2019 en 2020 € 4,2 miljoen per jaar gereserveerd. In deze jaren is rekening gehouden met een mogelijke inhaalvraag. In de jaren daarna is een bedrag van € 2,8 miljoen per jaar beschikbaar.

Overig

Hier zijn ondermeer middelen gereserveerd voor subsidies gericht op destigmatisering en zelfmanagement en herstel in de ggz (€ 2 miljoen), toepasbaarheid van e health applicaties (€ 2,8 miljoen), alternatieve verdienmodellen apothekers (€ 1,3 miljoen) en stimulering innovaties bij hulpmiddelen (€ 1,3 miljoen).

Bekostiging

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie Zvw. De rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds (circa € 2,7 miljard) voorziet in de financiering van deze premie.

Zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

Zorgaanbieders kunnen een bijdrage vragen aan het CAK als zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen en de kosten daarvan niet of niet volledig verhaalbaar blijken op de patiënt. Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet (Zvw, art. 122a) gestelde voorwaarden. Voor compensatie aan de zorgaanbieders is in 2019 € 38,6 miljoen beschikbaar. De uitvoeringskosten van deze regeling zijn opgenomen in artikel 4 Zorgbreed beleid.

Opdrachten

Implementatie Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Op 23 januari 2018 is de Wet verplichte ggz (Wvggz) door de Eerste Kamer aangenomen. De wet zal per 1 januari 2020 in werking treden. In 2018 zijn de partijen die betrokken zijn bij de Wvggz gestart met de implementatie. Zij spannen zich gezamenlijk in voor een succesvolle implementatie van de Wvggz. Waar in 2018 reeds de nodige voorbereidingen zijn getroffen, komt de nadruk van de implementatie in 2019 te liggen. VWS is verantwoordelijk voor een eenduidige informatievoorziening over de wet in de vorm van handleidingen en andere voorlichtingsmaterialen. Daarnaast faciliteert VWS de ketenpartijen. Voor de implementatie van de wet is in 2019 € 5,4 miljoen beschikbaar.

Pilot inbedding psychosociale zorg bij somatische aandoeningen

Het landelijk overleg psychosociale oncologische zorg heeft samen met de Minister van VWS besloten tot een tweejarige pilot voor het inrichten van zorg voor patiënten die kanker hebben gehad en als gevolg daarvan aanpassingsstoornissen krijgen die niet kunnen worden behandeld door een huisarts. Voor deze pilot is in de jaren 2018 en 2019 € 8 miljoen beschikbaar. Deze pilot wordt uitgevoerd door ZonMw. De middelen voor de uitvoering van de pilot zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Overig

Hieronder zijn ondermeer middelen gereserveerd voor een vervolg op de publiekscampagne depressie (€ 1 miljoen), tolkenondersteuning huisartsen bij consulten nieuwe statushouders (€ 0,5 miljoen), het verzamelen van farmaceutische kentallen (€ 0,8 miljoen), de Europese horizonscan (€ 1 miljoen).

Bijdrage aan agentschappen

CIBG: WPG/GVS/APG

Betreft onder meer de kosten voor het uitvoeren van de Wet geneesmiddelenprijzen, het Geneesmiddelenvergoedingensysteem en de registraties van add-on’s (€ 2,7 miljoen).

  • 3. 
    Ondersteuning van het stelsel

Subsidies

Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen

De Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangt voor het project «Zorgverzekeringslijn» een instellingssubsidie. In 2019 gaat het om een bedrag van € 1,3 miljoen. De activiteiten van de Zorgverzekeringslijn voorzien in informatie en advies over de zorgverzekering, de verzekeringsplicht, wat te doen bij betalingsproblemen of onverzekerdheid en biedt zo nodig en gewenst een doorverwijzing naar lokaal welzijnswerk of schuldbemiddeling.

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

Voor vrijgevestigde medisch specialisten is een subsidieregeling ingesteld om de financiële belemmeringen voor een overstap naar loondienst te verminderen. Dit is een uitvloeisel van het hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg 2014-2017 en de invoering van integrale tarieven in de medisch-specialistische zorg. Op aanvraag wordt 80% van het subsidiebedrag van € 100.000 per specialist uitgekeerd, bij de vaststelling vier jaar na aanvraag het restant van 20%. In het Regeerakkoord zijn daarnaast extra middelen vanaf 2019 uitgetrokken ter bevordering van meer gelijkgerichtheid in het ziekenhuis door medisch specialisten te stimuleren de stap te maken naar het participatiemodel of loondienst. In overleg met de betrokken partijen wordt nog onderzocht op welke wijze dit het best kan worden vormgegeven. In het voorjaar van 2019 zal nadere besluitvorming plaatsvinden over de inzet van deze middelen. In 2019 is in totaal een bedrag van € 32,7 miljoen.

Inkomensoverdrachten

Overgangsrecht FLO/VUT ouderenregeling

Bij de afschaffing van de regelingen rond Functioneel Leeftijdsontslag/Vervoegde Uittreding (FLO/VUT) zijn afspraken gemaakt over de vergoeding van het overgangsrecht ouderenregelingen voor de verschillende diensten om de continuïteit van ambulancezorg te garanderen en om een ongelijk speelveld tussen de verschillende soorten ambulancediensten (publiek, B3 en particulier) te voorkomen. De kosten van het overgangsrecht zijn in de tarieven voor de ambulancediensten verwerkt. Met de ambulancediensten is een overeenkomst gesloten, waarin is geregeld dat een groot deel van de kosten bij VWS gedeclareerd kan worden. Om verschillen in de tariefstelling ten gevolge van de ouderenregelingen te voorkomen, is ervoor gekozen de betalingen van alle drie deze regelingen via de begroting van VWS te laten verlopen. In 2019 is hiervoor een bedrag beschikbaar van € 17,6 miljoen.

Opdrachten

Risicoverevening

In 2019 zullen diverse onderzoeken worden uitgevoerd met als doel om de risicoverevening in de toekomst verder te verbeteren. Partijen hebben diverse inhoudelijke verbeteringen aangedragen. Deze inhoudelijke verbeteringen zijn besproken in de Werkgroep Ontwikkeling Risicoverevening (WOR) en leiden tot een onderzoeksprogramma ten behoeve van het risicovereveningsmodel 2020 en een meerjarig onderzoeksprogramma. Het meerjarige onderzoeksprogramma bevat onderzoeken waarvan de resultaten niet direct betrekking hebben op het vereveningsmodel voor komend jaar vanwege een meer fundamentele vraagstelling en langere doorlooptijd. Voor 2019 is voor het gehele onderzoeksprogramma € 2 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan agentschappen

CJIB: onverzekerden en wanbetalers

Het kabinet vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering (Wet Ovoz) worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het CAK in samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Bij niet nakomen van de verzekeringsplicht kan tot twee keer een bestuursrechtelijke boete worden opgelegd. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). De uitvoeringskosten van het CAK (zie artikel 4 Zorgbreed beleid), de SVB en het CJIB worden door VWS betaald. Voor het CJIB is in 2019 € 15,6 miljoen beschikbaar

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

SVB: Onverzekerden

Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering (Wet Ovoz) worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het CAK in samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Bij niet nakomen van de verzekeringsplicht kan tot twee keer een bestuursrechtelijke boete worden opgelegd. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) (zie hierboven). De uitvoeringskosten van de SVB worden door VWS betaald. In totaliteit is voor de uitvoeringskosten van de SVB in 2019 een bedrag van € 3,8 miljoen geraamd.

Zorginstituut Nederland: Doorlichten pakket

In het regeerakkoord Rutte-Asscher is afgesproken dat het Zorginstituut Nederland (ZiNL) jaarlijks een deel van het verzekerd pakket zal doorlichten (stringent pakketbeheer/systematische doorlichting pakket). Hiervoor wordt aan het ZiNL aanvullend budget beschikbaar gesteld ten behoeve van de uitbreiding van personele capaciteit en onderzoek. Voor 2019 is een budget van € 9 miljoen beschikbaar. Deze middelen zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Beleidsartikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

  • 1. 
    Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat 1. ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en 2. - wanneer dit nodig is - thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg biedt. Daarbij worden ondersteuning en zorg geboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag en de weerbaarheid van de burger staan centraal bij het bieden van passende zorg. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

In dit begrotingsartikel zijn de begrotingsuitgaven voor de maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg opgenomen.

De premie-uitgaven en -ontvangsten op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ).

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een effectief en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit of thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen.

Gemeenten dragen zorg voor de ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In het Regeerakkoord is opgenomen dat het integreerdare deel van de integratie-uitkering Sociaal domein met ingang van 2019 opgaat in de algemene uitkering en daarmee deel uitmaakt van de trap-op-trap-af systematiek. Voor de Wmo 2015 gaat het om de integratie-uitkering Sociaal domein, deel Wmo 2015 - met uitzondering van het budget voor beschermd wonen - en de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten namens Wlz-uitvoerders overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Regisseren:

    • De Minister stelt de wettelijke kaders van de Wmo 2015 en de Wlz vast en stuurt onder meer door het maken van bestuurlijke afspraken en door gebruik te maken van de bevoegdheid van interbestuurlijk toezicht.
    • De Minister is verantwoordelijk voor het monitoren en evalueren van de werking van de Wmo 2015 en de Wlz.

Stimuleren:

    • De Minister stimuleert adequate uitvoering van betreffende wetten en vernieuwing in de maatschappelijk ondersteuning en de langdurige zorg en jaagt deze aan. Vernieuwing wordt hoofdzakelijk door burgers, cliëntenorganisaties, gemeenten, zorg- en welzijnsaanbieders en zorgverzekeraars vormgegeven.
    • De Minister stimuleert de ontwikkeling en verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg en initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de ondersteuning en zorg te versterken.

Financieren:

    • De Minister draagt zorg voor het financieren van de Wmo 2015 en de Wlz.
    • De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de Wlz en door het financieren van partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE).
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Ouderen zijn de toekomst

Programma Thuis in het Verpleeghuis

Ouderen moeten er op kunnen vertrouwen dat zij in het huis van hun keuze de aandacht en zorg krijgen die zij nodig hebben. Er is (daartoe) een omslag nodig zodat de kwaliteit op alle locaties hoog is. Het kwaliteitskader voor de Verpleeghuiszorg vormt hiervoor het unieke markeringspunt. In het Regeerakkoord is een bedrag oplopend tot € 2,1 miljard beschikbaar gesteld, zodat alle zorgaanbieders, die zorg leveren aan cliënten met een indicatie voor ZZP VV4 t/m VV9, in staat zijn te voldoen aan de vereisten in het kwaliteitskader verpleeghuiszorg. Het kwaliteitskader verpleeghuiszorg beschrijft waarop bewoners mogen rekenen als zij verhuizen naar een verpleeghuis. In april 2018 is het programma «Thuis in het Verpleeghuis - Waardigheid en Trots op elke locatie» gepresenteerd. Het programma heeft een aantal doelstellingen:

    • meer tijd en aandacht voor de cliënt;
    • voldoende, gemotiveerde en deskundige zorgverleners;
    • leren, verbeteren en innoveren binnen en tussen zorgorganisaties.

Het is belangrijk dat de extra middelen goed besteed worden en daarom komen middelen beschikbaar via een kwaliteitsbudget. De toekenning van dat budget is gekoppeld aan door verpleeghuizen opgestelde kwaliteitsplannen voor 2019 en latere jaren conform het kwaliteitskader verpleeghuiszorg. Via de zorginkoop maken zorgorganisaties hierover afspraken met hun zorgkantoor, zodat elk verpleeghuis in eigen tempo kan toegroeien naar het vastgestelde kwaliteitskader. In het Wlz-zorginkoopkader 2019 zijn tussen ZN en ActiZ afspraken gemaakt over de monitoring en over een begrotings- en verantwoordingsmodel. Als bij de eindafrekening blijkt dat de extra middelen niet zijn ingezet voor de afgesproken besteding, dan worden deze verrekend of teruggevorderd door het zorgkantoor.

Door onder andere informatie uit de kwaliteitsplannen (inclusief het kwaliteitsbudget), de kwaliteitsverslagen van zorgaanbieders en over het toezicht (IGJ) te aggregeren kunnen op sectorniveau resultaten in beeld gebracht worden. Resultaten die in het programma «Thuis in het Verpleeghuis» worden nagestreefd voor 2021 zijn een hogere cliënttevredenheid, meer tevreden zorgverleners, meer inzet van voldoende, gemotiveerde en deskundige zorgverleners, een betere verhouding tussen het aantal bewoners en het aantal zorgverleners, dalende administratieve lasten en het gebruik van innovatie technologie bij het verlenen van zorg door alle zorgorganisaties en zorgverleners. De Tweede Kamer zal eind september 2018 op de hoogte worden gebracht van de voortgang van het programma via een eerste voortgangsrapportage.

Programma Eén tegen eenzaamheid

Meer dan de helft van de 75+’ers zegt zich eenzaam te voelen. Het aantal ouderen gaat de komende jaren fors toenemen. Eenzaamheid is een naar en verdrietig fenomeen, met grote gevolgen voor de kwaliteit van leven. De doelstelling van het programma «Eén tegen eenzaamheid» is het signaleren en bespreekbaar maken alsmede het doorbreken en duurzaam aanpakken van eenzaamheid ten einde de trend van eenzaamheid onder ouderen onder 75+»ers te doorbreken. In 2019 worden, vanuit het actieprogramma «Eén tegen eenzaamheid», een landelijke coalitie en minimaal 100 lokale coalities tegen eenzaamheid ingericht. Vanuit die samenwerking, ervaringen vanuit de praktijk en in samenspraak met wetenschappers, worden effectieve aanpakken ingezet om eenzaamheid bij ouderen te verminderen. Het kabinet investeert hiertoe in deze kabinetsperiode € 29 miljoen. Een bewustwordingscampagne, trainingen voor het bespreekbaar maken van het onderwerp, het in kaart brengen van risicoprofielen per wijk en gemeente, kennisdeling en ondersteuning bij de implementatie van effectieve interventies zijn enkele voorbeelden van activiteiten die in 2019 zullen plaatsvinden. Eind 2018 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de voortgang door middel van een voortgangsrapportage. Er zal worden gemeten of in de periode 2018-2020 de beoogde trendbreuk in eenzaamheid is ingezet.

Programma Langer thuis

Door de demografische ontwikkelingen zal het aantal (kwetsbare) van het programma thuiswonende ouderen de komende jaren sterk groeien. Doel is dat mensen thuis kunnen blijven wonen met een goede kwaliteit van leven, zolang het kan. Dit brengt een grote opgave met zich mee. Deze wordt opgepakt langs drie actielijnen: 1) goede zorg en ondersteuning thuis, 2) ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers en 3) aanpak geschikt wonen. Bij de eerste actielijn wordt gemeten welk percentage van de mensen eigen regie ervaren in hun zorg en ondersteuning. Bij actielijn 2 wordt ondermeer gevolgd hoe het percentage overbelaste mantelzorgers zich ontwikkelt. Bij actielijn 3 ten slotte wordt gemeten welk percentage van de 75+’ers hun woning geschikt acht. In 2019 wordt onder het «Programma Langer Thuis» de ontwikkeling van ouderenzorg thuis gestimuleerd door meer geriatrische expertise op de juiste plek, een lerende praktijk in de regio, betere samenwerking tussen gemeenten en verzekeraars, regionale coördinatiepunten tijdelijk verblijf en het stimuleren van initiatieven gericht op vitaliteit van ouderen. Er gaat een innovatieregeling van start gericht op het digitale netwerkzorg thuis en op gegevensuitwisseling tussen professionals en patiënt bij langdurige zorg en ondersteuning. Ook wordt een brede bewustwordingscampagne mantelzorg uitgevoerd en het aanbod van mantelzorgondersteuning en respijtzorg gestimuleerd. Er worden experimenten uitgevoerd met de sociale benadering van dementie. Gemeenten worden ondersteund bij het in beeld brengen van de woonopgave voor ouderen en het helpen van ouderen een geschikte woning te vinden. Ook wordt de totstandkoming van nieuwe ouderenhuisvesting gestimuleerd door een «Community of Practice» op te richten, en door een nieuwe innovatieregeling voor nieuwe woonvormen voor ouderen.

Palliatieve zorg

Op grond van het Regeerakkoord is vanaf 2018 structureel € 8 miljoen beschikbaar gesteld voor de verbetering van palliatieve zorg. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief op 11 mei 2018. In 2019 zal worden gewerkt aan de implementatie van het nieuwe kwaliteitskader palliatieve zorg. Er is ondermeer een zorgplan voor de laatste levensfase in voorbereiding en kwaliteitsrichtlijnen krijgen een nodige update. Het overkoepelende Nationaal programma palliatieve zorg loopt in 2020 af. In de zomer van 2018 is gesproken over het vervolg met meer focus en aansluiting op andere programma's. Dit zal in 2019 verder worden uitgewerkt. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2018 een voortgangsbrief ontvangen.

Levensbegeleiders/geestelijke verzorging

Op het terrein van geestelijke verzorging zal in 2019 verder worden gewerkt aan het meer inschakelen van levensbegeleiders in de praktijk, het beter onderbouwen van de meerwaarde van deze zorg via onderzoek en het borgen van geestelijke verzorging in het onderwijs op alle niveaus. Middels het Regeerakkoord is voor deze kabinetsperiode een bedrag van € 35 miljoen beschikbaar gesteld. Vanaf 2021 gaat het om een bedrag van € 5 miljoen structureel per jaar. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2018 nader worden geïnformeerd over de aanpak.

Leven met een beperking

Programma Onbeperkt meedoen

Op 14 juni 2018 heeft het kabinet het programma «Onbeperkt meedoen» gelanceerd. Dat programma richt zich op de implementatie van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN Verdrag). De ambitie van dit programma is dat mensen met een beperking meer naar eigen wens en vermogen kunnen meedoen aan de samenleving, net als ieder ander. Hoofddoel van het programma is dat mensen met een beperking merkbaar minder drempels gaan tegenkomen die het meedoen in de weg staan. Met zeven actielijnen willen we concrete stappen verder zetten. Dat wordt gedaan samen met gemeenten, sectoren, maatschappelijke organisaties en natuurlijk mensen met een beperking zelf. Naar verwachting zullen in 2019 verschillende activiteiten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld op het terrein van de ontwikkeling van eenduidige richtlijnen voor toegankelijk (ver)bouwen, verbetering van de overgang van school naar werk, een verbeteragenda voor primair en voortgezet onderwijs, een wetsvoorstel dat de fysieke toegankelijkheid van stemhokjes regelt en toegankelijkheid van de meest recente overheidswebsites en apps. Jaarlijks zal voor de zomer aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd over de voortgang van het programma. De Tweede Kamer heeft hiernaast, op grond van de motie Dijksma c.s.(TK 24 170, nr. 170), afgesproken jaarlijks een debat te voeren over de voortgang van de implementatie van het Verdrag. Het succes van de acties zal worden gemeten - behalve aan de hand van voortgang van de maatregelen in de actielijnen en de procesindicatoren bij de uitvoeringsstrategie - primair aan de hand van ervaringen van mensen met een beperking zelf: merken zij dat ze beter naar wens en vermogen kunnen meedoen?

Programma gehandicaptenzorg en complexe zorg

Mensen met een beperking en een langdurige intensieve zorgvraag zijn vaak levenslang en levensbreed afhankelijk van ondersteuning en zorg. In het programma gehandicaptenzorg en complexe zorg zal deze kabinetsperiode langs drie actielijnen gewerkt worden aan verbetering van de zorg en ondersteuning voor deze groep:

    • 1) 
      betere kwaliteit van het zorgaanbod, passend bij zorgvraag;
    • 2) 
      betere zorg en ondersteuning voor specifieke groepen;
    • 3) 
      naasten meer ontzorgen.

Het plan van aanpak voor het programma wordt in samenwerking met alle betrokken partijen vorm gegeven en zal in het najaar van 2018 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Daarna zullen de verschillende acties in gang worden gezet. Van de voortgang van het programma zal jaarlijks verslag worden gedaan, door middel van een voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer, te beginnen in het najaar van 2019. Kernindicatoren zullen de cliënt en medewerkertevredenheid betreffen.

Mensen met een lichtverstandelijke beperking

In het Regeerakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor mensen met een lichtverstandelijke beperking (LVB) die steeds moeilijker aansluiting vinden in onze samenleving. Gezien het gegeven dat mensen met een LVB relatief veel gebruik maken van publieke voorzieningen, er geen goed beeld is van deze mensen en recent beleidswijzigingen zijn geweest die mensen met een LVB kunnen raken, wordt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek uitgevoerd. Het doel hiervan is om de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de voorzieningen ook op de langere termijn te borgen. In 2019 zal een vervolg worden gegeven aan de bevindingen van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek.

Onafhankelijke cliëntondersteuning

In het Regeerakkoord zijn ook middelen gereserveerd voor de versterking van onafhankelijke cliëntondersteuning. Goede cliëntondersteuning is voor veel mensen voor groot belang voor goede zorg en ondersteuning en daarmee voor hun kwaliteit van leven. We werken daaraan via een aantal actielijnen: 1) het vergroten van de bekendheid van cliëntondersteuning, 2) het beter positioneren van cliëntondersteuning van de eerste «toegang» tot zorg en ondersteuning, het in generieke zin verbeteren van de kwaliteit van cliëntondersteuning en cliëntondersteuning voor een aantal specifieke doelgroepen. Door de functie te versterken worden meer mensen tijdig geholpen met o.a. vraagverheldering en de toeleiding naar de juiste zorg en ondersteuning. In juli 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de vier actielijnen waarlangs de functie zal worden doorontwikkeld (TK 31 476, nr. 22). In 2019 zal de ontwikkelde aanpak worden opgepakt door gemeenten, aanbieders van cliëntondersteuning en de beroepsgroep. Er wordt hierbij samengewerkt met cliëntenorganisaties Mind en Ieder(in), de VNG, aanbieders van cliëntondersteuning en de beroepsvereniging van cliëntondersteuners voor mensen met een beperking (BCMB).

Thema Betaalbare zorg

Eigen bijdragen Wlz en Wmo 2015

Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de stapeling van eigen betalingen in de (langdurige) zorg en ondersteuning te verminderen. Dit gebeurt in 2019 door in elk domein de eigen betalingen te beperken en daardoor ook de last van de totale stapeling te verminderen. Dit gebeurt door een viertal maatregelen, te weten:

    • 1) 
      de invoering van het abonnementstarief;
    • 2) 
      een halvering van de vermogensinkomensbijtelling (VIB) voor de eigen bijdragen in de Wlz en Wmo 2015 (van 8% naar 4% van het vermogen);
    • 3) 
      een verkorting van de overgangstermijn van de lage eigen bijdrage voor Wlz-zorg en beschermd wonen (intramuraal), en;
    • 4) 
      een verkorting van de termijn waarover het CAK met terugwerkende kracht een eigen bijdrage mag opleggen.

Op basis van de populatie in 2018 zullen grofweg zo’n 180.000 huishoudens (kleine 40% van het totaal van de Wmo-cliënten) financieel profiteren van het abonnementstarief. Door het halveren van het VIB percentage profiteren nog eens circa 60.000 mensen in de Wlz en circa 2.000 in Wmo 2015 die een eigen bijdrage betalen voor beschermd wonen.

Overige beleidswijzigingen

Mensenhandel

De bestrijding van mensenhandel zal in 2019 - samen met het Ministerie van JenV - versneld worden voortgezet. De follow up van de Commissie Lenferink is hierbij de leidraad. Vanaf 2019 komen er meer specialistische opvangplekken voor slachtoffers van mensenhandel met multiproblematiek, die geen onderdak kunnen krijgen bij reguliere opvangplekken voor slachtoffers van mensenhandel. CoMensha (het landelijke onafhankelijke coördinatie- en expertisecentrum voor mensenhandel) zal gemeenten verder ondersteunen bij het opzetten of verbeteren van de functie van zorgcoördinatie voor slachtoffers van mensenhandel. Daarnaast zal in 2019 CoMensha de signalering van slachtoffers door medische professionals en Veilig Thuis organisaties helpen verbeteren zodat eerder en betere hulp en opvang kan worden geboden. Zo kan vervolging van daders ook beter ter hand worden genomen.

Beter aanbesteden in het sociaal domein

Samen met gemeenten worden knelpunten in de inkooppraktijk van zorg en ondersteuning aangepakt. Het gaat daarbij, zoals uiteengezet in de brief van 4 juli 2018 aan de kamer (TK 34 477, nr. 38), zowel om praktische ondersteuning in het inkoopproces als om het ontwikkelen van standaarden/handreikingen en het stimuleren van innovatieve vormen van inkoop. Ook is de inzet om in Europees verband aandacht te vragen voor deze knelpunten, voor het wegwerken daarvan en voor de betekenis van lokaal partnerschap en samenwerking over een langere termijn in de context van aanbestedingscontracten.

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

3.974.307

3.958.216

5.240.778

7.652.887

9.755.801

10.730.418

11.532.920

Uitgaven

3.818.740

3.975.835

5.165.018

7.463.027

9.631.741

10.653.258

11.532.920

Waarvan juridisch verplicht (%)

98,94%

  • 1. 
    Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

87.246

151.534

236.402

235.371

209.952

142.588

140.533

Subsidies

25.771

54.777

121.506

121.378

101.446

34.398

32.871

Movisie

7.528

7.247

7.378

7.378

7.378

7.378

7.378

Onbeperkt meedoen

1.778

3.100

2.000

900

900

900

900

Sociale werkplaatsen

2.506

2.575

2.600

2.600

2.600

2.600

0

Ondersteuning vrijwilligers

1.195

1.023

0

0

0

0

0

Mezzo

2.230

2.200

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

Zorg en ondersteuning bij onbedoelde zwangerschap

0

1.531

1.546

1.546

1.546

1.546

1.546

Waardig ouder worden

0

17.176

21.238

21.174

6.140

10.000

10.000

Opvang slachtoffers loverboys

0

2.500

2.731

2.000

2.000

2.000

2.000

Onafhankelijke cliëntondersteuning

0

5.700

13.920

13.920

10.335

0

0

Brede aanpak LVB, daklozen en zwerfjongeren

0

1.000

1.200

1.200

1.100

525

0

Gratis VOG

0

500

1.500

1.500

620

620

620

Stimuleringsregeling E-health Thuis (SET)

0

0

30.000

30.000

30.000

0

0

Woonzorgarrangementen

0

0

30.000

30.000

30.000

0

0

Overig

10.534

10.225

5.093

6.860

6.527

6.529

8.127

Opdrachten

61.475

96.757

100.636

100.219

94.504

93.954

93.426

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

56.908

62.704

62.707

62.709

62.713

62.717

62.715

Categorale opvang slachtoffers mensenhandel

1.653

800

600

600

600

600

600

Doventolk en luisterend oor

0

15.317

4.174

4.174

4.174

4.174

4.174

Waardig ouder worden

0

10.300

10.300

10.300

5.300

5.300

5.300

Aanpak Laaggeletterdheid

608

575

2.000

0

0

0

0

Brede aanpak LVB, daklozen en zwerfjongeren

0

1.000

1.200

1.200

1.100

525

0

Gratis VOG

0

2.950

7.450

6.950

6.330

6.350

6.350

Overig

2.306

3.111

12.205

14.286

14.287

14.288

14.287

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

0

13.010

12.524

12.752

12.986

12.986

Doventolkvoorzieningen

0

0

13.010

12.524

12.752

12.986

12.986

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Overig

0

0

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

  • 2. 
    Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

3.731.493

3.824.301

4.928.616

7.227.656

9.421.789

10.420.670

11.392.387

Subsidies

97.605

111.031

145.644

138.719

140.476

112.257

113.624

Vilans

4.832

4.907

4.771

4.769

4.769

4.769

4.769

Centrum Consultatie en Expertise (CCE)

11.450

12.211

11.382

11.247

11.247

11.247

11.247

InVoorZorg! (IVZ)

3.621

2.151

0

0

0

0

0

Joodse en Indische instellingen

2.414

2.264

2.115

1.887

1.608

1.270

881

Palliatieve zorg

24.263

32.664

32.803

33.217

33.916

33.916

33.916

Dementie

3.510

3.412

3.412

3.412

0

0

0

Waardigheid en trots

28.098

31.944

29.851

25.000

25.000

25.000

25.000

Programma gehandicaptenzorg

2.665

5.326

9.800

10.800

9.800

7.800

7.800

Kennisinfrastructuur

905

4.093

6.615

6.400

6.650

5.900

5.900

VIPP care

0

0

30.000

30.000

30.000

0

0

Overig

15.847

12.059

14.895

11.987

17.486

22.355

24.111

Bekostiging

3.516.700

3.602.000

4.676.100

7.011.100

9.204.000

10.231.100

11.201.600

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

3.516.700

3.602.000

3.676.100

3.711.100

3.904.000

4.031.100

4.201.600

Bijdrage Wlz

0

0

1.000.000

3.300.000

5.300.000

6.200.000

7.000.000

Inkomensoverdrachten

384

0

0

0

0

0

0

Overig

384

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

4.732

7.274

7.805

8.591

8.060

8.060

7.910

Overig

4.732

7.274

7.805

8.591

8.060

8.060

7.910

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

112.072

103.996

99.067

69.246

69.253

69.253

69.253

Uitvoeringskosten SVB pgb trekkingsrechten

50.082

39.800

35.647

0

0

0

0

Centrum Indicatiestelling Zorg

61.990

63.387

63.420

69.246

69.253

69.253

69.253

Overig

0

809

0

0

0

0

0

Ontvangsten

9.589

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

Overig

9.589

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget van circa € 267,2 miljoen is 90% juridisch verplicht. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget van circa € 4,7 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK).

Opdrachten

Van het beschikbare budget van circa € 108,4 miljoen is 75% reeds juridisch verplicht. Het betreft met name bovenregionaal gehandicaptenvervoer van circa € 62,7 miljoen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget circa € 112,1 miljoen is 100% reeds juridisch verplicht. Het betreft met name de bijdrage aan het CIZ aan het UWV.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget van circa € 1,3 miljoen is 100% juridisch verplicht.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten
  • 1. 
    Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (≥ 65 jaar) en de algemene bevolking in 2017 (percentages)

*< 65 jaar. Bij mensen met een verstandelijke beperking gaat het om (on)betaald werk, zowel 65-plus als 65-min.

Bron: Notitie NIVEL Participatiecijfers 2008 - 2017

Bovenstaand kengetal toont de participatie van thuiswonende mensen met beperkingen, ouderen en de algemene bevolking in 2017 op basis van de Notitie NIVEL Participatiecijfers 2008-2017. Het kengetal geeft inzicht in de participatie op negen deelgebieden. Het belangrijkste doel van de Participatiecijfers is het beschrijven van ontwikkelingen in de wijze en mate van maatschappelijke participatie van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, ouderen (65+) en de algemene bevolking in Nederland. Daarnaast zijn de cijfers ook bedoeld om beter zicht te krijgen op factoren die de participatie kunnen bevorderen dan wel belemmeren en op het verband tussen participatie en kwaliteit van leven. Vooral op het gebied van betaald werk zijn de verschillen groot, maar ook op de andere deelgebieden van participatie zien we verschillen. De participatie van mensen met een verstandelijke beperking is op veel gebieden een stuk lager dan in de algemene bevolking. De participatie van ouderen (≥ 65 jaar) is vergelijkbaar met die van de algemene bevolking (met uitzondering van betaald werk en opleiding, deze deelgebieden worden niet gerapporteerd voor ouderen).

Subsidies

Movisie

Het kennisinstituut Movisie ontvangt in 2019 circa € 7,4 miljoen subsidie voor het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen ten behoeve van een adequate uitvoering van de Wmo 2015 en aanpalende terreinen.

Sociale werkplaatsen

In 2019 worden de Werkplaatsen Sociaal Domein voor € 2,6 miljoen gesubsidieerd. Dit zijn regionale samenwerkingsverbanden van gemeenten, instellingen, hogescholen en cliëntorganisaties, met als doel een goed functionerend en vraag gestuurd regionaal kennisnetwerk sociaal domein, waarin wordt gewerkt op basis van een door de betrokken partijen gedragen meerjarige kennisagenda.

Mezzo

Mezzo ontvangt in 2019 instellingssubsidie vanwege hun kennis en activiteiten gericht op het versterken en verlichten van mantelzorgers en vrijwilligers (€ 2,3 miljoen).

Zorg en ondersteuning bij onbedoelde zwangerschap

Voor een landelijke impuls voor de hulp aan onbedoeld zwangeren en tienermoeders is ook in 2019 € 1,5 miljoen gereserveerd. Het uitgangspunt hierbij is dat het gaat om landelijke expertise en functies op dit gebied die verder kunnen worden uitgedragen aan de hele sector.

Waardig ouder worden

Voor de uitvoering van het programma «Thuis in het Verpleeghuis - Waardigheid en Trots op elke locatie» is in 2019 een bedrag van € 31,5 miljoen beschikbaar, waarvan € 21,2 miljoen is voor subsidies en € 10,3 miljoen voor opdrachten.

Opvang slachtoffers loverboys

Voor de opvang van slachtoffers van loverboys is in 2019 een bedrag van circa € 2,7 miljoen beschikbaar.

Onafhankelijke Cliëntondersteuning

In juli 2018 is de aanpak cliëntondersteuning 2018-2021 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 31 476, nr. 22). De aanpak richt zich via verschillende activiteiten op de volgende opgaven (a) meer inzicht krijgen in de behoefte naar cliëntondersteuning, (b) het dichtbij «de toegang» organiseren van cliëntondersteuning, (b) het beter bekend maken onder cliënten en professionals van dit gratis recht, (d) het bevorderen van kwaliteit en deskundigheid van de ondersteuning, in bijzonder waar het gaat om specifieke groepen nog beter te bedienen. In 2019 is hiervoor € 13,9 miljoen beschikbaar.

Stimuleringsregeling E-health

De nieuwe Stimuleringsregeling E-health Thuis (SET) geeft vanaf 2019 een impuls aan de opschaling en borging van e-health-toepassingen die mensen thuis ondersteuning en zorg bieden. Het gaat hierbij om digitale toepassingen die de kwaliteit van leven van mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag verbeteren, die door de cliënt (of door zijn naasten) kan worden bediend dan wel (deels) in zijn directe omgeving wordt geplaatst.

De ambitie van VWS is dat cliënten mede door het beschikbaar zijn en gebruik van e-health langer thuis kunnen blijven wonen. In 2019 is € 30 miljoen beschikbaar.

Woonzorgarrangementen

Om nieuwe woonzorginitiatieven te ontwikkelen kan gebruik gemaakt worden van een nieuwe innovatieregeling, speciaal voor vernieuwende huisvesting. Per initiatief komt een maximumbedrag beschikbaar, dat mogelijk afhankelijk is van de grootte van het initiatief. Dit kan ingezet worden voor de aanloopkosten, het betrekken van bewoners, doelgroeponderzoek en de ontwikkeling van het exploitatiemodel. Ook activiteiten van partijen ter ondersteuning van nieuwe woonzorgarrangementen, zoals het in beeld brengen van het aanbod van (nieuwe) woonzorgarrangementen, kunnen mogelijk in aanmerking komen. Bij de opzet van de regeling zal ook aandacht zijn voor de problematiek in krimpgebieden. De middelen kunnen niet besteed worden aan «de stenen» van het vastgoed zelf. In de zomer van 2018 wordt met de betrokken partijen gekeken naar de vormgeving van de regeling. Er is in 2019 € 30 miljoen beschikbaar.

Opdrachten

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer (BRV)

Mensen met een mobiliteitsbeperking kunnen gebruik maken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (ook bekend als Valys) per (deel)taxi (circa € 62,7 miljoen in 2019).

Over het geheel genomen geven de pashouders het reizen met het BRV een hoog waarderingscijfer (zie onderstaand overzicht).

Valys indexcijfers

Bron & toelichting

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2017, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget.

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

Doventolk en luisterend oor

Het doel is dat personen in 2019 op ieder moment van de dag kosteloos en anoniem een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen. Dit betekent een centralisering van de functie «een luisterend oor», waar gemeenten nu nog via de Wmo 2015 verantwoordelijk voor zijn. De Landelijke Luisterlijn voert de functie van het luisterend oor in Nederland al geruime tijd uit. In 2019 is € 4,2 miljoen beschikbaar ten behoeve van de financiering van de Landelijk luisterlijn.

Aanpak laaggeletterdheid

Het actieprogramma «Tel mee met taal» is een integrale aanpak van de ministeries OCW, SZW en VWS om gezamenlijk taalachterstanden te voorkomen, het lezen te bevorderen en laaggeletterdheid te bestrijden. Het programma biedt ondersteuning aan gemeenten, provincies en maatschappelijke organisaties. VWS participeert in het programma omdat laaggeletterdheid een negatief effect heeft op welzijn en gezondheid. In 2019 wordt er vanuit VWS € 2 miljoen bijgedragen.

Gratis VOG

In het Regeerakkoord staat als ambitie opgenomen dat alle vrijwilligers, die werken met mensen in een afhankelijkheidssituatie, gratis een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) kunnen aanvragen. Hiertoe zal de bestaande regeling Gratis VOG, die wordt uitgevoerd door Justis, worden uitgebreid. Organisaties die voldoen aan een aantal criteria, waaronder de eis dat sprake moet zijn van een breder integriteitsbeleid, kunnen zodra de nieuwe regeling in werking treedt (naar verwachting in het najaar van 2018), gratis VOG’s voor hun vrijwilligers aanvragen. Voor het verstrekken van een gratis VOG is in 2019 € 7,5 miljoen beschikbaar.

Overig

Dit betreft onder andre diverse opdrachten op het terrein van informele zorg, onbeperkt meedoen, geweld in huiselijke kring (€ 1,2 miljoen) en maatschappelijke opvang.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doventolkvoorzieningen

De tolkvoorziening voor mensen met een auditieve beperking wordt in het leefdomein geregeld door Tolkcontact. Mensen met een auditieve beperking hebben recht op 30 uur tolk in het leefdomein per jaar, voor bijvoorbeeld begrafenissen of doktersbezoek. Aanvullend kunnen meeruren worden aangevraagd. Voor mensen die daarbij ook een visuele beperking hebben, geldt het recht op 168 uur per jaar. Vanaf 1 juli 2019 gaat de nieuwe wet gelden, waarbij het UWV aangewezen wordt als uitvoerder van de voorziening. Het UWV is al uitvoerder voor de tolkvoorziening in het werkdomein en het onderwijsdomein, dus dit betekent een harmonisatie van de uitvoering. In 2019 is voor de doventolkvoorziening een budget van € 13 miljoen beschikbaar.

  • 2. 
    Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidies

Vilans

Vilans is een kenniscentrum voor de langdurige zorg en werkt aan de beschikbaarheid van een kennisinfrastructuur voor professionals in de langdurige zorg. Het doel is om op basis van kennis de kwaliteit van de uitvoering te verbeteren. Hiervoor is in 2019 € 4,8 miljoen beschikbaar.

Centrum Consultatie en Expertise (CCE)

De stichting CCE ontvangt subsidie voor diverse activiteiten rond het hanteerbaar maken van probleemsituaties bij cliënten in de langdurige zorg die kampen met ernstige en aanhoudende gedragsproblemen. Zo mobiliseert het CCE in dit kader expertise en ondersteuning op maat via een netwerk van circa 600 velddeskundigen (consultatiefunctie inclusief signalering en feedback) en toetst het CCE aanvragen voor diverse toeslagen (toeslag reguliere meerzorg, meerzorg pgb-ZZP en extramurale interventies Kinderdienstencentra). Hiervoor is in 2019 € 11,4 miljoen beschikbaar.

Joodse en Indische instellingen

Een aantal Joodse en Indische instellingen krijgen subsidie in verband met de specifieke zorg van de eerste generatie Joodse en Indische oorlogsgetroffenen van de Tweede Wereldoorlog. De subsidie zal jaarlijks, met een afbouw, tot en met het jaar 2025 worden verstrekt aan deze doelgroep. In 2019 is € 2,1 miljoen beschikbaar.

Palliatieve zorg

De rijksoverheid verstrekt vanuit de subsidieregeling Vrijwillige Palliatieve Zorg instellingssubsidies aan organisaties die deze zorg verlenen. Het gaat hierbij om inzet van vrijwilligers en vrijwillige zorg in bijna-thuis-huizen, hospices, de thuissituatie en in zorginstellingen. In 2018 is dit bedrag met hulp van de eenmalige impuls uit het Regeerakkord structureel opgehoogd en voor volgende jaren zal het bedrag steeds met 3% stijgen.

Daarnaast is vanuit de subsidies «Netwerken palliatieve zorg» een bijdrage mogelijk voor de coördinatie van de netwerken palliatieve zorg. Ten slotte wordt via ondersteuning van de instellingen Agora, Vrijwillige Palliatieve Terminale Zorg (VPTZ), Fibula (netwerken) en Stichting Pal gezorgd dat de verbinding met het veld aanwezig blijft om projecten voor kwaliteitsverbetering uit te voeren. Vanaf medio 2018 is daar de Coöperatie palliatieve zorg Nederland bijgekomen die een overkoepelende rol heeft en een grote rol heeft bij de implementatie van het kwaliteitskader palliatieve zorg. Benodigde extra middelen komen eveneens uit de Regeerakkoordimpuls. In totaal is in 2019 € 32,8 miljoen beschikbaar.

Dementie

In 2019 gaat de regering verder met de aanvullende maatregelen in het kader van het Deltaplan Dementie voor deze doelgroep (brief «Samenleven met dementie», 8 juli 2015, TK 25 424, nr. 281). Er is gekozen voor een brede benadering die bestaat uit verschillende pijlers: (1) dementievriendelijke samenleving; (2) structureel verbeteren van dementiezorg en (3) (regel)ruimte voor dementiezorg. Voor steun aan met name de programma’s «Samen Dementievriendelijk» en «Dementiezorg voor elkaar» is in de periode 2016-2020 in totaal € 16 miljoen beschikbaar.

Daarnaast wordt een subsidie verstrekt voor het vervolg op het onderzoeksprogramma «Memorabel» (Memorabel deel 2). Met dit programma wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek, nationaal en internationaal, naar zowel de oorzaken, preventie, diagnostiek en behandeling van dementie. Er is via ZonMw in totaal € 32 miljoen subsidie beschikbaar. Ook worden subsidies verstrekt voor Gewoon Bijzonder, nationaal programma gehandicapten, waarmee wordt gewerkt aan de inhoud en de structuur van het kennisbeleid in deze sector en voor «Palliantie. Meer dan Zorg» binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg dat in 2015 van start is gegaan.

Waardigheid en trots

In het Regeerakkoord is een bedrag oplopend tot € 2,1 miljard beschikbaar gesteld, zodat alle zorgaanbieders in staat zijn om te gaan voldoen aan de vereisten in het kwaliteitskader. In april 2018 is het programma programma «Thuis in het Verpleeghuis - Waardigheid en Trots op elke locatie» gepresenteerd. Hierin zijn de doelstellingen en maatregelen aangegeven aan de hand waarvan het kwaliteitskader verpleeghuiszorg (2017) wordt ingevoerd. Het gaat daarbij om tijd en aandacht voor de cliënt, om gemotiveerde, deskundige en voldoende zorgverleners en om leren, verbeteren en innoveren. Tevens wordt in het plan ingegaan op de sturing, het toezicht en het in beeld brengen van de resultaten. In «Thuis in het Verpleeghuis» is aangegeven naar welke resultaten worden gestreefd voor 2021, zoals hogere cliënttevredenheid, medewerkerstevredenheid, gemotiveerde, deskundige en voldoende zorgverleners en dalende administratieve lasten. Voor 2019 is ca. € 600 miljoen extra beschikbaar, zodat zorgaanbieders meer zorgverleners in dienst kunnen nemen, zodat bewoners eind 2019 het verschil echt merken. De middelen op de begroting worden met name besteed aan ondersteuning aan zorgaanbieders met een urgent kwaliteitsprobleem, de grote stedenaanpak Rotterdam, en «Waardigheid en Trots op locatie».

Programma gehandicaptenzorg

Ter verbetering van de zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking en een langdurige intensieve zorgvraag wordt een programma gehandicaptenzorg en complexe zorg opgesteld langs drie actielijnen: Betere kwaliteit zorgaanbod, passend bij zorgvraag; Betere zorg en cliëntondersteuning voor specifieke groepen (TK 31 476, nr. 22); Naasten meer ontzorgen. Hiervoor is in 2019 € 9,8 miljoen beschikbaar.

Kennisinfrastructuur

Deze middelen worden ingezet ten behoeve van de versterking van de kennisinfrastructuur in de langdurige zorg. Het gaat om het kunnen doen van onderzoek, een onderzoeksprogramma en de recent opgerichte kwaliteitskoepel door beroepsgroepen gericht op het ontwikkelen van richtlijnen protocollen ter versterking van het professioneel handelen (SKiLZ, Stichting Kwaliteitsimpuls Langdurige Zorg). Hiervoor is in 2019 € 6,6 miljoen beschikbaar.

VIPP care

Zorgaanbieders in de ouderenzorg lopen steeds verder achter op de ontwikkelingen op het gebied van informatieuitwisseling die zorgbreed gaande zijn. De regeling «VIPP care» (Versnellingsprogramma Informatie uitwisseling Patiënt Professional) heeft als doel om de informatiehuishouding van alle zorgaanbieders in de langdurige zorg (extramuraal en intramuraal) geschikt te maken voor informatie-uitwisseling met een digitale gezondheidsomgeving (PGO) waar alle cliënten desgewenst de beschikking over krijgen. Hiervoor is in 2019 € 30 miljoen beschikbaar.

Overig

Dit betreft onder andere uitgaven voor het versterken van het trekkings-recht pgb (€ 4,3 miljoen), versterking antibioticaresistentie (€ 1 miljoen), Longitudinal Aging Study Amsterdam (€ 1 miljoen), juiste loket (€ 0,7 miljoen), afronding van de transitie Hervorming Langdurige Zorg (€ 0,5 miljoen), instellingsubsidies aan Per Saldo (€ 0,7 miljoen) en Stichting Landelijk Overleg Hersenletsel (€ 0,5 miljoen), toe te kennen loonbijstelling en diverse subsidies met een beperkt kasbeslag in 2019 (allen onder de € 1 miljoen).

Bekostiging

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001. Bij die belastingherziening werden aftrekposten (die de heffing over de hoogste schijf waaronder een belastingplichtige viel drukten) omgezet in heffingskortingen (die bij iedereen neerslaan in de eerste schijf). Hierdoor hebben personen met hoge inkomens geen voordeel boven personen met lage inkomens. Het gevolg hiervan was dat de opbrengst van de premies volksverzekeringen daalde en de opbrengst van de belasting steeg. De BIKK is een rijksbijdrage die het Wlz fonds (en het AOW-fonds en het ANW-fonds) compenseert voor deze systematiekverandering. De raming voor 2019 bedraagt circa € 3,7 miljard.

Rijksbijdrage Wlz

Met ingang van 2019 wordt het (verwachte) negatieve saldo van het Fonds Langdurige Zorg (FLZ) jaarlijks weggewerkt door een even grote Rijksbijdrage Wlz in het fonds te storten. Een negatief saldo roept het onbedoelde en onjuiste beeld op dat er onvoldoende budget is om zorg te leveren. De Rijksbijdrage heeft een puur administratief karakter en dus geen materiële betekenis. De raming voor 2019 bedraagt circa € 1 miljard en loopt in latere jaren op vanwege de oploop van de Wlz-uitgaven, waar slechts een kleinere toename van de overige Wlz-ontvangsten tegenover staat. Zie voorts paragraaf 4.3.2 van het Financieel Beeld Zorg over de financiering van de Wet Langdurige Zorg.

Opdrachten

Overig

Hieronder vallen onder meer de kosten voor Zorg op de kaart, Monitor Langdurige Zorg, Challenge Verpleeghuizen van de Toekomst, monitor Woonvormen dementie en overige opdrachten in het kader van de toegankelijkheid en kwaliteit van de langdurige zorg.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Uitvoeringskosten SVB pgb trekkingsrechten

Dit betreft € 35,6 miljoen die in mindering is gebracht op het gemeentefonds voor de bekostiging van de SVB voor de uitvoeringskosten van de pgb-trekkingsrecht voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet tezamen.

Centrum Indicatiestelling Zorg

Het CIZ verzorgt de onafhankelijke en regelgebonden indicatiestelling voor de Wlz (€ 63,4 miljoen, inclusief de loonbijstelling voor 2018).

Ontvangsten

Overig

Dit betreft voornamelijk ontvangsten naar aanleiding van de subsidievaststellingen.

Artikel 4 Zorgbreed beleid

  • 1. 
    Algemene doelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel verder te optimaliseren zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger gewaarborgd blijft.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan.

Daar waar publieke belangen in het geding zijn die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

    • Het stimuleren van uitkomstgerichte zorg: zorg die waarde toevoegt aan de kwaliteit van leven van de patiënt.
    • Stimuleren dat patiënten en verzekerden een stevige (informatie-) positie innemen in het zorgstelsel, onder meer door patiënten te voorzien van informatie uit hun eigen dossier.
    • Stimuleren van samen beslissen: kwalitatief goede en veilige zorgverlening met keuzevrijheid voor consumenten.
    • Stimuleren van transparantie over kwaliteit (in klinische uitkomsten en patiënt relevante uitkomsten) en kosten van zorg.
    • Stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties sterkere organisaties worden en goede informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging tot stand brengen.
    • Het stimuleren van een logische beroepenstructuur die aansluit op de huidige en toekomstige zorg- en ondersteuningsvraag.
    • Het stimuleren van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel door kwalitatief goede en samenhangende opleidingen.
    • Het stimuleren van landelijke en regionale samenwerking aan een evenwichtige arbeidsmarkt met voldoende medewerkers die goed zijn toegerust voor en tevreden zijn met het belangrijke werk dat zij doen.
    • Het stimuleren van innovaties in de zorg en de ontwikkeling en toepassing van ontwikkelde kennis en bevorderen van (digitale) vaardigheden.
    • Het stimuleren van rechtmatige zorg: door initiatieven om fouten en fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen en fraude aan te pakken.
    • Het stimuleren van veilige en betrouwbare informatie-uitwisseling in de zorg, uitgaande van het eenmalig slim vastleggen en hergebruiken van informatie, in het bijzonder rondom medicatieveiligheid.
    • Het realiseren van betrouwbare middelen voor de authenticatie/identificatie in de zorg en het verkennen van mogelijkheden om het zorgdomein te «ontzorgen» daarbij.
    • Versnellen realisatie gegevensuitwisseling.

Financieren:

    • Het financieren van patiënten- en gehandicaptenorganisaties om de belangen van hun doelgroep in het systeem te behartigen en hen goed te informeren.
    • Het financieren van ZBO’s (CAK, NZa, ZiNL, CSZ) om hun wettelijke verantwoordelijkheid in het zorgstelsel invulling te kunnen geven.
    • Het financieren van projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg (ZonMw).
    • Het financieren van agentschappen (CIBG, RIVM) om hun taken in het zorgstelsel uit te voeren.
    • Het financieren van betrokken partijen om informatie over de kwaliteit van het zorgaanbod snel te ontsluiten voor patiënten.
    • Het financieren van instrumenten om personeel in de zorg goed op te leiden en bij te scholen (SectorplanPlus, Stagefonds Zorg, subsidieregelingen kwaliteitsimpuls ziekenhuispersoneel, opleidingen publieke gezondheidszorg en jeugd-ggz).
    • Het financieren van zorg, welzijn, preventie, jeugdzorg en sport in Caribisch Nederland.
    • Het leveren van een financiële bijdrage aan een veilige en betrouwbare informatie-uitwisseling in de zorg. Hier wordt onder andere onder verstaan een bijdrage aan het gebruik van DigiD. De kosten voor het gebruiken worden sinds 2018 doorbelast. Deze kosten worden centraal voldaan door VWS.
    • Het financieel stimuleren van de ontwikkeling en het gebruik van persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO).

Regisseren:

    • Het regisseren van een stevige positie van de patiënt in het zorgstelsel door wet- en regelgeving (klachtrecht, geschillenbeslechting, medezeggenschap, Wet BIG) en toepassing en handhaving daarvan.
    • Regisseren dat alle betrokken partijen in de zorg, waaronder de patiënt, in staat zijn hun verantwoordelijkheid in het zorgstelsel waar te maken.
    • Het regisseren van goed bestuur in de zorg en het toezicht daarop.
    • Het regisseren van de dialoog tussen betrokken partijen, gericht op de toekomstige (arbeidsmarkt-) uitdagingen.
    • Het regisseren van de verlaging van regeldruk in de zorg.
    • Het voorkomen van systeemrisico’s bij financiering in de zorg.
    • Het vaststellen van duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden voor de NZa door het wettelijk kader voor de regulerings- en toezichtstaken aan te scherpen en voor ZiNL door een wettelijk kader te creëren voor het tegenhouden van kwaliteitsstandaarden met aanzienlijke financiële gevolgen.
    • Het regisseren van de totstandkoming van een passend aanbod van (jeugd)zorg, preventie en sportactiviteiten in Caribisch Nederland.
    • Het regisseren van de totstandkoming, implementatie en monitoring van een ketenbrede aanpak voor preventie, toezicht, opsporing en handhaving om rechtmatige zorg te bevorderen.
    • Het regisseren van standaardisatie van de informatie-uitwisseling in de zorg en bewaking van een samenhangende basisinfrastructuur in de zorg en de samenwerking in het veld via het informatieberaad.
    • Het regisseren via het Informatieberaad van regie over eigen gegevens, delen van zorginformatie, inzicht in beleidseffecten en veilig en betrouwbaar gegevens delen.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Beleidswijzingen Regeerakkoord/ Beleidsagenda bewindspersonen VWS

Thema Werken in de zorg

(Ont)Regel de Zorg

Het doel van het programma (Ont)Regel de Zorg (TK 29 515, nr. 424) is het zorgbreed merkbaar verminderen van de ervaren regeldruk voor professional én patiënt/cliënt. Registreren is een belangrijk onderdeel van het werk van de zorgprofessional, maar afvinklijstjes voortkomend uit wantrouwen van managers, inkopers of toezichthouders leiden niet tot betere zorg. De aanpak is gericht op de actielijnen maatwerkaanpak (snappen of schrappen), ruimte voor experimenten (kan het ook anders?), bouwen aan een nieuwe basis (eenvoudiger registreren en verantwoorden), regelarm werken in de praktijk (leren van elkaar) en voorkomen van nieuwe regeldruk (de kraan dichtdraaien). Het jaar 2019 staat in het teken van de verdere uitvoering van dit programma.

Begin 2019 volgt een eerste voortgangsrapportage van de uitvoering van de afspraken uit het programma.

Actieprogramma Werken in de Zorg

Op 14 maart 2018 is het Actieprogramma Werken in de Zorg uitgebracht (TK 29 282, nr. 303). Samen met partijen in het veld werkt VWS aan het doel van voldoende, tevreden en deskundige medewerkers in de zorg. Dit doen we langs de actielijnen «meer kiezen voor de zorg», «beter leren in de zorg» en «anders werken in de zorg». Het zwaartepunt van de aanpak ligt in de regio. Daar worden op basis van regionale analyses in regionale actieplannen aanpak tekorten (RAAT’s) afspraken gemaakt over onder andere meer opleidingsplaatsen, betere stagebegeleiding en nieuwe innovatieve onderwijsvormen. Partijen zetten zich via concrete acties in om deze regionale afspraken te realiseren. In najaar 2018 is een aantal activiteiten in gang gezet die in 2019 vervolg krijgen. De commissie «Werken in de zorg» zal ook in 2019 via bestuurlijke voortgangsgesprekken de voortgang in de regio monitoren en daar waar nodig adviseren over verbeteringen in de aanpak. Via het actie-leer-netwerk worden ervaren belemmeringen in wet- en regelgeving onderzocht en oplossingen en goede voorbeelden verspreid. Met de wervingscampagne «IK ZORG» zetten we met het veld in op het (weer) interesseren van mensen voor Zorg en Welzijn. In elke regio kunnen geïnteresseerden terecht bij actiecentra voor loopbaanoriëntatie, een opleiding en/of een (oriëntatie)baan in de zorg op maat. Wij zullen in het voorjaar en het najaar van 2019 aan de hand van concrete indicatoren aan de Tweede Kamer rapporten over de voortgang, zowel met betrekking tot het doel als de onderliggende actielijnen.

Uitkomstgerichte zorg

Als een patiënt kan kiezen tussen verschillende behandelingen dan zijn de mogelijke uitkomsten van belang. Momenteel is er onvoldoende informatie over voor patiënten relevante uitkomsten van zorg. In het Regeerakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld om voor de patiënt meer zicht te krijgen op deze uitkomsten door in te zetten op het ontwikkelen van uitkomstindicatoren, bij voorkeur aansluitend bij internationale initiatieven. Het doel is dat in 2022 voor 50% van de ziektelast inzicht bestaat in uitkomsten voor de patiënt. Hiertoe zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij al lopende instrumenten zoals het programma Kwaliteit van zorg bij ZonMw. Dit programma zet enerzijds in op ontwikkeling van nieuwe uitkomstindicatoren en experimenten om die in kleinschalige settings uit te proberen, en anderzijds op duurzame implementatie door in te zetten op ICT-ondersteuning en nieuwe manieren van dataverzameling en belonen van uitkomsten.

Uitkomstgerichte Zorg loopt mee in de pilot Lerend Evalueren (TK 31 865, nr. 99).

Thema Maatschappelijke diensttijd

Maatschappelijke diensttijd

Om jongeren te stimuleren een bijdrage te leveren aan onze samenleving is in het Regeerakkoord de mogelijkheid van een maatschappelijke diensttijd opgenomen.

Dit nieuwe programma is in 2018 begonnen met (experiment) projecten via ZonMw welke in 2019 of 2020 tot afronding komen. De circa veertig projecten zullen een zo helder mogelijk beeld moeten scheppen van de mogelijkheden van de maatschappelijke diensttijd en zijn daarom breed in opzet: zowel qua duur, omvang, regio, doelgroep, aanbod en beloning is veel diversiteit. Jongeren tussen de 14-30 jaar kunnen aan de slag op het gebied van bijvoorbeeld integratie, veiligheid, sport, welzijn, cultuur en natuur. De projecten zullen worden geëvalueerd en de uitkomsten hiervan worden gebruikt bij de meer definitieve vormgeving van de maatschappelijke diensttijd. Hierbij zal onder andere worden nagegaan of de doelgroep jongeren in al haar diversiteit wordt bereikt, of jongeren hun talenten kunnen ontwikkelen door middel van het maken van maatschappelijke impact, en welke verbeteringen doorgevoerd kunnen worden in organisatie en begeleiding. Tot slot zal worden gemeten of de vrijwillige inzet van de jongeren bijdraagt aan sociale cohesie en inclusiviteit.

Overige beleidswijzigingen

Gewijzigd beleidskader patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Het huidige subsidiekader loopt tot 1 januari 2019. Op basis van diverse dialoogsessies is het kader gewijzigd (TK 29 214, nr. 75). In 2018 is het gewijzigde beleidskader subsidiëring patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019-2022 gepubliceerd (Staatscourant 2018 nr. 32285) dat in werking treedt op 1 januari 2019. Dit beleidskader geldt als een overgangsperiode waarbij belangrijke stappen in de gewenste ontwikkelrichting naar een subsidiëring op basis van impact en bereik worden gezet (TK 29 214, nr. 77).

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)

De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is een kwaliteitswet ter bescherming van patiënten. De doelstelling van de wet is tweeledig: het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg. De evaluatie van de Wet BIG uit 2014 diende ertoe om te bezien of de Wet BIG voldoende aansluit op ontwikkelingen in de zorg en de samenleving. Uit de evaluatie kwam een aantal verbeterpunten naar voren. De verbeterpunten ten aanzien van het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de Wet zijn opgenomen in het ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet BIG (BIG I). Deze aanpassingen treden in 2019 in werking en zien op efficiënter gebruik van het tuchtrecht (zoals invoering van de tuchtklachtfunctionaris en het griffierecht), extra instrumenten om (ernstig) disfunctionerende beroepsbeoefenaren aan te pakken, verduidelijking dat voorbehouden handelingen met een cosmetisch doel alleen door zelfstandig bevoegde (BIG-geregistreerde) beroepsbeoefenaren mogen worden verricht en het eenvoudiger kunnen vinden van een BIG-geregistreerde in het register. In 2019 wordt het wetsvoorstel BIG II in beide Kamers behandeld. BIG II reguleert het beroep van de regieverpleegkundige, belegt een adviestaak bij het Zorginstituut voor het beoordelen van aanvragen voor beroepenregulering, biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur de eisen voor herregistratie uit te breiden met deskundigheidsbevorderende activiteiten, actualiseert de deskundigheidsgebieden van de apotheker en de verpleegkundige en harmoniseert het medisch tuchtrecht van Europees Nederland en Caribisch Nederland op een aantal kleine punten. Het streven is om het wetsvoorstel BIG II voor het eind van 2018 bij de Tweede Kamer aanhangig te maken. In 2019 worden parallel aan de wetsbehandeling de voorbereidingen getroffen voor een goede implementatie. Dit houdt in dat er brede communicatie naar de beroepsgroepen plaatsvindt, de uitvoeringsorganisaties zich voorbereiden, aan het scholingsprogramma voor de regieverpleegkundige vorm wordt gegeven en de internationale toetreding wordt georganiseerd. Ook wordt in 2019, in samenspraak met de betrokken partijen, nadere invulling gegeven aan het voornemen een experiment te starten om de regieverpleegkundige een zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van bepaalde voorbehouden handelingen toe te kennen. Naar aanleiding van een vraag uit de Eerste Kamer in het kader van de wetsbehandeling is aangegeven dat de effecten van het griffierecht zullen worden gemonitord aan de hand van de cijfers van de tuchtcolleges.

  • 4. 
    Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

1.102.614

1.045.327

975.548

983.042

867.392

1.005.420

1.005.180

Uitgaven

995.681

1.165.003

1.211.761

1.140.761

1.105.795

1.016.683

1.005.180

Waarvan juridisch verplicht (%)

97%

  • 1. 
    Positie cliënt

28.518

33.826

30.093

28.335

28.339

27.740

27.738

Subsidies

19.601

19.867

21.446

21.448

21.452

21.453

21.451

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

18.699

19.318

21.000

21.000

21.000

21.000

21.000

Overig

902

549

446

448

452

453

451

Opdrachten

8.917

13.959

8.647

6.887

6.887

6.287

6.287

Ondersteuning cliëntorganisaties

3.560

3.847

3.850

3.850

3.850

3.850

3.850

Overig

5.357

10.112

4.797

3.037

3.037

2.437

2.437

  • 2. 
    Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

438.166

520.985

542.044

514.299

507.435

438.897

438.946

Subsidies

417.945

501.638

520.045

492.282

485.217

416.339

416.485

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

102.650

112.000

112.000

112.000

112.000

112.000

112.000

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

17.143

21.000

21.000

21.000

21.000

21.000

21.000

Vaccinatie stageplaatsen zorg

3.851

4.700

4.700

4.700

4.700

4.700

4.700

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

24.369

32.800

38.000

38.000

38.000

38.000

38.000

Opleidingsplaatsen jeugd ggz

450

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

202.867

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

Versterking regionaal onderwijs- en arbeidsmarktbeleid

11.184

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

Arbeidsmarktagenda (sectorbreed)

0

25.000

15.000

7.000

0

0

0

Arbeidsmarktagenda (verpleeghuizen)

0

67.500

67.500

67.500

67.500

0

0

Verpleegkundige vervolgopleidingen in een veranderend zorglandschap

0

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Overig

55.431

17.638

40.845

21.082

21.017

19.639

19.785

Opdrachten

5.469

7.169

9.861

9.878

10.079

10.419

10.419

Opleidingen & beroepenstructuur

1.645

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Overig

3.824

2.169

4.861

4.878

5.079

5.419

5.419

Bijdragen aan agentschappen

14.752

12.139

12.138

12.139

12.139

12.139

10.398

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register en SVB-Z

14.752

11.639

11.638

11.639

11.639

11.639

9.898

RIVM: opleiding publiekegezondheidssector en kosten van ziekten

0

500

500

500

500

500

500

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

39

0

0

0

0

1.644

ZiNL: sectie Zorgberoepen en opleidingen

0

39

0

0

0

0

1.644

  • 3. 
    Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

160.454

239.996

274.098

232.010

204.322

182.019

168.695

Subsidies

20.065

43.395

48.979

38.260

28.210

25.210

18.110

Nivel

5.771

5.122

5.268

5.268

5.268

5.268

5.268

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

3.839

18.073

15.291

6.400

0

0

0

Nictiz

0

5.800

5.800

5.800

5.800

5.800

5.800

Transparantie kwaliteit van zorg

10.206

6.846

7.288

6.784

5.000

5.000

5.000

Uitkomstgerichte zorg

0

2.404

12.462

11.966

10.100

7.100

0

Rechtmatige zorg

0

1.395

783

286

308

100

100

Overig

249

3.755

2.087

1.756

1.734

1.942

1.942

Opdrachten

960

6.162

15.268

3.114

3.114

3.114

3.114

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

634

1.482

11.387

0

0

0

0

Verminderen ervaren regeldruk

0

284

345

345

345

345

345

Rechtmatige zorg

0

374

78

78

78

78

78

Overig

326

4.022

3.458

2.691

2.691

2.691

2.691

Bijdragen aan agentschappen

3.960

18.598

18.823

18.467

18.467

18.467

18.466

CIBG: WTZi en JMV

3.790

15.258

18.823

18.467

18.467

18.467

18.466

Overig

170

3.340

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

135.469

171.841

191.028

172.169

154.531

135.228

129.005

ZonMw: programmering

135.469

171.841

191.028

172.169

154.531

135.228

129.005

Overig

0

0

0

0

0

0

0

  • 4. 
    Inrichten uitvoeringsactiviteiten

241.637

252.980

241.431

238.660

234.307

232.695

230.682

Subsidies

0

4.900

0

0

0

0

0

Duurzaamheid zorg

0

4.900

0

0

0

0

0

Opdrachten

424

551

530

530

530

530

530

Uitvoering Wtcg

0

0

0

0

0

0

0

Overig

424

551

530

530

530

530

530

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

241.213

246.029

239.901

235.630

231.277

229.665

227.652

CAK

135.381

125.631

116.449

115.134

112.697

107.711

107.703

NZa

55.585

59.260

57.455

57.455

57.455

57.455

57.455

Zorginstituut Nederland

47.313

58.011

60.454

54.764

52.713

56.083

54.081

CSZ

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Overig

434

627

3.043

5.777

5.912

5.916

5.913

Bijdragen aan medeoverheden

0

1.500

1.000

0

0

0

0

Overig

0

1.500

1.000

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

0

2.500

2.500

2.500

2.500

EZK: ACM

0

0

0

2.500

2.500

2.500

2.500

  • 5. 
    Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

125.422

117.216

124.095

127.457

131.392

135.332

139.119

Bekostiging

125.422

117.216

124.095

127.457

131.392

135.332

139.119

Zorg en welzijn

121.978

117.216

124.095

127.457

131.392

135.332

139.119

Overig

3.444

0

0

0

0

0

0

  • 6. 
    Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude

1.486

0

0

0

0

0

0

Subsidies

1.384

0

0

0

0

0

0

Overig

1.384

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

102

0

0

0

0

0

0

Overig

102

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

90.082

70.960

58.660

58.360

58.360

58.360

58.360

Wanbetalers en onverzekerden

72.646

66.102

53.802

53.502

53.502

53.502

53.502

Overig

17.436

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 590,5 miljoen is 96% juridisch verplicht. Het betreft de subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, subsidies opleidingen, beroepen en arbeidsmarktbeleid, subsidie aan Nivel, subsidies transparantie kwaliteit van zorg en aan het programma innovatie en zorgvernieuwing.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 124,1 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de zorg, welzijn, sport, preventie en jeugdzorg van Caribisch Nederland.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 34,3 miljoen is 88% juridisch verplicht. Het betreft onder andere opdrachten gericht op de ondersteuning van patiënten- en cliëntenorganisaties, arbeidsmarktonderzoek en opdrachten gericht op het programma innovatie en zorgvernieuwing.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 31 miljoen is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 430,9 miljoen is 98% juridisch verplicht.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 1 miljoen is 100% juridisch verplicht.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten
  • 1. 
    Positie cliënt

Subsidies

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

De drie landelijke pg-koepels en circa 200 landelijke pg-organisaties ontvangen instellingssubsidie voor het uitvoeren van informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging (€ 17,4 miljoen in 2019). Daarnaast wordt een samenhangend projectsubsidieprogramma bij ZonMw ingericht met dezelfde duur als het beleidskader, waarop niet alleen de bestaande pg-organisaties maar ook nieuwe organisaties/netwerken kunnen inschrijven (https://www.zonmw.nl/nl/onderzoek-resultaten/gehandicapten-en-chronisch-zieken/voor-elkaar/) (€ 4 miljoen in 2019).

Opdrachten

Ondersteuning cliëntenorganisaties

Drie koepelorganisaties en circa 200 landelijke pg-organisaties ontvangen instellingssubsidie voor belangrijke functies zoals informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging en via ZonMw projectsubsidies voor een samenhangend subsidieprogramma (€ 3,9 miljoen in 2019).

Overig

Voor onder andere de depressiecampagne, de campagne «Werken in zorg en welzijn» en het project «NIX18» is budget beschikbaar (€ 4,7 miljoen).

  • 2. 
    Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Subsidies

Opleidingen

    • Stageplaatsen zorg/Stagefonds

    Praktijkstages zijn een essentieel onderdeel van zorgopleidingen. Met de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II worden zorginstellingen gestimuleerd tot het aanbieden van voldoende en kwalitatief goede stageplaatsen. Voor het studiejaar 2018-2019 is hiervoor een budget van € 112 miljoen beschikbaar.

    Begin 2019 zal een herijking van de verdeling van de subsidiemiddelen over de verschillende opleidingsrichtingen en- niveaus plaatsvinden. Naast realisatiecijfers uit voorgaande jaren zal nadrukkelijk worden gekeken naar de verwachte ontwikkeling op de arbeidsmarkt in zorg en welzijn (www.azwinfo.nl). Dit zodat het Stagefonds een passende bijdrage blijft leveren aan de realisatie van een evenwichtige arbeidsmarkt in zorg en welzijn.

    • Publieke Gezondheidszorgopleidingen

    Deze regeling heeft als doel te stimuleren dat voldoende gespecialiseerde artsen worden opgeleid voor de uitvoering van de Wet publieke gezondheidszorg en de Jeugdwet. In 2019 is voor deze opleidingen € 21 miljoen beschikbaar.

    Al jaren blijft de instroom in de publiek gefinancierde opleidingen arts Maatschappij en Gezondheid achter bij wat VWS aan opleidingplaatsen beschikbaar stelt. Om de instroom te bevorderen en tegelijkertijd de kwaliteit van de opleidingen te verhogen hebben de VWS en de diverse betrokkenen in de sector een gezamenlijk traject gestart. Een speerpunt daarbij is de invoering van een landelijk werkgeverschap voor nieuwe aiossen (artsen in opleiding tot specialist). Met instemming van de betrokken partijen is besloten het landelijk werkgeverschap vanaf 1 januari 2019 onder te brengen bij de SBOH en vanaf die datum de financiering van de opleidingen via de SBOH te laten verlopen. Alsdan kan de huidige regeling komen te vervallen op grond waarvan thans een subsidie kan worden verstrekt aan opleidingsinstellingen die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid voor de profielen infectieziektebestrijding, jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde en tuberculosebestrijding verzorgen. Het voornemen is om vanaf 2019 met dat doel instellingssubsidie te verschaffen aan de SBOH.

    • Vaccinatie stageplaatsen zorg

    De subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg draagt eraan bij dat jaarlijks 30 à 35 duizend stagiairs voorafgaand aan hun stage gevaccineerd worden tegen hepatitis B. Dit komt ten goede aan de volksgezondheid en voorkomt studie-uitval of -vertraging. In 2019 is hiervoor € 4,7 miljoen beschikbaar.

    • Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

    Nieuwe beroepsbeoefenaren (verpleegkundig specialisten (VS) en physician assistants (PA)) worden opgeleid om minder complexe en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Het is de verwachting dat de maximaal beschikbare bekostigde instroom van 700 benut zal worden. In 2019 is hiervoor een bedrag van € 38,0 miljoen beschikbaar.

    • Opleidingen in een Jeugd ggz-instelling

    De regeling heeft als doel te borgen dat zorgverleners in de jeugd ggz tijdens hun opleiding ook praktijkervaring in deze sector kunnen opdoen. Het beleid achter deze subsidieregeling is geëvalueerd in de evaluatie Beschikbaarheidbijdragen voor medische vervolgopleidingen. De instroom is gestegen van 7 toegekende opleidingsplaatsen in 2016 naar 14 in 2017 en 2018. In 2019 is voor de regeling € 1,5 miljoen beschikbaar.

Arbeidsmarkt

    • Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

    Het doel van de Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg (KPZ) is om de ziekenhuizen en UMC’s te stimuleren meer en strategischer te investeren in bij- en nascholing van personeel. Als onderdeel van het tussenakkoord medisch-specialistische zorg 2018 is de regeling een jaar verlengd tot en met 2018. In het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019-2022 hebben de partijen afgesproken dat de middelen voor de KPZ beschikbaar blijven voor de sector (circa € 200 miljoen per jaar).

    • Versterking regionaal onderwijs- en arbeidsmarktbeleid

    Met de subsidie aan RegioPlus voor het programma «koersen op kansen, regionaal resultaat» investeert VWS in een goed werkende, landelijk dekkende regionale arbeidsmarktinfrastructuur. Het regionaal arbeidsmarktbeleid staat komend jaar in het teken van het Actieprogramma Werken in de Zorg en in het bijzonder de 28 regionale actieplannen aanpak tekorten (RAAT). Het actieprogramma brengt de succesvolle regionale aanpak vanuit RegioPlus en het Zorgpact bijeen. Voor regionaal arbeidsmarktbeleid is in 2019 € 11,5 miljoen beschikbaar.

    • Actieprogramma Werken in de Zorg sectorbreed en verpleeghuizen

    Binnen het kader van het actieprogramma Werken in de Zorg wordt geïnvesteerd in een pakket aan maatregelen gericht op het vergroten van de instroom in de zorgsector. Met een sluitende aanpak worden geïnteresseerden die zich melden via bijvoorbeeld de wervingscampagne toegeleid naar een baan of opleiding in de zorg. Het betreft verschillende maatregelen variërend van loopbaanadvies en begeleiding tot functiespecifieke en kwalificerende scholing. Dit gebeurt onder andere via SectorplanPlus en Sterk in je Werk. In totaal is hiervoor in 2019 € 82,5 miljoen beschikbaar, waarvan € 67,5 miljoen specifiek voor verpleeghuizen.

Beroepenstructuur

    • Verpleegkundige vervolgopleidingen in een veranderend zorglandschap

    Steeds vaker wordt complexere zorg verleend buiten het ziekenhuis, bijvoorbeeld bij de patiënt thuis of bij de huisarts. Deze verandering leidt er toe dat gespecialiseerde verpleegkundigen op steeds meer verschillende plekken in de zorg werken. De opleidingstructuren van (verpleegkundige) vervolgopleidingen sluiten nog onvoldoende aan op deze verandering. Veel vervolgopleidingen zijn meer gericht op werken in het ziekenhuis en worden meestal ook verzorgd door ziekenhuizen. Om tekorten te voorkomen of te bestrijden gaan we samen met betrokken partijen verkennen hoe de structuur van vervolgopleidingen voor professionals die werken buiten het ziekenhuis vorm kan krijgen. In totaal is hiervoor in 2019 € 8 miljoen beschikbaar.

Overig

Via onderzoek wordt samen met sociale partners in de zorg de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in kaart gebracht en worden prognoses gemaakt over de verwachte zorgvraag en hoeveel en welk type zorgverlener daarbij past. De ingezette taakherschikking, de veranderende zorgvraag en de snelgaande veranderingen op de arbeidsmarkt vragen aanpassingen in de reguliere opleidingen en in bij- en nascholing. Ook wordt van zorgverleners steeds meer gevraagd om samen te werken over de domeinen heen en om te «zorgen voor» in plaats van «zorgen dat». Al deze veranderingen zullen worden gefaciliteerd en bestendigd door werkgevers, opleiders en beroepsverenigingen hierin te ondersteunen. Via de leerstoel betaalbare zorg die is ingesteld door het Radboud UMC wordt onafhankelijk, beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek naar de betaalbaarheid van zorg gestimuleerd.

Opdrachten

Opleidingen en beroepenstructuur

De ingezette taakherschikking en de inzet van nieuwe beroepen zoals de Bachelor Medisch Hulpverlener zal worden gemonitord en geëvalueerd. Ook wordt er geïnvesteerd in het opzetten van een onderzoeksinfrastructuur voor verpleegkundige en verzorgende. Hiervoor is in 2019 € 5 miljoen beschikbaar.

Overig

De overige bedragen worden ingezet voor de ontwikkeling van kennis en expertise op het terrein van de zorg, voor beleid en praktijk. Daarbij gaat het onder meer om bijdragen aan de onderzoeksprogramma’s van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Centraal Planbureau (CPB), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: Bijdrage voor onder andere BIG-register en toezicht en handhaving WNT

    • Het CIBG is verantwoordelijk voor het beheer van het BIG-register. Zowel Nederlandse als buiten Nederland gediplomeerde zorgverleners kunnen zich in het BIG-register registreren. Deze gediplomeerden die in de Nederlandse gezondheidszorg willen werken moeten -op grond van de Europese richtlijn erkenning beroepskwalificaties - een aanvraag indienen voor een EU erkenning van hun beroepskwalificaties (EER-gediplomeerden) dan wel een verklaring van vakbekwaamheid (niet-EER-gediplomeerden). Voor de procedure ten aanzien van buiten Nederland gediplomeerden ontvangt het CIBG een financiële bijdrage.
    • In de Wet Normering Topinkomens (WNT) is toezicht en de handhaving geregeld. Toezicht en de handhaving voor de zorg is ondergebracht bij het CIBG.

In totaal is voor al deze taken in 2019 € 11,6 miljoen gereserveerd.

  • 3. 
    Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidies

Nivel

Voor onderzoek naar de effectiviteit en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en (de relatie tussen) de verschillende partijen in de zorg wordt subsidie verleend (€ 5,3 miljoen in 2019) aan het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Het Nivel ontwikkelt en beheert hiertoe databases, panels en monitors.

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

De activiteiten zijn gericht op het bereiken van de drie doelstellingen die het kabinet in 2014 heeft geformuleerd ter ondersteuning van de brede maatschappelijke beweging naar meer zelfredzaamheid, meer zelfregie en meer zelfzorg. Hiervoor worden via het programma Innovatie en zorgvernieuwing subsidies verstrekt aan initiatieven die aan deze doelen bijdragen. De voortgang van de doelen monitoren we via de e-healthmonitor van Nictiz.

In het Regeerakkoord zijn extra middelen vrijgemaakt om de schaarse capaciteit aan zorgpersoneel optimaal te benutten voor zorg en aandacht voor cliënten en patiënten. Het kabinet acht het wenselijk digitaal ondersteunde zorg gericht in te zetten en de verspreiding van innovatieve werkwijzen (e-health) te bevorderen. We doen dat door een impulsfinanciering voor persoonlijke gezondheidsomgeving. Via deze regeling worden partijen in staat gesteld om hun product(en) aan het afsprakenstelsel voor Persoonlijke Gezondheidsomgeving (PGO’s) aan te passen en worden patiënten in staat gesteld om die PGO’s ook daadwerkelijk te gaan gebruiken

Totaal is er in de begroting 2019 voor het programma Innovatie en zorgvernieuwing € 14,3 miljoen gereserveerd voor subsidies.

Nictiz

Het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz) is het landelijke expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. Voor de invulling van de coördinerende functie die Nictiz heeft bij de ontwikkeling van ICT- en informatiestandaarden en implementatieondersteuning bij het gebruik van deze standaarden is in 2019 een bedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar. Om de zorgsector te ondersteunen bij de efficiënte inzet van eHealth, analyseert en duidt Nictiz ontwikkelingen in het gebruik van ICT in de zorg. Tevens fungeert Nictiz als nationaal en internationaal kennis- en expertisecentrum en vervult het een verbindende rol bij de ontwikkeling en het gebruik van ICT in de zorg.

Transparantie kwaliteit van zorg

Het Kwaliteitsinstituut, als onderdeel van het Zorginstituut, heeft met betrekking tot transparantie een belangrijke rol en is daarom gemandateerd (Staatscourant 27102, nr. 1) voor het verstrekken van subsidies voor de stimulering van de transparantie over de kwaliteit van zorg (Staatscourant 26926) (€ 5 miljoen).

Uitkomstgerichte zorg

Voor de in het Regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij al lopende instrumenten zoals het programma Kwaliteit van zorg bij ZonMw (€ 12,5 miljoen).

Rechtmatige zorg

In 2019 gaan we verder met het uitvoeren van de acties en maatregelen uit het programmaplan Rechtmatige Zorg 2018-2021, aanpak van fouten en fraude in de zorg, zoals in 2018 aan de Kamer is aangeboden (TK 28 828, nr. 108). De aanpak betreft het voorkomen van fouten en fraude met onder andere de focus op vijf specifieke zorgsectoren (medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, mondzorg, wijkverpleging en persoonsgebonden budget) en wetgevingstrajecten die onder meer een betere gegevensuitwisseling mogelijk moeten maken tussen handhavingorganisaties en het invoeren van een Waarschuwingsregister Zorg. In 2019 wordt de Tweede Kamer middels een eerste voortgangsrapportage geïnformeerd over de stand van zaken en de behaalde resultaten uit het programmaplan (€ 0,8 miljoen).

Overig

    • Big data

    In het najaar van 2018 volgt een Kamerbrief met visie op big data. Verwachting is dat daar in ieder geval de ethische aspecten van big data en privacy een belangrijke rol zullen spelen.

    • Informatiebeveiliging en cybersecurity

    VWS zet zich via verschillende activiteiten in voor het vergroten van de bewustwording in de zorg.

    • Werkorganisatie Informatieberaad Zorg (WIZ)

    De werkorganisatie Informatieberaad zal in 2018 naast externe kennis en capaciteit ook de leden van het Informatieberaad (de bureau’s van de koepels en brancheorganisaties) direct moeten kunnen steunen bij het vertalen van de afspraken naar de consequenties voor hun sector en achterban. Daarvoor is € 0,5 miljoen beschikbaar voor subsidies.

    • Veilige gegevensuitwisseling en authenticatie in de zorg

    De toename van elektronische informatie-uitwisseling in de zorg en de groei in het gebruik van eHealth toepassingen vragen om een veilige en betrouwbare authenticatie door patiënten en door zorgverleners die dit thans doen met behulp van de UZI-pas. In 2019 wordt de nieuwe aanbesteding van de UZI-pas afgerond.

    VWS levert actief een bijdrage aan BZK voor het doorontwikkelen, implementeren en stimuleren van het gebruik van veilige authenticatie in de zorg.

    • Veelbelovende Zorg Sneller bij de Patiënt en regeling voorwaardelijke toelating

    Het Zorginstituut gaat in samenwerking met ZonMw vanaf 2019 uitvoering geven aan de subsidieregeling Veelbelovende Zorg Sneller bij de Patiënt (TK 29 269, nr. 905) Het doel van deze regeling is het versnellen van de toegang van de patiënt tot potentieel veelbelovende en innovatieve zorg via opname in het basispakket. De subsidieregeling vervangt per 2019 de huidige regeling voorwaardelijke toelating. Het Zorginstituut heeft de komende jaren ook nog uitvoering aan de aflopende regeling voorwaardelijke toelating, waarin de komende jaren nog lopende trajecten en reeds ingediende onderzoeksvoorstellen worden behandeld. Voor de uitvoering van de reeds ingediende aanvragen en lopende trajecten in de regeling voorwaardelijke pakkettoelating wordt het Zorginstituut in 2019 aanvullend budget beschikbaar gesteld van € 0,7 miljoen. In aanvulling hierop wordt ten behoeve van de uitbreiding van personele capaciteit i.v.m. de nieuwe subsidieregeling in 2019 een budget van € 0,7 miljoen gesteld.

Opdrachten

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

In 2019 wordt wederom een e-health week georganiseerd en worden nieuwe Health Deals3 gesloten. Met de extra middelen uit het Regeerakkoord wordt vanuit VWS het communicatietraject Zorg van Nu gestart om het algemene publiek en professionals te wijzen op de kansen en mogelijkheden van innovaties in de zorg en in nieuwe zorgprocessen, via het delen en laten ervaren van goede voorbeelden. Met het zorgveld wordt bezien wat nodig is voor ondersteuning van professionals bij de implementatie van e-health toepassingen en wordt een instrument ontwikkeld om de burger en de professional behulpzaam te zijn bij een verantwoorde keuze uit het grote aanbod aan gezondheidsapps.

Rechtmatige zorg

Het programmaplan Rechtmatige Zorg 2018-2021 - aanpak van fouten en fraude in de zorg is in 2018 aan de Kamer aangeboden (TK 28 828, nr. 108). Doel is het voorkomen van fouten en fraude met onder andere de focus op vijf specifieke zorgsectoren (medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, mondzorg, wijkverpleging en persoonsgebonden budget) en wetgevingstrajecten die onder meer een betere gegevensuitwisseling mogelijk moeten maken tussen handhavingorganisaties en het invoeren van een Waarschuwingsregister Zorg.

In 2019 werkt VWS verder met het uitvoeren van de acties en maatregelen uit het programmaplan en wordt de Tweede Kamer middels een eerste voortgangsrapportage geïnformeerd over de stand van zaken en de behaalde resultaten uit het programmaplan.

Overig

    • Big data

    In het najaar van 2018 volgt een Kamerbrief met visie op big data. De verwachting is dat daarbij in ieder geval de ethische aspecten van big data en privacy een belangrijke rol zullen spelen. In 2019 zullen de activiteiten naar een volgende fase worden gebracht.

    • Werkorganisatie Informatieberaad Zorg (WIZ)

    In 2018 gaat de «werkorganisatie Informatieberaad Zorg (WIZ)» aan de slag. Hiermee wordt kennis en capaciteit beschikbaar gesteld aan de leden van het Informatieberaad die de ambities en afspraken van het Informatieberaad vertalen naar de activiteiten en implementatieplannen die voor alle sectoren opgesteld zullen moeten worden. Hiervoor is structureel jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar voor opdrachten.

    • Informatieberaad

    Het Informatieberaad komt ook in 2019 minstens viermaal per jaar bijeen. Om de besluitvorming in goede onderlinge afstemming met de leden, het veld en internationale gremia voor te bereiden, is € 1,2 miljoen beschikbaar. Er is € 0,1 miljoen bestemd voor het begeleiden van de verschillende gremia onder het Informatieberaad, € 0,3 miljoen voor communicatie en € 0,7 miljoen voor onderzoek en advies van experts op de te nemen besluiten.

In 2018 is het Programma Implementatie Europese Zorgdiensten (PIEZO) gestart. Het programma wordt gefinancierd door VWS en de EU. De doelstelling van PIEZO is in eerste instantie betere zorg voor buitenlandse patiënten uit de EU die binnen Nederland ongeplande zorg nodig hebben, doordat de Nederlandse zorgprofessionals een patiëntsamenvatting kunnen opvragen bij het land van herkomst. In Nederland zal het hiervoor benodigde knooppunt in 2021 operationeel zijn. Voor het totale project ontvangt Nederland van de EU € 850.000.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: WTZi en JMV

    • Instellingen die zorg willen aanbieden die op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg voor vergoeding in aanmerking komt, dienen op grond van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) een toelating te hebben. De uitvoering van de WTZi (toelatingen) vindt plaats bij het CIBG.
    • Het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) is een landelijk en openbaar register van zorgaanbieders. Dit register maakt duidelijk wie, waar, welke zorg verleent en draagt bij aan de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
    • Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV) verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. Alle partijen die een rol spelen binnen het zorgstelsel hebben toegang tot deze uniforme, digitale informatie via www.jaarverslagenzorg.nl.
    • Het UZI-register (Unieke Zorgverlener Identificatie register) van het CIBG verstrekt UZI-passen aan zorgaanbieder en indicatieorganen waarmee unieke identificatie van zorgaanbieders en indicatieorganen in de zorg mogelijk wordt gemaakt.
    • De Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z) van het CIBG is een betrouwbare bron voor het leveren van burgerservicenummers (BSN’s) aan de zorgsector.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

ZonMw

ZonMw is een intermediaire organisatie die op programmatische wijze projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laat uitvoeren. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit, relevantie en samenhang. In onderstaande tabel zijn de activiteiten uitgesplitst naar de verschillende beleidsterreinen waarop de programma’s bij ZonMw betrekking hebben.

Overzichtstabel geraamde programma-uitgaven ZonMw 2019-2023

(Bedragen x € 1.000)

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal ZonMw

191.028

172.169

154.531

135.228

129.005

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere Preventieprogramma's, Antibioticaresistentie Infectieziektebestrijding, Versterking Uitvoeringspraktijk JGZ, Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg en Translationeel Adult Stamcelonderzoek

26.258

25.526

28.066

29.639

30.243

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere Doelmatigheidsonderzoek, Goed Gebruik Geneesmiddelen, Topzorg, Citrienfonds, Verwarde personen, Gender en gezondheid, Zwangerschap en geboorte, Expertisefunctie Zintuigelijk Gehandicapten, Translationeel Onderzoek, Personalised medicine, Oncode, aanpassingsstoornissen en onderzoeksprogramma ggz

112.942

105.254

90.973

77.282

77.899

Artikel 3 Landurige zorg en ondersteuning: onder andere Nationaal Programma Ouderenzorg, Palliantie, meer dan Zorg, «Gewoon Bijzonder»: nationaal programma gehandicapten Memorabel, academische werkplaatsen ter versterking kennisinfrastructuur langdurige zorg en Active and Assisted Living

28.748

26.690

24.359

19.768

15.609

Artkel 4 Zorgbreed beleid: Experimenten maatschappelijke diensttijd

9.060

0

0

0

0

Artikel 5 Jeugd: onder andere Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd, Zorg voor jeugd en Effectief Werken in de Jeugdsector

4.811

5.673

4.217

4.195

4.288

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere Onderzoeksprogramma Sport, Kennis- en innovatieagenda sport, Topteam sport en Sportimpuls

9.208

9.026

6.916

4.344

966

Op de andere begrotingsartikelen staan ook begrotingsposten op het gebied van Kennisontwikkeling en innovatie, bijvoorbeeld RIVM (artikel 1), Nivel (artikel 2), Vilans (artikel 3) en Movisie (artikel 3).

  • 4. 
    Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CAK

Het CAK voert diverse wettelijke taken uit, te weten:

    • • 
      de centrale betaling aan 3.500 instellingen voor langdurige zorg (namens de Wlz-uitvoerders) (Wlz);
    • • 
      het innen van de eigen bijdragen voor langdurige zorg (Wlz);
    • • 
      de uitvoering van de burgerregelingen (wanbetalers, onverzekerden, gemoedsbezwaarden, onverzekerbare vreemdelingen en de zogeheten buitenlandtaak (inclusief het Nationaal contactpunt));
    • • 
      uitvoering van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden;
    • • 
      het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015);
    • • 
      het verstrekken van de Schengenverklaringen;
    • • 
      het beheer van de website Regelhulp;
    • • 
      de afhandeling van de laatste werkzaamheden rond de per 1 januari 2014 afgeschafte Wtcg en CER.

In het Regeerakkoord 2017-2021 is afgesproken om een abonnementstarief in te voeren van € 17,50 per vier weken voor huishoudens die gebruikmaken van Wmo-voorzieningen.

Het totaal beschikbare budget voor het CAK in 2019 is € 116,4 miljoen.

NZa

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het toezicht op en regulering van de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. De taken zijn:

    • • 
      tarieven en prestaties in de zorg reguleren;
    • • 
      toezien op de rechtmatige uitvoering van de Zvw;
    • • 
      toezien op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wlz;
    • • 
      toezien op de naleving van de Wmg.

Inclusief de middelen voor het centraal meldpunt zorgfraude (€ 1 miljoen) bedraagt het beschikbare budget in 2019 circa € 57,5 miljoen.

Zorginstituut Nederland

Het Zorginstituut Nederland heeft de volgende taken:

    • • 
      adviseert over het verzekerde Zvw- en Wlz-pakket;
    • • 
      stimuleert de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland;
    • • 
      zorgt er voor dat iedereen toegang heeft tot begrijpelijke en betrouwbare informatie over de kwaliteit van geleverde zorg (het Kwaliteitsinstituut);
    • • 
      adviseert over de gewenste ontwikkeling van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg (de adviescommissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen);
    • • 
      is fondsbeheerder van het Zorgverzekeringsfonds, het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en het Fonds Langdurige Zorg;
    • • 
      uitvoerder van de financiering van zorgverzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening);
    • • 
      bevordert de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wlz;
    • • 
      adviseert of het wenselijk is dat een nieuw beroep of specialisme in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg moet worden gereguleerd.

Het in 2019 beschikbare budget bedraagt € 60,5 miljoen.

CSZ

Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. In 2019 is hiervoor € 2,5 miljoen gereserveerd.

Overig

Op deze post staan middelen gereserveerd voor uitvoeringskosten van verschillende zbo’s, die nog niet specifiek toe te rekenen zijn.

  • 5. 
    Zorg, Preventie, Sport, Welzijn en Jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging

Zorg, Preventie, Sport, Welzijn en Jeugdzorg

Sinds 1 januari 2011 is er één zorgverzekering voor iedereen in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat iedereen die legaal op Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont en/of werkt, is verzekerd van zorg. De totale geraamde kosten die naar verwachting in 2019 gemoeid zijn met zorg en welzijn op Caribisch Nederland bedragen circa € 124,1 miljoen. Circa € 2,5 miljoen hiervan is voor de jeugdzorg op Caribisch Nederland bestemd en ongeveer € 3 miljoen voor welzijn en sport. De rest van de middelen voor de jeugdzorg, circa € 3 miljoen, worden verantwoord op artikel 10. Op alle drie de eilanden is een Centrum voor Jeugd en Gezin.

Ontvangsten

Wanbetalers en onverzekerden

Van de ontvangsten bestuursrechtelijke premie wordt 23% toegevoegd aan de begroting van VWS. Op grond van de Wet verbetering wanbetalersmaatregelen vloeien de bestuurlijke boeten, bedoeld in de artikelen 9b en 9c (onverzekerdenregeling), naar de ontvangsten op de VWS-begroting (artikel 9c, 4e lid, Zvw). Voor 2019 worden de totale ontvangsten op de VWS-begroting (voor zowel wanbetalers als onverzekerden) geraamd op € 53,8 miljoen.

Overig

Een aantal van de met de opleidingsbudgetten samenhangende subsidie-regelingen komt naar verwachting niet volledig tot uitputting, vooral omdat bij de zorgopleidingen, publieke gezondheidsopleidingen en de opleidingen tot verpleegkundige specialist en physician assistant sprake is van lager dan geraamde instroom. De verleende bedragen worden daarom in de loop van het jaar verlaagd en dit leidt tot ontvangsten.

Artikel 5 Jeugd

  • 1. 
    Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als ouders of het ondersteunende sociale netwerk hun rol niet kunnen vervullen, is er een taak weggelegd voor de overheid om jeugdigen met hulp op maat naar een zelfstandige toekomst te leiden. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten passende hulp krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

Met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 zijn gemeenten bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de ondersteuning, hulp en zorg van jeugdigen (jeugdhulp). De Ministers van VWS en J&V zijn systeemverantwoordelijk voor het gedecentraliseerde stelsel van jeugdhulp, waaronder het wettelijk kader (de Jeugdwet).

In het Regeeraakkoord is opgenomen dat het integreerbare deel van de integratie-uitkering Sociaal domein met ingang van 2019 opgaat in de algemene uitkering en daarmee deel uitmaakt van de trap-op-trap-af systematiek. Voor de Jeugdwet gaat het om de integratie-uitkering Sociaal domein, deel jeugdhulp, met uitzondering van voogdij/18+.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

    • Gezond en veilig opgroeien van jongeren in Nederland.
    • Jeugdhulp merkbaar en meetbaar beter maken voor de cliënt.
    • Kwaliteit van de jeugdhulp borgen en waar nodig verbeteren.
    • Kindermishandeling stoppen en duurzaam oplossen en eerder en beter in beeld krijgen.
    • Verbetering van de samenhang tussen beleid en uitvoering op de terreinen van zorg, school en werk.
    • Zorgen voor een landelijke kennisinfrastructuur voor beleidsontwikkeling en -implementatie en zorgvernieuwing.

Financieren:

    • Financieren van de gemeenten via het gemeentefonds om hun verantwoordelijkheid voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet waar te maken.
    • Uitvoeren van de Subsidieregeling schippersinternaten.

Regisseren:

    • Het wettelijk kader (Jeugdwet) bevat regels voor de inrichting van het systeem onder andere op het gebied van toegang, kwaliteit en beleidsinformatie.
    • Bestuurlijk overleg met de relevante actoren in het jeugdstelsel gericht op het realiseren van de maatschappelijke doelen van het jeugdstelsel.
    • De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van Justitie en Justitie (J&V) zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de aanbieders van jeugdhulp.
    • Monitoren en evalueren van de werking van het jeugdstelsel.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Thema Jeugd en familie

Jeugdhulp merkbaar en meetbaar beter

Alle kinderen moeten veilig, gezond en kansrijk kunnen opgroeien, zich kunnen ontwikkelen en meedoen. Niet met ieder kind of iedere jongere gaat het goed. Met het programma Zorg voor de Jeugd wordt - in aansluiting op de evaluatie van de Jeugdwety, waaruit blijkt dat kinderen, ouders en medewerkers in de praktijk nog onvoldoende verbetering zien - de jeugdhulp in 2019 en volgende jaren merkbaar en meetbaar verbeterd voor kinderen en gezinnen (Tweede Kamer, 2018-2019, 34 880, nr. 3). Met dit programma worden, in partnerschap met partijen in het veld, verbeteringen gerealiseerd op onderstaande actielijnen;

    • 1) 
      Betere toegang tot jeugdhulp voor kinderen en gezinnen
    • 2) 
      Meer kinderen zo lang mogelijk thuis laten opgroeien
    • 3) 
      Alle kinderen de kans bieden zich te ontwikkelen
    • 4) 
      Kwetsbare jongeren beter op weg helpen zelfstandig te worden
    • 5) 
      Investeren in vakmanschap
    • 6) 
      Jeugdhulp dichtbij kind

Het programma loopt tot en met 2021. Het hoofddoel is dat de jeugdhulp en jeugdreclassering merkbaar en meetbaar beter te maken: zodat eenieder op tijd passende hulp ontvangt. Dit wordt gemeten- naast gebruik van reguliere statistieken - door kinderen, ouders en medewerkers zelf te vragen naar hun ervaringen. In de Voortgangsrapportage Zorg voor de Jeugd, wordt de Tweede Kamer twee keer per jaar over de voortgang geïnformeerd. In 2019 wordt een OZJ (Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd) ingericht die de regio’s ondersteunt.

Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling

Geweld hoort nergens thuis, zeker niet in je eigen huis waar je veilig moet zijn en je je veilig moet voelen om jezelf te kunnen zijn, te groeien en je te ontwikkelen. Toch zijn huiselijk geweld en kindermishandeling de meest voorkomende gevallen van geweld die in Nederland plaatsvinden. Tot op heden zijn we er onvoldoende in geslaagd om wezenlijk het verschil te maken in het terugdringen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De opgave van het actieprogramma «Geweld hoort nergens thuis» is: het stoppen en terugdringen van dit geweld en de schade ervan te beperken om zodanig de cirkel van geweld, de overdracht van generatie op generatie door te breken. We doen dit langs drie actielijnen:

    • 1) 
      Huiselijk geweld en kindermishandeling moet eerder en beter in beeld. De duur van geweld tot aan de eerste melding moet - als belangrijkste indicator voor deze lijn - korter.
    • 2) 
      Het geweld moet stoppen en duurzaam worden opgelost. Kernindicator hier is het welbevinden van betrokken slachtoffer: veiligheid moet duurzaam zijn geborgd en er moet passende hulpverlening zijn.
    • 3) 
      In de derde plaats richt het programma zich op een aantal specifieke doelgroepen waar bijzondere actie nodig is. De aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling is met name gericht op de regio’s.

De inhoudelijke ambities van de programmalijnen van het programma Geweld hoort nergens thuis en «dat wat werkt» moet op regionale schaal worden geconsolideerd. Inspanningen daar moeten het verschil maken voor de slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het beleid, de protocollen zijn er, maar het moet in de praktijk worden waargemaakt. De doelstelling is dat alle regio’s een aanpak hebben. De aanpak heeft een bestuurlijk karakter en bestaat uit bestuurders en directeuren van organisaties die in de regio een rol of verantwoordelijkheid hebben in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en die zich committeren aan de aanpak.

    • • 
      Elke regio richt een eigen aanpak in die de uitvoering van de programmalijnen binnen de regio ter hand neemt.
    • • 
      Het Rijk ondersteunt de aanpak door (extra) middelen beschikbaar te stellen voor het aanstellen van een projectleider in elke regio

Een klein programmateam ondersteunt in opdracht van VWS, JenV en de VNG de regio’s, waar nodig, met het opzetten en doorontwikkelen van de gezamenlijk lerende praktijk. Het team kan indien nodig helpen bij het forceren van een doorbraak. De Tweede Kamer wordt twee maal per jaar geïnformeerd over de voortgang van het programma «Geweld hoort nergens thuis».

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

103.761

134.335

101.104

102.960

85.144

74.047

71.156

Uitgaven

110.227

134.335

101.104

102.960

85.144

74.047

71.156

Waarvan juridisch verplicht (%)

86,6%

  • 3. 
    Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

110.227

134.335

101.104

102.960

85.144

74.047

71.156

Subsidies

106.174

109.334

90.542

91.708

73.392

62.295

59.191

Schippersinternaten

17.749

19.322

17.824

17.825

17.826

17.728

17.625

Participatie

3.329

1.474

0

0

0

0

0

Kennis en beleidsinformatie

8.335

6.655

6.656

6.657

6.657

6.658

6.657

Kindermishandeling

986

10.385

18.385

17.885

17.855

6.855

3.855

Jeugdhulp

27.540

16.771

0

0

0

0

0

Transitie jeugd

48.134

54.727

0

0

0

0

0

Zorg voor jeugd

0

0

47.677

49.341

31.054

31.054

31.054

Overig

101

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

2.721

23.672

9.048

9.738

10.238

10.238

10.438

Kennis en beleidsinformatie

1.590

11.666

1.621

1.626

1.626

1.626

1.826

Kindermishandeling

76

458

458

458

458

458

458

Jeugdhulp

175

10.696

0

0

0

0

0

Transitie jeugd

652

217

0

0

0

0

0

Zorg voor jeugd

0

0

6.969

7.654

8.154

8.154

8.154

Overig

228

635

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.332

1.302

1.302

1.302

1.302

1.302

1.302

Overig

1.332

1.302

1.302

1.302

1.302

1.302

1.302

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

27

212

212

212

212

225

Overig

0

27

212

212

212

212

225

Ontvangsten

10.399

4.508

4.508

85

85

85

85

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

0

4.423

4.423

0

0

0

0

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

9.842

0

0

0

0

0

0

Noodzakelijke en passende zorg

557

85

85

85

85

85

85

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies. Van het beschikbare budget 2019 van € 90,5 miljoen is circa 88% juridisch verplicht. Het betreft de vergoeding van kapitaallasten gesloten jeugdzorg, subsidies aan schippersinternaten, het Nederlands jeugdinstituut, de Nationale jeugdraad, LOC, de Nederlandse vereniging pleeggezinnen en het Kinderrechtencollectief, kindertelefoon en het AKJ.

De niet-juridisch verplichte middelen zijn bestuurlijk verplicht. Deze subsidies moeten nog worden uitgezet in het kader van het programma zorg voor de jeugd.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2019 van € 9 miljoen is circa 70% juridisch verplicht. Het betreft kaseffecten van opdrachten uit 2019. De niet-juridisch verplichte middelen zijn gereserveerd voor opdrachten, met name voor de aanpak van kindermishandeling, professionalisering, informatievoorziening en gepaste zorg.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget 2019 van € 1,3 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het CIBG voor de uitvoeringskosten en het beheer van de Verwijsindex risicojongeren.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare bedrag van € 0,2 miljoen is 100% juridisch verplicht.

  • 5. 
    Instrumenten
  • 3. 
    Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

Met de Jeugdwet worden verschillende doelen nagestreefd, waarbij investeren aan de voorkant uiteindelijk tot een minder beroep op zwaardere van zorg moet leiden. Dit betekent dat in de eerste jaren we een toename verwachten van jeugdhulp zonder verblijf.

Subsidies

Schippersinternaten

Voor de opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten ontvangen internaten ook in 2019 subsidie (circa € 17,8 miljoen).

Subsidies en opdrachten

Kennis en beleidsinformatie

Voor kennis en informatiebeleid is in 2019 een bedrag van € 8,3 miljoen beschikbaar aan opdrachten en subsidies. De middelen zijn onder andere beschikbaar voor het door het CBS verzamelen van gegevens ten behoeve van de beleidsinformatie jeugd. Het CBS publiceert twee keer per jaar statistieken en rapportages over het jeugdhulpgebruik per gemeente. De Jeugdmonitor wordt eenmaal per jaar gepubliceerd om de situatie te laten zien van de jeugd aan de hand van maatschappelijke indicatoren die het brede jeugdveld bestrijken, te weten: wonen, school, werken, middelengebruik, politiecontacten en kindermishandeling.

Kindermishandeling

De inhoudelijke ambities uit de programmalijnen en «dat wat werkt» moet op regionale schaal worden geconsolideerd. Inspanningen daar moeten het verschil maken voor de slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het moet in de praktijk worden waargemaakt. Daarom is er een programmatische aanpak opgezet met het programma «Geweld hoort nergens thuis».

Elke regio richt een eigen aanpak in die de uitvoering van de programmalijnen binnen de regio ter hand neemt. Het Rijk ondersteunt de aanpak door € 4 miljoen beschikbaar te stellen voor het aanstellen van een projectleider in elke regio. Deze middelen worden in 2019 toegevoegd aan het gemeentefonds. Voor de gehele post Kindermishandeling is totaal € 18,8 miljoen beschikbaar, waarvan € 18,3 miljoen voor subsidies en € 0,5 miljoen voor opdrachten.

Zorg voor de jeugd

In totaal is voor dit thema € 54,7 miljoen beschikbaar in 2019. Hiervan is € 47,7 miljoen gereserveerd voor subsidies en € 7 miljoen voor opdrachten. Binnen dit thema worden vier deelonderwerpen onderscheiden die hierna worden toegelicht.

Meer kinderen zo thuis mogelijk laten opgroeien

Subsidie voor het actieplan Terugdringen Separatie aan Jeugdzorg Nederland voor o.a. het opstellen in overleg met de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd van een toetsingskader en ontwikkelen van een registratiesysteem separatie in gesloten jeugdhulp.

    • • 
      Het actieplan pleegzorg loopt tot en met het eind van 2019.
    • • 
      In 2019 wordt uitvoering gegeven aan de regionale afspraken tussen gemeenten, instellingen en onderwijs over de transformatie van gesloten plaatsen naar kleinschalige voorzieningen met een beperkt beveiligingsniveau. Bij de invulling daarvan betrekken we jongerenorganisaties, zoals gevraagd in de motie Raemakers (Tweedekamer; 2017-2018; 31 839; nr. 619).

Alle kinderen de kans bieden zich te ontwikkelen

    • • 
      Flexibele onderwijs-zorg arrangementen: de 42 jeugdhulpregio’s spannen zich in 2019 e.v. jaren in om samen met samenwerkingsverbanden passend onderwijs te komen tot een meerjarig plan waarin ze aangeven hoe ze de inzet van onderwijsmiddelen en zorgmiddelen beter op elkaar afstemmen. In het najaar van 2018 brengt een kwartiermaker in opdracht van de bestuurlijke coalitie jeugdhulp, zorg en onderwijs een advies uit over wat er nodig is om dit de komende jaren te versterken. Vanuit VWS en OCW wordt deze aanpak financieel ondersteund. De uitvoering hiervan start begin 2019. Daarnaast blijft VWS het Nederlands Jeugd Instituut financieren voor de kennisfunctie onderwijs-zorg
    • 1. 
      Aanpak Thuiszitters: Er zitten helaas nog meer dan 4.000 kinderen langer dan 3 maanden thuis zonder een passend aanbod uit het onderwijs, de zorg, of beiden. De doelstelling van het thuiszitterspact is dat geen enkel kind in 2020 langer dan 3 maanden thuis zit zonder een passend aanbod uit het onderwijs, de zorg, of beiden. Ook in 2019 is dus nog inzet nodig om deze ambitie te bereiken.

    Voor ondersteuning van hulpvragen van ouders zijn onderwijszorgconsulenten beschikbaar VWS levert hiervoor ook in 2019 nog een forse bijdrage aan OCW. Ingevolge het thuiszitterspact organiseren VWS en OCW elk jaar een thuiszitterstop.

    • 2. 
      Uitvoering maatregelen project zorg in onderwijstijd zoals aangekondigd in het Regeerakkoord. Een van de voorlopige maatregelen betreft de mogelijkheid van financiering van een nieuwe coördinator functie bij aantal scholen en wet- en regelgeving voor een doorzettingsmacht of geschillencommissie. Deze optie wordt op dit moment onderzocht.

Kwetsbare jongeren beter op weg helpen zelfstandig te worden

    • • 
      Pleegzorg wordt standaard verlengd naar 21 jaar. Hiertoe bereiden we in 2019 een wijziging van de Jeugdwet voor. Hiervoor zijn extra financiële middelen beschikbaar gesteld door de regering. De middelen zijn onderdeel van de integratie-uitkering Sociaal domein van het Gemeentefonds, die te vinden zijn onder artikel 1 van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
    • • 
      Samen met het Nederlands Jeugd instituut ondersteunen we gemeenten en zorgaanbieders om te komen tot een soepele overgang naar volwassenheid.
    • • 
      Jongeren in een pleeggezin of instelling worden goed voorbereid op hun toekomst en worden met een toekomstplan geholpen met de stappen die ze daarvoor moeten nemen.

De VNG wordt gesubsidieerd om gemeenten te ondersteunen bij het ontwikkelen van een regionale agenda 16-27 (€ 118.000).

Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ)

Voor de taken en werkzaamheden van de aanpak van het programma Zorg voor de Jeugd en het OZJ, dat vanaf 2019 voor drie jaar is ingesteld, is jaarlijks € 5 miljoen gereserveerd op de VWS-begroting.

In vervolg op de Transitie Autoriteit Jeugd en het programma Zorglandschap Jeugdhulp ondersteunt en adviseert het OZJ gemeenten bij jeugdhulpvernieuwing, verbetering van de jeugdbescherming, inkoop van specialistische jeugdhulp en uitvoering van de regiodeals. Daarnaast deelt het OZJ goede voorbeelden van de regionale aanpak van wachttijden, inkoop en vernieuwing van jeugdhulp en jeugdbescherming. Verder bemiddelt het OZJ tussen gemeenten en aanbieders die er onderling niet uitkomen en adviseert het OZJ gericht over continuïteit van zorg en handelingsperspectieven bij discontinuïteit.

Transformatiebudget

In het Regeerakkoord is een Transformatiefonds Jeugd aangekondigd voor drie jaar (2018 - 2020). Jaarlijks is € 36 miljoen beschikbaar (cofinanciering Rijk/gemeenten). De spelregels van het Transformatiefonds zijn in juni gepubliceerd en de feitelijke een decentralisatie-uitkering zal in de decembercirculaire 2018 van het gemeentefonds bekend worden gemaakt.

Jeugdhulpregio’s komen in aanmerking voor een bijdrage uit het Transformatiefonds door een transformatieplan in te dienen. In dit plan is minimaal één van de actielijnen uit het actieprogramma «Zorg voor de Jeugd» uitgewerkt.

Kennisprogramma’s jeugd

Met de Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd (AWTJ) 2015-2020 wordt met de inmiddels beproefde werkplaatsformule ondersteuning geboden aan de transformatie jeugd. AWTJ’s verbinden de werelden van wetenschap, praktijk, onderwijs en beleid met structurele inbreng van ouders en jongeren. Verkregen kennis wordt direct vertaald naar praktijk of beleid in de vorm van toepasbare kennisproducten.

Het ZonMw-programma Effectief werken voor jeugdsector nadert zijn einde en in 2019 gaat een nieuw programma ZonMw-programma van start, mede ter ondersteuning van de actielijnen van het programma «Zorg voor de jeugd».

De middelen voor de ZonMw-programma’s worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Ontvangsten

In 2018 worden alleen ontvangsten verwacht van niet volledig uitgeputte subsidies. Na het vaststellen van deze subsidies wordt het te veel bevoorschotte bedrag teruggevorderd. Deze ontvangsten worden totaal geraamd op € 4,5 miljoen.

Artikel 6 Sport en bewegen

  • 1. 
    Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarbij plezier in sport en bewegen belangrijk is, waarin voor iedereen passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden aanwezig zijn en topsport mensen inspireert en samenbrengt.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor het landelijke sportbeleid. Aan dit sportbeleid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de Minister de intrinsieke waarde van sport en het belang van sportevenementen. Vanuit die verantwoordelijkheid vervult de Minister de volgende rollen:

Stimuleren:

    • Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen zoals gemeenten, bedrijfsleven, maatschappelijke (sport)organisaties, zodat op lokaal niveau een passende en veilige sport- en beweeginfrastructuur en cultuur tot stand komt en blijft.
    • Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Financieren:

    • Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die er aan bijdragen dat er voor iedereen passende en veilige sport- en beweeginfrastructuur en cultuur in de buurt aanwezig zijn.
    • Het faciliteren en mede financieren van de ambitie om te behoren tot de beste tien sport landen ter wereld. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport, ook tijdens topsportevenementen in eigen land.
    • Het (mede) financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Regisseren:

    • Het tot stand brengen van de omvorming van de Dopingautoriteit van stichting naar zelfstandig bestuursorgaan als gevolg van de in behandeling zijnde Wet uitvoering antidopingbeleid, in nauwe samenwerking met NOC*NSF en de Dopingautoriteit.
    • Het versterken van de maatschappelijke impact van sport en bewegen via het organiseren van internationaal aansprekende sportevenementen.
    • Het bijeen brengen van gemeenten, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en provincies binnen het sportakkoord om tot een gezamenlijk beleidsagenda te komen.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Thema Sport

Nationaal Sportakkoord «Sport verenigt Nederland»

Met het onlangs afgesloten sportakkoord wordt samen met de sport, gemeenten, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties de handen ineen geslagen om de kracht van sport de komende jaren nog beter te kunnen benutten: om Nederland te verenigingen via sport en bewegen (TK 30 234, nr. 185).

Het Sportakkoord benoemt zes ambities. Deze zijn erop gericht de komende jaren te komen tot:

    • inclusief sporten en bewegen;
    • een duurzame sportaccommodatie infrastructuur;
    • vitale aanbieders;
    • een positieve sportcultuur;
    • van jongs af aan vaardig in bewegen.

Voor de eerste vijf ambities bestaan reeds concrete afspraken over de invulling. Ten aanzien van de topsport-ambitie zal in 2019 worden gewerkt aan het formuleren van afspraken waarmee het realiseren van d eambitie moet worden bereikt. Reden hiervoor is dat zo gelijke tred wordt gehouden met de Olympische cyclus. Hierover zal de Kamer in 2019 nader worden geïnformeerd.

Topsport en evenementen

Sport bevordert de gezondheid, brengt plezier, trots en saamhorigheid. Het kabinet stelt in het Regeerakkoord structureel € 10 miljoen voor topsport en € 5 miljoen voor de ondersteuning van de organisatie van topsportevenementen in Nederland beschikbaar. Zo wordt ingezet op meer mogelijkheden voor deelname aan internationale wedstrijden en trainingsstages, betere talentherkenning- en ontwikkeling, meer en betere persoonlijke begeleiding door coaches en experts, extra investering in financiële voorzieningen, een integraal datamanagement- en dossiervergelijkingssysteem, een betere en meer toegankelijke opleiding van Nederlandse topcoaches en de ontwikkeling van nieuwe en kansrijke medaille-onderdelen en sporten. Deze structurele intensivering biedt hiermee meer kansen in de ontwikkeling van onze Olympische en Paralympische talenten en topsporters. Daarnaast geeft het meer ruimte om internationaal aansprekende sportevenementen in Nederland te organiseren (TK 34 888, nr. 2).

Overige beleidswijzigingen

Verruiming BTW-vrijstelling sportclubs

Met ingang van 2019 is de budgettaire verantwoordelijkheid inzake de verruiming van de BTW-vrijstelling voor sportclubs overgedragen van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van VWS (TK 30 234, nr. 184). Hiermee wordt het Ministerie van VWS vanaf 2019 mede verantwoordelijk voor het beleid op het gebied van sportaccommodaties, bijvoorbeeld ten aanzien van bouw en onderhoud, duurzaamheid en de toegankelijkheid van sportaccommodaties. Door de verruiming van de BTW-vrijstelling vervalt in de meeste gevallen ook de mogelijkheid om BTW te verrekenen. Om de gemeenten, sportverenigingen en sportstichtingen hiervoor te compenseren worden middelen gereserveerd voor een specifieke uitkering voor gemeenten en voor een subsidieregeling voor sportverenigingen, stichtingen en andere niet winst beogende investeerders in sportaccommodaties. Binnen het Sportakkoord wordt hieraan uitvoering gegeven onder het thema «een duurzame sportaccommodatie infrastructuur».

Dopingautoriteit

Anticiperend op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet uitvoering antidopingbeleid zijn er voorzieningen getroffen om de organisatie van de Dopingautoriteit voor te bereiden op de status van zelfstandig bestuursorgaan, die het met dit wetsvoorstel zal krijgen. Daarnaast worden er in 2019 diverse maatregelen genomen ter versterking van de aanpak van doping (TK 34 543, nr. 17).

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Algemeen

In verband met het sluiten van het Sportakkoord «Sport verenigt Nederland» en het overdragen van de budgettaire verantwoordelijkheid inzake de verruiming BTW-vrijstelling voor sportclubs van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van VWS, is ervoor gekozen de budgetstructuur hierop aan te passen.

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

83.088

69.670

408.968

390.978

399.055

411.255

412.981

Uitgaven

80.357

92.815

409.498

407.213

409.725

411.255

412.981

Waarvan juridisch verplicht (%)

97,9%

  • 1. 
    Passend sport- en beweegaanbod

19.010

22.817

1.772

864

400

0

0

Subsidies

15.111

17.899

1.772

864

400

0

0

Gehandicaptensport

1.534

1.820

0

0

0

0

0

Verantwoord sporten en bewegen

784

799

0

0

0

0

0

Sport en bewegen in de buurt

4.893

7.334

1.041

596

224

0

0

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

7.900

7.946

731

268

176

0

0

Bekostiging

3.000

2.500

0

0

0

0

0

Compensatie van betaalde energiebelasting

0

0

0

0

0

0

0

Energiebesparing en duurzame energie

3.000

2.500

0

0

0

0

0

Opdrachten

899

942

0

0

0

0

0

Sport en bewegen in de buurt

899

942

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

0

1.339

0

0

0

0

0

Sport en bewegen in de buurt

0

1.339

0

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

137

0

0

0

0

0

Energiebesparing en verduurzaming

0

137

0

0

0

0

0

  • 2. 
    Uitblinken in sport

54.243

63.084

2.850

1.252

0

0

0

Subsidies

41.775

49.450

2.850

1.252

0

0

0

Topsportevenementen

9.688

7.642

2.850

1.252

0

0

0

Topsportprogramma's

30.569

40.022

0

0

0

0

0

Dopingbestrijding

1.518

1.786

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten

12.243

13.404

0

0

0

0

0

Stipendiumregeling

12.243

13.404

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

225

230

0

0

0

0

0

Dopingbestrijding

225

230

0

0

0

0

0

  • 3. 
    Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

7.104

6.914

0

0

0

0

0

Subsidies

6.923

6.612

0

0

0

0

0

Kennis als fundament

6.923

6.612

0

0

0

0

0

Opdrachten

128

239

0

0

0

0

0

Kennis als fundament

128

239

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

53

0

0

0

0

0

0

Overig

53

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

63

0

0

0

0

0

Overig

0

63

0

0

0

0

0

  • 4. 
    Sport verenigt Nederland

0

0

404.876

405.097

409.325

411.255

412.981

Subsidies

0

0

169.442

169.713

173.939

175.868

177.595

Inclusief sporten

0

0

3.227

3.900

4.550

4.950

5.595

Vaardig in bewegen

0

0

5.300

6.000

5.776

6.000

6.000

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

0

0

87.000

87.000

87.000

87.000

87.000

Positief sportklimaat

0

0

7.016

7.276

7.368

7.544

7.543

Vitale sportaanbieders

0

0

8.971

9.075

8.280

6.885

6.882

Topsportevenementen

0

0

9.793

8.836

10.089

10.089

10.199

Topsportprogramma’s

0

0

39.499

39.553

39.554

39.556

39.555

Kennis en innovatie sportbeleid

0

0

8.636

8.073

11.322

13.844

14.821

Inkomensoverdrachten

0

0

13.406

13.407

13.408

13.409

13.408

Stipendiumregeling

0

0

13.406

13.407

13.408

13.409

13.408

Opdrachten

0

0

213

213

213

213

213

Kennis en innovatie sportbeleid

0

0

213

213

213

213

213

Bijdragen aan ZBO/RWT’s

0

0

1.808

1.757

1.757

1.757

1.757

Dopingautoriteit

0

0

1.808

1.757

1.757

1.757

1.757

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

152.000

152.000

152.000

152.000

152.000

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

0

0

152.000

152.000

152.000

152.000

152.000

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

0

0

230

230

230

230

230

Dopingbestrijding

0

0

230

230

230

230

230

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

67.777

67.777

67.778

67.778

67.778

GF: Inclusief sporten

0

0

61.000

61.000

61.000

61.000

61.000

EZK: Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

0

0

6.714

6.714

6.715

6.715

6.715

BZ: Internationaal

0

0

63

63

63

63

63

Ontvangsten

645

740

740

740

740

740

740

Overig

645

740

740

740

740

740

740

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de BTW-vrijstelling voor sportclubs. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de Fiscale regelingen».

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 174,1 miljoen is 95,1% juridisch verplicht in verband met de financiering van aangegane verplichtingen voor instellingssubsidies en (meerjarige) projectsubsidies. Het betreft onder meer de instellingssubsidies aan NOC*NSF, het Kenniscentrum sport en Mulier Instituut. Bij de projectsubsidies betreft het onder meer de subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties, topsportevenementen en de uitwerking binnen de deelakkoorden van het sportakkoord.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 0,2 miljoen is 100% juridisch verplicht.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 13,4 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de Stipendiumregeling voor topsporters.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 1,8 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de bijdrage aan de Dopingautoriteit.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 152 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de Regeling specifieke uitkering stimulering sport.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Van het beschikbare budget voor 2018 van € 0,2 miljoen miljoen is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 67,8 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de bestuurlijke afspraken met de Vereniging Nederlandse Gemeenten over de inzet van buurtsportcoaches binnen de gemeenten, een expertisecentrum dat aandacht heeft voor alle aspecten rondom de sportaccommodatie zoals normering van accommodaties, bezettingsgraden, toegankelijkheid en kwaliteit en een bijdrage voortvloeiend uit de European Partial Agreement in Sports (EPAS) en de World Anti-Doping Agency (WADA).

  • 5. 
    Instrumenten

In 2017 deed 57% van de personen van 12 jaar en ouder wekelijks aan sport. Dit percentage is sinds 2001 stabiel. Ruim de helft van de Nederlanders van 12 jaar en ouder beweegt voldoende volgens de combinorm, dat wil zeggen voldoet aan de norm gezond bewegen (voor volwassenen is dat minstens een half uur matig intensieve lichamelijke activiteit op minimaal vijf dagen per week en voor jongeren een uur matig intensief bewegen op alle dagen van de week) en/of de fitnorm (minimaal drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit).

Bron: www.staatvenz.nl/kerncijfers/thematisch/sport-en-bewegen

De medailleklassementen zijn een momentopname, maar geven wel een indicatie van de mate waarin Nederland erin slaagt om te behoren tot de beste tien sportlanden.

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische en Paralympische Zomerspelen

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische en Paralympische Winterspelen

Bron: De medailleklassementen van de Olympische zomer- en winterspelen worden opgesteld door het International Olympic Committee (IOC).

In Turijn 2006 deed Nederland niet mee aan de Paralympische Winterspelen.

Subsidies

Sport en bewegen in de buurt

Er zijn meerjarige projectsubsidies verstrekt aan onder andere NOC*NSF voor de ondersteuning van het project sport en bewegen in de buurt, de Krajicek Foundation voor het organiseren van de Koningsspelen en aan Nationaal Platform Zwembaden voor een duurzaam zwemveilig Nederland in 2020. In 2019 is hiervoor € 1 miljoen beschikbaar.

Inclusief Sporten

Iedere Nederlander een leven lang plezier in sporten en bewegen. Ongehinderd door leeftijd, lichamelijke of geestelijke gezondheid, etnische achtergrond, seksuele geaardheid of sociale positie. Er wordt onder andere ingezet op meer Buurtsportcoaches zodat mensen die belemmeringen ervaren kunnen sporten. Gemeenten wordt gevraagd het aantal soorten hulpmiddelen, waar sporters met een beperking een beroep op kunnen doen, uit te breiden. Daarnaast komt er een Code goed sportbestuur voor sportaanbieders, waardoor clubs gestimuleerd worden te werken aan diversiteit zodat iedereen kan genieten van sport en mee kan helpen met het organiseren ervan. In 2019 is hiervoor € 3,2 miljoen beschikbaar.

Vaardig in Bewegen

Spelen en bewegen is door bijvoorbeeld digitalisering, verstedelijking en te weinig veilige speelplekken minder vanzelfsprekend geworden in het dagelijkse leven van kinderen. De ambitie is dat meer kinderen voldoen aan de beweegnorm en dat de motorische vaardigheden toenemen. Hierbij wordt via een publiekscampagne om de beweegrichtlijn bekend te maken, een beweegprogramma in iedere gemeente voor kinderen onder zes jaar, en daarnaast de inzet van het Jeugdfonds Sport en Cultuur waardoor ouders met een kleine beurs financiële ondersteuning krijgen om hun kinderen te laten sporten, spelen en bewegen, vooral ingezet op kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. In 2019 is hiervoor € 5,3 miljoen beschikbaar.

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

Een goed werkende en duurzame sportinfrastructuur is belangrijk. Overal waar mensen sporten en bewegen moeten de voorzieningen op orde zijn. Het gaat hierbij niet alleen om sportvelden, zwembaden, sporthallen en clubhuizen, maar ook om het stadspark en het trapveldje in de wijk. Met de subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties kunnen sportaanbieders (sportverenigingen, stichtingen en andere niet winst beogende investeerders in sportaccommodaties) een subsidie aanvragen voor de bouw of het onderhoud van sportaccommodaties, of voor de aanschaf of het onderhoud van sportmaterialen. In totaal is in 2019 hiervoor € 87 miljoen beschikbaar.

Positief Sportklimaat

Sporten moet leuk, veilig, eerlijk en zorgeloos zijn. Plezier in sport is het fundament voor een leven lang sporten. Zo moeten alle sportclubs aandacht hebben voor een positieve sportcultuur, dat trainers, leraren en instructeurs het welzijn van het kind belangrijker vinden dan winnen en dat ouders en verzorgers langs de lijn positieve supporters zijn. Zo kunnen sportbestuurders gebruik maken van coaching, wordt geïnvesteerd in het verbeteren van pedagogische kennis en kunnen sportverenigingen ondersteuning krijgen voor het opzetten van integriteitbeleid. In 2019 is hiervoor € 7 miljoen beschikbaar.

Vitale Sportaanbieders

Aanbieders van sport en bewegen moeten toekomstbestendig zijn, zodat sport en bewegen voor iedereen toegankelijk en bereikbaar blijft. Verenigingen kunnen sterker worden door hun sport- en beweegaanbod te verbreden, door zich ondernemender te gedragen. Commerciële sportaanbieders kunnen zich versterken door meer maatschappelijk betrokken te zijn. Hierbij wordt ingezet op het stimuleren van vrijwilligerswerk in de sport, meer samenwerking tussen de buurtsportcoach en sportaanbieders, en scholingsaanbod voor bestuurders van verenigingen. In 2019 is hiervoor € 9 miljoen beschikbaar.

Topsportevenementen

Er zijn middelen beschikbaar voor (sport)organisaties voor het verkrijgen en organiseren van aansprekende topsportevenementen in Nederland (€ 12,6 miljoen). Daarbij ligt de focus meer op strategische evenementen met een grote maatschappelijke meerwaarde.

Topsportprogramma’s

Het topsportbeleid, zoals beschreven in de Sportagenda 2017+ van NOC*NSF en de sportbonden, focust op (potentieel) succesvolle takken van sport en topsporters om zo tot de 10 beste topsportlanden ter wereld te horen. VWS zet vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid een aantal herkenbare accenten neer, waaronder: blijvende aandacht voor integriteit in de topsport, het versterken van de positie van topsporters, het vastleggen van afspraken met topsporters over hun maatschappelijke inzet, voldoende aandacht voor paralympische topsport en het stimuleren van een divers topsportlandschap dat uitnodigt om te presteren. Om de top 10 ambitie waar te kunnen maken voeren NOC*NSF en de sportbonden topsportprogramma’s uit. VWS stelt hiervoor € 39,5 miljoen beschikbaar.

Kennis en innovatie sportbeleid

Het Topteam Sport (www.sportinnovator.nl) geeft met het programma Sportinnovator een belangrijke impuls aan een rendabel ecosysteem voor sportonderzoek en innovatie. Regionale centra voor sportinnovatie worden (tijdelijk) gesubsidieerd en er vindt begeleiding plaats via het Topteam. Een belangrijk initiatief is ook de Sport Data Valley, waarin data kunnen worden gedeeld en gezamenlijke projecten tussen sportonderzoekers en sportinnovatoren kunnen worden opgezet.

Om uitvoering te geven aan de Nationale Kennisagenda Sport en Bewegen wordt een onderzoeksprogramma 2018-2020 ontwikkeld. Deze bouwt voort op het onderzoeksprogramma sport en bewegen 2017. Belangrijk doel is dat de Nederlandse sportpraktijk direct kan profiteren van nieuwe wetenschappelijke gegevens en inzichten. Met het programma wordt beoogd een impuls te geven aan een duurzame multidisciplinaire samenwerking tussen onderzoekers. De samenwerking is gericht op meer focus en massa in het sportonderzoek. Er is € 6 miljoen beschikbaar voor de periode tot en met 2020. Deze middelen zijn aanvullend op de huidige inzet op het programma Sportinnovator. Het is de inzet om zo te komen tot een geïntegreerd programma voor sportonderzoek en innovatie.

De VWS-middelen voor het verder brengen van het sportonderzoek worden in partnerschap met Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ZonMw, NOC*NSF en Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek-Stichting Innovatie Alliantie (NRPO-SIA) ingezet.

Daarnaast wordt ingezet op het valideren van kansrijke sport- en beweeginterventies en op het borgen en verspreiden van beschikbare kennis via het Kenniscentrum en Kennisportal sport.

Het Mulier Instituut, het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) krijgen subsidie om de monitoring van kernindicatoren in de sport uit te voeren.

In totaal is voor kennissubsidies € 8,6 miljoen beschikbaar in 2019.

Inkomensoverdrachten

Stipendiumregeling

Het Fonds voor de Topsporter verzorgt het uitkeren van een stipendium aan A-topsporters en nationale toptalenten met een inkomen dat lager is dan het minimumloon. Zo kunnen zij zich volledig richten op hun sportcarrière. Het Fonds voor de Topsporter zorgt bovendien voor het uitkeren van een kostenvergoedingen aan topsporters. VWS stelt hiervoor € 13,4 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Dopingbestrijding

Voor het tegengaan van dopinggebruik wordt aan de Dopingautoriteit een bijdrage beschikbaar gesteld van € 1,8 miljoen.

Bijdragen aan medeoverheden

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

Onder voorwaarden kunnen gemeenten, sportverenigingen en sportstichtingen tot 2019 de BTW die aan hen in rekening wordt gebracht bij investeringen in sportaccommodaties en sportmaterialen in aftrek brengen. Door een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU is de BTW-vrijstelling voor sport verbreed en moet bovenstaande mogelijkheid tot aftrek worden aangepast. Door de verruiming van de BTW-vrijstelling vervalt in de meeste gevallen ook de mogelijkheid om BTW te verrekenen. De Minister wil de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties echter blijven stimuleren. De «Regeling specifieke uitkering stimulering sport» beoogt daarom de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen door gemeenten te stimuleren, waar de mogelijkheid tot BTW-aftrek is vervallen. De regeling is gestoeld op de uitgangswaarden van de mogelijkheden die er tot 1 januari 2019 zijn om de BTW af te trekken. In totaal is in 2019 hiervoor € 152 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Inclusief sporten

Gemeenten stellen professionals aan als buurtsportcoaches en buurtcultuurcoaches. Zij leggen verbindingen tussen sport en sectoren als onderwijs, cultuur, zorg, welzijn en buitenschoolse opvang. Vanuit VWS wordt in 2019 € 61 miljoen via het gemeentefonds in de vorm van een decentralisatie-uitkering beschikbaar gesteld aan de gemeenten. Daarnaast draagt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hier € 11,5 miljoen aan bij. Per fte ontvangen de deelnemende gemeenten een rijksbijdrage van € 20.000,-. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor cofinanciering van 60% per fte.

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

Er wordt een platform opgericht dat aandacht heeft voor alle aspecten rondom de sportaccommodatie zoals de normering van accommodaties, bezettingsgraden, toegankelijkheid en kwaliteit. Naar verwachting zal de uitvoering hiervan via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) lopen. Het expertisecentrum zal zich daarbij ook richten op:

    • het opzetten van een aantal plekken in Nederland waar gemeenten, sport en bedrijfsleven de benodigde innovaties samen (door)ontwikkelen. Deze innovaties leiden tot nieuwe standaarden voor onder meer het aanbestedingsbestek;
    • het stimuleren van innovaties voor verduurzaming van sportinfrastructuur door het organiseren van challenges;
    • het ontwikkelen en toepassen van financiële modellen voor verduurzaming van accommodaties (bijvoorbeeld fondsen, ESCO constructies, garantstellingen, et cetera) en deze beschikbaar maken voor gemeenten, sportbonden en verenigingen;
    • het stimuleren van duurzaamheidinitiatieven, zoals het verlagen van het watergebruik van accommodaties en het recyclen van kunstgrasvelden.

Het beschikbare budget bedraagt in 2019 maximaal € 6,7 miljoen.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

  • 1. 
    Algemene doelstelling

De zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

Continuïteit, kwaliteit, effectiviteit en toekomstgerichtheid van specifieke zorg en het stelsel van pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II moet worden geborgd, ook bij een steeds kleinere doelgroep. Het is belangrijk om de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat blijvend betekenis kan worden gegeven aan het verhaal van «de oorlog». Ook dit is onderdeel van de leidende begrippen «ereschuld» en «bijzondere solidariteit» ten aanzien van de deelnemers aan voormalig verzet en de oorlogsgetroffenen. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor (nabestaanden van) mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar juist ook voor nieuwe generaties. Generaties van nu en later moeten - ook als de eerste generatie is weggevallen - betekenis kunnen geven aan alle facetten van deze geschiedenis. Dat geldt zowel voor de oorlog zoals deze zich in Nederland en Europa heeft afgespeeld, en dan vooral de Holocaust als dieptepunt van het menselijk handelen, als voor de oorlog (en de Bersiap-periode - 1945-1949) in voormalig Nederlands-Indië. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II is gerelateerd aan hedendaagse vraagstukken van grondrechten, democratie, (internationale) rechtsorde, sociale samenhang en vrijheid. De invulling hiervan vindt plaats langs vier domeinen: kennis, museale functie, educatie en informatie alsmede herdenken en vieren.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

    • De herinnering aan WO II blijvend betekenis laten houden.

Financieren:

    • Subsidiëring van begeleidende instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen.
    • Subsidiëring van instellingen die de herinnering aan de WO II levend houden.

Regisseren:

    • Het in stand houden en ondersteunen van een infrastructuur die het mogelijk maakt de zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II te garanderen en de herinnering aan WO II blijvend betekenis te laten houden.
    • Het actueel houden van de wet - en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

(Doen) uitvoeren:

    • Opdrachtgever van en toezichthouder op de zelfstandige bestuursorganen Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) en Sociale Verzekeringsbank, afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen (SVB-V&O), voor toepassing en uitvoering van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.
    • Opdrachtgever van en toezichthouder op het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) voor het invullen van herdenken en vieren.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

75 jaar vrijheid

In 2019 is het 75 jaar geleden dat met de bevrijding van Zuid-Nederland het einde van de Tweede Wereldoorlog in ons land werd ingezet. Hier zal bij worden stil gestaan met verschillende activiteiten op het gebied van herdenken, vieren en educatie waarbij aandacht wordt gevraagd voor onze gedeelde geschiedenis, centrale waarden en vrijheden. Doel is het bevorderen van een betekenisvolle viering van 75 jaar bevrijding en vrijheid, waarbij de gehele Nederlandse samenleving wordt uitgenodigd mee te doen.

  • 4. 
    Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

528.658

30.362

260.435

245.210

230.298

215.673

201.625

Uitgaven

280.834

279.958

260.760

245.210

230.298

215.673

201.625

Waarvan juridisch verplicht (%)

99,2%

  • 1. 
    De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II

19.861

24.173

22.108

22.110

21.931

21.421

21.420

Subsidies

19.381

23.336

21.271

21.272

21.093

20.583

20.582

Nationaal Comité 4 en 5 mei

5.497

5.339

5.150

5.550

5.400

5.400

5.400

Herdenken 75 jaar vrijheid

0

1.400

1.400

1.400

0

0

0

Nationale herinneringscentra

1.883

1.963

3.144

2.144

2.144

2.144

2.144

Collectieve Erkenning Indisch Nederland

239

1.600

1.600

1.600

1.600

1.100

1.100

Namenmonument

1.963

800

0

0

0

0

0

Zorg- en dienstverlening

6.243

6.142

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

Overig

3.556

6.092

3.977

4.578

5.949

5.939

5.938

Bekostiging

37

400

400

400

400

400

400

Overig

37

400

400

400

400

400

400

Opdrachten

443

413

413

414

414

414

414

Overig

443

413

413

414

414

414

414

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

24

24

24

24

24

24

Overig

0

24

24

24

24

24

24

  • 2. 
    Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II

260.972

255.785

238.652

223.100

208.367

194.252

180.205

Inkomensoverdrachten

247.865

242.270

227.069

211.516

196.781

182.666

168.619

Wetten en regelingen verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

247.865

242.270

227.069

211.516

196.781

182.666

168.619

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

13.107

13.515

11.583

11.584

11.586

11.586

11.586

SVB

10.565

10.221

9.163

8.579

8.156

7.789

7.416

PUR

2.289

1.934

1.542

1.185

771

600

600

Overig

253

1.360

878

1.820

2.659

3.197

3.570

Ontvangsten

821

901

901

901

901

901

901

Overig

821

901

901

901

901

901

901

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget circa € 21,3 miljoen is 91% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget van € 0,4 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van wachtgelden, de vervoerskosten en de niet op grond van een wettelijke regeling of ziektekostenregeling vergoede kosten van behandeling door stichting Centrum «45, inclusief de noodzakelijke verblijfskosten en deels de vergoeding in de FPU plus- en WW/BWU-regeling voor ex-werknemers van de Stichting 1940-1945.

Opdrachten

Van het beschikbare budget van circa € 0,4 miljoen is 80% juridisch verplicht. Het betreft opdrachten ten behoeve van de herinnering aan WO II en de zorg- en dienstverlening.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget van circa € 227,1 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget van circa € 11,6 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR).

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget voor 2019 van € 24.000 is 0% juridisch verplicht.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten
  • 1. 
    De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II

Subsidies

Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC)

Het Ministerie van VWS verleent een instellingssubsidie van circa € 5,2 miljoen aan het NC voor de organisatie van de nationale herdenking op 4 mei en de viering op 5 mei en activiteiten op het brede terrein van de herinnering aan WO II.

Uit het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2018 van het Nationaal Comité 4 en 5 mei blijkt dat zes van de tien Nederlanders zich tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei en Bevrijdingsdag op 5 mei in sterke mate met elkaar verbonden voelen. In onderstaand figuur is te zien dat het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor de herdenking op 4 mei en de viering van de bevrijding op 5 mei groot is. Ruim acht op de tien Nederlanders geven aan de Dodenherdenking op 4 mei (heel) belangrijk te vinden. Een bijna even grote groep Nederlanders (74%) geeft daarnaast aan de viering van Bevrijdingsdag op 5 mei (heel) belangrijk te vinden. Gedurende de afgelopen 15 jaar is het aantal Nederlanders dat de jaarlijkse Dodenherdenking heel belangrijk vindt, geleidelijk afgenomen. Vanaf 2017 is dit aantal echter weer toegenomen.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei organiseert jaarlijks in samenwerking met het Poëziepaleis de jaarlijkse dichtwedstrijd «Dichter bij 4 mei» voor jongeren tussen de 14 en 19 jaar.

Gytha te Nijenhuis (17) van het Christelijk Gymnasium Beyers Naudé in Leeuwarden is de winnaar van 2018. Gytha heeft onderstaand gedicht op 4 mei 2018 voorgedragen tijdens de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam.

Het liefst willen we vergeten

Deze stoffige doos op zolder laten staan

Dit litteken verbergen met kleding

Maar je kan het niet loslaten

Leegte, stilte

Maar toch luid

Veel woorden

Maar niet te omschrijven

Voor sommigen gegraveerd in geheugens

Bij anderen geleerd met het verstand

De gebeurtenissen van lange tijd geleden

Ze blijven voortbestaan in ons

Nationale herinneringscentra

Het Ministerie van VWS verleent instellingssubsidies (circa € 1,8 miljoen) aan de vier nationale herinneringscentra: Kamp Vught, Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum. Deze spelen een belangrijke rol in de blijvende betekenis van en de collectieve herinnering aan WO II. Gezien de bezoekersaantallen wordt het bereik van de herinneringscentra steeds groter. Naast het beheer en behoud van historische plekken gaat het vooral om educatieve activiteiten die vanuit de herinneringscentra worden georganiseerd.

In navolging van de herinneringscentra Nationaal Monument Kamp Amersfoort en Vught die hiervoor in 2018 subsidie ontvingen, is in 2019 voor Nationaal Monument Kamp Westerbork een subsidie van € 1 miljoen beschikbaar voor herinrichting en vernieuwing van de educatieve boodschap.

Daarnaast ontvangt Nationaal Monument Kamp Westerbork een subsidie voor gastsprekers in de klas van € 0,3 miljoen. Gastsprekers vertellen elk hun eigen verhaal over de WO II in Nederland of Nederlands-Indië, of over recente conflicten en vredesmissies.

Collectieve Erkenning Indisch Nederland

In 2019 wordt tweederde van de financiering (€ 1,1 miljoen) besteed aan de vaste onderdelen van de collectieve erkenning van Indisch en Moluks Nederland die vastgelegd zijn in de programmalijnen contextgebonden zorg, herdenken en de Nederlands-Indische pleisterplaats de Sophiahof. Het restant is bestemd voor projecten via een flexibel programmeringsgedeelte van de collectieve erkenning (in totaal € 0,5 miljoen per jaar). Hiertoe is een subsidieregeling gepubliceerd per 1 juli 2018. Het is van groot belang dat de collectieve erkenning van Indisch en Moluks Nederland verankerd is en blijft in de Nederlandse samenleving. De Indische en Molukse gemeenschap bepaalt zelf hoe de verankering in de samenleving vorm krijgt.

Zorg- en dienstverlening

Na WO II is in Nederland voor de deelnemers aan het voormalig verzet en de oorlogsslachtoffers geleidelijk een stelsel van pensioenen, uitkeringen en hulp- en dienstverlening ontstaan. Dit komt voort uit de principes van «ereschuld» tegenover de deelnemers aan het voormalig verzet en «bijzondere solidariteit» tegenover de oorlogsslachtoffers. Het aantal voormalig verzetdeelnemers en oorlogsgetroffen neemt gestaag af. Gezien deze ontwikkeling moeten ook de uitvoeringsorganisaties zich aanpassen. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening zijn gewaarborgd. Het Ministerie van VWS begeleidt en faciliteert deze ontwikkeling, bijvoorbeeld door samenwerking of fusie te stimuleren tussen die instellingen waar het organisatorisch draagvlak van de afzonderlijke organisaties te smal dreigt te worden. Om zorg- en dienstverlening (maatschappelijk werk, sociale dienstverlening) aan (erkende) verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, worden subsidies (in totaal in 2019 € 6 miljoen) verleend aan gespecialiseerde instellingen.

Overig

Dit betreft onder andere subsidies voor het levend houden van de herinnering WO II langs de domeinen kennis, museale functie, educatie en informatie en overige subsidies met een beperkt kasbeslag (o.a. subsidies op grond van het «Beleidskader voor de subsidiering van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland»).

  • 2. 
    Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II

Inkomensoverdrachten

Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

De wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden alleen nog bijgesteld als wijzigingen in aanpalende wetten, bijvoorbeeld op het terrein van zorg en sociale zekerheid, dat noodzakelijk maken. In het kader van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit WO II (Wuv, Wubo en Wbp) worden onder andere tegemoetkomingen (inkomensafhankelijk) en vergoedingen (inkomensonafhankelijk) voor bijzondere voorzieningen toegekend als onderdeel van de totale uitkering. Het betreft met name uitgaven voor medische voorzieningen, huishoudelijke hulp, «deelname maatschappelijk verkeer» en overige voorzieningen zoals vervoer.

Voor 2019 is circa € 227 miljoen beschikbaar, waarvan het merendeel voor de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (circa € 130,6 miljoen). Voor de Wubo en de Wbp is in 2018 circa € 57,3 miljoen respectievelijk circa € 24,1 miljoen beschikbaar.

Uitkeringen aan Oorlogsgetroffenen WO II (bedragen x € 1.000.000)

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

SVB en PUR

Om pensioenen, uitkeringen en bijzondere voorzieningen te kunnen toekennen aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, wordt in 2019 (circa € 11,5 miljoen) ter beschikking gesteld aan de SVB en de PUR.

Kengetal: het percentage eerste aanvragen dat door de PUR en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld.

Bron: Jaarverslag van de PUR en de SVB 2017

De realisatie van het percentage eerste aanvragen dat binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld, is in 2017 gestegen tot 99%. Er wordt door de SVB gestreefd naar minimale doorlooptijden. Het percentage aanvragen dat is afgehandeld binnen de (verlengde) wettelijke termijn is een cruciale indicator voor de kwaliteit van de wetsuitvoering. De feitelijke behandeltijd is mede afhankelijk van derden (dit geldt met name voor medische gegevens).

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

  • 1. 
    Algemene doelstelling

De zorg financieel toegankelijk houden.

  • 2. 
    Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren:

    • • 
      Financieren van de zorgtoeslag. Vaststellen van de hoogte van de zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.
    • • 
      De uitbetaling van de tegemoetkomingen Wtcg aan rechthebbenden waarvan het rekeningnummer in 2018 pas bekend wordt en de tegemoetkoming alsnog kan worden uitbetaald (Wtcg 2009 t/m Wtcg 2013).
    • • 
      De tegemoetkoming voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.
  • 3. 
    Beleidswijzigingen

Zorgtoeslag

De zorgtoeslag wordt in het kader van de Wet op de Zorgtoeslag bepaald als de standaardpremie (de gemiddelde nominale premie plus het gemiddeld eigen risico) minus een bedrag dat een huishouden zelf moet betalen aan zorgpremie. Dit bedrag is een normpercentage van het minimumloon plus een afbouwpercentage van het inkomen boven het minimumloon.

De maximale zorgtoeslag stijgt circa € 95 voor meerpersoonshuishoudens vanwege een verlaging van het normpercentage waartoe besloten is in het regeerakkoord. Daarnaast stijgt de zorgtoeslag automatisch doordat deze meegroeit met de stijgende standaardpremie (circa € 115 voor eenpersoonshuishoudens en circa € 230 voor meerpersoonshuishoudens). De maximale zorgtoeslag daalt automatisch iets vanwege de stijging van het minimumloon (circa € 10 voor eenpersoonshuishoudens en circa € 30 voor meerpersoonshuishoudens). Verder daalt de zorgtoeslag iets omdat zowel de normpercentages als de afbouwpercentages iets stijgen als gevolg van een maatregel uit 2010. Per saldo stijgt de maximale zorgtoeslag voor eenpersoonshuishoudens met circa € 100 en voor meerpersoonshuishoudens met circa € 290.

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.994.298

4.609.249

5.051.849

5.385.249

5.703.849

6.126.849

6.541.049

Uitgaven

4.994.270

4.609.348

5.051.849

5.385.249

5.703.849

6.126.849

6.541.049

Waarvan juridisch verplicht (%)

100%

Inkomensoverdrachten

4.994.270

4.609.348

5.051.849

5.385.249

5.703.849

6.126.849

6.541.049

  • 1. 
    Zorgtoeslag

4.955.535

4.571.800

5.014.400

5.347.800

5.666.400

6.089.400

6.503.600

  • 2. 
    Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

1.000

99

0

0

0

0

0

  • 3. 
    Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

37.735

37.449

37.449

37.449

37.449

37.449

37.449

Ontvangsten

690.026

0

0

0

0

0

0

Overig

690.026

0

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 van circa € 5,7 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de wettelijke regelingen zorgtoeslag, Wtcg en Tegemoetkoming specifieke zorgkosten.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten
  • 1. 
    Inkomensoverdrachten

Zorgtoeslag

De Belastingdienst kent als tegemoetkoming in de kosten van de nominale premie Zvw en het gemiddeld eigen risico de zorgtoeslag toe aan alle burgers die daar recht op hebben en toeslag aanvragen (zie onderstaand figuur). Hierdoor betaalt idealiter niemand een groter dan aanvaardbaar deel aan Zvw-premie. De raming voor 2019 is circa € 5 miljard. De gemiddelde zorgtoeslag was in 2017 € 971 voor een eenpersoonshuishouden en € 1.249 voor een tweepersoonshuishouden.

Kengetal: Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens met een (voorlopige) toekenning

Bron: Belastingdienst

In bovenstaande figuur staat de stand van het aantal toekenningen voor de zorgtoeslag voor het betreffende toeslagjaar. De cijfers betreffen de stand op 01-06-2018. In de stand van het aantal toekenningen zijn zowel definitieve als voorlopige toekenningen meegenomen. Het aantal ontvangers zorgtoeslag in een jaar kan hoger of lager uitvallen, omdat de zorgtoeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Als alle aanvragen definitief toegekend zijn, is pas duidelijk hoeveel rechthebbenden er zijn.

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

Chronisch zieken en gehandicapten ontvingen over de jaren tot en met 2013 een algemene tegemoetkoming in de meerkosten die zij hebben als gevolg van hun chronische ziekte of handicap. De Wtcg is per 1 januari 2014 afgeschaft (EK 33 726, A). Het is niet uit te sluiten dat in 2019 nog uitbetalingen plaatsvinden over de tegemoetkomingsjaren 2009 t/m 2013 aan rechthebbenden waarvan het rekeningnummer (alsnog) beschikbaar is gekomen of als gevolg van de afhandeling van bezwaar of beroep.

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ)

In de inkomstenbelasting bestaat de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen specifieke zorgkosten af te trekken. Personen die bijvoorbeeld als gevolg van heffingskortingen deze aftrek niet (geheel) kunnen verzilveren ontvangen het niet verzilverbare deel via de TSZ-regeling. De raming voor 2019 is ruim € 37 miljoen.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel x. Fiscale regelingen 2017-2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

2017

2018

2019

Aftrek specifieke zorgkosten

269

269

254

Noot 1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Ontvangsten

VWS baseert zich bij zijn raming van de zorgtoeslag op ramingen van het CPB ten aanzien van de inkomensontwikkeling van huishoudens en het daaruit volgende recht op zorgtoeslag. De belastingdienst maakt hier gebruik van bij de voorlopige toekenning van de zorgtoeslag. De inkomensramingen zullen bij een deel van de huishoudens echter te hoog of te laag uitvallen. Er volgen dan terugvorderingen en nabetalingen bij de definitieve vaststelling. Deze worden niet geraamd waardoor er in de budgettaire tabel aan de ontvangstenkant geen bedrag wordt opgenomen voor 2018. Bij Slotwet worden de uitgavenramingen aangepast aan de werkelijke realisaties (inclusief de nabetalingen) en worden de gerealiseerde terugvorderingen aan de ontvangstenkant in beeld gebracht en zo nodig toegelicht.

  • 4. 
    NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 9 Algemeen

  • 1. 
    Inleiding

In dit niet-beleidsartikel worden de departementsbrede uitgaven vermeld die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel.

Internationaal beleid:

Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het stimuleren, afstemmen en waarborgen van internationale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport. Op specifieke gebieden wordt hiertoe nadrukkelijk samengewerkt met andere ministeries. Vooral de samenwerking met de Ministeries van Buitenlandse Zaken (WHO/VN, drugs, geneesmiddelenbeleid en life sciences and health en HIV/Aids), Justitie en Veiligheid(drugs, radicalisering), Economische zaken en Klimaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (antimicrobiële resistentie, life sciences and health, geneesmiddelenbeleid en gezonde voeding & voedselveiligheid) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (sociale zekerheid), is hierbij van belang.

Het Ministerie van VWS vertegenwoordigt Nederland met betrekking tot de voor volksgezondheid, welzijn en sport relevante onderwerpen bij internationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Verenigde Naties (VN), de G20, het World Economic Forum (WEF) en de Global Health Security Agenda.

Vanuit het Ministerie van VWS dragen we nadrukkelijk bij aan de ambitie van het kabinet om het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse kennisinstellingen een podium te bieden op belangrijke buitenlandse markten (economische diplomatie). Hiertoe zullen we deelnemen aan diverse handelsmissies en ook anderszins de bilaterale contacten versterken. Prioritair hierbij zijn de relaties met landen als China, de Verenigde Staten, India en overige opkomende markten.

Prioriteiten 2019

Het kabinet kiest als belangrijke internationale prioriteiten vooral thema’s waarvoor grensoverschrijdende internationale samenwerking noodzakelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan onderwerpen als het versterken van de mondiale gezondheidsveiligheid (health security). Een krachtige implementatie van de Internationale gezondheidsregeling (IHR), zowel in ons eigen land als daarbuiten, is daarbij een speerpunt, waarbij de WHO en de GHSA (Global health Security Agenda) van belang zijn.

Ook de inzet op antimicrobiële resistentie wordt voortgezet op basis van het One Health concept. Naast de reguliere samenwerkingstructuren als EU, VN en WHO, heeft ook de G20 dit thema nu prominent geagendeerd. De samenwerking op zowel Europees, als mondiaal niveau om te komen tot een transparantere en eerlijke prijsstelling voor geneesmiddelen, wordt verder geïntensiveerd.

Het kabinet kiest nadrukkelijk voor preventie als belangrijk instrument voor gezondheidsbeleid. Dit werkt ook door in de internationale samenwerking. Er zal nadrukkelijk worden ingezet op internationale samenwerking gericht op het terugdringen van roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht. Ook zal er aandacht blijven voor het versterken van het Nederlandse beleid ten aanzien van gezonder ouder worden (healthy ageing), met bijzondere aandacht voor de aanpak van dementie. Internationale samenwerking op terrein van E-health speelt hierbij nadrukkelijk een rol.

Ten slotte bevorderen we een goede aansluiting tussen het VWS kennisbeleid, het topsectorenbeleid en het Europese onderzoek- en innovatie-instrumentarium, waaronder Horizon2020 en het actieprogramma Volksgezondheid.

Een prominent instrument voor ons internationale beleid blijft het detacheren van medewerkers op onze diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland en bij de relevante internationale organisaties (WHO en EU). De personele en materiële uitgaven met betrekking tot internationale samenwerking staan vermeld op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

  • 4. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

33.790

39.510

25.589

25.538

30.873

25.541

25.540

Uitgaven

33.369

39.510

25.589

25.538

30.873

25.541

25.540

  • 1. 
    Internationale samenwerking

6.854

4.456

4.896

4.852

4.852

4.852

4.852

Opdrachten

9

0

0

0

0

0

0

Overig

9

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

6.267

3.577

4.896

4.852

4.852

4.852

4.852

World Health Organization

3.150

2.989

3.868

3.868

3.868

3.868

3.868

Overig

3.117

588

1.028

984

984

984

984

Bijdrage aan agentschappen

578

879

0

0

0

0

0

Overig

578

879

0

0

0

0

0

  • 3. 
    Eigenaarsbijdrage RIVM

21.515

30.054

15.693

15.686

21.021

15.689

15.688

Bijdragen aan agentschappen

21.515

30.054

15.693

15.686

21.021

15.689

15.688

Eigenaarsbijdrage RIVM

19.703

20.772

15.693

15.686

21.021

15.689

15.688

Eigenaarsbijdrage aCBG

1.812

982

0

0

0

0

0

Eigenaarsbijdrage CIBG

0

8.300

0

0

0

0

0

  • 4. 
    Begrotingsreserve achterborg WFZ-garanties

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Garanties

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Overig

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Ontvangsten

5.278

632

0

0

0

0

0

Overig

5.278

632

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

  • 5. 
    Toelichting op de instrumenten
  • 1. 
    Internationale samenwerking

Bij internationale samenwerking gaat het erom dat een gemeenschappelijke benadering meerwaarde biedt boven een nationale aanpak. De nadruk moet liggen op het zoeken naar oplossingen voor grensoverschrijdende problemen, waarbij er concrete meerwaarde moet zijn vanuit de missie van het Ministerie van VWS. VWS ontplooit activiteiten om invulling te geven aan de internatonale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport met een beperkt aantal landen en met multilaterale organisaties bij het vormgeven van onze internationale ambities binnen de gezondheidszorg.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

In 2019 zal VWS een nieuw meerjarig partnerschapprogramma met de WHO starten. Hiermee is jaarlijks een bedrag van € 3,9 miljoen gemoeid.

  • 3. 
    Eigenaarsbijdrage RIVM

Bekostiging

Eigenaarsbijdrage RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een agentschap van het Ministerie van VWS en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de Ministeries van VWS, IenM, EZK en SZW. Op dit artikel worden middelen voor het Strategisch Programma RIVM (SPR) en een aantal overige specifieke eigenaarsbijdragen geraamd (€ 15,7 miljoen). Het SPR (€ 10,9 miljoen) bestaat uit onderzoek en andere werkzaamheden die het RIVM uitvoert om de kennis en expertise te ontwikkelen die nodig zijn voor de continuïteit van het instituut.

De Wet op het RIVM vormt de wettelijke basis voor het SPR dat dit instituut uitvoert. Deze wet bepaalt dat de directeur-generaal RIVM jaarlijks een programma van onderzoek opstelt. Hierin beschrijft hij welke inzichten het instituut moet verwerven om zijn taken adequaat te kunnen uitvoeren. Het programma is gericht op de continuïteit van het RIVM op de langere termijn, bedoeld om te kunnen anticiperen op nieuwe kennisvragen van de opdrachtgevers op de middellange en lange termijn en om de positie van het RIVM in het wetenschappelijk veld te handhaven en waar nodig te versterken. Met deze wettelijke bepaling laat de wetgever zien dat het RIVM professioneel zelfstandig is. In het licht van de betekenis van het SPR voor de toekomstige kennispositie van het RIVM is het budget hiervoor belegd bij de plaatsvervangend secretaris-generaal van VWS, als eigenaar van het agentschap RIVM. Om deze reden worden deze middelen bekostigd vanuit dit niet-beleidsartikel.

Naast de bijdrage voor SPR doet de eigenaar gelijk aan de opdrachtgevers van het RIVM (via de tarieven) ook een bijdrage in de organisatieontwikkeling (RIVM brede ontwikkelingen zoals digitale document huishouding, aanpassingen SAP en leer-werk-trajecten).

  • 4. 
    Begrotingsreserve achterborg WFZ-garanties

Garanties

Overig

In het kader van het kabinetsbeleid van versobering van risicoregelingen heeft een evaluatieonderzoek van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) plaatsgevonden. Dit onderzoek is in maart 2015 afgerond (TK 34 000 XVI, nr. 108). Het onderzoek laat zien dat de doelstellingen van het WFZ nog steeds actueel zijn: bevorderen van de continuïteit van financiering, beperken van de macrorentekosten en stimuleren van goed financieel management bij zorginstellingen. VWS ontvangt geen premie voor de achterborg. In het kader van de verdere beperking van de risico’s is daarom besloten een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg.

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

  • 1. 
    Inleiding

In dit niet-beleidsartikel wordt ingegaan op de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 2. 
    Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

319.857

354.008

310.823

297.798

287.892

281.102

277.969

Uitgaven

322.291

359.583

311.042

298.017

287.992

281.102

277.969

  • Personele uitgaven

220.646

255.627

240.167

232.583

228.436

221.918

218.777

waarvan eigen personeel

199.795

235.777

226.701

220.591

216.407

213.272

210.132

waarvan externe inhuur

16.405

15.112

10.064

8.697

8.847

5.559

5.558

waarvan overige personele uitgaven

4.446

4.738

3.402

3.295

3.182

3.087

3.087

  • Materiële uitgaven

101.645

103.956

70.875

65.434

59.556

59.184

59.192

waarvan ICT

6.604

8.827

5.310

4.288

3.926

3.926

3.926

waarvan bijdrage SSO's

43.819

55.174

43.623

41.130

35.865

35.455

35.190

waarvan overige materiële uitgaven

51.222

39.955

21.942

20.016

19.765

19.803

20.076

Ontvangsten

32.956

35.817

6.357

6.403

6.394

6.394

6.394

Overig

32.956

35.817

6.357

6.403

6.394

6.394

6.394

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Nadere uitsplitsing apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie van VWS

322.291

359.583

311.042

298.017

287.992

281.102

277.969

Personele uitgaven kerndepartement

140.400

164.190

148.134

140.584

137.208

130.685

130.323

waarvan eigen personeel

124.980

146.970

136.746

130.649

127.236

124.096

123.735

waarvan externe inhuur

11.400

13.247

8.751

7.405

7.555

4.267

4.266

waarvan overige personele uitgaven

4.020

3.973

2.637

2.530

2.417

2.322

2.322

Materiële uitgaven kerndepartement

76.540

82.087

49.838

45.816

40.471

40.099

40.107

waarvan ICT

3.884

6.524

3.070

2.107

2.103

2.103

2.103

waarvan bijdrage SSO's

41.109

51.489

39.298

36.810

31.545

31.135

30.870

waarvan overige materiële uitgaven

31.547

24.074

7.470

6.899

6.823

6.861

7.134

Personele uitgaven inspecties

63.145

71.776

74.148

73.465

73.115

73.119

73.116

waarvan eigen personeel

58.381

70.023

72.395

71.712

71.362

71.366

71.363

waarvan externe inhuur

4.338

988

988

988

988

988

988

waarvan overige personele uitgaven

426

765

765

765

765

765

765

Materiële uitgaven inspecties

18.250

15.230

14.565

14.565

14.565

14.565

14.565

waarvan ICT

1.207

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

waarvan bijdrage SSO's

2.710

3.615

3.950

3.950

3.950

3.950

3.950

waarvan overige materiële uitgaven

14.333

10.065

9.065

9.065

9.065

9.065

9.065

Personele uitgaven SCP en raden

17.101

19.661

17.885

18.534

18.113

18.114

15.338

waarvan eigen personeel

16.434

18.784

17.560

18.230

17.809

17.810

15.034

waarvan externe inhuur

667

877

325

304

304

304

304

waarvan overige personele uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

Materiële uitgaven SCP en raden

6.855

6.639

6.472

5.053

4.520

4.520

4.520

waarvan ICT

1.513

753

690

631

273

273

273

waarvan bijdrage SSO's

0

70

375

370

370

370

370

waarvan overige materiële uitgaven

5.342

5.816

5.407

4.052

3.877

3.877

3.877

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Apparaatskosten agentschappen, ZBO’s en RWT’s (Bedragen x € 1.000)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatskosten agentschappen

438.525

460.353

468.896

474.765

483.861

484.086

Agentschap College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen

40.000

52.150

52.150

52.150

52.150

52.150

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

41.425

67.103

68.446

69.815

71.211

72.636

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

357.100

341.100

348.300

352.800

360.500

359.300

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

321.550

312.304

310.712

305.535

303.819

301.809

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

5.551

5.551

5.551

5.551

5.551

5.551

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

63.387

63.420

69.246

69.253

69.253

69.253

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

125.631

116.449

115.134

112.697

107.711

107.703

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

1.878

1.497

1.143

806

706

706

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Toetsingscommissies (METC’s)

4.387

4.228

4.169

3.810

3.810

3.810

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

59.260

57.455

57.455

57.455

57.455

57.455

Zorginstituut Nederland (ZiNL)

58.206

60.454

54.764

52.713

56.083

54.081

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

750

750

750

750

750

750

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

  • 3. 
    Toelichting op de instrumenten

3.1 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel geraamd die nodig zijn voor het functioneren van het kerndepartement.

De personele uitgaven kerndepartement bestaan uit alle personeelsuitgaven van het kerndepartement inclusief de inhuur van externen voor zowel primaire als ondersteunende processen. De materiële uitgaven hebben uitsluitend betrekking op de ondersteunende processen.

Dit omvat onder andere ICT, bijdragen aan shared service organisaties (SSO’s) en overige materiële kosten zoals huisvestingskosten.

De ontwikkeling van de apparaatsbudgetten van het kerndepartement voor 2019 en volgende jaren wordt beïnvloed door de personele taakstelling uit het kabinet Rutte I. Daarnaast hebben in de afgelopen jaren enkele gerichte intensiveringen plaatsgevonden, zoals de versterking van de informatiseringsfunctie en het structureel onderhoud en beheer van de diverse ICT-voorzieningen (beide gemeld in de eerste suppletoire begroting 2016). Daarnaast zijn de personeelsbudgetten in 2017 geïndexeerd voor loonbijstelling als gevolg van het bereiken van een CAO akkoord eind 2017 (gemeld in de tweede suppletoire begroting 2017). Tot slot zijn in de huidige budgettaire reeksen intensiveringen verwerkt die in 2018 zijn toegevoegd aan de begroting voor 2018 en latere jaren (gemeld in de eerste suppletoire begroting 2018). Dit betreft onder andere investeringen die samenhangen met de verhuizing van EMA naar Nederland en de gerichte versterking van het kerndepartement ten behoeve van de beleidsagenda van VWS, uitvoering van het Regeerakkoord en versterking van enkele staffuncties (bestuurlijk, financieel, juridisch en communicatie).

De actuele raming voor de uitgaven voor externe inhuur is aanmerkelijk lager dan de realisatie van de afgelopen jaren. Naar verwachting zal het budget (en de realisatie) voor externe inhuur in de loop van het begrotingsjaar hoger worden door interne herschikking van budgetten binnen het apparaatsbudget (bijvoorbeeld van budget voor eigen personeel naar budget voor de inhuur van externen). Daarnaast zullen de materiële uitgaven in 2019 hoger uitvallen dan nu in de begroting staat vermeld, doordat een aantal technische mutaties in het lopende jaar zullen worden verwerkt. Het betreft bijvoorbeeld kosten voor bijvoorbeeld ICT dienstverlening en huisvesting, waarvan de facturen van dit onderdeel centraal worden betaald aan de betreffende Shared Service Organisaties binnen het Rijk (SSO’s) en pas in het lopende jaar worden verrekend tussen de VWS dienstonderdelen. In de suppletoire begrotingen zullen deze mutaties worden gemeld en zo nodig toegelicht.

Apparaatsuitgaven kernministerie 2017 onderverdeeld naar Directoraat-Generaal (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Apparaatsuitgaven

Directoraat-generaal Volksgezondheid

27.070

Directoraat-generaal Curatieve zorg

18.545

Directoraat-generaal Langdurige zorg

26.786

Totaal beleid

72.401

Secretaris-generaal / (plaatsvervangend) secretaris-generaal

125.571

Totaal apparaatsuitgaven kerndepartement

197.972

3.2 Apparaatsuitgaven inspecties, SCP en raden

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Per 1 oktober 2017 zijn de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) samengegaan in één organisatie, onder de naam Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

De IGJ houdt onafhankelijk toezicht op het brede veld van mensen en organisaties in de gezondheidszorg en jeugdhulp. De bewaking en bevordering van de veiligheid en kwaliteit van de zorg staat daarbij centraal. Omdat kennis en kunde over beide sectoren met de fusie zijn samengebracht, kan de IGJ efficiënt en effectief inspelen op veranderende vragen uit de samenleving en politiek.

In haar toezicht let de IGJ erop dat zorgaanbieders en fabrikanten van genees- en hulpmiddelen zich aan de wettelijke regels en normen houden en goede kwaliteit leveren. Daarbij kijkt ze ook of de zorg menslievend is en gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven. De inspectie onderzoekt of de zorg aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van de patiënt, de cliënt of de jongere. Een ander punt waar de IGJ goed op let, is de samenhang in de zorg rondom een persoon of gezin.

Bestuurders en professionals uit de gezondheidszorg en jeugdhulp zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die zij bieden. De IGJ vraagt hen klachten en calamiteiten goed te onderzoeken. De inspectie verwacht dat zij leren van wat er goed en niet goed gaat in de zorg, opdat zij hun zorgaanbod kunnen verbeteren. Ziet de IGJ de noodzakelijke verbeteringen niet, dan grijpt zij in.

De IGJ maakt haar bevindingen, oordelen en maatregelen openbaar naar de eisen van de wet. Deze informatie helpt bestuurders en professionals bij het leren en verbeteren van de zorg. Aansluitend is ook de openheid over de uitgangspunten van het toezicht en de werkwijze van de IGJ zelf een van haar prioriteiten. Alle belanghebbenden moeten immers van de IGJ weten wat ze van haar mogen verwachten. De IGJ treedt in contact met burgers en zorgverleners over wat zij belangrijk vinden in de zorg en analyseert ze de meldingen over zorg die bij haar binnenkomen.

Naast het toezicht op de verschillende sectoren heeft de inspectie specifiek aandacht voor netwerkzorg thuis. Samenwerking tussen zorg- en hulpverleners in de netwerken rondom de cliënt vindt nog niet vanzelfsprekend plaats en daarnaast zijn taken en verantwoordelijkheden aan het verschuiven. Omdat bij het toezicht op netwerkzorg thuis ook de ondersteuning die vanuit de gemeente wordt geboden een belangrijke rol speelt, werkt de inspectie samen met de gemeenten in hun rol als Wmo-toezichthouder. Vanaf 2018 zet de IGJ ook extra capaciteit in voor toezicht op de uitvoering van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg.

Sociaal en Cultureel Planbureau

Het SCP is opgericht bij koninklijk besluit op 30 maart 1973. Het koninklijk besluit is per 1 april 2012 vervangen door de «Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus». Het SCP is een professionele organisatie die wetenschappelijk werkt en dat op onafhankelijke wijze doet. Als kennisinstelling van de overheid verricht het SCP beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek. Het Sociaal en Cultureel Planbureau valt formeel onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het SCP ondersteunt de departementen bij het vervullen van hun kennisbehoefte. Het werkprogramma van het SCP wordt gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) volgt, verklaart en verkent het sociaal en cultureel welzijn van inwoners in Nederland. Het SCP verricht de monitoring van onder meer de leefsituatie en kwaliteit van leven in Nederland, evalueert in dat kader het overheidsbeleid en verricht verkenningen ten behoeve van toekomstig beleid. De planbureaufunctie van het SCP vraagt dat het zich minder met ad-hoc vragen bezighoudt en meer met het beantwoorden van de meerjarige, strategische kennisvragen op sociaal en cultureel terrein. De verbindingen tussen maatschappelijke domeinen als werk, gezondheid, opleiding, sociale participatie en veiligheid zijn in toenemende mate van belang. Hiertoe wordt gewerkt met drie doorsnijdende perspectieven die inhoudelijk de «waan van de dag» overstijgen en meerjarige maatschappelijke en beleidsrelevantie hebben én met acht onderzoeksprogramma’s.

Drie doorsnijdende perspectieven

    • 1. 
      Kwaliteit van leven. Kwaliteit van leven komt als onderwerp in veel programmalijnen van het SCP terug. Vanzelfsprekend zijn er dwarsverbanden op dit thema zoals de overgang van leren naar werken, gezondheidsbelemmeringen en maatschappelijke participatie, het combineren van zorgen en werken. In het perspectief Kwaliteit van leven onderzoeken we deze dwarsverbanden vanuit het perspectief van de kwaliteit van leven van burgers. Wat draagt wel en niet bij aan de kwaliteit van leven van mensen?
    • 2. 
      In- en uitsluiting. Dit perspectief richt zich op processen van in- en uitsluiting die zich binnen meerdere leefdomeinen in de samenleving af kunnen spelen. Deze processen hebben enerzijds betrekking op de ongelijkheid in kansen en in de verdeling van hulpbronnen over bevolkingsgroepen. Anderzijds gaat het om de verbindingen in de samenleving zoals die tot uiting komen in o.a. verschillen in identificatie en identiteit, gescheiden leefwerelden en conflicterende waarden en opvattingen. De processen worden gedragen door verschillende actoren: groepen burgers kunnen in- en uitsluiting teweegbrengen, maar ook het gedrag van werkgevers, uitvoeringsinstanties, media en nationale en lokale beleidsmakers is van belang. Het perspectief raakt direct aan drie gezichtsbepalende doelgroepgerichte onderzoeksthema's van het SCP die blijvend aandacht in ons onderzoek krijgen: etnische minderheden, emancipatie van vrouwen en mannen en LHBTI.
    • 3. 
      Veranderende verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat in reactie op veranderingen in de maatschappelijke context. Dat krijgt gestalte via nieuw overheidsbeleid en nieuwe verantwoordelijkheden voor individuele burgers, de civil society en marktpartijen op diverse terreinen, zoals de regulering van de arbeidsmarkt, de toegankelijkheid en het bereik van zorg en onderwijs, het zorgen voor voldoende bestaansmiddelen en inkomenscontinuïteit bij ziekte, ouderdom of werkloosheid, de maatschappelijke participatie en de realisatie van een meer duurzame samenleving. De wijze van institutionalisering kan per terrein echter sterk uiteenlopen, waardoor een programmadoorsnijdend perspectief potentieel grote meerwaarde heeft. Bovendien heeft de manier waarop de formele en informele maatschappelijke spelregels veranderen potentieel grote gevolgen voor de levenskansen van burgers en de gedragsverwachtingen waarmee zij worden geconfronteerd. Ook zijn de veranderende instituties van belang voor Nederland als geheel. Hierdoor legt dit perspectief een verbinding met enkele grotere maatschappelijke thema’s, zoals de opdeling van de samenleving, sociale cohesie en maatschappelijk ongenoegen.

Onderzoekprogramma’s

De maatschappelijke terreinen die van oudsher sinds de instelling van het SCP in 1973 in het SCP-onderzoek centraal staan (zorgen, arbeid, leren, participeren) blijven behouden en zichtbaar in de programma’s. De onderzoekprogramma’s zijn tijdelijk van karakter en maken het mogelijk dat het SCP flexibel inspringt op nieuwe of veranderende maatschappelijke kwesties. Daarnaast willen de programma’s zich richten op relevante maatschappelijke thema’s die domeindoorsnijdend zijn. De drie doorsnijdende perspectieven die inhoudelijk de «waan van de dag» overstijgen en meerjarige maatschappelijke en beleidsrelevantie hebben komen daarom terug in de acht onderzoeksprogramma’s. Programma’s worden aangepast al naar gelang de relevante maatschappelijke vraagstukken of kennisvragen vanuit departementen veranderen.

De komende drie jaar kent het SCP de volgende onderzoekprogramma’s:

    • 1. 
      Inkomen en bestaanszekerheid: sociale zekerheid, pensioenen, armoede, (gevolgen van) stelselwijzigingen op het terrein van sociale zekerheid.
    • 2. 
      Dynamiek op de arbeidsmarkt: inclusieve arbeidsmarkt, duurzame inzetbaarheid, waarde van betaalde en onbetaalde arbeid.
    • 3. 
      Opgroeien en leren: jeugd, gezin, opvang, gelijke kansen en toegankelijkheid van onderwijs, (gevolgen van) stelselwijzigingen in het onderwijs, leven lang leren.
    • 4. 
      Zorg en ondersteuning: vraag naar en aanbod van formele en informele zorg, wijzigingen in zorgarrangementen en zorggebruik, (on)toegankelijkheid van zorg.
    • 5. 
      Gezondheid en welzijn: focus op maatschappelijke uitkomsten, welbevinden, eenzaamheid, leefstijlen, vaardigheden, redzaamheid, voorzieningen en preventie alsook LHBT en (gevolgen van) decentralisaties in het sociaal domein
    • 6. 
      Maatschappelijke participatie: sociale netwerken, sociale scheidslijnen en organisatievormen in de civil society; de lokale samenleving; in- en uitsluiting van migrantengroepen; de invloed van technologie, activiteiten in de vrije tijd.
    • 7. 
      Waarden en zingeving: publieke opinie, sociaal-culturele integratie, religie en godsdienstige ontwikkelingen, zingeving, ethische kwesties, identiteit, ontwikkelingen in opvattingen ten aanzien van democratie en zeggenschap (lokaal, nationaal, Europees).
    • 8. 
      Duurzame samenleving: ecologische en maatschappelijke duurzaamheid, Sustainable Development Goals (SDG’s).

Raad voor Volksgezondheid en Samenleving

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) is een onafhankelijk adviesorgaan voor de regering en de beide kamers der Staten-Generaal. De RVS heeft tot taak strategische adviezen te geven over het te voeren beleid. De vraagstukken waarover de RVS adviseert zijn per definitie domeinoverstijgend. De RVS werkt aan een sterkere verbinding met VWS en met andere departementen, zoals OCW, BZK, SZW en JenV. Vanuit zijn onafhankelijke positie en opdracht laat de RVS zijn licht schijnen over toekomstige strategische beleidsvraagstukken voor zorg, volksgezondheid, welzijn en samenleving. Hierbij beziet de RVS de mogelijkheid om dit in samenwerking met andere kennisinstellingen te doen. De RVS werkt in zijn adviezen zoveel mogelijk in interactie met het «veld». Dit doet de RVS bovendien door naast schriftelijke adviezen op andere dan gebruikelijke manieren vraagstukken te agenderen, bijvoorbeeld met films, animaties, online activiteiten, veldraadplegingen, etc.

De RVS heeft bij zijn start gekozen voor het opstellen van een meerjarige werkagenda 2015-2018, met de volgende vier thema’s: (1) Veranderende verzorgingsstaat, (2) Verantwoord sturen, (3) De belofte van wetenschap en technologie en (4) De levensloop, levenslang en levensbreed. Het werken met een meerjarige werkagenda past bij de brede opdracht van de RVS en biedt ruimte om gedurende het jaar een vraag of probleem te agenderen. Dit kan leiden tot een gevraagd of ongevraagd advies van de RVS.

Het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG) is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de RVS. Het CEG publiceert over nieuwe ontwikkelingen op het snijvlak van ethiek, gezondheid en beleid. Het CEG brengt jaarlijks signalementen uit over ethische thema’s en geeft uitvoering aan de publieksfunctie, onder meer via de website www.ceg.nl (kennisbron over ethische thema’s) en diverse publieksbijeenkomsten, waaronder de jaarlijkse Els Borst Lezing.

Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad is een onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad die als taak heeft de regering en het parlement te adviseren door de actuele stand van de wetenschap aan te reiken voor gezondheidsbeleid. Vanuit verschillende disciplines werkt de raad aan hoogwaardige adviezen op het gebied van: optimale gezondheidszorg, preventie, gezonde voeding, gezonde leefomgeving, gezonde arbeidsomstandigheden en innovatie & kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit. De vraagstukken die onderwerp zijn van advies worden in belangrijke mate ingebracht vanuit diverse departementen en worden jaarlijks opgenomen in het werkprogramma. In september stelt de Minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast. Het werkprogramma en de actuele stand van zaken wordt gepubliceerd op de website van de Gezondheidsraad (www.gr.nl).

Artikel 11 Nog onverdeeld

  • 1. 
    Inleiding

Dit niet-beleidsartikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

  • 3. 
    Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

0

  • - 
    26.408
  • - 
    31.169
  • - 
    31.620
  • - 
    32.745
  • - 
    32.411
  • - 
    32.661

Uitgaven

0

  • - 
    26.433
  • - 
    31.169
  • - 
    31.620
  • - 
    32.745
  • - 
    32.411
  • - 
    32.661

Loonbijstelling

0

4.028

3.430

3.347

2.104

1.708

1.438

  • waarvan programma

0

4.028

3.430

3.347

2.104

1.708

1.438

  • waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

9.486

4.213

3.895

4.063

4.793

4.813

  • waarvan programma

0

7.471

2.225

1.910

2.087

2.816

2.836

  • waarvan apparaat

0

2.015

1.988

1.985

1.976

1.977

1.977

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

Taakstelling

0

  • 39.947
  • 38.812
  • 38.862
  • 38.912
  • 38.912
  • 38.912
  • waarvan programma

0

  • 39.947
  • 38.812
  • 38.862
  • 38.912
  • 38.912
  • 38.912
  • waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Overig

0

0

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de in het kader van de prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt totdat toerekening plaatsvindt aan begrotingsartikelen.

Onvoorzien

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. VWS maakt hier in 2019 geen gebruik van.

Taakstelling

Op dit onderdeel worden taakstellingen geboekt in afwachting van concrete invulling. De actuele stand omvat grosso modo de taakstellende onderuitputting die op de VWS-begroting is ingeboekt en die jaarlijks in het najaar wordt ingevuld. De taakstellende onderuitputting wordt bezien in de uitvoering ofwel in de loop van het jaar concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt. Op de begroting is de taakstellende onderuitputting derhalve nog niet van dekking voorzien.

  • 5. 
    BEGROTING AGENTSCHAPPEN
  • 1. 
    Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (aCBG) 1.1 Inleiding

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) bestaat uit een College en een secretariaat dat is ondergebracht in een agentschap (aCBG). Het College is een organisatie met een zelfstandige bevoegdheid, een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De uitvoeringsorganisatie ter ondersteuning van het CBG is een baten-lastenagentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Naast de taken voor het CBG ondersteunt het agentschap tevens het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV) bij de uitvoering van veterinaire geneesmiddelenbeoordeling en -bewaking door de Commissie Registratie Diergeneesmiddelen (CRD) en het Ministerie van VWS bij de beoordeling van nieuwe voedingsmiddelen.

De belangrijkste taken op basis van de Geneesmiddelenwet, de Diergeneesmiddelenwet en Europese Verordeningen zijn voor het CBG:

    • Verstrekken, handhaven en schorsen van handelsvergunningen op basis van de beoordeling van werkzaamheid, risico’s en kwaliteit.
    • Vaststellen van de afleverstatus humaan, dus het bepalen of het geneesmiddel uitsluitend op recept, uitsluitend via de apotheek, via de drogist of in de vrije verkoop verkrijgbaar mag zijn.
    • Vaststellen van de afleverstatus veterinair, dus het bepalen of het diergeneesmiddel uitsluitend door een dierenarts mag worden toegediend, afgeleverd mag worden door dierenarts of apotheker, op recept afgeleverd mag worden door dierenarts, apotheker of vergunninghouder, of vrij verkrijgbaar is.
    • Geneesmiddelenbewaking.
    • Geven van wetenschappelijk advies in het kader van geneesmiddelontwikkeling.

De meest up-to-date informatie over de organisatiestructuur, collegesamenstelling en achtergrondinformatie over processen en procedures vindt men op de CBG-website: www.cbg-meb.nl.

1.2 Begroting 2019 Staat van baten en lasten van het baten-lastenagentschap aCBG voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

3.341

1.225

1.079

1.079

342

342

342

Omzet overige departementen

826

612

756

756

756

756

756

Omzet derden

45.151

41.663

51.165

51.165

51.902

51.902

51.902

Rentebaten

1

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

210

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

49.529

43.500

53.000

53.000

53.000

53.000

53.000

Lasten

Apparaatskosten

47.406

40.000

52.150

52.150

52.150

52.150

52.150

  • Personele kosten

32.892

26.500

35.850

35.850

35.850

35.850

35.850

Waarvan eigen personeel

26.091

24.500

31.500

31.500

31.500

31.500

31.500

Waarvan externe inhuur

4.912

2.000

3.150

3.150

3.150

3.150

3.150

Waarvan overige personele kosten

1.889

0

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

  • Materiële kosten

14.514

13.500

16.300

16.300

16.300

16.300

16.300

Waarvan apparaat ICT

5.351

2.500

4.850

4.600

4.600

4.600

4.600

Waarvan bijdrage aan SSO

0

0

750

1.000

1.000

1.000

1.000

Waarvan overige materiële kosten

9.163

10.250

9.900

9.900

9.900

9.900

9.900

ZBO College

806

750

800

800

800

800

800

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

871

3.500

850

850

850

850

850

  • - 
    materieel

797

2.500

850

850

850

850

850

Waarvan apparaat ICT

0

0

650

650

650

650

650

  • - 
    immaterieel

74

1.000

0

0

0

0

0

Overige lasten

41

0

0

0

0

0

0

  • - 
    dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

  • - 
    bijzondere lasten

41

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

49.124

43.500

53.000

53.000

53.000

53.000

53.000

Saldo van baten en lasten

405

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

De begroting 2019 en verdere jaren laat een ander beeld zien dan de begroting 2018 en voorgaande jaren. De verwachte hogere omzet wordt veroorzaakt door meer aanvragen en voorgenomen tariefstijgingen, en is in lijn met de gerealiseerde omzet van de laatste jaren.

In voorgaande jaren werd de begroting voorzichtig en behoudend opgezet, en liet de realisatie vaak grote afwijkingen zien met de begroting. Nu is de begroting met een grotere realiteitszin opgesteld, met als doel kleinere afwijkingen tussen de begroting en realisatie. Tevens is deze hiermee veel meer in lijn met de realisatie van voorgaande jaren.

Baten

De omzet moederdepartement bestaat uit een aantal verschillende onderdelen. Het moederdepartement verstrekt een vergoeding voor werkzaamheden van het aCBG als bevoegde instantie. Deze werkzaamheden betreffen het marginaal toetsen van klinische studies inzake geneesmiddelen in die gevallen waarin de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) de eerste beoordelende instantie is. Op verzoek van het Ministerie van VWS voert het aCBG dan de wettelijk verplichte taak van tweede beoordelende instantie uit.

Daarnaast verstrekt het moederdepartement een vergoeding voor werkzaamheden inzake nieuwe voedingsmiddelen ad € 0,24 miljoen en een bijdrage aan een onderzoeksproject ad € 0,1 miljoen.

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 is een financiering toegezegd door VWS voor het opzetten van het International Collaboration Program. Hierin worden Europese lidstaten getraind met als doel om de capaciteit van het Europese regulatoire netwerk te vergroten. Hiervan is € 0,7 miljoen bestemd ter dekking van de kosten van aCBG.

Het Bureau Diergeneesmiddelen van het aCBG verricht voor het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV) beleidsondersteunende activiteiten. Hiervoor is een bedrag begroot van € 0,756 miljoen.

In de volgende tabel wordt de omzet derden 2019 verdeeld naar productgroepen. De hierbij gehanteerde tarieven zijn gebaseerd op de regeling Geneesmiddelenwet en de Diergeneesmiddelenregeling.

Opbrengst derden naar productgroepen (bedragen x € 1.000)

Productgroep

Beoordelen van nationale aanvragem

2.200

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

10.500

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

500

Beoordelen DCP's

12.315

Beoordelen van homeopatische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

150

Jaarvergoedingen (humaan en dieren)

23.000

Bureau Diergeneesmiddelen

2.500

Totaal opbrengst derden

51.165

Onderstaand worden de productgroepen kort toegelicht.

Beoordelen van nationale aanvragen

Het beoordelingsproces van een nationale aanvraag betreft de aanvraag van een handelsvergunning voor een nieuw op de Nederlandse markt te brengen geneesmiddel. De handelsvergunning wordt door het aCBG afgegeven. Het betreffende geneesmiddel komt alleen in Nederland op de markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

Om een Europese handelsvergunning voor een geneesmiddel van de Europese Commissie toegekend te krijgen, moet de fabrikant de centrale procedure volgen. De fabrikant kan dan een handelsvergunning krijgen die in alle EU-lidstaten geldig is. De coördinatie van de centrale procedure berust bij het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMA).

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP (Mutual Recognition Procedure)

Een MRP-procedure kan door de fabrikant worden gebruikt om een handelsvergunning in meerdere lidstaten te verkrijgen waarvoor reeds een (nationale) handelsvergunning is verleend. De fabrikant kan een EU-lidstaat vragen om het beoordelingsproces te verrichten. Dit lidstaat wordt dan Referentieland (RMS).

Beoordelen van Europese aanvragen: DCP (Decentrale Procedure)

Een Decentrale Procedure kan door de fabrikant worden gebruikt om een handelsvergunning in meerdere lidstaten te verkrijgen als nog in geen enkel land een handelsvergunning is verkregen. De fabrikant kan een EU-lidstaat vragen om het beoordelingsproces te verrichten. Dit lidstaat wordt dan Referentieland (RMS).

Beoordeling van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

Het aCBG verricht beoordelingswerkzaamheden voor homeopathische geneesmiddelen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen. Nieuwe voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen of voedselingrediënten die voor 15 mei 1997 niet in significante mate in de Europese Gemeenschap voor de menselijke voeding zijn gebruikt.

Jaarvergoedingen

Voor het op de markt brengen van een geneesmiddel moet door de registratiehouder jaarlijks een vergoeding worden betaald.

Bureau Diergeneesmiddelen

Het Bureau Diergeneesmiddelen beoordeelt en verleent vergunningen voor de productie en distributie van diergeneesmiddelen.

Lasten

Onderdeel van de materiële lasten is de financiering van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, ter waarde van € 3,1 miljoen. aCBG heeft aan Lareb de opdracht verleent tot uitvoering van geneesmiddelenbewaking.

Evenals de opbrengsten zijn de lasten ten opzichte van de begroting 2018 gestegen. Als gevolg van meer en complexere aanvragen zijn het aantal FTE, en daarmee de personeelskosten toegenomen. De toename van materiële kosten betreft met name ICT-kosten, als gevolg van meer investeringen door hogere eisen die aan aan ICT worden gesteld (ook de aansluiting naar de Europese systemen).

1.3 Kasstroomoverzicht Kasstroomoverzicht van het baten-lastenagentschap aCBG voor het jaar 2019 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

  • 1. 
    Rekening-courant RHB 1-1

17.277

13.696

13.696

13.696

13.696

13.696

13.696

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

52.575

43.500

53.000

53.000

53.000

53.000

53.000

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-)

  • 49.731
  • 42.000
  • 51.500
  • 51.500
  • 51.500
  • 51.500
  • 51.500
  • 2. 
    Totaal operationele kasstroom

2.844

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Totaal investeringen (-/-)

  • 1.277
  • 1.500
  • 1.500
  • 1.500
  • 1.500
  • 1.500
  • 1.500

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

-

-

-

-

-

-

-

  • 3. 
    Totaal investeringskasstroom
  • - 
    1.277
  • - 
    1.500
  • - 
    1.500
  • - 
    1.500
  • - 
    1.500
  • - 
    1.500
  • - 
    1.500

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

  • 5.148

-

-

-

-

-

-

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

-

-

-

-

-

-

-

Aflossingen op leningen (-/-)

-

-

-

-

-

-

-

Beroep op leenfaciliteit (+)

-

-

-

-

-

-

-

  • 4. 
    Totaal financieringskasstroom
  • - 
    5.148

-

-

-

-

-

-

  • 5. 
    Rekening-courant RHB 31-12 (=1+2+3+4)

13.696

13.696

13.696

13.696

13.696

13.696

13.696

Toelichting kasstroomoverzicht

De investeringen hebben voornamelijk betrekking op vervanging van kantoorautomatisering (primair proces systeem ICI).

1.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren Overzicht doelmatigheidsindicatoren van het baten-lastenagentschap aCBG voor het jaar 2019

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Generiek

  • 1. 
    Tarieven/ uur (bedragen in €)

87

85

85

85

85

85

85

  • 2. 
    Omzet per productgroep (bedragen x € 1.000)
  • Beoordelen van nationale aanvragen

1.771

2.000

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

  • Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

9.711

7.300

10.500

10.500

10.500

10.500

10.500

  • Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

725

400

500

500

500

500

500

  • Beoordelen DCP’s

9.824

10.513

12.315

12.315

12.315

12.315

12.315

  • Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

46

250

150

150

150

150

150

  • Bureau diergeneesmiddelen

2.297

2.300

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

  • Jaarvergoedingen

20.777

18.900

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

  • Overig
  • 3. 
    Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

340

350

370

370

370

370

370

  • 4. 
    Saldo van baten en lasten (% van de baten)

0.8%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Specifiek

  • 1. 
    Gegronde klachten

13

25

25

25

25

25

25

  • 2. 
    Zaken per fte

76

80

80

80

80

80

80

Omschrijving specifiek deel

  • 1. 
    Liquiditeit (current ratio; norm: >1,5)

1

1

1

1

1

1

1

  • 2. 
    Solvabiliteit (debt ratio)

0,89

0,92

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

  • 3. 
    Rentabiliteits eigen vermogen

0,15

0

0

0

0

0

0

  • 4. 
    Percentage externe inhuur ten opzicht van totale personele kosten

10,60%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

  • 5. 
    Percentage facturen betaal binnen 30 dagen

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tarieven/uur

Uurtarieven om de kostenefficiency aan te tonen. Deze indicator is een gemiddelde over alle functies waarbij naar het primaire proces exclusief onderzoekskosten wordt gekeken.

Omzet per productgroep

De omzet per productgroep geeft inzicht in de samenstelling van de totale omzet van het aCBG. De samenstelling en omvang worden deels beïnvloed door internationaal opgelegde (EMA) tarieven. Op grond van ontwikkelingen in de afgelopen jaren, en een verwachte tariefstijging, wordt rekening gehouden met een stijging van de totale omzet.

De diverse zaken (producttypes) zijn verschillend qua werkbelasting; binnen de omzet vinden substantiële verschuivingen plaats, met andere woorden de samenstelling van de omzet kan jaarlijks wijzigen.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime equivalenten werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. De toename van het aantal vaste medewerkers houdt verband met toegenomen structurele werkzaamheden. Daarnaast is sprake van beperking van externe inhuur/uitbesteding.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten. Het aCBG streeft er naar als agentschap kostenneutraal te opereren. De omzet wordt bepaald door de marktvraag en deels door de internationaal opgelegde (EMA) tarieven.

Aantal gegronde klachten

Het aantal gegronde klachten wordt bijgehouden om inzicht te krijgen in de geleverde kwaliteit van de productie. Het streven is het aantal gegronde klachten niet te laten stijgen.

Aantal zaken per fte

Het aantal zaken per fte wordt bijgehouden om de efficiency van de productie inzichtelijk te maken.

  • 2. 
    Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) 2.1 Inleiding

Het CIBG vertaalt, samen met ketenpartners, beleid in tastbare en toegankelijke uitvoering voor burgers, professionals en organisaties op het gebeid van registers, data en informatie. Als agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport richt het CIBG zich primair op het VWS beleidsterrein. We dragen zorg voor een integrale dienstverlening, gericht op wat de samenleving nodig heeft. De focus hierbij ligt op transparantie en betrouwbaarheid, het bewust omgaan met kapitaal, kosten en kwaliteit. We investeren met onze partners in de keten in samenwerking en kennisdeling.

Het CIBG heeft een breed takenpakket zoals het BIG-register, het Donorregister, Registerleraar en het UZI-register. Meer informatie over de organisatie en taken van het CIBG is te vinden op: www.cibg.nl.

2.2 Begroting Begroting van agentschap CIBG voor het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

Baten

Omzet moederdepartement

31.978

18.996

37.344

38.091

38.853

39.630

40.423

Omzet overige departementen

3.839

3.118

8.380

8.548

8.719

8.893

9.071

Omzet derden

22.753

24.479

27.947

28.506

29.076

29.658

30.251

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

58.570

46.593

73.671

75.145

76.648

78.181

79.745

Lasten

Apparaatskosten

62.685

41.425

67.103

68.446

69.815

71.211

72.636

  • Personele kosten

26.680

19.270

31.568

32.200

32.844

33.500

34.170

waarvan eigen personeel

18.496

15.844

23.416

23.885

24.363

24.849

25.346

waarvan externe inhuur

5.465

1.951

6.236

6.361

6.488

6.618

6.750

waarvan overige pers kosten

2.719

1.475

1.916

1.954

1.993

2.033

2.074

  • Materiële kosten

36.005

22.155

35.535

36.246

36.971

37.711

38.466

waarvan apparaat ICT

4.926

7.089

3.824

3.900

3.978

4.058

4.139

waarvan bijdrage aan SSO’s

8.611

9.580

9.155

9.338

9.525

9.716

9.910

waarvan overige mat kosten

22.468

5.486

22.556

23.008

23.468

23.937

24.417

Rentelasten

1

0

1

1

1

1

1

Afschrijvingskosten

3.096

5.168

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

  • Materieel

9

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat ICT

8

0

0

0

0

0

0

  • Immaterieel

3.087

5.168

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

Overige lasten

8.319

0

0

0

0

0

0

  • - 
    Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

  • - 
    Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

74.101

46.593

73.671

75.145

76.648

78.181

79.745

Saldo van baten en lasten

  • - 
    15.531

0

0

0

0

0

0

De begroting 2019 is aanzienlijk hoger dan de in september 2017 vastgestelde begroting 2018. Belangrijkste oorzaak voor deze stijging zijn de gestegen ICT-kosten. Deze kosten bestaan zowel uit personele als materiële kosten. In het kader van het ingezette verandertraject bij het CIBG zijn in de begroting 2019 zijn ook de kosten voor projecten meegenomen, waardoor een realistischer beeld ontstaat. Deze projecten bestaan uit opdrachten op de reguliere producten en diensten, die door opdrachtgevers worden gefinancierd. In het verleden werden alleen de reguliere producten en diensten gebudgetteerd. Bovendien nemen de personele kosten toe als gevolg van CAO-aanpassingen en de materiële kosten als gevolg van overige indexaties. Het CIBG is eind 2017 een verandertraject gestart dat ook heeft geleid tot nieuwe (financiële) afspraken met opdrachtgevers voor 2018 en daarna. De uiteindelijke gevolgen voor de begroting zullen zichtbaar worden in de tweede suppletoire begrotingswet. Als gevolg van deze herijkte begroting zijn de bijdragen van opdrachtgevers aangepast. De herijkte begroting is afgestemd met opdrachtgevers en eigenaar.

Eind 2017 heeft op grond van de Regeling Agentschappen een correctie plaatsgevonden van de voorgefinancierde investeringsbijdragen van opdrachtgevers naar het eigen vermogen. Financiering van investeringen zal voortaan via de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën plaatsvinden. De afschrijvingskosten van de investeringen gefinancierd uit de eerdere investeringsbijdragen (circa € 2 tot 3 miljoen per jaar van 2018-2022) worden door de eigenaar gedekt.

Toelichting

Baten

De omzet moederdepartement bestaat uit de omzet op basis van opdrachten vanuit de beleidsdirecties van VWS, zoals Vakbekwaamheidsverklaring, Donorregister, TZI, SBVZ en WNT. Daarnaast is er bij het CIBG ook sprake van omzet op basis van opdrachten van andere departementen, zoals OCW-registers en Register Diergeneeskundigen. Tevens is er omzet afkomstig van derden (burgers en bedrijven). Deze hangt samen met het verrichten van verschillende (wettelijke) registratieactiviteiten, het verstrekken van UZI-passen en -certificaten, het verlenen van vergunningen en ontheffingen tegen door het departement vastgestelde tarieven alsmede met de verkoop van medicinale cannabis.

Als gevolg van de hernieuwde (financiële) afspraken zijn de bijdragen van de opdrachtgevers van het CIBG aangepast. Hierdoor is het CIBG in staat om kostendekkend te werken.

Lasten

De lasten bewegen mee met de omvang van het verwachte takenpakket.

Overzicht lasten (Bedragen x € 1.000)

Omzet 2019

MEVA

11.171

Informatiebeleid CIO

2.566

EST

295

GMT

7.639

PG

1.551

PZO

5.652

DJ

1.317

IGJ

1.952

Diverse projecten

2.249

Subtotaal VWS

34.392

OCW

5.567

LNV

1.319

BZK

1.494

Subtotaal overige departementen

8.380

BIG-(her)registratie

5.102

Vakbekwaamheid

255

UZI-register

8.715

Vergunningen

1.662

Medische hulpmiddelen

385

Opiaten

662

BMC

11.166

Subtotaal Derden

27.947

Overig

Voorgefinancierde afschrijvingskosten

2.952

Totaal

73.671

In de meerjarenraming 2020-2023 is rekening gehouden met een indexatie van 2% voor loon- en prijsontwikkelingen.

2.3 Kasstroomoverzicht Kasstroomoverzicht CIBG voor het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

9.986

5.290

591

591

591

591

591

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

59.521

47.000

73.671

75.145

76.648

78.181

79.745

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

64.661

45.000

67.104

68.447

69.816

71.212

72.637

2.

Totaal operationele kasstroom

  • - 
    5.140

2.000

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

-/- totaal investeringen

8.240

3.000

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

  • - 
    8.240
  • - 
    3.000
  • - 
    6.567
  • - 
    6.698
  • - 
    6.832
  • - 
    6.969
  • - 
    7.108

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

-/- aflossingen op leningen

1.467

2.000

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

+/+ beroep op leenfaciliteit

4.000

3.000

6.567

6.698

6.832

6.969

7.108

4.

Totaal financieringskasstroom

2.533

1.000

0

0

0

0

0

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4), de maximale roodstand is € 0,5 mln.

  • - 
    861

5.290

591

591

591

591

591

Toelichting

In 2017 werd voorzien dat de ultimo stand 2017 en 2018 op € 5,3 miljoen zou uitkomen. Vanwege hogere kosten (en uitgaven) bedroeg het saldo van de rekening-courant eind 2017 uiteindelijk € 861.000 negatief en dit is hoger dan wat de Regeling agentschappen toestaat (een maximum roodstand van € 500.000 is toegestaan). Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2018 zal ook de rekening courant stand per ultimo 2018 lager uitvallen dan het vermelde bedrag van € 5,3 miljoen, De verwachting is dat het saldo aan liquide middelen eind 2018 licht positief is en dat dit de jaren erna zo blijft.

Bij het begroten van het saldo aan liquide middelen voor 2019 is rekening gehouden met de hogere gerealiseerde lasten uit 2017. Dit verklaart het aanzienlijke verschil tussen het verwachte saldo van de rekening courant op 1 januari 2019 (€ 591.000) en het saldo per 31 december 2018 van de vastgestelde begroting (€ 5.290.000).

De totale investeringen hebben vrijwel geheel betrekking op ICT en behoren tot de immateriële vaste activa. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van vijf jaar. Voor de financiering van deze activa wordt gebruik gemaakt van de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën, waarbij is uitgegaan van een aflossingstermijn van vijf jaar (conform afschrijvingstermijn).

2.4 Doelmatigheidsindicatoren Overzicht doelmatigheidsindicatoren CIBG voor het jaar 2019

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

Omschrijving generiek deel

  • 1. 
    Kostprijzen per product (groep)
  • Besch. BIG-(her)registratie

248

125

125

125

125

125

125

  • Vakbekwaamheidsverklaring

6.186

5.591

6.011

6.011

6.011

6.011

6.011

  • Vergunning Farmatec

1.914

2.824

2.764

2.764

2.764

2.764

2.764

  • UZI-pas/certificaat

332

286

312

312

312

312

312

  • Wilsbeschikking Donorregister

13

12

18

18

18

18

18

  • 2. 
    Omzet p prodgroep (x 1.000)
  • BIG-register + herregistratie

3.692

8.500

10.048

10.048

10.048

10.048

10.048

  • Vakbekwaamheid

3.054

3.075

3.907

3.907

3.907

3.907

3.907

  • Farmatec

1.669

1.271

2.073

2.073

2.073

2.073

2.073

  • UZI-register

8.582

9.005

9.831

9.831

9.831

9.831

9.831

  • Donorregister

2.365

2.440

3.638

3.638

3.638

3.638

3.638

  • 3. 
    Saldo baten en lasten (%)
  • 27%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

  • 4. 
    Aantal fte totaal (excl. externe inhuur)

281

272

294

294

294

294

294

Omschrijving specifiek deel

  • 1. 
    productievolume
  • Besch. BIG-(her)registratie

42.875

190.000

40.900

36.400

51.400

41.400

136.350

  • Vakbekwaamheidverklaringen

664

550

650

650

650

650

650

  • Vergunningen Farmatec

757

450

750

750

750

750

750

  • UZI-pas/certificaat

28.423

31.500

31.500

31.500

31.500

31.500

31.500

  • Wilsbeschikkingen donorregister

198.770

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

  • 2. 
    Aantal klachten / bezwaar en beroep
  • vakbekwaamheidverklaringen

9

10

10

10

10

10

10

  • wilsbeschikkingen donorregister

7

5

5

5

5

5

5

  • 3. 
    Doorlooptijden (dagen)
  • wilsbeschikkingen donorregister

7

16

16

16

16

16

16

Toelichting

Het overzicht doelmatigheidsindicatoren bevat een selectie van de belangrijkste producten uit het takenpakket van het CIBG die op basis van prijs maal hoeveelheid worden afgerekend.

Omzet per productgroep

Bij de BIG-herregistraties is de omzet niet gelijk aan het volume x kostprijs omdat de kostprijs is gebaseerd op een meerjarig gemiddelde en het volume per jaar sterk fluctueert. Daarom wordt de omzet ook op basis van het aantal ingeschrevenen in het register gespreid geboekt over 5 jaar.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij de baten-lastendienst per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. Het aantal fte is licht toegenomen doordat er verambtelijking van externe inhuur heeft plaatsgevonden. De komende jaren worden, uitgaande van een gelijkblijvend producten- en dienstenpakket, geen grote wijzigingen verwacht in het aantal fte.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten. Het CIBG is eind 2017 een verandertraject gestart dat ook heeft geleid tot nieuwe (financiële) afspraken met opdrachtgevers voor 2018 en daarna. De uiteindelijke gevolgen voor de begroting zullen zichtbaar worden in de tweede suppletoire wet. Als gevolg van deze herijkte begroting zijn de bijdragen van opdrachtgevers aangepast. De herijkte begroting is afgestemd met opdrachtgevers en eigenaar. Voor de komende jaren wordt verwacht dat het CIBG kostendekkend is

Aantallen per productgroep

Het verwachte outputvolume per jaar. Het wisselend volume van de BIG-(her-)registraties wordt voornamelijk veroorzaakt door de herregistraties die om de vijf jaar plaatsvinden. Voor de overige genoemde diensten blijft het productievolume nagenoeg gelijk. Aantal klachten/bezwaar en beroep

Aantal afgehandelde klachten en gegronde bezwaren. Verwacht wordt dat het aantal klachten c.q. bezwaar en beroepzaken de komende jaren gelijk blijft.

Doorlooptijden

De gemiddelde netto doorlooptijd in dagen. Verwacht wordt dat de doorlooptijd gelijk blijft.

Donorregistraties

De invloed van de politieke ontwikkelingen rondom de donorregistraties is nog zeer onzeker en niet meegenomen in bovenstaand overzicht. De gevolgen van invoering van de Actieve Donor Registratie (ADR) worden de komende periode nader uitgewerkt.

  • 3. 
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 3.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2004 is het RIVM een baten-lastenagentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gevestigd in Bilthoven. Het RIVM staat op de bres voor een gezonde bevolking in een gezonde leefomgeving. De kerntaken van het RIVM zijn het doen van onderzoek en innovatie, beleidsondersteuning, informatieverstrekking, monitoring en surveillance, crisis- en incidentenmanagement en programmacoördinatie. Het RIVM voert werkzaamheden uit voor de Ministeries van VWS, IenW, EZK, LNV, SZW, BZK en DEF en (inter)nationale organisaties zoals de ANVS, Europese Unie, WHO en ook steeds meer voor decentrale overheden. Informatie over de resultaten van het RIVM-onderzoek is te vinden via de thematische ingangen van de website www.rivm.nl. Het RIVM vervult ook regiefuncties en verzorgt de landelijke coördinatie van preventie- en interventieprogramma’s, zoals het Rijksvaccinatieprogramma (RVP).

3.2 Begroting 2019

Begroting van baten en lastenagentschap RIVM voor het jaar 2019

(Bedragen x € 1.000)

2017

Stand Slotwet

2018 Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

Omzet moederdepartement

252.831

254.200

238.100

243.700

248.400

254.500

253.600

Omzet overige departementen

81.381

70.600

74.800

76.500

76.800

78.500

78.500

Omzet derden

20.179

36.000

32.200

32.900

33.300

34.000

34.000

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

702

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

355.093

360.800

345.100

353.100

358.500

367.000

366.100

Lasten

Apparaatskosten

354.816

357.100

341.100

348.300

352.800

360.500

359.300

  • - 
    Personele kosten

146.353

143.700

150.800

153.300

156.100

158.500

158.200

waarvan eigen personeel

124.071

124.600

127.800

130.000

132.300

134.400

134.100

waarvan externe inhuur

15.121

12.300

12.600

12.900

13.100

13.300

13.300

waarvan overige p-kosten

7.161

6.800

10.400

10.400

10.700

10.800

10.800

  • - 
    Materiële kosten

208.463

213.400

190.300

195.000

196.700

202.000

201.100

waarvan apparaat ICT

22.698

15.300

13.600

14.000

14.100

14.500

14.400

waarvan bijdrage aan SSO’s

2.760

9.900

8.800

9.000

9.100

9.400

9.300

waarvan overige m-kosten

183.005

188.200

167.900

172.000

173.500

178.100

177.400

Rentelasten

1

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

3.135

3.700

4.000

4.800

5.700

6.500

6.800

  • - 
    Materieel

3.132

3.700

4.000

4.800

5.700

6.500

6.800

waarvan apparaat ICT

2.011

2.200

2.400

2.900

3.400

3.900

4.000

  • - 
    Immaterieel

3

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

2.915

0

0

0

0

0

0

  • - 
    Dotaties voorzieningen

2.893

0

0

0

0

0

0

  • - 
    Bijzondere lasten

22

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

360.867

360.800

345.100

353.100

358.500

367.000

366.100

Saldo van baten en lasten

  • - 
    5.774

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

Baten

De omzetbedragen 2019 zijn ramingen op grond van de verwachte opdrachtvolumes bij ongewijzigd beleid voor de komende jaren, waarin thans bekende ontwikkelingen zijn meegenomen. De werkelijke hoogte van de omzet is afhankelijk van de aard en omvang van de te verrichten activiteiten en - daarmee samenhangend - de in rekening te brengen kosten (uren x tarief plus directe projectgebonden kosten).

De geraamde omzet moederdepartement bestaan uit baten van VWS-eigenaar en VWS-opdrachtgever. De geraamde omzet van VWS-eigenaar is hoofdzakelijk bestemd voor het strategisch programma van het RIVM (SPR). De geraamde omzet van VWS-opdrachtgevers betreft inkomsten die het RIVM op grond van lopende werkprogramma’s en thans bekende ontwikkelingen verwacht te verkrijgen door opdrachtverlening door de beleidsdirecties van VWS en IGJ. Vanaf 2019 is hier een scherpe daling in aan te merken als gevolg van het wijzigen van de financieringsstructuur van de ent-vergoedingen aan JGZ-instellingen in het Rijksvaccinatieprogramma. Het budget hiervan wordt overgeheveld van het RIVM naar de gemeenten in het kader van de Wet Publieke Gezondheid. De geraamde baten van IenW, EZK, LNV, SZW, BZK, DEF en ANVS, volgen uit werkzaamheden die op het taakveld milieu in relatie tot volksgezondheid worden uitgevoerd. Omzetbaten van derden verkrijgt het RIVM door het uitvoeren van werkzaamheden voor derden in Nederland en in internationaal verband.

Lasten

De personele kosten bedragen voor 2019 circa € 150,8 miljoen, waarin inbegrepen circa € 127,8 miljoen voor ambtelijk personeel en circa € 12,6 miljoen voor externe inhuur. De externe inhuur maakt 9,0% van de totale loonkosten uit.

De materiële kosten bedragen in 2019 circa € 190,3 miljoen. Een groot deel (circa € 100 miljoen) betreft uitvoeringskosten voor preventieprogramma’s (zoals het Rijksvaccinatieprogramma, Hielprikscreening, Zwangerenscreening en de Nationale Griepcampagne). Gelijk aan de omzet is hierin vanaf 2019 een daling zichtbaar doordat het RIVM de ent-vergoeding aan consultatiebureaus niet langer zal uitkeren. Dit zal via de gemeenten gaan lopen.

Afschrijvingskosten zijn gebaseerd op verwachte (vervangings)investeringen.

Ontwikkelingen

Voor zover mogelijk is in de begroting 2019 en verder van het RIVM rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Een aantal factoren is echter nog (te) onzeker:

    • • 
      In 2021/2022 gaat het RIVM verhuizen naar een nieuw gebouw op de Uithof Utrecht. In deze begroting is nog geen rekening gehouden met het effect van eenmalige (2021) en structurele (vanaf 2022) kosten die deze verhuizing met zich mee brengt.
    • • 
      Ontwikkelingen op het vlak van open data, I-visie/strategie en informatiebeveiliging.
    • • 
      Nieuwe ontwikkelingen binnen de geneesmiddelen en medische technologie.
    • • 
      Mogelijke uitbreiding van het Rijksvaccinatie programma en de Neonatale Hielprikscreening.
    • • 
      Loon- en prijsstijgingen (indexatie) in de komende jaren en daarmee samenhangend de ontwikkeling van het RIVM tarief.

3.3 Kasstroomoverzicht Kasstroomoverzicht RIVM voor het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2017

Stand Slotwet

2018 Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening courant RHB

1 januari + depositorekeningen

49.718

56.805

50.205

42.805

39.505

35.805

32.605

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

354.392

360.800

345.100

353.100

358.500

367.000

366.100

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 358.306
  • 363.700
  • 348.500
  • 351.600
  • 356.500
  • 363.700
  • 359.300

2.

Totaal operationele kasstroom

  • - 
    3.915
  • - 
    2.900
  • - 
    3.400

1.500

2.000

3.300

6.800

-/- totaal investeringen

  • 6.152
  • 3.700
  • 4.000
  • 4.800
  • 5.700
  • 6.500
  • 6.800

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

-

-

-

-

-

-

-

3.

Totaal investeringskasstroom

  • - 
    6.152
  • - 
    3.700
  • - 
    4.000
  • - 
    4.800
  • - 
    5.700
  • - 
    6.500
  • - 
    6.800

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

-

-

-

-

-

-

-

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

-

-

-

-

-

-

-

-/- aflossingen op leningen

-

-

-

-

-

-

-

+/+ beroep op leenfaciliteit

-

-

-

-

-

-

-

4.

Totaal financieringskasstroom

-

-

-

-

-

-

-

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

39.651

50.205

42.805

39.505

35.805

32.605

32.605

Toelichting kasstroomoverzicht

Het RIVM investeert jaarlijks in software en licenties, gebouwinstallaties en infrastructuur, laboratoriumapparatuur, vervoermiddelen, IT en audiovisuele apparatuur en facilitaire apparatuur. Dit betreft vervangingsinvesteringen, nodig om de continuïteit te waarborgen. Hiervoor wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit agentschappen.

3.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren Overzicht doelmatigheidsindicatoren RIVM voor het jaar 2019

2017

Stand Slotwet

2018 Vastgestelde begroting

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving generiek deel

  • 1. 
    Uurtarieven:
  • Gewogen uurtarief in €

105

108

113

116

119

124

126

  • Ontwikkeling uurtarief

(2017 = 100)

100

103

107

110

113

118

120

  • 2. 
    Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

1.615

1.700

1.660

1.660

1.660

1.660

1.660

  • 3. 
    Saldo van baten en lasten (%)
  • 1,6%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

Omschrijving specifiek deel

  • 1. 
    Liquiditeit

(current ratio; norm: > 1,5)

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

  • 2. 
    Solvabiliteit (debt ratio)

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

  • 3. 
    Rentabiliteit eigen vermogen1
  • 48,9%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

  • 4. 
    Percentage externe inhuur t.o.v. totale personele kosten

10,9%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

9,0%

  • 5. 
    Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

94,2%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

  • 6. 
    Declarabiliteit % primair proces

64,8%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

  • 7. 
    FTE overhead als % totaal aantal FTE

17,7%

20%

20%

20%

20%

20%

20%

  • 8. 
    Ziekteverzuim

4,1%

4,0%

3,8%

3,6%

3,3%

3,0%

2,8%

  • 9. 
    % medewerkers met een volledig afgeronde p-gesprekscyclus

81,7%

80,0%

80,0%

80,0%

80,0%

80,0%

80,0%

Noot 1

Rentabiliteit eigen vermogen 2017 is -48,9% vanwege van het (geplande) negatieve resultaat in 2017.

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Generieke indicatoren

    • 1. 
      Uurtarieven: het RIVM hanteert als indicator voor de doelmatigheid het gemiddeld gewogen uurtarief. De uurtarieven worden jaarlijks door de eigenaar vastgesteld. De hoogte van de tarieven wordt onder meer bepaald door de ontwikkeling van de loonkosten, de materiële kosten (waaronder huisvestingslasten) en het aantal te declareren uren per medewerker. Voor 2019 is rekening gehouden met een verwachte tariefstijging van circa 4,6% (nog niet vastgesteld); voor latere jaren is rekening gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen van 2% gemiddeld per jaar, toenemende ICT lasten als gevolg van intensivering informatiebeveiliging en toenemende huisvestingslasten als gevolg van de verhuizing naar de Uithof 2021/2022.
    • 2. 
      Aantal FTE: opgenomen is het aantal fulltime equivalenten werkzaam bij het RIVM per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. De ontwikkeling van het aantal verwachte FTE is gekoppeld aan de verwachte ontwikkeling van de orderportefeuille van het RIVM.
    • 3. 
      Saldo van baten en lasten: het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Specifieke indicatoren

    • 1. 
      Liquiditeit: de kortlopende vorderingen ten opzichte van de kortlopende schulden.
    • 2. 
      Solvabiliteit: het totaal van de schulden ten opzichte van het balanstotaal.
    • 3. 
      Rentabiliteit eigen vermogen: het onverdeeld resultaat als percentage van het totaal eigen vermogen.
    • 4. 
      Percentage externe inhuur: het percentage externe inhuur 2019 bedraagt 9,0%.
    • 5. 
      Percentage facturen betaald binnen 30 dagen: voor dit percentage sluit het RIVM qua norm aan bij de Rijksbrede afspraken hierover van 95%.
    • 6. 
      Declarabiliteit % primair proces: norm binnen het RIVM is 65%. De declarabiliteit geeft inzicht in de productiviteit die binnen het RIVM wordt behaald.
    • 7. 
      Percentage overhead: het percentage overhead uitgedrukt in FTE ten opzichte van het totaal aantal FTE binnen het RIVM.
    • 8. 
      Ziekteverzuim: gehanteerde norm voor het RIVM is de Verbaan-norm van 2,8%. Voor 2019 is deze norm niet haalbaar; gestreefd wordt naar een afbouw van het ziekteverzuim over 5 jaar bezien.
    • 9. 
      Medewerkers met een volledig afgeronde p-gesprekscyclus: afgesproken norm met de eigenaar is om met minimaal 80% van de medewerkers een afgeronde p-gesprekscyclus te hebben gevoerd.

Voor wat betreft de specifieke doelmatigheidsindicatoren steunt het RIVM op de gangbare bedrijfseconomische indicatoren, zoals vermeld in bovenstaande tabel. Over de geleverde prestaties legt het RIVM systematisch verantwoording af richting de opdrachtgevers en eigenaar. Voor de primaire opdrachtgevers gebeurt dat in periodieke voortgangsrapportages die door deze opdrachtgevers worden vastgesteld. Voor de overige opdrachtgevers gebeurt dat via de tijdige levering van de afgesproken producten en diensten en de daarop volgende tijdige betaling door de opdrachtgevers van de overeengekomen opdrachtsom. Voor de eigenaar gebeurt dat eveneens met een periodieke voortgangsrapportage, waarin tevens wordt gereflecteerd op de organisatie brede doelstellingen uit het jaarplan RIVM.

Audits en benchmarkonderzoeken vinden periodiek plaats. Over de (wetenschappelijke) audits op onderdelen van de primaire processen wordt gerapporteerd aan de Commissie van Toezicht.

  • 6. 
    FINANCIEEL BEELD ZORG BEGROTING 2019
  • 1. 
    Inleiding

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) staat de ontwikkeling van de zorguitgaven centraal. Hierin worden de financiële ontwikkelingen binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Jeugdwet en overig begrotingsgefinancierd) afzonderlijk toegelicht.

Het FBZ bestaat uit de volgende onderdelen:

    • 1. 
      Inleiding
    • 1.1. Wijzigingen in het FBZ
    • 1.2. Leeswijzer
    • 1.3. Factsheet
    • 2. 
      Zorguitgaven in vogelvlucht
    • 2.1. Financieel beeld op hoofdlijnen
    • 2.2. Zorguitgaven onder het Uitgavenplafond zorg
    • 2.3. Ontwikkeling van het Uitgavenplafond zorg t.o.v. de Startnota
    • 2.4. Ontwikkeling van de netto-zorguitgaven t.o.v. de NvW begroting 2018
    • 3. 
      Zorguitgaven
    • 3.1. Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 3.1.1. Algemene doelstelling
    • 3.1.2. Rol en verantwoordelijkheid bewindspersonen
    • 3.1.3. Wijzigingen basispakket Zorgverzekeringswet 2019
    • 3.1.4. Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.1.5. Zorgakkoorden
    • 3.2. Wet langdurige zorg (Wlz)
    • 3.2.1. Algemene doelstelling
    • 3.2.2. Rol en verantwoordelijkheid bewindspersonen
    • 3.2.3. Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.3. Begrotingsgefinancierde zorguitgaven (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en Jeugdwet en overig begrotingsgefinacierd)
    • 4. 
      Financiering van de zorguitgaven
    • 4.1. Totaalbeeld
    • 4.2. De financieringssystematiek
    • 4.3. De financiering in 2019
    • 4.3.1. Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 4.3.2. Wet langdurige zorg (Wlz)
    • 4.4. Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg?
    • 5. 
      Meerjarige ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten
    • 5.1. Ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten 2009-2019
    • 5.2. Horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven 2017-2021
    • 6. 
      Verdieping Financieel Beeld Zorg
    • 6.1. Verdieping zorguitgaven in deelsectoren
    • 6.1.1. Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 6.1.2. Wet langdurige zorg (Wlz)
    • 6.2. Fiscale regelingen 2017-2019

1.1. Wijzigingen in het Financieel Beeld Zorg

Het FBZ in de ontwerpbegroting 2019 heeft ten opzichte van de ontwerpbegroting 2018 de onderstaande veranderingen ondergaan:

  • Leeswijzer

    In paragraaf 1.1 is een leeswijzer opgenomen waarin uitleg wordt gegeven over de uitgavenkaders vastgesteld voor de kabinetsperiode 2018-2021. Verder worden het Uitgavenplafond zorg, de zorguitgaven en -ontvangsten en de financiering van de zorguitgaven hierin uiteengezet. Vervolgens wordt het onderscheid tussen de premiegefinancierde uitgaven en de begrotingsgefinancierde uitgaven beschreven.

    • • 
      Uitgavenplafond zorg en zorguitgaven

    De term Budgettair Kader Zorg (BKZ) is vervangen door Uitgavenplafond zorg.

    De termen BKZ-uitgaven en -ontvangsten zijn vervangen door zorguitgaven en -ontvangsten.

    • • 
      Financieel beeld op hoofdlijnen

    In paragraaf 2.1 werd voorheen een grafiek opgenomen met de (voorziene) realisatie 2006-2018, afgezet tegen de trendlijn op basis van de realisatie 2006-2012. Dit is komen te vervallen.

    Voor de nieuwe kabinetsperiode wordt in deze paragraaf in figuur 1 de horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven 2017-2021 gepresenteerd, uitgesplitst in diverse onderdelen (loon- en prijsontwikkeling, volumegroei, enkele beleidsmaatregelen en overig) en gecorrigeerd voor overhevelingen. Bij de gecorrigeerde overhevelingen wordt de situatie 2021 als uitgangspunt genomen en worden de jaren 2017 en 2018 gecorrigeerd door het deel van de Wmo (exclusief beschermd wonen) en jeugd dat naar de algemene uitkering van het gemeentefonds is overgeheveld, eruit te halen.

    • • 
      Ontwikkeling van het Uitgavenplafond zorg t.o.v. de Startnota

    In paragraaf 2.3 is in tabel 2 de plafondtoets opgenomen voor de kabinetsperiode 2018-2021.

    • • 
      Ontwikkeling van de netto-zorguitgaven t.o.v. NvW begroting 2018

    In paragraaf 2.4 is in tabel 3 een beeld gegeven van de totale budgettaire effecten sinds de verwerking van de Startnota in de nota van wijziging begroting 2018.

    • • 
      Wijzigingen basispakket zorgverzekeringswet

    In paragraaf 3.1.3 zijn de wijzigingen in het basispakket van de Zorgverzekeringswet per 2019 beschreven.

    • • 
      Zorgakkoorden

    Aangezien dit jaar bestuurlijke afspraken zijn gemaakt voor verschillende Zvw sectoren (medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging) is hierover in het FBZ een aparte paragraaf (paragraaf 3.1.5) opgenomen. In de begroting 2018 stonden de transitieakkoorden voor 2018 centraal, in de begroting 2019 de nieuwe akkoorden voor de periode 2019-2022.

    • • 
      Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg

    De paragraaf over het kwaliteitskader verpleeghuiszorg is komen te vervallen. Deze was in de vorige begroting opgenomen om een totaaloverzicht te geven van waar de extra middelen voor het kwaliteitskader op het Wlz-artikel verwerkt zijn.

    • • 
      De financieringssystematiek

    In paragraaf 4.2 over de financieringssystematiek werden voorheen de figuren 4 en 5 zonder cijfers gepresenteerd. Vanaf deze begroting zijn in beide figuren ook de cijfers opgenomen. Dit geeft een beter beeld van de geldstromen binnen de Zvw en Wlz.

    • • 
      Verdeling van de zorglasten

    Aan paragraaf 4.3 is een passage en een tabel (tabel 16) toegevoegd over de lasten van burgers en werkgevers naar aanleiding van de toezegging in de reactie op het rapport van de Commissie Transparantie en Tijdigheid.

    • • 
      Horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven 2017-2021

    In paragraaf 5.2 werd voorheen de gecorrigeerde horizontale ontwikkeling van de totale zorguitgaven en per domein (Zvw en Wlz) gepresenteerd en vervolgens een vergelijking gemaakt met gemiddelden van eerdere kabinetsperioden. In de correctie werd teruggeredeneerd naar de startsituatie in 1996. Dit is komen te vervallen.

    Voor de nieuwe kabinetsperiode wordt in deze paragraaf in figuur 8, 9 en 10 de horizontale ontwikkeling van de totale zorguitgaven en per domein (Zvw en Wlz) voor de periode 2017-2021 gepresenteerd, gecorrigeerd voor overhevelingen. Bij de gecorrigeerde overhevelingen wordt de situatie 2021 als uitgangspunt genomen en worden de jaren 2017 en 2018 gecorrigeerd door het deel van de Wmo (exclusief beschermd wonen) en jeugd dat naar de algemene uitkering van het gemeentefonds is overgeheveld, eruit te halen. De analyse onder de grafieken van de gemiddelde reële groei van de zorguitgaven over de periode 1996-2017, onderverdeeld in een aantal tijdvakken, is niet gewijzigd.

1.2. Leeswijzer

In deze leeswijzer wordt uitleg gegeven over de uitgavenkaders die zijn vastgesteld voor de kabinetsperiode 2018-2021. Verder worden het Uitgavenplafond zorg, de zorguitgaven en -ontvangsten en de financiering van de zorguitgaven uiteengezet. Vervolgens wordt het onderscheid tussen de premiegefinancierde uitgaven en de begrotingsgefinancierde uitgaven beschreven.

Uitgavenkaders

In Nederland stelt het kabinet aan het begin van een kabinetsperiode zowel een uitgaven- als een inkomstenplafond vast. Het uitgavenplafond maakt duidelijk hoeveel het kabinet tijdens de kabinetsperiode jaarlijks mag uitgeven. Het inkomstenkader maakt duidelijk met hoeveel het kabinet tijdens de kabinetsperiode de belastingen en premies per saldo wil verlichten of verzwaren via maatregelen.

Onder het uitgavenplafond vallen verschillende categorieën uitgaven, de zogeheten deelplafonds. Er zijn drie deelplafonds (budgetdisciplinesectoren):

    • • 
      het Uitgavenplafond Rijksbegroting;
    • • 
      het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt;
    • • 
      het Uitgavenplafond Zorg.

Het Uitgavenplafond zorg en uitgavenbegrippen

Voor de uitgavenkant van de begroting zijn aan het begin van deze kabinetsperiode (2018-2021) afspraken gemaakt over het maximale uitgavenniveau: het Uitgavenplafond. Voor elk jaar wordt een plafond voor de totale uitgaven afgesproken dat niet overschreden mag worden. De hoogte van het Uitgavenplafond wordt vervolgens jaarlijks aangepast aan de loon- en prijsontwikkelingen volgens de inzichten van het Centraal Planbureau (CPB). Verder wordt het Uitgavenplafond aangepast voor onderlinge overboekingen tussen de drie Uitgavenplafonds. De Uitgavenplafonds van de sectoren Rijksbegroting, Sociale Zekerheid Arbeidsmarktbeleid en Zorg samen vormen het totale Uitgavenplafond.

Het Uitgavenplafond (Uitgavenkader) werd bij de voorgaande kabinetsperioden steeds aangepast voor de jaarlijkse prijsstijging (nominale ontwikkeling). Hiervoor werd de CPB-raming van de prijsindex van de nationale bestedingen (pNB) gebruikt. Op voorstel van de 15e Studiegroep Begrotingsruimte wordt in deze kabinetsperiode het Uitgavenplafond jaarlijks aangepast aan de loon- en prijsontwikkelingen volgens de laatste inzichten van het CPB. Door het Uitgavenplafond te indexeren met de loon- en prijsontwikkelingen speelt de ruilvoetproblematiek geen rol meer in de begrotingsbesluitvorming.

Niet-belastingontvangsten

De eigen betalingen en de eigen bijdragen worden samen gerekend tot de niet-belastingontvangsten. De totale (bruto) zorguitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-zorguitgaven.

Plafondtoets

De geraamde netto-zorguitgaven worden getoetst aan het Uitgavenplafond zorg.

Deze toets maakt duidelijk of de geraamde netto-zorguitgaven binnen het daarvoor gestelde plafond blijven, of dat er sprake is van een overschrijding. Deze plafondtoets wordt gepresenteerd voor de regeerperiode 2018-2021.

Financiering van de zorguitgaven en de sociale fondsen

De collectieve zorguitgaven worden gefinancierd uit premies (nominale Zvw-premie, inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en Wlz-premie), belastingmiddelen (rijksbijdragen) vanuit de begroting (rijksbijdrage voor de financiering van de premie voor jongeren onder de 18 jaar, bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK)), de eigen betalingen in de Zvw en de eigen bijdragen in de Wlz. De premie-inkomsten worden gerekend tot de collectieve lasten en tellen daarom mee in de inkomstenindicator van het kabinet. Dit betekent dat iedere verandering in de hoogte van de premies wordt gecompenseerd door lastenverzwaring of lastenverlichting elders.

De Zvw en de Wlz zijn verzekeringen, waar iedere volwassene ingezetene in Nederland verplicht premie voor betaalt en aanspraken aan ontleent. Een deel van de financiering loopt via de sociale fondsen, het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz). Deze fondsen maken geen onderdeel uit van de rijksbegroting, maar behoren wel tot de overheid. Veranderingen in de financiële positie van de fondsen hebben daarom invloed op het EMU-saldo. De fondsen worden gevoed met premies die door het kabinet worden vastgesteld (de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en de Wlz-premie) en de rijksbijdragen. Ook een eventueel exploitatietekort in het Zvf of Flz kan worden gezien als financiering van de zorguitgaven. Het exploitatiesaldo van de fondsen telt mee in het EMU-saldo en de EMU-schuld van het Rijk. Het Rijk moet hiervoor meer (of minder) lenen.

De nominale ziektekostenpremie wordt niet door het kabinet vastgesteld en wordt rechtstreeks door burgers betaald aan zorgverzekeraars. In de begroting is wel een raming opgenomen van de nominale premie. Het Zvf werkt als een vereveningsfonds voor zorgverzekeraars, dat moet zorgen voor een gelijk speelveld. Uit het Flz worden de aanspraken betaald die burgers en instellingen hebben op grond van de Wlz.

In hoofdstuk 4 van het Financieel Beeld Zorg wordt nader ingegaan op de financiering van de zorguitgaven.

Zorguitgaven onder het Uitgavenplafond zorg

De zorguitgaven onder het Uitgavenplafond zorg zijn opgebouwd uit de geraamde premiegefinancierde uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz), en daarnaast een (beperkt) deel van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (Wmo, Jeugdwet en overige uitgaven).

Bij de Wmo- en Jeugdwetuitgaven gaat het om middelen die in het gemeentefonds beschikbaar zijn gesteld voor de zorg en ondersteuning van jeugdigen, ouderen en mensen met beperkingen. Deze uitgaven staan op de begroting van het gemeentefonds van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), maar vallen onder het Uitgavenplafond zorg.

De overige begrotingsgefinancierde zorguitgaven betreffen dat deel van de uitgaven dat verantwoord wordt op de VWS-begroting, maar dat toegerekend wordt aan het Uitgavenplafond zorg. Tot deze categorie behoren onder meer een deel van de uitgaven aan zorgopleidingen, de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdhulp op Caribisch Nederland, en de subsidieregeling abortusklinieken.

In hoofdstuk 3 van het Financieel Beeld Zorg wordt per financieringsbron nader ingegaan op de aard en bijstellingen van de zorguitgaven.

In het verdiepingshoofdstuk «Verdieping Financieel Beeld Zorg» (hoofdstuk 6) wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de ontwikkelingen van de zorguitgaven binnen de Zvw en de Wlz per deelsector.

Begrotingsgefinancierde uitgaven (VWS-begroting)

De VWS-begroting bevat uitgaven voor onder meer preventie, jeugdhulp en sport. Ook uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening, komen rechtstreeks ten laste van de begroting. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Zorginstituut Nederland. Deze uitgaven worden gerekend tot het Uitgavenplafond Rijksbegroting.

1.3. Factsheet

In onderstaande factsheet wordt de opbouw van de zorguitgaven en -ontvangsten op deelsectorniveau (uitgesplitst naar Zvw, Wlz en begrotingsgefinancierde zorguitgaven) weergegeven voor de jaren 2018 t/m 2023.

FACTSHEET ZORGUITGAVEN EN -ONTVANGSTEN BEGROTING 2019 (bedragen x € 1 miljoen)

Zvw-uitgaven per sector

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Eerstelijnszorg

5.917

6.055

6.150

6.261

6.372

6.363

Huisartsenzorg

2.956

3.047

3.128

3.221

3.312

3.303

Multidisciplinaire zorgverlening

615

630

646

665

685

685

Tandheelkundige zorg

780

791

791

791

791

791

Paramedische zorg

819

828

827

825

825

825

Verloskunde

254

258

258

258

258

258

Kraamzorg

317

319

319

319

319

319

Zorg voor zintuiglijk gehandicapten

176

181

181

181

181

181

Tweedelijnszorg

24.947

25.305

25.484

25.612

25.622

25.483

Medisch-specialistische zorg

22.548

22.833

22.984

23.095

23.088

22.952

Geriatrische revalidatiezorg en eerstelijnsverblijf

1.082

1.109

1.130

1.150

1.170

1.170

Beschikbaarheidbijdrage academische zorg

697

705

709

709

709

709

Beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg

56

56

56

56

56

56

Beschikbaarheidbijdragen overig medisch-specialistische zorg

97

102

102

102

102

102

Overig curatieve zorg

467

500

503

500

496

494

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

3.732

3.814

3.877

3.912

3.940

3.940

Genees- en hulpmiddelen

6.304

6.655

6.569

6.422

6.262

6.247

Geneesmiddelen

4.750

5.037

4.909

4.795

4.661

4.648

Hulpmiddelen

1.553

1.618

1.660

1.626

1.600

1.599

Wijkverpleging

3.860

3.956

4.060

4.155

4.251

4.247

Ziekenvervoer

746

773

764

761

762

762

Ambulancevervoer

632

648

633

630

632

632

Overig ziekenvervoer

114

126

131

131

131

131

Opleidingen

1.329

1.360

1.349

1.300

1.323

1.323

Grensoverschrijdende zorg

699

707

706

705

705

705

Nominaal en onverdeeld

85

1.733

3.591

5.479

7.695

11.267

Bruto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2019

47.619

50.360

52.550

54.607

56.932

60.338

Eigen betalingen Zvw

3.208

3.115

3.148

3.181

3.315

3.498

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2019

44.411

47.245

49.402

51.426

53.616

56.840

Wlz-uitgaven per sector

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Zorg in natura binnen contracteerruimte

18.912

19.919

20.548

21.075

21.396

21.319

Ouderenzorg

10.243

10.984

11.573

12.102

12.407

12.328

Gehandicaptenzorg

6.715

6.953

7.002

7.001

7.012

7.021

Langdurige ggz

557

578

577

577

577

577

Volledig pakket thuis

511

496

490

490

490

490

Extramurale zorg

620

627

621

614

609

603

Overig binnen contracteerruimte

266

281

286

291

301

301

Persoonsgebonden budgetten

1.984

2.070

2.071

2.073

2.074

2.074

Buiten contracteerruimte

668

1.741

3.269

4.941

6.723

8.728

Beheerskosten

199

198

196

194

191

191

Overig buiten contracteerruimte

466

485

485

486

511

511

Nominaal en onverdeeld

4

1.059

2.587

4.262

6.021

8.026

Bruto-Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2019

21.564

23.730

25.888

28.089

30.193

32.122

Eigen bijdragen Wlz

1.838

1.868

1.947

2.029

2.114

2.226

Netto-Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2019

19.726

21.862

23.941

26.061

28.079

29.896

Begrotingsgefinancierde zorguitgaven

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Wmo 2015 en Jeugdwet (gemeentefonds)

7.082

1.714

1.714

1.714

1.714

1.714

Integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging

1.385

0

0

0

0

0

Integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015 (incl. beschermd wonen)

3.726

0

0

0

0

0

Integratie-uitkering beschermd wonen

0

1.714

1.714

1.714

1.714

1.714

Jeugdwet

1.971

0

0

0

0

0

Overig begrotingsgefinancierd (VWS-begroting en aanvullende post Financiën)

511

617

572

565

507

504

Bruto begrotingsgefinancierde zorguitgaven ontwerpbegroting 2019

7.593

2.331

2.286

2.279

2.221

2.217

Totaal zorguitgaven ontwerpbegroting 2019

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bruto-zorguitgaven

76.777

76.421

80.724

84.975

89.346

94.677

Ontvangsten

5.046

4.983

5.095

5.210

5.429

5.724

Netto-zorguitgaven

71.731

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

  • 2. 
    Zorguitgaven in vogelvlucht 2.1 Financieel beeld op hoofdlijnen

Naar huidige inzichten groeien de netto-zorguitgaven gedurende de huidige kabinetsperiode met € 16,7 miljard, van € 62,8 miljard in 2017 naar € 79,5 miljard in 2021. Hierbij is gecorrigeerd voor de trendbreuk in 2019, als een groot deel van de Wmo-uitgaven en de uitgaven aan Jeugdzorg worden overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds. Vanaf dat moment vallen deze uitgaven niet langer onder de voor het Financieel Beeld Zorg relevante definitie van de zorguitgaven. In onderstaande figuur is deze groei onderverdeeld naar een aantal categorieën.

Figuur 1 Opbouw groei van de gecorrigeerde netto-zorguitgaven tussen 2017-2021 in miljarden euro’s

De belangrijkste verklaring voor de uitgavenstijging betreft de verwachte loon- en prijsontwikkeling. Over een periode van vier jaar wordt de zorg naar verwachting € 10 miljard duurder, onder invloed van de algemene inflatie en de specifieke extra prijsontwikkeling in de zorg. De prijzen in de zorg stijgen namelijk harder dan de gemiddelde prijzen. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat de zorg een arbeidsintensieve sector is en de lonen gemiddeld harder stijgen dan de prijzen.

Bij de raming van de loonontwikkeling in de zorg wordt de door het Centraal Planbureau (CPB) geraamde loonontwikkeling in de marktsector gevolgd. Overigens gaat het hier om ramingen op basis van macro-economische veronderstellingen; CAO’s worden door de betrokken partijen in de zorgsector zelf afgesloten.

Tot slot past hier de nuancering dat dit onderdeel van de geraamde stijging van de zorguitgaven aan forse bijstellingen onderhevig is. Gegeven de grondslag van de zorguitgaven van zo’n € 70 miljard zorgen procentueel betrekkelijk kleine bijstellingen van de geraamde ontwikkeling van de lonen en prijzen door het CPB voor forse bijstellingen van de geraamde zorguitgaven.

Een tweede verklaring voor de uitgavenstijging is de verwachting van een toename van de hoeveelheid zorg bij gelijkblijvende aanspraken. Deze autonome volumegroei van ruim € 7 miljard wordt onder andere veroorzaakt door demografische ontwikkelingen: we zijn met steeds meer mensen die gemiddeld ook steeds ouder zijn. Daarnaast wordt hierin ook het inkomenseffect meegenomen. Dit betekent dat als we rijker worden, we dan ook relatief meer van ons inkomen aan zorg willen besteden. Ook hierin worden de ramingen van het CPB als uitgangspunt genomen. De CPB-systematiek is uitgebreid gedocumenteerd4; de daarin gehanteerde bedragen en percentages zijn inmiddels geactualiseerd.

Ten derde hebben de politieke prioriteitsstelling, inclusief de afspraken met het veld, een effect op de ontwikkeling van de zorguitgaven. De financiële effecten van de twee beleidsmaatregelen met het grootste budgettaire effect in deze kabinetsperiode, de implementatie van het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en de hoofdlijnenakkoorden in de curatieve zorg, heffen elkaar nagenoeg op.

Zoals reeds in de ontwerpbegroting 2018 verwerkt, loopt de intensivering in de verpleeghuiszorg op van € 0,1 miljard in 2017 naar € 2,1 miljard in 2021. In de nota van wijziging naar aanleiding van het regeerakkoord is een besparing oplopend naar € 1,9 miljard in 2021 verwerkt als opbrengst van de op dat moment nog af te sluiten hoofdlijnenakkoorden. In paragraaf 3.1.4 en in de verdiepingsbijlage van deze ontwerpbegroting 2019 wordt uitgelegd hoe deze besparing wordt bereikt.

De resterende mutatie van de netto zorguitgaven tussen 2017 en 2021 (een daling van € 0,8 miljard) betreft vooral de (autonome) groei van de eigen betalingen (- € 0,2 miljard) en de besparing op de genees- en hulpmiddelen uit het regeerakkoord (- € 0,3 miljard). Wat dan nog overblijft, is het saldo van alle overige beleidseffecten.

De groei van de zorguitgaven zoals bovenstaand nader verklaard maakt dat deze een steeds groter deel innemen van de totale collectieve uitgaven en hiermee andere uitgaven verdringen. Onder andere de Raad van State heeft vorig jaar gewezen op dit verdringingseffect, in reactie op de Miljoenennota 2018. De beheersing van de zorguitgaven is en blijft dan ook van belang. Het vraagt om keuzes over hoe wij als samenleving de toenemende vraag naar zorg willen opvangen en welke consequenties dit mag hebben voor ons inkomen en onze economie.

Daarom vragen we de Sociaal-Economische Raad (SER) om een verkenning naar de gevolgen van de stijgende zorguitgaven voor de economie en de arbeidsmarkt, alsook voor de solidariteit die ten grondslag ligt aan ons stelsel. Mede namens de Minister van Financiën is ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gevraagd welke inzichten ons op weg kunnen helpen naar beheersing van de zorguitgaven op de lange termijn. Daarnaast blijven wij in gesprek met de bij de hoofdlijnakkoorden betrokken partijen over de implementatie van de gemaakte afspraken, alsook over oplossingsrichtingen voor de periode na de akkoorden.

In paragraaf 5.2 van het Financieel Beeld Zorg wordt nader ingegaan op de horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven gecorrigeerd voor overhevelingen. Hierin zijn zowel de nominale als de reële groei in de afzonderlijke jaren opgenomen, wordt een uitsplitsing gemaakt voor de ontwikkeling binnen de Zvw en binnen de Wlz en wordt de groei vergeleken met die in eerdere (kabinets)perioden.

2.2 Zorguitgaven onder het Uitgavenplafond zorg

De zorguitgaven onder het Uitgavenplafond zorg zijn opgebouwd uit de geraamde premiegefinancierde uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (Wmo, Jeugdwet en overige uitgaven).

Bij de Wmo- en Jeugdwetuitgaven gaat het om middelen die in het gemeentefonds beschikbaar zijn gesteld voor de zorg en ondersteuning van jeugdigen, ouderen en mensen met beperkingen. Deze uitgaven staan op de begroting van het gemeentefonds van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), maar vallen gedeeltelijk onder het Uitgavenplafond zorg.

De overige begrotingsgefinancierde zorguitgaven betreffen dat deel van de uitgaven dat verantwoord wordt op de VWS-begroting, maar dat toegerekend wordt aan het Uitgavenplafond zorg. Tot deze categorie behoren onder meer een deel van de uitgaven aan zorgopleidingen, de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdhulp op Caribisch Nederland, en de subsidieregeling abortusklinieken.

Ten slotte zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën die onder de zorguitgaven vallen. Dit betreft onder meer de loon- en prijsbijstelling voor de begrotingsgefinancierde zorguitgaven.

Tabel 1 toont de brutozorguitgaven en -ontvangsten.

Tabel 1 Samenstelling van de bruto-zorguitgaven en -ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)1

Omschrijving

2019

Bruto-zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2019

76,4

Premiegefinancierd

74,1

waarvan Zvw

50,4

waarvan Wlz

23,7

Begrotingsgefinancierd

2,3

waarvan Wmo beschermd wonen

1,7

waarvan overig begrotingsgefinancierd

0,6

Ontvangsten stand ontwerpbegroting 2019

5,0

waarvan eigen betalingen Zvw

3,1

waarvan eigen bijdragen Wlz

1,9

Netto-zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2019

71,4

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens.

Noot 1

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal

Figuur 2 De bruto-zorguitgaven per financieringsbron als aandeel in de totale zorguitgaven 2019

2.3 Ontwikkeling van het Uitgavenplafond zorg t.o.v. Startnota

Het Uitgavenplafond zorg is bij Startnota van het kabinet-Rutte III voor de periode 2018-2021 vastgesteld. Voor het vaststellen van het Uitgavenplafond zorg is uitgegaan van de netto-zorguitgaven bij Miljoenennota 2018. Op deze stand zijn vervolgens de maatregelen en de macro-economische doorwerking uit het regeerakkoord verwerkt.

In tabel 2 is de opbouw van het Uitgavenplafond zorg na verwerking van de Startnota te zien.

Tabel 2. Ontwikkeling van het Uitgavenplafond zorg en de netto-zorguitgaven 2018-2021 (bedragen x € 1 miljoen)1

2018

2019

2020

2021

1

Uitgavenplafond zorg bij Startnota

72.762

72.896

77.581

82.087

2

Loon- en prijsontwikkeling

  • 45
  • 590
  • 1.080
  • 1.396

3

Overboekingen tussen Uitgavenplafonds

  • 163
  • 366
  • 380
  • 356

4

Bijstelling Uitgavenplafond zorg

  • - 
    208
  • - 
    956
  • - 
    1.460
  • - 
    1.752

5

Uitgavenplafond zorg stand ontwerpbegroting 2019

72.555

71.940

76.121

80.335

6

Netto-zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2019

71.731

71.438

75.629

79.766

7

Onderschrijding Uitgavenplafond zorg

  • - 
    824
  • - 
    502
  • - 
    492
  • - 
    569

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens

Noot 1

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

De actuele onderschrijding van het Uitgavenplafond zorg bedraagt € 0,8 miljard in 2018, € 0,5 miljard in 2019 en 2020 en € 0,6 miljard in 2021. Deze onderschrijding is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van het Uitgavenplafond zorg met € 0,2 miljard in 2018 oplopend tot € 1,8 miljard in 2021. Daarnaast zijn de netto-zorguitgaven neerwaarts bijgesteld met € 1,8 miljard in 2018 oplopend tot € 2,3 miljard in 2021 (zie tabel 3).

Bijstelling van het Uitgavenplafond zorg

Het Uitgavenplafond zorg is op basis van de Macro-Economoische Verkenningen (MEV) 2019 van het Centraal Planbureau (CPB) ten opzichte van de CPB-raming bij Startnota neerwaarts bijgesteld met € 45 miljoen in 2018 oplopend tot € 1,4 miljard in 2021 als gevolg van een lager geraamde loon- en prijsontwikkeling.

Het Uitgavenplafond zorg is verder verlaagd met circa € 0,3 miljard in 2018 oplopend tot € 0,4 miljard in 2021, als gevolg van overboekingen vanuit het Uitgavenplafond zorg naar het Uitgavenplafond Rijksbegroting. Het gaat hierbij onder andere om de overheveling van middelen ten behoeve van de tijdelijke voorziening voor de door gemeenten ervaren knelpunten van € 100 miljoen in 2018. Verder is de reservering van de loon- en prijsbijstelling 2018 vanaf 2019 van circa € 154 miljoen overgeboekt. Vanaf 2019 maken deze budgetten onderdeel uit van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Deze bedragen worden overgeboekt van het Uitgavenplafond zorg naar de algemene uitkering van het gemeentefonds (begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en worden daarmee niet meer gerekend tot de zorguitgaven. Voorts is er een bedrag van € 90 miljoen in 2018, 2019 en 2020 overgeboekt naar de Rijksbegroting voor de herbestemming van middelen voor Zorginfrastructuur.

2.4 Ontwikkeling van de netto zorguitgaven t.o.v. nota van wijziging begroting 2018

In de onderstaande tabel worden de mutaties in de netto-zorguitgaven tussen de NvW begroting 2018 en de ontwerpbegroting 2019 (actuele stand) voor de jaren 2017-2021 weergegeven. Daarmee geeft de tabel een beeld van de totale budgettaire effecten sinds verwerking van het regeerakkoord in de NvW begroting 2018.

Tabel 3 Ontwikkeling van de netto-zorguitgaven 2018-2021 (bedragen x € 1 miljoen)

2017

2018

2019

2020

2021

Netto-zorguitgaven nota van wijziging begroting 2018

68.828

72.762

72.896

77.581

82.087

Mutaties na NvW begroting 2018

  • - 
    868
  • - 
    1.031
  • - 
    1.458
  • - 
    1.952
  • - 
    2.321

Loon- en prijsontwikkeling

-

  • 45
  • 590
  • 1.080
  • 1.396

Overhevelingen

-

  • 163
  • 366
  • 380
  • 356

Autonoom

  • 868
  • 1.050
  • 904
  • 835
  • 838

Beleidsmatig

-

226

401

343

269

Netto-zorguitgaven ontwerpbegroting 2019

67.959

71.731

71.438

75.629

79.766

Correctie voor overhevelingen Wmo en Jeugd

  • 5.152
  • 5.413
  • 223
  • 227
  • 235

Netto-gecorrigeerde-zorguitgaven ontwerpbegroting 2019

62.807

66.318

71.215

75.401

79.530

Toelichting

Op basis van de ramingen van het CPB in de MEV 2019 is de verwachte loon- en prijsontwikkeling van de zorguitgaven neerwaarts bijgesteld. Daarnaast zorgt een aantal overboekingen voor lagere zorguitgaven. Voor deze uitgavenmutaties is het Uitgavenplafond zorg gecorrigeerd (zie paragraaf 2.3).

De autonome mutaties (voornamelijk het verwerken van voorlopige realisatiecijfers over 2017 en de meerjarige doorwerking daarvan) leiden per saldo eveneens tot lagere zorguitgaven. Tot slot leiden de beleidsmatige mutaties per saldo tot hogere zorguitgaven. Deze uitgavenmutaties tellen op tot de actuele onderschrijding van het uitgavenplafond zorg (zie paragraaf 2.3).

Bij de gecorrigeerde zorguitgaven wordt de situatie in 2021 als uitgangspunt genomen en worden de jaren 2017 en 2018 gecorrigeerd door de rijksbijdragen Wmo (met uitzondering van beschermd wonen) en jeugd, die per 2019 naar de algemene uitkering van het gemeentefonds zijn overgeheveld, in mindering te brengen op het totaal.

De correctie in de jaren 2019 en verder betreft de verwachte loon- en prijsbijstelling 2019 op de rijksbijdragen Wmo (exclusief beschermd wonen) en jeugd die op dit moment nog wel onderdeel uitmaken van de zorguitgaven en pas in de loop van 2019 worden overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds.

3 Uitgaven Budgettair Kader Zorg 3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw) 3.1.1 Algemene doelstelling

Een kwalitatief goede en toegankelijke curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.1.2 Rol en verantwoordelijkheid bewindspersonen

De bewindspersonen van VWS zijn verantwoordelijk voor de werking van het stelsel voor curatieve zorg en voor de beheersing van de collectieve zorguitgaven.

Dit omvat het stellen van eisen aan de kwaliteit van zorg en het opstellen en handhaven van de wettelijke kaders waarbinnen het zorgstelsel functioneert. Het wettelijk kader wordt gevormd door de Zorgverzekeringswet, de Wet bijzondere medische verrichtingen, de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet geneesmiddelenprijzen, de Wet toelating zorginstellingen en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

De bewindspersonen worden in deze rol ondersteund door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit van de zorg in Nederland.

Het Zorginstituut en de NZa spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het Zorginstituut adviseert de bewindspersonen over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument door het bewaken van de betaalbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van zorg en houdt in dat kader toezicht op zorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa adviseert de bewindspersonen over beleid en regelgeving. De NZa stelt op aanwijzing van de bewindspersonen regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor concurrentie vast in zorgsectoren met vrije prijsvorming.

Verder ziet de Autoriteit Consument & Markt (ACM) toe op de naleving van wetten en regels op het gebied van concurrentie en marktwerking op basis van de Mededingingswet. Ook beoordeelt de ACM fusies in de zorg en controleert de ACM of zorgaanbieders en zorgverzekeraars geen concurrentiebeperkende afspraken maken.

Het Zorginstituut en de NZa brengen de omvang van de gerealiseerde zorguitgaven in kaart. Zij baseren zich daarbij op informatie van zorgverzekeraars en instellingen, die na afloop van het jaar door een externe accountant wordt beoordeeld. Op basis van de rapportages van het Zorginstituut en de NZa leggen de bewindspersonen verantwoording af aan de Tweede Kamer.

De uitvoering van het zorgstelsel is in handen van private partijen. Private zorgverzekeraars sluiten contracten met een veelheid aan private, over het land verspreide zorgaanbieders: ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en vrijgevestigde beroepsbeoefenaren, zoals huisartsen, apothekers, paramedici. Door middel van onderlinge concurrentie proberen verzekeraars een zo goed mogelijke prijs/kwaliteitverhouding en doelmatigheid in de zorg te bereiken.

De zorg die aanbieders verlenen en de uitgaven die daarmee gemoeid zijn vloeien voort uit de aanspraken die zijn vastgelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw). De zorgsector is privaat binnen publieke randvoorwaarden. De bewindspersonen hebben sturingsmogelijkheden door invloed op de samenstelling van het verplicht verzekerde pakket (het basispakket) en de (maximale) hoogte van tarieven in sectoren waar de prijsvorming niet is vrijgegeven. Tevens streven de bewindspersonen naar het bevorderen van doelmatigheid in de zorgsector door bijvoorbeeld het maken van afspraken met het veld en het stimuleren van gepast zorggebruik.

3.1.3 Wijzigingen basispakket Zorgverzekeringswet 2019

Elk jaar vindt er een aantal pakketwijzigingen plaats. Dit jaar is er een drietal wijzigingen in het basispakket van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2019 en is de aanspraak op de Gecombineerde Leefstijlinterventie verduidelijkt.

Gesuperviseerde oefentherapie bij COPD

Vanaf 1 januari 2019 wordt gesuperviseerde oefentherapie bij COPD (vanaf GOLD-stadium II) vanaf de eerste behandeling vergoed voor verzekerden van 18 jaar of ouder. Wel wordt het aantal behandelingen uit het oogpunt van doelmatigheid beperkt tot 70 behandelingen in het eerste jaar en tot maximaal 52 behandelingen in de jaren daarna. Het opnemen van gesuperviseerde oefentherapie bij COPD leidt per saldo niet tot meerkosten in de Zvw. De meerkosten voor deze gesuperviseerde oefentherapie van circa € 5 miljoen worden gecompenseerd door de opbrengst van de maximering van het aantal behandelingen, die leidt tot een doelmatigheidswinst ten opzichte van de huidige praktijk. Van deze doelmatigheidswinst wordt een besparing van eveneens circa € 5 miljoen verwacht.

Ziekenvervoer

Aan de huidige aanspraak voor ziekenvervoer wordt het vervoer ten behoeve van consulten, (na)controles en (bloed)onderzoek toegevoegd, indien deze als onderdeel van de primaire behandeling noodzakelijk zijn. De kosten van deze uitbreiding bedragen naar schatting 10% van het budget van het vervoer voor die groepen (€ 82,2 miljoen), € 8,2 miljoen in 2019.

Verwijdering uit het basispakket van vitaminen, mineralen en paracetamol

Op basis van het advies van het Zorginstituut zullen per 1 januari 2019 vitaminen, mineralen en paracetamol waarvoor een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig alternatief bestaat in de vrije verkoop niet meer worden vergoed vanuit het basispakket. De besparing hiervan bedraagt € 40 miljoen.

Extra budget gecombineerde leefstijlinterventie

Het Zorginstituut heeft in 2009 in een duiding uiteengezet dat de gecombineerde leefstijlinterventie (hierna: GLI) deel uitmaakt van het basispakket. Ondanks de duiding kwam er geen aanbod tot stand, omdat niet duidelijk was wat de inhoud moest zijn van een GLI. Deze duidelijkheid is met behulp van een pilot met de beleidsregel innovatie van de NZa nu ontwikkeld en door het Zorginstituut recentelijk in een addendum op de eerdere duiding nader beschreven. Voor de GLI is een budget gereserveerd van € 9 miljoen structureel vanaf 2020 en in verband met de opstart € 6,5 miljoen in het jaar 2019.

3.1.4 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2018. Hierin worden alleen de mutaties toegelicht die hebben plaatsgevonden na de NvW begroting 2018. Voor een toelichting op de mutaties op basis van de Startnota wordt verwezen naar de NvW begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr. 15).

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën bijstellingen:

    • • 
      Autonoom: voornamelijk mutaties als gevolg van de actualisering van de zorguitgaven op basis van de meest recente cijfers van het Zorginstituut en de NZa en de bijstellingen op basis van de actuele macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).
    • • 
      Beleidsmatig: mutaties als gevolg van politieke prioriteitstelling.
    • • 
      Technisch: overhevelingen tussen financieringsbronnen/domeinen of tussen sectoren binnen hetzelfde financieringsbron/domein en de zogenaamde financieringsmutaties.

De afzonderlijke posten worden toegelicht als het hiermee gepaard gaande bedrag hoger is dan € 10 miljoen.

Tabel 4 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2018 de verticale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten van de Zvw zien.

Tabel 4 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bruto Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2018

48.495,3

51.168,7

53.966,1

56.819,0

60.006,2

Bijstellingen Startnota

22,0

326,1

41,8

  • - 
    547,5
  • - 
    264,3

Bruto Zvw-uitgaven NvW begroting 2018

48.517,3

51.494,8

54.007,9

56.271,5

59.741,9

Autonoom

  • - 
    986,5
  • - 
    1.233,0
  • - 
    1.557,0
  • - 
    1.758,5
  • - 
    2.090,0

Actualisering zorguitgaven (zie tabel 4A)

  • 886,5
  • 940,3
  • 940,5
  • 940,8
  • 940,8

Loon- en prijsontwikkeling

  • 374,7
  • 698,5
  • 899,7
  • 1.231,2

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen (intra- en extramuraal)

182,0

182,0

182,0

182,0

Beleidsmatig

104,2

170,7

244,1

241,6

  • - 
    580,4

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

  • 40,0
  • 40,0
  • 40,0
  • 40,0

Maximering bijbetalingen tot € 250

15,0

15,0

15,0

15,0

Hulpmiddelen: EU-regelgeving versterken systeem marktordening

45,0

45,0

45,0

Geneesmiddelen: EU-regelgeving vervalsingen

70,0

70,0

70,0

70,0

Pakketadvies zittend ziekenvervoer

8,2

14,1

14,1

14,1

Opleidingen ggz

  • 20,0

Behouden deel onderuitputting

100,0

150,0

150,0

150,0

150,0

Effect hoofdlijnenakkoorden 2022

  • 818,0

Overig beleidsmatig

4,2

  • 12,5
  • 10,0
  • 12,5
  • 16,5

Technisch

  • - 
    15,8
  • - 
    72,7
  • - 
    145,2
  • - 
    147,2
  • - 
    139,9

Overheveling subsidie NIPT

  • 26,0
  • 26,0
  • 26,0

Overheveling van middelen voor toekomstbestendige digitalisering

  • 25,0
  • 25,0
  • 25,0

Overheveling van middelen voor Ontsluiten van Patiëntengegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland (OPEN)

  • 15,0
  • 20,0
  • 20,0
  • 20,0

Uitwerkingskader meldkamers

  • 15,0
  • 15,0
  • 15,0

Overig technisch

  • 15,8
  • 57,7
  • 59,2
  • 61,2
  • 53,9

Totaal bijstellingen

  • - 
    898,2
  • - 
    1.135,0
  • - 
    1.458,1
  • - 
    1.664,1
  • - 
    2.810,3

Bruto Zvw-uitgaven stand ontwerpbegroting 2019

47.619,1

50.359,8

52.549,8

54.607,4

56.931,6

60.337,8

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2018

3.308,4

3.492,5

3.676,8

3.863,3

4.053,4

Bijstellingen Startnota

  • 100,7
  • 236,5
  • 382,9
  • 532,9
  • 573,0

Zvw-ontvangsten NvW begroting 2018

3.207,7

3.256,0

3.293,9

3.330,4

3.480,4

Autonoom

  • - 
    141,1
  • - 
    146,0
  • - 
    149,1
  • - 
    124,4

Lagere opbrengst eigen risico

  • 141,1
  • 146,0
  • 149,1
  • 124,4

Beleidsmatig

  • - 
    40,8

Effect eigen risico hoofdlijnenakkoorden 2022

  • 40,8

Totaal bijstellingen

  • - 
    141,1
  • - 
    146,0
  • - 
    149,1
  • - 
    165,2

Zvw-ontvangsten stand ontwerpbegroting 2019

3.207,7

3.114,9

3.147,9

3.181,3

3.315,2

3.498,0

Netto Zvw-uitgaven NvW begroting 2018

45.309,6

48.238,7

50.714,0

52.941,1

56.261,5

Bijstellingen in de netto-Zvw-uitgaven

  • - 
    898,2
  • - 
    993,9
  • - 
    1.312,1
  • - 
    1.515,0
  • - 
    2.645,1

Netto Zvw-uitgaven stand ontwerpbegroting 2019

44.411,4

47.244,9

49.401,9

51.426,1

53.616,4

56.839,8

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens.

Uitgaven

Autonoom

Actualisering Zvw-uitgaven

Tabel 4A Actualisering Zvw-uitgaven 2018-2023 (bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Eerstelijnszorg

  • 141,0
  • 141,0
  • 141,0
  • 141,0
  • 141,0
  • 141,0

Tweedelijnszorg

  • 38,3
  • 38,3
  • 38,3
  • 38,3
  • 38,3
  • 38,3

Geneesmiddelen

  • 265,9
  • 264,7
  • 264,8
  • 264,8
  • 264,8
  • 264,8

Hulpmiddelen

  • 89,1
  • 87,0
  • 87,1
  • 87,4
  • 87,4
  • 87,4

Wijkverpleging

  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0
  • 100,0

Geneeskundige ggz

  • 243,0
  • 300,0
  • 300,0
  • 300,0
  • 300,0
  • 300,0

Ziekenvervoer

  • 9,2
  • 9,2
  • 9,2
  • 9,2
  • 9,2
  • 9,2

Stand ontwerpbegroting 2019

  • - 
    886,5
  • - 
    940,3
  • - 
    940,5
  • - 
    940,8
  • - 
    940,8
  • - 
    940,8

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens.

In tabel 4A is het onderdeel «Actualisering Zvw-uitgaven» uit tabel 4 uitgesplitst. De actualisering van de zorguitgaven vindt plaats op basis van voorlopige realisatiegegevens over 2017 van het Zorginstituut en de NZa.

In het verdiepingshoofdstuk wordt de actualisering van de Zvw-uitgaven per sector/deelsector verder toegelicht.

Loon- en prijsontwikkeling

De raming van de loon- en prijsbijstelling van de brutozorguitgaven is op basis van de MEV 2019 van het Centraal Planbureau (CPB) neerwaarts bijgesteld als gevolg van de lagere loon- en prijsontwikkeling.

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

De verwachte uitgaven aan geneesmiddelen zijn op basis van de inschatting van het Zorginstituut lager dan eerder geraamd. Dit is onder andere het gevolg van de prijsdruk op geneesmiddelen.

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen (intra- en extramuraal)

In het regeerakkoord is vanaf 2019 een verhoging van het verlaagde BTW-tarief van 6% naar 9% opgenomen. Dit betekent dat de uitgaven aan zowel intramurale als extramurale genees- en hulpmiddelen en de daarmee samenhangende apparaatskosten toenemen. Het effect wordt geraamd op € 182 miljoen.

Beleidsmatig

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

Het Zorginstituut heeft geadviseerd vitaminen, mineralen en paracetamol waarvoor een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig geneesmiddel of voedingssupplement verkrijgbaar is in de vrije verkoop, uit het te verzekeren basispakket te halen. Het kabinet neemt dit advies over. Dit leidt tot een besparing van € 40 miljoen.

Maximering bijbetalingen tot € 250

Op basis van het regeerakkoord worden eigen bijbetalingen voor extramurale geneesmiddelen voor deze kabinetsperiode gemaximeerd op € 250 per jaar per verzekerde. Dit leidt tot € 15 miljoen meeruitgaven vanaf 2019.

Hulpmiddelen: EU-regelgeving versterken systeem marktordening

Medische hulpmiddelen moeten vanaf 2020 voldoen aan de nieuwe regelgeving van de EU omtrent markttoelating. Als gevolg van deze regelgeving moeten fabrikanten onder andere een risicomanagementsysteem opzetten en onderhouden, technische documentatie opstellen en actualiseren en voldoen aan registratieverplichtingen rondom hulpmiddelen. Dit werkt prijsverhogend en leidt tot extra uitgaven van € 45 miljoen.

Geneesmiddelen: EU-regelgeving vervalsingen

Vanaf februari 2019 treedt de Europese gedelegeerde verordening betreffende veiligheidkenmerken als onderdeel van de Europese richtlijn vervalste geneesmiddelen, de zogeheten Falsified Medicines Directive (FMD), in werking. Deze richtlijn heeft als doel om te voorkomen dat vervalste geneesmiddelen in het legale circuit terechtkomen. De uitvoering/implementatie hiervan werkt kostenverhogend en leidt tot extra uitgaven van € 70 miljoen.

Pakketadvies zittend ziekenvervoer

De regeling zittend ziekenvervoer zal gewijzigd worden in een open aanspraak op basis van de aard van een aandoening. Aan de huidige aanspraak voor ziekenvervoer wordt het vervoer ten behoeve van consulten, (na)controles en (bloed)onderzoek toegevoegd, indien deze als onderdeel van de primaire behandeling noodzakelijk zijn. De kosten hiervan bedragen naar schatting € 8,2 miljoen in 2019. Deze extra kosten nemen vanaf 2020 met € 5,9 miljoen toe vanwege een nieuwe groep gebruikers (patiënten met een chronische, progressieve, degeneratieve aandoening, niet- aangeboren hersenletsel of verstandelijke beperking) die afkomstig is vanuit de extramurale behandeling AWBZ/Wlz. Deze regeling wordt per 2020 overgeheveld naar de Zvw.

Opleidingen ggz

In het bestuurlijk akkoord ggz is afgesproken dat in 2019 € 20 miljoen extra wordt geïnvesteerd in opleidingen die het meest bijdragen aan het oplossen van wachttijden.

Behouden deel onderuitputting in de sectoren huisartsenzorg, ggz en wijkverpleging

In de bestuurlijk akkoorden huisartsenzorg, ggz en wijkverpleging is afgesproken de in 2017 geconstateerde onderschrijdingen structureel door te trekken. Daarnaast is in de akkoorden afgesproken dat een deel van deze onderschrijdingen in de betreffende kaders beschikbaar blijft om de afspraken in de betreffende akkoorden te kunnen realiseren. Daarbij gaat het om een bedrag van € 50 miljoen in zowel de huisartsenzorg, de ggz als de wijkverpleging.

Effect hoofdlijnenakkoorden 2022

De voor de jaren 2019-2022 gesloten hoofdlijnenakkoorden leveren een extra besparing op in 2022 ten opzichte van de taakstellende besparing uit het Regeerakkoord. Ook voor het jaar 2022 zijn afspraken gemaakt over beperking van de groei, terwijl de taakstelling in het regeerakkoord na 2021 geen verdere oploop heeft.

Overig beleidsmatig

Deze post is het saldo van verschillende kleine beleidsmatige mutaties.

Technisch

Overheveling subsidie NIPT

Voor de Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) is eerder structureel geld toegevoegd aan het MSZ-kader vanaf 2017. Voor de jaren 2017, 2018 en 2019 is de NIPT gefinancierd via een subsidieregeling en zijn deze middelen overgeheveld naar de VWS-begroting. Aangezien in het regeerakkoord is opgenomen dat de NIPT niet in het basispakket wordt opgenomen en de subsidie wordt voortgezet, worden nu ook de beschikbare middelen vanaf 2020 overgeheveld van het kader MSZ naar de VWS-begroting.

Overheveling van middelen voor toekomstbestendige digitalisering naar de VWS-begroting

Overheveling naar de VWS-begroting van de bij het bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg toegekende middelen voor toekomstbestendige digitalisering. Aangezien dit programma vanuit de VWS-begroting worden gefinancierd, worden de middelen daarnaartoe overgeheveld.

Overheveling van middelen voor OPEN naar de VWS-begroting

Voor het gezamenlijk programma OPEN (Ontsluiten van Patiëntengegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland) wordt in de jaren 2019-2022 in totaal € 75 miljoen beschikbaar gesteld.

Uitwerkingskader meldkamers

In het kader van het Transitieakkoord «Meldkamer van de toekomst» is besloten te komen tot één landelijke meldkamerorganisatie (LMO), in beheer bij de politie, met tien meldkamers die werken volgens een gestandaardiseerde werkwijze. Daarbij is ook een verdeelsleutel voor de kosten van de meldkamers afgesproken. Met het oog daarop wordt een structureel bedrag van € 15 miljoen overgeheveld naar de VWS-begroting om van daaruit te worden overgeheveld naar de begroting van J&V.

Overig technisch

Deze post is het saldo van verschillende kleine technische mutaties.

Ontvangsten

Autonoom

Lagere opbrengst eigen risico

Uit nieuwe data blijkt dat de groei van de Zvw-uitgaven meer dan verwacht neerslaat bij mensen die het eigen risico toch al volmaken. Dit leidt tot een lagere opbrengst van het verplichte eigen risico.

Beleidsmatig

Effect eigen risico hoofdlijnenakkoorden 2022

De ten opzichte van het Regeerakkoord extra opbrengst van de hoofdlijnenakkoorden in 2022 van € 818 miljoen leidt ook tot een lagere raming van de ontvangsten eigen risico vanaf 2022.

3.1.5 Zorgakkoorden

In de afgelopen maanden zijn voor verschillende sectoren in de curatieve zorg meerjarenafspraken gemaakt over een inhoudelijke agenda en het beschikbare financiële kader. Daarmee is invulling gegeven aan het voornemen uit het regeerakkoord om opnieuw hoofdlijnenakkoorden te sluiten voor de medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging.

Met de akkoorden hebben de daarbij betrokken partijen zich gecommitteerd aan de transformatie naar de juiste zorg op de juiste plek. Deze transformatie heeft als doel dat (duurdere) zorg wordt voorkomen en dat zorg wordt verplaatst naar zorg dichter bij mensen thuis als dat kan dan wel verder weg (geconcentreerd) als het omwille van de kwaliteit en doelmatigheid moet. Daarnaast leidt dit tot het vervangen van zorg door andere zorg, zoals e-health, met een gelijkwaardige of betere medisch-inhoudelijke kwaliteit van de zorg. Daarbij zijn in de medisch-specialistische zorg afspraken gemaakt over het ondersteunen van deze transformatie door het beschikbaar stellen van middelen voor initiatieven van zorgaanbieders die meegaan in deze transformatie. Het is vervolgens aan individuele zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hier in de lokale onderhandelingen invulling aan te geven om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan de regionale/lokale behoeften aan zorg en ondersteuning.

Behalve de juiste zorg op de juiste plek zijn arbeidsmarkt en regeldruk centrale thema’s in de akkoorden. Andere thema’s die in alle akkoorden terugkomen zijn kwaliteit en transparantie, e-health en innovatie en zorginfrastructuur.

In het bestuurlijk akkoord huisartsen zijn o.a. specifieke afspraken gemaakt over meer tijd voor en met de patiënt, zorg in achterstandswijken, de zorg in de avond-, nacht- en weekenduren, het versterken van de organisatiegraad van de eerste lijn en de zorg voor kwetsbare groepen.

In het bestuurlijk akkoord wijkverpleging zijn specifieke afspraken gemaakt over het verder verbeteren van de contractering, het verstevigen van de verbinding van het medisch en sociaal domein en de toegankelijkheid van het eerstelijnsverblijf.

De bestuurlijke afspraken ggz bevatten specifieke afspraken over onder andere de aanpak wachttijden en contractering. In het kader van de aanpak wachttijden zijn onder andere middelen beschikbaar gesteld voor het extra opleiden van personeel in de ggz.

Invulling van de taakstelling hoofdlijnenakkoorden

Het regeerakkoord heeft aan het sluiten van nieuwe hoofdlijnenakkoorden een taakstellende opbrengst gekoppeld die oploopt tot € 1,9 miljard vanaf 2021. Met de akkoorden is invulling gegeven aan deze ombuigingstaakstelling en is een extra opbrengst gerealiseerd bovenop de € 1,9 miljard aangezien er ook afspraken zijn gemaakt over het jaar 2022. Deze extra opbrengst is berekend op € 0,8 miljard, zodat er in totaal sprake is van een beperking van de uitgavengroei met € 2,7 miljard. Hiermee wordt bijgedragen aan houdbaarheid van de zorguitgaven op de langere termijn en wordt voorkomen dat er na afloop van de kabinetsperiode eventueel een tussenjaar ontstaat.

Hierbij is relevant dat het om een groeibeperking gaat: alle akkoordsectoren mogen de komende jaren opnieuw groeien. De groeiruimte voor de Zvw wordt elke kabinetsperiode bepaald op basis van de middellangetermijnraming van het Centraal Planbureau. Op basis van het regeerakkoord is de taakstelling voor de hoofdlijnenakkoorden in mindering gebracht op de beschikbare groeiruimte. In de hoofdlijnenakkoorden zijn vervolgens afspraken gemaakt over de toegestane maximale groei per sector. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over de handelwijze als onverhoopt het afgesproken kader wordt overschreden, waaronder de mogelijke inzet van het macrobeheersinstrument.

Door de afgesproken groei te vergelijken met de gemiddelde groei op basis van de middellangetermijnraming van het CPB kan een indicatie worden gegeven van de bijdrage die elk van de sectoren heeft geleverd aan de taakstelling van € 1,9 miljard in 2021. In deze benaderingswijze is de bijdrage van de medisch-specialistische zorg grosso modo € 1,5 miljard en van de ggz € 0,2 miljard; de huisartsenzorg en wijkverpleging worden ontzien. Het restant van € 0,2 miljard wordt gedekt doordat de groeiruimte die beschikbaar is voor overige Zvw-sectoren niet volledig nodig is. Dit betreft bijvoorbeeld grensoverschrijdende zorg en middelen die de academische ziekenhuizen krijgen voor onderzoek en toppreferente zorg.

Financiële afspraken

De in de hoofdlijnenakkoorden afgesproken maximale volumegroeipercentages zijn opgenomen in tabel 5A:

Tabel 5A Maximale volumegroei per sector op basis van hoofdlijnenakkoorden 2019-2022

2019

2020

2021

2022

Medisch-specialistische zorg

0,8%

0,6%

0,3%

0,0%

Huisartsenzorg

2,5%

2,5%

3,0%

3,0%

Geestelijke gezondheidszorg

1,3%

1,1%

0,9%

0,7%

Wijkverpleging1

2,4%

2,4%

2,4%

2,4%

Noot 1

In het akkoord wijkverpleging is afgesproken dat voor het eerstelijnsverblijf een jaarlijkse groeiruimte van € 20 miljoen (oplopend tot € 80 miljoen in 2022) beschikbaar is.

Naast deze volumegroei zijn er aanvullend middelen beschikbaar gesteld voor onder andere investeringen die bijdragen aan het verbeteren van doelmatigheid van zorg en de beweging naar de juiste zorg op de juiste plek ondersteunen. Hierdoor pakt de effectieve groei van de kaders hoger uit. In tabel 5B zijn voor alle hoofdlijnenakkoorden de in totaal afgesproken kaders opgenomen. De in de tabel genoemde bedragen zijn exclusief de jaarlijkse indexatie voor loon- en prijsontwikkeling.

De afgesproken kaders voor de betreffende sectoren zijn tevens terug te vinden in het verdiepingshoofdstuk van dit Financieel Beeld Zorg (zie de tabellen voor de betreffende sectoren in paragraaf 6.

Tabel 5B Kaders hoofdlijnenakkoorden 2019-2022 (bedragen x € 1 miljoen)

2019

2020

2021

2022

Medisch-specialistische zorg

22.833

22.984

23.095

23.088

Huisartsenzorg

3.047

3.128

3.221

3.312

Multidisciplinaire zorg

630

646

665

685

Geestelijke gezondheidszorg

3.814

3.877

3.912

3.940

Wijkverpleging

3.956

4.060

4.155

4.251

3.2 Wet langdurige zorg (Wlz) 3.2.1 Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en - wanneer dit nodig is - om thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg te krijgen. Daarbij worden ondersteuning en zorg aangeboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag, de kwetsbaarheid van de burger en de mogelijkheden van zijn informele netwerk staan centraal. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.2.2 Rol en verantwoordelijkheid bewindspersonen

De bewindspersonen zijn verantwoordelijk voor een goed en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit zoveel mogelijk thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

De bewindspersonen worden ondersteund door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o., het Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit van de zorg in Nederland.

Het Zorginstituut en de NZa spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het Zorginstituut adviseert de bewindspersonen over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Fonds langdurige zorg (Flz). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument door het bewaken van de betaalbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van zorg en houdt in dat kader toezicht op zorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa adviseert de bewindspersonen over beleid en regelgeving. De NZa stelt op aanwijzing van de bewindspersonen regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor concurrentie vast in zorgsectoren met vrije prijsvorming.

Verder ziet de Autoriteit Consument & Markt (ACM) toe op de naleving van wetten en regels op het gebied van concurrentie en marktwerking op basis van de Mededingingswet. Ook beoordeelt de ACM fusies in de zorg en controleert de ACM of zorgaanbieders en zorgverzekeraars geen concurrentiebeperkende afspraken maken.

De verantwoordelijkheid voor het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie ligt bij gemeenten. De Wmo 2015 biedt gemeenten hiervoor het wettelijk kader dat op lokaal niveau verder wordt ingevuld en waarover verantwoording wordt afgelegd aan de gemeenteraad. De Wmo 2015 kent verschillende waarborgen om te garanderen dat wie ondersteuning nodig heeft, ook ondersteuning wordt geboden. De bewindspersonen zijn verantwoordelijk voor een stelsel dat optimaal bijdraagt aan het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en legt over de resultaten van dit stelsel verantwoording af aan de Tweede Kamer. Daarnaast zijn de bewindspersonen verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van deze taak door gemeenten. Het budget voor de Wmo 2015 - met uitzondering van het budget voor beschermd wonen - ontvangen de gemeenten vanaf 2019 vanuit de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Ook de verantwoordelijkheid voor het bieden van passende jeugdhulp aan kinderen ligt vanaf 1 januari 2015 bij gemeenten. De Jeugdwet biedt hiertoe het wettelijk kader. Gemeenten vullen hun verantwoordelijkheden op basis van de Jeugdwet en passend bij de lokale en regionale situatie in. Hiertoe wordt verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. De Jeugdwet kent verschillende waarborgen om te garanderen dat kinderen passende jeugdhulp wordt geboden. Daarnaast zijn de bewindspersonen verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van deze taak door gemeenten. Het budget voor jeugdhulp wordt - met uitzondering van budget voor voogdij/18+ - vanaf 2019 via de algemene uitkering aan gemeenten uitgekeerd.

3.2.3 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2018. Hierin worden alleen de mutaties toegelicht die hebben plaatsgevonden na de NvW begroting 2018. Voor een toelichting op de mutaties op basis van de Startnota wordt verwezen naar de NvW begroting (TK 34 775 XVI, nr. 15).

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën bijstellingen:

    • • 
      Autonoom: voornamelijk mutaties als gevolg van de actualisering van de zorguitgaven op basis van de meest recente cijfers van het Zorginstituut en de NZa en de bijstellingen op basis van de actuele macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).
    • • 
      Beleidsmatig: mutaties als gevolg van politieke prioriteitstelling.
    • • 
      Technisch: overhevelingen tussen financieringsbronnen/domeinen of tussen sectoren binnen hetzelfde financieringsbron/domein en de zogenaamde financieringsmutaties.

De afzonderlijke posten worden toegelicht als het hiermee gepaard gaande bedrag hoger is dan € 10 miljoen.

Tabel 6 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2018 de verticale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten van de Wlz zien.

Tabel 6 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bruto Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2018

21.811,9

23.718,3

25.880,7

28.165,1

30.330,6

Bijstellingen Startnota

49,8

609,4

827,9

901,7

958,7

Bruto Wlz-uitgaven NvW begroting 2018

21.861,7

24.327,7

26.708,6

29.066,8

31.289,3

Autonoom

  • - 
    137,0
  • - 
    436,2
  • - 
    537,8
  • - 
    661,1
  • - 
    846,3

Actualisering zorguitgaven (zie tabel 6A)

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

Loon- en prijsontwikkeling

  • 48,6
  • 225,0
  • 390,5
  • 507,8
  • 699,0

Ramingsbijstelling Wlz

  • 100,0
  • 222,9
  • 159,0
  • 165,0
  • 159,0

Beleidsmatig

155,2

206,0

78,6

23,7

  • - 
    10,4

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten

100,0

Actualisatie onderuitputting Zorg in natura (Wlz)

54,0

54,0

54,0

54,0

54,0

Ramingsbijstelling NHC in Wlz-tarief

11,0

  • 7,7
  • 29,9
  • 36,1
  • 42,7

Overgangsproblematiek naar Wlz (zorgval)

10,0

20,0

25,0

30,0

40,0

Nominaal en onverdeeld Wlz

  • 1,0

32,0

19,0

5,0

  • 14,0

Ramingsbijstelling groei Wlz

  • 30,0
  • 110,0
  • 160,0
  • 160,0

Openstelling Wlz voor GGZ-cliënten

30,0

37,0

Kostenonderzoek Wlz

127,8

127,8

127,8

127,8

Verlaging budget zorginfrastructuur

  • 15,0

Overig beleidsmatig

  • 18,8

9,9

  • 7,3
  • 26,9
  • 37,4

Technisch

  • - 
    315,5
  • - 
    367,4
  • - 
    361,4
  • - 
    340,1
  • - 
    239,6

Overheveling middelen voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten (overboeking naar gemeentefonds)

  • 100,0

Loon- en prijsbijstelling 2018 Wmo huishoudelijke hulp, Wmo 2015 en Jeugdwet (overboeking naar gemeentefonds)

  • 154,2
  • 154,5
  • 156,2
  • 156,2

Loon- en prijsbijstelling 2018 Wmo huishoudelijke hulp, Wmo 2015 en Jeugdwet

  • 144,1

Loon- en prijsbijstelling 2018 beschermd wonen

  • 44,8
  • 45,8
  • 45,8
  • 45,8
  • 45,8

Volume indexatie beschermd wonen

  • 41,7
  • 41,7
  • 41,7
  • 41,7

Overboeking middelen Transformatiefonds jeugd

  • 18,0
  • 18,0
  • 18,0

Aanpak kindermishandeling

  • 6,5
  • 10,5
  • 10,5
  • 10,5

Zorginfrastructuur

  • 90,0
  • 90,0
  • 90,0

Overig technisch

  • 2,2
  • 7,2
  • 0,9

4,1

4,1

Totaal bijstellingen

  • - 
    297,3
  • - 
    597,6
  • - 
    820,5
  • - 
    977,5
  • - 
    1.096,3

Bruto Wlz-uitgaven stand ontwerpbegroting 2019

21.564,4

23.730,1

25.888,0

28.089,4

30.193,0

32.121,6

Wlz-ontvangsten ontwerpbegroting 2018

1.879,1

1.938,0

2.012,3

2.093,9

2.179,0

Bijstellingen Startnota

  • 16,2
  • 44,8
  • 30,5
  • 30,5
  • 30,5

Wlz-ontvangsten NvW begroting 2018

1.862,9

1.893,1

1.981,7

2.063,3

2.148,4

Autonoom

  • - 
    24,8
  • - 
    24,8
  • - 
    24,8
  • - 
    24,8
  • - 
    24,8

Actualisering zorguitgaven

  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8

Beleidsmatig

  • - 
    10,0
  • - 
    10,0
  • - 
    10,0

Overig beleidsmatig

  • 10,0
  • 10,0
  • 10,0

Totaal bijstellingen

  • - 
    24,8
  • - 
    24,8
  • - 
    34,8
  • - 
    34,8
  • - 
    34,8

Wlz-ontvangsten stand ontwerpbegroting 2019

1.838,1

1.868,3

1.946,9

2.028,5

2.113,6

2.225,6

Netto Wlz-uitgaven NvW begroting 2018

19.998,8

22.434,6

24.726,8

27.003,5

29.140,9

Bijstellingen in de netto-Wlz-uitgaven

  • - 
    272,5
  • - 
    572,8
  • - 
    785,7
  • - 
    942,7
  • - 
    1.061,5

Netto Wlz-uitgaven stand ontwerpbegroting 2019

19.726,3

21.861,8

23.941,1

26.060,8

28.079,4

29.896,1

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens.

Uitgaven

Autonoom

Tabel 6A Actualisering Wlz-uitgaven 2018-2023 (bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Binnen contracteerruimte

247,9

247,9

247,9

247,9

247,9

247,9

Ouderenzorg

80,6

80,6

80,6

80,6

80,6

80,6

Gehandicaptenzorg

144,9

144,9

144,9

144,9

144,9

144,9

Langdurige ggz

  • 37,3
  • 37,3
  • 37,3
  • 37,3
  • 37,3
  • 37,3

Volledig pakket thuis

51,2

51,2

51,2

51,2

51,2

51,2

Extramurale zorg

  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8
  • 24,8

Overig binnen contracteerruimte

33,3

33,3

33,3

33,3

33,3

33,3

Persoonsgebonden budgetten

  • - 
    247,9
  • - 
    247,9
  • - 
    247,9
  • - 
    247,9
  • - 
    247,9
  • - 
    247,9

Buiten contracteerruimte

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

Overige buiten contracteerruimte

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

Stand ontwerpbegroting 2019

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

11,7

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens.

In tabel 6A is het onderdeel «Actualisering Wlz-uitgaven» uit tabel 6 uitgesplitst. De actualisering van de zorguitgaven vindt plaats op basis van voorlopige realisatiegegevens over 2017 van het Zorginstituut en de NZa. De totale uitgaven binnen het Wlz-kader (contracteerruimte plus pgb) wijzigen niet; wel is er sprake van technische verschuivingen tussen sectoren. Dit weerspiegelt de voorkeuren van cliënten voor de verschillende leveringsvormen (zorg in natura en pgb).

In het verdiepingshoofdstuk wordt de actualisering van de Wlz-uitgaven per deelsector verder toegelicht.

Loon- en prijsontwikkeling

De raming van de loon- en prijsbijstelling van de bruto-zorguitgaven is op basis van de MEV 2019 van het Centraal Planbureau (CPB) neerwaarts bijgesteld als gevolg van de lagere loon- en prijsontwikkeling.

Ramingsbijstelling uitgaven Wlz

Uit de uitvoeringsgegevens blijkt dat er ruimte is tussen het beschikbare Wlz-kader voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten en de benodigde middelen op de begroting. Deze wordt structureel verondersteld. Bij de 1e suppletoire begroting 2018 werd de uitgavenraming in 2018 met € 100 miljoen en vanaf 2019 met € 105 miljoen verlaagd. De raming is vanaf 2019 verder naar beneden bijgesteld.

Beleidsmatig

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten

Met het interbestuurlijk programma (IBP) is afgesproken om een tijdelijke voorziening te treffen voor gemeenten, die een stapeling van tekorten ervaren bij de uitvoering van de taken in het sociaal domein. De omvang van de voorziening is € 200 miljoen. De voorziening wordt gevuld met € 100 miljoen in 2018 vanuit VWS en € 100 miljoen in 2018 uit de algemene uitkering. De criteria voor de verdeling van de voorziening voor tekortgemeenten (door VNG omgedoopt tot Fonds Tekortgemeenten) is door de VNG, in samenspraak met gemeenten, opgesteld. In de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de VNG op 27 juni 2018 is door gemeenten ingestemd met zowel de criteria, het instellen van een onafhankelijke commissie ter beoordeling van de aanvragen als met een bijdrage van € 100 miljoen vanuit gemeenten ter vulling van de voorziening. Tot 15 september 2018 kunnen door gemeenten aanvragen worden ingediend. Via de decembercirculaire 2018 wordt bekend welke gemeenten compensatie ontvangen.

Actualisatie onderuitputting Zorg in natura (Wlz)

Naar aanleiding van actualisatiecijfers wordt de in de VWS-begroting 2018 veronderstelde onderuitputting van de Wlz-leveringsvorm zorg in natura vanaf 2018 verlaagd van 0,6% naar 0,3%. De in de begroting geraamde uitgaven voor zorg in natura vallen hierdoor € 54 miljoen hoger uit. Het budget dat beschikbaar is voor inkoop van zorg in natura verandert niet.

Ramingsbijstelling NHC in Wlz-tarief

De NZa heeft de indexering van de normatieve huisvestingscomponent (NHC) in het Wlz-tarief voor de periode 2018-2022 vastgesteld op 2,5% per jaar. VWS neemt dit indexeringspercentage over. De raming van de Wlz-uitgaven wordt hierop aangepast.

Overgangsproblematiek naar Wlz (zorgval)

Bij de overgang van zorg en ondersteuning vanuit de Zvw en/of Wmo naar zorg vanuit de Wlz kunnen cliënten in de thuissituatie te maken krijgen met een terugval in uren zorg (omdat de inzet van Wlz-zorg thuis aan financiële grenzen is gebonden). Om de gevolgen van deze zogenaamde «zorgval» te verminderen is besloten om de maatwerkregelingen zoals extra kosten thuis (EKT) en de meerzorgregeling te verruimen. Om dit te kunnen financieren zijn extra middelen nodig oplopend tot € 40 miljoen in 2022.

Nominaal en onverdeeld Wlz

Dit betreft een aanpassing van het kasritme van de middelen op de post nominaal en onverdeeld Wlz.

Ramingsbijstelling groei Wlz

De beschikbare groeiruimte voor de Wlz wordt meer in lijn gebracht met de gerealiseerde uitgaven van de afgelopen jaren 2015-2017. Met deze ramingbijstelling is er voldoende groei beschikbaar om de verwachte uitgavenstijging conform de afgelopen jaren te accommoderen.

Openstelling Wlz voor ggz-clienten

Er zijn middelen beschikbaar gesteld om de instroom van cliënten met een psychische stoornis in te Wlz op te kunnen vangen. De meerkosten die kunnen ontstaan door een gewijzigde aanspraak en een aangepast Wlz-tarief worden geraamd op structureel € 68 miljoen (vanaf 2026). Hiermee kan uitvoering worden gegeven aan het regeerakkoord waarin is opgenomen dat de toegang van ggz met een psychische stoornis in de Wlz nader bezien zal worden.

Kostprijsonderzoek Wlz

De NZa stelt nieuwe tarieven vast voor de gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en extramurale ouderenzorg per 2019. Voor de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg leidt dit per saldo tot hogere maximumtarieven. Om te zorgen dat zorgaanbieders de kwaliteit van zorg kunnen blijven leveren wordt het Wlz-kader verhoogd. De hogere tarieven leiden naar verwachting tot hogere zorguitgaven per 2019 van € 128 miljoen structureel.

Verlaging budget zorginfrastructuur

Vanwege het tijdelijke karakter van de regelingen op het terrein van zorginfrastructuur (deze zijn gericht op een transitieproces) wordt het budget van structureel € 90 miljoen voor de jaren 2022 en verder met € 15 miljoen verlaagd.

Overig beleidsmatig

Deze post is het saldo van verschillende beleidsmatige mutaties.

Technisch

Overheveling middelen voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten (overboeking naar gemeentefonds)

Met het interbestuurlijk programma (IBP) is afgesproken om een tijdelijke voorziening te treffen voor gemeenten, die een stapeling van tekorten ervaren bij de uitvoering van de taken in het sociaal domein. De omvang van de voorziening is € 200 miljoen. De voorziening wordt gevuld met € 100 miljoen in 2018 vanuit VWS en € 100 miljoen in 2018 uit de algemene uitkering. De criteria voor de verdeling van de voorziening voor tekortgemeenten (door VNG omgedoopt tot Fonds Tekortgemeenten) is door de VNG, in samenspraak met gemeenten, opgesteld. In de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de VNG op 27 juni 2018 is door gemeenten ingestemd met zowel de criteria, het instellen van een onafhankelijke commissie ter beoordeling van de aanvragen als met een bijdrage van € 100 miljoen vanuit gemeenten ter vulling van de voorziening. Tot 15 september 2018 kunnen door gemeenten aanvragen worden ingediend. Via de decembercirculaire 2018 wordt bekend welke gemeenten compensatie ontvangen.

Loon- en prijsbijstelling 2018 Wmo huishoudelijke verzorging, Wmo 2015 en Jeugdwet (overboeking naar gemeentefonds)

Deze mutatie betreft het overboeken van de reservering van de loon- en prijsbijstelling vanaf 2019 naar de integratie-uitkering Sociaal domein (delen Wmo 2015 en Jeugdwet) en de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging. Vanaf 2019 maken deze budgetten onderdeel uit van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Dit betreft een overboeking van het Uitgavenplafond zorg naar het Uitgavenplafond Rijksbegroting.

Loon- en prijsbijstelling 2018 Wmo huishoudelijke verzorging, Wmo 2015 en Jeugdwet

Deze mutatie betreft het overhevelen van de reservering van de loon- en prijsbijstelling 2018 naar de integratie-uitkering Sociaal domein (delen Wmo 2015 en Jeugdwet) en de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging voor het jaar 2018.

Loon- en prijsbijstelling 2018 beschermd wonen

Deze mutatie betreft het overhevelen van de reservering van de loon- en prijsbijstelling 2018 naar de integratie-uitkering Sociaal domein, deel beschermd wonen.

Volume- indexatie beschermd wonen

Deze mutatie betreft het overboeken van de reservering voor de volume-indexatie 2019 voor beschermd wonen.

Overboeking middelen Transformatiefonds jeugd

De middelen ten behoeve van het Transformatiefonds jeugd van € 18 miljoen per jaar voor de jaren 2018-2020 worden overgeboekt van het uitgavenplafond voor de zorg naar het gemeentefonds, onder het plafond voor de rijksuitgaven. Totaal zal er € 36 miljoen per jaar beschikbaar zijn voor het Transformatiefonds jeugd in de periode 2018-2020.

Aanpak kindermishandeling

In het regeerakkoord wordt aandacht gegeven aan het verbeteren van de positie van kwetsbare kinderen. Het Nationaal ondersteuningsprogramma kindermishandeling betreft een landelijke aanpak om geweld tegen kinderen tegen te gaan. Voor het VWS-aandeel in het programma wordt € 6,5 miljoen in 2018 en € 10,5 miljoen voor 2019-2021 op de VWS-begroting beschikbaar gesteld. De middelen worden overgeheveld vanuit de Wlz.

Zorginfrastructuur

De zorginfrastructuur voor de langdurige zorg wordt gestimuleerd vanuit drie regelingen. Er wordt ingezet op zorg thuis waarmee de extramurale zorg wordt gestimuleerd en ondersteuning om dit mogelijk te maken vanuit onder meer ICT-systemen.

Overig technisch

Deze post is het saldo van verschillende kleine technische mutaties.

Ontvangsten

Autonoom

Actualisering zorguitgaven

De lagere ontvangsten (eigen bijdragen + overige baten) in 2017 zijn structureel van aard. De realisatie wijkt af van eerdere geraamde effecten van beleidswijzigingen onder meer vanuit het extramuraliseren, de overheveling van eerstelijns verblijf naar de Zvw en de verlaging van de eigen bijdrage bij het Modulair Pakket Thuis (MPT) en nominale bijstellingen.

3.3 Begrotingsgefinancierde zorguitgaven (Wmo 2015 en Jeugdwet en overig begrotingsgefinancierd)

Bij de begrotingsgefinancierde zorguitgaven gaat het met name om middelen die op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet in het gemeentefonds beschikbaar zijn voor de zorg en ondersteuning van jeugdigen, ouderen en mensen met beperkingen. Deze uitgaven staan op de begroting van het gemeentefonds.

Naast de Wmo 2015 en de Jeugdwet vallen enkele andere begrotingsgefinancierde posten onder de brutozorguitgaven. Tot deze categorie horen bepaalde uitgaven voor zorgopleidingen, de uitgaven voor zorg, jeugd en welzijn in Caribisch Nederland, de uitgaven voor de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de subsidie(regelingen) NIPT, abortusklinieken, overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg (MSZ), en kwaliteit, transparantie en patiëntveiligheid. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord op de artikelen 1, 2, 4 en 8. Ten slotte zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën die onder het Uitgavenplafond zorg vallen. Dit betreft onder meer de loon- en prijsbijstelling voor de begrotingsgefinancierde zorguitgaven.

In tabel 7 wordt de ontwikkeling van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven weergegeven. De uitgaven die onder de Wmo 2015 en Jeugdwet vallen, worden in tabel 8 gespecificeerd.

Tabel 7 Verticale ontwikkeling van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Begrotingsgefinancierde zorguitgaven ontwerpbegroting 2018

7.437,0

7.430,2

7.358,9

7.429,9

7.374,0

Bijstellingen Startnota

17,0

  • 5.208,0
  • 5.218,9
  • 5.287,8
  • 5.289,7

Netto begrotingsgefinancierde Zorguitgaven NvW begroting 2018

7.454,0

2.222,2

2.140,0

2.142,1

2.084,3

Wmo 2015 en Jeugdwet (gemeentefonds)

193,8

87,5

87,4

87,4

87,4

Overig begrotingsgefinancierd (VWS-begroting en aanvullende post Financiën)

  • - 
    54,5

21,5

58,3

49,1

49,2

Subsidie abortusklinieken (Art.1)

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Subsidie NIPT (Art.1)

  • 7,4
  • 1,4

24,4

24,2

24,0

Subsidie overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg (Art.2)

  • 2,5

5,2

Subsidie kwaliteit, transparantie en patiëntveiligheid (Art.2)

  • 22,4

6,9

42,0

25,0

25,0

Zorgopleidingen (Art.4)

0,9

  • 40,3
  • 60,3
  • 60,3
  • 61,4

Arbeidsmarktagenda verpleeghuiszorg (Art.4)

5,0

67,5

67,5

67,5

67,5

Caribisch Nederland (Art.4)

  • 1,7

2,4

2,5

2,6

2,6

Wtcg (Art.8)

  • 1,8

Loon en prijsbijstelling (VWS-begroting en aanvullende post Financiën)

  • 24,9
  • 19,1
  • 18,1
  • 10,2
  • 8,8

Totaal bijstellingen

139,4

108,9

145,8

136,6

136,7

Begrotingsgefinancierde zorguitgaven ontwerpbegroting 2019

7.593,3

2.331,1

2.285,8

2.278,7

2.221,0

2.217,1

Ten opzichte van de stand nota van wijziging begroting 2018 nemen de begrotingsgefinancierde zorguitgaven vanaf 2019 toe met circa € 0,1 miljard. Deze toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van de netto-zorguitgaven Wmo en Jeugdwet.

Tabel 8 Verticale ontwikkeling van de Wmo 2015 en Jeugdwet-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)1

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Uitgaven ontwerpbegroting 2018

6.887,8

6.871,6

6.877,0

6.943,3

6.939,9

Bijstellingen Startnota

0,8

  • 5.244,6
  • 5.250,9
  • 5.317,2
  • 5.313,8

Uitgaven NvW begroting 2018

6.888,6

1.627,0

1.626,1

1.626,1

1.626,1

Technisch

193,8

87,5

87,4

87,4

87,4

Loon- en prijsbijstelling 2018 overig Wmo 2015 en Jeugdwet

144,1

Loon- en prijsbijstelling 2018 beschermd wonen

44,8

45,8

45,8

45,8

45,8

Volume-indexatie beschermd wonen

41,7

41,7

41,7

41,7

Overige

5,0

Totaal bijstellingen

193,8

87,5

87,4

87,4

87,4

Uitgaven ontwerpbegroting 2019

7.082,4

1.714,4

1.713,6

1.713,6

1.713,5

1.713,6

Noot 1

Alleen de middelen die behoren tot het Uitgavenplafond zorg worden hier verantwoord

Toelichting

Uitgaven

Technisch

Loon- en prijsbijstelling 2018 Wmo huishoudelijke verzorging, Wmo 2015 en Jeugdwet

Deze mutatie betreft het overhevelen van de reservering van de loon- en prijsbijstelling 2018 naar de integratie-uitkering Sociaal domein (delen Wmo 2015 en Jeugdwet) en de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging voor het jaar 2018.

Loon- en prijsbijstelling 2018 beschermd wonen

Deze mutatie betreft het overhevelen van de reservering van de loon- en prijsbijstelling 2018 naar de integratie-uitkering Sociaal domein, deel beschermd wonen.

Volume-indexatie beschermd wonen

Deze mutatie betreft het overboeken van de reservering voor de volume-indexatie 2019 voor beschermd wonen.

In tabel 9 wordt de opbouw van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven weergegeven.

Tabel 9 Opbouw van de begrotingsgefinancierde-zorguitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)

2018

20191

2020

2021

2022

2023

Wmo 2015 en Jeugdwet (gemeentefonds)

7.082,4

1.714,4

1.713,6

1.713,6

1.713,5

1.713,6

Integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging

1.385,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015 (incl. beschermd wonen)

3.726,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Integratie-uitkering beschermd wonen2

0,0

1.714,4

1.713,6

1.713,6

1.713,5

1.713,6

Jeugdwet

1.971,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig begrotingsgefinancierd (VWS-begroting en aanvullende post Financiën)

510,9

616,7

572,2

565,1

507,5

503,5

Subsidie abortusklinieken (Artikel 1)

16,1

16,1

16,1

16,1

16,1

16,1

Subsidie NIPT (Artikel 1)

18,6

24,6

24,4

24,2

24,0

24,0

Subsidie overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg (Artikel 2)

0,2

32,7

18,0

8,7

0,7

4,6

Subsidie kwaliteit, transparantie en patiëntveiligheid (Artikel 2)

51,1

67,9

42,0

25,0

25,0

0,0

Zorgopleidingen (Artikel 4)

303,2

263,8

244,1

244,2

175,7

175,8

Arbeidsmarktagenda verpleeghuiszorg (Artikel 4)

5,0

67,5

67,5

67,5

67,5

67,5

Caribisch Nederland (Artikel 4)

114,7

122,0

125,3

129,3

133,2

137,0

Wtcg (Artikel 8)

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Loon- en prijsbijstelling (VWS-begroting en aanvullende post Financiën)

1,9

22,1

34,8

50,1

65,4

78,5

Bruto-uitgaven

7.593,3

2.331,1

2.285,8

2.278,7

2.221,0

2.217,1

Overige ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Netto-uitgaven

7.593,3

2.331,1

2.285,8

2.278,7

2.221,0

2.217,1

Noot 1

De middelen voor Wmo- en jeugdhulp die per 2019 onderdeel uitmaken van de algemene uitkering van het gemeentefonds tellen vanaf dat moment niet meer mee als voor het Financieel Beeld Zorg relevante zorguitgaven

Noot 2

De middelen voor de integratie-uitkering beschermd wonen maken in 2018 nog onderdeel uit van de middelen integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015.

In figuur 3 is de samenstelling van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven weergegeven voor het jaar 2019.

Figuur 3 Begrotingsgefinancierde zorguitgaven 2019 (in miljarden euro’s)

4 Financiering van de zorguitgaven 4.1 Totaalbeeld

Dit hoofdstuk gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Uitgavenplafond zorg. Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een ander substantieel deel van de zorguitgaven verloopt via de rijksbegroting en wordt gefinancierd via belastinginkomsten. Een uitsplitsing voor het jaar 2019 staat in tabel 10. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 10 Financiering bruto Zorguitgaven (bedragen x € 1 miljard)1

2019

Zvw

50,4

w.v. eigen betalingen

(3,1)

Wlz

23,7

w.v. eigen betalingen

(1,9)

Overheid (Arbeidsmarktbeleid/Caribisch Nederland)

0,6

Overheid (Gemeentefonds/Wmo beschermd wonen)

1,7

Bruto Zorguitgaven stand VWS ontwerpbegroting 2019

76,4

Bron: VWS

Noot 1

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

4.2 De financieringssystematiek

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor (zorg)opleidingen en de academische zorg. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals voor gespecialiseerde brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende hulp en acute verloskunde. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zorgverzekeringsfonds ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Figuur 4: Financieringsstromen Zvw 2019

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het ZVF. Dit bedrag houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van iedere zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt. Het zorgt zodoende voor een gelijk speelveld voor zorgverzekeraars. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten voor verzekerde kinderen in hun bestand.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het fonds krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars moeten uit hun inkomsten ook hun beheerskosten dekken. Verder moeten zij reserves opbouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. Zorgverzekeraars kunnen de beheerskosten en de reserveopbouw financieren door middel van die opslagpremie. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden, van de VWS raming afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico-opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het ZVF ontvangt ter financiering van zijn uitgaven de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) en een rijksbijdrage kinderen. In verband met de overhevelingen van AWBZ naar Zvw is besloten tot een tijdelijke rijksbijdrage HLZ, die voorkwam dat zowel de nominale premie als de IAB in 2015 fors moesten stijgen. Deze tijdelijke rijksbijdrage loopt in vier jaar geleidelijk af naar nul in 2019. Het ZVF ontvangt verder de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden en rente. Vanuit het fonds worden zorgverzekeraars gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het fonds kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het ZVF niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid verstrekt een rijksbijdrage kinderen aan het ZVF. Deze bijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. De overheid betaalt daarnaast zorgtoeslag aan huishoudens met lage inkomens en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. De rijksbijdrage kinderen en de zorgtoeslag worden betaald uit belastinginkomsten.

De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan zorgpremie en eigen risico hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De zorgtoeslag compenseert de lasten die daarboven uitstijgen. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de nominale premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De zorgtoeslag maakt geen onderdeel uit van het uitgavenkader, maar telt net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle collectieve zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdrage, eigen betalingen en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de inkomensafhankelijke bijdrage als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het fonds voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage aan de zorgverzekeraars te verlagen.5

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het CAK naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de SVB overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrechten). De benodigde middelen komen uit het Fonds langdurige zorg (Flz).

Het Flz ontvangt ter financiering van zijn uitgaven (via de belastingdienst) de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt geheven als percentage over het inkomen in de eerste en tweede belastingschijf, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing. Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het Flz ontvangt daarom van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het Flz gecompenseerd voor het drukkend effect op de Wlz-premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het Flz ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid. Tot slot ontvangt het Flz met ingang van 2019 een rijksbijdrage Wlz.

In de Wlz werd in de vorige kabinetsperiode gestreefd naar een binnen een kabinetsperiode constante lastendekkende premie. In augustus 2014 is besloten tot een Wlz-premie van 9,65%, omdat bij die premie op basis van de toenmalige ramingen een vermogen van circa nul in 2017 resulteerde. Op basis van de actuele ramingen lijkt het vermogen van het Flz per ultimo 2017 een tekort te vertonen van ruim € 0,8 miljard. Dit kabinet heeft besloten om niet langer te werken met een in een kabinetsperiode lastendekkende premie, maar om de Wlz premie constant te houden op 9,65% en ter voorkoming van tekorten in het Flz een rijksbijdrage te introduceren. Het doel van die rijksbijdrage is dat het Flz een vermogen heeft van nul.

Figuur 5: Financieringsstromen Wlz 2019

4.3 De financiering in 2019 4.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Tabel 11 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2019 worden gedomineerd door vier zaken:

    • De groei van de zorguitgaven. Deze groei komt vooral doordat de oplopende loon- en prijsstijging hoger is dan in de afgelopen jaren, wat leidt tot een premiestijging.
    • Het in 2019 wegvallen van de rijksbijdrage die in 2015 is geïntroduceerd om de premiegevolgen van de overhevelingen van AWBZ naar Zvw geleidelijk te laten verlopen. Hierdoor stijgen de premies vanaf 2019.
    • De relatief lage vaststelling van de nominale premie 2018 door verzekeraars. Hierdoor is de beoogde 50/50-verhouding tussen nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) niet gerealiseerd. In 2019 moet deze 50/50-verhouding worden hersteld, waardoor de nominale premie meer dient te stijgen dan de IAB.
    • De veronderstelde lagere afbouw van reserves door verzekeraars ten opzichte van 2018. Hiermee wordt de premiestijging minder gedempt dan in 2018.

De Zvw-uitgaven vallend onder het Uitgavenplafond zorg worden voor 2019 geraamd op € 50,4 miljard; een groei van € 2,7 miljard ten opzichte van de geraamde uitgaven in 2018. De ontwikkeling van de Zvw-uitgaven wordt elders in dit Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen met € 2,5 miljard van 2018 naar 2019. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zorgverzekeringsfonds (beschikbaarheidbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,3 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveontwikkeling van zorgverzekeraars wordt een stijging van € 0,1 miljard verwacht ten opzichte van de raming voor 2018. Deze stijging treedt op omdat de zorgverzekeraars naar verwachting weliswaar (€ 0,45 miljard) zullen interen op hun reserves, maar minder dan in 20186. Hoewel zorgverzekeraars de afgelopen vijf jaar circa € 6 miljard hebben ingezet ter verlaging van de premie, beschikken zorgverzekeraars naar verwachting nog over voldoende reserves om ook de premieontwikkeling 2019 enigszins te mitigeren. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2019 € 0,45 miljard aan reserves inzetten ter verlaging van de premiestijging. Bij de raming van de premie is ervan uitgegaan dat zorgverzekeraars met een geleidelijke inzet van reserves een stabiele premieontwikkeling beogen.

De overige baten van het ZVF (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant.

Naar huidige inschatting zal het Zorgverzekeringsfonds per ultimo 2018 een vermogenssaldo van circa € 0,5 miljard hebben. Er dient in 2019 dus een overschot van € 0,5 miljard te worden weggewerkt7.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2019 € 50,8 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 3,0 miljard meer dan in 2018. Deze € 50,8 miljard wordt door de inkomensafhankelijke bijdragen, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en de eigen betalingen gefinancierd zoals weergegeven in tabel 11. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Tabel 11 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)1

2017

2018

2019

Uitgaven ten laste van de macropremielast

Zorguitgaven zorgverzekeraars

43,0

45,2

47,7

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,3

2,4

2,7

Uitgaven onder het Uitgavenplafond zorg

45,2

47,6

50,4

Beheerskosten/mutatie reserves zorgverzekeraars

0,6

0,8

0,9

Overige baten Zorgverzekeringsfonds

  • 0,1

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,6

  • 0,2
  • 0,4

Totaal te financieren

46,3

48,2

50,8

Rijksbijdrage HLZ

  • 0,9
  • 0,5

0,0

Te financieren uit premies /eigen betalingen

45,4

47,8

50,8

Financiering

Inkomensafhankelijke bijdrage

22,2

23,9

25,1

Nominale premie

17,6

18,0

19,9

Rijksbijdrage kinderen

2,5

2,7

2,7

Eigen risico

3,2

3,2

3,1

Totaal

45,4

47,8

50,8

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolom 2017 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut Nederland (ZiNL). De rechtstreekse uitgaven van het ZVF en voor de zorguitgaven van zorgverzekeraars zijn gebaseerd op ZiNL-informatie van juni 2017. De opbrengst van de nominale premie is voor 2017 en 2018 bepaald als de gemiddelde nominale premie zoals bepaald door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) maal het aantal verzekerden uit de opgave van ZiNL. De inkomensafhankelijke bijdrage is voor 2017 en 2018 overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met ZiNL-informatie van maart. De post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden) is een extrapolatie gebaseerd op het financieel jaarverslag fondsen 2016 van ZiNL. De post beheerskosten/mutatie reserve zorgverzekeraars is in 2017 en 2018 het saldo van de opbrengst van de nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekking aan reserves worden in deze post meegenomen).

Noot 1

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Het Zorgverzekeringsfonds (ZVF)

In tabel 12 staan de uitgaven en inkomsten van het ZVF en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 11, maar daarnaast betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 12 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)1

2017

2018

2019

ZVF

Uitgaven

25.070,1

27.212,2

28.222,4

  • Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

22.669,8

24.628,6

25.381,6

  • Uitkering voor beheerskosten kinderen

138,5

137,8

136,1

  • Rechtstreekse uitgaven ZVF

2.261,8

2.445,9

2.704,7

Inkomsten

25.661,7

27.029,0

27.786,2

  • Inkomensafhankelijke bijdrage

22.211,7

23.926,1

25.077,1

  • Rijksbijdrage kinderen

2.490,5

2.695,9

2.749,1

  • Rijksbijdrage HLZ

902,0

451,0

0,0

  • Overige baten

57,5

  • 44,0
  • 40,1

Exploitatiesaldo

591,7

  • 183,2
  • 436,2

Vermogen ZVF

  • 48,4
  • 231,6
  • 667,9

Vermogensnorm

  • 689,0
  • 689,0
  • 689,0

Vermogenssaldo ZVF

640,7

457,4

21,2

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

Uitgaven

43.545,5

45.932,9

48.516,1

  • Z