Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van FinanciŽn (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2019 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 18 juli 2019
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2018-2019

35 000 IX    Vaststelling van de begrotingsstaat van het

Ministerie van FinanciŽn (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2019

Nr. 2    MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

TINGSWETSVOORSTEL    3

2.1    Beleidsprioriteiten    8

2.2    Belangrijkste beleidsmatige mutaties    17

2.3    Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven    23

2.4    Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen    24

2.5    Overzicht risicoregelingen    26

Artikel 1 Belastingen    46

Artikel 2 FinanciŽle markten    68

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector    75

Artikel 4 Internationale financiŽle betrekkingen    83

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen    90

Artikel 6 Btw-compensatiefonds    95

Artikel 9 Douane    99

Artikel 8 Apparaat kerndepartement    107

Artikel 10 Nog onverdeeld    109

Artikel 11 Financiering staatsschuld    110

Artikel 12 Kasbeheer    117

kst-35000-IX-2 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2018

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak    121

Bijlage 2:    Verdiepingsbijlage    126

Bijlage 3:    Moties en toezeggingen    141

Bijlage 4:    Subsidieoverzicht    196

Bijlage 5:    Evaluatie- en overig onderzoek    197

Bijlage 6:    Lijst van afkortingen    202

  • A. 
    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETS-VOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van FinanciŽn,

W.B. Hoekstra

  • B. 
    BEGROTINGSTOELICHTING
  • 1. 
    LEESWIJZER

Het werkterrein van het Ministerie van FinanciŽn

Voor u ligt de begroting 2019 van het Ministerie van FinanciŽn, begrotingshoofdstuk IX (FinanciŽn en Nationale Schuld) van de Rijksbegroting. In de begroting staan de belangrijkste beleidsdoelen voor 2019 en de financiŽle gevolgen hiervan. Simpel gezegd: wat wil de Minister van FinanciŽn bereiken in 2019, hoe wil de Minister dit doen en met welke middelen?

De Minister van FinanciŽn is onder meer verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van:

  • a. 
    het algemeen financieel-economische en internationale financiŽle beleid;
  • b. 
    het begrotingsbeleid en een doelmatig beheer van de rijksfinanciŽn;
  • c. 
    het financieringsbeleid;
  • d. 
    het fiscale beleid;
  • e. 
    het staatsschuldbeleid;
  • f. 
    het beleid omtrent financiŽle markten;
  • g. 
    het heffen, controleren en innen van de belastingen.

Het algemeen financieel-economische beleid en het begrotingsbeleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota. Daarin worden ook de belastingontvangsten toegelicht. Het fiscale beleid komt op hoofdlijnen aan bod in deze begroting; in het Belastingplan wordt gedetailleerd ingegaan op de veranderingen in het fiscale beleid. De financiŽn van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van FinanciŽn medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

Waar relevant wordt in de begroting verwezen naar Kamerstukken of andere beschikbare begrotingsinformatie. De Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en de Comptabiliteitswet (CW) vormen het regelgevend kader voor de begroting.

Vanwege tussentijdse afrondingen op duizenden, miljoenen of miljarden euro's kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

Opbouw van de begroting

De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen en twee niet-beleidsartikelen. De beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van FinanciŽn inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor FinanciŽn (IXB) zijn:

  • ē 
    artikel 1 Belastingen;
  • ē 
    artikel 2 FinanciŽle markten;
  • ē 
    artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector;
  • ē 
    artikel 4 Internationale financiŽle betrekkingen;
  • ē 
    artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzeke-ringen;
  • ē 
    artikel 6 Btw-compensatiefonds;
  • ē 
    artikel 9 Douane.

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • ē 
    artikel 8 Apparaat kerndepartement;
  • ē 
    artikel 10 Nog onverdeeld.

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld (IXA) zijn:

  • ē 
    artikel 11 Financiering staatsschuld;
  • ē 
    artikel 12 Kasbeheer.

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft allereerst de beleidsprioriteiten weer. Dit zijn de belangrijkste beleidsdoelen van het Ministerie van FinanciŽn. Ook bevat dit hoofdstuk een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige mutaties, van de niet-juridisch verplichte uitgaven, van de beleidsdoorlichtingen en van de risicoregelingen.

In hoofdstuk 3 komen de beleidsartikelen FinanciŽn aan bod, in hoofdstuk 4 de niet-beleidsartikelen en in hoofdstuk 5 de beleidsartikelen Nationale Schuld. Waar relevant en beschikbaar worden indicatoren of kengetallen opgenomen om te laten zien wat de doelstellingen zijn (zie ook de Groeiparagraaf onder). Elk beleidsartikel bevat onder andere een onderdeel Beleidswijzigingen waarin wordt aangegeven wat de belangrijkste wijzigingen in het beleid zijn en de gevolgen hiervan. Zowel de beleidsartikelen als de niet-beleidsartikelen bevatten een tabel Budgettaire gevolgen van beleid met een financiŽle toelichting van de belangrijkste posten.

Tot slot zijn zes bijlagen opgenomen. Bijlage 1 geeft een overzicht van Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's). Bijlage 2 is een verdiepingsbijlage met de belangrijkste budgettaire mutaties per artikel, bijlage 3 geeft het overzicht met moties en toezeggingen, bijlage 4 is het subsidieoverzicht, bijlage 5 het overzicht met evaluatie- en overig onderzoek en als laatste volgt de lijst van afkortingen (bijlage 6).

Financiering staatsschuld en kasbeheer (Nationale Schuld)

Sinds 2013 behandelt begroting IX tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen, en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen - via het geÔntegreerd middelenbeheer - hebben bij het Ministerie van FinanciŽn. De extern gefinancierde schuld wordt in artikel 11 Financiering staatsschuld behandeld. Het geÔntegreerd middelen beheer wordt behandeld in artikel 12 Kasbeheer. De artikelen worden middels een aparte begrotingsstaat vastgesteld.

De begroting van de Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen. De eerste eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteont-vangsten op transactiebasis worden verantwoord, in plaats van op kasbasis zoals bij alle andere onderdelen van de Rijksbegroting. Dit is vastgelegd in de CW 2016, artikel 2.19. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR) 2010. De tweede eigenschap is dat voor beide artikelen wordt uitgegaan dat de aangegane financiŽle verplichtingen gelijk zijn aan de uitgaven (kas = verplichtingen). Beide artikelen kennen geen verplichting om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiŽle verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geÔntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

FinanciŽle instrumenten

Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de Minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiŽle instrumenten. Het Ministerie van FinanciŽn maakt daarom, naast de standaard financiŽle instrumenten zoals opdrachten en garanties, ook gebruik van drie eigen instrumenten: financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking), rente, en rekening-courant en deposito's.

Het instrument financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking) wordt gebruikt op artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector bij onder meer kapitaalinjecties in staatsdeelnemingen en dividendont-vangsten. De definitie van financiering is als volgt: ęvan een financiering wordt gesproken, indien een financiŽle bijdrage aan een wederpartij wordt verstrekt als kapitaalverschaffing voor een investeringsgoed of als algemene vermogensverschaffing voor die wederpartij (een instelling, bedrijf of onderneming). Als een financiŽle bijdrage wordt verstrekt in de exploitatiesfeer, wordt gesproken van bekostiging. Bij een financiering voert de organisatie die de financiering ontvangt, de kapitaalverstrekking als kapitaalontvangst op de balans opĽ. Van een staatsdeelneming is sprake als de Staat aandelen bezit in een privaat bedrijf.

Het instrument rente komt onder meer terug op artikel 11 en 12 over de financiering van de staatsschuld en het kasbeheer. Op artikel 11 en 12 wordt daarnaast gebruik gemaakt van het instrument leningen. In tegenstelling tot de meeste leningen op de Rijksbegroting gaat het op artikel 11 om leningen die aan de Staat verstrekt worden voor de financiering van de staatsschuld. Op artikel 12 is ook het instrument rekening-courant en deposito's opgenomen. Het gaat hier om de bankrekeningen waarop geldstromen van decentrale overheden, de sociale fondsen en andere aan de rijksoverheid gelieerde instellingen in-en uitvloeien.

Groeiparagraaf

Oprichting artikel 9 Douane

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geÔntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 9 Douane. In januari 2017 heeft de Commissie onderzoek Belastingdienst in haar rapport1 geconstateerd dat de Douane een enigszins geÔsoleerde positie inneemt binnen de Belastingdienst, onder andere vanwege de overheersende oriŽntatie op Europese regelgeving en omdat de Douane meer gespitst is op de samenwerking met bijvoorbeeld de Koninklijke Marechaussee en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dan met andere onderdelen binnen de Belastingdienst. Daarom adviseerde de commissie om de positie van de Douane te heroverwegen. Het kabinet heeft dit advies overgenomen en als eerste stap hiertoe besloten tot het oprichten van een apart begrotingsartikel Douane op begrotingshoofdstuk IX. Middels deze begroting wordt dus invulling gegeven aan dit besluit. De Tweede en Eerste Kamer zijn eerder per brief op de hoogste gesteld van de oprichting van het begrotingsartikel2.

Aangezien de Douane een dienstonderdeel is van de Belastingdienst en dus tot nu toe in de begroting IX onderdeel uitmaakt van artikel 1 Belastingen, betekent het oprichten van een apart begrotingsartikel Douane dat artikel 1 Belastingen wordt opgedeeld. De Douane krijgt hierbij de status van grote uitvoerende dienst, zodat de apparaatsbud-getten op het eigen artikel gepresenteerd kunnen worden. Artikel 1 Belastingen blijft gewoon bestaan, exclusief het gedeelte Douane. De wijze van besturen van de Douane blijft met de oprichting van dit nieuwe artikel ongewijzigd en organisatorisch vinden ook geen wijzigingen plaats. De Douane blijft onderdeel van de Belastingdienst.

Artikel 9 Douane bevat de beleidsmatige informatie over de Douane en informatie over de aan Douane gerelateerde verplichtingen, uitgaven en ontvangsten. Het artikel betreft op budgettair gebied voor de begroting 2019 enkel de apparaatsbudgetten (personele en materiŽle uitgaven en apparaatsontvangsten), programma-uitgaven en verplichtingen die direct aan het dienstonderdeel Douane kunnen worden toegerekend. Overige indirecte uitgaven die betrekking hebben op de Douane, bijvoorbeeld voor huisvesting en ICT, worden gedaan door andere dienstonderdelen binnen de Belastingdienst en blijven derhalve voor de begroting 2019 vermeld op artikel 1 Belastingen. Ook de belastingontvangsten blijven daar staan. Op termijn wordt gestreefd naar een meer integraal begrotingsartikel Douane via een groeimodel.

Prestatie-indicatoren in de begroting

Het Ministerie van FinanciŽn vindt het belangrijk dat zijn beleid en prestaties meetbaar zijn. Daarom zijn in meerdere artikelen prestatie-indicatoren of kengetallen opgenomen. Maar, dit is nog niet in alle artikelen het geval. Momenteel onderzoeken we in welke artikelen het mogelijk en zinvol is om nieuwe, meer of minder prestatie-indicatoren op te nemen in de begroting. Ook bekijken we of de huidige prestatie-indicatoren (nog) een goed en volledig beeld geven van desbetreffende beleid en prestaties. Dit is een meerjarig traject, waarvan de eerste resultaten in de begroting 2020 zichtbaar zijn.

De ontwikkeling van tussendoelen en prestatie-indicatoren bij de Belastingdienst (artikel 1) loopt als meerjarig traject gelijk op met de doorontwikkeling van de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Het streven is gericht op minder indicatoren met meer zeggingskracht.

Ten opzichte van de vorige begroting zijn geen andere noemenswaardige ontwikkelingen te melden.

  • 2. 
    BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten Inleiding

Een financieel gezond Nederland en evenwichtige overheidsfinanciŽn: dat is waar het Ministerie van FinanciŽn met toewijding aan werkt. Nederland staat er financieel goed voor: de economie groeit, de belastinginkomsten stijgen en de overheidsschuld daalt richting het niveau van vůůr de crisis.

Maar waakzaamheid is geboden. Nationale en internationale ontwikkelingen en onzekerheden zijn van invloed op de overheidsfinanciŽn en vragen om aandacht.

Voor 2019 heeft het ministerie negen beleidsprioriteiten. De eerste vier zijn hoofdzakelijk nationale aangelegenheden, de laatste vijf hebben een internationaal karakter.

Het ministerie zet zich in voor gezonde overheidsfinanciŽn (prioriteit 1). In 2019 verwachten we weer een begrotingsoverschot. Dit betekent een lagere staatsschuld en dalende rentelasten. Met de operatie Inzicht in Kwaliteit vergroten we onze kennis over het effect van beleid en verbeteren we stapsgewijs het evaluatiestelsel (2).

Op fiscaal gebied zetten we in 2019 onder andere in op lastenverlichting voor burgers, het tegengaan van belastingontwijking en -ontduiking en verdere vergroening (3). De veranderopgave bij de Belastingdienst zal de komende jaren aandacht en capaciteit blijven vragen. De uitdagingen zijn complex en hardnekkig. Maar de weg naar boven is ingezet. Dus gaan we in 2019 verder met het beheerst vernieuwen van de Belastingdienst (4).

Internationale financiŽle markten en het bancaire landschap veranderen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de populariteit van virtuele valuta en startups die innovatieve technologie gebruiken (zogeheten Fintech-bedrijven). Dit vraagt om beleid waarmee een betrouwbare en integere financiŽle markt kan worden geborgd en waarmee innovatie kan worden bevorderd (5).

Een andere prioriteit is de oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL (6). Hiermee zet het kabinet een volgende stap in het stimuleren van nieuwe, kansrijke investeringen in binnen- en buitenland.

Tot slot: de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de EU (7) en over de Brexit (8) gaan in 2019 op volle kracht door. De uitkomsten kunnen flinke invloed hebben op de overheidsfinanciŽn. Ook zal de Brexit mogelijk grote gevolgen hebben voor de werkzaamheden door de Douane (nieuwe ębuitengrensĽ) en voor Nederlandse (financiŽle) regelgeving. Europese samenwerking (9) is belangrijk hierbij en de laatste prioriteit schetst daarom de insteek van het Ministerie van FinanciŽn op Europees niveau.

  • 1. 
    Gezonde overheidsfinanciŽn

Gezonde, houdbare overheidsfinanciŽn zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de welvaart in Nederland. Het kabinet spreekt in het regeerakkoord de ambitie uit om het begrotingsoverschot tijdens deze kabinetsperiode te handhaven. Door te streven naar een begrotingsoverschot van circa 0,5% van het bruto binnenlands product (bbp) in 2021 voldoen we aan de begrotingsnormen van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) en daarmee is er ruimte voor het voeren van een trendmatig begrotingsbeleid. Een dergelijk begrotingsbeleid draagt bij aan een goede beheersing van de overheidsfinanciŽn, een versterking van de economische groei en doelmatige allocatie van middelen.

Voor een goede beheersing van de overheidsfinanciŽn wordt er gewerkt met uitgavenplafonds die aan het begin van de kabinetsperiode zijn afgesproken. Voor de inkomstenkant van de begroting en bij de werkloosheidsuitgaven geldt het principe van automatische stabilisatie: conjuncturele meevallers komen ten gunste van het saldo, conjuncturele tegenvallers belasten het saldo. Dit voorkomt daarmee dat meevallers leiden tot intensiveringen en tegenvallers tot bezuinigingen, en voorkomt daarmee procyclisch beleid. Ter bevordering van een doelmatige allocatie wordt er op ťťn moment een integrale afweging gemaakt over de begroting: het ęhoofdbesluitvormingsmomentĽ in het voorjaar.

Het kabinet houdt zich voor 2019 aan de uitgavenplafonds. Voor 2019 wordt het EMU-saldo geraamd op 1% van het bbp en de EMU-schuld komt uit op 49,6% van het bbp.

  • 2. 
    Operatie Inzicht in Kwaliteit

Met de operatie Inzicht in Kwaliteit wil het kabinet de maatschappelijke toegevoegde waarde van overheidsbeleid en bijbehorende publieke middelen vergroten. Dit vraagt allereerst om inzicht: weten welk beleid werkt, tegen welke prijs en met welke alternatieven. En dit inzicht moet vervolgens benut worden in het bijsturen van beleid en het vormgeven van nieuw beleid.

Het Ministerie van FinanciŽn gaat voor de operatie met de andere ministeries aan de slag om op specifieke beleidsterreinen, maar ook over de grenzen van beleidsterreinen heen, meer maatschappelijke toegevoegde waarde te realiseren. Het ministerie zal een faciliterende en coŲrdinerende rol vervullen, door best practices te delen, relevante kennis en innovaties van buiten de overheid naar binnen te halen, het huidige evaluatie-instrumentarium kritisch tegen het licht te houden en de resultaten van de operatie te monitoren.

De Minister van FinanciŽn zal met het oog op het verbeteren en versterken van de evaluatiefunctie binnen het eigen ministerie een Commissie Beleidsevaluatie starten. Deze commissie, die bestaat uit zowel interne leden als externe wetenschappers, zal adviseren bij de opzet en eindproducten van evaluaties. Het uitwisselen van ervaring en kennisdeling is daarnaast een belangrijke functie van de commissie.

  • 3. 
    Fiscale voornemens (artikel 1 Belastingen)

De Staatssecretaris van FinanciŽn heeft op 23 februari 2018 de ęFiscale beleidsagenda3Ľ naar de Eerste en Tweede Kamer verstuurd. In deze brief zet hij zijn plannen met het belastingstelsel nader uiteen. De Fiscale beleidsagenda vloeit grotendeels voort uit het regeerakkoord. Daarnaast drukken ook Europese en internationale ontwikkelingen, jurisprudentie en overige verplichtingen hun stempel op de agenda.

In de agenda presenteert het kabinet vijf fiscale beleidsprioriteiten. Allereerst wil het kabinet de internationale belastingontduiking aanpakken en de strijd tegen belastingontwijking voortvarend voortzetten. Daarnaast wil het kabinet de lasten voor burgers verlichten, vooral door de lasten op arbeid te verlagen. Ten derde treft het kabinet maatregelen om het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reŽle activiteiten in Nederland aantrekkelijk te houden. De vierde prioriteit is het verder vergroenen van het belastingstelsel. Tot slot zal het kabinet inzetten op een betere uitvoerbaarheid van het belastingstelsel en een beter handhavingsbeleid door de Belastingdienst.

Naast de fiscale beleidsprioriteiten gaat de brief ook in op de impact van digitalisering van de economie op het belastingstelsel en op de privacyregelgeving. Ontwikkelingen op het gebied van de digitale economie zullen in 2019 nauwlettend gevolgd worden en ook zal onderzocht worden op welke wijze de verdergaande digitalisering consequenties heeft voor het fiscale beleid.

De eerste grote stap in de implementatie van de Fiscale beleidsagenda betreft het opnemen van hoofdzakelijk regeerakkoord maatregelen in het pakket Belastingplan 2019. Het gaat daarbij met name om maatregelen waarvan het wenselijk is dat deze per 1 januari 2019 in werking treden, maar ook om maatregelen die op 1 januari 2019 bekend moeten zijn om op 1 januari 2020 in werking te kunnen treden. Dit heeft onder andere te maken met systeemwijzigingen bij de Belastingdienst.

Zo wordt er in het kader van de eerste fiscale beleidsprioriteit in 2018 onder meer verder gewerkt aan de implementatie van de eerste en tweede Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (Anti Tax Avoidance Directive; ATAD 1 en ATAD 2). Daarnaast wenst het kabinet de lasten voor burgers te verlagen, vandaar dat in het regeerakkoord maatregelen zijn voorgesteld die de lasten voor burgers in 2021 met ruim Ä 5 mld. verlagen. Daarbij gaat het onder meer om het vanaf 2019 geleidelijk invoeren van een tweeschijvenstelsel in box 1. Met het oog op de derde beleidsprioriteit, het aantrekkelijk houden van het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reŽle activiteiten in Nederland, kiest het kabinet er onder meer voor om de tarieven in de vennootschapsbelasting stapsgewijs te verlagen. Bovendien zal de dividendbelasting worden afgeschaft en wordt per 2020 een conditionele bronbelasting op dividenden ingevoerd en per 2021 een conditionele bronbelasting op rente en royalty's om te voorkomen dat Nederland als schakel wordt gebruikt om financiŽle stromen naar laagbelastende landen te loodsen. Ook op het gebied van vergroening treft het kabinet in 2019 belangrijke maatregelen zoals de tariefsaanpassingen in de energiebelasting, die ertoe leiden dat de energiebelasting beter in balans wordt gebracht met de CO2-uitstoot. Tot slot is het kabinet voornemens om in verband met de vereenvoudigingsdoelstelling de kleineondernemersregeling (KOR) in de btw te moderniseren door de regeling te vervangen door een facultatieve omzetgerelateerde vrijstelling van omzetbelasting met een omzetgrens van Ä 20.000. Tevens worden er standaard uitvoeringstoetsen opgesteld voordat nieuwe regelgeving wordt geÔmplementeerd4.

  • 4. 
    Beheerst vernieuwen Belastingdienst (artikel 1 Belastingen)

De Belastingdienst staat voor de opgave om werkprocessen te moderniseren en tegelijkertijd de continuÔteit te borgen en (nieuwe) wet- en regelgeving te implementeren. De dienstverlening en het toezicht moeten namelijk op een aanvaardbaar peil blijven. In zijn brief ęBeheerst vernieuwenĽ van 26 april 2018 aan de Tweede Kamer schetst de Staatssecretaris van FinanciŽn de aanpak die hij daarbij volgt5. De kern van de vernieuwing is de modernisering van de interactie met burger en bedrijf, informatiegestuurd toezicht, de ontwikkeling van data-analyse, de ontwikkeling van managementinformatie voor de sturing, en modernisering van het IV-landschap. Om deze doelstellingen te bereiken zoekt de Belastingdienst aansluiting op de vele technische en digitale uitdagingen en maatschappelijke ontwikkelingen en verwachtingen waarmee hij zich geconfronteerd ziet. Succesvolle vernieuwing is alleen mogelijk als de Belastingdienst de drie grote kwetsbaarheden voortvarend aanpakt: de gevolgen van de uitstroom van personeel, de complexe en verouderde ICT en de sturing. In de brief Beheerst vernieuwen worden maatregelen genoemd op deze terreinen6.

Personeel

De uitdaging waar de Belastingdienst voor staat is een ordentelijke en beheerste modernisering te bewerkstelligen en tegelijkertijd te borgen dat de medewerkers toegerust zijn voor de modernste manieren van toezicht op en interactie met burgers en bedrijven; de verhouding hoger versus lager opgeleid personeel verschuift naar meer hoger gekwalificeerde medewerkers. Voor de kortere termijn moeten de gevolgen van de uitstroom voor de continuÔteit van de bedrijfsprocessen worden opgevangen. Evenals in 2017 en 2018, zal er in 2019 en de jaren erna een grote wervingsinspanning moeten worden geleverd om de benodigde fiscalis†iten, registeraccountants en ICT'ers binnen te krijgen.

ICT

De huidige ICT-systemen worden robuuster en wendbaarder gemaakt door middel van het programma Modernisering IV-landschap7. Dit is nodig om de continuÔteit duurzaam te borgen en de doorlooptijd te verkleinen bij het doorvoeren van wetswijzigingen en andere procesvernieuwingen. Technisch verouderde applicaties worden zoveel mogelijk gesaneerd. De Belastingdienst hanteert een methodiek om zijn applicaties periodiek te beoordelen op zowel technische kwaliteit als bedrijfswaarde, uitgedrukt op een schaal van 0-100%. Die score vormt een belangrijke indicator bij het beantwoorden van de vraag of er aanleiding is te investeren in de vernieuwing van de applicatie. Applicaties die een score voor technische kwaliteit hebben lager dan 50% krijgen het predicaat ęachterstallig onderhoudĽ, in de ICT-wereld ętechnische schuldĽ genoemd. De doelstelling is om het percentage applicaties met technische schuld, thans circa 50%, de komende jaren substantieel terug te dringen. Tegelijkertijd werkt de Belastingdienst aan verbetering van de systemen en processen in termen van de modernisering en digitalisering van de bedrijfsprocessen van de Belastingdienst. Conform de aanpak in de brief Beheerst vernieuwen wordt in beheerste stappen gewerkt aan deze verbetering door middel van vernieuwingsprojecten. Voor alle processen wordt een doelarchitectuur vastgesteld. Om ICT-kennis structureel vast te houden in de eigen organisatie en de opstart- en afbouwkosten van ICT-projecten te verminderen zal de Belastingdienst meer ICT'ers in vaste dienst aannemen.

Sturing en verantwoording

De sturing en beheersing behoeft nog verdere verbetering. Er zijn met het geÔntroduceerde driehoeksmodel van eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer en de vaststelling van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst inmiddels stappen gezet, maar aandacht blijft nodig voor de verdere ontwikkeling en implementatie van de sturing en het verder verbeteren van vastlegging en kwaliteit van de stuur- en verantwoordings-informatie en risicobeheersing. In zijn brief van 14 juni 2018 aan de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris van FinanciŽn het voorstel gedaan om, in aanvulling op de reguliere documenten van de begrotingscyclus en de halfjaarsrapportages, een extern Jaarplan Belastingdienst en een Jaarverslag Belastingdienst aan de Tweede Kamer te doen toekomen8. Over de inhoud daarvan worden nog nadere afspraken met de Kamer gemaakt.

Uitvoering Fiscale beleidsagenda

In de Fiscale beleidsagenda is aangegeven dat gewerkt wordt aan een betere uitvoerbaarheid en een beter handhavingsbeleid door de Belastingdienst. Dit zal het kompas zijn bij elke aanpassing in de belastingwetgeving. Voor de Belastingdienst betekent dit concreet het maken van grondige uitvoeringstoetsen die inzicht geven in de uitvoerbaarheid en de gevolgen voor de uitvoering en de uitvoeringskosten. De Belastingdienst maakt in het kader van het handhavingsbeleid ieder jaar opnieuw afwegingen en keuzes met betrekking tot de inzet van de beschikbare mensen en middelen naar de verschillende uitvoerings- en handhavings-activiteiten.

Een andere prioriteit uit de Fiscale beleidsagenda betreft de aanpak van internationale belastingontwijking en belastingontduiking. Internationale constructies worden gebruikt om belasting te ontduiken en inkomsten uit criminele activiteiten zoals corruptie en witwassen te verhullen. In het regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd dat - naar aanleiding van de ęPanama PapersĽ - de informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de Belastingdienst wordt versterkt. Hiervoor worden extra middelen uitgetrokken. Dat betekent dat in 2019 kan worden begonnen met werving.

  • 5. 
    Innoverende, betrouwbare en integere financiŽle sector (artikel 2 FinanciŽle markten)

Het Ministerie van FinanciŽn zet zich in voor de betrouwbaarheid van producten en diensten op de financiŽle markten en borgt de integriteit van deze markten. Ook bevordert het ministerie innovatie, met in 2019 bijzondere aandacht voor Fintech en virtuele valuta. Virtuele valuta, zoals bitcoins, brengen integriteitsrisico's met zich mee. Om het witwassen met behulp van virtuele valuta tegen te gaan, is het belangrijk om te weten wie de betrokken partijen zijn. Daarom werken wij in 2019 verder aan regulering van omwisselplatforms in virtuele valuta. Ook wordt bij wet geregeld dat uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten en constructies in Nederland in een openbaar register worden opgenomen.

Tot slot vergt de stabiliteit van en het vertrouwen in de instellingen op de financiŽle markten voortdurende aandacht. Ook in 2019 wordt daarom gewerkt aan voldoende buffers bij financiŽle instellingen, zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Het gaat hierbij om de implementatie van nieuwe afspraken die zijn gemaakt in het kader van de voltooiing van de

Europese Bankenunie. Onderdeel hiervan is dat banken voortaan wettelijk vastgelegde buffers aanhouden die makkelijker kunnen worden aangesproken als een bank in de problemen komt. Ook gaat het hierbij om de implementatie van het herziene kapitaalraamwerk CRR/CRD9, waarmee de leverage ratio eis bijvoorbeeld wettelijk verankerd wordt. Ook zal in Europees verband een start worden gemaakt met de uitwerking van het akkoord over de afronding van kapitaalraamwerk Bazel III (ook Bazel 3,5 of Bazel IV genoemd). De voorgestelde maatregelen daaruit moeten ervoor zorgen dat de omvang van het kapitaal en de risico's die een bank neemt, beter bij elkaar aansluiten.

Het Ministerie van FinanciŽn streeft naar een goed en transparant aanbod van financiŽle producten en diensten aan consumenten en bedrijven. De Autoriteit FinanciŽle Markten (AFM) houdt toezicht op de productontwikkeling om schade voor de consument en de maatschappij door slechte financiŽle producten te voorkomen. Dit toezicht zal in 2019 worden geŽvalueerd.

Het kabinet zal later dit jaar een agenda voor de financiŽle sector presenteren met verdere maatregelen die nodig zijn om te komen tot een stabiele, integere en innovatieve financiŽle sector.

  • 6. 
    Invest-NL (artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector)

In 2019 wordt Invest-NL N.V. opgericht als 100%-deelneming van de Staat10. Het Ministerie van FinanciŽn zal het aandeelhouderschap uitvoeren conform het Deelnemingenbeleid11. Dit gebeurt in overleg met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Wouter Bos zal leiding gaan geven aan deze nieuwe instelling.

De Staat zal Invest-NL eigen vermogen verschaffen ter waarde van Ä 2,5 mld. Dit geld zal in tranches voor Invest-NL beschikbaar komen. Met dit eigen vermogen zal Invest-NL zich richten op de volgende drie hoofddoelen:

  • ē 
    het faciliteren van risicovolle activiteiten van ondernemingen bij transities op het gebied van energie, verduurzaming (waaronder de circulaire economie en van de gebouwde omgeving), mobiliteit, voedsel, digitalisering van de industrie en maatschappelijke domeinen als zorg, veiligheid en onderwijs;
  • ē 
    de doorgroei van start-ups en scale-ups naar grotere ondernemingen;
  • ē 
    het bevorderen van export en buitenlandse investeringen, het ondersteunen van Nederlandse bedrijven voor het internationaal vermarkten van hun producten en het aanpakken van wereldwijde vraagstukken, zoals duurzame energie, klimaatverandering, water en voedselvoorziening.

Voor elk van deze doelen geldt dat Invest-NL in projecten investeert die in de markt niet van de grond komen, maar die zowel maatschappelijk gewenst zijn als op de lange termijn rendabel. Invest-NL kan deze doelen op de volgende manieren bereiken: met ontwikkelingsactiviteiten, met de inzet van risicokapitaal en met internationale financieringsinstrumenten. Voor alle activiteiten van Invest-NL geldt dat aanvullend aan de markt wordt gewerkt: er moet sprake zijn van marktfalen. Voorwaarden voor de activiteiten van Invest-NL zijn bedrijfseconomische principes en een rendement op het eigen vermogen, waarmee de kapitaalstorting kwalificeert als financiŽle transactie en voldoet aan de staatssteuneisen.

Een voortvarende start van Invest-NL is na oprichting in 2019 mogelijk, omdat al in 2018 een aantal activiteiten en projecten kan beginnen. Het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat speelt bij deze voorbereidingen een belangrijke rol. Dit agentschap zal uiteindelijk opgaan in Invest-NL.

  • 7. 
    Meerjarig Financieel Kader EU (artikel 4 Internationale financiŽle betrekkingen)

In 2018 zijn de onderhandelingen van start gegaan over het nieuwe MFK†i van de EU. Het nieuwe MFK†i moet in 2021 ingaan. Het zwaartepunt van de onderhandelingen over het nieuwe MFK†i ligt naar verwachting in 2019. De onderhandelingen vergen nauwe samenwerking met het beleidsverantwoordelijke departement Buitenlandse Zaken, de andere betrokken departementen, de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel en gelijkgestemde lidstaten.

Nederland zet zich bij de onderhandelingen in voor een modern en financieel houdbaar MFK, dat nieuwe prioriteiten zoals innovatie en onderzoek, veiligheid, migratie en klimaat weerspiegelt. Vanwege het aangekondigde vertrek van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de EU en om ruimte te creŽren voor nieuwe prioriteiten zijn bezuinigingen op bestaand beleid noodzakelijk. Doelstelling van het kabinet is om een stijging van de afdrachten als gevolg van de Brexit te voorkomen en een netto-betalingspositie voor Nederland te realiseren die in lijn is met de nettopositie van lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Het kabinet streeft naar substantiŽle bezuinigingen binnen traditionele beleidsterreinen zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het cohesiebeleid, waarmee een aanvullende Nederlandse bijdrage als gevolg van Brexit vermeden kan worden en die ruimte bieden voor de financiering van nieuwe beleidsprioriteiten. Ook zal Nederland inzetten op versterkte voorwaarden op het gebied van rechtsstatelijkheid, structurele hervormingen en migratie.

  • 8. 
    Brexit (meerdere artikelen)

In principe verlaat het VK op 29 maart 2019 de EU. De EU en de VK hebben een gelimiteerde overgangsperiode afgesproken van 29 maart 2019 tot en met 31 december 2020 die moet worden vastgelegd in de uittredingsovereenkomst waarover nog wordt onderhandeld. In deze periode zal het VK geen lid meer zijn van de Unie, maar wel worden benaderd alsof het een EU-lid is en dus qua rechten en plichten ook nog onderdeel is van de interne markt. Tijdens die overgangsperiode moet het overeengekomen raamwerk voor de toekomstige relatie verder uitgewerkt worden. Het Ministerie van FinanciŽn zal via het interdepartementale circuit nauw betrokken blijven bij de Nederlandse inzet voor die toekomstige relatie. De Nederlandse inzet is erop gericht om tot een zo breed en diep mogelijke toekomstige relatie met het VK te komen, binnen de voorwaarden van de EU.

De komende tijd zal het ministerie blijven toezien op het nakomen van de afspraken die zijn gemaakt met het VK over de financiŽle verrekening. Ook zal het ministerie nauw samenwerken met de andere departementen en overige stakeholders bij de vormgeving van de zogenoemde ęcontingency planningĽ, zodat Nederland ook is voorbereid op de mogelijkheid dat de onderhandelingen niet slagen.

Door de Brexit ontstaat er een nieuwe buitengrens voor Nederland en de EU. Direct gevolg is dat voor het goederenverkeer van en naar het VK douaneformaliteiten nodig zijn en dat de Douane hierop toezicht moet uitoefenen. Dat raakt de hele Douane-organisatie. De Brexit betekent een structurele groei van het aangiftevolume, inclusief het noodzakelijke toezicht hierop. Maar de Brexit betekent ook meer en nieuwe klanten en het inrichten van nieuwe processen, zoals voor het ferry-verkeer. Het personeelsbestand zal, rekening houdend met verschillende scenario's, met 750 tot 930 fte groeien de komende jaren, hetgeen een grote impact op de identiteit van de organisatie heeft en veel vraagt van het absorptievermogen van de organisatie. De Brexit heeft een grote impact op het werk, het personeel en de systemen van de Douane. De Douane is daarom met de noodzakelijke voorbereidingen op de Brexit gestart. Hierbij wordt rekening gehouden met een Brexit-scenario zonder overgangsperiode.

De Brexit heeft daarnaast invloed op de toepassing van fiscale wet- en regelgeving, zoals de Fusierichtlijn, Fiscale eenheid en deelnemingsvrijstelling, de omzetbelasting, de invordering en de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling met het VK. Naar verwachting leidt dit tot een toename van het aantal verzoeken om vooroverleg en tot een toename van toezichtactiviteiten om vast te stellen of de impact van de Brexit juist en volledig in de belastingaangiften is verwerkt. De Belastingdienstonder-delen Grote ondernemingen, Midden- en Kleinbedrijf, Particulieren en Centrale Administratieve Processen treffen hiervoor voorbereidingen. Ook de FIOD zal zich moeten instellen op de nieuwe situatie. Bij een harde Brexit (cliff edge-scenario) vertrekt het VK uit alle Europese samenwerkingsverbanden (zoals Europol en Eurofisc), waardoor onder andere informatie-uitwisseling langs reguliere kanalen voor niet-EU-lidstaten plaats zal moeten vinden. Opsporingsonderzoeken in samenwerking met het VK zullen daardoor meer tijd en capaciteit vergen. Tevens kan de Brexit voor de Belastingdienst gevolgen hebben voor het toezicht op de naleving van de fiscale wet- en regelgeving, zeker voor de internationaal opererende bedrijven.

  • 9. 
    Europese samenwerking (meerdere artikelen)

Europa staat er financieel goed voor: de economische groei is stabiel, de overheidsschuld van EU-lidstaten neemt af en de werkgelegenheid neemt toe. Er zijn echter ook onzekerheden, zoals de opkomst van het populisme, een dreigend wereldwijd handelsconflict en de precieze uitwerking van de Brexit. Dit vraagt om een gedegen visie van Nederland en dus van het Ministerie van FinanciŽn. Het kabinet is allereerst van mening dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) moet zorgen voor een stabiele munt, stabiele prijzen en economische groei in de Eurozone en Nederland. Daarbij moeten lidstaten zich houden aan de begrotingscriteria in het SGP .Ten tweede is Nederland geen voorstander van het gemeenschappelijk financieren van schulden van EU-lidstaten. Daarom is Nederland ook tegen verdere stappen in de richting van een transferunie.

Om deze doelstellingen te realiseren is het voor Nederland van belang dat de hervorming van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) niet leidt tot soepelere beleidsvoorwaarden en dat besluitvorming in handen van de lidstaten blijft. Ook zal Nederland zich kritisch opstellen ten aanzien van nieuwe begrotingsinstrumenten met een stabilisatiefunctie. Verder zal in 2019 worden doorgewerkt aan de voltooiing van de bankenunie.

Nederland vindt het in dat verband van belang de wisselwerking tussen banken en overheden verder te doorbreken. Daarvoor zet Nederland in op een betere behandeling van overheidsobligaties op bankbalansen. Parallel wordt in 2019 naar verwachting ook verder gewerkt aan de technische uitwerking van een Europees Depositoverzekeringsstelsel (European Deposit Insurance Scheme, EDIS), wat kan bijdragen aan het verder weerbaar maken van de Europese bankenunie. Voor Nederland is van belang dat een goede weging van overheidsobligaties tot stand komt, voordat risico's uiteindelijk via een EDIS worden gedeeld. Om deze doelen te bereiken werkt Nederland nauw samen met Duitsland en Frankrijk, en gaat het een intensieve samenwerking aan met de Nordic-Balticgroep, andere gelijkgestemde lidstaten en de Europese instellingen.

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en de niet-belastingontvangsten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de artikelen van FinanciŽn en die van Nationale Schuld. In de verdiepingsbijlage wordt in meer detail ingegaan op de mutaties per artikel. Deze paragraaf bevat ook een overzicht van de begrotingsreserves.

Artikelen 1 tot en met 10 (FinanciŽn)

Overzicht belangrijkste mutaties uitgaven (bedragen x Ä 1.000)

 
 

Art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

 

7.117.510

6.817.028

6.417.849

6.227.069

6.321.773

 

Mutatie 1e suppletoire begroting

2018

 

49.472

194.956

139.349

171.422

172.721

 
 

Belangrijkste mutaties

Beheerst vernieuwen

1

7.048

190.051

184.997

85.550

74.160

 

Oprichting begrotingsartikel

Douane

1

 
  • 416.151
  • 427.177
  • 422.267
  • 421.987
 

Oprichting begrotingsartikel

Douane

9

 

416.151

427.177

422.267

421.987

 

Wereldbank

4

 

50.000

 
  • 50.000
   

Aanpassing BCF

6

208.884

214.292

214.758

214.758

214.758

 

Overig & extrapolatie

 
  • 23.600

67.901

88.862

48.780

50.096

6.815.166

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

7.359.314

7.534.228

7.045.815

6.697.579

6.833.508

6.815.166

Met deze budgetten kan de Belastingdienst een invulling geven aan het beheerst vernieuwen van de organisatie. De op de Aanvullende Post resterende budgetten worden op een later begrotingsmoment aangevraagd.

Oprichting begrotingsartikel Douane

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geÔntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 9 Douane. Per 2019 staat het direct toerekenbare budget van de Douane op het nieuwe begrotingsartikel. Het budget van artikel 1 van de Belastingdienst is daarom vanaf 2019 verminderd met het budget dat naar artikel 9 is verplaatst. Zie ook de Groeiparagraaf en de toelichting in artikel 1 en 9.

Wereldbank

Om het kasritme van de Staat te optimaliseren is besloten om een gedeelte van de Nederlandse betalingen aan de Wereldbank voor de 18middelenaanvullingsronde van IDA, die gepland stonden voor 2021, al in 2019 te betalen.

Aanpassing BCF

Deze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het BCF op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Overzicht belangrijkste mutaties niet-belastingontvangsten (bedragen x Ä 1.000)

 
 

Art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

 

2.161.243

2.148.213

2.218.288

2.079.613

2.078.194

 

Mutatie 1e suppletoire begroting

2018

 

622.658

265.552

  • 43.848
  • 26.748

125.952

 
 

Belangrijkste mutaties

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

3

365.000

  • 5.000

20.000

15.000

20.000

 

Winstafdracht DNB

3

 
  • 30.000

161.000

13.000

  • 140.000
 

Terugbetaling lening Griekenland

4

   

41.956

124.696

159.919

 

Overig & extrapolatie

 

17.932

10.297

12.162

11.303

12.416

2.623.181

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

3.166.833

2.389.062

2.409.558

2.216.864

2.256.481

2.623.181

Toelichting

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

Naar aanleiding van vernieuwde winstramingen van staatsdeelnemingen wordt de raming voor dividenden en afdrachten bijgesteld. In 2018 zijn de dividendontvangsten hoger vanwege het in augustus 2018 aangekon-digde interimdividend van ABN AMRO.

Winstafdracht DNB

Naar aanleiding van de meest recente winstraming van DNB wordt de raming voor de winstafdracht bijgesteld.

Terugbetaling lening Griekenland

De Nederlandse overheid heeft in totaal voor Ä 3,2 mld. aan bilaterale leningen aan Griekenland verstrekt. Vanaf 2020 zal Griekenland deze leningen gaan aflossen.

Onderstaande grafiek geeft een overzicht van de uitgaven en ontvangsten op de departementale begroting van het Ministerie van FinanciŽn (dus exclusief Nationale Schuld). De ontvangsten zijn uitgesplitst naar belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten.

Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is bestemd voor een concreet doel en kan in principe alleen voor dat doel worden gebruikt. Onderstaand overzicht geeft (het geraamd verloop van) de begrotingsreserves van het Ministerie van FinanciŽn weer. In de betreffende artikelen worden de begrotingsreserves toegelicht.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserves Ministerie van FinanciŽn (bedragen x Ä 1 mln.)

 

Begrotingsreserve

Artikel

Stand per 1/1/2018

Onttrekkingen 2018

Toevoegingen 2018

Stand per 1/1/2019

Onttrekkingen 2019

Toevoegingen 2019

Stand per 31/12/2019

Depositogarantie-stelsel (DGS) BES-eilanden

2

1

0

1

2

0

1

3

NHT-garantie1

2

     

0

0

0,875

0,875

TenneT

3

35,2

0

4,8

40

0

4,8

44,8

Ekv

5

389,7

0

0

389,7

0

0

389,7

Totaal

 

425,9

0

5,8

431,7

0

6,675

438,375

1 Deze begrotingsreserve wordt per 2019 opgericht.

Artikelen 11 en 12 (Nationale Schuld)

In onderstaande tabel wordt de verwachte EMU-schuld en staatsschuld aan het einde van 2018 en 2019 weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentelasten. De cijfers van 2017 betreffen realisatiecijfers.

 

Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (bedragen x Ä 1 mld.)1

 

2017

2018

2019

Omvang schuld aan het einde van het jaar

EMU-schuld

416

410

404

Staatsschuld (art. 11)

346

335

328

Schuldverhouding met ABN AMRO

  • 0,8
  • 0,8
  • 0,8

Interne schuldverhouding (art. 12)

  • 8,0

1,1

9,0

Uitgaven en ontvangsten (+ is uitgave)

Relevant voor het EMU-saldo

Rentelasten vaste en vlottende schuld (art.

11)

6,6

6,0

5,6

Rentelasten interne schuldverhouding (art.

12)

  • 0,1
  • 0,1
  • 0,1

Totaal rentelasten (art. 11 en 12)

6,5

5,9

5,5

Niet relevant voor het EMU-saldo

Rentelasten derivaten

  • 1,2
  • 1,3
  • 1,4

Voortijdige beŽindiging derivaten

  • 1,5
  • 2,4

0,0

Voortijdige beŽindiging schuld

0,1

0,0

0,0

1 Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De EMU-schuld is de overheidsschuld. Preciezer gezegd: de bruto, dus uitstaande, schuld van de gehele collectieve sector. De staatsschuld is daar een onderdeel van en omvat alleen de schuld van de rijksoverheid. De staatsschuld wordt gefinancierd door het Agentschap van de Generale Thesaurie, onderdeel van het Ministerie van FinanciŽn. De interne schuldverhouding geeft de schuldverhouding weer tussen de Staat en de instellingen die meedoen met het schatkistbankieren, zoals decentrale overheden, RWT's, sociale fondsen en agentschappen.

Volgens de Europese boekhoudregels (ESA-2010) worden bij de berekening van het EMU-saldo alleen de rentelasten op schuldpapier meegenomen. Rentelasten op derivaten worden niet meegenomen in het EMU-saldo en worden daarom apart weergegeven.

Als onderdeel van het renterisicobeleid dat wordt gehanteerd bij de uitvoering van het financieringsbeleid, heeft het Agentschap de mogelijkheid om rentederivaten voortijdig te beŽindigen. Bij het beŽindigen van een rentederivaat wordt de actuele marktwaarde van het derivaat verrekend tussen beide partijen. Doordat deze marktwaarde positief is voor de Staat, leiden deze voortijdige beŽindigingen tot eenmalige ontvangsten die een verlagend effect hebben op de staatsschuld.

Naar verwachting zullen in 2018 en 2019 zowel de staatsschuld als de bijbehorende rentelasten verder dalen.

Belangrijkste mutaties rentekosten

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentelasten vanaf de ontwerpbegroting 2018 weergegeven.

Overzicht mutatie rentelasten naar oorzaak (bedragen x Ä 1 mln.)1

 
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

 

5.974

5.652

5.538

5.473

5.626

 
 

Mutaties

Bijstelling kassaldo

11

108

212

345

504

825

 

Bijstelling rekenrente

11

  • 68
  • 230
  • 200
  • 234
  • 209
 

Effect schulduitgifte en

             

vervroegde aflossingen

11

  • 142
  • 165
  • 91
  • 83
  • 454
 

Bijstelling rentelasten interne

             

schuldverhouding

12

53

22

4

18

157

 

Extrapolatie

11 & 12

         

5.286

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

5.925

5.491

5.596

5.678

5.945

5.286

1 Het betreft in deze tabel alleen rentelasten vaste en vlottende schuld; rentelasten derivaten zijn niet meegenomen.

De rentelasten op de staatsschuld liggen voor een groot deel vast doordat de meeste rente wordt betaald op leningen die in het verleden zijn uitgegeven. De omvang van deze kosten volgt uit de schuldopbouw in het verleden, de toenmalige rentestanden en de keuzes ten aanzien van het financieringsbeleid en het risicomanagement. Voor de nieuw uit te geven schuld worden de rentekosten geraamd op basis van de rentetarieven uit de meest recente raming van het Centraal Planbureau (CPB).

Mutaties in de geraamde rentekosten worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentelasten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Wanneer meer of minder geleend moet worden dan eerder geraamd zullen de bijbehorende rentelasten wijzigen. In de tweede plaats wijzigen de verwachte rentelasten wanneer de rentetarieven van het CPB worden bijgesteld. Ten derde ontstaan mutaties bij het daadwerkelijk uitgeven van schuldpapier. Pas bij de daadwerkelijk uitgifte van schuld is bekend welk rentetarief exact betaald moet worden en op welke manier wordt geleend (kort of lang). Op dezelfde wijze heeft ook het afsluiten of het vroegtijdig beŽindigen van derivaten een effect op de geraamde rentekosten.

In onderstaande grafiek wordt de (verwachte) staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. De jaren 2015-2017 zijn realisaties, waar 2018 en 2019 ramingen zijn.

400

350

300

250

200

150

100

50

0

0

  • Staatsschuld (linkeras)
  • Rentelasten staatsschuld (art. 11 en 12)
  • Rentelasten staatsschuld, incl. rentebaten derivaten

De omvang van de staatsschuld bedraagt ultimo 2019 naar verwachting circa Ä 328 mld. De raming voor de rentekosten van de staatsschuld in 2019 bedraagt Ä 5,5 mld. Als ook de rentebaten uit derivaten worden meegeteld, bedragen de geraamde rentekosten Ä 4,1 mld.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

 

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x Ä 1 mln.)

Artikel

Naam artikel (Ä tot. uitg. art.)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Belastingen (Ä 408,0 mln.)

Ä 258 mln.

(63,2%)

Ä 150 mln.

(36,8%)

Met name (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware, en uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven)

2

FinanciŽle markten (Ä 25,0 mln.)

Ä 20,7 mln.

(82,8%)

Ä 4,3 mln.

(17,2%)

Hoofdzakelijk kosten voor muntcirculatie, met name aankoop van rondellen (blanco muntplaatjes) die benodigd zijn voor de productie van nieuwe munten

3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector (Ä 294,1 mln.)

Ä 285,8 mln.

(97,2%)

Ä 8,3 mln.

(2,8%)

Onder andere uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (inhuur adviseurs)

4

Internationale financiŽle betrekkingen (Ä 359,2 mln.)

Ä 357,9 mln.

(99,6%)

Ä 1,3 mln.

(0,4%)

Technische assistentie kiesgroeplanden

5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsver-zekeringen (Ä 83,4 mln.)

Ä 83,4 mln.

(100%)

Ä 0 (0%)

Niet van toepassing

6

Btw-compensatiefonds (Ä 3.225,0 mln.)

Ä 3.225,0 mln.

(100%)

Ä 0 (0%)

Niet van toepassing

9

Douane (Ä 33,1 mln.)

Ä 17,6 mln.

(53,2%)

Ä 15,5 mln.

(46,8%)

Een gedeelte van de uitgaven aan Douane specifieke middelen, zoals werktuigen en laboratoria

11

Financiering staatsschuld (Ä 35.655,3 mln.)

Ä 35.632,3 mln.

(99,94%)

Ä 23 mln.

(0,06%)

Met name advieskosten aan banken bij de uitgiftes van obligaties en drukkosten

12

Kasbeheer (Ä 1.531,7 mln.)

Ä 1.531,7 mln.

(100%)

Ä 0 (0%)

Niet van toepassing

Totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven

Ä 202,4 mln.

 

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

 

1 Planning beleidsdoorlichtingen

   

Realisatie

       

Planning

Artikel

Naam artikel

2017    2018

2019

2020

2021

2022

2023 Geheel artikel?

1

Belastingen

           
 

Dienstverlening

   

V

   

Nee

 

Toeslagen

     

V

 

Nee

 

Toezicht en opsporing en massale processen

V

     

V

Nee

2

FinanciŽle markten

V

       

Ja

3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

           
 

Publiek-private investeringen

         

V    Nee

 

Staatsdeelnemingen

   

V

   

Nee

4

Internationale financiŽle betrekkingen

   

V

   

Ja

5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

       

V

Ja

6

Btw-compensatiefonds

     

V

 

Ja

9

Douane

   

V

   

Ja

11

Financiering staatsschuld

 

V

     

Ja

12

Kasbeheer

V

       

Ja

n.v.t.

Begrotingsbeleid

   

V

   

n.v.t.

algemene doelstelling is het van belang te onderkennen dat er sprake is van een afweging tussen kosten en risico's. Daarbij geldt dat lagere kosten over het algemeen gepaard gaan met hoger risico en vice versa. Welk risiconiveau daarbij acceptabel is, hangt af van de risicopreferentie. Met het risicobeleid wordt de afruil tussen kosten en risico geadresseerd. Belangrijke onderdelen uit het risicobeleid zijn het financieringsbeleid en het renterisicokader. Voor de inrichting van het risicobeleid baseert de Staat zich onder meer op de internationale richtlijnen voor staatsschuldfi-nanciering die zijn opgesteld door het IMF en Wereldbank12. De voorgenomen beleidsdoorlichting richt zich op zowel het financieringsbeleid als het renterisicokader. De opzet en vraagstelling van deze beleidsdoorlichting is aan de Tweede Kamer aangeboden.

03 ę3 CO 03

¶ti O) 3

ffl C O)

0 CO 00

03 re

00 03

.ti co

3

0 C 00

0 C 00

03 re

00 03

.ti co 3

2.5 Overzicht risicoregelingen

c

0

O

re

k.

¶Ų

0

J2

O)

c

>

C

re

re

o

0

0

w

0

>

O

"N

k.

0

>

O

co

E

O

0 C 03

 

1

50.000

9.768.901

LD

r--

2.500

2.500

4.163.500

70.000

1

1

o

o

1

1

1

1

1

1

1

1

1

r--

co

CM

O

o

o

Ų

LD

O

03

CO

CD

03

LD

O

o

LD

CM

O

o

LD

CM

O

o

LD

cd

CD

'3-

o

o

o

Ų

1

1

o

o

1

1

1

1

1

1

1

1

1

o

o

1

1

1

1

1

1

1

1

1

co

CM

O

o

C3

Ų

LD

o

03

od

CD

r---

03

LD

O

o

LD

CM

O

o

LD

CM

O

O

LD

cd

CD

'3-

o

o

o

Ų

r--

1

1

o

o

1

l

1

1

1

1

o

o

o

LD

CD

0

0

0

0

0

LD

1

o

o

1

l

1

1

1

1

1

1

1

co

CM

O

o

o

o

LD

o

03

od

CD

03

LD

1^

O

o

LD

CM

O

o

LD

CM

O

o

LD

cd

CD

o

o

o

LD

CO

0

0

0

Ų

0

LD

1

Garantie procesrisico's

CO

0

¶O

03

_c

o

co

0

E

co

o P

L 3

0

03

c

o

c

0

o

SC 0

If

03

C

\p co

Jc "o ^

O 0 o V- o 0 W 03^

¶So? c -2 g

ę o £

ę3 & į OS5

‹‹

CO

¶0 ,

5 0

il

l>

m 2

03 O

ß E

c

o

_0

o

co

0

cc

0

11 (/) LL

c

0

¶0

c

_re

'0

c”

LU

‹‹

co

0

Q

_c

0

03

¶0

03

to

c

5

‹‹

;z:

Q

0

0

a

0

ol

0

c

03

03

O

Belastingen

c

0

03

E

_0

ē0

'o

c

03

c

LL

c

0

03

E

_0

  • ē 
    0 'o c

03

c

LL

c

0

03

E

_0

ē0

'o

c

03

c

LL

c

0

03

E

_0

:0

'o

C

03

C

LL

C

0

03

E

_0

ē0

'o

c

03

c

LL

c

0

03

E

_0

ē0

'o

c

03

c

LL

c

0

03

E

_0

:0

'o

c

03

c

LL

¶>

0

03 I .

raģ 0

-O 0

0 0 co

a ģ

11 ß il 2 'o.

¶>

0

03    1    .

a> ģ 0

¶… -Q 0

0 0 co 'Ų a ģ

11 ß il 2 'o-

 

CM

CO

 

LD

CD

 

00

03

O

Ď>

o

co

co

o

co

co

o

co

co

o

o

o

o

co

o

co

0

co

c

E

o

LL

¶>

CM

LO

co

o

o

o

Ų

03

c\i

o

o

o

co

LO

o

o

o

co

LO

o

o

o

co

03

LD

(O

03

LO LO

co

LO

co

LO

co

_0 03

c

o _0

'+Ī :0

EŽ -

0 03 t C 0

0

CO

(7)

LL

LU

o

o

o

Ų

03

C\1

o

o

o

Ų

CD

c\i

o

o

o

o

CD

o

o

o

Ų

CM

įo

CM

ó    c

£    0

Ďr .. CO

co

¶O

c

o

CU CU CO cu ¶tĪ O) 3

CD

O

0)

¶Ų

E

CU

cu

0)

O

CD

>

  • 0) 
    co 00

CU CU

to cu ¶tĪ O) 3

CD C 00

CD

O

CD C 00

CD

o

cu cu to cu .ti co 3

co

E

O

o

o

LO

o

o

LO

LO

00

o

o

LO

o

o

LO

o

o

o

Ų

LO

CNI

o

o

o

Ų

LO

CNI

O

O

o

Ų

LO

o

o

o

Ų

o

CM

o

o

o

o

LO

o

o

o

Ų

LO

co

CM

co

r-Ų

LO

co

r-Ų

r-Ų

o

LO

co co

cx>

r-Ų

CM

00

CM

^J-

co

CM

co oo

CM

00

CM

LO

o

co

CM

00

LO

CNJ

r--

<j>

LO

Q-J

r--

CM

r--

<j>

LO

Q-J

r--

LO

CM

÷

O

Q-J

r--

LO

LO

ai

LO

LO

ai

LO

co

CNJ

LO

co

CM

LO

co

CM

co

co

co

CM

LO

LO

r--

co

LO

LO

LO

LO

co

CM

o

cx>

r-Ų

LO

O

P-Ľ

LO

CO

o

o

o

Ų

o

o

o

o

00

co

co

o

o

o

Ų

o

o

Ų

O

O

O

÷

O

O

O

o

oo co

ŲŲ

co

o

o

o

Ų

o

o

o

o

o

o

Ų

o

o

Ų

o

00

00

co

o

o

Tt

Ų

o

o

Ų

r-ę

r-ę

o

o

o

o

o

Ų

o

o

csi

00

co

't

LO

o

o

Tt

o

r-Ľ

LO

r-Ľ

CD

Q_

O

M

CD

>

0

'~G

CD

”    i

N    CD

CD    £!

CO

00

G1

O

CM

CM

CM

CM

CM

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x Ä 1.000)

 

Saldo

2019

  • 245

875

614

1

1

1

1

1

Stand isicovoor- ziening

2019

1

875

1

1

1

1

1

o

o

o

cd

Ontvangsten 2019 r

1

875

614

1

1

1

1

l

Uitgaven

2019

245

1

1

1

1

1

1

l

Saldo

2018

  • 245

875

614

1

1

1

1

l

Stand sicovoor- ziening

2018

1

1

1

1

1

1

1

2.000

Ontvangsten 2018 r

1

875

614

1

1

1

1

l

Uitgaven

2018

245

1

1

1

1

1

1

l

Saldo

2017

  • 156

875

CD

1

1

1

1

l

Stand isicovoor- ziening

2017

1

1

1

1

1

1

1

o

o

o

Ontvangsten 2017 r

1

875

CD

1

1

1

1

1

Uitgaven

2017

156

1

1

1

1

1

1

1

Omschrijving

Garantie procesrisico's

Terrorisme-schades (NHT)

WAKO

(kernonge vallen)

Garantie

Stichting

Waarborgfonds

Motorverkeer

NBM

Waarborgfonds motorverkeer

Single

Resolution

Fund

DGS

BES-eilanden

Artikel

Belastingen

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

FinanciŽle markten

Nr.

 

CM

CO

 

LO

CD

1 r--

00

CD

CO

c

*£ C‹ o

O -Ų

O)

CD

įo

CD

oo

LO

o

o

CM

O.

O

CD

CD .Ł

'4= t

C <D CD Q.

CD 2

O Q_

CD

CD

CD ^

E W

^ C C CD CD >

CD

CO

c

£

CD

O

LL

CD

CM

O O)

~Ų iL O) O)

c o

^ CM

c o O to

C O) CD <ó > O CU CM CD

5

O 00

¶O i 0)00

c O

^ CM

c o

O to

C 00 CD ę-> O CU CM CD

5

o r-*

O i Ų)h

c o

£U CM

c o

O to

c r^

CD ę-> O CU CM CD

5

CD

C

>

CO

E

O

CD

t

<

©

CU

c

o

CU

c

CD

cu £;

c CD 4= -Q

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

CM

O)

co

o

1^

00 CÔ

co

CM

00

CM

co

LO

CM

o

o

CM

CM

CM

O)

CJ)

CM

CM

CM

o

00

CM

O

O

LO

o

co

00

co

Tt

co

Tt

CSI

CM

O

r>

LD

CM 00 O) LD

co

00

co

CM

CO

CM

(/)

LU

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

©

CD

u:

eg

LU

©

CU

c

o

CU

c

CD

CD O

cu £;

c CD

4= -Q

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

u:

c

cu

-Q

T3

CD

CD

g

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

Q

cc

0‹

LU

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

©

CU

c

o

CU

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

LL

i

i

CO

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

eg

<

©

cu

c

o

cu

c

CD

cu £;

c CD

4= -Q

CD

t c +o ^

O CD CU CO CD

CU

CU

+-1

,0

LO

co

00

O)

o

CM

CM

CM

CM

CM

Algemeen

Garantieregelingen groter dan Ä 5 mln. worden toegelicht. Ten opzichte van de begroting 2018 zijn geen nieuwe garanties afgegeven.

Alle reguliere risicoregelingen worden in de periodieke beleidsdoorlich-tingen getoetst op nut en noodzaak. Voor de planning van deze periodieke evaluatie wordt verwezen naar overzicht 2.4 ęMeerjarenplanning beleidsdoorlichtingenĽ en bijlage 5 ęEvaluatie- en overig onderzoekĽ.

  • 2. 
    Terrorismeschades (NHT)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat verzekeraars en herverzekeraars terrorismerisico's uitsloten op hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van Ä 1 mld. per jaar. De Staat geeft een garantie voor de laatste Ä 50 mln. van deze dekkingscapaciteit. Eerder was richting de Tweede Kamer gecommuniceerd dat de garantie per 1 januari 2019 zal worden beŽindigd. Na evaluatie van de garantie conform het garantiekader begin 2018 is besloten deze in 2019 te continueren, aangezien terrorismerisico's reŽel blijven. Het ingevulde toetsingskader is als losse bijlage bij deze begroting opgenomen.

Beheersing risico's

De risico's voor de Staat zijn beperkt doordat de verzekeraars en herverzekeraars de eerste Ä 950 mln. van de dekkingscapaciteit garanderen en pas daarna de garantie van de Staat kan worden aangesproken.

Premiestelling en kostendekkendheid

De Staat heft een premie over het afgegeven garantiebedrag van Ä 50 mln. Deze middelen worden vanaf 2019 gestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 3. 
    WAKO (kernongevallen)

Doel en werking garantieregeling

De Wet aansprakelijkheid kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen.

De exploitant is aansprakelijk voor schade bij kernongevallen, maar de Staat der Nederlanden staat voor zes installaties garant: voor vijf installaties tot maximaal Ä 1,5 mld. per ongeval en voor de kerncentrale Borssele maximaal Ä 2,3 mld. per ongeval. Het totale risico voor deze installaties bedraagt dus Ä 9,8 mld. Het bedrag van Ä 1,5 mld. is gebaseerd op de Verdragen van Parijs en Brussel, die verdragsstaten verplichten tot een garantstelling. Aangezien een kernongeval bij Borssele hogere schades kan veroorzaken is er nationaal door het kabinet voor gekozen hiervoor een hogere garantie af te geven. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant van kerncentrale Borssele jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Voorts hebben alle kerninstallaties een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij commerciŽle verzekeraars en voor bepaalde risico's bij de Nederlandse Staat. Hiertoe zijn zij op grond van de WAKO verplicht. De verzekerde som is afhankelijk van de risico's bij de betreffende installatie, maar is in geen geval hoger dan Ä 1,2 mld. De Staat ontvangt hiervoor van alle kerninstallaties premies. Voor schades die door verzekeraars worden vergoed hoeft geen beroep te worden gedaan op de staatsgarantie.

Het doel van deze garantie is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen.

Beheersing risico's

Kerncentrales moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kerncentrale in Borssele is ook bestand tegen externe omstandigheden, zoals een aardbeving of overstroming. Uit onder andere de Europese stresstest blijkt dat Borssele voldoet aan de bestaande veiligheidseisen. Voor de overige installaties zijn nationale stresstests uitgevoerd.

Kerncentrales staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. Dit ligt vast in de Nederlandse wet en in internationale verdragen. Daarnaast staan in de vergunningen talrijke eisen aan een kerncentrale. Dit zijn bijvoorbeeld eisen om internationale contacten tussen kerncentrales te onderhouden om kennis en ervaringen uit te wisselen. Wettelijk toezicht in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), die het toezicht ook uitvoert. De ANVS ziet erop toe dat alle nucleaire installaties in Nederland de relevante veiligheidseisen naleven. Ook zorgt de ANVS dat veiligheids- en beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Er zijn regelmatig contacten tussen de kerncentrale en de ANVS. Inspecteurs houden vaak ter plekke toezicht en controles. Zij kijken of de vergunningen worden nageleefd, of technische specificaties en de werkwijzen kloppen en of voorgenomen wijzigingen aan installaties mogen worden uitgevoerd.

Premiestelling en kostendekkendheid

De doelstelling is dat het rendement voor de Staat (in de zin van premieontvangsten) een weerspiegeling is van de risico's voor de Staat. Voor de berekeningssystematiek wordt aangesloten bij de premieberekening die de markt hanteert voor kernongevalschadeverzekeringen. Door de relatief grote omvang van de garantie ten opzichte van de premie is het onmogelijk om op een redelijke termijn een begrotingsreserve te creŽren die het risico afdekt; de premies worden daarom niet afgestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend

  • 7. 
    Single Resolution Fund

Doel en werking garantieregeling

In de verklaring van de Ministers van de Eurogroep en Economic and Financial Affairs Council (Ecofinraad) van 18 december 2013 is opgenomen dat er voor de overgangsperiode (2016-2023) van het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund, SRF) voorzien zal worden in een systeem waarbij voor de afwikkeling van een bank(engroep) in laatste instantie brugfinanciering aan de Single Resolution Board (SRB) verstrekt kan worden. Brugfinanciering is noodzakelijk aangezien zich situaties kunnen voordoen waarbij de aanwezige middelen in het SRF ontoereikend zijn om de kosten voortkomend uit een afwikkelingscasus mee te financieren en het vervolgens niet (voldoende) mogelijk is om onmiddellijk ex-post bijdragen bij banken in de betreffende lidstaat te innen. Voor de geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM) is het van cruciaal belang dat het SRF effectief en voldoende gefinancierd is.

Voor de vormgeving van brugfinanciering is gewerkt aan een systeem van individuele kredietlijnen van lidstaten. De totale omvang van alle individuele kredietlijnen van de lidstaten van de eurozone is gelijk aan het afgesproken streefbedrag van het SRF. Op dit moment is de omvang van het SRF bepaald op Ä 55 mld. De omvang van de individuele kredietlijnen is gelijk aan de omvang van het nationale compartiment in het SRF. Het Nederlandse compartiment is vastgesteld op circa Ä 4,16 mld., ofwel 7,57% van de totale omvang van de verwachte ex-ante contributies aan het SRF in de periode 2016-2023.

Beheersing risico's

Er kan geen direct beroep worden gedaan op het SRF om de verliezen van een instelling te absorberen of om de instelling te herkapitaliseren. Uitgangspunt bij afwikkeling is immers dat eventuele kosten of verliezen worden gedragen door aandeelhouders en crediteuren van een falende bank en niet de belastingbetaler. Ten aanzien van het opvangen van verliezen en herkapitalisatie geldt daarom dat ten minste 8% bail-in van de totale passiva inclusief eigen vermogen moet plaatsvinden. Hierna mag een bedrag van maximaal 5% van de totale passiva inclusief het eigen vermogen van de bank in afwikkeling worden aangewend uit het SRF. Alleen indien alle niet-preferente passiva, met uitzondering van in aanmerking komende deposito's, volledig zijn afgeschreven kan, indien nodig, een groter beroep worden gedaan op het fonds.

Als een beroep wordt gedaan op het SRF tijdens de overgangsperiode worden de middelen aangewend volgens een getrapt systeem. Daarbij zijn de nationale compartimenten van de lidstaten en de mate waarin zij zijn gemutualiseerd van belang. Deze compartimenten worden gevuld met vooraf te betalen (ex-ante) bijdragen door de banken in de aan de bankenunie deelnemende lidstaten. Het getrapte systeem tijdens de overgangsfase bestaat uit vijf treden. Pas als alle treden uit het getrapte systeem volledig zijn afgelopen kan de SRB gebruikmaken van de individuele kredietlijn van de lidstaat waar de afwikkelingscasus plaatsvindt.

Premiestelling en kostendekkendheid

De kans dat er op de garantie (de kredietlijn) getrokken wordt, is op zichzelf laag doordat een beroep op de garantie alleen kan worden gedaan in laatste instantie en na het doorlopen van het getrapte systeem van het SRF. Bij afwikkeling van een enkele instelling zal het risico tevens kleiner zijn dan bij de afwikkeling van meerdere instellingen tegelijkertijd of kort na elkaar. Doordat het fonds de komende jaren wordt gevuld door de banken zelf, neemt het risico dat een beroep moet worden gedaan op de garantie ook af.

Lidstaten die hebben gekozen voor een kredietlijn zonder parlementaire goedkeuring voorafgaand aan iedere uitbetaling of tranchering, zoals Nederland, krijgen een bereidstellingsprovisie van 0,1%. De bereidstel-lingsprovisie wordt berekend over het bedrag onder de kredietlijn waar de SRB daadwerkelijk een beroep op kan doen. De provisie is zodoende afhankelijk van de totale middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF, de uitstaande leningen en de externe financieringsmogelijkheden van de SRB. De inkomsten uit de bereidstellingsprovisie zijn behoedzaam geraamd. Daarbij is uitgegaan van het uitblijven van een resolutiecasus waardoor de middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF toenemen en zodoende het beschikbare bedrag onder de kredietlijn en daarmee ook de bereidstellingsprovisie afnemen. Als het beschikbare bedrag onder de kredietlijn nul is, ontvangt de lidstaat geen bereidstellingsprovisie, omdat er dan Łberhaupt niet op de kredietlijn getrokken kan worden. De bereidstellingsprovisie wordt aan het einde van het jaar door de SRB vastgesteld en potentieel uiterlijk 20 dagen na het einde van ieder kalenderjaar aan de lidstaat betaald. Om bovenstaande reden is de bereidstellingsprovisie geraamd op nul.

In de situatie dat de SRB een beroep doet op de kredietlijn en (een deel van) de garantie wordt ingeroepen, ontvangt de Nederlandse Staat rente, welke gelijk is aan de financieringskosten vastgesteld op de dag dat de SRB het verzoek heeft ingediend om gebruik te maken van de kredietlijn (of in het geval dat de lening verlengd wordt, op de dag dat de SRB vraagt om de verlenging van de lening).

  • 8. 
    DGS BES-eilanden

Doel en werking garantieregeling

Het depositogarantiestelsel (DGS) voor de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) is in 2017 ingesteld om de depositohouders op die eilanden te beschermen en de stabiliteit van het financiŽle stelsel te vergroten. In de Wet financiŽle markten BES staat dat de aan het DGS deelnemende kredietinstellingen de kosten van het DGS dragen. Gezien de situatie van de kredietinstellingen op de BES-eilanden is gekozen voor een model waarbij de sector achteraf indien mogelijk het DGS financiert maar de Staat de uitkering zo nodig voorfinanciert. De onmiddellijke uitkering uit het DGS komt ten laste van de schatkist. Vervolgens wordt de uitkering, in door DNB vast te stellen termijnen, door de sector terugbetaald.

Beheersing risico's

Het DGS garandeert deposito's van ingezetenen van de BES-eilanden bij op de BES-eilanden actieve banken tot een bedrag van $ 10.000. Het DGS keert enkel uit in de situatie dat een bank door faillissement tegoeden van spaarders niet kan terugbetalen. Alleen in de uitzonderlijke situatie van een faillissement van een bank kan een beroep worden gedaan op de regeling. De schade voor depositohouders wordt berekend op basis van de administratie van de failliete bank: DNB heeft op grond van de Wet financiŽle markten BES de bevoegdheid de administratie op te vragen. Het is een tijdelijke garantie: zodra meer structurele oplossingen gerealiseerd zijn, kan de regeling geheel of gedeeltelijk worden beŽindigd.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premie bedraagt Ä 1 mln. per jaar en wordt in een begrotingsreserve gestort. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling. De regeling is op dit moment kostendekkend.

  • 9. 
    DNB winstafdracht

De garantie aan DNB is per 1 maart 2018 komen te vervallen (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013 nr. 165).

  • 11. 
    Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

Doel en werking garantieregeling

De Staat heeft garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende instellingen die het gevolg zijn van de verkoop van staatsdeelnemingen. Aan Fortis Corporate Insurance (Ä 5,5 mln.) en de koper van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM; Group Heylen, Ä 2,7 mln.) zijn garanties en vrijwaringen verstrekt. Bij de verkoop van een belang kan het voorkomen dat de koper bepaalde garanties vraagt voor niet in de balans verwerkte posten. Dit is gebruikelijk bij fusies en overnames. Op deze manier wordt het risico van de acquisitie voor de koper verminderd, waardoor voorkomen wordt dat er een overeenkomst gesloten wordt tegen een lagere prijs.

Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen verstrekt om de financiering van staatsdeelnemingen NS (Ä 30 mln.), NWB Bank (Ä 1,1 mln.) en TenneT (Ä 300 mln.) mogelijk te maken. De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal Ä 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet. Hierdoor kon de Stichting de overname van Transpower door TenneT Holding financieren, zonder dat de gelden die de Stichting ter beschikking heeft voor het investeren in interconnectiecapaciteit in het geding kwamen. De middelen uit deze Stichting dienen namelijk altijd direct beschikbaar te zijn. Daarnaast garandeert de Staat leningen die NS heeft afgesloten via Eurofima. Eurofima is een multilaterale bank, opgericht op basis van een Europees verdrag, die zich specialiseert in de financiering van rollend materieel. Alle nationale Europese spoorvervoerders kunnen onder deze regeling financiering aantrekken onder garantie van het land van herkomst. In 2018 wordt de laatste lening van NS bij Eurofima afgelost, waarmee de garantie komt te vervallen.

Beheersing risico's

Voor de beheersing van de risico's is een eindtermijn en maximumbedrag opgenomen. De garanties en vrijwaringen lopen de komende jaren af, het laatste deel in 2020. De premieontvangsten van TenneT worden afgestort in een begrotingsreserve. Ultimo 2017 was de omvang van de begrotingsreserve Ä 35,2 mln.

Premiestelling en kostendekkendheid

Er worden premies betaald over de garanties die zijn afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen mogelijk te maken. Voor de garantie van TenneT ontvangt de Staat een premie van Ä 4,8 mln. op jaarbasis. NS heeft in totaal Ä 30 mln. aan leningen bij Eurofima, waarvoor de Staat een garantiefee ontvangt van naar verwachting Ä 46.000 in 2018. Met uitzondering van TenneT worden de premieontvangsten die de Staat van de overige deelnemingen ontvangt niet gestort in een begrotingsreserve.

  • 12. 
    FMO

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) is in 1970 opgericht om duurzame economische groei in ontwikkelingslanden te bevorderen, door het verschaffen van eigen vermogen of leningen voor projecten die impact creŽren en voldoen aan FMO's standaarden op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en ęgood governanceĽ. Hierbij gaat het alleen om projecten die niet door marktpartijen gefinancierd kunnen worden, voornamelijk vanwege het hoge risico dat zij associŽren met onder meer het investeren in ontwikkelingslanden. FMO verschaft het eigen vermogen en de leningen aan private partijen in die landen. Door de private sector in ontwikkelingslanden te versterken wil de Staat een bijdrage leveren aan het terugdringen van armoede.

In de overeenkomst uit 1998 tussen de Staat en FMO is een garantie van de Staat richting FMO opgenomen. De garantie bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. 
    De Staat zal de verliezen uit de bedrijfsvoering dekken, die volgen uit activiteiten van FMO, voor zover deze verliezen niet zijn of worden gedekt door waardecorrecties en/of schadevergoedingen en/of uitkeringen uit hoofde van verzekeringen. Voorts geldt als voorwaarde voor de garantie dat een dergelijk verlies de reserve voor algemene risico's overstijgt en dat de verliezen het resultaat zijn van niet-normale bedrijfsrisico's.
  • 2. 
    Daarnaast heeft de Staat zich verplicht om situaties te voorkomen waarin FMO niet in staat is om bepaalde verplichtingen te voldoen, namelijk de verplichtingen die op FMO rusten uit hoofde van:
  • a. 
    op de kapitaalmarkt opgenomen leningen;
  • b. 
    op de geldmarkt opgenomen korte financieringsmiddelen met een looptijd gelijk aan of minder dan twee jaar;
  • c. 
    swap-overeenkomsten met uitwisseling van hoofdsom en rentebetaling;
  • d. 
    swap-overeenkomsten zonder uitwisseling van hoofdsom met rentebetaling;
  • e. 
    valuta-termijncontracten en Future Rate Agreements;
  • f. 
    optie- en future-contracten;
  • g. 
    combinaties van de hiervoor bedoelde producten (a t/m f);
  • h. 
    garanties door de FMO aan derden verstrekt ten behoeve van de financiering van private ondernemingen in ontwikkelingslanden, en
  • i. 
    die voortvloeien uit het onderhouden van een adequaat apparaat.

Omdat het gaat om een instandhoudingsverplichting is de omvang van de garantie in theorie onbeperkt. In bovenstaand overzicht is, omwille van transparantie, de garantie gekwantificeerd. Het vreemd vermogen van FMO ultimo 2017 is gebruikt als inschatting van het uitstaande risico. De letterlijke tekst van de overeenkomst is leidend voor de interpretatie.

Beheersing risico's

FMO neemt actief risico's die voortvloeien uit het verschaffen van leningen en eigen vermogen aan ontwikkelingslanden om daarmee haar doelstelling te bereiken: het bevorderen van de private sector in ontwikkelingslanden. Hiervoor is het van essentieel belang dat FMO een adequaat risicomanagementsysteem heeft om financiŽle risico's te identificeren, te meten, te volgen en te beperken. Ten grondslag hieraan ligt de risicobe-reidheid van FMO. Dit is het risico dat FMO bereid is om te aanvaarden in het nastreven van toegevoegde waarde. De risicobereidheid van FMO wordt minstens een keer per jaar herzien.

De beheersing van de risico's wordt verder ondersteund door behoedzame kapitaal- en liquiditeitsposities en sterke diversificatie van de leningen en eigenvermogenportefeuille over regio's en sectoren.

Ongeveer 80% van het economisch kapitaal van FMO wordt ingezet voor kredietrisico. Hoewel andere financiŽle risico's niet altijd voorkomen kunnen worden, vermindert FMO deze zoveel mogelijk. FMO heeft geen handelsposities en is in het algemeen niet geÔnteresseerd in valutarisico en renterisico.

Binnen FMO is de afdeling Risicomanagement verantwoordelijk voor het beheren van de risico's in de eigenvermogenportefeuille (ęemerging market portfolioĽ), de eigen vermogensportefeuille (ętreasury portfolioĽ) en alle daarmee samenhangende marktrisico's. Daarnaast heeft FMO een Investeringscommissie bestaande uit senior medewerkers van verschillende afdelingen. Deze commissie analyseert financieringsvoorstellen voor nieuwe transacties. Elk financieringsvoorstel wordt beoordeeld in termen van tegenpartijrisico, productrisico en landrisico. De financierings-voorstellen worden vergezeld van het advies van de kredietafdeling. Deze afdeling is verantwoordelijk voor de beoordeling van de kredietrisico's van zowel nieuwe transacties als de bestaande portefeuille.

FMO heeft een bankvergunning en staat onder toezicht van DNB. De Staat als aandeelhouder is conform de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid 2013 actief betrokken bij staatsdeelnemingen zoals FMO. Relevante (financiŽle) ontwikkelingen worden onder andere besproken in kwartaal-overleggen, het halfjaarlijkse beleidsoverleg en in bijvoorbeeld de aandeelhoudersvergadering.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Het grootste deel van de winst van FMO wordt jaarlijks conform de afspraken in de overeenkomst tussen de Staat en FMO toegevoegd aan de reserves van FMO. Een klein deel wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders van FMO. De Staat heeft 51% van de aandelen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

13 t/m 15. EFSF, EFSM en ESM

Doel en werking garantieregeling

In 2010 is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen European Financial Stability Facility (EFSF), European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM) en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, het European Stability Mechanism (ESM). Deze noodmechanismen verstrekken steun aan landen in nood onder strikte voorwaarden. Op dit moment staat Nederland voor maximaal Ä 34,2 mld. garant voor het EFSF, Ä 2,9 mld. voor het EFSM en Ä 35,4 mld. voor het ESM. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen.

Beheersing risico's

De regeling betreft financiŽle steun aan landen middels een leningenprogramma met strikte voorwaarden dat door het EFSF, EFSM en ESM in tranches wordt uitgekeerd. Het leningenprogramma is erop gericht dat het land dat steun ontvangt zo spoedig mogelijk weer een houdbare financieel-economische positie heeft en weer toegang krijgt tot de financiŽle markten.

Op het moment dat een lidstaat, die steun uit het EFSF ontvangt, niet aan de betalingsverplichtingen aan het EFSF kan voldoen en als gevolg daarvan het EFSF haar schuldeisers niet meer kan betalen, zal Nederland naar rato haar aandeel in de garantie moeten bijdragen aan het EFSF. Als andere landen die garanties hebben verleend op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het EFSF te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het EFSF garanties inroept heeft dit effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Om de financiŽle ondersteuning vanuit het EFSM te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden via de EU-begroting gegarandeerd door de EU-lidstaten. Zodra het EFSM garanties inroept, betekent dit een effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Het ESM kent een andere structuur, waardoor de risico's voor landen die garanties verstrekken zijn ingeperkt. Indien lidstaten die steun hebben ontvangen uit het ESM niet in staat zijn om aan de betalingsverplichtingen van het ESM te voldoen en als gevolg daarvan het ESM haar schuldeisers niet meer kan betalen, dan zal het ESM deze verliezen moeten opvangen. Het ESM zal dan eerst putten uit het reservefonds, daarna uit het volgestort kapitaal en als laatste optie pas het oproepbaar kapitaal (garanties) oproepen. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het ESM te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Naast de andere structuur, worden de risico's beheerst doordat het ESM een preferente schuldeiserstatus (Preferred Creditor Status) kan claimen over andere crediteuren (behalve die van het IMF). Zodra het ESM garanties inroept, betekent dit een effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Premiestelling en kostendekkendheid

EFSF/ESM

De rente die de verschillende programmalanden momenteel betalen aan het ESM en het EFSF is afhankelijk van de rente waarvoor het EFSF/ESM op de geld- en kapitaalmarkt leent (zogenaamde cost of funding). Het verschuldigde rentepercentage is voor het grootste deel van de leningen een samenstelling van de rente die het EFSF/ESM betaalt voor obligatie-uitgiftes met verschillende looptijden (in de zogenaamde funding pool).

Op basis van de op de markt aangetrokken middelen berekent het EFSF/ESM op dagbasis de gemiddelde financieringskosten, welke worden doorberekend aan de programmalanden. Daarnaast betalen lidstaten die steun ontvangen van het EFSF/ESM aan het EFSF/ESM bij ontvangst van een lening een service fee van 50 basispunten, jaarlijks een service fee van 0,5 basispunten en een commitment fee. Lidstaten betalen aan het ESM ook nog een renteopslag, waarbij de hoogte afhangt van het gekozen instrument. De exacte opslagen zijn vastgelegd in de beprijzingsrichtsnoer van het ESM. De renteopslag van het EFSF is vastgesteld op nul basispunten.

EFSM

De prijsstelling van het EFSM kent als uitgangspunt dat deze direct worden doorgegeven aan de specifieke programmalanden tegen dezelfde rente als waarvoor de Europese Commissie inleent. Dit zijn de financieringskosten. De renteopslag op de EFSM-leningen is vastgesteld op nul. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting, op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI), kan de garantieverplichting voor het EFSM jaarlijks worden bijgesteld. Het Nederlandse aandeel in de garantie voor het EFSM, dat maximaal Ä 60 mld. uit mag lenen, wordt voor 2019 geraamd op circa Ä 2,9 mld.

  • 16. 
    EIB-kredietverlening in ACP en OCT

Doel en werking garantieregeling

De European Investment Bank (Europese Investeringsbank, EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara-Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ook wel de Afrikaanse, Caribische en Pacifische landen genoemd, ACP-landen), alsmede in Europese Overzeese Gebieden (Overseas Countries and Territories, OCT-landen). De projecten in deze regio's richten zich op economische ontwikkeling via de ontwikkeling van de private sector en de financiŽle sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd met een ęrevolverend fondsĽ, dat gefinancierd wordt door het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook activiteiten uit eigen middelen. Op deze eigen middelen hebben de lidstaten een garantie afgegeven om het politieke risico dat op deze activiteiten wordt gelopen af te dekken.

Beheersing risico's

Om inspraak van de lidstaten in financieringsbesluiten, gefinancierd uit zowel EDF- als eigen middelen, te waarborgen is er een comitť opgericht waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn. Dit comitť beoordeelt alle investeringsvoorstellen inhoudelijk en brengt advies uit aan de EIB-Board inzake eventuele goedkeuring. Tevens heeft het beheer van de portefeuille dezelfde waarborgen als de EIB-portefeuille binnen de EU.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Door de aandeelhouders wordt geen dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij de garantie zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten in de ACP- en OCT-landen hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke aan de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 17. 
    Kredieten EU-betalingsbalanssteun

Doel en werking garantieregeling

De Europese Betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden met betrekking tot de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het verstrekken van leningen via de Betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de Betalingsbalansfaciliteit. Om de financiŽle ondersteuning te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting. Uit de Betalingsbalansfaciliteit kan voor een maximum aan Ä 50 mld. aan leningen worden verstrekt. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting, op basis van het BNI, kan de garantieverplichting jaarlijks worden bijgesteld. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt voor 2019 geraamd op circa Ä 2,5 mld.

Beheersing risico's

Het doel van de Betalingsbalansfaciliteit is om de financiŽle stabiliteit van de gehele EU te waarborgen opdat risico's voor de Nederlandse economie, financiŽle sector en begroting niet escaleren. Doordat de Europese Commissie op grond van een impliciete garantie van de EU-begroting leningen kan verstrekken hoeven de EU-lidstaten geen kosten te maken voor het verstrekken van deze leningen. Het uitstaande risico komt als pro memorie in de EU-begroting.

Premiestelling en kostendekkendheid

De rente die steunontvangende landen betalen voor financiŽle steun van de Betalingsbalansfaciliteit is gelijk aan de financieringskosten die de Europese Commissie maakt. In de periode 2008-2011 is een totaalbedrag van Ä 13,4 mld. aan leningen verstrekt aan Hongarije, Letland en RoemeniŽ. Van deze programma's zijn alle tranches uitgekeerd en deze landen zijn reeds begonnen met terugbetalen van de leningen. Het openstaande bedrag van de faciliteit aan deze drie landen is circa Ä 3,1 mld.

  • 18. 
    en 19. Wereldbank Groep

Doel en werking garantieregeling

De Wereldbank Groep bestaat uit 4 onderdelen: de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD), de International Finance Corporation (IFC), de International Development Association (IDA) en de Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA). Aan IBRD en MIGA heeft Nederland garanties verstrekt. De IBRD is het Wereldbankonderdeel dat leningen verstrekt aan middeninkomenslanden. IBRD functioneert als een coŲperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd aandeelkapitaal en garanties verstrekt door aandeelhouders, kan de IBRD financiering aantrekken op de kapitaalmarkt en deze financiering als leningen verstrekken aan klantlanden. In 2018 hebben de aandeelhouders van de Wereldbank als onderdeel van een aanvullende kapitaalinleg besloten per 2020 hun garanties aan IBRD te verhogen.

MIGA is een ander onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA kunnen eveneens gefinancierd worden doordat aandeelhouders aandelenkapitaal en garanties hebben verstrekt.

Beheersing risico's

De garanties aan IBRD kunnen alleen worden ingeroepen op het moment dat de IBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt, wordt als zeer klein aangemerkt. De IBRD voert namelijk een prudent beleid met als expliciet doel het risico op een ęcall on capitalĽ te minimaliseren en het liquiditeiten-risicobeleid van de IBRD is conservatief. De leenportfolio van de IBRD functioneert goed. Dit komt mede doordat de Wereldbank mondiaal opereert waardoor de portefeuille goed gediversifieerd is. De externe kredietbeoordelingbu-reaus (Moody's, S&P en Fitch) geven de IBRD allen een AAA/Aaa-rating.

De bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status (stabiel) die de instelling in staat stelt voordelig te lenen op de kapitaalmarkt. Tevens heeft de IBRD een zogenaamde Preferred Creditor Status.

Dit houdt in dat lenende landen de IBRD voorrang verschaffen bij betaling indien zij moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. MIGA voert eveneens prudent risicobeleid. Sinds de oprichting van MIGA in 1988 is er in slechts enkele gevallen overgegaan tot uitkering van schade. De overige gevallen van (potentiŽle) claims zijn opgelost door middel van settlement. Leverage die de Wereldbankgroep heeft op overheden speelt hierbij een belangrijke rol.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen gestort worden in een begrotingsreserve. De financiŽle voordelen van de garantie worden door IBRD en MIGA middels betere leenvoorwaarden doorberekend aan de klantlanden en -organisaties, waarmee het bijdraagt aan de realisatie van de opgelegde beleidsdoelstellingen. Het instellen van een premie zou de bijdrage van IBRD en MIGA aan het maatschappelijke doel verminderen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 20. 
    EBRD

Doel en werking garantieregeling

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD, oftewel de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele landen in de Zuidoostelijk Mediterrane regio. Het mandaat van de bank is specifiek gericht op de transitie van (aanvankelijk ex-communistische) economieŽn naar markteconomieŽn met een robuuste private sector en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door aandelenkapitaal, waarvan zo'n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital13).

Beheersing risico's

De garantie kan alleen worden ingeroepen door de EBRD wanneer de bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en de bank dus failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als zeer klein aangemerkt. De EBRD voert een prudent beleid. Het liquiditeit- en risicobeleid zijn conservatief. De leenportfolio van de EBRD doet het historisch gezien goed en de bank maakt winst. Mede daardoor heeft de EBRD een sterke kapitaalpositie met een gezonde verhouding tussen de portfolio en de capaciteit om het risico in de portfolio te dragen. Het beleid is erop gericht dat kapitaalgaranties nooit ingeroepen hoeven te worden. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody's, S&P en Fitch) geven de EBRD allen een AAA/Aaa-rating. De bank heeft een Preferred Creditor Status. Tevens heeft de board van de bank een Audit Committee dat de risico's van de bank nauwgezet in de gaten houdt. Er is een Internal Audit Committee dat toeziet op de kwaliteit van procedures en processen (deze rapporteert aan de president van de bank).

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EBRD hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EBRD, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Uit het eigen vermogen worden regelmatig (beperkt) middelen onttrokken met goedkeuring van de Raad van Gouverneurs, bijvoorbeeld voor het EBRD-fonds waaruit onder andere technische assistentie-activiteiten worden betaald of het door de EBRD beheerde Chernobyl Shelter Fund. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 21. 
    EIB

Doel en werking garantieregeling

De EIB heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de EU. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt, waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector. In 2018 heeft de EIB haar aandeelhouders een garantieverhoging voorgelegd ter vervanging van het kapitaal van het VK in de EIB. Deze garantieverhoging gaat in per 30 maart 2019 (het moment van de Brexit). In het voorstel neemt de Nederlandse garantstelling aan de EIB toe met Ä 1,9 mld. Het kabinet is voornemens om na parlementaire goedkeuring in te stemmen met de voorgestelde vervanging van het kapitaal van het VK.

Beheersing risico's

Garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de EIB op het moment dat de bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt wordt echter als zeer klein aangemerkt, omdat de EIB een zeer prudent risicobeleid voert dat als doel heeft kapitaalgaranties nooit te hoeven inroepen. De leenportfolio van de EIB functioneert historisch gezien goed en de bank maakt winst. De externe kredietbeoordelingbu-reaus (Moody's, S&P en Fitch) geven de EIB allen een AAA/Aaa-rating. Deze sterke rating is een reflectie van de kwalitatief hoogwaardige portefeuille van de EIB en de sterke steun van een aantal kredietwaardige aandeelhouders (met name Duitsland en Nederland). De bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. De bank heeft een Preferred Creditor Status. Tevens heeft de board van de bank een risk committee dat de risico's van de bank in de gaten houdt en er is een onafhankelijk audit committee (bestaande uit financiŽle experts, toezichthouders en auditors) dat rechtstreeks rapporteert aan de Gouverneurs van de EIB (Ministers van FinanciŽn). Dit comitť ziet onder andere toe op naleving van de regels voor toereikendheid van kapitaal en liquiditeit van de EU (CRD) en Bazel, waarbij de bank overigens conform haar eigen beleid ver boven de daarin vastgelegde minima uitsteekt.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Zou de EIB ooit worden opgeheven dan zou dit kapitaal terugstromen naar de aandeelhouders. Overigens is er wel eenmaal in het bestaan van de EIB dividend verstrekt aan de aandeelhouders toen het kapitaal van de bank uitzonderlijk hoog was in verhouding tot de behoefte. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 22. 
    DNB - IMF

Doel en werking garantieregeling

Bij het International Monetary Fund (Internationaal Monetair Fonds, IMF) gaat het om een garantie die de Nederlandse Staat aan DNB verleent om het risico te dekken indien het IMF in gebreke blijft. De garantiever-strekking is daarmee dus in feite een nationale aangelegenheid. Deze garantie staat wel op de begroting, maar wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Een deel van de garantie is tijdelijk. Dat betreft de garantie voor het verstrekken van de New Arrangements to Borrow (NAB) en de Bilateral Borrowing Agreements aan het IMF, die respectievelijk in 2022 en 2020 aflopen. Wanneer wordt besloten om de bijdragen van Nederland aan de NAB en Bilateral Borrowing Agreements na het aflopen niet meer te verlengen, kan de garantie daardoor dalen. Voldoende financiŽle slagkracht voor het IMF is belangrijk om toekomstige crises en financiŽle schokken het hoofd te bieden. Nederland vindt het daarom van belang dat de middelen van het IMF op voldoende niveau blijven en rekent het ook tot haar verantwoordelijk om, samen met een brede groep andere landen, ervoor te zorgen dat het IMF van voldoende middelen blijft voorzien.

Beheersing risico's

De kans dat DNB de garantie moet inroepen is zeer klein. Het IMF kent verschillende beleidsmaatregelen om te voorkomen dat betalingsachterstanden op IMF-programma's ontstaan. Belangrijke elementen hierin zijn het IMF-beleid voor programmalanden, de Preferred Creditor Status die het IMF heeft en de reserves die het IMF hanteert. De kredietverlening van het IMF is revolverend, wat betekent dat landen na een bepaalde periode het IMF weer terug moeten betalen. Het komt nauwelijks voor dat landen achterstanden hebben bij het IMF, mede dankzij het prudente beleid dat het IMF voert. Een belangrijk element hierin vormt het toegangsbeleid: voordat het IMF een programma verstrekt wordt vastgesteld of een land voldoende capaciteit heeft om het IMF terug te betalen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor limieten van leningen zodat het IMF grenzen kan stellen aan de beschikbare financiering voor een programma. Ook zijn de vormgeving van het programma en de gestelde conditionaliteiten belangrijke waarborgen voor terugbetaling. Hiermee dwingt het IMF economische aanpassingen af die lidstaten in staat stellen hun betalingsbalansproblemen op orde te krijgen en tijdig de lening terug te betalen. Daar komt bij dat het IMF een Preferred Creditor is (crediteur die voorrang krijgt boven andere crediteuren) en dat achterstanden bij het IMF slecht zijn voor de reputatie op financiŽle markten en bij andere internationale instellingen. In het geval van achterstallige betalingen kan het IMF terugvallen op de reservebuffer, de zogenaamde ęprecautionary balancesĽ. Het IMF houdt voor deze reserves een doelstelling aan van SDR 20 mld. waarbij SDR 10 mld. als een minimum wordt gehanteerd (SDR = Special Drawing Rights).

Overigens is het zo dat er geen directe koppeling kan worden gemaakt tussen individuele IMF-programma's en de Nederlandse bijdrage aan het IMF. De IMF-middelen aan programmalanden worden ter beschikking gesteld uit de algemene middelen van het IMF. De garantie van de Nederlandse Staat aan DNB dekt de middelen die Nederland beschikbaar stelt aan het IMF, voor de theoretische situatie dat DNB door het IMF niet meer wordt terugbetaald.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor afgegeven garanties aan DNB wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Het IMF zelf ontvangt geen garantie van de Nederlandse Staat en betaalt dus ook geen premie voor deze garantie aan de Nederlandse Staat. Het IMF vraagt wel premie aan landen die financiŽle steun krijgen en betaalt een premie aan landen die middelen verstrekken. Dit laatste geldt ook voor Nederland. Op het moment dat het IMF gebruik wenst te maken van een verstrekt leenarrangement, dan moet DNB de dekking financieren op de kapitaalmarkt. Hiervoor ontvangt DNB een vergoeding van het IMF: de SDR-rente. De premie die landen moeten betalen aan het IMF is gebonden aan de IMF-marktgerelateerde rente, die weer gerelateerd is aan de SDR-rente. Het IMF rekent een extra opslag (vergoeding voor gelopen risico's) voor programma's die groot van omvang zijn (boven de 187,5% quotum van een land uitkomen). Als het bedrag aan financiŽle steun na een aantal jaar nog steeds boven de 187,5% quotum uitkomt, wordt daar bovenop een extra opslag gevraagd om groot en langdurig gebruik van IMF-middelen te ontmoedigen. Een uitzondering wordt gemaakt voor lage-inkomenslanden: zij betalen een lagere premie. Daarnaast rekent het IMF een zogeheten ęcommitment feeĽ voor een aantal faciliteiten, die wordt teruggestort wanneer een land daadwerkelijk geld trekt onder die faciliteit. Ook rekent het IMF een vergoeding om de uitvoeringskosten van een programma te dekken. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

  • 23. 
    AIIB

Doel en werking garantieregeling

In 2015 is besloten om toe te treden tot de nieuw op te richten Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB), welke sinds januari 2016 operationeel is. Op basis van een door de oprichtende aandeelhouders bepaalde verdeelsleutel heeft Nederland een aandeel toegewezen gekregen en zich hierop ingeschreven. Dit aandeel bestaat uit een gedeelte ingelegd (paid-in) kapitaal (20%) en een gedeelte garantiekapitaal (80%). Deze verplichting betreft het garantiekapitaal.

De doelstelling van de AIIB is tweeledig:

  • ē 
    het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het creŽren van welvaart en het verbeteren van het infrastructuurnetwerk in AziŽ door te investeren in infrastructuur en andere productieve sectoren;
  • ē 
    het bevorderen van regionale samenwerking en partnerschappen door samen te werken met andere multilaterale en bilaterale ontwikkelingsinstellingen bij het adresseren van ontwikkelingsuitdagingen.

Beheersing risico's

De garantie kan worden afgeroepen door de AIIB op het moment dat de bank niet meer aan haar financiŽle verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt, wordt echter als zeer klein aangemerkt. De optie om ęcallable capitalĽ in te roepen is bij de Internationale FinanciŽle Instellingen (IFI's) nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de AziŽ-crisis of de afgelopen financiŽle crisis). Het risico wordt ook geadresseerd door het prudent risicobeleid van de bank. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody's, S&P en Fitch) geven de AIIB allen een AAA/Aaa-rating, wat een reflectie is van onder meer de governance-raamwerken van de AIIB, waaronder het risicomanagement-en liquiditeitbeleid van de bank, de sterke kapitaaltoereikendheid en de steun van de brede aandeelhoudersbasis.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden ook geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de AIIB hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de AIIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

  • 24. 
    Exportkredietverzekering

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico's verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de exportkredietverzekeringsfa-ciliteit (ekv-faciliteit) omvat momenteel onder andere de kapitaalgoederenverzekering, verzekering uitvoering van werken, financieringsverze-kering, koersrisicoverzekering, investeringsverzekering, werkkapitaaldekking en verzekering van garanties. In de tabel ęOverzicht verstrekte garantiesĽ wordt naast het verplichtingenplafond van Ä 10 mld. een verwachte afloop van Ä 10 mld. structureel opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen is na afloop van een begrotingsjaar bekend en wordt verantwoord in het jaarverslag van het Ministerie van FinanciŽn.

Vanaf 2018 is de Regeling Investeringsverzekeringen (RIV) geschaard onder de ekv en sinds de begroting 2018 is de aparte vermelding in het overzicht risicoregelingen vervallen. Deze wijziging is aangekondigd in de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting van de exportkredietverzekering14.

Beheersing risico's

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen worden voortdurend gemonitord en indien nodig aangepast, opdat alleen aanvaardbare risico's worden geaccepteerd. Het risicoprofiel van de bestaande ekv-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van FinanciŽn met behulp van een uitgebreid risicokader.

Voor de ekv is in de begroting een bedrag van Ä 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks nieuwe verplichtingen kan aangaan (brutoplafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen, dus het nettoplafond). In 2018 is de garantie RIV samengevoegd met de ekv; het plafond van Ä 10 mld. blijft echter ongewijzigd zodat de beschikbare ruimte iets is afgenomen. De afgelopen jaren is dit plafond niet knellend geweest, zodat naar verwachting voldoende ruimte zal zijn voor het aangaan van de door Nederlandse exporteurs gevraagde verzekeringen.

Premiestelling en kostendekkendheid

Internationaal is om concurrentieverstoring te voorkomen afgesproken dat ekv-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De participanten van de Arrangement - de internationale afspraken ten aanzien van exportkredietverzekeringen - stellen hiertoe minimumpremies op, die in Europese regelgeving zijn verankerd. Nederland monitort de kostendekkendheid met een speciaal hiervoor ontwikkeld model: bedrijfseconomische resultaatbe-paling (berb). Voor het geheel aan exportkredietverzekeringen is een begrotingsreserve beschikbaar van Ä 389,7 mln. (ultimo 2017). Volgens de interneratingmethode onder Basel II en III is de voorziening statistisch gezien, gegeven de huidige ekv-portefeuille, in een gegeven jaar met een kans van 3 op 4 toereikend.

Zowel uitgaven als inkomsten van de ekv zijn lastig te ramen en in de loop van een jaar niet of nauwelijks met beleidsmaatregelen te beÔnvloeden. De schades kunnen in een jaar hoog oplopen, zoals blijkt uit het uitstaande risico van circa Ä 16,8 mld. ultimo 2017. Met de begrotingsreserve kunnen tegenvallers worden opgevangen.

  • 3. 
    BELEIDSARTIKELEN (FINANCIňN)

Artikel 1 Belastingen

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving dragen bij aan de bereidheid van burgers en bedrijven om hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Onder ęcomplianceĽ verstaat de Belastingdienst dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke fiscale verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen. De term ębereidheidĽ geeft aan dat de Belastingdienst ernaar streeft dat belastingplichtigen uit zichzelf fiscale regels naleven, zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Als burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen, dan komt belastinggeld de staatskas binnen zoals de wetgever beoogt en worden overheidsgelden niet onterecht uitbetaald.

Meetbare gegevens

De algemene doelstelling komt voor de fiscale verplichtingen tot uiting in de volgende meetbare gegevens.

 

Prestatie-indicatoren Algemene doelstelling (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde

Streefwaarde

     

2018

2019

Bedrijven

Percentage aangiften omzetbelasting tijdig ontvangen

94,9%

95,3%

>95%

>95%

Percentage aangiften loonheffingen tijdig ontvangen

99,2%

99,3%

>99%

>99%

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort MKB1

5,2%

n.n.b.

<6%

<6%

Burgers

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort Particulieren2

1,0%

0,9%

<1,1%

<0,9%

Bedrijven en burgers

Percentage aangiften inkomensheffingen en vennootschapsbelasting tijdig ontvangen

94,5%

n.v.t.3

>94%

>94%

Tijdige betaling van belastingen en premies

98,4%

98,4%

>98%

>98%

Oninbare belastingen en premies

0,3%

0,3%

<0,6%

<0,6%

1    Zowel voor MKB als particulieren betreft het nalevingstekort een netto cijfer: saldo van correcties ten nadele van de belastingplichtige en correcties in het voordeel van de belastingplichtige.

2    Zie voetnoot over nalevingstekort hierboven.

3    N.v.t. betekent dat in het gegeven jaar de (streefwaarde van de) prestatie-indicator niet of anders is gemeten en/of gerapporteerd in de begroting, waardoor vergelijking over de jaren niet mogelijk is.

Percentage aangiften omzetbelasting (OB), loonheffingen (LH), inkomens-heffingen (IH) en vennootschapsbelasting (Vpb) tijdig ontvangen Deze indicatoren weerspiegelen of het beleid van de Belastingdienst succesvol is om belastingplichtigen meer aan de voorkant van het proces te bewegen tijdig een juiste en volledige aangifte in te dienen. Deze beweging wordt ondersteund door de doorontwikkeling van de vooringevulde aangifte (VIA). Het aantal ambtshalve opgelegde aanslagen en verzuimboetes wordt hierdoor verminderd, evenals het aantal bezwaarschriften daartegen15.

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingtekort

Voor het structureel terugdringen van het nalevingtekort16 wordt ingezet op het zoveel mogelijk vooraf borgen van de volledigheid en juistheid van de aangiften door maatregelen als de VIA, klantbehandeling in de actualiteit bij grote ondernemingen en het afsluiten van convenanten met fiscale dienstverleners waarmee de kwaliteit van aangiften van ondernemers wordt geborgd. Daarnaast blijft de Belastingdienst toezicht achteraf, na indienen van de aangifte, uitvoeren. Met steekproefsgewijze controles wordt periodiek het niveau van naleving vastgesteld voor de segmenten Particulieren en Midden- en kleinbedrijf (MKB). De steekproefsgewijze controles verschaffen inzichten in de houding en het fiscaal relevante gedrag van belastingplichtigen en in bestaande nalevingste-korten. De Belastingdienst onderzoekt welke (aanvullende) methodieken er zijn om inzicht in het niveau van naleving te verkijgen.

Tijdige betaling van belastingen en premies

Deze indicator meet het deel van de geÔnde belastingen en premies dat de belastingplichtigen tijdig, voor de vervaldatum, volledig betalen aan de Belastingdienst. Hiertoe wordt ook het voldoen van een vordering na een betalingsherinnering of als onderdeel van een betalingsregeling gerekend. Deze indicator geeft aan voor welk deel van de ontvangsten de Belastingdienst geen intensieve invorderingsmaatregelen hoeft toe te passen. Voor 2019 is de doelstelling om boven de 98% uit te komen.

Oninbare belastingen en premies

Deze indicator meet hoeveel procent van alle vorderingen niet wordt geÔnd. Het niet kunnen invorderen kan verschillende oorzaken hebben: faillissementen, wettelijke schuldsanering, overlijden of omdat de vordering niet te verhalen is. Andere oorzaken van oninbaar lijden zijn fraudeposten en aanslagen voor criminele posten. De ervaring leert dat deze vorderingen zeer lastig zijn te innen. Vanaf 2015 wordt het nog opeisbare deel van de vorderingen via dynamisch monitoren gemonitord op nieuwe verhaalsmogelijkheden, waar ze vroeger eerder werden afgeboekt als oninbaar. De realisatie van oninbare belastingen en premies zal zich naar verwachting weer richting de streefwaarde gaan bewegen omdat oude vorderingen ook bij dynamisch monitoren op een bepaald moment oninbaar zijn.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • ē 
    het te voeren fiscale beleid;
  • ē 
    het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;
  • ē 
    het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van:

  • ē 
    de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;
  • ē 
    de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverze-keringswet;
  • ē 
    de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen;
  • ē 
    de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;
  • ē 
    handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiŽle integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiŽle integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, naleving van wet- en regelgeving door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Artikel 9 Douane

Zoals gemeld in de Groeiparagraaf van de leeswijzer van deze begroting, is met ingang van 2019 een apart beleidsartikel Douane opgericht (artikel 9). Aangezien de Douane een dienstonderdeel is van de Belastingdienst en dus tot nu toe in de begroting IX onderdeel uitmaakt van artikel 1 Belastingen, betekent het oprichten van een apart begrotingsartikel Douane dat artikel 1 Belastingen wordt opgedeeld. Artikel 1 Belastingen blijft gewoon bestaan, exclusief het gedeelte Douane. Meer informatie over de aanleiding tot oprichting van het nieuwe artikel is opgenomen in de Groeiparagraaf van de leeswijzer van deze begroting.

Verbeteringen uitvoering kinderopvangtoeslag

Het kabinet heeft aangegeven binnen het huidige stelsel verbeteringen in de kinderopvangtoeslag te willen realiseren. Dit biedt tevens de mogelijkheid om binnen de kinderopvangtoeslag ervaring op te doen met verbeteringen die mogelijk ook toegepast kunnen worden op de andere toeslagen. De Belastingdienst en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zullen een aantal verbeteringen in 2019 realiseren met het oog op invoering tijdens toeslagjaar 2020.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Ten opzichte van 2018 zijn in de budgettaire tabel van de Belastingdienst drie grote bewegingen zichtbaar:

  • 1) 
    Nieuwe indeling van de budgettaire tabel van de Belastingdienst:

In onderstaande budgettaire tabel is een aantal nieuwe uitgavenposten zichtbaar gemaakt. Dit betreft de posten: ęGarantiesĽ, ęBijdrage aan ZBO's/RWT'sĽ, ęBijdrage aan (inter)nationale organisatiesĽ, ęOpdrachtenĽ, ęBijdrage aan agentschappenĽ en ęOverig personeelĽ. De budgetten van 2019 en verder zijn in lijn gebracht met deze nieuwe indeling. Hierbij zijn op sommige punten verschuivingen te zien, afgezet tegen de indeling 2018. De nieuwe indeling is conform Rijksbegrotingsvoorschriften opgesteld. Hiermee is de verantwoording over de uitgaven transparanter geworden en is de informatievoorziening verbeterd.

In voorgaande jaren werd budget van de nieuwe posten onder andere posten begroot, daarom zijn deze nieuwe posten voor de jaren 2018 en eerder leeg. De post ęICT opdrachtenĽ viel bijvoorbeeld tot en met 2018 onder ęMateriŽle uitgaven - waarvan ICTĽ. Onder deze nieuwe post staan onder andere uitgaven aan de hard- en software die samenhangen met het primair proces. Een ander voorbeeld is de post ęOverige opdrachtenĽ, deze post viel tot en met 2018 onder ęMateriŽle uitgaven - waarvan overigeĽ. Onder deze nieuwe post staan onder andere de uitgaven aan post.

  • 2) 
    Een separaat begrotingsartikel voor de Douane:

Per 2019 staat het direct toerekenbare budget van de Douane op het nieuwe begrotingsartikel 9, zie ook de Groeiparagraaf en de toelichting in artikel 9. Het budget van artikel 1 van de Belastingdienst is daarom vanaf 2019 verminderd met het budget dat naar artikel 9 is verplaatst. De Douane blijft integraal onderdeel van de organisatie Belastingdienst.

  • 3) 
    Reguliere mutaties:

Er zijn ook reguliere mutaties doorgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de mutaties voor de loon- en prijsbijstellingen.

 

Budgettaire gevolgen van beleid

  • - 
    artikel 1 Belastingen (bedragen x Ä 1.000)
       
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

2.936.066

2.994.468

2.716.883

2.581.801

2.422.478

2.420.564

2.386.072

 

Uitgaven (1) + (2)

3.069.422

3.067.468

2.776.428

2.581.801

2.427.636

2.424.215

2.386.072

  • (1) 
    Programma-uitgaven

145.397

147.204

407.952

406.898

369.688

369.965

371.770

waarvan juridisch verplicht

   

63,2%

       

Bekostiging

6.170

5.972

4.178

4.178

4.178

4.178

4.178

Overige bekostiging

4.223

4.161

4.161

4.161

4.161

4.161

4.161

Overige programma-

             

uitgaven

1.947

1.811

17

17

17

17

17

 

Garanties

0

0

245

245

245

245

245

Proces risico's

0

0

245

245

245

245

245

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

6.514

6.514

6.514

6.514

6.514

Waarderingskamer

0

0

1.925

1.925

1.925

1.925

1.925

Kadaster

0

0

1.971

1.971

1.971

1.971

1.971

Kamer van Koophandel

0

0

2.618

2.618

2.618

2.618

2.618

Overige bijdrage ZBO's/

             

RWT's

0

0

0

0

0

0

0

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

0

0

175

175

175

175

175

Internationale Douaneraad

0

0

175

175

175

175

175

 

Opdrachten

0

0

292.853

303.799

277.343

277.620

277.620

ICT opdrachten

0

0

195.395

203.700

177.664

177.833

177.833

Overige opdrachten

0

0

97.458

100.099

99.679

99.787

99.787

Bijdrage agentschappen

0

56.242

31.197

31.197

20.443

20.443

22.248

Logius

0

56.242

31.007

31.007

20.253

20.253

22.058

CIBG

0

0

190

190

190

190

190

Overig

0

0

0

0

0

0

0

Rente    139.227    84.990    72.790    60.790    60.790    60.790    60.790

Belasting- en invorderings- rente    139.227    84.990    72.790    60.790    60.790    60.790    60.790

(2)

 

Apparaatsuitgaven

2.924.025

2.920.264

2.368.476

2.174.903

2.057.948

2.054.250

2.014.302

waarvan: Uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

13.283

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

 

Personele uitgaven

2.284.363

2.258.192

2.051.262

1.890.142

1.770.897

1.768.049

1.735.699

waarvan: Eigen personeel

2.097.312

2.051.012

1.828.176

1.641.697

1.650.929

1.646.036

1.610.865

waarvan: Inhuur externen

187.051

207.180

215.370

240.729

112.252

114.297

117.118

waarvan: Overig Personeel

0

0

7.716

7.716

7.716

7.716

7.716

MateriŽle uitgaven

639.662

662.072

317.214

284.761

287.051

286.201

278.603

waarvan: ICT

190.759

352.372

23.083

22.673

27.004

27.005

27.005

waarvan: Bijdrage SSO's

209.007

126.310

166.230

154.358

157.726

157.723

157.723

waarvan: Overige

239.896

183.390

127.901

107.730

102.321

101.473

93.875

Ontvangsten (3) + (4)

137.141.008

141.784.346

154.158.692

158.261.536

164.341.163

170.784.214

177.536.426

 
  • (3) 
    Programma-ontvangsten

137.109.749

141.759.490

154.127.662

158.230.596

164.311.081

170.753.019

177.505.231

waarvan: Belastingontvangsten

136.288.069

140.941.937

153.306.358

157.421.892

163.504.377

169.946.315

176.698.527

 

Rente

414.676

414.400

418.900

407.100

407.100

407.100

407.100

Belasting- en invorderings-rente

414.676

414.400

418.900

407.100

407.100

407.100

407.100

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Boetes en schikkingen

199.225

205.877

204.577

203.777

201.777

201.777

201.777

Ontvangsten boetes en

             

schikkingen

199.225

205.877

204.577

203.777

201.777

201.777

201.777

 

Bekostiging

207.780

197.276

197.827

197.827

197.827

197.827

197.827

Kosten vervolging

207.780

197.276

197.827

197.827

197.827

197.827

197.827

 
  • (4) 
    Apparaatsontvangsten

31.258

24.856

31.030

30.940

30.082

31.195

31.195

Budgetflexibiliteit

Voor de programma-uitgaven die vallen onder de rubrieken ęBekostigingĽ en ęrenteĽ geldt dat deze voor 100% juridisch verplicht zijn; ze vloeien voort uit de Awr en de Invorderingswet 1990 (rente-uitgaven) en vanuit de Algemene wet bestuursrecht (uitgaven bekostiging). Verder is de bijdrage aan de Waarderingskamer voor 100% juridisch verplicht op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)

Voor de overige programma-uitgaven geldt dat deze niet allemaal als 100% juridisch verplicht zijn aan te merken. Deels zijn er wel contracten etc. gesloten, bijvoorbeeld ten behoeve van ICT en/of andere benodigde diensten voor de uitvoering van de primaire processen van de Belastingdienst. Naar beste inschatting zal het niet-juridisch verplichte bedrag per 1 januari 2019 circa Ä 150 mln. bedragen. Voorbeelden hiervan zijn (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware, zoals voor het Toeslagensysteem en data storage FIOD. Een ander voorbeeld is de uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven). Over het algemeen geldt wel dat de niet-juridische verplichte uitgaven noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de primaire processen, bijvoorbeeld uitgaven ten behoeve van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven of het jaarlijks verlengen van licenties.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Programma-uitgaven

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Garanties

Dit betreft uitgaven als gevolg van garanties die de Belastingdienst afgeeft aan faillissementscuratoren in verband met procesrisico's.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De uitgaven aan de Waarderingskamer betreft de eigenaarsbijdrage van het Ministerie van FinanciŽn voor de begroting 2019 die reeds is vastgesteld en verplicht is op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor het Kadaster en de Kamer van Koophandel heeft de

Belastingdienst samenwerkingsovereenkomsten voor gegevensuitwisseling die worden gebruikt bij de uitvoering van taken van de Belastingdienst. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties Het ministerie levert jaarlijks een bijdrage aan de internationale douaneraad. Conform internationale samenwerkingsovereenkomsten levert ieder land een bijdrage.

Opdrachten

In de Wet elektronisch berichtenverkeer (Wet EBV) staan verplichtingen rond het berichtenverkeer van de Belastingdienst met burgers en bedrijven. Onder ęOverige opdrachtenĽ vallen met name de uitgaven die geraamd zijn voor de ępapieren dienstverleningĽ. Bij ęICT opdrachtenĽ gaat het met name over ICT-uitgaven die te maken hebben met de ędigitale dienstverleningĽ (licenties, software applicaties en hardware).

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan Logius waar de Belastingdienst ICT-voorzieningen afneemt die samenhangen met de primaire taakuitvoering van de Belastingdienst. Het gaat om voorzieningen als Digipoort en DigiD. Interdepartementaal zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt over de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). De stelselafspraken zullen wettelijk vastgelegd worden door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in de Wet Digitale Overheid. Daarnaast betreft deze post een kleine bijdrage aan het CIBG (Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg). Met het CIBG heeft de Belastingdienst een samenwerkingsovereenkomst om winstaangiftes van zelfstandigen in de zorg te controleren. Het CIBG is verantwoordelijk voor het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De rente-uitgaven komen voort uit de Awr en de Invorderingswet 1990 en zijn voor 100% juridisch verplicht. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane).

MateriŽle uitgaven

Dit betreft de materiŽle uitgaven van de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane specifieke materiŽle uitgaven) en omvat facilitaire diensten, middelen en communicatie. ICT bevat voornamelijk uitgaven die horen bij de toerusting van de ambtenaren van de Belastingdienst (telefoon, laptop, werkplek, iPad, etc.). De bijdrage aan Shared Service Organisaties (SSO's) betreft met name de huisvesting (Rijksvastgoedbedrijf).

Ontvangsten

Programma-ontvangsten

Belastingontvangsten

De in de bovenstaande tabel opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto-ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds op grond van de FinanciŽle verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het Btw-compensatiefonds en het BES-fonds.

In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2019 met begrotingshoofdstuk IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2019 met begroting IX (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totale belastingontvangsten

169.835.403

175.691.996

189.125.265

193.094.583

198.908.386

205.155.417

211.720.390

Afdracht Gemeentefonds

27.906.247

29.168.904

30.147.959

30.042.181

29.874.857

29.700.014

29.522.774

Afdracht Provinciefonds

2.569.563

2.314.186

2.407.659

2.372.018

2.270.885

2.250.712

2.240.712

Afdracht Btw-compensatiefonds

3.029.706

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

Afdracht BES-fonds

41.818

41.959

38.279

33.482

33.257

33.366

33.367

Belastingontvangsten IX

136.288.069

140.941.937

153.306.358

157.421.892

163.504.377

169.946.315

176.698.527

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt ontvangen van belastingplichtigen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van fiscale strafbeschikkingen.

Bekostiging

De ontvangsten hebben betrekking op kosten die worden doorberekend aan belastingschuldigen van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Apparaatsontvangsten

Deze post betreft onder andere ontvangsten van facilitaire diensten die de Belastingdienst levert aan andere overheidsdiensten en op basis van factuurbasis worden geleverd.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van FinanciŽn is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ęFiscale regelingenĽ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • ē 
    BTW Vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken;
  • ē 
    BTW Vrijstelling fondswerving;
  • ē 
    BTW Vrijstelling lijkbezorging;
  • ē 
    BTW Vrijstelling overig;
  • ē 
    Accijnzen overige regelingen.

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramings-grond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ęToelichting op de fiscale regelingenĽ.

 

Fiscale regelingen 2017-2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x Ä 1 mln.)1

 

2017

2018

2019

Giftenaftrek inkomstenbelasting

366

375

367

Onderhoudsverplichtingen aftrek

319

319

311

Belaste ontvangen alimentatie

  • 197
  • 197
  • 189

Middelingsregeling

89

89

89

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuit-keringen, waaronder KEW, box 3

979

971

955

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

27

28

30

Heffingvrij vermogen box 3

1.155

919

900

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

102

104

106

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI's

211

215

219

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

6

7

7

30%-regeling

968

1.045

742

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

118

122

122

Algemene heffingskorting

19.765

19.818

21.612

Alleenstaande ouderenkorting

509

480

456

Ouderenkorting

2.953

3.231

3.704

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit2

29

23

22

EB Belastingvermindering per aansluiting

2.441

2.460

2.070

BTW Laag tarief voedingsmiddelen en water

7.983

8.264

6.844

BTW Laag tarief overig

2.087

2.171

1.810

BPM Teruggaaf diverse voertuigen3

13

12

12

MRB Vrijstelling diverse voertuigen4

25

25

26

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

58

61

64

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

19

17

14

MRB Kwarttarieven

141

150

159

1    [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2    EB = Energiebelasting.

3    BPM = Belasting van personenauto's en motorrijwielen.

4    MRB = Motorrijtuigenbelasting.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten - fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale weten regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

De aanpak van internationale belastingontwijking en -ontduiking vormt ook in 2019 een belangrijke doelstelling van het kabinet. In de brief ęAanpak van belastingontwijking en belastingontduiking17Ľ is door het kabinet in het voorjaar van 2018 reeds uitvoerig stilgestaan bij de beleidsvoornemens met betrekking tot dit thema. Een belangrijke pijler is daarbij het tegengaan van de uitholling van de belastinggrondslag van Nederland en die van andere landen door middel van het Nederlandse belastingstelsel. Onder meer de implementatie van de eerste en tweede Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD 1 en ATAD 2) draagt bij aan het realiseren van deze doelstelling. Implementatie van de maatregelen die voortvloeien uit ATAD 1 is voorzien per 2019. Mede gelet op de ambitie van het kabinet om belastingontwijking tegen te gaan en gelet op de wens een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen te bereiken, kiest Nederland hierbij voor een invulling die verder gaat dan de richtlijn voorschrijft.

Naast het tegengaan van de uitholling van de belastinggrondslag is de tweede pijler in het beleid het versterken van de transparantie en integriteit van het belastingstelsel. Ook dat levert een belangrijke bijdrage aan de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking. Onder deze pijler hangen verschillende nationale maatregelen, zoals een verduidelijking van het verschoningsrecht en het versterken van de integriteit van de financiŽle sector via onder meer een aanscherping van de wetgeving voor de trustsector. Internationaal kiest het kabinet bijvoorbeeld voor het ondersteunen van het richtlijnvoorstel voor openbare Country-by-Country reporting. Ook heeft het kabinet de inmiddels aangenomen richtlijn mandatory disclosure gesteund.

Verder stelt het kabinet voor om een bronheffing op dividend (per 2020) en rente en royalty's (per 2021) te introduceren naar landen met een laag winstbelastingtarief (zogenoemde ęlow tax jurisdictionsĽ) en in misbruik-situaties. Bovendien zal het kabinet onder meer via het Multilaterale Verdrag, dat is ontwikkeld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), antimisbruikbepalingen in verdragen opnemen om te voorkomen dat het Nederlandse verdragennetwerk oneigenlijk wordt gebruikt.

Een ander belangrijk streven van het kabinet is om lastenverlichting voor burgers te realiseren door de lasten op arbeid verder te verlagen. In het regeerakkoord worden maatregelen voorgesteld die de lasten voor burgers in 2021 met ruim Ä 5 mld. verlagen. Daarbij gaat het onder meer om de invoering van een tweeschijvenstelsel in box 1, een verhoging van de algemene heffingskorting en een - per saldo - verhoging van de arbeidskorting. Hierdoor stijgt de koopkracht voor alle inkomensgroepen en gaat het meer lonen om (extra) te gaan werken, vooral voor werkenden met een modaal inkomen. De ruimte om de belastingen op inkomen verder te verlagen, wordt onder meer gevonden door per 1 januari 2019 het verlaagde btw-tarief te verhogen van 6% naar 9% en middels verdere vergroening van het belastingstelsel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verhogen van de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2019.

Het kabinet vindt het van belang dat Nederland aantrekkelijk blijft voor ondernemingen die hier zijn gevestigd en voor bedrijven die hier naartoe willen komen. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt bepaald door de verhouding van Nederland tot omringende en concurrerende landen. Daarbij spelen vele factoren een rol, waaronder uiteraard ook het belastingstelsel. In het pakket Belastingplan 2019 worden dan ook diverse maatregelen voorgesteld die bijdragen aan deze doelstelling. Te denken valt aan het afschaffen van de dividendbelasting en het verlagen van de vennootschapsbelastingtarieven. Vanaf 2019 worden de tarieven stapsgewijs verlaagd naar 16% en 22,25%. Ook het uitgebreide netwerk van belastingverdragen draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Nederland zal daarom ook deze kabinetsperiode met landen in gesprek gaan over (nieuwe) belastingverdragen.

Tevens zet het kabinet zich in voor een verdere vergroening van het belastingstelsel. In dit kader wordt onder meer voorgesteld om de energiebelasting beter in balans te brengen met de CO2-uitstoot die ontstaat wanneer de elektriciteit wordt opgewekt of aardgas wordt verbrand. Het kabinet realiseert dit door het tarief van de eerste schijf voor elektriciteit met ingang van 2019 te verlagen en het tarief voor aardgas te verhogen. Verder wordt de belastingvermindering in de energiebelasting per 2019 verlaagd. Ook in de afvalstoffenbelasting gaat het principe dat de vervuiler betaalt zwaarder wegen. Het kabinet verhoogt het tarief voor het verbranden en storten van afvalstoffen met ingang van 2019.

Bovendien zal het kabinet inzetten op een betere uitvoerbaarheid van het belastingstelsel en een beter handhavingsbeleid door de Belastingdienst. Deze doelstelling blijft een kompas bij elke aanpassing in de belastingwetgeving. Zo is het kabinet voornemens om in verband met de vereenvoudi-gingsdoelstelling voor betere uitvoerbaarheid de kleineondernemersre-geling (KOR) in de btw te moderniseren door de regeling te vervangen door een facultatieve omzetgerelateerde vrijstelling van omzetbelasting met een omzetgrens van Ä 20.000. De nieuwe KOR maakt de heffing van btw bij ondernemers met een geringe belaste omzet in Nederland een stuk eenvoudiger. De complexiteit wordt verminderd, doordat handmatige (her)berekeningen, die noodzakelijk zijn voor toepassing van de degressieve vermindering onder de oude KOR, komen te vervallen. De kans op fouten neemt hierdoor af. Ook is de kleine ondernemer die de nieuwe KOR toepast in veel gevallen ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen.

Tot slot streeft het kabinet naar een toekomstbestendig belastingstelsel dat is toegespitst op de toenemende digitalisering en globalisering en dat klaar is voor nieuwe verdienmodellen. Op de lange termijn kan vergaande digitalisering en robotisering namelijk fundamentele gevolgen hebben voor onze belastingmix, onder andere doordat de productiefactor arbeid mogelijk relatief kleiner wordt. De maatregelen uit het regeerakkoord die leiden tot lagere lasten op arbeid, mede gefinancierd uit hogere indirecte belastingen zoals milieubelastingen en de verhoging van het lage btw-tarief zijn dan ook met het oog op de veranderende belastingmix, onder andere door verdergaande digitalisering, een stap in de goede richting.

F2. Belastingdienst

Strategie Belastingdienst

De Belastingdienst beoogt met zijn strategie het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beÔnvloeden dat zij structureel uit zichzelf (fiscale) regels naleven (compliance); dat wil zeggen zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Dit moet zorgen voor de borging van de continuÔteit van belastingopbrengsten en de rechtmatige betaling van toeslagen. De Belastingdienst handelt conform de beginselen van behoorlijk bestuur en probeert waar mogelijk proactief en in de actualiteit te handelen in plaats van reactief te zijn.

Dit betekent dat de Belastingdienst, waar mogelijk in samenwerking met publieke en private partijen:

  • 1. 
    een omgeving creŽert waarin het maken van fouten zoveel mogelijk wordt voorkomen en waarin de Belastingdienst barriŤres opwerpt om fraude zoveel mogelijk tegen te gaan;
  • 2. 
    het burgers en bedrijven gemakkelijk maakt om verschuldigde belasting(en) af te dragen, bijvoorbeeld door middel van de vooraf ingevulde aangifte en voorlichting, en om een juiste toeslagaanvraag te doen;
  • 3. 
    de mate en intensiteit van zijn handelen baseert op de relevante informatie over (oorzaken van) het gedrag van burgers en bedrijven. Daar waar de kwaliteit van de belastingaangifte of toeslagaanvraag vooraf is geborgd, kan de Belastingdienst volstaan met minder toezicht achteraf. Daar waar burgers en bedrijven regels bewust niet willen naleven of frauderen, dwingt de Belastingdienst naleving af.

De Belastingdienst heeft hierbij te maken met verschillende groepen burgers en bedrijven, met verschillende behoeften en verschillend gedrag bij het naleven van (fiscale) regels. De Belastingdienst deelt daarom het totale bestand van burgers en bedrijven op in groepen met samenhangende objectieve en subjectieve kenmerken (doelgroepen).

Jaarlijks vertaalt de Belastingdienst zijn strategie in een beleid per doelgroep, waarbij de uitvoerings- en toezichtstrategie wordt vertaald naar de concrete inzet van de capaciteit van de Belastingdienst per doelgroep. In het Jaarplan Belastingdienst 2019 dat de Tweede Kamer in het najaar ontvangt, zal hier nader op worden ingegaan. In dit jaarplan wordt opgenomen met welke middelen (budget en formatie) welke resultaten zullen worden bereikt. Daarnaast zullen in het jaarplan de ontwikkelstappen worden benoemd die de Belastingdienst gaat zetten ten aanzien van ICT en procesverbeteringen, verbetering van de sturingsinformatie en personeel.

Belangrijke onderdelen van de strategie zijn fraudebestrijding en externe overheidssamenwerking in Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI)-verband en Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC)-verband. Belangrijk hierbij is de samenwerking, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie, met gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ten behoeve van de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit in RIEC-verband.

Burgers

De grote omvang en de mate van redzaamheid zijn kenmerkend voor de behandeling van de groep burgers. De Belastingdienst richt zich op het (massaal) voorkomen van fouten en het verbeteren van de kwaliteit van de belastingaangifte en toeslagaanvraag door een passende dienstverlening en door zoveel mogelijk (massaal) vooraf invullen van gegevens bij belastingaangifte en toeslagaanvragen. Ook corrigeert de Belastingdienst belastingaangiften en toeslagaanvragen van burgers door gebruik te maken van gegevens van derde partijen. De uitkomsten van de periodieke steekproeven, nadere analyse van de aangiften en toeslagaanvragen, het ontwikkelen en uitvoeren van evaluaties en effectmetingen, vormen de basis voor het bepalen welke groepen of individuele burgers specifieke aandacht nodig hebben en welke behandeling daar bij past.

Bedrijven

De Belastingdienst onderscheidt groepen bedrijven met samenhangende objectieve en subjectieve kenmerken. Dit betreffen zowel profit als non-profit organisaties. Voorbeelden van objectieve kenmerken zijn: omvang (af te dragen belasting, kasstroom), complexiteit (eigendomsverhoudingen, rechtsvorm en besturing, relaties tussen bedrijven) en activiteiten (branchekenmerken, internationale gerichtheid). Voorbeelden van subjectieve kenmerken zijn: de mate van zelfredzaamheid en transparantie, de houding ten opzichte van belasting betalen (fiscale strategie) en de kwaliteit van de fiscale administratie.

Met het uitvoeren van zijn beleid streeft de Belastingdienst naar het bevorderen en in stand houden van compliance en dat het nalevings-tekort, en daarmee het bedrag aan verschuldigde belasting dat niet binnenkomt (ętax gapĽ18) en ten onrechte toegekende toeslagen, zo klein mogelijk is.

Doelen en prestatie-indicatoren

In 2017 zijn toezicht en opsporing en massale processen van de Belastingdienst geŽvalueerd. Het rapport19 bepleit dat er scherpe tussendoelen worden geformuleerd die de verbinding leggen tussen de algemene doelstelling voor naleving aan de ene kant en de tactische en operationele doelen aan de andere kant. En de prestatie-indicatoren te baseren op deze tussendoelen. Met de nieuwe indicator ęVoorinvulling van gegevens IH (VIA)Ľ bij de doelstelling voor massale processen, wordt hiermee een eerste stap gezet. Het voorinvullen van een aangifte IH verkleint de kans op fouten in de aangifte en ontzorgt burgers bij het doen van aangifte. Hiermee draagt de VIA bij aan het vergroten van compliance en het verkleinen van nalevingstekorten.

De ontwikkeling van tussendoelen en prestatie-indicatoren loopt als meerjarig traject gelijk op met de doorontwikkeling van de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Het streven is gericht op minder indicatoren met meer zeggingskracht.

Dienstverlening

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door passende dienstverlening te leveren.

Met passende dienstverlening zorgt de Belastingdienst ervoor dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten kunnen verwezenlijken. De door de Belastingdienst geboden dienstverlening is ingericht op diversiteit in de zelfredzaamheid van de burger. Deze dienstverlening wordt in belangrijke mate aangevuld door andere externe ondersteuningsmogelijkheden. De Belastingdienst stimuleert en ondersteunt organisaties en burgers die burgers helpen met het (digitaal) zaken doen met de overheid. De hulpvraag en het aanbod richten zich hierbij zowel op juridisch/fiscaal gebied als op het gebied van digitalisering of taal. De Belastingdienst streeft ernaar te voldoen aan de verwachtingen van burgers en bedrijven ten aanzien van snelle en klantgerichte dienstverlening. Het effect hiervan wordt meetbaar gemaakt met de volgende prestatie-indicatoren.

 

Prestatie-indicatoren Dienstverlening (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator1

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

81%

86%

90-95%

90-95%

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

98%

98%

90-95%

90-95%

Klanttevredenheid

n.v.t.

80%

Minimaal 70% van

Minimaal 70% van

   

6,6%

de bellers,

de bellers,

     

website- en

website- en

     

baliebezoekers

baliebezoekers

     

scoort een 3 of

scoort een 3 of

     

hoger op de

hoger op de

     

gehanteerde

gehanteerde

     

5-puntsschaal

5-puntsschaal

     

(neutraal tot zeer

(neutraal tot zeer

     

tevreden) en

tevreden) en

     

maximaal 10% van

maximaal 10% van

     

de bellers,

de bellers,

     

website- en

website- en

     

baliebezoekers

baliebezoekers

     

scoort een 1,5 of

scoort een 1,5 of

     

lager

lager

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst (aantal

13.105

11.145

Minder klachten

Minder klachten

ontvangen klachten)

   

over het handelen

over het handelen

     

van de Belasting-

van de Belasting

     

dienst dan vorig

dienst dan vorig

     

jaar

jaar

1 Enkele streefwaarden van de Belastingdienst worden weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst bij betreffende prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

Afgehandelde bezwaren en klachten binnen Awb-termijn20 Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen daartegen bezwaar maken door een bezwaarschrift in te dienen bij de Belastingdienst. De streefwaarde van 90-95% Awb-tijdigheid van behandeling van bezwaarschriften is de afgelopen jaren niet gerealiseerd. Binnen de herijking van de Investeringsagenda lopen diverse projecten waarmee het bezwaarproces verbeterd wordt. In maart 2018 is voor de inkomstenbelasting een nieuw logistiek systeem (Logistieke Werkstroom Besturing) en een systeem voor het digitaal indienen van bezwaar in gebruik genomen. De andere grotere belastingmiddelen (OB, LH en Vpb) volgen later. Verder is in 2018 gestart met de deformalisering IH en is tevens een nieuwe risicotool voor aanvullingen IH geÔntroduceerd, waarmee per aanvulling de risico's voor bezwaar in beeld worden gebracht. Deze ontwikkelingen moeten het bezwaarproces minder omvangrijk en sneller maken. Daardoor komt meer capaciteit beschikbaar voor de bezwaren die niet via het aanvullingenproces worden afgedaan. Het deformaliseren van bezwaar IH betekent dat de aanvullingen voor bezwaar, die relatief een korte doorlooptijd hebben en een gunstig effect op het Awb-percentage, niet meer als bezwaar worden gezien, maar als een verzoek. Dit heeft in eerste instantie een negatief effect op het Awb-percentage. Er kan niet van uit worden gegaan dat de streefwaarde in 2019 zonder meer gehaald gaat worden. Tegelijkertijd zou er in 2019 al wel enige verbetering merkbaar moeten zijn. Per saldo blijft de streefwaarde daarom onveranderd op 90-95%.

Klanttevredenheid

De indicator klanttevredenheid meet direct na de dienstverlening hoe de persoonlijke ervaring van de Belastingdienst ten aanzien van telefoon, website en balie is beleefd door burgers en bedrijven. Deze meting vindt plaats door burgers en bedrijven te bevragen op zowel aspecten die bijdragen aan de klanttevredenheid als op de ervaren klanttevredenheid zelf. Hiermee krijgt de Belastingdienst goed zicht op de variabelen die klanttevredenheid bepalen, waardoor betere sturing op en verantwoording over prestaties mogelijk is.

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst

Bij deze indicator wordt er gemeten hoeveel klachten de Belastingdienst op jaarbasis binnenkrijgt. In contacten met burgers en bedrijven gaat de Belastingdienst uit van het vertrouwen dat zij hun verplichtingen na willen komen. Om compliance te bereiken is het cruciaal dat er vertrouwen is in de Belastingdienst. Dit is onder andere afhankelijk van de rechtvaardigheid die burgers en bedrijven ervaren in het optreden van de Belastingdienst. In zijn optreden handelt de Belastingdienst volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is hij zorgvuldig, geloofwaardig en transparant. Dit betekent dat hij kritisch is op zijn eigen functioneren en open over gemaakte fouten. Hierbij streeft de Belastingdienst ernaar om het aantal klachten jaar op jaar te verminderen.

Af te handelen belvolume (kengetal)

De BelastingTelefoon verwacht in 2019 10 mln. telefoontjes af te handelen (2018: 10,5 tot 11,5 mln.). De daling ten opzichte van 2018 hangt samen met het toenemend gebruik van digitale kanalen, waar de burger naartoe wordt geleid. Ingezet wordt op het ondersteunen van burgers en bedrijven in het uitoefenen van hun rechten en het naleven van hun plichten op het gebied van toeslagen en belastingen door het actief signaleren in de vorm van proactief bellen (outbound calls). Outbound calls zijn er op gericht meer maatwerk te leveren maar ook om burgers en bedrijven proactief te ondersteunen. De ervaringen laten zien dat dit op prijs wordt gesteld. Daarnaast kan door outbound bellen de inzet van dure toezicht- en invorderingsinstrumenten worden voorkomen.

Toezicht

De Belastingdienst voert adequaat toezicht uit en dwingt waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af om er voor te zorgen dat de verschuldigde belastingen bestendig de staatskas binnenkomen en de toeslagen rechtmatig worden uitbetaald.

Belastingen

De strategie van de Belastingdienst leidt tot een gedifferentieerde aanpak van bedrijven waarin de Belastingdienst een mix aan activiteiten uitvoert. Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op verschillende aspecten van die aanpak.

 

Prestatie-indicatoren Toezicht Belastingen (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Percentage grote ondernemingen waarvan de mogelijkheid tot klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is

81%

86,5%

85%

88%

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant

5,7%

5,8%

6-8%

6-8%

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH (betreft Particulieren en MKB)1

Ä 1,5 mld.

Ä 2,3 mld.

Ä 1,6 mld.

Ä 1,2 mld.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling

Vpb MKB

Ä 1,6 mld.

Ä 1,5 mld.

Ä 1,4 mld.

Ä 1,35 mld.

Bruto correctie opbrengsten boekenonderzoeken MKB

Ä 985 mln.

Ä 877 mln.

Ä 770 mln.

Ä 735 mln.

Bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst (betreft IH)

8,6%

10,2%

8-12%

<8%

1 Betreft correcties op het verzamelinkomen.

Percentage grote ondernemingen waarvan de mogelijkheid tot klantbe-handeling in de actualiteit beoordeeld is

Binnen het segment Grote ondernemingen is er voor de grootste bedrijven sprake van individuele klantbehandeling. Daarmee wordt passende behandeling beoogd ter afdekking van de risico's, gegeven de beschikbare capaciteit. Voor elke grote onderneming wordt beoordeeld of de onderneming in aanmerking komt voor klantbehandeling in de actualiteit. De analyse leidt tot een behandelstrategie en de vaststelling of een onderneming al dan niet voor klantbehandeling in de actualiteit in aanmerking komt. Het streven is om deze toets in 2019 voor 88% van alle grote ondernemingen te hebben uitgevoerd.

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant

Deze indicator betreft belastingontvangsten afkomstig uit aangiften die onder een convenant met een fiscaal dienstverlener vallen. De indicator weerspiegelt in welke mate de Belastingdienst erin slaagt een hogere mate van zekerheid over de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de belastingontvangsten te verkrijgen door de uitoefening van toezicht mede te verschuiven naar de voorkant binnen de keten.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH, Vpb en boekenonderzoeken

Deze indicatoren betreffen de bruto correctiebedragen. Dit is het door de Belastingdienst gecorrigeerde bedrag op aangiften van belastingplichtigen, vůůr toepassing van het effectieve belastingtarief, en zonder rekening te houden met het verlies op correcties door bezwaar en invordering. De indicatoren richten zich op de resultaten van de ingezette repressieve instrumenten. De keuze voor deze instrumenten en de daaruit voortkomende opbrengsten volgt uit de toepassing van het beleid gericht op het bevorderen van compliance. Dit betekent dat steeds situationeel bepaald wordt wat het meest effectieve en goedkoopste preventieve of repressieve instrument is dat ingezet wordt. De duurste instrumenten, zoals boekenonderzoeken, zullen dan met name ingezet worden bij belastingplichtigen die zich kenmerken door een hoog fiscaal belang en risico. Goedkopere instrumenten, zoals communicatie en telefonisch contact, kunnen volstaan bij belastingplichtigen die zich kenmerken door een laag fiscaal belang en risico. Met deze indicatoren wordt significante reductie beoogd van de nalevingstekorten MKB en Particulieren. De verlaging van de streefwaarden ten opzichte van vorig jaar houdt verband met enerzijds de verbeterde kwaliteit van de vooringevulde aangifte, waardoor minder aangiften behoeven te worden gecorrigeerd en anderzijds de verwachting dat er in 2019 minder personele capaciteit beschikbaar is.

Bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst (betreft IH) Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen een bezwaarschrift indienen. De hiervoor behandelde prestatie-indicator ęAfgehandelde bezwaren binnen Awb-termijnĽ is gericht op een snelle afhandeling. De onderhavige indicator ęBezwaren ingediend na een correctie door de BelastingdienstĽ ziet op het voorkomen van bezwaarschriften door te zorgen voor juiste aanslagen bij de IH. Dit zijn de ęechteĽ bezwaarschriften, waarin de belastingplichtige het inhoudelijk niet eens is met de Belastingdienst. De grote massa bezwaarschriften, waarin de belastingplichtige alleen een aanvulling of wijziging van de eerdere ingediende aangifte meldt, blijft bij deze indicator buiten beschouwing.

Eerder was de belastingdienst niet in staat op geautomatiseerde wijze een koppeling te maken tussen de daadwerkelijk opgelegde correcties voor de IH en de bezwaren die tegen deze correcties werden gemaakt en als alternatief was er een handmatige aansluiting gemaakt. Het daadwerkelijk percentage, berekend met behulp van een geautomatiseerde koppeling, van de bezwaren tegen correctie is lager dan eerder gerapporteerd, dit zal in het jaarverslag 2018 worden gecorrigeerd. De streefwaarde voor 2019 wordt gesteld op <8%.

Toeslagen

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het rechtmatig, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van de juiste toeslag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen. Het streven is om het voor burgers gemakkelijk te maken om het goed te doen. De inzet op vormen van actief signaleren, waar nodig voorafgaand aan de toekenning, draagt bij aan klanttevredenheid en toekenningszekerheid. Inzet van data-analyses draagt bij aan het steeds beter kunnen differentiŽren van dienstverlening en toezicht op grond van het gedrag van toeslagaanvragers en het voorspellen van afwijkingen tussen de voorlopige en de definitieve toekenning. De scheidslijn tussen dienstverlening en toezicht vervaagt, doordat de Belastingdienst proactief handelt op basis van actuele signalen. Gezien de omvang van de populatie streeft de Belastingdienst naar ęmassaal maatwerkĽ. Het doel is maatregelen en voorzieningen in het massale proces te treffen, die door burgers als gepersonaliseerde ondersteuning worden ervaren.

Prestatie-indicatoren Toezicht Toeslagen (meetbare gegevens)

 

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Rechtmatige toekenning van toeslagen

Gerealiseerd

Gerealiseerd

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau1

Het percentage definitief toegekende toeslagen dat niet leidt tot een terug te betalen bedrag > Ä 500

91,6%

92,2%

91%

91%

1 Dit betreft het artikel van het desbetreffende beleidsdepartement.

Rechtmatige toekenning van toeslagen

De Belastingdienst streeft naar een rechtmatige toekenning van toeslagen. Voor het rapporteren van fouten en onzekerheden gelden kwantitatieve rapportagegrenzen op artikelniveau die jaarlijks in de Rijksbegrotingvoor-schriften worden vastgelegd. Door een snelle rechtmatige toekenning wordt de toekenningszekerheid vergroot en neemt het vertrouwen in de Belastingdienst toe en zullen burgers meer geneigd zijn hun verplichtingen na te komen. Om de rechtmatigheid van toeslagen te bevorderen wordt onder andere aandacht besteed aan de kwaliteit van bestanden van derden die worden gebruikt. Bij toeslagen die worden vastgesteld na handmatige behandeling door medewerkers wordt de kwaliteit van de behandeling getoetst.

Terug te betalen bedragen zoveel mogelijk beperken De Belastingdienst streeft ernaar het ontstaan van door de burger terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen zoveel mogelijk te beperken. Als kwantitatieve indicator wordt gebruikt: het percentage van het totale aantal definitief toegekende toeslagen, waarbij niet terugbetaald hoeft te worden of het terug te betalen bedrag onder Ä 500 blijft. Voor kinderop-vangtoeslag wordt een grens van Ä 1.000 aangehouden, omdat het bij de toekenningen veelal gaat om hogere bedragen dan bij andere toeslagen. De verstrekking van toeslagen gebeurt aan de hand van voorschotten, hetgeen ertoe kan leiden dat bij de eindberekening na afloop van het jaar nog een aanvullend bedrag moet worden uitgekeerd of dat een deel van het uitgekeerde bedrag moet worden teruggevraagd. De intentie is het aantal terug te betalen bedragen groter dan het normbedrag terug te dringen. De score op deze indicator wordt hoger naarmate aanvragers tijdig mutaties en juiste schattingen doorgeven. De Belastingdienst ondersteunt burgers hierbij. Waar mogelijk worden burgers actief erop geattendeerd dat inkomens of andere grondslagen (gaan) afwijken van die welke tot dan zijn gebruikt. Hierdoor verbetert de compliance. Als het mogelijk is wordt aanpassing van gegevens door de Belastingdienst zelf verzorgd.

De norm voor de doelstelling om grote terugvorderingen te beperken staat op 91%. De realisatie toont de afgelopen jaren percentages van 91,5% tot 92,5%. De resultaten in 2019 kunnen worden beÔnvloed gedurende de Voorlopige Toeslag-periode, dat wil zeggen door acties van Toeslagen in 2018, zoals hulp bij het schatten van het inkomen. Tevens is er een afhankelijkheid van het afbouwtempo van de toeslagbedragen bij inkomensverschillen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het inkomen tijdelijk stijgt als gevolg van een incidentele beloning. In de loop van 2019 zal worden bezien of de positieve trend zich doorzet en de norm kan worden verhoogd.

Inning

 

Prestatie-indicatoren Inning (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Achterstand invordering

2,6%

2,7%

2,5-3%

3-3,5%

Inning invorderingsposten binnen een jaar

57,2%

54,5%

55-65%

55-65%

Achterstand invordering

De indicator ęAchterstand invorderingĽ meet het bedrag aan openstaande vorderingen waarvan de betalingstermijn is verstreken en waartegen geen bezwaar is ingediend. De indicator is uitgedrukt in een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten en gaat over de belastingmiddelen inkomensheffing/Zorgverzekeringswet, loonheffingen, motorrijtuigenbelasting (MRB), omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Het is een indicatie voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst en het geeft een momentopname van de omvang van de voorraad nog in te vorderen posten.

De Belastingdienst volgt openstaande schulden en gaat in geval van gedetecteerde verhaalsmogelijkheden alsnog over tot het innen van de schuld. Dankzij dynamisch monitoren kan de Belastingdienst aan de hand van gegevens controleren of de situatie van een debiteur is veranderd, waardoor er toch kan worden geÔncasseerd. Deze beweging leidt tot een structurele stijging van het achterstandspercentage omdat schulden langere tijd worden gevolgd en daarmee het totaal aantal openstaande (langlopende) vorderingen dus toeneemt. De streefwaarde is hierop aangepast.

Inning invorderingsposten binnen een jaar

Deze indicator meet hoe snel de Belastingdienst erin slaagt om vorderingen die niet op tijd betaald21 worden toch te innen, als resultaat van de ingezette invorderingsmaatregelen.

Massaal proces

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door massale processen juist, tijdig en efficiŽnt uit te voeren.

Prestatie-indicatoren Massaal proces (meetbare gegevens)

 

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Voorinvulling van gegevens IH (VIA)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

65%

Garantieregeling IH 2018: in maart aangifte gedaan, vůůr 1 juli bericht

99,5%

99,5%

100%

100%

Definitief vaststellen toeslagen

89,7%

85,5%

85%

85%

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald1

99,9%

99,96%

99,9%

99,9%

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (damages)2

56

70

Minder verstoringen dan vorig jaar

Minder verstoringen dan vorig jaar

1    Het cijfer over 2016 is op maandbasis berekend en niet gecorrigeerd voor productieverstoringen in het betaalverkeer. Vanaf 2017 wordt in de berekening rekening gehouden met productieverstoringen.

2    De gerapporteerde cijfers betreffen het aantal ernstige productieverstoringen (aantal damages).

Voorinvulling van gegevens IH (VIA)

De Belastingdienst streeft ernaar om daar waar zij beschikt over derdenof eigen gegevens, die van belang zijn voor het doen van de aangifte IH, deze in te zetten in de communicatie met belastingplichtigen. De veronderstelling is dat het voorinvullen van een aangifte IH bijdraagt aan het vergroten van compliance, het verkleinen van nalevingstekorten en het ontzorgen van burgers (dienstverlenend). Het streven is om jaarlijks 65% van de ingediende aangiften door particulieren (IH niet-winst) volledig vooraf in te vullen vanuit de VIA voor zover het voor de Belastingdienst kenbare rubrieken betreft22. Daarnaast zal in het kader van beheerst vernieuwen onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid van het vergroten van het aantal gegevensstromen.

Garantieregeling IH 2018: in maart aangifte gedaan, vůůr 1 juli bericht Deze indicator meet het percentage belastingplichtigen dat tijdig binnen de garantieregeling aangifte IH 2018 heeft gedaan en dat vůůr 1 juli bericht heeft ontvangen in de vorm van een voorlopige of definitieve aanslag 2018. Een beperkt deel belastingplichtigen zal in plaats van een aanslag een ander bericht ontvangen. Daar staat in dat voor de afhandeling van de aangifte nader fiscaal onderzoek nodig is, in geval er twijfels zijn over de juistheid van de verstrekte gegevens.

Definitief vaststellen toeslagen

Doel van de prestatie-indicator is dat 85% van de toeslaggerechtigden vůůr 31 december van het jaar t+1 de definitieve toekenning krijgt van het toeslagjaar t. De reden waarom de resterende 15% niet volledig definitief toegekend kan worden in t+1 ligt in het feit dat veel inkomens- of onderliggende gegevens nog niet bekend zijn vanaf het moment dat het definitief toekennen van toeslagen begint.

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald

Deze indicator heeft betrekking op het laatste deel van de toeslagenketen: de uitbetaling op een reeds afgegeven beschikking. Van tijdige uitbetaling is sprake als het voorschot voor de komende maand op de 20e van de voorafgaande maand op de rekening van de toeslaggerechtigde is bijgeschreven23.

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (damages)

Deze indicator meet in welke mate er sprake is van ernstige productieverstoringen binnen de Belastingdienst welke leiden tot overlast, benadeling of onjuiste informatievoorziening aan burgers en/of bedrijven. Van een productieverstoring is ook sprake wanneer er schade optreedt in de kasstroom van het Rijk of als er afbreuk wordt gedaan aan de compliance. De doelstelling is om het aantal ędamagesĽ in 2019 te verminderen t.o.v. 2018. Bij de realisatie van de indicator wordt de impact (aantal geraakte burgers en/of bedrijven) en de ernst van de overlast in ogenschouw genomen.

FIOD

De FIOD werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegengaan van fiscale, financiŽle en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en in- en export), aan witwas-bestrijding, aan het waarborgen van de integriteit van het financiŽle stelsel en aan de bestrijding van de financiŽle georganiseerde criminaliteit.

 

Prestatie-indicatoren FIOD (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

80%

84%

82-85%

82-85%

Gerealiseerde incasso-opbrengsten (mln. Ä)

Ä 274 mln.

Ä 169 mln.

Ä 83 mln.

Ä 126 mln.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken (% opspo-ringsuren)

20%

31%

>40%

>40%

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie De FIOD geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken met impact en effect. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultaat van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de toezichthouders en de FIOD, en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

Gerealiseerde incasso-opbrengsten

Op basis van afgeronde onderzoeken stelt de FIOD processen-verbaal op en gaat het Openbaar Ministerie over tot vervolging en/of een transactie. Vervolging kan leiden tot veroordeling, waarbij incasso-opbrengsten voor de Staat gerealiseerd kunnen worden. Transacties leiden ook tot incasso-opbrengsten voor de Staat. De daadwerkelijke ontvangsten worden ontvangen op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI). De stijging van de streefwaarde 2019 t.o.v. 2018 is het gevolg van het gefaseerd oplopen van de incassoverplichtingen vanuit de intensivering bestrijden witwassen en niet-ambtelijke-corruptie. De uiteindelijke resultaten kunnen overigens sterk beÔnvloed worden door een (individuele) grote zaak, zoals de gerealiseerde opbrengsten in 2016 en 2017 laten zien.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken

Bij de aanpak van fraude wil de FIOD een duidelijk signaal afgeven en kiest het voor aanpak van strafonderzoeken met maatschappelijk effect: van incident naar impact. De monitoring hierop vindt plaats met deze prestatie-indicator door te rapporteren hoeveel procent van de zaken omgevingsgericht is. Met omgevingsgericht wordt gedoeld op zaken die voortvloeien uit de vooraf bedachte verbinding tussen partners in de keten van toezicht, opsporing en vervolging.

Artikel 2 FinanciŽle markten

  • A. 
    Algemene doelstelling

Beleid en regelgeving maken voor een stabiele en integere werking van financiŽle markten, met betrouwbare dienstverlening van financiŽle instellingen aan burgers en bedrijven.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn bevordert het goed functioneren van het financiŽle stelsel en heeft een regisserende rol. Hij is politiek verantwoordelijk voor de goede werking van het betalingsverkeer. De Minister is verder verantwoordelijk voor goed functionerende en integere financiŽle markten en de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiŽle markten en de institutionele structuur van het toezicht. DNB en de AFM voeren het daadwerkelijke toezicht op de financiŽle markten uit. Dat wil zeggen dat de Minister verantwoordelijk is voor het functioneren van het toezichtsysteem als geheel en verantwoordelijk voor de uitvoering van het toezicht door DNB en de AFM. De Minister is noch verantwoordelijk noch bevoegd ten aanzien van individuele besluiten van de toezichthouders. Sinds 4 november 2014 voert de Europese Centrale Bank (ECB) ook in belangrijke mate het toezicht op grote en grensoverschrijdende Europese banken uit.

Daarnaast dient de Minister het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme te voorkomen. De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Het gaat hierbij om (het toezicht op nakoming van) regelgeving die financiŽle instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Deze regelgeving en dit toezicht draagt eraan bij dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiŽle producten kunnen afnemen.

Tot slot bevordert de Minister het verantwoord financieel gedrag door de burger en is hij verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

Verantwoordelijkheden Minister van FinanciŽn op de BES-eilanden

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES-eilanden) maken deel uit van Nederland. De eilanden zijn openbare lichamen in de zin van de Grondwet. De verantwoordelijkheid van de Minister van FinanciŽn ten aanzien van de toezichttaken is dezelfde voor de BES-eilanden als voor Europees Nederland, omdat de verhouding tussen de Minister en de toezichthouders dezelfde is. Het toezicht op de BES-eilanden is net als in Nederland op afstand geplaatst bij ZBO's (die niet ondergeschikt zijn aan de Minister); de Minister van FinanciŽn is systeemverantwoordelijk.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De beleidsdoorlichting die in december 2017 naar de Tweede Kamer is verzonden24, bestrijkt het gevoerde beleid op artikel 2, waarbij de maatregelen en instrumenten die onder het begrotingsbeleid vallen op hoofdlijnen zijn doorgelicht. Het geŽvalueerde beleid richt zich op stabiel en integer werkende financiŽle markten en op betrouwbare dienstverlening van financiŽle instellingen. In dat kader streeft de Minister van FinanciŽn naar een goed en transparant aanbod van financiŽle producten en diensten aan consumenten en bedrijven. In de beleidsdoorlichting wordt toegelicht dat toezicht op het productontwikkelingsproces hieraan bijdraagt. Dit toezicht zal in 2019 worden geŽvalueerd. Uit de evaluatie zal blijken of er beleidswijzigingen nodig zijn.

Voor integere financiŽle markten is het belangrijk om te weten wie de betrokken partijen zijn, ook bij virtuele valuta. Daarom wordt er gewerkt aan regulering van omwisselplatforms in virtuele valuta. Daarnaast worden in navolging van uiteindelijk belanghebbenden van rechtspersonen en ondernemingen, ook uiteindelijk belanghebbenden van juridische constructies zoals trusts in een openbaar register opgenomen.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid
 

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 2 FinanciŽle markten (bedragen x Ä 1.000)

     

2017    2018    2019    2020

2021

2022

2023

Verplichtingen    151.029    - 41.940    25.023    23.432

23.332

23.322

23.312

waarvan garantieverplichtingen:

Garantie DGS BES    135.000    - 65.000

 

Uitgaven

21.980

23.060

25.023

23.432

23.332

23.322

23.312

waarvan juridisch verplicht

   

82,8%

       

Subsidies

437

436

436

436

436

436

436

Vakbekwaamheid

437

436

436

436

436

436

436

 

Bekostiging

7.062

10.674

10.602

10.459

10.409

10.416

10.389

Accountantskamer    1.102    1.295    1.459    1.409    1.359    1.359    1.359

 

Muntcirculatie

5.960

9.349

8.893

9.000

9.000

9.000

9.000

Afname munten in circulatie

0

0

0

0

0

0

0

IMVO Convenanten

0

30

150

50

50

57

30

Overig

0

0

100

0

0

0

0

aranties

1.000

1.000

1.875

1.875

1.875

1.875

1.875

Dotatie begrotingsreserve

             

DGS BES

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Dotatie begrotingsreserve

             

NHT

0

0

875

875

875

875

875

Opdrachten

9.600

5.313

6.293

5.182

5.182

5.182

5.182

Wijzer in geldzaken

1.910

1.683

1.383

272

272

272

272

Vakbekwaamheid

4.289

3.630

4.910

4.910

4.910

4.910

4.910

Overig

3.400

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

3.871

5.237

5.417

5.080

5.030

5.023

5.040

Bijdrage AFM BES-toezicht

339

405

405

480

505

505

505

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage DNB toezicht & DGS

BES

1.800

1.518

1.300

1.300

1.310

1.303

1.320

Bijdrage FEC

1.541

2.839

2.927

2.845

2.760

2.760

2.760

Bijdrage Toezicht en

Handhaving MIF

0

0

260

260

260

260

260

Bijdrage PSD II

191

475

525

195

195

195

195

Overig

0

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

10

400

400

400

400

390

390

Caribean Financial Action Taskforce

10

20

20

20

20

10

10

IASB

0

380

380

380

380

380

380

Ontvangsten

27.645

14.167

7.441

9.441

9.441

9.441

9.441

 

Bekostiging

18.896

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

Ontvangsten muntwezen

3.325

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

Toename munten in circulatie

15.571

0

0

0

0

0

0

 

Overig

8.748

11.567

4.841

6.841

6.841

6.841

6.841

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven op artikel 2 is in 2019 82,8% juridisch verplicht. Deze verplichte uitgaven (Ä 20,7 mln.) bestaan voor het grootste deel uit uitgaven voor vakbekwaamheid (Ä 4,9 mln.), muntcirculatie (Ä 4,9 mln.) en het FEC (Ä 2,9 mln.).

De juridisch verplichte uitgaven aan vakbekwaamheid betreffen de kosten van de centrale Wft-examinering. Het inhoudelijk beheer van de Wft-examinering is opgedragen aan het College Deskundigheid FinanciŽle Dienstverlening (CDFD), terwijl het functionele en technische beheer is ondergebracht bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Uitgangspunt is dat de uitgaven op een relatief klein bedrag na worden gefinancierd uit de examengelden (leges) die worden afgedragen aan het ministerie (zie ontvangsten overig). De daaromtrent gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de subsidieovereenkomst met het CDFD en een dienstverleningsover-eenkomst met de DUO.

De juridisch verplichte uitgaven vanwege de muntcirculatie komen voort uit de Muntwet en afspraken die met de KNM en met DNB zijn gemaakt. Deze afspraken betreffen onder meer de te verstrekken vergoedingen vanwege:

  • ē 
    de productie van circulatiemunten (hieronder vallen niet de aanschafkosten van blanco muntplaatjes);
  • ē 
    de productie en distributie van munten die speciaal voor verzamelaars worden geslagen;
  • ē 
    het verzorgen van de geldsomloop voor zover deze uit munten bestaat;
  • ē 
    het fungeren als Nationaal Analysecentrum voor Munten.

De niet-juridisch verplichte uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op de aankoop van rondellen (blanco muntplaatjes) die benodigd zijn voor de productie van nieuwe munten.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Bekostiging

Accountantskamer

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Aldus wordt bijgedragen aan het (herstel van) vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening van accountants.

Op dit moment vindt een evaluatie plaats van de financiering van de Accountantskamer. Tijdens de evaluatie zal er worden bekeken of financiering door het ministerie nog in de rede ligt of dat er moet worden overgegaan tot gedeeltelijke of gehele overheveling van de kosten naar de sector. Of de sector de kosten zal gaan dragen, is derhalve nu nog niet bekend.

Muntcirculatie

De kosten van muntcirculatie bestaan uit: uitgaven die betrekking hebben op de door de KNM te verzorgen muntproductie, de door de KNM te verzorgen distributie van bijzondere munten en de door DNB te verzorgen munttaken.

Afname munten in circulatie

Het in circulatie brengen van euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en leidt tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Zodra munten uit circulatie terugkeren, dient de Staat de nominale waarde van deze munten via DNB terug te geven. Op voorhand is niet te voorspellen of de nominale waarde van de in circulatie zijnde munten in enig jaar zal toe- of afnemen. Vandaar dat in de begroting een stelpost van nul is opgenomen.

IMVO-convenanten

De uitvoering van het internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO)-convenant banken en het IMVO-convenant verzekeraars wordt met een bijdrage ondersteund. Voorts wordt er onderhandeld over een bijdrage aan het IMVO-convenant pensioenfondsen. De verwachting is dat dit convenant op zijn vroegst begin 2019 kan worden geÔmplementeerd.

Overig

De Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) maakt deel uit van de Egmont Groep, een internationaal samenwerkingsverband dat gericht is op het verbeteren van de internationale gegevensuitwisseling tussen FlU's wereldwijd. De directeur van de FIU-NL is voor de periode 2017-2019 benoemd tot voorzitter van de Egmont Groep. De Egmont Groep houdt jaarlijks een plenaire vergadering, waar niet alleen de betrokken FIU's bijeenkomen maar ook vele andere internationale spelers op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. In het kader van het Nederlandse voorzitterschap van de Egmont Groep zal Nederland in 2019 deze plenaire vergadering organiseren. Het Ministerie van FinanciŽn zal, gelet op zijn medeverantwoordelijkheid voor de FIU-NL vanwege de wettelijke taak die de FIU-NL toebedeeld heeft gekregen in de Wwft, een financiŽle bijdrage leveren ten behoeve van de organisatie van deze plenaire vergadering.

Garanties

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

Als garantie voor een DGS voor de BES-eilanden is bij eerste suppletoire wet 2017 een begrotingsreserve ingesteld. Jaarlijks wordt Ä 1 mln. toegevoegd aan de begrotingsreserve. Met het DGS BES wordt de financiŽle stabiliteit op de BES-eilanden geborgd.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve DGS BES-eilanden (bedragen x Ä 1 mln.)

Stand per    Onttrekkingen Toevoegingen Stand per 1/1/2019 Onttrekkingen Toevoegingen    Stand per

1/1/2018    2018    2018    2019    2019    31/12/2019

1    0    12    0    13

Dotatie begrotingsreserve NHT-garantie

De Staat heft een jaarlijkse premie (Ä 875.000) over het afgegeven garantiebedrag van Ä 50 mln. Deze middelen worden per 2019 gestort in een nieuw opgerichte begrotingsreserve. De bestaande NHT-garantie loopt eind 2018 af. Na evaluatie is besloten deze voort te zetten. Hierdoor valt de nieuwe NHT-garantie onder het garantiekader voortvloeiend uit de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen (CRR)25, waarin is voorgeschreven dat premieontvangsten in principe in een risicovoorziening moeten worden gestort. Het ingevulde toetsingskader is als losse bijlage bij deze begroting opgenomen.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve NHT-garantie (bedragen x Ä 1 mln.)

 

Stand per 1/1/2018

Onttrekkingen

2018

Toevoegingen Stand per 1/1/2019 2018

Onttrekkingen

2019

Toevoegingen

2019

Stand per 31/12/2019

   

0

0

0,875

0,875

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Bijdrage DNB toezicht en DGS BES

Voor het toezicht op de BES-eilanden ontvangt DNB jaarlijks een overheidsbijdrage. In de afgelopen jaren is er door DNB meer capaciteit ingezet op de BES-eilanden, met name als gevolg van interventie, handhaving en toetsingen. Daarnaast is in 2017 het besluit invoering depositogarantiestelsel BES in werking getreden.

Bijdrage FEC

Het ministerie draagt bij aan de financiering van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is een samenwerkingsverband tussen verschillende autoriteiten binnen de financiŽle sector op het gebied van toezicht, controle, opsporing en vervolging. Vanaf 2018 wordt structureel Ä 1,4 mln. extra besteed aan de uitvoering van het Terrorisme Financieringsbeleid door het FEC. Deze gelden zijn afkomstig uit de versterkingsgelden, die eind 2017 door het kabinet zijn toegekend ten behoeve van het Contra Terrorismebeleid.

Bijdrage toezicht en handhaving Multilateral Interchange Fee (MIF)

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de toezichthouder op de uitvoering van de MIF-verordening. Vergoed worden de kosten voor het houden van toezicht op de naleving en de handhaving van een aantal bepalingen uit de MIF-verordening. Hieronder vallen onder meer de kosten voor het controleren van de hoogte van de afwikkelingsvergoe-dingen bij betalingsdienstaanbieders, het behandelen van klachten en de rechtshandhavingskosten.

Bijdrage toezicht en naleving PSD II

In de aangepaste versie van het wetsvoorstel ter implementatie van de PSD II richtlijn (Payment Services Directive) wordt voorgesteld om vier toezichthouders te belasten met het toezicht op de naleving van PSD II, te weten DNB, de AFM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de ACM. De kosten zijn de geschatte kosten van de AP en de ACM voor de voorbereiding en de uitvoering van het toezicht door de AP en de ACM op de naleving door marktpartijen van PSD II. De kosten van het toezicht van DNB en de AFM op de naleving van PSD II zullen worden doorberekend aan de sector en komen derhalve niet ten laste van de Rijksbegroting. Dit geldt mogelijk ook voor de kosten van het toezicht door de AP aangezien samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de AP zal worden onderzocht in hoeverre deze en andere toezichtkosten kunnen worden doorberekend aan de sector.

Ontvangsten

Bekostiging

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de door de KNM af te dragen nominale waarde van de munten die de KNM in opdracht van de Staat speciaal voor verzamelaars heeft geslagen. In een voorkomend geval hebben de ontvangsten muntwezen tevens betrekking op ontwaarde munten en/of rondellen waarvan het residu als metaalschroot is verkocht.

Toename munten in circulatie

Zie ęAfname munten in circulatieĽ bij uitgaven.

Overig

De overige ontvangsten betreffen met name: de ontvangen leges voor de examens inzake het onderdeel vakbekwaamheid, de bijdragen van marktpartijen aan het programma Wijzer in geldzaken, premies voor de NHT- en WAKO-garantie, de door de ACM aan de sector doorberekende kosten in het kader van het toezicht op de naleving van de MIF-verordening en eventuele ontvangen boetegelden van DNB, de AFM en de Accountantskamer. Voor het programma Wijzer in geldzaken draagt de sector de helft van het budget bij. Daarnaast ontvangt Wijzer in geldzaken een structurele bijdrage van DNB en een incidentele bijdrage van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • A. 
    Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen; in het bijzonder bij het investeren in en verwerven, beheren en afstoten van de financiŽle en materiŽle activa van de Staat.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, investeringsprojecten, en transacties van de rijksoverheid.

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk voor:

  • ē 
    een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;
  • ē 
    het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten, zodat vakdepartementen hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)26-projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;
  • ē 
    het overkoepelende DBFM(O)-beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;
  • ē 
    het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiŽle instellingen. In dit kader is de Minister van FinanciŽn verantwoordelijk voor zwaarwegende en/of principiŽle beslissingen (onder andere exitstrategie en beloningsbeleid van de financiŽle instellingen) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI);
  • ē 
    het toetsen van door vergunninghouders gestelde financiŽle zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en de ontmanteling van instellingen vallend onder de Kernenergiewet.

De Minister van FinanciŽn heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • ē 
    bevoegdheden die de Minister van FinanciŽn heeft op basis van de Comptabiliteitswet;
  • ē 
    het besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van FinanciŽn;
  • ē 
    bevoegdheden die de Minister van FinanciŽn heeft op basis van de Kernenergiewet;
  • ē 
    bevoegdheden die de Minister van FinanciŽn heeft op basis van de Telecommunicatiewet;
  • ē 
    de Wet stichting administratiekantoor beheer financiŽle instellingen (NLFI);
  • ē 
    bevoegdheden die de Minister van FinanciŽn heeft als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de ondernemingen;
  • ē 
    de gedragsregels uit de Corporate Governance Code voor zijn rol als aandeelhouder in staatsdeelnemingen;
  • ē 
    het kader voor het gebruik van businesscases binnen het Rijk (handleiding publieke businesscase);
  • ē 
    PPS-code (publiek-private samenwerking): de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten. Deze beheercode is nader uitgewerkt in een aantal specifieke toezichtsafspraken op het gebied van huisvesting en infrastructuur;
  • ē 
    structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen.

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek, Comptabiliteitswet, Wet stichting administratiekantoorbeheer financiŽle instellingen en de Kernenergiewet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

Meetbare gegevens

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de staatsdeelnemingen waarvan het beheer van het aandeelhouderschap ligt bij het Ministerie van FinanciŽn. Daar waar de Staat een belang van minder dan 100% in de aandelen heeft, is tussen haakjes aangegeven welk percentage van de aandelen wel in handen is van de Staat, per 1 september 2018. De financiŽle deelnemingen zijn in beheer op afstand geplaatst bij NLFI en de tabel bevat tevens de percentages per 1 september 2018.

 

Aandeelhouderschap Ministerie van FinanciŽn

Gasunie

Schiphol (69,8%)

Thales Nederland (1%)

TenneT

KLM (5,9%)

NWB Bank (17,2%)

Nederlandse Spoorwegen

NIO

BNG Bank (50%)

Nederlandse Loterij

COVRA

FMO (51%)

Holland Casino

UCN (33%)

Havenbedrijf Rotterdam (29,2%)

Aandeelhouderschap in beheer bij NLFI

ABN AMRO (56,3%) RFS (1,5%) de Volksbank

Kengetallen

Onderstaande kengetallen zien op de implementatie en uitvoering van het staatsdeelnemingenbeleid. Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de Minister van FinanciŽn zijn meegenomen in de kengetallen. Thales en KLM zijn hierbij buiten beschouwing gelaten vanwege de zeer geringe zeggenschap.

Kengetallen deelnemingenbeleid

 
 

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van bestuur

44% (n=9)1

67%

77%

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van commissarissen

83% (n=12)

100%

100%

Percentage van de deelnemingen waar een meerjarig creditrating- en dividend-beleid is herijkt

0% (n=12)

25%

100%

Aantal deelnemingen waarvan het aandeelhouderschap is geŽvalueerd in het betreffende begrotingsjaar

2

2

2

1 Gecorrigeerd voor staatsdeelnemingen met ťťn bestuurder.

Meer kengetallen over het deelnemingenbeleid zijn te vinden in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen27.

Over de voortgang binnen het DBFM(O)-beleid wordt middels kengetallen door de daarvoor verantwoordelijke Ministers gerapporteerd in de DBFM(O)-voortgangsrapportages.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De Nota Deelnemingenbeleid28 uit 2013 vormt de basis van het beleid rondom staatsdeelnemingen. In de afgelopen jaren is dit beleid geÔmplementeerd. Dit vormt ook in 2019 de basis van het staatsdeelnemingenbeleid. Hoewel er voor 2019 dus geen beleidswijzigingen zijn, is het wel relevant om een aantal ontwikkelingen te vermelden.

Portefeuille staatsdeelnemingen

In onderstaand figuur is de portefeuille staatsdeelnemingen verdeeld in drie type deelnemingen, op basis van de marktordening en het strategisch belang van de deelneming. De onderverdeling is gemaakt aan de hand van de voorziene duur van het staatsaandeelhouderschap: permanent, bij voorbaat tijdelijk en niet-permanent aandeelhouderschap.

In 2019 worden er verdere voorbereidende handelingen getroffen voor de privatisering van Holland Casino. Naast deze privatiseringswerkzaam-heden zal er in 2019 ook veel werk gemoeid zijn met de oprichting van een nieuwe staatsdeelneming: Invest-NL (zie 2.1 Beleidsprioriteiten). Hiermee wordt de categorie permanente staatsdeelnemingen met ťťn deelneming vergroot.

CategorieŽn staatsdeelnemingen

 

Permanent staatsaandeelhou-derschap

Bij voorbaat tijdelijk staatsaandeelhouderschap

Niet-permanent staataan-deelhouderschap

De deelnemingen waarvan het kabinet het van belang acht dat de Staat hierin overwegende invloed houdt via minimaal een minderheidsbelang

De deelnemingen die in staatshanden zijn gekomen als gevolg van de financiŽle crisis. Deze ondernemingen vervullen weliswaar een voor de Nederlandse economie cruciale functie, maar die kan in principe door volledig private partijen worden vervuld

Voor deze deelnemingen ziet het kabinet in principe geen toegevoegde waarde meer voor staatsaandeelhouder-schap. Deze belangen zouden op kortere of langere termijn voor vervreemding in aanmerking kunnen komen, als de relevante weten regelgeving voldoende wordt geacht om de publieke belangen te beschermen

BNG Bank

NS

FinanciŽle instellingen (via

Holland Casino

COVRA

NWB Bank

' NLFI)

Nederlandse Loterij

FMO

Schiphol

 

UCN

Gasunie

TenneT

   

Thales

Havenbedrijf

   

KLM

Rotterdam

   

Beheer staatsdeelnemingen

Zoals beschreven in de Nota Deelnemingenbeleid zijn er bij de uitoefening van het beleid de volgende aandachtsgebieden:

  • ē 
    corporate governance;
  • ē 
    strategie;
  • ē 
    doelmatigheid en rendement;
  • ē 
    vermogenspositie en risicobeheer;
  • ē 
    investeringen;
  • ē 
    benoemingen;
  • ē 
    beloningsbeleid bestuurders en vergoedingen commissarissen.

Voor de meeste van deze aandachtgebieden is een apart handboek opgesteld. Dit handboek geeft sturing aan de praktische uitvoering van het deelnemingenbeleid voor dat specifieke aandachtsgebied. Voor ęvermogenspositie en risicobeheerĽ wordt in 2018 het handboek afgerond. Dit handboek zal zich specifiek richten op het creditrating- en dividendbeleid. In 2019 zal aan de hand van dit handboek het beleid kunnen worden doorgevoerd.

Evaluatie

Het kabinet wil dat - conform de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid -periodiek wordt bezien welke publieke belangen er met de staatsdeelnemingen zijn gemoeid en of het aandeelhouderschap als aanvullend instrument, naast wet- en regelgeving en toezicht, nog steeds toegevoegde waarde heeft bij de borging daarvan. Jaarlijks wordt een aantal deelnemingen onderworpen aan een evaluatie zodat alle deelnemingen iedere zeven jaar ten minste eenmaal zijn geŽvalueerd. In 2016 is gestart met een nieuwe cyclus van deze zogeheten strategische heroriŽntatie. Onderstaand schema bevat de planning van de evaluaties van de permanente deelnemingen voor de komende jaren. Over de resultaten hiervan wordt de Kamer jaarlijks in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen geÔnformeerd.

Evaluatie staatsdeelnemingen

 

Deelneming

2017

2018

2019

2020

BNG Bank

   

V

 

COVRA

FMO

V

     

Gasunie

 

V

   

Havenbedrijf Rotterdam

     

V

KLM

     

V

NS

NWB Bank

   

V

 

Schiphol

V

     

TenneT

 

V

   

Thales Nederland

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

220.501

  • - 
    5.710.412

15.708

13.566

8.750

8.750

8.750

waarvan garantieverplichtingen:

Garantie DNB Winstafdracht

 
  • 5.700.000
         

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

  • 59.200
  • 30.000
         
 

Uitgaven

266.104

369.159

294.050

11.906

8.750

8.750

8.750

waarvan juridisch verplicht

   

97,2%

       
 

Vermogensverschaffing

150.000

350.000

280.000

0

0

0

0

Kapitaalinjectie TenneT

150.000

350.000

280.000

0

0

0

0

 

Vermogensonttrekking

100.268

0

0

0

0

0

0

Afdrachten Staatsloterij

100.268

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

8.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

NLFI

8.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Garanties

4.800

4.850

4.850

3.206

50

50

50

Regeling BF

0

50

50

50

50

50

50

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

3.156

0

0

0

Opdrachten

3.035

9.309

4.200

3.700

3.700

3.700

3.700

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

3.035

9.309

4.200

3.700

3.700

3.700

3.700

 

Ontvangsten

7.526.800

1.969.346

1.204.300

1.201.656

1.066.500

1.063.500

1.432.500

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Vermogensonttrekking

7.349.001

1.960.000

1.195.000

1.194.000

1.062.000

1.059.000

1.428.000

Opbrengst verkoop vermo-genstitels

5.715.676

0

0

0

0

0

0

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

1.492.495

1.845.000

1.064.000

1.004.000

1.049.000

1.059.000

1.064.000

Afdrachten Staatsloterij

100.268

0

0

0

0

0

0

Winstafdracht DNB

40.561

115.000

131.000

190.000

13.000

0

364.000

waarvan: Griekse inkomsten ANFA

59.850

48.450

0

0

0

0

0

waarvan: Griekse inkomsten SMP

57.950

51.300

14.250

19.000

9.500

7.600

7.600

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

7.457

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

NLFI

7.457

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

 

Leningen

161.000

0

0

0

0

0

0

Lening SRH

161.000

0

0

0

0

0

0

 

Garanties

9.334

4.846

4.800

3.156

0

0

0

Premieontvangsten garantie

             

TenneT

4.800

4.800

4.800

3.156

0

0

0

Premieontvangsten garantie

             

Propertize

4.053

0

0

0

0

0

0

Overig

481

46

0

0

0

0

0

Opdrachten    6    0    0    0    0    0    0

Terug te vorderen kosten staatsdeelnemingen    6    0    0    0    0    0    0

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven op artikel 3 is 97,2% juridisch verplicht.

Kapitaalinjectie TenneT

De kapitaalinjectie TenneT is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met TenneT. Daarnaast is voor 2020 onder voorbehoud nog een tranche van de kapitaalinjectie toegezegd, indien TenneT kan aantonen dat aanvullend kapitaal nodig is.

NLFI

De bijdrage aan NLFI is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door de Minister van FinanciŽn goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiŽle instellingen. De begroting van NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Dotatie begrotingsreserve TenneT

De dotatie aan de begrotingsreserve TenneT is niet juridisch verplicht.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze advieskosten worden ieder jaar geraamd op basis van de verwachte inhuur. Een deel van de contracten loopt over het begrotingsjaar heen, welk deel is op voorhand niet exact te kwantificeren, maar naar beste inschatting is Ä 3,5 mln. op het totaal te kwalificeren als budgetflexibel.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Vermogensverschaffing

Eind 2015 heeft TenneT de Staat als enig aandeelhouder verzocht om extra kapitaal ter beschikking te stellen om de wettelijk verplichte investeringen in het Nederlandse net te realiseren. Op basis van een second opinion uitgevoerd door een extern deskundige is geconcludeerd dat de investeringsagenda in Nederland inderdaad tot een kapitaalbehoefte leidt. In de periode 2017 tot en met 2019 ontvangt TenneT Ä 780 mln., verspreid over drie tranches. In 2019 zal gekeken worden of een eventuele vierde tranche in 2020 noodzakelijk is. Deze tranche zal zodoende pas in de begroting van 2020 aan het parlement worden voorgelegd. Het feit dat er sprake is van een financiŽle transactie maakt dat de kapitaalinjectie niet relevant is voor het EMU-saldo en het uitgavenkader.

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

NLFI is een rechtspersoon met een wettelijke taak. NLFI voert het staatsaandeelhouderschap uit voor de financiŽle instellingen die tijdelijk in beheer zijn. De netto-uitgaven aan NLFI om uitvoering te geven aan haar wettelijke taak zijn naar verwachting Ä 0,5 mln. over 2019 (Ä 5,0 mln. uitgaven minus Ä 4,5 mln. ontvangsten).

Regeling Bijzondere Financiering (BF)

Het budget Regeling Bijzondere Financiering (BF) betreft een vergoeding voor het beheer door NIBC Bank van enkele resterende BF-dossiers.

Dotatie begrotingsreserve TenneT

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal Ä 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet. Hierdoor kon de stichting de overname financieren van Transpower door TenneT Holding. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt (Ä 4,8 mln.), wordt afgestort in een begrotingsreserve.

 

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve TenneT (bedragen x Ä 1 mln.)

Stand per 1/1/2018

Onttrekkingen

2018

Toevoegingen Stand per 1/1/2019 2018

Onttrekkingen

2019

Toevoegingen

2019

Stand per 31/12/2019

35,2

0

4,8    40

0

4,8

44,8

Opdrachten

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs ter ondersteuning in de diverse expertises die benodigd zijn voor het professioneel beheer van de staatsdeelnemingen.

Ontvangsten

Vermogensonttrekking

Deze post bestaat uit alle dividenden, winstafdrachten en verkoopopbrengsten die zien op zowel de reguliere staatsdeelnemingen zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen, Schiphol en Gasunie als de tijdelijke financiŽle deelnemingen (ABN AMRO, RFS en de Volksbank). In 2018 zijn de dividendontvangsten hoger vanwege het in augustus 2018 aangekondigde interimdividend van ABN AMRO.

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

Zie: Uitgaven - Bijdragen aan ZBO's en RWT's.

Premieontvangsten garantie TenneT

Zie: Uitgaven - Dotatie begrotingsreserve TenneT.

Artikel 4 Internationale financiŽle betrekkingen

  • A. 
    Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beÔnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Dit betreft voor een belangrijk deel ontwikkelingen in de lidstaten van de EU. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een direct effect op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel-economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de EU en haar lidstaten, waarbij ook de financiŽle stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

De Minister van FinanciŽn speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten. Ten behoeve van de bevordering van de financiŽle stabiliteit neemt de Minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere de Ecofinraad en de Eurogroep) ter versterking van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de eurozone. Hieronder valt ook de economische beleidscoŲrdinatie in de EU en de EMU in het kader van het Europees Semester.

Verder neemt de Minister van FinanciŽn besluiten over het Nederlandse standpunt met betrekking tot toetreding van landen tot het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en invoering van de euro. Tevens draagt de Minister van FinanciŽn het Nederlandse standpunt over de EU-begroting uit. De Minister ziet erop toe dat deze EU-begroting volgens de afspraken van het MFK (het huidige MFK loopt van 2014 tot 2020) wordt vormgegeven.

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel-economische crises en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. De Minister van FinanciŽn draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen, zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiŽle stabiliteit in de eurozone.

Internationale financiŽle instellingen (IFI's), waaronder het IMF, de Wereldbank, de EBRD, de EIB en de AIIB, dragen in belangrijke mate bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling. Tevens vervullen de IFI's een belangrijke rol bij het financieel-economisch beleidstoezicht, bevorderen zij de ontwikkeling van lage- en middeninko-menslanden en vormen zij een financieel vangnet in het geval van een crisis. De Minister houdt als aandeelhouder toezicht op deze IFI's en hun financiŽle soliditeit en bestuur, met als doel deze instellingen gezond en sterk te houden. Hierbij bewaakt de Minister ook de financiŽle belangen van de Nederlandse overheid en de Nederlandse burger. Ook ziet de Minister toe op de effectiviteit van de internationale financiŽle architectuur, waarbij het cruciaal is dat IFI's hun eigen rol hierbinnen uitvoeren en hun middelen effectief en efficiŽnt inzetten. In de tabel in onderdeel E wordt ter verduidelijking een overzicht gegeven van het Nederlandse aandeel in deze financiŽle instellingen.

Daarnaast levert de Minister een bijdrage aan de internationale beleidsdis-cussies en beleidsresponses bij internationale fora zoals de Ecofinraad, de Eurogroep, de G20, verschillende OESO-werkgroepen en commissies en discussies bij het IMF, de Wereldbank en andere IFI's.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

EU/Eurozone

In 2018 zijn de onderhandelingen voor het nieuwe MFK†i begonnen. Het MFK legt de maximale uitgaven van de EU vast en is daarmee maatgevend voor de omvang van de EU-afdrachten van lidstaten. Het huidige MFK loopt door tot en met 2020. Het nieuwe MFK†i loopt van 2021 tot en met 2027. Naar verwachting zullen de onderhandelingen in 2019 hoog op de EU-agenda staan. Nederland zet bij de onderhandelingen in op een modern en financieel houdbaar MFK (zie ook 2.1 Beleidsprioriteiten).

De Europese Raad heeft in juni 2018 gesproken over de verdieping van de EMU. De discussie richtte zich vooral op de versterking van het ESM, het plaatsen van een gemeenschappelijke achtervang voor het SRF bij het ESM en de voltooiing van de Bankenunie. Eind december 2018 zal de Europese Raad terugkomen op deze onderwerpen. Mogelijk zullen de conclusies van deze Europese Raad aanleiding geven tot verdere uitwerking van eerder genoemde voorstellen omtrent de verdieping van de EMU in 2019.

Voor de Brexit zou in het najaar van 2018 het terugtrekkingsakkoord met een politieke verklaring over het kader voor de toekomstige relatie moeten worden afgerond om vervolgens de goedkeuringsprocedure te starten, die uiterlijk 29 maart 2019 moet zijn afgerond. Daarna zal de EU met het VK het overeengekomen kader voor de toekomstige relatie verder uitwerken. Daarbij zal Nederland in blijven zetten op een zo diep en breed mogelijke relatie, binnen de randvoorwaarden die wij met de EU-27 overeengekomen zijn.

Internationale FinanciŽle Instellingen

Nederland zal in 2019 verder inzetten op de mobilisatie van private sector-financiering bij IFI-activiteiten en strenger toezien op dat IFI-financiering geen private sector-financiering uit de markt drukt. Daarnaast zal Nederland zich inzetten voor het verbeteren van de transparantie van schulden - om proberen te voorkomen dat lage-inkomenslanden niet meer lenen dan zij kunnen dragen - door onder andere dit onderwerp te bespreken in het IMF en de Club van Parijs.

Om de EIB voldoende gekapitaliseerd te houden na het vertrek van het VK uit de EU stelt de EIB voor om het Britse kapitaal te vervangen. Deze vervanging betreft uitsluitend een verzoek om extra garanties van de overige 27 EU-lidstaten en geen verzoek om een kapitaalstorting. In het voorstel neemt de Nederlandse garantstelling aan de EIB toe met Ä 1,9 mld. Tegelijk met het hierboven beschreven voorstel voor een vervanging van het Britse kapitaal worden diverse aanpassingen voorgesteld die de governance van de EIB in lijn brengen met de toegenomen omvang en complexiteit van de EIB. Een aantal voorstellen voor de verbetering van de governance vergt wijziging van het statuut van de EIB. Het kabinet is eveneens voornemens met deze wijzigingen in te stemmen.

De aandeelhouders van de Wereldbank hebben in 2018 een politiek besluit genomen over een aanvullende kapitaalinleg voor de Wereldbank, om zo de financiŽle capaciteit van de Wereldbank te vergroten. Dit betreft de bankonderdelen IBRD (het bankonderdeel voor middeninkomenslanden) en de IFC (de private sectortak van de Wereldbank). Het kabinet beschouwt de Wereldbank als een belangrijke en effectieve partner voor het realiseren van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 (Sustainable Development Goals, SDGs) en van de internationale klimaatagenda. Het kabinet ziet de noodzaak van het vergroten van de financiŽle capaciteit om deze doelen te bereiken (Kamerstukken II 2017-2018, 26 234, nr. 208 en Kamerstukken II 2017-2018, 26 234, nr. 209) en het Ministerie van FinanciŽn zet hier dus in 2019 stevig op in.

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 4 Internationale financiŽle betrekkingen (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

11.434.921

91.080

2.274.076

1.610.277

11.241

8.241

931.733

waarvan garantieverplichtingen:

Wereldbank

  • 599.648
  • 78.906

0

707.000

0

0

0

Garantie aan DNB inzake IMF

11.451.012

  • 33.617

0

0

0

0

0

Kredieten

             

EU-betalingsbalanssteun

0

50.000

50.000

0

0

0

0

EFSM

0

60.000

60.000

0

0

0

0

AIIB

  • 94.757
  • 12.338

0

0

0

0

0

EIB

0

0

1.900.425

0

0

0

0

 

Uitgaven

39.163

355.404

359.220

252.124

185.761

291.423

341.423

waarvan juridisch verplicht

   

99,6%

       

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties    38.030    249.463    324.509    226.703    174.520    283.182    333.082

Wereldbank    3.132    215.676    290.722    226.703    174.520    283.182    333.082

AIIB    34.898    33.787    33.787    0    0    0    0

 

Leningen

0

104.260

33.030

23.740

9.560

6.560

6.560

Teruggave winsten

SMP/ANFA

0

104.260

33.030

23.740

9.560

6.560

6.560

Opdrachten    1.132    1.681    1.681    1.681    1.681    1.681    1.781

Technische assistentie

kiesgroeplanden    1.132    1.681    1.681    1.681    1.681    1.681    1.781

 

Ontvangsten

6.101

7.532

15.257

69.751

162.549

204.053

201.753

 

Bijdrage aan (inter)nationale

             

organisaties

3.828

4.655

4.655

4.818

4.698

4.698

4.698

Ontvangsten IFI's

3.828

4.655

4.655

4.818

4.698

4.698

4.698

 

Leningen

2.273

2.877

10.602

64.933

157.851

199.355

197.055

Renteontvangsten lening

             

Griekenland

2.273

2.877

10.602

22.977

33.155

39.436

37.136

Terugbetaling lening

             

Griekenland

0

0

0

41.956

124.696

159.919

159.919

Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Dit budget betreft de bijdragen aan de middelenaanvulling van IDA (het financieringsloket van de Wereldbank voor de armste landen), IBRD (het bankonderdeel voor middeninkomenslanden), IFC (de private sectortak van de Wereldbank) en aan de AIIB. Al deze bijdragen zijn volledig juridisch verplicht.

Leningen

Tijdens de Eurogroep van 22 juni is besloten dat SMP/ANFA-inkomsten (Securities Markets Programme en de Agreement on Net Financial Assets) vanaf begrotingsjaar 2017 worden doorgegeven aan Griekenland. Voor Nederland worden de uitkeringen de komende jaren in totaal geraamd op ongeveer Ä 200 mln. Deze uitkeringen waren reeds opgenomen in de begroting. De betalingen zijn juridisch verplicht, maar kunnen worden stopgezet als Griekenland zich niet aan de afspraken voor het post-programmaraamwerk houdt.

Opdrachten

Technische assistentie aan kiesgroeplanden is in beginsel niet juridisch verplicht. Voor 2019 is voor Ä 0,4 mln. van de in totaal Ä 1,7 mln. aan technische assistentie reeds in verplichtingen vastgelegd. Het totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven bedraagt 0,4% van het totaal aan uitgaven.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten Verplichtingen

Het kapitaal van het VK in de EIB wordt vervangen door een garantiever-hoging van de overgebleven 27 EU-lidstaten. Hierdoor nemen de Nederlandse garantieverplichtingen aan de EIB toe met Ä 1,9 mld. De hoogte van de garanties aan het EFSM en de Kredieten EU-betalingsbalanssteun is gekoppeld aan het Nederlandse aandeel in de EU-begroting. In 2019 wordt een verhoging van dit aandeel verwacht. Daarom zullen beide garanties ook naar boven worden bijgesteld.

Uitgaven

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederland draagt via algemene bijdragen aan de Wereldbank bij aan ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel dat hiervan op de begroting van FinanciŽn staat betreft IDA, het onderdeel van de Wereld-bankgroep dat concessionele leningen - en in beperkte mate schenkingen - verstrekt aan de armste landen in de wereld. Elke drie jaar worden de middelen voor dit onderdeel van de Wereldbank aangevuld door donoren. Nederland is in 2017 voor de 18e middelenaanvulling van IDA, die loopt van medio 2017 tot en met medio 2020, een nieuwe financiŽle toezegging aangegaan. Deze bijdrage wordt van 2018 tot en met 2026 in negen delen betaald aan de Wereldbank. Om het kasritme van de Staat te optimaliseren is besloten om een gedeelte van de Nederlandse betalingen aan de Wereldbank voor de 18e middelenaanvullingsronde van IDA, die gepland stonden voor 2021, al in 2019 te betalen.

Daarnaast hebben de aandeelhouders van de Wereldbank in 2018 een politiek besluit genomen over een aanvullende kapitaalinleg voor de Wereldbank, om zo de financiŽle capaciteit van de Wereldbank te vergroten. Dit betreft de bankonderdelen IBRD en IFC. De totale verhoging van gestort kapitaal bedraagt $ 13 mld. Het Nederlandse aandeel daarin bedraagt $ 257,3 mln., te betalen over een periode van 5 jaar. Nederland zal naar verwachting in 2019 de verplichting voor de deelname aan de kapitaalverhoging formeel aan de bank afgeven en daarbij het betaalritme afspreken. In deze begroting is hiervoor reeds een budgettaire voorziening opgenomen. Daarnaast bedraagt het totale garantiedeel van de kapitaalverhoging voor IBRD $ 52,6 mld. Het Nederlandse aandeel daarin bedraagt $ 863,2 mln. Hiervoor dient het Nederlandse garantieplafond aan IBRD in 2020 met naar verwachting Ä 0,7 mld. te worden opgehoogd29.

Voor 2019 is wegens de Nederlandse deelname aan de AIIB, een kapitaal-storting geraamd. Op 16 januari 2016 is de AIIB officieel van start gegaan. Deze kapitaalstorting wordt tussen 2015 en 2019 in 5 gelijke tranches van elk $ 41,26 mln. betaald. In 2019 zal de vijfde en tevens laatste tranche worden betaald. De totale toegezegde Nederlandse kapitaalstorting bij de AIIB is $ 206,3 mln. en is voor de begroting afhankelijk van de wisselkoers van de euro.

Leningen

Onderdeel van het tweede leningenprogramma voor Griekenland was dat de inkomsten van de nationale centrale banken uit de Griekse staatsobligaties (SMP en ANFA), die niet zijn meegenomen in de obligatieomruil van februari 2012, werden doorgegeven aan Griekenland. Het tweede leningenprogramma liep op 30 juni 2015 af en daarmee was deze afspraak komen te vervallen. In 2015, 2016 en 2017 hebben er geen uitkeringen plaatsgevonden. Onderdeel van het derde leningenprogramma, waar de Raad van Gouverneurs van het ESM op 19 augustus 2015 definitief mee heeft ingestemd, was wel dat de Eurogroep klaar staat om aanvullende maatregelen te overwegen om de bruto financieringsbehoefte van Griekenland op een houdbaar niveau te houden, waaronder mogelijk het weer doorgeven van de SMP/ANFA-inkomsten. Tijdens de Eurogroep van 22 juni 2018 is besloten dat de SMP/ANFA-inkomsten vanaf begrotingsjaar 2017 weer worden doorgegeven aan Griekenland. Daarmee was in de begroting voor 2018 reeds rekening gehouden.

Opdrachten

Voor de komende jaren is budget gereserveerd voor technische assistentie aan landen in de Nederlandse IMF/Wereldbank/EBRD-kiesgroepen. De technische assistentie is er vooral op gericht om deze kiesgroeplanden te ondersteunen in hun financieel-economische beleid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse expertise. Door nieuwe inzichten is technische assistentie sinds 2017 vormgegeven door middel van een arrangement in plaats van een subsidie.

Ontvangsten

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Er wordt een structurele reeks verwacht aan ontvangsten van IFI's. Het gaat hierbij met name om terugbetalingen van leningen door de EIB en de Wereldbank.

Leningen

Onder het eerste leningenprogramma aan Griekenland, uit 2010, heeft Nederland bilaterale leningen verstrekt. In totaal heeft Nederland voor Ä 3,2 mld. aan leningen verstrekt. Griekenland betaalt hier per kwartaal rente over. De rente die Griekenland betaalt is de 3-maands Euribor-rente plus een opslag van 50 basispunten. Vanaf 2020 zal Griekenland deze bilaterale leningen gaan aflossen.

Meetbare gegevens

Overzicht internationale financiŽle instellingen en fondsen (bedragen x Ä 1 mld.)

 
 

IFC1

MIGA2

IBRD3

EIB4

AIIB5

EBRD6

IMF7

ESM8

EFSF9

EFSM

BoP

Garantie/

oproepbaar bedrag

n.v.t.

0,03

4,2

9,9

0,7

0,6

42,6

35,4

34,2

2,8

2,4

Deelneming in kapitaal

0,05

0,01

0,3

1,0

0,2

0,2

n.v.t.

4,6

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Deelneming in %

2,2

2,2

2,1

4,5

1,1

2,5

1,8

5,7

6,1

4,7

4,7

Financieel profiel instelling of fonds

Uitstaande bedragen

33,2

14,6

147,0

455

0,8

28,7

37,9

92,9

174,6

46,8

1,8

Toegezegd-niet uitgekeerd

9,3

n.v.t.

53,7

112,9

2,7

12,7

91,4

0

0

0

0

Totaal toegezegde bedragen

33,2

14,6

200,7

567,9

3,5

41,4

129,3

92,9

174,6

46,8

1,8

Totale

                     

uitleencapa- citeit10

n.v.t.

21,1

243,0

719,4

72,7

40,3

720,0

500

240

60

50

1    Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2018. Bron: IFC Financial Statements Fiscal Year 2017.

2    Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2018. Bron: MIGA Financial Statements Fiscal Year 2017.

3    Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2018. Bron: IBRD Financial Statements Fiscal Year 2017.

4    Cijfers per 31-12-2017. Bron: EIB Financial Statements 2017.

5    Cijfers per 31-12-2017. Bron: AIIB Financial Statements 2017.

6    Cijfers per 31-12-2017. Bron: EBRD Financial Report 2017.

7    Cijfers per 30-4-2018, wisselkoers per 1-3-2018. Bron: IMF Financial Statements, Quarter Ended 30 april 2018.

8    Cijfers per 6-8-2018. Bron: ESM.

9    Cijfers EFSF, EFSM en BoP per 31-7-2018. Bron: website Europese Commissie, EFSM en EFSF.

10    Bedragen zijn indicatief en de exacte bedragen, rekenwijze en wat wordt meegenomen verschilt per IFI of fonds.

De bovenstaande tabel geeft een aantal kengetallen van internationale financiŽle fondsen en instellingen waarin Nederland deelneemt. Per fonds of instelling is de financiŽle binding weergeven. Hierbij wordt de omvang van de garantie en het gestorte kapitaal weergeven. Verder wordt door middel van verstrekte bedragen en de maximale capaciteit een financieel profiel gemaakt van het fonds of instelling.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het verzekeren van betalingsrisico's die zijn verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland die zonder deze verzekering niet tot stand zouden zijn gekomen, en het creŽren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit).

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn is budgetverantwoordelijk voor de ekv-faciliteit en is samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beleidsverantwoordelijk. Beide Ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. De Minister van FinanciŽn stelt de randvoorwaarden vast waaronder verzekeringen kunnen worden afgegeven. De Staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. (ADSB) voert de ekv-faciliteit uit, op naam van en voor rekening en risico van de Staat.

Met de ekv-faciliteit biedt de Nederlandse Staat, op basis van de Kaderwet financiŽle verstrekkingen FinanciŽn en in aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico's kunnen afdekken. Met de verschillende producten kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders binnenhalen, in het bijzonder op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders30. Dit heeft een positief effect op de Nederlandse concurrentiekracht en werkgelegenheid.

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen - bijvoorbeeld het landenbeleid - kunnen ieder moment weloverwogen worden aangepast zodat onverantwoord grote risico's worden vermeden. Om dezelfde reden wordt het risicoprofiel van de bestaande ekv-portefeuille en van nieuwe aanvragen nauwlettend gevolgd door het Ministerie van FinanciŽn met behulp van een uitgebreid risicokader.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de Staat risico's in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de ęafbakening verzekeringsactiviteiten StaatĽ opgezet (voorheen de ęrisicodrachtĽ). Hierin staat vermeld welke risico's (landen, looptijd en omvang) op de markt verzekerd kunnen worden en waarop de Staat dus geen dekking biedt. De afbakening is vastgesteld op basis van informatie van een marktpartij en wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit (ADSB) of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

Onderdeel van het beleid is het bevorderen van een internationaal gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in Arrangement-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimumpremies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid31. Deze afspraken zijn op basis van een verordening voor EU-lidstaten juridisch bindend. In de International Working Group wordt een actieve dialoog gevoerd met opkomende economieŽn die niet deelnemen aan de Arrangement om mogelijke verstoringen van het speelveld zoveel mogelijk te beperken.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) krijgt internationaal, maar ook nationaal steeds meer aandacht. De Nederlandse Staat vervult bij het uitvoeren van de ekv een voorbeeldfunctie voor niet ekv-gedekte exporttransacties, er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen binnen de ekv-aanvragen. Het Nederlandse beleid voor de toetsing van ekv-aanvragen op de milieu- en sociale-effecten, dat in een aantal opzichten strenger is dan de internationale regels op dit gebied, is vastgelegd in het zogeheten Beleidsdocument mvo. In februari 2018 is het herziene document naar de Tweede Kamer gestuurd32. ADSB publiceert jaarlijks een duurzaamheidsverslag waarin de inspanningen en resultaten worden beschreven.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Sinds enkele jaren wordt ingezet op het vergroten van de toegankelijkheid van het ekv-instrumentarium, met name voor de MKB-exporteurs. Ook in 2019 zal er extra tijd en aandacht worden geÔnvesteerd om nieuwe (MKB-)exporteurs te begeleiden bij het gebruik van het ekv-instrumentarium. Een belangrijk beleidsstreven is het vergroten van het aandeel in de portefeuille van exporttransacties met een duurzaam karakter en die bijdragen aan het behalen van de doelstelling van het Akkoord van Parijs. Daartoe is in 2018 de investeringsverzekering aangepast, om deze beter geschikt te maken voor duurzame investeringen. In maart 2018 is in samenwerking met BNG Bank en NWB Bank een zogeheten CIRR33-loket opgestart; banken kunnen hier ten behoeve van exporteurs terecht voor goedkope financiering tegen een vaste lage rente voor exportkredieten. Veel landen waar Nederland internationaal mee optrekt hebben een CIRR-loket. De verwachting is dat Nederlandse bedrijven zich beter kunnen positioneren in internationale tenders wanneer ze goedkopere financiering (al dan niet met een vaste rente) kunnen aanbieden aan hun afnemers. Ten slotte is een traject in gang gezet om te monitoren in welke mate wordt bijgedragen aan het realiseren van Sustainable Development Goals.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

979.817

10.015.042

10.015.244

10.015.244

10.015.244

10.015.244

10.015.244

waarvan garantieverplichtingen:

Exportkredietverzekeringen

998.604

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

waarvan: nieuwe verplichtingen

5.160.562

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

waarvan: vervallen verplichtingen

  • 4.161.958

0

0

0

0

0

0

Investeringsverzekeringen

  • 60.410

0

0

0

0

0

0

waarvan: nieuwe verplichtingen

385

0

0

0

0

0

0

waarvan: vervallen verplichtingen

  • 60.794

0

0

0

0

0

0

 

Uitgaven

79.488

75.542

83.444

83.444

83.444

88.244

88.144

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

Garanties

64.452

60.500

68.200

68.200

68.200

73.000

72.900

Schade-uitkering ekv

37.865

60.500

68.200

68.200

68.200

73.000

72.900

Dotatie begrotingsreserve ekv

24.512

0

0

0

0

0

0

Schade-uitkering Seno-Gom

2.075

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

14.971

14.987

15.187

15.187

15.187

15.187

15.187

Kostenvergoeding Atradius

DSB

14.971

14.987

15.187

15.187

15.187

15.187

15.187

Overig

65

55

57

57

57

57

57

Overige uitgaven

65

55

57

57

57

57

57

Ontvangsten

255.472

280.422

256.172

235.622

88.144

88.144

88.144

 

Garanties

255.472

280.422

256.172

235.622

88.144

88.144

88.144

Premies ekv

104.877

91.250

77.650

79.250

61.677

61.677

61.677

Premies investeringsverzeke-

             

ringen

554

0

0

0

0

0

0

Schaderestituties ekv

132.355

189.172

178.522

156.372

26.467

26.467

26.467

Onttrekking begrotingsre-

             

serve Seno-Gom

12.500

0

0

0

0

0

0

Schaderestituties Seno-Gom

5.186

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Garanties

Deze uitgaven zijn 100% juridisch verplicht, aangezien deze voortvloeien uit afgesloten exportkredietverzekeringen. Indien de verzekerde risico's zich materialiseren en aan alle verzekeringsvoorwaarden is voldaan, moet de Staat als verzekeraar tot uitkering overgaan.

Opdrachten

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met ADSB. Deze overeenkomst loopt door tot en met het einde van 2019.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Voor de ekv-faciliteit is in de begroting een plafond opgenomen van Ä 10 mld. voor het bedrag dat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan worden aangaan.

Uitgaven

Garanties

Exportkredietverzekeringen geven Nederlandse exporteurs en hun financiers dekking tegen de politieke en commerciŽle risico's die zij lopen bij exportcontracten en bijbehorende exportkredieten naar en ten behoeve van landen met een (ver)hoog(d) risico en/of buitenlandse afnemers met een relatief hoog risicoprofiel. Dit instrument vergroot dus de mogelijkheden voor Nederlandse export.

De ekv heeft zowel definitieve als voorlopige juridische verplichtingen in de portefeuille. Indien het voor een exporteur soms nog onzeker is of de opdracht wordt gegund, maar er voor een offerte wel al financiering geregeld moet zijn, kan al wel een dekkingstoezegging worden afgegeven. Dit is nog geen polis, maar de dekkingstoezegging zal bij daadwerkelijke gunning van een opdracht worden omgezet naar een polis. Gemiddeld wordt ongeveer de helft van de dekkingstoezeggingen uiteindelijk een polis. Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het risico sterk is verslechterd, is de Staat niet verplicht om een dekkingstoezegging in een polis om te zetten. Schade kan uitsluitend onder een polis worden uitgekeerd.

Wanneer zich onder een polis schade voordoet, zal de Staat bij schade-uitkering doorgaans het betalingsschema van de debiteur volgen. Dit betekent dat het bedrag niet in een keer wordt uitgekeerd, maar gespreid over de resterende looptijd van de verzekering (doorgaans twee betalingen per jaar). Naar aanleiding van het garantiekader voor risicore-gelingen wordt een begrotingsreserve opgebouwd. De begrotingsreserve fungeert als een buffer om tegenvallers, zoals een grote schade, op te vangen. De stand hiervan was ultimo 2017 ruim Ä 389,7 mln. Volgens de interneratingmethode onder Basel II en III is de voorziening statistisch gezien, gegeven de huidige ekv-portefeuille, in een gegeven jaar met een kans van 3 op 4 toereikend.

 

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve ekv (bedragen x Ä 1 mln.)

Stand per 1/1/2018

Onttrekkingen

2018

Toevoegingen Stand per 1/1/2019 2018

Onttrekkingen

2019

Toevoegingen

2019

Stand per 31/12/2019

389,7

0

0    389,7

0

0

389,7

Opdrachten

ADSB is de uitvoerder van de ekv-faciliteit. ADSB ontvangt voor de werkzaamheden in het kader van de ekv-faciliteit jaarlijks een vergoeding op basis van een vergoedingsovereenkomst die doorloopt tot en met eind 2019.

Ontvangsten

Garanties

De ontvangsten bestaan uit premies en schaderestituties. De omvang van deze posten wordt beÔnvloed door de hoeveelheid afgegeven exportkredietverzekeringen en ontwikkelingen in de kredietwaardigheid van buitenlandse debiteuren.

Premies ekv

Als er een polis wordt afgegeven is de verzekerde premie verschuldigd.

De premie wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken systematiek. De in OESO-verband overeengekomen minimumpremies zijn van evident belang voor het voorkomen van concurrentieverstoring. De premies dienen het onderliggende risico te reflecteren en bij te dragen aan kostendekkendheid van de faciliteit.

Schaderestituties ekv

Schaderestituties kunnen uiteraard alleen ontstaan indien eerst uitgaven zijn gedaan in de vorm van schade-uitkeringen. De Club van Parijs is een belangrijk platform waar crediteurlanden informatie delen over betalingsachterstanden van andere overheden of overheidsbedrijven op publiek gedekte exportkredieten en bilaterale leningen. Deze coŲrdinatie tussen landen verhoogt de schaderestituties van een publieke exportverzekeraar.

Meetbare gegevens

Voor de ekv-faciliteit worden twee indicatoren gehanteerd om inzicht te krijgen in hoeverre de doelstelling wordt behaald. De eerste indicator, die in 2018 voor het eerst werd gebruikt in plaats van de benchmark, geeft inzicht in de directe en indirecte bijdrage van de ekv-faciliteit aan het Nederlandse bbp op basis van berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hiervoor wordt aangesloten bij de wijze waarop de doeltreffendheid van de faciliteit (tussen 2010 en 2014) is onderzocht in de beleidsdoorlichting van 2016. De streefwaarde is gebaseerd op historische realisaties.

De tweede indicator is de bedrijfseconomische resultaatbepaling (berb).

De berb geeft aan in welke mate de ekv-faciliteit voldoet aan de internationale afspraak om minimaal kostendekkend te zijn. Deze afspraak is gemaakt om te voorkomen dat er concurrentieverstoring kan plaatsvinden. De berb brengt in kaart in welke mate de inkomsten (premies en recuperaties) op de lange termijn de uitgaven (schades en uitvoeringskosten) dekken. Een positieve uitkomst duidt erop dat de faciliteit kostendekkend is met inachtneming van nog te verwachten schades over de uitstaande risico's.

 

Indicatoren

 

Waarde 2017

Streefwaarde 2018 t/m 2022

Benchmark

n.v.t.1

-

Bijdrage bbp in %

(berekening CBS)

_

> 0,18%

Berb

Ä 478 mln.

> Ä 0 mln.

1 In 2017 is geen benchmark opgesteld. In overleg met de Rijkscommissie voor export is besloten over te gaan op een nieuwe systematiek, waarbij vanaf eind 2018 het internationaal gelijkwaardig speelveld aan de orde zal komen in de Toekomstagenda.

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

  • A. 
    Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en andere regionale openbare lichamen als bedoeld in de Wet op het Btw-compensatiefonds hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Het Btw-compensatiefonds (BCF) is opgericht om btw weg te nemen als factor in de afweging van decentrale overheden tussen uitbesteden en inbesteden (uitvoering door de eigen organisatie). Decentrale overheden kunnen betaalde btw terugvragen bij het BCF. De betaalde btw moet daarvoor aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag er geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugvragen zijn: inzameling van huisvuil, onderhoud aan gebouwen, straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • ē 
    het verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;
  • ē 
    het beheer van het BCF.
  • C. 
    Beleidswijzigingen

Voor het BCF zijn geen beleidswijzigingen voorzien in 2019.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 6 Btw-compensatiefonds (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

3.029.706

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

 

Uitgaven

3.029.706

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
 

Bijdragen aan medeoverheden

3.029.706

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

waarvan: bijdragen aan

             

gemeenten en kaderwetge-

             

bieden

2.630.051

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

waarvan: bijdragen aan

             

provincies

399.655

403.655

403.655

403.655

403.655

403.655

403.655

 

Ontvangsten

3.029.706

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

Budgetflexibiliteit

De bijdrage van het Rijk ter compensatie van de door decentrale overheden betaalde btw is opgenomen in de Wet op het Btw-compensatiefonds. De wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het BCF. Het Rijk heeft geen invloed op de jaarlijkse uitgaven van het fonds. Met ingang van 2015 is de omvang het BCF gemaximeerd34. De voorwaarden voor het BCF veranderen niet. Het Gemeentefonds en het Provinciefonds fungeren als het ware als ventiel bij zowel onderschrijdingen als overschrijdingen van het BCF.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en uitgaven (bijdragen aan medeoverheden)

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BCF dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies; alle gemeentelijke begrotingen tezamen zijn groter dan alle provinciale begrotingen tezamen. In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BCF. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, deze uitgaven komen vaak in aanmerking voor compensatie van btw.

De raming van de uitgaven uit het BCF voor het lopende jaar wordt geŽxtrapoleerd voor de jaren daarna. Uitgangspunt voor de raming van het lopende jaar is de beschikking van het afgelopen jaar die in het lopende jaar wordt uitbetaald, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven.

Geraamd plafond Btw-compensatiefonds (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Plafond

3.346.041

3.569.421

3.708.459

3.824.075

3.962.612

4.114.792

Grondslag

3.325.711

3.410.791

3.497.201

3.574.189

3.665.237

3.665.237

Waarvan overhevelingen i.v.m. taakmutaties

5.574

466

-

-

-

-

Waarvan accres

14.756

158.164

211.258

249.886

297.375

449.555

Uitgaven

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

Waarvan gemeenten

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

2.821.355

Waarvan provincies

403.655

403.655

403.655

403.655

403.655

403.655

Ruimte onder plafond

121.031

344.411

483.449

599.065

737.602

889.782

Waarvan gemeenten

105.882

301.303

422.939

524.084

645.281

778.413

Waarvan provincies

15.149

43.108

60.510

74.981

92.321

111.369

het BCF. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het Btw-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Algemene wet betreffende rijksbelastingen. Dit betekent onder meer dat de controle van het BCF onderdeel uitmaakt van de reguliere controle bij gemeenten en provincies van de aangiften omzetbelasting. De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaven voor het BCF is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte omzetbelasting. Dit betekent de mogelijkheid van controle achteraf gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Voornoemde handelswijze met betrekking tot het BCF betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar binnen het algemene beleid zich er op richt om in de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op welke aspecten het meest voor nadere toezichtsactivi-teiten in aanmerking komen.

De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Hierbij maakt de Belastingdienst gebruik van de mogelijkheden die klantbehan-deling in de actualiteit biedt. Een gemeente of provincie werkt daarbij zichtbaar aan het onderhouden en versterken van de fiscale beheersing, met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare belastingaangiften en opgaven voor het BCF. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid voor naleving van fiscale wet- en regelgeving nemen en zorg dragen voor volledige en juiste aangiften en opgaven. Daarbij krijgt de Belastingdienst zicht op hoe de gemeenten en provincies omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden voor een adequate beheersing daarvan zijn ingevuld. De gemeenten en provincies beoordelen vervolgens zelf de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen. De resultaten daarvan delen zij met de Belastingdienst. Met deze informatie bepaalt de Belastingdienst in welke mate gesteund kan worden op de interne beheersing en in hoeverre aanvullende eigen werkzaamheden noodzakelijk zijn. Wanneer daar aanleiding toe is kunnen ook boekenonderzoeken worden ingezet. Dit kunnen volledige boekenonderzoeken zijn waarvan het BCF onderdeel uitmaakt of deelonderzoeken die specifiek zijn gericht op de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven BCF.

 

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Percentage gemeenten en provincies waarvan de mogelijkheid tot klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is

91%

95%

85%

95%

Toelichting

Binnen het segment Grote ondernemingen is er voor de grootste bedrijven sprake van individuele klantbehandeling, hieronder zijn ook de gemeenten en provincies begrepen. Met individuele klantbehandeling wordt passende behandeling beoogd ter afdekking van de risico's, gegeven de beschikbare capaciteit. Voor elke gemeente en provincie wordt beoordeeld of deze in aanmerking komt voor klantbehandeling in de actualiteit. Drie gedragscomponenten zijn daarbij bepalend: 1) de mate van transparantie, 2) de mate van fiscale beheersing en 3) de fiscale strategie. De analyse leidt tot een behandelstrategie en de vaststelling of een gemeente of provincie al dan niet voor klantbehandeling in de actualiteit in aanmerking komt. Mocht dit het geval zijn, dan wordt op directieniveau een gesprek gehouden en een aanvullende verkenning uitgevoerd. Het streven is om deze toets in 2019 voor 95% van alle gemeenten en provincies te hebben uitgevoerd. De streefwaarde van de prestatie-indicator is daarmee in lijn gebracht met de gestegen realisatie in de afgelopen jaren, waarin veel aandacht is besteed aan de compliance als gevolg van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsonderne-mingen. Hierdoor kan het behandelteam van de Belastingdienst goed aangeven of actuele klantbehandeling mogelijk is.

Artikel 9 Douane

  • A. 
    Algemene doelstelling Aanleiding

Artikel 9 Douane is een nieuw beleidsartikel van begroting IX. Meer informatie over de aanleiding tot oprichting van het nieuwe artikel is opgenomen in de Groeiparagraaf van de leeswijzer van deze begroting.

Algemene en operationele doelstelling Douane

De Douane draagt bij aan een solide financiering van de Europese en nationale overheid, aan een veilige samenleving en aan een sterke, aantrekkelijke en eerlijke interne markt waarmee de welvaart in de EU en Nederland wordt bevorderd. Dit doet de Douane door als handhavings-dienst toezicht te houden op het EU-grensoverschrijdende goederenverkeer en daarbij te controleren op de naleving van fiscale en niet-fiscale regels en door het bona fide bedrijfsleven daarbij te faciliteren. Douanerechten en nationale accijnzen en verbruiksbelastingen worden zo veel mogelijk tijdig, juist en volledig geheven en geÔnd.

In de uitvoering van deze algemene doelstelling worden de volgende operationele ABC-doelen onderscheiden:

  • ē 
    A fdracht: zorgen dat belastingopbrengsten zo juist, tijdig en volledig mogelijk zijn;
  • ē 
    B eschermen: de samenleving zo goed mogelijk beschermen tegen onveilige en ongewenste goederen;
  • ē 
    C oncurrentiepositie: bijdragen aan het versterken van de concurrentiepositie van de Europese Unie.

Deze doelstellingen worden onder onderdeel B nader toegelicht.

Meetbare gegevens

De algemene doelstelling komt voor de Douane tot uiting in de volgende meetbare gegevens.

 

Prestatie-indicatoren Douane

Prestatie-indicator

Waarde 2016

Waarde 2017 Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Juiste invoeraangiften

100

-1 >100

>100

Waardering bedrijfsleven

101

-2    >100

>100

1    Deze meting is over 2017 niet beschikbaar.

2    Deze meting komt bij het jaarverslag 2018 beschikbaar.

Juiste invoeraangiften

De indicator ziet op doelstelling A (afdracht) en geeft het aandeel juiste aangiften invoer weer, die zijn ingediend in het aangiftesysteem (AGS) van de Douane. Deze aangiften vormen de basis voor de juiste afdracht, aangezien de heffing en inning op deze aangifte worden gebaseerd. De juistheid ziet op het voldoen aan de wettelijke eisen voor een aangifte. De behandeling van aangiften invoer is ťťn van de eerste momenten in de handhaving door de Douane. Op het moment van aangifte kan de Douane het gedrag van aangevers beÔnvloeden, bijvoorbeeld door het inzetten van activiteiten op het gebied van dienstverlening en toezicht. Het aandeel wordt als index opgenomen met 2016 als indexjaar35.

Waardering bedrijfsleven

De waardering bedrijfsleven is gericht op versterken van de concurrentiepositie (C-doelstelling). Voor het meten en verbeteren van de dienstverlening van de Douane aan het bedrijfsleven wordt het instrument Bewijs van Goede Dienst ingezet. Hierin zijn doelstellingen opgenomen die in samenspraak met het bedrijfsleven tot stand zijn gekomen en waaraan zowel de Douane als het bedrijfsleven grote waarde hecht. De score op deze doelen wordt jaarlijks gemeten. De waardering wordt als index opgenomen met als indexjaar 201436.

De B-doelstelling van de Douane, beschermen van de samenleving, betreft de uitvoering van de niet-fiscale taken die de Douane in opdracht van beleidsdepartementen kent. Hierbij zijn de Ministeries van FinanciŽn, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Klimaat, Infrastructuur en Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport betrokken. De Douane gaat, in overleg met betrokken partijen, verder met de ontwikkeling van een indicator die zich richt op de mate waarin de Douane de (periodieke) afspraken over deze douanetaken uitvoert.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk voor en heeft een regisserende rol op het terrein van het beleid en de wet- en regelgeving inzake douaneformaliteiten en douanerechten. Dit is hoofdzakelijk Europese weten regelgeving. Daarnaast is de Minister verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving inzake binnenlandse accijnzen en verbruiksbelastingen.

Daarbij heeft de Minister van FinanciŽn een uitvoerende rol op het terrein van:

  • ē 
    de heffing en inning van de douanerechten;
  • ē 
    de heffing en inning van de accijnzen en verbruiksbelastingen;
  • ē 
    de controle op niet-fiscale aspecten, zoals bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid en milieu, bij invoer en uitvoer van goederen;
  • ē 
    handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiŽle integriteit.

De uitvoering van deze opdracht van de Minister van FinanciŽn ten aanzien van de drie hoofddoelen ziet op de volgende hoofdtaken:

  • ē 
    Afdracht: dit houdt in dat de verschuldigde douanerechten en accijnzen worden vastgesteld, geheven en geÔnd. De geÔnde bedragen worden afgedragen aan:

o de Europese Unie (douanerechten);

o de Nederlandse schatkist (accijnzen en verbruiksbelastingen).

  • ē 
    Beschermen: hieronder valt een breed scala van taken op het terrein van veiligheid, milieu, flora en fauna, gezondheid en cultuur. Dit houdt vooral in dat onveilige of ongewenste goederen de EU niet, of alleen onder bepaalde voorwaarden, mogen binnenkomen en vaak ook niet mogen verlaten. Bovendien geldt dat voor de uitvoer van bepaalde goederen beperkende maatregelen kunnen gelden en dat voorkomen moet worden dat goederen een ongewenste bestemming krijgen.
  • ē 
    Concurrentiepositie: dit doet de Douane enerzijds door toe te zien op naleving van Europese maatregelen voor marktordening. Anderzijds bevordert de Douane een snelle en goede douaneafhandeling, resulterend in zo min mogelijk logistiek oponthoud en lage administratieve lasten voor bedrijfsleven.

Op grond van het Douanewetboek van de Unie (DWU), Europese verordeningen, de Algemene douanewet en nationale wet- en regelgeving handhaaft de Douane fiscale en niet-fiscale wet- en regelgeving.

De Minister bevordert via de inzet van de Douane de naleving van wet- en regelgeving. Dit gebeurt door het leveren van passende en faciliterende dienstverlening door bijvoorbeeld zorg te dragen voor een goed werkend aangiftesysteem. Maar ook door processen juist en tijdig uit te voeren, door adequaat toezicht uit te oefenen en door naleving te stimuleren en waar nodig deze naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Belangrijk vertrekpunt bij de doorvoering van beleidswijzigingen voor de Douane is de positie van de opdrachtgevers. In de begroting van deze ministeries wordt het beleid - waarvoor de betreffende Minister verantwoordelijk is - toegelicht. De Douane gaat over de uitvoering van het beleid binnen de door de opdrachtgevers gestelde kaders, niet over het beleid zelf.

Brexit

In de Beleidsagenda (Hoofdstuk 2) is de Brexit als ťťn van de belangrijke ontwikkelingen van de komende periode benoemd. De Douane bereidt zich zo goed mogelijk voor op de Brexit. Dit is een complexe operatie. De wijze waarop de Brexit uiteindelijk zal worden vormgegeven en wat precies de afspraken met het VK zullen worden, blijft vooralsnog met veel onzekerheden omgeven. De Douane bereidt zich daarom voor op de situatie dat vanaf 29 maart 2019 douaneformaliteiten gaan gelden en douanetoezicht gaat plaatsvinden. De Beleidsagenda geeft toelichting hierop.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 9 Douane betreft op budgettair gebied voor de begroting 2019 enkel de apparaatsbudgetten (personele en materiŽle uitgaven en apparaatsontvangsten), programma-uitgaven en verplichtingen die direct aan het dienstonderdeel Douane kunnen worden toegerekend. Overige indirecte uitgaven die betrekking hebben op de Douane, bijvoorbeeld voor huisvesting en ICT, worden gedaan door andere dienstonderdelen binnen de Belastingdienst en blijven derhalve voor de begroting 2019 vermeld op artikel 1 Belastingen.

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 9 Douane (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

-

-

416.151

427.177

422.267

421.987

421.487

 

Uitgaven (1) + (2)

-

-

416.151

427.177

422.267

421.987

421.487

 
  • (1) 
    Programma-uitgaven

-

-

33.129

29.629

30.127

30.127

30.127

waarvan juridisch verplicht

   

53,2%

       
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Opdrachten

-

-

31.029

27.529

28.027

28.027

28.027

ICT opdrachten

-

-

3.322

3.322

3.322

3.322

3.322

Overige opdrachten

-

-

27.707

24.207

24.705

24.705

24.705

 

Bijdrage aan agentschappen

-

-

2.100

2.100

2.100

2.100

2.100

Bijdrage overige agentschappen

-

-

2.100

2.100

2.100

2.100

2.100

 
  • (2) 
    Apparaatsuitgaven

-

-

383.022

397.548

392.140

391.860

391.360

 

Personele uitgaven

-

-

374.212

389.063

387.985

387.705

387.205

Eigen personeel

-

-

368.402

383.353

381.775

381.495

381.495

Inhuur externen

-

-

5.750

5.650

6.150

6.150

5.650

Overig personeel

-

-

60

60

60

60

60

 

MateriŽle uitgaven

-

-

8.810

8.485

4.155

4.155

4.155

ICT

-

-

7.581

7.256

2.928

2.928

2.928

Overig

-

-

1.229

1.229

1.227

1.227

1.227

Ontvangsten

-

-

605

605

605

605

605

 

Apparaatsontvangsten

-

-

605

605

605

605

605

Budgetflexibiliteit

Opdrachten

Via Europese samenwerking wordt gewerkt aan een DWU wat leidt tot aanpassing van de douaneprocessen. Voor de correcte toepassing van de douanewetgeving worden opdrachten gegeven om ICT-systemen aan te passen. In de Algemene Douanewet staan de toezichtstaken en bevoegdheden uitgewerkt. Voor de uitvoering van de Algemene Douanewet geeft Douane opdrachten voor de inkoop van Douane specifieke middelen, bijvoorbeeld speurhonden, detectiesystemen, werktuigen, meldkamer-voorzieningen en laboratoria. De post Opdrachten is naar beste inschatting 50% juridisch verplicht. De verplichtingen worden met name aangegaan voor detectiesystemen.

Bijdrage agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan de Rijksrederij van Rijkswaterstaat en is 100% verplicht vanuit samenwerkingsovereenkomsten.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor de Douane. De inhuur is onder het rijksbreed afgesproken maximum van 10%.

MateriŽle uitgaven

Dit betreft de materiŽle uitgaven van de Douane en omvat Douane specifieke diensten, middelen en communicatie. De standaarddiensten huisvesting en de toerusting van de ambtenaren van de Douane (telefoon, laptop, werkplek, iPad, etc.) loopt via andere dienstonderdelen van de Belastingdienst en wordt verantwoord op artikel 1 Belastingen.

  • F. 
    Douanebeleid en wetgeving

Context

Nederland vormt een belangrijke schakel in de internationale handel en logistiek. Ruim een kwart van alle goederen bestemd voor de EU-lidstaten - met een gezamenlijke waarde van ruim Ä 200 mld. (2016) - komt aan op Nederlandse bodem.

De dynamiek in de wereldhandel is op verschillende fronten groot. De trendmatige groei in het goederenverkeer betekent onder andere dat de Douane meer aangiften heeft te controleren. Dit wordt versterkt door de enorme vlucht die e-commerce genomen heeft. Het aantal kleine zendingen onder andere via de post en koeriersstroom blijft jaarlijks sterk toenemen. In onderstaande twee figuren wordt de trendmatige ontwikkeling van de waarde van de internationale handel en het aantal aangifte-regels weergegeven.

Bron: CBS

De figuur hierboven laat de waardeontwikkeling zien van de Nederlandse internationale handel. De figuur hieronder geeft de weerslag daarvan voor de Douane in de vorm van de ontwikkeling van het totale volume aan aangifteregels voor het binnenbrengen en de invoer van goederen (import), voor douanevervoer (transit) en voor het uitvoeren en uitgaan van goederen (export). Een aangifte kan meerdere aangifteregels bevatten. Verschillende regels staan voor verschillende soorten goederen.

Een belangrijke verandering die voortkomt uit de Brexit is dat het volume vervoersbewegingen over de buitengrens en daaraan gerelateerde aangiften toeneemt. Bovendien komt het ferryverkeer tussen het VK en NL geheel onder Douanetoezicht. In 2019 worden verdere voorbereidingen getroffen om de uitvoering van het onderhandelingsresultaat met het VK mogelijk te maken.

Door de Douane is, voor zover mogelijk, een inschatting gemaakt van de voorbereidingen die getroffen moeten worden in het kader van de Brexit, alsmede op welk moment deze getroffen dienen te worden. De gemaakte inschattingen en analyse worden continu gemonitord en bijgesteld indien de besprekingen in Brussel daar aanleiding toe geven. De analyses betreffen onder andere de verschillende Brexit scenario's, de mogelijke overgangsperiode en de gevolgen voor burgers en bedrijven.

Strategie Douane

De Douane is een handhavende organisatie. Dit betekent dat de Douane toeziet of bepaalde wet- en regelgeving wordt nageleefd en, indien nodig, ingrijpt bij een gebrek aan naleving of om de naleving te versterken. De Douane heeft niet alleen de taak om specifieke douanewetten (zoals vastgelegd in het DWU) te handhaven maar ook tal van niet-fiscale wettelijke regelingen.

Een van de kenmerken van het douanerecht is dat binnengebrachte goederen op het grondgebied van de EU mogen verblijven zonder dat de belastingheffing voor invoer heeft plaatsgevonden. Heffing vindt pas plaats wanneer de goederen daadwerkelijk in de EU blijven. Om dit te kunnen handhaven is het nodig dat goederen onmiddellijk bij binnenkomst in de EU onder toezicht van de Douane komen en blijven totdat zij de EU verlaten of in het vrije verkeer worden gebracht. Dit toezicht-systeem wordt het formaliteitenstelsel genoemd. Het formaliteitenstelsel is het middel dat de Douane gebruikt om zicht op goederenbewegingen te houden (met andere woorden goederenbewegingen te bewaken). Het formaliteitenstelsel is primair gericht op de heffing van douanerechten maar wordt ook gebruikt voor de handhaving van niet-fiscale regels. Het formaliteitenstelsel zet het bedrijf, dat verantwoordelijk is voor de goederen, aan tot het vervullen van verplichtingen die de Douane controleert.

Het toezicht is gericht op goederen die via Nederland de EU binnenkomen of verlaten. Daarbij wordt de juiste balans tussen de ABC-doelen gezocht. Het bevorderen van compliance - regelnaleving door burgers en bedrijven - en het tegengaan van non-compliance is daarbij een belangrijk onderdeel in de handhavingsstrategie.

Niet alle goederen kunnen fysiek gecontroleerd worden. Zeker niet met de steeds grotere volumes van goederen- en aangiftestromen en het belang om de goederenstroom 24/7 door te laten lopen. Dit vraagt om slimme handhaving. Het toezicht is daarom informatiegestuurd en risicogericht, waarbij innovatieve controlemiddelen en -methoden worden ontwikkeld en ingezet, zoals scans en cameratoezicht. Voortdurend wordt gewerkt aan het versterken van de informatiepositie, onder andere door gegevensuitwisseling en het ontsluiten en koppelen van nieuwe databronnen. Ook controleresultaten en risicosignalen vanuit het veld worden hierbij betrokken. Met behulp van data-analyses worden risico's zo scherp mogelijk in kaart gebracht. Op basis daarvan wordt de meest passende handhaving of mix van handhavingsactiviteiten gekozen. De Douane differentieert in de handhaving zodat activiteiten van dienstverlening, toezicht tot opsporing elkaar in de tijd en qua werking aanvullen en aansluiten bij het risico. De interventies verschillen in aard en intensiteit.

Op een groot aantal terreinen wordt samengewerkt. Zo wordt samengewerkt met het bedrijfsleven en andere handhavers. Doel hiervan is om het toezicht zo effectief en efficiŽnt mogelijk in te richten en de administratieve lasten en toezichtslasten zo veel als verantwoord is te beperken. Binnen de EU wordt samengewerkt met de douaneorganisaties van de andere EU-lidstaten. Nationaal wordt met handhavingspartners aan de grens samengewerkt, zoals de NVWA en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De Douane treedt daarbij op als regisseur van de overheidscontroles op goederen aan de EU-grens. Ook hier is een belangrijk element in de samenwerking het uitwisselen van gegevens.

Met het bedrijfsleven wordt samengewerkt in het Overleg Douane Bedrijfsleven dat de status heeft van Trade Facilitation Commitee van de Wereldhandelsorganisatie (WHO). Met bedrijfsleven en wetenschap wordt samengewerkt in de Topsector Logistiek. Een voorbeeld van samenwerken is het inzichtelijk maken van data van bepaalde logistieke en goederenstromen en vervolgens het digitaal delen van deze data.

De Douane heeft een visie geformuleerd waarmee de handhavingsstra-tegie concreet vorm en inhoud krijgt in de praktijk. In deze visie genaamd ęGrensverleggendĽ komen de bovengenoemde elementen zoals risicogericht, compliancegericht en informatiegestuurd terug. De uitwerking van de handhavingsvisie Grensverleggend vindt geleidelijk plaats. In de uitwerking staat het slim gebruik van data en technologie centraal. Gewerkt wordt aan de ontwikkeling en toepassing van vormen van autodetectie op data en goederen, bijvoorbeeld via EU-projecten voor automatische interpretatie van scanbeelden. Tevens wordt met behulp van statistische technieken het risicoselectieproces van te controleren goederen verbeterd. Via pilots wordt voor de stroom bekende en betrouwbare bedrijven een toezichtsmodel ontwikkeld om vast te stellen dat het bedrijf in control is. De ketenbenadering wordt vooral uitgewerkt via EU-innovatietrajecten en bilaterale Safe and Secure Tradelanes (SSTL).

  • 4. 
    NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 8 Apparaat kerndepartement

  • A. 
    Apparaatsuitgaven kerndepartement/Tabel Budgettaire gevolgen

Op dit artikel staan alle personele en materiŽle uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van FinanciŽn met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en de Douane (artikel 9). Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel inclusief personele exploitatie, inhuur externen en materieel (inclusief huisvesting en ICT) voor het kerndepartement.

Budgettaire gevolgen - artikel 8 Apparaat kerndepartement (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

218.809

243.671

256.491

254.191

254.333

254.379

254.397

 

Uitgaven

218.518

243.671

256.491

254.191

254.333

254.379

254.397

 

Personeel kerndepartement

155.195

167.982

174.632

174.466

174.606

174.652

174.652

waarvan: Eigen personeel

146.100

159.659

164.757

165.508

165.648

165.694

165.694

waarvan: Inhuur externen

8.769

7.850

9.402

8.485

8.485

8.485

8.485

waarvan: Overig personeel

327

473

473

473

473

473

473

 

Materieel kerndepartement

63.322

75.689

81.859

79.725

79.727

79.727

79.745

waarvan: ICT

6.239

13.570

13.806

13.166

13.166

13.166

13.166

waarvan: bijdrage aan SSO's

34.147

38.045

39.173

38.503

38.503

38.503

38.503

waarvan: overig materieel

22.935

24.074

28.880

28.056

28.058

28.058

28.076

 

Ontvangsten

50.916

52.957

52.953

52.839

52.839

52.839

52.839

Uitgaven (en verplichtingen)

Personeel kerndepartement

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. De inhuur is onder het rijksbreed afgesproken maximum van 10%.

Materieel kerndepartement

Dit betreft de materiŽle uitgaven van het kerndepartement en omvat onder andere zaken aangaande diensten, middelen en communicatie. ICT bevat voornamelijk uitgaven voor projecten. De structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties zijn overgedragen aan de Shared Service Center-ICT (SSC-ICT). De bijdrage aan Shared Service Organisaties (SSO's) betreft onder andere huisvesting (Rijksvastgoedbedrijf), ICT, het Financieel Diensten Centrum, bedrijfszorg en beveiliging.

Ontvangsten

Deze post betreft voornamelijk ontvangsten vanuit Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en de Auditdienst Rijk (ADR).

  • B. 
    Totaaloverzicht apparaatsuitgaven Ministerie van FinanciŽn

Onderstaande tabel geeft de totale apparaatuitgaven voor het Ministerie van FinanciŽn. Dit betreft de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement, de Belastingdienst, de Douane en de ZBO's en RWT's.

Voor de Waarderingskamer, de AFM en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor hun apparaat. Met ingang van 2015 is de overheidsbijdrage voor het financieel toezicht in Nederland afgeschaft, conform kabinetsbesluit, en ontvangen de AFM en DNB hiervoor dus geen overheidsbijdrage meer. Wel ontvangen ze nog een bijdrage voor enkele specifieke werkzaamheden, zoals toezicht op de BES-eilanden.

Totale apparaatsuitgaven Ministerie van FinanciŽn (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatsuitgaven

Ministerie van FinanciŽn

3.155.797

3.175.584

3.019.546

2.838.192

2.715.921

2.711.982

2.671.569

Totaal departement

3.142.543

3.163.935

3.007.989

2.826.642

2.704.421

2.700.489

2.660.059

Kerndepartement

218.518

243.671

256.491

254.191

254.333

254.379

254.397

Belastingdienst

2.924.025

2.920.264

2.368.476

2.174.903

2.057.948

2.054.250

2.014.302

Douane

n.v.t.

n.v.t.

383.022

397.548

392.140

391.860

391.360

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

13.254

11.649

11.557

11.550

11.500

11.493

11.510

Waarderingskamer

1.574

1.887

1.925

1.925

1.925

1.925

1.925

AFM

339

405

405

480

505

505

505

DNB

3.341

4.357

4.227

4.145

4.070

4.063

4.080

NLFI

8.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

  • C. 
    Apparaatsuitgaven kerndepartement per directoraat-generaal

In onderstaande tabel worden de apparaatsuitgaven kerndepartement per directoraat-generaal (DG) van het kerndepartement uitgesplitst. De apparaatsuitgaven van het DG Belastingdienst (exclusief die van de Douane) worden verantwoord op artikel 1 Belastingen en van de Douane op artikel 9 Douane.

 

Apparaatsuitgaven kerndepartement per DG (bedragen x Ä 1.000)

Directoraat-generaal

2019

Totaal kerndepartement

256.491

Generale Thesaurie

24.272

DG Rijksbegroting

23.141

SG-cluster

192.388

DG Fiscale Zaken

16.690

  • D. 
    Taakstellingen

De taakstellingen die het kerndepartement en de Belastingdienst opgelegd hebben gekregen voor de apparaatsuitgaven zijn structureel ingevuld.

Artikel 10 Nog onverdeeld

  • A. 
    Tabel Budgettaire gevolgen

Budgettaire gevolgen - artikel 10 Nog onverdeeld (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

0

0

77.956

68.860

67.004

105.029

66.571

 

Uitgaven

0

0

98.411

186.730

67.046

96.178

66.571

Programma onvoorzien

0

0

40.873

27.900

23.901

23.901

5.652

Apparaat onvoorzien

0

0

42.659

143.896

34.363

62.765

52.046

Loonbijstelling

0

0

4.466

4.676

2.202

2.872

2.218

Prijsbijstelling

0

0

10.413

10.258

6.580

6.640

6.655

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Vanuit dit artikel wordt de bij eerste suppletoire begroting 2018 toegekende loon- en prijsbijstelling naar de beleids- en apparaatsartikelen overgeboekt. Bij Voorjaarsnota 2018 heeft de FinanciŽnbegroting een bijdrage geleverd aan de Rijksbrede problematiek onder het uitgavenplafond. Deze bijdrage wordt nu verdeeld over de beleids- en apparaatsartikelen. Voorts staan op dit artikel middelen gereserveerd voor de vertrekregeling en voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen. Dit artikel is tevens bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen binnen de begroting van FinanciŽn op te vangen.

  • 5. 
    BELEIDSARTIKELEN (NATIONALE SCHULD)

Artikel 11 Financiering staatsschuld

  • A. 
    Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke rentekosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 20 1 637.

Het Agentschap van de Generale Thesaurie van het Ministerie van FinanciŽn is namens de Minister van FinanciŽn verantwoordelijk voor de financiering van de staatsschuld.

Voor de inrichting van het risicobeleid en het financieringsbeleid baseert de Staat zich onder meer op de internationale richtlijnen voor staats-schuldfinanciering die zijn opgesteld door het IMF38. Belangrijke uitgangspunten daarin zijn solide risicobeheer, en transparantie en afreken-baarheid van beleid en uitvoering. Bij de beheersing van de risico's wordt niet alleen naar het renterisico gekeken, maar ook naar andere risico's zoals bijvoorbeeld valutarisico en tegenpartijrisico. Het Agentschap heeft daarnaast consistentie van beleid en uitvoering hoog in het vaandel staan wat bijdraagt aan een goede verhandelbaarheid van Nederlands schuld-papier.

Renterisicokader en financieringsplan

Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt iedere vier jaar het renterisicokader herzien waarbij de afweging tussen acceptabel risico en kosten plaatsvindt. In 2016 is het nieuwe risicokader39 voor de financiering van de staatsschuld ingegaan voor de periode 2016-2019. De belangrijkste elementen van het huidige beleidskader zijn een verlenging van de looptijd en het verminderen van de afhankelijkheid van (rente)derivaten40. Voor het beheersen van de risico's op zowel de lange als de korte termijn zijn twee risicomaatstaven geÔntroduceerd: de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille en het renterisicobedrag (RRB).

Voor de nadere invulling van de schuldfinanciering wordt vervolgens jaarlijks in december het financieringsplan gepubliceerd, in de zogeheten Outlook41. Daarin wordt aangegeven wat in het komende kalenderjaar de verwachte financieringsomvang is en hoe de Staat de schuldfinanciering zal uitvoeren. De omvang van de kapitaalmarktfinanciering ligt dan (binnen een bepaalde bandbreedte) voor een jaar vast. Schommelingen in de financieringsbehoefte worden vervolgens opgevangen op de geldmarkt. Deze werkwijze maakt het financieringsbeleid consistent en transparant en draagt bij aan het betrouwbare imago van de Nederlandse Staat op de financiŽle markten.

Hieronder worden de twee risicomaatstaven en de bijbehorende overwegingen nader toegelicht.

Gemiddelde looptijd schuldportefeuille

De jaren voor 2015 hebben zich gekenmerkt door een toename van de schuld en een afname van de rentestanden tot historisch zeer lage niveaus. Door de looptijd van de schuld te verlengen kunnen relatief lage rentekosten voor langere tijd worden vastgelegd. Een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 10 jaar heeft een hoger rentepercentage, maar een kleiner renterisico dan een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 5 jaar. Het renterisico is kleiner omdat het langer zal duren voordat een rentestijging volledig is doorgewerkt in de begroting en de schuld. Dit draagt bij aan begrotingsrust.

Voor de jaren 2016-2019 is een streefpad vastgelegd voor de verlenging van de gemiddelde looptijd. Voor de keuze van dit streefpad is eerst de optimale schuldportefeuille op lange termijn bepaald. Tientallen schuld-portefeuilles zijn in analyses met elkaar vergeleken waarbij voor iedere portefeuille gold dat deze realistisch en bereikbaar was, gelet op de uitgangspunten voor het uitvoeren van het financieringsbeleid (transparantie, consistentie en liquiditeit/verhandelbaarheid)42. Vervolgens is van de portefeuilles met eenzelfde of beter toekomstig risicoprofiel als/dan het kader uit de periode 2012-2015 de portefeuille gekozen met de laagste kosten op middellange termijn. De streefportefeuille kende begin 2016 een looptijd van 5,3 jaar en dit loopt op tot 6,4 jaar eind 2019. Deze looptijd is in beginsel bereikbaar zonder nieuwe swaps af te sluiten wat past bij het uitgangspunt van het renterisicokader om de afhankelijkheid van swaps te verminderen.

In de praktijk kunnen zich onvoorziene afwijkingen in de looptijd voordoen door de fluctuaties in de schulduitgifte als gevolg van veranderingen in de begroting en in marktomstandigheden. Hierdoor kan in de praktijk niet in alle gevallen exact op de looptijd gestuurd worden. Om deze reden wordt voor de na te streven looptijd zowel naar boven als naar beneden een marge van 0,25 jaar aangehouden. Overigens is in 2016 en 2017 de looptijd binnen de bandbreedte gebleven en is de verwachting dat dit ook in 2018 en 2019 het geval zal zijn.

Het renterisicobedrag (RRB)

De gemiddelde looptijd is van invloed op het renterisico dat over een langere periode in de begroting gelopen wordt. Het is tevens de verwachting dat met een hogere gemiddelde looptijd een opwaartse renteschok door de tijd heen geleidelijker tot hogere rentelasten in de begroting leidt. Echter, door gemaakte keuzes in het verleden kunnen pieken in het aflosprofiel plaatsvinden. Dit kan leiden tot ongewenste kortetermijnrisico's. Om kortetermijnrisico's te beheersen, is een additionele maatstaf geÔntroduceerd. Deze maatstaf, het zogenoemde renterisicobedrag, is het bedrag waarover in de eerstvolgende 12 maanden de rente opnieuw moet worden vastgesteld. Het RRB wordt gemeten als percentage van de totale staatsschuld.

Het RRB wordt gemaximeerd op een waarde die realistisch is gezien de omvang en samenstelling van de schuld en die past bij een nagestreefde looptijd van de schuldportefeuille van 6,4 jaar. Het maximale RRB is vastgesteld op 18% van de omvang van de staatsschuld. Als de maximumwaarde dreigt te worden overschreden, zal worden ingegrepen. De middelen die het Agentschap daarvoor beschikbaar heeft zijn het inkopen van schuld, enige flexibiliteit in de kapitaalmarktuitgifte en het doen van aanpassingen in de swapportefeuille.

 

Kengetallen risico staatsschuldfinanciering 2016-2019

 

2016

2017

2018

2019

Gemiddelde looptijd staatsschuld (jaren)

5,5

6,0

6,3

6,4

RRB (max.)

18%

18%

18%

18%

Kostenverantwoording

Het Agentschap legt jaarlijks verantwoording af over de hoogte van de rentekosten. De gerealiseerde kosten van de in 2019 nieuw uitgegeven schuld zullen in het jaarverslag worden afgezet tegen de budgettaire raming ten tijde van de begroting. De nieuw uit te geven schuld bestaat uit de nieuwe uitgiftes van leningen op de kapitaalmarkt plus de hele omvang van de geldmarkt. De geldmarkt bestaat immers uit leningen met looptijden korter dan een jaar en wordt gedurende het jaar volledig afgelost en opnieuw gefinancierd.

Uit de verantwoording zal moeten blijken in hoeverre afwijkingen zijn te verklaren door renteontwikkelingen, het financieringssaldo en de keuzes ten aanzien van de inzet van de verschillende instrumenten. Onderstaande tabel laat zien dat op de nieuw uit te geven schuld in 2019 per saldo Ä 80 mln. aan rentebaten worden verwacht.

Kostenraming staatsschuldfinanciering 2019 van nieuw uit te geven schuld (MEV 2019) (bedragen x Ä 1 mln.)

 
 

Gemiddelde stand geldmarkt

Uitgifte kapitaal markt

CPB korte rente (incl. spread)

CPB lange rente

Totaal verwachte rentelasten

2019

33.839

22.575

  • 0,50%

0,67%

  • 80
  • C. 
    Beleidswijzigingen

Het beleid ten aanzien van de financiering van de staatsschuld wordt voor een groot deel bepaald door de uitgangspunten van het financieringsbeleid (transparantie, consistentie en verhandelbaarheid) en door het renterisicokader. Het huidige renterisicokader geldt voor de jaren 2016-2019. De bijbehorende streefwaarden, gemiddelde looptijd en RRB, zijn de afgelopen jaren gehaald. Ook voor de jaren 2018 en 2019 verwacht het Agentschap eraan te kunnen voldoen. Daarom zijn voor 2019 op dit terrein geen beleidswijzigingen voorzien. In 2019 zal conform planning een beleidsdoorlichting plaatsvinden. Op basis van de bevindingen daarvan zal het renterisicokader voor de periode 2020-2023 worden vormgegeven.

Zoals in de vorige begroting reeds aangekondigd streeft het Agentschap ernaar om in de loop van 2019 het zogeheten central clearing van swaps mogelijk te maken. Momenteel sluit de Staat alleen swaps af onder een zogeheten eenzijdige Credit Support Annex (CSA). Deze eenzijdige CSA verplicht een tegenpartij onderpand bij de Staat te storten wanneer de marktwaarde van de betreffende swapportefeuille positief is (gezien vanuit de Nederlandse Staat). Echter, als de marktwaarde negatief wordt, dan is de Staat niet verplicht om onderpand te storten bij de tegenpartij.

De markt voor dergelijke swaps wordt echter steeds kleiner en duurder. Het overgrote deel van alle swaptransacties wordt namelijk centraal gecleard, omdat dit voor de meeste partijen in de financiŽle sector verplicht is. Central clearing betekent dat een tussen twee partijen afgesloten swap wordt overgebracht naar een derde partij, de Central Counterparty (CCP). De relatie tussen de twee oorspronkelijke partijen bestaat dan niet meer, maar beide partijen hebben na deze overdracht de CCP als tegenpartij. Indien ťťn van de partijen zijn verplichtingen niet nakomt, zorgt de CCP alsnog voor de afwikkeling. Het kredietrisico wordt zo verspreid over alle deelnemende partijen aan de betreffende CCP.

In de afgelopen jaren is de markt voor groene obligaties sterk gegroeid. Het betreft obligaties waarvan de opbrengsten worden gekoppeld aan groene uitgaven. Het Agentschap onderzoekt de relevante overwegingen rondom de eventuele uitgifte van een groene obligatie door de Staat. De bevindingen zullen in het derde of vierde kwartaal van 2018 met de Tweede Kamer worden gedeeld.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 11 Financiering staatsschuld (bedragen x Ä 1 mln.)

2017    2018    2019    2020    2021    2022    2023

Verplichtingen    54.275    45.604    35.655    36.017    22.160    36.481    35.008

Uitgaven    54.275    45.604    35.655    36.017    22.160    36.481    35.008

waarvan juridisch verplicht    99,94%

 

Rente

6.977

6.301

5.815

5.649

5.601

5.754

5.073

Rentelasten vaste schuld

6.847

6.256

5.815

5.623

5.421

5.475

4.795

Rentelasten vlottende schuld

29

0

0

26

180

279

278

Voortijdige beŽindiging

             

schuld

100

45

0

0

0

0

0

Rente derivaten kort

0

0

0

0

0

0

0

Leningen

47.286

39.293

29.817

30.352

16.543

30.711

29.919

Aflossing vaste schuld

43.303

39.293

29.817

30.352

16.543

30.711

29.919

Mutatie vlottende schuld

3.983

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

13

10

23

16

16

16

16

Overige kosten

13

10

23

16

16

16

16

 

Ontvangsten

35.529

32.435

24.178

28.576

16.436

30.442

29.273

 

Rente

2.995

3.873

1.603

1.458

1.429

1.033

656

Rentebaten vaste schuld

0

0

0

0

0

0

0

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Rentebaten vlottende schuld

237

245

249

56

43

42

42

Voortijdige beŽindiging

             

schuld

0

0

0

0

0

0

0

Rentederivaten lang

1.210

1.259

1.354

1.402

1.386

991

614

Voortijdige beŽindiging

             

derivaten

1.547

2.369

0

0

0

0

0

 

Leningen

32.534

28.562

22.575

27.118

15.007

29.409

28.617

Uitgifte vaste schuld

32.534

26.000

22.575

27.118

15.007

29.409

28.617

Mutatie vlottende schuld

0

2.562

0

0

0

0

0

 

Overige baten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de algemene doelstelling bestaan uit renteontvangsten en -betalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld is de budgetflexibiliteit voor dit artikel zeer gering. De uitgaven zijn voor 99,94% als juridisch verplicht aan te merken. Enkele overige kosten, zoals advieskosten en drukkosten, zijn niet juridisch verplicht.

Aangezien de (betalings)verplichtingen van de aangegane staatsschuld voortvloeien uit beleids- en bedrijfsvoeringsuitgaven die ten laste van andere begrotingen komen, heeft een verplichtingenbenadering (als begrotingsstelsel) voor de begroting van Nationale Schuld noch uit het oogpunt van budgettaire beheersing, noch uit het oogpunt van budgetrecht meerwaarde ten opzichte van het kasstelsel. Om die reden is in de Comptabiliteitswet 2016 bepaald dat voor de uitgaven ten laste van de begroting van Nationale Schuld de verplichtingen in een jaar gelijk gesteld mogen worden aan de uitgaven in dat jaar.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven en ontvangsten

Rente

Rentelasten en -baten vaste schuld

Onder vaste schuld wordt schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar verstaan. De vaste schuld bestaat voornamelijk uit Nederlandse staatsleningen (Dutch State Loans, DSL's), waarvoor de rentekosten voor een groot deel vastliggen. Deze rentekosten zijn grotendeels het gevolg van de tekortontwikkeling en schuldopbouw uit het verleden, en van de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Rentelasten en -baten vlottende schuld

Onder vlottende schuld wordt schuld verstaan met een oorspronkelijke looptijd korter dan ťťn jaar. De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier met een looptijd van 3 tot 6 maanden (Dutch Treasury Certificates, DTC's), Commercial Paper43 (CP) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo. Dit geldt overigens bij normale, positieve, rentestanden; bij negatieve rentestanden is het precies andersom. Verder vallen ook de rentebaten over de overgenomen leningen aan ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) onder deze rubriek.

Uitgaven en ontvangsten voortijdige beŽindiging schuld Uit cashmanagementoverwegingen kunnen DSL's ingekocht worden. Op die manier kunnen grote pieken in de aflossingen worden verkleind en kunnen aflosmomenten worden gekozen die beter aansluiten bij het kasbeheer. Het gaat hier alleen om DSL's die op het moment van inkoop in de komende 24-maands periode afgelost zouden worden. Het verschil tussen het nominale bedrag dat wordt ingekocht en het bedrag dat daarvoor wordt betaald, wordt tot de rentelasten of rentebaten gerekend. Voortijdige beŽindigingen zijn niet EMU-saldorelevant, omdat zij als een financiŽle transactie worden beschouwd.

Uitgaven en ontvangsten derivaten lang

Als onderdeel van het renterisicobeleid wordt gebruik gemaakt van renteswaps en wordt zowel rente ontvangen als rente betaald. Wanneer er per saldo rente betaald respectievelijk ontvangen wordt, wordt dit tot de rentelasten respectievelijk rentebaten derivaten gerekend. In 2019 zijn voor de renteswaps rentebaten voorzien. Deze rentebaten tellen sinds de overgang naar nieuwe Europese boekhoudregels in september 2014 niet meer mee in de bepaling van het EMU-saldo. Zij hebben wel effect op de EMU-schuld.

Uitgaven en ontvangsten derivaten kort

De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variŽrend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Op basis van evaluaties is bepaald dat het optimaal is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief. Daartoe worden Eonia-swaps afgesloten. Eonia is de afkorting van Euro Overnight Index Average. Eonia is het eendaags interbancaire rentetarief voor het eurogebied. Ook hier geldt dat het saldo van de rentebaten en -lasten wordt weergegeven.

Uitgaven en ontvangsten voortijdige beŽindiging derivaten Uit overwegingen van risicomanagement kan besloten worden om renteswaps voortijdig te beŽindigen. Bij het voortijdig beŽindigen van een renteswap wordt de netto contante waarde van alle toekomstige rentestromen in ťťn keer ontvangen. Deze rentestromen tellen sinds de overgang naar nieuwe Europese boekhoudregels in september 2014 niet meer mee in de bepaling van het EMU-saldo. Zij hebben wel effect op de EMU-schuld. De opbrengsten uit voortijdige beŽindiging van swaps worden niet geraamd omdat van tevoren niet bekend is in welke mate van dit instrument gebruik wordt gemaakt.

Leningen

Aflossing vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt. Daarnaast kan vanuit cashmanagementoverwegingen besloten worden DSL's deels vervroegd af te lossen.

Uitgifte vaste schuld en mutatie geldmarkt

De raming van de uitgifte van vaste schuld is gebaseerd op de jaarlijkse financieringsbehoefte. Deze bestaat uit de omvang van de af te lossen vaste schuld, de uitstaande schuld op de geldmarkt van het jaar ervoor en de raming voor het tekort op kasbasis. Voor toekomstige jaren wordt verondersteld dat de uitstaande schuld op de geldmarkt gelijk blijft en het resterende deel van de financieringsbehoefte op de kapitaalmarkt wordt gedekt door de uitgifte van DSL's. In deze veronderstelling muteert de geldmarkt niet, maar blijft gelijk. De verwachte verhouding tussen financiering op de geldmarkt en financiering op de kapitaalmarkt wordt bekend gemaakt bij de publicatie van het financieringsplan staatsschuld 2019 in december 2018.

Opdrachten

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten voor de Primary Dealers. De Nederlandse Staat maakt gebruik van een stelsel van momenteel 14 banken (de Primary Dealers) voor de distributie en promotie van Nederlandse staatsleningen. De Primary Dealers verplichten zich onder andere om DSL's af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen behoren ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten op de secundaire markt en het quoteren van prijzen voor DSL's en DTC's.

Artikel 12 Kasbeheer

  • A. 
    Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van FinanciŽn is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is om publieke middelen doelmatig te beheren en financiŽle risico's te voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 20 1 644 (voor RWT's), de Wet financiering decentrale overheden45 (voor decentrale overheden), de Wet financiering sociale verzekeringen46 en de Zorgverzekeringswet47 (voor sociale fondsen) en de Regeling Agentschappen48 (voor agentschappen).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij schatkistbankieren heeft de Minister van FinanciŽn een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van FinanciŽn (de schatkist). Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringsbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen sommige categorieŽn deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van FinanciŽn een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van FinanciŽn treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

 

Kengetallen schatkistbankieren ultimo 2017

 

Aantal deelnemers

Middelen in rekening-courant en deposito (bedragen x Ä 1 mld.)

Verstrekte leningen (bedragen x Ä 1 mld.)

Agentschappen

34

2,3

6,5

RWT's en derden

228

5,9

4,2

Sociale fondsen

3

  • 14,8
 

Decentrale overheden

766

8,5

 
  • C. 
    Beleidswijzigingen

In 2018 vindt een beleidsdoorlichting van dit artikel plaats. Het rapport wordt naar verwachting eind 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden. Afhankelijk van de aard van de bevindingen kan dit in 2019 of later leiden tot beleidswijzigingen.

  • D. 
    Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid - artikel 12 Kasbeheer (bedragen x Ä 1 mln.)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

1.553

1.782

1.532

1.611

1.731

1.855

1.888

 

Uitgaven

1.553

1.782

1.532

1.611

1.731

1.855

1.888

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
 

Rente

29

32

32

111

231

355

388

Rentelasten

29

32

32

111

231

355

388

Uitgaven bij voortijdige

             

beŽindiging (hoofdsom)

0

0

0

0

0

0

0

Leningen

1.523

1.750

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Verstrekte leningen

1.523

1.750

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Mutaties in rekening-courant en

 

deposito's

0

0

0

0

0

0

0

Agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

RWT's en derden

0

0

0

0

0

0

0

Sociale fondsen

0

0

0

0

0

0

0

Decentrale overheden

0

0

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

6.063

10.964

9.494

7.555

5.985

6.105

4.994

Rente

146

118

107

107

111

122

132

Rentebaten

141

118

107

107

111

122

132

Ontvangsten bij voortijdige

             

beŽindiging

4

0

0

0

0

0

0

 

Leningen

1.886

1.748

947

1.347

964

1.238

1.022

Ontvangen aflossingen

1.886

1.748

947

1.347

964

1.238

1.022

 

Mutaties in rekening-courant en

             

deposito's

4.031

9.098

8.440

6.101

4.910

4.745

3.840

Agentschappen

47

0

0

0

0

0

0

RWT's en derden

805

0

0

0

0

0

0

Sociale fondsen

2.766

7.998

7.340

6.101

4.910

4.745

3.840

Decentrale overheden

413

1.100

1.100

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven en ontvangsten op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito's en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

  • E. 
    Toelichting op de instrumenten

Uitgaven en ontvangsten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: rente, leningen, en mutaties in rekening-courant en deposito.

Rente

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen van het Rijk aan de deelnemers aan schatkistbankieren. Deelnemers ontvangen rente over een positief saldo op hun rekening-courant en op de deposito's die ze bij de schatkist hebben geplaatst. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers aan het Rijk betaalde rente op leningen en op roodstanden in de rekening-courant. De verwachte rentebaten zijn in 2019 hoger dan de verwachte rentelasten. Dit komt doordat er in totaal meer middelen zijn uitgeleend (in de vorm van leningen en roodstand op de rekening-courant) dan dat er in de schatkist wordt aangehouden. Een van de oorzaken hiervan is de roodstand bij de sociale fondsen. Deze roodstand zal naar verwachting de komende jaren gaan afnemen. Dit leidt tot oplopende rentelasten voor de Staat. Daarnaast wordt in de jaren na 2019 geraamd met rentestanden uit de middellangetermijnraming van het CPB. Deze percentages zijn hoger dan de geraamde CPB-rentepercentages voor de jaren 2018 en 2019, waardoor de rentelasten een aanzienlijke stijging vertonen.

Leningen

De posten verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geven de geraamde uitgifte van nieuwe leningen (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk) weer. Als leningen voortijdig worden beŽindigd dan worden deze afgelost tegen de marktwaarde van de lening op dat moment. Hierdoor kan gedurende het jaar een extra uitgave of ontvangst voor het Rijk ontstaan. Deze worden geboekt als uitgaven of ontvangsten bij voortijdige beŽindiging.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

De posten toename en afname saldi in rekening-courant49 en deposito's50 geven het bedrag weer dat naar verwachting door alle deelnemers in de schatkist wordt gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). Voor 2019 wordt een instroom van middelen, en dus inkomsten voor het Rijk, van Ä 8,4 mld. geraamd. Deze instroom wordt deels veroorzaakt doordat de sociale fondsen meer inkomsten dan uitgaven hebben. Hun roodstand neemt naar verwachting af met Ä 7,3 mld. Decentrale overheden storten naar verwachting Ä 1,1 mld. vanwege beleggingen uit het verleden die, zodra ze vrijvallen, in de schatkist moeten worden aangehouden.

  • 6. 
    BIJLAGEN

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder het Ministerie van FinanciŽn)

 

Naam organisatie

RWT ZBO Functie    Begrotingsar-    Begrotings-    Verwijzing naar website    Hyperlink tikel    ramingen    RWT/ZBO    uitgevoerde

(bedragen x    evaluatie ZBO

Ä 1.000)    onder

Kaderwet

Waarderings- kamer

X    X    De Waarderingskamer    Art. 1    1.925    www.waarderingskamer.nl    Link

heeft als belangrijkste taak het houden van toezicht op de waardering van onroerende zaken door gemeenten in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet

WOZ) en op de Basisregistratie WOZ. De apparaatskosten worden door de

Waarderingskamer in rekening gebracht bij het

Rijk (25%), de gemeenten (50%) en de waterschappen (25%). De kosten voor het beheer van de

Landelijke Voorziening van de Basisregistratie WOZ, die ook via de begroting van de Waarderingskamer lopen, worden bij de partijen in rekening gebracht via een afzonderlijke verdeelsleutel: Rijk (40%), gemeenten (45%) en waterschappen (15%).

Het onder Begrotingsra-mingen vermelde bedrag betreft alleen de aandelen

Rijk.

Autoriteit

FinanciŽle

Markten (AFM)

X    X    Op grond van het artikel    Art. 2    405    www.afm.nl    Link

1.25 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is de AFM belast met de uitoefening van het gedragstoezicht. AFM beslist over de toelating van financiŽle ondernemingen tot de financiŽle markten. Voor het toezicht op de BES-eilanden ontvangt de AFM een overheidsbijdrage.

Naam organisatie RWT ZBO Functie    Begrotingsar- Begrotings- Verwijzing naar website

Hyperlink uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Link

n.v.t.

tikel    ramingen RWT/ZBO

(bedragen x Ä 1.000)

 

De Nederlandsche X

X

Op grond van de Wft

Art. 2

4.227

www.dnb.nl

Bank (DNB)

 

oefent DNB het pruden-

     

tieel toezicht op financiŽle ondernemingen uit (artikel 1.24 Wft). DNB beslist over de toelating van financiŽle ondernemingen tot de financiŽle markten. Voor het toezicht op de BES-eilanden en de uitvoering van het DGS BES ontvangt DNB een overheidsbijdrage.

Verder vervult DNB een intermediaire rol voor het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is voor haar financiering in belangrijke mate aangewezen op een overheidsbijdrage. Deze bijdrage wordt met tussenkomst van DNB aan het FEC verstrekt.

Stichting    X    Het Waarborgfonds    Art. 2    0    www.wbf.nl

Waarborgfonds    Motorverkeer vergoedt

Motorverkeer    overeenkomstig artikel 26

van de Wam schade aan benadeelden in gevallen, genoemd in artikel 25 Wam. Het betreft onder andere gevallen waarbij de veroorzaker onbekend is gebleven of deze niet verzekerd is. Daarnaast is het Waarborgfonds Motorverkeer ingevolge artikel 27k Wam aangewezen als Schadevergoe-dingsorgaan. In die hoedanigheid treedt het in specifieke gevallen op bij schaden die in het buitenland zijn veroorzaakt door buitenlandse motorrijtuigen. Het Waarborgfonds Motorverkeer oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

 

Naam organisatie

RWT ZBO

Functie

Begrotingsar- Begrotings-tikel    ramingen

(bedragen x Ä 1.000)

Verwijzing naar website RWT/ZBO

Hyperlink uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Nederlands

X

Het Nederlands Bureau der

Art. 2    0

www.nlbureau.nl

n.v.t.

Bureau der    Motorrijtuigverzekeraars is

Motorrijtuigverze-    verantwoordelijk voor het keraars (NBM)    regelen van schaden door buitenlandse motorrijtuigen in Nederland en staat garant voor betaling van schade als onverzekerde Nederlandse motorvoertuigen in andere bij het groenekaartsysteem aangesloten landen schade veroorzaken. Daarnaast is het Nederlands Bureau op grond van artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) aangewezen als informatiecentrum waarbij personen die schade hebben geleden die is veroorzaakt door een motorrijtuig uit een EU-lidstaat, informatie kunnen verkrijgen die hen in staat kan stellen een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

 

Commissie

X

De CEA stelt als ZBO    Art. 2

0

www.ceaweb.nl

Link

Eindtermen

 

eindtermen vast voor

     

Accountantsop-

 

accountantsopleidingen,

     

leiding (CEA)

 

wijst opleidingen aan die aan die eindtermen voldoen en toetst of de praktijkstages aan de eindtermen voldoen.

     

Naam organisatie RWT ZBO Functie

Begrotingsar- Begrotings- Verwijzing naar website tikel    ramingen    RWT/ZBO

(bedragen x Ä 1.000)

Hyperlink uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Stichting    X

administratiekantoor financiŽle instellingen (NLFI)

Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO)

De Stichting administratie- Art. 3 kantoor beheer financiŽle instellingen (NLFI) is op 1 juli 2011 opgericht op grond van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiŽle instellingen. NLFI voert het privaatrechtelijke beheer over de deelnemingen van de Staat der Nederlanden in de vennootschappen ABN AMRO Group N.V.,

RFS Holdings B.V. en Volksbank N.V. Het Rijk vergoedt de kosten die NLFI maakt. De Minister van FinanciŽn brengt een groot deel van deze kosten in rekening bij de vennootschappen waarvan aandelen door de stichting worden beheerd, op grond van het besluit houdende regels inzake doorberekening van kosten van de Stichting administratiekantoor beheer financiŽle instellingen.

De Stichting Afwikkeling Art. 8 Maror-gelden Overheid (SAMO, voorheen Stichting Maror-gelden Overheid) was belast met de afwikkeling van onder het publiekrechtelijke regime afgegeven beschikkingen. De Minister van FinanciŽn heeft in maart 2017 besloten tot opheffing van SAMO. De stichting is inmiddels ęin liquidatieĽ en het bestuur is bezig met de vereffening. Na afronding van de vereffening zal de stichting ontbonden worden.

5.000    www.nlfi.nl

(uitgaven);

4.500

(ontvangsten)

n.v.t.

www.maror.nl

n.v.t.

Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder andere ministeries)

 

Naam organisatie

Ministerie

RWT ZBO

Functie

Begrotingsar- Begrotingsramingen

Verwijzing naar

       

tikel    (bedragen x Ä 1.000)

website RWT/ZBO

Autoriteit

EZK

X

De ACM is de toezicht-

Art. 2    455

www.acm.nl

Consument en

   

houder op de uitvoering

   

Markt (ACM)

   

van de MIF-verordening volgens Besluit afwikkelingsvergoe-dingen voor op kaarten gebaseerde betalings-transacties en daarnaast beoogd toezichthouder op bepalingen uit PSD II volgens het implementatiewetsvoorstel PSD2.

   

Autoriteit

J&V

X

De AP is de toezicht-

Art. 2    330

www.autoriteit

Persoonsge

   

houder op de naleving

 

persoons

gevens (AP)

   

van PSD II volgens het nieuwe art. 3.17, zevende lid Wft in het implementatiewetsvoorstel PSD2.

 

gegevens.nl

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

Artikel 1 Belastingen

 

1 Opbouw uitgaven artikel 1 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

2.886.061

2.704.445

2.606.078

2.584.073

2.591.079

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

160.786

143.928

101.997

91.370

90.627

 
 

Nieuwe mutaties

Beheerst vernieuwen

7.048

190.051

184.997

85.550

74.160

 

Vertrekregeling

 

50.400

       

Loonbijstelling

57.457

54.084

52.211

51.807

51.855

 

Oprichting begrotingsartikel Douane

 
  • 416.151
  • 427.177
  • 422.267
  • 421.987
 

Uitvoeringskosten fiscale wetgeving

10.718

13.271

10.301

11.481

11.481

 

Bijdrage Rijksbrede problematiek

  • 40.000
  • 6.000
  • 4.000
  • 4.000
  • 4.000
 

Panama Papers

 

2.000

5.000

5.000

5.000

 

Overig & extrapolatie

  • 14.602

40.400

52.394

24.622

26.000

2.386.072

 

Stand ontwerpbegroting 2019

3.067.468

2.776.428

2.581.801

2.427.636

2.424.215

2.386.072

Opbouw ontvangsten artikel 1 (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

136.740.112

146.025.892

154.896.669

162.090.824

169.526.160

 

Mutatie nota van wijziging 2018

2.992.703

6.280.544

4.492.202

3.865.596

4.346.870

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

2.132.183

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

 

Belastingontvangsten

  • 100.198

1.840.985

  • 1.138.471
  • 1.625.534
  • 3.100.206
 

Overig & extrapolatie

19.546

11.271

11.136

10.277

11.390

177.536.426

 

Stand ontwerpbegroting 2019

141.784.346

154.158.692

158.261.536

164.341.163

170.784.214

177.536.426

  • ē 
    investeringen in vernieuwing: nieuwe en lopende vernieuwingsprojecten, en (het bouwen van) de generieke voorzieningen;
  • ē 
    investeringen in personeel: het aantrekken van hooggekwalificeerde medewerkers en het borgen van de stabiliteit van de uitvoering door het op niveau houden van de capaciteit;
  • ē 
    modernisering van het IV-Landschap: hiermee wordt beoogd de technische schuld van de ICT van de Belastingdienst te verkleinen, waardoor de wendbaarheid en efficiency van de ICT wordt verbeterd;
  • ē 
    verbetering van de bedrijfsvoering: zowel op het gebied van ICT als op het gebied van managementinformatie en personeel.

Met deze budgetten kan de Belastingdienst een invulling geven aan het beheerst vernieuwen van de organisatie. De op de Aanvullende Post resterende budgetten worden op een later begrotingsmoment aangevraagd.

Vertrekregeling

Er zijn voor Switch en premies middelen overgeheveld van artikel 10 (Nog onverdeeld) naar artikel 1 (Belastingen).

Loonbijstelling

De ontvangen loonbijstelling bestaat voor ca. Ä 8 mln. per jaar (0,4%) uit compensatie voor stijgende sociale lasten en voor ca. Ä 44 mln. per jaar (2,2%) uit compensatie voor stijgende loonkosten met name als gevolg van de - op het moment van de Voorjaarsnota nog af te sluiten - CAO 2018.

Oprichting begrotingsartikel Douane

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geÔntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 9 Douane. Per 2019 staat het direct toerekenbare budget van de Douane op het nieuwe begrotingsartikel. Het budget van artikel 1 van de Belastingdienst is daarom vanaf 2019 verminderd met het budget dat naar artikel 9 is verplaatst. Zie ook de Groeiparagraaf en de toelichting in artikel 1 en 9.

Uitvoeringskosten fiscale wetgeving

De uitvoeringskosten fiscale wetgeving betreft de wetgeving die van kracht wordt in het begrotingsjaar 2019. Het gaat om uitvoeringskosten volgend uit het regeerakkoord (in stand houden papieren dienstverlening) en het pakket Belastingplan 2019.

Bijdrage Rijksbrede problematiek

Om ervoor te zorgen dat de uitgaven binnen het uitgavenplafond blijven en interdepartementale problematiek, vooral op het gasdossier, gedekt wordt, leveren alle departementen een bijdrage. De bijdrage van het Ministerie van FinanciŽn aan de problematiek bedraagt cumulatief Ä 115 mln., hiervan is de bijdrage van de Belastingdienst cumulatief Ä 62 mln.

(Ä 4 mln. valt onder extrapolatie in 2023), waarvan Ä 40 mln. in 2018.

Panama Papers

Naar aanleiding van de ęPanama PapersĽ is in het regeerakkoord afgesproken dat de informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de Belastingdienst inzake verborgen vermogens in het buitenland versterkt wordt. Hiervoor wordt incidenteel cumulatief Ä 17 mln. geÔnvesteerd.

Ontvangsten

Belastingontvangsten

Zie de Miljoenennota voor een toelichting op de belastingontvangsten.

Artikel 2 FinanciŽle markten

 

Opbouw uitgaven artikel 2 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

28.769

22.499

22.399

22.399

22.389

 

Mutatie Ie suppletoire begroting 2018

  • 6.827
  • 397
  • 1.738
  • 1.738
  • 1.738
 

Nieuwe mutaties

Overig & extrapolatie

1.118

2.921

2.771

2.671

2.671

23.312

 

Stand ontwerpbegroting 2019

23.060

25.023

23.432

23.332

23.322

23.312

Opbouw ontvangsten artikel 2 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

13.021

11.020

11.020

11.020

11.020

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 984
  • 2.584
  • 2.584
  • 2.584
  • 2.584
 

Nieuwe mutaties

Overig & extrapolatie

2.130

  • 995

1.005

1.005

1.005

9.441

 

Stand ontwerpbegroting 2019

14.167

7.441

9.441

9.441

9.441

9.441

Opbouw uitgaven artikel 3 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

366.932

296.932

15.288

12.132

12.132

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 282
  • 3.082
  • 3.582
  • 3.582
  • 3.582
 

Nieuwe mutaties

Invest-NL    2.309

 

Overig & extrapolatie

200

200

200

200

200

8.750

 

Stand ontwerpbegroting 2019

369.159

294.050

11.906

8.750

8.750

8.750

Opbouw ontvangsten artikel 3 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

984.550

973.550

1.066.906

1.068.750

1.068.750

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

619.796

265.750

  • 46.250
  • 30.250

114.750

 

Nieuwe mutaties

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

365.000

  • 5.000

20.000

15.000

20.000

 

Winstafdracht DNB

 
  • 30.000

161.000

13.000

  • 140.000
 

Overig & extrapolatie

         

1.432.500

 

Stand ontwerpbegroting 2019

1.969.346

1.204.300

1.201.656

1.066.500

1.063.500

1.432.500

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven

Invest-NL

Omdat het aandeelhouderschap Invest-NL is overgegaan van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar het Ministerie van FinanciŽn, is Ä 13,8 mln. aan opstartbudget overgeheveld. Van dit bedrag wordt verwacht dat in 2018 Ä 2,3 mln. zal worden uitgegeven - dit bedrag wordt nu op artikel 3 geplaatst. Het resterende bedrag van Ä 11,5 mln. is bestemd voor latere jaren en staat voorlopig op artikel 10 Nog onverdeeld.

Ontvangsten

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

Naar aanleiding van vernieuwde winstramingen van staatsdeelnemingen wordt de raming voor dividenden en afdrachten bijgesteld. In 2018 zijn de dividendontvangsten hoger vanwege het in augustus 2018 aangekon-digde interimdividend van ABN AMRO.

Winstafdracht DNB

Naar aanleiding van de meest recente winstraming van DNB wordt de raming voor de winstafdracht bijgesteld.

Opbouw uitgaven artikel 4 (bedragen x Ä 1.000)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

419.328

347.336

280.469

218.238

273.425

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 63.928
  • 38.119
  • 28.349

17.519

17.994

 
 

Nieuwe mutaties

Wereldbank

 

50.000

 
  • 50.000
   

Overig & extrapolatie

4

3

4

4

4

341.423

 

Stand ontwerpbegroting 2019

355.404

359.220

252.124

185.761

291.423

341.423

Opbouw ontvangsten artikel 4 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

7.032

13.057

22.995

31.953

30.534

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

500

2.200

4.800

5.900

13.600

 

Nieuwe mutaties

Terugbetaling lening Griekenland

   

41.956

124.696

159.919

 

Extrapolatie

         

201.753

 

Stand ontwerpbegroting 2019

7.532

15.257

69.751

162.549

204.053

201.753

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven

Wereldbank

Om het kasritme van de Staat te optimaliseren is besloten om een gedeelte van de Nederlandse betalingen aan de Wereldbank voor de 18middelenaanvullingsronde van IDA, die gepland stonden voor 2021, al in 2019 te betalen.

Ontvangsten

Terugbetaling lening Griekenland

De Nederlandse overheid heeft in totaal voor Ä 3,2 mld. aan bilaterale leningen aan Griekenland verstrekt. Vanaf 2020 zal Griekenland deze leningen gaan aflossen.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investerings-verzekeringen

 

Opbouw uitgaven artikel 5 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

75.442

83.344

83.344

83.344

88.144

 

Mutatie Ie suppletoire begroting 2018

0

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

Overig & extrapolatie

100

100

100

100

100

88.144

 

Stand ontwerpbegroting 2019

75.542

83.444

83.444

83.444

88.244

88.144

Opbouw ontvangsten artikel 5 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

280.422

256.172

235.622

88.144

88.144

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

0

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

Overig & extrapolatie

         

88.144

 

Stand ontwerpbegroting 2019

280.422

256.172

235.622

88.144

88.144

88.144

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

 

1 Opbouw uitgaven artikel 6 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

3.010.252

3.010.252

3.010.252

3.010.252

3.010.252

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

3.160

0

0

0

0

 
 

Nieuwe mutaties

Aanpassing BCF

208.884

214.292

214.758

214.758

214.758

 

Overig & extrapolatie

2.714

466

     

3.225.010

 

Stand ontwerpbegroting 2019

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

Opbouw ontvangsten artikel 6 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

3.010.252

3.010.252

3.010.252

3.010.252

3.010.252

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

3.160

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

Aanpassing BCF

208.884

214.292

214.758

214.758

214.758

 

Overig & extrapolatie

2.714

466

     

3.225.010

 

Stand ontwerpbegroting 2019

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

3.225.010

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven en ontvangsten

Aanpassing BCF

Deze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het BCF op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Artikel 9 Douane

 

Opbouw uitgaven artikel 9 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

0

0

0

0

0

 
 

Nieuwe mutaties

Oprichting begrotingsartikel Douane

0

416.151

427.177

422.267

421.987

 

Extrapolatie

         

421.487

 

Stand ontwerpbegroting 2019

0

416.151

427.177

422.267

421.987

421.487

Opbouw ontvangsten artikel 9 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

0

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

Oprichting begrotingsartikel Douane

0

605

605

605

605

 

Extrapolatie

         

605

 

Stand ontwerpbegroting 2019

0

605

605

605

605

605

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven en ontvangsten

Oprichting begrotingsartikel Douane

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geÔntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 9 Douane. Per 2019 staat het direct toerekenbare budget van de Douane op het nieuwe begrotingsartikel. Het budget van artikel 1 van de Belastingdienst is daarom vanaf 2019 verminderd met het budget dat naar artikel 9 is verplaatst. Zie ook de Groeiparagraaf en de toelichting in artikel 1 en 9.

 

1 Opbouw uitgaven artikel 8 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

233.707

233.040

232.714

232.893

232.995

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

2.457

2.450

2.217

2.157

2.152

 
 

Nieuwe mutaties

Versterking kerndepartement

5.584

10.584

11.584

11.584

11.584

 

Loonbijstelling

4.429

4.420

4.411

4.413

4.412

 

Overig & extrapolatie

  • 2.506

5.997

3.265

3.286

3.236

254.397

 

Stand ontwerpbegroting 2019

243.671

256.491

254.191

254.333

254.379

254.397

Opbouw ontvangsten artikel 8 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

53.355

53.351

53.237

53.237

53.237

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

186

186

186

186

186

 
 

Nieuwe mutaties

Overig & extrapolatie

  • 584
  • 584
  • 584
  • 584
  • 584

52.839

 

Stand ontwerpbegroting 2019

52.957

52.953

52.839

52.839

52.839

52.839

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Versterking kerndepartement

Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Onderzoek Belastingdienst (COB)51 wordt het kerndepartement kwalitatief en kwantitatief versterkt.

Loonbijstelling

Dit betreft de toegekende loonbijstelling.

Artikel 10 Nog onverdeeld

 

Opbouw uitgaven artikel 10 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

97.019

119.180

167.305

63.738

91.357

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018    -

45.894

90.176

68.804

65.696

67.268

 
 

Nieuwe mutaties

Vertrekregeling

 
  • 50.400
       

Invest-NL

 

11.500

       

Distributie loon- en prijsbijstelling    -

58.971

  • 58.071
  • 56.168
  • 55.757
  • 55.816
 

Uitvoeringskosten fiscale wetgeving    -

10.718

  • 13.271
  • 10.301
  • 11.481
  • 11.481
 

Bijdrage Rijksbrede problematiek

60.000

15.000

10.000

10.000

10.000

 

Overig & extrapolatie    -

41.436

  • 15.703

7.090

  • 5.150
  • 5.150

66.571

 

Stand ontwerpbegroting 2019

0

98.411

186.730

67.046

96.178

66.571

 

Opbouw ontvangsten artikel 10 (bedragen x Ä 1.000)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

0

0

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

 

Stand ontwerpbegroting 2019

0

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten fiscale wetgeving

Op artikel 10 is met de eerste suppletoire begroting 2018 budget gereserveerd voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen. De uitvoeringskosten die gepaard gaan met de wijzigingen in fiscale wetgeving 2019 worden nu beschikbaar gesteld aan artikel 1.

Bijdrage Rijksbrede problematiek

Op artikel 10 is met de eerste suppletoire begroting 2018 een bijdrage aan Rijksbrede problematiek onder het uitgavenplafond geboekt. De bijdrage van het Ministerie van FinanciŽn aan de problematiek bedraagt cumulatief Ä 115 mln. (Ä 10 mln. valt onder extrapolatie in 2023). Deze bijdrage wordt nu verdeeld over de beleids- en apparaatsartikelen.

 

Opbouw uitgaven artikel 11 (bedragen x Ä 1 mln.)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

46.566

36.567

36.065

21.976

36.323

 

Mutatie nota van Wijziging 2018

79

179

365

558

898

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 1.536
  • 533
  • 160
  • 181
  • 518
 
 

Nieuwe mutaties

Rente vaste schuld

8

  • 128
  • 148
  • 159
  • 170
 

Rente vlottende schuld

0

0

  • 4
  • 31
  • 49
 

Uitgifte en aflossing vaste schuld

493

  • 434
  • 98

0

0

 

Overig & extrapolatie

  • 7

4

  • 3
  • 3
  • 3

35.008

 

Stand ontwerpbegroting 2019

45.604

35.655

36.017

22.160

36.481

35.008

Opbouw ontvangsten artikel 11 (bedragen x Ä 1 mln.)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

35.569

23.164

20.592

5.652

18.732

 

Mutatie nota van wijziging 2018

2.753

4.235

8.885

10.879

11.947

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 2.124
  • 1.354
  • 278

1.393

674

 
 

Nieuwe mutaties

Rente derivaten lang

  • 166
  • 365
  • 365
  • 308
  • 242
 

Rente vlottende schuld

  • 96

1

0

0

0

 

Voortijdige beŽindiging

1.889

0

0

0

0

 

Uitgifte en aflossing vaste schuld

0

  • 1.503
  • 258
  • 1.180
  • 669
 

Mutatie vlottende schuld

  • 5.390

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

29.273

 

Stand ontwerpbegroting 2019

32.435

24.178

28.576

16.436

30.442

29.273

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven en ontvangsten

De ramingen voor rente en uitgifte schuld zijn bijgesteld als gevolg van een veranderde financieringsbehoefte, nieuwe schulduitgiftes en aangepaste rentepercentages.

Artikel 12 Kasbeheer

 

Opbouw uitgaven artikel 12 (bedragen x Ä 1 mln.)

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

1.532

1.545

1.651

1.769

3.824

 

Mutatie nota van wijziging 2018

0

1

6

606

1.141

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

0

  • 14
  • 59

394

  • 1.309
 
 

Nieuwe mutaties

Rentelasten

0

0

13

68

147

 

Mutaties in rekening-courant en deposito

0

0

0

  • 1.106
  • 1.948
 

Verstrekte leningen

250

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

1.888

 

Stand ontwerpbegroting 2019

1.782

1.532

1.611

1.731

1.855

1.888

Opbouw ontvangsten artikel 12 (bedragen x Ä 1 mln.)

 
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

10.641

7.679

3.780

1.367

1.228

 

Mutatie nota van wijziging 2018

881

806

  • 123
  • 193

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

  • 887
  • 1.143

71

  • 57
  • 63
 
 

Nieuwe mutaties

Rentebaten

3

  • 5
  • 13
  • 18
  • 33
 

Aflossingen leningen

504

  • 29
  • 378
  • 25

227

 

Mutaties in rekening-courant en deposito

  • 178

2.186

4.219

4.910

4.745

 

Extrapolatie

         

4.994

 

Stand ontwerpbegroting 2019

10.964

9.494

7.555

5.985

6.105

4.994

Toelichting belangrijkste mutaties Uitgaven

Rentelasten

De toename van de rentelasten wordt vooral verklaard door de toename van het rekening-courantsaldo van de sociale fondsen.

Ontvangsten

Rentebaten

De mutatie van de rentebaten wordt vooral veroorzaakt door de verwachte afname van de roodstand op de rekening-courant van de sociale fondsen.

Aflossingen leningen

De mutaties in de aflossingen op leningen zijn voornamelijk het gevolg van het verwerken van realisaties van nieuw aangegane leningen.

Mutaties in rekening-courant en deposito

De mutaties in de rekening-courant en deposito worden vooral veroorzaakt door mutaties in de rekening-courantstand van de sociale fondsen.

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

Deze bijlage52 bevat de stand van zaken van alle nieuwe moties en toezeggingen sinds de vorige begroting, de nog openstaande moties en toezeggingen uit voorgaande jaren en de moties en toezeggingen die sinds de vorige begroting zijn afgehandeld. De bijlage bestaat uit twee delen: een fiscaal deel53 en een niet-fiscaal deel.

Fiscaal

Moties waarvan de uitvoering is afgerond

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1

2015-2016

Van Vliet verzoekt de regering een maas in de wet te dichten met als uitgangspunt dat afwaardering van vorderingen ten laste van de fiscale winst mogelijk blijft, maar zonder dat dubbele verliesneming optreedt

Kamerstukken II 2015-2016,

34 323, nr. 14. Aangenomen

27 september 2016

Afgerond

2

2016-2017

De Vries verzoekt de regering de evaluatie van de werkkostenregeling een jaar te vervroegen en in 2017 uit te voeren in plaats van in 2018

Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 51. Aangenomen

17 november 2016

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 19 september 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 5

3

2016-2017

Omtzigt verzoekt aan de Europese Commissie voor te leggen of natuurlijke vormen van innovatie toegang kunnen krijgen tot de innovatiebox conform actiepunt 5 van het BEPS-project en de Kamer hierover vůůr 2 april 2017 te informeren

Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 73. Aangenomen

17 november 2016

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 15 september 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 87

4

2016-2017

Groot verzoekt de regering in constructief gesprek te blijven over geleidelijke harmonisering van de grondslag voor de Europese winstbelasting

Kamerstukken II 2016-2017,

34 604, nr. 11. Aangenomen

1 december 2016

Afgerond. De besprekingen binnen de Raad over een gemeenschappelijke grondslag

CCTB resp. CCCTB zijn nog steeds gaande. Beide Kamers zijn kritisch over dit voorstel gezien de ęgele kaartenĽ die zij getrokken hebben

5

2016-2017

Van Rooijen c.s. verzoekt de regering bij het Belastingplan 2018 met voorstellen te komen om de afbouw van de hoge naar de lage ouderenkorting geleidelijk te laten verlopen, zodanig dat het inkomensniveau waarbij de korting eindigt zeer aanzienlijk hoger uitkomt dan het huidige jaarinkomen van Ä 36.057

Kamerstukken I 2016-2017,

34 552, nr. I. Aangenomen

20 december 2016

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 5 april 2018 (verzamelbrief moties en toezeggingen) Kamerstukken I 2017-2018,

34 785, nr. H

6

2016-2017

Omtzigt verzoekt de regering om navorderingsaanslagen, beslissingen op bezwaar, reacties op verzoeken voor een voorlopige aanslag en teruggaven bij middeling zowel digitaal als op papier te verzenden zonder dat de gewenningsperiode

Kamerstukken II 2016-2017,

31 066, nr. 329. Aangenomen 24 januari 2017, de brief van de Staatssecretaris van

19 september 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 IX, nr. 5

Afgerond 16 april 2018

van twee jaar aanvangt

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

7

2016-2017

Schouten en van Weyenberg verzoeken de regering in het Belastingplan 2018 met voorstellen te komen om de grondslag van de vennootschapsbelasting te verbreden en bij de terugsluis van de opbrengsten het evenwichtiger maken van de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen mee te nemen

Kamerstukken II 2016-2017,

25 087, nr. 144. Aangenomen 24 januari 2017

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 19 september 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 5

8

2017-2018

Snels c.s. verzoekt de regering om, ook zolang de wettelijke bescherming niet expliciet wettelijk is vastgelegd, de beslagvrije voet bij elke vorm van invordering te respecteren

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 46. Aangenomen

23 november 2017

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 april 2018 (verzamelbrief toezeggingen voorjaar 2018). Kamerstukken

II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

9

2017-2018

Omtzigt c.s. constaterende dat vele ondernemers in de schuldhulpverlening terechtkomen door terugvorderingen over de afgelopen drie jaar, verzoekt de regering een oplossing te vinden voor alle gevallen van problemen die zijn ontstaan door vaststelling van het inkomen na verschijnen van het rapport van de Ombudsman en verzoekt verder oplossingsrichtingen in de eerste drie maanden van 2018 aan de Kamer te sturen

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 49. Aangenomen

23 november 2017

Brief aan de Kamer is verzonden 8 juni 2018, Kamerstukken II 2017-2018, 34 819, nr. 20, loopt mee met Belastingplan 2019

10

2017-2018

Leijten en Bruins verzoeken de regering in de fiscale beleidsagenda 2018 aan te geven hoe zij wil omgaan met substance-eisen om brievenbusconstructies tegen te gaan

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 50. Aangenomen

23 november 2017

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 23 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 25 087, nr. 188

11

2017-2018

Nijboer c.s. verzoekt de regering te onderzoeken hoe het belastingstelsel aangepast kan worden, zodat ook digitale diensten op een redelijke wijze in de belastingheffing kunnen worden betrokken

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 57. Aangenomen

23 november 2017

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 23 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 25 087, nr. 188

12

2017-2018

Ploumen c.s. verzoekt de regering zich internationaal in te zetten om een race naar de bodem in de belastingtarieven voor bedrijven te voorkomen

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-20, nr. 1277. Aangenomen 13 december 2017

Afgerond bij Kamerstukken II 2017-2018,

34 819, nr. 20 op 8 juni 2018

13

2017-2018

Snels en Dijkgraaf verzoeken de regering de mogelijkheden en gevolgen te onderzoeken van het beperken van de aflossingsverplichting tot een restschuld van bijvoorbeeld 30% van het geleende bedrag

Kamerstukken II 2017-2018,

34 819, nr. 14. Aangenomen

23 november 2017

Afgerond, bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 8 juni 2018. Kamerstukken

II 2017-2018, 34 819, nr. 20

Moties waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1

2015-2016

Neppťrus verzoekt de regering de opbrengst van de nieuwe diesel-toeslag in de MRB in te boeken en terug te sluizen door verdere generieke verlaging van de motorrijtuigenbelasting bij het Belastingplan 2017

Kamerstukken II 2015-2016,

34 391, nr. 24. Aangenomen

12 april 2016

De invoering van de fijnstoftoeslag in de

MRB is uitgesteld omdat de automatisering bij de Belastingdienst niet tijdig gereed is. Zoals aangegeven in de beantwoording van de feitelijke vragen n.a.v. de 21e halfjaarsrap-portage Belastingdienst zal de Staatssecretaris van FinanciŽn in samenspraak met zijn collega van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer eind 2018 informeren over de voortgang rondom de invoering van de MRB-toeslag. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de wijze van uitwerking van de aangenomen moties

2

2015-2016

Schouten en Groot verzoeken de regering een opkoopregeling uit te werken voor oude dieselbestelauto's die te maken krijgen met de MRB-toeslag en de opbrengsten van de toeslag te bestemmen voor de financiering van de regeling en indien de opkoopregeling niet tijdig tot stand komt, de opbrengst van de MRB-toeslag terug te sluizen in een lagere MRB

Kamerstukken II 2015-2016,

34 391, nr. 29. Aangenomen

12 april 2016

De invoering van de fijnstoftoeslag in de

MRB is uitgesteld omdat de automatisering bij de Belastingdienst niet tijdig gereed is. Zoals aangegeven in de beantwoording van de feitelijke vragen n.a.v. de 21e halfjaarsrap-portage Belastingdienst zal de Staatssecretaris van FinanciŽn in samenspraak met zijn collega van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer eind 2018 informeren over de voortgang rondom de invoering van de MRB-toeslag. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de wijze van uitwerking van de aangenomen moties

3

2015-2016

Van Vliet verzoekt de regering bij de volgende evaluatie van de bankenbe-lasting, de economische effecten zo veel mogelijk mee te nemen en de Kamer dan daarover te rapporteren

Kamerstukken II 2015-2016,

32 545, nr. 49. Aangenomen

19 april 2016

Bij de volgende evaluatie van de bankenbe-lasting in 2021

4

2015-2016

Schouten en Groot verzoeken de regering de verdragen met landen op een zwarte lijst te heroverwegen, zodra de zwarte lijst is vastgesteld door de EU

Kamerstukken II 2015-2016,

25 087, nr. 122. Aangenomen 28 juni 2016

Afhankelijk van wanneer de zwarte lijst is vastgesteld door de EU

5

2016-2017

Groot verzoekt de regering bij de implementatie van de CFC-regels een variant van model A (bestrijding van grondslaguitholling en kunstmatige winstverplaatsing) in de Nederlandse wetgeving op te nemen

Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 56. Aangenomen

17 november 2016

Planning afronding per 1-1-2019 bij de implementatie van de ATAD-1 richtlijn

6

2016-2017

Leijten verzoekt de regering zich in te spannen voor bindende afspraken tussen het VK en de EU om belastingontwijking te voorkomen

Kamerstukken II 2016-2017,

21 501-20, nr. 1222. Aangenomen 20 april 2017

Wordt meegenomen in de Brexit-onderhandelingen

7

2017-2018

Aukje de Vries c.s. verzoekt de regering om in overleg met de besturen van de Waddeneilanden en betrokken rederijen te komen tot een plan met concrete maatregelen die rekening houden met de situatie van de eilandbewoners

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 10. Aangenomen

23 november 2017

Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Kamerstukken II 2017-2018,

34 775-IX, nr. 22. De leden hebben verzocht om uw Kamer vůůr 1 juli 2018 te informeren over de uitkomsten van de overleggen. Momenteel wordt overleg gevoerd met de sector en de eilanden

8

2017-2018

Aukje de Vries verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre de huidige regeling belastingrente redelijk, billijk en rechtvaardig is, de gehanteerde percentages marktconform zijn en waar eventuele aandachts- en verbeterpunten zitten

Kamerstukken II 2017-2018,

34 785, nr. 11. Aangenomen

23 november 2017

Planning na zomerreces 2018

rapportage over het rulingbeleid (t.v.v. Kamerstukken II 2017-2018,

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

9

2017-2018

Bruins verzoekt de regering, de voorgenomen herziening van de kleineondernemersregeling zodanig vorm te geven dat deze aantrekkelijker wordt voor agrariŽrs die tot op heden gebruik hebben gemaakt van de landbouwregeling, en daartoe uiterlijk in het Belastingplan 2019 een voorstel aan de Kamer voor te leggen

Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 14. Aangenomen 23 november 2017

Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld dat het voornemen is het wetsvoorstel mee te laten lopen in het pakket Belastingplan 2019. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

10

2017-2018

Bruins en Omtzigt verzoeken de regering jaarlijks op gestandaardiseerde wijze te rapporteren over het verschil in belastingdruk tussen eenverdieners en tweeverdieners en de ontwikkeling van dat verschil te analyseren

Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 59. Aangenomen 23 november 2017

Doorlopend. Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld dat de kabinetsreactie zo snel mogelijk aan de

Kamer zal worden gezonden

11

2017-2018

Snels verzoekt de regering nauwlettend te monitoren of er alsnog onvoorziene of onwenselijke consequenties voor specifieke groepen mensen optreden n.a.v. de uitfasering van Hillen en verzoekt bij constatering de Kamer daarover te rapporteren

Kamerstukken II 2017-2018, 34 819, nr. 15. Aangenomen 23 november 2017

Planning 2020 of later

12

2017-2018

Wegnemen van pijnpunten in de marginale druk, motie Stoffer c.s. De regering wordt verzocht, opties te schetsen voor de langere termijn om de pijnpunten in de marginale druk, bijvoorbeeld voor eenverdieners, weg te nemen en hierover binnen een jaar te rapporteren aan de Kamer

Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 86

In behandeling. Planning is om in het voorjaar 2019 het onderzoek naar de Kamer te verzenden

13

2017-2018

Motie van het lid Leijten over de conclusie uitwerken in de volgende

Kamerstukken II 2017-2018,

31 066, nr. 417

In behandeling, nog niet bekend

31 066, nr. 412); meer inzicht kunnen worden gegeven in het gevoerde beleid rond de afgifte van APA's en ATR's (bijvoorbeeld de vraag wie, onder welke voorwaarden, voor een bepaalde exemplarische APA of ATR in aanmerking komt)

Toezeggingen waarvan de uitvoering is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

2009-2010

Toegezegd om de regeling voor ANBI's en SBBI's na een aantal jaren te evalueren

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op

15 december 2009. Handelingen I 2009-2010, EK nr. 13, blz. 456

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 26 april 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 84

2014-2015

Toegezegd de Werkkostenregeling te evalueren

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het Belastingplan 2015 op

12 november 2014. Handelingen II 2014-2015, TK nr. 23, blz. 23-7-6

Afgerond bij Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 80

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

3

2015-2016

Toegezegd de Wet uitwerking Autobrief II in 2018 te evalueren en vooruitlopend op deze evaluatie in het voorjaar van 2018 bij wijze van tussentijdse monitoring de Kamer te informeren over het aantal nulemis-sieauto's dat in 2017 nieuw is verkocht

Toegezegd in de brief van

5 april 2016 als reactie op vragen en amendementen wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II. Kamerstukken II 2015-2016, 34 391, nr. 15

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 april 2018 (verzamelbrief toezeggingen voorjaar 2018). Kamerstukken

II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

4

2016-2017

Toegezegd de Kamer te informeren zodra duidelijk is wat de uitkomst is van de procedure m.b.t. fiscale eenheid die bij de Hoge Raad loopt

Staatssecretaris tijdens het debat over het wetsvoorstel aanpassing fiscale eenheid op 6 september 2016. Handelingen II 2016-2017, TK nr.

107, blz. 107-12-11

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 22 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 323, nr. 22

5

2016-2017

Toegezegd om de tijdelijke goedkeuring om ťťn middelloonfran-chise te hanteren bij combinatie-pensioenregelingen, om te zetten in een permanente aanwijzing

Staatssecretaris tijdens het WGO op 7 november 2016. Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 70, blz. 93

Afgerond bij besluit van de Staatssecretaris van 24 november 2017. Stcrt. 2017, 70301. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22. Over de jaren 2018 en 2019 zal de Kamer ook weer na afloop van elk kalenderjaar tegen het einde van het eerste kwartaal geÔnformeerd worden

6

2016-2017

Toegezegd zodra duidelijk is of er ook in Nederland CO2-sjoemelauto's bestaan, dit aan de Kamer mee te delen

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer op 16 november 2016 m.b.t. het pakket Belastingplan 2017. Kamerstukken

II 2016-2017, TK nr. 23, blz. 23-9-10

Verschillende brieven verstuurd omtrent de sjoemelsoftware bijvoorbeeld Kamerstukken

II 2017-2018, 31 209, nr. 215

7

2016-2017

Toegezegd om terug te komen op de mogelijkheden die het IMF noemt m.b.t. ongelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen

Minister van FinanciŽn tijdens de Algemene FinanciŽle Beschouwingen in de Eerste Kamer op 22 november 2016. Handelingen I 2016-2017, EK nr. 8, blz. 8-6-38

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 19 september 2017. Kamerstukken I 2017-2018, 34 785, nr. A

8

2016-2017

Toegezegd dat de fictieve dienstbetrekking voor niet uitvoerende bestuurders kan worden betrokken bij de presentatie van het Belastingplan 2018

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan in de Eerste Kamer op 13 december 2016. Handelingen I 2016-2017, EK nr. !!, blz. 11-7-36

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 19 september 2017. Kamerstukken I 2017-2018, 34 785, nr. A

9

2016-2017

Toegezegd inzicht te geven in welke verdragen met welke wijzigingen onder de MLI gaan vallen. Dit wordt meegenomen bij het wetsvoorstel ratificering MLI

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 1 juni 2017 over belastingafspraken met multinationals. Handelingen II 2016-2017, TK nr. 82, blz. 82-8-48

Afgerond bij indiening van het wetsvoorstel ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving op 20 december 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 853, nr. 2

10

2017-2018

Toegezegd om i.v.m. voorstellen voor de btw, de inbreng van ondernemers recht te doen in de BNC-fiche

Staatssecretaris tijdens de AO Ecofin op 4 oktober 2017. Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1466, blz. 36

Afgerond bij het BNC-fiche dat op

10 november 2017 is verzonden

11

2017-2018

Toegezegd om de Kamer te informeren over hoe de Belastingdienst het toezicht op de substance-eisen zal vormgeven en of sprake is van reŽle economische activiteit

Staatssecretaris tijdens het WGO over het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdsterco-Ųperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling op

6 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 11, blz. 35

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 12

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

12

2017-2018

Toegezegd de vraag m.b.t. buitenlandse stamboeken en Nederlandse paardenpaspoorten over te brengen aan de Minister van Landbouw

Natuur en Voedselkwaliteit

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

13

2017-2018

Toegezegd m.b.t. het leggen van derdenbeslag en de beslagvrije voet, contact op te nemen met de

Nationale Ombudsman

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24, blz. 41

Afgerond. Op 9 november 2017 is contact opgenomen met de Nationale ombudsman, die in een brief van 16 november heeft gereageerd

14

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op de gevolgen van het afschaffen van de wet Hillen voor de toeslagen

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24, blz. 82

Afgerond in de Nota n.a.v. het nader verslag. Kamerstukken II 2017-2018, 34 819, nr. 8, blz.

3

15

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op het antwoord m.b.t. het evenredigheidsbeginsel pandhouders, hypotheekhouders en executanten voor de btw

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

16

2017-2018

Toegezegd een overzicht te geven van de energiebelasting en de verdeling lasten tussen huishoudens en bedrijven

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

17

2017-2018

Toegezegd terug te komen op de vraag hoe groot de budgettaire effecten zijn en wat de uitvoeringsge-volgen zijn als er voor de voorgestelde 10%-regeling in de Awir geen grens gehanteerd wordt

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

18

2017-2018

Toegezegd terug te komen op de vraag m.b.t. mogelijkheden van de toepassing van de hardheidsclausule bij de maatregel in het kader van het huwelijksvermogensrecht

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

19

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op vragen m.b.t. accijnzen en de inspecteur en de bevoegdheid van binnentreden en rondkijken

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

20

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op vragen m.b.t. ontpartnering

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

21

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op de vraag waarom het belas-tingdeel van de algemene heffingskorting bij buitenlandse belastingplichtigen niet in de VA kan worden opgenomen

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

22

2017-2018

Toegezegd een afschrift van het beleidsbesluit eigen woning naar de Kamer te sturen

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24, blz. 99

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 76

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

23

2017-2018

Toegezegd terug te komen op de vraag m.b.t. een voogdijsituatie in relatie tot de IACK

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

24

2017-2018

Toegezegd om na overleg met de Minister van SZW terug te komen op de vragen m.b.t. de leenbijstand

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

25

2017-2018

Toegezegd terug te komen op de indicatie schijfgrenzen voor AOW-gerechtigden na de invoering van het twee tarievenschijvenstelsel

Staatssecretaris tijdens het WGO op 6 november 2017 over het pakket Belastingplan 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

26

2017-2018

Toegezegd te bekijken hoe de lijst met belastinguitgaven in een onderzoek van de Algemene Rekenkamer, zich verhoudt tot de lijst met fiscale regelingen in bijlage 6 van de Miljoenennota

Staatssecretaris tijdens de

AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 20, blz. 20-16-82

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 27 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 775, nr. 77

27

2017-2018

Toegezegd de aanpak van het kabinet om belastingontwijking te bestrijden integraal in beeld te brengen in een apart document of als onderdeel van de fiscale beleidsagenda

Staatssecretaris tijdens de

AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 20, blz. 20-16-40

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 23 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 25 087, nr. 188

28

2017-2018

Toegezegd om vůůr het debat met de Minister President over de dividendbelasting, een brief te sturen met aanvullende informatie

Staatssecretaris tijdens de

AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 20, blz. 20-16

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 14 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 700, nr. 54

29

2017-2018

Toegezegd de vraag hoe de lastenverzwaring van het beperken van het aftrektarief tot het tarief eerste schijf is verdeeld over de verschillende aftrekposten, schriftelijk te beantwoorden

Staatssecretaris tijdens de

AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 20, blz. 20-16

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 16 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 25

30

2017-2018

Toegezegd in 2018 onderzocht te hebben of het voor de Belastingdienst mogelijk is de beslagvrije voet op bankbeslagen, zonder verzoek al vooraf toe te passen en op welke wijze. De Kamer zal hierover worden geÔnformeerd

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 april 2018 (verzamelbrief toezeggingen voorjaar 2018) Kamerstukken II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

31

2017-2018

Toegezegd schriftelijk terug te komen op de vraag van de heer Mulder hoeveel Nederland gaat betalen via de ODE aan het akkoord van Parijs

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-21

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 23 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 819, nr. 72

32

2017-2018

Toegezegd terug te komen op de vraag van mw. De Vries m.b.t. trouwen halverwege het jaar en dan een deel van de toeslagen kwijtraken

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-23

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 april 2018 (verzamelbrief toezeggingen voorjaar 2018). Kamerstukken

II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

33

2017-2018

Toegezegd te bezien of de informatie op de website van de Belastingdienst m.b.t. partnerbegrip bij toeslagen, duidelijk is

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-35

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 5 april 2018 (verzamelbrief toezeggingen voorjaar 2018). Kamerstukken

II 2017-2018, 34 775-IX, nr. 22

34

2017-2018

Toegezegd om de brief die

14 november 2017 (met voorbeelden van niet-verrekenbare dividendbelasting) naar de Tweede Kamer is gestuurd, inclusief toelichting, ook met de Eerste Kamer te delen

Minister tijdens de AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de

Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz. 12-7-68

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 15 december 2017. Kamerstukken I 2017-2018, 34 788, nr. E

35

2017-2018

Toegezegd aan de Minister van EZK te vragen om de brief over de energierekening die naar de Tweede Kamer is gestuurd, ook aan de Eerste Kamer te sturen

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz. 12-7-55

Afgerond bij brief van de Minister van EZK van 18 december 2017

36

2017-2018

Toegezegd de brief die aan de

Tweede Kamer is toegezegd over de combinatie van bitcoins en witwassen, ook aan de Eerste Kamer te sturen

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7

Minister heeft op 8 maart 2018 de toegezegde brief naar de Eerste Kamer gestuurd

37

2017-2018

Toegezegd de fiscale beleidsagenda, waarin ook de adviezen van de commissie van Dijkhuizen worden meegenomen, ook aan de Eerste Kamer te sturen

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 23 februari 2018. Kamerstukken I 2017-2018, 34 785 nr. G

38

2017-2018

Toegezegd een brief te sturen met betrekking tot belastingontwijking en vestigingsklimaat

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 23 februari 2018. Kamerstukken I 2017-2018, 34 785, nr. F

39

2017-2018

Toegezegd er naar te streven om de cijfers 2017 m.b.t. parallelimport auto's vůůr het meireces 2018 te versturen

Staatssecretaris tijdens het

AO Belastingdienst op

14 december 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 31 066, nr. 394, blz. 52

Afgerond, zie halfjaarsrapportage Belastingdienst

40

2017-2018

Toegezegd om schriftelijk te reageren op de goedkeuringsprocedure van de ęzwarte lijstĽ in de Code of Conduct

Minister tijdens het AO Ecofin op 18 januari 2018. Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1483

Afgerond in het verslag van de AO Ecofin van 23 januari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1483

41

2017-2018

Toezegging informeren over toepassing van heffingskortingen voor buitenlandse belastingplichtigen

Kamerstukken II 2017-2018, nr. 12. EK Algemene

FinanciŽle Beschouwingen en behandeling pakket Belastingplan 2018, 12 december 2017

Afgerond in 21e halfjaarsrapportage Belastingdienst en per brief donderdag

17 mei aan BZK

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

42

2017-2018

Voor het zomerreces naast Kamervragen Lodders ook update in een Kamerbrief

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

Afgerond per brief op 29 juni 2018

43

2017-2018

Daarnaast is er toegezegd dat de Staatssecretaris zou inbrengen bij Algemene Zaken om dit onderwerp onder aandacht van de Minister President te brengen die binnenkort naar de Verenigde Staten gaat

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

Doorgegeven aan AZ en BHOS. In procedurevergadering van 6 juli heeft men besloten om Minister President na te vragen of het punt daadwerkelijk aan de orde is gekomen

44

2017-2018

Toegezegd een kabinetsreactie te sturen op de evaluatie van de 30%-regeling

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7

Afgerond, op 20 april 2018 heeft de Staatssecretaris een brief aan Tweede Kamer gestuurd over stand van zaken evaluatie, Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 83

45

2017-2018

Op het gebied van de vliegbelasting is de toezegging gedaan dat er binnenkort nader zal worden gerapporteerd over de stand van zaken

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet

Afgerond, stand van zaken met fiscale vergroeningsbrief gegeven

bekend

 

Toezeggingen waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1    2013-2014

Toegezegd in het voorjaar 2014 of wanneer meer inzicht bestaat in de gemeentelijke maatwerkvoorziening Wmo, dat de fiscale regeling voor chronisch zieken en gehandicapten verder zal worden vereenvoudigd en in samenspraak met VWS tegen het licht worden gehouden

Staatssecretaris tijdens de Algemene FinanciŽle Beschouwingen op

17 oktober 2013. Handelingen

II 2013-2014, TK nr. 15, blz.

7-2. De Staatssecretaris heeft de toezegging herhaald tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013-2014,

33 752, nr. 78, blz. 8

Wordt opgenomen in de verkenning tegemoetkoming zorgkosten, die niet eerder dan in 2018 wordt verwacht

2    2014-2015

Toegezegd verslag te doen over de praktische toepassing van de wet naar aanleiding van informatie van belastingplichtigen en de Belastingdienst, nadat het eerste gehele belastingjaar is verstreken

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg Vpb-plicht overheidsondernemingen op 15 december 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 14, blz. 30

Onvoldoende betrouwbaar beeld, naar verwachting wel een betrouwbaar beeld bij de volgende halfjaarsrapportage

3    2015-2016

Toegezegd vůůrdat de implementatiefase is afgelopen aan de Kamer terug te koppelen wat er gebeurt in de zorg op het gebied van het inschakelen van tussenpersonen

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties in de Eerste Kamer op 26 januari 2016. Handelingen I 2015-2016, EK nr. 17, blz. 17-7-42

Planning afronding in de 20ehalfjaarsrap-portage Belastingdienst.

4    2015-2016

Toegezegd dat bij de evaluatie van de wet over drie jaar een poging gedaan kan worden om het aandeel schijnzelfstandigheid opnieuw in te schatten

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties in de Eerste Kamer op 26 januari 2016. Handelingen I 2015-2016, EK nr. 17, blz. 17-7-45

Planning 1 mei 2019

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

5

2016-2017

Toegezegd een brief te sturen over het begrip vermogen en betalingsca-paciteit. De regeling waarin dit wordt uitgelegd zal als concept aan de Kamer worden voorgelegd

Staatssecretaris tijdens het WGO op 7 november 2016. Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 70, blz. 110

Planning 4e kwartaal 2018

6

2016-2017

Toegezegd begin 2017 terug te komen op de wens van de Kamer in het licht van vereenvoudiging op een eventuele vrijstelling van btw bij de toelatingsexamens in het beroepsonderwijs

Staatssecretaris tijdens het WGO op 7 november 2016. Kamerstukken II 2016-2017,

34 552, nr. 70, blz. 122

Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld is dat het voornemen is het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting

1968 per 1 januari 2019 aan te passen

7

2016-2017

Toegezegd bij te gaan houden of de directe en indirecte belangen van minder dan 5% al niet onder de BOR vielen en dus ook met deze reparatie geen problemen oplevert voor de continuÔteit van ondernemingen

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer op 16 november 2016 m.b.t. het pakket Belastingplan 2017. Kamerstukken

II 2016-2017, TK nr. 23, blz. 23-9-10

Planning afronding niet eerder dan 2018

8

2016-2017

Toegezegd aan mw. Schouten bij de besprekingen voor het volgende Belastingplan 2018, in het voorjaar van 2017, haar voorstel conform amendement nr. 45 (o.a. om de kloof tussen een- en tweeverdieners kleiner te maken) in te brengen en te overwegen

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer op 16 november 2016 m.b.t. het pakket Belastingplan 2017. Kamerstukken

II 2016-2017, TK nr. 23, blz. 23-9-10

Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld dat de kabinetsreactie zo snel mogelijk aan de Kamer zal worden gezonden

9

2017-2018

Toegezegd de Kamer te informeren over het reŽle aantal coŲperaties die door het voorliggende wetsvoorstel geraakt kunnen worden

Staatssecretaris tijdens het WGO over het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdsterco-Ųperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling op

6 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 11, blz. 35

Planning afronding Prinsjesdag 2018. In de brief van 16 november 2017, Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 12, is aangegeven dat de Kamer geÔnformeerd zal worden op Prinsjesdag 2018

10

2017-2018

Toegezegd te monitoren hoe het aantal coŲperaties en het aantal houdstercoŲperaties zich ontwikkelt

Staatssecretaris tijdens het WGO over het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdsterco-Ųperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling op

6 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 11, blz. 35

Planning afronding voorjaar 2020. In de brief van 16 november 2017, Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 12, is aangegeven dat de Kamer geÔnformeerd zal worden in het voorjaar van 2020

11

2017-2018

Toegezegd om bij de dividendbelasting de vraag mee te nemen wanneer er gekeken zal worden naar het verdragsbeleid

Staatssecretaris tijdens het WGO over het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdsterco-Ųperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling op

6 november 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 11, blz. 35

Planning 3e kwartaal 2018

12

2017-2018

Toegezegd om samen met de

Minister van SZW aan de slag te gaan met de vervanging van de wet DBA

Staatssecretaris tijdens de

AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 20, blz. 20-16-83

Planning 1 januari 2020

13

2017-2018

Toegezegd om bij een volgende evaluatie van de eigenwoningre-geling ook de werking van de wet afschaffen wet Hillen mee te nemen

Staatssecretaris tijdens de behandeling van de wet tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld op 22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-9-34

Bij een volgende evaluatie van de eigenwo-ningregeling in 4e kwartaal 2019

Vergaderjaar Omschrijving van de toezegging

Vindplaats    Stand van zaken / planning

14    2017-2018    Toegezegd aan de heer Dijkgraaf om te kijken naar de kloof tussen eenverdieners en tweeverdieners (niet overdraagbare algemene heffingskorting)

Staatssecretaris tijdens de    In behandeling. Tussentijds stand van zaken behandeling van het    gegeven in de verzamelbrief Moties en

Belastingplan 2018 in de    Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld dat de

Tweede Kamer op    kabinetsreactie zo snel mogelijk aan de

22 november 2017. Hande-    Kamer zal worden gezonden. De motie wordt lingen II 2017-2018, TK nr. 25, afgedaan middels de begroting SZW op blz. 25-8-3    Prinsjesdag 2018.

15    2017-2018    Toegezegd om samen met de collega van VWS te gaan monitoren hoe het zit met het aantal aanvragen handelsvergunningen bij het CBG in 2018 en hier begin 2019 op terug te komen

Staatssecretaris tijdens de    Planning 1e kwartaal 2019

behandeling van het

Belastingplan 2018 in de

Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-7

16    2017-2018    Toegezegd aan de heer van

Weyenberg in 2018 de Kamer te informeren over de ontwikkeling van het percentage van het Wbso-budget voor het MKB

Staatssecretaris tijdens de    Planning 3e kwartaal 2018

behandeling van het

Belastingplan 2018 in de

Tweede Kamer op

22 november 2017. Handelingen II 2017-2018, TK nr. 25, blz. 25-8-38

17    2017-2018    Toegezegd om de volledige

Minister tijdens de AFB en de Planning 3e kwartaal 2018

argumentatie over de afschaffing van behandeling van het

 

de dividendbelasting op het moment van indiening van het wetsvoorstel, te delen met de Eerste Kamer

Belastingplan 2018 in de

Eerste Kamer op 12 december

2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7-79

18    2017-2018    Toegezegd om bij het onderzoek in hoeverre de huidige regeling van rente redelijk, billijk en rechtvaardig is en welke aandachts- en verbeter-punten mogelijk zijn, de suggestie van de heer de Grave mee te nemen om de belastingrente aan te laten sluiten bij het werkelijke rendement dat de fiscus heeft misgelopen en probeert beide Kamers hierover vůůr

1 juli 2018 te informeren

Minister tijdens de AFB en de In de brief van 14 april 2017 heeft mijn behandeling van het    ambtsvoorganger aangegeven voornemens

Belastingplan 2018 in de    te zijn om in het voorjaar uw Kamer te

Eerste Kamer op 12 december informeren over de rendementspercentages 2017. Handelingen I    voor box 3 voor het komende belastingjaar.

2017-2018, EK nr. 12, blz.    Vanaf het belastingjaar 2018 wordt het

12-7-54    spaarrendement (rendementsklasse I) niet langer gebaseerd op de gemiddelde spaarrente van de kalenderjaren t-6 tot en met t-2, maar op de gemiddelde spaarrente van juli t-2 tot en met juni t-1. Doordat er meer wordt aangesloten op de actualiteit is het op dit moment nog niet mogelijk om het spaarrendement voor 2019 vast te stellen.

Om die reden zal ik uw Kamer voortaan in de moties- en toezeggingenbrief die op Prinsjesdag aan uw Kamer wordt verstuurd, informeren over de jaarlijkse bijstelling van de rendementspercentages voor box 3

19    2017-2018    Toegezegd ten aanzien van het

Minister tijdens de AFB en de Planning 3e kwartaal 2018

belasten van werkelijk rendement behandeling van het hier nogmaals naar te kijken en beide Belastingplan 2018 in de

 

Kamers hierover snel te informeren

Eerste Kamer op 12 december

2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7-61

20    2017-2018 Toegezegd aan de heer van Rij om de Minister tijdens de AFB en de Planning uiterlijk in 2019

 

evaluatie van de eigenwoningre-geling (die nu gepland staat voor 2020) te vervroegen naar 2019

behandeling van het

Belastingplan 2018 in de

Eerste Kamer op 12 december

2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz.

12-7-61

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

21

2017-2018

Toegezegd dat de Belastingdienst niet zal afwachten wat er gebeurt, maar actief de groep van grensarbeiders die in beeld is zal benaderen om aan te geven wat er wijzigt en wat zij moeten doen

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz. 12-7-63

Samenhang met toezeggingen m.b.t heffingskorting grensarbeiders en buitenlandse belastingplichtigen. Allemaal in behandeling, 3e kwartaal 2018

22

2017-2018

Toegezegd om nogmaals onderzoek te gaan doen naar de verschillende opties voor grensarbeiders (heffingskortingen) en de Kamer in het 2kwartaal van 2018 informeren

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz. 12-7-71

Planning 3e kwartaal 2018

23

2017-2018

Toegezegd de kabinetsreactie met betrekking tot de herziening van box 3, ook aan de Eerste Kamer te sturen

Staatssecretaris tijdens de

AFB en de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Eerste Kamer op 12 december 2017. Handelingen I

2017-2018, EK nr. 12, blz. 12-7-61

Planning 3e kwartaal 2018

24

2017-2018

Toezegging vragen van Eerste Kamerleden beantwoorden in memorie van toelichting bij wetsvoorstel afschaffing dividendbelasting

Kamerstukken II 2017-2018,

EK nr. 12, EK Algemene FinanciŽle Beschouwingen en behandeling pakket Belastingplan 2018 12 december 2017

Planning 1 oktober 2019

25

2017-2018

Bij het uitwerken van de CFC-maatregel de effectiviteit van model A en de daarbij opgenomen substance-vereisten meenemen

Kamerstukken II 2017-2018, nr. 67, 29 maart 2018

In behandeling, nog niet bekend

26

2017-2018

Agenda Ecofin terugkomen op publieke CBC

Kamerstukken II 2017-2018, nr. 67, 29 maart 2018

In behandeling, nog niet bekend

27

2017-2018

Blijven inzetten op meer transparantie van de gedragscodegroep (waaronder de zwarte lijst)

Kamerstukken II 2017-2018, nr. 67, 29 maart 2018

In behandeling, nog niet bekend

28

2017-2018

Z.s.m. als er nuttige informatie is over welke landen op zwarte lijst komen, daarvan een overzicht naar

TK sturen (genoemd is najaar)

Kamerstukken II 2017-2018, nr. 67, 29 maart 2018

In behandeling, nog niet bekend

29

2017-2018

Meer inzicht geven in de ontwikkeling van vermogen, omdat CBS geen goede data heeft om de (ontwikkeling van) inkomens- en vermogensverdeling in Nederland te analyseren (Nijboer)

Kamerstukken II 2017-2018,

31 066, nr. 394 (AO Belastingdienst 14 december 2017)

Tussentijds stand van zaken gegeven in de verzamelbrief Moties en Toezeggingen voorjaar 2018. Gemeld dat de kabinetsreactie zo snel mogelijk aan de Kamer zal worden gezonden. Kamerstukken II 2017-2018,

34 775-IX, nr. 22

30

2017-2018

Een symposium op te zetten om te spreken over de modellen en de economische keuzes, en samen met het CPB, de WRR en wellicht een aantal oud-politici en hoogleraren een discussiepaper te schrijven

Kamerstukken II 2017-2018, debat belastingdruk voor eenverdieners, 85e vergadering, donderdag 24 mei

2018

In behandeling, nog niet bekend

31

2017-2018

Organiseren expert meeting op EU-btw en de vragen die in dat kader zijn gesteld na de zomer ten behoeve van vragen rapporteur tarievenvoorstel, maar ook over alle voordelen en nadelen/risico's van nieuwe systeem

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

Gťťn voortgang op tarievendossier, dus nog geen actie ondernomen

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

32

2017-2018

Kamer informeren op het moment dat er iets te vertellen valt over voortgang btw tarievenvoorstel

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

Gťťn voortgang op tarievendossier, dus nog geen actie ondernomen

33

2017-2018

Inzichtelijk maken wat we weten met betrekking tot specifieke casus andere lidstaten (casus BelgiŽ) met betrekking tot pensioenfondsen en btw-vrijstelling

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

In behandeling, nog niet bekend

34

2017-2018

Op het gebied van de digitale belastingen is de toezegging gedaan dat we zouden kijken wat er precies wordt gezien als ęsignificante aanwezigheidĽ dus of Google, Facebook en Amazon hier niet buiten

Staatssecretaris tijdens AO Europese Fiscale Onderwerpen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, kamerstuknummer nog niet bekend

In behandeling, nog niet bekend

gaan vallen

Niet-fiscaal

Moties waarvan de uitvoering is afgerond

Vergaderjaar Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

Afgerond. De Europese Commissie heeft in haar werkplan voor 2018 aangegeven het BSR-voorstel - waarvan ook een voorstel tot het verbod voor handel in eigen rekening (Volcker Rule) uitmaakte - in te trekken. De Commissie geeft in een toelichting aan dit te doen, omdat inmiddels de stabiliteitsdoelen van het voorstel ook middels andere voorstellen worden bereikt. In het schriftelijk overleg Ecofin van 2 november 2017 heeft het kabinet aangegeven ook andere wegen te zien om de doelstellingen van BSR te verwezenlijken (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1468)

2011-2012

2011-2012

Motie van het lid Van Vliet: verzoekt Parlementaire EnquÍte de regering, ook in Nederland zo snel Financieel Stelsel d.d. 18 april mogelijk een vergelijkbare wettelijke 2012 (Kamerstukken II

regeling te treffen als de Volcker Rule 2011-2012, 31 980, nr. 64)

op een effectieve manier, ook als hier geen overeenstemming over wordt bereikt in Europees verband, opdat banken niet langer handelen voor eigen rekening en de risico's daarvan niet meer kunnen afwentelen op spaarders en belastingbetalers

Verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat banken - in lijn met de Volcker Rule - het spaargeld in het depositogarantiestelsel niet mogen aanwenden voor speculatieve beleggingen in het eigen vermogen van hedge funds en private equity-activiteiten

Parlementaire EnquÍte    Afgerond. De Europese Commissie heeft in

Financieel Stelsel d.d. 18 april haar werkplan voor 2018 aangegeven het 2012 (Kamerstukken II    BSR-voorstel - waarvan ook een voorstel tot

2011-2012, 31 980, nr. 67    het verbod voor handel in eigen rekening

HERDRUK)    (Volcker Rule) uitmaakte - in te trekken. De

Commissie geeft in een toelichting aan dit te doen, omdat inmiddels de stabiliteitsdoelen van het voorstel ook middels andere voorstellen worden bereikt. In het schriftelijk overleg Ecofin van 2 november 2017 heeft het kabinet aangegeven ook andere wegen te zien om de doelstellingen van BSR te verwezenlijken (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1468)

3

4

5

6

7

8

9

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

2012-2013

Motie Hijum, Klaver, Dijkgraaf, Merkies, Krol, Koolmees, Harbers, Nijboer over een effectieve aanpak van belastingontduiking als ťťn van de harde voorwaarden te hanteren bij het beoordelen van de inspanningen van Griekenland en de besluitvorming over mogelijk aanvullende maatregelen

Kamerstukken II 2012-2013,

21 501-07, nr. 965. Aangenomen op 20 november 2012

Voldaan. In de kamerbrieven over de voortgangsmissies van het Griekse steunprogramma is aandacht besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van belastingontduiking. Op 11 juni 2014 is er een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over de stand van zaken van de hervormingen bij de Griekse belastingdienst (Kamerstukken II 2013-2014, 21 507-07, nr. 1157). Op 26 juni 2018 is een brief gestuurd met het verslag van de Eurogroep vergadering van 21 juni 2018 waarin hier aandacht aan is besteed (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1530). Daarnaast is op 29 juni 2018 een brief gestuurd met betrekking tot de afronding van de vierde voortgangsmissie (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1533)

2013-2014

Motie Slob, Van Haersma Buma over het opstellen van exit-condities

Kamerstukken II 2012-2013,

21 501-20, nr. 721. Aangenomen op 14 december 2012

Voldaan. Kamerstukken II 2013-2014,

21 501-07, nr. 1153

2014-2015

Lid Omtzigt verzoekt de regering, het deel van het berichtenverkeer van de Belastingdienst dat van belang is voor de bezwaar- en beroepsprocedure, waaronder beschikkingen en correspondentie met de inspecteur over de aanslag, beschikbaar te houden in de berichtenbox gedurende de hele navorderings-termijn

Kamerstukken II 2014-2015,

34 196, nr. 12

Afgerond in Kamerstukken II 2017-2018,

31 066, nr. 377

2014-2015

De Kamer informeren over de voortgang van de verbetermaatre-gelen inzake op orde brengen interne bedrijfscultuur middels een halfjaarlijkse voortgangsrapportage tot het moment dat interne procedures van NS op orde zijn

Motie Van Veldhoven (Kamerstukken II 2014-2015, 28 165, nr. 201)

Afgerond, Tweede Kamer heeft een brief gehad waarin is vermeld dat alle maatregelen zijn doorgevoerd. Kamerstukken II 2017-2018, 28 165, nr. 273

2014-2015

Verzoekt de regering, streng op misbruik van deze uitzondering voor niet-CAO personeel te controleren en in geval van meer dan incidenteel misbruik de uitzondering uit de wet te verwijderen

Behandeling Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 15 oktober 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 964, nr. 31)

Afgerond. Kamerbrief Evaluatie Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen,

17 juli 2018

2014-2015

Verzoekt de regering, mogelijke negatieve gevolgen van een ongelijk speelveld in Europa voor financiŽle ondernemingen of het vestigingsklimaat in Nederland te monitoren en de Kamer hierover jaarlijks te informeren

Behandeling Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 15 oktober 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 964, nr. 34)

Afgerond. Kamerbrief Evaluatie Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen,

17 juli 2018. Bij brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 5 september 2016 is aandacht besteed aan de eerste effecten van de Wbfo (Kamerstukken II 2015-2016, 33 964, nr. 43)

2015-2016

Verzoekt de regering om, ervoor zorg te dragen dat transparant inzicht wordt verschaft in de afweging die ten grondslag ligt aan de verstrekking van exportkredietverzekeringen, inclusief de mvo-aspecten, en de effecten van het huidige mvo-beleid mee te nemen in de voor dit jaar geagendeerde beleidsdoor-lichting exportkredietverzekeringen

Kamerstukken II 2015-2016,

34 300-XVII, nr. 66

Voldaan. Het mvo-beleid en de effecten daarvan zijn meegenomen in de beleidsdoor-lichting (Kamerstukken II 2016-2017, 31 935, nr. 32). Bij de beantwoording van de Kamervragen bij deze beleidsdoorlichting (Kamerstukken II 2016-2017, 31 935, nr. 40) alsmede bij de beantwoording van de Kamervragen van de leden Beckerman,

Hijink, Ouwehand en Van Raan (gesteld op

20 juni 2017) is aangegeven dat er stappen zijn gezet voor het verschaffen van inzicht in de afweging die ten grondslag ligt aan de verstrekking van exportkredietverzekeringen

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

10

2015-2016

Verzoekt de regering, er alles aan te doen om de doorlooptijden van aanvraagprocedures voor exportkredietverzekeringen in te korten zonder daarbij af te doen aan de gestelde criteria

Kamerstukken II 2015/2016,

34 300-XVII, nr. 67

Voldaan. De doorlooptijd van een aanvraag voor een exportkredietverzekering wordt beÔnvloed door de grootte en complexiteit van een transactie. Om deze reden is met name gekeken naar een verlichting van procedures voor kleinere, minder complexe transacties. De mogelijke aanpassingen zijn inmiddels geÔdentificeerd en geÔmplementeerd

11

2015-2016

Verzoekt de regering, gehoord het College bescherming persoonsgegevens, te bezien hoe de privacy van verzekerden gewaarborgd kan worden en over de wijze waarop dat gebeurt aan de Tweede Kamer te rapporteren

Toekomst financiŽle sector d.d. 10 december 2015 (Kamerstukken II 2015-2016, 32 013, nr. 311)

Afgerond. Met de kabinetsreactie (Kamerstukken II 2017-2018, 34 616, nr. 3) op de initiatiefnota Nijboer is ook aan deze motie gevolg gegeven. In de voorjaarsbrief moties & toezeggingen financiŽle markten is de Tweede Kamer hierover geÔnformeerd (Kamerstukken II 2017-2018, 32 545 nr. 80)

12

2015-2016

Verzoekt de regering, zo snel mogelijk en uiterlijk dit najaar, met een wetsvoorstel te komen om het wettelijk mogelijk te maken dat de toezichthouders in de financiŽle sector per onderneming kunnen gaan rapporteren over hun bevindingen, net zoals wordt gedaan bij de accountantssector

VAO Herbeoordeling rentederivaten MKB d.d.

16 maart 2016 (Kamerstukken

II 2015-2016, 31 311, nr. 167)

Afgerond. De bevoegdheid is nader onderzocht in het kader van het wetsvoorstel transparant toezicht financiŽle markten. Uiteindelijk is er - mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State - vanaf gezien om de AFM en DNB deze bevoegdheid te geven (Zie nader rapport: Kamerstukken II 2017-2018, 34 769, nr. 4)

13

2015-2016

Motie van het lid De Vries: constaterende dat nog niet alle andere onderdelen van de bankenunie volledig geÔmplementeerd of gestart zijn, laat staan dat ze zich hebben bewezen in de praktijk; constaterende dat er op het gebied van risicovermindering nog vele stappen te zetten zijn; overwegende dat een Europees depositogarantiestelsel ooit bedoeld was als sluitstuk van de bankenunie, maar de sluitstuk-fase op basis van deze constateringen nog niet aan de orde is;

verzoekt de regering het gepresenteerde voorstel van de Europese Commissie voor EDIS nu af te wijzen

AO Eurogroep/Ecofin d.d.

2 december 2015. Gewijzigde motie d.d. 3 december 2015 t.v.v. Kamerstukken II 2015-2016, 21 501-07, nr. 1328 (Kamerstukken II 2015-2016, 21 501-07, nr. 1333)

Afgerond. Per brief van 24 april 2017 (risicoreductie Europese bankensector, Kamerstukken II 2016-2017, 21 501-07, nr. 1509) heeft de Minister van FinanciŽn aangegeven welke onderdelen van de bankenunie geÔmplementeerd zijn en hoe dit heeft bijgedragen aan het terugdringen van risico's in de Europese bankensector. Een Europees depositogarantiestelsel blijft sluitstuk van de bankenunie. In de brief van

17 november 2017 (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1472) wordt verkend hoe EDIS meer geleidelijk kan worden geÔntroduceerd, gekoppeld aan risicoreductie

14

2015-2016

Verzoekt de regering, kleine woningcorporaties niet aan te merken als OOB en als de grens

1.500 verhuureenheden aan te houden

VSO Onderzoek naar uitbreiding van het aantal organisaties van openbaar belang d.d. 9 december 2015. Gewijzigde motie d.d.

15 december 2015 t.v.v. Kamerstukken II 2015-2016,

33 977, nr. 9 (Kamerstukken II 2015-2016, 33 977, nr. 13)

Afgerond. Tweede Kamer is geÔnformeerd dat geen uitvoering wordt gegeven aan motie in de zin dat grens wordt vastgesteld op 2.500 verhuureenheden (Kamerstukken II 2016-2017, 33 977, nr. 17)

15

2015-2016

Verzoekt de regering om de toezichthouder de bevoegdheid te geven om ten aanzien van de trustsector onderzoeken, waarschuwingen en sancties openbaar te maken

Plenair debat over het rapport Afgerond. Motie is meegenomen in de van de OESO over de aanpak herziening van de Wet toezicht trustkantoren, van belastingontwijking d.d. inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2019 21 juni 2016 (Kamerstukken II

2015-2016, 25 087, nr. 124)

16

2016-2017

Hijink verzoekt de regering te laten onderzoeken welk bedrag de EU uitgeeft aan de uitvoeringskosten van de EU-begroting

Kamerstukken II 2016-2017,

21 501-20, nr. 1244. Aangenomen op 27 juni 2017

Voldaan. Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-03, nr. 117

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

17

2016-2017

Leden Voortman en van Brenk verzoeken de regering, te onderzoeken hoe huurtoeslag op eenvoudige wijze direct verrekend kan worden met de woningcorporatie en/of een andere verhuurder wanneer een huurder dat wenst, en de Kamer hier uiterlijk 1 november over te rapporteren

Kamerstukken II 2016-2017,

24 515, nr. 401, 4 juli 2017

Voldaan. Kamerbrief over de directe betaling van huurtoeslag door de Belastingdienst aan woningcorporaties van 5 juli 2018

18

2016-2017

Lid Omtzigt verzoekt de regering, de genoemde (belasting)brieven van de Belastingdienst zowel digitaal als op papier te verzenden zonder dat de gewenningsperiode van twee jaar aanvangt

Kamerstukken II 2016-2017,

31 066, nr. 329, 24 januari

2017

Afgerond in Kamerstukken II 2017-2018,

31 006, nr. 421

19

2016-2017

Verzoekt de regering, te laten onderzoeken welk bedrag de Nederlandse overheden jaarlijks kwijt zijn aan de uitvoeringskosten van de EU-begroting

Motie lid Hijink, Kamerstukken II 2016-2017, 21 501-20, nr. 1243 aangenomen 21 juni 2017

Afgerond. Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-20, nr. 1356

20

2016-2017

Verzoekt de regering de strategische personeelsplannen van ministeries te verbeteren

Verantwoordingsdebat,

31 mei 2017 (Kamerstukken II 2017-2018, 34 725, nr. 16

Afgerond. Kamerstukken II 2017-2018,

31 490, nr. 243

21

2016-2017

Verzoekt de regering, de huidige toepassing van World-Check door financiŽle dienstverleners te onderzoeken op onregelmatigheden en maatregelen te treffen tegen onterechte uitsluitingen

Debat terrorismebestrijding d.d. 27 juni 2017 (Kamerstukken II 2016-2017, 29 754, nr. 428)

Afgerond. Er zijn geen signalen naar voren zijn gekomen van onregelmatigheden bij de toepassing van World-Check. Maatregelen tegen onterechte uitsluiting zijn op dit moment niet noodzakelijk (Kamerstukken II, 2017-2018, 32 545, nr. 80)

22

2016-2017

Verzoekt de regering, de bezwaarprocedure bij de AFM en DNB onafhankelijker in te laten richten door meer externen te betrekken bij de procedure

Plenair debat op 6 september 2017 over wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties (Kamerstukken II 2016-2017, 34 677, nr. 10)

Afgerond. Bij brief d.d. 13 juni 2018 is aan de Tweede Kamer aangegeven hoe de motie wordt uitgevoerd (Kamerstukken II

2017-2018, 34 677, nr. 10)

23

2017-2018

De leden Alkaya en Van Raan verzoeken de regering er zorg voor te dragen dat iedere aanvraag voor een exportkredietverzekering waarbij de risico's op schending van mensenrechten of milieuschade te groot zijn wordt afgekeurd, ongeacht het zogenaamde gelijke speelveld en de gevolgen voor de aanvragende bedrijven

Kamerstukken II 2017-2018,

26 485, nr. 267

Voldaan. Het verzoek in de motie was reeds staand beleid

24

2017-2018

Lid Omtzigt verzoekt de Minister een brief te schrijven over de risico's die DNB en dus de Nederlandse overheid loopt via TARGET2

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1456, pagina 31

Voldaan. Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1479

25

2017-2018

Verzoekt de regering om de instructies voor het begroten van de niet-belastingontvangsten te evalueren en zo nodig aan te scherpen, zodat de verschillen tussen ramingen en realisaties kleiner worden en daar bij Voorjaarsnota de Kamer over te rapporteren; verzoekt de regering tevens dit te doen zodat eventuele aanscherpingen kunnen worden meegenomen in de begrotingscyclus voor het jaar 2019 en de Kamer hierover te informeren (Bruins)

Kamerstukken II 2017-2018,

34 845, nr. 7

Afgerond. Brief regering 24 mei 2018, kabinetsreactie rapport niet-belastingontvangsten

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

26

2017-2018

Verzoekt de regering te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor het opleggen van een verbod of beperking op de verkoop van risicovolle financiŽle instrumenten aan consumenten zoals binaire opties en futures op cryptovaluta op nationaal of Europees niveau

Plenair debat op 31 januari 2018 over Wet transparant toezicht financiŽle markten (Kamerstukken II 2017-2018, 34 769, nr. 10)

Afgerond. De Minister heeft de Tweede

Kamer een brief d.d. 8 maart 2018 over de ontwikkelingen rondom cryptovaluta gestuurd (Kamerstukken II 2017-2018,

32 013, nr. 168)

27

2017-2018

Motie van leden Van der Linde en Leijten over een streefdatum voor volledige afhandeling (afwikkeling rentederivaten voor MKB-ondernemers)

VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 151)

Afgerond. Onder de aandacht gebracht van de NVB op 7 maart 2018 tijdens een overleg tussen de NVB en directeur FM. In de voorjaarsbrief moties & toezeggingen financiŽle markten is de Tweede Kamer hierover geÔnformeerd (Kamerstukken II 2017-2018, 32 545, nr. 80)

28

2017-2018

Motie van de leden Ronnes en Paternotte over voorschotten voor opt-in klanten en deze groep specifiek zichtbaar te maken in de volgende tussenrapportage

VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 155)

Afgerond. De AFM doet uitvraag bij de banken hoe zij hiermee omgaan. Dit ook onder de aandacht gebracht en besproken met ING op 8 maart 2018. Dit is ook inzichtelijk gemaakt in de derde voortgangsrapportage rentederivaten die op 17 juli 2018 naar de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2017-2018, 31 311, nr. 208, bijlage)

29

2017-2018

Motie lid Leijten c.s.: verzoekt de regering, in de uitwerking van het wetsvoorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 onmogelijk te maken dat personeel van een trustkantoor gebruikt kan worden om de uiteindelijke belanghebbende bij zijn dienstverlening uit het zicht van de fiscus of justitie te houden

Plenaire debat Implementa-tiewet AMLD 4 (Kamerstukken II 2017-2018, 34 808, nr. 14, Leijten c.s. (gewijzigde motie ter vervanging van motie Kamerstukken II 2017-2018, 34 808, nr. 9)

Afgerond. Deze motie is meegenomen in het wetsvoorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Kamerstukken II 2017-2018,

34 910, nr. 2) waarmee de Tweede Kamer inmiddels heeft ingestemd. Daarnaast is hierover reeds een Kamerbrief verzonden (Kamerstukken II 2017-2018, 34 808, nr. 15)

30

2017-2018

Besluit een parlementair behandel-voorbehoud te plaatsen op de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiŽle vereisten voor beleggingsondernemingen†i en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 575/2013†i, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr.

1093/2010 en op de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad

AO Ecofin d.d. 8 maart 2018 (Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1497)

Afgerond. Tegelijk met de beantwoording van het SO over het fiche over de richtlijn en verordening (inbreng geleverd op 15 maart 2018) is op het informatievoorstel van de Kamer gereageerd. In de brief is tevens ingegaan op de actuele stand van zaken met betrekking tot de Europese onderhandelingen. De brief is 17 juli naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2017-2018,

22 112, nr. 2660)

betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen†i en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36†i/EU en 2014/65/EU

Moties waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1 2011-2012

Leden Harbers, Plasterk,

Blanksma-van den Heuvel, Koolmees en Braakhuis verzoeken de regering om wijzigingen aan het ESM of bij de opvraging van Nederlands niet gestorte kapitaal hierover de Kamer te informeren

Kamerstukken II 2011-2012, 33 221, nr. 11. Aangenomen op 24 mei 2012

Doorlopende motie. Voorlopig geen actie voorzien aangezien een kapitaalophoging of wijziging ESM-kapitaal niet aan de orde is

2    2013-2014

Verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het nutskarakter van SNS het beste kan worden geborgd

Kamerstukken II 2013-2014, 23 013, nr. 47

In behandeling. Als SNS Bank gereed is en onderzoek gedaan wordt naar de (gewenste) toekomststructuur van SNS Bank zal vervolg worden gegeven aan deze motie

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

3

2013-2014

Motie van het lid Nijboer c.s.: spreekt uit dat een leverage ratio van 4% als backstop voor Europese systeemrele-vante banken als beginpunt en niet als eindpunt van de discussie moet worden gezien

Debat kabinetsvisie Nederlandse bankensector d.d.

20 mei 2014 (Kamerstukken II 2013-2014, 32 013, nr. 62) aangenomen 27 mei 2014

Doorlopend. Op de Ecofin van 25 mei 2018 is een Raadsakkoord bereikt over het banken-pakket, waaronder de herziene CRR/CRD. Hierin zit een leverage ratio van 3% voor alle banken, een opslag voor mondiale systeem-banken (G-SIIs) en wordt nader onderzoek aangekondigd naar een opslag voor overige systeembanken (O-SIIs). Het kabinet zal zich bij de discussie over de O-SIIs inzetten voor implementatie van een opslag op de leverage ratio

4

2014-2015

Lid Van Hijum verzoekt de regering, zich op Europees niveau in te spannen voor een aanscherping van de regels voor variabele beloningen

Behandeling Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 15 oktober 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 964, nr. 35)

Doorlopend. Op relevante momenten zal op Europees niveau aandacht worden gevraagd voor aanscherping van de regelgeving naar Nederlands model voor variabele beloningen

5

2014-2015

Motie lid De Vries: verzoekt de regering, de toezichtkosten nog eens kritisch onder de loep te (laten) nemen, met als insteek de toezichtkosten voor kredietunies substantieel te verlagen en waar mogelijk de toezichtkosten voor kredietunies te differentiŽren naar grootte, en de Tweede Kamer daarover te rapporteren voor 1 juni 2015

Behandeling Wet toezicht kredietunies d.d. 19 maart 2015 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 949, nr. 15) aangenomen 24 maart 2015

Doorlopend. In brief aan de Tweede Kamer d.d. 1 juni 2015 is ingegaan op deze motie en is toegezegd dat in de toelichting op de regeling in het eerste jaar dat er vergunninghoudende kredietunies zijn op de motie wordt ingegaan (Kamerstukken II 2014-2015, 33 400, nr. AE)

6

2015-2016

Verzoekt de regering de mogelijkheid te onderzoeken om SNS Bank in staatshanden te houden

Kamerstukken II 2015-2016,

34 346, nr. 17

In behandeling. Als SNS Bank gereed is en onderzoek gedaan wordt naar de (gewenste) toekomststructuur van SNS Bank zal vervolg worden gegeven aan deze motie

7

2015-2016

Verzoekt de regering, in kaart te brengen wat de voor- en nadelen en de mogelijkheden zijn van het verwerven van een staatsbelang van 51% in URENCO en de Kamer hierover te informeren in aanloop naar het door de Minister aangekon-digde wetsvoorstel over de borging van publieke belangen in URENCO

Kamerstukken II 2015-2016,

28 165, nr. 237

Aangehouden. Geen sprake meer van het aangekondigde wetsvoorstel over de borging van publieke belangen in URENCO

8

2015-2016

Motie van het lid Ronnes met het verzoek om zeer terughoudend te zijn met verdere harmonisatievoorstellen van de markt en regels voor hypothecair krediet en hierbij de specifieke eigenschappen van de Nederlandse markt te respecteren en te behouden

De motie is ingediend tijdens het plenair debat inzake hypotheekrichtlijnen d.d.

2 maart 2016 (Kamerstukken

II 2015-2016, 34 292, nr. 7)

Doorlopend

9

2015-2016

Motie van het lid Ronnes c.s. met het verzoek om er in overleg met de opstellers van het herstelkader zorg voor te dragen dat er wordt ingezet op een adequate prioritering van gevallen, zodat de meest schrijnende gevallen en de evidente quick wins niet worden doorgeschoven naar het allerlaatste moment, en de Kamer over de voortgang halfjaarlijks te informeren totdat alle herbeoorde-lingen voltooid zijn

VAO Herbeoordeling rentederivaten MKB d.d.

16 maart 2016 (Kamerstukken

II 2015-2016, 31 311, nr. 169, Kamerstukken II 2016-2017,

31 311, nr. 193, Kamerstukken II 2017-2018, 31 311, nr. 196)

Doorlopend. Bij brief van 5 juli 2016 is de Tweede Kamer geÔnformeerd over het uniform herstelkader en de prioritering daarin van kwetsbare klanten (Kamerstukken

II 2015-2016, 31 311, nr. 173). De Tweede Kamer zal hierover halfjaarlijks worden geÔnformeerd

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

10

2015-2016

Motie leden Grashoff/Groot: verzoekt de regering, bij het uitwerken van het wetsvoorstel rekening te houden met de toegankelijkheid, kosten en gebruiksvriendelijkheid voor journalisten, onderzoekers en maatschappelijke organisaties zoals Tax Justice

VSO Contouren UBO-register d.d. 17 mei 2016 (Kamerstukken II 2015-2016, 31 477, nr. 15) aangenomen 24 mei 2016

In behandeling. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel UBO-register zal rekening worden gehouden met de toegankelijkheid, kosten en gebruiksvriendelijkheid. Dat zal niet beperkt zijn tot journalisten, onderzoekers en maatschappelijke organisaties, maar zal alle gebruikers van het register betreffen

11

2015-2016

Motie lid Schouten: verzoekt de regering, de Kamer voor het zomerreces te informeren over de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bijzondere positie van ANBI's als juridische entiteit zonder UBO

VSO Contouren UBO-register d.d. 17 mei 2016 (Kamerstukken II 2015-2016, 31 477, nr. 16) overgenomen 17 mei 2016

In behandeling. Motie wordt meegenomen in het wetsvoorstel UBO-register

12

2016-2017

Lid Mei Li Vos verzoekt de regering om, na de transitieperiode stapsgewijs met handhaving aan te vangen en daarbij voorrang te geven aan de pakketbezorgingssector en de medisch specialisten

Kamerstukken II 2016-2017,

34 036, nr. 34, 4 oktober 2016

In behandeling. De motie is pas aan de orde na ingang van nieuwe wetgeving welke is voorzien op 1 januari 2020

13

2016-2017

Verzoekt de regering om voor het eind van 2017 de onvolkomenheden op het gebied van informatiebeveiliging weg te werken

Verantwoordingsdebat,

31 mei 2017 (Kamerstukken II 2016-2017, 34 725, nr. 5)

In behandeling (doorlopend). BZK is coŲrdinerend departement hiervoor (CIO

Rijk)

14

2016-2017

Nijboer (PvdA) c.s. verzoekt het kabinet deze impasse te doorbreken en bij de nadere uitwerking van fundamenteel andere alternatieve verdienmodellen in ieder geval ook het afscheiden van de accountan-cytak van de fiscale en adviestak te betrekken

Motie van het lijd Nijboer (PvdA) tijdens het plenair debat op 6 september 2017 over wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties (Kamerstukken II 2016-2017, 34 677, nr. 16)

Doorlopend. Zoals ook is aangegeven in het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer over het besluit aanvullende maatregelen accountantsorganisaties (Kamerstukken II 2017-2018, 34 677, nr. 20) zal in een brief aan de Tweede Kamer worden gereflecteerd op de voor- en nadelen van de huidige modellen en de alternatieven (waaronder audit-only). Ook zal in de brief aandacht worden besteed aan juridische aspecten en de internationale context waarin accountantsorganisaties opereren. De bedoeling is deze brief in het najaar 2018 aan de Tweede Kamer te zenden

15

2017-2018

Leden Hennis-Plasschaert, Omtzigt, Sneller en Bruins verzoeken de regering een actieve rol te spelen bij discussies over toekomst EMU en er daarbij op in te zetten dat landen primair zelf verantwoordelijk blijven voor hun begroting en economie

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-20, nr. 1292. Aangenomen op 8 februari 2018

Doorlopend. Nederland pakt actieve rol in discussie over de toekomst van de EMU en benadrukt belang dat lidstaten hun eigen huis op orde brengen in de verschillende (Europese) overleggremia

16

2017-2018

De leden Slootweg, Lodders en Paternotte verzoeken de regering te onderzoeken hoe een balans kan worden aangebracht tussen financiŽle en niet-financiŽle doelstellingen in de ekv-aanvraag om de aanvraagprocedures te verkorten en de administratieve lastendruk te verminderen

VAO Exportkredietverzekering d.d. 10 april 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 26 485, nr. 269.

Doorlopend. In 2018 werkt het ministerie met ADSB aan het vereenvoudigen van de aanvraagprocedure en het aanvraagformulier

17

2017-2018

Leden Van Raan en Diks verzoeken de regering jaarlijks te rapporteren op welke wijze Atradius DSB een bijdrage heeft geleverd aan de implementatie van de SDG's

VAO Exportkredietverzekering d.d. 10 april 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 26 485, nr. 263.

In behandeling. Naar verwachting zal uiterlijk bij jaarverslag 2018 de Tweede Kamer inzage worden gegeven in de bijdrage van de ekv aan het realiseren van SDG's

Vergaderjaar Omschrijving van de motie    Vindplaats

Stand van zaken / planning

18    2017-2018    Lid Azarkan verzoekt de regering te Kamerstukken II 2017-2018,

bezien, in het kader van de nadere    25 087, nr. 201, 3 april 2018

uitwerking van de aanpak van belastingontwijking, of de substance-eis afhankelijk kan worden gemaakt van de omvang en inhoud van de activiteiten van de onderneming die om een tax ruling vraagt

In behandeling. Aan de motie wordt uitvoering gegeven bij de herziening van de rulingpraktijk. Rapportage over de herziening van de rulingpraktijk wordt dit najaar aan de Tweede Kamer aangeboden

19    2017-2018    Lid Leijten verzoekt de regering uit te Kamerstukken II 2017-2018,

werken hoe zij bij de rapportages    31 066, nr. 412, 26 juni 2018

over het rulingbeleid de feiten en omstandigheden van een ruling beter inzichtelijk maakt

In behandeling. Dit verzoek maakt onderdeel uit van de herinrichting rulingpraktijk waarover de Tweede Kamer in het najaar

2018 wordt ingelicht

20    2017-2018    Leden Lodders, Omtzigt, Van    Kamerstukken II 2017-2018,

Weyenberg en Bruins verzoeken de 31 066, nr. 415, 26 juni 2018 regering in nauw overleg met de

Kamer tot een hernieuwde structuur van de informatievoorziening aan de

Kamer te komen, voortbouwend op de brief van de regering; verzoekt de regering tevens de Kamer te betrekken bij de afbakening en reikwijdte van de onderwerpen, zoals personeel, sturing en ICT; verzoekt de regering vervolgens middels een jaarplan de Kamer driemaal jaarlijks te informeren over de voortgang van de hervormingen bij de Belastingdienst en de Auditdienst Rijk (ADR) te vragen een toetsende rol uit te voeren

In behandeling. Jaarplan 2019 in voorbereiding. Tevens vindt er een technische briefing plaats met Kamerleden over de inrichting van het Jaarplan

21    2017-2018    Lid Nijboer verzoekt de regering, het Kamerstukken II 2017-2018,

budgetrecht van de Kamer te    34 960, nr. 10

versterken door aan de gaswinning in Groningen en de gevolgen daarvan een apart begrotingsartikel toe te wijzen

In behandeling. Op basis van Motie Nijboer presenteert het Ministerie van EZK met ingang van de begroting 2019 alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op ťťn begrotingsartikel

22    2017-2018    Motie van het lid Bruins. In=uit-    Debat Najaarsnota 2017,

taakstelling. Vraag van CU over    20 december 2017. Kamer- transparantie in=uit-taakstelling    stukken 2017-2018, 34 845,

wordt meegenomen in bredere    nr. 10

discussie over transparantie

In behandeling (doorlopend). Deze vraag is voor een deel meegenomen in het FJR 2017 en een deel in de Voorjaarsnota 2018

23    2017-2018    Verzoekt de regering nu onder geen Kamerstukken II 2017-2018,

enkele voorwaarde mee te werken    28 165, nr. 278

aan verkoop van de eigen aandelen in Urenco en verzoekt tevens de regering ook de medeaandeel-houders hiertoe op te roepen, en zo te voorkomen dat aandelen van

URENCO in bezit komen van andere landen of bedrijven

In behandeling. Verkoop van het Nederlandse aandeel in Urenco is niet aan de orde. Het kabinet kan niet voor de overige aandeelhouders van Urenco (de Britse overheid en de Duitse private aandeelhouders E.on en RWE) bepalen wat zij met hun aandeel doen. Bij zowel het Verenigd Koninkrijk als E.on en RWE blijft de wens tot verkoop van de aandelen aanwezig. Net zoals het kabinet is het Verenigd Koninkrijk van mening dat van verkoop van de aandelen in Urenco pas sprake kan zijn als de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid op adequate wijze zijn geborgd

24    2017-2018    Verzoekt het kabinet de buitenlandse Kamerstukken II 2017-2018,

deelnemingen van staatsdeelne-    28 165, nr. 279

mingen in kaart te brengen met als doel de risico's van buitenlandse deelnemingen te beperken en waar nodig en mogelijk af te bouwen

In behandeling. Het in kaart brengen van buitenlandse activiteiten van staatsdeelnemingen wordt nader uitgewerkt in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen 2017, dat in het najaar 2018 wordt verzonden aan de Kamer

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

25

2017-2018

Motie van het lid Leijten met het verzoek om met toezichthouders en consumentenorganisaties te onderzoeken hoe risico's (m.b.t. verzekeringen met een beleggings-component) kunnen worden verkleind en de Kamer over de uitkomst te informeren

De motie is ingediend tijdens de behandeling Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie (Kamerstukken II 2017-2018, 34 770, nr. 8)

In behandeling

26

2017-2018

Motie van het de leden Paternotte en Leiten met het verzoek de regering om, samen met de sector de haalbaarheid te onderzoeken van een marktbrede vergelijking als uitgangspunt voor onafhankelijk advies, en de conclusies hiervan voor de zomer met de Kamer te delen

De motie is ingediend tijdens de behandeling van de Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie (Kamerstukken II 2017-2018, 34 770, nr. 11)

In behandeling

27

2017-2018

Motie leden Nijboer/Ronnes over het kopen van cryptovaluta met een creditcard

VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 153)

In behandeling. De Tweede Kamer zal in de

2e helft van 2018 hierover worden geÔnformeerd

28

2017-2018

Motie van de leden Ronnes en Paternotte over de afwikkeling van het herstelkader

De motie is ingediend tijdens het VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 156)

In behandeling. Motie roept Minister op de voortgang van de afwikkeling van het herstelkader nauw te blijven volgen en in te grijpen wanneer er door verwijtbaar handelen door banken extra vertraging ontstaat

29

2017-2018

Motie van het lid Van Weyenberg met het verzoek om geen onomkeerbare stappen te zetten t.a.v. de Nederlandse regels voor handelaren voor eigen rekening in afwachting van verder overleg en de Europese besluitvorming

VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 157)

In behandeling. Er worden geen onomkeerbare stappen gezet t.a.v. de Nederlandse regels voor handelaren voor eigen rekening in afwachting van verder overleg en de Europese besluitvorming

30

2017-2018

Motie van de leden Mulder en Van Dijck over boeterente beperken tot drie maanden

De motie is ingediend tijdens het VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 160)

In behandeling. Wordt meegenomen in de toezegging van de Minister om de Kamer te informeren over regels, rentetarieven, berekening boeterente, rentemiddeling en voorwaarden m.b.t. hypotheken in Duitsland, BelgiŽ en Nederland

31

2017-2018

Motie van de leden Mulder en Van Dijck over bij rentemiddeling rekening houden met het klantbelang

De motie is ingediend tijdens het VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 161)

In behandeling. Wordt meegenomen in de toezegging van de Minister om de Kamer te informeren over regels, rentetarieven, berekening boeterente, rentemiddeling en voorwaarden m.b.t. hypotheken in Duitsland, BelgiŽ en Nederland

32

2017-2018

Motie van de leden Leijten en Van der Linde over evalueren van het hersteltraject rond de rentederivaten

De motie is ingediend tijdens het VAO bankensector d.d. 21-2-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 162)

In behandeling. Zie ook toezegging om breder te trekken dan alleen rentederivaten. Start is afhankelijk van afronding dossier rentederivaten

33

2017-2018

Motie van het lid Van Weyenburg (D66) c.s. met het verzoek om geen steun te geven aan welke versoepeling van Europese bonusregels dan ook, maar juist in te zetten op strengere Europese regels naar Nederlands model voor financiŽle ondernemingen in de bankenunie (conform motie Van Hijum Kamerstukken II 2017-2018, 33 964 nr. 35)

De motie is ingediend tijdens het AO Ecofin d.d. 8 maart 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1494)

In behandeling. Nederland zal in Europa inzetten op strengere beloningsregels naar Nederlands model

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

34

2017-2018

Motie van het lid Ronnes (CDA) c.s. met het verzoek om de te onderzoeken wettelijke mogelijkheden voor aanscherping van het beloningsbeleid bij financiŽle ondernemingen voortvarend op te pakken, hierbij de door stakeholders aangedragen maatregelen in overweging te nemen indien deze bijdragen aan een beheerst beloningsbeleid en de

Kamer voor het einde van 2018 over de uitkomsten te informeren

De motie is ingediend tijdens het plenaire debat over de salarisverhoging van ING d.d. 4 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 175)

In behandeling. De Tweede Kamer zal voor het einde van 2018 worden geÔnformeerd over de uitkomsten van de maatschappelijke consultatie van de 3 wettelijke maatregelen met betrekking tot vaste beloningen in de financiŽle sector

35

2017-2018

Motie van het lid Ronnes (CDA) c.s. met het verzoek om in overleg te treden met zowel de banken als verzekeraars met als doel tot een aanscherping te komen van de definitie van het maatschappelijk draagvlak en de maatschappelijke context voor het beloningsbeleid in de Code Banken en de Gedragscode Verzekeraars

Tijdens het plenaire debat salarisverhoging ING d.d.

4 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 176)

In behandeling. Er wordt in overleg getreden met (brancheorganisaties van) banken en verzekeraars over aanscherping van de definitie van maatschappelijk draagvlak en de maatschappelijke context voor het beloningsbeleid in de code

36

2017-2018

Motie van het lid Paternotte (D66) c.s. met het verzoek om met ING te bespreken hoe meer diversiteit kan worden nagestreefd in de raad van commissarissen, bij te houden hoe vaak komende vacatures worden vervuld door een vrouw of iemand onder de 50 en hierover de komende twee jaar halfjaarlijks te rapporteren

Tijdens het plenaire debat salarisverhoging ING d.d.

4 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 188)

In behandeling. Er wordt in overleg getreden met de sector over diversiteit

37

2017-2018

Motie leden Paternotte/Van der Linde om te onderzoeken in hoeverre de Japanse Virtual Currency Act een model kan zijn voor Nederlandse regulering van cryptovaluta, en het resultaat van dit onderzoek in het vierde kwartaal met de Kamer te delen

Plenair debat cryptovaluta d.d. 16-06-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 191), aangenomen 22-05-2018

In behandeling

38

2017-2018

Motie leden Paternotte/Van der Linde om te onderzoeken hoe het aantrekken van investeringen via de uitgifte van ICO's kan worden gereguleerd en daarmee een kader te schetsen waarbinnen bedrijven en investeerders de mogelijkheden van ICO's veilig kunnen benutten, terwijl misbruik en criminaliteit worden tegengegaan

Plenair debat cryptovaluta d.d. 16-06-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 192), aangenomen 22-05-2018

In behandeling

39

2017-2018

Motie leden Ronnes/Bruins om in overleg te treden met de toezichthouders en consumentenorganisaties (Consumentenbond, Wijzer in Geldzaken, etc.) hoe er bij consumenten een bredere bewustwording van de kansen en bedreigingen van cryptovaluta kan worden gecreŽerd en de Kamer voor het einde van het jaar over de resultaten te informeren

Plenair debat cryptovaluta d.d. 16-06-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 193), aangenomen 22-05-2018

In behandeling

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

40

2017-2018

Motie lid Azarkan om te bezien of het Zwitserse model voor de regulering van initial coin offerings in Nederland en de EU navolging verdient en de Kamer hier bij de update in de herfst van 2018 nader over te informeren

Plenair debat cryptovaluta d.d. 16-06-2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 32 013, nr. 194), aangenomen 22-05-2018

In behandeling

41

2017-2018

Motie leden Alkaya/Snels om in de evaluatie van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 de financie-ringswijziging uitdrukkelijk mee te nemen of en zo ja hoe de financieringswijze het toezicht op de financiŽle sector heeft veranderd

Plenair debat voorstel voor de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 d.d. 6-6-2018 (Kamerstukken II 2017-2018,

34 870, nr. 13), aangenomen

8 juni 2018

In behandeling

42

2017-2018

Motie van leden Omtzigt/Bruins: verzoekt de regering, vooruitlopend op verdere besluitvorming, in kaart te brengen wat een gepast dekkingsniveau en een gepast eigen risico kan zijn voor deposito's onder EDIS, welke mogelijkheden landen moeten hebben om zelf een hoger niveau te bieden, de risico's van al die opties in kaart te brengen en de Kamer hierover in het derde kwartaal van 2018 te informeren

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1521, aangenomen 7 juni 2017

In behandeling

43

2017-2018

Motie van lid Omtzigt: verzoekt de regering, een moment in te plannen voor de evaluatie van de risicoreductie voordat een eventueel besluit tot vervroegde invoering van de backstop/achtervang van het SRF wordt voorgelegd aan de Kamer

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-20, nr. 1347

In behandeling. In de Raad wordt gesproken over het inzichtelijk maken van risicoreductie, ook heeft Nederland reeds richting de Tweede Kamer aangegeven zich in te zetten voor bewezen risicoreductie. Moment kan worden bepaald aan de hand van Europese discussies

44

2017-2018

Motie van lid Van Rooijen: verzoekt de regering, zich tot het uiterste in te spannen om passende risicowe-gingen toe te kennen aan staatsobligaties binnen het financiŽle raamwerk van de Europese bankenunie

Kamerstukken II 2017-2018,

21 501-07, nr. 1523

Doorlopend. Nederland benadrukt dit reeds in Europese discussies. Regeerakkoord stelt dat goede weging gerealiseerd moet worden voor een EDIS tot stand komt. Recent is hier specifiek door Nederland aandacht voor gevraagd in voortgangsrapportage van technische besprekingen over EDIS

Toezeggingen waarvan de uitvoering is afgerond

Stand van zaken / planning

Afgerond. De Europese Commissie heeft in haar werkplan voor 2018 aangegeven het BSR-voorstel - waarvan ook een voorstel tot het verbod voor handel in eigen rekening (Volcker Rule) uitmaakte - in te trekken. De Commissie geeft in een toelichting aan dit te doen, omdat inmiddels de stabiliteitsdoelen van het voorstel ook middels andere voorstellen worden bereikt. In het schriftelijk overleg Ecofin van 2 november 2017 heeft het kabinet aangegeven ook andere wegen te zien om de doelstellingen van BSR te verwezenlijken (Kamerstukken II 2017-2018, 21 501-07, nr. 1468)

Vergaderjaar Omschrijving van de toezegging Vindplaats

2011-2012

Minister: de voor- en nadelen van het AO inzake de brief van de introduceren van een Volcker Rule Minister van FinanciŽn d.d. voor het tegengaan van excessieve 8 juli 2011 met de nota over risico's met de Kamer delen    nuts- en zakenbankactiviteiten

(Kamerstukken II 2011-2012, 31 980, nr. 51) en de brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 6 maart 2012 met de vervolgnota over nuts- en zakenbankactiviteiten (Kamerstukken II 2011-2012, 31 980, nr. 59) d.d. 28 maart 2012 (Kamerstukken II 2011-2012, 31 980, nr. 70)

2013-2014 Toezegging om de Kamer te    Handelingen I 2013-2014, Afgerond. Kamerstukken II 2017-2018,

informeren over een overzicht dat de nr. 10 item 10 en 13 (33 416,    33 415, nr. J

Commissie opstelt in 2014 over de nr. 23) wijze waarop andere lidstaten de Europese begrotingsregels in nationale wetgeving hebben verwerkt, inclusief het gebruik van dwingende macronormen en referentiewaarden

4    2013-2014

2011-2012

Toezegging aan de Eerste Kamer, gedaan op 22 mei 2012 tijdens de plenaire behandeling van het voorstel van de Wet bekostiging financieel toezicht, om bijvoorbeeld bij de evaluatie van de bonusregeling de boetes naar de schatkist te heroverwegen

De toezegging is gedaan tijdens de plenaire vergadering over de Wet aanspra-kelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen d.d. 22 mei 2012 (Handelingen I 2011-2012, nr. 30, item 6)

Afgerond. Tijdens de behandeling van de Wijziging van de Wet bekostiging financieel toezicht (Kamerstukken II 2014-2015, 33 957) is het (deels) naar de schatkist laten terugvloeien van boetes aan de orde geweest. Per 1 januari 2015 stromen de boetes die het bedrag van Ä 2,5 mln. overstijgen naar de schatkist. Het bonusverbod bij staatssteun is geŽvalueerd samen met de Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen. Bij brief van de Minister van FinanciŽn van 17 juli 2016 zijn de bevindingen van de evaluatie van de Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen naar de Staten-Generaal gezonden

De Minister van FinanciŽn zegt de Handelingen I 2013-2014, Afgerond. Kamerstukken I 2013-2014, 33 416

Kamer, naar aanleiding van een    nr. 10, item 13, blz. 70

vraag van het lid Ester (CU), toe de

Wet houdbare overheidsfinanciŽn te evalueren en daarbij de ontwikkeling investeringen en andere factoren die het EMU-saldo van de decentrale overheden hebben beÔnvloed betrekken. Medio 2015 wordt hier voor het eerst naar gekeken

5    2013-2014

Minister: het ligt in de rede om de ontwikkelingen in de markt voor uitvoering van premieregelingen over bijvoorbeeld 3 jaar nogmaals te onderzoeken

Brief kabinetsreactie uitkomsten evaluatie premiepensioeninstelling aan de Tweede Kamer d.d. 23 mei 2014 (Kamerstukken II 2013-2014, 32 043, nr. 215, p. 4)

Afgerond. De ontwikkelingen in de markt voor uitvoering van premieregelingen lijken vooralsnog beperkt, maar zouden een impuls kunnen krijgen bij een geleidelijke toename van vraag naar en aanbod van variabele pensioenuitkeringen (mogelijk sinds de inwerkingtreding van de wet verbeterde premieregeling per 1 september 2016). De Kamer is in voorjaarsbrief moties & toezeggingen financiŽle markten geÔnformeerd dat het moment en de inhoud van een volgende evaluatie in samenspraak met de Minister van SZW en de toezichthouders zullen worden bepaald (Kamerstukken II 2017-2018, 32 545, nr. 80)

Afgerond. Bij brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 5 september 2016 is aandacht besteed aan de eerste effecten van de Wbfo (Kamerstukken II 2015-2016, 33 964, nr. 43). Bij brief van de Minister van FinanciŽn van 17 juli 2016 zijn de bevindingen van de evaluatie van de Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen naar de Staten-Generaal gezonden

6    2014-2015

Minister: DNB vragen om in haar De Minister tijdens plenair jaarlijkse toezichtrapportage expliciet debat Wet beloningsbeleid aandacht te besteden aan de    financiŽle ondernemingen effectiviteit en de naleving van de d.d. 2 oktober 2014 (Hande-wet, onbedoelde effecten, de effecten lingen II 2014-2015, nr. 9, op de concurrentiepositie, gebruik en item 7, blz. 25, 31) eventueel misbruik van uitzonde-ringscategorieŽn

 
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

7

2014-2015

Minister: DNB vragen te volgen in hoeverre gebruik wordt gemaakt van de gemiddeld 20%-uitzondering voor niet-cao personeel en erop toe te zien dat er van deze uitzondering alleen in uitzonderlijke situaties gebruik wordt gemaakt

De Minister tijdens plenair debat Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 2 oktober 2014 (Handelingen II 2014-2015, nr. 9, item 7, blz. 26, 31-32, 37)

Afgerond. Bij brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 5 september 2016 is aandacht besteed aan de eerste effecten van de Wbfo (Kamerstukken II 2015-2016, 33 964, nr. 43).

Bij brief van de Minister van FinanciŽn van

17 juli 2016 zijn de bevindingen van de evaluatie van de Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen naar de Staten-Generaal gezonden

8

2014-2015

Minister: de vinger aan de pols houden wat betreft geruchten dat dochterondernemingen massaal worden omgezet in bijkantoren om zo onder de werking van de Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen uit te kunnen komen

De Minister tijdens plenair debat Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 2 oktober 2014 (Handelingen II 2014-2015, nr. 9, item 7, blz. 29-30)

Afgerond. Bij brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 5 september 2016 is aandacht besteed aan de eerste effecten van de Wbfo (Kamerstukken II 2015-2016, 33 964, nr. 43).

Bij brief van de Minister van FinanciŽn van

17 juli 2016 zijn de bevindingen van de evaluatie van de Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen naar de Staten-Generaal gezonden

9

2014-2015

Minister: DNB zal in haar rapportage zo nodig ook opgelegde boetes vermelden

Brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 15 oktober

2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 964, nr. 25, blz. 6)

Afgerond. Bij brief van de Minister van FinanciŽn d.d. 5 september 2016 is aandacht besteed aan de eerste effecten van de Wbfo (Kamerstukken II 2015-2016, 33 964, nr. 43).

Bij brief van de Minister van FinanciŽn van

17 juli 2016 zijn de bevindingen van de evaluatie van de Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen naar de Staten-Generaal gezonden

10

2014-2015

Minister: indien er misbruik wordt gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheden in de Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen deze uit de wet halen

De Minister tijdens plenair debat Wet beloningsbeleid financiŽle ondernemingen d.d. 2 oktober 2014 (Handelingen II 2014-2015, nr. 9, item 7, blz. 31-32)

Afgerond. Kamerbrief Evaluatie Wet Beloningsbeleid financiŽle ondernemingen,

17 juli 2018. Zie ook: Handelingen II 2014-2015, nr. 14, item 6, blz. 19 en 25

11

2014-2015

Minister: DNB krijgt de bevoegdheid om voor macroprudentiŽle doeleinden gegevens op te vragen bij overheidsinstellingen en private ondernemingen. Drie jaar na inwerkingtreding van artikel 9d, lid 2, Bankwet zal de Minister informeren of/hoe, bij wie DNB informatie heeft opgevraagd en wat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zijn geweest

De Minister tijdens het WGO Wijzigingswet financiŽle markten d.d. 8 september 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 918, nr. 14)

Afgerond. In de voorjaarsbrief moties & toezeggingen financiŽle markten is de

Tweede Kamer hierover geÔnformeerd (Kamerstukken II 2017-2018, 32 545, nr. 80)

12

2014-2015

Minister: centralisatie Rechtbank Amsterdam. Er zal nader onderzoek worden gedaan naar de reikwijdte van de betreffende bepaling en de toegankelijkheid vanuit het perspectief van de klant. De Tweede Kamer zal hierover geÔnformeerd worden

De Minister tijdens het WGO Wijzigingswet financiŽle markten d.d. 8 september 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 918, nr. 14)

Afgerond. Heroverweging van de eerder voorgenomen concentratiebepaling brengt mee dat alsnog wordt afgezien van invoering ervan. Zie voor meer informatie het consultatieverslag m.b.t. de Wijzigingswet financiŽle markten 2018 en de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2017-2018,

34 859, nr. 3)

Afgerond. De Minister is op dit onderwerp teruggekomen in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties. Er zijn de afgelopen jaren internationaal en nationaal verschillende stappen gezet die zijn toegelicht in de memorie van antwoord. Er vindt dus al informatieverstrekking plaats door het bestuur van een onderneming in de jaarrekening en het bestuursverslag over strategie, continuÔteitsrisico's en/of andere risico's en de accountant neemt deze informatie mee in zijn controlewerkzaamheden. Er is dan ook op dit moment geen reden om hier in te grijpen (Kamerstukken I 2017-2018, 34 677, nr. C)

Minister: er zal worden gekeken naar AO Accountancy d.d. uitbreiding van het jaarverslag en 13 november 2014 (Kamer-een (afzonderlijke) beoordelingsver- stukken II 2014-2015, 33 977, klaring. Hierop terugkomen wanneer nr. 5) het wetsvoorstel met wettelijke maatregelen wordt behandeld

13    2014-2015

14    2014-2015

AO Accountancy d.d.

13 november 2014 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 977, nr. 5)

Afgerond. Bij het opstellen van het wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties is overwogen de bevindingen ook te laten delen met niet-OOB-controlecliŽnten. Gekozen is voor

Minister: het delen van bevindingen door de AFM met controlecliŽnten moet ook kunnen met niet-OOB-cliŽnten. Dit zal worden besproken met de AFM

een beperking tot het delen van bevindingen indien de controlecliŽnt een OOB is, omdat een uitzondering op de bestaande geheimhoudingsbepalingen een ingrijpende maatregel is. (Kamerstukken II 2016-2017,

34 677, nr. 3). Het wetsvoorstel treedt is 1 juli 2018 in werking getreden (Stb. 2018, 139)

Minister: bij de voorbereiding van het AO Accountancy wetsvoorstel duidelijk zijn over de rol 13 november 2014 (Kamer-van de Accountantskamer en de stukken II 2014-2015, 33 977, bestuursrechter    nr. 5)

15    2014-2015

Afgerond. Het wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties is op 1 juli 2018 in werking getreden (Stb. 2018, 139). Bij de behandeling van het wetsvoorstel is aandacht geweest voor de rechtsbescherming van accountantsorganisaties). Ook is over dit onderwerp een brief aan de Tweede Kamer gezonden, waarin is ingegaan op de wijze waarop de bestuursrechter besluiten van de Autoriteit FinanciŽle Markten toetst en de rol van het tuchtrecht voor accountants (Kamerstukken II 2016-2017, 34 977, nr. 16)

De Minister tijdens het plenair Afgerond. In de ZBO-verslagen over DNB en debat SSM/Bankenunie d.d. de AFM uit maart 2017 is ingegaan op de

10    februari 2015 (Handelingen afbakening, samenwerking en eventuele

11    2014-2015, nr. 52, item 25) overlap tussen de toezichthouders onder het

16    2014-2015 Minister: brief over twee jaar

(februari 2017) aan Tweede Kamer met evaluatie van dubbel toezicht onder SSM AFM/ECB

SSM. In de voorjaarsbrief moties & toezeggingen financiŽle markten is de TK hierover geÔnformeerd (Kamerstukken II 2017-2018, 32 545, nr. 80)

17    2014-2015

WGO W6, BRRD, CSD d.d.

7 september 2015 (Kamerstukken II 2014-2015, 34 208, 34 198, 34 204, nr. 11)

Minister: het aspect van de formulering van het moment waarop bij verzekeraars moet worden ingegrepen, zal worden meegenomen wanneer gekeken wordt naar een afwikkelkader voor verzekeraars

Afgerond. Een wetsvoorstel tot herziening van het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars is op 28 november bij de&