Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2016

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 34300 XII - Vaststelling begroting Infrastructuur en Milieu 2016.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2016
Document­datum 15-09-2015
Publicatie­datum 02-05-2018
Kenmerk 34300-XII, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2015-2016

34 300 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het

Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2016

Inhoudsopgave

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGRO- 2 TINGSWETVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie) 2

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat agentschappen) 2

B. BEGROTINGSTOELICHTING 3

  • 1. 
    Leeswijzer 5
  • 2. 
    Het beleid 8

2.1 De beleidsagenda 8

2.2 De beleidsartikelen 26

2.3 De niet-beleidsartikelen 138

  • 3. 
    De agentschappen 146
  • 4. 
    De bijlagen 171

4.1 ZBO'senRWT's 171

4.2 Verdiepingsbijlage 173

4.3 Moties en toezeggingen 204

4.4 Subsidieoverzicht 244

4.5 Evaluatie- en overig onderzoek 252

4.6 Overzichtsconstructie Milieu 266

4.7 Afkortingenlijst 270

kst-34300-XII-2 ISSN 0921 -7371 's-Gravenhage 2015

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

1

A. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

2

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft drie begrotingen:

  • 1. 
    de voorliggende beleidsbegroting Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting,
  • 2. 
    de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en
  • 3. 
    de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

De twee fondsbegrotingen van lenM, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van lenM, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma's geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening en sinds 2015 ook waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma's in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht (voorheen MIRT Projectenboek). Dit overzicht wordt sinds 2007 als bijstuk bij het Infrastructuurfonds en Deltafonds aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen deze Kamerstukken te verhelderen worden vanaf dit jaar in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda's.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

3

De begrotingen van lenM zijn ook digitaal beschikbaar op de rijksbegrotingswebsite1, het MIRT Overzicht 2016 is te vinden op de MIRT website2 en het Deltaprogramma op de website van de deltacommissaris3 .

1 www.rijksbegroting.nl

2 http://mirt2016.mirtoverzicht.nl

3 www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

4

  • 1. 
    LEESWIJZER

Algemeen

De opzet en structuur van de onderliggende begroting voor Hoofdstuk XII is gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op deze regelgeving voor deze begroting de onderstaande punten verwerkt.

Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen bijdrage aan het Infrastructuurfonds en bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2028.

  • • 
    Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de betreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals extracomptabel opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Kwaliteit begroting

Het verbeteren van de kwaliteit van de begroting is een continue opgave. Met het door de vaste Kamercommissie Infrastructuur en Milieu benoemen van twee meerjarige rapporteurs begrotingscyclus tot en met de begrotingsbehandeling 2017 komt er extra aandacht voor dit onderwerp.4 In deze begroting zijn er - mede naar aanleiding van het Kamerdebat over de jaarverslagen 2014 - even als voorgaande jaren weer diverse verbeteringen doorgevoerd:

De toegankelijkheid van de beschikbare projectinformatie is verbeterd door in de MIRT tabellen bij de projecten (waar mogelijk) een digitale verwijzing naar het bijbehorende MIRT projectblad op te nemen. Naast algemene informatie als de opgave en oplossing worden op deze bladen onder meer de majeure wijzigingen toegelicht ten opzichte van de initiële budgetraming en planning.

  • • 
    Waar mogelijk wordt verwezen naar informatie die reeds eerder met de Tweede Kamer gedeeld is, bijvoorbeeld bij de toelichtingen op de budgettaire gevolgen van beleid en uitvoering en naar de diverse voortgangsrapportages.

Er is extra aandacht besteed aan de informatiewaarde van de beschreven beleidswijzigingen, bijvoorbeeld door in te gaan op de aanbevelingen uit beleidsdoorlichtingen die recent afgerond zijn.

Opbouw

Dit wetsvoorstel kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd. Deze verdiepingsslag is als volgt opgebouwd.

  • 1. 
    Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2016 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

4 http://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=f7aa4e41-06c8-4d0b-b8c6-f0b6af6f0bd9&title=Besluitenlijst%20e-mailprocedure%20

benoeming%20rapporteurs%20begrotingscyslus%20l%26M%20d.d.%2028%20mei%202015.pdf

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

5

  • 2. 
    In de Beleidsagenda is vervolgens een kernachtig overzicht gegeven van prioriteiten voor 2016 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid.
  • 3. 
    Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.
  • 4. 
    In de artikelgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsar-tikel kort en bondig beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.
  • 5. 
    In de verdiepingsbijlage (bijlage 4.2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.
  • 6. 
    De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie Schouw (Kamerstukken II, 2011-2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor lenM heeft de Raad voor 2016 geen specifieke aanbevelingen gedaan.

Motie Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie Hachchi (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de lenM begrotingen, is op verzoek van de motie opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie Leegte (Kamerstukken II, 2014-2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van lenM vallen opgenomen. Bij de betreffende beleidsartikelen 14 Wegen en verkeersveiligheid en 19 Klimaat worden de maatregelen genoemd.

Groeiparagraaf Wat is nieuw in deze begroting

De begroting 2016 is op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van de begroting 2015:

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) In 2016 wordt de ZBO ANVS bij wet ingesteld. De ANVS zal bestaan uit een ZBO-bestuur met twee bestuursleden en een ambtelijke organisatie die door de Secretaris-Generaal (SG) ter beschikking wordt gesteld. De ANVS wordt een dienst binnen lenM, die los staat van de bestuurskern. De programma- en apparaatsmiddelen van ANVS worden respectievelijk verantwoord op artikel 97 Algemeen departement en artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

6

Conversie artikel 11 Waterkwantiteit en artikel 12 Waterkwaliteit naar één integraal waterartikel

In het verlengde van de overheveling van KRW middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft lenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit wordt gewijzigd en zal deel uitmaken van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Wijziging naam en algemene doelstelling artikelen 19, 20 en 22 Bij de artikelen 19 Klimaat, 20 Lucht en Geluid en 22 Externe veiligheid en risico's hebben enkele naamswijzigingen plaatsgevonden. Doel is om meer recht te doen aan in gang gezette beleidswijzigingen en tegemoet te komen aan de doelstellingen van de Brief Modernisering Milieubeleid (Kamerstukken II, 2013-2014, 28 663, nr. 55). Hierin wordt onder andere een bredere invulling van de beleidsdoelstellingen ingezet. De nieuwe benamingen zijn in onderstaand overzicht vermeld en zijn in de teksten van de artikelen verwerkt.

 

Artikel

Huidige naam

Nieuwe naam

19

Klimaat

 

19.01

Klimaat

Tegengaan klimaatverandering

19.02

Internationaal beleid, coördinatie

 
 

en samenwerking

 

20

Lucht en Geluid

 

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan

Gezonde lucht en tegengaan

 

geluidhinder

geluidhinder

22

Externe Veiligheid en Risico's

Omgevingsveiligheid en

   

Milieurisico's

22.01

Veiligheid chemische stoffen

 

22.02

Veiligheid GGO's

Veiligheid biotechnologie

22.03

Externe veiligheid inrichtingen

Veiligheid bedrijven en transport

 

en transport

 

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

7

  • 2. 
    HET BELEID

2.1 Beleidsagenda

Een welvarend land met een ijzersterke concurrentiepositie, waar de groei van steden samengaat met een gezond werk- en leefklimaat; een land dat internationaal voorop loopt met innovatieve oplossingen voor bereikbaarheids-, waterveiligheids- en duurzaamheidsvraagstukken. Dat zijn de belangrijkste ambities van lenM.

In de afgelopen jaren is hiervoor de basis gelegd met een nieuw Deltaplan en een nieuw Nationaal Waterplan, de stelselherziening van het Omgevingsrecht, een akkoord over de groei van Lelystad en Schiphol en de oprichting van de Nederlandse Klimaatcoalitie en de modernisering van het milieubeleid. Daarnaast is, sinds het begin van deze Kabinetsperiode, 440 kilometer aan rijstroken aangelegd en zijn de mogelijkheden om te kunnen experimenteren met innovatieve mobiliteit verruimd.

De Nederlandse uitgangspositie is daarmee goed. Dit bevestigt het World Economie Forum5: Nederland staat wereldwijd in de top tien van competitieve economieën, en in de top vijf van Europa. Onze infrastructuur is de vierde beste ter wereld: de kwaliteit van onze havens wordt zelfs als beste beoordeeld. Daarbij wordt Nederland ook bij de wereldtop gerekend als het gaat om innovatie en de toepassing van technologie en ICT.

Dat Nederland het internationaal goed doet, is een belangrijke aansporing om door te gaan op de ingeslagen weg van economische versterking en verduurzaming. Daarbij is de internationale context belangrijk. Nederland is de eerste helft van 2016 voorzitter van de Europese Unie. Nederland speelt dan een belangrijke rol in het verder brengen van de lopende agenda van de EU, zoals het verbeteren van regelgeving en het uitwerken van afspraken die op de Klimaatconferentie in Parijs worden gemaakt. Andere lenM-onderwerpen die aan bod komen tijdens het EU-voorzitterschap zijn het Vierde Spoorpakket, Luchtvaart en besprekingen over de Europese inzet voor een circulaire economie.

De internationale context is ook belangrijk bij het inspelen op wereldwijde trends, zoals verstedelijking, toenemende regionale verschillen, nieuwe technologieën en nieuwe verhoudingen tussen overheden en burgers. Al deze ontwikkelingen hebben invloed op de mobiliteit, infrastructuur en ruimtelijke inrichting van Nederland. Door ruimte te geven voor initiatief en door duurzame ontwikkeling te stimuleren, spelen we op deze trends in.

Daarbij is het cruciaal om de toekomst te blijven verkennen. We willen goede inschattingen kunnen maken van de toekomstige bereikbaarheids-opgaven over de weg, spoor, lucht en het water. Daar hoort ook een toekomstbestendige manier van financiering bij. De meerjarige looptijd van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds bieden continuïteit. Komend jaar wordt onderzocht of verlenging van de looptijd voorbij de huidige horizon van 2028 nodig is. Daarbij is ook de vraag aan de orde of de gedetailleerde manier waarop bestedingen voor lange tijd worden vastgelegd nog wel past bij opgaven die om meer flexibiliteit vragen. Daarover wordt een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) gestart.

5 The Global Competitiveness Report 2014-2015

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

8

Deze beleidsagenda gaat daarmee niet alleen over 2016, maar effent ook het pad voor een rol als concurrerende wereldspeler in de toekomst.

Nederlands voorzitterschap EU

Ons is land is van 1 januari t/m 30 juni 2016 voorzitter van de Europese Raad. Het kabinet wil als voorzitter concrete voortgang bereiken op de vijf hoofddoelstellingen van de strategische agenda (vastgesteld door de Europese Raad van juni 2014). Hoofddoelstellingen zijn innovatieve groei en banen en daarnaast op «een Unie gericht op hoofdzaken» en de verbinding met bedrijfsleven en burgers.

Verder is op vrijwel alle lenM terreinen aandacht nodig voor de effectiviteit en efficiency van de regelgeving: de better regulation agenda. Op milieu- en waterterrein is het doel bijvoorbeeld om te komen tot consistentere en beter uitvoerbare regelgeving.

In de Milieuraad wil Nederland het voorzitterschap onder meer gebruiken voor het verder brengen van de klimaatagenda. Belangrijk hierbij is de uitwerking van de afspraken die op de Klimaatconferentie in Parijs eind dit jaar gemaakt worden. Ook zal Nederland de eerste besprekingen leiden over het verwachte circulaire economiepakket.

De transportagenda tijdens het voorzitterschap richt zich op de bijdrage van transport, logistiek en mobiliteit aan de agenda van de Europese Commissie (Juncker-agenda) voor banen, economische groei en investeringen. Cruciaal is het verbeteren van de concurrentiekracht van de sector, door in te zetten op een goed functionerende markt, innovatie, investeringen in infrastructuur en slimme regelgeving. Op de geplande Transportraad in het voorjaar van 2016 staan onder andere het Witboek Transport en diverse luchtvaartdossiers, zoals EASA (luchtvaartveiligheid). Onbemande Vliegtuigen (RPAS) en de ICAO Assembly op de agenda. Mogelijk rondt Nederland de onderhandelingen met het Europees Parlement af over het vierde Spoorpakket en de Zeehavenverordening. De Aviation Strategy zal Nederland op de Aviation Summit behandelen.

Onder meer door de informele Milieu- en Transportraad te combineren brengt het Nederlandse voorzitterschap samenhang in de milieu- en transportagenda's en draagt ons land bij aan een innovatief voorzitterschap. Tijdens de raad zal het Kabinet ook EU-samenwerking op het gebied van ITS, zelfrijdende auto's en andere «Smart Mobility» op de agenda zetten.

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid van ons land is de afgelopen jaren verbeterd. Investeringen in infrastructuur, duurzaamheidmaatregelen en het slimmer benutten van de netwerken hebben effect gehad. Door verstedelijking en de aantrekkende economie wordt de druk op bereikbaarheid, ruimte en leefbaarheid echter groter. Om Nederland ook in de toekomst bereikbaar en leefbaar te houden zet het Kabinet in op drie oplossingen: het versterken van spoor- en wegennet, het stimuleren van slim reizen en het experimenteren met intelligente transportsystemen.

Burgers en hun reisgedrag staan hierbij centraal. Openbaar vervoer, spoor en weg worden aan elkaar gekoppeld zodat één mobiliteitssysteem ontstaat. Opgaven op andere terreinen, zoals leefbaarheid of natuur, worden daarnaast in samenhang met infrastructuurprojecten bezien.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

9

Investeringen in infrastructuur worden ondertussen volgens de planning gerealiseerd.

De komende jaren zet het Kabinet stevig in op de voortgang van 37 wegenprojecten, waarvan de vijf projecten op de A1, A6 en A9 rond Amsterdam en Almere de grootste zijn. Over de ontbrekende schakels in ons wegennet hakt het Kabinet de definitieve knoop door: de Blankenburgverbinding, de A13/A16 bij Rotterdam, de Ring Utrecht (A27/A12) en de A12/A15 bij Zevenaar. Voor de A27 (Houten-Hooipolder) en A1 (Apeldoorn-Azelo) worden in 2016 (ontwerp) tracébesluiten genomen. De vernieuwing van knooppunt Hoevelaken (A1/A28) is gegund aan de markt, terwijl de aanbesteding voor de A27/A1 Utrecht-Eemnes-Bunschoten in het komend jaar wordt afgerond. Daarnaast heeft de weggebruiker het komende jaar de beschikking over de A4 Delft-Schiedam, de A15 Maasvlakte-Vaanplein en de A1 Bunschoten-Hoevelaken. Ook in andere belangrijke projecten worden belangrijke stappen gezet, zoals de realisatie van de Beatrixsluis, de zeetoegang IJmond, het opstellen van de algemene aanbestedings- en contracteringsstrategie voor het programma ERTMS (en naar verwachting tevens een projectbeslissing op het onderdeel materieel) en het opleveren van het Doorstroomstation Utrecht.

Inmiddels zijn acht brede MIRT-onderzoeken en -verkenningen met een bereikbaarheidsopgave als aanleiding gestart. In deze onderzoeken staat de gebruiker en zijn gedrag centraal en onderzoekt het Kabinet of er samenhang met andere ruimtelijke opgaven in het gebied bestaat (woningbouw, economische bedrijvigheid, leefbaarheid en veiligheid). Rijk, regio, bedrijfsleven en andere partners zoeken samen naar oplossingen. Maatregelen kunnen op alle mogelijke vlakken worden gevonden: reisgedrag, slimme toepassing van informatie en technologie, efficiënt beheer en onderhoud van de netwerken, gecoördineerde mobiliteitsmaatregelen en ruimtelijke keuzes of de aanleg van nieuwe infrastructuur. In 2016 worden onder andere de twee brede MIRT onderzoeken van de goederenvervoercorridors Oost en Zuid afgerond.

Het programma Beter Benutten heeft de afgelopen jaren positieve resultaten voor bereikbaarheid en leefbaarheid opgeleverd (20% minder files op specifieke knelpunten) en wordt conform het Regeerakkoord, voortgezet tot en met 2017. Voor het einde van deze looptijd levert dit al meetbare resultaten op. Met 12 regio's zijn bestuurlijke afspraken gemaakt. Gezamenlijk investeren Rijk en regio circa € 600 miljoen tot en met 2017, met als ambitie 10% reistijdverbetering in de spits in de drukste gebieden. Concrete maatregelen worden per regio vastgesteld, en kunnen variëren van het ontwikkeling van multimodale reisinformatie tot de inzet van in-car technologie om bestuurders actuele en persoonlijke adviezen te geven. Minimaal 10% van het budget is gereserveerd voor de ambities op het vlak van Intelligente Transport Systemen (ITS).

Door de ontwikkelingen van mobiele informatietechnologie en ITS ontstaan nieuwe kansen voorweg- en OV-gebruikers, beheerders, vervoerders en het Nederlandse bedrijfsleven. Het kabinet bevordert het gebruik van ITS om bestaande infrastructuur beter te benutten en beschikbare reisinformatie slimmer toe te passen. Een andere veelbelovende ontwikkeling is de automatisering van voertuigen. Inmiddels kan in ons land op de openbare weg ervaring worden opgedaan met zelfrijdende voertuigen. In het komende jaar worden diverse experimenten uitgevoerd, o.a. tussen Ede en Wageningen. Tijdens het Nederlandse

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

10

EU-voorzitterschap zet het Kabinet in op meer samenwerking op deze onderwerpen. Nederland is als klein, dynamisch land met uitstekende infrastructuur zeer geschikt om te dienen als proeftuin voor de wereld. Dit levert kansen op voor innovatie en voor de Nederlandse ICT- en automotive sectoren.

In het Energieakkoord zijn afspraken gemaakt over een duurzame invulling van mobiliteit en een efficiënter verkeer en vervoer. Een belangrijke doelstelling is een reductie van de C02-uitstoot in het transport van 17% in 2030, onderweg naar 60% in 2050 (ten opzichte van 1990). Met de SER-partners zijn aan de Uitvoeringstafel Mobiliteit en Transport nadere afspraken gemaakt over de concrete invulling. Belangrijkste pijlers zijn de duurzame brandstofvisie en het actieplan dat de betrokken stakeholders hebben opgesteld. Daarnaast wordt gewerkt aan concretisering van afspraken en green deals, bijvoorbeeld op gebied van autodelen, zero-emissie stadsdistributie en -busvervoer. Ook wordt, onder andere via de topsector Logistiek, ingezet op verduurzaming van de gehele logistieke keten.

Trends als verstedelijking en informatisering hebben een grote invloed op hoeveelheid en soort mobiliteit. Om Nederland ook in de toekomst bereikbaar te houden is het belangrijk om vooruit te kijken. Daarom wordt een inschatting gemaakt van de toekomstige bereikbaarheidsopgaven op de weg, op het spoor, in de lucht en over het water. Daartoe worden onderstaande acties uitgevoerd.

  • Met overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen worden gesprekken gevoerd over wat trends als verstedelijking en informatisering betekenen voor het wegendomein en welke gezamenlijke opgaven voor de toekomst hieruit voortvloeien.
  • Aan de hand van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA)6 en bijbehorende uitvoeringsagenda werkt het kabinet aan een betrouwbaar en veilig spoor met voldoende capaciteit als onderdeel van een optimaal OV-netwerk. Daarbij is ruimte voor innovatieve ontwikkelingen waarbij innovaties in breder perspectief worden bezien, in relatie tot de lange termijn en publieke belangen. Via de OV&Spoortafels vindt structureel overleg plaats tussen de betrokken partijen. Door de inzet van bevoegdheden van alle partijen bouwen we samen aan «netwerk Nederland», waarbij in 2016 gewerkt wordt aan een gezamenlijke visie op het OV-netwerk en het zo vlot, soepel en gemakkelijk mogelijk laten verlopen van de deur-tot-deurreis. De herijking van projecten en programma's wordt in 2015 afgerond en leidt tot besluitvorming over het investeringsprogramma tot 2028 voor het spoor en OV. Dit gebeurt op basis van een intensief proces samen met de regio en de sector, op basis van de LTSA.
  • Met de introductie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel is in 2015 voor Schiphol ontwikkelruimte gerealiseerd voor totaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020. Met het oog op de netwerkkwaliteit en de concurrentiepositie van Schiphol blijft binnen dit plafond ruimte voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk creëert capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. Voor Eindhoven is met het luchthavenbesluit reeds de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen. Om deze ruimte te benutten zal in 2016, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, een vergunning medegebruik worden verleend. Voor Lelystad is reeds een

29 948, nr. 474

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

11

luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot verkeer».

  • In 2015 is de Maritieme Strategie door de Tweede Kamer aangenomen. Deze bevat het rijksbrede maritieme beleid tot 2025 en heeft als doel de Nederlandse internationale maritieme toppositie verder te versterken. De beleidsinzet richt zich op zes thema's: human capital, innovatie, handel, bereikbaarheid, veiligheid en milieu- en veiligheidsdreigingen. Voor implementatie van de strategie is een rijksbrede beleidsagenda opgesteld. Deze wordt uitgewerkt in dynamische werkprogramma's voor zeevaart, zeehavens en binnenvaart.

Klimaat

De uitkomsten van de klimaatconferentie eind 2014 in Lima hebben een goede basis gelegd voor de VN-klimaattop in december 2015 in Parijs. De klimaatonderhandelingen moeten leiden tot het sluiten van een nieuw mondiaal klimaatakkoord dat in 2020 in werking treedt. De Europese Unie heeft haar bijdrage aan dat akkoord - de doelstelling van tenminste 40% emissiereductie ten opzichte van 1990 - in maart 2015 op tafel gelegd. Deze doelstelling en de overige onderdelen van het door de Europese Raad vastgestelde Klimaat- en Energiekader voor 2030, zullen worden uitgewerkt in wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie, over onder andere het verlagen van het plafond van het emissiehandelssysteem (ETS, gepubliceerd op 15 juli 20157), het onder de lidstaten verdelen van de inspanningen («effort sharing») in de niet-ETS-sectoren (gebouwde omgeving, landbouw, kleine industrie, transport, landbouw en overige broeikasgassen) en de opname van de landgebruiksector in het EU klimaat- en energiebeleid.

Het Energieakkoord voor duurzame groei van september 2013 wordt in 2016 geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft zullen alle partijen in overleg treden om tot aanvullende maatregelen te komen zodat de doelstellingen worden gerealiseerd. Zoals aangekondigd in de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen»8 brengt het kabinet in het voorjaar van 2016 een Nationale Adaptatie Strategie uit, om Nederland in alle opzichten goed voor te bereiden op gevolgen van klimaatverandering, als aanvulling op het Deltaprogramma. Hiermee worden gelijktijdig marktkansen voor het Nederlandse bedrijven gecreëerd.

Ten aanzien van mobiliteit en transport voert Nederland het Energieakkoord voor duurzame groei uit met het oog op 15 tot 20 PJ energiebesparing in 2020 en maximering van de C02-uitstoot tot 25 Mton in 2030. lenM kijkt daarbij ook naar de ruimtelijke inpassing van duurzame energie. Dit geldt in het bijzonder voor de plaatsing van windmolens, maar is ook bij andere vormen van decentrale energieopwekking aan de orde.

In internationaal verband zet lenM zich in voor een ambitieus bronbeleid voor motorvoertuigen om de (kosten)effectiviteit verder te optimaliseren. Motorvoertuigen worden hierdoor geleidelijk zuiniger, schoner en stiller, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het verlagen van de uitstoot en de verbetering van het leefklimaat. Hierbij zal lenM scherp in de gaten houden of de Europese normen ook onder praktijkomstandigheden de beoogde verbetering opleveren.

7 COM (2015) 337

8 32 813, nr.70

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

12

Om in 2050 te kunnen voldoen aan de doelstelling van 80-95% C02-reductie zet lenM in op stimulering van innovatieve technieken om na 2030 over voldoende mogelijkheden te beschikken om emissies verder te reduceren. Gedacht wordt onder meer aan waterstofauto's, zelfsturende (vracht-)auto's, klimaatneutrale bruggen en innovatieve biobrandstoffen. Deze stimulering vindt op verschillende manieren plaats. Voor waterstofauto's gaat het er vooral om de early adapters gedeeltelijk tegemoet te komen in de hogere aanschafkosten van de waterstofauto. Ook staan internationale samenwerking en medefinanciering centraal om te komen tot een dekkende tankinfrastructuur. Bij de innovaties in geavanceerde biobrandstoffen is de Europese sturing op C02-reductie in transportbrandstoffen belangrijk. Het Europees biobrandstoffenbeleid na 2030 zal zich naar verwachting richten op het stimuleren van het gebruik van geavanceerde biobrandstoffen

Van Afval Naar Grondstof

Om nu en in de toekomst welvarend en gezond leven mogelijk te maken gaan we op een verantwoorde manier om met de natuur die ons grondstoffen, voedsel, schone lucht, water en energie levert. Het Rijk werkt in het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) samen met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en wetenschap aan het versnellen van de transitie naar een circulaire economie. In een circulaire economie worden materialen hergebruikt, zijn kringlopen gesloten en ketens optimaal ingericht. Door te werken aan een circulaire economie voorzien we duurzaam in onze grondstoffen, wordt de economie gestimuleerd en voorkomen we afval en voorkomen we schade aan het milieu.

Het programma Van Afval Naar Grondstof wordt voortgezet en in 2016 ligt de nadruk op de volgende activiteiten:

  • De Atlas Natuurlijk Kapitaal die overheden, bedrijven, en particuliere initiatieven informatie levert om het natuurlijk kapitaal beter te benutten wordt verder ontwikkeld.

- CIRCO, creating business through circular design: programma van Rijk en RACE-coalitie (Realisatie Acceleratie Circulaire Economie) voor het stimuleren van circulair productontwerp.

  • Binnen de RACE-coalitie wordt daarnaast ingezet op het circulair maken van drie specifieke ketens: machines en installaties in gebouwen, kunststof en rubber gebruikt in bouw en infrastructuur, organisch afval en wegwerpartikelen in de gezondheidszorg.
  • De samenwerking in het convenant Meer en betere Recycling gaat leiden tot een beter begrip van hoogwaardige recycling; dit wordt in 2016 verwerkt in het Landelijk Afval Beheerplan (LAP).
  • Lancering van een kennisplein en platform voor circulair ondernemen, waarin kennis over grondstoffen en circulaire economie worden gedeeld.
  • Ruimte in Regels voor Groene Groei: wegnemen van belemmeringen die ondernemers ervaren;
  • De samenwerking met de gemeenten om de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval te verbeteren (VANG Huishoudelijk Afval) wordt doorgezet en richt zich in het bijzonder op het verbeteren van de uitvoering.

Omdat afvalscheiding ook buitenshuis een normale zaak dient te zijn wordt actief samenwerking gezocht met uiteenlopende partners zoals scholen, winkelcentra of de organisatoren van evenementen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

13

Eind 2015 verschijnt het nieuwe Europese pakket voor Circulaire Economie. Nederland zal tijdens het voorzitterschap van de EU thema's agenderen zoals circulaire economie, behoud van natuurlijk kapitaal, duurzame handel en duurzaam productontwerp. Ambitie is om een gezamenlijke aanzet te realiseren voor Europees beleid gericht op de hele keten.

Leefomgeving

Stelselherziening Omgevingsrecht (Omgevingswet) Het omgevingsrecht wordt eenvoudiger en doelmatiger gemaakt. De Tweede Kamer stemde in juli jl in met het wetsvoorstel Omgevingswet, waarin 26 bestaande wetten (onder andere de Tracéwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening) geheel of grotendeels opgaan.

De Omgevingswet is erop gericht dat:

  • inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het omgevingsrecht wordt vergroot;
  • regelgeving uitgaat van een samenhangende benadering van de leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; deze benadering stimuleert innovatie en een actieve aanpak om kwaliteitsdoelen voor de leefomgeving te halen en maakt het mogelijk om succesvolle instrumenten op meer terreinen in te zetten als dat wenselijk is;
  • bestuurlijke afwegingsruimte wordt vergroot door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de leefomgeving; door waar dat kan, ruimte te bieden voor gebiedsgericht maatwerk en bestuurlijke afwegingsruimte en te zorgen voor duidelijkheid en landelijke uniformiteit;
  • besluitvorming over activiteiten en projecten in de leefomgeving sneller en beter plaatsvindt; het legt de basis voor minder administratieve onderzoekslasten, deelt bevoegdheden ondubbelzinnig toe en zorgt voor duidelijke procedures, met waarborgen voor effectieve inspraak en rechtsbescherming.

In 2016 worden de vier Algemene Maatregelen van Bestuur getoetst, geconsulteerd en aangeboden aan de Kamer: het Omgevingsbesluit, het Besluit Kwaliteit van de Leefomgeving en Activiteiten in de Leefomgeving (vanwege de omvang bestaat deze uit twee AMvB's, gericht op Bouwen en op Water en Milieu). Verder worden ministeriële regelingen en invoeringswetgeving voorbereid. Daarnaast werkt lenM met de bestuurlijke koepels aan de invoering van de Omgevingswet. Dit gebeurt onder andere door het ontwikkelen van een digitaal platform, de Laan van de Leefomgeving. Hiermee geeft het kabinet invulling aan de afspraak in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te beschikbaar te maken en vergunningaanvragen meer digitaal mogelijk te maken. Via het programma Nu al Eenvoudig Beter en de Crisis- en herstelwet is het voor gemeenten en provincies mogelijk om (onder voorwaarden) vooruitlopend op de Omgevingswet te werken met het omgevingsplan en de omgevingsvisie. Daarnaast treden in 2016 de 12e en 13e tranches AMvB's van de Crisis- en herstelwet in werking.

Conform het wetsvoorstel Omgevingswet ontwikkelt het Rijk voor 2018 een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Nationale Omgevingsvisie wordt een samenhangende visie op strategisch niveau, die de sectorale visies en beleidsplannen (onder andere het Milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), de Structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), het Verkeer en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer), het

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

14

Waterplan (Waterwet) en het Natuurbeleidsplan (Natuurbeschermingswet)) vervangt. De komende periode bepaalt het Rijk - in overleg met andere overheden en betrokken partners - de Nationale Omgevingsagenda. Hierin staan de prioritaire onderwerpen, procesaanpak en planning van de Nationale Omgevingsvisie. Dit zal landen in de Nationale Omgevingsagenda. Het voortouw voor de Nationale Omgevingsvisie ligt bij het Ministerie van lenM. Het is aan een nieuw Kabinet om deze visie te zijner tijd vast te stellen.

Modernisering Milieubeleid

Uitgangspunt blijft de brief «modernisering milieubeleid»9 (MMB). Naast de vernieuwing van de inzet over het gehele beleidsterrein, wordt dit jaar expliciet invulling gegeven aan drie punten:

  • 1. 
    Monitoren en realiseren van de in de Kamerbrief MMB aangekondigde acties: «afspraak is afspraak».
  • 2. 
    Verder brengen en zichtbaar maken van zeven MMB-voorbeeldprojecten:

«Van afval naar grondstof / VANG», «duurzaam doen», «Slimme en gezonde stad», «safety deals», «bewust omgaan met veiligheid», «zero emissie stadsvervoer» en de «Climate and clean air coalition / CACC».

  • 3. 
    Input genereren voor de nationale omgevingsagenda vanuit milieu en duurzaamheid.

Het tussenresultaat van de verschillende evenementen en podia en specifiek van deze drie lijnen zal begin 2016 landen in de nationale omgevingsagenda. Bedoeling is dat het een impuls geeft aan de nieuwe werkwijze en aanpak die nodig zijn om ook in deze eeuw resultaten te boeken op het gebied van milieu, duurzaamheid en een gezonde en veilige leefomgeving.

Veiligheid

In 2016 wordt gewerkt aan het verder verankeren van het afwegingskader veiligheid en risico's, zoals geschetst in de nota «Bewust Omgaan met Veiligheid: Rode Draden»10. Dit integraal afwegingskader geeft houvast bij besluitvorming over activiteiten die veiligheids-, milieu- en gezondheidsrisico's met zich mee kunnen brengen. Daarnaast biedt het kader een fundament voor vernieuwing en eventuele aanscherping van het beleid. De Kamer zal in de loop van 2016 worden gerapporteerd over de verdere ontwikkelingen.

De vernieuwing van het omgevingsveiligheidsbeleid, van het biotechnolo-giebeleid en de aanpak van «nieuwe risico's» zal in 2016 ook centraal staan. Zo zal in 2016 en 2017 de Europese evaluatie van het EU-veiligheidsbeleid van biotechnologie op de agenda staan. Tevens zullen producten van het Uitvoeringsprogramma modernisering omgevingsveiligheid 2015-2018 aan de Kamer worden aangeboden. Ten aanzien van «nieuwe risico's» (onder andere nanomaterialen, microplastics, synthetische biologie, zeer zorgwekkende chemische stoffen en hormoonverstorende stoffen) zal eind 2016 een handreiking aan de Tweede Kamer worden aangeboden voor het omgaan met nieuwe en onzekere risico's.

9 28 663, nr. 55

10 28 663, nr.60

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

15

Gezondheid

Omgevingsfactoren vormen een belangrijke oorzaak van de gezond-heidslast. De bijdrage van milieugerelateerde factoren aan de totale ziektelast wordt door het PBL geschat op 4 tot 6 procent11. Het beleid blijft daarom gericht op het wegnemen van bekende knelpunten zoals slechte luchtkwaliteit. Ook wordt de noodzaak verkend om andere en nieuwe, onzekere risico's voor de gezondheid aan te pakken, zoals de cumulatie van blootstelling aan chemische stoffen. Dit vereist allereerst een goede signalering van mogelijke risico's, maar ook een weloverwogen analyse en beoordeling daarvan. De aanzet die samen met het RIVM voor dat signaleringssysteem is gemaakt zal in 2016 worden vervolgd en verbeterd. De Gezondheidsraad heeft de vraag opgepakt om een afwegingskader voor milieugezondheidsvraagstukken op te zetten. Een eerste voorzet daarvoor is de Kamer al voor het zomerreces toegezonden. Het komend jaar krijgt het afwegingskader verder vorm en inhoud. Dit afwegingskader helpt ook bij het bepalen welke signalen in beleid moeten worden vertaald.

Slimme en Gezonde Stad

De voortgaande groei van de steden zorgt voor een toename van de druk op het milieu, de ruimte, het water en de mobiliteit. Een gezonde leefomgeving is van groot belang voor onszelf, maar ook voor de economie. Mensen werken en wonen graag in een aantrekkelijke, gezonde omgeving. Het programma Slimme en Gezonde stad heeft tot doel te verkennen hoe tot een permanente verbetering van de leefbaarheid en gezondheid in de stad kan worden gekomen zonder hierbij nieuwe normen op te leggen. Samen met steden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties gaat het Rijk op zoek naar slimme oplossingen voor een gezonde, duurzame en leefbare stad. De focus ligt daarbij op luchtkwaliteit en geluid die in hoge mate bepalend zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van burgers. In het kader van de Agenda Stad start lenM tevens met de organisatie van vier living labs, waarin naast de gezonde stad stedelijke bereikbaarheid, klimaatadaptatie en de circulaire economie centraal staan.

In 2016 worden met minimaal acht steden gesprekken gevoerd om afspraken te maken over gezamenlijke acties om de leefomgevingskwaliteit te verbeteren. Ook wordt een inhoudelijke bijdrage geleverd aan de internationale conferentie «Building the future of health» die in juni 2016 plaatsvindt op initiatief van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Diverse kennisinstellingen worden gevraagd om onderzoek uit te voeren over het verbeteren van de leefomgevingkwaliteit in steden en een aantal steden kan bij de betrokken kennisinstellingen onderzoek uit laten voeren. Het netwerk Slimme en Gezonde Stad, dat dit jaar is gevormd, wordt ook in 2016 gefaciliteerd door het bundelen van kennis en ervaringen en het in beeld brengen van best practices.

De Brandstofvisie, het programma Beter Benutten en de ontwikkeling van zelfrijdende auto's laten zien dat de sector verkeer en vervoer een grote bijdrage kan leveren aan slimme en gezonde steden. Uit diverse studies blijkt dat bij ongewijzigd beleid het relatieve aandeel van deze sector in de lucht- en klimaatproblematiek zal toenemen. lenM zet daarom niet alleen in op bronbeleid, maar ook op technologieontwikkeling richting low- en zero-emissie voertuigen en zelfrijdende auto's. In samenwerking tussen wetenschap, bedrijfsleven en overheid worden de groene-groeikansen

11 PBL, Balans van de Leefomgeving 2014, deel 4: Landbouw en voedsel

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

16

gestimuleerd met concrete instrumenten zoals green deals en «living labs» waarin ruimte wordt geboden om samen met ketenpartners concrete toepassingen in de praktijk na te bootsen. Een aantal sprekende voorbeelden hiervan zijn zero-emissie bussen en stadsdistributie, het aanjagen van elektrisch rijden, ervaring opdoen met zelfrijdende voertuigen op de openbare weg en de uitrol van infrastructuur die past bij de snelle technologische ontwikkelingen.

Bodem en ondergrond

In het kader van duurzaam bodemgebruik zijn in 2015 Bodemconvenanten ondertekend tussen Rijk en andere overheden en tussen Rijk en bedrijfsleven. Deze convenanten beslaan de periode 2016-2020. In deze periode zullen de meest ernstige bodemvervuilingen zijn aangepakt en wordt een overstap gemaakt van gevalsbenadering (sanering) naar gebiedsontwik-keling waarvan sanering een onderdeel kan zijn.

Begin 2016 is de afronding van de ontwerp-Structuurvisie Ondergrond voorzien. De Structuurvisie Ondergrond biedt na vaststelling het ruimtelijk afwegingskader voor activiteiten in de ondergrond die van nationaal belang zijn, zoals mijnbouwactiviteiten en de drinkwatervoorziening. Ook wordt de besluitvorming omtrent schaliegas in het Energierapport 2015 verankerd en ruimtelijk uitgewerkt in de Structuurvisie Ondergrond. Daarnaast wordt gestreefd naar het maken van bestuurlijke afspraken en de start van een gezamenlijk Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond van het Rijk en de decentrale overheden.

Waterkwaliteit

Het behalen van de waterkwaliteitsdoelen is een omvangrijke opgave waarvoor in 2015 een extra beleidsimpuls is gestart. Het gaat daarbij om de inrichting van watersystemen, het tegengaan van bekende verontreinigende stoffen (m.n. nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen) en nieuwe verontreinigende stoffen, zoals medicijnresten. De verbetering van de inrichting ligt op koers. De evaluatie van de meststoffenwet wordt in 2016 afgerond, afronding van de tussenevaluatie van de nota «Gezonde groei. Duurzame Oogst» is in 2018 voorzien. Een verplichting tot zuivering van bestrijdingsmiddelen uit afvalwater uit de glastuinbouw in 2018 is in voorbereiding. Voor de nieuwe stoffen wordt gewerkt aan een ketenaanpak voor medicijnen.

Waterkwaliteit en zoetwatervoorziening hangen nauw met elkaar samen. Daarom wordt bij de uitvoering van het Deltaprogramma Zoetwater actief gezocht naar synergie met waterkwaliteitsdoelen («meekoppelen»).

Waterveiligheid

Met het Deltaprogramma en het Nationaal Waterplan is het waterveilig-heidsbeleid voor de komende decennia stevig verankerd. In 2016 is de deltabeslissing waterveiligheid aanleiding om de nieuwe aanpak vorm te geven. De ambitie voor 2050 is een basisveiligheid tegen overstromingen die overeenkomt met een jaarlijkse kans op overlijden die kleiner is dan één honderdduizendste. In gebieden waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen, grotere economische schade wordt geleden of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang, wordt de bescherming vergroot.

Het vervangen van de bestaande normen (door wijziging van de Waterwet) is voorzien per 1 januari 2017, na de parlementaire behandeling in 2016. Daarbij wordt ook onderliggende regelgeving aangepast. De

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

17

wijzigingen van de Waterwet worden uiteindelijk ook aangepast in de Omgevingswet.

Bij het realiseren van veiligheid tegen overstromingen staat preventie voorop. Primair gaat het dan om de kwaliteit van waterkeringen. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen in de ruimtelijke inrichting van het overstroombare gebied achter de waterkering van groot belang. Tot slot is verbeterde rampenbeheersing en voorbereiding op evacuaties nodig om de kans op slachtoffers van overstromingen verder te beperken. Daarbij hoort ook aandacht voor zelfredzaamheid.

De waterkeringen in Nederland worden periodiek getoetst. Met de doelen voor 2050 als uitgangspunt wordt het komende jaar gebruikt om de toetsperiode 2017-2023 optimaal te benutten en de juiste prioriteiten te stellen in de opgaven van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).

Samenwerking tussen verschillende overheden is essentieel om het nieuwe stelsel voor waterveiligheid goed te verankeren. Het Deltaprogramma, het HWBP en het MIRT bieden de kans om waterveiligheidsmaatregelen en andere opgaven te verbinden. In uitzonderlijke gevallen is het ook mogelijk om een waterkering minder sterk uit te voeren en in plaats daarvan te investeren in de ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing, zodat de gewenste bescherming tegen overstromingen toch wordt bereikt.

In 2016 moet de beleidsvoorbereiding zijn afgerond, zodat het nieuwe stelsel daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Belangrijke mijlpalen zijn:

  • Parlementaire behandeling en publicatie van de wijziging van de Waterwet.
  • Publicatie van bijbehorende onderliggende regelgeving, waaronder een nieuwe regeling voor de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen en aanpassing van de subsidieregeling voor de versterking van primaire keringen.
  • Opleiding voor waterbeheerders voor de veiligheidsbeoordeling van waterkeringen.
  • Aanpassen van het data- en informatiemanagement van de keringbeheerders.
  • Opstellen van een draaiboek voor de beoordelingsperiode 2017-2022.

Het versterken van kennis en inzicht is cruciaal om de maatschappelijke water- en klimaatvraagstukken van de komende decennia op te lossen. Het onderzoek dat de nieuwe aanpak mogelijk heeft gemaakt, wordt voortgezet om tot risico's te kunnen blijven verminderen met kosteneffectieve maatregelen. De ervaring die van 2017-2023 wordt opgedaan zal leiden tot een verder verbeterd toetsinstrumentarium. Met Duitsland is gezamenlijk onderzoek gestart om het nieuwe stelsel in de grensgebieden goed te laten aansluiten. In het nieuwe Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma voor Water en Klimaat bundelen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden hun kennis en innovatievermogen.

In 2016 doet het Rijk samen met Noordrijn-Westfalen onderzoek gedaan naar de waterveiligheid van rivieren en mogelijke maatregelen in de grensoverschrijdende dijkringen. Verder wordt toegewerkt naar een programmatische aanpak van de uitwerking van de voorkeursstrategie in rivierengebied (rivierverruiming en dijkversterking in krachtig samenspel) tot 2050, inclusief financiële consequenties.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

18

De Nederlandse delta-aanpak richt zich op proactief en preventief werken aan water. Deze manier van werken kan wereldwijd helpen om risico's te verminderen. lenM legt met de Internationale Wateraanpak, een gezamenlijk traject met de ministeries van EZ en BZ, het accent op het bevorderen van deze manier van werken. Dit zal in 2016 leiden tot een actieve bijdrage aan concrete projecten in de betreffende landen. Nederland werkt hierbij actief samen met multilaterale instellingen zoals de Wereldbank, en met andere landen in een wereldwijde Deltacoalitie. Via de Topsector Water en het werk van de Internationale Watergezant worden het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen betrokken.

Het komende jaar staat ook in het teken van het afronden van meer dan 10 projecten uit het programma Ruimte voor de Rivier. Deze opleveringen betekenen een belangrijke mijlpaal in het verbeteren van de waterveiligheid rond de Nederlandse rivieren.

Verlenging fondsen

Bij deze begrotingsvoorbereiding is - zoals besproken tijdens het Notaoverleg MIRT van 24 november 2014 - binnen het kabinet overleg gepleegd over de opties om de looptijd van het Infrastructuur- en Deltafonds te verlengen. Daarbij is besproken dat de systematiek van de fondsen leidt tot continuïteit in de uitvoering van zowel projecten als beheer en onderhoud, maar ook dat de financiële middelen voor een lange tijd op een relatief gedetailleerd niveau worden vastgelegd. Er is om deze reden een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) gestart, waarbij onder meer onderzocht wordt op welke wijze de flexibiliteit in programmering en financiering kan worden doorgevoerd. Met de minister van Financiën is afgesproken de besluitvorming over de fondsverlenging na afronding van het IBO te laten plaatsvinden bij de ontwerpbegroting 2017.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2015. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage te vinden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

19

 

Bedragen x€ 1.000

art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021-2028

Stand ontwerpbegroting 2015

 

9.235.473

9.393.518

9.722.901

9.174.898

9.272.904

9.410.828

 

Nota's van wijziging

Mutaties 1e suppletoire wet 2015

 

-282.009

150.414

50.551

120.815

196.624

47.432

 

Stand Voorjaarsnota 2015

 

8.953.464

9.543.932

9.773.452

9.295.713

9.469.528

9.458.260

 

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk

               

XII

 

-198.035

-1.367.971

  • 1.435.389
  • 945.036

-1.079.461

-1.096.497

 

Kaderrelevante mutaties

               

Hoofdstuk XII

               

1 Decentralisatie Brede

               

doeluitkering

25

 

-995.994

  • 1.001.925

-966.814

-965.760

-964.395

 

2 Safety deals en verbod

               

asbestdaken

22

2.600

5.500

5.000

-6.500

-6.600

   

3 Topsector Logistiek 2016

18

 

1.619

17.009

5.630

3.630

1.452

 

-Aandeel XII

div.

 

-324

-3.402

  • 1.126

-726

-290

 
  • Aandeel IF

26

 
  • 1.295
  • 13.607

-4.504

-2.904

  • 1.162
 

4 CBR

14

1.786

           

5 GSM-R

16

-4.500

4.500

         

6 Eenvoudig Beter

div.

10.400

20.046

         
 

div.

  • 10.400
  • 20.046
         

7 ANVS aandeel EZ

97/98

6.294

7.394

7.867

7.867

7.867

7.867

 

8 Ontvangsten apparaat

98

7.630

           

9 Kassschuif Bodemsanering

13

 

46.752

  • 10.752
  • 12.000
  • 12.000
  • 12.000
 
 

26

 
  • 46.752

10.752

12.000

12.000

12.000

 

10 Decentralisatie Bodemsa-

               

nering PF/GF

13

 

-82.230

-79.230

-74.230

-74.230

-74.230

 

11 Kasschuif KNMI

23

  • 1.945
  • 10.000

-5.000

6.500

10.445

   

12 Ramingsbijstelling

               
  • Infrastructuurfonds

26

 
  • 65.000

15.000

  • 100.000
  • 100.000
  • 100.000

50.000

  • Deltafonds

26

 

-35.000

  • 115.000
     

150.000

13 Afkoop PHS leenfaciliteit

26

           

675.000

14 DBFM-conversies

26

  • 131.184
  • 150.381

-302.043

188.022

53.175

37.723

282.930

15 Decentralisatie Regiospecifiek

               

Pakket Zuiderzeelijn

26

-67.110

           

16 Overige interdepartementale

               

overboekingen

div.

  • 11.646
  • 6.679

303

480

  • 152

-93

 

17 Kasschuif ten behoeve van

               

rijksbrede beeld

26

 
  • 40.000

40.000

       

Diversen

div.

40

-81

-361

-361

-4.206

-3.369

 

Overige mutaties Hoofdstuk

               

XII

               

18 Amendement Hoogland cs.

14

500

           
 

15

-500

           

19 Generieke Digitale Infra-

               

structuur (GDI)

99

 

5.237

4.565

3.906

3.101

3.127

25.016

  • Infrastructuurfonds

26

 
  • 4.329

-3.908

-3.366

-2.712

-2.765

-22.120

  • Deltafonds

26

 

-908

-657

-540

-389

-362

  • 2.896

20 Loon- en prijsbijstelling

99

  • 37.584

-36.046

-37.306

-34.982

-35.581

-36.803

 
 

25

5.947

6.049

6.012

5.950

5.945

5.933

 
 

26

28.459

27.149

28.389

26.158

26.775

28.031

224.248

 

98

979

961

854

829

832

819

 
 

99

909

626

827

885

876

866

 
 

div.

1.290

1.261

1.224

1.160

1.153

1.154

 

Stand ontwerpbegroting 2016

 

8.755.429

8.175.961

8.338.063

8.350.677

8.390.067

8.361.763

 

Ad 1. Met ingang van 1 januari 2015 zijn de Wgr-plusregio's bij wet afgeschaft (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 659, nr. 2; Stb. 2014, 558). De afschaffing maakt een einde aan de verplichte samenwerking in zeven plusregio's en heeft daarmee gevolgen voor de Brede Doeluitkering (BDU)

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

20

Verkeer en vervoer. De BDU-middelen voor de voormalige plusregio's Bestuur Regio Utrecht, Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, Stadsregio Arnhem Nijmegen en Regio Twente komen toe aan de betreffende provincies. Met ingang van 2016 worden de voor de provincies bestemde BDU-middelen toegevoegd aan het Provinciefonds. De middelen voor de drie overige opgeheven plusregio's Stadsregio Amsterdam, Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam worden uitgekeerd aan de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en de Stadsregio Amsterdam. Deze middelen worden conform de huidige systematiek toegekend als brede doeluitkering door lenM (zie beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering).

Ad 2. Op 10 maart 2015 is de Tweede Kamer geïnformeerd per brief over een nadere invulling van het begrip ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector, en over ontwikkelingen in het asbestbeleid (Kamerstukken II, 2014-2015, 28 663, nr. 62). In het kader hiervan worden er veiligheidscoalities gevormd, zogenoemde safety deals. Daarnaast wordt er op 1 januari 2016 een verbod op asbestdaken ingevoerd. Middels een kasschuif worden voor deze twee regelingen middelen vrijgemaakt.

Ad 3. Voor de in 2016 op te starten activiteiten Topsector Logistiek wordt in totaal € 23,5 miljoen overgeheveld vanuit de voeding van het Infrastructuurfonds en € 5,9 miljoen vanuit de overige programmabudgetten binnen Hoofdstuk XII.

Ad 4. Begin maart 2015 bepaalde de Raad van State dat het CBR geen wettelijke mogelijkheid meer heeft om een alcoholslotprogramma op te leggen. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de regeling onverbindend is, omdat die in een substantieel aantal gevallen onevenredig kan uitwerken. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft lenM ingestemd met een vergoeding van de feitelijke kosten voor die gevallen die een bezwaar- of beroepsprocedure hebben lopen tegen de oplegging van het alcoholslotprogramma. Daarnaast zijn er hogere uitgaven voor juridische ondersteuning en het opleggen van alternatieve bestuursrechtelijke maatregelen in het kader van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (RMRG 2011).

Ad 5. Dit betreft een aanpassing van het kasritme voor GSM-R(ail) om de verwachte uitgaven in overeenstemming te brengen met de verwachte betalingen in subsidiebijdragen.

Ad 6. Op artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling en artikel 98 Apparaat van het kerndepartement wordt er binnen het programma Eenvoudig Beter gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Omgevingswet (uitvoeringsregelgeving). Hiertoe worden middelen beschikbaar gesteld, waarvan € 10,4 miljoen in 2015 en € 20 miljoen in 2016. Voor 2016 worden de middelen overgeboekt vanuit de voeding van Infrastructuurfonds (€ 16 miljoen) en het Deltafonds (€ 4 miljoen).

Ad 7. In verband met de Kernenergiewet is met ingang van 1 mei 2015 de verantwoordelijkheid voor de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming overgedragen van EZ naar lenM (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 000 XII, nr. 67). Hiervoor worden de verschillende diensten op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming van EZ en lenM samengevoegd tot de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Bij Voorjaarsnota 2015 is reeds een gedeelte van het

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

21

beschikbare budget overgeboekt. Bij Begroting 2016 wordt het overige aandeel van EZ overgeboekt.

Ad 8. Artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement ontvangt middelen voor centrale uitgaven bedrijfsvoering. Een deel van de centraal betaalde uitgaven voor ICT en facilitaire dienstverlening vindt plaats ten behoeve van agentschappen. Hiervoor vindt een interne verrekening plaats door middel van facturering (circa € 7,6 miljoen).

Ad 9. Bij Ontwerpbegroting 2015 is besloten om in het jaar 2016 € 60 miljoen vrij te maken op de budgetten voor bodemsanering ten behoeve van het rijksbrede beeld. Om te voorkomen dat de uitvoering hierdoor vertraagd (met name in 2016) wordt de kasreeks door middel van een kasschuif aangepast aan de uitvoeringspraktijk. Deze kasschuif verloopt via het Deltafonds. De ontstane kasreeks wordt vanuit de bodembudgetten gedecentraliseerd.

Ad 10. Op 17 maart 2015 zijn de nieuwe afspraken vastgelegd over het bodembeleid voor de periode 2016-2020 in het convenant «Bodem en Ondergrond 2016-2020» (Stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Door een kasschuif met het Deltafonds (zie ook ad. 9) wordt bij deze begroting de decentralisatie van de middelen naar het Provinciefonds en Gemeentefonds uitgevoerd.

Ad 11. De bij KNMI door te schuiven middelen betreffen gelden die bestemd zijn voor het EU-programma EUMETSAT (weersatellieten). De Nederlandse input loopt via KNMI. De input van Nederland aan dit programma is in latere jaren nodig dan nu geraamd (programma loopt trager). Middelen dienen derhalve op artikel 23 van KNMI doorgeschoven te worden.

Ad 12. Sinds enige jaren wordt er op de artikelen bij Wegen en Vaarwegen met een overprogrammering gewerkt om zeker te stellen dat de beschikbare middelen ook jaarlijks worden uitgeput. Bij deze begroting wordt het gebruik van dit instrument verder uitgebreid naar het Spoorar-tikel en het Deltafonds. Over de periode 2016-2020 wordt zo eenmalig € 100 miljoen per jaar vrijgespeeld. Via een kasschuif worden deze middelen in de periode 2021-2025 weer aan de fondsbegrotingen toegevoegd. Dit was mogelijk zonder consequenties op het lopende programma. Vanaf 2026 zal er een structurele ramingsbijstelling van € 100 miljoen per jaar worden toegepast.

Ad 13. Dit betreft de verwerking van een oude afspraak met betrekking tot de PHS Leenfaciliteit. In deze afspraak was geregeld dat er voor de investeringen van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer geleend kon worden. Deze constructie wordt voor de periode 2021-2027 vervangen door een toevoeging van € 675 miljoen aan het Infrastructuurfonds. Dit leidt niet tot extra investeringen.

Ad 14. In 2014 is de DBFM-aanbesteding afgerond van de projecten A9 Gaasperdammerweg, A12 Ede-Grijsoord en Nieuwe Keersluis Limmel. De budgettaire reeksen van deze projecten worden conform de begrotingsregels omgezet in langjarige budgetten om de beschikbaarheidsvergoedingen aan de DBFM-consortia te kunnen voldoen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

22

Ad 15. Op 23 juni 2008 is het Convenant Regiospecifiek Pakket (RSP) Zuiderzeelijn ondertekend (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 700 A, nr. 19). De gelden voor de RSP-onderdelen Ruimtelijk-Economisch Programma (REP) en Concrete bereikbaarheidsprojecten worden uitgekeerd door middel van een decentralisatie-uitkering. Hiertoe stort lenM delen van het budget in het Provinciefonds (€ 64,6 miljoen). Daarnaast wordt € 2,5 miljoen overgeboekt naar het BTW-compensatiefonds.

Ad 16. Deze reeks betreft een saldo van interdepartementale overboekingen. De meest noemenswaardige overboekingen zijn de overboeking van € 16,8 miljoen in 2015 en € 15,8 miljoen naar het Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van het Uitvoeringsprogramma Impuls Omgevingsveiligheid 2015-2018 (Kamerstukken II, 2014-2015, 29 517, nr. 92), de bijdrage van EZ aan lenM ten behoeve van het blootstellingonderzoek (€ 0,75 miljoen per jaar van 2015-2018) en de bijdrage van Financiën uit de Aanvullende post voor vrijgegeven middelen door het Bureau Digicommissaris ten behoeve van het Maritiem Single Window (MSW) (in 2015 € 4,5 miljoen en in 2016 € 9 miljoen).

Ad 17. Dit betreft een kasschuif ten behoeve van het rijksbrede financiële beeld. De meerjarige programmering wordt hierop niet aangepast.

Ad 18. Bij Begroting 2015 is het amendement van het lid Hoogland c.s. aangenomen (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 000, nr. 58). Met dit amendement wordt een bedrag van € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het Wandelnet en het Fietsplatform voor het onderhoud van landelijke routestructuren. Het fietsbeleid wordt verantwoord op artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid. Hiertoe wordt vanuit artikel 15 OV-keten dit budget overgeboekt voor correcte verantwoording.

Ad 19. De afgelopen jaren is de druk op het gebruik van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) sterk toegenomen. Hierdoor zijn er tekorten ontstaan in de financiering. Om deze problematiek van een oplossing te voorzien is in 2014 de Nationaal Commissaris Digitale Overheid (NCDO) benoemd. Onder regie van de NCDO is onder andere besloten tot interdepartementale versleuteling van de tekorten op de bestaande voorzieningen binnen de GDI. Conform dat besluit heeft lenM bij eerste suppletoire begroting 2015 middelen overgeboekt naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vanuit de begroting Hoofdstuk XII artikel 99 Nominaal en onvoorzien. In deze ontwerpbegroting wordt deze bijdrage van lenM verdeeld over de beleidsartikelen op Hoofdstuk XII, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Ad 20. Dit betreft de verdeling van de loon- en prijsbijstelling over de BDU (artikel 25), het Infrastructuurfonds en het Deltafonds (artikel 26), Apparaatsuitgaven kerndepartement (artikel 98) en Nominaal en onvoorzien (artikel 99). Daarnaast hebben de agentschappen loon- en prijsbijstelling toegekend gekregen, welke is verdeeld over heel Hoofdstuk XII.

Planning beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

23

realisatie

planning

Artikel

2014

2015 2016

2017

2018

2019

2020

Artikel 11 Integraal waterbeleid Artikel 12 Waterkwaliteit Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling (SVIR) Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid Artikel 15 OV-keten Artikel 16 Spoor Artikel 17 Luchtvaart Artikel 18 Scheepvaart en havens Artikel 19 Klimaat Artikel 20 Lucht Artikel 20 Geluid Artikel 21 Duurzaamheid Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Artikel 24 Handhaving en toezicht

X X X

X X X

X X

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid worden bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van beleidsartikel 24 betreft de keuzes die in het handhavings- en toezichtbeleid door ILT kunnen worden gemaakt.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat op de website van de Rijksbegroting12. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 4.5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht garanties en achterborgstellingen

Het Ministerie van lenM heeft één garantieregeling, te weten de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering). Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen ofte weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

Invulling aangescherpte garantiekader

In de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen is het garantiekader aangescherpt (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 750, nr. 13). Eén van de doelen is het afbouwen van niet-gebruikte plafonds en het stopzetten van slapende regelingen. lenM heeft een garantieregeling «Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering)». Het verplichtingenplafond van deze regeling is in lijn met de kabinetsreactie bij eerste suppletoire begroting 2014 verlaagd van € 65,3 miljoen naar € 15 miljoen. Het is het streven van het kabinet om het aantal garantieregelingen te

http://www.rijksbegroting.nl/2014/verantwoording/jaarverslag,kst208145_36.html

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

24

beperken. Voor de garantieregeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering) zal op basis van een aparte evaluatie in 2015 een besluit over het voortbestaan worden genomen.

 

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te

verlenen 2015

Geraamd te

vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te

verlenen 2016

Geraamd te

vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 13

MKB Krediet

515

0

0

476

0

0

476

15.000

15.000

 

Totaal

515

0

0

476

0

0

476

15.000

15.000

 

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Inkomsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

25

2.2 De beleidsartikelen

Beleidsartikel 11: Integraal waterbeleid

Algemene Doelstelling Het op orde en houden van een duurzaam watersysteem tegen

maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft.

Rollen en Verantwoordelijkheden (Doen) uitvoeren

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • • 
    Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau 2012, conform herziene basiskustlijn 2012 en handhaving kustfundament.
  • • 
    Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.
  • • 
    Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegpro-jecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.
  • • 
    Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • • 
    Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009-2015 (Hoofdstuk 4 «Waterbeleid in thema's»), de Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2009-2015 (Hoofdstuk 2 Zoetwater) en het Beheer- en Ontwikkelpro-gramma voor de Rijkswateren 2010-2015.
  • • 
    Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwa-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

26

teren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • • 
    Voorts gaat het om het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Daarnaast geldt ten aanzien van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van lenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden boven-strooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • • 
    Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Waterkwantiteit

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten) Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 400, nr. 19).

Indicator één en twee geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland en dat Nederland droge voeten heeft. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen. In 2014 is naar aanleiding van de laatst uitgevoerde toetsing

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

27

aan de Tweede Kamer gerapporteerd (Kamerstukken II, 2013-2014, 31 710, nr. 32) dat 1.302 km keringen niet aan de wettelijke norm voldoet. Ongeveer de helft hiervan is opgenomen in lopende verbeterprogramma's, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De keringen die volgens de laatste (de derde en verlengde derde) toetsing niet voldoen krijgen een plek in het nieuwe HWBP, mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria. In 2017 start een nieuwe toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Dijken en duinen (in kilometers)

4.000

3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0

 
   

39

         

234

 

1302

 
 

1217

 

1329

 

1225

   
         
         

549 1792

680

2308

2408

         
   

1590

     
         
         

1 1 1 2001 2006 2011 2014

Nader onderzoek □ Voldoet niet

□ Voldoet

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

2.000-

2001

2006

2011

2014

■ Nader onderzoek □ Voldoet niet

□ Voldoet

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

28

Ten behoeve van een goede verdeling van water zodat Nederland over voldoende zoetwater kan beschikken wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

 

Indicator

   

Realisatie

Streefwaarde

Streefwaarde

Indicator

Eenheid

2014

2015

2016

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

100%

90%

90%

Bron: Rijkswaterstaat, 2015

De norm is dat 90% van de tijd (24-uursgemiddelde) de afgesproken (streef)peilen, onder normale omstandigheden, binnen de operationele marge worden gerealiseerd. De streefpeilen van het Haringvliet, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en IJsselmeer (alleen zomerpeil telt mee) waren in 2014 de gehele periode binnen de marge (Indicator drie).

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en de Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer vanaf 2016 jaarlijks geïnformeerd via »De Staat van Ons Water». Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. De Minister van lenM heeft het PBL gevraagd om in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit te rapporteren.

Integraal waterbeleid

Over de voortgang van het integraal waterbeleid wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd in «De Staat van Ons Water». Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel»13.

Beleidswijzigingen In 2014 is, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, de beleidsdoor-

lichting van Artikel 11, Waterkwantiteit (vanaf 2016 Integraal Waterbeleid), van de begroting van lenM opgeleverd. De uitkomsten en beleidsreactie zijn op 19 december 2014 (Kamerstukken II, 2014-2015, 32 861, nr. 6) aan de Tweede Kamer aangeboden. In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat het beleid goed wordt gemonitord. Door het vrijwel ontbreken van evaluaties naar doelmatigheid in de periode 2008-2013 is het trekken van eenduidige conclusies over de doelmatigheid van het beleid echter niet goed mogelijk. Wel wordt duidelijk dat de aandacht voor doelmatigheid en doelmatig werken in die periode is toegenomen. In het Bestuursakkoord Water hebben de waterbeheerders afgesproken een gezamenlijke doelmatigheidswinst van € 750 miljoen per jaar na te streven in 2020. Het nieuwe waterveiligheidsbeleid is gebaseerd op de risicobenadering waardoor het meest wordt geïnvesteerd waar risico's het

13 http://www.uvw.nl/publicatie/waterschapsspiegel-2014/

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

29

grootste zijn. In lijn met de gedane aanbevelingen zal door het ministerie bij toekomstige evaluaties expliciet aandacht worden gegeven aan het beoordelen van doelmatigheid en doeltreffendheid. Verder wordt in overleg met het Ministerie van Financiën bezien of en hoe Ruimte voor de Rivier, Maaswerken en HWBP-2 ex-post op hun doelmatigheid kunnen worden beoordeeld.

Het OESO-rapport «Water Governance in The Netherlands, fit for the future?» (2014) vraagt de Nederlandse waterwereld om zich meer transparant te verantwoorden. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gaat daarom met ingang van 2016 samen met de partners van het Bestuursakkoord Water de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van het Nationaal Waterplan en het Bestuursakkoord Water (tot

2015 verschenen onder de naam «Water in beeld») verbreden tot «De Staat van Ons Water». Deze rapportage moet zorgen voor «meer transparantie over de waterkwaliteit, de huidige status van de waterveiligheid en de efficiëntie in de waterketen».

Het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (Kamerstukken II, 2010-2011, 27 625, nr. 204) wordt uitgevoerd. In 2016 wordt een evaluatie uitgevoerd van de financiering van het beheersprogramma voor de waterkeringen.

In de «Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen», heeft het kabinet aangekondigd om de Nationale Adaptatie Strategie (NAS) uit te brengen. De NAS, die in 2016 verschijnt heeft als doel om Nederland in alle opzichten goed voor te bereiden op gevolgen van klimaatverandering, om invulling te geven aan de EU adaptatiestrategie en om tegelijk marktkansen voor Nederlandse bedrijven te creëren. De adaptatiestrategie is een aanvulling op het Deltaprogramma 2015.

In 2016 zendt het kabinet de Eerste en Tweede Kamer conform artikel 46 van de meststoffenwet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Hierin worden ook de effecten voor kwaliteit van grond- en oppervlaktewater meegenomen.

De Internationale Wateraanpak (IWA), uitgebracht in 2015, beschrijft de nieuwe accenten van het (interdepartementale) waterbeleid.

In de eerste helft van 2016 is Nederland voorzitter van de EU. Van die gelegenheid wordt gebruik gemaakt om Nederlandse waterinnovaties onder de aandacht te brengen. Dit zal onder andere gebeuren tijdens de tweejaarlijkse conferentie van het Global Programme of Research on Climate Change, Vulnerability, Impacts and Adaptation (PROVIA) die in

2016 in Rotterdam wordt gehouden en de Innovatie-estafette. Daarnaast zal het voorzitterschap worden aangegrepen om de Europese agenda op het gebied van water te beïnvloeden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

30

Budgettaire gevolgen van beleid

 

art. 11 Integraal waterbeleid (x€ 1.000)

   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

40.756

34.301

41.900

41.598

41.623

40.201

42.812

Uitgaven:

 

40.075

35.383

45.973

43.634

41.870

42.426

42.812

Waarvan juridisch verplicht

   

92%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

34.016

30.298

33.872

32.139

29.361

29.969

30.302

11.01.01

Opdrachten

1.527

2.958

3.932

4.366

4.580

4.581

4.585

11.01.02

Subsidies

11.809

8.628

10.360

8.886

8.886

8.886

8.886

 

- Partners voor Water (HGIS)

11.788

8.628

10.360

8.886

8.886

8.886

8.886

 

- Overige subsidies

21

0

0

0

0

0

0

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

19.908

17.940

17.545

16.852

15.860

16.464

16.793

 

- waarvan bijdrage aan RWS

79.350

17.419

77.744

16.451

15.459

16.063

16.392

 

- waarvan bijdrage aan KNMI

558

521

407

401

401

401

401

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

772

772

2.035

2.035

35

38

38

11.02

Waterveiligheid

3.225

2.977

2.802

2.891

4.890

4.889

4.890

11.02.01

Opdrachten

3.225

2.977

2.802

2.891

4.890

4.889

4.890

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.834

2.108

2.008

2.507

2.504

2.454

2.504

11.03.01

Opdrachten

2.834

2.108

2.008

2.507

2.504

2.454

2.504

11.03.05

Bijdrage aan internationale

             
 

organisaties

0

0

0

0

0

0

0

11.04

Waterkwaliteit

0

0

7.291

6.097

5.115

5.114

5.116

11.04.01

Opdrachten

0

0

3.993

3.258

3.375

3.499

3.526

11.04.02

Subsidies

0

0

0

331

0

0

0

11.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

1.531

741

0

0

0

11.04.05

Bijdrage aan internationale

             
 

organisaties

0

0

1.767

1.767

1.740

1.615

1.590

 

Ontvangsten

73

23.800

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x €1.000)

       

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren

in

         

Veiligheid van het Deltafonds

   

474.162

412.872

438.914

452.573

354.788

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het

         

Deltafonds

   

186.950

185.912

191.775

181.458

169.642

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

661.112

598.784

630.689

634.031

524.430

waarvan

               

1.01 Grote projecten waterveiligheid

   

567.349

385.415

308.537

250.317

275.940

1.02 Overige aanlegprojecten waterveiligheid

   

84.808

206.164

321.752

383.314

248.140

1.03 Studiekosten

   

8.955

7.205

400

400

350

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

31

Extracomptabele verwijzing naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

44.744 4.859

46.229

0

26.334

0

31.970

0

32.418

0

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

49.603

46.229

26.334

31.970

32.418

waarvan

2.01 Aanleg waterkwantiteit

2.02 Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

2.03 Studiekosten

0

47.293 2.310

0

43.994 2.235

0

24.749 1.585

0

30.385 1.585

0

30.833 1.585

 

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)

 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onder houd en vervanging van het Deltafonds

206.336

141.085

148.223

141.485

97.912

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

206.336

141.085

148.223

141.485

97.912

waarvan

3.01 Watermanagement

3.02 Beheer, onderhoud en vervanging

6.997 199.345

6.989 134.096

6.989 141.234

6.989 134.496

6.989 90.923

 

Extracomptabele verwijzing naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (x € 1.000)

 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

24.347

0

29.014

0

37.949

0

54.256

0

100.939 0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

24.347

29.014

37.949

54.256

100.939

waarvan

7.01 Real.progr.Kaderrichtlijn water

7.02 Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

22.217 2.130

25.738 3.276

37.182 767

53.489 767

80.050 20.889

Budgetflexibiliteit 11 -01 Algemeen Waterbeleid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet. Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW) en de uitvoering van activiteiten in het kader van het Nationaal Waterplan (NWP). De uitgaven voor de subsidies, de bijdrage aan medeoverheden voor de tijdelijke subsidieregeling kwijtschelding door waterschappen en de agentschapbijdragen aan RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

32

beperkte tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft onder andere betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2015.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan. De uitgaven voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidies hebben een beperkte tijdshorizon. De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het synergieprogramma KRW en lopen door tot en met 2016. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de OSPAR-commissie, die in internationale verdragen zijn opgericht, en de bijdragen aan VN organisaties, die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van activiteiten in het kader van de Kaderrichtijn Water (KRW), de Kaderrichtijn Mariene Strategie (KRM) en de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

Toelichting op de financiële 11 -01 Algemeen waterbeleid

instrumenten

7 7.07.07 Opdrachten

De activiteiten op het gebied van de Watercoalitie zijn gericht op het ontwikkelen van een nieuw sturingsinstrument voor het waterdomein. Rond het onderwerp «Water in en om het huis» wordt onderzocht of met adaptieve sturing bijgedragen kan worden aan de beleidsdoelen van water met als doel om huishoudens daarbij meer te activeren.

In 2016 wordt binnen het Ministerie van lenM de Human Capital Agenda verder uitgebouwd. De bijdrage aan de Human Capital Agenda bestaat uit het verlenen van studiebeurzen en ondersteuning van initiatieven op scholen om de awareness te vergroten door lespakketten te introduceren en gastlessen over waterbeleid te bevorderen. Een belangrijk speerpunt is eveneens het ondersteunen van de opbouw van regionale netwerken, waarin overheden en onderwijs afspraken maken over het bevorderen van de awareness, het ondersteunen van het onderwijs en het bevorderen van de instroom van goed opgeleid personeel in de watersector. Ook wordt het beleid voortgezet om initiatieven, zoals het Wereld Watercollege,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

33

Wetskills, de Battle of the Beach, het water jongerenparlement en YEP-water (Young Expert Programme) actief te ondersteunen. De doelstelling om te zorgen voor een continue en zo mogelijk toenemende instroom van goed gekwalificeerd personeel in de (top)sector water blijft onverkort gehandhaafd.

Het Ministerie van lenM trekt binnen Topsector Water de portefeuille Europa. Daartoe wordt de aansluiting bij Europese onderzoeksprogramma's bevorderd om de kennisbasis van de Nederlandse watersector te vergroten, wat ook leidt tot exportmogelijkheden binnen en buiten Europa. Daarnaast is lenM een van de initiatiefnemers van het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK). Het NKWK beoogt het bevorderen van de synergie tussen kennisvragers en -aanbieders door onderzoek samenhangend te programmeren. Daarnaast bevordert het NKWK het op elkaar aan laten sluiten van fundamenteel, strategisch en praktijkgericht onderzoek en pilots voor innovatie. Bestaande middelen worden daardoor efficiënter ingezet. Het NKWK bevordert daarbij ook de deelname van Nederlandse partijen aan Europese kennis- en innovatieprogramma's. Middelen worden ingezet om deelname van Nederlandse partijen aan voor lenM relevante Horizon 2020 projecten te stimuleren en worden ingezet voor financiering van Europese activiteiten (zoals ERA-netten) die gezamenlijk door de Europese lidstaten worden georganiseerd met cofinanciering uit Horizon 2020 en indien mogelijk vanuit NWO.

11.01.02 Subsidies

In 2016 start het nieuwe programma Water Internationaal als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit programma is het centrale uitvoeringsprogramma van de interdepartementale Internationale Water Aanpak. Het ondersteunt de realisatie van de internationale waterambities van de ministeries BZ, EZ en lenM door nieuwe initiatieven te stimuleren en verbindingen te leggen met het instrumentarium en financieringsmogelijkheden die voor activiteiten op het terrein van water internationaal beschikbaar zijn binnen de rijksoverheid, bij internationale Financiële Instellingen en ook bij de private sector. Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries samenwerken. De uitgaven voor het programma Water Internationaal worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Deze bijdrage heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent neerslagpatronen, het gedrag van extreme stormen, verbeterde windmo-dellen, het weer in de toekomst en risico-analyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses dragen bij aan de onderbouwing van het wettelijke toetsinstrumentarium voor de primaire waterkeringen en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

34

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Sinds 1 januari 2012 mogen lokale overheden op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bij het bepalen van het nettobesteedbaar inkomen in het kader van de kwijtschelding rekening houden met de netto-kosten van kinderopvang. Ter compensatie van de gederfde inkomsten van de gemeenten en waterschappen heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Voor de waterschappen gaat het om € 2 miljoen per jaar tot 2018. Tot op heden hebben zes waterschappen van deze regeling gebruik gemaakt.

Bijdrage aan de bekostiging van de deelname van de waterschappen aan de Commissie Bepalingen regeling Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen. Het secretariaat van de Commissie wordt uitgevoerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) maar betaald door de ministeries van BZK en lenM. Het Ministerie van BZK betaalt het secretariaat voor de rol van de Commissie ten aanzien van gemeenten en provincies, het Ministerie van lenM vanwege de rol van de Commissie ten aanzien van de waterschappen.

11.02 Waterveiligheid

11.02.01 Opdrachten

Eind 2015 zijn de definitieve overstromingsrisicobeheerplannen voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en de Schelde vastgesteld en aan het publiek ter beschikking gesteld. De plannen worden in 2016 aan de Europese Commissie gerapporteerd. Voor zowel de risicokaarten als de plannen wordt opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en het beheer.

Op basis van de Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen wordt ook in 2016 gewerkt aan het voorbereiden van de programmering van hoogwaterbeschermingsmaatregelen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Daarnaast wordt de Vierde Toetsronde Primaire Waterkeringen (start in 2017) voorbereid.

Het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid, wordt op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht geactualiseerd. Hiervoor worden opdrachten gegeven voor onderzoek, kwaliteitsborging en het organiseren van kennisuitwisseling.

In 2016 wordt verder gewerkt aan de implementatie van de Deltabeslissing Waterveiligheid en de aanpassing van de Waterwet. In deze Deltabeslissing is de overstap gemaakt naar de risicobenadering. De doelen van het waterveiligheidsbeleid worden via normspecificaties voor primaire waterkeringen wettelijk verankerd. Ook wordt het toets- en ontwerpinstrumentarium aangepast aan de nieuwe normering.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

35

11.03 Grote oppervlaktewateren

11.03.01 Opdrachten

Het Ministerie van lenM werkt, samen met de provincies en het Ministerie van Economische Zaken, mee aan integrale gebiedsontwikkeling in het Waddengebied, onder andere met het doel om de veiligheid van het Waddengebied, de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap voor de lange termijn te kunnen waarborgen. Tevens zijn er activiteiten om Nederlandse beleidsdoelen te realiseren in samenhang met activiteiten in Duitsland en Denemarken.

De Beleidsnota Noordzee 2016-2021 geldt als het maritieme ruimtelijke plan conform de eisen van de EU Richtlijn maritieme ruimtelijke planning. In juli 2016 zal de richtlijn zijn omgezet in Nederlands recht. Vanaf 2016 worden de acties uit de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 in uitvoering gebracht (Kamerstukken II, 2014-2015, 31 710, nr. 35 bijlage blg-427951).

Om de duurzame energiedoelstellingen voor 2023 te halen zal in 2016 met het Ministerie van EZ verder worden gewerkt aan de uitrol van windenergieparken op zee. In 2016 wordt de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee - aanvulling Hollandse Kust vastgesteld.

De Noordzee 2050 agenda is de inzet voor de gezamenlijke internationale strategie voor de Noordzee met de andere Noordzeelanden. In 2016 zal Nederland verdere stappen zetten om te komen tot een dergelijke internationale strategie. Tevens zal verder werk worden gemaakt van een prototype model om interacties van menselijke activiteiten op zee en de effecten daarvan op het mariene milieu inzichtelijk te maken voor leerdoeleinden en besluitvormingsprocessen (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 450, nr. 24).

Het Nederlands EU voorzitterschap zal worden aangegrepen om bij te dragen aan het geïntegreerd maritiem beleid.

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer schetst het kabinet een ontwikkelrichting voor een verbeterde waterkwaliteit die goed is voor de natuur, recreatie en toerisme, landbouw, schelpdierteelt en de kwaliteit van de leefomgeving. Vanuit het Deltaprogramma zoetwater worden maatregelen getroffen om de zoetwatervoorziening van gebieden rondom het Volkerak-Zoommeer te verbeteren. De regio heeft een actieve rol in het zorgen voor de bekostiging en uitvoering van de plannen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. In maart 2015 is met regionale partijen een bestuursovereenkomst afgesloten met afspraken over de governance en wijze waarop het komende jaar kan worden toegewerkt naar financiële dekking van de maatregelen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. In 2016 is een tweede bestuursovereenkomst voorzien voor de planuitwerkingsfase. Voorwaarde hiervoor is dat er op dat moment financiële dekking is voor de maatregelen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie, zodat de ontwerp-rijksstructuurvisie definitief kan worden vastgesteld.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

36

11.03.05 Bijdragen aan internationale organisaties

De bijdragen aan internationale organisaties betreffen uitvoeringskosten in het kader van de Vlaams-Nederlandse samenwerking in de Vlaams-Nederlandse Schelde Commissie.

11.04 Waterkwaliteit

11.04.01 Opdrachten

De stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW kennen een zesjaarlijkse cyclus. Doel is om in 2027 de doelstelling van schoon water en een gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben, leder jaar wordt in Water in Beeld de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De volgende versie van de stroomgebiedbeheerplannen (2016-2021) moet eind december 2015 klaar zijn. In 2016 start de uitvoering van de 2e tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem (artikel 7 Deltafonds).

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2016 wordt het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016-2021, geïmplementeerd. Het programma bestaat uit maatregelen die genomen moeten worden om de goede milieutoestand te bereiken. Dit betreft grotendeels vigerend beleid op terreinen als KRW, Natura 2000, Gemeenschappelijk Visserijbeleid, scheepvaart (IMO) en bestaande EU-milieurichtlijnen. Aanvullende maatregelen liggen op het terrein van terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van gebieden. Daarnaast wil het kabinet meer invulling geven aan haar faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. In het Programma van Maatregelen wordt maximaal ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU-programmering) en op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden.

11.04.02 Subsidies

Ter uitvoering van het Bestuursakkoord Water zijn door de Stichting RIONED met subsidie van het Ministerie van lenM vijftien kenniscoaches waterketen aangesteld. Deze kenniscoaches zijn beschikbaar voor de samenwerkende partijen in de regio's om proces en inhoud te ondersteunen.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Synergieprogramma KRW is gericht op synergie tussen ruimtelijke maatregelen ten behoeve van de doelstellingen van de KRW en andere rijksdoelen. Het programma omvat circa honderdtwintig projecten, waaronder ruim tachtig projecten in het landelijk gebied. Ingevolge het Bestuursakkoord natuur zijn deze laatste projecten gedecentraliseerd. De provincies zijn nu verantwoordelijk voor de verdere uitvoering van die projecten. Gemeenten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de circa veertig synergieprojecten in het stedelijk gebied. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor de financiering van de synergieprojecten in het stedelijk gebied tot en met 2016.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

37

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken, op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

Door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU) wordt UNESCO ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning van het grondwaterinstituut IGRAC en om capacity building door UNESCO-IHE. De activiteiten versterken de internationale profilering die Nederland ambieert als centrum voor watervraagstukken.

In VN-kader wordt ingezet op de totstandkoming van een breed en integraal water-SDG (sustainable development goal). Daarbinnen wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico's van watergere-lateerde rampen. Hiervoor wordt met multilaterale internationale organisaties en platforms samengewerkt en worden activiteiten ondersteund. Zo worden bijdragen geleverd aan het Post-Hyogo Framework van UNISDR, HELP, Aqueduct, GWP, OESO en World Water Council.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

38

Beleidsartikel 12: Waterkwaliteit

In het verlengde van de overheveling van KRW middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft lenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit wordt geschrapt en zal deel uitmaken van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 12 Waterkwaliteit opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 11 en 12 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2015 en daarvoor. Voor de jaren 2016 en verder wordt verwezen naar artikel 11 Integraal waterbeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 12 Waterkwaliteit (x€ 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

85.651

4.443

0

0

0

0

0

Uitgaven:

84.827

6.155

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       

12.01 Waterkwaliteit

84.827

6.155

0

0

0

0

0

12.01.01 Opdrachten

3.978

4.364

0

0

0

0

0

12.01.02 Subsidies

277

288

0

0

0

0

0

12.01.03 Bijdrage aan agentschappen

78.946

0

0

0

0

0

0

- Verbeterprogramma Waterkwa-

             

liteit rijkswateren

67.970

0

0

0

0

0

0

- Natuurcompensatie Perkpolder

7.372

0

0

0

0

0

0

- Natuurlijker Markermeer/U'meer

3.153

0

0

0

0

0

0

- Verruiming vaargeul Wester-

             

schelde

451

0

0

0

0

0

0

12.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

0

497

0

0

0

0

0

12.01.05 Bijdrage aan internationale

             

organisaties

1.626

1.006

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

39

Beleidsartikel 13: Ruimtelijke Ontwikkeling

Algemene Doelstelling Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig

Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; Kamerstukken II, 2011-2012, 32 660, nr. 50). In dit rijksbeleid is het Rijk verantwoordelijk voor dertien nationale belangen. Het Rijk is verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. In dit kader werkt het Rijk aan eenvoudigere regelgeving, evenals de medeoverheden. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang.

De Minister van lenM is vanuit deze rol verantwoordelijk dan wel

coördinerend voor:

Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Samenwerken met bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren.

De stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie samen met de andere overheden (invoeringsbegeleiding, digitale ondersteuning en infodesk).

De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de Structuurvisie Ondergrond en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • • 
    Verdere ontwikkeling van kennis van de fysieke leefomgeving ten behoeve van beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • • 
    Via de gebiedsagenda's in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid).

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities. In de meeste gevallen is er daarbij sprake van een gewenste ontwikkelingsrichting en niet altijd van een kwantitatieve doelstelling. In 2014 is de eerste herhalingsmeting verschenen. In 2015 is de evaluatie van de SVIR aan de Tweede Kamer aangeboden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

40

Nationaal belang SVIR1

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Meting 2014

Bruto binnenlands product per inwoner per COROP+-gebied

Verandering 2000 - 2011

1.000

I Lager dan 2B I 25-30

■ 30-3E

■ 35-40

I Hoger dan 40 Bron: CBS, Ministe

Index (2000 = 100) | 106-117

■ 118-127

| 128-137

■ 138-147

■ 148-187

| Stedelijke regio met r concentratie van topsectoren

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio's

Internationale concurrentie Nederlandse regio's

Doelrealisatie: Volgens het PBL doen de stedelijke regio's het economisch over het algemeen beter dan de overige delen van het land. Het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner is het hoogst in de COROP-plusgebieden Amsterdam, Haarlemmermeer en omgeving, Overig Agglomeratie Amsterdam, Stadsgewest Utrecht, Rijnmond, en Stadsgewest's-Hertogenbosch. De regio's Amsterdam en Utrecht hebben naar verhouding veel arbeidsplaatsen.

Arbeidsplaatsen per COROP+-gebied, 2013

Aantal arbeidsplaatsen (x 1.0CÖ)

3ron: CBS, LISA

Bereikbaarheid Nabijheid wonen- 0,5% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2012

werken Doelrealisatie: Het deel van de Nederlandse banen dat

binnen een acceptabele afstand bereikt kan worden is tussen 2000 en 2012 met 0,5% toegenomen. De regionale verschillen zijn groot.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

41

Nationaal belang Doel SVIR Voorlopige kenge- Meting 2014

SVIR1 tallen Monitor

Infrastructuur en

Ruimte

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

Quality of Living indicatoren, 2013

Connectiviteit Onderwijsmogelijkheden Recreatie Onderwijskwaliteit Cultuur en restaurants Voedselveiligheid Governance effectiviteit Kosten van levensonderhoud Internet

| Nederlandse regio's gemiddeld I Beste 25 Europese regio's gemiddeld

Persoonlijke vrijheid Woning beta al baarheid Levensverwachting Politieke stabiliteit Sociale cohesie Energiezekerheid Veiligheid

Klin

at

Woonomgeving Milieukwaliteit Gezondheidszorg Natuurrampen Woningkwaliteit Banken Natuur

Nederland

Nederland

Doelrealisatie: Volgens het PBL is de Quality of Living van Nederland bovengemiddeld goed in vergelijking met andere Europese regio's.

Quality of Living

Bron: PBL

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor(duurzame) energievoorzienin-gende energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte 2.800 km (2008), 2.890 km (2012) hoogspanningslijnen De toename van het aantal woningen in zones langs met spanning 220 kV hoogspanningsleidingen waar beperkingen gelden en hoger (indicatieve vrijwaringszones) is tussen 2000 en 2012

ongeveer 8.500 woningen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

42

Nationaal belang Doel SVIR Voorlopige kenge- Meting 2014

SVIR1 tallen Monitor

Infrastructuur en

Ruimte

Transitie duurzame energie

Doelstelling windenergie

Verbruik

hernieuwbare

energie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

Doelrealisatie: De opwekking en distributie van elektriciteit via een hoofdnetwerk van centrales en hoogspanningsleidingen is van nationaal belang. Volgens het PBL is in de periode 2008-2012 de lengte van het landelijk koppelnet, dat alle grote elektriciteitscentrales met elkaar verbindt, toegenomen tot 2.890 km. 4,2% (2011) 4,5% (2013)

Doelrealisatie: Volgens Europese afspraken moet het

Nederlandse aandeel hernieuwbare energie in 2020 naar

14%. Volgens het PBL maakt in 2013 hernieuwbare energie

4,5% van het totale Nederlandse energieverbruik uit. Dat is

evenveel als in 2012.

2237 MW (2010) 2433 MW op land (2012)

228 MWopzee (2012)

Windturbines, 2013

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in

gereserveerde

stroken

Efficiënt gebruik van Winning opperde ondergrond vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toename rode ontwikkelingen buisleidingstroken

Nog uitte werken op basis van structuurvisie ondergrond

Ladder voor duurzame verstedelijking

Aantal per gemeente

Bron: Windenergie-

Doelrealisatie: Volgens het PBL steeg de capaciteit van de Nederlandse windmolens in 2013 met een kleine 300 megawatt tot ongeveer 2,7 duizend megawatt eind 2013. In 2013 kwam 45% van de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie. Netlengte 18.406 km (2008),

Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 251(2000), 250 (2012)

Doelrealisatie: In de Rijksstructuurvisie Buisleidingen zijn gereserveerde stroken vastgelegd om de aanleg van buisleidingen mogelijk te maken. In 2008 bedroeg volgens het PBL de lengte aan buisleidingen voor (gevaarlijke) stoffen, binnen deze gereserveerde leidingstroken in totaal 18.406 km. Het aantal woningen binnen buisleidingstroken ligt rond de 250 en is in de periode 2000 - 2012 vrijwel onveranderd.

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

43

Nationaal belang Doel SVIR Voorlopige kenge- Meting 2014

SVIR1 tallen Monitor

Infrastructuur en

Ruimte

Evaluatie gereed,

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/ onderwerpen/n 10041-Monitor-lnfrastructu uren-Ruimte, htm l?i=40

Aandeel Ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013) Doelrealisatie: Volgens PBL is de Ladder voor duurzame verstedelijking nog niet ingeburgerd aangezien in bijna driekwart van de bestemmingsplannen die nieuwe verstedelijking mogelijk maken de Ladder voor duurzame verstedelijking nog niet wordt toegepast.

1 Met betrekking tot artikel 13 zijn vijf belangen uit de Monitor SVIR van belang (Kamerstukken II, 2011-2012, 32 660, nr. A/50). Aangegeven wordt in hoeverre er sprake is van een gewenste ontwikkelingsrichting dan wel in hoeverre de doelstelling wordt gerealiseerd.

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, Planbureau voor de Leefomgeving (www.clo.nl)

Kengetallen Geo-informatie

 
   

Basiswaarde

Oude streefwaarde

Realisatie 2013

Nieuwe streefwaarde

Te behalen in jaar

 

1

Gebruik Nationaal GeoRegister

Index: 100

>100

85

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2015

 

2

Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

Beter dan 2013

99%

Volledig Inspire Compliant

2016

 

3

Basisregistraties

           
 

BAG gebruik

100%

>50%

85%

>90%

2014

 
 

BRT gebruik

100%

>75%

100%

100%

n.v.t.

 
 

BGT opbouw registratie

100%

>75%

>65%

100%

2016

1

 

BRK gebruik

100%

100%

100%

100%

n.v.t.

 
 

BRO opbouw registratie

100%

>50%

<35% 2

>90%

2016

 

Afkortingen

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen BRT: Basisregistratie Topografie BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie BRK: Basisregistratie Kadaster

Toelichting

  • 1) 
    Volgens de vigerende planning zal de opbouw van de Basisregistratie Grootschalige Topografie op 1 januari 2016 gereed zijn. De vooruitzichten zijn goed.
  • 2) 
    De opzet van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) strekt zich uit over meerdere domeinen en is daarmee complex. De betrokken partners zitten wel op de goede koers om de registratie te realiseren.

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020 (stcrt. 2015, 14854).

Beleidswijzigingen In 2015 heeft de behandeling van het wetsvoorstel Omgevingswet

plaatsgevonden door de Tweede Kamer en is de uitvoeringsregelgeving van het wetsvoorstel Omgevingswet voor een groot deel uitgewerkt. Daarnaast zijn vijf aanvullingswetten in de maak voor natuur, grond, bodem en geluid. Voor wat betreft de Wet Natuurbescherming wordt

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

44

samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken. Ook is voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet samen met de koepels van de medeoverheden de scope van de implementatie van de Omgevingswet nader uitgewerkt en vormgegeven. In 2016 wordt tevens gestart met de uitwerking van de ministeriële regelingen.

Conform het wetsvoorstel Omgevingswet dient er richting 2018 een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving te worden ontwikkeld. De nationale omgevingsvisie wordt de basis voor een samenhangende beleidsmatige inzet. Het Rijk wil de komende jaren benutten voor dialoog met anderen over het wat, waarom en hoe van de nationale omgevingsvisie. Dit leidt in 2016 tot de Nationale Omgevingsagenda, waarin duidelijkheid wordt gegeven over de prioritaire onderwerpen, procesaanpak en planning van de Nationale Omgevingsvisie. Daarbij wordt aangesloten bij initiatieven zoals het Jaar van het Ruimte, waarbij het maatschappelijke, politieke en professionele debat wordt gevoerd over de toekomst van Nederland.

Op 17 maart 2015 hebben het Ministerie van lenM, IPO, UvW en de VNG het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020 ondertekend als vervolg op het Convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties uit juli 2009 voor de periode 2010-2015. In het in 2015 ondertekende convenant zijn de ambities opgenomen voor de aanpak van de bodemsanering, is de verdeling van de middelen voor de uitvoering van het convenant opgenomen en worden nadere voorbereidingen getroffen om duurzaam en efficiënt beheer van bodem en ondergrond te maken. Daarnaast is het Convenant bodem en bedrijfsleven 2015 door het Ministerie van lenM, VNO NCW en MKB Nederland ondertekend. De convenanten treden in 2016 in werking. Verder wordt gewerkt aan de aanvullingswet Bodem. Dit is een aanvullingswet op de Omgevingswet. Voornemen is dat deze wet gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt.

In de beleidsdoorlichting ruimtelijke ordening (artikel 13) die in 2015 is verschenen, is de aanbeveling opgenomen om vorm te geven aan een overkoepelend evaluatie- en monitoringprogramma voor het ruimtelijk beleid samen met medeoverheden en private partijen. In dit evaluatieprogramma zou expliciet aandacht gegeven moeten worden aan de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de ingezette financiële instrumenten. Het rapport stelt dat het mogelijk is om ook voor beleid dat in interactie met andere overheden tot stand komt goede, operationele beleidsdoelstellingen te formuleren. Momenteel wordt bezien hoe de structuur van artikel 13 en de verantwoording hierover kan aangepast worden aan deze aanbevelingen. Dit zal zijn beslag krijgen in de begroting 2017.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

45

art. 13 Ruimtelijke ontwikkeling (x€ 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

101.410

105.355

111.358

93.751

106.796

96.882

100.503

Uitgaven:

 

98.154

126.514

112.233

105.804

108.302

100.746

100.503

Waarvan juridisch verplicht

   

83%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

7.728

11.801

6.849

7.788

7.810

9.467

9.520

13.01.01

Opdrachten

4.469

4.699

4.672

6.577

6.599

8.256

8.309

 

- Wabo

25

336

7.463

7.696

7.636

7.752

7.752

 

-Architectonisch beleid

1.800

1.562

1.728

2.920

2.919

2.918

2.919

 

- Overige opdrachten

2.644

2.801

1.481

7.967

2.044

3.586

3.638

13.01.02

Subsidies

1.770

3.752

966

0

0

0

0

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.451

2.088

1.211

1.211

1.211

1.211

1.211

 

- waarvan bijdrage aan RWS

7.457

2.088

7.277

7.27 7

7.27 7

7.277

7.277

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

38

1.262

0

0

0

0

0

13.

Geo-informatie

42.613

48.577

38.806

34.388

28.303

33.997

33.673

13.02.01

Opdrachten

2.675

3.550

4.788

3.870

2.991

2.991

2.991

13.02.02

Subsidies

11.495

12.532

1.999

380

380

380

380

 

- Basisregistraties

11.495

12.532

1.999

380

380

380

380

13.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

28.443

32.495

32.019

30.138

24.932

30.626

30.302

 

- Kadaster

28.443

32.495

32.019

30.738

24.932

30.626

30.302

13.02

Gebiedsontwikkeling

13.603

3.337

8.069

11.425

10.709

4.411

4.413

13.03.01

Opdrachten

1.733

883

1.111

1.203

1.269

1.771

1.773

13.03.02

Subsidies

194

150

90

90

90

90

90

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

- waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

11.676

2.304

6.868

10.132

9.350

2.550

2.550

 

- Projecten BIRK

77.676

2.304

4.378

7.382

6.800

0

0

 

- Projecten Nota Ruimte

0

0

0

6.200

0

0

0

 

- Projecten Bestaand Rotterdams

             
 

Gebied

0

0

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

13.04

Ruimtegebruik bodem

28.438

47.934

43.748

52.178

61.455

52.846

52.872

13.04.01

Opdrachten

1.846

3.414

3.350

3.452

3.254

3.160

3.161

13.04.02

Subsidies

19.447

16.387

12.000

12.000

10.000

10.000

10.000

 

- Bedrijvenregeling

6.924

9.479

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

- Bodemsanering NS

4.538

4.538

0

0

0

0

0

 

- Overige subsidies

7.985

2.370

2.000

2.000

0

0

0

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

6.862

8.647

7.523

1.S21

7.985

7.869

7.869

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

283

17.166

20.875

28.799

40.216

31.817

31.842

 

- Meerjarenprogramma Bodem

0

75.972

20.225

28.799

40.216

31.817

37.842

 

- Programma Gebiedsgericht

             
 

instrumentarium

283

7.794

650

0

0

0

0

13.04.07

Bekostiging

0

2.320

0

0

0

0

0

 

Uitvoering klimaatadaptatie

0

2.320

0

0

0

0

0

13.05

Eenvoudig Beter

5.772

14.865

74.767

25

25

25

25

13.05.01

Opdrachten

3.700

5.741

8.281

0

0

0

0

 

- Eenvoudig Beter

3.577

3.007

1.797

0

0

0

0

 

-OL0 3

189

2.740

6.484

0

0

0

0

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

2.072

9.124

6.480

25

25

25

25

 

- waarvan bijdrage aan RWS

2.072

9.724

6.480

25

25

25

25

 

Ontvangsten

2.901

3.824

934

934

934

934

934

Budgetflexibiliteit 13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Van het opdrachtenbudget is meer dan de helft juridisch verplicht door lopende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het betreft onder meer opdrachten in de sfeer van de uitvoering Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het architectuurbeleid en het programma Ruimtelijke Adaptatie. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied van het programma Ruimtelijke Adaptatie zijn tevens juridisch verplicht.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

46

De subsidies en de bijdrage aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter.

13.02 GEO-informatie

Het opdrachtenbudget en het subsidiebudget zijn volledig juridisch verplicht. Het opdrachtenbudget betreft voornamelijk de opdrachtverlening aan de Stichting Geonovum in het kader van de uitvoering van wettelijke taken zoals beheer van de standaarden ruimtelijke informatie en de invoering van Inspire. Het budget voor bijdragen aan ZBO's is jaarlijks volledig juridisch verplicht als opdracht aan het Kadaster ten behoeve van de beheer- en exploitatiekosten voor basisregistraties.

13.03 Gebiedsontwikkeling

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het gebiedsbeleid. De uitgaven voor de subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, voor maatregelen op het terrein van het gebiedenbeleid en de bijdrage aan andere overheden voor de uitvoering van Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Nota Ruimte en Nieuwe Sleutel Projecten (NSP) projecten zijn juridisch verplicht.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor onder meer de Uitvoeringsorganisatie Bodem en Ondergrond (Bodem+) zijn juridisch verplicht.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op mogelijke knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming en de bijdragen aan drink- en afvalvoorzieningen in Caribisch Nederland.

13.05 Eenvoudig Beter

Van het opdrachtenbudget is een groot deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de stelselherziening omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Tevens is de agentschapsbijdrage aan RWS en het RIVM juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële 13.01 Ruimtelijk instrumentarium

instrumenten

13.01.01 Opdrachten

Uitvoering Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De financiële middelen worden in 2016 met name ingezet om zicht te houden op de realisatie van de SVIR en om zorg te dragen voor kennisontwikkeling ten behoeve van de uitvoering van de SVIR. Hiertoe behoren bijdragen aan de uitvoering van de Monitor Infrastructuur en Ruimte door het PBL, evaluaties over de realisatie van doelen, het uitvoeren van beleidsverkenningen en het op peil houden van de vakkennis. De ondersteuning van provincies en gemeenten in krimp- en anticipeerre-gio's, door middel van kennis en experimenten, wordt in 2016 voortgezet.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

47

Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Architectuur en ruimtelijk ontwerp zijn van belang voor «een goed systeem van ruimtelijke ordening», één van de dertien nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (AAARO) 2013-2016 biedt het kader voor de beleidsinzet. De financiële middelen voor architectuur en ruimtelijk ontwerp worden gebruikt om de positie van het ontwerp en de ontwerpers te versterken. Dit is enerzijds gericht op de eigen rol en verantwoordelijkheid van het Rijk en anderzijds op het versterken van lokale en regionale ontwerpkwaliteit en -kracht. Met de programma's Atelier Making Projects en Atelier Stad zet het Rijk ook in 2016 ontwerpend onderzoek - interdepartementaal en in samenwerking met andere overheden - in voor onder andere de thema's energietransitie en smart cities.

Overige opdrachten (Ruimtelijke Adaptatie) De samenwerking zoals vormgegeven door het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering (DPNH) wordt voortgezet in het nieuwe programma Ruimtelijke Adaptatie als vervolg op de totstandkoming van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie.

Het programma Ruimtelijke Adaptatie omvat drie onderdelen; allereerst de uitvoering van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van september 2014 (en het daarover gesloten bestuursakkoord), waarin een interbe-stuurlijke aanpak is afgesproken teneinde Nederland op de lange termijn waterrobuust en klimaatbestendig in te richten, zodat we beter bestand zijn tegen de vier dreigingen van overstromingen, neerslag, droogte en hitte.

Daarnaast zal in 2016 de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) verschijnen als onderdeel van de Klimaatagenda. Deze is voor het «waterdeel» gebaseerd op de Deltabeslissing maar ook elementen die niet direct met water te maken hebben worden in deze NAS opgenomen. Tot slot wordt samen internationale partners (EC en UNEP) een internationale klimaatconferentie (Provia) in mei 2016 georganiseerd.

13.01.02 Subsidies

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) Het budget 2016 voor de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) wordt grotendeels als een meerjarig toegezegde subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, etc.) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk.

13.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan het agentschap RWS ten behoeve van het beheer van het OL02 systeem, dat nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van het huidige omgevingsloket.

13.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert vanaf begin 2009 verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Uiterlijk 2019 zal het laatste project zijn gerealiseerd. Naar aanleiding van de motie Wiegman is geld van het innovatieprogramma ook beschikbaar gesteld voor drie «Voorbeeldgebieden Investeren in het landschap». De twee voorbeeldpro-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

48

jecten «Groene Woud»en «Amstelland» worden uiterlijk eind 2016 afgerond.

13.02 Geo informatie

13.02.01 Opdrachten

De structurele middelen zijn bestemd voor de exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen op basis van Europese verplichtingen, waaronder de implementatie van de Europese richtlijn Inspire, gericht op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens. Verder zijn hier opgenomen de opdrachten aan onder meer Geonovum, SAGEO en Geofort in het licht van de beleidsuitvoering portefeuille geo-informatie. Bovendien worden in het kader van het programma Basisregistratie grootschalige topografie in 2016 diverse opdrachten verstrekt.

13.02.02 Subsidies

De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) wordt gevuld en daarmee opgebouwd door bronhouders. Tot in 2016 vindt de transitie plaats van de oude Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) naar de nieuwe BGT. Gezamenlijke werkzaamheden worden gecoördineerd en uitgevoerd door de stichtingen Landelijk Samenwerkingsverband GBKN (LSV-GBKN) en het Samenwerkingsverband van Bronhouders BGT (SVB-BGT). Vergoedingen voor de transitiekosten worden in de vorm van subsidies t/m 2016 verstrekt. Voor het uitvoeren van het basisprogramma op het terrein van geo-informatie en de geo-basisregistraties wordt een subsidie verleend aan de Stichting Geonovum.

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT

Betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor ontwikkeling, beheer en realisatie van de landelijke voorziening van basisregistraties. Dit omvat tevens de brede verspreiding van aansluitingen op en gebruik van het gezamenlijke loket PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart), het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn Inspire en de beheerkosten van Ruimtelijkeplannen.nl.

13.03 Gebiedsontwikkeling

13.03.01 Opdrachten

De opdrachten in relatie tot de gebiedsontwikkeling hebben veelal een relatie met het MIRT. Dat is het meerjarenprogramma van de opgaven in het ruimtelijk fysieke domein. De nadruk ligt op opgaven waaraan het Rijk financieel bijdraagt. Ook opgaven waaraan het Rijk niet financieel bijdraagt, maar waar een rijksbelang heeft, worden in het MIRT besproken. Het streven is brede afweging tussen projecten van verschillende overheden, binnen diverse beleidssectoren, om in samenspraak te komen tot doelmatige inzet van publiek geld. In het MIRT wordt ook de samenhang met regionale opgaven en initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties besproken. Het Rijk doet dit -voor onderwerpen in het ruimtelijk fysieke domein- samen met de regio's en andere partijen in de bestuurlijke overleggen MIRT, aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda's.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

49

13.03.02 Subsidies

Er wordt jaarlijks een subsidie verstrekt aan het Regiecollege Waddengebied (RCW).

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn volop in uitvoering. Met een vijftal BIRK projecten bestaat er de komende jaren nog een subsidierelatie. Vele projecten zijn de afgelopen jaren reeds gerealiseerd of gedecentraliseerd.

Nieuwe Sleutel Projecten (NSP)

Dit budget wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van 6 centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van Hogesnelheidslijn (HSL) stations en omgeving. In 2016 heeft dit alleen nog maar betrekking op de NSP projecten Breda en Arnhem.

Projecten Nota ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Inmiddels bestaat alleen nog met Rotterdam Stadshavens een subsidierelatie. De slotbetaling aan dit project is voorzien in 2017.

Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn bijdragen vanuit het Rijk, als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam, om de doelstellingen zoals verwoord in de Uitwerkingsovereenkomst van 2 september 2005 van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied te kunnen bereiken.

13.04 Ruimtegebruik bodem

13.04.01 Opdrachten

Het beleidsonderbouwend onderzoek betreft onder meer onderzoek ten behoeve van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Ondergrond, de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming en het uitvoeringsprogramma van de Drinkwaternota 2014.

13.04.02 Subsidies Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Programma Commissie m.e.r.

Sinds 1 juli 2014 brengt de Commissie voor de milieueffectrapportage de kosten van haar advies in rekening bij het bevoegd gezag dat het advies heeft gevraagd. Om de continuïteit van de bij wet ingestelde. Commissie m.e.r. niet in gevaar te brengen, is bij de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel tarieven Commissie m.e.r. in 2013 toegezegd dat het Rijk in de jaren 2014-2017 een overbruggingsbudget van jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar zal stellen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

50

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond: dit betreft een opdracht aan het agentschap RWS in het kader van Bodem+. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken, ondersteuning van de beleidsontwikkeling, het organiseren van een kennis en expertisenetwerk en daarmee de overheden faciliteren ten aanzien van de thema's Bodem en Ondergrond door RWS.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden Meerjarenprogramma bodem

Bij Ontwerpbegroting 2015 is besloten om in het jaar 2016 € 60 miljoen vrij te maken op de budgetten voor bodemsanering ten behoeve van het rijksbrede beeld. Om te voorkomen dat de uitvoering hierdoor vertraagt (met name in 2016) wordt de kasreeks door middel van een kasschuif aangepast aan de uitvoeringspraktijk. Deze kasschuif verloopt via het Deltafonds.

Het bodembeleid voor de periode 2016-2020 is opgenomen in het convenant «Bodem en Ondergrond 2016-2020». Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Met de ondertekening van het convenant wordt de definitieve stap gezet naar de decentralisatie.Tevens vindt de betaling van oude afspraken plaats. Dit betreft de rijksbijdrage aan het Rotterdamse gasfabriekprogramma in de periode 2016 tot en met 2020 en de afkoop van de rijksbijdragen aan het Amsterdamse gasfabriekenprogramma, de Volgermeerpolder, aanpak asbest in het Gijmink in Overijssel en bodemsanering van het Thermphos-terrein in Zeeland. Zoals aangekondigd in de meicirculaires, worden de middelen bij deze budgettaire nota overgeboekt.

Het resterende budget voor 2016 is voorzien voor eventuele knelpunten (art 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele Bevoegde overheden Wbb in verband met de uitvoering van het convenant (art 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020). In het kader van het Convenant bodem en ondergrond 2016-2020 is aan de Unie van Waterschap een eenmalige bijdrage van € 2 miljoen beschikbaar gesteld. De slotbetaling hiervan (€ 0,1 miljoen) vindt plaats in 2016.

Programma Gebiedsgericht instrumentarium

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen binnen het Nederlandse staatsbestel. Met het uitvoeren van drinkwater- en afvalwaterprogramma's zijn ook de bijdragen aan investeringen in drinkwatervoorzieningen en de exploitatiekosten drinken afvalwater in Caribisch Nederland gestegen. In de lenM begroting wordt in een tijdelijke bijdrage voorzien aan de drinkwater- en afvalwaterprogramma's.

13.04.07 Bekostiging

Uitvoering Klimaatadaptatie. Het onderzoeksbudget is aan de Stichting Kennis voor Klimaat toegekend ten behoeve van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat. De eindbetaling is voorzien in 2016.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

51

13.04.08 Garanties

Krediet Bodemsanering

Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf met onvoldoende middelen ofte weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering te krijgen. lenM sluit aan bij de garantieregeling van EZ. Het verplichtingenplafond van de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering) wordt op grond van de kabinetsreactie (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 750, nr. 13) naar aanleiding van het rapport van de Commissie Risicoregelingen verminderd naar € 15 miljoen. De beslissing over het voortzetten van de garantieregeling wordt mede bepaald door de resultaten van de evaluatie van deze garantieregeling in 2015.

13.05 Eenvoudig Beter

13.05.01 Opdrachten

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter (EB) wordt gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). De financiële middelen worden ingezet voor het nader uitwerken van de Omgevingswet, voor de consultatie en toetsing van de AMvB's onder de Omgevingswet, het opstellen van de ministeriële regelingen en het opstellen van de invoeringswet, voor het omgevingsmanagement en voor het versterken van kennis en kunde via het programma NU al EB.

Implementatie van de Omgevingswet

Voor de inwerkingtreding van de wet is een tijdige en zorgvuldige implementatie essentieel. Het gaat hier om de invoeringsbegeleiding, het oprichten van een infopunt en de digitale ondersteuning van het wetsvoorstel. Daarnaast wordt onder andere een plan van aanpak uitgewerkt voor het opzetten en met name aanpassen van het digitale stelsel (zoals bijvoorbeeld OLO en ruimtelijke plannen.nl), zodat digitale gegevens beter uitwisselbaar worden. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de ambitie in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te ontsluiten en meer vergunningaanvragen digitaal te maken.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de inzet van RWS voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet en de Crisis- en herstelwet. Daarnaast levert RWS capaciteit voor de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet. Daarnaast wordt een agentschapsbijdrage verleend aan het RIVM voor onderzoek ten behoeve van de Omgevingswet.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

52

Beleidsartikel 14: Wegen en verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling Om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam

mogelijk van A naar B te laten reizen ontwikkelt, beheert en benut lenM het hoofdwegennet. Daartoe zet lenM in op een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en voldoet aan milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een afname van het aantal verkeersslachtoffers op alle Nederlandse wegen. Om deze doelen te bereiken werkt lenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Rollen en Verantwoordelijkheden (Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 OV-keten en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot

gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd.

De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12

Hoofdwegen).

De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generieken locatiespeci-fiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt lenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid. • Voor het vervolg van Beter Benutten is landelijk de volgende

programma-ambitie afgesproken: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

53

Benutten. Voor het lopende programma Beter Benutten worden in de gebiedsprogramma's de laatste maatregelen afgerond en loopt het programma Decentraal Spoor tot en met 2020.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagen-da's vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Onder de vlag van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vorm gegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008-2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De plannen richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersge-wonden. Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders. • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

 

Indicator: acceptabele reistijd

 

Basiswaarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Streefwaarde

Percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald.

86%

84%

83%

88%

92%

94%

93%

100%

Bron: RWS/WVL, 2015

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

54

Toelichting:

De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten op het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5 keer de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn er 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Beter Benutten

Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma's Beter Benutten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in het kader van het MIRT-proces (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 750 A, nr. 67). Voor een nadere toelichting op de werkwijze en programma ambitie van Beter Benutten wordt verwezen naar artikel 18.02 Beter Benutten van het Infrastructuurfonds.

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssigna-lering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en routeinformatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

 

Indicator: lokale luchtkwaliteit N02

 

Waarde 2012

Waarde 2013

Waarde 2014 Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit N02

   

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld1

8.700

8.650

0 knelpunten in 8.600 2020

1 De hier genoemde reeks verschilt van de in eerdere begrotingen gepubliceerde reeksen omdat het aantal nog te saneren knelpunten nu kan worden gebaseerd op het geluidregister en de daarop gebaseerde nieuwe, meer gedetailleerde saneringsonderzoeken.

Bron: RWS/WVL, 2015

Toelichting:

Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor stikstofdioxide (N02) gehaald moet zijn. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor fijn stof (PM10) wordt op alle locaties langs rijkswegen aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011. In het najaar van 2016 zal op basis van de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld kunnen worden of op 1 januari 2015 ook is voldaan aan de grenswaarde voor N02.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

55

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2020 hangt samen met de hiervoor in de Wet milieubeheer opgenomen einddatum voor het opstellen van een saneringplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen, dit zal dus ook deels na 2020 zijn.

De sanering wordt uitgevoerd in het kader van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG). In dit programma worden onder bepaalde voorwaarden ook objecten met een geluidbelasting onder de 65dB gesaneerd. Vooruitlopend op het opstellen van regionale saneringsplannen heeft de geluidsanering in 2014 plaatsgevonden binnen een aantal tracébesluiten.

De gehanteerde geluidbelastingen zijn gebaseerd op een «worst-case» situatie (volledig benut geluidproductieplafond). Bij een deel van de gesaneerde objecten blijft de geluidbelasting op de gevel na het treffen van de doelmatige saneringsmaatregelen boven de 65dB en wordt toepassing van gevelmaatregelen onderzocht om te voldoen aan de geluidsnorm binnen de woning.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

 

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers

 

2002

2010

2011

2012

2013

2014

2020

aantal verkeersdoden

1.066

640

661

650

570

570

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

20.100

19.200

18.800

nog niet

10.600

           

bekend

 

Bron: RijkswaterstaatAA/VL, 2013, 2014 en 2015

Marktcondities

Verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (Kamerstukken II, 2014-2015, 29 398, nr. 463).

Duurzaamheid

Voor de doelstellingen voor de sector verkeer en vervoer wordt verwezen naar artikel 19 Klimaat.

Beleidswijzigingen Tot en met 2028 is sprake van een omvangrijk realisatieprogramma en het

in stand houden van de bestaande infrastructuur. Het programma Beter Benutten Vervolg is gericht op verbeteringen van de bereikbaarheid op korte termijn. In 2015 is gestart met het uitvoeren van de door de trioleden (Minister van lenM, regio en bedrijfsleven) getekende Plannen van Aanpak

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

56

in de Beter Benutten regio's. Het gaat om multimodale maatregelen met onder andere de volgende thema's: Intelligente Transport Systemen, Fiets, Park and Ride en Logistiek. In totaal zijn circa 190 plannen in voorbereiding voor het vervolg van Beter Benutten, waarvan 64 plannen inmiddels in de uitvoeringsfase zijn. Deze plannen worden beoordeeld op hun effectiviteit en bijdrage aan de doelstelling (10% verkorten reistijd).

Voor het Vervolg van Beter Benutten geldt de landelijke programmaambitie: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode van 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. Het vervolg gaat verder met dezelfde twaalf regio's. De middelen voor het vervolg van Beter Benutten staan geraamd op artikel 18 van het Infrastructuurfonds. De Algemene Rekenkamer is in het kader van onderzoek naar de verantwoording van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu tot enkele aanbevelingen voor Beter Benutten gekomen (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 200, nr. 2). De Minister van lenM heeft in reactie op deze aanbevelingen de Algemene Rekenkamer geïnformeerd welke aanbevelingen worden overgenomen. Deze reactie is op hoofdlijnen opgenomen in blg-513376 en in zijn geheel terug te vinden op de site van de Algemene Rekenkamer.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en verkeersveiligheid (x € 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

26.712

36.442

28.702

30.324

27.849

27.670

27.872

Uitgaven:

 

33.866

37.038

33.414

31.621

29.149

28.170

28.372

Waarvan juridisch verplicht

   

70%

       

14.01

Netwerk

15.581

18.316

16.033

14.616

11.617

10.537

10.641

14.01.01

Opdrachten

11.494

13.783

12.742

11.410

8.471

7.391

7.495

 

- Beter benutten

8.101

6.689

6.560

5.720

7.582

200

200

 

- BOA IWB en Logistiek

1.325

1.494

2.312

2.435

2.757

3.002

3.046

 

- Wegvervoerbeleid

1.435

4.265

2.236

2.273

2.365

2.396

2.429

 

- Overige opdrachten

633

1.335

1.634

7.642

1.767

1.793

1.820

14.01.02

Subsidies

1.412

1.231

722

637

bil

bil

bil

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

2.675

3.302

2.569

2.569

2.569

2.569

2.569

 

- waarvan bijdrage aan RWS

2.675

3.302

2.569

2.569

2.569

2.569

2.569

14.02

Veiligheid

18.285

18.722

17.381

17.005

17.532

17.633

17.731

14.02.01

Opdrachten

5.541

6.993

5.629

6.981

7.508

7.609

7.707

 

- Opdrachten Verkeersveiligheid

5.547

6.993

5.629

6.987

7.508

7.609

7.707

14.02.02

Subsidies

12.107

11.340

8.736

9.635

9.635

9.635

9.635

 

- WN

3.620

3.660

3.660

3.659

3.659

3.659

3.659

 

-SWOV

3.729

3.958

3.958

3.958

3.958

3.958

3.958

 

- Overige subsidies

4.758

3.722

1.118

2.018

2.018

2.018

2.018

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

637

389

389

389

389

389

389

 

- waarvan bijdrage aan RWS

637

389

389

389

389

389

389

14.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

0

0

2.627

0

0

0

0

 

- CBR

0

0

2.627

0

0

0

0

 

Ontvangsten

4.253

6.862

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

Extracomptabele verwijzingen In artikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel

gerelateerde productindicatoren en/of-kengetallen opgenomen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

57

 

Extracomptabele verwijziging naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet

         

van het Infrastructuurfonds

1.955.595

2.161.909

2.389.678

2.787.233

3.017.168

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastruc-

         

tuurfonds

55.525

136.870

47.831

49.740

130.685

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuur-

         

fonds

2.011.120

2.298.779

2.437.509

2.836.973

3.147.853

waarvan

         

12.01 Verkeersmanagement

9.697

3.637

3.637

3.632

3.637

12.02 Beheer, onderhoud en vervanging

678.756

562.327

506.795

520.306

499.928

12.03 Aanleg

443.676

617.169

944.946

1 532.198

1.845.424

12.04 Geïntegreerde contractvormen/PPS

371.932

644.111

519.647

325.945

343.201

12.06 Netwerkgebonden kosten HWN

567.712

531.703

511.708

507.124

505.976

12.07 Investeringsruimte

- 60.647

- 60.162

- 49.218

- 52.232

- 50.307

 

Artikel 14

Belastinguitgaven (x€ min) 2014 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Belastingen op personenauto's en motorrijwielen

Teruggaaf taxi's 42 44

46

49

52

55

58

Motorrijtuigbelasting

Nihiltarief OV-bussen op LPG 0 0

0

0

0

0

0

Vrijstelling taxi's 50 51

52

53

55

57

58

Vrijstelling wegenbouw 0 0

0

0

0

0

0

Nihiltarief MRB zeer zuinige auto's 28 41

45

56

68

83

105

Belasting op zware motorrijtuigen (eurovignet)

Teruggaaf internationaal gecombineerd

         

vervoer 0 0

0

0

0

0

0

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

Budgetflexibiliteit 14.01 Netwerk

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier voornamelijk de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een vastomlijnde tijdshorizon, de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), Team Alert en incidentele doelgroepen. De budgetten voor de subsidies aan VVN en SWOV worden per jaar gepubliceerd. Voor Team Alert worden de subsidies vastgesteld en openbaar gemaakt via een meerjarige raamregeling. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

58

verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscam-pagnes.

Toelichting op de financiële 14.01 Netwerk

instrumenten

74.07.07 Opdrachten

De opdrachten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van wegmaatregelen, tol en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU), Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto en Intelligente Transport Systemen (ITS), het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid).

De opdrachten voor Beter Benutten betreffen kosten op het gebied van diverse onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen.

In het kader van het Energieakkoord heeft het Ministerie van lenM een regierol vervuld bij het komen tot een gezamenlijke duurzame brandstofvisie. Ook is lenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals het programma Lean and Green Personal Mobility waarbij werkgevers een plan maken om C02 te reduceren (voor het zakelijk en woon-werkverkeer) en een campagne gericht op keuze voor de beste band en rijden op de juiste bandenspanning.

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid onder andere aan de Fietsersbond en een incidentele subsidie verstrekt aan Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV) te Breda.

In het kader van het Energieakkoord heeft het Ministerie van lenM een regierol vervuld bij het komen tot een gezamenlijke duurzame brandstofvisie. Ook is lenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals het programma Lean and Green Personal Mobility waarbij werkgevers een plan maken om C02 te reduceren (voor het zakelijk en woon-werkverkeer) en een campagne gericht op keuze voor de beste band en rijden op de juiste bandenspanning.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG's. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02 Veiligheid

14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid en naar specifieke doelgroepen zoals ouderen. Opdrachten in verband met

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

59

vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek cat. Ill medicijnen. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa's meest verkochte auto's. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over het alcoholslotprogramma. De Afdeling heeft artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (RMRG 2011), het artikel waarin wordt geregeld in welke gevallen het alcoholslotprogramma wordt opgelegd, onverbindend verklaard. Dit betekent dat het artikel zoals het luidde niet meer mag worden toegepast en het CBR het alcoholslotprogramma niet meer kan opleggen. Vooruitlopend op een nieuwe regeling voor het alcoholslotprogramma is de RMRG 2011 aangepast, waardoor in plaats van het alcoholslotprogramma een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) wordt opgelegd of - in geval van recidivisten - een geschiktheidon-derzoek.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Aan de ANWB is een subsidie van € 0,06 miljoen verstrekt voor het Nationaal Verkeersvei-ligheidscongres.

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG's. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT's

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT, in 2016 een volledige vergoeding voor de onderzoeken die zij uitvoeren naar de rijvaardigheid alsmede de geestelijke en lichamelijke geschiktheid. Herziening van het RMRG is voorzien per 1 januari 2017.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

60

Beleidsartikel 15: O V-keten

Algemene Doelstelling Reizigers veilig, betrouwbaar en met een voorspelbare reistijd vervoeren

door de OV-keten, waarbij verschillende modaliteiten optimaal op elkaar aangesloten zijn. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt verantwoord op artikel 16 Spoor.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). De uitvoering vindt grotendeels plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-keten. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

Het stellen van regels en kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram, metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water. Het faciliteren (waar nodig) van de medeoverheden om hen in staat te stellen hun regionale OV-systeem beter te laten aansluiten op het landelijke spoorsysteem met het oog op het optimaliseren van de deur-tot-deur-reis. Hiertoe wordt samenwerking tussen alle betrokken partijen zoveel mogelijk gestimuleerd.

Het monitoren van sociale veiligheid door het ministerie. De uitvoering vindt plaats door medeoverheden en OV-bedrijven. Het ontwikkelen van beleid voor toegankelijkheid in de OV-keten. Dit gebeurt door initiatieven bij elkaar te brengen, maar ook door maatregelen te testen waarbij organisaties zijn betrokken van reizigers met functiebeperkingen. Bij deze acties wordt samengewerkt met de vervoersbranche en de medeoverheden.

Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op de begroting Hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd.

Het implementeren van de concessiesystematiek voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel), waarbij extra aandacht wordt besteed aan de rol van de gebruikers van het vervoer en de belanghebbenden bij de eilanden.

Het opstellen en handhaven van wet- en regelgeving voor het taxivervoer over de vakbekwaamheid, maximumtarieven en de toegang tot de markt ter verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer.

Het inpassen in nationale wetgeving van Europese en internationale wetgeving omtrent busvervoer. • Samen met medeoverheden deelnemen in de Nationale Data

Openbaar Vervoer (NDOV) organisatie met als doel (actuele) brongege-vens voor reisinformatie beschikbaar te stellen voor afnemers. Het aanpassen van de governance structuur rond de OV-chipkaart teneinde o.a. het belang van de concessiegrensoverschrijdende reiziger beter te dienen en toezicht op de OV-betaalmarkt te introduceren. Daarom wordt samen met medeoverheden, vervoerders en consumentenorganisaties via de werkagenda van het Nationaal

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

61

Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) gewerkt aan het verder verbeteren van het OV-chipkaartsysteem.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer is met ingang van de begroting van 2015 niet meer opgenomen omdat de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt door lenM nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-chipkaartdata. Hierover wordt overleg met de OV-sector gevoerd, waarover de Tweede Kamer via de halfjaarlijkse voortgangsrapportage van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) wordt geïnformeerd. In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur tot deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV&Spoortafels en vindt eventueel sturing via respectievelijk de concessies plaats. Over de uitvoering van deze actie wordt de Tweede Kamer geïnformeerd via de voortgangsrapportages over de uitvoeringsagenda van de LTSA.

Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer

 
 

2010

2011

2012

2013

2014

Algemeen oordeel

7,2

7,2

7,4

7,4

7,5

Informatie en veiligheid

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

Rijcomfort

7,2

7,3

7,4

7,5

7,5

Tijd en doorstroming

6,5

6,6

6,8

6,8

6,9

Prijs

6,3

5,9

6,2

6,3

6,4

Bron: CROW/KpVV- Klantenbarometer 2014

Toelichting

De OV-Klantenbarometer heeft betrekking op al het openbaar vervoer dat wordt aangestuurd door de twaalf provincies en de twee metropoolre-gio's.14

Beleidskader Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer (SVOV): Waardering veiligheidsgevoel/incidenten

Kengetal: Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer

 
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Waardering veiligheidsgevoel in

                   

het voertuig als rapportcijfer

                   
  • Reizigers (1)

7,6

7,8

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

8

  • Personeel (2)

6,5

6,3

nb

6,3

nb

6,5

nb

6,9

nb

7

Veiligheidsincidenten in en rond

                   

het OV in %

                   
  • Reizigers (3)

25

25

23

23

24

23

nb

15

15

16

  • Personeel (4)

56

65

nb

69

nb

64

nb

60

nb

60

14 Alle resultaten zoals opgenomen in de OV-Klantenbarometer 2013 zijn te vinden op www.kpvv.nl/klb.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

62

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2014 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2014 Toelichting: rapportages staan op www.crow.nl

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit. Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten. Ad 3) Het percentage in 2012 en verder is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer.15

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidswijzigingen In 2014 heeft een beleidsdoorlichting plaatsgevonden van artikel 15, deze

is in 2015 in de Tweede Kamer behandeld. Aan de belangrijkste aanbeveling van de beleidsdoorlichting om de aansluiting tussen activiteiten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu op artikel 15 en de totale OV-keten te verbeteren, is met de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) inhoud gegeven. Vanuit de LTSA zijn onder andere de OV&Spoortafels opgericht en wordt het eerder genoemde dashboard opgezet. Daarnaast worden naar aanleiding van de evaluatie van de Taxiwet de regels voor taxivervoer gemoderniseerd om ruimte te creëren voor innovaties en nieuwe initiatieven in het belang van de reiziger. Tegelijkertijd wordt de regeldruk voor de sector verlaagd.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 15 OV-keten (x€ 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

15.322

4.814

5.171

4.531

5.604

6.135

6.506

Uitgaven:

15.528

5.720

6.135

5.398

6.071

6.183

6.506

Waarvan juridisch verplicht

   

64%

       

15.01 OV-keten

15.528

5.720

6.135

5.398

6.071

6.183

6.506

15.01.01 Opdrachten

13.778

3.835

4.652

3.915

4.588

4.700

5.023

15.01.02 Subsidies

736

1.093

485

485

485

485

485

15.01.03 Bijdrage aan agentschappen

1.014

792

998

998

998

998

998

- waarvan bijdrage aan RWS

7.074

792

998

998

998

998

998

Ontvangsten

123

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen In artikel 14 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel

gerelateerde productindicatoren en/of-kengetallen opgenomen.

15 http://www.crow.nl/publicaties/ov-klantenbarometer-2013-sociale-veiligheid-in-het?page=1&searchsort=date&pagesize=10

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

63

 

Extracomptabele verwijziging naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

278.714

366.011

327.649

166.891

185.417

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

278.714

366.011

327.649

166.891

185.417

waarvan

14.01 Grote regionaal/lokale projecten

14.02 Regionale mobiliteitsfondsen

14.03 RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

733.759 0

145.555

197.040 0

168.971

169.301 0

158.348

95.756 0

71.735

125.408 9.111 50.898

 

Artikel 15

Belastinguitgaven (x€ min) 2014 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Omzetbelasting verlaagd tarief

Vervoer van personen (w.o. openbaar vervoer) 1.093 1.147

1.201

1.258

1.318

1.380

1.446

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

15.01 OV-keten

Budgetflexibiliteit De uitgaven voor subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn

volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de continue screening van de taxibranche.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart en het faciliteren van het NOVB zelf, de implementatie van de Boord Computer Taxi en het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

Toelichting op de financiële 15.01 OV-keten

instrumenten

15.01.01 Opdrachten

Opdrachten betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, de implementatie van de Boord Computer Taxi, monitoring sociale veiligheid en het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV). Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

64

15.01.02 Subsidies

Subsidies worden verstrekt aan het OV-loket en ROVER. 15.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG's. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

65

Beleidsartikel 16: Spoor

Algemene Doelstelling De kwaliteit van het spoorproduct verbeteren zodat de reiziger en de

verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen. Het goed functioneren van de gehele keten is hierbij van belang. In artikel 15 wordt hier verder op ingegaan. Specifiek voor het spoordeel gaat het met name om betrouwbaarheid en veiligheid.

Rollen en Verantwoordelijkheden (Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De andere wijze van aansturen die voortkomt uit de Lange Termijn Spooragenda heeft ook gevolgen voor de rol van ProRail als uitvoerder van het Rijksbeleid. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • • 
    Verkenningen en planuitwerkingen;
  • • 
    Aanleg van projecten;

Beheer waaronder onderhoud van infrastructuur, verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

De Minister is ook verantwoordelijk voor het aanbod van reizigersvervoer op het hoofdrailnet. Invulling gebeurt door een concessie te verlenen aan vervoerder NS.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving.

Het beleid is vastgelegd in de Lange Termijn Spooragenda. Deze heeft tot doel het verbeteren van de kwaliteit van het spoor zodat reizigers en verladers de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie zien en gebruiken. In de Lange Termijn Spooragenda deel 2 is de wijze van aansturing van de spoorsector voor de periode tot 2028 weergegeven. De overheid gaat langs 5 lijnen haar aansturing van de spoorsector aanscherpen. Dit zijn:

  • 1. 
    Aanscherpen wet- en regelgeving;
  • 2. 
    Scherpere sturing met concessies op ProRail en NS;
  • 3. 
    Betere sturing met aandeelhouderschap;
  • 4. 
    Verbeteren sturing op financiële bijdrage ProRail;
  • 5. 
    Beter sturen op samenwerking.

Daarnaast heeft de Lange Termijn Spooragenda invloed op de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt.

De verantwoordelijkheid van lenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

Het aansturen van het beheer van en vervoer over het hoofdrailnet. Dit verloopt via concessies. Per 1 januari 2015 is de nieuwe beheerconces-sie wederom voor 10 jaar aan ProRail gegund. Conform het Regeerakkoord is ook het vervoer op het hoofdrailnet de komende 10 jaar onderhands gegund aan de Nederlandse Spoorwegen. Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie per 1 januari 2015 zijn ook de treindiensten op de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnetconcessie gebracht. lenM werkt verder aan het uitwerken en uitvoeren van concrete acties en afspraken uit de Lange Termijn Spooragenda middels de uitvoeringsagenda. Hieronder valt het vastleggen van wetgeving ter bevordering van een gelijk speelveld (waaronder

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

66

implementatie Herschikkingsrichtlijn) en het faciliteren van samenwerking in de Spoorsector middels de OV&Spoortafels en de goederenver-voertafel.

Het stellen van wettelijke kaders voor veilige aanleg, beheer en gebruik van lokale spoorwegen (met name tram en metro) en het eenduidig regelen van de verantwoordelijkheden.

Het verbeteren van de ketenregie op de logistieke processen in het goederenvervoer. Daarnaast wordt wet- en regelgeving voor de one-stop-shop verbeterd en wordt gestuurd op het verbeteren van de kwaliteit en benutting van de goederenpaden.

Het samen met medeoverheden en infrastructuurbeheerders werken aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie. De zorg voor de veiligheid van het spoorvervoer en van de omgeving. Onderdeel van de veiligheidsaanpak zijn het STS verbeterplan (reductie stoptonend sein passages), de veiligheidscultuur, veilig werken aan het spoor, aanpak overwegen, suïcide preventie en sociale veiligheid, maar ook externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen. In 2015 heeft een tussenevaluatie en actualisatie plaatsgevonden van de Derde Kadernota Spoorveiligheid. Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd. In 2016 wordt voor het programma ERTMS de planuitwerkingsfase afgerond en gestart met de realisatiefase.

De verdere invulling en uitvoering van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen langs de volgende lijn: een integrale vernieuwende aanpak van overwegproblemen door middel van bij voorkeur generieke maatregelen voor meerdere overwegen en waar nodig specifieke maatregelen. Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Spoor. In de vorige begroting is aangegeven dat de indicatoren ten aanzien van punctualiteit zullen worden aangepast naar aanleiding van de nieuwe vervoerconcessie die in 2015 is ingegaan.16

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of-kengetallen opgenomen.

Indicatoren: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel

 
 

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Bodem-

Progres-

Streef-

 

satie

satie

satie

satie

waarde

siewaarde

waarde

 

2011

2012

2013

2014

2015-20191

20151

20191

Reizigers-punctualiteit2

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

90,0%

91,5%

92,3%

Algemeen klantoordeel3

74%

74%

75%

75%

74%

76%

80%

Bron: NS, jaarlijkse vervoerplannen en operationele verantwoordingen

Er zijn drie indicatoren op het gebied van punctualiteit vervallen: aankomstpunctualiteit 3 minuten, aankomstpunctualiteit 5 minuten en klantoordeel over op tijd rijden. Hierover rapporteert NS op de website van NS (zie http://www.ns.nl/over-ns/wat-doen-wij).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

67

Toelichting:

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019. Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico's lopen. In onderstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2012 en eind 2013 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). De stand van zaken eind 2014 komt in september 2015 beschikbaar.

Voor de ontwikkelingen rondom deze spoorveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid, namelijk dat we de veiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze acht veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Er lopen verschillende veiligheidsverbeterpro-gramma's om de gestelde doelstellingen te realiseren (onder andere het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen en het STS (Stoptonend Sein)-verbeterplan).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

68

 

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Beoordelingsjaar

 

2014

2014

2013

2012

Nr. Risicodrager

Omschrijving indicator

MWA

NRV

MWA

MWA

1.1 Reiziger

FWSI onder reizigers /jaar/

nog niet beschikbaar

     
 

mld reizigertreinkm's

 

6,57

4,22

6,57

1.2 Reiziger

FWSI onder reizigers /jaar/

nog niet beschikbaar

     
 

mld reizigerkm's

 

0,05

0,03

0,05

2 Personeel

FWSI onder spoorpersoneel

nog niet beschikbaar

     
 

/jaar/ mld treinkm's

 

2,25

3,37

2,25

3.1 Overweggebruiker

FWSI onder overwegge-

nog niet beschikbaar

     
 

bruikers /jaar/ mld

       
 

treinkm's

 

97,05

85,22

97,05

3.2 Overweggebruiker

FWSI onder overwegge-

nog niet beschikbaar

     
 

bruikers /jaar/

       
 

((treinkm's*aantal

       
 

overwegen)/ lijnkm's)

 

108,7

100,3

108,7

4 Onbevoegden

FWSI onder onbevoegden

nog niet beschikbaar

     
 

op het spoor /jaar /mld

       
 

treinkm's

 

7,99

7,92

7,99

5 Anderen

FWSI onder «anderen

nog niet beschikbaar

     
 

(derden)» / jaar/ mld

       
 

treinkm»

 

7,21

5,74

7,21

6 Overall

Totaal FWSI/jaar/ mlrd

nog niet beschikbaar

     
 

treinkm's

 

129

110

129

Bron: ILT Jaarverslag 2013 van de Nationale Veiligheidsinstantie Spoor (NSA), Kamerstukken II, 2014-2015, 29 893, nr. 178 Toelichting gebruikte termen in de tabel:

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries (het aantal doden en gewogen zwaargewonden)

NRV= National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator MWA = Moving Weighted Average (voortschrijdend gewogen gemiddelde)

Toelichting:

Ad 1) De gegevens voor kolom «MWA 2014» waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van deze begroting. De gegevens komen uiterlijk september 2015 beschikbaar en zullen dan separaat aan de Tweede Kamer worden verzonden.

Ad 2) Hierboven staan de indicatoren voor railveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico's lopen. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste acht railveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2013 en eind 2012 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). Voor de ontwikkelingen rondom deze railveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid, namelijk dat we de railveiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze acht veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Zoals in bovenstaande tabel te zien, is dat in 2013 bij zeven van de acht gelukt, maar bij één niet.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

69

Kengetal: aantal treinbewegingen goederentreinen per week

 
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Betuweroute

220

400

450

460

440

500

Oldenzaal grens

80

70

60

60

70

60

Zevenaar grens

340

380

480

490

490

540

Venlo grens

230

250

230

220

240

190

Maastricht grens

30

30

20

20

30

30

Roosendaal grens

120

120

120

110

110

110

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling, PV/POV.

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en inclusief losse locomotieven. Het aantal hiervan verschilt per jaar, maar is ongeveer 5% van de treinbewegingen op het A15-trace van de Betuweroute. In 2015 neemt naar verwachting het aantal treinenbewegingen verder toe.

 

Kengetal: sociale veiligheid NS

 

2010

2011

2012

2013

2014

Bodem-waarde 2015-2019

Progres-siewaarde 2015

Streefwaarde 2019

Klantoordeel veiligheid reizigers

78,3%

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

78%

79%

80%

Bron: Nederlandse Spoorwegen, Jaarverslag 2014

Toelichting

In 2014 heeft 80,2% van de reizigers sociale veiligheid met het cijfer zeven of hoger beoordeeld. In het Vervoerplan van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en 's avonds in de trein en overdag en 's avonds op stations.

Beleidswijzigingen Met de LTSA is een integrale langetermijn visie en integrale aanpak

gepresenteerd. In 2015 zijn de randvoorwaarden neergezet om uitvoering te kunnen geven aan de ambities van de LTSA. Zoals het gunnen van de beheer- en vervoerconcessie voor het hoofdrailnet, het opzetten van gezamenlijke OV&Spoortafels en een spoorgoederentafel waaraan rijk, regio, vervoerders en verladers samenwerken aan de ambitie om te komen tot een gezamenlijk OV netwerk Nederland - goede verbindingen en aansluitingen in de hele OV-keten.

De concrete acties en afspraken die benoemd zijn naar aanleiding van de LTSA zijn opgenomen in de uitvoeringsagenda. Dit is een gedeelde agenda waarin de belangrijkste partijen met een verantwoordelijkheid in de OV- en spoorsector in diverse samenwerkingsverbanden de gemaakte afspraken binnen hun verantwoordelijkheidsdomein uitvoeren en monitoren. Dit gebeurt op basis van de uitvoeringsagenda waarin de acties staan die lenM in gezamenlijkheid met de spoorsector en de medeoverheden heeft opgesteld. Deze agenda is een dynamisch document en is in de tussentijd aangepast en aangevuld. De Kamer wordt jaarlijks over de voortgang geïnformeerd. Op 7 juli 2015 is de eerste voortgangsrapportage naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2014-2015, 29 984, nr. 611).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

70

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 16 Spoor (x€ 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

8.453

53.650

4.573

4.655

4.830

4.870

4.906

Uitgaven:

 

39.471

36.528

23.996

14.055

4.830

4.870

4.906

Waarvan juridisch verplicht

   

98%

       

16.01

Spoor

39.471

36.528

23.996

14.055

4.830

4.870

4.906

16.01.01

Opdrachten

16.687

14.675

2.250

2.485

2.460

2.500

2.536

 

- ERTMS

11.286

10.615

0

0

0

0

0

 

- Overige opdrachten

5.401

4.060

2.250

2.485

2.460

2.500

2.536

16.01.02

Subsidies

22.710

21.809

21.646

11.470

2.270

2.270

2.270

 

- Bodemsanering NS

9.076

9.076

9.076

0

0

0

0

 

- Contractsector

10.000

0

0

0

0

0

0

 

- GSM-R

0

10.500

10.300

9.200

0

0

0

 

- Overige subsidies

3.634

2.233

2.270

2.270

2.270

2.270

2.270

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

74

44

0

0

0

0

0

 

- waarvan bijdrage aan KNMI

74

44

0

0

0

0

0

 

- waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

16.01.05

Bijdragen aan internationale

             
 

organisaties

0

0

100

100

100

100

100

 

Ontvangsten

149

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

       

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van

         

het Infrastructuurfonds

   

2.147.466

2.041.627

1.952.667

1.833.728

1.584.536

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuur-

         

fonds

     

299.796

187.562

188.279

202.300

201.071

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.447.262

2.229.189

2.140.946

2.036.028

1.785.607

waarvan

               

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

   

7.297.436

7.165.680

7.742.026

7.786.537

7.163.964

13.03

Aanleg

   

963.385

814.795

724.012

595.351

360.942

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

   

157.384

155.887

156.395

159.583

166.793

13.07

Rente en aflossing

   

17.020

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

   

18.037

76.230

101.916

77.966

77.311

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

71

 

Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (x€ 1.000)

 

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

53.918

138.660

168.145

217.552

319.842

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

40.441

22.119

28.553

60.681

67.487

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

94.359

160.779

196.698

278.233

387.329

waarvan

17.02 Betuweroute

17.03 HSL-Zuid

17.07 ERTMS

17.08 ZuidasDok

4.555 20.183 41.338 28.283

2.083 25.700 44.669 88.327

2.083 23.000 57.588 114.027

2.083 0

112.588 163.562

0 0

196.588 190.741

16.01 Spoor

Budgetflexibiliteit De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan het KNMI in het

kader van winterweer en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De subsidies hebben een tijdshorizon.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel heeft met name betrekking op het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda.

Toelichting op de financiële 16.01 Spoor

instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreft voornamelijk (lopende) opdrachten voor adviezen ter ondersteuning van het programma Overwegen, de beheer- en vervoerconcessie en spoorwegwetgeving. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies

  • • 
    Subsidie bodemsanering NS-percelen: sinds 1996 dragen het Ministerie van lenM (en haar voorganger) en de Nederlandse Spoorwegen jaarlijks bij aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen. Deze subsidie eindigt in 2016, de stichting wordt opgeheven.

GSM-Rail: Uitgaven voor GSM-R(ail) ter mitigatie van de interferentie-problematiek bij ProRail en vervoerders door de uitrol van 3G- en 4G-netwerken door de telecom providers.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

72

  • • 
    Overige subsidies: dit betreft voornamelijk een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio's.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internati-onaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

73

Beleidsartikel 17: Luchtvaart

Algemene doelstelling Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Neder-

landse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Rollen en verantwoordelijkheden Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren heeft» betrekking op de volgende taken:

  • • 
    Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken heeft de Minister het veiligheidsmanagement in Nederland beschreven (State Safety Programme 2015-2019) en een actieplan opgesteld (SSP Actieplan 2015). De veiligheid van de luchtvaart en andere modaliteiten wordt gemonitord in de Staat van de Veiligheid van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Kamerstukken II, 2014-2015, 28 089, nr. 28). Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap in de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).
  • • 
    Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten van cruciaal belang, zowel multilateraal als bilateraal. De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen.

Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd. lenM zorgt voor de implementatie van regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en efficiënter gebruiken van de capaciteit in het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC). De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheids-management en toezicht gebaseerd op risico's en veiligheidsprestatie. De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

De Minister zet in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • • 
    Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

74

worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport-)beleid, zoals in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU.

Het behalen van de doelstelling hangt ten eerste af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van de luchtvaartsector, technologische ontwikkelingen, ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO) en de economische ontwikkelingen in Nederland een rol.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

 

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

Gerealiseerd 2014

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov

plafond 500.000 ' 390.000

78%

386.000

77%

420.000

84%

423.000

84%

426.000

85%

438.300

88%

500.000 100%

Kamerstukken II2014-2015, 34 098, nr. 1-3)

Bron realisatie: Schiphol Amsterdam Airport, januari 2015

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» tussen Schiphol en het Rijk bijgesteld en is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90% van de destijds gehanteerde 510.000 vliegtuigbewegingen extra regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011-2012, 29 665, nr. 181).

Met de introductie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel is in 2015 voor Schiphol ontwikkelruimte geconstateerd voor totaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020. Als tegemoetkoming voor de ophoging van de dagnorm van de vierde baan en de introductie van een hardheidsclausule is de in het akkoord van 2008 afgesproken capaciteit van 510.000 bewegingen teruggebracht tot 500.000 tot en met 2020 (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 098, nr. 1-3).

 

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2015

Streefwaarde 2016

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven 0 Luchthaven capaciteit Lelystad 0

25.000 (10.000) 45.000

25.000 45.000

25.000 45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, 2013-2014, 31 936, nr. 187) Bron Lelystad: Ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

75

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

In 2014 is voor Eindhoven met het vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen. In 2015 wordt de eerste tranche, op basis van de verleende vergunning burgermedegebruik voor 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd. Indien aan alle voorwaarden is voldaan zal met ingang van 1 januari 2016 een vergunning burgermedegebruik kunnen worden verleend voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen. Voor Lelystad is in 2015 een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot handelsverkeer».

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

 

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Streefwaarde 2016e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

 

Frankfurt (FRA)

2

2

 

Gatwick

4

4

 

Schiphol

8

8

< LHR, FRA, CDG

Zurich

5

5

 

München

6

6

 

Brussel

9

9

 

Madrid

7

7

 

Bron: SEO, jaarlijkse Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2014

Toelichting

Het streven is om de huidige positie van Schiphol voor wat betreft het kostenniveau onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden. Instrumenten voor het bewaken van het level playing field zijn het toezien op de randvoorwaarden en regulering van de doorrekening van de aeronautische kosten door de luchthaven Schiphol. Daarnaast heeft de overheid een betrokkenheid bij de hoogte van de overheidsheffingen (geluidhinderkosten en securitykosten).

 

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

62,71 52,47

62,45 52,09

62,55 52,14

63.46 dB(A) 54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2014 Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit (algemene maatregel van bestuur, 18 september 2008) zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

76

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. lenM stelt de grenswaarden vast maar heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2014 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2014-2015, 29 665, nr. 213).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de Handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2014.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

 

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2015

Toelichting

In deze tabel zijn de bestemmingen opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Volgens deze indicator is het aantal bestemmingen vanaf Schiphol in 2014 licht gestegen. De toename in 2014 is het grootst vanaf Parijs Charles de Gaulle en Brussel.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven

 
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Vliegbewegingen (x 1.000)

               

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

Passagiers (in miljoenen)

               

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

Vracht (x 1.000 ton)

               

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2015

Toelichting

Inzet van het beleid is het optimaliseren van de netwerkkwaliteit in combinatie met een concurrerende en duurzame luchtvaart. De netwerkkwaliteit wordt mede bepaald door overheidstarieven en -maatregelen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

77

maar is voor een groot deel niet direct beïnvloedbaar. Bovenstaande kengetallen geven de omvang van het netwerk in aantallen bestemmingen en het verkeer en vervoer op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens.

In de jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties laat lenM elk jaar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit van Schiphol monitoren. Uit de Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties 201417 blijkt dat het netwerk van Schiphol in 2014 sterker is gegroeid dan die van de vier andere West-Europese luchthavens in het onderzoek (Londen Heathrow, Parijs Charles de Gaulle, Frankfurt en München). Opvallend is ook dat het netwerk van Skyteam zich op Schiphol sinds de fusie van Air France en KLM in 2004 op alle fronten aanzienlijk sterker heeft ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle. Zowel de directe connectiviteit als de hubconnec-tiviteit op Schiphol zijn in 2014 nagenoeg op hetzelfde niveau gekomen als die op Parijs Charles de Gaulle. De voortdurend positieve ontwikkeling van het netwerk vanaf Schiphol gedurende de afgelopen tien jaar houdt in dat Air France KLM zich steeds heeft gehouden aan het naleven van de Staatsgaranties die destijds met Air France KLM zijn afgesproken om de publieke belangen te borgen.

 

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management

(in minuten)

       
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Taakstelling vanaf

                           

2000 met herijking

                           

voor 2002-2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

nb

0,7

0,6

0,5

Gerealiseerd

2,5

1,4

0,9

0,8

0,9

1,0

1,2

1,4

0,9

2,0

1,1

0,63

0,54

0,61

Bron: Performance review Body, Performance monitoring Dashboard 2015

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim.

Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

 

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

   

2010

2011

2012

2013

2014

Grenswaarde

           

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht

in minuten per vlucht

2,8

1,00

1,00

1,00

1,00

Gerealiseerd

           

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht

in minuten per vlucht

0,94

0,90

0,78

0,68

0,94

Gerealiseerd

           

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht

in minuten per vlucht

         

volgens PRB methode

 

1,85

1,81

1,41

1,34

1,89

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland 2015

Toelichting

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde vertraging op Schiphol tezamen. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de

17 http://www.rijksovemeid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2015/02/25/monitor-netwerkkwaliteit-en-staatsgaranties.html

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

78

terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase onder een hoogte van één kilometer. Beperkte aantallen vliegtuigopstelplaatsen kunnen ook vertragingen veroorzaken.

De toename in 2014 van de gemiddelde vertraging is met name veroorzaakt door stormen en mist.

Luchtverkeersleiding Nederland hanteert met ingang van 2015 dezelfde systematiek om vertragingen te meten als de Performance Review Body (PRB), de onafhankelijke adviseur van de Europese Commissie op het gebied van prestatiesturing. Luchtverkeersleiding Nederland heeft de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. De grenswaarde is met ingang van 2015 volgens deze nieuwe systematiek op twee minuten gesteld.

Beleidswijzigingen De komende jaren wordt uitwerking gegeven aan de Luchtvaartnota

(Kamerstukken II, 2011-2012, 31 936 A), de Luchtruimvisie (Kamerstukken II, 2011-2012, 31 936, nr. 114) en het State Safety Programme 2015-2019. De bij deze nota's behorende uitvoeringsagenda's (Kamerstukken II, 2010-2011, 31 936, nr. 47) en het SSP Actieplan zijn hierbij leidend.

Op grond van het advies van de Alderstafel Schiphol over de vierde baan problematiek is besloten het in het akkoord van 2008 afgesproken maximum van 510.000 vliegbewegingen terug te brengen tot 500.000 tot en met 2020. Dit past binnen de criteria van gelijkwaardigheid en binnen de regels van het nieuwe normen- en handhavingststelsel (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 098, nr. 1-3).

Het is tevens van groot belang dat Europa prioriteit geeft aan het vergroten van de concurrentiekracht van de Europese luchtvaart en het behoud van de regionale en mondiale connectiviteit van Europa. Nederland organiseert daarom tijdens haar Voorzitterschap een ministeriële Aviation Summit op 20 en 21 januari 2016 waar zal worden gesproken over een gezamenlijk antwoord op de uitdagingen en kansen voor de Europese luchtvaart. Speerpunten voor Nederland zijn weergegeven in de brief over de Nederlandse inbreng voor de toekomstige EU luchtvaartstrategie (Kamerstukken II, 2014-2015, 31 936, nr. 289).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

79

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 17 Luchtvaart (x€ 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

17.542

23.570

25.355

12.313

10.543

13.701

10.687

Uitgaven:

20.201

26.771

24.985

15.186

11.466

11.579

8.657

Waarvan juridisch verplicht

   

59%

       

17.01 Luchtvaart

20.201

26.771

24.985

15.186

11.466

11.579

8.657

17.01.01 Opdrachten

6.727

10.979

13.916

13.048

9.528

9.641

6.719

- Opdrachten GIS

1.598

5.007

3.023

4.772

3.027

3.027

0

- Leefbaarheidsfonds

0

0

5.900

2.900

0

400

400

- Overige opdrachten

5.129

5.978

4.993

5.376

6.507

6.220

6.319

17.01.02 Subsidies

2.284

2.663

910

910

710

710

710

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

10.071

11.949

8.979

48

48

48

48

- waarvan bijdrage aan RWS

             

(Caribisch Nederland!

10.000

11.891

8.931

0

0

0

0

- waarvan bijdrage aan RWS

48

35

48

48

48

48

48

- waarvan bijdrage aan KNMI

23

23

0

0

0

0

0

17.01.05 Bijdrage aan internationale

             

organisaties

1.119

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

Ontvangsten

38.168

33.411

9.311

25

25

25

25

 

Artikel 17

Belastinguitgaven (x€ min)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Accijnzen

Vrijstelling accijns luchtvaartuigen

2.105

2.156

2.196

2.268

2.348

2.427

2.504

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

Budgetflexibiliteit 17.01 Luchtvaart

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer het project geluidsisolatie Schiphol (GIS) en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. De bijdrage aan de agentschappen betreft voornamelijk de financiering van de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland door RWS voor 2016. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Caribisch Nederland en het Beleidsondersteuning en advies (BOA) traject is het budget voor 2016, ultimo 2015 juridisch verplicht.

De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization (ICAO), aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC). Dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

De bijdrage aan de tweede tranche van het leefbaarheidsfonds is bestuurlijk verplicht.

De resterende niet juridisch verplichte ruimte is belegd met de activiteiten uit de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota (Kamerstukken II, 2010-2011, 31 936, nr. 47) en het State Safety Programme Actieplan 2015.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

80

Toelichting op de financiële 17.01 Luchtvaart

instrumenten

De afname van het budget na 2016 wordt met name veroorzaakt door een afname van de benodigde middelen voor opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS) en door het beëindigen van de agentschapsbijdrage aan RWS bestemd voor Caribisch Nederland. De agentschapsbijdrage wordt beëindigd omdat de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland wordt voltooid.

17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De geplande uitgaven voor 2016 en verder hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones, klachtenafhandeling en de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Overige opdrachten

1. Luchtvaartnota en de Alderstafels

Sinds 2008 zijn drie Alderstafels actief: Schiphol, Eindhoven en Lelystad. De Alderstafels bieden een succesvolle overlegstructuur van belanghebbenden in deze luchthavenregio's. De Aldersadviezen vormen voor het kabinet een waardevolle basis voor beleidskeuzes ten aanzien van de ontwikkeling van luchthavens in relatie tot de effecten op de leefomgeving. Ook in 2016 blijven de Alderstafels Eindhoven en Lelystad actief. Op Schiphol is de Alderstafel inmiddels samen met de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) overgegaan in de Omgevingsraad Schiphol.

2. Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel afgesproken kaders. Het budget is bestemd voor opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handha-vingstelsel voor Schiphol en aanpassing van de wet- en regelgeving en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)/ Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB).

3. Leefbaarheidsfonds

Bij de afnemende mogelijkheden van hinderbeperking is de tweede tranche van het leefbaarheidsfonds een belangrijke impuls voor de inpassing van de luchthaven Schiphol in zijn omgeving. De partijen Schiphol, de provincie Noord-Holland en het Rijk afgesproken om in totaal € 30 miljoen voor een tweede fase ter beschikking te stellen.

4. Verminderen risico op vogelaanvaringen

In 2016 wordt opnieuw gewerkt aan het uitvoeren van de maatregelen uit het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol om de vogelaanvaringsproblematiekte verminderen. De maatregelen betreffen het ontwikkelen en toepassen van detectieapparatuur, maatregelen gericht op populatiebeheer en een aanscherping van de ruimtelijke beperkingen ten aanzien van de foerageer-, rust- en broedgebieden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

81

5. State Safety Programme

Op basis van de door het ministerie en de luchtvaartsector uitgevoerde risicoanalyse zijn het State Safety Programme 2015-2019 en het SSP Actieplan 2015 opgesteld. Vanaf 2016 en verder zal uitvoering worden gegeven aan het Actieplan. Het plan betreft onder andere maatregelen om de wetgeving op orde te brengen, de veiligheid met prestatie-indicatoren meetbaar te maken en de introductie van veiligheidsmanagement door de gehele luchtvaartsector.

6. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking Als uitwerking van de Luchtruimvisie worden verschillende onderzoeken en studies uitgevoerd voor de voorbereiding van luchtruimwijzigingen en aanpassingen van het luchtverkeersleidingsconcept. Hiertoe worden activiteiten uitgevoerd in samenwerking met de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) van het Ministerie van Defensie.

In de Roadmap Luchtruimvisie wordt beschreven hoe en wanneer de luchtverkeersleidings-organisaties de beoogde luchtruimwijzigingen en aanpassingen aan het luchtverkeersleidings-systeem gaan realiseren. De uitwerking van de verdergaande civiel-militaire samenwerking op het gebied van luchtverkeersdienstverlening is daarbij een belangrijk aspect.

  • 7. 
    KDC

De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In het KDC werken de partners KLM, Schiphol en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) samen met universiteiten en kennisinstellingen om alle operationele processen op en rond Schiphol te innoveren, zowel op de grond als in de lucht.

8. Opdrachten Caribisch Nederland

Het betreft de aanschaf van apparatuur ter bevordering van het veilig gebruik van de luchthavens en ter verbetering van de bedrijfsvoering. Tevens betreft het de financiering van diverse onderzoeken en opleidingen.

17.01.02 Subsidies

Versneld onderploegen graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen

Met het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol is een vergoedingsregeling in het leven geroepen voor het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. De boeren die de overeenkomst hebben ondertekend ontvangen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker.

Omgevingsraad Schiphol en commissies regionaal overleg lenM draagt financieel bij aan de activiteiten van de Omgevingsraad Schiphol (ORS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. De jaarlijkse bijdrage bedraagt maximaal € 0,52 miljoen. De luchthavens van nationale betekenis Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam kennen in 2016

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

82

eveneens commissies voor regionaal overleg. In 2016 is de rijksbijdrage per commissie maximaal € 0,035 miljoen.

Incidentele subsidies

lenM treedt toe tot het KLM Corporate Biofuel Programme. De bijdrage van € 0,2 miljoen aan het programma wordt door KLM voor 100% geïnvesteerd om duurzame biokerosine in te kopen en draagt daarmee bij aan de vergroening van de luchtvaartsector.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving.

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) wordt in 2016 een bedrag uitgegeven van € 1,2 miljoen, waarvan € 1,0 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

83

Beleidsartikel 18: Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoer-

systeem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

Rollen en verantwoordelijkheden (Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. Hieronder valt ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)). De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

De in 2015 vastgestelde maritieme strategie en de daaronder hangende werkprogramma's voor de zeehavens, scheepvaart en binnenvaart geven de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de stad en leefomgeving.

  • • 
    Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. lenM zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security. Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

84

lenM draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water. • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of-kengetallen opgenomen.

 

Indicator: Passeertijd sluizen

 

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Streef-

 

satie

satie

satie

satie

satie

waarde

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015 en

           

2016

Hoofdtransportas

68%

67%

68%

69%

70%

85%

Hoofdvaarweg

81%

79%

78%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

88%

92%

93%

92%

92%

70%

Bron:RWS, 2015

Toelichting

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Voor elk type vaarweg wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt, naast geplande onderhoudsmaatregelen voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de trajecten tussen Rotterdam en Zeeland. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofden overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)

 
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal Nederlandse

                       

Zeehavens

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

Mainport Rotterdam

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

36,3

37,0

36,6

36,2

Overige Nederlandse

                       

Zeehavens

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11,0

Bron: 2002-2010 Nationale Havenraad, 2011-2014 lenM

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

85

het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Na een lichte stijging van het marktaandeel in 2012, is er in 2013 en 2014 een lichte daling van het marktaandeel te zien. Met name Mainport Rotterdam, dat in 2012 marktaandeel had gewonnen, verloor marktaandeel in 2013 en 2014 tot onder het niveau van 2010. Het marktaandeel van de overige Nederlandse zeehavens laat een lichte stijging zien.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1

 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag2

           

Aantallen

               

Handelsvaart 574

566

640

688

725

769

800

822

808

Zeesleepvaart 174

212

222

222

249

235

247

260

258

Waterbouw 148

139

118

121

120

156

169

168

167

Totaal 896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

               

Handelsvaart 5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

Zeesleepvaart 181

243

264

237

310

290

362

347

360

Waterbouw 509

477

375

441

450

513

531

533

537

Totaal 5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer3

             

Aantallen

               

Handelsvaart 434

462

395

410

433

422

408

403

403

Zeesleepvaart 284

332

358

406

459

456

477

498

519

Waterbouw 39

45

52

66

63

55

55

52

52

Totaal 757

839

805

882

955

933

940

953

974

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

               

Handelsvaart 5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

Zeesleepvaart 2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

Waterbouw 102

122

184

225

251

210

264

248

285

Totaal 8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

1 Schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT

2 Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2015

3 Bron: cijfers van 2006-2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010-2014 Inspectie Leefomgeving en Transport (februari 2015). Alle cijfers op basis van Lloyd's Register Fairplay.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

86

Kengetal: veiligheid scheepvaart

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO) 1 Ernstige scheepvaartongevallen 4

1 2

0 6

0 3

1 7

1 9

0 4

4 15

2 13

0 12

Totaal (ESO) 5

3

6

3

8

10

4

19

15

12

Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren1

Aantal significante scheepsongevallen 96

123

150

127

121

164

159

161

136

138

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren Aantal doden 7 3 4 Aantal gewonden 49 54 30

(ook onder niet Nederlandse vlag) 4 4 4 8 51 56 45 63

4

58

9 27

4 44

1 Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

BronRWS, 2015

Toelichting

In 2014 zijn op het Nederlandse deel van de Noordzee twaalf ESO's (ernstige scheepvaartongevallen) geregistreerd. Er hebben in 2014 geen ZESO's plaatsgevonden. De twaalf ESO's zijn als volgt verdeeld: koopvaardij (vijf), visserij (één), recreatievaart (vijf) en één gecombineerde ESO aanvaring zeevaart en visserij. Sinds 2012 is de registratie en classificatie van scheepsongevallen op de Noordzee aanzienlijk verbeterd en verfijnd. Dit heeft tot het inzicht geleid dat de historische reeks 2004-2011 waarschijnlijk een onderschatting van het aantal ESO's geeft dat in werkelijkheid is opgetreden. Om een goede uitspraak te kunnen doen over de ontwikkeling van de veiligheid van scheepvaart op de Noordzee moet vanaf 2012 een nieuwe historische reeks van ESO's worden opgebouwd. De historische reeks van ZESO's wordt wel betrouwbaar geacht.

Naar aanleiding van een aantal ernstige scheepsongevallen in de recreatievaart in 2013, waarbij negen dodelijke slachtoffers vielen, is sprake van een hoger aantal doden dan gemiddeld. Onderzoek heeft uitgewezen dat structurele beleidswijzigingen niet noodzakelijk zijn. De watersportsector heeft naar aanleiding van de ongevallen zelf initiatief genomen om te komen tot verbetermaatregelen.

Beleidswijzigingen Accentverschuivingen in het maritiem beleid zoals weergegeven in de

rijksbrede Maritieme Strategie (Kamerstukken II, 2014-2015, 31 409, nr. 70) en bijbehorende uitvoeringsagenda worden uitgevoerd. Hierin zijn de uitkomsten van de evaluatie Zeevaartbeleid 2008-2013 en Evaluatie van fiscaal maritiem beleid met financiën in de Maritieme Strategie verwerkt.

In het jaar 2016 wordt een beleidsdoorlichting voor het gehele beleidsar-tikel uitgevoerd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2 87

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 18 Scheepvaart en havens (x € 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

18.793

34.072

33.737

4.272

4.704

4.741

4.777

Uitgaven:

Waarvan juridisch verplicht

4.801

13.147

24.997

96%

28.332

14.804

10.980

8.838

18.01 Scheepvaart en havens

18.01.01 Opdrachten

- Topsector logistiek

- Overige opdrachten

18.01.02 Subsidies

- Topsector logistiek

- Overige subsidies

18.01.03 Bijdrage aan agentschappen

- waarvan bijdrage aan RWS 18.01.05 Bijdragen aan internationale

organisaties

4.801

1.956 0

1.956 543 0

543 1.404 7.404

898

13.147

8.518 6.737 1.787 2.275 7.750 525 1.270 7.270

1.084

24.997

17.966 76.073 7.953 4.587 4.337 250 1.408 7.40S

1.036

28.332

17.863 76.035 1.828 8.025 7.775 250 1.408 7.40S

1.036

14.804

7.865 5.605 2.260 4.495 4.495 0

1.408 7.40S

1.036

10.980

6.536 4.239 2.297 2.000 2.000 0

1.408 7.40S

1.036

8.838

6.394 4.067 2.333 0 0 0

1.408 7.40S

1.036

Ontvangsten

465

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

     

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

821.791

819.917

854.059

721.783

700.091

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

 

32.620

16.890

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

854.411

836.807

854.059

721.783

700.091

waarvan

15.01 Verkeersmanagement

15.02 Beheer, onderhoud en vervanging

15.03 Aanleg

15.04 Geïntegreerde contractvormen/PPS

15.06 Netwerkgebonden kosten HVWN

15.07 Investeringsruimte

   

S.472 477.347 747.226

6.784 301.578 - 14.336

S.472 356.703 188.940

3.619 289.741 - 10.008

S.472 328.006 234.166

7.844 283.916 - 8.285

S.472 274.708 166.912

2.262 280.932 - 11.443

S.472 283.144 133.617

2.229 280.488 - 7.799

 

Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

     

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

4.604

4.620

4.216

2.669

486

Andere ontvangsten van artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

4.604

4.620

4.216

2.669

486

waarvan

17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

   

4.604

4.620

4.276

2.669

486

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

88

 

Extracomptabele verwijziging naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

3.045

0

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

3.045

0

0

0

0

waarvan

18.03 Intermodaal vervoer

 

3.045

0

0

0

0

 

Artikel 18

Belastinguitgaven (x € min) 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verlaging lastendruk op ondernemingen

Willekeurige afschrijving zeeschepen 3 Keuzeregime winst uit zeescheepvaart (tonnagebelasting) 120

3

120

3

120

3

120

3

120

3

120

3

120

Verlaging lastendruk op arbeid

Afdrachtvermindering zeevaart 112

114

116

117

119

121

123

Accijnzen

Vrijstelling communautaire wateren 1.220

1.237

1.247

1.275

1.307

1.338

1.366

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

Budgetflexibiliteit 18.01 Scheepvaart en havens

De bijdragen aan agentschappen en internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter.

Voor de topsector Logistiek zijn zowel het subsidiedeel aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) als de opdrachten via Connekt volledig juridisch verplicht.

Van het overige opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM, de uitvoering van inningstaken betreffende het Verkeersbegeleidingstarief door de Belastingdienst/douane en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen. De bijdrage aan kennismakingsstages zeevaart en koopvaardij is conform de vastgestelde subsidieregeling verplicht.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor beleidsonderzoek gericht op onder meer binnenvaart, zeevaart, zeehavens en Caribisch Nederland.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

89

Toelichting op de financiële instrumenten

18.01 Scheepvaart en havens

18.01.01 Opdrachten

Het ministerie draagt financieel jaarlijks circa € 0,5 miljoen bij aan de ACM voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen.

  • • 
    Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwer-king) en Caribisch Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is het benodigde budget gereserveerd.
  • • 
    Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in IMO- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving). En onderbouwt dit met gedegen onderzoeken naar de effecten.

De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, de bevordering van de aanwas in het maritieme onderwijs, het monitoren van de arbeidsmarkt en het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

  • • 
    Voor de topsector Logistiek worden de opdrachten op basis van het meerjarenprogramma en de op te starten activiteiten in 2015 en 2016 via het programmasecretariaat van de topsector uitgezet. Het programma is onderverdeeld in tien acties. Voor 2016 wordt voor

€ 14,6 miljoen aan activiteiten in de vorm van opdrachten uitgevoerd. In het kader van het EU-voorzitterschap van Nederland zal een hoogambtelijke bijeenkomst worden georganiseerd gericht op de maritieme sector.

18.01.02 Subsidies

Een grotere instroom in het nautisch onderwijs is voor een voldoende aanbod van zeevarenden gewenst. lenM heeft de regeling voor kennismakingstages voor potentiële studenten tot 2018 verlengd. Dit heeft een positief effect op de wervingskracht van het nautische onderwijs.

  • • 
    Voor de topsector Logistiek worden de subsidies op basis van het meerjarenprogramma en de op te starten activiteiten in 2015 en 2016 via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) uitgezet.

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG's. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

90

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt Nederland circa € 0,5 miljoen contributie aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie aan de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast zijn bijdragen aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA) en Donau-kommission verschuldigd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

91

Beleidsartikel 19: Klimaat

Algemene Doelstelling Klimaatverandering door menselijk handelen tegengaan. Door uitstoot

van C02 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en zo de klimaatverandering te beperken. Vermindering van C02-uitstoot biedt bovendien economische kansen, stimuleert slimme groene investeringen, creëert daarmee banen, en bevordert zo Nederlandse innovaties die ook buiten de landsgrenzen kunnen worden ingezet.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

De Minister van lenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van lenM verantwoordelijk voor: Het door Nederland nakomen van de (onder andere) in UNFCCC18 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van C02 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van C02-emissierechten. De regie op de internationale aspecten van het lenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten. De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in C02-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de C02-prestatie zijn hier onderdeel van.

De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema's. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van C02-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in C02_emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Het internationale lenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van lenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van lenM:

Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatagenda, de afspraken in het SER-Energieakkoord waar de Minister voor verantwoordelijk is en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. • Via de Lokale Klimaatagenda, Green Deals en initiatieven voor reductie van C02-emissies brengt zij ondernemers, burgers en andere overheden beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

United Nations Framework Convention on Climate Change.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

92

  • • 
    Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren. Het verduurzamen van brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door afspraken te maken over de rijksbijdrage aan de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton C02 in 2030. Dit vanuit het SER-energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie stimuleren door ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden en rijden op waterstof en het faciliteren van de aanleg van tankinfrastructuur voor alternatieve energiedragers.

Tenslotte is de Minister van lenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

 

Kengetal: Sectorale niet-ETS emissieplafonds voor 2020

(in megaton C02 equivalenten)

   
 

Verantwoordelijk

Nieuw raming

Emissieplafond

 

ministerie

(Mton)

(Mton)

C02 industrie en energie

EZ

8

10,7

C02 verkeer en vervoer

lenM

34

35,5

C02 gebouwde omgeving

BZK

25

22,5

C02land- en tuinbouw

EZ

5

5,75

Overige C02 broeikasgassen landbouw

EZ

16

16

Resterende overige broeikasgassen

lenM

9

8,8

Totaal

 

97

99,25

Bron: Nationale Energieverkenning 2014, tabel 3.3 op blz. 75 www.pbl.nl

Toelichting:

In deze tabel zijn de sectorale emissieplafonds en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het begrotingsakkoord, het SER-energieakkoord en de Klimaatagenda: «weerbaar, welvarend en groen» verwerkt. Een nieuwe raming staat opgenomen in de Nationale Energieverkenning, die in oktober 2015 uitkomt.

De doelstelling voor de totale niet-ETS in 2020 is 104,5 Mton C02-equivalenten. Uit de raming blijkt dat Nederland zeer ruim aan haar doel voor de totale non-ETS Effort Sharing Decision (ESD) zal kunnen voldoen. Onder het niet-ETS heeft Nederland een doel van -16% ten opzichte van 2005 in 2020, wat neerkomt op een uitstoot van 104,5 Mton, waar de raming dus een daling van de emissies tot onder de 100 Mton voorziet.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

93

maatregelen - binnen de beschikbare middelen - in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat het verschil van 7,5 Mton tussen het doel van 104,5 en de raming van 97 om deze tegenvaller op te vangen. Waar de sectorale ramingen overschrijdingen laten zien, wordt dat vooral veroorzaakt door nieuwe aannames over met name economische ontwikkelingen en monitoringsverbeteringen sinds het afspreken van de sectordoelen. Van beleidsveroorzaakte tegenvallers is niet of nauwelijks sprake.

Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (indicator in %)

Verplichtingen 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Besluit

Hernieuwbare energie vervoer

2015 2 3,25 3,75 4 4,25 4,5 5 5,5 6,25 7 7,75 8,5 9,25 10

Realisatie 2 3,26 3,75 4,01 4,31 4,54 5,05

Bron: Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015 (Stb. 2014, 460)

Toelichting:

In artikel 2.1 van het Besluit Hernieuwbare Energie vervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd.

 

Ontwikkeling C02 emissie nieuwe personenauto's in gr. C02 per kilometer (kengetal)

2005 2009 2010 2011

2012

2013

2014

2015

2021

EU 162,6 145,7 140,3 135,7 Nederland 169,9 146,9 135,8 126,2

132,2 118,6

127,0 109,1

107,1

130,0

95,0

Bron: European Environment Agency; pagina 9, pini 3.1. en pagina 22 tabel A3 van publicatie Monitoring C02 emissions from new passenger cars in the EU: summary of data for 2013, EEA 30 april 2014.

Toelichting:

Nadat vrijwillige afspraken over C02-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g C02/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g C02/km in 2021 zal gelden. Deze norm zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo'n € 340 aan brandstofkosten bespaart. • Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De C02-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

Met name fiscaal beleid, waaronder de korting op de bijtelling voor het privé gebruik van zakelijke auto's, heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde C02 uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland sterk is gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. Daarmee onderstreept Nederland het belang van de reductie van broeikasgassen in het verkeer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

94

Beleidswijzigingen Eind 2015 wordt in Parijs naar verwachting een nieuw VN-klimaatakkoord

afgesloten. Tijdens de klimaattop in Durban (2011) is afgesproken, dat de nieuwe overeenkomst eind 2015 moet worden afgerond, zodat die vanaf 2020 in werking kan treden. Voornoemde EU klimaatdoelstelling voor 2030 is hierbij instrumenteel. Alle andere landen worden geacht voor de klimaattop in Parijs ook hun klimaatdoelstelling in te dienen.

Na de onderhandelingen in Parijs eind 2015 zullen in de EU en de EU-lidstaten maatregelen genomen worden om de broeikasgasemissies verder te beperken, onder andere via de Effort Sharing Decision voor de lidstaten.

Het kabinet blijft zich inspannen voor versterking van het emissiehandelssysteem (ETS), aangezien het ETS een belangrijk en onmisbaar onderdeel is van het klimaatbeleid. Het ETS moet een effectieve volumeprikkel geven, waardoor nu de investeringen gedaan worden in schone technieken, die nodig zijn om op de lange termijn kosteneffectief C02 te blijven reduceren.

2016 zal wat ETS betreft in het teken staan van de onderhandelingen over herziening van de ETS-richtlijn voor 2021-2030. De onderhandelingen zullen in het eerste halfjaar van 2016 onder Nederlands voorzitterschap plaatsvinden. Belangrijke elementen in de herziening van de richtlijn zijn het verhogen van de jaarlijkse emissiereductie, de wijze van bescherming van de internationaal concurrerende industrie en de vereenvoudiging van de ETS-regelgeving.

Voor die sectoren die niet onder de emissiehandel vallen is de EU opgave verdeeld over de lidstaten via de Effort Sharing Decision (Inspanningen-verdelingsbesluit, ESD), die in 2020 afloopt. De Europese Commissie verwacht begin 2016 een voorstel te doen voor een nieuwe ESD voor de periode 2021-2030. Conform de uitspraken van de Europese Raad gaat het hierbij om een reductie van 30% ten opzichte van 2005 in de emissies van de niet-handelssectoren (transport, gebouwen, kleine industrie, landbouw en overige broeikasgassen). De onderhandelingen over dit voorstel vangen aan onder Nederlands voorzitterschap.

Het kabinet zet in op een verdeling die recht doet aan zowel de draagkracht van de lidstaten als aan de kosteneffectiviteit van maatregelen. Voor dit laatste is van belang dat de nieuwe ESD meer flexibiliteit aan lidstaten biedt om hun opgave te halen. Daarnaast maakt het kabinet zich hard voor aanpalend EU-bronbeleid als kosteneffectieve manier om generiek reducties te bereiken. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de transportsector, waarvoor de Europese Commissie in 2016-2017 diverse voorstellen zal uitwerken.

In de eerste helft van 2016 is Nederland voorzitter van de EU. Het primaire doel van het kabinet is erkenning van Nederland als een goede voorzitter die de lopende agenda verder heeft gebracht op een efficiënte en effectieve manier, ook specifiek op de lenM beleidsterreinen. Daarnaast zet lenM in op: het behalen van door lenM geformuleerde beleidsresul-taten; zichtbaarheid van de bewindspersonen in Nederland en Europa, het succesvol uitdragen van onze visie op een ander Europa door een vernieuwende en verbindende aanpak en van concrete successen en resultaten; een Voorzitterschap dat een voorbeeld is van «duurzaam doen» en wordt beoordeeld als innovatief, efficiënt en effectief. Meer informatie over het EU-voorzitterschap is te vinden in de beleidsagenda.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

95

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 19 Klimaat (x€ 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

63.217

70.792

54.747

54.292

52.261

52.406

52.415

Uitgaven:

 

65.813

84.412

57.761

55.442

53.436

52.406

52.414

Waarvan juridisch verplicht

   

90%

       

19.01

Tegengaan klimaatverandering

16.934

20.209

14.026

13.800

12.611

11.613

11.616

19.01.01

Opdrachten

3.243

2.690

2.352

2.993

2.258

1.653

1.656

19.01.02

Subsidies

1.696

4.099

102

0

0

0

0

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

11.995

13.420

11.572

10.807

10.353

9.960

9.960

 

- waarvan bijdrage aan KNMI

906

652

220

220

220

709

709

 

- Waarvan bijdrage aan Nea

6.943

7.246

7.174

6.915

6.773

6.773

6.773

 

- waarvan bijdrage aan RWS

4.146

5.522

4.178

3.672

3.360

3.078

3.078

19.02

Internationaal beleid, coördinatie

             
 

en samenwerking

48.879

64.203

43.735

41.642

40.825

40.793

40.798

19.02.01

Opdrachten

4.715

12.635

6.649

6.598

6.914

7.091

7.093

 

- Uitvoering CDM

2.863

6.900

0

0

0

0

0

 

-RIVM

0

0

0

0

0

0

0

 

-RVO

34

0

0

0

0

0

0

 

- Interreg

344

2.691

1.805

1.855

1.855

1.944

7.944

 

- Overige opdrachten

1.474

3.044

4.844

4.743

5.059

5.147

5.749

19.02.02

Subsidies

0

1.000

500

0

0

0

0

 

- Interreg

0

1.000

500

0

0

0

0

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

40.311

46.774

34.212

32.670

31.537

31.078

31.081

 

- waarvan bijdrage aan RIVM

29.647

35.253

29.802

28.434

28.140

27.682

27.685

 

- waarvan bijdrage aan RVO

10.215

11.167

4.056

3.832

3.296

3.295

3.295

 

- waarvan bijdrage aan RWS

449

354

354

404

101

101

101

19.02.05

Bijdrage aan internationale

             
 

organisaties

3.853

3.794

2.374

2.374

2.374

2.624

2.624

 

Ontvangsten

134.089

168.000

189.000

224.000

224.000

357.000

294.000

Budgetflexibiliteit 19.01 Tegengaan klimaatverandering

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agent-schapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is minder dan de helft juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van klimaat en duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

De uitfinanciering van de in voorgaande jaren aangegane verplichtingen in het kader van de uitvoering van het Clean Development Mechanism en de opdrachten 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en RIVM zijn juridisch verplicht. Deze bijdragen hebben een structureel karakter. De bijdrage aan internationale organisaties is grotendeels juridisch verplicht. Het betreft hier uitgaven op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken. Deels zijn deze structureel van aard.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor opdrachten die worden verstrekt voor wetenschappelijk internationaal klimaatonderzoek, onderzoekprogramma's en bijdragen aan (internationale organisaties die een bijdrage leveren aan de internationale beleidsdoelstellingen op het gebied van milieu.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

96

Toelichting op de financiële instrumenten

19.01 Tegengaan klimaatverandering

19.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van lenM geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen klimaat, duurzame mobiliteit en industrie.

In het kader van het SER-Energieakkoord realiseert en bekostigt het Ministerie van lenM de volgende maatregelen:

  • 1. 
    Verankering in de wet Milieubeheer en onderhoud van erkende maatregelenlijsten voor realiseren van energiebesparing bij bedrijven;
  • 2. 
    Het samen met EZ uitvoeren van negen pilots m.b.t. de Energie Prestatie Keuring om energieprestaties bij bedrijven te verbeteren;
  • 3. 
    Ondersteuning en activering van bevoegde gezagen bij handhaving van de wet Milieubeheer in het kader van energiebesparing bij bedrijven;
  • 4. 
    Ontwikkelen en uitvoeren van de publiekscampagne veilige, zuinige, stille banden op spanning.

19.01.02 Subsidies

In het verleden heeft het Ministerie van lenM subsidies aan bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere organisaties verstrekt, waarvoor in de jaren tot en met 2016 nog betalingen moeten plaatsvinden. Het betreffen subsidies in het kader van Lokale Klimaatinitiatieven, milieutechnologie, duurzame mobiliteit en energiebesparing.

19.01.03 Bijdragen aan agentschappen Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Het KNMI verricht diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).

Nederlandse Emissieautoriteit (Nea)

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van lenM een opdracht aan de Nea voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede met betrekking tot het register voor biobrandstoffen.

Rijkswaterstaat (RWS)

Het betreft hier werkzaamheden die door RWS worden uitgevoerd. Het gaat met name om de uitvoering Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) en om de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op de beleidsterreinen klimaat (uitvoering Klimaatagenda en SER-energieakkoord) en duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

19.02.01 Opdrachten

Uitvoering Clean Devolpment Mechanism (CDM) Het CDM aankoopprogramma is eind 2013 afgerond en de Kyoto doelstelling is gerealiseerd. In 2015 en 2016 vinden in principe de laatste betalingen plaats. Dit betreffen de BTW-verplichtingen in verband met de aankoop van de emissierechten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

97

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. De deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma's van Interreg wordt bevorderd. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder inbegrepen de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. De stimulering via de PSR-subsidieregeling is hieronder bij 19.02.02 vermeld.

Overige opdrachten

Het Ministerie van lenM verstrekt aan nationale en internationale wetenschappelijke en adviserende instellingen opdrachten, onder andere op het gebied van de klimaatverandering, duurzame productie en consumptie en de inzet van biobrandstoffen. Ook worden de middelen aangewend voor het in Europees verband uitwerken van het klimaatbeleid richting 2050, voor de activititeiten in het kader van het EU-voorzitterschap van Nederland in 2016, de lenM bijdrage Polair Programma 2016-2020, activiteiten in het kader van internationale diplomatie, waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies en het ondersteunen en faciliteren van delegaties bij internationale bijeenkomsten.

19.02.02 Subsidies Interreg

Dit betreft uitgaven in het kader van de PSR-regeling, de subsidieregeling ter stimulering van het indienen door Nederlandse partners van projectvoorstellen die vallen onder Interreg Europe, North West Europe of North Sea Region (Projectstimuleringsregeling Interreg V; Stcrt. 2015, 10 986). Zie 19.02.01 voor een verdere toelichting van Interreg.

19.02.03 Bijdragen aan agentschappen RIVM en RVO

lenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek).

Rijkswaterstaat (RWS)

Dit betreft de agentschapsbijdrage voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving), de uitvoering van de Antartica regelgeving en enkele ondersteunende activiteiten in het kader van het internationaal beleid van lenM.

19.02.05 Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

Het Ministerie van lenM kent op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken financiële bijdragen toe aan (internationale organisaties. Dat is nodig om de kosten te dekken van de doorlopende ontwikkeling van zo'n verdrag of organisatie.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

98

In onderstaande tabel zijn de verwachte bijdragen voor 2016 vermeld.

Verdragen

United Nations Environment Programme (UNEP)

VNECE - environmental performance review

Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag

Montrealprotocol (uitbanning ozonlaagaantastende stoffen)

VNECE CLRTAP-verdrag (grensoverschrijdende luchtverontreiniging!

VNECE PRTR-verdrag (emissieregistersl

Verdrag van Rotterdam (melding vooraf export chemicaliën)

Verdrag van Stockholm (persistente organische stoffen)

Verdrag van Bazel (overbrenging gevaarlijk afval)

OESO Programme on Chemicals Accidents (voorkomen en bestrijden

van gevolgen van chemische ongelukken)

Cartagenaprotocol (verdrag over veiligheid van grensoverschrijdend vervoer van levend GGO's)

VNECE Aarhus-verdrag (toegang tot informatie, besluitvorming en rechter)

VNECE Helsinki-verdrag (bescherming tegen industriële ongevallen)

1.215

615 50 10 67 73 20 40 80

100

35

45

30

50

Contributies

UNFCCC International Transaction Log (verificatie transactie Kyoto units)

IPCC (Trustfund tbv draagvlak gebruik rapporten) China Council (adviesraad voor duurzame ontwikkeling) Control of Chemicals (OESO) (veiligheid van chemische producten) European Sustainable Phosphorus Platform (gericht op duurzame productie en gebruik van fosfaat)

International Transport Forum (ontwikkelingen op vervoersgebied) International Resource Panel (informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen)

533

74 43 100 20

10 186

100

Tevens worden de middelen ingezet voor het verstrekken van incidentele bijdragen en vrijwillige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties voor activiteiten die het internationaal milieubeleid van het Ministerie van lenM ondersteunen.

19.09 Ontvangsten

De opgenomen ontvangsten betreffen de geraamde opbrengsten van de verkoop van C02-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2 99

Beleidsartikel 20: Lucht en Geluid

Algemene Doelstelling Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwa-

liteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

Om qua luchtkwaliteit en geluid een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van lenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van lenM verantwoordelijk voor:

De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema's. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeerssector (auto's, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.

De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.

Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet SWUNG19) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. SWUNG-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Deze nieuwe geluidregels worden ondergebracht in de Omgevingswet. Aan medeoverheden worden middelen ter beschikking gesteld om aan de voorschriften van deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsge-voelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van lenM:

Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot een succesvolle uitvoering te brengen. • Schonere, zuiniger en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen en gezamenlijk te opereren richting Brussel, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, een stabiel beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te stimuleren, samen met de vervoerssector slimme logistieke concepten ontwikkelen voor stedelijke distributie en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

19 SWUNG: Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

100

Medeoverheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (voor fijn stof in 2011 en voor N02in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Algemeen

Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een monitoringsrapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring dient om de voortgang van de uitvoering van het NSL te volgen en biedt een basis om het programma waar nodig bij te sturen. De monitoring betreft de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de uitvoering van projecten en maatregelen. Op 16 december 2014 is de vijfde rapportage aan de Kamerverzonden (Kamerstukken II, 2014-2015, 30 175, nr. 203).

Tegengaan geluidhinder (kengetallen sanering verkeerslawaai, aantal woningen)

 
 

t.g.v. Rijksinfrastructuur

t.g.v. andere

infrastructuur

Totaal

Aantal woningen

Rijkswegen

Spoorwegen

A-lijst

Overig

 
 

inclusief

       
 

betreffende

       
 

A-lijst

       
 

woningen

       

Totaal

109.800

70.650

77.355

335.800

593.605

Uitgevoerd 1980-1990 (schatting)

40.000

7.450

-

40.000

87.450

Uitgevoerd 1990-2011

58.302

16.238

48.650

36.721

159.911

Uitgevoerd 2012

-

549

3.031

1.125

4.705

Uitgevoerd 2013

-

831

3.000

2.784

6.615

Uitgevoerd 2014

56

704

3.000

397

4.157

Planning 2015

-

1.500

2.000

700

4.200

Gepland restant per eind 2015

11.442

43.378

17.674

254.073

326.567

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), 28 april 2015

Toelichting:

De hier gepresenteerde realisatiecijfers voor Rijksinfrastructuur hebben betrekking op de sanering die nog door Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) onder de Wet geluidhinder wordt afgehandeld. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering zoals die nu door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de (meer recente) Wet milieubeheer. Hierdoor wijken de hier gepresenteerde aantallen af van de aantallen bij beleidsartikel 14, die zijn gebaseerd op sanering onder de Wet milieubeheer.

De gerealiseerde en geplande uitvoering van de A-lijst betreft een aanname op basis van de beschikbare budgetten en gemiddelde kosten per woning. Voortgangsgegevens zijn niet centraal beschikbaar. De aantallen in de regel «Uitgevoerd 2012» wijken enigszins af van de tabellen zoals opgenomen in de begrotingen 2014 en 2015. Daarin waren abusievelijk onjuiste aantallen vermeld, hetgeen thans is gecorrigeerd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

101

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005, 2010 en latere jaren, doelstellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr.

 
 

1990

2000

2005

2010 2010

2010

2012

2013

20151

2020

20202

2030

20302

       

Goten-burg Protocol

NEC-Realisatie Richt lijn

Reali satie

Raming

Raming

Voorstel EC

Raming

Voorstel EC

so2

N0X NH3

NM VOS3 PM2.5

192 575 355 482 46

73 395 162 238

24

64 337 143 172

19

34 50 272 266 127 128 150 191

15

50 260 128 185

34 248 120 146

13

30 240 134 150

13

38 222 117 145

12

34 180 117 150

12

46 201 124 160

13

34 163 113 159

11

26 117 107 115

12,8

1 Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2011 en 2020.

2 Plafonds voor 2020 en 2030 zijn afgeleid van de Commissievoorstellen, die reductiepercentages geven ten opzichte van basisjaar 2005. De voorstellen voor 2020 zijn gelijk aan de waarden in het nog niet geratificeerde herziene Gotenburgprotocol, de voorstellen voor 2030 zijn nog in onderhandeling (Kamerstukken II, 2014-2015, 22 112, nr. 1942).

3 NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

Bronnen: de informatie over de gerealiseerde emissies is afkomstig uit ^Informative Inventory Report 2015» (RIVM Rapport 2014_0166). De geraamde emissies komen uit de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland - Rapportage 2014 (RIVM Rapport 680363002/2014) en «De kosten en baten van het Commissievoorstel ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigde stoffen» (PBL i.s.m. RIVM en ECN, z.p. 24 november 2014). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting:

In mei 2012 zijn in Genève de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld. Het betreft aanpassing van het zogenaamde Gothenburg Protocol. Enigszins complicerend is dat er, in tegenstelling tot het bestaande protocol alsook de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn, geen emissieplafonds zijn opgenomen, maar reductiepercentages. Het referentiejaar voor die reducties is 2005 en de doelstellingen betreffen reductiepercentages die in 2020 dienen te zijn gerealiseerd. In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages omgerekend naar vrachten. Naast voorgaande verandering, geldt dat aan de bestaande stoffenlijst (NOx, S02, NH3 en VOS) ook fijn stof PM2 5 is toegevoegd. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen, dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer1 in kton/jr.

 
 

1990

2000

2005

2010

2011

2012

20142

2020

2030

 

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Reali-

Raming

Raming

Raming

 

satie

satie

satie

satie

satie

satie

     

NOx

336

240

198

164

159

149

139

97

79

so2

18

9

6

1,2

0,4

0,4

0,4

0,3

0,3

PM2,5

22

15

10

7

7

8

5

3

3

NH3

1

2,6

2,6

2,5

2,6

2,5

2,5

2,5

2,4

NMVOS3

198

85

45

32

31

33

29

28

26

1 Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart.

2 Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2011 en 2020.

3 NMVOS - Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

Bron: Inventory Report 2013 (pagina 20, pini 2.1)

De geraamde emissies komen uit de Referentieraming energie en emissies: actualisatie 2012. Energie en emissies in de jaren 2012, 2020 en 2030 (pagina 66-67, tabel B4.6). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting:

Op basis van nieuwe inzichten aangaande de emissiefactoren voor de verkeersemissies en het gebruik van een nieuw model voor de berekening van de stikstof stromen in de landbouwketen zijn de emissies voor

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

102

historische jaren herberekend voor verkeer (NOx, PM2 5 en NMVOS) en ammoniak (Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2012: Informative Inventory Report 2014, Jimmink et al, 2014, RIVM report 680355015). De getallen worden jaarlijks aan de hand van nieuwe inzichten voor emissieregistratie door het Planbureau voor de Leefomgeving in samenwerking met het RIVM, TNO e.d. bepaald, waarna doorrekening plaatsvindt voor de hele reeks. Dit laatste betekent dat daarmee ook realisaties uit voorgaande jaren eventueel worden bijgesteld.

Beleidswijzigingen Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is

verlengd tot 1 januari 2017.

Er resteren namelijk nog enkele hardnekkige knelpunten in bepaalde gebieden, zoals die met intensieve veehouderij (fijn stof) en bij binnenstedelijke gebieden (N02). Met name daar is het gewenst de NSL-aanpak nog enige tijd voort te zetten en te monitoren.

Geluid wordt ook gekenmerkt door vele en vaak complexe regels. In het kader van de Omgevingswet zullen, na de invoering van SWUNG-1, ook de overige regels worden gemoderniseerd. Voor steden en stedelijke gebieden is het daarbij van belang dat de saneringsoperatie verder wordt afgerond en waar mogelijk op een kosteneffectieve manier wordt verbreed. Naast deze ontwikkelingen zal worden gezocht naar tot nu toe onvoldoende gebruikte mogelijkheden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot het streven naar het combineren van maatregelen aan woningen tegen geluid met maatregelen gericht op energiebesparing in het kader van het SER-energieakkoord.

Budgettaire gevolgen van beleid

 

art. 20 Lucht en geluid (x 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

36.076

31.791

25.758

29.514

33.124

31.870

31.874

Uitgaven:

47.294

32.796

30.983

30.514

44.979

31.870

31.874

Waarvan juridisch verplicht

   

98%

       

20.01 Gezonde lucht en tegengaan

             

geluidhinder

47.294

32.796

30.983

30.514

44.979

31.870

31.874

20.01.01 Opdrachten

6.195

4.973

4.697

4.037

2.725

2.778

2.782

- Verkeersemissies

2.218

1.827

2.038

7.035

797

0

0

  • Geluid- en luchtsanering

3.977

3.146

2.659

3.002

2.528

2.778

2.782

20.01.02 Subsidies

11.661

2.939

2.000

1.004

0

0

0

- Euro 6 en Euro-VI

11.661

2.939

2.000

7.004

0

0

0

20.01.03 Bijdrage aan agentschappen

1.028

2.453

2.127

1.964

1.847

1.646

1.646

- waarvan bijdrage aan RWS

1.028

2.453

2.127

7.964

7.847

7.646

7.646

20.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

27.517

21.110

21.285

22.635

39.533

26.305

26.305

- NSL

0

0

0

0

77.624

0

0

- Wegverkeerlawaai

27.385

21.091

21.285

22.635

27.909

26.305

26.305

- Overige bijdrage medeoverheden

132

19

0

0

0

0

0

20.01.07 Bekostiging

893

1.321

874

874

874

1.141

1.141

Ontvangsten

427

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit 20.01 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), alsmede de bijdragen aan medeoverheden in het kader van met name de wettelijke taken inzake de sanering van het wegverkeerslawaai en het Nationaal

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

103

Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. Van het opdrachtenbudget is het overgrote deel juridisch verplicht door lopende opdrachten in de sfeer van de uitvoering van met name de geluidsanering en van de steekproefcontroleprogramma's.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op de beleidsterreinen geluid en luchtkwaliteit.

Toelichting op de financiële 20.01 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

instrumenten

20.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van lenM geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten uit in het kader van verkeersemissies, geluidhinder en luchtkwaliteit. Op het gebied van verkeersemissies worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van steekproefcontroleprogramma's door de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) inzake voertuigemissies. Ten aanzien van het beleidsterrein geluidhinder gaat het met name om de opdrachtverlening aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), dat namens het Ministerie van lenM zorg draagt voor de uitvoering van de geluidsanering voor gemeentelijke en provinciale infrastructuur.

20.01.02 Subsidies

Het Ministerie van lenM heeft in het verleden subsidies verstrekt in de aanschafkosten van nieuwe voertuigen, uitgerust met schone motoren, welke voldoen aan normen voor Euro-6 (taxi's en bestelauto's) respectievelijk Euro-VI (vrachtwagens en bussen). Op deze subsidies vinden nog tot en met 2015 betalingen plaats. Voorts worden subsidies verstrekt in de aanschafkosten van nieuwe, schonere bestelauto's door ondernemers in grensgemeenten van NSL-gemeenten die een milieuzone voor bestelauto's hebben ingevoerd.

20.01.03 Bijdragen aan agentschappen Rijkswaterstaat (RWS)

De voornaamste werkzaamheden van RWS zijn de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), de monitoring van duurzame mobiliteit en ondersteunende werkzaamheden bij de uitvoering van milieuzones.

20.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

De betalingen aan de provincies en gemeenten in het kader van het NSL hebben in de afgelopen jaren plaatsgevonden, in diverse tranches. De financiële afwikkeling en nabetaling van het restant van de toegezegde bijdragen is in 2018 voorzien.

Bij het onderdeel wegverkeerslawaai gaat het om de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van saneringsmaatregelen met betrekking tot geluidhinder door het verkeer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

104

20.01.07 Bekostiging

Jaarlijks bekostigt het Ministerie van lenM een deel van het milieuonderzoeksprogramma van EnergieonderzoekCentrum Nederland (ECN)te Petten. Over de invulling van dit programma worden afspraken gemaakt met ECN, mede om te borgen dat het onderzoek en de resultaten dienstbaar zijn aan de beleidsontwikkeling en -onderbouwing door lenM.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

105

Beleidsartikel 21: Duurzaamheid

Algemene Doelstelling Bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van

de natuurlijke hulpbronnen, zicht op de keten en gebruik van hulpbronnen buiten Nederland, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen en het versterken van de Nederlandse economie.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met de maatschappelijke partners. De Minister is hierbij verantwoordelijk voor:

Een transitie naar een circulaire economie, door het vitaal houden van ons natuurlijk kapitaal, het verbeteren van de voorzieningszekerheid en het versterken van het verdienvermogen van de Nederlandse economie;

  • • 
    Samen met het Ministerie van Economische Zaken het ontwikkelen van instrumenten om de waarde van natuurlijk kapitaal tot uitdrukking te brengen in het economisch verkeer;

Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal en op internationaal niveau, bijvoorbeeld om ongewenste emissies van stoffen te kunnen voorkomen of door het marktaandeel van circulaire producten te verhogen;

Het met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking;

Het coördineren van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • • 
    Stellen van grenzen aan de uitputting en de aantasting van natuurlijke hulpbronnen. Dit gebeurt via generieke en brongerichte maatregelen ter versterking van de veerkracht van het natuurlijk kapitaal.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt lenM duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere departementen door:

De verduurzaming van productketens waarbij bedrijven worden gestimuleerd om efficiënter om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld aanpassing van regelgeving. Green Deals en ketenprojecten;

Het stimuleren van ketenpartijen om duurzaamheidscriteria te hanteren. Door het bieden van meer transparantie en vergelijkingsmogelijkheden kan duurzaamheid een integraal onderdeel uitmaken van ieders afwegingen en besluiten;

  • • 
    Samenwerking met andere organisaties om begrippen als «duurzaam consumeren» en «maatschappelijk verantwoord ondernemen» concreet en hanteerbaar te maken voor (kleine) bedrijven en burgers; De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA20/VAMIL21 en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt;

20 Milieu-investeringsaftrek.

21 Willekeurige afschrijving milieu-investeringen; voorheen: «vervroegde».

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

106

Het stimuleren van duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem door concrete projecten op het gebied van groene functiecombinaties mogelijk te maken. Hiervoor wordt kennis en informatie over het duurzaam gebruik ter beschikking gesteld door ondermeer het ontwikkelen van de «Digitale Atlas van het Natuurlijk Kapitaal», worden beslissingsondersteunende instrumenten aangeboden aan bedrijven en overheden en worden voorbeeldprojecten ondersteund.

Tenslotte is de Minister van lenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Duurzame ontwikkeling kan op meerdere manieren inzichtelijk worden gemaakt. Wat betreft duurzaamheid in de Nederlandse samenleving zijn kengetallen te vinden in de Monitor Duurzaam Nederland (MDN) 2014 van het CPB, PBL, SCP en CBS, en in de CBS rapportage Green growth in the Netherlands 2011. In 2014 zijn aan de MDN ook indicatoren toegevoegd die meer gericht zijn op groene groei. Onderstaande grafiek laat kengetallen zien met betrekking tot de hoogwaardigheid van afvalverwerking.

Ontwikkeling in aanbod en toepassing van afval

80.000 T-1

1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2021

 
  • Afvalaanbod volgens BBP 1985-2000

-

Afvalaanbod prognose 2000-2012

   

Werkelijke afval hoeveelheid

  • Nuttige toepassing (incl. recycling)

-

Recycling

........ Verbranden als verwijdering

-----

Storten

♦ Maximaal aanbod in 2015 en 2021

Doel nuttig toepassen 2015 en 2021

Doel verbranden 2015 en 2021

Doel storten 2015 en 2021

Bron: LAP en RWS Leefomgeving.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

107

Toelichting bij de grafiek:

In januari 2015 is mede op basis van de evaluatie LAP 1 en LAP 2 de tweede wijziging van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) 2009-2021 van kracht geworden. In dat plan zijn nieuwe kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd. De figuur laat verschillende prognoses uit het verleden zien van het afvalaanbod. Ook is het werkelijk afvalaanbod weergegeven. Het verschil tussen de drie afvalaanbodlijnen en de lijn «Werkelijke afvalhoeveelheid» geeft aan hoeveel preventie is bereikt. Verder is in de grafiek te zien hoeveel afval nuttig is toegepast (recycling + inzet van afval als brandstof), is verbrand als vorm van verwijdering en is gestort. Er zijn in het LAP, en dus bij dit kengetal, alleen (tussen)doelen voor de jaren 2015 en 2021 geformuleerd. Dat komt met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan.

Beleidswijzigingen Om de transitie naar een circulaire economie te versnellen is een

internationale aanpak onmisbaar. Dit is een van de aanbevelingen uit de recente beleidsevaluatie LAP 1 en 2 waarin wordt aanbevolen om het beleid meer Europees af te stemmen. Dit doet het kabinet door proactieve inbreng richting de Europese Commissie en de aangekondigde nieuwe mededeling circulaire economie. Het kabinet wil het Nederlandse EU voorzitterschap van 2016 gebruiken om de Nederlandse visie op en ervaringen met thema's als behoud van vitaal natuurlijk kapitaal, ketenaanpak, duurzame handel en verbreding van het productenbeleid uit te dragen. Het doel hiervan is om een gezamenlijke aanzet voor Europees beleid te realiseren.

Daarnaast zet het kabinet zich ook in bij het internationaal verbinden van NGO's en bedrijven voor het verduurzamen van ketens, bijvoorbeeld door het internationaal opschalen van onze Green Dealaanpak. Tot slot neemt Nederland samen met Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk het initiatief tot een grondstoffenrotonde voor het Noordzeegebied (North Sea Resources Roundabout). Hierbij wordt gezocht naar afstemming in de interpretatie van en toezicht op regelgeving. Een grotere zekerheid rondom de status van een grondstof en het transport er van, leidt niet alleen tot meer handel, maar ook tot meer bedrijfszekerheid waardoor er meer innovatieve investeringen in de circulaire economie loskomen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

108

Budgettaire gevolgen van beleid

art 21. Duurzaamheid (x€ 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

18.650

23.781

21.842

20.888

21.596

18.669

18.672

Uitgaven:

 

18.420

22.508

23.564

20.888

21.596

18.669

18.672

Waarvan juridisch verplicht

   

87%

       

21.01

Afval en duurzaamheidagenda

0

0

0

0

0

0

0

21.02

Preventie en milieugebruiksruimte

0

0

0

0

0

0

0

21.03

Ecosystemen en landbouw

0

0

0

0

0

0

0

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

753

1.486

1.164

1.658

1.632

1.042

1.042

21.04.01

Opdrachten

559

1.298

969

1.463

1.437

847

847

21.04.03

Bijdrage aan agentschappen

194

188

195

195

195

195

195

 

- waarvan bijdrage aan RWS

794

188

795

795

795

795

795

21.05

Duurzame Productketens

12.522

17.208

18.118

14.954

15.700

13.363

13.366

21.05.01

Opdrachten

5.769

8.136

12.418

9.812

10.624

8.315

8.318

21.05.02

Subsidies

1.660

1.601

582

520

520

520

520

21.05.03

Bijdrage aan agentschappen

5.093

7.471

5.118

4.622

4.556

4.528

4.528

 

- waarvan bijdrage aan RWS

5.093

7.477

5.77S

4.622

4.556

4.528

4.528

21.06

Natuurlijk kapitaal

5.145

3.814

4.282

4.276

4.264

4.264

4.264

21.06.01

Opdrachten

3.217

1.607

1.975

2.153

2.184

2.184

2.184

21.06.02

Subsidies

631

0

359

359

359

359

359

21.06.03

Bijdrage aan agentschappen

1.297

2.207

1.948

1.764

1.721

1.721

1.721

 

- waarvan bijdrage aan RWS

7.297

2.207

7.94S

7.764

7.727

7.727

7.727

 

Ontvangsten

72

0

0

0

0

0

0

Artikel 21

Belastinguitgaven (x€ min) 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

Verlaging lastendruk op ondernemingen

VAMIL 25 38 40 40 40 40 40

Milieu-investeringsaftrek (MIA) 58 92 97 97 99 99 99

Verlaging lastendruk op arbeid

Verlaging fiscale bijtelling IB (zeer) zuinige

auto's ' 585 658 601 505 494 480 575

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

 

Vrijstelling groen beleggen forfaitair

             

rendement

53

55

56

57

58

59

61

Heffingskorting groen beleggen

34

35

36

37

37

38

39

Energiebelasting

Teruggaaf kerkgebouwen

9

9

10

10

11

11

12

Teruggaaf non-profit

22

24

25

26

27

28

29

Vrijstellingen grootverbruik

3

2

2

2

2

2

2

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

Budgetflexibiliteit 21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

De agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

109

Van het opdrachtenbudget is het overgrote deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op de uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS in het kader van de uitvoering van het afvalbeleid.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzaamheidsinstrumentarium.

21.05 Duurzame productketens

Productketens worden onderzocht met het oog op de gevolgen van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen. Actie- en resultaatgerichte samenwerking in ketens en in de «gouden driehoek» (onderzoekers, ondernemers en overheid) wordt ondersteund om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waardevernietiging.

21.05.01 Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP). Daarnaast worden opdrachten geboekt voor de uitvoering van VANG en projecten ter verduurzaming van ketens in het kader van de circulaire economie. Dit betreft vooral de ketens: fosfaat, kunststof, voedsel, textiel, beton, hout en elektronica, alsmede sectoren met een grote milieudruk zoals landbouw en bouw.

Verder zullen er opdrachten rondom fiscale stimulering, de regelingen MIA, VAMIL en Groen Beleggen worden verstrekt die bijdragen aan het vergroenen van het belastingstelsel.

21.05.02 Subsidies

Hier is een budget geraamd voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen. Daarnaast is er budget geraamd voor de subsidieverlening in het kader van het ontwikkelen, beheren en toetsen van transparante duurzaamheidscriteria.

21.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van afval, grondstoffen en productketens

21.06 Natuurlijk kapitaal

Ecosystemen zijn van groot belang voor het voortbestaan van de mens, onder andere door de levering van voedsel, van water en een schone leefomgeving. In stand houden en verbeteren van de vitaliteit van het «natuurlijk kapitaal» maakt het mogelijk om goederen, diensten of ecosysteemfuncties duurzaam te kunnen benutten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

110

21.06.01 Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa en voor de waardering van ecosystemen.

21.06.02 Subsidies

Subsidies hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen die voor de ontwikkeling van het beleid van het duurzaam gebruik van ecosystemen bevorderlijk kunnen zijn. Per aanvraag zal een beoordeling op relevantie plaatsvinden.

21.06.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van natuurlijk kapitaal.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

111

Beleidsartikel 22: Omgevingsveiligheid en milieurisico's

Algemene Doelstelling Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar

geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico's.

Rollen en Verantwoordelijkheden Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico's kunnen veroorzaken voor het milieu en de gezondheid van de mens. Deze regisserende rol komt naar voren in: De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Dit beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en zonder «nationale kop» geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO's), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH) en bestrijdingsmiddelen (Biocidenverorde-ning. Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail, buisleidingen en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van weten regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze internationale (voornamelijk Europese) regels.

  • • 
    Waar Europese regels (deels) ontbreken, of lidstaatspecifieke implementatie vereisen, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maken, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen, risicovolle bedrijven en basisnet vervoer gevaarlijke stoffen waarmee een balans wordt gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid. Voorts is dit aan de orde bij de beleidsontwikkeling ten behoeve van de veilige toepassing voor mens en milieu van nieuw technologieën, zoals nanotechnologie en synthetische biologie. Het is ook aan de orde bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. Hier wordt, binnen de grenzen van Europese regelgeving, een balans gezocht tussen bescherming van mensen in de openbare ruimte en de wens overlast door onkruid te bestrijden. Een ander voorbeeld is het verbod op asbestdaken dat in 2016 in werking treedt en in 2024 van kracht zal zijn. In Nederland vormen asbestdaken de belangrijkste bron van verspreiding van asbestvezels in de leefomgeving.

De reductie van administratieve lasten voor bedrijven en het terugdringen van het aantal regels door de vereenvoudiging van de bestaande wet- en regelgeving. Het Activiteitenbesluit, dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet daarin opgaat, is hiervan het belangrijkste voorbeeld. Dit besluit is er onder meer op gericht de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Reductie van de regeldruk wordt ook nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden door 29 Omgevingsdiensten (OD's) uitgevoerd, waarbij zes OD's een specialisatie in BRZO22-taken hebben. Tegengaan van lastendruk is ook een centrale invalshoek bij het transport van gevaarlijke stoffen. Om die reden stelt

BRZO: Besluit Risico's Zware Ongevallen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

112

Nederland geen hogere eisen aan verpakkingen en voer- of vaartuigen dan in de relevante internationale verdragen is vastgelegd, conform de EU-Kaderrichtlijn Transport Gevaarlijke Stoffen. Wel vervult Nederland een trekkersrol bij het komen tot internationale afspraken op voor Nederland belangrijke onderwerpen, zoals crashbuffers en druppellekkage bij het vervoer van gevaarlijke stoffen via het spoor. Het ontwikkelen van een integraal afwegingskader veiligheid dat behulpzaam is bij besluitvorming inzake activiteiten die veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico's met zich mee kunnen brengen. Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu voor activiteiten met GGO's.

Het verlenen van vergunningen voor een beperkt aantal bedrijven met een verhoogd risico voor de externe veiligheid in Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico's voor mens en milieu veroorzaken om deze risico's te identificeren en te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die, bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening, keuzes maken die invloed hebben op veiligheid en risico's. De Minister stimuleert:

Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico's en het stimuleren van de aanpak daarvan, door het in beeld brengen van de risico's van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen en synthetische biologie, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico's zoals bij elektromagnetische velden. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is daarbij een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico's. De Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontwikkeld) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Het landelijk asbest-volgsysteem voorziet alle ketenpartijen van de nodige informatie. Het verbod op asbestdaken gaat per 2024 in. Om de sanering tijdig op gang te brengen wordt dit verbod begeleid door een subsidieregeling die in 2016 in zal gaan. Hiermee moet worden voorkomen dat er rond 2023 een capaciteitsprobleem ontstaat bij de inventarisatie- en verwijderingbedrijven en dat er een handhavingprobleem ontstaat in 2024.

Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico's op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

Het bevorderen van een continue verbetering van de externe veiligheid, bijvoorbeeld met behulp van het instrument van de safety deals.

Verder is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

113

Indicatoren en Kengetallen

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet tellen. Bovendien geeft het Rijk hier veelal instrumenten aan anderen om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen zodat de daadwerkelijke implementatie lokaal plaatsvindt.

Op dit terrein worden daarom de volgende kwantitatieve kengetallen

gehanteerd:

  • • 
    REACH:

In het kader van de Europese stoffenregelgeving (REACH) en de Biocideverordening worden stoffen beoordeeld en waar nodig van maatregelen voorzien (autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage aan dat proces, waarbij de Nederlandse inzet wordt bepaald door de eerder ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria en de mate waarin de betreffende stof voor Nederland zorgen oplevert, of hier geproduceerd of gebruikt wordt. Onderstaande tabel geeft aan wat de realisatie is in 2014 bij deze producten van het Europese systeem en wat naar verwachting de Nederlandse inbreng is in 2015 en 2016. Daarbij betreft de Nederlandse bijdrage, naast het zelf inbrengen van dossiers, ook het actief becommentariëren van door andere lidstaten ingebrachte dossiers.

Tabel resultaten EU REACH in 2014, 2015 en 2016

 
   

Realisatie 2014

Geraamd 20151

Geraamd 20162

   

NL

Hele EU3

NL

Hele EU 3

NL

Hele EU3

   

inbreng

 

inbreng

 

inbreng

 

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van

           
 

Europese bedrijven

150

393

100

360

100

375

2

Door Nederland uitgevoerde en

           
 

becommentarieerde stofevaluaties 1)

14(3)

50

20 (3)

50

30 (3)

45

3

Door Nederland ingediende en becommentarieerde RMO-analyses en

           
 

informatieverzoeken 2)

17(5)

nvt

6 (12)

nvt

6 (12)

nvt

4

Door Nederland ingebrachte en becommentarieerde Annex XV dossiers t.a.v.

           
 

zeer ernstige zorgstoffen 3)

14(0,3)

14

3 (20)

50

3 (20)

50

5

Door Nederland ingebrachte en

           
 

becommentarieerde restrictiedossiers 4)

4

6

1 (6)

9

1 (6)

9

6

Door Nederlandse ingebrachte en becommentarieerde voorstellen voor

           
 

geharmoniseerde classificatie & labelling 5)

51 (2)

40

40 (7)

60

40 (7)

60

7

Behandelde vragen door de REACH helpdesk

396

nvt

400-500

nvt

400-500

nvt

1 Bron: Werkprogramma Bureau REACH 2015.

2 Bron: ECHA's «baseline figures for 2014-2018 (Annex 3)».

3 Het aantal dossiers dat in de Europese Unie is ingebracht.

Toelichting:

Ad 1) Onder stofevaluaties vallen ook de transitiedossiers van de voormalige wetgeving voor nieuwe stoffen (67/548EEG) en bestaande stoffen (793/93/EG), de zogenaamde Notification Of New Substances (NONS) dossiers en Persistent Bioaccumulative and Toxic (PBT)-dossiers. Het getal tussen haakjes geeft aan hoeveel stofevaluaties door Nederland worden uitgevoerd.

Ad 2) Met tussen haakjes de door NL in te dienen Risk Management Options (RMO)-analyses.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

114

Ad 3) Nederland levert in 2015 en 2016, naast de zelf in te dienen Substance of Very High Concern (SVHC) dossiers, op alle door andere lidstaten en European Chemicals Agency (ECHA) in te dienen SVHC dossiers commentaar. De getallen tussen haakjes geven het aantal Nederlandse dossiers weer.

Ad 4) Met tussen haakjes het door Nederland ingediende restrictiedossier.

Ad 5) In de tabel is het totale aantal door Nederland ingediende dan wel becommentarieerde CLH (Classification and Labelling Harmonisation) stoffen opgenomen. Onder becommentariëring vallen zowel reacties op publieke consultatie (2014: 13), reacties op ontwerp opinies (2014: 23) van het RAC als rapporteurschappen (2014: 15) van de Nederlandse leden van het Committee for Risk Assessment (RAC). Readies op publieke consultatie en ontwerp opinie kunnen volgtijdelijk voor hetzelfde dossier worden ingediend, vandaar dat deze aantallen die van de hele EU overstijgen. Tussen haakjes is het aantal door Nederland ingediende dossiers weergegeven.

Bevt en Bevi:

Het aantal (opgeloste) kwetsbare objecten binnen veiligheidszones met betrekking tot externe veiligheid (transport en inrichtingen). Bij het basisnet is door de genomen maatregelen het aantal knelpunten gereduceerd tot 42 woningen, waarvoor een milde saneringsregeling geldt (Bevt, Besluit externe veiligheid transportroutes). Voor het uitvoeren van deze saneringsregeling is een periode van vijfjaar genomen. Bij de inwerkingtreding van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) in 2004 was er sprake van 65 saneringssituaties. Ultimo 2014 was de stand van zaken dat er in twaalf gevallen sprake is van een achterstand bij de sanering. Er zijn procedures in gang gezet om te komen tot sanering van alle situaties. Dit zal naar verwachting er toe leiden dat in 2016 alle situaties zijn gesaneerd. • GGO's:

Aantal verleende vergunningen per jaar, met het percentage daarvan dat onder de grens van verwaarloosbaar risico is gerealiseerd. Het aantal vergunningen dat in 2015 wordt verleend is nog niet goed in te schatten aangezien per 1 maart 2015 het Besluit «GGO 2013» in werking is getreden waarin een meldingsysteem wordt geïntroduceerd naast het al bestaande, maar door het Besluit aangepaste, systeem van vergunningen. In de loop van 2016 zullen de eerste kengetallen worden opgeleverd. Majeure risicobedrijven:

Jaarlijks rapporteert de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer de Staat van de Veiligheid bij de majeure risicobedrijven. De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven schetst vanuit een breed perspectief een beeld van de veiligheidssituatie van de majeure risicobedrijven in Nederland. Met deze benadering wordt vanuit verschillende invalshoeken het beeld over de veiligheid bij deze groep bedrijven losgekoppeld van de individuele casuïstiek bij bedrijven. Op basis van een jaarlijks terugkerende rapportage kunnen tevens trends en ontwikkelingen over de veiligheid bij de majeure risicobedrijven zichtbaar worden en waar nodig specifieke sturingsmaatregelen worden genomen. De eerste rapportage is in 2014 verschenen, in 2015 zal de Staat van de Veiligheid na de zomer aan de Kamer worden gezonden. De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven is een monitoringsinstrument voor de stelselverantwoordelijke departementen (lenM, VenJ en SZW).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

115

Beleidswijzigingen In 2016 wordt verder gewerkt aan het bevorderen van een verbetering van

de omgevingsveiligheid, onder meer door het stimuleren van de kwaliteit bij de uitvoering van het omgevingsveiligheidsbeleid. In het met de andere overheden in de jaren 2015-2018 uit te voeren programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) wordt in 2016 en 2017 een extra impuls gegeven aan het omzetten van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) in een PGS Nieuwe Stijl (duidelijker governance gebaseerd op risicomethodiek), zodat hiervan gebruik gemaakt kan worden in het nog op te stellen Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur van het wetsvoorstel Omgevingswet. Daarnaast zal in 2016 de regeling «Safety Deals» van kracht zijn, op basis waarvan initiatieven van het bedrijfsleven en de overheden op het terrein van het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij bedrijven concreet worden opgepakt en uitgevoerd.

Het (Europese) beleid ten aanzien van nieuwe risico's, bijvoorbeeld op het vlak van nanotechnologie, hormoonverstorende stoffen en synthetische biologie is nog in ontwikkeling. Het accentueren van het gezondheidsaspect in het milieubeleid moet helpen om op termijn te komen tot een omgevingskwaliteit die bijdraagt aan een goede gezondheid. Omgevingsfactoren vormen een significante oorzaak van de gezondheidslast (circa 5%, schatting PBL 2014). Het beleid blijft daarom gericht op het wegnemen van al bekende knelpunten, zoals te verbeteren luchtkwaliteit, maar verkent ook de noodzaak om andere en nieuwe, onzekere risico's voor de gezondheid aan te pakken, zoals de cumulatie van blootstelling aan chemische stoffen. Dat laatste vereist allereerst een goede signalering van mogelijke risico's, en een weloverwogen analyse en beoordeling daarvan. De aanzet die, samen met het RIVM, voor dat signaleringssysteem is gemaakt zal in 2016 worden vervolgd en verbeterd. De Gezondheidsraad heeft in 2015 een eerste analyse gegeven voor een afwegingskader. Dit kader moet helpen te bepalen welk van die signalen in beleid moeten worden vertaald. In 2016 zal het door de Gezondheidsraad opgestelde afwegingskader met een beleidsappreciatie aan de Tweede Kamer worden gezonden.

De Europese aanpassing van de GGO-regelgeving ten aanzien van de vrijheid voor lidstaten om het gebruik van tot de Europese Unie toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen al dan niet op het eigen grondgebied alnog op andere gronden dan veiligheid voor mens, dier en milieu te beperken dan wel te verbieden zal mogelijk in 2016 worden besproken op Europees niveau. Daarnaast zal in 2016, en het daaropvolgend jaar, de Europese evaluatie van het EU veiligheidsbeleid ten aanzien van biotechnologie op de agenda staan.

Bij de beperking van de risico's van stoffen ligt de focus in 2016 en volgende jaren op de implementatie van Europese regelgeving. Hierbij is de inzet dat deze regelgeving op punten wordt verduidelijkt om nieuwe risico's beter te adresseren. Uit een onderzoek in 2013 bleek dat met name MKB bedrijven problemen ondervinden. Daarom is in 2014 een project samen met het bedrijfsleven uitgevoerd om verbeteringsmogelijkheden te identificeren. Begin 2015 is het rapport hierover gepubliceerd (Kamerstukken II, 2014-2015, 21 501-08, nr. 548) en in het najaar 2015 zal over de voortgang worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer. In 2016 zullen de ingezette acties worden voortgezet en zal worden bezien tot welke resultaten deze hebben geleid.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

116

In 2015 is een start gemaakt met een blootstellingonderzoek rond omwonenden van teelten met een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, te beginnen met bollenvelden. Dit onderzoek moet kennis opleveren over de vraag in hoeverre omwonenden blootgesteld worden aan (toegelaten) gewasbeschermingsmiddelen. Het blootstellingonderzoek rondom bollenvelden loopt tot en met 2018. In 2016 zal het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen voor iedereen geëffectueerd worden. In 2017 zal het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw op overige terreinen niet meer mogelijk zijn, behoudens enkele uitzonderingen. Het gebruik door particulieren zal sterk teruggedrongen worden. De verplichting voor de glastuinbouw om afvalwater te zuiveren (gewasbeschermingsmiddelen) wordt in regelgeving vastgelegd die 1 januari 2018 van kracht zal zijn.

In vervolg op in 2014 gezette stappen inzake een verkenning in hoeverre de biobased economy benut kan worden voor het verminderen van het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen, is in 2015 bezien of deze inventarisatie concreet vervolg kan krijgen. De eventuele vervolgstappen uit deze analyse worden in 2016 en volgende jaren uitgevoerd. Het gaat hier, per definitie, om vrijwillige bovenwettelijke stappen waar het bedrijfsleven zelf de handschoen oppakt.

Ter ondersteuning van het verbod per 2024 op asbestcementdaken en -gevelplaten is vanaf 2016 een subsidieregeling van kracht op basis waarvan de maatschappelijke kosten die de verwijdering van asbestdaken met zich meebrengt worden verlaagd. Deze regeling is bedoeld om de verwijdering van de asbestdaken in de eerste jaren te stimuleren, zodat de uitvoering over de volledige beschikbare periode zal plaats vinden en het risico wordt verkleind dat eind 2023 niet alle asbestdaken zijn verwijderd. Voor deze regeling en de uitvoering daarvan is in het startjaar 2016 in totaal € 10 miljoen beschikbaar.

Binnen het vuurwerkbeleid wordt een volgende stap gezet met het verbieden van een aantal vuurwerkproducten (babypijltjes, Romeinse kaarsen), omdat deze aanleiding zijn voor veel letsel.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

117

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico's (x € 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

15.965

35.389

33.309

52.795

52.807

59.173

65.687

Uitgaven:

 

18.549

31.654

34.012

52.711

53.142

59.508

66.022

Waarvan juridisch verplicht

   

97%

       

22.01

Veiligheid chemische stoffen

6.784

11.125

7.620

7.133

6.701

5.725

5.726

22.01.01

Opdrachten

5.313

2.131

4.574

4.636

4.629

3.431

3.432

 

- Veiligheid en gezondheid

3.675

885

557

436

829

637

637

 

- Overige opdrachten

1.638

1.246

4.017

4.200

3.800

2.800

2.801

22.01.02

Subsidies

370

6.440

973

600

175

175

175

 

-NANoREG

270

6.165

698

425

0

0

0

 

- Overige subsidies

100

275

275

175

175

175

175

22.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.101

2.554

2.073

1.897

1.897

1.739

1.739

 

- waarvan bijdrage aan RWS

7.707

2.554

2.073

1.897

1.897

7.739

7.739

22.01.05

Bijdragen aan internationale

             
 

organisaties

0

0

0

0

0

380

380

22.02

Veiligheid biotechnologie

509

2.679

3.602

3.070

3.000

2.870

2.870

22.02.01

Opdrachten

509

2.679

3.602

3.070

3.000

2.770

2.770

22.02.05

Bijdragen aan internationale

             
 

organisaties

0

0

0

0

0

100

100

22.03

Veiligheid bedrijven en transport

11.256

17.850

22.790

42.508

43.441

50.913

57.426

22.03.01

Opdrachten

4.030

1.109

5.587

23.723

22.864

28.327

30.829

 

- Omgevingsveiligheid

506

770

7.537

15.812

15.812

21.000

20.353

 

- Buisleidingen

272

230

2.263

5.185

3.235

3.453

6.702

 

- Overige opdrachten

3.252

709

1.787

2.726

3.817

3.874

3.774

22.03.02

Subsidies

3.506

6.106

10.490

12.490

15.381

17.873

21.884

 

- Asbest en safety deals

2.996

2.472

10.000

12.000

15.091

77.583

21.594

 

- Overige subsidies

510

3.634

490

490

290

290

290

22.03.03

Bijdrage aan agentschappen

3.085

4.059

3.707

3.289

2.190

1.707

1.707

 

- waarvan bijdrage aan RWS

3.085

4.059

3.707

3.289

2.190

1.707

1.707

22.03.04

Bijdragen aan medeoverheden

635

6.042

0

0

0

0

0

 

- Bijdragen asbestsanering

0

5.967

0

0

0

0

0

 

- Bijdragen programma Externe

             
 

Veiligheid

635

75

0

0

0

0

0

 

- Overige bijdragen aan medeover-

             
 

heden

0

0

0

0

0

0

0

22.03.05

Bijdragen aan internationale

             
 

organisaties

0

0

0

0

0

0

0

22.03.09

Inkomensoverdrachten

0

534

3.006

3.006

3.006

3.006

3.006

 

Ontvangsten

1.543

12.922

928

675

250

250

250

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

       

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1

8.06 Externe

           

Veiligheid van het Infrastructuurfonds

   

2.005

1.996

1.000

865

763

Andere ontvangsten van artikel 18.06 Externe Veiligheid van het

           

Infrastructuurfonds

   

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastruc-

         

tuurfonds

     

2.005

1.996

1.000

865

763

waarvan

               

18.06

Externe veiligheid

   

2.005

7.996

7.000

S65

763

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

118

Budgetflexibiliteit

22.01 Veiligheid chemische stoffen

De uitgaven voor subsidies en de agentschapbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. Van het opdrachtenbudget is het overgrote deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van wettelijke taken inzake het (inter)nationale stoffenbeleid alsmede de vergunningverlening daaromtrent, het NANoREG-programma en het (interdepartementale) meerjaren programma Gezondheidsrisico's straling zendmasten (elektromagnetische velden).

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel heeft met name betrekking op het uitvoeren van de programma's REACH en het programma Gezondheid in het milieubeleid (GiM).

22.02 Veiligheid biotechnologie

Van het opdrachtenbudget is het overgrote deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van risicobeoordelingen, risicobeheersing, monitoring en vergunningverlening van Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO).

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering veiligheid biotechnologie.

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

De uitgaven voor inkomensoverdrachten en de agentschapbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget en het subsidiebudget is het overgrote deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten en subsidies in de sfeer van (wettelijke) taken inzake externe veiligheid, de vergunningverlening (veiligheid inrichtingen) en basisnetten. De subsidies hebben een tijdshorizon.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt voor een deel aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid.

Toelichting op de financiële 22.01 Veiligheid chemische stoffen

instrumenten

22.01.01 Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt aan de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid. Daarnaast worden hier opdrachten verstrekt voor het meerjarig onderzoekprogramma elektromagnetische velden (EMV) en de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van kankerverwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening). Voorts worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van taken op de gebieden «veiligheid en gezondheid» (asbest) en «nieuwe risico's en security» (nanotechnologie en synthetische biologie).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

119

22.01.02 Subsidies

De subsidies hebben betrekking op het gebied van een asbestveilige agro-sector, de bijdrage aan het Platform EMV en de bijdrage van de Europese Commissie (EC) voor de coördinatie van het EU-project NANoREG uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek van de EC.

22.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor voornamelijk de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp «asbest». Daarnaast wordt veel inzet geleverd voor de implementatie en verdere ontwikkeling van het landelijk asbest volgsysteem (LAVS).

22.02 Veiligheid biotechnologie

22.02.01 Opdrachten

Ter uitvoering van de wettelijke taak wordt jaarlijks een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) voor het maken van beoordelingen inzake risico's verbonden aan werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij de uitvoering van werkzaamheden met GGO's kunnen worden toegepast. Ook jaarlijks wordt aan het Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen (Bureau GGO) een opdracht verstrekt ten behoeve van de vergunningverlening voor werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen die beoordeeld moeten worden op de risico's voor mens en milieu. Daarnaast worden in dit kader van vergunningverlening opdrachten verstrekt voor onderzoek en beleidsontwikkeling toetsingscriteria nieuwe GGO's.

Nederland geeft in het kader van het «Biosafety Protocol» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de ratificatie en implementatie van het supplementair protocol aansprakelijkheid en verhaal van GGO's.

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

22.03.01 Opdrachten

Omgevingsveiligheid: Impuls programma

Het betreft hier uitgaven in het kader van de Impuls omgevingsveiligheid (IOV 2015-2018) voor de deelprogramma's Besluit risico's zware ongevallen (BRZO), Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS), Informatie/ Kennisinfrastructuur en lokaal externe (omgevings) veiligheidsbeleid. Door middel van een programmatische aanpak wordt ingezet op het creëren van een veiligere leefomgeving. Het programma wordt uitgevoerd onder auspiciën van het Bestuurlijk OmgevingsBeraad (BOB), waarin naast lenM ook het IPO, de VNG en de veiligheidsregio's participeren. Als onderdeel van de uitvoeringsagenda BRZO worden ook uitgaven gedaan onder de noemer «Safety deals». De safety deals zijn complementair aan de maatregelen die versterking van toezicht en handhaving tot doel hebben (IOV 2015-2018). Het gaat hier om het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij onder meer de bedrijfsprocessen binnen de chemiesector, te weten het gebruik en productie van gevaarlijke stoffen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

120

evenals de opslag en het transport daarvan. De veiligheidsmaatregelen leveren een positieve bijdrage aan de veiligheid in de omgeving.

Overige opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor wettelijke taken zoals vergunningverlening (BRZO bedrijven en olieterminals in Caribisch Nederland), de monitoring van basisnetten (weg, water, spoor), aanpassing regelgeving vervoer gevaarlijke stoffen als gevolg van wijzigingen internationale verdragen, modellenbeheer buisleidingen (Bevb), uitbreiding en onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de ontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductie maatregelen.

22.03.02 Subsidies

Subsidies hebben voornamelijk betrekking op de financiering van het verbod op asbestdaken en op het stimuleren van «safety deals», de coördinatie van BRZO, vuurwerkcampagnes en de vorming van een adequaat stelsel van Omgevingsdiensten.

22.03.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht omgevingsveiligheid» en «vergunningverlening». Daarnaast vinden hier uitgaven plaats voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnetten en vervoer gevaarlijke stoffen.

22.03.09 Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesothelioom (TNS). Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom heeft als gevolg van contact met asbest buiten de werksituatie.

22.09 Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op het EU-bijdrage project NANoREG 2014-2016.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

121

Beleidsartikel 23: Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Algemene Doelstelling Het KNMI garandeert als onafhankelijke autoriteit aan Nederland de best

beschikbare informatie op het gebied van meteorologie, klimatologie en seismologie als bijdrage aan de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland, inclusief de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius en Bonaire.

Rollen en Verantwoordelijkheden Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT23, ECMWF24 en WMO25.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap KNMI zoals vastgelegd in de Wet op het KNMI (2002). De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op de volgende taken: Het beschikbaar maken, houden en stellen van een algemeen weerbericht voor de Nederlandse samenleving en het afgeven van weerwaarschuwingen;

Het beschikbaar maken, houden en stellen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens (onder andere voor hergebruik);

Het beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologi-sche inlichtingen;

Het verrichten van met name wetenschappelijk meteorologisch- en seismologisch onderzoek;

Het desgevraagd en onder voorwaarden ondersteunen van bestuursorganen, de rechterlijke organisatie, overheidsbedrijven of openbare lichamen op het terrein van meteorologie, seismologie of andere geofysische terreinen bij de uitvoering van aan hen opgedragen taken; Het onderhouden van de nationale infrastructuur voor de meteorologie en andere geofysische terreinen;

Internationale samenwerking op het gebied van meteorologie en seismologie en andere geofysische terreinen

De Minister van Buitenlandse Zaken (BuZa) is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de Minister van Economische Zaken (EZ) is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet.

23 European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites; www.eumetsat.int.

24 European Centre for Medium-Range Weather Forecasts; www.ecmwf.int.

25 World Metereological Organization; www.wmo.ch.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

122

Indicatoren en Kengetallen

Indicatoren

 
         

Realisatie

Streefwaarde/ norm

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

Algemene weersverwachtingen en adviezen

           

-afwijking min.temperatuur (°C)

-0,24

-0,06

-0,17

-0,01

-0,18

ABS1 (<0,5)

-afwijking max.temperatuur (°C)

-0,21

-0,33

-0,37

-0,25

-0,25

ABS (<0,5)

  • gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,04

-0,03

-0,06

0,26

0,00

ABS (<1,0)

Maritieme verwachtingen

           

-tijdigheid marifoonbericht (%)

99,3

99

98,6

99,3

99,9

>99

Gereviewde publicaties

120

97

103

105

105

>80

Kengetallen

           

Aantal uitgegeven weeralarmen

4

0

1

2

1

 

Percentage tijdige beschikbaarheid van de

           

meteorologische producten (Bron: EUMETSAT)

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

1 ABS: absolute waarde Bron: KNMI, 2015

Toelichting

De indicatoren ten aanzien van algemene weers- en maritieme verwachtingen geven een indruk van de tijdigheid van de berichtgeving door het KNMI en de gemiddelde afwijking van verwachte waardes voor temperatuur en windsnelheid ten opzichte van de uiteindelijk waargenomen waardes. Het aantal gereviewde publicaties is een maatstaf voor de kwantiteit en de kwaliteit van het onderzoek van het KNMI. Het aantal zogenoemde gereviewde publicaties in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften wordt bepaald.

Het aantal weeralarmen is afhankelijk van de weersomstandigheden; hierdoor is er geen norm aan te geven. Bovendien is het afgeven van een weeralarm geen doel op zich. Wel is belangrijk dat het instrument weeralarm effectief wordt ingezet om de samenleving tijdig te waarschuwen voor maatschappij-ontwrichtend weer. In het jaarverslag zal worden ingegaan op het aantal opgetreden weeralarmsituaties en de mate waarin het KNMI gegrond heeft gewaarschuwd, dan wel gegrond niet heeft gewaarschuwd.

Het kengetal tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten geeft een beeld van de tijdige beschikbaarheid van de gegevens van de METEOSAT- en METOP-satellieten voor de meteorologische producten van het KNMI. Indien de streefwaarden niet worden gehaald, heeft dat een negatieve impact op de kwaliteit van de weersverwachting op de dagen van gebrekkige beschikbaarheid van de waarnemingen, een en ander is afhankelijk van de dan optredende weerssituatie.

Beleidswijzigingen De Wet op het KNMI zal worden ingetrokken. Daarvoor in de plaats komt

de «Wet taken meteorologie en seismologie», die naar verwachting per 1 januari 2016 in werking zal treden. Deze wet regelt wat de zorgplichten (publieke taken) van de Minister zijn op het gebied van weer, klimaat en seismologie. In de Wet op het KNMI wordt het KNMI nu nog expliciet genoemd als uitvoeringsorganisatie. De verantwoordelijkheid voor publieke taken op het gebied van weer, klimaat en seismologie(zorg-plichten) en de uitvoering van die taken worden op deze manier ontkoppeld. Dit maakt het makkelijker om in te spelen op zich in de toekomst voordoende ontwikkelingen. In zijn algemeenheid kan deze wet beter inspelen op internationale en Europese ontwikkelingen. Zo wordt een luchtvaartmeteorologische dienstverlener nu op basis van de Wet

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

123

luchtvaart aangewezen door de Minister in plaats van de wettelijke aanwijzing in de Wet op het KNMI. Ten slotte maakt de wet het mogelijk om meer te werken op basis van vraagsturing.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie (x € 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

37.645

39.298

32.566

42.878

44.177

49.851

39.412

Uitgaven:

 

36.760

38.431

33.433

42.011

45.044

48.984

38.545

Waarvan juridisch verplicht

   

700%

       

23.01

Meteorologie en seismologie

26.078

26.225

25.059

24.293

23.857

23.854

23.858

23.01.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

25.204

25.193

24.192

23.426

22.990

22.987

22.991

 

- Meteorologie

24.630

24.694

23.726

23.003

22.594

22.597

22.595

 
  • Seismologie

574

499

466

423

396

396

396

23.01.05

Bijdrage aan internationale

             
 

organisaties

874

1.032

867

867

867

867

867

 

- Contributie WMO (HGIS)

874

7.032

867

867

867

867

867

23.02

Aardobservatie

10.682

12.206

8.374

17.718

21.187

25.130

14.687

23.02.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

10.682

12.206

8.374

17.718

21.187

25.130

14.687

 

- Aardobservatie

10.682

12.206

8.374

17.718

21.187

25.130

14.687

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit De uitgaven voor de bijdrage aan het agentschap KNMI zijn volledig

juridisch verplicht. De bijdrage aan het agentschap KNMI heeft een structureel karakter.

Toelichting op de financiële 23.01 Meteorologie en seismologie

instrumenten

23.01.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI Meteorologie

Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer (code geel, code oranje en weeralarm);

  • • 
    Ter beschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;
  • • 
    Ter beschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

Leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario's);

  • • 
    Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de meteorologie; Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij over weer en klimaat.

Seismologie

  • • 
    Continue monitoring van natuurlijke en geïnduceerde seismiciteit in Nederland;
  • • 
    Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de seismologie; Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van aardbevingen en tsunami's;

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

124

  • • 
    Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het nationaal datacentrum voor de CTBTO (Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty Organisation).

23.01.04 Bijdragen aan internationale organisatie: contributie WMO

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributie aan de World Meteorological Organization te voldoen. Deelname aan de activiteiten van het WMO wordt gefinancierd uit HGIS.

23.02 Aardobservatie

23.02.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI: aardobservatie

Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten in Europees verband (EUMETSAT).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

125

Beleidsartikel 24: Handhaving en Toezicht

Algemene Doelstelling Het stimuleren en bewaken van veilige vervoers- en watersystemen en

een duurzame leefomgeving.

Rollen en Verantwoordelijkheden Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van weten regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft een medeverantwoordelijkheid inzake wonen en bouwen. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving.

Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving beoogt de wetgever een door haar gewenst niveau van veiligheid en duurzaamheid te bewerkstelligen. Daarbij worden de rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gehanteerd, met oog voor de nalevingseisen die van de ondertoezichtstaanden worden gevraagd. Zij streeft daarbij samenwerking met andere overheidspartners na.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap ILT. De Minister voor Wonen en Rijksdienst is mede verantwoordelijk op het terrein van wonen en bouwen. De rol uitvoeren heeft betrekking op:

  • • 
    Vergunningverlening;
  • • 
    Toezicht door middel van objectinspecties, administratie controles, audits, convenanten en digitale inspecties;
  • • 
    Opsporing in geval van ernstige overtreding of fraude (onder aansturing van het OM);

Incidentafhandeling en onderzoek. Een gedetailleerde beschrijving van het uitvoeringsprogramma van de ILT is te vinden in het Meerjarenplan 2015-2019 dat samen met het jaarverslag ILT 2014 begin 2015 aan de Tweede Kamer is verzonden (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 000 XII, nr. 65).

Indicatoren en Kengetallen

Deze tabel geeft inzicht in het verwachte respectievelijk geplande aantal te verstrekken vergunningen, het aantal uit te voeren administratieve controles, (digitale en object) inspecties, audits, het aantal af te sluiten convenanten en het aantal opsporingen in het begrotingsjaar. Het Meerjarenplan ILT 2015-2019 bevat een verdere toedeling naar doelgroepen en een nadere toelichting op deze cijfers.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

126

Overzicht geplande productie-aantallen 2016

 
 

Vergunningen

Adm. Contr.

Audits

Conve-nanten

Digitale inspecties

Objectinsp.

Incident-afhandeling

onderzoek

Afval, industrie en

               

bedrijven

3.252

354

133

17

-

1.399

38

-

Rail- en wegvervoer

707

1.050

185

98

3.000

20.100

   

Scheepvaart

7.000

167

25

14

 

6.470

350

250

Luchtvaart

5.200

 

430

25

 

1.379

   

Water, wonen en

               

producten

290

4.335

33

26

-

4.355

-

-

Transport gevaarlijke

               

stoffen

280

315

72

5

 

4.650

157

25

totaal

16.729

6.221

878

185

3.000

38.353

545

275

Beleidswijzigingen Naar aanleiding van de vorming van de ANVS en daarmee het vertrek van

de Kernfysische Dienst is het aantal domeinen binnen de ILT teruggebracht naar vijf. Taken en middelen zijn verdeeld over de nieuw benoemde domeinen Afval, industrie en bedrijven (het voormalig domein Risicovolle bedrijven) en Water, wonen en producten (het voormalig domein Water Bodem Bouwen). Deze wijziging is zichtbaar in zowel de toedeling van de taken als in toelichting op de budgettaire gevolgen van beleid.

In de brief aan de Kamer van 20 maart 2015 heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangegeven het gehele toezicht op de woningcorporaties onder te brengen bij de ILT (Kamerstukken II, 2014-2015, 29 453, nr. 369). In de agentschapsparagraaf van de ILT komen deze middelen terug onder de opbrengsten derden en in de kosten van de ILT Deze opbrengsten- en kostenreeksen worden jaarlijks geaccordeerd door de Minister voor Wonen en Rijksdienst.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 24 Handhaving en toezicht (x € 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

116.481

116.333

110.655

104.919

102.604

102.600

102.606

Uitgaven:

 

116.481

116.333

110.655

104.919

102.604

102.600

102.606

Waarvan juridisch verplicht

   

700%

       

24.01

Handhaving en toezicht

116.481

116.333

110.655

104.919

102.604

102.600

102.606

24.01.03

Bijdrage aan het agentschap ILT

116.481

116.333

110.655

104.919

102.604

102.600

102.606

 

- Afval, Industrie en bedrijven

13.304

26.561

25.264

23.955

23.426

23.425

23.427

 

- Rail en wegvervoer

25.636

24.356

23.167

21.966

21.481

21.480

21.482

 

- Scheepvaart

75.749

22.750

21.640

20.518

20.066

20.065

20.066

 

- Luchtvaart

73.168

18.906

17.983

17.051

16.674

16.674

16.675

 

- Risicovolle stoffen en producten

33.826

0

0

0

0

0

0

 

- Water, bodem en producten

15.398

23.760

22.601

21.429

20.957

20.956

20.956

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit De uitgaven voor de bijdrage aan het agentschap ILT zijn volledig juridisch

verplicht. De bijdrage aan het agentschap ILT heeft een structureel karakter.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

127

Toelichting op de financiële De ILT levert voor de financiële bijdragen van het moederdepartement aan

instrumenten het agentschap in de hieronder weergegeven vijf domeinen de volgende

producten. In het meerjarenplan 2015-2019 dat begin 2015 aan de Tweede Kamer is gezonden, staat per domein uitgebreid beschreven welke taken worden uitgevoerd en de bijbehorende kengetallen ten aanzien van naleving, vergunningverlening en toezicht.

24.01 Handhaving en toezicht

24.01.03 Bijdrage aan het agentschap ILT Domein Afval, Industrie en Bedrijven

Bij grensoverschrijdend transport van afval is de ILT de bevoegde autoriteit in Nederland om vergunningen te verlenen en toezicht op de naleving uit te voeren zoals voorgeschreven in de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Volgens het Besluit Inzameling Afvalstoffen dienen inzamelaars van scheepsafvalstoffen, klein gevaarlijk afval en afgewerkte olie vergund te zijn. De ILT verleent inzamelvergun-ningen en ziet toe op de naleving. De ILT verleent vergunningen en verricht toezicht in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet Milieubeheer en de vergunningen die daaraan verbonden zijn voor Defensie, een aantal bijzondere inrichtingen en twee BRZO-bedrijven26 op de BES-eilanden.

De handhaving is verder gericht op bedrijven en organisaties die verantwoordelijk zijn voor risicobronnen bij (externe) veiligheid, zoals geformuleerd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en/of inzake luchtemissies, energie en klimaat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en andere milieu- en veiligheidsregelgeving.

De Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD)

De onderzoeken van de ILT zijn gericht op personen en bedrijven die de regelgeving op het gebied van milieu en wonen stelselmatig en op een ernstige manier overtreden. De ILT richt zich daarbij op georganiseerde criminaliteit met een ondermijnend karakter en vaak met internationale (financiële) constructies en handelsstromen, waarbij zonder ingrijpen van de overheid uiteindelijk onherstelbare schade ontstaat aan mens, milieu en maatschappij. De daadwerkelijke aansturing van strafrechtelijke onderzoeken gebeurt door het Functioneel Parket (FP) van het Openbaar Ministerie. Afspraken over prioriteiten en te bereiken resultaten liggen vast in een Handhavingsarrangement, dat jaarlijks wordt afgesloten tussen de ILT en het FP.

Domein Rail en Wegvervoer

De ILT richt zich bij het toezicht op railvervoer op:

Infrastructuur en materieel;

Bedrijven en keuringsinstanties;

  • • 
    Operaties (machinisten, conducteurs, baanwerkers, rangeerders);
  • • 
    Veiligheidsmanagement, cultuur en arbeidsomstandigheden.

De ILT richt zich bij het toezicht op het wegvervoer op: Bedrijven;

  • • 
    Vrachtwagens, bussen en taxi's;
  • • 
    Chauffeurs.

Bedrijven die vallen onder het Besluit Risico Zware Ongevallen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

128

Rail

De ILT houdt toezicht op de naleving van de Spoorwegwet. De markt voor het railgoederenvervoer is internationaal georiënteerd en geheel geliberaliseerd. De sector kent een hoog veiligheidsgehalte, maar het hoofdspoor blijft een kwetsbaar systeem. Daarnaast is de ILT toezichthouder voor interlokale tramlijnen, lightrail en metrosystemen. In de Wet Lokaal Spoor worden de laatstgenoemde lijnen en systemen uitgebreid met de stedelijke tramlijnen, waarin het toezicht op het totaal komt te liggen bij de lokale overheid, met de ILT als aangewezen toezichthouder.

Taxi

De ILT richt zich op de naleving van de Wet en Besluit Personenvervoer 2000 en het Arbeidstijdenbesluit Vervoer. De ILT besteedt binnen haar toezicht veel tijd aan de aanpak van het aanbieden en verrichten van taxivervoer zonder vergunning en rapporteert hierover twee maal per jaar aan de Tweede Kamer.

Bus

De ILT houdt toezicht op de naleving van de arbeidstijdenbesluit Vervoer en de Wet Personenvervoer 2000. In het nationale busvervoer, met zijn relatief veilige status, sluit de ILT convenanten af met goed presterende bedrijven.

Goederenvervoer over de weg

De ILT houdt toezicht op de naleving van arbeidstijdenwetgeving (inclusief fraude met de digitale tachograaf) en wetgeving met betrekking tot maten en gewichten (overbelading). Het goederenvervoer over de weg is grensoverschrijdend. In Europees verband is de fraude met de digitale tachograaf een belangrijk probleem, waar in het toezicht extra aandacht aan wordt gegeven. Daarnaast spelen overtredingen rond inleen van (buitenlandse) arbeidskrachten en ontduiken van sociale wetgeving een belangrijke rol. De omvang van de problematiek rond cabotage wordt verder onderzocht.

Domein Scheepvaart

De taken van de ILT op het terrein van de binnenvaart zijn vastgelegd in regelgeving die in belangrijke mate van Europese origine is. De ILT is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Binnenvaartwet en van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De handhaving van de Scheepvaartverkeerswet is primair een taak van de politie en Rijkswaterstaat. Gelet op de naleving blijft in de binnenvaart aandacht nodig voor ten minste stabiliteit/stuwage, ladinginformatie en documenten, de vaartijden en de bemanningssterkte. Gelet op risico's die met deze vorm van vervoer gemoeid zijn, krijgt het vervoer van gevaarlijke stoffen meer aandacht.

Voor de koopvaardij is een complex van wet- en regelgeving van kracht, dat is geënt op overwegend mondiaal geldende regimes. Het algemene beeld is dat het veiligheidsbewustzijn in de koopvaardij op een behoorlijk niveau is en de naleving op de meeste onderdelen relatief hoog is (tussen de 80 en 95%).

Wet- en regelgeving voor de visserij is van (inter)nationale origine. Gelet op het aantal ongevallen is de visserij relatief onveiliger dan de andere scheepvaartsectoren. De meeste ongevallen in de visserij zijn het gevolg van menselijk handelen. Voor de naleving zijn met name de bemanningsaspecten in de visserij een aandachtspunt.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

129

Domein Luchtvaart

De ILT houdt toezicht op de naleving van veiligheids- en milieuwetten en regels voor de luchtvaart. De luchtvaartsector is een hightech industrie waarin de zorg voor veiligheid vanaf haar ontstaan een van de belangrijkste oorzaken is geweest voor uitgebreide en zeer gedetailleerde internationale regelgeving. De Europese regelgeving en de Europese vormen van samenwerking nemen een steeds prominentere plaats in. Het toezicht richt zich op de hele keten: luchtvervoerders, luchtvaartuigen, technische bedrijven, grondafhandelingsbedrijven, luchtverkeersleiding, bemanning, onderhoudstechnici, keurings- en examineringsinstanties, opleidingsinstellingen, meteodiensten, het luchtruim, luchthavens en luchtvaartvertoningen. Naast toezicht op veiligheid is de ILT wettelijk ook betrokken bij de handhaving van milieuvoorschriften met name op het gebied van geluid.

Domein Wonen, Water en Producten

De ILT verleent vergunningen (respectievelijk goedkeuringen en verklaringen van geen bezwaar) voor de eigen werken van Rijkswaterstaat, meetprogramma's van drinkwaterbedrijven, vuurwerkimporteurs en precursoren.

Het toezicht op de naleving van de regelgeving voor risicovolle stoffen en producten richt zich op de gehele keten: productie, transport, opslag, gebruik, handel en verwijdering. Belangrijke aandachtsgebieden zijn asbest(verwijdering), biociden en stoffen in het kader van REACH27.

De ILT houdt toezicht op de naleving van de Wet explosieven voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit bij onder andere producenten, transporteurs en importeurs. Zowel bij vuurwerk als bij explosieven is steeds meer sprake van een ketenbenadering. Het toezicht richt zich enerzijds op het vergroten van de productveiligheid van consumentenvuurwerk en anderzijds op het terugdringen van ondeugdelijk en illegaal vuurwerk. Het laatste betreft onder andere het aanpakken van de georganiseerde handel in en het tegengaan van de invoer van dit soort vuurwerk. Vanwege het internationale karakter van de keten, heeft de ILT als ketenregisseur contact met internationale handhavingspartners

Het toezicht op water en bodem richt zich op een breed palet van bedrijven, instellingen en personen: waterkeringbeheerders. Rijkswaterstaat en gecontracteerde aannemers, drinkwaterbedrijven, erkende bodemintermediairs.

Op het gebied van hoogwaterveiligheid houdt de ILT toezicht op de beheerders van primaire waterkeringen.

Bij de drinkwaterbedrijven richt het toezicht zich op de bepalingen in de Drinkwaterwet en de daaronder vallende regelingen maar ook op het tarief, de beveiliging en de afhandeling van calamiteiten. De ILT houdt toezicht op bodemintermediairs en certificerende instellingen met als oogmerk de betrouwbaarheid van het werk van intermediairs te vergroten door toezicht te houden op werkzaamheden in het bodembeheer en aan de integriteit van de uitvoerders. Het toezicht Producten is gericht op correcte labels en conforme producten voor bouwproducten, pleziervaartuigen en voertuigbanden. De verplichting geldt voor fabrikanten, importeurs en distributeurs. Verder wordt toezicht gehouden ter

Reach staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

130

voorkoming van de verkoop van verkeersproducten (denk aan auto's, bromfietsen, trekhaken, aanhangwagens) die niet zijn toegelaten of die niet overeenkomen met de toelating.

Bij de handhaving Wonen richt het toezicht zich op het zichtbaar aanwezig zijn van energielabels en aanverwante zaken in voor publiek toegankelijke overheidsgebouwen. Vanaf 1 juli 2015 is hier het toezicht op de woningcorporaties bijgekomen.

Tot slot worden beleidsmonitoringsonderzoeken op het gebied van ruimte en bouwen uitgevoerd.

Transport van gevaarlijke stoffen

Het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen is belegd bij de vervoersdomeinen Rail- en Wegvervoer, Scheepvaart en Luchtvaart en richt zich op de grootste risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen en op bedrijfsmatige producten en processen van betrokken bedrijven. De inzet is hierbij vooral multimodaal vervoer. Ook hier ligt de nadruk op systeemtoezicht en het afsluiten van convenanten met de best presterende bedrijven. Daarnaast wordt de ILT-capaciteit zoveel mogelijk ingezet op de logistieke knooppunten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

131

Beleidsartikel 25: Brede Doeluitkering

Algemene Doelstelling Het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraag-

stukken door de twee krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen openbare lichamen die verkeer- en vervoer-taken verrichten (vervoerregio's). Dit betreffen thans de Stadsregio Amsterdam en het samenwerkingsverband van gemeenten in de zuidelijke Randstad, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Rollen en Verantwoordelijkheden Financieren

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU), die het mogelijk maakt dat er in de gebieden waar de vervoerregio's actief zijn maatwerkoplossingen kunnen worden geboden voor verkeers- en vervoervraagstukken. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid en artikel 15 OV-keten waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

De samenwerkingsverbanden Stadsregio Amsterdam en Metropoolregio Rotterdam Den Haag zijn verantwoordelijk voor de beleidsinhoudelijke beslissingen over hun verkeer- en vervoeraangelegenheden.

Beleidswijzigingen Met ingang van 2016 maken de voor de provincies bestemde middelen uit

de BDU verkeer en vervoer deel uit van het Provinciefonds. De overheveling naar het Provinciefonds vloeit voort uit de Wet afschaffing plusregio's die op 1 januari 2015 in werking is getreden (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 659, nr. 2). Overeenkomstig de wet komen de BDU-middelen van de voormalige plusregio's Bestuur Regio Utrecht, Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, Stadsregio Arnhem-Nijmegen en Regio Twente toe aan de betreffende provincies. Tezamen met de reeds voor de provincies bestemde BDU-middelen zijn deze middelen vanaf 1 januari 2016 opgenomen in het Provinciefonds.

De middelen voor de Stadsregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag blijven verstrekt worden als brede doeluitkering vanaf de begroting van lenM.

Budgettaire gevolgen van beleid

 

art 25. Brede doeluitkering (x € 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

1.872.801

1.813.636

854.242

839.994

854.776

855.207

853.553

Uitgaven:

Waarvan juridisch verplicht

1.989.790

1.879.591

852.688

700%

853.519

854.998

854.944

853.553

25.01 Brede doeluitkering

1.989.790

1.879.591

852.688

853.519

854.998

854.944

853.553

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit 25.01 Brede Doeluitkering

Conform de wet BDU wordt jaarlijks voorafgaand aan het uitkeringsjaar de brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoersbeleid geheel als betalingsverplichting vastgelegd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

132

Toelichting op de financiële 25.01 Brede Doeluitkering

instrumenten

Jaarlijks wordt een beschikking verstrekt voor de Brede Doeluitkering aan de Stadsregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Deze beschikking wordt berekend op basis van de in de Wet BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

De Stadsregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag zijn vrij in de afweging aan welke verkeer- en vervoertaken zij de BDU-middelen besteden. Zij bepalen dat aan de hand van de doelen die zij willen bereiken op hun verkeer- en vervoersterrein. Daarbij hebben zij veel ruimte voor een eigen invulling, rekeninghoudend met de specifieke kenmerken van hun regio.

lenM financiert vanuit de BDU en op verzoek van de medeoverheden tot en met 2017 het CROW/KpVV-programma. De middelen hiervoor zijn door deze medeoverheden vanuit de BDU beschikbaar gesteld.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

133

Beleidsartikel 26: Bijdrage investeringsfondsen

Algemene Doelstelling

De rollen en verantwoordelijkheden

Beleidswijzigingen

Budgettaire gevolgen van beleid

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

Financieren

Zaken die op het Infrastructuurfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen op de begroting Hoofdstuk XII.

Voor de beleidswijzigingen wordt verwezen naar de betreffende beleidsartikelen.

 

art. 26 Bijdrage investeringsfondsen (x€ 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

6.910.205

5.879.019

6.375.221

6.605.286

6.625.537

6.685.031

6.666.553

Uitgaven:

6.910.205

5.879.019

6.375.221

6.605.286

6.625.537

6.685.031

6.666.553

26.01 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

26.02 Bijdrage aan het Deltafonds

5.834.916 1.075.289

4.823.705 1.055.314

5.355.569 1.019.652

5.702.361 902.925

5.697.414 928.123

5.730.721 954.310

5.808.303 858.250

Ontvangsten

Budgetflexibiliteit De mate van budgetflexibiliteit is terug te vinden bij de afzonderlijke

artikelen op de beide fondsen van lenM.

Toelichting op de financiële 26.01 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

instrumenten

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds, ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Opbouw art.ond. 26.01 Bijdrage aan het IF (x € 1.000)

 
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

12

Hoofdwegen

1.568.564

1.955.595

2.161.909

2.389.678

2.787.233

3.017.168

2.582.181

12.01

Verkeersmanagement

14.510

9.691

3.631

3.631

3.632

3.631

3.628

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

592.880

678.756

562.327

506.795

520.306

499.928

593.446

12.03

Aanleg

  • 148.520

388.151

480.299

897.115

1.482.458

1.714.739

1.199.144

12.04

GIV/PPS

669.479

371.932

644.111

519.647

325.945

343.201

337.961

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

440.215

567.712

531.703

511.708

507.124

505.976

505.257

12.07

Investeringsruimte

0

-60.647

-60.162

-49.218

-52.232

  • 50.307

-57.255

13

Spoorwegen

2.057.465

2.147.466

2.041.627

1.952.667

1.833.728

1.584.536

2.169.491

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.228.205

1.291.436

1.165.680

1.142.026

1.186.531

1.163.964

1.173.157

13.03

Aanleg

750.005

823.640

787.284

695.784

553.102

319.922

879.663

13.04

GIV/PPS

8.072

  • 2.667

-4.164

-3.656

-468

6.742

7.674

13.07

Rente en aflossing

48.907

17.020

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

22.276

18.037

76.230

101.916

77.966

77.311

92.400

14

Regionaal, lokale infrastructuur

139.982

278.714

366.011

327.649

166.891

185.417

99.636

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

127.145

133.159

197.040

169.301

95.156

125.408

77.442

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

0

9.111

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

12.837

145.555

168.971

158.348

71.735

50.898

22.194

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

134

 
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

15

Vaarwegen

727.543

821.791

819.917

854.059

721.783

700.091

703.292

15.01

Verkeersmanagement

7.545

8.412

8.412

8.412

8.412

8.412

8.412

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

411.846

411.347

356.103

328.006

274.708

283.144

194.361

15.03

Aanleg

53.840

108.606

172.050

234.166

166.912

133.617

231.713

15.04

GIV/PPS

4.233

6.184

3.619

7.844

2.262

2.229

2.196

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

250.079

301.578

289.741

283.916

280.932

280.488

282.165

15.07

Investeringsruimte

0

  • 14.336
  • 10.008

-8.285

  • 11.443

-7.799

  • 15.555

17

Megaprojecten

119.800

58.522

143.280

172.361

220.221

320.328

332.599

17.02

Betuweroute

3.639

4.555

2.083

2.083

2.083

0

0

17.03

Hoge snelheidslijn HSL

20.905

20.183

25.700

23.000

0

0

0

17.06

PMR

5.748

4.604

4.620

4.216

2.669

486

2.879

17.07

ERTMS Landelijke invoer

35.628

41.338

44.669

57.588

112.588

196.588

216.000

17.08

ZuidasDok

53.880

  • 12.158

66.208

85.474

102.881

123.254

113.720

18

Overige uitgaven

210.350

93.481

169.617

1.000

865

763

  • 64.000

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

-24.165

0

0

0

0

0

0

18.02

Beter Benutten

434

128.431

127.621

0

0

0

0

18.03

Intermodaal vervoer

3.854

3.045

0

0

0

0

0

18.04

Gebiedsgerichte aanpak (UPR)

1.909

0

0

0

0

0

0

18.06

Externe veiligheid

5.244

2.005

1.996

1.000

865

763

0

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en

             
 

expertise

0

0

0

0

0

0

0

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

223.074

0

0

0

0

0

0

18.11

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

18.12

Nader toe te wijzen BenO en

             
 

Vervanging

0

0

0

0

0

0

0

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

18.14

Minregel: rentevrijval

0

0

0

0

0

0

-64.000

18.15

Ramingsbijstelling en kasschuif

0

-40.000

40.000

0

0

0

0

Totaal

 

4.823.705

5.355.569

5.702.361

5.697.414

5.730.721

5.808.303

5.823.199

 
   

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

12

Hoofdwegen

3.079.501

2.996.729

2830.081

2.651.231

2.572.934

2.431.540

2.613.828

12.01

Verkeersmanagement

3.625

3.624

3.623

3.621

3.621

3.621

3.629

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

791.694

791.650

795.875

796.175

742.298

969.145

704.997

12.03

Aanleg

1.537.499

1.476.401

1.312.128

1.106.781

945.003

430.227

268.165

12.04

GIV/PPS

295.397

286.994

266.673

271.334

422.427

222.087

220.764

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

492.970

499.240

495.259

500.044

501.021

501.159

498.543

12.07

Investeringsruimte

-41.684

-61.180

  • 43.477

-26.724

-41.436

305.301

917.730

13

Spoorwegen

1.425.599

1.481.955

1.605.311

1.644.943

1.616.663

1.688.389

1.502.914

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.177.809

1.180.831

1.200.742

1.199.633

1.200.601

1.174.834

1.150.486

13.03

Aanleg

156.596

217.351

309.882

351.055

329.213

427.257

260.482

13.04

GIV/PPS

9.053

10.444

12.297

13.261

13.332

12.520

2.280

13.07

Rente en aflossing

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

65.544

56.732

65.793

64.397

56.920

57.181

73.069

14

Regionaal, lokale infrastructuur

110.941

85.982

2.396

36.080

66.654

77.205

121.873

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

110.941

85.982

2.396

36.080

66.654

77.205

121.873

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

0

0

0

0

0

0

0

15

Vaarwegen

657.608

662.922

768.527

917.511

986.650

1.025.532

697.020

15.01

Verkeersmanagement

8.412

8.412

8.412

8.412

8.412

8.412

8.412

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

241.630

267.748

286.750

257.231

257.216

248.643

230.911

15.03

Aanleg

136.194

112.775

141.364

332.332

424.170

452.719

98.065

15.04

GIV/PPS

2.164

2.132

2.107

2.077

2.047

2.018

1.989

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

277.024

279.654

282.053

283.981

284.468

284.530

283.119

15.07

Investeringsruimte

-7.816

-7.799

47.841

33.478

10.337

29.210

74.524

17

Megaprojecten

436.071

425.979

347.082

285.542

195.161

224.652

493.137

17.02

Betuweroute

0

0

0

0

0

0

0

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

135

2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028

 

17.03

Hoge snelheidslijn HSL

0

0

0

0

0

0

0

17.06

PMR

2.879

2.879

2.884

2.884

2.884

2.884

69.374

17.07

ERTMS Landelijke invoer

316.000

319.864

249.000

220.000

189.301

159.301

405.437

17.08

ZuidasDok

117.192

103.236

95.198

62.658

2.976

62.467

18.326

18

Overige uitgaven

  • 64.000
  • 64.000
  • 64.000
  • 64.000
  • 164.000
  • 164.000
  • 164.000

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

0

0

0

0

0

0

0

18.02

Beter Benutten

0

0

0

0

0

0

0

18.03

Intermodaal vervoer

0

0

0

0

0

0

0

18.04

Gebiedsgerichte aanpak (UPR)

0

0

0

0

0

0

0

18.06

Externe veiligheid

0

0

0

0

0

0

0

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en

             
 

expertise

0

0

0

0

0

0

0

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

0

0

0

0

0

0

0

18.11

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

18.12

Nader toe te wijzen BenO en

             
 

Vervanging

0

0

0

0

0

0

0

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

18.14

Minregel: rentevrijval

-64.000

-64.000

  • 64.000

-64.000

-64.000

-64.000

-64.000

18.15

Ramingsbijstelling

0

0

0

0

  • 100.000
  • 100.000
  • 100.000

Totaal

 

5.645.720

5.589.567

5.489.397

5.471.307

5.274.062

5.283.318

5.264.772

   

26.02 Bijdrage aan het Deltafonds

     
   

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het

   

Deltafonds, ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verant-

   

woord.

           

Opbouw art.ond. 26.02 Bijdrage aan het DF (x € 1.000)

   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1

Investeren in waterveiligheid

541.343

474.162

412.872

438.914

452.573

354.788

678.691

1.01 Grote projecten waterveiligheid

383.760

380.399

199.503

116.762

68.859

106.298

128.509

1.02 Overige aanlegprojecten Waterveiligheic

1 149.922

84.808

206.164

321.752

383.314

248.140

550.182

1.03 Studiekosten

7.661

8.955

7.205

400

400

350

0

2

Investeren in zoetwatervoor-

             
 

ziening

12.820

44.744

46.229

26.334

31.970

32.418

26.426

2.01 Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

0

0

2.02 Overige waterinvesteringen zoetwatervoor-

           

ziening

 

10.505

42.434

43.994

24.749

30.385

30.833

26.426

2.03 Studiekosten

2.315

2.310

2.235

1.585

1.585

1.585

0

3

Beheer, onderhoud en vervanging

165.512

206.336

141.085

148.223

141.485

97.912

141.124

3.01 Watermanagement

7.764

6.991

6.989

6.989

6.989

6.989

6.989

3.02 Beheer, onderhoud en vervanging

157.748

199.345

134.096

141.234

134.496

90.923

134.134

4

Experimenteren cf art. Ill Deltawet 0

0

0

0

0

0

0

4.01 Experimenteerprojecten

0

0

0

0

0

0

0

5

Netwerkgebonden kosten en

             
 

overige uitgaven

287.686

270.063

273.725

276.703

274.026

272.193

270.951

5.01 Apparaat

181.119

214.647

206.160

209.156

206.834

204.994

205.562

5.02 Overige uitgaven

106.567

73.279

67.565

67.547

67.192

67.199

65.389

5.03 Investeringsruimte

0

  • 17.863

0

0

0

0

0

7

Investeren in waterkwaliteit

47.953

24.347

29.014

37.949

54.256

100.939

82.961

7.01 Real.progr.Kaderrichtlijn water

39.980

22.217

25.738

37.182

53.489

80.050

82.961

7.02 Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

7.973

2.130

3.276

767

767

20.889

0

Totaal

 

1.055.314

1.019.652

902.925

928.123

954.310

858.250

1.200.153

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

136

2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028

 

1 Investeren in waterveiligheid

509.263

396.586

350.147

268.185

296.245

345.299

254.745

1.01 Grote projecten waterveiligheid

159.800

135.500

138.179

5.842

0

0

0

1.02 Overige aanlegprojecten

             

Waterveiligheid

349.463

261.086

211.968

262.343

296.245

345.299

254.745

1.03 Studiekosten

0

0

0

0

0

0

0

2 Investeren in zoetwatervoor-

             

ziening

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

2.01 Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

0

0

2.02 Overige waterinvesteringen

             

zoetwatervoorziening

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

1.833

2.03 Studiekosten

0

0

0

0

0

0

0

3 Beheer, onderhoud en

             

vervanging

241.171

232.303

246.298

299.841

238.335

233.423

230.570

3.01 Watermanagement

6.989

6.989

7.014

7.014

7.014

7.211

6.816

3.02 Beheer, onderhoud en

             

vervanging

234.181

225.313

239.284

292.827

231.321

226.212

223.754

4 Experimenteren cf art. Ill

             

Deltawet

0

0

0

0

0

0

0

4.01 Experimenteerprojecten

0

0

0

0

0

0

0

5 Netwerkgebonden kosten en

             

overige uitgaven

292.359

269.882

394.469

422.253

452.145

407.810

517.050

5.01 Apparaat

201.790

204.289

205.811

206.810

207.308

207.307

207.330

5.02 Overige uitgaven

65.569

65.593

65.868

66.008

66.004

67.739

63.860

5.03 Investeringsruimte

25.000

0

122.790

149.435

178.833

132.764

245.860

7 Investeren in waterkwaliteit

47.325

47.325

47.325

47.325

47.325

37.489

0

7.01 Real.progr.Kaderrichtlijn water

47.325

47.325

47.325

47.325

47.325

37.489

0

7.02 Overige aanlegprojecten

             

Waterkwaliteit

0

0

0

0

0

0

0

Totaal

1.091.951

947.929

1.040.072

1.039.437

1.035.883

1.025.854

1.004.197

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

137

2.3 De niet-beleidsartikelen Niet-beleidsartikel 97: Algemeen departement

Algemene Doelstelling Op dit artikel worden de lenM brede programma uitgaven verantwoord.

Budgettaire gevolgen van beleid

97 Algemeen departement (x € 1.000)

 
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

63.614

52.663

44.730

36.909

35.978

42.771

42.499

Uitgaven:

 

55.677

51.510

45.733

43.797

44.364

43.542

43.248

97.01

lenM-brede programmamiddelen

55.677

51.510

45.733

43.797

44.364

43.542

43.248

97.01.01

Opdrachten

30.159

32.440

26.662

24.725

25.292

24.720

24.326

 

- Onderzoeken ANVS

0

4.032

4.032

4.032

4.032

4.032

4.032

 

- Overige opdrachten

30.159

28.408

22.630

20.693

21.260

20.688

20.294

97.01.02

Subsidies

1.119

1.250

1.250

1.250

1.250

1.000

1.100

97.01.03

Bijdrage aan agentschappen

19.022

12.593

12.594

12.595

12.595

12.595

12.595

 

- waarvan bijdrage aan KNMI

2.400

0

0

0

0

0

0

 

- waarvan bijdrage aan ILT

16.000

11.986

11.985

11.986

11.986

11.986

11.986

 

- waarvan bijdrage aan RWS

622

607

609

609

609

609

609

97.01.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

5.377

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

 

-StAB

5.377

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

Ontvangsten

18.503

3.382

1.994

1.994

1.994

1.994

1.994

Toelichting op de financiële 97.01 lenM-brede programmamiddelen

instrumenten

97.01.01 Opdrachten Onderzoeken ANVS

Het betreft uitgaven voor opdrachten van technische ondersteuning, advisering en onderzoek op terreinen van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, alsmede beveiliging en safeguards. Daarnaast worden de uitgaven die verband houden met de samenwerking met internationale overheden en instanties inzake voornoemde terreinen ook onder dit artikel verantwoord.

Overige opdrachten

Regeringsvliegtuig

Dit betreft de uitgaven van lenM voor het onderhoud en de exploitatie van het Regeringsvliegtuig.

Onderzoeken PBL

Betreft uitgaven ten behoeve van onderzoeksactiviteiten van PBL, zoals aanschaf van databestanden, ontwikkeling van modellen, uitbesteding van onderzoek en vervaardiging van (web)publicaties. Een deel van deze uitgaven wordt door externe opdrachtgevers vergoed. Voor nieuws en publicaties van het PBL zie de website van het PBL28.

www.pbl.nl

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

138

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing (DCC) Het beleid op het gebied van Crisisbeheersing is het laatste decennium flink in ontwikkeling. Dit is vooral veroorzaakt door andere vormen van crisis (terreuraanslagen, extreme weersomstandigheden en infectieziekten) en door de internationale dimensies van crisis. DCC is verantwoordelijk voor een effectief crisisbeheersingsbeleid en een professionele aanpak van crisis. De hoofdtaak van het DCC is het voorbereiden van het Ministerie van lenM op het beheersen van crises.

Overig

Dit betreft voornamelijk de uitgaven die worden gedaan inzake corporate-en beleidscommunicatie, grote publiekscampagnes als van A naar Beter29, alsmede artikeloverstijgende onderzoeksopdrachten van bijvoorbeeld het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid30, op het gebied van Kennis, Innovatie en Strategie alsmede Bestuurlijke en Juridische Zaken.

97.01.02 Subsidies

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) Deze uitgaven hangen samen met subsidies die lenM, in samenwerking met andere departementen, verstrekt aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek31. Het betreft onder andere voor het programma SURF (Smart Urban Regions in the Future) en het programma Duurzame Logistiek.

97.01.03 Bijdragen aan agentschappen ILT

De bijdrage aan ILT is bestemd voor de kosten van vergunningverlening die niet geheel gedekt worden door de inkomsten die de ILT verkrijgt vanuit de tariefheffing. Dit wordt veroorzaakt door tarieven, waarvan het bij ministeriële regeling vastgestelde bedrag lager is dan de werkelijke kosten van de vergunningverlening en door vergunningverlenende activiteiten van ILT waarvoor geen tarief is vastgesteld, waardoor de betreffende aanvragers van vergunningen de kosten van de aanvraag niet aan ILT hoeven te vergoeden. De vastgestelde tarieven worden in de Staatscourant gepubliceerd.

RWS

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van beleidsondersteuning en advies.

97.01.06 Bijdrage aan ZBO en RWT's

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)

Deze uitgaven hangen samen met de subsidie die lenM verstrekt aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak32. De StAB adviseert, door middel van deskundigenberichten, op verzoek van de Raad van State en de rechtbanken over geschillen op het terrein van de fysieke leefomgeving zoals milieu, ruimtelijke ordening, water, bouw en schade.

29 www.vananaarbeter.nl

30 www.kimnet.nl

31 www.nwo.nl

32 www.stab.nl

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

139

97.02 Ontvangsten

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd die lenM onder andere ontvangt voor het Regeringsvliegtuig en voor onderzoeken van het PBL.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

140

Niet-beleidsartikel 98: Apparaatsuitgaven kerndepartement

Algemene Doelstelling Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten

van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met uitzondering van de agentschappen Inspectie Leefomgeving en Transport, Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, Nederlandse Emissieautoriteit en Rijkswaterstaat. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel voor het kerndepartement.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement (x € 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

292.085

327.185

332.770

285.534

286.870

286.873

283.151

Uitgaven:

303.576

331.919

340.148

284.943

286.536

286.861

283.139

Personele uitgaven

207.098

226.023

218.672

202.113

194.275

194.271

190.214

- waarvan eigen personeel

186.627

198.723

792.730

182.638

175.438

175.434

171.377

- waarvan externe inhuur

9.699

16.022

75.929

9.458

8.821

8.821

8.821

- waarvan overige personele

             

uitgaven

10.772

11.278

70.673

10.017

10.016

10.016

10.016

Materiele uitgaven

96.478

105.896

121.476

82.830

92.261

92.590

92.925

- waarvan ICT

29.383

27.228

23.248

22.949

22.321

22.321

22.321

- waarvan bijdrage aan SSO's

37.950

33.726

51.024

32.577

28.898

28.727

28.519

- waarvan overige materiële

             

uitgaven

29.145

44.942

47.204

27.304

41.042

41.542

42.085

Ontvangsten

14.203

19.651

3.530

3.530

3.530

3.530

3.530

Personele uitgaven

Dit betreft alle uitgaven van het eigen personeel, de externe inhuur en postactieven voor het kerndepartement.

Eigen personeel

Onder uitgaven eigen personeel vallen de loonkosten en de uitgaven voor de personele exploitatie.

  • • 
    Onder loonkosten wordt verstaan alle uit de rechtspositiebepalingen en aanverwante (wettelijke) regelingen voortvloeiende uitgaven aan en ten behoeve van de werknemers, zoals salaris, vakantie- en eindejaarsuitkering, vergoedingen voor inbesteding van personeel, toelagen, toeslagen en vergoedingen, gratificaties, onkostenvergoedingen waaronder woon-werkverkeer (ook collectieve inkoop openbaar vervoerskaarten), sociale lasten en de bijdrage aan de zorgverzeke-ringswet, pensioenpremies en de eindheffing loonbelasting.
  • • 
    Onder personele exploitatie worden andere personele uitgaven verstaan zoals verhuiskosten, hotels in het kader van dienstreizen, werving en selectie, keuringen, assesments, outplacement, loopbaanbegeleiding en re-integratie, arbeidsgezondheidskundige begeleiding, werkplekaanpassing, uitbesteding arbo-dienstverlening, bedrijfshulpverlening, representatie voor eigen personeel, opleiding, coaching, training, bezoek van symposia en congressen, personeelsevenemen-ten, bijeenkomsten en recepties, noodzakelijke contributies van personeel, uitgaven sociaal flankerend beleid en dergelijke.

Externe inhuur

Dit betreft de uitgaven voor de externe inhuur.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

141

Overige personele uitgaven

De overige personele uitgaven bestaan uit de uitgaven aan postactieven. Onder postactieven wordt verstaan uitgaven aan en ten behoeve van voormalig personeel, voor zover niet ten laste komend van derden (pensioen- of uitkeringsfonds) zoals Functioneel leeftijdsontslag (FLO), werkloosheidsuitkeringen, wachtgelden en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten van derden.

Materiële uitgaven

Dit betreft materiële uitgaven van het kerndepartement waarvoor geldt dat deze betrekking hebben op uitgaven die bedoeld zijn voor activiteiten ter ondersteuning van het primaire proces. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties. De bijdrage aan de Shared Service Organisaties betreft onder andere P-Direkt (Salarisbedrijf van het Rijk), FM Haaglanden en de Rijksvastgoedbedrijf. De hogere uitgaven bijdragen aan SSO's in 2016 worden veroorzaakt door een eenmalige bijdrage van het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van lenM als gevolg van gemaakte afspraken in het kader van het Masterplan kantoorhuisvesting Den Haag. Deze bijdrage is reeds bij voorjaarsnota 2012 verwerkt.

Apparaatsuitgaven per dienstonderdeel van de Bestuurskern Budgettaire gevolgen (x€ 1.000)

Totaal apparaat Betuurskern 340.148

Directoraat-Generaal Bereikbaarheid 46.292

Directoraat-Generaal Milieu en Internationaal 32.820

Directoraat-Generaal Ruimte en Water 26.661

Beleids-en Bestuursondersteuning 35.181

Financiën en Bedrijfsvoering 153.809

- waarvan lenM-brede apparaatsuitgaven 109.668

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming 22.976

Planbureau voor de Leefomgeving 22.409

Deze tabel splitst de apparaatsuitgaven van het kerndepartement per integratieonderdeel uit voor het jaar 2016.

Extracomptabele verwijzingen

 

Apparaatskosten Staf Deltacommissaris (x€ 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal apparaatskosten Staf Deltacommissaris 1.812

2.066

1.826

1.775

1.725

1.725

1.725

De apparaatskosten van de Staf Deltacommissaris worden in lijn met de Waterwet op het Deltafonds begroot en verantwoord (zie artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven van het Deltafonds).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

142

Apparaatskosten agentschappen (x € 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal apparaatskosten agentschappen

1.246.644

1.196.776

1.175.079

1.120.418

1.103.696

1.092.106

1.089.033

ILT

147.499

141.141

144.014

136.338

134.101

135.634

135.640

KNMI

47.368

52.132

50.788

49.237

49.217

49.217

49.217

NEA

5.730

7.271

6.491

6.480

6.559

6.566

6.608

RWS

1.046.047

996.232

973.786

928.363

913.819

900.689

897.568

Vier agentschappen vallen onder lenM: Rijkswaterstaat (RWS), de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT), het Koninklijk Nederlands Metereologisch Instituut (KNMI) en de Nederlandse Emissieautoriteit (Nea). Bovenstaand zijn de begrote apparaatskosten van deze agentschappen opgenomen. lenM draagt hier deels aan bij. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de agentschapsparagrafen.

Apparaatskosten ZBO's en RWT's (x € 1.000)

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

\Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

671.377

618.227

606.227

432.227

431.227

431.227

431.227

ProRail

499.000

453.000

436.000

427.000

426.000

426.000

426.000

Kadaster

167.000

160.000

165.000

       

StAB

5.377

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

lenM verstrekt bijdragen aan drie begrotingsgefinancierde ZBO's en RWT's: Prorail, Kadaster en StAB. Voor meer informatie over ZBO's en RWT's van lenM zie de bijlage ZBO's en RWT's van deze begroting.

Taakstelling Rutte II

Conform de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften wordt hieronder aangegeven hoe de taakstelling Rutte II binnen lenM is verdeeld naar alle verschillende onderdelen van het ministerie (inclusief agentschappen en ZBO's).

Tabel verdeling taakstelling Rutte II 2016-2018 (x € 1.000)

 
   

2016

2017

2018

Structureel

Kerndepartement

 
  • 15.138
  • 40.807

-37.320

-37.320

Agentschappen

         
 

RWS

  • 18.289

-37.972

-53.100

-53.100

 

ILT

  • 1.726

-3.430

-5.135

-5.135

 

KNMI

-261

-519

-777

-777

 

NEa

-90

  • 180

-269

-269

ZBO's

         
 

Kadaster

-310

-618

-924

-924

Overig

         
 

RIVM

-361

-824

  • 1.000
  • 1.000
 

Prorail

  • 6.825
  • 13.650

-20.475

-20.475

Totale taakstelling

 
  • 43.000
  • 98.000

-119.000

-119.000

Toelichting

Bij het Kerndepartement zijn maatregelen om de taakstelling Rutte II (2016 en volgende) in te vullen voor het grootste deel gevonden in:

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

143

  • • 
    Versobering van de bedrijfsvoering; verlaging van de centrale budgetten op het gebied van materiële uitgaven (o.a. door efficiency, productiviteitsverbeteringen en verdergaande digitalisering);
  • • 
    Verbeterde inzet op integrale programma-aanpak, standaardisering, uniformering en vereenvoudiging van processen, vakmanschap en flexibele inzet over de grenzen van de organisatieonderdelen. Maatregelen met personele gevolgen worden in overleg met de medezeggenschap opgepakt. Omdat de grens van het haalbare steeds dichterbij komt wordt getracht om de personele krimp zoveel mogelijk te beperken.

Bij de agentschappen wordt het grootste deel van de financiële taakstelling ten laste van de personele budgetten gebracht. Invulling geschiedt middels het nemen van efficiencymaatregelen en indien nodig taakversobering. Dit betekent dat bepaalde taken dan niet meer of minder intensief zullen worden uitgevoerd. Voor een nadere toelichting zie het onderdeel 3. Agentschappen van deze begroting.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

144

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 99 worden gedaan. Het artikel dient hoofdzakelijk als tussenstation voor de overboeking van middelen naar de andere artikelen op de lenM begroting, zoals loon- en prijsbijstelling. Ook taakstellingen die nog niet direct kunnen worden doorgeboekt worden op dit artikel geadministreerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

 

art. 99 Nominaal en onvoorzien (x € 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

0

0

25

0

2.698

697

4.542

Uitgaven:

0

0

25

0

1.949

698

4.543

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

307

401

401

Onvoorzien

0

0

25

0

1.642

297

4.142

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

145

  • 3. 
    DE AGENTSCHAPPEN

R ij kswate rstaat Introductie

Rijkswaterstaat is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Rijkswaterstaat beheert en ontwikkelt de rijkswegen, -vaarwegen en -wateren en zet in op een duurzame leefomgeving.

Samen met anderen werkt Rijkswaterstaat aan een land dat beschermd is tegen overstromingen. Waar voldoende groen is en voldoende en schoon water. En waar je vlot en veilig van A naar B kunt. Samenwerken aan een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland. Dat is Rijkswaterstaat. Het Ministerie van lenM kent een scheiding tussen beleid, toezicht en uitvoering. RWS fungeert hierbij als uitvoeringsorganisatie van het ministerie. Het formuleren van beleid is belegd bij de beleids-directoraten-generaal. Dit betekent dat de doelstellingen van het agentschap afhankelijk zijn van de (veelal lange termijn) beleidsdoelstellingen en kaders die door lenM worden aangegeven. Deze beleidsdoelen zijn geformuleerd in de beleidsartikelen van de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

Producten en diensten

RWS treedt op als manager van het gebruik van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken (hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet, hoofdwatersystemen), als beheerder van die netwerken, als realisator van uitbreidingen van deze netwerken en als adviseur voor het ten aanzien hiervan te voeren beleid. RWS voert deze taken uit vanuit een netwerkbenadering. Belangrijkste producten zijn:

  • • 
    Verkeersmanagement: het inzetten van instrumenten en hulpmiddelen om vraag en aanbod op elk moment zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen en om het verkeersaanbod zo goed mogelijk af te wikkelen. Het betreft vooral bediening van objecten als bruggen en sluizen, verstrekken van route-informatie en incidentmanagement.
  • • 
    Watermanagement: reguleren van de hoeveelheden water in het hoofdwatersysteem en van de kwaliteit daarvan, door het hanteren van de te onderscheiden categorieën «vasthouden/bergen/afvoeren» en «schoonhouden/scheiden/zuiveren».

Beheer, onderhoud en vervanging: instandhouding van objecten en areaal op een vooruitstrevende, toekomstgerichte manier, gericht op het ook in technische zin steeds verder ontwikkelen van het netwerk of systeem.

  • • 
    Aanleg: dit betreft investeringen om de functionaliteit van het netwerk te vergroten. Nieuwe verbindingen of verbreding van bestaande. Sleutelwoord: capaciteitsvergroting.

Beleidsondersteuning en -advisering: het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota's en de uitvoerbaarheid van beleid.

Leveren van kennis en expertise: ten behoeve van beleidsondersteuning en -advisering, milieu en leefomgeving, grote (aanleg)projecten en aansturing projecten en uitvoeringsorganisaties, het verstrekken van subsidies en basisinformatie.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

146

De begroting van baten en lasten voor het jaar 2016 (x € 1.000)

 

Totaal

Realisatie

2015

2016

2017

2018

2019

2020

 

2014

           

Baten

             

Omzet lenM

2.182.386

2.185.074

2.250.830

2.063.930

2.018.173

1.987.786

1.950.895

Omzet nutv werkzaamheden

 

276.318

0

0

0

0

0

Omzet overige departementen

43.041

28.833

24.925

24.925

24.925

24.925

24.925

Omzet derden

167.632

143.963

147.313

151.638

154.163

154.163

154.163

Rentebaten

600

800

800

800

800

800

800

Bijzondere baten

3.503

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Vrijval voorziening

3.087

           

Totaal baten

2.400.249

2.637.988

2.426.868

2.244.293

2.201.061

2.170.674

2.133.783

Lasten

             

Apparaatskosten

1.046.047

996.232

973.786

928.363

913.819

900.689

897.568

  • Personele kosten

773.169

744.905

714.543

685.846

681.071

671.745

669.025

  • waarvan eigen personeel

684.794

687.405

663.760

637.704

633.306

625.328

623.916

  • waarvan externe inhuur

88.375

56.000

49.283

46.642

46.265

44.917

43.609

  • waarvan overige p-kosten
 

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

  • Materiele kosten

272.878

251.327

259.243

242.517

232.749

228.944

228.543

  • waarvan apparaat ICT

34.181

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

  • waarvan bijdrage aan SSO's

65.510

56.000

56.000

56.000

56.000

56.000

56.000

  • waarvan overige M-kosten

173.187

150.327

158.243

141.517

131.749

127.944

127.543

Onderhoud

1.293.107

1.584.033

1.395.359

1.258.207

1.229.519

1.212.262

1.178.491

Rentelasten

5.597

8.748

8.748

8.748

8.748

8.748

8.749

Afschrijvingskosten

36.168

39.975

39.975

39.975

39.975

39.975

39.975

  • materieel

35.424

38.500

38.500

38.500

38.500

38.500

38.500

waarvan apparaat ICT

5.334

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

  • immaterieel

744

1.475

1.475

1.475

1.475

1.475

1.475

Dotaties

17.456

           

Bijzondere lasten

13.499

           

Totaal lasten

2.411.874

2.628.988

2.417.868

2.235.293

2.192.061

2.767.674

2.124.783

Saldo

  • 11.625

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

Dotatie aan reserve Rijksrederij

9.153

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

te verdelen resultaat

  • 20.778

0

0

0

0

0

0

Toelichting Baten

Omzet lenM

De omzet lenM betreft de omzet uit hoofde van activiteiten (en de daarmee samenhangende producten) die RWS verricht voor lenM. De omzet lenM is onder andere een vergoeding voor:

het beheer en onderhoud van de infrastructuur en waterkwaliteit;

  • • 
    de apparaatskosten (personeel en materieel) van RWS die verband houden met de aanleg, verkeers- & watermanagement en onderhoud van infrastructuur;
  • • 
    de capaciteit die RWS levert in het kader van zijn kennis- en adviestaken en de activiteiten in het kader van RWS Directie Leefomgeving.

In de begroting 2014 is in de jaren 2016 en verder de taakstelling op het apparaat uit het regeerakkoord Rutte II verwerkt op zowel de omzet lenM als op de apparaatskosten. Deze taakstelling bedraagt voor RWS € 18 miljoen in 2016.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

147

 

Verdeling Taakstelling Rutte II 2016-2018 (x € 1.000)

 

2015

2016

2017

2018

Structureel

Totale taakstelling RWS

0

  • 18.289
  • 37.972

-53.100

-53.100

Toelichting

De invulling van de taakstelling vindt plaats langs een aantal lijnen. RWS realiseert de taakstelling door 60% efficiencymaatregelen en 40% taakversobering. De efficiency zal worden gerealiseerd door doorzetting van maatregelen gericht op het functioneren als eenheid en efficiënt werken. De taakversobering wordt met name voorzien door uniformering en standaardisering. Daarnaast worden besparingen beoogd door extra inzet van eigen personeel (groei eigen personeel) voor werken voor derden en het omzetten van niet-kerntaken naar kerntaken (verlaging inhuur).

Specificatie omzet lenM (x€ 1.000)

 
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Deltafonds artikel

399.489

455.758

390.648

401.303

391.910

383.501

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

4.567

7.704

-

-

-

-

Artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

1.228

-

-

-

-

-

Artikel 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging

144.148

169.073

120.381

727.579

120.803

94.705

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

245.797

284.139

269.989

273.017

270.340

268.507

Artikel 7 Waterkwaliteit

3.749

1.442

278

767

767

20.889

Infrastructuurfonds

1.705.212

1.728.062

1.623.840

1.570.302

1.549.972

1.521.161

Artikel 12 Hoofdwegennet

933.232

1.104.906

1.030.231

1.005.118

995.695

967.896

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

556.206

623.156

593.608

565.183

554.277

553.266

Artikel 18 overige uitgaven

215.774

-

-

-

-

-

Hoofdstuk XII

80.372

67.010

49.442

46.568

45.904

46.233

Artikel 11 Integraal waterbeleid

77.479

17.144

76.457

15.459

16.063

16.392

Artikel 12 Waterkwaliteit

-

-

-

-

-

-

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

19.859

15.214

9.763

9.221

9.105

9.105

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

3.691

2.958

2.958

2.958

2.958

2.958

Artikel 15 OV-keten

792

998

998

998

998

998

Artikel 17 Luchtvaart

11.926

8.979

48

48

48

48

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

1.270

1.408

1.408

1.408

1.408

1.408

Artikel 19 Klimaat

5.876

4.532

4.076

3.461

3.179

3.179

Artikel 20 Lucht en geluid

2.453

2.127

1.964

1.847

1.646

1.646

Artikel 21 Duurzaamheid

9.866

7.261

6.581

6.472

6.444

6.444

Artikel 22 Omgevingsbeleid en milieurisico's

6.613

5.780

5.186

4.087

3.446

3.446

Artikel 97 Algemeen departement

607

609

609

609

609

609

Totaal

2.185.074

2.250.830

2.063.930

2.018.173

1.987.786

1.950.895

Van totale omzet lenM

           
  • apparaats- en afschrijvingskosten en rentelasten

1.005.167

980.171

931.723

914.654

901.524

898.404

  • programma

1.179.907

1.270.659

1.132.207

1.103.519

1.086.262

1.052.491

Nog uit te voeren werkzaamheden

Dit betreffen middelen die RWS in 2014 van het moederdepartement heeft ontvangen en bestemd waren voor werkzaamheden die gepland waren in 2014, maar waarvan de uitvoering doorloopt in 2015 (€ 276 miljoen).

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft betrekking op van andere ministeries ontvangen vergoedingen voor het gebruik van vaartuigen van de Rijksrederij.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

148

 

Specificatie omzet overige departementen (x € 1.000)

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Ministerie van Defensie Ministerie van Financiën Ministerie van Economische zaken

16.798 5.000 7.035

12.891 5.000 7.034

12.891 5.000 7.034

12.891 5.000 7.034

12.891 5.000 7.034

12.891 5.000 7.034

Totaal

28.833

24.925

24.925

24.925

24.925

24.925

Omzet derden

De omzet derden heeft betrekking op vergoedingen van onder meer provincies, gemeenten en de Europese Unie in het kader van het beheer en onderhoud van de infrastructuur en de kennis- en adviesfunctie. Daarnaast bevat deze post de verwachte opbrengsten uit schaderijdingen en schadevaringen ter dekking van de kosten van reparatiewerkzaamheden, opbrengsten uit vergunningverlening, beheeropbrengsten op het areaal, opbrengsten voor de Nationale Bewegwijzeringsdienst en adviezen vanuit RWS Directie Leefomgeving aan onder meer gemeenten.

Specificatie omzet derden (x € 1.000)

 
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Schaderijdingen/schadevaringen Vergunningen WVO Vergoeding provincies etc. Nationale Bewegwijzeringsdienst Beheeropbrengsten areaal Overig

24.500 19.000 43.075 15.700 32.400 9.288

24.500 19.000 43.075 15.750 33.200 11.788

24.500 19.000 43.075 16.275 34.500 14.288

24.500 19.000 43.075 16.300 34.500 16.788

24.500 19.000 43.075 16.300 34.500 16.788

24.500 19.000 43.075 16.300 34.500 16.788

Totaal

143.963

147.313

151.638

154.163

154.163

154.163

 

Bijzondere baten

De geraamde bijzondere baten betreffen voornamelijk verwachte boekwinst op de verkoop van vaste activa.

 
 

Lasten

         
 

Personele kosten

         

Specificatie personele kosten

 

2014 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Aantal FTE

Eigen Personeelskosten (x€ 1.000) lnhuur(x€ 1.000)

8.430 8.544 684.794 687.405 88.375 56.000

8.643 663.760 49.283

8.379 637.704 46.642

8.249 633.306 46.265

8.184 625.328 44.917

8.164 623.916 43.609

Een aantal ontwikkelingen zorgt bij RWS in de komende jaren voor een toename van het aantal ambtelijke fte. De belangrijkste worden hieronder toegelicht.

Kasschuif apparaat: In de ontwerpbegroting 2014 heeft het kabinet besloten om op de fondsen te werken met een overprogrammering. Dit instrument heeft als doel om zorg te dragen dat vertragingen bij projecten niet onmiddellijk tot onderbesteding leidt op de fondsen. In de praktijk betekent dit dat Rijkswaterstaat eerder capaciteit voor projecten inzet dan er oorspronkelijk begroot was. Doordat de voorbereidende werkzaamheden voor deze projecten niet in een later

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

149

stadium opnieuw hoeven te worden uitgevoerd is een kasschuif verwerkt van de apparaatsbudgetten vanuit de periode na 2020 naar voren. Het effect op de organisatieomvang bedraagt 250 fte in 2016 aflopend naar 0 fte in 2020.

Verwerking omzetting niet kerntaken:U\t analyse van Rijkswaterstaat is gebleken dat een beperkte bijstelling nodig is in de verdeling van taken die nu door de markt worden uitgevoerd en taken die door RWS met eigen personeel worden uitgevoerd. De complexiteit van aanleg- en onderhoudsprojecten neemt steeds verder toe. Dit komt onder meer door een meer integrale gebiedsontwikkeling, toename van de ICT-toepassingen in de infrastructuur en een groeiende renovatieop-gave. De vraag naar specifieke kennis en ervaring op deze terreinen neemt de komende jaren verder toe. Zonder ingrijpen leidt dit tot een groeiende behoefte aan relatief dure inhuurcontracten en een te grote afhankelijkheid van de markt. Om haar rol als deskundig opdrachtgever richting de bouwbedrijven te kunnen blijven spelen, en bovenstaande ontwikkelingen het hoofd te bieden, wil RWS meer deskundig eigen personeel in dienst nemen. Het gaat dan om extra capaciteit ten behoeve van techniek, inkoop, projectbeheersing en inspecties ten behoeve van instandhoudingsadviezen van RWS objecten. Het effect op de omvang in 2016 hiervan is 40 fte.

Overdracht van taken binnen rijksoverheid: In 2015/16 komen taken over van Dienst Landelijk Gebied naar Rijkswaterstaat. Het effect op de organisatieomvang in 2016 bedraagt erica 35 fte. Extra inzet werken derden: Een van de besparingsmaatregelen Rutte 2 betreft het extra inzetten van capaciteit voorwerken van derden. Effect bedraagt circa 25 fte in 2016.

Eigen personeel

De kracht van Rijkswaterstaat ligt in de zakelijke en professionele wijze waarop het zijn kerntaken uitvoert. Om daarop te kunnen sturen is gedefinieerd welke taken RWS met eigen mensen uitvoert (de kerntaken) en welke taken aan de markt worden overgelaten (de niet-kern taken).

De bovengenoemde kosten van externe inhuur betreffen de inzet van derden op de kerntaken van RWS. Daarnaast vindt er inzet van derden plaats op taken die RWS van de markt betrekt en derhalve niet tot de apparaatskosten behoren. Omwille van de aansluiting op de Rijksbrede rapportages is ervoor gekozen om de daarmee samenhangende kosten ook hier afzonderlijk inzichtelijk te maken.

Inhuur apparaat (kerntaken)

RWS streeft ernaar om de inhuur van externen op kerntaken zoveel mogelijk te beperken vanuit het basisprincipe dat Rijkswaterstaat op kerntaken eigen mensen inzet, ter vermindering van de kwetsbaarheid en het verkleinen van de afhankelijkheid van externen. Inhuur op kerntaken vindt in beginsel alleen plaats als er sprake is van piekbelasting in de directe productie of in geval van onderbezetting, ziekte of vervanging. Inhuur op kerntaken kan ook een keuze zijn als vanuit de arbeidsmarkt hele specifieke kennis/specialisme niet kan worden aangetrokken.

Bij inhuur op kerntaken wordt eerst nagegaan of de vacature binnen de eigen RWS organisatie kan worden ingevuld (met eigen medewerkers of vanuit de mobiliteitspool). Door deze maatregelen zal de inhuur op kerntaken de komende jaren gaan dalen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

150

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Inhuur kerntaken (x€ 1.000)

88.375

56.000

49.283

46.642

46.265

44.917

43.609

Inhuur programma (niet-kerntaken)

Gelet op de productieopgave van RWS blijft de inhuur op taken die bij de markt zijn gelegd (de Niet Kerntaken) in 2016 op ongeveer hetzelfde niveau als voorgaande jaren. Voor het betrekken van externe capaciteit op niet-kerntaken geldt dat deze zoveel mogelijk op basis van op productafspraken gebaseerde contracten zal worden gedaan, tenzij dat om inhoudelijke of aansturingsredenen niet doelmatig is. Daarnaast is besloten om met ingang vanaf 2016 geleidelijk 100 fte aan niet-kerntaken, waarvoor veelal werd ingehuurd, om te zetten naar eigen personeel om de kennis binnen RWS verder te borgen en de afhankelijkheid van de markt te laten afnemen. Hierdoor zal de inhuur op niet-kerntaken de komende jaren geleidelijk gaan dalen. De inhuur op niet-kerntaken in het primaire proces wordt met name onder de posten onderhoud en aanleg op het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Inhuur niet-kerntaken (x€ 1.000)

131.013

155.000

127.380

108.608

91.835

71.835

61.835

Materiële kosten

De materiële kosten omvatten onder andere ICT, huisvesting, bureaukosten en communicatie.

Onderhoud

De kosten beheer en onderhoud hebben betrekking op de kosten die in rekening worden gebracht door derden (met name aannemers en ingenieursbureaus). Deze voeren werkzaamheden uit die direct bijdragen aan het beheer en de instandhouding van de infrastructuur. Tevens vindt er een bijdrage van circa € 2 miljoen in 2016 aan het KNMI plaats.

 

Kasstroomoverzicht over het jaar 2016 (x € 1.000)

   

reali-

2015

2016

2017

2018

2019

2020

   

satie

           
   

2014*

           

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2012+

             
 

stand depositorekening

394.129

481.795

195.365

219.040

248.415

270.690

280.765

2.

Totaal operationele kasstroom

114.853

-258.570

48.975

48.975

48.975

48.975

48.975

3a.

Totaal investeringen (-/-)

-33.162

-55.860

-33.600

  • 29.400

-60.900

-60.900

-60.900

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

13.552

-

-

-

-

-

-

3.

Totaal investeringskasstroom

  • 19.610

-55.860

-33.600

  • 29.400

-60.900

-60.900

-60.900

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepar-

             
 

tement (-/-)

-

-

-

-

-

-

-

4b.

Eenmalige storting door het moederde-

             
 

partement (+)

8.700

7.300

7.300

15.800

14.200

6.000

8.600

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

-31.779

-32.500

-31.000

-34.000

-38.000

-42.000

-42.000

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

15.500

53.200

32.000

28.000

58.000

58.000

58.000

4.

Totaal financieringskasstroom

-7.579

28.000

8.300

9.800

34.200

22.000

24.600

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2012

             
 

+ stand depositorekening) (=1+2+3+4)

481.793

195.365

219.040

248.415

270.690

280.765

293.440

(maximale roodstand € 0,5 miljoen)

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

151

Toelichting

Operationele kasstroom

Hieronder vallen de inkomsten en uitgaven uit de reguliere bedrijfsvoering. Meerjarig wordt gestreefd naar een stabiel saldo van baten en lasten.

Investeringskasstroom

Hieronder vallen de verkopen van activa en de nieuwe investeringen. De investeringen hebben betrekking op het in stand houden van de activa van RWS. Deels betreft het investeringen in activasoorten, zoals voertuigen, waarbij de omvang van de jaarlijkse investeringen op een constant niveau ligt.

Financieringskasstroom

Hieronder vallen alle geldstromen die gerelateerd zijn aan de financiering van het agentschap. RWS doet een beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën ter financiering van haar investeringen als agentschap. Daarnaast is in de begroting van het agentschap rekening gehouden met aflossing op deze leenfaciliteit. De storting door moederdepartement betreft de aflossing van de langlopende vordering die RWS heeft op het moederdepartement. De eenmalige uitkering aan het moederdepartement betreft het, op basis van de Regeling agentschappen, uitkeren van het surplus aan eigen vermogen aan de eigenaar. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de Voorjaarsnota 2014.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

152

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

 

Omschrijving

2014 realisatie

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Apparaatskosten per eenheid areaal

Hoofdwegennet

Hoofdvaarwegennet

Hoofdwatersystemen

25.460 25.240 1.060

24.502 24.637 1.061

26.088 25.377 1.106

24.865 25.028 1.081

24.453 24.812 1.066

23.744 24.580 1.054

23.452 24.518 1.048

% Apparaatskosten tov omzet

% Apparaatskosten tov omzet

21%

22%

23%

21%

20%

19%

18%

Tarieven per FTE

Kosten per FTE

125.440

123.354

119.343

117.683

117.774

117.105

117.010

Omzet BLD per product

Hoofdwatersystemen

Hoofdwegen

Hoofdvaarwegen

Overig

TOTAAL

393.322 974.671 560.165 254.228 2.182.386

399.489 933.232 556.206 296.146 2.185.074

455.758 1.104.906

623.156 67.010 2.250.830

390.648 1.030.231

593.608 49.442 2.063.930

401.303 1.005.118

565.183 46.568 2.018.173

391.910 995.695 554.277 45.904 1.987.786

383.501 967.896 553.266 46.233 1.950.895

Bezetting

FTE formatie % overhead

8.672

8.544

13%

8.643

13%

8.379

13%

8.249

13%

8.184

13%

8.164

13%

Exploitatiesaldo

Exploitatiesaldo

  • 0,5%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Gebruikerstevredenheid

publieksgerichtheid gebruikerstevredenheid HWS gebruikerstevredenheid HWN gebruikerstevredenheid HVWN

41%

*

81% 72%

70% 70% 80% 75%

70% 70% 80% 75%

70% 70% 80% 75%

70% 70% 80% 75%

70% 70% 80% 75%

70% 70% 80% 75%

Ontwikkeling pinwaarde

Hoofdwatersystemen

Hoofdwegen

Hoofdvaarwegen

100 100 100

100 100 100

100 98 100

100 98 100

100 98 100

100 98 100

100 98 100

Toelichting

Apparaatskosten per eenheid areaal

Deze indicator geeft informatie over hoe de kosten die het apparaat van RWS maakt voor verkeersmanagement en beheer en onderhoud zich ontwikkelen ten opzichte van het areaal. Een dalende trend van de kosten per eenheid areaal geeft een indicatie van een toename in de efficiëntie van de organisatie op het gebied van Beheer en Onderhoud en Verkeersmanagement.

Percentage Apparaatskosten tov omzet

Deze indicator geeft de verhouding weer tussen de kosten van het apparaat en de totale omzet (incl. GVKA-gelden) van RWS. Het hogere percentage in 2016 wordt verklaard door een tijdelijke dip in de omzet in 2016.

Kosten per fte

Deze indicator geeft de ontwikkeling weer van de kosten (loonkosten en materiële kosten) per formatieve ambtelijke fte. Wanneer deze kosten dalen kan dit een indicatie van een toename in doelmatigheid van de organisatie zijn.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

153

Omzet per productgroep

In de tabel is de Omzet lenM uitgesplitst naar de verschillende netwerken. Organisatiegrootte in fte

Deze voorgeschreven indicator geeft aan hoe de ambtelijke formatie van RWS zich ontwikkelt.

Percentage overhead

Deze indicator geeft aan welk deel van het ambtelijke personeel (in fte) binnen RWS zich bezig houdt met de bedrijfsvoering. Bedrijfsvoering bevat alle processen die ondersteunend zijn aan de organisatie. Het streven is daarbij voortdurend een optimale kwalitatieve en kwantitatieve omvang van de bedrijfsvoering.

Exploitatiesaldo (% van de omzet)

Deze voorgeschreven indicator toont de ontwikkeling van het exploitatiesaldo als percentage van de omzet.

Gebruikerstevredenheid

Publieksgerichtheid: geeft aan hoe tevreden onze gebruikers en partners over RWS zijn als publieke dienstverlenende organisatie. Dan gaat het over zaken als «luisteren; verwachtingenmanagement; aanspreekbaarheid; houding en gedrag en de wijze waarop wij communiceren».

Gebruikerstevredenheid (per netwerk): geeft aan hoe tevreden onze gebruikers over de kwaliteit van de drie netwerken zijn. Denk daarbij aan veiligheid, doorstroming; kwaliteit infrastructuur en tijdige en betrouwbare informatievoorziening (gekoppeld aan de netwerken).

Ontwikkeling PIN-waarden

De ontwikkeling van de PIN-waarden (prestatieindicator-waarden) geeft een beeld hoe de ontwikkeling is in de toestand van het door RWS beheerde areaal. Het weergegeven cijfer betreft een index ten opzichte van het jaar 2015. De bijlage instandhouding op de begroting van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds biedt inzicht in instandhouding en de gehanteerde PIN-waarden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

154

Inspectie Leefomgeving en Transport Introductie

Het Ministerie van lenM kent een scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht. Het formuleren van beleid en wet- en regelgeving is primair belegd bij de beleidsdirectoraten-generaal. De toezichthoudende taken zijn bij lenM belegd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Producten en diensten

De producten en diensten van de ILT betreffen de toelating op de markt (vergunningen) en vervolgens de handhaving van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

1. vergunningverlening

Nieuwe toetreders tot een markt moeten aan wettelijke eisen voldoen. Wordt daar aan voldaan, dan verleent de ILT één of meer vergunning(en) of certificaten. De wetgever verbindt door die keuze veiligheidseisen aan marktordeningsprincipes: zonder vergunning mag het bedrijf niet handelen.

2. handhaving

Het handhaven van wet- en regelgeving geschiedt door middel van dienstverlening, toezicht en opsporing. Het zwaartepunt van de inspectieactiviteiten ligt op het terrein van het toezicht. De ILT kent de volgende vormen:

  • • 
    objectinspecties;
  • • 
    administratiecontroles;
  • • 
    audits;
  • • 
    convenanten;
  • • 
    digitale inspecties.

Toezicht wordt gehouden vanuit het beginsel «vertrouwen, tenzij». Basis daarvoor vormt een nog verder uit te werken risicoselectiesysteem. Bij correcte naleving krijgt de ondertoezichtstaande minder toezicht en kunnen handhavingsconvenanten worden gesloten (horizontaal toezicht). Fysieke inspecties (objecten, producten en personen), audits, administratiecontroles, steekproefcontroles en acties (landelijk, regionaal of themagericht) vormen het verdere instrumentarium.

3. incident- en ongevalsonderzoek

Ongevallenonderzoek is bij ernstige ongevallen, soms geheel (luchtvaart), opgedragen aan de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). In die gevallen levert de ILT expertise en deskundigen. In de scheepvaart en het railvervoer heeft de ILT een eigen taak bij het onderzoeken van ongevallen. Op de weg ligt de taak bij de politie. Ongevallenonderzoek kan aanleiding zijn om de dienstverlening te vergroten en/of het toezicht te versterken. In ernstige gevallen van falen kan uit het onderzoek een toezichtmaatregel voortvloeien.

Incidenten en ongevallen vragen om een snelle respons en moeten gecoördineerd worden aangepakt. Crisismanagement is geen toezichtstaak, maar de (systeem) verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de crisisbeheersingstaak is belegd bij de Inspecteur-generaal. Het betreft de preparatie, respons en (deels) nazorg van incidenten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

155

 

Begroting van baten en lasten van het Agentschap ILT voor het jaar 2016 (x € 1.000)

 

realisatie

2015

2016

2017

2018

2019

2020

 

2014

           

Baten

             

Omzet lenM

132.137

128.319

122.641

116.905

114.590

114.586

114.592

Omzet overige departementen

7.760

0

0

0

0

0

0

Omzet derden

7.525

14.887

23.523

21.558

21.636

23.173

23.173

Rentebaten

95

50

50

50

50

50

50

Vrijval voorzieningen

3.291

           

Bijzondere baten

591

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

151.400

143.256

146.214

138.513

136.276

137.809

137.815

Lasten

             

Apparaatskosten

147.499

141.141

144.014

136.338

134.101

135.634

135.640

  • personele kosten

107.614

107.303

109.840

103.859

101.539

102.407

102.413

  • waarvan eigen personeel

98.472

101.582

100.796

97.576

97.722

99.089

99.089

  • waarvan externe inhuur

9.143

5.721

9.044

6.283

3.817

3.318

3.324

  • waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

0

0

0

  • materiële kosten

39.885

33.837

34.175

32.479

32.562

33.226

33.226

  • waarvan apparaat. ICT

5.365

5.022

7.158

5.416

5.462

5.508

5.508

  • waarvan bijdrage aan SSO's

18.457

12.070

12.370

12.570

12.820

13.070

13.070

  • waarvan overige materiële kosten

16.063

16.745

14.647

14.493

14.280

14.648

14.648

Rentelasten

1

100

100

100

100

100

100

Afschrijvingskosten

2.060

2.015

2.100

2.075

2.075

2.075

2.075

  • materieel

2.060

2.015

2.100

2.075

2.075

2.075

2.075

  • waarvan apparaat ICT
             
  • immaterieel
             

Overige kosten

1.465

0

0

0

0

0

0

  • dotaties voorzieningen

1.431

0

0

0

0

0

0

  • bijzondere lasten

34

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

151.025

143.256

146.214

138.513

136.276

137.809

137.815

Saldo van baten en lasten

375

0

0

0

0

0

0

 

Toelichting

           
 

Baten

           
 

Omzet lenM

           
 

De omzet lenM is een vergoeding voor de productgroepen vergunningver-

 

lening en handhaving (toezicht, incidentmelding en onderzoek).

 

Specificatie omzet lenM (x€ 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

artikel 24 Handhaving en Toezicht

116.137

116.333

110.655

104.919

102.604

102.600

102.606

artikel 97 algemeen

16.000

11.986

11.986

11.986

11.986

11.986

11.986

Totaal

132.137

128.319

122.641

116.905

114.590

114.586

114.592

Van totale omzet lenM

             

-apparaats- en afschrijvingskosten en

             

rentelasten

132.137

128.319

122.641

116.905

114.590

114.586

114.592

  • programma

0

0

0

0

0

0

0

In de begroting 2014 is in de jaren 2016 en verder is de taakstelling op het apparaat uit het regeerakkoord Rutte II verwerkt op zowel de omzet lenM als op de apparaatskosten. Deze taakstelling bedraagt voor de ILT€ 1,7 miljoen in 2016.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

156

 

Verdeling Taakstelling Rutte II 2016-2018 (x € 1.000)

 

2015

2016

2017

2018

Structureel

Totale taakstelling ILT

0

-1.726

  • 3.430

-5.135

-5.135

ILT streeft er naar de taakstelling in te vullen door fte-besparingen (ca. 20 fte) te realiseren zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van toezicht. Daarnaast worden maatregelen getroffen om efficiencybesparing op huisvesting en ICTte bereiken.

Omzet overige departementen

De omzet afkomstig van andere departementen is vanaf 2015 niet meer aanwezig als gevolg van de overdracht van taken en middelen naar de ANVS op 1 januari 2015.

Omzet derden

De opbrengsten derden betreffen de doorberekende kosten aan de afnemers van de vergunningen en overige externe opdrachten. Het toezicht op de woningcorporaties wordt doorbelast aan de sector en is opgenomen onder omzet derden.

Lasten

Personele kosten

Vanaf 2016 zal de omvang van de ILT geleidelijk dalen door pensionering van een groot aantal medewerkers en gedeeltelijke vervanging van medewerkers. Eerder heeft anticiperende werving plaatsgevonden zodat vertrekkende medewerkers tijdig vervangen kunnen worden door goed opgeleide, nieuwe medewerkers.

 

Specificatie personele kosten

 

realisatie

2015

2016

2017

2018

2019

2020

 

2014

           

Aantal fte's

1.171

1.165

1.121

1.084

1.085

1.101

1.101

Eigen personeelskosten (x€ 1.000)

102.275

101.582

100.796

97.576

97.722

99.089

99.089

Externe inhuur (x€ 1.000)

9.143

5.721

9.044

6.283

4.432

3.093

3.099

In 2016 daalt het aantal fte's per saldo met 53 fte ten opzichte van 2015. Met de oprichting van de Autoriteit woningcorporaties per 1 juli 2015 neemt de bezetting naar verwachting structureel toe met 56 fte tot maximaal 102 fte in 2020.

De externe inhuur betreft voornamelijk inhuur op iet-terrein. Materiële kosten

De materiële kosten omvatten onder andere ICT, huisvesting, opleidingen en overige kosten voor middelen ten behoeve van de uitvoering van de inspectietaken. Ook deze kosten dalen als gevolg van krimpende budgetten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

157

Kasstroomoverzicht over het jaar 2016 (x € 1.000)

 
 

2014 Stand slotwet

2015

2016

2017

2018

2019

2020

  • 1. 
    Rekening courant RHB 1 januari

65.474

39.749

31.374

25.374

21.374

18.374

15.374

+ stand depositorekeningen

             
  • 2. 
    Totaal operationele kasstroom
  • 10.352
  • 6.000
  • 4.000
  • 2.000

-1.000

-1.000

  • 1.000

3a. totaal investeringen (-/-)

  • 3.737

-2.000

-2.000

-2.000

-2.000

-2.000

-2.000

3b. totaal boekwaarde desinvesteringen (+/+)

36

-

-

-

-

-

-

  • 3. 
    Totaal investeringskasstroom

-3.701

  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000

4a. eenmalige uitkering aan

  • 11.614

-375

_

_

_

_

_

moederdepartement (-/-)

-

-

-

-

-

-

-

4b. eenmalige storting door het

-58

-

-

-

-

-

-

moederdepartement (+/+)

-

-

-

-

-

-

-

4c. aflossingen op leningen (-/-)

             

4d. beroep op leenfaciliteit(+/+)

-

-

-

-

-

-

-

  • 4. 
    Totaal financieringskasstroom
  • 11.672

-375

0

0

0

0

0

  • 5. 
    Rekening courant RHB 31 december

39.749

31.374

25.374

21.374

18.374

15.374

12.374

+ stand depositorekening en (=1+2+3+4)

(noot: maximale roodstand € 0,5 miljoen)

Toelichting

Operationele kasstroom

De verwachting is dat de resterende middelen voor het project Boordcomputertaxi in 2015 tot definitieve uitbetaling komen waarna de operationele kasstroom zal afvlakken.

Investeringskasstroom

Investeringen hebben met name betrekking op het wagenpark. Gelet op de beschikbare liquiditeiten worden de investeringen gefinancierd met eigen middelen.

Financieringskasstroom

De eenmalige uitkering aan het moederdepartement betreft het, op basis van de Regeling agentschappen, uitkeren van het surplus aan eigen vermogen aan de eigenaar.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

158

Overzicht doelmatigheidsindicatoren Toelichting

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Generiek Deel

  • 1. 
    Kostprijzen per produkt (groep)
  • Handhaving -Vergunningverlening
  • 2. 
    Tarieven/uur
  • Handhaving -Vergunningverlening
  • 3. 
    Omzet per produktgroep (pxq)
  • Handhaving -Vergunningverlening
  • 4. 
    FTE-totaal (excl. externe inhuur)

126.467 24.103

134 140

139.993 7.693 1.171

112.513 22.780

148,4 147,3

112.513 7.584 1.100

110.669 18.198

115,8 119,5

94.669 7.584 1.047

105.944 16.996

116,3 119,3

89.944 7.584 1.001

103.646 16.761

114,7 117,8

87.646 7.584

993

103.781 16.621

113,8 116,9

87.781 7.584

999

103.781 16.621

113,8 116,9

87.781 7.584

999

  • 5. 
    Saldo van baten en lasten (%)

0,09%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

  • 6. 
    Kwaliteitsindicator 1: Binnen norm doorlooptijd vergunningen
  • 7. 
    Kwaliteitsindicator 2: wachttijden informatiecentrum

86% 13sec.

95% <20sec.

95% <20sec.

95% <20sec.

95% <20sec.

95% <20sec.

95% <20sec.

Omschrijving Specifiek Deel

8. Kostprijs/produkt: Inspectie

Vergunningverlening Monsterafname

143.864 7.206 n.v.t.

128.369 14.887 n.v.t.

122.691 23.523 n.v.t.

116.955 21.558 n.v.t.

114.640 21.636 n.v.t.

114.636 23.173 n.v.t.

114.642 23.173 n.v.t.

  • 9. 
    Kwaliteit Handhaving: Klachten

Waarvan afgerond binnen wettelijke termijn

1.484

nb

1.000

95%

1.000

95%

1.000

95%

1.000

95%

1.000

95%

1.000

95%

Doorlichting uitgevoerd cq. gepland in 2015

De kosten voor vergunningverlening dalen vanwege het wegvallen van de Kernfysische Dienst en daarmee de ondersteuning bij vergunningverlening. De daling van kosten en tarieven in de komende jaren zijn het gevolg van de opgelegde bezuinigingen die in eerste instantie gerealiseerd worden op overhead.

Bovenstaand overzicht bevat de doelmatigheidsindicatoren van de ILT en is opgesteld conform de Rijksbegrotingsvoorschriften. Het aantal fte in de organisatie is gebaseerd op de geraamde formatie passend binnen de randen van de begroting.

De kwaliteitsindicatoren (6, 7 en 9) betreffen de kwaliteit van vergunningverlening, dienstverlening en handhaving. Aangezien «gegronde klachten» in het Inspectieproces niet bestaan, cq. Van de klachten niet formeel wordt vastgesteld of deze wel of niet gegrond zijn, is deze vervangen door «afgerond binnen wettelijke termijn». Conform de AWB moeten deze klachten binnen zes weken in behandeling worden genomen. De ILT verwacht voor 95% van het aantal klachten aan deze norm te voldoen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

159

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) Introductie

Het KNMI adviseert en waarschuwt de samenleving om risico's met een atmosferische of seismische oorsprong terug te dringen. Het KNMI ontwikkelt daartoe hoogwaardige kennis, verricht waarnemingen, en zet die om in producten en diensten die de veiligheidsrisico's verminderen, bijdragen aan een duurzame samenleving en economische mogelijkheden bevorderen.

Er wordt gestreefd om per 1 januari 2016 de Wet taken meteorologie en seismologie in werking te laten treden. Daarmee komt de Wet op het KNMI te vervallen.

Producten en diensten

De samenleving wordt steeds gevoeliger voor extreem weer, klimaatverandering, luchtkwaliteit, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Om deze toegenomen risico's zoveel mogelijk te helpen beperken past het KNMI het concept van de risico-reductie-cyclus toe.

We bewaken en waarschuwen, maar we geven ook adviezen en handelingsperspectieven voor zowel acute als toekomstige gevaren. Daarbij trekken we actief lessen uit gebeurtenissen om toekomstige adviezen nog beter te maken en zo tot risico reductie te komen. Dit doen we samen met onze omgeving: het algemene publiek, overheden en (weer)bedrijven. We innoveren permanent onze dienstverlening en creëren daarbij (duurzame) economische kansen voor het bedrijfsleven terwijl we bijdragen aan een veilig, bereikbaar en leefbaar Nederland.

Het KNMI heeft zijn producten en diensten ingedeeld in de productgroepen Meteorologie en Seismologie. Daarnaast wordt Aardobservatie als product onderscheiden. Meetbare gegevens voor deze productgroepen zijn opgenomen in beleidsartikel 23.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 XII, nr. 2

160

De begroting van baten en lasten voor het jaar 2016 (x € 1.000)

 
 

Realisatie 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet lenM

39.587

41.483

36.031

44.609

47.642

51.471

41.032

Omzet nutv werkzaamheden

0

2.769

1.217

0

0

0

0

Omzet overige departementen

1.677

2.062

2.062

2.062

2.062

2.062

2.062

Omzet derden

17.456

20.093

21.898

22.537

23.033

23.227

23.185

Rentebaten

110

0

0

0

0

0

0

Vrijval uit voorzieningen

233

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

59.062

66.407

61.208

69.208

72.737

76.760

66.279

Lasten

             

Apparaatskosten

47.386

52.132

50.788

49.237

49.217

49.217

49.217

  • personele kosten

31.706

30.558

28.744

28.023

28.005

28.005

28.005

* waarvan eigen personeel

28.888

28.009

27.914

27.523

27.505

27.505

27.505

* waarvan externe inhuur

2.613

2.549

830

500

500

500

500

* waarvan overige personele kosten

205

0

0

0

0

0

0

  • materiële kosten

15.680

21.574

22.044

21.214

21.212

21.212

21.212

* waarvan apparaat ICT

4.179

6.564

6.564

6.564

6.564

6.564

6.564

* waarvan bijdrage aan SSO's

2.996

2.818

4.966

4.966

4.966

4.966

4.966

* waarvan overige materiele kosten

8.505

12.192

10.514

9.684

9.682

9.682

9.682

Aardobservatie

9.846

12.206

8.374

17.718

21.187

25.130

14.687

Rentelasten

283

242

242

242

242

242

242

Afschrijvingskosten

2.749

1.827

1.804

2.011

2.091

2.171

2.133

  • materieel

2.749

1.827

1.804

2.011

2.091

2.171

2.133

* waarvan apparaat ICT

2.065

992

992

992

992

992

992

  • immaterieel
             

Overige kosten

48