Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Deze brief is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 34775 - Miljoenennota 2018.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Document­datum 19-09-2017
Publicatie­datum 19-09-2017
Nummer KST347752
Kenmerk 34775, nr. 2
Externe link originele PDF
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2017-2018

34 775

Nr. 2

NOTA OVER DE TOESTAND VAN 'S RIJKS FINANCIËN

19 september 2017

kst-34775-2 ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2017

Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 775, nr. 2

Bijlagen

 

1.

Uitgaven en niet-belastingontvangsten

Blz.

4

2.

De Belasting- en premieontvangsten

16

3.

EMU-saldo

30

4.

EMU-schuld

34

5.

Overheidsbalans

37

6.

Fiscale regelingen

39

7.

Overzicht risicoregelingen van het Rijk

57

8.

Normeringssystematiek gemeente- en provinciefonds

63

9.

Horizontale toelichting

67

10.

Verticale toelichting

130

11.

Toelichting op de fiscale regelingen

242

12.

Toelichting op de belastingontvangsten

277

13.

Overzicht interventies financiële sector

300

Uitgaven en niet-belastingontvangsten

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende manieren waarop de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de overheid worden weergegeven. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden transacties geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd: welke bedragen worden van de bankrekeningen van het Rijk afgeschreven. Bij het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt niet uitgegaan van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis: de uitgaven worden geboekt in de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.

Tabel 1.1 Netto-uitgaven naar type en kader (in miljoenen euro)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Begrotingsgefinan-cierde netto-uitgaven

kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

Tabel 1.5

kader SZA

20.412

21.050

21.547

21.910

22.507

23.145

23.650

Tabel 1.6

kader BKZ

7.299

7.286

7.437

7.430

7.359

7.430

7.374

Tabel 1.7

Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

Tabel 1.8

Totaal begrotings-

gefinancierde

netto-uitgaven

150.369

151.629

161.900

168.098

174.736

180.988

187.771

Tabel 1.4

Premiegefinan-cierde netto-uitgaven

 

kader SZA

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

Tabel 1.6

kader BKZ

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

Tabel 1.7

Totaal premiegefi-

nancierde

netto-uitgaven

115.001

117.880

122.037

128.115

134.378

140.362

147.364

 

Totaal netto-uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

 
 

kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

Tabel 1.5

kader SZA

76.607

77.388

78.464

80.568

82.727

84.480

86.909

Tabel 1.6

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

kader BKZ

66.105

68.828

72.557

76.887

81.517

86.457

91.478

Tabel 1.7

Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenkader

253.287

253.211

266.433

276.559

286.089

295.028

305.470

 

Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

Tabel 1.8

Totaal netto-

uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

 

Tabel 1.1 bevat alle netto-uitgaven van de rijksoverheid: de optelsom van de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een uitgavenkader. De uitgaven onder het uitgavenkader mogen het uitgavenplafond niet overschrijden. Het uitgavenkader is op zijn beurt gesplitst in drie verschillende deelkaders: het kader Rijksbegroting in enge zin, het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid en het Budgettair Kader Zorg. De meeste netto-uitgaven vallen onder een van de drie kaders. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder een kader vallen, deze worden de niet-kaderrelevante uitgaven genoemd.

In het bovenste deel van de tabel zijn de uitgaven uitgesplitst in de begrotingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden betaald uit belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinancierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit de sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven per kader opgeteld.

Tabel 1.2 Uitgaven begrotingen (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

143

150

144

142

142

147

144

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

115

120

113

112

112

112

112

3

Algemene Zaken

59

64

63

63

63

65

67

4

Koninkrijksrelaties

297

317

294

139

138

138

125

5

Buitenlandse Zaken

10.106

8.440

9.534

10.349

10.548

10.428

10.719

6

Veiligheid en Justitie

13.192

13.164

12.081

12.032

11.905

11.730

11.341

7

Binnenlandse Zaken

903

891

759

734

717

716

713

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

38.696

38.171

38.870

38.731

38.675

38.851

39.054

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

9.094

8.419

7.918

7.450

7.266

7.203

9.435

   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

9B

Financiën

9.968

6.745

7.118

6.817

6.418

6.227

6.322

10

Defensie

8.242

8.956

9.204

9.133

9.096

8.960

8.872

12

Infrastructuur en Milieu

7.891

7.461

8.431

8.736

8.776

8.947

8.997

13

Economische Zaken

5.056

5.232

5.254

5.755

6.391

6.295

6.410

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

31.664

32.236

32.090

32.577

32.603

32.760

32.951

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

15.193

14.720

15.231

15.383

15.734

16.329

16.767

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.885

2.831

2.466

2.412

2.500

2.720

2.716

18

Wonen en Rijksdienst

4.209

4.470

4.526

4.641

4.583

4.727

4.908

50

Gemeentefonds

28.125

27.822

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

5.238

5.779

6.243

6.410

6.452

6.422

6.500

58

Diergezondheidsfonds

32

44

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

1.147

983

1.119

1.164

1.210

1.369

1.248

AP

Aanvullende posten

0

  • 1.471

2.711

5.679

8.781

11.771

15.087

90

Consolidatie1

  • 6.026
  • 5.337
  • 6.595
  • 6.959
  • 7.015
  • 7.132
  • 7.179

HGIS

Internationale Samen-werking2

(5.342)

(4.709)

(4.662)

(4.569)

(4.634)

(4.820)

(4.898)

 

Totaal

188.806

182.702

188.161

191.941

195.369

198.868

205.211

1    Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

2    In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.2 geeft alle uitgaven zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleids- en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begro-tingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de uitgaven en verderop in bijlage 3 het saldo van de overheid, zijn de uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 1.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

0

0

0

0

0

0

0

2A

Staten-Generaal

5

4

4

4

4

4

4

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

6

6

6

6

6

6

6

3

Algemene Zaken

7

7

7

7

7

7

7

4

Koninkrijksrelaties

58

57

48

39

37

35

35

5

Buitenlandse Zaken

1.239

3.829

752

765

779

794

806

6

Veiligheid en Justitie

2.375

1.896

1.714

1.662

1.675

1.632

1.593

7

Binnenlandse Zaken

206

155

51

66

66

65

65

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.318

1.338

1.381

1.415

1.488

1.554

1.633

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

15.335

10.392

12.428

9.648

5.653

3.107

2.574

9B

Financiën

9.217

5.643

2.161

2.148

2.218

2.080

2.078

10

Defensie

373

422

420

311

268

273

275

12

Infrastructuur en Milieu

210

276

248

243

242

242

242

13

Economische Zaken

3.197

3.393

3.540

4.083

4.652

4.555

4.658

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.872

1.903

1.886

1.919

1.957

1.949

1.952

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

1.011

159

100

94

94

94

94

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

252

90

79

76

76

73

72

18

Wonen en Rijksdienst

955

724

609

647

637

586

573

50

Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

0

51

Provinciefonds

             

55

Infrastructuurfonds

5.581

5.228

6.243

6.410

6.452

6.422

6.500

58

Diergezondheidsfonds

30

33

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

             

65

Deltafonds

1.215

856

1.119

1.164

1.210

1.369

1.248

AP

Aanvullende posten

0

0

28

61

95

130

168

90

Consolidatie1

  • 6.026
  • 5.337
  • 6.595
  • 6.959
  • 7.015
  • 7.132
  • 7.179

HGIS

Internationale Samen-werking2

(401)

(160)

(155)

(135)

(135)

(134)

(134)

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal

38.437

31.074

26.261

23.843

20.633

17.880

17.441

1    Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

2    In deze tabel zijn de niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Dit betreft alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, het terugbetalen van studieschulden of de opbrengst van boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de niet-belastingontvangsten en verderop in bijlage 3 het saldo van de overheid, worden de ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld niet meegeteld.

Tabel 1.4 Netto-uitgaven begrotingen (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

138

146

140

138

138

143

140

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

109

114

108

106

106

106

106

3

Algemene Zaken

53

57

56

56

56

58

60

4

Koninkrijksrelaties

239

260

246

100

101

102

90

5

Buitenlandse Zaken

8.867

4.611

8.783

9.583

9.769

9.634

9.913

6

Veiligheid en Justitie

10.817

11.268

10.367

10.370

10.231

10.097

9.748

7

Binnenlandse Zaken

697

736

708

668

651

651

648

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

37.377

36.833

37.489

37.316

37.188

37.297

37.421

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 6.241
  • 1.973
  • 4.511
  • 2.198

1.613

4.095

6.861

9B

Financiën

751

1.102

4.956

4.669

4.200

4.147

4.244

10

Defensie

7.870

8.534

8.784

8.822

8.828

8.687

8.596

12

Infrastructuur en Milieu

7.681

7.185

8.183

8.493

8.534

8.705

8.755

13

Economische Zaken

1.859

1.839

1.714

1.671

1.740

1.740

1.752

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

29.792

30.333

30.205

30.659

30.646

30.810

30.999

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

14.181

14.561

15.131

15.289

15.640

16.235

16.674

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.633

2.741

2.387

2.336

2.424

2.647

2.644

18

Wonen en Rijksdienst

3.253

3.746

3.917

3.994

3.946

4.141

4.335

50

Gemeentefonds

28.125

27.822

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

  • 343

551

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

2

12

0

0

0

0

0

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

  • 68

127

0

0

0

0

0

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

AP Aanvullende posten

0

  • 1.471

2.683

5.618

8.686

11.640

14.919

HGIS Internationale Samen-

             

werking1

(4.940)

(4.549)

(4.507)

(4.434)

(4.499)

(4.685)

(4.764)

Totaal

150.369

151.629

161.900

168.098

174.736

180.988

187.771

1 Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Tabel 1.4 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer, oftewel de uitgaven (tabel 1.2) minus de niet-belastingontvangsten (tabel 1.3).

De volgende tabellen (1.5 tot en met 1.7) geven per deelkader aan welke uitgaven er onder vallen, op welk begrotingshoofdstuk deze staan, en of de uitgaven begrotings- of premiegefinancierd zijn.

Tabel 1.5 Netto-uitgaven kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

138

146

140

138

138

143

140

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

109

114

108

106

106

106

106

3

Algemene Zaken

53

57

56

56

56

58

60

4

Koninkrijksrelaties

89

93

87

80

80

81

68

5

Buitenlandse Zaken

8.867

4.611

8.783

9.583

9.769

9.634

9.913

6

Veiligheid en Justitie

10.817

11.268

10.367

10.370

10.231

10.097

9.748

7

Binnenlandse Zaken

747

736

708

668

651

651

648

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

35.460

34.971

35.448

35.305

35.029

34.952

34.913

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

11

17

19

19

19

19

19

9B

Financiën

4.968

4.707

4.853

4.707

4.573

4.544

4.642

10

Defensie

7.755

8.427

8.684

8.735

8.750

8.619

8.640

12

Infrastructuur en Milieu

7.831

7.409

8.407

8.717

8.758

8.929

8.979

13

Economische Zaken

4.455

4.671

4.825

5.345

5.988

5.961

6.098

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

448

587

518

452

394

395

391

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.260

2.480

2.605

2.531

2.473

2.419

2.409

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.649

2.759

2.403

2.349

2.437

2.657

2.654

18

Wonen en Rijksdienst

3.253

3.746

3.917

3.994

3.946

4.141

4.335

50

Gemeentefonds

18.499

18.409

18.911

18.907

18.843

18.713

18.583

   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

  • 343

551

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

0

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

0

159

276

796

1.316

1.777

2.322

61

Accres Provinciefonds

0

21

39

107

175

235

304

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

  • 68

127

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

0

521

1.069

1.634

2.277

2.957

81

Arbeidsvoorwaarden

0

0

1.201

2.518

3.961

5.281

6.758

86

Algemeen

0

  • 1.564

264

309

292

252

252

HGIS

Internationale Samenwerking1

(4.940)

(4.510)

(4.469)

(4.396)

(4.499)

(4.685)

(4.764)

 

Begrotingsgefinancierde

netto-uitgaven

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

 
 

Totaal netto-uitgaven kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

1 In deze tabel zijn de niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.6 Netto-uitgaven kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

17.650

18.501

18.721

18.780

19.026

19.255

19.345

50

Gemeentefonds

2.761

2.636

2.483

2.386

2.296

2.246

2.201

AP

Aanvullende posten

0

  • 87

343

744

1.186

1.644

2.104

 

Begrotingsgefinancierde

netto-uitgaven

20.412

21.050

21.547

21.910

22.507

23.145

23.650

40

Sociale verzekeringen

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

 

Premiegefinancierde

netto-uitgaven

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

 
 

Totaal netto-uitgaven kader SZA

76.607

77.388

78.464

80.568

82.727

84.480

86.909

Tabel 1.7 Netto-uitgaven Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

434

509

540

539

454

449

385

50

Gemeentefonds

6.865

6.777

6.888

6.872

6.877

6.943

6.940

   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

AP

Aanvullende posten

0

0

9

19

27

38

49

 

Begrotingsgefinancierde

netto-uitgaven

7.299

7.286

7.437

7.430

7.359

7.430

7.374

41

Zorg

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

 

Premiegefinancierde

netto-uitgaven

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

 
 

Totaal netto-uitgaven kader Budgettair Kader

Zorg

66.105

68.828

72.557

76.887

81.517

86.457

91.478

Tabel 1.8 geeft per begrotingshoofdstuk de uitgaven weer die buiten het uitgavenkader vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het begrotingstekort (het EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen (waaronder studieleningen), de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenkader zijn geplaatst, zoals de rente op de staatsschuld, de ontvangsten uit aardgaswinning of de uitgaven aan de zorgtoeslag.

Evenals bij tabellen 1.2 tot en met 1.4 geldt dat de genoemde bedragen in tabel 1.8 op kasbasis zijn, behalve het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld dat deels op transactiebasis wordt opgesteld en zijn de uitgaven aan het aflossen van en de ontvangsten uit het uitgaven van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 1.8 Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader (in miljoenen euro)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

4

Koninkrijksrelaties

150

168

159

20

21

21

22

7

Binnenlandse Zaken

  • 50

0

0

0

0

0

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.917

1.862

2.041

2.012

2.158

2.344

2.507

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 6.252
  • 1.990
  • 4.530
  • 2.217

1.594

4.076

6.842

9B

Financiën

  • 4.217
  • 3.605

103

  • 38
  • 373
  • 397
  • 398

10

Defensie

114

108

99

87

77

68

  • 44

12

Infrastructuur en Milieu

  • 150
  • 224
  • 224
  • 224
  • 224
  • 224
  • 224

13

Economische Zaken

  • 2.596
  • 2.831
  • 3.111
  • 3.673
  • 4.248
  • 4.222
  • 4.347

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

11.693

11.245

10.965

11.427

11.226

11.160

11.263

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

11.488

11.572

11.986

12.219

12.713

13.367

13.879

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

  • 16
  • 18
  • 16
  • 13
  • 13
  • 10
  • 10

58

Diergezondheidsfonds

2

12

0

0

0

0

0

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

AP Aanvullende posten

0

0

30

57

95

137

173

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven buiten het kader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

               

Totaal netto-uitgaven

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

In de tabellen 1.9 tot en met 1.12 worden de uitgaven onder de verschillende deelkaders getoetst aan de hoogte van de deelkaders, zoals het kabinet die aan het begin van de kabinetsperiode heeft vastgesteld.

Tijdens de kabinetsperiode worden de deelkaders geïndexeerd met de prijsontwikkeling van de Nationale Bestedingen (NB-deflator). Om de actuele hoogte van elk kader te bepalen wordt het vastgestelde kader daarom eerst teruggerekend tot een uitgavenniveau in reële prijzen. Dit uitgavenniveau wordt vervolgens aangepast aan de huidige raming van de prijsontwikkeling van de Nationale Bestedingen. Daarnaast wordt gecorrigeerd voor overboekingen die hebben plaatsgevonden tussen de verschillende deelkaders. Ook worden de kaders soms aangepast voor statistische correcties.

Vervolgens wordt weergegeven hoe de actuele raming van de uitgaven zich verhoudt tot het uitgavenkader in lopende prijzen. Als de daadwerkelijk geraamde uitgaven hoger zijn dan het uitgavenkader dan is er sprake van een overschrijding (+); vice versa van een onderschrijding van het uitgavenkader (-).

 

Tabel 1.9 Uitgaventoetsing kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro, onderschrijding)

  • - 
    is
 

2016

2017

  • 1. 
    Raming uitgaven bij Regeerakkoord 2012/Begrotingsafspraken 2014

108.554

109.610

  • 2. 
    pNB ten tijde van MLT 2013-2017/Begrotingsafspraken

2014

1,0680

1,0811

  • 3. 
    Reëel kader

101.642

101.385

  • 4. 
    NB-deflator

1,0378

1,0550

  • 5. 
    Overboekingen

362

398

  • 6. 
    Statistisch

3.198

  • 1.273
  • 7. 
    Uitgavenkader RBG-eng in lopende prijzen

109.046

106.092

  • 8. 
    Actuele ramingen uitgaven

110.575

106.995

  • 9. 
    Over/onderschrijding kader RBG-eng (9=8-7)

1.530

904

Tabel 1.10 Uitgaventoetsing kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (in miljoenen euro, - is onderschrijding)

 

2016

2017

  • 1. 
    Raming uitgaven bij Regeerakkoord

2012/Begrotingsafspraken 2014

84.251

84.737

  • 2. 
    pNB ten tijde van MLT 2013-2017/

Begrotingsafspraken 2014

1,0680

1,0811

  • 3. 
    Reëel kader

78.886

78.379

  • 4. 
    NB-deflator

1,0378

1,0550

  • 5. 
    Overboekingen
  • 168
  • 147
  • 6. 
    Statistisch
  • 4.314
  • 4.299
  • 7. 
    Uitgavenkader SZA in lopende prijzen

77.387

78.248

  • 8. 
    Actuele ramingen uitgaven

76.607

77.388

wv begrotingsgefinancierd

20.412

21.050

wv premiegefinancierd

56.195

56.338

  • 9. 
    Over/onderschrijding kader SZA (9=8-7)
  • 780
  • 859
 

Tabel 1.11 Uitgaventoetsing Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro, - is onder schrijding)

 
 

2016

2017

  • 1. 
    Raming uitgaven bij Regeerakkoord

2012/Begrotingsafspraken 2014

70.105

72.029

  • 2. 
    pNB ten tijde van MLT 2013-2017/

Begrotingsafspraken 2014

1,0680

1,0811

  • 3. 
    Reëel kader

65.641

66.624

  • 4. 
    NB-deflator

1,0378

1,0550

  • 5. 
    Overboekingen
  • 194
  • 251
  • 6. 
    Statistisch

0

512

  • 7. 
    Uitgavenkader BKZ in lopende prijzen

67.929

70.552

  • 8. 
    Actuele ramingen uitgaven

66.105

68.828

wv begrotingsgefinancierd

7.299

7.286

wv premiegefinancierd

58.806

61.542

  • 9. 
    Over/onderschrijding kader BKZ (9=8-7)
  • 1.825
  • 1.725
 

Tabel 1.12 Uitgaventoetsing totaalkader (in miljoenen euro,

  • - 
    is onderschrijding)
 
 

2016

2017

  • 1. 
    Reëel kader

246.170

246.389

  • 2. 
    NB-deflator

1,0378

1,0550

  • 3. 
    Overboekingen

0

0

 

2016

2017

  • 4. 
    Statistisch
  • 1.116
  • 5.060
  • 5. 
    Uitgavenkader in lopende prijzen

254.362

254.891

  • 6. 
    Actuele raming uitgaven

253.287

253.211

  • 7. 
    Over/onderschrijding (7=6-5)
  • 1.075
  • 1.680

Tabel 1.13 geeft de aardgasbaten weer. De aardgasbaten worden met name beïnvloed door de productie van aardgas, de hoogte van de olieprijs, de prijs van gas die op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen (beursprijs TTF-gas) en de euro/dollarkoers. De olieprijs is van belang, omdat de prijs van aardgas mede is gerelateerd aan de prijs van olie in dollars. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aardgasbaten. De tabel laat zien dat de aardgasbaten niet alleen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. Dit wordt gedaan omdat het EMU-saldo - volgens Europese methodiek - wordt berekend op transactiebasis, terwijl de rijksbegroting op kasbasis wordt opgesteld.

 

1 Tabel 1.13 Aardgasbaten (in miljoenen euro)

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Olieprijs (in dollars)

44

50

50

51

53

54

54

Beursprijs TTF-gas (in eurocent per kubieke meter)

14

16

16

16

16

16

16

Euro/dollarkoers (in dollars)

1

1

1

1

1

1

1

Productie (x miljard kubieke meter)

49

40

39

38

37

36

34

 

Niet-belastingontvangsten

1.927

2.100

1.950

1.850

1.850

1.850

1.850

Vennootschapsbelasting

200

200

150

150

150

200

200

Totaal kasbasis

2.127

2.300

2.100

2.000

2.000

2.050

2.050

Niet-belastingontvangsten

  • 273
  • 100

50

  • 50

0

0

0

Vennootschapsbelasting

50

0

50

0

  • 50

0

0

Totaal kas-transverschil (ktv)

  • - 
    223
  • - 
    100

100

  • - 
    50
  • - 
    50

0

0

 

Niet-belastingontvangsten

2.200

2.200

1.900

1.900

1.850

1.850

1.850

Vennootschapsbelasting

150

200

100

150

200

200

200

Totaal transactiebasis

2.350

2.400

2.000

2.050

2.050

2.050

2.050

De Belasting- en premieontvangsten

2.1 Inleiding

Deze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belasting- en premieontvangsten gezamenlijk gepresenteerd.

Net als in hoofdstuk 3 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. Vanzelfsprekend zijn voor het EMU-saldo de belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis1 relevant. Daarnaast worden in overeenstemming met de Comptabiliteitswet de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabel aan het einde van deze bijlage. In deze tabel wordt tevens de aansluiting van de ontvangsten op kasbasis naar EMU-basis gemaakt.

De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI). In de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een nadere toelichting opgenomen van de ramingen voor de WLZ en de ZVW. De overige fondsen worden toegelicht in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In paragraaf 2.2 worden de ramingen van de belasting- en premieontvangsten van 2017 (de Vermoedelijke Uitkomsten) vergeleken met de stand van het vorige ramingsmoment (Voorjaarsnota 2017), waarbij de belangrijkste ramingsbijstellingen worden toegelicht. Paragraaf 2.3 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2018 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Voor een verdere toelichting op de raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 12 van deze Miljoenennota. Paragraaf 2.4 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2021. Tot slot geeft paragraaf 2.5 een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2017 en 2018 op EMU-basis en op kasbasis.

2.2 De belasting- en premieontvangsten in 2017

In tabel 2.2.1 wordt de nieuwe raming voor 2017 vergeleken met de stand bij Voorjaarsnota 2017. De nieuwe raming voor 2017 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2018 van het CPB en de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten tot en met juli 2017. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017 is de raming van de totale belastingen premieontvangsten op EMU-basis met 1,9 miljard euro opwaarts bijgesteld.

De raming in de Voorjaarsnota 2017 was gebaseerd op het economisch beeld dat volgde uit het CEP 2017 van het CPB. Ten opzichte van het CEP 2017 is de verwachte waardeontwikkeling van het bbp in 2017 met 1,1 procent opwaarts bijgesteld. Deze hogere economische groei is onder andere een gevolg van een zeer stevige economische groei in het tweede kwartaal van 2017. Het bijgestelde economische beeld en de realisaties tot en met juli 2017 leiden tot een opwaartse bijstelling van de totale belasting- en premieontvangsten voor 2017.

 

Tabel 2.2.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2017 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

 

Voorjaarsnota

2017

Vermoede

lijke

uitkomsten

2017

Verschil

Indirecte belastingen

83.525

83.757

232

Invoerrechten

3.211

3.209

  • 2

Omzetbelasting

50.187

50.197

10

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.701

1.876

175

Accijnzen

11.666

11.709

43

Overdrachtsbelasting

2.746

2.748

2

Assurantiebelasting

2.465

2.414

  • 51

Motorrijtuigenbelasting

4.034

4.026

  • 8

Belastingen op een milieugrondslag

4.949

5.008

60

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

263

0

Belasting op zware motorrijtuigen

166

170

3

Verhuurderheffing

1.664

1.664

0

Bankbelasting

473

473

0

 

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

124.426

125.645

1.219

Loon- en inkomensheffing

98.193

98.787

595

Dividendbelasting

3.079

3.212

133

Kansspelbelasting

502

503

1

Vennootschapsbelasting

20.823

21.292

469

Erf- en schenkbelasting

1.829

1.850

21

 

Overige belastingontvangsten

194

194

0

 

Voorjaarsnota

2017

Vermoede

lijke

uitkomsten

2017

Verschil

 

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

208.145

209.597

1.451

 

Premies werknemersverzekeringen

60.145

60.587

441

waarvan zorgpremies

38.333

38.547

214

 

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

268.291

270.184

1.893

De raming van de totale indirecte belastingen is met 0,2 miljard euro opwaarts bijgesteld opzichte van de Voorjaarsnota 2017. De geraamde btw-ontvangsten zijn vrijwel ongewijzigd ten opzichte van de raming in de Voorjaarsnota 2017. Onderliggend neemt de waarde van de consumptie van huishoudens in 2017 harder toe dan geraamd in het CEP 2017, terwijl binnen de particuliere consumptie het aandeel van duurzame goederen minder sterk toeneemt dan in het CEP 2017 verondersteld. De raming van de bpm is met 0,2 miljard euro opwaarts bijgesteld omdat het aantal verkochte nieuwe auto's en de gemiddelde bpm die daarover wordt geheven hoger uitvallen. Ook de ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag (voornamelijk de energiebelasting) worden hoger geraamd (+ 0,1 miljard euro). Tot slot is de raming van de assurantiebe-lasting met 0,1 miljard euro neerwaarts bijgesteld.

De ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen zijn voor 2017 met 1,2 miljard euro omhoog bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017. De raming van de loon- en inkomensheffing is met 0,6 miljard euro opwaarts aangepast. De contractlonenstijging en de werkgelegenheidsstijging zijn iets minder sterk dan eerder geraamd, terwijl de verwachte winsten van IB-ondernemers flink sterker groeien. De bijstelling van de raming is in lijn met de gerealiseerde ontvangsten over de eerste helft van het jaar.

De raming van de vpb-ontvangsten in 2017 is met 0,5 miljard euro opwaarts bijgesteld. Het aanslagniveau over het winstjaar 2017 ligt flink hoger dan eerder ingeschat als gevolg van hogere winsten. Dat minder verliezen uit het verleden verrekend worden met de winst van 2017 is hierop ook van invloed. Bij de dividendbelasting geven de realisaties over het eerste halfjaar van 2017 aanleiding tot een positieve aanpassing van de raming (+ 0,1 miljard euro).

Ten slotte komen de ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen 0,4 miljard euro hoger uit. Dat komt vooral door hogere ontvangsten uit de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en arbeidsongeschiktheidspremies als gevolg van een sterkere grondslagont-wikkeling.

2.3 De belasting- en premieontvangsten in 2018

In figuur 2.3.1 zijn de voor 2017 en 2018 geraamde belasting- en premieontvangsten opgenomen. De ontvangsten uit de meeste belastingsoorten nemen toe in 2018 ten opzichte van 2017.

Figuur 2.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis

Loon- en inkomensheffing Premies wnvz (inclusief zorg)

Omzetbelasting Vennootschapsbelasting Accijnzen

Belastingen op een milieugrondslag Motorrijtuigenbelasting Dividendbelasting Invoerrechten Overdrachtsbelasting Assurantiebelasting Erf- en schenkbelasting Verhuurderheffing BPM

Overige belastingontvangsten

Tabel 2.3.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde belasting- en premieontvangsten in 2018. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het directe effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten tussen 2017 en 2018 en de endogene ontwikkeling, dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die vooral samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.

 

Tabel 2.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2018 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

 

Vermoede- Maatregelen lijke uitkomsten

2017

Endogeen Endogeen in

%

2018

Indirecte belastingen

83.757

189

3.240

3,9%

87.186

Invoerrechten

3.209

0

180

5,6%

3.389

Omzetbelasting

50.197

27

2.590

5,2%

52.814

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.876

  • 46
  • 37
  • 2,0%

1.793

Accijnzen

11.709

  • 1

184

1,6%

11.891

Overdrachtsbelasting

2.748

0

7

0,3%

2.755

Assurantiebelasting

2.414

0

95

3,9%

2.510

Motorrijtuigenbelasting

4.026

10

107

2,6%

4.143

Belastingen op een milieugrondslag

5.008

198

22

0,4%

5.228

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

0

4

1,4%

267

Belasting op zware motorrijtuigen

170

0

4

2,3%

174

Verhuurderheffing

1.664

0

85

5,1%

1.750

Bankbelasting

473

0

0

0,0%

473

 

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

125.645

  • - 
    1.173

5.566

4,4%

130.038

 

Vermoede- Maatregelen lijke uitkomsten

2017

Endogeen Endogeen in

%

2018

Loon- en inkomensheffing

98.787

  • 1.054

4.816

4,9%

102.549

Dividendbelasting

3.212

  • 47

85

2,6%

3.250

Kansspelbelasting

503

20

17

3,3%

540

Vennootschapsbelasting

21.292

  • 80

555

2,6%

21.768

Erf- en schenkbelasting

1.850

  • 12

93

5,0%

1.931

 

Overige belastingontvangsten

194

  • 1
  • 10
  • 5,2%

183

209.597    - 986    8.796    4,2%    217.407

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

 

Premies werknemersverzekeringen

60.587

1.773

2.758

4,6%

65.117

waarvan zorgpremies

38.547

1.713

943

2,4%

41.203

 

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

270.184

787

11.554

4,3%

282.525

In 2018 bedragen de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis naar verwachting 282,5 miljard euro. Ten opzichte van de meest actuele raming van de ontvangsten voor 2017 stijgen de ontvangsten in 2017 daarmee met 12,3 miljard euro. Beleidsmaatregelen zorgen voor 0,8 miljard euro hogere ontvangsten in 2017 ten opzichte van het jaar daarvoor. Het gaat om zowel maatregelen waartoe dit kabinet en vorige kabinetten eerder hebben besloten als maatregelen die het kabinet met deze Miljoenennota voorstelt. De verwachte endogene groei van de belasting- en premieontvangsten in 2017 bedraagt 11,6 miljard euro (4,3 procent). In de volgende paragrafen wordt nader op de endogene ontwikkeling ingegaan. In bijlage 12 van deze Miljoenennota staat een uitgebreidere toelichting voor de grootste belastingsoorten.

2.3.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2018

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2018. Voor 2018 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 4,2 procent. De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten bedraagt in 2018 naar verwachting 4,3 procent. Daarmee ligt de groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2018 in lijn met de waardegroei van het bbp. Zoals in hoofdstuk 3 van deze Miljoenennota is toegelicht, is de ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten gerelateerd aan de samenstelling van de economische groei. Elke belasting kent zijn eigen grondslag, waarbij de verschillende belastinggrondslagen niet één-op-één en op dezelfde manier gerelateerd zijn aan de ontwikkeling van het totale bbp. De ontwikkeling van de ontvangsten uit de ene belastingsoort verschilt dus van de ontwikkeling van de ontvangsten van een andere belastingsoort.

De endogene groei van de inkomsten uit de indirecte belastingen in 2018 bedraagt 3,9 procent. Deze ontwikkeling wordt voor een groot deel bepaald door de btw-ontvangsten, verreweg de grootste post bij de indirecte belastingen. De btw-ontvangsten hangen vooral af van de consumptieve bestedingen, de investeringen in woningen en de overheidsinvesteringen. De waardeontwikkeling van de particuliere consumptie is in 2018 met 3,9 procent vergelijkbaar met de totale economische groei in waardetermen. Binnen de particuliere consumptie neemt het aandeel van duurzame goederen toe, wat leidt tot hogere ontvangsten omdat deze goederen belast worden tegen het algemene btw-tarief. De investeringen in woningen nemen met 8,3 procent toe, terwijl de overheidsinvesteringen toenemen met 2,3 procent. Daarmee komt de endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten naar verwachting uit op 5,2 procent in 2018.

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten uit de bpm is met - 2 procent negatief in 2018. De bpm-ontvangsten hangen af van het aantal autoverkopen en het aandeel van kleinere en/of zuinige auto's daarin. De verwachting is dat het aantal verkopen in 2018 wat afneemt als gevolg van een verschuiving van de verkopen van 2016 naar 2017 vanwege anticipatie op de verlaging van het algemene bijtellingstarief voor de inkomstenbelasting. De ontvangsten uit de motorrijtuigenbelasting -waarvoor het gewicht van de in Nederland geregistreerde auto's de grondslag vormt - nemen naar verwachting met 2,6 procent toe in 2018 door een groter wagenpark. De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting blijven in 2018 ongeveer gelijk met een verwachte kleine toename van 0,3 procent toe. Deze lichte stijging volgt uit een verwachte daling van het aantal verkopen van bestaande woningen in 2018 met 4,3 procent ten opzichte van 2017, in combinatie met een prijsstijging van 5,0 procent. De totale WOZ-waarde van sociale huurwoningen vormt de grondslag van de verhuurderheffing. Voor 2018 nemen de ontvangsten uit de verhuurder-heffing naar verwachting met 5,1 procent toe. Een groei van zowel het volume als de prijs van ingevoerde goederen zorgen voor een toename van de ontvangsten uit invoerrechten. De ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag nemen met 0,4 procent toe. Deze ontwikkeling wordt gedomineerd door de energiebelasting die voor meer dan 90 procent bijdraagt aan de totale ontvangsten uit belastingen op een milieugrondslag. De grondslag van de energiebelasting is het elektriciteits- en gasverbruik. Tot slot nemen de ontvangsten uit de accijnzen in 2018 met 1,6 procent toe.

De endogene ontwikkeling van de directe belastingen en de premies volksverzekeringen - de belastingen op inkomen en vermogen - bedraagt

4,4 procent in 2018. De qua omvang belangrijkste directe belastingsoort is de loon- en inkomensheffing2. Voor de ontwikkeling van de ontvangsten uit deze belastingsoort zijn vooral de verwachte loonontwikkeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van winsten van zelfstandigen van belang. De grondslag van de loon- en inkomensheffing wordt daarnaast ook beïnvloed door de omvang van de hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies. De ontvangsten uit de loon- en inkomens-heffing groeien in 2018 met 4,9 procent. Dat is met name het gevolg van een toename van de werkgelegenheid met 1,6 procent en hogere lonen (contractlonen + 2,0 procent, incidenteel loon + 0,9 procent). Ook groeien de ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing in 2018 door een lagere hypotheekrenteaftrek en hogere winsten van IB-ondernemers (dat zijn ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting). De vpb-ontvangsten komen in 2018 2,6 procent hoger uit dan in 2017 in lijn met geraamde groei van de bedrijfswinsten. In lijn met de hogere winsten in 2018 nemen de ontvangsten uit de dividendbelasting met 2,6 procent toe. Tot slot nemen de ontvangsten uit de schenk- en erfbelasting naar verwachting met 5,0 procent toe met name door stijgende huizenprijzen.

De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen - waar ook de zorgpremies onder vallen - nemen met 4,6 procent toe in 2018. Onderliggend gaat het om een positieve ontwikkeling van de grondslag door hogere lonen en meer werkgelegenheid in combinatie met de ontwikkeling van de aan de zorguitgaven gekoppelde zorgpremies.

2.3.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten

In 2018 nemen de belasting- en premieontvangsten met 0,8 miljard euro toe als gevolg van beleidsmaatregelen. In tabel 2.3.1 wordt het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2018 per belastingsoort getoond. Dit is zowel beleid van vorige kabinetten met in 2018 nog een op- of neerwaarts effect op de inkomsten ten opzichte van 2017, als (nieuw) beleid van het huidige kabinet.

Bij de indirecte belastingen is de beleidsmatige mutatie per saldo 0,2 miljard euro. Het gaat om het saldo van een groot aantal maatregelen. Bij de belastingen op een milieugrondslag zorgt de in het Energieakkoord overeengekomen tariefsverhoging van de energiebelasting voor hogere ontvangsten in 2018 (+ 0,2 miljard euro). De aanscherping van de definitie van geneesmiddelen maakt onder andere onderdeel uit van het beleidsmatige effect bij de btw. Verschillende maatregelen uit de (budgetneu-trale) Autobrief II zorgen voor beleidsmatig lagere ontvangsten uit de bpm en iets hogere ontvangsten uit de MRB.3

Als gevolg van beleidsmaatregelen nemen de ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen met 1,2 miljard euro af in 2018. Het gaat om een saldo van vele maatregelen, voor een groot deel binnen de loon- en inkomensheffing. De beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing komt uit op - 1,1 miljard euro. Deze mutatie wordt vooral bepaald door het kaseffect (- 1,3 miljard euro) van het afschaffen en de mogelijkheid tot afkoop van het pensioen in eigen beheer (PEB). Na incidenteel fors hogere ontvangsten als gevolg deze maatregel in 2017 is vanaf 2018 sprake van het omgekeerde. Ook het koopkrachtpakket 2018 (- 0,1 miljard euro) met een verhoging van de ouderenkorting, een verlaging van de algemene heffingskorting en een verlaging van de alleenstaande-ouderenkorting maakt onderdeel uit van de beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing.

Beleidsmaatregelen zorgen voor een afname van de ontvangsten bij de vennootschapsbelasting in 2018 van - 0,1 miljard euro. Deze afname is een saldo van diverse maatregelen waaronder het effect van het aflopen van de liquiditeitsverruimende maatregelen voor bedrijven die in het verleden zijn genomen (- 0,3 miljard euro) en de al genoemde PEB-maatregel (+ 0,2 miljard euro). Onderdelen van het vpb-pakket ter invulling van de BEPS-taakstelling, met effecten in 2018, zijn onder andere de schijfverlenging van het de eerste tariefsschijf, het wijzigen van specifieke renteaftrekbeperkingen in de vpb en de aanpassing van de Innovatiebox.

Beleid met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen leidt per saldo tot 1,8 miljard euro hogere ontvangsten in 2018. Daarvan betreft 1,7 miljard euro het effect van hogere zorgpremies die voor 2018 worden voorzien. De overige premies werknemersverzekeringen leiden in 2018 per saldo tot 0,1 miljard hogere ontvangsten.

In tabel 2.3.2 wordt de totale beleidsmatige mutatie in 2017 van 0,8 miljard uitgesplitst naar de opeenvolgende momenten waarop tot beleidmaatregelen is besloten zoals het Regeerakkoord, opeenvolgende Miljoenennota's en tussentijdse beleidspakketten. Dit noemen we ook wel de «verticale mutaties» van de beleidsmatige ontwikkeling van de ontvangsten in 2018. Ook wordt zo inzichtelijk dat ook beleid van voor deze kabinetsperiode in 2018 nog budgettaire effecten heeft. Zo werkt bijvoorbeeld het effect van het aflopen van de verschillende liquiditeits-verruimende maatregelen voor bedrijven die in de jaren 2009, 2010 en

2011    zijn genomen nog door in 2018. Verder leidt het Begrotingsakkoord

2012    tot hogere ontvangsten in 2018 door maatregelen gericht op de woningmarkt en pensioenen.

 

Tabel 2.3.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2018 (op EMU-basis, in miljoenen euro's)

Beleid vorige kabinetten

  • - 
    189

waarvan liquiditeitsverruiming bedrijven

  • 325

waarvan begrotingsakkoord 2012 (Lenteakkoord)

130

waarvan overig

6

Beleid Regeerakkoord Rutte II

78

(ander) beleid nieuw meegenomen in MN2014

191

waarvan energieakkoord

200

waarvan overig

  • 9

Beleid nieuw meegenomen in MN2015

  • - 
    93

Beleid nieuw meegenomen in MN2016

  • - 
    71

Beleid nieuw meegenomen in MN2017

2.545

waarvan kaseffecten Pensioen in eigen beheer

  • 1.075

waarvan arbeidsmarktpakket

932

waarvan aanpassingen kamerbehandeling BP2016

126

waarvan aanpassingen kamerbehandeling BP2017

111

waarvan vereenvoudigingswestsvoorstel 2017

  • 131

waarvan zorgpremies

2.592

waarvan overig

  • 11

Beleid nieuw meegenomen in MN2018

  • - 
    1.673

waarvan uitstel arbeidsmarktpakket

  • 787

waarvan koopkrachtpakket 2018

  • 92

waarvan dekking zorgpremies bedrijfsleven

99

waarvan zorgpremies

  • 718

waarvan overig

  • 175

Totaal

787

Het Regeerakkoord zorgt voor 0,1 miljard euro hogere ontvangsten in 2018. Het gaat om de optelsom van een aantal kleinere maatregelen. Daar maken het beperken van het tarief van de hypotheekrenteaftrek en de terugsluis daarvan onderdeel van uit. Beleid verwerkt in de Miljoenennota's van de jaren daarna heeft (ook) geen substantiële effecten op de ontvangsten in 2018, uitgezonderd de in het Energieakkoord opgenomen verhoging van de tarieven in de energiebelasting die verwerkt is in Miljoenennota 2014 (opgenomen in Belastingplan 2018).

Het beleid dat onder het kopje Miljoenennota 2017 is meegenomen bestaat onder andere uit de kaseffecten van het afschaffen en afkoop van het PEB (- 1,1 miljard) en mutaties bij de premies werknemersverzekeringen die onderdeel uitmaakten van het arbeidsmarktpakket (0,9 miljard euro)4. De aanpassingen van de oorspronkelijke Belastingplannen 2016 en 2017 leiden in 2018 leiden tot 0,2 miljard hogere ontvangsten. Het vereenvoudigingswetsvoorstel dat onderdeel uitmaakte van pakket Belastingplan 2017 zorgt in 2018 voor lagere ontvangsten (- 0,1 miljard euro) door verschillende kasschuiven. Ten slotte is in Miljoenennota 2017 de verwachte beleidsmatige ontwikkeling van de zorgpremies in 2018 geraamd op 2,6 miljard euro.

Beleid dat voor het eerst tot uiting komt in Miljoenennota 2018 is onder meer het (gedeeltelijke) uitstel van het arbeidsmarktpakket door het controversieel verklaren van de maatregel compensatie transitiever-goeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Daardoor komen de premies werknemersverzekeringen beleidsmatig lager uit (- 0,8 miljard euro). Het koopkrachtpakket 2018 zorgt per saldo voor 0,1 miljard euro lagere ontvangsten. Ten slotte is de verwachte ontwikkeling van de zorgpremies in 2018 met 0,7 miljard euro neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de verwachting daarover bij de vorige Miljoenennota.

 

Tabel 2.3.3 Budgettair effect van belasting-

en premiemaatregelen 2018 (in miljoenen euro's)

   
 

Belastingen en premies op EMU-basis

Belastingen en premies op transactiebasis

Lastenontwikkeling

Zorgpremies (nominale premie + IAB)

1.713

1.713

1.713

Zorgtoeslag

0

0

  • 635

Sectorfondspremies

60

60

60

Totaal PEB

  • 1.084
  • 1.668
  • 6

Liquiditeitsverruimende maatregelen

  • 327
  • 346
  • 2

Participatie- en inkomensbeleid

  • 10
  • 10
  • 10

Milieu- en autobelastingen

206

207

207

Pensioengerelateerde maatregelen

96

96

96

btw

27

27

  • 16

Budgetsystematiek WBSO

42

42

0

SDE+

0

0

396

Overig

64

  • 102
  • 141

Totaal

787

19

1.662

In tabel 2.3.3 wordt een relatie gelegd tussen het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis5, het effect daarvan op transactiebasis en het effect op de lastenontwikkeling zoals relevant voor het inkomstenkader in 20186. Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, die relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het voor de meeste belastingsoorten om de één-maands-verschoven-kasontvangsten. Bij de ontvangsten op transactiebasis wordt - in dit geval - het beleid toegerekend aan het jaar waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit het effect op de ontvangsten volgt zich voordoet. Daarop sluit het op de lastenontwikkeling gebaseerde inkomstenkader zoveel mogelijk aan. Een van de uitzonderingen daarop vormen maatregelen met intertemporele (kas)effecten. Daar is bijvoorbeeld sprake van bij het afschaffen (in combinatie met afkoop) van het pensioen in eigen beheer. De incidenteel hogere ontvangsten in 2017 leiden tot een neerwaartse mutatie in 2018 op EMU- en transactiebasis, maar beïnvloeden de beleidsmatige lastenontwikkeling in 2018 niet.7 Voor liquiditeitsverruimende maatregelen voor bedrijven uit de jaren 2009 tot en met 2011 - die in 2018 tot lagere belastingontvangsten leiden - geldt hetzelfde.8 Een ander verschil ontstaat door de zorgtoeslag. Vanwege de directe koppeling met de nominale premie is de zorgtoeslag wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, terwijl dit geen belasting- en premieontvangsten betreft. Dat geldt ook voor de SDE+. Verschillen tussen de effecten op EMU- en transactiebasis ontstaan hoofdzakelijk door de duur van het aanslag- en aangifteproces van sommige belastingsoorten. Daardoor ontstaat een vertraging bij de ontvangsten op EMU-basis.

2.4 Meerjarige ontvangstenraming

De ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten voor de periode 2017-2021 is weergegeven in tabel 2.4.1. De ramingen voor 2017 en 2018 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht.

 

Tabel 2.4.1. Meerjarige belasting- en premieraming (in miljarden euro's)

 

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

270,2

282,5

294,9

306,3

317,5

waarvan belastingen op kasbasis

166,8

169,4

178,6

187,3

194,3

2.5 De belastingraming 2017-2018

Tabel 2.5.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis.

Tabel 2.5.1 Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2017 - 2018 (in miljoenen euro's)

 
 

Vermoede-

Ontwerpbe-

 

lijke

groting 2018

 

uitkomsten

 
 

2017

 

Indirecte belastingen

83.757

87.186

Invoerrechten

3.209

3.389

beleidsmaatregelen in dat jaar genoemd. Formeel is er geen inkomstenkader in 2018. Wel heeft het kabinet de beleidsmatige astenontwikkeling voor 2017 en 2018 ten opzichte van de Macro Economische Verkenning 2017 constant gehouden.

7    Het relevante effect van deze maatregel voor inkomstenkader slaat neer in 2017 en betreft de contante waarde van de langjarige kasstroom (62 miljoen euro).

8    In het jaren waarin de liquiditeitsverruimende maatregelen zijn genomen, oftewel de betreffende transactiejaren 2009, 2010 en 2011, waren deze maatregelen wel relevant voor het inkomstenkader.

 

Vermoede-    Ontwerpbe-

lijke groting 2018 uitkomsten

2017

Omzetbelasting

50.197

52.814

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.876

1.793

Accijnzen

11.709

11.891

  • Accijns van lichte olie

4.291

4.322

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.874

3.968

  • Tabaksaccijns

2.442

2.487

  • Alcoholaccijns

313

310

  • Bieraccijns

441

449

  • Wijnaccijns

348

355

Belastingen van rechtsverkeer

5.162

5.265

  • Overdrachtsbelasting

2.748

2.755

  • Assurantiebelasting

2.414

2.510

Motorrijtuigenbelasting

4.026

4.143

Belastingen op een milieugrondslag

5.008

5.228

  • Afvalstoffenbelasting

87

90

  • Energiebelasting

4.643

4.857

  • Waterbelasting

278

282

  • Brandstoffenheffingen

0

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

267

Belasting op zware motorrijtuigen

170

174

Verhuurderheffing

1.664

1.750

Bankbelasting

473

473

 

Directe belastingen

83.701

82.922

Inkomstenbelasting kas

  • 2.315
  • 3.510

Loonbelasting kas

59.157

58.944

Dividendbelasting

3.212

3.250

Kansspelbelasting

503

540

Vennootschapsbelasting

21.292

21.768

  • Gassector kas

200

150

  • Niet-gassector kas

21.092

21.618

Erf- en schenkbelasting

1.850

1.931

 

Overige Belastingontvangsten

194

183

 

Vermoede

lijke

uitkomsten

2017

Ontwerpbegroting 2018

  • Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

 

Totaal belastingen

167.652

170.291

 

Premies volksverzekeringen (EMU)

41.945

47.116

Premies werknemersverzekeringen

60.587

65.117

  • waarvan zorgpremies

36.680

38.547

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis    270.184    282.525

Tabel 2.5.2 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op kasbasis met op de laatste regels de aansluiting naar de totaalraming op EMU-basis.

Tabel 2.5.2. Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2017 - 2018 (in miljoenen euro's)

Vermoede- Ontwerpbe-lijke groting 2018 uitkomsten 2017

 

Indirecte belastingen

83.296

86.443

Invoerrechten

3.195

3.375

Omzetbelasting

49.757

52.133

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.888

1.798

Accijnzen

11.711

11.875

  • Accijns van lichte olie

4.283

4.318

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.880

3.962

  • Tabaksaccijns

2.440

2.482

  • Alcoholaccijns

314

311

  • Bieraccijns

446

449

  • Wijnaccijns

349

355

Belastingen van rechtsverkeer

5.123

5.246

  • Overdrachtsbelasting

2.700

2.743

  • Assurantiebelasting

2.423

2.503

Motorrijtuigenbelasting

4.039

4.129

Belastingen op een milieugrondslag

5.015

5.224

  • Afvalstoffenbelasting

86

89

  • Energiebelasting

4.651

4.853

Vermoede-    Ontwerpbe-

lijke groting 2018 uitkomsten

2017

  • Waterbelasting

278

282

  • Brandstoffenheffingen

0

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

266

Belasting op zware motorrijtuigen

167

173

Verhuurderheffing

1.664

1.750

Bankbelasting

473

473

 

Directe belastingen

83.345

82.812

Inkomstenbelasting kas

  • 2.315
  • 3.510

Loonbelasting kas

58.805

58.836

Dividendbelasting

3.212

3.250

Kansspelbelasting

500

538

Vennootschapsbelasting

21.292

21.768

  • Gassector kas

200

150

  • Niet-gassector kas

21.092

21.618

Erf- en schenkbelasting

1.850

1.931

 

Overige Belastingontvangsten

184

183

  • Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

 

Totaal belastingen

166.826

169.438

 

Premies volksverzekeringen kas

41.920

46.909

Premies werknemersverzekeringen

60.587

65.117

  • waarvan zorgpremies

36.680

38.547

Aansluiting naar EMU-basis

851

1.060

 

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

270.184

282.525

3. EMU-saldo

Tabel 3.1 EMU-saldo (in miljoenen euro, + is overschot)

 
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

1

Belasting- en premieontvangsten

258.829

270.184

282.525

294.872

306.318

317.507

329.111

Tabel 2.4.1

2

Totale

netto-

uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

Tabel 1.1

3

Af: niet

EMU-saldo

relevante

uitgaven

  • 5.399
  • 9.827
  • 10.572
  • 12.852
  • 16.786
  • 19.799
  • 22.802

Tabel 3.2

4

Bij:

Kas-transverschillen

               
 

en overige posten

3.176

  • 4.647
  • 1.369
  • 743
  • 890
  • 1.086
  • 1.123

Tabel 3.3

5

Bij:

EMU-saldo

decentrale

overheden

539

  • 1.819
  • 1.719
  • 1.564
  • 1.564
  • 1.564
  • 1.629

Tabel 3.7

6 EMU-saldo collectieve sector

(1-2-3+4+5)    2.573    4.036    6.072    9.205    11.537    13.307    14.027

Tabel 3.1 geeft het EMU-saldo van de hele collectieve sector weer. Dit EMU-saldo (ook wel begrotingssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in bijlage 1 en bijlage 2. Om tot het EMU-saldo te komen moeten hier nog een paar correcties op worden toegepast: sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo (zie tabel 3.2) en voor sommige posten telt een ander bedrag mee voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen (zie tabel 3.3).

Tabel 3.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo (in miljoenen euro, + is uitgave)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Rente-ontvangsten swaps

  • 1.086
  • 1.217
  • 1.534
  • 1.832
  • 1.817
  • 1.697
  • 1.304

Opbrengst beëindigen rente-swaps

  • 5.371
  • 1.317

0

0

0

0

0

Studieleningen

1.917

1.862

2.041

2.012

2.158

2.344

2.507

Netto-verkoop staatsbezit

  • 3.233
  • 3.182

350

280

0

0

0

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Diverse leningen

212

290

275

129

83

77

  • 31

Rijksbijdragen aan de sociale

             

fondsen

20.098

19.329

18.446

18.299

18.426

18.645

18.995

Rente sociale fondsen

0

  • 14
  • 27

7

66

131

118

Kasbeheer

  • 7.010
  • 5.883
  • 8.970
  • 6.038
  • 2.127

300

2.520

Overig

  • 129
  • 41
  • 11
  • 5
  • 2
  • 2
  • 3

Totaal

5.399

9.827

10.572

12.852

16.786

19.799

22.802

De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan, maar die niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in tabel 3.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit zijn meestal niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente ontvangen op renteswaps en de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage en rente van het Rijk aan de sociale fondsen zijn niet relevant, omdat dit een transactie is tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector, deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan schatkistbankieren bij het Rijk aanhouden.

Tabel 3.3 Kas-transverschillen en overige posten (in miljoenen euro, + is EMU-saldoverbeterend)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

KTV gasbaten

273

100

  • 50

50

0

0

0

KTV EU-afdrachten

2.651

  • 3.094

0

0

0

0

0

KTV LIV/LKV

0

  • 493
  • 441

0

0

0

0

KTV OV-jaarkaart

791

  • 747
  • 44

0

0

0

0

KTV Defensie

  • 51

0

0

0

0

0

0

Overige kas-transverschillen

  • 489
  • 379
  • 99
  • 64

72

35

31

Mutatie begrotingsreserves

  • 34
  • 334
  • 166

0

0

0

0

EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid

150

0

0

0

0

0

0

Overig

21

0

0

0

0

0

0

Subtotaal Rijk

3.312

  • - 
    4.947
  • - 
    800
  • - 
    14

72

35

31

Eigen risico dragers WGA/ZW

328

365

370

391

413

434

456

Zorgbemiddelingskosten

  • 246
  • 65
  • 939
  • 1.120
  • 1.374
  • 1.555
  • 1.610

Overig

  • 217

0

0

0

0

0

0

Subtotaal sociale fondsen

  • - 
    136

300

  • - 
    569
  • - 
    729
  • - 
    962
  • - 
    1.121
  • - 
    1.154

Totaal

3.176

  • - 
    4.647
  • - 
    1.369
  • - 
    743
  • - 
    890
  • - 
    1.086
  • - 
    1.123

Tabel 3.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog een kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen, en de kosten van zorgverzekeraars.

Tabel 3.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector (in miljoenen euro, - is tekort)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-saldo Rijk

  • 5.357

1.589

  • 256

5.791

11.713

15.177

18.344

EMU-saldo sociale fondsen

7.391

4.266

8.047

4.977

1.388

  • 306
  • 2.689

EMU-saldo decentrale

             

overheden

539

  • 1.819
  • 1.719
  • 1.564
  • 1.564
  • 1.564
  • 1.629

EMU-saldo collectieve sector

2.573

4.036

6.072

9.205

11.537

13.307

14.027

EMU-saldo collectieve sector (in

             

procenten bbp)

0,4

0,6

0,8

1,2

1,4

1,6

1,6

Tabel 3.4 geeft de verdeling van het EMU-saldo over de verschillende onderdelen van de collectieve sector. In tabel 3.5 tot en met tabel 3.7 wordt het EMU-saldo per onderdeel verder toegelicht.

 

Tabel 3.5 EMU-saldo Rijk (in miljoenen

euro, - is uitgave / tekort)

         
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Belastingont

vangsten

156.399

167.652

170.291

179.357

188.082

195.107

202.395

 

Netto begrotings-

gefinancierde

uitgaven

  • 150.369    -

151.629

  • 161.900
  • 168.098
  • 174.736
  • 180.988
  • 187.771

Tabel 1.1

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

5.399

9.827

10.572

12.852

16.786

19.799

22.802

Tabel 3.2

Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen

  • 20.098
  • 19.315
  • 18.419
  • 18.306
  • 18.492
  • 18.777
  • 19.113

Tabel 3.2

Kas-transverschillen

               

en overige posten

Rijk

3.312

  • 4.947
  • 800
  • 14

72

35

31

Tabel 3.3

EMU-saldo Rijk (centrale overheid)

  • - 
    5.357

1.589

  • - 
    256

5.791

11.713

15.177

18.344

 
 

Tabel 3.6 EMU-saldo sociale fondsen (in miljoenen

euro, - is uitgave / tekort)

       
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Premie

ontvangsten

102.429

102.531

112.233

115.515

118.236

122.400

126.716

 

Ontvangen rijksbijdragen en rente

20.098

19.315

18.419

18.306

18.492

18.777

19.113

Tabel 3.2

Premiegefinan-cierde uitgaven

  • 115.001    -

117.880

  • 122.037
  • 128.115
  • 134.378
  • 140.362
  • 147.364

Tabel 1.1

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Eigen risico

dragers WGA/ZW    328

365

370

391

413

434

456

Tabel 3.3

Zorgbemiddelings-

kosten    - 246

  • 65
  • 939
  • 1.120
  • 1.374
  • 1.555
  • 1.610

Tabel 3.3

Overige uitgaven    - 217

0

0

0

0

0

0

Tabel 3.3

EMU-saldo sociale

fondsen    7.391

4.266

8.047

4.977

1.388

  • - 
    306
  • - 
    2.689
 
 

Tabel 3.7 EMU-saldo decentrale overheden (in miljoenen euro,

  • - 
    is uitgave / tekort)
       
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Belastinginkomsten

9.812

10.110

10.412

10.694

11.005

11.314

11.624

Rijksbijdragen

74.469

73.047

75.017

76.836

79.012

81.363

83.714

Overige inkomsten

13.930

13.937

14.120

14.272

14.447

14.594

14.675

Uitgaven decentrale overheden

  • 97.672    -

98.913

  • 101.267    -

103.365

  • 106.028
  • 108.835
  • 111.642

EMU-saldo decentrale overheden

539

  • - 
    1.819
  • - 
    1.719
  • - 
    1.564
  • - 
    1.564
  • - 
    1.564
  • - 
    1.629
 

Tabel 3.8 Historisch overzicht EMU-saldo (in miljarden

euro, -

is tekort)

       
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

EMU-saldo

  • 1,7
  • 10,3
  • 15,3
  • 9,0
  • 1,4

1,2

1,3

BBP

477

495

507

524

546

579

613

EMU-saldo (in procenten bbp)

  • 0,3
  • 2,1
  • 3,0
  • 1,7
  • 0,3

0,2

0,2

 
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-saldo

1,4

  • 33,5
  • 31,5
  • 27,6
  • 25,1
  • 15,5
  • 15,0

BBP

639

618

632

643

645

653

663

EMU-saldo (in procenten bbp)

0,2

  • 5,4
  • 5,0
  • 4,3
  • 3,9
  • 2,4
  • 2,3
 
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-saldo

  • 14,0

2,6

4,0

6,1

9,2

11,5

13,3

BBP

683

703

733

764

789

816

844

EMU-saldo (in procenten bbp)

  • 2,1

0,4

0,6

0,8

1,2

1,4

1,6

4. EMU-schuld

Tabel 4.1 Financieringssaldo rijksoverheid (in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Belastinginkomsten (kasbasis)

154.708

166.826

169.438

178.560

187.275

194.284

201.532

Tabel 2.4.1

Netto begrotings-

gefinancierde

uitgaven

  • 150.369
  • 151.629
  • 161.900
  • 168.098
  • 174.736
  • 180.988
  • 187.771

Tabel 1.1

Af:

kas-transverschil

rentelasten

  • 1.183
  • 1.110
  • 960
  • 940
  • 730
  • 630
  • 470
 

Mutatie begrotingsreserves

  • 34
  • 334
  • 166

0

0

0

0

 

Mutatie derdenrekeningen

1.724

0

0

0

0

0

0

 

Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro

950

0

0

0

100

250

0

 

Financieringssaldo

rijksoverheid

5.796

13.753

6.413

9.522

11.909

12.916

13.291

 

Tabel 4.1 geeft het financieringstekort van het Rijk. Het financieringstekort is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt, of over heeft. Het financieringstekort is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo een begrip op transactiebasis is, is het financieringstekort dus op kasbasis. Dat betekent dat naast de belastingontvangsten en de uitgaven op de begrotingen er nog een tweetal correcties moet worden toegepast. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringstekort alleen de kasuitgaven meetellen. Daarnaast wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt.

Tabel 4.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector (in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

EMU-schuld begin jaar

441.401

434.205

421.371

415.777

406.920

396.574

385.222

 

Financieringssaldo

rijksoverheid

  • 5.796
  • 13.753
  • 6.413
  • 9.522
  • 11.909
  • 12.916
  • 13.291

Tabel 4.1

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

EMU-saldo

decentrale

overheden

  • 539

1.819

1.719

1.564

1.564

1.564

1.629

Tabel 3.4

EMU-saldo rest

centrale overheid

164

0

0

0

0

0

0

 

Schatkistbankieren

decentrale

overheden

162

  • 900
  • 900
  • 900

0

0

0

 

SNS/Propertize

  • 2.350

0

0

0

0

0

0

 

Overig

1.163

0

0

0

0

0

0

 

EMU-schuld einde

jaar

434.205

421.371

415.777

406.920

396.574

385.222

373.560

 

EMU-schuldquote

(in procenten bbp)

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

42,8

 

Het financieringssaldo werkt een-op-een door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 4.2 geeft de ontwikkeling van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld betreft de hele collectieve sector, dus ook het tekort van decentrale overheden heeft invloed op de EMU-schuld.

Tabel 4.3 Opbouw EMU-schuldquote (in procenten bbp)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-schuldquote begin jaar

64,6

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

Noemereffect bbp

  • 1,8
  • 2,6
  • 2,3
  • 1,7
  • 1,7
  • 1,6
  • 1,5

Financieringssaldo rijksoverheid

  • 0,8
  • 1,9
  • 0,8
  • 1,2
  • 1,5
  • 1,5
  • 1,5

EMU-saldo decentrale overheden

  • 0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

EMU-saldo rest centrale overheid

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Schatkistbankieren decentrale overheden

0,0

  • 0,1
  • 0,1
  • 0,1

0,0

0,0

0,0

SNS/Propertize

  • 0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

EMU-schuldquote einde jaar

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

42,8

Tabel 4.3 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuldquote (de EMU-schuld in verhouding tot het bbp). Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote, dit is weergegeven als het noemereffect.

Tabel 4.4 Historisch overzicht EMU-schuld (in miljarden euro)

 
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

EMU-schuld

234

240

251

261

268

259

262

BBP

477

495

507

524

546

579

613

EMU-schuld (in procenten bbp)

49,1

48,4

49,6

49,8

49,2

44,7

42,7

 
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-schuld

350

351

374

396

428

443

451

BBP

639

618

632

643

645

653

663

EMU-schuld (in procenten bbp)

54,7

56,8

59,3

61,6

66,3

67,8

68,0

 
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-schuld

441

434

421

416

407

397

385

BBP

683

703

733

764

789

816

844

EMU-schuld (in procenten bbp)

64,6

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

Overheidsbalans

 

Tabel 5.1 Overheidsbalans (in miljarden euro's)1

 

2013

2014

2015

2016

Activa

838

816

785

728

Niet-financiële activa

599

568

545

484

Vaste activa

405

407

406

407

Olie- en gasreserves

155

124

103

41

Grond

39

36

37

35

Financiële activa

239

248

240

244

Aandelen en overige deelnemingen

90

89

95

100

Leningen

68

68

63

58

Handelskredieten, transitorische posten

45

47

45

52

Schuldbewijzen

14

10

9

8

Chartaal geld en deposito's

11

10

10

10

Financiële derivaten

10

24

18

16

 

Passiva

838

816

785

728

Financiële passiva

500

538

529

529

Schuldbewijzen

378

417

403

404

Leningen

93

92

92

89

Handelskredieten, transitorische posten

28

29

33

32

Deposito's

1

1

2

4

Vermogenssaldo

337

277

255

199

1 Bron: StatLine website CBS (2016 betreft voorlopige cijfers). Op de StatLine website van het CBS is ook informatie te vinden over de waardering van de posten.

De overheidsbalans geeft de balans van de collectieve sector weer en biedt zo inzicht in het totaal van bezittingen, schulden en het vermogen van de centrale overheid, decentrale overheden en de sociale verzekeringsinstellingen als geheel. De bezittingen, de zogenoemde activa, bestaan uit financiële activa zoals uitgezette leningen en niet-financiële activa zoals wegen en gebouwen. De passivazijde van de balans bestaat uit de schulden en het vermogen.

De overheidsbalans is een foto van het nettovermogen van de overheid op een bepaalde datum. Toekomstige rechten en verplichtingen als toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen ontbreken.

Overheidsbalans

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) bevatte tot en met de terugblik op 2012 een staatsbalans. Deze staatsbalans presenteerde voor de meeste jaren een negatief vermogen. De rijksoverheid gaat namelijk vaak schulden aan, maar de daaruit volgende bezittingen zijn voor een groot deel elders in de collectieve sector ondergebracht, zoals bij decentrale overheden, zelfstandige bestuursorganen en scholen. De staatsbalans gaf daarmee een onvolledig beeld van de positie van de overheid. In tegenstelling tot de staatsbalans laat de overheidsbalans wel een volledig beeld zien.

In de overheidsbalans is te zien dat er tussen 2013 en 2016 een dalend positief vermogen is.

Toelichting posten overheidsbalans

Activa

De activa, oftewel bezittingen, bestaan uit niet-financiële activa en financiële activa. De niet-financiële activa zijn objecten die een economische waarde hebben. In de praktijk komt dit neer op alle (niet-financiële) objecten die verkocht kunnen worden.

In de schuldcijfers die elders in de Miljoenennota zijn opgenomen, zijn de bezittingen niet verwerkt. De overheidsschuld is namelijk een brutoschuld-begrip. Dit betekent dat (financiële) bezittingen van de overheid -bijvoorbeeld de staatsdeelnemingen in Schiphol of de Nederlandse Spoorwegen - niet in mindering worden gebracht op de uitstaande schulden. De achterliggende reden voor het hanteren van een bruto-schuldbegrip is dat het arbitrair is welke bezittingen wel en welke niet moeten worden meegeteld. Ook is het moeilijk om de exacte waarde van bezittingen op een eenduidige manier vast te stellen en bovendien zijn veel bezittingen niet of slecht liquide te maken.

De grootste niet-financiële post bestaat uit de vaste activa. Hierbinnen vormen de grond-, weg- en waterbouwkundige werken van Nederland veruit de grootste post. Een andere grote post zijn de olie- en gasreserves. Dit betreft zowel reserves die nog niet zijn gewonnen als gewonnen reserves die zijn opgeslagen. Deze reeks is voornamelijk in waarde gedaald door de lagere marktprijs voor gas waardoor de huidige gasreserves minder waard zijn. Daarnaast wordt gas ook over een langere periode gewonnen. Doordat toekomstige aardgasbaten lager worden gewaardeerd dan huidige, vermindert dit ook de waarde van de huidige gasreserves.

De post financiële activa bestaat uit alle financiële bezittingen van de overheid. Het gaat bijvoorbeeld om aandelen van de overheid in ondernemingen en leningen aan financiële instellingen.

Passiva

De passivakant van een balans laat zien hoe de bezittingen zijn gefinancierd en hoe groot het vermogen is. De waarde van de financiële passiva is in 2016 vrijwel gelijk gebleven.

Het vermogen is het saldo van bezittingen (activa) en schulden (financiële passiva). Bij een positief vermogen zijn de bezittingen groter dan de schulden. In 2016 is er sprake van een positief vermogen van 199 miljard euro. Wel is het vermogen in dit jaar gedaald. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door de eerder genoemde lagere huidige waarde van gasreserves.

Fiscale regelingen

6.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.7 Tot vorig jaar werden in deze bijlage alleen de fiscale regelingen opgenomen die voldeden aan de strikte definitie van een belastinguitgave. Met ingang van deze Miljoenennota vervalt het begrip «belastinguitgave». In het rapport van de studiegroep Begrotingsruimte is aandacht besteed aan de fiscale regelingen.8 9 Het rapport bevat de aanbeveling om voortaan geen onderscheid meer te maken tussen belastinguitgaven en andere inkom-stenbeperkende regelingen. Niet de exacte definitie van een belastinguitgave, maar het budgettaire en beleidsmatige belang van een regeling is relevant. In lijn met dit advies zijn vorig jaar in de Miljoenennota in een aparte tabel in deze bijlage ruim twintig extra fiscale regelingen opgenomen die voldoen aan de criteria van budgettaire en beleidsmatige relevantie. Dit jaar zijn opnieuw circa twintig regelingen op grond van deze criteria toegevoegd aan het overzicht. Met ingang van deze Miljoenennota 2018 zijn de tabellen geïntegreerd. Ook worden vanaf dit jaar, uit het oogpunt van budgettaire en beleidsmatige relevantie, regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, niet meer in het budgettaire overzicht opgenomen.11 Deze regelingen blijven wel opgenomen in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij de Miljoenennota. De essentie van de nieuwe opzet is dat enerzijds transparantie wordt geboden en verantwoording wordt afgelegd, en anderzijds de beschikbare capaciteit gericht wordt ingezet om in te spelen op de informatiebehoefte van het parlement.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van de fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht van de fiscale regelingen is opgenomen in paragraaf 6.3. De drie daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 6.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2018 worden aangekondigd en de overige maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 6.5 behandelt de belangrijkste endogene ontwikkelingen in het gebruik van regelingen. Paragraaf 6.6 licht toe welke technische ramingsbijstellingen zijn gemaakt ten opzichte van de vorige Miljoenennota. Tot slot worden in paragraaf 6.7 de evaluaties in het fiscale domein gemeld die sinds de Miljoenennota 2017 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2017-2021.

Een toelichting op de regelingen - bestaande uit een beschrijving van de regeling en een weergave van de doelstelling, de ramingsgrond, het Ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie - is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». Daarin staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2017 en 2018 in een beleidsmatig deel en een endogeen deel.

6.2    Belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van fiscale regelingen

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van de fiscale regelingen tussen 2013 en 2018. Hierop zijn enkele uitzonderingen, op het gebied van de eigen woning, de innovatiebox, de 30%-regeling, de salderingsregeling in de energiebelasting en de fiscale regelingen voor nulemissievoertuigen (zie paragraaf 6.5). Bij de fiscale regelingen voor de eigen woning spelen meerdere factoren een rol, maar daalt per saldo het budgettaire belang, met name doordat de hypotheekrenteaftrek € 3,7 miljard krimpt als gevolg van de dalende rente. Het geraamde budgettaire belang van de innovatiebox neemt sterk toe, deels doordat uit de aangiftecijfers een grondslagstijging blijkt en deels doordat grotendeels dezelfde ontwikkeling wordt verondersteld als de ontwikkeling van de vennootschapsbelastingopbrengsten, die door de economische groei met name in 2016 aanzienlijk groeien. Het gebruik van de 30%-regeling neemt sterk toe en de regeling is afgelopen jaar geëvalueerd (zie paragraaf 6.7). De 30%-regeling is volgens de onderzoekers doeltreffend en doelmatig en eventuele beleidsconclusies zijn aan het volgende kabinet gelaten. Ook de salderingsregeling in de energiebelasting kent een aanzienlijk groeiend aantal gebruikers en is recent geëvalueerd. De salderingsregeling blijkt een relatief dure regeling per ton vermeden CO2-uitstoot en naar aanleiding daarvan heeft het kabinet in juli een onderzoek naar verschillende varianten van stimulering van lokale hernieuwbare energie naar de Tweede Kamer gestuurd. Het budgettaire belang van de fiscale regelingen ter stimulering van nulemissievoertuigen loopt op door het stijgende aantal van deze voertuigen. De Wet uitwerking Autobrief II, waarin deze stimulering is vormgegeven, wordt in 2018 geëvalueerd.

6.3    Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 6.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2013 tot en met 2018. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2013 en 2018. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen in het gebruik van de regeling.

Tabel 6.3.1. Fiscale regelingen 2013-2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

 
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei '13-'182

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

225

237

228

206

212

218

  • 0,6%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

345

339

339

356

362

367

1,2%

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei '13-'182

Aftrek specifieke zorgkosten

330

284

282

282

282

282

  • 3,1%

Aftrek kosten monumentenpanden

54

58

56

56

57

58

1,3%

Onderhoudsverplichtingen aftrek

nb

338

336

336

336

336

  • 0,1%

Belaste ontvangen alimentatie

nb

  • 198
  • 201
  • 201
  • - 
    201
  • - 
    201

0,4%

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

19.909

19.745

17.390

17.423

19.178

19.686

  • 0,2%

Pensioen belaste uitkering

  • 11.732
  • 12.317
  • - 
    12.941
  • - 
    12.797
  • - 
    13.175
  • - 
    13.449

2,8%

Pensioen vrijstelling box 3

5.767

5.961

7.185

7.183

7.288

7.427

5,2%

FOR aftrek

159

165

157

159

160

162

0,3%

FOR belaste uitkering

  • 114
  • 111
  • - 
    108
  • - 
    104
  • - 
    101
  • - 
    100
  • 2,6%

Lijfrente premieaftrek

nb

532

496

501

549

565

1,5%

Lijfrente belaste uitkering

nb

  • 348
  • - 
    387
  • - 
    383
  • - 
    394
  • - 
    402

3,7%

Lijfrente vrijstelling box 3

nb

168

215

215

218

222

7,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

nb

536

521

524

574

591

2,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

nb

  • - 
    417
  • - 
    406
  • - 
    414
  • - 
    460
  • - 
    476

3,3%

Reisaftrek OV

nb

10

9

10

10

10

0,0%

Middelingsregeling3

83

93

92

86

86

86

0,7%

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

13.818

13.492

12.989

11.944

10.648

10.121

  • 6,0%

Aftrek financieringskosten eigen woning

103

139

212

256

280

250

19,6%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

25

27

28

29

31

32

5,0%

Aftrek rente en kosten van geldleningen restschuld vervreemde eigen woning

23

23

25

26

27

27

3,1%

Eigenwoningforfait

  • 2.658
  • 2.946
  • 3.069
  • - 
    3.124
  • - 
    3.280
  • - 
    3.283

4,3%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

412

513

556

585

631

649

9,5%

Schenk- en erfbelasting

Eenmalige vrijstelling eigen woning

317

782

32

34

190

190

  • 9,7%

OVB Verlaagd tarief woning

1.214

1.723

1.949

2.521

2.944

2.946

19,4%

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing3

0

2

28

16

23

60

nvt

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

10

10

10

0,0%

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei '13-'182

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder

KEW, box 3

892

896

946

978

979

971

1,7%

Vrijstelling rechten op kapitaals-uitkering bij overlijden box 3

23

25

25

26

27

28

4,3%

Vrijstelling groen beleggen box 3

54

49

45

43

41

39

  • 6,5%

Heffingskorting groen beleggen

35

31

29

28

27

26

  • 5,8%

Heffingvrij vermogen box 3

1.393

1.407

1.449

1.588

1.160

1.051

  • 5,5%

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

1.733

1.660

1.720

1.720

1.720

1.720

0,9%

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

106

108

108

108

108

0,5%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

1,0%

Stakingsaftrek

16

15

15

14

14

14

  • 2,5%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

0,0%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

  • 0,7%

Doorschuiving stakingswinst

220

232

245

250

262

273

4,4%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

94

96

98

100

102

104

2,0%

MKB-winstvrijstelling

1.364

1.520

1.565

1.590

1.635

1.675

4,2%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

18

17

17

17

17

17

  • 1,1%

Innovatiebox

883

1.081

1.287

1.708

1.687

1.679

13,7%

Kleinschaligheidsinvesterings-

aftrek

393

359

386

395

405

410

0,9%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

139

124

107

144

164

147

1,1%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

169

58

102

108

97

99

  • 10,1%

VAMIL

56

25

30

20

40

40

  • 6,5%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

120

120

0,0%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.262

1.109

1.109

1.109

1.109

1.109

  • 2,5%

Bosbouwvrijstelling

4

5

5

5

5

6

7,8%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

6

6

6

6

0,0%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

110

104

110

114

118

123

2,3%

OVB Vrijstelling bedrijfsover-dracht in familiesfeer

13

16

16

16

16

16

4,7%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfs-opvolgingsfaciliteit

480

308

383

383

383

383

  • 4,4%
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei '13-'182

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI's

195

199

203

207

211

215

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

5

5

6

6

7

7

7,7%

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

766

780

769

1.208

1.205

1.163

8,7%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga's van startups

-

-

-

-

29

29

0,0%

30%-regeling

651

699

806

850

901

955

8,0%

Afdrachtvermindering zeevaart

110

113

113

112

111

111

0,2%

Vrijstelling uitkering wegens 25-of 40-jarig dienstverband

107

110

114

117

121

124

3,1%

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

22.889

21.908

22.694

20.133

20.163

20.193

  • 2,5%

Arbeidskorting

9.644

11.664

12.868

17.134

18.207

18.657

14,1%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.621

1.597

1.623

1.952

2.003

2.056

4,9%

Jonggehandicaptenkorting

169

177

178

177

178

178

1,1%

Alleenstaande ouderenkorting

502

508

522

518

510

482

  • 0,8%

Ouderenkorting

2.426

2.430

2.482

2.749

2.971

3.237

5,9%

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

84

83

106

126

121

124

8,2%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

34

31

26

25

24

23

  • 7,6%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

7

4

6

6

6

7

1,9%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

0

0

0

1

nvt

Salderingsregeling

33

55

80

94

120

166

38,0%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

55

55

63

71

71

76

6,7%

Belastingvermindering per aansluiting

2.379

2.449

2.471

2.493

2.493

2.511

1,1%

Omzetbelasting

Laag tarief voedingsmiddelen en water

6.925

7.075

7.439

7.744

8.069

8.408

4,0%

Laag tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.630

1.662

1.802

1.794

1.830

1.804

2,0%

Laag tarief culturele goederen en diensten

1.222

1.228

1.416

1.494

1.568

1.647

6,1%

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei '13-'182

Laag tarief arbeidsintensieve diensten

882

981

931

641

660

680

  • 5,1%

Laag tarief overig

1.579

1.620

1.660

1.797

1.877

1.957

4,4%

Kleine ondernemersregeling

124

130

141

150

160

170

6,5%

Landbouwregeling

19

19

19

18

18

0

  • 100,0%

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoer-tuigen

1

0

2

3

4

6

46,6%

MRB Vrijstelling nulemissievoer-tuigen

1

3

5

8

12

18

74,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

16

30

46

69

86

127

51,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

554

654

829

741

529

367

  • 7,9%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

46

44

37

53

51

46

  • 0,3%

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

51

50

49

46

48

47

  • 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

15

11

12

15

16

16

1,2%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

23

24

25

25

25

25

2,1%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

713

738

765

804

834

868

4,0%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

14

14

15

15

15

15

2,2%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

207

45

48

51

58

65

  • 20,7%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar

1988

 

32

25

22

19

16

  • 15,5%

MRB Kwarttarieven

106

118

125

132

142

153

7,6%

MRB Halftarief plug-in hybride auto's

-

-

-

31

38

43

17,3%

1    [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2    Als de regeling nog niet bestond in 2013 of het budgettair belang van 2013 niet bekend is, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het eerst bekende jaar in de reeks. Bij de zelfstandigenaftrek en de extra zelfstandigenaftrek starters is de gemiddelde jaarlijkse groei vanaf 2014 gegeven, vanwege de reeksbreuk tussen 2013 en 2014 (zie paragraaf 6.6).

3    Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cijfers in cursief zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2014 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat - deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2014 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2015 gemaakt - deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtsverminderingen in de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen enkele informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom feitelijk niet optelbaar.12 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

6.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 6.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota en zoals opgenomen in het pakket wetsvoorstellen Belastingplan 2018. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar die wetsvoorstellen.

 

Tabel 6.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

 

2017

2018

2019

structureel

Beleid sinds Miljoenennota 2017

Amendementen EIA

12

14

14

12

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek voor scholingsuitgaven

 
  • 218
  • 218
  • 218

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek kosten monumentenpanden

  • 57
  • 57
  • 57
  • 57
 

Belastingplan 2018

Afschaffen btw-landbouwregeling2

 

22

22

22

Beperken laag btw-tarief geneesmiddelen

 

42

42

42

12 Als voor twee regelingen afzonderlijk het verschil in belastingheffing wordt berekend met en zonder deze aftrekposten, is het berekende budgettaire belang kleiner dan als voor de twee samen het budgettaire belang wordt berekend, omdat in het tweede geval de aftrek groter is en daardoor een groter deel van de aftrek aan een hogere schijf wordt toegerekend.

 
 

2017    2018

2019

structureel

Koopkrachtpakket: Algemene heffingskorting

75

75

75

Koopkrachtpakket: Alleenstaande ouderenkorting

20

20

20

Koopkrachtpakket: Ouderenkorting

  • 187
  • 187
  • 187

1    [+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [-] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe.

2    De opbrengst van de afschaffing van de btw-landbouwregeling in het Belastingplan bedraagt € 22 miljoen en is hoger dan het budgettaire belang van de regeling (€ 18 miljoen) volgens deze bijlage, omdat bij de voorgestelde afschaffing ook enkele tabelposten in de btw worden afgeschaft. Deze zijn geen onderdeel van de landbouwregeling als zodanig en zijn dus geen onderdeel van het budgettaire belang.

6.5 Toelichting opvallende endogene ontwikkelingen

In tabel 6.5.1 wordt de ontwikkeling van het budgettaire belang van de fiscale regelingen met de meest opvallende endogene ontwikkeling nader toegelicht. De tabel geeft de jaarlijkse endogene ontwikkeling tussen 2013 en 2018 en het gemiddelde hiervan. Onder endogene ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling ten gevolge van veranderingen in het gebruik van de regeling die niet het gevolg zijn van beleidsmaatregelen. Ontwikkelingen die het gevolg zijn van gevoerd beleid, zijn derhalve niet opgenomen in onderstaande tabel. In dit verband kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de arbeidskorting, waarvan het budgettaire belang bijna verdubbelt tussen 2013 en 2018. De opwaartse ontwikkeling bij de arbeidskorting is echter primair het gevolg van gevoerd beleid.

Tabel 6.5.1. Fiscale regelingen 2014-2018, endogene groei van het budgettair belang

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld

Hypotheekrenteaftrek

  • 5%
  • 3%
  • 8%
  • - 
    10%
  • - 
    4%
  • 6%

Aftrek financieringskosten eigen woning

31%

53%

21%

9%

  • - 
    11%

19%

Eigenwoningforfait1

8%

4%

2%

5%

0%

4%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoning-schuld

22%

8%

5%

8%

3%

9%

OVB Verlaagd tarief woning

42%

13%

29%

17%

0%

19%

Innovatiebox

22%

19%

33%

0%

1%

14%

30%-regeling

7%

15%

5%

6%

6%

8%

Salderingsregeling

58%

38%

27%

22%

29%

34%

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

  • 57%

320%

71%

39%

67%

48%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

173%

77%

45%

53%

56%

76%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissie-auto's

84%

56%

51%

24%

48%

51%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

14%

25%

  • 8%
  • - 
    24%
  • - 
    23%
  • 5%

1 Een stijging van de opbrengst van het eigenwoningforfait is weergegeven als een positief endogeen groeipercentage.

Eigen woning

Bij de fiscale regelingen voor de eigen woning zijn een aantal sterke ontwikkelingen in het budgettaire belang te zien. Dit hangt samen met de ontwikkelingen op de woningmarkt. Enerzijds is de rente op hypotheken de afgelopen jaren steeds verder afgenomen, anderzijds zijn het aantal transacties en de gemiddelde WOZ-waarde van woningen sterk gestegen.

Daling hypotheekrente

De hypotheekrente is in de afgelopen kabinetsperiode gestaag gedaald.

De gemiddelde rente voor nieuwe hypotheken met een rentevaste periode van meer dan tien jaar was begin 2017 lager dan 3%, terwijl dit in 2012 nog meer dan 5% was. Dit heeft met enige vertraging effect op het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek, doordat de lagere rente niet direct doorwerkt op alle uitstaande hypotheken, maar in eerste instantie vooral de nieuwe hypotheken raakt. Hierdoor treedt pas in 2016 en 2017 de sterkste daling van het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek op.

Stijging aantal transacties woningmarkt

Het aantal transacties op de woningmarkt bereikte afgelopen jaar een piek, op het hoogste niveau sinds 2005. Dit is vooral van invloed op het budgettaire belang van de aftrek financieringskosten en het verlaagd tarief in de overdrachtsbelasting (OVB) voor de eigen woning. Door deze trend is de gemiddelde groei van het budgettaire belang van deze regelingen bijna 20% per jaar. In 2018 vlakt de stijging weer af, doordat een lager aantal transacties wordt verwacht dan in 2017.

Stijging WOZ-waarde

De huizenprijzen stegen in 2016 met 5% en liggen nu bijna 15% hoger dan op het dieptepunt in 2013. De verwachting is dat de prijzen ook in 2017 en 2018 blijven stijgen. De hiermee gepaard gaande stijging van de gemiddelde WOZ-waarde leidt tot een stijging (in absolute zin) van het budgettaire belang van het eigenwoningforfait en van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Bij laatstgenoemde post is de groei nog hoger, doordat er ook extra aflossingen op de hypotheekschuld worden gedaan. De hogere WOZ-waarde wordt naar verwachting in 2018 gecompenseerd door een lager EWF-percentage, waardoor in dat jaar de stijging van het budgettaire belang afvlakt.

Innovatiebox

Het budgettaire belang van de innovatiebox stijgt endogeen gemiddeld 14% per jaar tussen 2013 en 2018. De beschikbare realisatiecijfers op basis van belastingaangiften laten tussen 2013 en 2014 een grondslagstijging van 22% zien. Voor de jaren vanaf 2015 is grotendeels dezelfde ontwikkeling verondersteld als de ontwikkeling van de vennootschapsbelasting-opbrengsten (exclusief gas). Deze opbrengsten komen in 2016 fors hoger uit dan eerder werd geraamd. Hierdoor is van 2015 op 2016 een grote stijging van het budgettaire belang van de innovatiebox zichtbaar.

30%-regeling

Het budgettaire belang van de 30%-regeling is in de periode 2012 tot en met 2016 endogeen gegroeid met gemiddeld 8% per jaar. Indien de incidentele sterke stijging in 2015 buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt de gemiddelde stijging over de periode 2012 tot en met 2016 5,5%. Voor 2017 en 2018 is, op basis van deze stijging en de stijging in de jaren vóór 2012, de endogene groei geraamd op 6% per jaar. Het aantal gebruikers van de 30%-regeling is in de periode 2012-2016 gestegen met gemiddeld 9% per jaar tot 64.500 in 2016. Uit microdata die is gebruikt bij de evaluatie van de regeling blijkt vooral een groei van het aantal nieuwe gebruikers van de regeling.10 Voor deze stijging is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen.

Salderingsregeling

Het budgettaire belang van de salderingsregeling is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Dit komt doordat het geïnstalleerde vermogen zon-PV bij kleinverbruikers sinds 2011 aanzienlijk is gestegen, met een gemiddelde jaarlijkse groei van ongeveer 90% tussen 2011 en 2015. De salderingsregeling heeft, door het verlagen van de terugverdientijd van zonnepaneelsystemen, een bijdrage geleverd aan deze recente snelle groei. De komende jaren zet de groei naar verwachting door.

Nulemissievoertuigen

Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak is dit jaar gesplitst in een deel dat betrekking heeft op nulemissieauto's en een deel dat betrekking heeft op overige zuinige auto's. Vanaf 2017 geldt door de Wet uitwerking Autobrief II alleen nog een korting op de bijtelling voor nieuwe auto's bij een CO2-emissie van nul, zoals bij volledig elektrische auto's en auto's op waterstof. Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor nulemissieauto's loopt op vanwege het toenemend aantal elektrische auto's van de zaak die ook privé mogen worden gebruikt. Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor overige zuinige auto's neemt af, omdat dit alleen auto's betreft van vóór 2017 waarvoor nog overgangsrecht geldt. De stijging van het aantal elektrische auto's werkt ook door in het toenemende budgettaire belang van de teruggaaf/vrijstelling in de BPM/MRB voor deze voertuigen.

6.6 Technische bijstellingen

Hypotheekrenteaftrek

Vanaf 2016 valt de boeterente bij het aflossen van de eigenwoningschuld op het aangiftebiljet onder de hypotheekrenteaftrek. Tot die tijd stond dit bij de financieringskosten eigen woning. De reeksen zijn bijgesteld zodat ook in 2013-2015 deze boeterente in het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek verwerkt zit. De opwaartse bijstelling van de hypotheekrenteaftrek bedraagt € 198 miljoen in 2013, € 306 miljoen in 2014 en € 469 miljoen in 2015.

Kamerverhuurvrijstelling

Tot nu toe werd bij de kamerverhuurvrijstelling (voorheen genaamd «Gedeeltelijke vrijstelling van inkomsten uit kamerverhuur») het budgettaire belang bepaald door de inkomsten uit kamerverhuur als vrijgestelde inkomsten in box 1 te beschouwen. De regeling houdt sinds 2001 echter in dat het verhuurde deel van de woning niet wordt aangegeven als rendementsgrondslag in box 3, maar onder de fiscale behandeling van de eigen woning blijft vallen (waarbij de huuropbrengst niet wordt belast, maar dat is ook het geval indien het verhuurde deel van de woning in box 3 zou vallen). Het budgettaire belang van de vrijstelling is dus het verschil tussen het belasten van de forfaitaire inkomsten uit het verhuurde deel van de woning in box 3 (vermogensrendementsheffing op basis van forfaitair rendement over het verschil tussen de waarde van het verhuurde deel van de woning en de aan het verhuurde deel toe te rekenen deel van de eventuele schuld) en het belasten van het verhuurde deel van de woning volgens de fiscale behandeling van de eigen woning (met eigenwoningforfait en aftrek van rente en kosten eigen woning). In deze Miljoenennota is het budgettaire belang herrekend, waardoor de bedragen uitkomen op ongeveer een vijfde van wat de afgelopen jaren is vermeld in de Miljoenennota.

Zelfstandigenaftrek en extra zelfstandigenaftrek starters In de cijfers van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek zit een reeksbreuk tussen 2013 en 2014, omdat de berekeningswijze van het budgettaire belang is gewijzigd. Met ingang van de cijfers voor 2014 worden de budgettaire effecten van de ondernemersregelingen geraamd met behulp van MIMOSI, een CPB-model. Deze berekeningswijze houdt beter integraal rekening met de samenloop van de hoogte van de zelfstandigenaftrek en de heffingskortingen alsmede met het feit dat de zelfstandigenaftrek niet altijd volledig in het jaar zelf gerealiseerd kan worden. Door deze wijziging heeft de mutatie van 2014 ten opzichte van 2013 geen beleidsmatige relevantie. In de laatste kolom van tabel 6.3.1 wordt om deze reden de gemiddelde procentuele groei vanaf 2014 in plaats van 2013 gegeven.

Btw Landbouwregeling

Tot vorig jaar is in de Miljoenennota bij de btw-landbouwregeling alleen het budgettaire belang opgenomen van het feit dat het forfaitaire aftrekpercentage hoger was dan de daadwerkelijke voordruk van afnemers. Bij het ramen van de opbrengst bij afschaffing van de regeling, is dit jaar geconcludeerd dat er ook een budgettair belang van ongeveer € 4 miljoen zit bij de rechtstreekse verkoop aan particulieren door paardenfokkers en -handelaren onder de btw-landbouwregeling. Daarom is het budgettaire belang in deze Miljoenennota omhoog bijgesteld. Aan de andere kant is er ook een technische neerwaartse bijstelling van ongeveer € 3 miljoen gedaan, omdat de trendmatige ontwikkeling nu gebaseerd wordt op het aantal gebruikers van de regeling volgens de Belastingdienst, in plaats van op basis van cijfers van het LEI.

Btw Laag tarief voedingsmiddelen

Tot Miljoenennota 2017 werd alleen het budgettaire belang gegeven van de toepassing van het lage btw-tarief op voedingsmiddelen in de horeca. In Miljoenennota 2017 is ook de reeks gegeven voor de overige voedingsmiddelen. In die reeks is echter abusievelijk het bedrag gepresenteerd voor het totaal van de voedingsmiddelen, inclusief horeca. Dit jaar zijn beide posten samengevoegd en is ook het lage btw-tarief op water toegevoegd aan de totaalpost.

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht De milieukorting op de bijtelling is vormgegeven als een percentage van de waarde van de auto. In de raming van vorig jaar is abusievelijk gerekend met een verkeerd kortingspercentage voor bestaande gevallen. Hierdoor viel het budgettair belang van de korting op de bijtelling vanaf 2017 te laag uit.

6.7 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2017. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evaluatieprogrammering voor de periode 2017-2021 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2017 In juli 2016 is een evaluatie van het CPB verschenen over de fiscale aftrek van scholingsuitgaven.14 Uit deze evaluatie blijkt dat hoogopgeleiden, werknemers en ambtenaren vaker gebruikmaken van de scholingsaftrek dan lageropgeleiden. Daarnaast blijkt dat iedere euro die wordt geïnvesteerd in een hogere fiscale scholingsaftrek, slechts leidt tot tussen de 0 en 27 cent extra scholing (afhankelijk van de groepafbakening). Met andere woorden, voor 73 tot 100% van de gevallen waarin scholingsuitgaven fiscaal in aftrek worden gebracht, geldt dat de begunstigden deze scholing ook hadden gevolgd zonder de fiscale tegemoetkoming. Hiermee lijkt de toegevoegde scholingsimpuls als gevolg van de regeling beperkt. Deze twee bevindingen, dat vooral hogeropgeleiden gebruikmaken van de regeling en dat de regeling slechts in beperkte mate leidt tot een vergroting van de totale scholingsdeelname, hangen met elkaar samen. Het CPB wijst op de literatuur die laat zien dat scholingsregelingen die vooral ten goede komen aan hogeropgeleiden over het algemeen leiden tot minder additionele scholing. De resultaten van deze evaluatie door het CPB zijn mede aanleiding geweest om vorig jaar een wetsvoorstel in te dienen om de aftrek van scholingsuitgaven om te zetten in een (niet-fiscale) subsidie. Dit wetsvoorstel is op verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in november 2016 door de Tweede Kamer aangehouden. Na de verkiezingen van 15 maart 2017 heeft de Tweede Kamer in nieuwe samenstelling het wetsvoorstel controversieel verklaard. Verdere besluitvorming wordt aan het volgende kabinet overgelaten.

In september 2016 is de evaluatie van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor de glastuinbouw naar de Tweede Kamer gestuurd.11 12 Uit de evaluatie blijkt dat het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw nog steeds bijdraagt aan het doel waarvoor het verlaagde tarief indertijd is ingesteld, namelijk het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de glastuinbouwsector doordat deze relatief kleinschalige sector, anders dan de overige energie-intensieve sectoren, onvoldoende profiteert van de degressieve tariefstructuur. Uit de evaluatie blijkt dat de doelmatigheid in voldoende mate wordt bereikt. Het kabinet heeft naar aanleiding van de evaluatie besloten tot voortzetting van de regeling.

Ook in september 2016 is de evaluatie van de wet Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen naar de Tweede Kamer gestuurd.13 In de evaluatie is met name aandacht besteed aan de nog bestaande regelingen: de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen en de belastingheffing over lucratieve belangen. Het aantal werkgevers dat met de eerste regeling te maken heeft is beperkt en stabiel, evenals de opbrengst. De regeling is echter arbeidsintensief en leidt door het generieke karakter, dat niet goed aansluit bij de beleving van werkgevers, tot relatief veel bezwaarschriften en beroepsprocedures. Met de belastingheffing over lucratieve belangen is, gelet op het feit dat sinds de invoering de aard van het voordeel en de grondslag van de heffing wettelijk is vastgelegd, de beoogde transparantie bereikt. De regeling heeft een belangrijke functie bij het belasten van carriedinterestregelingen, ook omdat economisch vergelijkbare situaties eronder vallen. Door het complexe karakter van private equity vindt veel overleg plaats met de Belastingdienst. Uit de evaluatie blijkt dat de wet Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen in de praktijk naar verwachting werkt, en tegelijkertijd wisselend wordt beoordeeld. Sommigen vinden de fiscale maatregelen om excessieve beloningen tegen te gaan te streng, anderen willen juist strengere regels. Om die redenen is er - mede gezien de demissionaire status van dit kabinet - op dit moment geen aanleiding voor aanpassingen van deze regelingen.

In september 2016 is tevens het onderzoek naar het gebruik van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten naar de Tweede Kamer gestuurd.14 Het Ministerie van Financiën heeft dit onderzoek uitgevoerd op basis van beschikbare gegevens bij de Belastingdienst. Voor een objectivering van de uitkomsten van het onderzoek is het onderzoeksrapport met de daarin opgenomen conclusies voor een onafhankelijke beoordeling voorgelegd aan het CPB. De uitkomsten van het onderzoek bevestigen het beeld van de ongerichtheid van de regeling. Zo laat het onderzoek zien dat de regeling ondanks de complexe vormgeving - met drempels, vermenigvuldigingsfactoren en een niet-fiscale verzilveringsre-geling - geen doelmatig instrument is om de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten te compenseren voor hun meerkosten aan zorg. De Belastingdienst beschikt niet over contra-informatie en voorinvullen van de aangifte voor deze aftrekpost is niet mogelijk. De regeling is derhalve arbeidsintensief en de opgevraagde stukken moeten handmatig gecontroleerd worden, hetgeen in schril contrast staat met de massaliteit van het gebruik van deze regeling (circa 1 miljoen huishoudens). Belastingplichtigen hebben veel vragen over de regeling en ervaren de regeling als complex. Er is zowel sprake van onbedoeld verkeerd gebruik van de regeling door onwetendheid of ervaren complexiteit, als bewust verkeerd gebruik (fraude). Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is geconcludeerd dat de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten een op termijn niet houdbare regeling is en is, samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een verkenning gestart naar een alternatief voor deze regeling. Vanwege de complexiteit van de materie is de verwachting dat deze verkenning in ieder geval niet eerder dan in het najaar van 2017 wordt afgerond.

In oktober 2016 is de kabinetsreactie op de beleidsevaluatie Natuur-schoonwet 1928 naar de Tweede Kamer gestuurd.15 Deze wet biedt fiscale voordelen aan eigenaren van bepaalde landgoederen. Uit de evaluatie blijkt dat de Natuurschoonwet 1928 van groot belang is voor de instandhouding van krachtens die wet gerangschikte landgoederen en daarmee voor het behoud van het op deze landgoederen voorkomende natuurschoon. Het is een nuttig instrument, maar tegelijkertijd oordelen de onderzoekers dat op onderdelen een actualisering wenselijk is. In de evaluatie wordt om die reden een aantal aanbevelingen gedaan, waarvan een groot deel door het kabinet is overgenomen. Daartoe zal, waar nodig, het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 worden aangepast.

In januari 2017 is de evaluatie van de salderingsregeling naar de Tweede Kamer gestuurd.16 De onderzoekers stellen in het evaluatierapport vast dat mede door de salderingsregeling het geïnstalleerde vermogen zonnepanelen (zon-PV) bij kleinverbruikers sinds 2011 sterk is toegenomen. Tegelijkertijd blijkt salderen in termen van euro's per ton vermeden CO2-uitstoot een relatief dure regeling. Bovendien is de salderingsregeling individueel beperkt stuurbaar voor de overheid, omdat de stimulans mede afhankelijk is van de hoogte van de energiebelasting. De salderingsregeling werkt daarnaast verstorend voor de elektriciteitsmarkt en ontwikkelingen op het gebied van flexibiliteit en opslag. Naar aanleiding van de evaluatie heeft het kabinet een onderzoek aange-kondigd naar een verantwoorde wijze van stimulering van lokale hernieuwbare energie vanaf 2020, die in de plaats kan komen van de salderingsregeling. De uitkomsten van dit onderzoek, bestaande uit een aantal varianten, zijn in juli naar de Tweede Kamer gestuurd.17

Ook in januari 2017 zijn drie evaluatierapporten in het kader van de giftenaftrek aan de Kamer gestuurd: het extern uitgevoerde evaluatieonderzoek door Dialogic van de giftenaftrek en twee intern uitgevoerde evaluatieonderzoeken door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst naar de uitvoeringsaspecten van de giftenaftrek en naar de praktijk rondom Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI's) en Sociaal Belang Behartigende Instellingen (SBBI's).18 De onderzoekers van Dialogic concluderen dat de giftenaftrek doeltreffend is, maar budgettair niet doelmatig. De regeling kent echter wel een aantal indirecte gewenste effecten, zoals het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid, waarvan de waarde lastig te kwantificeren is. Het onderzoek naar de ANBI's en SBBI's geeft een overzicht van de ontwikkelingen sinds 2008. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van deze onderzoeksrapporten worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In maart 2017 is de tweede evaluatie van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verstuurd naar de Tweede Kamer.19 Deze evaluatie beperkt zich tot de huur-, kinderopvang- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De drie hoofddoelstellingen van de Awir die in deze evaluatie zijn geëvalueerd zijn: a) transparantere regelgeving b) een klantvriendelijkere en meer doelmatige uitvoering en c) betere aansluiting op draagkracht door gebruik van het actuele inkomen in plaats van het vastgestelde inkomen uit het verleden.

De evaluatie concludeert dat de Awir bij invoering in 2005 harmonisatie heeft gebracht tussen een aantal inkomensafhankelijke regelingen. In de evaluatieperiode zijn een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd: het nieuwe partnerbegrip en vereenvoudigingen binnen de huurtoeslag. Dit droeg echter niet bij aan verdere harmonisering tussen inkomensafhankelijke regelingen - het bracht geen nieuwe regelingen onder de Awir en verminderde geen onderlinge afwijkingen. Verder stellen de onderzoekers dat het laten uitvoeren van alle toeslagen door één uitvoeringsorganisatie de klantvriendelijkheid heeft bevorderd, met name dankzij significante verbeteringen in het toeslagenproces, die tussen 2009 en 2016 zijn doorgevoerd. Wat betreft het gebruik van het actuele inkomen in plaats van het vastgestelde inkomen uit het verleden, concluderen de onderzoekers dat de tijd tussen het voorschot en de definitieve vaststelling over de evaluatieperiode is verminderd. Hierdoor is een belangrijk nadeel van het werken met het actuele inkomen gemitigeerd. Het percentage toeslaggebruikers dat een terugvordering moet doen is voor alle toeslagen verminderd en het percentage nabetalingen gestegen. De inzet van de Belastingdienst/Toeslagen om inkomensschattingen te verbeteren en burgers te motiveren inkomens- en andere wijzigingen door te geven lijkt wel effect te hebben gehad op lage terugvorderingen (<500). Voor hoge terugvorderingen is er echter nog geen verbetering opgetreden. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In april 2017 is de evaluatie van de WOM-regeling naar de Tweede Kamer gestuurd.20 Dit betreft wijkontwikkelingsmaatschappijen en heeft betrekking op de vrijstelling voor stedelijke herstructurering in de overdrachtsbelasting. In het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat de WOM-regeling op zichzelf beschouwd geen prominente rol speelt in het stimuleren van de samenwerking tussen diverse betrokken partijen in het geval van herstructureringsprojecten. Ook blijkt de vrijstelling van overdrachtsbelasting een horde weg te nemen, maar is het geen doorslaggevende factor geweest bij de keuze om een WOM op te richten. Na het intreden van de economische crisis in 2008 is er jaarlijks hooguit één nieuwe WOM opgericht. De crisis, de verlaging van de overdrachtsbelasting en de afname van het belang van een grootschalige wijkaanpak zijn hiervoor belangrijke oorzaken. Deze ontwikkelingen hebben ertoe bijgedragen dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor een WOM fiscaal gezien op dit moment nauwelijks doelmatig en doeltreffend is. Met het beperkte budgettaire belang en gebruik van deze regeling ligt het dan ook voor de hand om deze vrijstelling in haar huidige vorm af te schaffen. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In mei 2017 is het onderzoeksrapport evaluatie van de fiscale ondernemer-schapsregelingen naar de Tweede Kamer gestuurd.21 Het onderzoek betrof de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de kleinschalig-heidsinvesteringsaftrek en vijf andere regelingen met een verhoudingsgewijs gering budgettair belang. De belangrijkste doelen van deze regelingen zijn het stimuleren van ondernemerschap, het bewaken van de fiscale neutraliteit met andere rechtsvormen, het stimuleren van investeringen en het starten van een onderneming.

Het onderzoek, gebaseerd op microdata van het CBS, laat zien dat Nederland relatief veel ondernemers kent en dat een groot deel van de populatie bestaat uit zelfstandigen zonder personeel (ZZP'ers) of bedrijven met minder dan tien werknemers. Op basis van een internationale vergelijking kent Nederland relatief weinig bedrijven die doorgroeien of als snel groeiende, innovatieve bedrijven aangemerkt kunnen worden. Uit de analyses in het rapport blijkt dat Nederlandse IB-ondernemers nauwelijks doorgroeien, maar een grote kans hebben te overleven en dat een deel jaar in jaar uit relatief lage winsten maakt, waardoor het twijfelachtig is of zij bijdragen aan het verhogen van economische groei, dynamiek en werkgelegenheid. In de data over de periode 2007-2014 bestaat geen positieve correlatie tussen investeringen in innovatie en het aantal IB-ondernemers in een sector. Ook wordt geen positieve correlatie gevonden tussen innovatie en het aantal succesvolle IB-ondernemers, gemeten naar winsthoogte. Het gebruik van de fiscale regelingen voor starters leidt tot een 1% hogere overlevingskans voor startende ondernemers die winst maken. Over het algemeen zijn de regelingen doelmatig qua administratieve lasten en uitvoeringskosten. Uit het onderzoek blijkt dat ondernemers vaak gebruik maken van meerdere fiscale regelingen die allemaal als hoofddoel hebben ondernemerschap te stimuleren. Het generieke karakter van veel van de regelingen zorgt ervoor dat de belastingvoordelen ook gelden voor ondernemers die deze niet nodig hebben voor het succesvol starten of continueren van hun bedrijf. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In juni 2017 is de evaluatie van de fiscale vrijstellingen voor bos en natuur naar de Tweede Kamer gestuurd.22 De evaluatie ziet op de zes fiscale vrijstellingen voor bos en natuur, te weten de bosbouwvrijstelling, de vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer, de vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3, de vrijstelling overdrachtsbelasting natuurgrond, de vrijstelling overdrachtsbelasting Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) en de vrijstelling overdrachtsbelasting Bureau Beheer Landbouwgronden. Er wordt geconcludeerd dat deze regelingen bijdragen aan het bereiken van de doelen van het overheidsbeleid. Zij brengen geen hoge administratieve lasten en uitvoeringskosten met zich mee. Het budgettair belang is beperkt. De fiscale vrijstellingen zijn over het algemeen goed bekend bij en ook aantrekkelijk voor de betreffende doelgroepen. Een aantal aanbevelingen uit het rapport worden overgenomen.

Ook in juni 2017 is de evaluatie van de 30%-regeling naar de Tweede Kamer gestuurd.23 Het aantal gebruikers van de 30%-regeling is in de periode 2009-2015 gestegen met gemiddeld 7% per jaar. De onderzoekers concluderen dat de regeling naar hun inschatting doeltreffend en doelmatig is. Daarnaast bevat het rapport overwegingen om de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de regeling te verbeteren. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In juli 2017 heeft de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de evaluatie effecten administratieve lasten bedrijven Wet uniformering loonbegrip aangeboden aan de Tweede Kamer.24 De onderzoekers concluderen dat sprake is van een vereenvoudiging met het wegnemen van de vier discoördinatiepunten in het loonbegrip, maar dat de vereenvoudiging als beperkt wordt ervaren. Ook wordt geconstateerd dat nog niet uitsluitend met het nieuwe loonbegrip wordt gewerkt en dat, onder meer door nieuwe afspraken en regelveran-deringen in het loondomein, de beoogde verdere vereenvoudiging niet tot stand is gebracht. Het behalen van de met die verdere vereenvoudiging samenhangende administratieve lastenverlichting zou dan ook nadere stappen vergen. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

Evaluatieprogrammering 2017-2021

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2017-2021. Deze programmering is erop gericht om relevante evaluaties af te leveren, met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit op de informatiebehoefte van het parlement. Qua planning is er afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen, zodat het beleid aan uitgaven- en inkomstenkant in de doorlichtingen integraal kan worden behandeld.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Het departement waarbij de evaluatie in onderstaand overzicht is geplaatst, is het departement dat het voortouw neemt bij de evaluatie. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie. Bij een aantal evaluaties waar het gezamenlijk optrekken van departementen een grote rol speelt, is specifiek het departement genoemd dat ook betrokken is.

Naast evaluaties van specifieke fiscale regelingen, is een aantal overkoepelende evaluaties gepland van de fiscale regelingen binnen een bepaalde belastingsoort. Deze evaluaties worden door Financiën geïnitieerd en in samenwerking met betrokken departementen uitgevoerd.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

 

Tabel 6.7.1.

Evaluatieprogrammering 2017-2021

 

Begroting

 

Begrotingsartikel

Binnenlandse Zaken (Wonen en Rijksdienst)

2017

Kamerverhuurvrijstelling

WenR 1: Woningmarkt

2018

2019

Vermindering verhuurderheffing

WenR 1: Woningmarkt

2020

Fiscale regelingen eigen woning

WenR 1: Woningmarkt

2021

Financiën

2017

2018

Werkkostenregeling

1: Belastingen

 

Fiscale regelingen Overdrachtsbelasting

1: Belastingen

 

IB Middelingsregeling

1: Belastingen

 

Accijns teruggaaf LNG

1: Belastingen

 

Evaluatie Autobrief II

1: Belastingen

2019

Vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen (met SZW)

1: Belastingen

 

Fiscale regelingen Assurantiebelasting

1: Belastingen

2020

Fiscale regelingen BPM en MRB (met lenM)

1: Belastingen

 

Fiscale regelingen Energiebelasting (met EZ)

1: Belastingen

2021

Fiscale regelingen Erf- en schenkbelasting

1: Belastingen

 

Fiscale regelingen Kansspelbelasting

1: Belastingen

 

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

 

Bankenbelasting

1: Belastingen

Infrastructuur en Milieu

Begroting

 

Begrotingsartikel

2017

MRB Vrijstelling wegenbouw (in beleidsdoorlichting verwerkt)

14: Wegen en verkeersveiligheid

2018

Fiscale regelingen groen beleggen

21: Duurzaamheid

 

BPM en MRB Teruggaaf en vrijstelling taxi's

16: Openbaar vervoer en spoor

 

MIA en VAMIL

21: Duurzaamheid

2019

2020

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

2021

Economische Zaken

2017

EB Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2018

Innovatie-instrumenten

2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

 

EIA

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2019

2020

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

 

EB Verlaagd tarief openbare laadpalen

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

Fiscale regelingen Energiebelasting (met FIN)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2021

Fiscale regelingen bedrijfsopvolging (zodra er genoeg data is)

2: Bedrijvenbeleid

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2017

2018

2019

Vrijstelling nettolijfrenten en nettopensioen (met FIN)

8: Oudedagsvoorziening

2020

2021

Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2017

2018    IB Vrijstelling vergoeding pleegkinderen vanaf het vierde 8: Tegemoetkoming specifieke kosten

kind

2019 2020 2021

Overzicht risicoregelingen van het Rijk

Tabellen 7.1, 7.2 en 7.3 geven een totaaloverzicht van directe en indirecte risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantieregelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar begrotingen en jaarverslagen van de betreffende vakdepartementen.

Garanties

Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Tabel 7.1 bevat de garantieregelingen van het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond of mutaties groter dan 100 miljoen euro zijn uitgesplitst weergegeven. Alle andere regelingen zijn samengevat in de post «overig». Het overzicht geeft de stand eind augustus weer. Ontwikkelingen daarna zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag Rijk 2017.

In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven. Daarachter staat voor de jaren 2016, 2017 en 2018 het bedrag dat daadwerkelijk als risico is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd, genaamd de «uitstaande garanties». Onder de uitstaande garanties vallen ook de garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2017 en 2018 worden garanties verleend en komen garanties te vervallen. Dit is terug te lezen in de kolommen «geraamd te verlenen» en «geraamd te vervallen».

Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, het zogenaamde plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In tabel 7.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond gelijk gesteld aan de uitstaande garanties. Bij internationale organisaties is gekozen het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM en ESM) en de garanties aan een aantal internationale financiële instellingen.

~G

C

O

00

0)

'S s

2 -ö «3 c ü O

03

CO 03 D)

3

-0 = 0 r O CM

E >

  • • 
    ~o i c I o

03 O CM 03    <0

CO 03

¦t± O) 3

¦ö :

E

Tabel 7.1 Door het Rijk verleende garanties (in miljoenen euro)

"O

E .

CO 03 .ti O) 3

03 (/) <D

O o "a

29 J

o ® '® 0.-2 CO

O © LU

O to cü

O "c ^ o <: =

-O Q

Ü CÜ "ü

  • O) 
    O O)

> =

© := £

O g-i -

§!SJ

i! 8 §t

1 ® <= I Q. (D > O >

O .E

g c

  • CU £ CÜ

-E E

c co

03 0)

'co >

< —

7 ©

I 03

Z Q_

o ^

C >* 03 ¦¦= C =

o <13

  • 0) 
    co Q. C o O

o >

<D <D

CC Q

03 CU ' <D CO

o.

O _Q '

O.

O _Q

 

Totaal

plafond

9.895,5

35.445,4

2.350,0

4.845,5

   

Garantieplafond 2018

       

10.000,0

 

Uitstaande

garanties

2018

9.895,5

35.445,4

2.350,0

4.845,5

15.913,5

 

Geraamd te vervallen 2018

       

10.000,0

 

Geraamd te verlenen 2018

       

10.000,0

 

Garantieplafond 2017

       

10.453,8

 

Uitstaande

garanties

2017

9.895,5

35.445,4

2.350,0

4.845,5

15.913,5

 

Geraamd te vervallen 2017

     

77,4

10.453,8

150,0

Geraamd te verlenen 2017

       

10.453,8

150,0

Uitstaande

garanties

2016

9.895,5

35.445,4

2.350,0

4.922,8

15.913,5

 

Omschrijving

European Investment Bank (EIB)

European Stability Mechanism (ESM)

Kredieten

EU-betalingsbalanssteun

Wereldbank

Exportkredietverze

kering

Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) - herverzekeren

-

       

LO

LO

*

IXB

IXB

IXB

IXB

IXB

IXB

cn

CÜ tn ~

CD

O)

.£ s

  • D

® o co -Q O) "ö

CD

o'

CM

o'

CM

o'

CM

03 ¦O E

0)

o-oS

O .— Q_ > -Q Q. 0 0) 03 ¦r- O) -C

  • = 8 2 3 T3 03 ^ C ü C®

._ -o = c

CD O

 

Totaal

plafond

675,0

130,9

176,7

2.265,7

357,0

     

Garantieplafond 2018

       

0,4

     

Uitstaande

garanties

2018

135,7

130,9

176,7

2.265,7

357,1

 

180.630,7

23,6%

Geraamd te vervallen 2018

 

16,8

           

Geraamd te verlenen 2018

50,0

     

27,4

     

Garantieplafond 2017

       

377,1

     

Uitstaande

garanties

2017

85,7

147,7

176,7

2.265,7

343,8

 

185.417,7

25,3%

Geraamd te vervallen 2017

 

18,9

   

66,3

     

Geraamd te verlenen 2017

50,0

   

CD

4,8

     

Uitstaande

garanties

2016

35,7

CD

CD'

CD

176,7

2.264,7

405,3

 

171.155,4

24,4%

Omschrijving

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

Garanties IS-NIO

Garanties IS-Raad van Europa

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

Overig

 

Totaal

Totaal als percentage bbp

   

LD

¦^T

LD

LD

       

*

 

i

i

i

       

Tabel 7.2 bevat de uitgaven en ontvangsten behorende bij de door de staat verstrekte garanties in 2017 en 2018. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten zijn gedaan worden hier weergegeven. De in de tabel getoonde uitgaven betreffen de schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies, provisies en dergelijke als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Tabel 7.2 Uitgaven en ontvangsten op de door het Rijk verstrekte garanties (in duizenden euro)

 

b    a

omschrijving

Uitgaven

2017

Ontvangsten

2017

Saldo 2017

Uitgaven

2018

Ontvangsten

2018

Saldo 2018

VI 33

Garantiestelling Faillissementscura-toren dienst JUSTIS

1.760,0

 
  • 1.760,0

3.760,0

 
  • 3.760,0

IXB 3

Eurofima (NS)

 

47,0

47,0

     

IXB 3

Garantie Propertize/SNS

 

4.053,0

4.053,0

     

IXB 3

Tennet

 

4.800,0

4.800,0

 

4.800,0

4.800,0

IXB 2

WAKO (kernongevallen)

 

613,0

613,0

 

613,0

613,0

IXB 5

Exportkredietverzekering

58.000,0

255.792,0

197.792,0

62.700,0

280.422,0

217.722,0

IXB 1

Garantie procesrisico's

245,0

 
  • 245,0

245,0

 
  • 245,0

XIII 2

BMKB

41.658,0

33.000,0

  • 8.658,0

41.674,0

33.000,0

  • 8.674,0

XIII 2

GO

9.945,0

13.000,0

3.055,0

6.745,0

13.000,0

6.255,0

XIII 2

Groeifaciliteit

8.850,0

8.000,0

  • 850,0

8.850,0

8.000,0

  • 850,0

XIII 2

Scheepsnieuwbouw garantieregeling

3.591,0

4.000,0

409,0

     

XIII 6

Borgstelling MKB Landbouwkredieten

3.100,0

2.400,0

  • 700,0

3.125,0

2.925,0

  • 200,0

XIII 4

Aardwarmte

2.525,0

2.500,0

  • 25,0
 

4.700,0

4.700,0

XV 2

Startende ondernemers

45,0

 
  • 45,0

5,0

 
  • 5,0

XVII 41

DTIF

6.500,0

1.000,0

  • 5.500,0

7.000,0

2.300,0

  • 4.700,0

XVII 41

Garantie DGGF

5.000,0

500,0

  • 4.500,0

5.000,0

500,0

  • 4.500,0

XVII 41

Garantie FOM

1.400,0

744,0

  • 656,0
     

XVII 45

Garanties IS-NIO

10,0

 
  • 10,0
     

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico's uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen niet als verplichting opgenomen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 7.3.

Het risico uit de achterborgstellingen (in tabel 7.3) is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen (in tabel 7.1). Bij achterborgstellingen worden de risico's soms gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door de rijksoverheid. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door de rijksoverheid gedekt. Bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) wordt de gehele positie met gemeenten gedeeld.

Per achterborgstelling gelden verschillende modaliteiten om schade te dekken. Wanneer een woningcorporatie financieel in de problemen komt, kan eerst saneringssteun worden verleend. Sinds de inwerkingtreding van de herzieningswet per 1 juli 2015 is sanering gemandateerd aan het WSW, waarbij het WSW kan putten uit het saneringsfonds welke wordt aangehouden als een risicovoorziening bij W&R. Het saneringfonds kan indien nodig aangevuld worden met een heffing betaald door de corporatiesector. Indien de sanering onvoldoende soelaas biedt of besloten wordt om niet te saneren, kunnen financiers aanspraak doen op het WSW. Het eigen vermogen van het WSW is daarna de eerste buffer om aan te spreken om aanspraken op de borg op te vangen. Indien dit niet voldoende is, worden de obligo's van de deelnemende woningcorporaties aangesproken.

Een obligo is een voorwaardelijke verplichting van de deelnemer om aan het fonds een bepaald bedrag over te maken. Pas daarna wordt een beroep gedaan op de achterborg van de rijksoverheid. De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op de rijksoverheid.

Bij het WEW geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.

 

Tabel 7.3 Achterborgstellingen van het Rijk (in miljoenen euro)

 

Realisatie

2016

Raming

2017

Raming

2018

Totaal Achterborgstellingen

283.548

287.838

293.086

Stichting Waarborgfonds Zorg

8.148

7.547

7.203

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

82.200

82.700

82.500

Waarborgfonds Eigen Woningen

193.200

197.591

203.383

 

Bufferkapitaal

1.768

1.881

2.006

Stichting Waarborgfonds Zorg

267

280

288

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

531

531

545

Waarborgfonds Eigen Woningen

970

1.079

1.182

 

Obligo

3.343

3.330

3.339

Stichting Waarborgfonds Zorg

243

226

216

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

3.100

3.104

3.123

8. Normeringssystematiek gemeente- en provinciefonds

Berekening accres

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het gemeente- en provinciefonds. De jaarlijkse ontwikkeling van de omvang van het gemeente- en provinciefonds wordt sinds 1995 bepaald door de normeringssystematiek, waarbij de fondsen gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van de uitgaven van het Rijk, de netto gecorrigeerde rijksuitgaven.

Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben direct invloed op de omvang van de fondsen («samen de trap op, samen de trap af»). De jaarlijkse toe-en afname van het gemeente- en provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de rijksuitgaven, wordt het accres genoemd.

Tabellen 8.1-8.3 geven weer hoe de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven uiteindelijk resulteert in het accres. Bij de bepaling van de omvang van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven (ngru) vormen de netto rijksuitgaven het startpunt. Op de netto uitgaven (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten. Het saldo geeft de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, de basis voor de accresberekening (C).

De correcties op de netto rijksuitgaven (tabel 8.2) kunnen in drie categorieën ingedeeld worden.

  • 1. 
    Uitgaven die wel relevant zijn voor de uitgavenkaders, maar niet voor de basis van de accresberekening, de ngru. Het gaat om uitgaven die relatief gevoelig zijn voor macro-economische ontwikkelingen en waarop het Rijk geen invloed heeft, bijvoorbeeld de afdrachten aan de EU. Door de rijksuitgaven voor deze uitgavenposten te corrigeren, wordt de accresraming minder afhankelijk van macro-economische ontwikkelingen, wat de stabiliteit van de accresontwikkeling ten goede komt.
  • 2. 
    Uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenkader, maar wel voor de ngru, bijvoorbeeld studieleningen.
  • 3. 
    Financieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar in de normeringssystematiek wel effect hebben op het accres doordat het schuiven zijn tussen ngru-relevante uitgaven en niet-ngru-relevante uitgaven. De rijksuitgaven worden voor deze posten gecorrigeerd omdat per saldo geen sprake is van meer of minder uitgaven, er is alleen sprake van een andere financieringsbron. Het gaat bij deze correcties bijvoorbeeld om overhevelingen van departementale begrotingen naar het gemeente- en provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen het Rijk en de sociale zekerheidsfondsen.

Tabel 8.1: Ontwikkeling van netto gecorrigeerde rijksuitgaven: van begroting naar accres %

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1 De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A Staten-Generaal

138

146

140

138

138

143

140

2B Overige Hoge Colleges van

Staat en Kabinetten

109

114

108

106

106

106

106

3 Algemene Zaken

53

57

56

56

56

58

60

4 Koninkrijksrelaties

89

93

87

80

80

81

68

5 Buitenlandse Zaken

8.867

4.611

8.783

9.583

9.769

9.634

9.913

6 Veiligheid en Justitie

10.817

11.268

10.367

10.370

10.231

10.097

9.748

7 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

747

736

708

668

651

651

648

8 Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

35.460

34.971

35.448

35.305

35.029

34.952

34.913

9A Nationale Schuld (Transactiebasis)

11

17

19

19

19

19

19

9B Financiën

4.968

4.707

4.853

4.707

4.573

4.544

4.642

10 Defensie

7.755

8.427

8.684

8.735

8.750

8.619

8.640

12 Infrastructuur en Milieu

7.831

7.409

8.407

8.717

8.758

8.929

8.979

13 Economische Zaken

4.455

4.671

4.825

5.345

5.988

5.961

6.098

15 Sociale Zaken en Werkgelegenheid

18.099

19.088

19.239

19.232

19.420

19.650

19.736

16 Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.694

2.989

3.145

3.070

2.927

2.868

2.795

17 Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.649

2.759

2.403

2.349

2.437

2.657

2.654

18 Wonen en Rijksdienst

3.253

3.746

3.917

3.994

3.946

4.141

4.335

50 Gemeentefonds

28.125

27.822

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

51 Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

Aanvullende posten

  • 369
  • 751

2.695

5.595

8.625

11.536

14.779

(A) Totaal netto uitgaven

138.286

135.331

144.396

148.443

151.711

154.666

158.106

(B) Totaal correcties

  • 43.944
  • 39.917
  • 44.373
  • 45.822
  • 46.486
  • 47.125
  • 47.812
 

(C) Totaal NGRU (=A+B)

94.342

95.414

100.024

102.622

105.225

107.541

110.294

 

Accres (%) = (Ct - Ct-1)/Ct-1)

4,25%

1,14%

4,83%

2,60%

2,54%

2,20%

2,56%

Tabel 8.2: Correcties netto rijksuitgaven (in miljoenen euro)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Correcties wel relevant voor uitgavenkader, niet voor accres

Studieleningen en radiofrequenties

1.916

1.861

2.041

2.011

2.158

2.344

2.507

EU-afdrachten

  • 7.514
  • 3.312
  • 7.495
  • 8.310
  • 8.456
  • 8.309
  • 8.561

HGIS

  • 4.940
  • 4.510
  • 4.469
  • 4.396
  • 4.499
  • 4.685
  • 4.764

WWB

  • 5.711
  • 5.980
  • 5.916
  • 6.115
  • 6.409
  • 6.592
  • 6.718

GF/PF (exclusief sociaal deelfonds)

  • 19.195
  • 19.065
  • 19.329
  • 19.772
  • 20.190
  • 20.412
  • 20.795

Sociaal deelfonds RBG-eng

  • 1.797
  • 1.755
  • 1.770
  • 1.805
  • 1.805
  • 1.824
  • 1.824

Sociaal deelfonds en GF SZA

  • 2.761
  • 2.636
  • 2.483
  • 2.386
  • 2.296
  • 2.246
  • 2.201

Uitgaven BKZ (begrotingsgefi-nancierd)

  • 7.299
  • 7.286
  • 7.437
  • 7.430
  • 7.359
  • 7.430
  • 7.374

BCF

  • 3.004
  • 3.191
  • 3.326
  • 3.411
  • 3.497
  • 3.574
  • 3.665

Overboekingen 50/51 en

RBG-eng

4.343

4.118

3.588

3.467

3.453

3.442

3.423

Overige financieringsverschuivingen

2.019

1.838

2.222

2.324

2.414

2.161

2.161

Totaal correcties accres

  • 43.944
  • 39.917
  • 44.373
  • 45.822
  • 46.486
  • 47.125
  • 47.812

Tabel 8.3 Berekening accres

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

  • 1. 
    Accres % (nominaal)

4,25%

1,14%

4,83%

2,60%

2,54%

2,20%

2,56%

  • 2. 
    Grondslag normeringssystematiek

16.717

19.195

19.065

19.329

19.772

20.190

20.412

  • 3. 
    Accres (= 1 * 2)

710

218

921

502

502

444

523

waarvan Gemeentefonds

662

190

805

445

445

395

465

waarvan Provinciefonds

47

28

116

57

56

50

57

 
  • 4. 
    Accres cumulatief

710

928

1.849

2.351

2.853

3.297

3.820

Tabel 8.4 Aansluiting accres stand Miljoenennota 2017 naar Miljoenennota 2018

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Accrespercentage Miljoenennota

2017

3,96%

1,13%

2,59%

2,41%

2,53%

1,97%

 

Accres (jaarlijkse tranches) stand Miljoenennota 2017

663

216

477

451

484

384

 

Accres cumulatief stand Miljoenennota 2017 (A)

663

878

1.356

1.806

2.290

2.674

 
 

Accresmutatie tranches

47

3

444

51

18

61

 

Accresmutatie cumulatief (B)

47

49

493

545

563

623

 
 

Accres (jaarlijkse tranches) stand Miljoenennota 2018

710

218

921

502

502

444

523

Accres cumulatief stand Miljoenennota 2018 (A+B)

710

928

1.849

2.351

2.853

3.297

3.820

Accrespercentage stand Miljoenennota 2018

4,25%

1,14%

4,83%

2,60%

2,54%

2,20%

2,56%

Horizontale toelichting

In deze bijlage wordt per begroting (of begrotingsfonds dan wel aanvullende post) een toelichting gegeven op het verloop van de uitgaven en niet-belastingontvangsten vanaf 2017 tot en met 2022.

De totalen per begroting zijn exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen; deze uitgaven worden separaat gepresenteerd.

De cijfers van de afzonderlijke begrotingen luiden in miljoenen euro's in constante prijzen van het jaar 2017. Een uitzondering hierop vormen de premiegefinancierde uitgaven van SZW en VWS, deze luiden in lopende prijzen.

De Koning

 

I DE KONING

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

42,2

42,3

42,3

42,3

42,4

43,8

totaal niet-belastingontvangsten

0,1

         

1    Uitkering leden Koninklijk Huis

Uitgaven

8

8,2

8,2

8,2

8,3

9,7

2    Functionele uitgaven van de Koning

Uitgaven

28,3

28,3

28,3

28,3

28,3

28,3

Ontvangsten

0

         

3    Doorbelaste uitgaven van andere

begrotingen

Uitgaven

5,9

5,8

5,8

5,8

5,9

5,9

Ontvangsten

0

         

Uitkering leden Koninklijk Huis

Op dit artikel worden de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis verantwoord. De lichte stijging in de uitgaven vanaf 2017 e.v. wordt veroorzaakt door de doorwerking van de stijging van de ambtenarensalarissen volgens de systematiek van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis op de uitkering van de leden van het Koninklijk Huis. In 2021 is de Prinses van Oranje, de vermoedelijke troonopvolger, achttien jaar en heeft volgens de wet recht op een grondwettelijke uitkering. Dit is in 2021 (naar rato) 0,1 mln. euro en vanaf 2022 het jaarbedrag van 1,5 mln. euro.

Functionele uitgaven van de Koning

Op dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven zoals de inzet van luchtvaartuigen.

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven in het kader van voorlichting, het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet van de Koning.

Staten-Generaal

 

IIA STATEN-GENERAAL

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

150

143,9

142,3

142,4

147,1

144,1

totaal niet-belastingontvangsten

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

1    Wetgeving en controle Eerste Kamer

Uitgaven

12,3

12,2

12,2

12,2

12,2

12,2

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2    Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede

Kamer en leden EP

Uitgaven

32,4

31,3

30,8

30,8

32,3

31,3

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3    Wetgeving en controle Tweede Kamer

Uitgaven

105,7

100,8

99,8

99,8

103

101

Ontvangsten

4

4

4

4

4

4

4    Wetgeving en controle Eerste en Tweede

Kamer

Uitgaven

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

10 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

  • 1,9
  • 2
  • 2
  • 2
  • 2
  • 2

Artikel 1 Wetgeving en controle Eerste Kamer In 2017 is de eindejaarsmarge 2016 toegevoegd.

Artikel 2 Uitgaven tbv (oud) leden Tweede Kamer en leden EP De uitgaven ten behoeve van oud-leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement worden beïnvloed door verkiezingen. In het jaar van de verkiezingen stijgt het beroep op de aanspraken op wachtgeld en dit neemt na verloop van tijd weer af tot het moment dat uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn. In 2021 nemen de uitgaven weer toe.

Artikel 3 Wetgeving en controle Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Tweede Kamer. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van de ambtelijke organisatie voor het ondersteunen van het constitutionele proces van de Tweede Kamer, de financiering van de digitale en fysieke infrastructuur van het parlement en de kosten van de fracties. De uitgaven in 2017 zijn hoger als gevolg van een kasschuif in verband met de uitloop van het outsourcen van de Dienst Automatisering van de Tweede Kamer naar SSC-ICT, de toevoeging van de eindejaarsmarge 2016 en de hogere uitgaven voor fractiekosten in een verkiezingsjaar en het jaar daarna. In 2021 als er uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn, nemen de uitgaven voor fractiekosten weer toe met uitloop naar 2022.

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van interparlementaire activiteiten.

Artikel 10 Nominaal en Onvoorzien

De inspanningsverplichting van de Staten Generaal voor de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO's van de kabinetten Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher is deels op artikel 10 onvoorzien gezet.

Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

119,7

113,4

111,7

111,9

112

112

totaal niet-belastingontvangsten

5,9

5,7

5,7

5,7

5,7

5,7

1    Raad van State

Uitgaven

59,5

54,9

54,6

54,7

54,7

54,8

Ontvangsten

2

2

2

2

2

2

2    Algemene Rekenkamer

Uitgaven

30

28,5

28,6

28,6

28,7

28,7

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

3    De Nationale ombudsman

Uitgaven

17,1

16,3

15,7

15,7

15,7

15,7

Ontvangsten

2,4

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

4    Kanselarij der Nederlandse Orden

Uitgaven

5,1

4,7

4

4

4

4

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

6    Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Uitgaven

2,2

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

7    Kabinet van de Gouverneur van Curasao

Uitgaven

3,3

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8    Kabinet van de Gouverneur van Sint

           

Maarten

           

Uitgaven

2,4

2

2

2

2

2

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

9    Kiesraad

Uitgaven

 

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

10 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

Algemeen

De uitgaven voor de Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten nemen tot en met 2018 af door de bijdrage aan de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO's van de kabinetten Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher. De Minister van BZK heeft een brief gestuurd om een onafhankelijke commissie in te stellen met als taak in kaart te brengen welke middelen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken van de colleges, met inachtneming van hun verschillende posities en de consequenties van recente ontwikkelingen binnen de rijksdienst (Kamerstukken II 2016-2017, 34 550 IIB, nr. 9).

Artikel 1 Raad van State

De uitgaven van de Raad van State zijn in 2017 hoger door investeringskosten voor de introductie van het programma Kwaliteit en Innovatie.

Artikel 2 Algemene Rekenkamer

De uitgaven van de Algemene Rekenkamer zijn in 2017 hoger door de transitiekosten in verband met het aanpassen van de organisatiestructuur.

Artikel 3 Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman maakt in 2017 en 2018 meer kosten in het kader van een transitie om de organisatie te verbeteren en nieuwe taken in te passen.

Artikel 4 Kanselarij der Nederlandse Orden

De Kanselarij der Nederlandse Orden maakt gebruik van een verouderd ICT-systeem voor de aanvraag van decoraties. Dit systeem wordt vervangen en leidt tot een oploop van het budget in de jaren 2017 en 2018.

Artikel 6 Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming in 2017.

Artikel 7 Kabinet van de Gouverneur van Curagao

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming in 2017.

Artikel 8 Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming

in 2017.

Artikel 9 Kiesraad

Vanaf 2018 zijn de uitgaven voor de Kiesraad van hoofdstuk 7 overgeheveld naar de begroting IIB.

 

Algemene Zaken

III ALGEMENE ZAKEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

63,5

63,2

63,3

63,3

65

67,1

totaal niet-belastingontvangsten

6,9

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

1    Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Uitgaven

59,1

58,3

58,3

58,3

60,1

62,2

Ontvangsten

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4    Kabinet van de Koning

Uitgaven

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

Ontvangsten

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

5    Cie voor toezicht op de Inlichtingen- en

           

veiligheidsdiensten

           

Uitgaven

2

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Dit artikel bestaat onder andere uit de bijdrage voor het agentschap Dienst Publiek en Communicatie, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB).

Kabinet van de Koning

Het Kabinet van de Koning (KvdK) draagt zorg voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van zijn staatsrechtelijke taken en fungeert als schakel tussen Koning en Ministers.

Commissie voor toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD)

Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) is er een Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en een afdeling klachtenafhandeling ingesteld. Zij houdt toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). De Commissie toetst zowel het handelen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan de juridische kaders die er voor deze diensten bestaan.

Koninkrijksrelaties

 

IV KONINKRIJKSRELATIES

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

317,4

293,8

138,7

137,8

137,5

125,4

totaal niet-belastingontvangsten

56,9

47,8

38,7

36,8

35,3

35,3

1 Waarborgfunctie

Uitgaven

82,9

87,3

75,2

75,4

75,4

63,4

Ontvangsten

6,1

6,1

4,9

4,9

4,9

4,9

4    Bevorderen sociaaleconomische structuur

Uitgaven

20,8

11

14,4

14,4

14,4

14,3

Ontvangsten

13

3,9

3,9

2

2

2

5    Schuldsanering/lopende inschrijving/

leningen

Uitgaven

187

172,4

28,5

28,5

28,5

28,5

Ontvangsten

37,8

37,7

30

29,9

28,5

28,4

6    Apparaat

Uitgaven

23,1

21,1

18,7

17,6

17,3

17,3

7 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

3,6

2

1,9

1,9

1,9

1,9

Artikel 1 Waarborgfunctie

Het kabinet heeft besloten tot verlenging van de rechtshandhaving in Sint Maarten van 2018 tot en met 2021. Daarom liggen de budgetten tot en met 2021 hoger. Met oog op de veiligheidsproblematiek in het Caribisch deel van het Koninkrijk is incidenteel 8 mln. beschikbaar gesteld aan de Kustwacht, deze is gelijk verdeeld over de jaren 2017 en 2018 voor het plegen van onderhoud en oplossen exploitatietekort, de ondersteuning van andere defensieonderdelen aan de Kustwacht. De ontvangsten in 2017 en 2018 liggen hoger door hogere bijdragen van de landen aan de Kustwacht als gevolg van de wisselkoersen.

Artikel 4 Bevorderen sociaaleconomische structuur In 2017 liggen de uitgaven hoger door de verplichtingen op pensioenen die voortkomen uit de onderlinge regeling rechtsopvolging en boedelscheiding van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (APNA). Tevens komen de hogere uitgaven door de toevoeging van de SVB-middelen. Tot slot is de terugontvangst van de restmiddelen Fondo Desaroyo Aruba (FDA) overgemaakt naar het land Aruba.

De hogere ontvangsten in 2017 betreffen de definitieve afrekening van de Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (SONA), de verkoop van de aandelen in de AIB Bank en de terugontvangst van de restmiddelen Fondo Desaroyo Aruba (FDA).

De lagere uitgave in 2018 komt door verwerking van het wisselkoerseffect op de toeslag voor pensioenen.

Artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen Uit hoofde van de beleidsmatige verantwoordelijkheid van de Minister van BZK voor de schuldsanering van de voormalige Nederlandse Antillen worden de meerjarige aflossings- en rentereeksen verantwoord op hoofdstuk IV. Vanwege het verloop in het aflossings-en renteschema nemen de uitgaven na 2018 af.

Artikel 6 Apparaat

Door de vertraagde oprichting van de integriteitskamer Sint Maarten zijn de budgetten in 2017, 2018 en 2019 aangepast.

Verder liggen de uitgaven in 2017 en 2018 hoger als gevolg van het verwerken van de effecten van de wisselkoers.

Artikel 7 Nominaal en onvoorzien

Een deel van deze middelen is gereserveerd voor het meerjarig opvangen van valutaschommelingen (1 mln. vanaf 2018). De resterende middelen worden op een later moment toegekend aan de relevante beleidsartikelen.

Buitenlandse Zaken

 

V BUITENLANDSE ZAKEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

7.076,5

8.181,4

9.010,6

9.170,5

9.037,4

9.301,8

totaal niet-belastingontvangsten

3.764,2

686,7

700,4

714,4

728,7

741,1

43 Europese Samenwerking

Uitgaven

7.076,5

8.181,4

9.010,6

9.170,5

9.037,4

9.301,8

Ontvangsten

3.764,2

686,7

700,4

714,4

728,7

741,1

Relatie begroting van Buitenlandse Zaken en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat uit HGIS uitgaven/ontvangsten en niet-HGIS uitgaven/ontvangsten. De HGIS uitgaven en ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS uitgaven en ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 3 Europese Samenwerking

Uitgaven

De meerjarige ontwikkeling van het artikel Europese samenwerking wordt bepaald door de doorwerking van de jaarlijkse nominale ontwikkeling van de EU-begroting in de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU.

In de jaren 2017 t/m 2020 stijgen de EU-afdrachten met name als gevolg van een ophoping van cohesiebetalingen in de laatste jaren van het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) door vertragingen. Vanaf 2021 komt de raming van de EU-afdrachten op een lager niveau, omdat de raming van 2020 (en 2019) verhoogd is vanwege deze vertragingen en er in de raming vanuit wordt gegaan dat die vertragingen voor het einde van het MFK worden ingehaald. Na 2021 stijgen de afdrachten jaarlijks licht mee met de stijging van het BNI.

De ramingssystematiek voor 2021 en verder wijkt af van de ramingssyste-matiek tot 2020. De betalingenplafonds tot 2020 liggen nominaal vast in de huidige MFK-verordening. Vanaf 2021 zal het volgende MFK gelden, waarvoor nog geen betalingenplafonds zijn vastgesteld. In de raming voor 2021 en verder wordt daarom op dit moment uitgegaan van een betalingenplafond van 0,95% van het Europese BNI in 2021, wat overeenkomt met het uitgangspunt bij het afsluiten van het huidige MFK.

Niet-belasting ontvangsten

De ontvangsten presenteren met name de perceptiekostenvergoedingen die Nederland ontvangt. In 2017 zijn de ontvangsten aanzienlijk hoger dan in de jaren erna. Dit komt doordat Nederland de bedongen korting op de afdrachten over 2014-2016 met terugwerkende kracht in 2017 in de kas heeft ontvangen.

Veiligheid en Justitie

 

VI VEILIGHEID EN JUSTITIE

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

13.119,2

12.047,6

11.998,8

11.872,2

11.696,6

11.308,5

totaal niet-belastingontvangsten

1.896,1

1.713,6

1.662

1.674,6

1.632,3

1.593,3

31 Nationale Politie

Uitgaven

6.023,7

5.589,6

5.700,5

5.637,1

5.528

5.439,6

Ontvangsten

16,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

32 Rechtspleging en rechtsbijstand

Uitgaven

1.475,3

1.459,8

1.428,7

1.417,5

1.414,1

1.410,6

Ontvangsten

231,4

229,5

277,4

289,2

290,1

290,1

33 Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

Uitgaven

737,2

713,7

688,9

682,8

677,1

677,4

Ontvangsten

1.091,5

1.213

1.265,4

1.267

1.224,5

1.185,5

34 Straffen en Beschermen

Uitgaven

2.646,1

2.475,6

2.597,9

2.611,2

2.572,4

2.552,5

Ontvangsten

218,6

87,5

101,2

101,5

101,5

101,5

36 Contraterrorisme en Nationaal Veiligheids-

           

beleid

           

Uitgaven

256,7

278,7

282,7

288

288

288

37 Vreemdelingen

Uitgaven

1.548,2

1.101,1

884,3

816,1

805,4

792,1

Ontvangsten

309,9

156,6

       

91 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Uitgaven

414,2

405,9

392,2

395,9

388,8

390,2

Ontvangsten

28,2

26,6

17,4

16,4

15,7

15,7

92 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

14,8

20,1

20,5

20,5

19,7

  • 245

93 Geheim

Uitgaven

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

De totale uitgaven van Veiligheid en Justitie (VenJ) tonen een dalende reeks, grotendeels door lagere uitgaven voor vreemdelingen en (effici-ency)taakstellingen. Bij begrotingsbrief van november 2015 en de nota van wijziging bij de ontwerpbegroting 2017 zijn tot en met 2018 wel structureel middelen toegekend aan de begroting voor hogere uitgaven aan o.a. politie, OM en rechtspraak. Ook bij de ontvangsten is er een daling te zien. Dit wordt onder meer verklaard door een ramingsbijstelling op de ontvangsten uit boeten en transacties.

Artikel 31 Nationale Politie

De Nationale Politie ontwikkelt zich in enkele jaren naar het met de vorming van de Nationale Politie beoogde pad. De afwijking bij de ontvangsten in 2017 t.o.v. latere jaren wordt verklaard door een eenmalige bijdrage vanuit de asielreserve.

Artikel 32 Rechtspleging en rechtsbijstand

De uitgaven op dit artikel dalen naar aanleiding van maatregelen bij de rechtsbijstand en een daling van de bijdrage aan de rechtspraak in verband met de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord Rutte II. De stijging aan de ontvangstenkant is te verklaren door stijgende inkomsten uit griffierechten.

Artikel 33 Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

De daling in de uitgaven ten opzichte van 2017 wordt voornamelijk

veroorzaakt door de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord Rutte II.

De ontvangsten op artikel 33 vallen naar verwachting op de langere termijn lager uit. Om die reden is een ramingsbijstelling doorgevoerd op de ontvangsten uit boeten en transacties.

Artikel 34 Straffen en beschermen

De uitgaven op dit artikel tonen op termijn een licht dalende reeks vanwege de doorverdeling van de taakstellingen op personeel en materieel uit o.a. het regeerakkoord Rutte II en de maatregelen uit het Masterplan DJI. In 2017 zijn er extra ontvangsten door het beperken eigen vermogen van agentschappen, o.a. DJI en CJIB. In 2017 en 2018 is de raming voor de te ontvangen administratiekostenvergoeding voor het CJIB verlaagd.

Artikel 36 Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid De uitgaven aan contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleid stijgen licht. Dit komt door extra uitgaven aan het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) en de versterking van de veiligheidsketen vanaf 2018.

Artikel 37 Vreemdelingen

De uitgaven voor vreemdelingen dalen, vanwege de onderliggende aanname over de instroom van asielzoekers. De kosten voor de eerste-jaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen worden conform OESO DAC-systematiek toegerekend aan het budget voor ontwikkelingssamenwerking (ODA). Hierdoor ontvangt VenJ middelen van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelsingssamenwerking (BHOS). De ontvangsten tot en met 2018 betreffen vooral de inzet van middelen uit de asielreserve.

Artikel 91 Apparaatsuitgaven kerndepartement

De apparaatsuitgaven dalen vanwege de efficiencytaakstelling die bij het regeerakkoord Rutte II is opgenomenDe daling in ontvangsten vanaf 2019 is te verklaren door dalende ontvangsten eigen personeel.

Artikel 92 Nominaal en Onvoorzien

Artikel 92 is een verdeelartikel. Dit niet-beleidsartikel wordt uitsluitend gebruikt voor het parkeren van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, het tijdelijk parkeren van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen taakstellingen. In verband met een kasschuif samenhangend met een ander kasritme van de pensioenkosten bij de Nationale Politie is in 2022 een negatief bedrag opgenomen. Dit wordt in de jaren na 2022 gecompenseerd.

Artikel 93 Geheim

De uitgaven op artikel 93 blijven stabiel.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

 

VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

         
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

889

758,4

733,8

716,5

716

712,8

totaal niet-belastingontvangsten

154,9

51

65,8

65,7

65,3

65,3

1    Openbaar bestuur en democratie

Uitgaven

35,8

28,9

25

25,1

25,1

25,1

Ontvangsten

26

22

22

22

22

22

2    Algemene Inlichtingen- en Veiligheids

dienst

Uitgaven

228,5

249,2

251,1

252,1

254,3

252

Ontvangsten

12,7

12,7

12,7

12,7

12,7

12,7

6    Dienstverlenende en innovatieve overheid

Uitgaven

195,4

122,2

104,8

103,3

99,2

99,2

Ontvangsten

25,7

0,5

0,4

0,4

0,4

0,4

7    Arbeidszaken overheid

Uitgaven

30,1

27,1

24,9

24,2

24,3

23,2

Ontvangsten

0,6

0,6

0,5

0,4

0,1

0,1

11 Centraal Apparaat

Uitgaven

387,4

314,6

314,6

304,3

305,5

305,6

Ontvangsten

88,3

15,3

15,2

15,2

15,2

15,2

12 Algemeen

Uitgaven

10,9

10,3

7,8

7,6

7,7

7,7

Ontvangsten

1,5

 

15

15

15

15

13 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

1

6,1

5,5

     

Algemeen

De begroting van Binnenlandse Zaken is vanaf 2016 geherstructureerd, waardoor de artikelen 61, 62, 66, 67, 71, 72 en 73 zijn komen te vervallen en vervangen door gelijknamige artikelen met een ander artikelnummer.

Artikel 1 Openbaar bestuur en democratie

De hogere uitgaven in 2017 hebben voornamelijk betrekking op het programma ten behoeve van gezondheidsbevordering statushouders, de voor de monitor Sociaal Domein en de activiteiten met betrekking tot de interbestuurlijke relaties. De ontvangsten betreffen de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de WOZ.

Artikel 2 Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst De operationele capaciteit van de AIVD wordt uitgebreid met een bijdrage aan de wervingscapaciteit in 2018 en 2019 om tegemoet te kunnen komen aan een effectieve inzet in 2020. Tevens wordt met ingang van 2018 structureel middelen toegevoegd met als doel cyberspionage- en sabotage tegen te gaan.

Daarnaast worden de middelen voor de uitvoering van de wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) gefaseerd toegevoegd. Dit resulteert in een geleidelijke oploop van het budget tot 2021.

Artikel 6 Dienstverlenende en innovatieve overheid Een deel van de gereserveerde middelen voor de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) is tot en met 2018 uitgekeerd aan BZK als opdrachtgever van een groot deel van de GDI-voorzieningen, waaronder, DigiD en MijnOverheid. De uitgaven in 2018 dalen omdat vanaf dit jaar een deel van de GDI-voorzieningen middels doorbelasting aan gebruikers wordt bekostigd. Vanaf 2019 staat een deel van de middelen nog op de Aanvullende Post. Daarnaast staan de opdrachtgevende budgetten voor Rijksdienst voor Identiteitsgegevens en Uitvoeringsbedrijf Rijk op dit artikel en de middelen voor beleid basisregistratiepersoonsgegevens.

De ontvangsten in 2017 zijn doorbelasting aan gebruikers voor de berichtenvoorziening en het resultaat reisdocumenten over 2016.

Artikel 7 Arbeidszaken overheid

Het budget neemt af doordat het beroep op de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen in de komende jaren afneemt.

Artikel 11 Centraal Apparaat

Vanwege de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO's uit het Regeerakkoord Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher nemen de uitgaven aan het Centraal Apparaat de komende jaren af. In 2017 zijn de uitgaven en ontvangsten hoger vanwege de jaarlijkse desalderingen voor de Dienst-verleningsafspraken tussen de SSO's onderling en de inkomsten van overige departementen en derden voor het gebruik van diensten van DocDirect.

Artikel 12 Algemeen

De vanaf 2019 te realiseren ontvangsten voor de GDI worden voorlopig geboekt op de begroting van BZK.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

VIII ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

38.112,7

38.812,1

38.673,2

38.617,3

38.793,4

38.996

totaal niet-belastingontvangsten

1.337,9

1.380,6

1.414,6

1.487,6

1.554,2

1.633,2

1    Primair onderwijs

Uitgaven

10.501

10.472,4

10.356,1

10.306,8

10.254,8

10.204,5

Ontvangsten

8,7

17,7

8,7

8,7

8,7

1,7

3    Voortgezet onderwijs

Uitgaven

8.163,5

8.123,1

8.013,2

7.921,3

7.843,6

7.791,8

Ontvangsten

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

4    Beroepsonderwijs en volwassenenedu

catie

Uitgaven

4.240,5

4.325,7

4.492,6

4.488,7

4.458,4

4.417,4

Ontvangsten

3

3

3

3

3

3

6    Hoger beroepsonderwijs

Uitgaven

2.924,5

3.002,3

2.966,8

2.981,6

3.059,3

3.095

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

7    Wetenschappelijk onderwijs

Uitgaven

4.393,8

4.434,8

4.444,4

4.493,3

4.585,1

4.652,5

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

8    Internationaal onderwijsbeleid

Uitgaven

10,9

10,8

10,1

10,1

9,9

9,9

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9    Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Uitgaven

183,8

181,2

169,6

166,3

163,3

163,1

Ontvangsten

6

6

6

6

6

6

11 Studiefinanciering

Uitgaven

4.585,9

5.373,2

5.445,5

5.502,5

5.560,9

5.633,7

Ontvangsten

850,9

896,9

944,3

1.007,9

1.080,6

1.159,1

12 Tegemoetkoming studiekosten

Uitgaven

89,7

89,5

89,2

87,8

87

86

Ontvangsten

2,4

2,4

2,4

2,4

2,3

2,3

13 Lesgelden

Uitgaven

6,8

6,6

6,5

6,5

6,5

6,5

Ontvangsten

242,5

238,3

240,9

243,3

244,3

244,7

14 Cultuur

   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

 

Uitgaven

740,9

773,3

833,6

831,8

829,1

829,2

 

Ontvangsten

14,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

15

Media

           
 

Uitgaven

976,8

989,4

988,5

1.001,4

1.001,6

1.014,9

 

Ontvangsten

199,5

206,5

199,5

206,5

199,5

206,5

16

Onderzoek en wetenschappen

           
 

Uitgaven

1.033,4

1.008,6

1.004,8

956,2

998,6

1.000,1

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

25

Emancipatie

           
 

Uitgaven

12,7

15,4

15,1

15,6

15,6

15,6

91

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

 
  • 244,3
  • 415,5
  • 409,9
  • 338,3
  • 182,7

95

Apparaatskosten

           
 

Uitgaven

248,5

250,1

252,7

257,4

258

258,5

 

Ontvangsten

1,7

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Artikel 1 Primair onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenramingen en in het po wordt een daling geraamd. Wat hier verder een rol speelt, is de ramingsbijstelling van structureel 50 mln. op het onderwijsachterstandenbudget, waartoe in 2015 is besloten op basis van de lagere raming van gewichtenleerlingen.

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

De begroting van het artikel Voortgezet onderwijs neemt over de jaren licht af. In het vo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd, die relatief groter is dan in het primair onderwijs.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie Het budget voor Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie stijgt per saldo. Dit wordt vooral veroorzaakt door de toevoeging van de middelen van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven. De omvorming van deze aftrek naar een uitgavenregeling op de OCW-begroting staat gepland voor 2019. In het mbo wordt een daling van de studentenaantallen geraamd.

Artikel 6 Hoger beroepsonderwijs en Artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs De begrotingen van de artikelen onder Hoger onderwijs (hbo en wo) stijgen allebei, voornamelijk die van het wetenschappelijk onderwijs. De raming van de totale studentenaantallen blijft over de jaren redelijk stabiel, echter komen er per 2018 middelen vrij die door de invoering van het studievoorschot geïnvesteerd kunnen worden in het hoger onderwijs. Deze reeksen zijn voor zowel het hbo als het wo oplopend in de huidige meerjarenperiode.

Artikel 8 Internationaal onderwijsbeleid

De relatief grote daling in de uitgaven aan Internationaal onderwijsbeleid tussen 2018 en 2019 wordt met name veroorzaakt door de afloop van de subsidie aan Neth-ER.

Artikel 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Het budget voor Arbeidsmarkt en personeelsbeleid daalt per saldo. Er is na 2018 onder andere sprake van aflopende subsidies, zoals de «Impuls lerarentekorten» en de projecten voor professionalisering. Er is eveneens terugloop in het budget voor de leraren- en schoolleidersregisters (dat overigens na 2018 onder artikel 95 verantwoord wordt).

Artikel 11 Studiefinanciering

Bij Studiefinanciering wordt de grote stijging in budget tussen 2017 en 2018 veroorzaakt door een kasschuif waarbij budget voor de ov-studentenkaart wordt verschoven van 2017 naar 2018. De algemene stijging van de uitgaven en ontvangsten komt voort uit de stijging van de geleende bedragen door studenten, en de daarbij behorende hogere terugbetalingen.

Artikel 12 Tegemoetkoming studiekosten en Artikel 13 Lesgelden De uitgaven en ontvangsten bij Tegemoetkoming studiekosten en Lesgelden wijzigen weinig en volgen bij Tegemoetkoming studiekosten voornamelijk de leerlingenaantallen in het voortgezet onderwijs en bij Lesgelden de studentenaantallen in het mbo.

Artikel 14 Cultuur

De begrote uitgaven aan cultuur nemen vooral de komende twee jaar toe. In 2017 is de jaarlijkse overboeking (dit jaar 43,3 mln.) naar artikel 16 voor de Koninklijke Bibliotheek reeds gedaan. Vandaar het kleinere budget in 2017. Per 2019 komen de middelen vrij die gepaard gaan met de omvorming van de fiscale aftrek voor uitgaven aan monumentenpanden. De op te zetten uitgavenregeling op de OCW-begroting, die de fiscale aftrek moet vervangen, loopt via artikel 14. In 2017 zijn de ontvangsten hoger door een eenmalige desaldering.

Artikel 15 Media

De begroting van media neemt eens in de twee jaar toe. Dit komt omdat er tijdens de even jaren meer reclameopbrengsten worden verwacht door grote (sport)evenementen, waardoor er ook meer budget is voor de publieke omroep. Dit is ook te zien in de raming van de ontvangsten. Daarnaast wordt om het jaar het mediabudget aangepast naar aanleiding van de huishoudindex van het CBS. Doordat het aantal huishoudens toeneemt, veroorzaakt dit een stijging in de begroting.

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

Het budget van het artikel Onderzoek en wetenschapsbeleid is in 2017 hoger dan in latere jaren door de jaarlijkse overboeking voor de Koninklijke Bibliotheek vanuit het artikel Cultuur. Daarnaast vertoont 2020 een dip in de begroting, aangezien er in dit betreffende jaar nog 50 mln. voor onderzoek van de Aanvullende Post overgeheveld moeten worden naar de begroting van OCW. Voor de overige jaren is dit reeds gebeurd.

Artikel 25 Emancipatie

De begroting van emancipatie is stabiel. In 2017 zijn de decentralisatie-uitkeringen in het kader van gender- en LHBTI-gelijkheid reeds gedaan, vandaar het lagere budget in dit jaar.

Artikel 91 Nominaal en onvoorzien

Het minbedrag op het artikel Nominaal en onvoorzien bestaat uit een tweetal taakstellingen die over de afgelopen jaren op dit artikel zijn geparkeerd. Deze taakstellingen dienden om de begroting van OCW sluitend te maken en om een bijdrage te leveren aan de rijksbrede ruilvoetproblematiek. Daarnaast is per 2019 een openstaande reeks aan dit artikel toegevoegd, als gevolg van de OCW-brede problematiek. Deze bestaat voornamelijk uit de tegenvaller voortkomend uit de leerlingen- en studentenraming. In 2017 en 2018 is deze problematiek generaal gecompenseerd.

Artikel 95 Apparaatsuitgaven

De toename in het budget voor apparaat zit vooral in de toevoeging van de uitvoeringskosten voor de uitgavenregelingen die samenhangen met de omvorming van de scholings- en monumentenaftrek. Dit budget is per 2019 beschikbaar. Daarnaast is er een aantal kasschuiven van 2017 naar 2018, in verband met onder andere vertraagde projecten, en van 2019 naar 2018, in verband met voorbereidend werk, die zorgen voor een stijging van het budget in 2018.

Nationale Schuld (Transactiebasis)

IXA NATIONALE SCHULD (TRANSACTIEBASIS)

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

54.506,1

48.098,6

38.112,4

37.716,6

23.745,6

40.146,9

totaal niet-belastingontvangsten

42.892

46.210,2

30.843,4

24.371,7

7.019,3

19.959,9

1    Financiering staatsschuld

Uitgaven

52.973,3

46.566,4

36.567,4

36.065,4

21.976,4

36.323,4

Ontvangsten

35.332

35.569

23.164

20.592

5.652

18.732

2    Kasbeheer

Uitgaven

1.532,8

1.532,2

1.545

1.651,2

1.769,2

3.823,5

Ontvangsten

7.560

10.641,2

7.679,4

3.779,7

1.367,3

1.227,9

Artikel 1 Financiering Staatsschuld

Dit artikel heeft betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld. De uitgaven bestaan uit de rentelasten en aflossingen van vaste en vlottende schuld. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en uitgifte van schuld. De hoogte van de aflossingen van de bestaande schuld ligt vast als gevolg van eerder gemaakte keuzes ten aanzien van de schuldfinanciering. De verwachte schulduitgifte neemt in de loop der jaren af doordat de financieringsbehoefte van het Rijk verder afneemt.

Artikel 2 Kasbeheer

Op dit artikel staan de geldstromen die betrekking hebben op het schatkistbankieren van aan de schatkist gelieerde instellingen. De uitgaven bestaan enerzijds uit de rentevergoeding over de saldi die in de schatkist worden aangehouden door baten-lastendiensten, RWT's (Rechtspersoon met een Wettelijke Taak) en sociale fondsen. Anderzijds bestaan de uitgaven uit verstrekte leningen aan baten-lastendiensten en RWT's en, in sommige jaren, uit een afname van het rekening-couranttegoed van deze instellingen of van de sociale fondsen. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en aflossingen op leningen door deelnemers aan het schatkistbankieren. De schommelingen van de ontvangsten op dit artikel worden veroorzaakt door fluctuerende aflossingen.

Financiën

 

IXB FINANCIËN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

6.737,7

6.838,7

6.538,5

6.159,3

6.016,2

6.052,7

totaal niet-belastingontvangsten

5.643

2.161,2

2.148,2

2.218,3

2.079,6

2.078,2

1    Belastingen

Uitgaven

3.146,4

2.884,6

2.703

2.605

2.582,6

2.589,6

Ontvangsten

813,9

822,9

841,1

828,5

826,5

826,5

2    Financiele Markten

Uitgaven

29,3

28,8

22,5

22,4

22,4

22,4

Ontvangsten

14,4

13

11

11

11

11

3    Financ. act. Publiek-Private sector

Uitgaven

167,5

366,9

296,9

15,3

12,1

12,1

Ontvangsten

4.489,1

984,6

973,6

1.066,9

1.068,8

1.068,8

4    Internationale Fin. Betrekkingen

Uitgaven

38,7

142,9

71,2

23,9

9,7

6,7

Ontvangsten

3,4

7

13,1

23

32

30,5

5    Exportkrediet- en investeringsverzekering

Uitgaven

70,7

75,4

83,3

83,3

83,3

88,1

Ontvangsten

268,3

280,4

256,2

235,6

88,1

88,1

6 BTW-Compensatiefonds

Uitgaven

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

7    Beheer materiele activa

Uitgaven

Ontvangsten

10 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

37,8

97,1

119,3

167,4

63,8

91,5

21 Centraal Apparaat

Uitgaven

237

232,6

232

231,6

231,8

231,9

Ontvangsten

54

53,4

53,4

53,2

53,2

53,2

Artikel 1 Belastingen

De dalende trend in de uitgaven bij de Belastingdienst is het gevolg van taakstellingen op het apparaat van de Belastingdienst uit het regeerakkoord Rutte II en besparingen in het kader van de Investeringsagenda. De oploop in de ontvangsten is het gevolg van ramingsbijstellingen op de niet-belastingontvangsten.

Artikel 2 Financiële Markten

De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt door incidenteel extra kosten voor de vierde anti-witwasrichtlijn (UBO-register). De ontvangsten in 2017 worden verklaard door de opbrengsten uit verbeurde dwangsommen en opgelegde bestuurlijke boetes door de toezichthouders (AFM en DNB) aan onder toezicht staande financiële instellingen uit de financiële sector. Deze opbrengsten komen voor een deel (surplus boven de 2,5 mln.) ten gunste van de Staat (TK 33 957-19).

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector De hogere ontvangsten in 2017 worden veroorzaakt door de verkoopopbrengsten van aandelen ASR en ABN AMRO. In 2017, 2018 en 2019 zijn er hogere uitgaven door een kapitaalinjectie aan TenneT. Eind 2015 heeft TenneT de Staat als enig aandeelhouder verzocht om extra kapitaal ter beschikking te stellen om de wettelijk verplichte investeringen in het Nederlandse net te realiseren. Vanaf 2017 zal TenneT 780 mln. ontvangen, verspreid over drie jaren. Deze financiële transactie is niet relevant voor het EMU-saldo en het uitgavenkader.

Artikel 4 Internationale Financiële betrekkingen

De fluctuaties in de uitgavenreeks worden verklaard door het ritme van de Nederlandse contributie aan de Wereldbank. De ontvangstenraming kent vanaf 2019 een oploop vanwege verwachte hogere renteopbrengsten op de leningen aan Griekenland.

Artikel 5 Exportkrediet- en investeringsverzekering De hoogte van de ontvangsten met betrekking tot de exportkredietverzekering (EKV) worden voornamelijk bepaald door de terugbetaling van Argentinië, naar aanleiding van het schuldenakkoord met de Club van Parijs (Zie ook Kamerbrief 2013-2014, 33 750 IX, nr. 29).

In 2020 wordt de laatste terugbetaling verwacht.

Artikel 6 BTW-compensatiefonds

Op dit artikel wordt het BTW-compensatiefonds (BCF) verantwoord. Het BCF wordt uit het gemeente- en provinciefonds gefinancierd. De meerjarige raming is gebaseerd op realisatiecijfers over 2016. De uitgaven aan het BCF zijn stabiel de komende jaren, het gemeente- en provinciefonds fungeren als ventiel bij een onder- of overschrijding. Een onder- of overschrijding komt ten laste of ten gunste van het gemeente- en provinciefonds.

Artikel 7 Beheer materiële activa

Op grond van art. 16 van het Besluit Inbeslaggenomen Voorwerpen, dienen de ontvangsten en uitgaven van op grond van art. 94 en 94a Sv in beslag genomen voorwerpen op de begroting van Veiligheid & Justitie verantwoord te worden. Deze overheveling van begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld) naar begrotingshoofdstuk VI (Veiligheid & Justitie) voorziet hierin. Deze middelen worden voortaan verantwoord op de begroting van VenJ.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Op dit artikel staan kosten opgenomen voor het werkbedrijf Switch van de Belastingdienst. Voorts staan er onverdeelde middelen van loon- en prijsbijstelling op dit artikel.

Artikel 21 Centraal Apparaat

De dalende trend in de uitgaven op dit artikel wordt voornamelijk veroorzaakt door taakstellingen op het apparaat van het Ministerie van Financiën.

Defensie

 

X DEFENSIE

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

8.680,4

8.852,1

8.802,9

8.765,7

8.630

8.541,7

totaal niet-belastingontvangsten

404,9

393,6

303,9

261,0

266,5

268,7

1    Opdracht Inzet

Uitgaven

3,2

3,2

3,2

3,2

3,2

3,2

2    Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Uitgaven

739,1

731,4

743,4

751,1

756,1

755,5

Ontvangsten

15,6

15,6

15,6

15,6

15,6

15,6

3    Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Uitgaven

1.294,0

1.293,8

1.306,5

1.325,1

1.344,6

1.350,9

Ontvangsten

10,5

10,5

10,5

10,5

10,5

10,5

4    Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

Uitgaven

701,6

709,3

702,4

707,5

713,5

712,3

Ontvangsten

12,1

12,1

12,1

12,1

12,1

12,1

5    Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

Uitgaven

372,1

361,2

357

358,4

360,4

360,4

Ontvangsten

4,6

4,6

4,6

4,6

4,4

4,4

6    Investeringen Krijgsmacht

Uitgaven

1.779,3

2.009,9

2.026,7

1.909,7

1.748,6

1.692,1

Ontvangsten

189,2

188,5

111,6

66,8

63,7

58,3

7    Ondersteuning krijgsmacht door Defensie

           

Materieel Org

           

Uitgaven

818,6

852

856,6

885,8

893,4

892,6

Ontvangsten

47,9

43,4

43,4

43,4

43,4

43,4

8    Ondersteuning krijgsmacht door Cdo

           

Dienstencentra

           

Uitgaven

1.158,3

1.108,3

1.092,3

1.105,1

1.094,6

1.096,6

Ontvangsten

82,1

81,4

81

81,4

81,4

81,4

9    Algemeen

Uitgaven

93,1

98,2

97,7

97,4

97,9

98

10 Centraal apparaat

Uitgaven

1.615,5

1.574,2

1.533,2

1.523,1

1.544,5

1.493,6

Ontvangsten

42,8

37,4

25

26,6

35,4

43

11 Geheime uitgaven

Uitgaven

5,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

12 Nominaal en onvoorzien

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Uitgaven

100,2

103,2

76,4

92

65,6

79,1

Het meerjarige verloop van de totale uitgaven wordt verklaard door de doorwerking van de maatregelen uit het Regeerakkoord en de extra middelen die de afgelopen jaren zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De daling van het budget in 2021 wordt veroorzaakt door uitgavenpatroon van de investeringen (zie artikel 6 Investeringen Krijgsmacht).

Het meerjarige verloop van de totale niet-belastingontvangsten wordt verklaard door de daling van de verkoopopbrengsten van materieel en onroerend goed als gevolg van de herfasering van de verkopen.

Hieronder worden per artikel de belangrijkste ontwikkelingen besproken.

In de begroting zelf is een uitputtende opsomming van de effecten van de maatregelen op alle artikelen opgenomen.

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Op dit artikel worden de over het algemeen oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 3 Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Op dit artikel worden de oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 4 Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten Op dit artikel worden de fluctuerende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid en het overboeken van budget naar andere artikelen voor het uitvoeren van de opgedragen taken door de Luchtstrijdkrachten.

Artikel 5 Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

In 2017 is het budget voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) hoger dan de latere jaren door de incidentele middelen die zijn vrijgemaakt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Defensie voor de grensbewakingstaak van de KMar.

Artikel 6 Investeringen Krijgsmacht

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De hogere uitgaven in de jaren 2018, 2019 en 2020 zijn het gevolg van het verschuiven van budget van de afgelopen jaren naar deze jaren na herijkingen van de investeringsplannen.

Artikel 7 Defensie Materieel Organisatie

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting ten behoeve van de verbetering van de basisgereedheid. Anderzijds hangt het verloop van de uitgaven op dit artikel samen met de overgang van budgetten van investeringen naar de exploitatie en instandhouding vanwege de uitvoering van materieel verwervingsprojecten.

Artikel 8 Commando Dienstencentra

Op dit artikel dalen de uitgaven door eerder getroffen maatregelen uit de nota In het belang van Nederland, waaronder het sluiten van Defensielo-caties die door de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO) bewaakt worden en het integreren van de dienstverlening bij het Facilitair Bedrijf Defensie (FBD).

Artikel 9 Algemeen

De uitgaven op dit artikel betreffen het exploitatiedeel van de bijdragen aan de NAVO, verschillende subsidies en overige (departementsbrede) uitgaven. Het budget in 2017 is lager dan de daaropvolgende jaren door het eenmalig uitdelen van de middelen ten behoeve van de Very High Readiness Joint Tasforce (VJTF) aan andere defensie onderdelen (10 mln.) enerzijds en anderzijds het toekennen van budget voor het RIVM voor onderzoek naar Chroom VI (ca. 4 mln.).

Artikel 10 Centraal Apparaat

Dit artikel toont de apparaatskosten van de bestuursstaf, de MIVD en de defensiebrede pensioenen, uitkeringen en wachtgelden. De meerjarige daling van de uitgaven weerspiegelt met name de daling van de overtol-ligheidsuitgaven als gevolg van eerdere reorganisaties. Door de pensionering van voormalige werknemers met een wachtgeldregeling uit deze reorganisaties dalen deze uitgaven. Daarnaast dalen de pensioenuitgaven licht door de effecten van het ophogen van de pensioenleeftijd.

Artikel 12 Nominaal en Onvoorzien

De daling vanaf 2019 komt doordat vanaf dat jaar er middelen zijn overgeheveld naar artikel 10 ter bekostiging van de compensatie voor het aow-gat.

Infrastructuur en Milieu

XII INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

7.437

8.409,8

8.715

8.755,5

8.925

8.978,6

totaal niet-belastingontvangsten

269,3

247,5

242,6

242,1

242

242,1

11 Integraal waterbeleid

Uitgaven

44,9

33,4

32,7

32,7

32,4

33,1

Ontvangsten

3

         

13 Ruimtelijke Ontwikkeling

Uitgaven

155,7

131,5

101,7

104

186,4

188,7

Ontvangsten

9,1

8,8

3,8

3,8

3,8

3,8

14 Wegen en verkeersveiligheid

Uitgaven

47,5

36,7

34,3

32,8

29,5

28,7

Ontvangsten

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

16 Openbaar vervoer en spoor

Uitgaven

36,8

18,6

13,1

13,9

14,2

14,2

Ontvangsten

2,7

         

17 Luchtvaart

Uitgaven

17,9

13,9

14,4

10,2

7,9

7,9

Ontvangsten

1,2

1,1

1,3

0,7

0,6

0,7

18 Scheepvaart en havens

Uitgaven

30,5

24,3

13

10

3,6

3,6

Ontvangsten

0,7

         

19 Klimaat

Uitgaven

69,6

62,9

60,6

53,9

53,3

53,1

Ontvangsten

224

224

224

224

224

224

20 Lucht en geluid

Uitgaven

18

34,7

27,9

28,1

28,9

29

21 Duurzaamheid

Uitgaven

23,3

19,7

17,7

18,2

18,3

18,1

22 Omgevingsveiligheid en milieurisico's

Uitgaven

48,2

34,9

49,1

57,8

56,8

63,3

Ontvangsten

2,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

23 Meteorologie, seismologie en aardobser-

           

vatie

           

Uitgaven

41,7

49,6

48,5

37,9

32,9

37,9

24 Handhaving en toezicht

   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

 

Uitgaven

106,8

103,3

103,4

103,4

103,4

103,4

25

Bijdrage BDU

           
 

Uitgaven

930,3

881,6

881,5

880,1

869,3

869,3

26

Bijdrage investeringsfondsen

           
 

Uitgaven

5.337,3

6.595,3

6.958,6

7.015,4

7.132

7.178,6

97

Algemeen departement

           
 

Uitgaven

150,9

57,8

57,2

56,9

56,8

56,8

 

Ontvangsten

1,3

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

98

Apparaatsuitgaven Kerndepartement

           
 

Uitgaven

349,9

311,4

301,1

294,7

292,4

292,4

 

Ontvangsten

18,1

5,4

5,4

5,4

5,4

5,4

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

27,7

0,1

0

5,6

6,8

0,5

Artikel 11 Integraal waterbeleid

De hogere uitgaven in 2017 hangen samen met het project versterking icoonwaarde Afsluitdijk, die in dit jaar wordt uitgevoerd. Er zijn ontvangsten vanuit de begroting van OCW en de regionale partners die een financiële bijdragen leveren aan het project.

Artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

De terugloop aan middelen in de jaren tot en met 2020 wordt grotendeels veroorzaakt door meerjarige budgetoverboekingen naar het Gemeentefonds en Provinciefonds in het kader van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020. Vanaf 2021 is er geen sprake van budgetoverboekingen en is het budget waardoor het budget vanaf hoger is.

Artikel 14 Wegen verkeersveiligheid

De daling van budget na 2017 is het gevolg van het aflopen van projecten binnen het programma Beter Benutten.

Artikel 16 Openbaar vervoer en spoor

Vanaf 2018 daalt de omvang van dit artikel hoofdzakelijk omdat de subsidieregeling Beheersing GSM-R interferentie stopt. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. De subsidieregeling is een tegemoetkoming in de kosten die spoorvervoerders moeten maken voor de aanpassing of vervanging van aanwezige GSM-R treinradio's. In 2017 zijn er ontvangsten van de Nederlandse Spoorwegen vanwege de eindafrekening voor de ERTMS pilot Amsterdam-Utrecht.

Artikel 17 Luchtvaart

Het dalend verloop van de uitgaven op dit artikel hangt samen met de dalende uitgaven aan het project Geluidsisolatie Schiphol (GIS). Het GIS programma loopt de komende jaren af. De hieraan gekoppelde GIS-heffing voor luchtvaartmaatschappijen loopt daarmee ook af, hetgeen de daling in ontvangen op dit artikel verklaart.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

De hogere budgetten in 2017 en 2018 hangen samen met de extra middelen die in deze jaren beschikbaar zijn gemaakt voor activiteiten en subsidies in het kader van het meerjarenprogramma van de Topsector Logistiek. Dit meerjarenprogramma loopt af in 2020. Dit verklaart de daling van de budgetten in 2021.

Artikel 19 Klimaat

In de jaren 2017-2019 zijn de budgetten op dit artikel hoger vanwege een herschikking binnen de begroting voor het bereiken van de doelstelling uit het Energieakkoord en het uitvoeren van extra maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan. Daarnaast nemen de budgetten voor onderzoeksopdrachten vanaf 2020 af.

Artikel 20 Lucht en geluid

Voor de uitvoering van de brandstoffenvisie, onderdeel van het Energieakkoord, zijn middelen vanaf 2017 overgeheveld naar artikel 19 Klimaat.

Deze bijdrage is hoger in 2017, wat de lagere stand op artikel 20 Lucht en geluid in dit jaar verklaart. De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt doordat de financiële afwikkeling en nabetaling in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit in dat jaar is voorzien.

Artikel 21 Duurzaamheid

De daling na 2018 is het gevolg van een beperkte afname van het opdrachten- en subsidiebudget voor duurzame productketens.

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico's De lagere stand op dit artikel in het jaar 2018 wordt verklaard door een overboeking naar het Provinciefonds ten behoeve van het Programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Na 2018 kent het budget een stijgend verloop. Dit hangt samen met de oploop in het beschikbare budget voor het Programma IOV.

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie De lagere stand op dit artikel vanaf 2020 is het gevolg van de lagere contributie van het KNMI aan EUMETSAT, het Europese programma voor aardobservatie. De hogere uitgaven in 2018 en lagere uitgaven in 2021 zijn het gevolg van een kasschuif voor het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) waarmee de budgettaire reeks in overeenstemming wordt gebracht met de actuele raming van de contributiebetaling aan EUMETSAT.

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Op dit artikel wordt de financiële bijdrage van IenM aan de Inspectie Leefomgeving en transport (ILT) geraamd.

Artikel 25 Bijdrage BDU

Het budget van de Brede Doeluitkering ligt in 2017 hoger vanwege overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor onder andere het project Beter Benutten, het maatregelenpakket Regionet en de realisatie van een fietsenstalling bij het station Amsterdam Centraal.

Artikel 26 Bijdragen Investeringsfondsen

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord. De ontwikkeling van dit artikel wordt toegelicht in de horizontale toelichting van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Artikel 97 Algemeen departement

De hogere uitgaven op dit artikel in 2017 worden verklaard door de vervanging van het regeringsvliegtuig. Hiervoor is op de IenM begroting een reservering van in totaal 90 mln. getroffen.

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

De uitgaven aan apparaat nemen af als gevolg van taakstellingen van de kabinetten Rutte I en Rutte II.

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

In 2017 reserveert het Rijk 27,7 miljoen euro voor de complexe sanering van het Zeeuwse industrieterrein Thermphos in Zeeland, naar aanleiding van het advies van de Commissie onderzoek sanering Thermphos (TK 29 826 nr. 90). Een bijdrage is voorwaardelijk aan het bereiken van een totaalakkoord met de provincie Zeeland en het havenbedrijf, waarbij zij eenzelfde financiële bijdrage leveren. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu treedt op als beleidsverantwoordelijk departement namens het Rijk, waarbij de onafhankelijkheid van de toezichthouder wordt geborgd. In de jaren 2020 en 2021 is op dit artikel reserveringen getroffen voor de eindafrekening GSM-R aan het Ministerie van Economische Zaken. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. IenM en EZ hebben maatregelen getroffen voor het oplossen van het storingsprobleem met de GSM-R. De kosten hiervoor zijn gedeeld tussen IenM en EZ.

Economische Zaken

 

XIII ECONOMISCHE ZAKEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

5.178

5.202,2

5.703,2

6.340,9

6.244,1

6.358,9

totaal niet-belastingontvangsten

3.393

3.540

4.083,4

4.651,5

4.555

4.658

1    Goed functionerende economie en

markten

Uitgaven

189,8

183,7

182,3

179,5

179,3

179,3

Ontvangsten

39,4

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

2    Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam

ondernemen

Uitgaven

857

836,2

797,3

794

788,3

792,7

Ontvangsten

128,3

109,5

108,9

106,8

107,6

104,4

3 Toekomstfonds

Uitgaven

223,4

189,6

182,8

178,7

177,1

158

Ontvangsten

48,4

40,6

42,7

48

58,3

49,3

4    Een doelmatige en duurzame energievoor

ziening

Uitgaven

1.941,7

2.185,9

2.790,7

3.459

3.378,1

3.504,7

Ontvangsten

2.983,2

3.221,2

3.782,2

4.355,2

4.249,5

4.371,5

5    Meerjarenprogramma Nationaal Coördi

nator Groningen

Uitgaven

84,5

38,8

33,1

33

27,9

19,4

6    Een concurr., duurz.en veilige agro-, viss.-

en voedeselket.

Uitgaven

565,4

514,3

490,7

483

484,7

486,2

Ontvangsten

85,7

41

38,8

37,4

37,4

37,4

7    Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Uitgaven

825

808,1

789,0

778,4

773,4

773,4

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

8    Natuur en biodiversiteit

Uitgaven

110,1

104,1

111,2

111,4

112

112,7

Ontvangsten

70,9

57,2

39,9

33,5

31,6

25,1

40 Apparaat

Uitgaven

369,1

339

323,6

321,4

320,8

330

Ontvangsten

37,1

39,4

39,8

39,4

39,5

39,1

41 Nominaal en onvoorzien

Uitgaven

12

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten De uitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de financiering van het CBS, Agentschap Telecom en bijdragen in het kader van de Metrologiewet. Het licht dalende verloop van de uitgaven wordt veroorzaakt door invulling van de taakstelling op de Rijksoverheid (inclusief ZBO's) op voornoemde organisaties. De ontvangsten op artikel 1 vloeien voornamelijk voort uit boetes die door de Autoriteit Consument en Markt en Agentschap Telecom worden geïnd en ontvangsten uit hoofde van uitgifte van radio- en mobiele communicatiefrequenties.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen De uitgaven op dit artikel zijn met name bedoeld voor bijdragen aan (inter)nationale organisaties, bijdragen aan TNO en de Kamer van Koophandel en subsidies voor innovatie en regionale ontwikkeling. De dalende uitgavenreeks wordt met name verklaard door de aflopende financiering van beëindigde subsidies/regelingen. Voor 2017, 2018 en 2019 zijn incidenteel middelen geraamd voor Invest-NL. De ontvangsten zijn met name afkomstig vanuit de garantie BMKB en Garantie Onderne-mersfinanciering, de Rijksoctrooiwet en de luchtvaartkredietregeling. De hogere ontvangsten in 2017 worden met name veroorzaakt door de onttrekking uit de Garantie Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) è 10 mln. in verband met de beëindiging van de regeling per 1 juli 2017.

Artikel 3 Toekomstfonds

De uitgaven van het Toekomstfonds zijn in 2017 hoger dan in de daaropvolgende jaren doordat ondermeer het geld dat niet in 2016 is uitgegeven aan fundamenteel en toegepast onderzoek, Fund of funds en Innovatie-krediet is doorgeschoven naar 2017 (i.v.m. 100% eindejaarsmarge op het Toekomstfonds blijven in enig jaar niet bestede middelen ook in een volgend jaar beschikbaar). De daling in 2022 is het gevolg van de dalende uitgaven aan Innovatiekrediet en Risicokapitaal (seed capital). De ontvangsten komen met name voort uit Fund of funds, Innovatiekrediet en Seed.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening De uitgaven op dit artikel stijgen door de oplopende uitgaven aan de SDE+-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie+). Deze uitgaven stijgen doordat in het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft (en in 2023 16%). De totale ontvangsten op artikel 4 worden voornamelijk bepaald door de aardgasbaten en de ODE (Opslag Duurzame Energie). De aardgasbaten zijn gemiddeld 1,9 mld. De ODE-ontvangsten - waarmee de uitgaven aan de SDE+ worden gefinancierd - stijgen van 0,7 mld. in 2017 naar 2,4 mld. in 2022 om de toenemende uitgaven aan de SDE+ zoals vastgelegd in het Energieakkoord te financieren.

Artikel 5 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen Voor de aanpak van de aardbevingsproblematiek als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen is een meerjarenprogramma opgezet dat tot doel heeft te voorzien in een duurzame versterking van de leefbaarheid en het economisch perspectief in de provincie Groningen. Voor dit doel is in 2016 in totaal 244,2 mln. uit de gasbaten beschikbaar gesteld voor uitvoering van het meerjarenprogramma in de jaren 2016 tot en met 2024. Het hogere bedrag in 2017 in vergelijking met de daaropvolgende jaren hangt met name samen met de uitgaven voor de verduurza-mingopgave bij versterking en herstel van schade. Het begrotingsartikel voor het meerjarenprogramma NCG kent een 100% eindejaarsmarge voor de uitgaven die vanuit de aardgasbaten worden gefinancierd. De niet benutte middelen uit 2016 zijn in het juiste kasritme gezet voor de komende jaren.

Artikel 6 Een concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij en voedselketen

De uitgaven op dit artikel zijn in 2017 hoger dan in latere jaren onder andere door de eerste bijdrage van de sector aan de stoppersregeling melkveehouderij (17 mln.) en de bijdrage van ZuivelNL aan RVO.nl in verband met de uitvoeringskosten voor deze regeling (10,6 mln.). Tevens is 2017 het laatste jaar voor de investeringsregeling duurzame stallen en de regeling fijnstofmaatregelen. De ontvangsten dalen ondermeer doordat de opbrengsten van de suikerheffingen vervallen (10 mln.). De suikerheffing wordt afgeschaft per 1 oktober 2017. Met ingang van deze datum vervallen de opbrengsten voor Nederland en daarmee ook de afdrachten aan de EU. Tevens nemen de onttrekkingen uit de begrotingsreserves af (er wordt minder geld uit de reserve gehaald en toegevoegd aan de begroting van artikel 6).

Artikel 7 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Het budget van dit artikel is bestemd voor onderwijs en de toepassing van kennis in het groene domein. De oorzaken van de daling in de uitgaven zijn het gevolg van dalende subsidies en wijzigingen in het aantal leerlingen in eerdere ramingen.

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Op dit artikel staan de uitgaven voor natuur en beleid op het gebied van biodiversiteit. De uitgaven gaan met name naar Staatsbosbeheer, RVO.nl en rente en aflossingen voor bestaande leningen. De ontvangsten zijn voor een groot deel afkomstig van de landinrichtingsrente. Door de afnemende verkoop van gronden (2017: 25 mln.; 2018: 15 mln.; 2019 e.v.:

0 mln.) dalen de totale ontvangsten.

Artikel 40 Apparaat

De daling van de uitgaven op dit artikel zijn met name het gevolg van de taakstellingen op personeel en materieel.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

32.235,7

32.089,9

32.576,7

32.602,8

32.759,1

32.950,8

totaal niet-belastingontvangsten

1.903,4

1.885,5

1.918,6

1.956,9

1.949,2

1.952

1 Arbeidsmarkt

Uitgaven

16,6

509,9

950,1

905,5

905,5

905,5

Ontvangsten

27

24

24

24

24

24

2    Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Uitgaven

6.951,5

6.810,9

6.977,9

7.229,7

7.420,6

7.554,7

Ontvangsten

44,6

2,6

2,6

     

3 Arbeidsongeschiktheid

Uitgaven

0,8

0,8

0,8

0,9

0,9

1

4 Jonggehandicapten

Uitgaven

3.239,4

3.298,3

3.346,6

3.393,9

3.430,6

3.409,5

Ontvangsten

18,2

         

5 Werkloosheid

Uitgaven

168,7

156,5

103,1

114,3

143,2

137,6

Ontvangsten

1,2

         

6    Ziekte en zwangerschap

Uitgaven

8,2

8,1

8,2

8,4

8,5

8,7

7 Kinderopvang

Uitgaven

2.658,5

2.831,2

2.842,6

2.856,4

2.868,1

2.881,3

Ontvangsten

1.486,1

1.548,2

1.542,9

1.571,6

1.590,4

1.595,9

8 Oudedagsvoorziening

Uitgaven

25,1

24,4

25,3

25,3

26,3

27,1

9 Nabestaanden

Uitgaven

1,3

1,3

1,4

1,4

1,5

1,5

10 Tegemoetkoming ouders

Uitgaven

5.600,6

5.599,2

5.547,7

5.500,7

5.458,8

5.429,1

Ontvangsten

284,3

272,5

287,5

299,4

272,8

270,1

11 Uitvoeringskosten

Uitgaven

486,6

468,6

388,5

371,3

373,2

371,5

Ontvangsten

15,6

         

12 Rijksbijdragen

Uitgaven

12.420,2

11.668,3

11.704,2

11.562,1

11.509,4

11.612,3

Ontvangsten

0,4

         
   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

           
 

Uitgaven

334,4

317,1

269,6

232,3

208,7

192,1

 

Ontvangsten

3,4

1,2

1

1

1

1

96

Apparaat

           
 

Uitgaven

272,6

295,4

313,4

311,9

310,9

309,1

 

Ontvangsten

22,5

36,7

60,2

61

61

61

98

Algemeen

           
 

Uitgaven

41,7

31,1

31,5

24,7

24,7

24,6

 

Ontvangsten

0,2

0,4

0,4

     

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

9,6

68,7

65,7

64,1

68,3

85,2

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet

De uitgaven op artikel 2 lopen op, met name als gevolg van een oplopend macrobudget Participatiewet. Deze oploop hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen vanaf 2015 zoals de invoering Participatiewet en het extra beroep op de bijstand als gevolg van de verhoogde asielinstroom. Daarnaast nemen ook de uitgaven voor de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) de komende jaren toe. Dit komt vooral door een hogere IOAW-instroom (die met vertraging de conjunctuur volgt) en vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd waardoor mensen langer in de IOAW zitten. De Toeslagenwet-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten. De TW-uitgaven nemen de komende jaren af, omdat alle moederwetten behalve de WIA naar verwachting meerjarig een dalend verloop vertonen.

Artikel 4 Jonggehandicapten

De verwachte uitgaven stijgen vooral doordat de gemiddelde uitkering stijgt. De nieuwe instroom heeft duurzaam geen arbeidsmogelijkheden en zal daarom een volledige uitkering ontvangen, terwijl van de personen die uitstromen een deel slechts een gedeeltelijke uitkering heeft, omdat zij wel werken. De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, waardoor het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt gebaseerd op het minimumjeugdloon afneemt.

Artikel 7 Kinderopvang

De grootste post op dit artikel is de uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Deze uitgaven stijgen per 2018 doordat er nog een klein gedragseffect (extra gebruik) is geraamd als gevolg van de doorwerking van de intensiveringen kinderopvangtoeslag in 2016 en 2017 vanaf 2018. Daarnaast leidt de wet harmonisatie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang per 2018 tot extra uitgaven. Door deze wet zijn gemeenten niet meer verantwoordelijk voor de financiering van het huidige peuterspeelzaalwerk voor kinderen met recht op kinderopvangtoeslag. De ouders van deze kinderen kunnen vanaf 2018 kinderopvangtoeslag aanvragen.

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

De veruit grootste posten van artikel 10 zijn de Algemene Kinderbijslag Wet (AKW) en de Wet Kindgebonden budget (WKB). Het budgettaire beslag van beide regelingen kent een licht dalend verloop vanaf 2018 door afname van het aantal kinderen onder de 18 jaar. Daarnaast zorgen stijgende inkomens van huishoudens voor afnemende lasten in het inkomensafhankelijke kindgebonden budget.

Artikel 12 Rijksbijdragen

De grootste post Rijksbijdragen betreft de rijksbijdrage aan het Ouder-domsfonds. Deze stijgt licht, voornamelijk door een stijging van de uitkeringslasten AOW. Daarnaast stijgen de rijksbijdragen ook, doordat er vanaf 2019 ook een rijksbijdrage voor kraamverlof en transitievergoeding

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang De grootste posten zijn de Remigratieregeling, de bijdragen voorinbur-gering en maatschappelijke begeleiding aan Centraal Opvang Asielzoekers (COA) en Leningen. De uitgaven Remigratieregeling laten een daling zien doordat de aanscherping van de Remigratiewet in 2013 nu zichtbaar begint te worden. Deze ontwikkeling werd aanvankelijk vertraagd door de verhoging van de AOW leeftijd en doordat in aanloop naar de inwerkingtreding van de wetswijziging nog veel aanvragen werden gedaan voor een Remigratie-uitkering. Door de lagere verwachte asielinstroom in de komende jaren neemt vooral de bijdrage aan COA af. De lagere asielinstroom zorgt nog niet gelijk voor een lager bedrag aan leningen omdat inburgeringsplichtigen drie jaar de tijd krijgen voor het behalen van het diploma en het een aantal jaren duurt voordat inburge-raars hun leningbedrag hebben opgenomen.

Artikel 96 Apparaat

De uitgaven en ontvangsten nemen in de beginjaren jaarlijks toe doordat steeds meer departementen aansluiten op de Rijksschoonmaakorganisatie RSO. De forse stijging in uitgaven en ontvangsten tussen 2017 en 2019 hangen dus met elkaar samen.

Premiegefinancierde Sociale Zekerheid

 

SOCIALE VERZEKERINGEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

56.713,2

57.286,8

59.040,2

60.614,3

61.741,2

63.678,6

totaal niet-belastingontvangsten

375

369,9

381,7

393,8

406,4

419,4

3 Arbeidsongeschiktheid

Uitgaven

9.503,2

9.843,4

10.209,1

10.625,0

11.041,5

11.478,3

5 Werkloosheid

Uitgaven

5.083,6

4.525,4

4.259,2

4.197,3

4.290,9

4.484,6

Ontvangsten

375

369,9

381,7

393,8

406,4

419,4

6    Ziekte en zwangerschap

Uitgaven

2.689,1

2.806,4

3.537,2

3.748,8

3.388

3.500,3

8 Oudedagsvoorziening

Uitgaven

37.505,4

38.265,4

39.124,8

40.093,2

41.037,1

42.181,7

9 Nabestaanden

Uitgaven

388,4

369,5

356,5

348,2

345

343,1

11 Uitvoeringskosten

Uitgaven

1.543,5

1.476,7

1.553,6

1.601,8

1.638,8

1.690,6

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

Er zijn twee regelingen voor arbeidsongeschikte werknemers: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De WIA vervangt sinds 2006 de WAO. De komende jaren stijgen de uitkeringslasten WIA. De WIA is namelijk een relatief nieuwe regeling die het structurele niveau nog niet heeft bereikt.

In de WAO is er alleen nog instroom door de herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Hierdoor dalen de uitkeringslasten WAO. De totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA/WAZ) laten in de periode 2017-2022 een stijging zien. Deze wordt, naast de geraamde loon- en prijsbijstelling (nominaal), voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen.

Artikel 5 Werkloosheid

Het CPB verwacht dat de werkloosheid de komende jaren zal dalen, maar vanaf 2020 stabiliseert. Als gevolg van deze werkloosheidsontwikkeling vertoont het WW-volume een dalend verloop, waarbij de daling in latere jaren afvlakt. In lijn met deze volumedaling, dalen de WW-uitkeringslasten de komende jaren. In de latere jaren blijven de WW-lasten redelijk stabiel, omdat de afvlakkende daling in het volume en de geraamde loon- en prijsbijstelling (nominaal) tegen elkaar opwegen.

Artikel 6 Ziekte en Zwangerschap

De uitbreiding van het kraamverlof voor partners en de compensatieregeling transitievergoeding kennen vanaf 2019 voor het eerst een budgettair beslag. In de transitievergoeding compenseert de overheid werkgevers voor de kosten van de transitievergoeding van langdurig arbeidsongeschikten. Omdat er sprake is van terugwerkende kracht is het bedrag voor de transitievergoeding in 2019 en 2020 aanzienlijk hoger dan in latere jaren.

De uitkeringslasten voor de Wet arbeid & zorg (WAZO) laten een lichte stijging zien. De stijging hangt samen met de CBS-prognose dat het aantal geboorten de komende jaren enigszins toeneemt.

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

Het budget voor de oudedagsvoorziening (AOW en inkomensondersteuning AOW (IOAOW)) stijgt de komende jaren onder andere door een toename van het volume. Als gevolg van de vergrijzing neemt het AOW-volume de komende jaren toe. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 - en de versnelling van deze verhoging vanaf 2016 - wordt de toename echter wel afgevlakt. Ook het afschaffen van de AOW-partnertoeslag voor nieuwe instroom sinds 2015 zorgt ervoor dat de AOW-lasten de komende jaren afvlakken.

Artikel 9 Nabestaanden

De uitkeringslasten dalen voornamelijk omdat de groep nabestaanden die bij inwerkingtreding van de huidige Anw al recht hadden op diens voorganger, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de komende jaren voor een groot deel uitstroomt vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd.

Artikel 11 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten.

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

14.711,5

15.221,9

15.374,7

15.728,7

16.323,9

16.762,4

totaal niet-belastingontvangsten

159,1

99,6

93,9

93,8

93,8

93,8

1 Volksgezondheid

Uitgaven

637,9

666,6

683,3

652,7

647,8

667,1

Ontvangsten

16,7

8,4

11,9

11,9

11,9

11,9

2    Curatieve zorg

Uitgaven

3.766,8

3.517,7

3.199,8

3.252,9

3.372,8

3.477,6

Ontvangsten

2,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

3    Langdurige zorg en ondersteuning

Uitgaven

3.845,9

3.905,4

3.929,6

4.000,6

4.068,8

4.138,8

Ontvangsten

10,2

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

4    Zorgbreed beleid

Uitgaven

1.007,4

1.083,2

1.070,7

1.052,8

1.036,4

965,6

Ontvangsten

86,9

68,9

64,8

64,8

64,8

64,8

5    Jeugd

Uitgaven

109,3

90,1

83,2

85,5

67,6

67,5

Ontvangsten

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

6    Sport en bewegen

Uitgaven

82,3

136,1

142,1

140,3

141,1

142,9

Ontvangsten

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

7    Oorlogsgetroffenen en Herinneringen

Tweede Wereldoorlog

Uitgaven

286,5

272,8

255,3

240,2

225,7

211,4

Ontvangsten

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

8    Tegemoetkoming specifieke kosten

Uitgaven

4.663,9

5.265,8

5.736,1

6.028,4

6.484,2

6.817,5

9    Algemeen

Uitgaven

16,6

29,3

31,4

36,4

41,6

36,4

Ontvangsten

3,4

         

10 Apparaatsuitgaven

Uitgaven

321,4

271,1

262,3

258,1

257,1

256,7

Ontvangsten

33,7

11,7

6,6

6,5

6,5

6,5

11 Nominaal en Onvoorzien

Uitgaven

  • 26,6
  • 16,2
  • 19
  • 19,1
  • 19,2
  • 19,2

Artikel 1 Volksgezondheid

De toename in uitgaven van Artikel 1 Volksgezondheid wordt veroorzaakt door een stijging van de uitgaven aan ziektepreventie. In 2017 is 20,7 mln. begroot voor de bekostiging van de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT), in 2018 en 2019 is dit 26 mln. Daarnaast groeit de bijdrage aan het RIVM structureel met enkele miljoenen per jaar.

Artikel 2 Curatieve zorg

De afloop van de uitgaven op dit artikel in de jaren 2017 en 2018 wordt grotendeels verklaard door de afloop in de rijksbijdrage aan het zorgverze-keringsfonds die voor 4 jaar is afgesproken om het effect van de overhevelingen naar de Zvw in het kader van de hervorming langdurige zorg op de premie te dempen. Daarnaast zijn de (resterende) schadevergoeding aan het Erasmus MC (81 mln. in 2017) en het programma ICT in ziekenhuizen (35 mln. per jaar van 2017 t/m 2019) verwerkt in de standen. Deze worden bekostigd vanuit het begrotingsgefinancierd BKZ.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning Dit artikel neemt aan de uitgavenkant toe door een stijging van de Bijdrage In Kosten van Kortingen (BIKK) in de Wlz. De hoogte van deze rijksbijdrage hangt o.a. samen met de ontwikkeling van verschillende tarieven in de inkomstenbelasting die leiden tot wijzigingen in de ontvangsten in het Wlz-fonds, waar deze rijksbijdrage voor compenseert. Daarnaast zijn sinds 2017 de uitvoeringskosten van de SVB voor pgb's binnen de Wlz overgeheveld van begrotingsartikel 3 naar het budget beheerskosten in het Budgettair Kader Zorg. Hiervoor wordt in 2017 41,2 mln. begroot, in 2018 1,2 mln. en daarna nul.

Artikel 4 Zorgbreed Beleid

De uitgaven stijgen op Artikel 4 komend jaar en nemen daarna geleidelijk af. De stijging in de jaren 2018-2021 wordt veroorzaakt doordat een deel van de transitiekosten van het kwaliteitskader verpleeghuissector (67,5 mln. in 2018-2021) ingezet wordt voor arbeidsmarktbeleid. Verder dalen de uitgaven aan de onderzoeksprogramma's van ZonMw geleidelijk van

147.8    mln. in 2018 naar 109,3 mln. in 2022.

Artikel 5 Jeugd

Het artikel Jeugd laat een afname zien van de uitgaven. In de jaren 2017 en 2018 is het budget hoger dan in latere jaren doordat er tijdelijk extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor transitiekosten van de decentralisatie van het jeugdbeleid. Daarnaast daalt de subsidie voor jeugdhulp van

33.8    mln. in 2020 structureel naar 15,9 mln. in 2021 omdat de subsidieregeling overgang bekostiging huisvesting gesloten jeugdzorg afloopt in 2020.

Artikel 6 Sport en Bewegen

Het verschil tussen 2017 en latere jaren op dit artikel is grotendeels te verklaren door de jaarlijkse storting in het Gemeentefonds voor buurt-sportcoaches van 48,6 mln. die in 2017 al heeft plaatsgevonden maar in de latere jaren nog niet. Daarnaast wordt vanaf 2018 circa 7 mln. structureel bijgedragen aan de subsidieregeling energiebesparing en duurzame energie van het Ministerie van Economische Zaken om energiebesparende maatregelen en duurzame energie te stimuleren bij sportaccommodaties.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog Door afname van het aantal verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII dalen de uitgaven aan pensioenen en uitkeringen op dit artikel

Artikel 8 Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten

De toename van de uitgaven op dit artikel geeft met name de ontwikkeling van de zorgtoeslag weer. De stijging van de zorgtoeslag is grotendeels het gevolg van de ontwikkeling van de zorgpremie.

Artikel 9 Algemeen

Op artikel 9 vinden geen bijzonderheden plaats.

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

De uitgaven op dit artikel dalen na 2017 en hebben vanaf 2018 een stabiel verloop. Een deel van de piek in de uitgaven en ontvangsten in 2017 wordt veroorzaakt door overhevelingen en desalderingen ten behoeve van de projectdirectie Anthonie van Leeuwenhoekterrein.

Artikel 11 Nominaal en Onvoorzien

Het verloop op dit artikel wordt grotendeels verklaard door nog niet uitgekeerde prijsbijstelling (10 mln.) en de taakstellende onderuitputting op de VWS-begroting (- 33 mln.). De taakstellende onderuitputting wordt in de loop van het jaar concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt.

Premiegefinancierd Budgettair Kader Zorg

PREMIEGEFINANCIERD BUDGETTAIR KADER ZORG

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

66.587,1

70.307,2

74.887

79.846,8

84.984,1

90.336,8

totaal niet-belastingontvangsten

5.045,1

5.187,5

5.430,5

5.689,1

5.957,2

6.232,4

11 Zorgverzekeringswet

Uitgaven

46.141,5

48.495,3

51.168,7

53.966,1

56.819

60.006,2

Ontvangsten

3.187,1

3.308,4

3.492,5

3.676,8

3.863,3

4.053,4

12 Wet langdurige zorg

Uitgaven

20.445,6

21.811,9

23.718,3

25.880,7

28.165,1

30.330,6

Ontvangsten

1.858

1.879,1

1.938

2.012,3

2.093,9

2.179

Zorgverzekeringswet

De raming van de groei van de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijn-raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling in combinatie met open pakketinstroom en epidemiologie. Vanaf 2018 valt de groei 280 mln. lager uit als gevolg van de hoofdlijnenakkoorden die het kabinet voor 2018 heeft gesloten met verschillende Zvw-sectoren.

Wet langdurige zorg

De raming van de groei van de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijn-raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling en epidemiologie. Vanaf 2017 zijn de kosten voor de volledige implementatie van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg in de Wlz-standen verwerkt. Hierbij is sprake van een ingroeipad om aan de personeelsnorm van het kwaliteitskader te kunnen voldoen. Dit ingroeipad is in hoofdzaak afhankelijk van de restricties op de arbeidsmarkt en de absorptiecapaciteit van de verpleeghuizen. De structurele meerkosten van het kwaliteitskader komen uit op ruim 2 mld.

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

XVII BUITENLANDSE HANDEL & ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

totaal niet-belastingontvangsten

18,1

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

45 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Ontvangsten

18,1

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

Relatie begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bestaat uit HGIS-uitgaven, HGIS-ontvangsten en niet-HGIS-ontvangsten. De HGIS-uitgaven en -ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS-ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

De fluctuaties in de ontvangsten betreffen rente-inkomsten en restituties uit leningen van de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO). Deze NIO-leningen zijn in het verleden aangegaan en lopen tot uiterlijk 2038. Tot die tijd worden de ontvangsten uit rente en restituties verantwoord op de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Wonen & Rijksdienst

 

XVIII WONEN & RIJKSDIENST

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

4.470,3

4.525,7

4.640,7

4.583,4

4.727,0

4.908,4

totaal niet-belastingontvangsten

723,9

609

646,9

637,4

586,4

573,4

1 Woningmarkt

Uitgaven

4.137,7

4.147,1

4.285,9

4.430,8

4.574,4

4.753,8

Ontvangsten

509,6

487

525

516

466

453

2 Woonomgeving en bouw

Uitgaven

176,1

247,5

222,9

19,8

20,5

20

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3    Kwaliteit Rijksdienst

Uitgaven

47,7

19,5

18,4

15

13,7

13,7

Ontvangsten

89,5

         

6    Uitvoering rijksvastgoedbeleid

Uitgaven

108,9

111,6

113,5

117,8

118,4

120,8

Ontvangsten

124,8

121,9

121,8

121,3

120,3

120,3

Artikel 1 Woningmarkt

Het budget voor de huurtoeslag neemt toe. Dit komt met name doordat boveninflatoire huurverhogingen tot hogere huurtoeslaguitgaven leiden, ondanks dat deze beperkt worden door de huursom. Daarnaast komt dit doordat de huurtoeslag in nominale prijzen wordt gepresenteerd.

In 2017 is de jaarlijkse afdracht van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) ontvangen (30 mln.), die wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoorziening NHG. Dit verklaart de hogere ontvangsten in 2017. Daarnaast worden de schommelingen in de latere jaren worden veroorzaakt door de verschillende effecten in de huurtoeslag van de wet beslagvrije voet, de wet stroomlijnen invordering en meer terugvorderingen vanwege een dalende werkloosheid.

Artikel 2 Woonomgeving en bouw

Dit artikel toont incidenteel hogere uitgaven in 2017, 2018 en 2019. In het Woonakkoord is overeengekomen om het Fonds Energiebesparing Huursector te vormen. De niet bestede middelen van dit fonds uit 2016 zijn meegenomen naar 2017. Conform afspraken binnen het Energieak-koord voor duurzame groei is in de jaren 2018 en 2019 totaal 400 mln. beschikbaar voor de stimulering van energiebesparende projecten binnen de huursector.

Artikel 3 Kwaliteit Rijksdienst

De middelen voor het verbeteren van de kwaliteit van de Rijksdienst worden besteed aan arbeidsmarktprojecten via het A&O-fonds, het realiseren van in-, door- en uitstroom van rijksambtenaren, en projecten om samenwerking op het gebied van ICT, professioneel en verantwoord inkopen en rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie te stimuleren. De hogere uitgaven en ontvangsten in 2017 zijn een gevolg van het afromen van het surplus eigen vermogen van de SSO's.

Artikel 6 Uitvoering rijksvastgoedbeleid

De middelen voor het uitvoering geven aan rijksvastgoedbeleid worden besteed aan het verzorgen van huisvesting voor de Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken en het Koninklijk Huis. Ook het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting vallen hieronder. Daarnaast worden uitgaven voor zakelijke lasten en onderhoud- en beheerkosten, alsook een apparaatsbij-drage aan het RVB voor de uitvoering van de wettelijke taak van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken (niet-rijkshuisvesting) hieruit bekostigd. De oploop in de uitgaven is het gevolg van het toenemende investeringsniveau in de huisvesting de komende jaren dat leidt tot hogere kapitaaluitgaven en hiermee hogere gebruikersvergoe-dingen.

De ontvangsten bestaan uit verpachting, verhuur en vervreemding van onroerende zaken van de Staat, de verkoop van bodemmaterialen en de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen. In 2017 zijn de ontvangsten hoger door een voorschotafrekening met het Rijksvastgoedbedrijf.

Gemeentefonds

 

B GEMEENTEFONDS

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

27.821,9

28.281,9

28.164,6

28.015,4

27.901,7

27.724,4

totaal niet-belastingontvangsten

2    Onderzoek en bijdragen

Uitgaven

93,9

4,2

1,7

1,7

2

2

3    Programma

Uitgaven

17.897

18.487,4

18.450,9

18.396,9

18.299,3

18.170,1

4    Integratie-uitkering sociaal Domein

Uitgaven

9.830,9

9.790,4

9.712

9.616,8

9.600,5

9.552,4

Artikel 2 Onderzoek en bijdragen

Vanaf 2018 eindigen de betalingen aan derden via het Gemeentefonds. De financiering van het A&O-fonds, de VNG en het KING (Kwaliteitsinstituut van Nederlandse Gemeenten) zal rechtstreeks vanuit de gemeenten geschieden. Vanaf 2019 geldt dit ook voor de Waarderingskamer.

Artikel 3 Programma

De aflopende reeks wordt grotendeels verklaard door de maatregel «lagere apparaatskosten gemeenten» uit het regeerakkoord Rutte II en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn.

Artikel 4 Integratie-uitkering sociaal domein

De daling in dit budget hangt voornamelijk samen met de aflopende reeks van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Dit komt doordat dit een afgesloten regeling is waarbij geen nieuwe instroom is, maar wel uitstroom.

Provinciefonds

C PROVINCIEFONDS

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

2.410,1

2.187,7

2.166,9

2.148,1

2.074,8

2.064,8

totaal niet-belastingontvangsten

1 Provinciefonds

Uitgaven

2.410,1

2.187,7

2.166,9

2.148,1

2.074,8

2.064,8

Artikel 1 Provinciefonds

De aflopende reeks wordt grotendeels verklaard door de maatregel «minder provincies» uit het regeerakkoord Rutte II en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn. De maatregel «minder provincies» is uiteindelijk niet doorgevoerd. De bijbehorende korting op het Provinciefonds blijft gehandhaafd.

Infrastructuurfonds

 

A INFRASTRUCTUURFONDS

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

5.779,2

6.243,2

6.409,8

6.452,2

6.421,7

6.500,2

totaal niet-belastingontvangsten

5.779,2

6.243,2

6.409,8

6.452,2

6.421,7

6.500,2

12 Hoofdwegennet

Uitgaven

2.291,6

2.576

2.554,6

2.707,4

2.806

2.973,9

Ontvangsten

146,2

90,4

55,3

90,5

148,9

133,5

13 Spoorwegen

Uitgaven

2.146,6

2.190,4

2.054,2

2.095

2.232

2.185,8

Ontvangsten

245,7

314,2

202,2

197,3

202,3

207,1

14 Regionaal, lokale infra

Uitgaven

202

246,6

201,1

170,6

96,6

5,1

15 Hoofdvaarwegennet

Uitgaven

895,8

964,7

1.254,3

1.058,2

804,2

858,4

Ontvangsten

94,7

131,2

133,9

100,2

59,5

37,7

17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

Uitgaven

176,6

262,5

343,5

419,9

482,8

477

Ontvangsten

34,8

30,4

61,5

69

92,6

39,7

18 Overige uitgaven en ontvangsten

Uitgaven

66,5

3

2,2

1

   

Ontvangsten

583,3

         

19 Bijdrage andere begrotingen Rijk

Ontvangsten

4.674,5

5.676,9

5.956,8

5.995,1

5.918,5

6.082,2

Artikel 12 Hoofdwegennet

De uitgaven op dit artikel kennen een stijgend verloop. Dit verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren. Er zijn hogere uitgaven na 2017 omdat in de komende jaren vele middelen zijn voorzien voor een aantal aanlegprojecten waaronder A12/A15 Ressen-Oudbroeken, A27-A12 Ring Utrecht, A16 Rotterdam, A24 Blankenburgtunnel, A28 Knooppunt Hoevelaken en A4/A44 Rijnlandroute.

Artikel 13 Spoorwegen

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor de aanleg en het beheer en de vervanging van spoorwegen. De uitgaven binnen dit artikel kennen een relatief glad verloop. De beperkte fluctuaties zijn het gevolg van de variatie in het kasritme bij projecten en het aanpassen van de budgetten aan de beschikbare capaciteit voor spoorwerkzaamheden.

Artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

De uitgaven op dit artikel hangen samen met grote projecten die regionale overheden aanleggen. De fluctuatie van de budgetten is groot door de planning van deze grote regionale projecten. Zo worden er in de periode 2017-2020 hogere uitgaven verwacht door onder andere de regionale projecten Utrecht Tram naar de Uithof, de Ombouw Amstelveenlijn, de Rotterdamsebaan en HOV-NET Zuid-Holland Noord. Aanvullend worden er in deze periode uitgaven gedaan aan het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn.

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

De toename van de uitgaven en ontvangsten in de jaren 2019 en 2020 wordt enerzijds veroorzaakt door de realisatie van het project Nieuwe Sluis Terneuzen waar ook derden aan bijdragen. Anderzijds wordt de stijging veroorzaakt door de aanleg van het DBFM-projecten Zeetoegang IJmond en Keersluis Limmel in diezelfde periode.

Artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer De uitgaven op dit artikel lopen op doordat de uitgaven voor de megaprojecten ERTMS en ZuidasDok sterk oplopen richting 2022. De geraamde ontvangsten betreffen voornamelijk de bijdragen van medeoverheden aan het project ZuidasDok.

Artikel 18 Overige uitgaven en ontvangsten

De budgetten op dit artikel bestaan voor de periode 2017-2020 hoofdzakelijk uit een reservering voor de implementatie van de Omgevingswet.

De piek in de budgetten voor 2017 wordt enerzijds verklaard door deze reservering en anderzijds verklaard door het surplus aan eigen vermogen bij Rijkswaterstaat dat conform de Regeling agentschappen wordt afgeroomd en wordt toegevoegd aan het Infrastructuurfonds in 2017.

Artikel 19 Bijdragen andere begrotingen Rijk

Dit artikel betreft de voeding van het Infrastructuurfonds vanuit de

begroting van lenM (XII).

Diergezondheidsfonds

F DIERGEZONDHEIDSFONDS

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

totaal niet-belastingontvangsten

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

1    Bewaking en bestrijding van dierziekten

Uitgaven

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

Ontvangsten

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

Op de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF) worden meerjarig de reguliere uitgaven voor bewaking en bestrijding van dierziekten opgenomen. Dekking vindt plaats door bijdragen van de sector via een heffing, de EU en het Rijk. Het eindsaldo 2016 è 12 mln. is in 2017 toegevoegd bij de uitgaven en ontvangsten.

Accres Gemeentefonds

 

ACCRES GEMEENTEFONDS

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

159

276,4

795,5

1.315,7

1.777,2

2.321,7

totaal niet-belastingontvangsten

1    Accres gemeentefonds

Uitgaven

   

445,2

890,3

1.285

1.750,3

2    Reservering BCF

Uitgaven

159

276,4

350,3

425,3

492,2

571,4

Accres gemeentefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2017 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2017 en 2018 zijn overgeboekt naar het Gemeentefonds.

Reservering Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het Gemeentefonds en het Provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

Accres Provinciefonds

 

ACCRES PROVINCIEFONDS

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

21,4

39

107,1

174,8

234,7

303,9

totaal niet-belastingontvangsten

1    Accres provinciefonds

Uitgaven

   

56,8

113,2

163

220,3

2    Reservering BCF

Uitgaven

21,4

39

50,2

61,6

71,7

83,6

Accres provinciefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2016 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2017 en 2018 zijn overgeboekt naar het Provinciefonds.

Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het Gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het Gemeentefonds en het Provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

BES-fonds

H BES-FONDS

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

41,6

41,4

33,1

33,1

32,9

33

totaal niet-belastingontvangsten

1    BES-fonds

Uitgaven

41,6

41,4

33,1

33,1

32,9

33

Artikel 1 BES-fonds

Via het BES-fonds krijgen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) middelen toebedeelt om hun publieke taken naar behoren uit te voeren. In 2017 en 2018 liggen de uitgaven hoger omdat rekening is gehouden met wisselkoersverschillen.

Deltafonds

 

J DELTAFONDS

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

983

1.119,3

1.164,1

1.209,8

1.368,7

1.247,9

totaal niet-belastingontvangsten

983

1.119,3

1.164,1

1.209,8

1.368,7

1.247,9

1    Investeren in waterveiligheid

Uitgaven

436,9

526,7

382,8

424,3

626

657,8

Ontvangsten

193

197,8

162,3

189,6

155,2

151,5

2    Investeren in zoetwatervoorziening

Uitgaven

27,4

21,9

33,9

49,7

41,6

0,5

Ontvangsten

0

3

       

3    Beheer, Onderhoud en vervanging

Uitgaven

189,7

188,8

178,1

111,6

122,8

190,5

4    Experimenteren cf. art.111 Deltawet

Uitgaven

7,9

47,7

217,4

234

216,9

44,7

5    Netwerkgebonden kosten en overige

uitgaven

Uitgaven

298,7

304,6

299,5

296,2

287,8

273

Ontvangsten

127

         

6    Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk

XII

Ontvangsten

662,8

918,4

1.001,8

1.020,3

1.213,6

1.096,4

7    Investeren in Waterkwaliteit

Uitgaven

22,5

29,6

52,4

94,1

73,6

81,3

Ontvangsten

0,2

         

Artikel 11nvesteren in waterveiligheid

De jaarlijkse uitgaven en ontvangsten op het artikel investeren in waterveiligheid variëren. Het verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren. Op dit artikel wordt met name de projecten binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier en Maaswerken gefinancierd. De lagere uitgaven in 2019 en 2020 worden verklaard doordat de middelen voor het project Afsluitdijk worden overgeheveld naar het artikelonderdeel 04.02 op het Deltafonds.

Artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

Op dit artikel worden de producten op het gebied van zoetwatervoorziening verantwoord. De daling van budgetten na 2021 hangt samen de afloop van het Deltaplan Zoetwater waarbij maatregelen worden genomen in de periode 2015-2021. Er zijn hogere uitgaven in 2019 en 2020 omdat voor de realisatie van het project Ecologische Maatregelen Markermeer naar verwachting in deze jaren de grootste betalingen plaatsvinden.

Artikel 3 Beheer, Onderhoud en vervanging

De budgetten voor beheer, onderhoud en vervanging tonen een lagere stand in 2020 en 2021. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het verloop van de uitgaven van de diverse projecten, waaronder het project GVO Stuwen in de Lek.

Artikel 4 Experimenteren cf. artikel111 Deltawet

In 2018 wordt het DBFM-contract voor het project Afsluitdijk ondertekend. Vooruitlopend op deze DBFM-omzetting worden de voor dit project gereserveerde middelen overgeheveld van artikel 1 naar het bij begroting 2018 nieuwe artikelonderdeel 04.02 Geïntegreerde contractvormen/PPS. Hiermee worden de geïntegreerde contractvormen/PPS apart inzichtelijk gemaakt in de begroting. Het verloop op dit nieuwe artikel hangt samen met het huidige kasritme voor het project Afsluitdijk.

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven Op dit artikel worden de apparaatskosten van RWS en de Deltacommisaris geraamd en de investeringsruimte. Ook worden op dit artikel de overige netwerkgebonden uitgaven van RWS en programma-uitgaven van de Deltacommissaris geraamd. Dit zijn uitgaven die niet direct aan de afzonderlijke projecten uit het Deltafonds zijn toe te wijzen, zoals kosten voor de landelijke taken basisinformatie, ICT en kennisontwikkeling & innovatie.

Artikel 6 Bijdragen ten laste van begroting Hoofdstuk XII Dit artikel betreft de voeding van het Deltafonds vanuit de begroting van IenM (XII). De lagere stand in 2017 wordt met name veroorzaakt door een kasschuif van 2017 naar 2019.

Artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

Op dit artikel worden maatregelen op gebied van waterkwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) verantwoord. De oploop van het budget van 2019 tot en met 2023 wordt veroorzaakt door de realisatie van de 2e en 3e tranche KRW. De piek in 2020 wordt vooral verklaard door het budget voor de Verruiming vaargeul Westerschelde, waarbij het zwaartepunt van uitgaven aan onder andere wrakkenberging en vaargeul-wandverdediging in dat jaar zijn voorzien.

Prijsbijstelling

PRIJSBIJSTELLING

2017    2018    2019    2020    2021    2022

totaal uitgaven    580,7    1.188,9    1.826,5    2.548,2    3.314,3

totaal niet-belastingontvangsten

1    Rijksbegroting in enge zin Uitgaven

2    SZA

Uitgaven 3 ZORG

Uitgaven

4 Niet-relevant

Uitgaven

 

11

Rijksbegroting in enge zin

         
 

Uitgaven

521,1

1.068,6

1.634,4

2.277

2.957,1

12

SZA

         
 

Uitgaven

5,1

9,4

14,7

20,5

26,3

13

ZORG

         
 

Uitgaven

1,3

3

4,3

6,2

8,1

14

Niet-relevant

         
 

Uitgaven

53,1

107,9

173

244,5

322,8

Op de aanvullende post Prijsbijstelling worden de middelen gereserveerd die worden gebruikt om de prijsgevoelige uitgaven op de diverse begrotingen te compenseren voor de prijsontwikkeling. Deze compensatie wordt jaarlijks van deze aanvullende post overgeboekt naar de departementale begrotingen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat voor elk jaar een tranche wordt gereserveerd om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

 
 

Arbeidsvoorwaarden

       

ARBEIDSVOORWAARDEN

 

2017    2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

1.275,4

2.663,3

4.177,2

5.574,2

7.112,8

totaal niet-belastingontvangsten

1 arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng

Uitgaven

2 arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ

Uitgaven

3 arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z

Uitgaven

4 indexering rijksbijdragen

Uitgaven

11 arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Programma

 
 

Uitgaven

932,8

1.965

3.106,1

4.133,2

5.301,5

12

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng

Apparaat

         
 

Uitgaven

268,1

552,7

855,1

1.147,5

1.457

21

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ

Programma

         
 

Uitgaven

64

124,8

186,3

253,4

315,2

31

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z

Programma

         
 

Uitgaven

7,8

16,2

23,2

31,4

40,6

42

indexering rijksbijdragen Apparaat

         
 

Uitgaven

2,6

4,6

6,5

8,7

  • 1,4

Op de aanvullende post Arbeidsvoorwaarden worden de middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen teneinde de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen. Sinds dit jaar zijn de loonbijstellingen op programma gescheiden van apparaat.

Hierdoor is inzichtelijk welk deel voor programma-uitgaven en welk dele voor apparaatuitgaven zijn bedoeld. Bij de niet-kaderrelevante uitgaven (nr.4) is de afloop vanaf 2019 te verklaren door de gekozen financieringsconstructie van het vroegpensioen (UKW) voor militairen. De min wordt veroorzaakt door een lening die Defensie vanaf dat jaar gaat terugbetalen. De lening is ingezet om de tijdelijke extra UKW lasten te financieren.

 

Koppeling Uitkeringen

KOPPELING UITKERINGEN

   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

 

275,4

614,9

994,5

1.384,4

1.782,1

totaal niet-belastingontvangsten

 

28

60,8

94,8

130

167,8

2

Bijstand, Prticipatiewet en Toeslagenwet

           
 

Uitgaven

 

87,9

190,2

316,6

443,7

576,3

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

 

0

0

0

0,1

0,1

4

Jonggehandicapten

           
 

Uitgaven

 

56,9

131,7

215,6

302,8

387

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

 

1,2

3,8

7,4

12,9

16

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

 

0,1

0,2

0,3

0,5

0,6

7

Kinderopvang

           
 

Uitgaven

 

77,5

145,9

216

288,2

362,8

 

Ontvangsten

 

26

56

85

116

148

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

 

0,4

0,9

1,3

1,9

2,4

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

 

0

0,1

0,1

0,1

0,1

10

Tegemoetkoming ouders

           
 

Uitgaven

 

51,3

142,2

237,1

334,3

436,7

 

Ontvangsten

 

2

4,8

9,8

14

19,8

Op de aanvullende post Koppeling Uitkeringen worden de uitgaven voor de indexering van de begrotingsgefinancierde sociale-zekerheidsuitgaven geraamd. De mutaties in uitgaven op de artikelen komen met name door aanpassingen van de WKA (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden)-index, door wijzigingen in prijsontwikkeling en door grondslageffecten bij de uitkeringen en programma-uitgaven. Aanpassing van de WKA-index en prijsontwikkeling vinden plaats op basis van CPB-cijfers. De uitgaven betreffen jaarlijkse tranches voor de komende vijf jaar, dit verklaart de oploop op de verschillende artikelen.

Aanvullende Post

 

ALGEMEEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

  • 1.651

264,2

309,3

292,2

251,6

252,1

totaal niet-belastingontvangsten

4 Eindejaarsmarge

Uitgaven

  • 1.776,8
  • 109,6
  • 20,8
     

55 Diversen

Uitgaven

125,8

373,8

330,1

292,2

251,6

252,1

Op de aanvullende post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van reservering de definitieve aanwending nog niet kan worden aangegeven. Daarnaast staat op de aanvullende post de in=uit-taakstelling op artikel 4 eindejaarsmarge.

Artikel 4 Eindejaarsmarge

Departementen kunnen onbestede middelen in 2016 met behulp van de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2017. HGIS-middelen kunnen worden doorgeschoven naar de drie opvolgende jaren. Als tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling op de aanvullende post ingeboekt, onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge. De in=uit-taakstelling zal gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar worden ingevuld met onderuitputting.

Artikel 55 Diversen

De stand op artikel 55 wordt hoofdzakelijk gevormd door reserveringen voor de Investeringsagenda van de Belastingdienst, de Generieke Digitale Infrastructuur van de rijksoverheid en intensiveringen bij VenJ.

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HOMOGENE GROEP INTERNATIONALE SAMENWERKING

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal uitgaven

4.708,8

4.662,1

4.568,7

4.633,9

4.819,7

4.898,5

Totaal niet-belastingontvangsten

160,2

154,8

134,7

134,6

134,5

134,5

  • 5. 
    Buitenlandse Zaken
 

Uitgaven

1.363,2

1.353

1.338,3

1.377,7

1.390,4

1.417,2

Ontvangsten

65

65

65

65

65

65

Artikel 41: Internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten

 

Uitgaven

114,7

109,8

108,9

109

109

109

 

Artikel 42: Veiligheid en stabiliteit

Uitgaven

275,7

249,4

248,8

247,8

247,8

247,8

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

 

Artikel 43: Europese Samenwerking

Uitgaven

207,4

207,8

207,3

206,8

206,8

206,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Artikel 44: Consulaire belangenbehartiging

Uitgaven

51,2

50,1

49,5

49,4

49,5

49,5

Ontvangsten

42,1

42,1

42,1

42,1

42,1

42,1

Artikel 46: Nominaal en onvoorzien

         

Uitgaven

  • 1,1    68,3

64,8

109,5

121,8

148,4

Artikel 47: Apparaat

Uitgaven

715,2

667,6

659,1

655,2

655,5

655,6

Ontvangsten

21,4

21,4

21,4

21,4

21,4

21,4

  • 6. 
    Veiligheid en Justitie
           

Uitgaven

44,9

32,9

32,9

32,9

32,9

32,9

  • 7. 
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Uitgaven

2,2

0,4

0,2

0,2

0,2

0,2

  • 8. 
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Uitgaven    57,9    57,9    57,9    57,9    57,9    57,9

9B. Financien

Uitgaven    46,2    317,3    316,5    258,6    210,9    269,1

 
  • 10. 
    Defensie

Uitgaven

275,6

351,8

330

329,9

329,9

329,9

Ontvangsten

16,7

26,7

6,7

6,7

6,7

6,7

  • 12. 
    Infrastructuur en Milieu

Uitgaven    24,1    20,9    20,9    20,9    21,7    18,9

Ontvangsten    6,4

  • 13. 
    Economische Zaken

Uitgaven    54,4    52,3    51,5    50,5    50,5    50,6

  • 15. 
    Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Uitgaven    0,5    0,5    0,5    0,5    0,5    0,5

  • 16. 
    Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Uitgaven    8,4    8,8    8    5    5    5

 
  • 17. 
    Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

Uitgaven

2.831,5

2.466,3

2.412

2.499,8

2.719,8

2.716,3

Ontvangsten

72,1

63,1

63

62,9

62,8

62,8

Artikel 41: Duurzame handel en investeringen

Uitgaven

517,6

508,8

459,2

420

495,2

381,4

Ontvangsten

13,1

4,1

4

3,9

3,8

3,8

Artikel 42: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

           

Uitgaven

661,6

666,5

663,4

663,4

663,9

663,9

2017    2018    2019    2020    2021    2022

Artikel 43: Sociale vooruitgang

Uitgaven    717,1    724,9    724,8    725,7    725,7    725,7

Artikel 44: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Uitgaven    714,5    397    400,3    400,3    400,3    400,3

 

Artikel 45: Versterkte kaders voor ontwikkeling

Uitgaven

220,7

169,1

164,3

290,4

434,7

545,1

Ontvangsten

59

59

59

59

59

59

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een budgettaire overzichtsconstructie, waarin de uitgaven aan internationale samenwerking van de verschillende departementen worden gebundeld. Het uitgavenniveau van de HGIS wordt aangepast voor macro-economische ontwikkelingen.

Het merendeel van de HGIS-uitgaven wordt verantwoord via de begroting van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom wordt het verloop van de HGIS-uitgaven van deze twee begrotingen voor de relevante artikelen toegelicht. Voor de overige begrotingen wordt de toelichting per departement gepresenteerd.

  • 5. 
    Buitenlandse Zaken Artikel 2 Veiligheid en stabiliteit

Het budget voor bevordering van veiligheid, stabiliteit en rechtsorde in internationaal verband is in het jaar 2017 hoger dan de jaren erna. Dit komt hoofdzakelijk vanwege de jaarlijkse overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) van de begroting van het Ministerie van Defensie en daarnaast heeft het kabinet extra middelen vrijgemaakt in 2017 voor veiligheid en stabiliteit in Afrika.

Artikel 6 Nominaal en onvoorzien

Het budget op dit artikel loopt de komende jaren op. De budgettaire ruimte betreft met name een HGIS-reservering voor de loon- en prijs-indexatie en voor overige onvoorziene uitgaven. Ook worden prijscor-recties voor het non-ODA deel van de HGIS op dit artikel verwerkt.

Artikel 7 Apparaat

Dit artikel laat een daling in de uitgaven zien na 2017. Dit is het gevolg van de regeerakkoordmaatregelen A1 (rijksoverheid incl. ZBO's) en H89 (Reductie postennetwerk).

  • 6. 
    Veiligheid en Justitie

De uitgaven in 2017 zijn eenmalig hoger door een kasschuif van huisvestingsmiddelen voor Eurojust van 2016 naar 2017.

  • 7. 
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De HGIS middelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffen enkele attachés. Het budget is in 2017 en 2018 eenmalig hoger vanwege een bijdrage aan de UN Public Day 2017.

  • 8. 
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De HGIS middelen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffen bijdragen aan internationale onderwijsinstellingen.

9B. Financiën

Een deel van de contributiebijdragen aan de Wereldbank is gedaan in 2016 in plaats van 2017, waardoor de HGIS-uitgaven op de begroting van Financiën in 2017 eenmalig lager zijn.

  • 10. 
    Defensie

Het budget in 2017 is lager dan in overige jaren. Dit wordt met name veroorzaakt door de jaarlijkse overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) naar de begrotingen van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (binnen de HGIS) en tevens ook de herverdeling van middelen uit het BIV op de begroting van het Ministerie van Defensie. Deze middelen blijven op de Defensie begroting maar worden aan de HGIS onttrokken. De hogere ontvangsten in 2017 en 2018 worden verklaard doordat in deze jaren teruggaven worden verwacht vanuit de Verenigde Naties voor kosten die worden gemaakt voor de MINUSMA-missie in Mali.

  • 12. 
    Infrastructuur en Milieu

De hogere HGIS-uitgaven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2017 hangen samen met de start van het nieuwe programma Water Internationaal in 2016 als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water. De HGIS-ontvangsten in 2017 worden verklaard door afloop van het COR-reductieprogramma Clean Development Mechanism (CDM), waardoor middelen op dit fonds vrijvallen.

  • 13. 
    Economische Zaken

De hogere HGIS-uitgaven in 2017 komen voort uit de inzet van de eindejaarsmarge HGIS 2016 en door compensatie vanuit de HGIS voor wisselkoerseffecten op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken in 2017.

  • 15. 
    Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De HGIS-middelen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreffen enkele attachés.

  • 16. 
    Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De HGIS-middelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreffen enkele attachés. De hogere uitgaven in 2017-2019 worden veroorzaakt door compensatie vanuit de HGIS voor de ondersteuning van het Nederlands bod om de European Medicines Agency in Nederland te huisvesten na haar vertrek uit Londen als gevolg van de Brexit.

  • 17. 
    Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

De fluctuaties in uitgaven op dit artikel komen voort uit fluctuaties in het kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF). Met het DGGF wordt beoogd het speerpunt voor een versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden te realiseren. De hogere ontvangsten in 2017 zijn gerelateerd aan het stopzetten van de instrumenten Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International

Business (FIB). Deze worden afgebouwd ten gunste van het nieuwe fonds voor handelsbevordering DTIF.

Artikel 3 Sociale vooruitgang

De uitgaven van dit artikel zijn in 2017 lager dan in overige jaren vanwege verlaging van budget «Gelijke rechten en kansen voor vrouwen» als gevolg van de verschuiving van de uitgaven van 2017 naar 2016 als onderdeel van de motie Van Laar / Van Veldhoven (Kamerstuk 33 625, nr. 207)

Artikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling Het budget op dit artikel is in het jaar 2017 hoger dan in overige jaren hoofdzakelijk vanwege het doorschuiven van middelen van 2016 naar 2017 via de eindejaarsmarge voor opvang in de regio en noodhulp. Daarnaast heeft het kabinet extra middelen vrijgemaakt in 2017 voor opvang in de regio Afrika en het noodhulpfonds. Ook heeft de overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) van de begroting van het Ministerie van Defensie plaatsgevonden.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Dit betreft onder andere het parkeer- en verdeelartikel van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op dit artikel worden aanpassingen als gevolg van de BNI-ontwikkeling en de toerekening van de kosten van eerstejaarsasielopvang verwerkt.

Consolidatie

CONSOLIDATIE

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

  • 5.337,3
  • 6.595,3
  • 6.958,6
  • 7.015,4
  • 7.132,0
  • 7.178,6

totaal niet-belastingontvangsten

  • 5.337,3
  • 6.595,3
  • 6.958,6
  • 7.015,4
  • 7.132,0
  • 7.178,6

1    Nog niet toegerekend

Uitgaven

  • 5.337,3
  • 6.595,3
  • 6.958,6
  • 7.015,4
  • 7.132,0
  • 7.178,6

Ontvangsten

  • 5.337,3
  • 6.595,3
  • 6.958,6
  • 7.015,4
  • 7.132,0
  • 7.178,6

De post Consolidatie wordt gebruikt voor het corrigeren van de Rijksbegroting voor dubbeltellingen die ontstaan door het bruto-boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het ontvangende departement raamt daarnaast de te ontvangen bijdragen ook aan de ontvangstenkant van de begroting. Hierdoor wordt het rekenkundig niveau van de totale rijksuitgaven en de rijksontvangsten hoger dan het feitelijk niveau. Op de post Consolidatie wordt hiervoor gecorrigeerd. De hoogte van de post wordt in belangrijke mate bepaald door de bijdragen van de begroting van Infrastructuur & Milieu aan het Infrastructuurfonds.

10. Verticale toelichting

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht voor alle begrotingen van budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan in de uitgaven en niet-belastingontvangsten sinds de Miljoenennota 2017. Dit overzicht sluit aan op de mutaties zoals gepresenteerd in de ontwerpbegrotingen van de departementen.

Per begroting wordt een cijfermatig overzicht gepresenteerd van de voornaamste mutaties, gevolgd door een toelichting hierop. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de mutaties wordt verwezen naar de afzonderlijke suppletoire begrotingen.

De Verticale Toelichting onderscheidt drie categorieën mutaties:

  • 1. 
    mee- en tegenvallers;
  • 2. 
    beleidsmatige mutaties;
  • 3. 
    technische mutaties.

Alle overboekingen, desalderingen, statistische correcties en mutaties die niet tot een ijklijn behoren, zijn in de laatste categorie «technische mutaties» geclusterd. Overigens hebben sommige overboekingen en desalderingen wél een beleidsmatig karakter. Dit komt tot uitdrukking in de toelichtingen. Ingeval samenhangende mutaties in meerdere categorieën voorkomen, worden deze eenmaal toegelicht.

De totalen per begroting worden in eerste instantie gepresenteerd exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen. Door middel van een aansluitregel wordt het deel van de begroting dat onder HGIS valt, zichtbaar gemaakt. De veranderingen die optreden binnen het HGIS-deel van de begroting worden gepresenteerd en toegelicht in de verticale toelichting van alle HGIS-uitgaven. De laatste regel geeft per begroting de totaalstand inclusief HGIS.

De ondergrens voor mutaties die apart zichtbaar worden in de tabbellen is afhankelijk van de omvang van de begroting en verschilt voor de verschillende categorieën mutaties. De post diversen bevat de mutaties die onder de ondergrens vallen en wordt in beginsel alleen toegelicht indien zich bijzonderheden voordoen.

 

Samenvattend overzicht mutaties per MJN 2018 t.o.v. MJN 2017

Bedragen in miljoenen euro's

Mutaties

Mutaties

 

uitgaven

ontvangsten

 

2018

2018

Departementale begrotingen

I    De Koning

0,9

0,0

IIA    Staten Generaal

3,2

0,0

IIB    Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

3,2

0,0

 

Bedragen in miljoenen euro's

Mutaties

uitgaven

2018

Mutaties

ontvangsten

2018

III

Algemene Zaken

1,1

0,1

IV

Koninkrijksrelaties

21,7

11,3

V

Buitenlandse Zaken

  • 333

33

VI

Veiligheid en Justitie

403,6

  • 182,9

VII

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

106,6

  • 13,8

VIII

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

887,3

  • 35,1

IXA

Nationale Schuld

153,3

1.025

IXB

Financiën

245,3

  • 329,5

X

Defensie

381,7

20,8

XII

Infrastructuur en Milieu

89,3

6,8

XIII

Economische Zaken

144,2

  • 504,8

XV

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

  • 2.146,6
  • 103,4

XVI

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

800,8

5,1

XVII

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

0

0

XVIII

Wonen en Rijksdienst

  • 60,4

45,2

Overig

 

Sociale Zekerheid

  • 1.159,2

2,8

 

Budgettair kader Zorg

1.308,8

3,8

 

Gemeentefonds

1314,5

0

 

Provinciefonds

155,2

0

 

Infrastructuurfonds

2,8

2,8

 

Diergezondheidsfonds

2

2

 

Accres Gemeentefonds

  • 424,2

0

 

Accres Provinciefonds

  • 58

0

 

BES-fonds

8,6

0

 

Deltafonds

21,2

21,2

 

Prijsbijstelling

  • 63,8

0

 

Arbeidsvoorwaarden

  • 708,9

0

 

Koppeling Uitkeringen

  • 107,7

0,4

 

Aanvullende Post Algemeen

  • 132, 7

0

 

Consolidatie

2,7

2,7

 

Homogene Groep Internationale Samenwerking

473,7

20,1

De Koning

 

I DE KONING: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

41,4

41,4

41,4

41,4

41,5

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,2

0,3

0,3

0,3

0,3

 
 

0,2

0,3

0,3

0,3

0,3

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

 
 

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

 

Extrapolatie

         

43,8

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0,8

0,9

0,9

0,9

0,9

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

42,2

42,3

42,3

42,3

42,4

43,8

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

42,2

42,3

42,3

42,3

42,4

43,8

I DE KONING: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

0

0

0

0

0

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,1

0

0

0

0

 
 

0,1

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

0

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0,1

0

0

0

0

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

0,1

0

0

0

0

0

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

0,1

0

0

0

0

0

Diversen (uitgaven en ontvangsten, rijksbegroting in enge zin)

Dit betreft een som van mutaties van compensatie premiestijging ABP, uitgekeerde eindejaarsmarge en loon- en prijsbijstelling.

Staten-Generaal

 

IIA STATEN-GENERAAL: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

144,2

140,7

139,2

139,2

139,5

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

2,6

0

0

0

4,5

 
 

2,6

0

0

0

4,5

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

3,2

3,2

3,1

3,1

3,1

 
 

3,2

3,2

3,1

3,1

3,1

 

Extrapolatie

         

144,1

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

5,8

3,2

3,1

3,1

7,6

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

150

143,9

142,3

142,4

147,1

144,1

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

150

143,9

142,3

142,4

147,1

144,1

IIA STATEN-GENERAAL: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0

0

0

0

0

 
 

0

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

4,2

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0

0

0

0

0

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

Diversen (Beleidsmatige mutaties - Technische mutaties - Uitgaven) Onder de post diversen valt een kasschuif in verband met de uitloop van het outsourcen van de Dienst Automatisering van de Tweede Kamer naar SSC-ICT en daardoor optredende vertraging in de projectuitvoering.

Daarnaast is de eindejaarsmarge 2016 toegevoegd aan de begroting van de Staten-Generaal. Ook de prijsbijstelling tranche 2017 is overgemaakt naar de departementale begrotingen. Tot slot heeft het ABP per 1 januari 2017 de pensioenpremie verhoogd. Ter compensatie van de pensioenpre-miestijging is 342 mln. aan de loonruimte 2017 toegevoegd. Deze middelen zijn vanuit de Aanvullende Post overgemaakt naar de departementale begrotingen.

Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad

 

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

115

110,2

110,2

110,4

109,7

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

1,8

  • 1,7
  • 3,4
  • 3,4
  • 2,7
 
 

1,8

  • 1,7
  • 3,4
  • 3,4
  • 2,7
 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

2,9

4,9

4,9

4,9

4,9

 
 

2,9

4,9

4,9

4,9

4,9

 

Extrapolatie

         

112

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

4,7

3,2

1,5

1,5

2,2

 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

119,7

113,4

111,7

111,9

112

112

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

119,7

113,4

111,7

111,9

112

112

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

5,7

5,7

5,7

5,7

5,7

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0

0

0

0

0

 
 

0

0

0

0

0

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,3

0

0

0

0

 
 

0,3

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

5,7

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0,3

0

0

0

0

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

5,9

5,7

5,7

5,7

5,7

5,7

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2018

5,9

5,7

5,7

5,7

5,7

5,7

Diversen (Beleidsmatige mutaties - uitgaven)

De post diversen bestaat hoofdzakelijk uit een neerwaartse bijstelling voor het Hoger Beroep Vreemdelingen. De lagere instroomraming leidt tot een verlaging van de uitgavenraming van de Raad van State voor 2017 en verdere jaren. Verder vallen de ramingen van de uitkeringen op basis van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (APPA) onder de diversen. Deze ramingen zijn in lijn gebracht met de actuele prognoses van uitkeringen aan oud-ambtsdragers. Daarnaast maakt de Nationale Ombudsman kosten in het kader van een transitie om de organisatie te verbeteren en nieuwe taken in te passen. De Algemene Rekenkamer gaat in 2017 verder met het aanpassen van de organisatiestructuur.

Diversen (Technische mutaties - uitgaven)

De belangrijkste mutatie is de overheveling van de Kiesraad van hoofdstuk VII naar hoofdstuk IIB. Daarnaast vallen onder diverse de toevoeging van de eindejaarsmarge 2016 aan de begroting van de Hoge Colleges van Staat. Ook de prijsbijstelling tranche 2017 is overgemaakt naar de departementale begrotingen. Verder verhoogt het ABP per 1 januari 2017 de pensioenpremie. Ter compensatie van de pensioenpre-miestijging is 342 mln. aan de loonruimte 2017 toegevoegd. Deze middelen worden vanuit de Aanvullende Post overgemaakt naar de departementale begrotingen.

Algemene Zaken

 

III ALGEMENE ZAKEN: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

63,5

62,1

62,1

62,2

63,9

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,8

0,2

0,2

0,2

0,2

 
 

0,8

0,2

0,2

0,2

0,2

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

  • 0,7

0,9

0,9

0,9

0,9

 
 
  • 0,7

0,9

0,9

0,9

0,9

 

Extrapolatie

         

67,1

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0,1

1,1

1,1

1,1

1,1

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

63,5

63,2

63,3

63,3

65

67,1

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

63,5

63,2

63,3

63,3

65

67,1

III ALGEMENE ZAKEN: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

6,8

6,7

6,7

6,7

6,7

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

 
 

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

 

Extrapolatie

         

6,8

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

6,9

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

6,9

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

Diversen (uitgaven en ontvangsten, rijksbegroting in enge zin)

Dit betreft een som van mutaties van compensatie premiestijging ABP, uitgekeerde eindejaarsmarge en loon- en prijsbijstelling en diverse overboekingen van en naar de begroting van AZ.

Koninkrijksrelaties

 

IV KONINKRIJKSRELATIES: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

291,9

272

124

123,1

123,1

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Kasschuif wisselkoersreserve

6,5

5,4

0

0

0

 

Verlenging tbo

0

12

12

12

12

 

Diversen

2,3

1,3

0,4

0,4

  • 0,2
 
 

8,8

18,7

12,4

12,4

11,8

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

16,7

3,1

2,3

2,4

2,7

 

Niet tot een ijklijn behorend

Diversen

0

0

0

0

0

 
 

16,7

3,1

2,3

2,4

2,7

 

Extrapolatie

         

125,4

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

25,5

21,7

14,7

14,8

14,5

 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

317,4

293,8

138,7

137,8

137,5

125,4

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

317,4

293,8

138,7

137,8

137,5

125,4

IV KONINKRIJKSRELATIES: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

36,5

36,5

36,5

36,5

36,5

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

2,5

2,3

2,2

0,3

  • 1,1
 
 

2,5

2,3

2,2

0,3

  • 1,1
 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Diversen

18

9

0

0

0

 
 

18

9

0

0

0

 

Extrapolatie

         

35,3

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

20,4

11,3

2,2

0,3

  • 1,1
 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

56,9

47,8

38,7

36,8

35,3

35,3

Totaal Internationale samenwerking

0

0

0

0

0

0

Stand Miljoenennota 2018

56,9

47,8

38,7

36,8

35,3

35,3

Kasschuif wisselkoersreserve

Het restant van de wisselkoersreserve in 2016 (11,9 mln.) wordt op basis van de huidige inzichten in de wisselkoerseffecten verdeeld over 2017 en 2018 middels een kasschuif.

Verlenging TBO

De geïntensiveerde aanpak van met name ondermijning en high crimes is effectief gebleken. Daarom wordt de reeds ingezette koers op de aanpak van de georganiseerde (ondermijnende) criminaliteit gecontinueerd. De inzet van het Team Bestrijding Ondermijning is vanaf 2018 verlengd met vier jaar.

Diversen (beleidsmatige mutaties - technische mutaties - uitgaven) (technische mutaties - niet-belastingontvangsten)

Met het oog op de veiligheidsproblematiek in het Caribisch deel van het Koninkrijk wordt incidenteel 8 mln. beschikbaar gesteld aan de Kustwacht gelijk verdeeld over de jaren 2017 en 2018 voor het plegen van onderhoud en oplossen exploitatietekort, de ondersteuning van andere defensieon-derdelen aan de Kustwacht.

Als gevolg van de eindafrekening Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (SONA) en de verkoop van de aandelen in de AIB Bank ontvangt BZK respectievelijk € 1,9 mln. en € 2,7 mln. op de begroting van Koninkrijksrelaties. Deze ontvangsten worden binnen de begroting ingezet.

Tevens zijn de restmiddelen Fondo Desaroyo Aruba (FDA) teruggevloeid naar de begroting van Koninkrijksrelaties om, conform de beheersovereenkomst tussen Aruba, Nederland en FDA, weer ingezet te kunnen worden ten behoeve van het land Aruba. Onder de post diversen vallen daarnaast een kasschuif omdat de oprichting van de Integriteitskamer op Sint Maarten is vertraagd en de toevoeging van de eindejaarsmarge 2016 aan de begroting van Koninkrijksrelaties.

Diversen (niet-belastingontvangsen - beleidsmatige mutaties)

Onder de post diversen valt een ramingsbijstelling van de renteont-vangsten. Tot en met 2020 zijn er meerontvangsten en daarna minderont-vangsten.

Buitenlandse Zaken

 

V BUITENLANDSE ZAKEN: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

7.541

8.514,4

8.408,8

8.562,6

8.813,5

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

  • 01. 
    begrotingsakkoord 2017: bni effect overige inkomsten
  • 57,3

0

0

0

0

 
  • 02. 
    begrotingsakkoord 2017: meerjarig beeld acor
  • 21,5
  • 25,9
  • 25,6
  • 26
  • 26
 
  • 05. 
    tweede aanvullende begroting 2016: teruggave surplus
  • 300,8

1,5

0

0

0

 
  • 06. 
    technische aanpassing meerjarig financieel kader

3,8

226,6

230

234,1

  • 1,1
 
  • 07. 
    begroting 2018: onderuitputting begroting 2018 naar 2019-2020

0

  • 326,9

168,2

168,9

  • 0,8
 
  • 08. 
    onderuitputting begroting 2017 naar 2019-2020

0

  • 195,3

102,5

102,9

  • 0,5
 
  • 09. 
    compensatie contingency margin 2014

0

  • 87,7

44,3

43,6

  • 0,2
 
  • 12. 
    raming nieuwe mfk-periode

0

0

0

0

87,6

 
  • 13. 
    spring forecast 2017
  • 88,6

74,8

82,4

84,3

164,9

 

Diversen

0

0

0

0

0

 
 
  • 464,4
  • 332,9

601,8

607,8

223,9

 

Extrapolatie

         

9.301,8

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

  • 464,5
  • 333

601,7

607,8

223,9

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

7.076,5

8.181,4

9.010,6

9.170,5

9.037,4

9.301,8

Totaal Internationale samenwerking

1.363,2

1.353

1.338,3

1.377,7

1.390,4

1.417,2

Stand Miljoenennota 2018

8.439,8

9.534,4

10.348,9

10.548,2

10.427,8

10.719

V BUITENLANDSE ZAKEN: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

640,9

653,7

666,7

680,1

700,5

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

  • 03. 
    vierde aanvullende begroting 2016:vertraging cohesiebeleid

360,8

0

0

0

0

 
  • 04. 
    vierde aanvullende begroting 2016: spring forecast en rebate vk
  • 93,8

0

0

0

0

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

  • 11. 
    nacalculatie 2016

124,1

0

0

0

0

 
  • 13. 
    spring forecast 2017
  • 30,6

33

33,6

34,3

35

 

Diversen

  • 1,5

0

0

0

  • 6,8
 
 

359

33

33,6

34,3

28,2

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

  • 10. 
    vijfde aanvullende begroting 2016 verschuiven nederlandse korting

2.764,4

0

0

0

0

 
 

2.764,4

0

0

0

0

 

Extrapolatie

         

741,1

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

3.123,3

33

33,6

34,3

28,2

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

3.764,2

686,7

700,4

714,4

728,7

741,1

Totaal Internationale samenwerking

65

65

65

65

65

65

Stand Miljoenennota 2018

3.829,2

751,7

765,4

779,4

793,7

806,2

Algemeen

De omvang van de Nederlandse afdrachten wordt bepaald door de omvang van de Europese begroting en door het aandeel van de Nederlandse economie in de Europese economie (uitgedrukt in BNI). De Europese Unie (EU) ontvangt haar inkomsten voor het grootste deel uit afdrachten van de lidstaten, zoals BTW-afdrachten en BNI-afdrachten. De invoerrechten worden ook door nationale overheden (douane) geïnd en overgemaakt aan de EU, waarbij elke lidstaat 20% van de opgebrachte invoerrechten mag behouden als vergoeding voor de inning ervan. Deze afdrachten zijn uitgaven voor Nederland. Deze EU-inkomsten worden ook wel de «eigen middelen» van de EU genoemd. Nederland ontvangt op de EU-afdrachten een jaarlijkse korting. Deze korting is opgebouwd uit een lager tarief voor BTW-afdrachten en een vaste korting (lumpsum) op de BNI-afdrachten.

Hieronder volgt een toelichting op de mutaties op de raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU die tot nu toe in begrotingsjaar 2017 hebben plaatsgevonden. De mutaties komen voort uit het Begrotingsak-koord 2017, verschillende aanvullende begrotingen over 2016, de nacalculatie over 2016 en de begroting 2018.

Begrotingsakkoord 2017

Eind 2016 hebben de Europese Raad en het Europees Parlement ingestemd met de Europese begroting voor 2017.25

  • 1. 
    Begrotingsakkoord 2017: bni effect overige inkomsten (uitgaven)

In de begroting 2017 stelt de Europese Commissie (EC) de raming voor de overige ontvangsten van de EU (ontvangsten die niet onder de eigen middelen vallen) opwaarts bij van 1,7 naar 2,8 mld., vooral door hogere verwachte inkomsten uit (mededings-)boetes en rente. Omdat de

BNI-afdrachten van de lidstaten het sluitstuk vormen van de Europese begroting, betekenen hogere verwachte inkomsten voor de Europese begroting uit andere bronnen dan de BNI-afdrachten, automatisch dat de BNI-afdracht van de lidstaten daalt. Voor Nederland betekent dit ca. 57 mln. lagere afdrachten in 2017.

  • 2. 
    Begrotingsakkoord 2017: meerjarig beeld ACOR (uitgaven)

In de Europese begroting voor 2017 heeft de EC ook aanpassingen in de grondslagen voor de BNI-, BTW- en Invoerrechtenramingen verwerkt op basis van nieuwe economische cijfers (ACOR cijfers). Deze werken meerjarig door in de afdrachten van de lidstaten. In 2017 leiden deze aanpassingen bij BNI-, BTW- en invoerrechtenramingen tot per saldo 22 mln. lagere afdrachten voor Nederland. Dit effect loopt in de jaren daarna nog iets op tot ca 26 mln. lagere afdrachten.

Implementatie begroting 2016: Vierde aanvullende begroting

2016,    tweede aanvullende begroting 2017 en technische aanpassing van het MFK

De daadwerkelijke uitgaven van de EU-begroting in 2016 waren lager dan voorzien ten tijde van het begrotingsakkoord, dit blijkt onder andere uit de verlaging van de betalingen met de vierde aanvullende begroting van 2016 en het omvangrijke surplus in de tweede aanvullende begroting van

2017.    Met de jaarlijkse technische aanpassing wordt deze onderuitputting doorgeschoven naar latere jaren van het Meerjarig Financieel Kader (MFK).

  • 3. 
    Vierde aanvullende begroting 2016: vertraging cohesiebeleid (niet-belastingontvangsten)

Eind 2016 heeft het Europees Parlement goedkeuring gegeven aan de vierde en vijfde aanvullende begroting van 2016. Deze aanvullende begrotingen zijn te laat in het jaar aangenomen om nog door de Commissie te worden verwerkt in de afdrachten over 2016. De budgettaire verwerking valt daarom in 2017 en verloopt via een bijstelling van de niet-belastingontvangsten. In de vierde aanvullende begroting van 2016 had de EC de geraamde EU-betalingen voor 2016 verlaagd met 7,3 mld., voornamelijk vanwege vertragingen bij de implementatie van het cohesiebeleid.26 De verwachting was toen reeds dat deze vertraging op een later moment binnen het huidige MFK ingelopen zouden worden. Bij voorjaarsnota 2017 zijn daarom de afdrachten in 2018 met 361 mln. verhoogd in afwachting op nadere informatie van de EC. Met de technische aanpassing van het MFK heeft de EC deze middelen doorgeschoven naar 2018, 2019 en 2020 via de Global Margin for Payments (zie mutatie technische aanpassing) en is daarom de raming van de Nederlandse afdrachten aangepast ten opzichte van de Voorjaarsnota.

  • 4. 
    Vierde aanvullende begroting 2016: effecten spring forecast en rebate vk (niet-belastingontvangsten)

Met de aanname van de vierde aanvullende begroting, zijn ook de effecten van de Spring Forecast van 2016 verwerkt in de afdrachten van lidstaten. Door de verlate aanname van de aanvullende begroting zijn deze effecten niet meer in 2016 verwerkt, maar in januari 2017. Dit leidt tot ca 80 mln. lagere afdracht in 2016 en een ca 80 mln. hogere afdracht in 2017. Daarnaast zijn hierbij ook de BTW- en BNI-grondslagen van lidstaten geactualiseerd. Dit leidt tot een herberekening van de korting van het Verenigd Koninkrijk, omdat die mede is gebaseerd op de BTW-grondslag.

  • 5. 
    Tweede aanvullende begroting 2017: teruggave surplus (uitgaven)

Op 12 april 2017 presenteerde de Europese Commissie de tweede aanvullende begroting van 2017. Met deze aanvullende begroting wordt zoals gebruikelijk het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de Europese begroting over 2016 (het surplus) in de begroting voor 2017 verwerkt. In 2016 was er sprake van een grote onderuitputting bij de uitvoering van het cohesiebeleid en was er sprake van hogere inkomsten bij de EU (m.n. door boetes). Het surplus bedroeg hierdoor 6,4 mld. en is in de tweede aanvullende begroting voor 2017 verwerkt. Het Nederlandse aandeel in dit surplus bedraagt 0,3 mld. en leidt in 2017 tot een lagere afdracht. De onderuitputting die veroorzaakt wordt door vertraging binnen het cohesiebeleid, zal naar verwachting in latere jaren ingehaald worden. Dit leidt tot een hogere afdracht in die jaren. Via de jaarlijkse technische aanpassing worden de middelen in het MFK naar latere jaren geschoven (zie mutatie technische aanpassing).

  • 6. 
    Technische aanpassing meerjarig financieel kader (uitgaven)

Op 24 mei 2017 publiceerde de Commissie haar jaarlijkse technische aanpassing van het MFK. Hiermee is in totaal 14 miljard euro (lopende prijzen) aan onbenutte betalingsruimte onder het MFK-plafond van 2016 in gelijke tranches doorgeschoven naar 2018, 2019 en 2020, via de Global Margin for Payments. Deze omvangrijke onbenutte ruimte, ofwel marge, wordt voornamelijk veroorzaakt door vertragingen bij de implementatie van het cohesiebeleid. Deze vertraging was voorzien; deze bleek ook uit de verlaging van de afdrachten met de vierde aanvullende begroting van 2016 en het omvangrijke surplus over 2016, dat met de tweede aanvullende begroting van 2017 is vastgesteld (zoals hierboven beschreven).27

Begroting 2018 en verder

Op 30 mei 2017 heeft de Europese Commissie het voorstel voor de begroting 2018 gepresenteerd. In deze begroting is er net als in 2017 sprake van een aanzienlijke resterende marge onder het betalingenplafond. Dit geeft aanleiding om de raming van de afdrachten in 2018 te verlagen en in 2019 en 2020 te verhogen.28

  • 7. 
    Begroting 2018: onderuitputting begroting 2018 naar 2019-2020 (uitgaven)

Op 30 mei 2017 heeft de Commissie de ontwerpbegroting voor 2018 gepresenteerd, waarover de Raad op 7 juli een positie heeft ingenomen.

In de Raadspositie over deze begroting, is er in 2018 een onbenutte marge onder het betalingenplafond van 10,1 mld. Om deze reden zal voor de raming van de Nederlandse afdracht voor 2018 net als bij de Miljoenennota 2017 niet op betalingenplafond worden geraamd, omdat het niet de verwachting is dat deze marge in 2018 geheel gebruikt zal worden.

Voor de raming van de Nederlandse afdrachten wordt er daarom van uitgegaan dat tenminste 7 mld. van deze marge aan het eind van 2018 zal overblijven. Het Nederlandse aandeel daarin is 0,3 mld. en deze wordt in gelijke tranches doorgeschoven naar 2019 en 2020. Het overige deel wordt nog wel aangehouden als marge voor 2018, om ruimte te houden voor grotere uitgaven als gevolg van onderhandelingen met het EP over de begroting en voor onvoorziene uitgaven.

  • 8. 
    Onderuitputting begroting 2017 naar 2019-2020 (uitgaven)

Met de presentatie van de EU-begroting voor 2018, is duidelijk geworden dat de vertraagde betalingen uit de EU-begroting van 2017 niet in 2018 ingelopen zullen worden. De raming van de Nederlandse afdrachten is in de regel gebaseerd op de omvang van het betalingenplafond van het MFK. In 2017 is het niet aannemelijk dat de ruimte voor betalingen volledig benut wordt, vanwege een grote ongealloceerde marge onder het betalingenplafond als gevolg van vertragingen bij de implementatie van het Cohesiebeleid. Bij Miljoenennota 2017 is daarom besloten om af te wijken van het betalingenplafond als uitgangspunt voor de raming van de Nederlandse afdrachten in 2017, door een deel van de omvangrijke marge onder het betalingenplafond door te schuiven van 2017 naar 2018. Op 30 mei 2017 heeft de Commissie de ontwerpbegroting 2018 gepresenteerd. Wederom blijkt dat de marge onder het betalingenplafond groot is, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de marge uit 2017 in 2018 uitgegeven wordt. De geraamde Nederlandse afdrachten worden daarom aangepast onder de veronderstelling dat de verwachte onderuitputting uit 2017 verder wordt doorgeschoven en in gelijke tranches in 2019 en 2020 wordt uitgegeven.

  • 9. 
    Compensatie contingency margin 2014 (uitgaven)

Op 20 juli 2017 is een akkoord bereikt over de mid term review van het MFK. Met dit akkoord is ook besloten om de inzet van de Contingency Margin in 2014 voor extra betalingen voortkomend uit het vorige MFK, in 2017 te compenseren via lagere betalingen. Tot nu toe werd ervan uitgegaan dat dit gecompenseerd zou worden met lagere betalingen in de jaren 2018-2020. Om de raming van de Nederlandse afdrachten hierop aan te passen, wordt een deel van de onderuitputting - waarvan eerder was geraamd dat deze naar 2018 zou worden doorgeschoven - niet doorgeschoven, waardoor de raming voor 2018 neerwaarts wordt bijgesteld. De verwachte compensatie in 2018-2020 vindt ook niet plaats waardoor de raming voor die drie jaren opwaarts wordt bijgesteld. Per saldo leidt dit voor 2018 tot een 88 mln. lagere afdracht, en voor 2019 en 2020 tot een jaarlijks 44 mln. hogere afdracht.

Overige mutaties

  • 10. 
    Vijfde aanvullende begroting 2016: verschuiven Nederlandse korting (niet-belastingontvangsten)

Eind 2016 is ook de vijfde aanvullende begroting goedgekeurd. Hiermee is de ratificatie van het Eigen Middelenbesluit in 2016 in de afdrachten verwerkt en zijn de kortingen op de nationale afdrachten geëffectueerd Nederland ontvangt de bedongen korting op de afdrachten over 2014-2016 met terugwerkende kracht in 2017 in de kas. Het betreft een technische mutatie omdat het kabinet besloten heeft om het kader te corrigeren voor deze ontvangst.29 De korting voor 2017 (en latere jaren) wordt verrekend met de EU-afdrachten.

  • 11. 
    Nacalculatie 2016 (niet-belastingontvangsten)

De Europese Commissie heeft op 24 januari 2017 cijfers voor de nacalculatie van de Europese afdrachten voor 2016 gepresenteerd aan de lidstaten. Voor de Nederlandse begroting betekent deze nacalculatie een verlaging van de EU-afdrachten van netto 124 mln. euro die als een eenmalige ontvangst op de begroting wordt verwerkt.30

  • 12. 
    Raming nieuwe mfk-periode (uitgaven)

Het huidige MFK loopt tot en met 2020. Dit betekent dat de betalingenplafonds tot 2020 nominaal vastliggen in de huidige MFK-verordening. De omvang van de EU-afdrachten tot en met 2020 is gebaseerd op deze betalingenplafonds. Vanaf 2021 zal het volgende MFK gelden, waarvoor nog geen nominale betalingenplafonds zijn vastgesteld. In de raming voor 2021 en verder wordt daarom op dit moment uitgegaan van een betalingenplafond van 0,95% van het Europese BNI in 2021, wat overeenkomt met het uitgangspunt bij het afsluiten van het huidige MFK. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op mogelijke effecten van Brexit voor de EU-afdrachten. Deze aanpassing van systematiek verhoogt de raming van de afdracht in 2021.

  • 13. 
    Spring forecast 2017 (uitgaven en niet-belasting ontvangsten)

Met de voorjaarsraming van 2017 wordt de raming van de BNI-, douane-en BTW-heffingen in de EU-lidstaten geactualiseerd. Voor Nederland leidt dit tot een lagere EU-afdracht in 2017 en een hogere afdracht in 2018-2021. De EU-afdracht neemt sterker toe in 2021 dan in voorgaande jaren. Dit komt doordat vanaf 2021 een nieuw MFK zal ingaan waarvoor, vooruitlopend op de onderhandelingen, de uitgavenplafonds worden geraamd op 0,95% van het Europese BNI.

Veiligheid en Justitie

 

VI VEILIGHEID EN JUSTITIE: UITGAVEN

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand Miljoenennota 2017 (excl. IS)

12.531,6

11.644

11.490

11.488

11.374,7

 

Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Asiel

106,2

  • 18

25,2

50,3

52,8

 

Asiel: oda-toerekening

  • 152

151,2

146,5

53,1

39,7

 

Asiel: vrijval gva en bbb

  • 82
  • 37
  • 20
  • 20
  • 20
 

Besparingsverlies eigen bijdrageregeling strafvordering

  • 43,8
  • 20,4
  • 7,2
  • 5,6
  • 4,7
 

Bijdrage beleids-dg's

  • 18,5
  • 18,5
  • 18,5
  • 18,5
  • 18,5
 

Capaciteit kmar grensbewaking

7,5

22,2

43,4

43,4

43,4

 

Cybersecurity

0

26

26

26

26

 

Eindejaarsmarge

91

0

0

0

0

 

Intensiveringsmiddelen aanvullende post

  • 69,5
  • 73,3
  • 69,4
  • 70,5
  • 70,5
 

Inzet reserve

0

  • 2,1
  • 15
  • 5
  • 5
 

Negatieve eindejaarsmarge

  • 91

0

0

0

0

 

Overige mee- en tegenvallers

80,3

  • 4,8

3,2

  • 8,2
  • 6,1
 

Passenger information unit

0,7

12,2

17,2

22,2

22,2

 

Pensioenregeling politie

347

0

69

16

  • 27
 

Prognosemodel justitiele ketens

  • 11,6

16

0

0

0

 

Uitbreiding speciale interventieteams

10

18

22

22

22

 

Diversen

60,6

59,6

59,3

52,9

43,4

 
 

234,9

131,1

281,7

158,1

97,7

 

Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

Besparingsverlies eigen bijdrageregeling strafvordering

47

20,4

7,2

5,6

4,7

 

Compensatie abp-pensioenpremiestijging

59,2

59,2

59,2

59,2

59,2

 

Intensiveringsmiddelen aanvullende post

69,5

73,3

69,4

70,5

70,5

 

Loonbijstelling 2017-2022

168,5

159,2

158,2

158,1

156,6

 

Diversen

8,6

  • 39,5
  • 66,9
  • 67,3
  • 66,8
 
 

352,8

272,6

227,1

226,1

224,2

 

Extrapolatie

         

11.308,5

Totaal mutaties sinds Miljoenennota 2017

587,7

403,6

508,8

384,2

321,9

 
 

Stand Miljoenennota 2018 (subtotaal)

13.119,3

12.047,6

11.998,8

11.872,2

11.696,6

11.308,5

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal Internationale samenwerking

44,9

32,9

32,9

32,9

32,9

32,9

Stand Miljoenennota 2018

13.164,2

12.080,5

12.031,7

11.905,1

11.729,5

11.341,4

VI VEILIGHEID EN JUSTITIE: NIET-BELASTINGONTVANGSTEN