Openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Zondag 25 augustus 2019
kalender

1.

Tekst

Sprekers

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA)
De heer Ganzevoort (GroenLinks)
Mevrouw Meijer (SP)
De heer De Graaf (D66)
Mevrouw Teunissen (PvdD)
De heer Ten Hoeve (OSF)
De heer Ester (ChristenUnie)
Minister Plasterk
Mevrouw Van Bijsterveld (CDA)
De heer Ganzevoort (GroenLinks)
De heer De Graaf (D66)
De heer Ester (ChristenUnie)
Minister Plasterk

Aan de orde is de behandeling van:

  • - 
    het wetsvoorstel Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer ( 33131 );
  • - 
    het wetsvoorstel Wijziging van de wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer (kiescollege Eerste Kamer) ( 34341 );
  • - 
    het wetsvoorstel Wijziging van de Kieswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende aanpassing van de regeling met betrekking tot het kiesrecht van niet-Nederlanders bij eilandsraadsverkiezingen ( 33900 ).

De voorzitter:

Ik heb de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reeds welkom geheten in de Eerste Kamer. Ik geef het woord aan mevrouw Van Bijsterveld.

De beraadslaging wordt geopend.

©

S.Ch. (Sophie) van BijsterveldMevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Deze bijdrage spreek ik mede uit namens de VVD-fractie. Waar ik in het vervolg CDA zeg, bedoel ik CDA en VVD.

Voorzitter. Het heeft wat voeten in de aarde, de grondwettelijke verankering van de BES-eilanden en de regeling van het kiesrecht van de inwoners van de BES waar het om de Eerste Kamer gaat. Wat beide fracties namens welke ik spreek betreft, komt het zo lang na 10-10-10 op beide onderwerpen spoedig tot een goede regeling.

Ik ga eerst in op de grondwettelijke regeling. Beide fracties stemmen in met de gekozen formulering, waarmee de eindstructuurvan de BES-eilanden wordt opengelaten maar wel een grondwettelijke grondslag wordt geboden voor de huidige openbare lichamen. Voorde daadwerkelijke verwezenlijking is dan nog een traject te gaan. We hebben het hier immers over de eerste lezing van de grondwetsherziening. Wat beide fracties betreft is er, als de novelle de lijn wordt, geen barrière om tot een goede afronding te komen. Heeft het eilandsbestuur van Bonaire na het referendum van december 2015 overigens nog een nadere reactie gestuurd op het voorstel?

Ik ga nu in op het kiesrecht van de BES. Voor beide fracties namens welke ik spreek, heeft altijd als een vast uitgangspunt gegolden dat niet-Nederlanders op de BES-eilanden zowel het actief als het passief kiesrecht toekomt voor de eilandsraden. Ook gold altijd het uitgangspunt dat slechts Nederlanders invloed dienen te hebben op de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer. De BES-eilanden kennen geen provinciale indeling en het ligt niet voor de hand dat die slechts ten behoeve van de verkiezingen wordt gecreëerd. Daarom is voor beide fracties de instelling van een apart kiescollege ten behoeve van de Eerste Kamerverkiezingen altijd de enig mogelijke weg geweest. Slechts door het ontvlechten van deze verkiezingen, de Eerste Kamer-en de eilandsraadsverkiezingen, kan aan die beide uitgangspunten recht worden gedaan. Dit betekent dat beide fracties op dit punt instemmen met de novelle op het grondwetswijzigingsvoorstel 33131. Het betekent ook dat de beide fracties tegen wetsvoorstel 33900 zullen stemmen, dat gaat over de wijziging van de Kieswet, en dat nog aanhangig is bij de Eerste Kamer en deel uitmaakt van het debat van vandaag. Dat laatste uiteraard tenzij de minister tot intrekking overgaat van het laatste wetsontwerp. Kan de regering de toezegging bevestigen dat zij bij de uitwerking van het kiesrecht in overleg treedt met de betrokken eilandbesturen?

Mijn fractie heeft nog twee andere vragen over het kiesrecht. Indertijd is bij de wijziging van de Kieswet, het verzamelwetsvoorstel dat onder Kamerstuk 33268 gerangschikt is en op 12 juli 2013 in het Staatsblad verscheen, door de minister de toezegging gedaan dat de bepalingen die betrekking hebben op het kiesrecht van niet-Nederlanders op de BES-eilanden, niet in werking zouden treden totdat er een voorziening zou worden getroffen bij Grondwet. Ziet mijn fractie het goed dat het hier gaat om artikel Ya 14 Kieswet voor het actief kiesrecht en om artikel 14 WolBES voor het passief kiesrecht? Is het zo dat bij de inwerkingtreding van de nu voorgestelde grondwetsbepalingen plus het daarbij behorende kiesrechtwetsvoorstel de genoemde artikelen van rechtswege in werking treden of is hiervoor nog een afzonderlijk besluit nodig? Tot slot nog een vraag. Waarom gebruikt de regering steeds het anglicisme "Cari-bisch" in plaats van het Nederlandse "Caraïbisch"?

Mijn fractie en de fractie van de VVD werken er graag constructief aan mee dat de Nederlandse kiesgerechtigden op de BES-eilanden voor de Eerste Kamerverkiezingen van 2019 hun stem kunnen laten horen. Wij kijken uit naar de beantwoording van deze vragen.

©

R.R. (Ruard)  GanzevoortDe heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Wij bespreken vandaag een drietal wetsvoorstellen en dat laat iets zien van de complexe voorgeschiedenis van dit debat. Naast de formele hoofdmoot van behandeling in eerste lezing van een voorstel voor vastlegging in de Grondwet van de staatkundige positie van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba is er op verzoek van deze Kamer een novelle waardoor het kiesrecht voor de Eerste Kamer op een correcte wijze wordt geregeld. Daarnaast is er nog een zinledig wetsvoorstel dat als de opengebarsten pop dood op de grond blijft liggen als de vlinder van het Caribisch kiescollege straks vleugels heeft gekregen. Hopelijk wil de minister dat voorstel nu intrekken. Zo niet, dan ruimt de Kamer het vandaag wel voor hem op.

Mijn fractie is blij dat wij dit vandaag eindelijk kunnen afronden. Vlak voor de kerst van 2011 diende de regering het voorstel al in bij de Tweede Kamer. In het advies van de Raad van State kunnen wij al precies de pijnpunten lezen die vanaf eind 2012 het debat tussen de Eerste Kamer en deze minister hebben bepaald. De Kamer was — collega Van Bijsterveld memoreerde dat eigenlijk al — van meet af aan duidelijk. Zij wilde vasthouden aan de staatkundige principes dat alle gevestigde ingezetenen invloed moeten kunnen hebben op de eerste bestuurslaag en dat alleen Nederlandse staatsburgers actief kiesrecht mogen hebben waar het de Eerste Kamer aangaat. De minister vond dat allemaal veel te veel principieel gedoe voor een klein groepje mensen. Het kostte wat moeite om een tegenstribbelende minister zo ver te krijgen, maar drie jaar later lag er dan eindelijk een novelle die de zaken op de juiste manier regelt. Dat had best sneller en soepeler gekund, denken wij, maar wij komen er wel.

Op dit punt aangekomen, zouden we in theorie de zaaksnel kunnen afdoen. Het is echter goed om er aandacht aan te geven vanwege het grote principiële belang voor de inwonersvan Caribisch Nederland, al dan niet met een extra "a". Enerzijds is het voor de eilanden met hun sterke regionale verbondenheid van belang dat mensen die er soms al heel lang wonen ook inspraak hebben in het lokale bestuur en daarin kunnen participeren. Anderzijds is het voor de verbondenheid met Europees Nederland essentieel dat het actieve kiesrecht van Nederlandse burgers daar helemaal wordt gehonoreerd; dat hoort er gewoon bij als je samen één land bent en wilt zijn. Het was daarom voor deze Kamer een erezaak om het kiesrecht goed te regelen, ook al is het wat ingewikkelder dan deze pragmatische minister graag wilde. Die discussie is afgerond en mijn fractie dankt de minister voor het uiteindelijke wetsvoorstel plus de novelle. Daarmee is plenaire behandeling echter niet onnodig geworden, want het wetsvoorstel gaat niet alleen over het kiesrecht, maar ook, of zelfs in de allereerste plaats, over het vastleggen in de Grondwet van de staatkundige positie van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Dat is van groot belang. Het roept ook een tweetal vragen op.

De eerste vraag betreft de relatie tussen de nu gekozen vormgeving van de grondwetswijziging en het gewenste staatsrechtelijke eindmodel. Daarover zei de Raad van State in zijn advies van november 2011: "vijf jaar na de transitiedatum zal de uitwerking van de nieuwe staatkundige structuurworden geëvalueerd. Dan zal ookworden bepaald wat het staatrechtelijke eindmodel zal zijn. Er zijn, zo stelde de regering in 2008, twee eindmodellen denkbaar: de eilanden blijven eigensoortige openbare lichamen of zij worden alsnog als gemeenten aangemerkt, zij het als bijzondere gemeenten, omdat ook in de toekomst naar verwachting niet alle wettelijke voorschriften voor gemeenten van toepassing zullen worden. Of de eilanden eigensoortige openbare lichamen zullen blijven, zal onder meer afhangen van de mate waarin afwijkende regelingen nodig zijn." Die vijf jaar zijn inmiddels voorbij en bij het beleidsdebat over de evaluatie is de kwestie aan de orde geweest dat hier feitelijk nog steeds huiswerk ligt. Er zijn wel verschillende evaluaties geweest die de uitwerking van die nieuwe structuur hebben onderzocht, maar de structuur als zodanig niet. Evenmin is bepaald wat het staatsrechtelijke eindmodel zal zijn. In de memorie van antwoord van 19 februari 2013 betoogt de regering nog omstandig dat met de hier voorgestelde grondwetswijziging op geen enkele wijze op de keuze voor een eindmodel wordt vooruitgelopen. Op de vraag van de leden van D66 of de regering de optie van de gemeente als eindmodel nog steeds als levensvatbare optie ziet, antwoordt de regering bevestigend. Vervolgens verwijst zij steeds weer naar de evaluatie. In antwoord op een vraag van de ChristenUnie heb ik nog een citaat: "de regering ziet dit wetsvoorstel als een goede inpassing in bestaande structuren, maar of het ook een duurzame inpassing is, is afhankelijk van de vraag of na de evaluatie wordt gekozen voor het model van een openbaar lichaam, in de zin van artikel 132a, dan wel voor het model van gemeenten."

Inmiddels hebben wij de evaluaties achter ons liggen en constateren wij dat de regering de discussie over de staatkundige structuren helemaal niet wil voeren, maar liever wil spreken over de uitwerking. Die is namelijk voor de mensen op de eilanden van direct belang. Mijn fractie kan daarin meevoelen, alhoewel ik zo dadelijk nog een opmerking op dat punt heb. Het is wel onbevredigend dat er jarenlang wordt vooruitgewezen naar een evaluatie, die zal uitmonden in een te kiezen eindmodel voorde staatkundige positie van de drie eilanden, en dat die specifieke evaluatie vervolgens ontbreekt, er geen discussie over plaatsvindt en het gewenste eindmodel simpelweg niet wordt vastgesteld. Ik ontkom er niet aan om aan de regering te vragen of zij nog van zins is om de structuur als zodanig te evalueren, het gesprek over het gewenste eindmodel te openen en tot een conclusie op dit punt te komen. Als zij daartoe bereid is, horen wij graag hoe die eruit zal zien en op welke termijn die kan worden gerealiseerd. Als zij daartoe niet bereid is, heeft zij dan niet de facto gekozen voor het model van een openbaar lichaam als gewenst eindmodel? Dat zal dan immers het model zijn totdat ooit een andere regering besluit om wel tot evaluatie, discussie en mogelijke aanpassing over te gaan. Voor de duidelijkheid, mijn fractie heeft geen wezenlijk bezwaar tegen dat eindmodel, maar wel tegen een stilzwijgende vastlegging ervan, terwijl jarenlang evaluatie en discussie hierover waren toegezegd. Waarom kiest de regering niet voor de koninklijke weg van het vervullen van een belofte en van een transparant proces in plaats van ons op een toch wat slinkse wijze in een besluit te frommelen?

De tweede vraag komt niet alleen voort uit het huidige wetsvoorstel, maar ook uit ons recente beleidsdebat en de daarin vrijwel unaniem aangenomen motie over het sociaal minimum. Ik kan er niet helemaal omheen, gezien het feit dat de minister blijkens een recente brief die motie niet heeft willen begrijpen. Het gaat me niet zozeer om de inhoud op dit moment, want we komen daaroverzeker nog te spreken. Hoe moeten wij, in het licht van die discussie, artikel 132a, lid 3 verstaan? In dat artikel is de differentiatiebepaling opgenomen die tot nu toe in het Statuut artikel 1, lid 2 staat. Ik citeer: voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland. Het is wat algemener geformuleerd dan de differentiatiebepaling in het Statuut, maar de kern is dezelfde.

De vraag die dan opkomt, is of er een wezenlijk onderscheid is tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland, waardoor de regering kan verantwoorden dat zij voor Caribisch Nederland op geheel andere wijze een sociaal minimum definieert, dat bovendien zodanig wordt vastgesteld dat geen mens erfatsoenlijk van kan leven. Het is niet zo vreemd dat de Kamer zich op dit punt zo stellig heeft uitgesproken, net als bij de discussie over het kiescollege. In beide gevallen gaat het immers om de vraag of wij, rekening houdend met alle verschillen die er nu eenmaal zijn, kunnen garanderen dat alle burgers in ons land dezelfde rechten hebben. Ik hoef de minister er niet aan te herinneren dat dat ook de kern is van artikel 1 van de Grondwet. Als de regering bij een zo belangrijke kwestie als het basale levensonderhoud en een zo duidelijke uit-spraakvande Kamer de argumentatie negeert en haareigen weg blijft gaan met een volstrekt andersoortige definitie van het sociaal minimum, horen wij met het oog op de wetsbehandeling van vandaag graag wat de minister nu precies verstaat onder de differentiatiebepaling. Is die een vrijbrief om de burgers op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba anders te behandelen dan de burgers van Ameland of Amsterdam? Wij hebben behoefte aan een wat steviger toelichting van de minister en zullen op de inhoud, zoals gezegd, op een ander moment zeker terugkomen.

We zien uit naar de antwoorden van de minister. We hopen dat hij het zinledige wetsvoorstel van tafel haalt voordat wij erover moeten stemmen en dat hij op onze vragen naar het eindmodel en de differentiatiebepaling constructieve antwoorden kan geven.

©

M.P. (Meta)  MeijerMevrouw Meijer (SP):

Voorzitter. Al een aantal jaren zitten we te wachten op de wetsvoorstellen die nu voorliggen. Ik heb natuurlijk teruggekeken in verslagen van verschillende overleggen en brieven en kwam daarin ook nog de namen van voorgangers van mij tegen. Dat is eigenlijk wel wat gek, als je beseft dat destijds een wens werd uitgesproken die welbeschouwd maar op een manier kan worden uitgevoerd. De vraag was: hoe geef je de Nederlanders op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, de BES-eilanden, de mogelijkheid zich uit te spreken over de samenstelling van de Eerste Kamer? Aangezien zij op 10 oktober 2010 een openbaar lichaam zijn geworden, is dit namelijk te rechtvaardigen.

Onze regel is datje niet-Nederlanders geen invloed geeft op de nationale parlementen. Het is heel goed wanneer zij meedoen, meedenken en ook meestemmen voor de bestuurslaag die gaat over de directe leefomgeving, de gemeenteraad, maar nationaal beleid beïnvloeden is voorbehouden aan degenen met de Nederlandse nationaliteit. Stemmen op de Provinciale Staten kan dus niet, want die gekozen Statenleden kiezen weer deze Kamer. Ook op de BES-eilanden wonen natuurlijk niet-Nederlanders; ook voor hen moet gelden dat zij mogen stemmen voor de bestuurslaag die gaat over hun directe omgeving: de eilandsraad. Het stemmen voorde Eerste Kamer kun je dus niet een-op-een bij deze eilandsraad neerleggen.

Deze regel werd in eerste instantie over het hoofd gezien of minder belangrijk geacht, maar hier deed de Eerste Kamer zich gelden. Onze voorgangers wezen erop dat met het oorspronkelijke voorstel inwoners van niet-Nederlandse afkomst ofwel geen stem zouden kunnen uitbrengen op de eilandsraad ofwel invloed zouden krijgen op de samenstelling van ons nationale parlement. Geen van beide werd omarmd, waarna de minister een novelle ontwierp met daarin de naar de mening van de SP enige mogelijke oplossing. Die oplossing is om verschillende stembiljetten te maken: formulieren voor niet-Nederlanders, die een stem uitbrengen op de eilandsraad en formulieren met een toegevoegde waarde, die doorgaan vooreen uiteindelijke stem op de Eerste Kamer.

De SP vindt het een prima idee om nu dit besluit te nemen. Aangezien het een grondwetswijziging betreft, volgt er namelijk nog een tweede lezing door een nieuw gekozen Tweede Kamer en Eerste Kamer. Het is dus de hoogste tijd om er nu ja tegen te zeggen.

©

Th.C. (Thom) de GraafDe heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Laat ik beginnen met uit te spreken dat mijn fractie blij is deze minister weer in de Kamer te begroeten. De reden van deze blijdschap ligt in zijn herstelde gezondheid, niet per se in zijn politieke opvattingen of acties, al haast ik mij te zeggen dat de minister en wij het vandaag aardig eens lijken te worden.

Grondwetsherzieningen kosten in ons land altijd een lange tijd, als het al lukt om ze met succes af te ronden. Het procedurele voorschrift dat noodzaakt tot twee lezingen, waarvan de tweede plaatsvindt nadat de Tweede Kamer is ontbonden en door verkiezingen opnieuw is samengesteld en de eis van een tweederdemeerderheid in beide Kamers in de tweede lezing vormen maaral te vaakstruikelblokken. Het grondwetsherzieningsvoorstel waar wij vandaag over spreken zal het — ik durf daar een weddenschap op af te sluiten — wel gaan halen, ook in tweede lezing na 15 maart van het komende jaar. Ikzou bijna zeggen: dat is een uitzondering op de regel. Daarvoor was echter wel nodig dat de Eerste Kamer in een partijoverschrijdende en collectieve assertiviteit zowel de overzijde als de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties duidelijk maakte dat een fundamentele wijziging noodzakelijk was, wilde deze grondwetsherziening niet al in de eerste lezing sneuvelen.

Het is niet zonder slag of stoot gegaan. De minister heeft zijn oorspronkelijke voorstel lang en, mag ik zeggen, niet zonder enige onverzettelijkheid verdedigd. Wij allen, zowel de minister als de Eerste Kamer, herinneren ons diverse mondelinge en schriftelijke overleggen terzake. Het heeft enige tijd geduurd voor hij het hoofd boog en ik waardeer dat, want een voorstel tot grondwetswijziging wordt niet zomaar ingediend en dient dus ook koppig te worden verdedigd. Een belangrijk argument dat de minister in deze constitutionele schermpartij aanvoerde, was dat hij de opvattingen van de Tweede Kamer moest respecteren en niet tegen die Kamer in een novelle kon indienen. Ik begreep dat; de minister zou zo tussen hamer en aambeeld van het parlement komen. Gelukkig hebben wij zelf kunnen bewerkstelligen dat de voltijdparlementariërs in de Tweede Kamer bevattelijk bleken voor de opvattingen van hun parttimecollegae alhier. De minister kreeg hierdoor, zoals dat tegenwoordig heet, aanmerkelijk meer "comfort" en diende vervolgens voortvarend de novelle in. In dit proces, dat enkele jaren heeft geduurd — het oorspronkelijke voorstel werd op de maand af vier jaar geleden bij ons in de Eerste Kamer ingediend — is uiteindelijk geen kostbare tijd verloren gegaan. De eerste lezing wordt nu immers afgerond, ruim op tijd voor de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017; de eerstvolgende verkiezing van de Eerste Kamer staat pas voor juni 2019 op de rol.

Al met al heeft de Eerste Kamer middels de nagenoeg unanieme commissies voor Binnenlandse Zaken (BZK) en Koninkrijksrelaties (KOREL) — met uitzondering natuurlijk van de PVV, maar het is bijna overbodig om dat op te merken — duidelijkgemarkeerd wat haarwaarde in constitutioneel opzicht kan zijn. De regering schetste in de toelichting op het oorspronkelijke voorstel de strijdigheid tussen twee uitgangspunten: enerzijds dat slechts ingezetenen met de Nederlandse nationaliteit invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer en anderzijds dat niet-Nederlandse ingezetenen, ook ingevolge Europese jurisprudentie, niet mogen worden uitgesloten van actief en passief kiesrecht voor de dichtstbijzijnde bestuurslaag, in casu de eilandsraden van de BES-eilanden. De keuze van de regering was om, zeker voor de time being, het eerste uitgangspunt te laten prevaleren en daarmee niet-Nederlandse ingezetenen het recht om aan eilandsraadverkiezingen deel te nemen, te ontzeggen. De oplossing in dit dilemma, waar al in een vroeg stadium in deze Kamer op werd aangedrongen, is een apart kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer. Dat is wellicht niet fraai in termen van rompslomp — het gaat om een klein aantal kiezers en het moet wel allemaal worden opgetuigd — maar wel principieel juist, om beide uitgangspunten te honoreren. Ik ben blij dat deze oplossing nu voorligt en mijn fractie zal deze van harte steunen.

Ik vraag de minister in dit kader om een nadere toelichting: hoe gaat hij nu om met wetsvoorstel 33900, waarin nog wordt uitgegaan van de gedachte dat de eilandsraden als kiescollege voor de Eerste Kamer optreden? Ik zou intrekking van dit voorstel logisch vinden, zodat wij niet in de positie worden gebracht dat wij tegen zouden moeten stemmen.

Bijna zou ik vergeten dat het voorstel tot grondwetsherziening in de kern om iets anders gaat, namelijk om de vastlegging van de constitutionele positie van de drie eilanden. Het model waarvoor is gekozen, houdt de mogelijkheid open dat de wet de eilanden de positie geeft van gemeenten. Gebeurt dat, dan zou het voorgestelde artikel 132a deels zijn betekenis verliezen en in een volgende herzieningsronde weer uit de Grondwet kunnen worden gehaald, zoals al in de memorie van antwoord uit 2011 staat. Inmiddels is echter gebleken — dat is denk ik wel evident — dat voor de afzienbare termijn de gemeentelijke status geen reële optie is vanwege de uitzonderlijke omstandigheden die de eilanden definiëren in vergelijking met de gewone gemeenten in Europees Nederland. De evaluatie van de commissie-Spies geeft op geen enkele maniervoedsel voor de gedachte dat daar op korte of zelfs middellange termijn verandering in komt. Op zichzelf heeft de heer Ganzevoort gelijk: dit zou eigenlijk onderdeel moeten zijn van een veel bredere, grote evaluatie. De Kamer heeft mij daarover meerdere malen horen spreken, recentelijk nog in het debat over de Staat van het Koninkrijk. Toch denk ik dat we ons nu moeten neerleggen bij de voorgestelde vastlegging van de status van openbaar lichaam. Daarbij is overigens relevant dat het voorstel tevens uniformiteit nastreeft door alle bepalingen die gelden voor gemeenten van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Het fundamentele verschil blijft natuurlijk dat de openbare lichamen "provincieloos" zijn, als dat een woord is — het klinkt eigenlijk wel goed; moeten we vaker doen — en aan afwijkende regelgeving onderworpen kunnen worden. Strikt genomen had ook artikel 134 van de Grondwet voldoende rechtsbasis voor de aanwijzing van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba tot openbare lichamen kunnen vormen. De Raad van State wees daar jaren geleden al op, maar met de Tweede Kamer en uiteindelijk ook de regering vindt ook mijn fractie het toch wenselijk dat de drie eilanden een eigen constitutionele vernoeming en positie in de Grondwet krijgen. Artikel 134 is bovendien eigenlijk niet bedoeld voor territoriale lichamen.

Ik zou de minister van Binnenlandse Zaken nog wel willen vragen of hij de woorden van zijn voorganger Donner, die het oorspronkelijke voorstel tot grondwetsherziening indiende, namelijk dat er op de eilanden zo veel andere rechtsregels gelden dan in het Europese deel van Nederland dat er sprake is van twee gescheiden rechtsordes, nog steeds van toepassing acht. Is dat naar zijn oordeel inderdaad nog zo? Dient dat ook zo te blijven? Mijn fractie meent dat er alle reden is om de eilanden steeds op een bijzondere manier te beschouwen, gelet op de in artikel 132a genoemde bijzondere omstandigheden, maar is ook van oordeel dat het in stand houden van gescheiden rechtsordes geen doel op zichzelf is. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat waar de voor de gemeente geldende regelgeving van toepassing is op de eilanden, daargoede gronden voorzijn, juist omdat ze onderdeel van Nederland zijn, en om dat waar dat niet zo is en nog betere gronden zijn, niet te doen. Die betere gronden zijn overigens vaak aanwezig en zouden in het algemeen aanleiding moeten geven tot legislatieve terughoudendheid. Daar spraken we ook al over in het laatste debat dat we voor het zomerreces met de minister hadden. Graag ontvang ik de reactie van de minister. Die wacht ik, zoals gebruikelijk, met grote belangstelling af.

©

Ch. (Christine)  TeunissenMevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. We bespreken vandaag een monumentaal proces, namelijk de verankering van de staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba in de Grondwet. De Partij voor de Dieren is verheugd dat de Eerste Kamer heeft gewacht totdat de evaluatie van de nieuwe staatkundige verhoudingen in deze Kamer heeft plaatsgevonden. Echter, de discussie is nog niet gevoerd over de staatkundige structuur. Gaan wij die discussie nog voeren? Op welke manier krijgt deze discussie gevolg?

Mijn fractie hecht eraan dat de rechtsgelijkheid die voor de eilanden wordt nagestreefd, op meer niveaus gestalte krijgt dan alleen op onderwerpen die vanuit menscentraal korte-termijnperspectief van belang zijn. Immateriële waarden lijken in een aantal opzichten een tweederangs behandeling te krijgen ten opzichte van de rest van Nederland. Dat is voor mijn fractie een zeer grote zorg. Voor Caribisch Nederland geldt geen wetgeving die vergelijkbaar is met de Wet dieren. Legislatieve terughoudendheid is een mooi principe dat in de praktijk vooral op enkele punten de uitwerking krijgt van een lethargische houding, van laisser-faire, helaas. Onze Grondwet is gebaseerd op het antidiscriminatiebeginsel, een gelijke behandeling onder gelijke omstandigheden. Elke vorm van rechtsongelijkheid binnen Nederland zou wat mijn fractie betreft vermeden en bestreden moeten worden, ook waar het gaat om de rechten van dieren, natuur en milieu. Het zou voor een dier niet uit moeten maken in welk deel van Nederland het woont. Dat het uitmaakt qua weer is uit te leggen, maar qua beschermingsregime niet. Hooguit voor een overgangsfase zou het kunnen gelden.

In Caribisch Nederland geldt op het terrein van dierenwelzijn slechts een beperkt aantal strafrechtelijke bepalingen op het terrein van dierenmishandeling en verwaarlozing. De openbare lichamen hebben op grond van de Wet openbare lichamen BES een autonome verordenende bevoegdheid voor onderwerpen die niet door de nationale wetgever zijn geregeld, waaronder het dierenwelzijn. Met de staatsrechtelijke hervorming krijgt de overheid de kans, en wat ons betreft de plicht, om de koraalriffen, nevelwouden en andere Caribische natuur te beschermen en te beheren.

Deze maand wordt het mooiste natuurgebied van Nederland gekozen. Een van de dertien genomineerde natuurgebieden is Saba. Op Saba, een bijzondere gemeente van Nederland, zoals we hier allen weten, is het Saba National Marine Park door de jury geselecteerd. Het gaat om een zeereservaat en een nationaal park van in totaal 1.300 hectare op en rond het eiland. Sinds 1987 is dit gehele gebied al nationaal park.

Ik geef graag een stemverklaring af. Mijn hele fractie heeft gestemd op Saba, niet alleen omdat het een van de mooiste natuurgebieden van ons land is, maar ook omdat het een van de meest bedreigde en minst beschermde natuurgebieden van ons land is. Staatkundige samenwerking zou zich niet moeten beperken tot geldstromen en dode letters in wetboeken, ookal staan ze in de Grondwet. In grondwetten kun je niet wonen, in grondwetten kun je niet wandelen, in grondwetten kan bedreigde natuur niet overleven. Daarom roep ik de minister op om het niet bij mooie woorden in de Grondwet te laten, die wij vandaag markeren, maar om voor de natuur en andere kwetsbare waarden een geen-woorden-maar-dadenbeleid te laten gelden. Tussen droom en daad kunnen praktische bezwaren in de weg staan, maar laten we in wetgeving en de uitvoering daarvan alles doen om dromen waar te maken voordat ze geschiedenis zijn.

De dodo had tot de komst van Nederlandse kolonisten op Mauritius geen natuurlijke vijanden en een prachtig leven. Helaas heeft de komst van onze voorouders voor de dodo een slechte afloop betekend. Laten we voorkomen dat de natuur op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba vervliegt tot mooie herinneringen, maar bescherming bieden nu dat nog kan en hard nodig is. Laten we dieren, natuuren milieu op de drie eilanden nu echt behandelen alsof ze deel van Nederland uitmaken, want dat doen ze.

©

H. (Henk) ten HoeveDe heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Een dag na 10-10-16 en dus zes jaar na 10-10-10 kunnen wij hier nu spreken over het in de Grondwet van het land Nederland opnemen dat de Caraïbische eilanden als territoriale openbare lichamen anders dan provincies en gemeenten bij wet kunnen worden ingesteld en trouwens ook opgeheven. Nu met de novelle op stuk nr. 34341 geregeld is dat de eilandraden open blijven staan voor ingezeten niet-Nederlanders, maareraparte kiescolleges komen voor de verkiezing van de Eerste Kamer, kan deze zaak afgewerkt worden. Als de drie eilanden onderdeel zijn van het land Nederland, hoort ook hun positie in de Grondwet van het land Nederland geregeld te worden en niet meer provisorisch in het Statuut. Dat de eilanden deel uitmaken van het land Nederland is de reëel bestaande situatie. Het lijkt ook noch van hieruit, noch vanuit de eilanden zelf zinvol om daar nu vraagtekens bij te zetten. Niemand weet wat de toekomst kan brengen, maar om nu in een partijprogramma de Koninkrijksordening op losse schroeven te zetten door een gemenebestconstructie te opperen, waarbij zelfs de drie minuscule eilanden waarover wij vandaag spreken, als zelfstandige gemenebestlanden zouden moeten kunnen functioneren, lijkt toch wel bezijden elke denkbare realiteit of wenselijkheid. De opgave nu is toch juist om af te maken waar wij mee begonnen zijn: de drie eilanden volwaardig deelgenoot te laten wezen in het land Nederland? Voorlopig legt ons dat nog genoeg verplichtingen op waaraan wij nog niet voldaan hebben en waar dus werk van moet worden gemaakt.

De minister heeft in de Tweede Kamer bijvoorbeeld opnieuw verklaard dat de staatssecretaris van Sociale Zaken bezig is met het ontwikkelen van een ijkpunt voor bestaanszekerheid, dat dan afgeleid zou moeten worden van het minimumloon. Wij hebben daar met deze minister eerder over gesproken en toen ook al geconstateerd dat zo het paard achter de wagen wordt gespannen, want natuurlijk moet niet het minimumloon de norm wezen voor de bestaanszekerheid, maar hoort de bestaanszekerheid de norm te wezen voor de beoordeling van het minimumloon. Het is dus te vroeg om nu al te kunnen roepen, zoals we eerder wel gedaan hebben over een toenmalig rijksdeel: daar is wat groots verricht! Dat moet nog. Met dit begin van de procedure voor grondwetsaanpassing onderstrepen we wel weer uitdrukkelijk onze verantwoordelijkheid voor de drie eilanden, de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid, ook dus voor hun bestaanszekerheid en ook voor hun mogelijkheden om vanuit eigen autonomie zichzelf te kunnen zijn en te blijven.

Ook in de beoogde grondwetswijziging wordt de mogelijkheid gegeven om middels aparte regelgeving rekening te houden met bijzondere omstandigheden, waardoor deze openbare lichamen zich onderscheiden van het Europese deel van Nederland. Het lijkt mij zinvol deze mogelijkheid om verschil te maken niet vooral te willen gebruiken om daar met sociale regelingen goedkoper uit te zijn dan hier. De Raad van State heeft er in 2012 nog eens speciaal op gewezen dat er misschien wel vooral in cultureel opzicht onderscheid is ten opzichte van het Europese deel van Nederland. Dat de beoogde grondwetstekst mogelijkheden geeft om daar rekening mee te houden, lijkt mij een beter uitgangspunt.

Ik ben blij dat we met deze wetten de drie eilanden op termijn een grondwettelijke plaats in ons land kunnen geven. Ik zal graag voor het wetsvoorstel en de novelle stemmen, in de hoop dat we later echt met recht kunnen constateren dat er wat groots werd verricht.

©

P. (Peter)  EsterDe heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Het doet mijn fractie deugd dat de minister, na een ingrijpende operatie eerder deze zomer, vanmiddag weer achter de regeringstafel zit. Wij wensen hem een voorspoedig verder herstel.

De BES-eilanden gaan mijn fractie zeer ter harte. Wij zijn dan ook blij met de novelle waarmee de staatkundige positie van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba als openbare lichamen grondwettelijk wordt verankerd, althans — dat moet benadrukt worden — op het punt van het toekennen van het kiesrecht voor de Eerste Kamer, en wel via aparte kiescolleges naast de eilandsraden. Dit trekt het dreigend democratisch deficit tussen Nederlandse en niet-Neder-landse ingezetenen recht. We willen immers niet-Nederlanders op de eilanden niet het kiesrecht ontnemen voor de meest nabije bestuurslaag conform onze gemeenteraadsverkiezingen, maar we willen anderzijds niet dat niet-Nederlanders via hun kiesrecht de samenstelling van de Eerste Kamer kunnen beïnvloeden. Dat is een constitutioneel dilemma. Ons oordeel is dat onze Kamer in dit dossier sterk heeft geopereerd, ook over de partijgrenzen heen. Het werd net al even gememoreerd.

De vorming van aparte kiescolleges is een eenvoudig maar toch ook wel treffend compromis. Wat is het jammer dat dit alles weer lang heeft moeten duren! Maar met het aannemen van de novelle kunnen de reguliere verkiezingen van onze Kamer in mei 2019 met volledige inbreng van onze landgenoten op de BES-eilanden plaatsvinden, en dit alles in overeenstemming met de grondwettelijke vereisten die gelden voor de getrapte verkiezingen van Provinciale Staten in het Europese deel van Nederland. Wel moeten er dan twee stemmen in plaats van één stem worden uitgebracht. Wij gaan ervan uit dat het wetsvoorstel 33900 wordt ingetrokken. Mijn fractie hoort graag de reactie van de minister daarop.

Ik vraag de minister ook of hij met ons wil delen hoe de procedure rond het stemmen via aparte kiescolleges praktisch in zijn werk zal gaan. Komt er één kiescollege voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba of komt er één kiescollege per openbaar lichaam, dus per eiland? De gekozen oplossing is fraai, maar de operationele uitwerking en de communicatie daarover dienen uiteraard vlekkeloos te verlopen. Daarvoor is gelukkig tijd. Hoe ziet de minister het implementatietraject? Hoe verloopt het overleg hierover? Welke uitvoeringswetgeving is daarbij te verwachten? De vraag is dan vooral ook wanneer we die uitvoeringswetgeving kunnen verwachten. Ik hoor het graag.

Mijn fractie constateert dat Sint-Eustatius na enig duw- en trekwerk kan instemmen met het wetsvoorstel. Hoe ligt dit voor de andere twee eilanden? Die vraag stel ik ook gezien de uitslag van het referendum op Bonaire. Wil de minister ons op dit punt bijpraten?

De minister stuurde op 18 december 2014 een brief naar de Tweede Kamer waarin opties rond een te vormen kiescollege werden verkend. Kan hij aangeven welke keuzes hij inmiddels zelf heeft gemaakt, juist als het gaat om de operationele afwikkeling en het borgen van correcte verkiezingsprocedures? Denk daarbij ook aan het berekenen van de stemwaarde.

De minister laat niet na te verklaren dat met deze novelle de huidige constitutionele positie van de eilanden als openbare lichamen niet beklonken wordt. Het gaat vooralsnog alleen om een grondwettelijke regeling voor het kiesrecht voor de eilandsraden en de Eerste Kamer. De regering liet steeds het staatsrechtelijke eindmodel open voor de constitutionele verankering van Caribisch Nederland, mede in afwachting van de evaluatie van de nieuwe staatkundige verhoudingen na 10-10-10. Collega De Graaf ging daar al op in. De commissie-Spies heeft deze evaluatie daadkrachtig ter hand genomen en kwam met een gedegen advies, waarover we in juni van dit jaar uitvoerig met de minister hebben mogen debatteren. De commissie vond een evaluatie na vijf jaar te kort voor een drastische herziening van de institutionele verhoudingen tussen Caribisch en Europees Nederland. Wij hebben daar begrip voor, maar het eindmodel ligt nog steeds open. Ook collega Ganzevoort ging in zijn bijdrage in op deze kwestie. Dit terwijl artikel 134 van de Grondwet, als ik het goed zie, slechts een tijdelijke basis biedt voorterritoriale of functionele decentralisatie. Deze Kamer heeft herhaaldelijk aangedrongen op explicitering van het staatsrechtelijke eindmodel, de constitutionele stip op de horizon. Wat is de visie van de minister op de beoogde staatsrechtelijke status van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba op langere termijn? Blijven deze eilanden openbare lichamen? Wat zijn de overige modaliteiten? Hoe communiceert hij hierover met de eilanden zelf? Wil hij in dit dossier nog stappen zetten of laat hij dit aan een volgend kabinet over? Kortom, ikvraag naarde ambitie en visie van een minister van Koninkrijksrelaties in zijn laatste jaar als lid van dit kabinet. Ik wacht de antwoorden graag af.

De voorzitter:

Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan geef ik het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maar niet dan nadat ik hem heb gevraagd of hij in staat is om meteen te antwoorden. Dat is het geval.

©

R.H.A. (Ronald)  PlasterkMinister Plasterk:

Mevrouwde voorzitter. Ikdankde Kamervoorde bereidheid dit onderwerp nu te behandelen. Dat heeft tot gevolg dat de grondwetswijziging voordat de Tweede Kamer wordt ontbonden — naarwij aannemen gebeurt dat volgend jaar maart — in eerste lezing door beide Kamers is aangenomen, opdat in een volgende periode in tweede lezing deze grondwetswijziging kan worden behandeld, zodat in 2019, bij de eerstvolgende gelegenheid voor de verkiezingen van de Eerste Kamer, de Nederlanders die wonen in het Caribisch deel van het land Nederland, namelijk op Bonaire, Statia en Saba, ook volledig stemrecht hebben voor de Eerste Kamer. Dat hebben zij overigens nu al voor de Tweede Kamer. Aangezien zij niet in een provincie wonen, stemmen zij niet op Provinciale Staten. Zij zijn dus niet in staat om op die manier hun stem voor de Eerste Kamer uit te brengen. Maar na deze grondwetswijziging kunnen zij dat wel doen via de stem voor het kiescollege. Ik kan u zeggen dat het naar goed gebruik voor een tweede lezing zal worden ingediend bij de nieuwe Tweede Kamer, zodra deze is geïnstalleerd. We zullen er dus vaart achter zetten.

De regering heeft conform de wensen van de Eerste Kamer een novelle ingediend waarmee ervoor wordt gezorgd dat vreemdelingen woonachtig in het Caribisch deel van Nederland, die natuurlijk niet indirect stemrecht kunnen krijgen voor de Eerste Kamer, wel hun stemrecht houden — zij hebben dat reeds eenmaal gehad — voorde eilandsraad. De Tweede Kamer hechtte daar niet zo aan. Maar nu de heer De Graaf ernaar verwijst, is het misschien goed om de credits te geven aan voormalig D66-Kamerlid mevrouw Hachchi, die inderdaad in de Tweede Kamer het signaal heeft opgepikt dat in brede kring in de Eerste Kamer aan de orde werd gesteld. Mevrouw Hachchi heeft mij verzocht om deze novelle in gang te zetten. Dat heb ik gedaan.

Hoofdzaakvan de behandeling hier is dat we in eerste lezing stemrecht geven aan een groep Nederlanders, woonachtig in het Caribische deel van Nederland. De reden waarom we dit wat later doen, is dat we het nu zo hebben ingericht, dat ook de buitenlanders daar het stemrecht voor het lokaal bestuur kunnen behouden. Daarmee is wetsontwerp 33900 vanzelfsprekend ingetrokken. Mevrouw Van Bijsterveld en anderen hebben daarnaar gevraagd. Dat is bij dezen dus het geval.

Over een aantal onderwerpen kan ik het nodige zeggen; ik kan dat echter het beste doen naar aanleiding van de gestelde vragen. Wat mij betreft doen we dat dus in één keer. Dan krijgt degene die het eerste het woord heeft gevoerd weliswaar de meeste antwoorden op zijn of haar gestelde vragen, maar andere leden hebben sommige vragen ook gesteld. Ik hoop dat de leden dit niet bezwaarlijk vinden.

Mevrouw Van Bijsterveld vroeg of de wijzigingen die zijn opgenomen in wetsontwerp 33268, nog een aparte inwerkingtreding vereisen. Dat is niet het geval, zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van november 2014. Daarmee is het actief en passief kiesrecht voor vreemdelingen toegekend. Dat kan blijven bestaan nu we er via een kiescollege voor zorgen dat uitsluitend de Nederlanders het stemrecht verkrijgen voor de Eerste Kamer.

Mevrouw Van Bijsterveld vroeg ook of er een reactie is gekomen van het nieuw gekozen eilandsbestuurop Bonaire. Dat is niet het geval. Ze hebben er wel om gevraagd, maar ze zijn er nog niet aan toegekomen.

Gevraagd is verder of ik bereid ben om over de uitvoeringswet en over de tweede lezing in overleg te treden met de eilandsbesturen. Het antwoord daarop is vanzelfsprekend "ja". Ik zeg dat dus toe.

Ook is er een vraag gesteld over het gebruik van het woord "Caribisch" versus "Caraïbisch". Ik heb het er even op nageslagen en volgens de Taalunie zijn beide toegestaan. In andere wetgeving wordt het woord "Caribisch" gebruikt. Ik heb mij inmiddels aangewend om dat ook te gebruiken. Maar netzoals mevrouwVan Bijsterveld, was mijn aanvankelijke neiging om over "Caraïbisch" te spreken. In deze wet en in de Grondwet spreken wij echter over het Caribische deel van Nederland.

Dat brengt mij tot de inbreng van de heer Ganzevoort. Hij sneed een aantal belangwekkende punten aan, zoals de vraag of hiermee nu een eindsituatie is gecreëerd. Hij heeft gelijk dat wij vooruit hebben gewezen en hebben gezegd dat wij eerst het oordeel van de evaluatiecommissie-Spies willen afwachten alvorens ons vast te leggen op de vraag of dit nu een stabiele situatie is. Zoals de heer De Graaf ook memoreerde, geeft het advies van de commissie-Spies op geen enkele manier aanleiding om de huidige situatie te heroverwegen. Ik hecht er wel aan om te benadrukken dat wat we nu grondwettelijk vastleggen, voor de gewone wetgever de ruimte laat om bij een andere gelegenheid te besluiten dat openbare lichamen alsnog gemeenten worden. De heer De Graaf gebruikte het woord "provincieloos". Ik zou eerder het woord "provincievrij" gebruiken. Het kan hoe dan ook worden heroverwogen door de gewone wetgever. We hebben bewust geprobeerd daar niet op vooruit te lopen. Ik heb op dit moment echter geen enkele reden om aan te nemen dat de openbare lichamen het op prijs zouden stellen zich bij een provincie te voegen. Het belangrijkste praktische verschil op dit moment, te weten het stemrecht voor Provinciale Staten, is met dit grondwetsvoorstel in eerste lezing in ieder geval opgelost.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Op zichzelf kunnen we ons in dit eindmodel vinden. Maar elk eindmodel is voorlopig totdat er weer iets anders komt. Het lijkt ons wel handig om daarin duidelijk te zijn in de zin van: zoals het er nu voorstaat, is dit het eindmodel waarvoor we de facto hebben gekozen. Er is geen plan om dat nog verder te evalueren of om er verder over te discussiëren en er is niet het vooruitzicht dat het nog iets anders gaat worden. Dat kan natuurlijk altijd nog een keer gebeuren, maar voorlopig is dit het eindmodel.

Minister Plasterk:

Ikzou het woord "eindmodel" niet willen gebruiken. Als we naar de verhoudingen in het Caribische deel van het Koninkrijk kijken, zien we dat die voortdurend in beweging zijn. Als de heer Ganzevoort echter bedoelt dat het kabinet op dit moment niet de intentie heeft om dat model te veranderen, zeggen we hetzelfde en onderschrijf ik dat.

Voorts vroeg hij naar de differentiatiebepaling. Hij constateerde zelf al dat die eigenlijk alleen maar is verhuisd van het Statuut naar de Grondwet. Hij ondersteunt die verhuizing en het feit dat de termen daarvan nog iets algemener zijn gehouden. Hij koppelt dat echter aan een vraag waar ik bij deze grondwetswijziging van weg zou willen blijven, te weten of dat wat de differentiatiebepaling stelt, in een individueel geval wel of niet van toepassing zou zijn. Het is aan de gewone wetgever om dat van geval tot geval te beoordelen. Ik denk dat we het daarover eens zijn. Ik wil hem voorstellen om een debat over een individuele casus niet bij deze grondwetswijziging te voeren.

Dat brengt mij bij mevrouw Meijer die, behalve de zojuist genoemde punten, voor een deel dezelfde vragen heeft gesteld. Ze vroeg naar de formulieren die gebruikt gaan worden en naarde praktische manier waarop de verkiezing vormgegeven zal worden. Ik ben het met haar eens dat dit aandacht behoeft, want voor de mensen op de eilanden is dit natuurlijk maar een klein verschil. Zo zou het kunnen gebeuren dat de samenstelling van het kiescollege qua personen identiek is aan de samenstelling van de eilandsraad. Waarom wordt er dan twee keer gestemd? We zullen dat goed moeten uitleggen. Ik moet daarop terugkomen — ik zeg "ik" maar we laten het maar even aan de sterren of ik dat ben of mijn rechtsopvolger — bij de invoeringswet, die gekoppeld wordt aan de tweede lezing van de grondwetswijziging die nu voorligt. Ik ben het ermee eens dat dit punt nadere uitwerking behoeft.

De heer De Graaf sprak over de gemeentelijke status. Ik meen dat hij en de regering op dezelfde lijn zitten, ook ten aanzien van de duiding van de conclusies van de commissie-Spies. Er is geen acute aanleiding om nu tot staatkundige wijzigingen over te gaan. Meer aandacht is nodig op al die andere terreinen waar nog zo ontzettend veel moet gebeuren. Dat is overigens ook het antwoord op de vraag van de heer Ester. Mijn ambitie in het halfjaar dat ik nog missionair ben — wie weet mag ik daarna nog een aantal maanden demissionair deze mooie portefeuille beheren — ligt niet in nadere staatkundige wijzigingen voor wat betreft Caribisch Nederland, maar veeleer in het uitvoering geven aan programma's op het gebied van kinderrechten, economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling, infrastructuur en dergelijke. Vanmiddag wordt aan de overkant de begroting van Koninkrijksrelaties behandeld. Over dit soort thema's zal ik met die Kamer van de Staten-Generaal dus nog in gesprek gaan.

De heer De Graaf stelde mij ook een gewetensvraag. Mijn geachte voorganger, de heer Donner, zei dat er sprake was van twee gescheiden rechtsordes en dat dit, als dat al zo was, geen doel op zich zou moeten zijn. Ik wil niet terugkomen op wat hij heeft gezegd, maar ik geloof dat ik erg op de lijn zit van de heer De Graaf. Je kunt hetzelfde ookvanaf de andere kant belichten en zeggen: de rechtsordes zijn gelijk, tenzij er een reden is om verschillende rechtsordes te hebben. Dat is de kwestie van een halfvol of halfleeg glas en ik zou daarvan weg willen blijven. Vanuit de kant van de legislatieve terughoudendheid heeft hij terecht beoogd te benadrukken dat niet alles wat we in Nederland bij wet vastleggen, automatisch tot de rechtsorde op die kleine eilanden in de Cariben behoort. Zodra het echter gaat om de rechten en plichten van burgers, zullen we toch denken: we zijn allemaal Nederlanders onder dezelfde zon, zij het op een ander moment van de dag. Dan staat juist de gemeenschappelijke rechtsorde voorop. Ik kan met beide interpretaties uit de voeten: het zijn twee kanten van dezelfde munt. Ik zou gescheiden rechtsordes nu niet benadrukken.

Mevrouw Teunissen vroeg naar de staatkundige structuur. Ik heb daar zojuist antwoord op gegeven. Ik zal zo nog nalopen of ik vragen heb overgeslagen.

Mevrouw Teunissen legde de nadruk op de natuur en het dierenleven op Saba. Ze gaf zelfs een stemverklaring voor het mooiste natuurgebied in het Koninkrijk. Ik begeef mij in staatkundig ondiep water als ik hier ook een stemverklaring zou geven, dus dat zal ik niet doen. Feit is wel dat van de diersoorten in het Koninkrijk de helft voorkomt op de koraalriffen in Saba, dus dat is een bron van grote diversiteit. Ik stel het zeer op prijs dat de PvdD bij deze gelegenheid nog eens aandacht heeft gevraagd voor dat mooie deel van het Koninkrijken de natuur daar. Mevrouw Teunissen sprak ook over de dodo, de dappere dodo. In mijn eigen partij is erop dit moment meeraandachtvoorde dappere Dido dan voor de dappere dodo. Die gaat het nog heel verschoppen, maar vanuit vak-K kunnen wij op dit moment niets meer betekenen voor de dappere dodo.

De heer Ten Hoeve van de OSF stelde vragen die ik zojuist al heb beantwoord. Hij gaf bespiegelingen over het belang van de wijziging die nu voorligt. Wij onderschrijven die. Het blijft toch een Grondwetsverandering. Daarmee is die altijd van groot belang. Hij heeft gelijk als hij stelt dat veel voorgenomen grondwetsveranderingen uiteindelijk de tweede lezing toch niet halen, soms zelfs de eerste lezing al niet. Deze haalt in ieder geval de eerste lezing. Zoals verschillende geachte afgevaardigden hebben opgemerkt, mag je er dan van uitgaan dat die ook de tweede lezing haalt. Dan is dit toch een belangrijk moment.

De heer Ester vroeg of er een of meer kiescolleges moeten komen en of de regering daar een opvatting over heeft. Ik heb dat in het voorstel bewust in het midden gelaten. De gewone wetgever kan zich daar nog eens op beraden, ook omdat de interesse — dat is jammer — vanuit de bestuurscolleges als het gaat om de drie openbare lichamen wat dit thema betreft niet verpletterend was tot dusverre. Ik kreeg dus geen uniform, unisono antwoord op de vraag of zij de voorkeur gaven aan één kiescollege of aan meer kiescolleges. Het moet allemaal ook nog worden georganiseerd. Er zitten wat dat betreft twee kanten aan. Je kunt het simpel houden en voor één kiescollege gaan, maar anderzijds liggen de openbare lichamen voor een deel 900 kilometer uit elkaar en je wilt toch ook herkenbaarheid en lokale verankering. Die argumenten zullen te zijner tijd door de gewone wetgever moeten worden gewogen. De grondwetswijziging laat beide mogelijk. Dat is ook de bedoeling geweest.

Ik heb antwoord gegeven op de vraag van de heer Ester of wij nog ambities hebben voor een andere wettelijke inbedding van de openbare lichamen. We hebben heel veel ambities met Caribisch Nederland, ook komend halfjaar, maar die hebben vooral betrekking op andere terreinen.

Voorzitter. Dat was het volgens mij.

De voorzitter:

Ik heb u horen zeggen, minister, dat u wetsvoorstel 33900 intrekt. Daar krijgen wij nog een brief over?

Minister Plasterk:

De vraag stellen is hem beantwoorden. Ikzal ervoorzorgen dat daar een brief over komt, voorzitter.

De voorzitter:

Het was ook een leading question.

Dan zijn wij toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Het woord is aan mevrouw Van Bijsterveld.

©

S.Ch. (Sophie) van BijsterveldMevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. In eerste termijn heb ik namens de fracties van CDA en VVD al steun uitgesproken voor de combinatie van beide grondwetsherzieningsvoorstellen. Die herhaal ik graag. Het verheugt ons ook dat de regering van zins is wetsvoorstel 33900 in te trekken. Verder dank ik de minister voor de beantwoording van de overige vragen.

Ik wil nog wel een kleine verduidelijking. De minister heeft gezegd dat er geen apart besluit nodig is om de opgeschorte bepalingen omtrent actief en passief kiesrecht die nu gelden te laten herleven. Ik neem aan dat die pas herleven als het nu voorliggende voorstel in werking treedt, in combinatie met het daarbij behorende wetsvoorstel omtrent het kiescollege. Dat zou ik graag bevestigd zien.

Dan nog iets over de terminologie "openbaar lichaam", "bijzondere gemeente", en "het eindmodel". Wat ons betreft is dat vooral een semantische discussie. Wij kunnen goed leven met het model zoals dat nu voorligt. Wanneer het nodig is, zullen wij aanpassingen of voorstellen tot aanpassing op hun merites beoordelen.

©

R.R. (Ruard)  GanzevoortDe heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Ik kan kort zijn, maar niet zo kort van stof als de dodo tegenwoordig is. Ik vond de vergelijking met de partijleider van de minister wat riskant, maar wij zien wel hoe dat gaat aflopen.

Wij zijn blij dat wetsvoorstel 33900 van tafel is. De term "eindmodel"— maar een andere term mag van ons ook — is onder andere door de Raad van State indertijd al gebruikt. In het debat heeft die steeds een grote rol gespeeld. Op dit moment is duidelijk dat we met dit model verdergaan en dat er geen volgende stappen komen, maar dat kan dan ook maar beter zo zijn gezegd. Dan is het helder.

Dan nog een kwestie waarvan het wat ons betreft niet de bedoeling was om die vandaag uit te discussiëren. Wij komen zeker nog te spreken over de vraag hoe het differentiatieprincipe in de concrete praktijk uitwerkt. Het feit dat dit bij dit soort fundamentele kwesties zulke grote vragen oproept, zegt wel iets over de vraag wat het differentiatieprincipe überhaupt betekent. Dat debat komt nog terug.

Voor nu zijn wij blij dat wij dit punt hebben bereikt. De grondwettelijke verankering van de positie van de drie eilanden, Bonaire, Saba en Statia, kunnen wij nu vastleggen met een goede wijze tot verkiezing van de Eerste Kamer.

©

Th.C. (Thom) de GraafDe heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Ook ik kan heel kort zijn. Wij stemmen graag in met de grondwetsherziening, inclusief de novelle. Omdat de kans groot is dat dit in tweede lezing een hamerstuk zal zijn in deze Kamer, complimenteer ik de minister nu graag met het feit dat hij naar alle waarschijnlijkheid een grondwetsherziening op zijn naam krijgt. Dat is vooreen minister altijd een groot voorrecht. Dat weet ik uit eigen ervaring, omdat ik er ten minste eentje op mijn naam heb gezet, zij het niet de herziening die ik heel graag wilde.

De voorzitter:

Ik ga daar niet op in.

©

P. (Peter)  EsterDe heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van onze vragen. Mijn fractie kan uitstekend leven met de novelle die, zoals ik al zei, het dreigend democratisch deficit op de eilanden wegneemt. Het is goed dat de minister wetsvoorstel 33900 intrekt. Dat zet ook mijn fractie wat scherper in de eindafweging.

Het openhouden van het eindmodel blijven wij een beetje jammer vinden. Het haalt toch iets af van de glans van dit debat. Wij kunnen op zich leven met de continuering van de eilanden als openbare lichamen, maar hadden dat liever gezien als de slotconclusie van een stevige evaluatie. Het is echter niet anders.

Het is goed dat de minister komend halfjaargaat gebruiken voor het zetten van een aantal forse stappen in de problematiek waar het echt over gaat op de eilanden, althans dat is de ambitie die hij met ons deelde, namelijk de armoede, de kinderrechten en de vraag wat een aanvaardbaar sociaal minimum is.

De voorzitter:

Dan is het woord weer aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

©

R.H.A. (Ronald)  PlasterkMinister Plasterk:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de brede steun. Ik ben het eens met degenen die zeggen dat dit toch een belangrijk moment is. Het is het eind van een debat over de grondwetswijziging. Ik kan mij inderdaad voorstellen dat dit in tweede lezing niet opnieuw tot grote discussies leidt. Ik dank de Eerste Kamer dus, ook voor haar vasthoudendheid op een punt dat toch nog tot debat heeft geleid — maar dat is ook typisch de rol van de Eerste Kamer — namelijk over een aspect waar aan de overkant aanvankelijk geen interesse voor bestond. Daar heeft deze Kamer toch de aandacht op gevestigd, met als gevolg dat dit tot een gewijzigd voorstel heeft geleid.

Er was een vraag van mevrouw Van Bijsterveld over het kiesrecht van vreemdelingen. Wordt dat nog veranderd? Dat is niet zo. Het kiesrecht van vreemdelingen is in januari 2015 al herleefd. Het blijft dus gewoon zoals het in januari 2015 was. Het antwoord op haar vraag, als ik die goed verstaan heb, is dus ja.

Dank aan de heer De Graaf voor zijn vriendelijke woorden. Aan het andere idee om de Grondwet te wijzigen, dat hem en mij nauw aan het hart ligt, wordt ook nog nader gewerkt. Er is in eerste lezing een voorstel aangenomen. Het zal dus welllicht in tweede lezing hier weer terugkomen. Of ik er dan bij ben, is vers twee. Maar het gaat om het grote geheel waarin dit uiteindelijk zijn beslag krijgt.

De heer Ester vroeg in de eerste termijn naar de precieze timing. Het streven is het wetsvoorstel voorde uitvoeringswetgeving in maart 2017 in consultatie te geven, zodra de verkiezingen zijn geweest. We zullen daar nu de vaart in zetten.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Het duurde even voordat ik naar de interruptiemicrofoon liep, maar ik heb toch nog behoefte aan een kleine verheldering. Ik kan me voorstellen dat de minister het actief kiesrecht voor niet-Nederlanders op het oog had. Dat zou dan te maken hebben met de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Er zou actief kiesrecht toegekend moeten worden aan niet-Nederlanders voor de eilandsraden, althans, tot het moment dat er sprake is van een doorwerking van een verkiezing voor de Eerste Kamer. Het actief kiesrecht is het ene punt, maar het tweede punt is natuurlijk het passief kiesrecht. Dat is een andere zaak. Kan de minister hier, voor de helderheid, nog even op ingaan?

Minister Plasterk:

Ik kijk even naar rechtsboven, naar mijn ambtenaren op de tribune. Daar kijkt iemand heel moeilijk. Hij moet óf naar het toilet óf de indicatie is — daar houd ik het maar op — dat dit voor beide vormen van kiesrecht geldt. Aan het geknik zie ik dat het tweede het geval is.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Dat betekent dus dat ze in werking zijn getreden. Dat betekent dus ook dat... Ik moet het eigenlijk in de vragende vorm stellen. Mocht deze grondwetswijziging niet zijn afgerond op het moment dat er sprake is van eilandsverkie- zingen op de BES-eilanden en mochten de grondwetswijziging en de nieuw voorgestelde wetgeving er dan nog niet zijn, is er dan een doorwerking?

Minister Plasterk:

Ja, want dan kiest men feitelijk de eilandsraad volgens de huidige wetgeving, waarvoor buitenlanders ook kunnen stemmen. Die eilandsraad is dan niet bevoegd om mee te stemmen voor de samenstelling van de Eerste Kamer. Hiervoor hoefde ik niet eens naar rechtsboven te kijken, maar ik zie daar nu een duim de lucht in gaan.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten. De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van de wetsvoorstellen, minus het wetsvoorstel 33900.

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel 33131, Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer? Dat is het geval. Ik stel voor, dinsdag 25 oktober over wetsvoorstel 33131 te stemmen.

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel 34341, Wijziging van de wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer (kiescollege Eerste Kamer)? De PVV wenst stemming hierover. Ik stel voor, dinsdag 25 oktober over wetsvoorstel 34341 te stemmen.

De minister heeft gezegd dat hij wetsvoorstel 33900 intrekt. Daar komt nog een brief over. ik hoef daar dus geen stemming voor te vragen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De vergadering wordtvan 14.48 uurtot 15.19 uur geschorst.


 
 

2.

Meer informatie

 
 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.