Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Vrijdag 6 december 2019
kalender
Met dank overgenomen van Ch.P. (Tof) Thissen i, gepubliceerd op woensdag 25 april 2012.
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Bron: Blog Tof Thissen

Als gevolg van immense bezuinigingen op de uitvoeringskracht van de overheid moet het UWV, Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen flink bezuinigen op de dienstverlening. De bewindspersonen Kamp en de Krom van SZW stellen voor dat nog maar 10% van die dienstverlening face tot face zal zijn. De rest moet digitaal. Tof Thissen maakt zich daarover ernstig zorgen en vreest dat uiteindelijk de wal het schip zal keren. Hij denkt dat er meer langdurig werklozen zullen zijn en dat meer WW-ers doorstromen naar de Bijstand, als ze daar al recht op hebben. Lees zijn bijdrage.

Voorzitter. Eerst maar eens de werkelijkheid. Ik

begin met een citaat uit 2010 van werkcoach Jan Drewel,

die werkt bij het Werkplein Eemsdelta in Delfzijl: Wat mensen op

zoek naar werk nodig hebben, valt niet altijd goed

in te schatten. Zo was er een man die een functie

als productieleider had gehad. Hij was qua

internetgebruik stukken verder dan ikzelf. Ik wist

niet of ik deze man iets te bieden had, maar de

man vroeg zelf om een maandelijkse afspraak,

altijd op maandagochtend om 9 uur. De man vond

het belangrijk om één keer in de maand te vertellen

waar hij mee bezig was en te brainstormen, als een

soort spiegel. Hij was ook echt 40 uur per week

bezig met solliciteren. Na vijf maanden

werkloosheid vond hij in Amersfoort een nieuwe

baan.

Je zou het bijna vergeten als je bekijkt met

welke woorden de minister een belangrijk aspect

van dienstverlening aan werkgevers en

werkzoekenden wil minimaliseren, maar deze

wetswijziging gaat over werkzoekende mensen;

mijn buurman, uw dochter, onze zwager, de

moeder van een goede vriendin, een neefje. Zij

gaat ook over professionals die de uitkering van

deze mensen verzorgen en hen ondersteunen bij

het zo snel mogelijk vinden van werk en het

vervullen van vacatures. Technischer geformuleerd:

de minister doet voorstellen die ingrijpen op de

werking van de arbeidsmarkt en op de inzet van de

beroepsbevolking daarop.

Gaat het werken? In de schriftelijke

voorbereiding heeft de GroenLinks-fractie de

minister gevraagd waarop het kabinet de aanname

baseert dat digitale dienstverlening gaat werken.

Digitalisering kan immers nooit een doel op zich

zijn. Digitalisering is een middel. Een middel

waartoe? Gaat het meer mensen sneller aan werk

helpen? Gaat het de match tussen werkzoekenden

en werkgevers verbeteren? Gaat het moeilijk

vervulbare vacatures verminderen? Hoe dragen de

wijzigingsvoorstellen van de minister hieraan bij?

De minister heeft daarop geen

bevredigende antwoorden gegeven. Hij komt niet

verder dan wat reclamefoldertaal over

"modernisering van een dienstverleningsconcept

door een innovatieve aanpak waardoor minder

capaciteit nodig is" en een platitude dat de hele

samenleving in toenemende mate digitaliseert. De

minister lijkt in dezen op de puber die de ouders

ervan probeert te overtuigen dat iedereen nu

eenmaal een smartphone heeft. Het

doorslaggevende argument waarom de puber beter

af zou zijn met een dure smartphone, is echter niet

gegeven. Integendeel zelfs, zo blijkt na doorvragen

door deze Kamer.

Ik knip de vraag naar de effecten en de

onderbouwing van het wetsvoorstel op in twee

delen: allereerst de verdergaande digitalisering, als

tweede de ondersteuning van werkzoekenden en

werkgevers. Ik ga dus eerst in op de digitalisering.

De experimenten bij het UWV met een volledig

digitale dienstverlening zijn nog niet geëvalueerd.

Klinkende conclusies heeft de minister in ieder

geval niet aan deze Kamer voorgelegd. Alles is

gebaseerd op zijn eigen verwachting dat ... Ja, dat

wat eigenlijk? De systemen zijn nog in aanbouw.

Op hoofdlijnen ligt het op schema, stelt de minister.

Wat betekent "op hoofdlijnen"? Liggen al die andere

lijnen niet op schema? Bij een deel van de

koplopers is de uitstroom beter, maar bij een nog

groter deel van de koplopers is de uitstroom

slechter. Zelfs het noemen van een teruggang in

klanttevredenheid van een schamele 6,2 naar 6,0

wordt in de beantwoording van de vragen van deze

Kamer gevolgd door de optimistische verwachting

dat het natuurlijk zal verbeteren. Op grond

waarvan? Tunnelvisie; "locked-in" noemen

wetenschappers dit. Een maatregel zit in het hoofd,

de bezuiniging ook, alleen de vraag welk probleem

nu precies wordt opgelost, moet nog gedefinieerd

worden.

Met de Raad van State vraagt onze fractie

de minister voor de tweede keer op welke gronden

hij veronderstelt dat een landelijk digitaal systeem

reeds op korte termijn zodanig ontwikkeld en

betrouwbaar is dat invoering verantwoord is en niet

tot problemen voor uitkeringsgerechtigden,

uitkeringsaanvragers, bedrijven en ondernemers

gaat leiden. We verwachten een stevige

onderbouwing. De droomwensen van beleidsmakers

over automatisering in combinatie met

kostenreducties zijn te vaak op geldverslindende

debacles uitgelopen. Deze Kamer mag daarom niet

meegaan in wensdenken, in "God zegene de greep"

en in "laten we deze minister maar vertrouwen".

Dat laatste doen we natuurlijk sowieso, maar

daaraan mag geen al te zwaar prijskaartje hangen.

Daaraan voeg ik de vraag toe: op welke

wijze gaat de voorgestelde digitalisering bijdragen

aan een betere werking van de arbeidsmarkt? Zijn

ook andere middelen onderzocht? Wat was de

afweging om te kiezen voor het middel

digitalisering?

Ik kom op de ondersteuning. De minister

stelt: "De overheid ondersteunt alleen de mensen

die dat écht nodig hebben". Eerst de eigen

verantwoordelijkheid van mensen aanspreken, dan

pas komt de overheid in beeld. Prima. Diverse

fracties hebben de minister gevraagd om te

specificeren wie baat zouden hebben bij

ondersteuning en bij wie het helemaal niet nodig is

en of dat dan de onderbouwing is van de 10%

waarop de minister de vermindering van het aantal

werkcoaches bij het UWV baseert. Kan de werkloze

productieleider die ik aan het begin aanhaalde, nog

aanspraak maken op zijn maandelijkse face-tofacegesprek?

Hoe zit het met de voormalige

middenstander? Is er aandacht voor zijn zorgen

over geld en schaamte? Is er aandacht voor welke

werkzoekende dan ook die graag een gesprek heeft

over: komt u rond, krijgt u uw leven weer op het

spoor, hebt u grip op uw budget enz.?

De minister claimt dat een groot deel van

de WW-groep binnen een jaar weer uitstroomt. Hij

legt het verband niet direct, maar de claim wordt

regelmatig in één adem genoemd met de beperking

van de ondersteuning bij het vinden van werk tot

10% van de werkzoekenden. Waarom 10%?

Waarom geen 20% of 5%? Wat weet de minister

wat hij de Kamer niet vertelt? Na herhaaldelijke

vragen komt de minister met cijfers. Daaruit blijkt

dat de helft van het aantal WW-gerechtigden

dankzij werk het beroep op de uitkering kan

beëindigen. Maar liefst 35% verlaat de uitkering

werkloos, simpelweg doordat de

maximumuitkeringsduur is bereikt. Die mensen zijn

er dus niet in geslaagd om werk te vinden.

De minister noemt de WW-groep "kansrijk".

Wat is die kwalificatie waard als de helft van het

aantal WW-gerechtigden níet uitstroomt naar werk

gedurende de uitkeringsperiode? Of gaat het deze

minister enkel om het verdwijnen van mensen uit

de uitkeringslast van, in dit geval, de WW? Noemt

hij het daarom een succes als een groot deel van de

uitkeringsgerechtigden binnen een jaar uitstroomt,

ook al betekent dit voor een aanzienlijk deel dat dit

niet vanwege werk is maar puur om administratieve

redenen?

Ik kom bij de gevolgen voor de gemeenten.

De fractie van GroenLinks heeft gevraagd naar de

gevolgen van dit wetsvoorstel voor de doorstroom

van de WW naar de bijstand, want 35% van de

uitstroom uit de WW wordt simpelweg veroorzaakt

door het bereiken van de maximale uitkeringsduur.

Die mensen zijn dus nog niet aan het werk. De

minister komt niet verder dan de particuliere

verwachting dat het zogenaamde redesign beperkte

gevolgen zal hebben voor de doorstroom van de

WW naar de WWB of straks naar de Wet werken

naar vermogen, tenzij de Tweede Kamer dat

wetsvoorstel controversieel verklaart, maar ook dan

zal er iets moeten gebeuren. De bedragen zijn

immers al ingeboekt per 1 januari 2013. Dit was

een opmerking tussendoor, maar hoe kan de

minister dit beweren? Hij kan deze Kamer geen

gefundeerde uitkomsten overleggen, omdat de

pilots bij het UWV nog niet ver genoeg gevorderd

zijn. Maar goed, deze minister heeft kennelijk

bronnen waarop hij zich baseert bij zijn opmerking

dat de gevolgen beperkt zijn.

Omdat de minister zijn bewering niet

onderbouwt voor deze Kamer, ben ik zelf op zoek

gegaan naar cijfers. De website van het UWV is

daarvoor een rijke bron. Ten aanzien van de

vermeende beperkte gevolgen concludeer ik dat het

afhangt van hoe je de analyse van het UWV leest.

De doorstroom van de WW naar de bijstand is in de

periode van 2001 tot 2011 verdubbeld. In 2001

stroomde 4% van de totale WW-instroom door naar

de bijstand en in 2011 was dit 8%. De belangrijkste

veroorzakers van deze toename waren de

beperking van de WW-duur en de economische

crisis. Het UWV schrijft klip-en-klaar dat dit weinig

lijkt, maar dat deze groep een fors deel uitmaakt

van de totale instroom in de bijstand: 10% in 2001

en 20% in 2011. In het UWV Kennisverslag 2012-I

staat dat het UWV opnieuw een toename van de

doorstroom verwacht als door de huidige recessie

de werkloosheid weer toeneemt en de

werkgelegenheid verslechtert. Bij die verwachting

heeft het UWV nog niet de beperking van de

ondersteuning aan het gros van zijn

uitkeringsgerechtigden meegerekend.

Vraag 1: waarop baseert de minister zijn

laconieke verwachting dat het door zijn

maatregelen wel zal meevallen met de doorstroom

naar de bijstand?

Vraag 2: vindt de minister dat de huidige

ondersteuning door het UWV geen enkel effect

heeft op de vergroting van de uitstroom en dus op

verkleining van de instroom in de bijstand en dat

drastische vermindering van de ondersteuning dus

slechts beperkte gevolgen zal hebben? Als de

minister wél van mening is dat de ondersteuning

door het UWV effect heeft -- ik verwijs hem naar de

website van het UWV over de aantallen mensen die

aan werk zijn geholpen -- wat is dan het effect van

de afschaffing van de ondersteuning voor het gros

op de werkloosheidsduur van mensen in de WW en

op de doorstroom naar de bijstand?

Vraag 3: vindt de minister sowieso dat de

uitstroom uit de WW, die in 2011 20% van de

totale instroom van de bijstand behelsde, wel

meevalt?

Vraag 4: onderschrijft de minister de

analyse van het UWV dat bij een aanhoudende

recessie de doorstroom naar de WWB zal stijgen?

Ik heb dit overigens allemaal op papier

staan; de minister kan deze vragen dus na afloop

krijgen.

De minister voegt magertjes toe dat hij de

gemeenten zal compenseren als de bijstand als

gevolg van zijn maatregelen toch oploopt bij de

gemeenten. Zijn wij zover afgedwaald dat

werkloosheid en het oplossen van

werkgelegenheidsvraagstukken via het schuiven

met geld tussen overheden kan worden afgedaan?

Het gaat hier om mensen die werk zoeken en om

ondernemers die baat hebben bij een goed

werkende arbeidsmarkt. De minister reduceert hen

tot een kostenpost. Dat een deskundige

ondersteuning tijdens de eerste maanden van

werkloosheid straks afwezig zal zijn, doet kennelijk

niet ter zake. Dat een goedwillende werkzoekende

die geen professionele "baansearcher" is, zijn moed

en zijn inkomen verliest, doet blijkbaar ook niet ter

zake. Nee, de overheden compenseren elkaar dan

onderling. Dat is het enige leed dat verzacht moet

worden.

Is er een alternatief onderzocht? Het behoeft geen

betoog dat de markt niet vanzelf tot een optimum

komt in de mate waarin werkzoekenden en

werkgevers hun eigen verantwoordelijkheid

aanspreken. Oudere werklozen worden bijvoorbeeld

ondanks hun ten opzichte van jongere werknemers

ruimere ervaring, grotere loyaliteit en lagere risico's

op uitval gemeden door ondernemers. Ik baseer mij

hierbij op wetenschappelijk onderzoek, onder

andere van de RWI. De markt is niet altijd

rationeel. Op de markt aanwezige informatie wordt

niet optimaal verwerkt en de eigen

verantwoordelijkheid van werkzoekenden en

werkgevers zal niet altijd tot succes leiden. De

productieleider kan excellent zijn in zijn eigen

beroep, maar niet iedereen is een toptalent in het

vinden van ander werk of in het vinden van het

beste personeel. Het gegeven dat de

uitzendbranche al zolang bestaat en succesvol is,

laat zien dat uitmuntend werken als werknemer en

uitmuntend ondernemen als werkgever niet vanzelf

leiden tot optimale matches op de arbeidsmarkt.

Werk vinden, geschikt personeel vinden, is een vak.

Veel mensen hebben baat bij ondersteuning. Dat

bewijst de uitzendbranche.

Vraag 5. Zou er niet veel geld, veel

uitvoeringsellende en veel menselijk leed bespaard

kunnen worden als mensen via adequate

ondersteuning en investering zo snel mogelijk weer

richting arbeid worden begeleid en werkgevers zo

snel mogelijk van goede werknemers worden

voorzien? Heeft de minister dit alternatief

onderzocht? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee,

waarom niet?

Vraag 6. De Kamer heeft gevraagd naar

buitenlandse voorbeelden. De minister haalt

Denemarken aan, waar de uitkeringsintake digitaal

verloopt maar de ondersteuning juist niet. De

minister concludeert dat Nederland dus voorop

loopt. Dat lijkt mij een conclusie in de categorie van

de puber die denkt er met de smartphone weer

helemaal bij te horen. Weet de minister waarom de

Denen de ondersteuning niet hebben

gedigitaliseerd? Zou dat iets te maken kunnen

hebben met het fenomeen dat er op iedere

straathoek nog filialen van de commerciële

uitzendbranche te vinden zijn, die met de tucht van

de markt in de nek hun begeleiding en matching

altijd het liefst face to face doen?

Terug naar de 10% van de minister, die dan

nog wel ondersteuning gaat krijgen. Na

herhaaldelijk vragen door deze Kamer somt de

minister de kenmerken op van mensen die

uitstromen uit de WW zonder werk te hebben

gevonden. Opleidingsniveau en leeftijd spelen een

rol. Onder andere ouderen blijken niet gemakkelijk

werk te vinden en blijken ook meer moeite te

hebben met de digitale wereld. Ook jongeren, die

eerder niet dan wel in aanmerking komen voor WW,

blijken niet gemakkelijk uit te stromen. Laat nu

precies onder deze groepen de werkloosheid op dit

moment het sterkst toenemen!

Omdat de minister niet scheutig met cijfers

is, heb ik opnieuw maar even op de website van het

UWV gekeken. De 55-plussers vormen een kwart

van de uitkeringsgroep in 2011. Rekenen wij ook de

45-plussers mee, dan vormen zij samen 56% van

de WW-gerechtigden in 2011. Deze groepen

hebben meer moeite met het vinden van werk dan

de 35- tot 44-jarigen, zo schrijft de minister. Dat

betekent nogal wat voor de demissionaire

bewindspersonen, gezien hun leeftijd!

De hamvraag is natuurlijk of deze groep

meer kans zou maken als die adequate

ondersteuning ontvangt. Zou de investering in

begeleiding opwegen tegen de verhoogde uitstroom

en de daarmee uitgespaarde uitkeringslast voor

WW en bijstand? Nogmaals de vraag: Heeft de

minister dit alternatief onderzocht? Vanuit

menselijk oogpunt biedt dit alternatief immers meer

winst, niet alleen financieel maar ook humaan.

Werkende mensen die het gevoel hebben mee te

tellen, blijken gelukkiger dan mensen die aan de

kant staan. Werkgevers die niet gekweld worden

door werkgelegenheidsvraagstukken kunnen er aan

bijdragen om de economische motor beter te laten

draaien.

De centrale vraag bij de ondersteuning: Wie

hebben het echt nodig en wie niet, laat de minister

desondanks onbeantwoord. Uiteindelijk zegt de

minister dat dit kabinet gewoon hiervoor heeft

gekozen. De 10% is een aanname. Het kabinet

schrijft dat de komende jaren maar moet blijken of

die klopt. Dat is regeren door trial-and-error. Deze

Kamer is er echter niet om mee te gaan in

ongefundeerde aannamen, zoals ouders niet horen

mee te gaan in de hypes van hun pubers die ook

weleens wat willen. Deze Kamer moet kijken naar

de deugdelijkheid van wetgeving.

Samengevat: achter de digitalisering zit

geen groter doel dan dat de hele samenleving nu

eenmaal digitaliseert. Achter de forse inperking van

de ondersteuning zit niks anders dan dat dit kabinet

ervoor heeft gekozen. Nergens een hint hoe de

maatregelen bijdragen aan een beter

functionerende arbeidsmarkt. Zou het dan om geld

gaan, om een bezuiniging? Een bedrag wordt

nergens genoemd. Laat ik er even van uitgaan, bij

gebrek aan andere doelen. Als het belangrijkste

doel van deze maatregelen is om geld te besparen,

legt de minister deze Kamer een black box voor. Hij

schrapt vrijwel de volledige ondersteuning bij het

vinden van werk, maar heeft geen inzicht in de

gevolgschade en in de kosten. Hij digitaliseert

dienstverlening zonder enige onderbouwing over de

kosten, over het welslagen van de technische kant

en op de "matches" tussen werkgevers en

werkzoekenden. Gelet op de aanhoudend magere

beantwoording door de minister, kan ik geen

andere conclusie trekken dan dat de minister

tevreden is als hij het gros van de WW'ers geen

ondersteuning meer geeft. Voor hem is die

ondersteuning het probleem dat hij wil oplossen. Of

de werkzoekenden daadwerkelijk weer een

werkkring vinden, doet er immers niet toe. En of

werkgevers beter geholpen worden? In dit

wetsvoorstel is geen begin van een onderbouwing

te vinden dat dit wetsvoorstel hieraan meehelpt.

Daar gaat het uiteindelijk wel over.

De minister laat de werking van de

arbeidsmarkt over aan de eigen

verantwoordelijkheid. Deze neoliberale opvatting is

alleen mogelijk als je de oren stijf dichthoudt voor

de praktijk van de niet-optimale werking van de

arbeidsmarkt. Het is bovendien een gratuite

opvatting, die de minister altijd gelijk zal geven.

Immers, de ondernemer die zijn vacatures goed

vervuld krijgt of die zijn overtollige personeel goed

kwijt weet te raken, de werkzoekende die vlot een

baan vindt, hebben dat te danken aan hun eigen

verantwoordelijkheid. Degenen die falen, hebben te

weinig verantwoordelijkheid genomen. Eigen

schuld, dikke bult.

Tot slot de RWI. Uit allerlei onderzoeken

over wat werkt bij werkloosheid, onder andere dat

van de RWI, weten wij dat snelheid geboden is. Hoe

eerder de interventie, hoe groter de kans op

werkhervatting. Het liefst komt die interventie er al

bij de werkgever waar het ontslag dreigt.

Onderzoek heeft ook uitgewezen dat op een

arbeidsmarkt met steeds meer korte en flexibele

contracten de bereidheid van werkgeverskant om in

scholing te investeren wegvalt en dat het voor

werknemers steeds lastiger wordt om zicht te

krijgen op de totale werkgelegenheidskansen. Waar

vandaag nog vraag naar is, kan morgen al weer uit

zijn. Juist op deze moderne markt is deskundige

ondersteuning en begeleiding harder nodig, zo

zeggen niet de minste wetenschappers. De

Europese Commissie bepleitte vorige week nog het

belang van scholing die naar werk leidt, actievere

arbeidsbureaus en goede sociale zekerheid als

smeermiddel voor baanwisselingen.

De inhoudelijke onderbouwing voor

opheffing van de RWI is curieus. De redenering van

de minister is als volgt. Omdat opeenvolgende

kabinetten er vanuit financieel of ideologisch

oogmerk voor kiezen om minder tot geen geld meer

te besteden aan integratie is er geen kennisinstituut

meer nodig. Het RWI doet volgens de minister toch

vooral daar onderzoek naar. Het is gevaarlijk als de

politiek niet meer geïnteresseerd is in opvattingen,

oplossingen en onderzoeken die niet in het eigen

straatje passen. Een democratie die zijn eigen

tegenspraak niet meer organiseert, is op weg naar

… wat meer dictatuur?

Het past helaas bij deze minister. Hij wil het

liefst zo weinig mogelijk weten als hij zijn eigen

ideologie, de bezuiniging, in de werkelijkheid van

zijn begroting maar kan inboeken. Die

wegbezuinigde werkcoaches kan hij inboeken. Hoe

de digitalisering gaat uitpakken? Daarvan heeft de

minister nog geen idee. Dat kan dus nog een

zeperd worden. Hoe de gemeenten de voortdurende

doorstroom gaan opvangen? Ach, dat bezien wij

dan wel weer. En de werkeloze burgers en de

werkgevers met vacaturevragen, met

employabilityvraagstukken, met slapeloze nachten

omdat hij zijn vacatures niet kan vervullen? Die zijn

er in dit verhaal nergens meer. Dehumanisering,

dat is een kwaal waar de Nationale Ombudsman al

tijden voor waarschuwt. Toch blijft de politiek zich

maar afvragen waarom burgers zich afkeren van de

politiek. Hierom dus! Omdat er geen menselijke

maat meer is en omdat tijd en aandacht voor

mensen niet meer gegeven wordt. Dat levert echter

goud op voor de publieke zaak.

De GroenLinks-fractie verwacht een stevige

onderbouwing van de plannen, inclusief

explicitering van de problemen die de minister

hiermee wenst op te lossen. Anders hoor ik graag

de nederige constatering van de minister dat hij

zijn huiswerk niet helemaal goed heeft gedaan en

dat hij nog geen smartphone verdient!