Brief regering; Aanbieding Jaarrapport Integratie 2011 - Integratiebeleid

1.

Tekst

32 824 Integratiebeleid

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 februari 2012

Hierbij bied ik u het Jaarrapport Integratie 2011 aan.1 Het Jaarrapport 2011 is in mijn opdracht opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het rapport geeft een overzicht van een aantal belangrijke feiten en ontwikkelingen op het gebied van de integratie van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders.

Naast een beschrijving van de huidige maatschappelijke positie op de terreinen onderwijs, arbeid, inkomen, huisvesting, criminaliteit en de ruimtelijke spreiding, biedt de rapportage inzicht in de ontwikkeling in de tijd op deze terreinen.2 Nieuw in dit Jaarrapport is de vergelijking van de positie van niet-westerse migranten3 op de verschillende terreinen met autochtone Nederlanders met een vergelijkbare uitgangspositie (de zogenoemde evenredigheidanalyses). Dit element biedt inzicht in de mate waarin de middellange termijn doelen van het integratiebeleid worden gerealiseerd. Zo is een vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt (in termen van bijvoorbeeld werkloosheid, functie- en beroepsniveau) pas mogelijk als groepen in dezelfde mate over de vereiste onderwijskwalificaties beschikken.

Nog niet goed genoeg

Het beeld dat uit het Jaarrapport Integratie 2011 oprijst laat zich niet in een enkele conclusie samenvatten. Er zijn zonder meer positieve ontwikkelingen, zeker wanneer een langere termijn in ogenschouw wordt genomen. Over het algemeen doen vervolggeneraties het stukken beter dan hun ouders of grootouders. Toch is er nog steeds sprake van een soms flinke achterstandspositie ten opzichte van autochtone Nederlanders. Ook blijkt dat niet-westerse migranten kwetsbaarder zijn voor de gevolgen van de economische neergang. Hoopvol voor de toekomst is de constatering dat met name op de achterliggende structurele dimensies (zoals arbeidsdeelname en opleidingsniveau) er sprake is van een positieve ontwikkeling.

Vooral de prestaties op het gebied van onderwijs springen in het oog. De achterstanden in het onderwijs nemen langzaam maar zeker af en ten opzichte van vergelijkbare autochtone leerlingen doen leerlingen van niet-westerse herkomst het even goed in het onderwijs. Dat zijn verheugende resultaten. Positieve resultaten zijn er ook op het gebied van de inburgering. Het Jaarrapport bevestigt het positieve effect van inburgering op de Nederlandse taalvaardigheid. Ook de woonsituatie van niet-westerse allochtonen is verbeterd - het woningbezit neemt toe - al is de woonsituatie ten opzichte van vergelijkbare autochtone Nederlanders nog altijd slechter.

Maar te veel en te vaak gaat het nog niet goed. De schooluitval en de werkloosheid onder jongeren van niet-westerse komaf is nog altijd onevenredig groot. Ook in vergelijking met vergelijkbare autochtonen zijn niet-westerse migranten oververtegenwoordigd in werkloosheid en flexibele arbeidsrelaties. Bovendien zijn niet-westerse migranten kwetsbaarder voor de gevolgen van de economische neergang zo blijkt uit het Jaarrapport. Vooral de toenemende werkloosheid onder migrantenjongeren sinds 2008 baart zorgen. Bijna een kwart van hen is werkloos. Onder jonge Marokkaanse en Surinaamse Nederlanders ligt dit cijfer nog hoger (respectievelijk 28% en 27%).

Achter dit beeld van zowel zorg als vooruitgang gaat een grote diversiteit schuil, zowel tussen groepen als binnen etnische groepen. De verschillen tussen generaties, geslachten, leeftijdsgroepen en naar verblijfsduur zijn groot en worden steeds groter. Zo staan de prestaties van jonge vrouwen van niet-westerse herkomst in het onderwijs in schril contrast met de overlast en criminaliteit waaraan jonge mannen van met name Marokkaanse en Antilliaanse afkomst zich excessief vaak schuldig maken. Van alle jongeren is 65% van de Marokkaans-Nederlandse jongens tussen zijn 12e en 23e levensjaar ooit aangehouden, bij Antilliaans-Nederlandse jongens is dat 55% en bij autochtone jongens 25%. Dit zijn onacceptabele getallen. Lichtpunt is de recente afname van het aantal verdachten van criminaliteit, met name onder minderjarigen. De oververtegenwoordiging van niet-westerse groepen blijft echter onverminderd hoog.

Verantwoordelijk en toekomstgericht

Het Jaarrapport Integratie geeft een belangrijk signaal af: hoewel er op een aantal terreinen aanzienlijke vooruitgang is geboekt, zijn we er nog lang niet. Het Jaarrapport spoort aan om mensen te blijven prikkelen in te burgeren, de taal te leren, zich te kwalificeren en een zelfstandig bestaan op te bouwen. De eis van zelfredzaamheid geldt voor iedere Nederlander. Voor migranten betekent dit dat zij soms extra hindernissen zullen moeten overwinnen. Het is dan ook onverteerbaar wanneer mensen die willen werken, die zich daarvoor inzetten, daar niet in slagen vanwege hun herkomst of achtergrond. Zeker in het licht van de aanhoudende jeugdwerkloosheid is dit een punt van zorg. Hoe langer jongeren werkloos zijn, des te moeilijker het wordt om een baan te vinden. Het gevaar van een verloren generatie ligt op de loer, een generatie van jongeren die te lang aan de kant heeft gestaan. Met mogelijke gevolgen als overlast op straat of nog erger criminaliteit en het afwenden van onze samenleving. Dit vraagt om consequent optreden; door grenzen te stellen en deze te handhaven, maar ook door te strijden tegen elke vorm van discriminatie en discriminatoire bejegening. Ik zal mij daar actief voor blijven inzetten.

De conclusies van het Jaarrapport onderschrijven voorts het belang van een integratiebeleid dat zich richt op structurele oplossingen voor integratieproblemen. Dat er voldoende mogelijkheden in Nederland zijn om een zelfstandig bestaan op te bouwen blijkt wel uit de vele migranten waar het goed mee gaat en waarover het SCP ook rapporteert. Via regulier beleid op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en wonen moet iedere Nederlander in staat zijn om naar vermogen een zelfstandig bestaan op te bouwen. Wanneer mensen steun nodig hebben bij het opbouwen van een zelfstandig bestaan kunnen zij terecht bij de daarvoor geëigende voorzieningen. Dit vormt één van de kernpunten van het integratiebeleid van dit kabinet en zoals uiteengezet in de nota «Integratie, binding en burgerschap».4

Dit uitgangpunt stelt niet alleen eisen aan burgers, maar raakt ook de verantwoordelijkheid van instellingen. Instellingen dragen de verantwoordelijkheid om in hun beleid en de uitvoering zorg te dragen voor het bereiken van hun cliënten. Het verbeteren van deelname aan de samenleving door burgers die zich in een achterstandspositie bevinden, vraagt om beleid met oog voor specifieke achtergronden. Van instellingen mag verwacht worden dat zij in staat zijn maatwerk te leveren of het nu gaat om maatregelen op het gebied van onderwijs, arbeid, veiligheid of zorg, zoals onderwijs voor achterstandsleerlingen via de voor- en vroegschoolse educatie, een integrale aanpak gericht op de meest kwetsbaren op de arbeidsmarkt via de Wet Werken naar Vermogen, samenwerking in opsporing, vervolging, berechting en hulpverlening via Veiligheidshuizen of opvoedondersteuning via de Centra voor Jeugd en Gezin.

De specifieke aandacht voor de vaak complexe problematiek waar migranten mee te maken hebben heeft geresulteerd in uitgebreide kennis en ervaring op de diverse terreinen van integratie. Nu is de tijd aangebroken om de kennis die de afgelopen jaren is opgebouwd over integratieproblematiek in te bedden in de instellingen en voorzieningen die Nederland rijk is. Mijn collega’s verantwoordelijk voor onderwijs, zorg, arbeidsmarkt en veiligheid zijn daarvoor als eerste aan zet. Ik zal hen daarbij ondersteunen.

De Nederlandse samenleving is divers en wordt steeds diverser. We zijn een land waar verschillende groepen mensen dicht op elkaar leven. Het SCP rapport wijst ons bovendien op de grote verscheidenheid die ook binnen etnische groepen bestaat. Inzet van het kabinetsbeleid is om in deze veranderende en pluriforme samenleving veiligheid, sociale stabiliteit en welzijn te waarborgen en te bevorderen. Doel is een samenleving waarin zowel migranten als gevestigde Nederlanders zich thuis voelen; een samenleving die kansen biedt, maar ook eisen stelt. De afgelopen decennia is er ruim geïnvesteerd in de integratie van migranten en hun kinderen. Daarbij is steeds meer nadruk komen te liggen op het belang van een gemeenschappelijke basis, zoals een gedeelde taal, gedeelde belangen en gedeelde opvattingen over wenselijk en verplicht gedrag. Terecht, want een snel veranderende samenleving vereist een stevig fundament om geborgenheid te kunnen bieden aan haar bewoners.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers

Noot 1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Noot 2

In de zomer van 2012 volgt een tweede publicatie, waarin het SCP zal ingaan op de sociaal-culturele aspecten van integratie.

Noot 3

Met de term niet-westerse migranten wordt ook verwezen naar vervolggeneraties (2e en indien van toepassing 3e generatie).

Noot 4

TK 2010-2011, 32 824, nr. 1.


2.

Bijlagen

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.