Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Woensdag 15 juli 2020
kalender

Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

Met dank overgenomen van Ch.P. (Tof) Thissen i, gepubliceerd op dinsdag 24 november 2009.

Tof Thissen: "De fractie van GroenLinks is het van harte eens dat het uitgangspunt van de ‘nieuwe WAJONG’ moet zijn dat het jongeren naast bescherming vooral ook mogelijkheden moet bieden voor meedoen aan de arbeidsmarkt. Het kabinet tracht dit te bereiken door als uitgangspunt te nemen wat jongeren ondanks hun handicap kunnen. Wat is dan voor mijn fractie van belang in de beoordeling van dit wijzigings/wetsvoorstel. Bepalend daarvoor is de vraag wat is er nodig voor deze jongeren die allemaal hun dromen hebben om mee te doen, om van betekenis te zijn, zich te kunnen ontwikkelen in de richting van wat ze willen en kunnen?"

Bij elke persoon met een WAJONG moet gekeken worden naar de mogelijkheden om mee te doen en deel te nemen aan de reguliere arbeidsmarkt in plaats van bij voortduring de beperking of het niet kunnen als uitgangspunt te nemen. Dit wetsvoorstel voorziet in het bieden van werk en/of arbeidsondersteuning.

U weet dat mijn fractie geen voorstander is van voortdurende stelselwijzigingen en structuuraanpassingen. Meestal gaat daar dan de energie in zitten en wordt het doel (waarvoor en voor wie is het stelsel en de structuur) uit het oog verloren omdat alle energie gaat zitten in de verandering en niet in de noodzakelijke werking, in dit geval, voor jongeren met een beperking maar vooral ook met heel veel mogelijkheden en talenten. De WAJONG voorziening, ingegaan per 1 januari 1998, was ooit bedoeld om jongeren met een handicap bescherming en beschutting te bieden en een vangnet waardoor ze in een beschaafd land en rijk land niet aan hun lot werden overgelaten. Geen van die jongeren had de handicap op een eigen verlanglijstje staan.

Het moet ons dan ook van het hart dat nu jongeren er met recht en rede gebruik van maken de paniek toeslaat vanwege de niet voorziene of geprognostiseerde groei van de WAJONG. Is de groei van het aantal jongeren dat een beroep doet op de wet de doorslaggevende aanleiding voor deze wijziging of een nieuw mensbeeld, namelijk dat mensen met een beperking wel degelijk mogelijkheden hebben en kansen zouden moeten krijgen?

Uitlatingen zoals die van de directeur van het CPB ‘We moeten de WAJONG dichtschroeien’ zijn de fractie van GroenLinks een gruwel. Het gaat hier om een regeling die in een beschaafde verzorgingsstaat mensen met een handicap een terechte voorziening biedt.

U geeft aan dat niets erop wijst dat de oorzaak van die groei ligt in de toename van ernstige ziektes of handicaps. Maar wel in verbeterde en professionelere diagnosestelling enerzijds en anderzijds de complexer geworden arbeidsorganisatie en de hogere functie-eisen die gesteld worden op de arbeidsmarkt. Maar ook de regeling als zodanig voert u aan om de groei van het aantal instromers te verklaren. Wat is het nu precies?

Want als de ziektes en ernstige handicaps niet zijn toegenomen, de diagnosestelling sterk verbeterd is, en dus de instroom in de WAJONG terecht is en de arbeidsmarkt steeds hogere eisen stelt dan klopt het toch dat de regeling er is zoals die er is. Dan heeft die terecht een vangnet geboden voor mensen die anders aan hun lot zouden zijn overgelaten? En als dit klopt dan is er dus in onze samenleving sprake van ernstige uitsluiting van mensen die niet kunnen voldoen aan de prestatie-eisen en dus is er terecht een beschermende en beschuttende regeling als de WAJONG nodig. En kan het niet zo zijn dat de voorziening een behoefte heeft gecreeerd?

Of het klopt niet. Dan moet u mij verklaren waarom er dan toch zoveel jongeren in de WAJONG zitten en voor 75% niet meedoen aan de arbeidsmarkt?

Als klopt wat u zelf heeft gezegd in zowel het debat in de Tweede Kamer als in uw memorie van Antwoord en nadere memorie van antwoord waarop baseert u dan uw optimisme dat met deze wijziging veel meer jongeren regulier al dan niet met ondersteuning en begeleiding aan de slag kunnen op de arbeidsmarkt en dat u daarom ook de weg naar de WSW zoveel mogelijk wil afsluiten. Voor mijn fractie hier in de Eerste Kamer is dit essentieel om akkoord te geven op uw voorstel.

De voorziening heeft te maken met een paradox. Wat bedoeld is als bescherming is verworden tot een blokkade om mee te doen. Bovendien mogen we onze ogen niet sluiten voor het stigma, het etiket, waar veel WAJONG-eren mee worden geconfronteerd. Meedoen wordt dan wel een hele zware klus. De fractie GroenLinks vraagt zich dan ook af of alleen de voorwaarden veranderen aan de aanbodzijde werkt als de vraagzijde (de ondernemers/werkgevers) niet geconfronteerd worden met evenwichtige plichten en rechten teneinde meedoen van jongeren met een handicap ook werkelijk mogelijk te maken. In de concurrentie op de arbeidsmarkt leggen nog altijd teveel WAJONG-eren het af tegen jongeren zonder handicap. Dat maatschappelijke onrecht wordt niet aangepakt en het is net alsof de voorzieninggerechtigden eenzijdig op hun schouders de oplossing van de groei van de voorziening moeten dragen.

Bovendien als de arbeidsmarkt complexer geworden is, de eisen verhoogd zijn, de prestaties moeten worden opgeschroefd om bij te blijven waar zit dan de doorzettingsmacht bij het UWV, het UWV WERKbedrijf en de gemeenten om echt werk te kunnen maken of te regelen voor hun jongeren? Deze kritiek had en heeft mijn fractie ook met de WIJ.

Is er uberhaupt op interdepartementaal niveau en collegiaal niveau binnen het kabinet sprake van inclusief denken en integraal beleid?

Ik lees in de gezamenlijke brief van de staatssecretarissen Bussemaker en Klijnsma getiteld ‘Zorg en maatschappelijke ondersteuning’ ( stuk 29 538 dd 12 okt 2009)over de samenhang en verbindingen tussen Wmo, WWB, Wsw en WIJ niets maar dan ook helemaal niets over de WAJONG. Ik snap hier helemaal niets van. als er al op uw niveau niet vanuit integraal vastgestelde doelen wordt samengewerkt tussen de verschillende verantwoordelijke bewindspersonen hoe moet dan de sluitende en integrale aanpak voor jongeren gestalte krijgen op het niveau van die ene jongere met handicap en mogelijkheden?

Waar verplicht u iets bij ondernemers of werkgevers? Alleen centrale afspraken met VNO/NCW of MKB Nederland maken nog niet dat de participatie van WAJONGEREN toeneemt. Papier is geduldig en mijn fractie heeft het onderhand wel gehad met al die convenanten, beleidsnota’s, intenties, verscherpingen van wet en regelgeving die slechts virtueel beeld en geluid laten zien, bezigheden en tijdverdrijf zijn voor bestuurders en bobo’s maar geen of veel te weinig banen opleveren voor mensen met een handicap.

Maar u wel in directe zin iets kunt betekenen is als grootste werkgever in dit land. Hoeveel WAJONGEREN neemt u als Rijksoverheid in dienst?

En heeft u met IPO en VNG afspraken gemaakt over het aantal WAJONGEREN in dienst te nemen bij provincies en gemeenten?

Het is immers lastig de overige sectoren van de arbeidsmarkt stimulerend aan te spreken op het in dienst nemen van jonggehandicapten als u zelf vrijwel niets of maar heel karig iets doet. Hoeveel is die 1% in fte rijksbreed? Enkel werkervaringsplekken of ook reguliere plaatsen?

Hoeveel WAJONGEREN krijgen een kans bij al die projecten die door de crisis- en herstelwet voortvarend en snel worden uitgevoerd?

Maakt u in de opdrachtverlening afspraken met betrekking tot social return on investment?

Wij houden een motie achter de hand.

Al eerder gezegd: wij zijn niet op voorhand diegenen die vragen om een stelsel- of structuurwijziging. Maar u moet ons toch eens uitleggen hoe wij drie jongeren in vergelijkbare situaties moeten uitleggen dat de een onder de WIJ valt, omdat zijn beperking niet binnen de criteria valt van de WAJONG. De WIJ waarbinnen overigens ook onvergelijkbare ongerijmdheden zullen gaan ontstaan (zie onze inbreng bij de behandeling van die wet), een andere jongere met een WAJONG voorziening een WSW indicatie heeft en de derde enkel WAJONG. Bovendien heeft er eentje te maken met het UWV en twee anderen met de Gemeenten. Mijn fractie blijft zich afvragen waarom er sprake moet blijven van drie verschillende regelingen? Graag uw visie hierop en bovenal uw hopelijk logische uitleg. Is het denkbaar dat u op basis en zelfs conform het advies van de Cie de Vries over de fundamentele herbezinning van de WSW een regeling gaat maken voor alle mensen met een beperking en dat die regeling ‘Werken naar vermogen’ gaat heten?

Hoe ziet u de relatie van deze wetswijziging WAJONG met het rapport van de commissie de Vries, ‘Werken naar vermogen’, inzake de fundamentele herbezinning van de WSW?

Welke relatie ligt er tussen dit wetsvoorstel en de operatie modernisering van de AWBZ?

Hoe gaat voor jongeren die zeer beperkt zijn in hun mogelijkheden de toekomst er uit zien?

Want als zij tot nu toe niet ten onrechte een beroep gedaan hebben op de WAJONG, als de diagnose terecht en professioneel gebeurt, als de arbeidsmarkt in zichzelf lastig is om te bereiken voor mensen met een handicap, de eisen aan werknemers hoog zijn met betrekking tot hun prestatiemogelijkheden vraag ik u nogmaals waarop baseert u dan uw optimisme dat het met dit wijzigingsvoorstel gaat lukken om meer jongeren met een beperking of handicap of zoals de empowerbeweging zelf zegt ‘met andere mogelijkheden’ aan de slag te krijgen?

Voorzitter ik eindig met persoonlijke twijfel.

Ik was begin jaren negentig coordinator van een werk- leerproject voor jongeren die niet op eigen kracht konden deelnemen aan de arbeidsmarkt, daarna was ik wethouder van een breed sociale samenhangende portefeuille, ik was voorzitter van de Taskforce Vermaatschappelijking van de GGZ, lid van de Commissie ‘Het werkend perspectief’, lid van de Taskforce ‘Handicap en Samenleving’, initiatief van ons aller Hannie van Leeuwen, voorzitter van Divosa en lid van de Commissie ‘Fundamentele herbezinning van de WSW ‘ die vorig jaar het rapport uitbracht ‘Werken naar vermogen’.

Ik zeg dit niet om te snoeven. Ik was óf lid van de verkeerde clubjes óf ik was zelf te beperkt om in de juiste banen en organisaties iets voor mensen met een beperking iets doorbrekends te betekenen, maar feit blijft dat het niet heeft bijgedragen tot een hogere arbeidsparticipatie van mensen met een handicap.

Dat doet mij pijn.

Dat nodigt uit tot zelfreflectie en zelfkritiek.

Maar ook tot de konstatering dat wij een samenleving hebben die mensen die niet aan de arbeid als topsportnorm kunnen voldoen uitsluit.

Dat we daar geen antwoord op hebben vind ik verschrikkelijk, voor hen, voor mijn functioneren.

Dat we daar geen antwoord op hebben is voor geen enkele regering tot nu toe reden geweest om plichten te formuleren aan ondernemers, werkgevers of aan zichzelf als grote overheidswerkgever.

Ik schaam mij daar diep voor.

Omdat we wel telkens de rekening leggen bij hen die niet op hun verlanglijstje hadden staan dat ze een handicap kregen, pech kregen en daarmee de zware opdracht om er tussen te komen in concurrentie met hen die wel aan topsport kunnen doen.

Als dit ook uw konstatering is, en ik nodig u er uitdrukkelijk voor uit,

wat dan?

Wat hebben wij mensen met een handicap dan wel te bieden?