Memorie van toelichting - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsonbekwamen van het kiesrecht - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Woensdag 22 januari 2020
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 471

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsonbekwamen van het kiesrecht

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING1

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

1  De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

2  Art. 1:381, lid 2, BW.

3  Art. 1:378 BW.

  • 1. 
    Inleiding

1.1  Doelstelling wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de kiesrechtuitsluiting van personen die wegens een geestelijke stoornis onder curatele zijn gesteld te laten vervallen door het schrappen van artikel 54, tweede lid, onder b, van de Grondwet. Deze kiesrechtuitsluiting wordt nader uitgewerkt in artikel B 5, eerste lid, onder b, van de Kieswet. Daarin is vermeld dat van het kiesrecht zijn uitgesloten zij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten. Na aanvaarding in tweede lezing van het voorliggende voorstel en de daaropvolgende aanpassing van de Kieswet, zullen personen die wegens een geestelijke stoornis onder curatele zijn gesteld niet meer zijn uitgesloten van het kiesrecht.

1.2  Doelgroep

Curatele is de meest verregaande burgerrechtelijke maatregel ter bescherming van de belangen van een meerderjarige. Vanaf de dag dat de curatele wordt uitgesproken, is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.2 Een meerderjarig persoon kan door de rechtbank om drie redenen onder curatele worden gesteld: 1)wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen; 2)wegens verkwisting; 3)wegens gewoonte van drankmisbruik.3 Alleen personen die de rechter wegens geestelijke stoornis onder curatele stelt, zijn op grond van artikel 54, tweede lid, onder b, van de Grondwet, uitgesloten van actief en passief kiesrecht. Deze groep personen zal in het navolgende worden aangeduid met de term «curandi». Andere personen met een gebrekkige ontwikkeling of geestelijke stoornis zijn dus wel kiesgerechtigd. Het gaat daarbij vaak om personen die niet of beperkt deelnemen aan het maatschappelijk verkeer doordat zij in een gespecialiseerde instelling zijn opgenomen of anderszins feitelijk onder toezicht staan.

Uit de praktijk blijkt dat ondercuratelestelling vooral wordt opgelegd aan personen die in mindere mate geestelijk gestoord zijn en in sommige gevallen nog zelfstandig leven. De reden dat zij onder curatele worden gesteld, is vaak een vermogensrechtelijke, namelijk om hen te beschermen tegen het doen van onverantwoorde aankopen. Zij lopen dit risico doordat zij ondanks hun beperkte geestelijke vermogen vaak nog in staat zijn deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer. Er zijn in Nederland momenteel circa 20 000 curandi.

  • 2. 
    Aanleiding

2.1  Uitspraak Raad van State

Directe aanleiding voor dit voorstel is een uitspraak van 29 oktober 2003 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de vraag aan de orde kwam of personen die wegens wilsonbekwaamheid onder curatele zijn gesteld, per definitie uitgesloten mogen worden van het kiesrecht.1 De Afdeling stelt in haar uitspraak dat de categoriale uitsluiting van deze groep personen van het kiesrecht in zijn algemeenheid weliswaar niet strijdig is met het Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR), maar dat in een concreet geval deze uitsluiting wel onredelijk kan zijn. De Afdeling oordeelde vervolgens dat niet de rechter maar de wetgever tot een oordeel moest komen over de wijze waarop moet worden vastgesteld of van onredelijke beperking sprake is en aan welk orgaan terzake bevoegdheid toekomt.

2.2  Veranderende opvattingen

Ook bij de grondwetsherziening van 1983 is de kiesrechtuitsluiting van curandi uitgebreid onderwerp van discussie geweest.2 Bij deze grondwetsherziening is het aantal gronden voor kiesrechtuitsluiting aanzienlijk beperkt. Daarbij is tevens overwogen om álle gronden voor kiesrechtuitsluiting te schrappen, derhalve ook de kiesrechtuitsluiting voor curandi. De grondwetgever heeft destijds echter, mede naar aanleiding van een advies van de Kiesraad3, weloverwogen de kiesrechtuitsluiting voor curandi gehandhaafd. De regering meent echter dat er inmiddels redenen zijn om tot een ander standpunt te komen. Deze zijn gelegen in veranderende opvattingen over het kiesrecht als zodanig en de maatschappelijke positie van curandi.

2.2.1 Kiesrecht

1  ABRvS, 29 oktober 2003, AB 2003/463, m. nt PJS.

2  Kamerstukken II 1976–1977, 14 223, artikel 3.1.5.

3  Staatscourant 5 augustus 1983, nr. 148.

Het belangrijkste argument voor handhaving van de kiesrechtuitsluiting van curandi, was destijds dat de grondwetgever het kiesrecht als een dermate fundamenteel recht beschouwde, dat hij vond dat men van degenen die het uitoefenen, moet kunnen verwachten dat zij tot een verantwoorde uitoefening van het kiesrecht in staat zijn. De regering onderschrijft de gedachte van de grondwetgever uit 1983 dat het kiesrecht een fundamenteel recht is dat aan de basis ligt van de democratische rechtsstaat. Zij wil echter de bescherming van de drager van het recht in plaats van het recht zelf centraal stellen. Het kiesrecht is een grondrecht dat het in beginsel aan een ieder toe dient te komen, daargelaten de vereisten van leeftijd en nationaliteit. Deze opvatting, dat een ieder in principe het kiesrecht moet kunnen uitoefenen, is langzaam gegroeid. Vanuit historisch perspectief bezien is de groep kiesgerechtigden steeds groter geworden en zijn de uitsluitingsgronden steeds verder beperkt. De groep ondercuratelegestelden is daarbij de enige groep die nog van het kiesrecht is uitgesloten vanuit de veronderstelling dat zij niet tot verantwoorde uitoefening van dit recht in staat zijn.

Na het schrappen van de uitsluitingsgrond van artikel 54, tweede lid, onder b, blijft slechts één uitsluitingsgrond over: de onherroepelijke rechterlijke veroordeling wegens het begaan van een daartoe bij wet aangewezen delict, tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en ontzetting van het kiesrecht. Op basis van de artikelen 106 en 130 Wetboek van Strafrecht kunnen personen die een misdrijf hebben gepleegd tegen de veiligheid van de staat of een misdrijf betreffende de uitoefening van staats-plichten en staatsrechten van het kiesrecht worden uitgesloten. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de bedreiging van kamerleden of politici; het gebruiken van geweld tegen de kamers der Staten-Generaal en aanslagen tegen de staat of de regeringsvorm. Deze uitsluitingsgrond is echter fundamenteel anders van aard dan de uitsluiting op grond van ondercuratelestelling. De ontzetting van het kiesrecht is een bijkomende straf die overigens zelden wordt opgelegd.

2.2.2 Maatschappelijke positie van curandi

Een belangrijk argument om te komen tot het schrappen van de kiesrechtuitsluiting van curandi is de gegroeide en door de regering gedeelde opvatting dat het feit dat iemand onder curatele is gesteld wegens een geestelijke stoornis, nog niet betekent dat hij in geen enkel opzicht in staat is zijn belangen te behartigen. De regering constateert dat een curandus in toenemende mate als deze tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, zoveel mogelijk zelf rechtshandelingen en andere handelingen verricht.1 Dit blijkt onder meer uit verschillende wettelijke regelingen die de afgelopen jaren met betrekking tot de ondercuratelestelling zijn vastgesteld.

Als voorbeeld kan worden gewezen op de ontwikkeling dat de curator met betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding sinds 1994 krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling verplicht is te bevorderen dat de curandus rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht (artikel 1:381, vierde lid, juncto artikel 1:454 van het Burgerlijk Wetboek). Voorts kan worden gewezen op de mogelijkheid voor curandi om zelf in bestuursrechtelijke geschillen op te treden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht (artikel 8:21, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht), de bekwaamheid om zelf in rechte op te treden inzake de curatele (artikel 1:381, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek)en de mogelijkheid van de curandus om met toestemming van de kantonrechter een uiterste wilsbeschikking te maken (artikel 4:55, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

1  Advies van de Kiesraad d.d. 19 juli 2004, pagina 3. http://www.kiesraad.nl/ adviezen_kiesraad/adviezen_2004/advies_0.

2  HR 11 juli 1983, NJ 1984/181.

Ten slotte zijn er aan het eind van de vorige eeuw twee, minder ingrijpende, beschermingsregimes opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, te weten de regimes van beschermingsbewind (titel 1.19)en mentorschap (titel 1.20). Hiermee werd aangesloten bij de hierboven beschreven emancipatietendens. Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad heeft zich in dezelfde richting ontwikkeld. Reeds in 1983 stelde de Hoge Raad meer bij de individuele omstandigheden van het geval aan te sluiten en na te gaan of kan worden gekozen voor een beschermingsmaatregel die minder ingrijpend is dan ondercuratelestelling.2 Uitgangspunt voor de Hoge Raad is dat de gekozen vorm van bescherming enerzijds de betrokkene voldoende bescherming biedt, maar anderzijds zo min mogelijk zijn rechten beperkt.

2.2.3. Conclusie

Samenvattend komt de regering tot de conclusie dat – naar huidige opvat-

tingen – curandi zelf moeten kunnen blijven doen wat ze in redelijkheid kunnen. Een curandus moet niet per definitie buiten staat worden geacht zijn kiesrecht uit te oefenen. Daarom is er reden curandi niet per definitie van het kiesrecht uit te sluiten en artikel 54 van de Grondwet aan te passen. Hiermee sluit de regering aan bij de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak en de, in paragraaf 6 te bespreken, internationale ontwikkelingen.

  • 3. 
    Varianten

3.1  Varianten

Bovenstaande conclusie dat aanpassing van de Grondwet op het gebied van de kiesrechtuitsluiting van curandi is vereist, kan op verschillende wijze grondwettelijk worden vormgegeven:

  • 1. 
    Het toekennen van kiesrecht aan alle curandi;
  • 2. 
    Het toekennen van kiesrecht aan alle curandi maar uitsluiting mogelijk maken op individuele basis door de rechter
  • a. 
    uit eigen beweging door de rechter bij de ondercuratelestelling dan wel
  • b. 
    op verzoek van een betrokken derde (curator, naaste familie);
  • 3. 
    Het handhaven van de algemene uitsluiting van curandi maar toekenning van het kiesrecht op individuele basis door de rechter mogelijk maken
  • a. 
    uit eigen beweging door de rechter bij ondercuratelestelling dan wel
  • b. 
    op verzoek van de curandus of een betrokken derde (curator, naaste familie).

3.2  Algemene toekenning kiesrecht aan curandi

De meest verstrekkende en eenvoudigste oplossing is het toekennen van kiesrecht aan alle curandi door het volledig schrappen van de uitsluitings-grond in zowel de Grondwet als de Kieswet. Bij variant één vindt geen individuele beoordeling meer plaats maar hebben alle curandi per definitie kiesrecht. De vraag of zij daarvan gebruik maken, staat los daarvan. De regering geeft aan deze optie de voorkeur omdat naar zijn opvatting het kiesrecht als grondrecht toekomt aan iedere Nederlander van 18 jaar en ouder. De vraag of iemand verantwoordelijk met dit recht kan omgaan, moet bij de toekenning geen rol spelen.

3.3  Een individuele beoordeling

De varianten twee en drie gaan uit van een individuele beoordeling van betrokkene waarbij de rechter beoordeelt of de curandus in staat is het kiesrecht uit te oefenen. De varianten twee en drie verschillen van elkaar wat betreft het uitgangspunt: toekenning dan wel uitsluiting van het kiesrecht. Daarnaast verschillen de varianten van elkaar met de betrekking tot degene die het initiatief neemt om tot toekenning respectievelijk uitsluiting te komen.

Variant 2a is de constructie waarbij de rechter die de ondercuratelestelling uitspreekt, als onderdeel daarvan, bij ieder individueel geval beziet of er voldoende grond is de betrokkene van het kiesrecht uit te sluiten. De rechter zou dan steeds moeten beoordelen of de betrokkene wiens curatele wordt uitgesproken, in voldoende mate geacht moet worden besef te hebben van de verantwoordelijkheid die met het uitoefenen van het kiesrecht gepaard gaat. Toekenning van het kiesrecht is daarbij uitgangspunt.

Een alternatieve benadering (variant 2b)is uitsluiting van het kiesrecht door de rechter mogelijk te maken, op initiatief van bijvoorbeeld de curator of de naaste familie. Deze regeling sluit aan bij het fundamentele principe dat handhaving van het kiesrecht na ondercuratelestelling het uitgangspunt dient te zijn.

Variant 3 is de minst vergaande oplossing waarbij de ondercuratele-stelling in beginsel een uitsluiting van het kiesrecht betekent. Ook hier kan de rechter op eigen initiatief besluiten de uitsluiting op te heffen (variant 3a)of dit doen op verzoek van de betrokkene dan wel degene die om onder curatele stelling verzoekt (variant 3b).

  • 4. 
    Advies Kiesraad

Naar aanleiding van de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State is advies aan de Kiesraad gevraagd over de vraag of de huidige regeling dient te worden aangepast. De Kiesraad concludeerde in zijn advies van 19 juli 2004 tot aanpassing van de huidige regeling betreffende de kiesrechtuitsluiting van curandi.1 Alle hierboven besproken opties zijn daarbij door de Kiesraad beoordeeld. Over de wijze waarop de regeling zou moeten worden aangepast, was de Kiesraad niet eensluidend. Een deel van de Kiesraad gaf de voorkeur aan de optie waarbij de ondercuratelestelling in beginsel uitsluiting van het kiesrecht inhoudt, maar waarbij de rechter op verzoek kan besluiten om de uitsluiting van het kiesrecht op te heffen, terwijl een ander deel van de Kiesraad er de voorkeur aan gaf de kiesrechtuitsluiting als zodanig te laten vervallen. De regering volgt in dit voorstel die laatste optie.

  • 5. 
    Nadere onderbouwing standpunt regering

5.1 Fundamentele waarde kiesrecht

1  Advies van de Kiesraad d.d. 19 juli 2004.

2  Daargelaten de mogelijkheid van ontzetting van het kiesrecht.

3  Kamerstukken II, 1976–1977, 14 223, artikel 3.1.5.

De regering is van oordeel dat toekenning van het kiesrecht aan curandi uitgangspunt moet zijn van de nieuwe regeling. De regering meent dat het kiesrecht als grondrecht toekomt aan iedere Nederlander van 18 jaar en ouder.2 Om die reden is variant drie waarbij de rechter in een individueel geval kan beslissen het kiesrecht wel toe te kennen minder gelukkig.

5.2 De paradox van het kiesrecht

Een van de overwegingen om over te gaan tot opheffing van de uitsluiting van het kiesrecht aan curandi is wat wel kan worden aangeduid als de paradox van het kiesrecht. Er zijn in Nederland verschillende beschermingsregimes die op verschillende niveaus ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer en de handelingsbekwaamheid van de betrokken persoon. Personen met een zwaardere geestelijke stoornis nemen over het algemeen niet meer deel aan het maatschappelijk verkeer doordat zij in een gespecialiseerde instelling, een verpleeghuis, zijn opgenomen of anderszins feitelijk onder toezicht staan. Voor deze groep bestaat er over het algemeen dan ook geen noodzaak over te gaan tot het instellen van een zwaar beschermingsregime als de ondercuratelestelling. Dit leidt tot de paradoxale situatie dat de kleinere groep personen met een minder zware stoornis, vanwege hun ondercuratelestelling uitgesloten wordt van het kiesrecht, terwijl de vele malen grotere groep zwaarder gestoorde personen wél het kiesrecht toekomt. De grondwetgever zag ook in 1983 deze paradox maar dit was destijds geen reden de kiesrechtuitsluiting

voor curandi te schrappen.3

Tegen de achtergrond van de ontwikkelingen sinds 1983 acht de regering deze situatie in de huidige tijd niet meer verdedigbaar. Het onderhavige

wetsvoorstel heft het verschil in behandeling tussen deze twee groepen ten aanzien van het kiesrecht op.

De regering wijst er op dat curandi die niet in staat zijn het kiesrecht uit te oefenen, dat naar alle waarschijnlijkheid ook niet zullen doen. Het initiatief om al dan niet aan verkiezingen deel te nemen moet zo veel mogelijk aan de kiezer zelf worden overgelaten. Dat geldt zowel voor curandi, als voor andere personen.

De regering onderkent dat het toekennen van kiesrecht aan curandi een zeker risico van misbruik in zich draagt. Het gaat daarbij in het bijzonder om het zogenaamde ronselen van volmachten. De regering acht dit risico, zowel ten opzichte van andere groepen waarvoor ditzelfde risico geldt als getalsmatig dermate gering dat niet moet worden afgezien van de fundamentele keuze om aan de groep curandi kiesrecht te verlenen. In dit verband wijst de regering erop dat zij voornemens is het advies van de Kiesraad op te volgen en verzorgingsinstellingen, verpleegtehuizen en psychiatrische inrichtingen te wijzen op dit risico.1 Hierbij zal benadrukt worden dat het aan het initiatief van de betrokken kiezer moet worden overgelaten of hij aan de stemming wenst deel te nemen en dat het niet aan het personeel van de instelling is initiatieven te ontplooien om voor deze kiezers bij volmacht te stemmen.

5.3 Individuele beoordeling

Alle varianten waarbij de individuele beoordeling van betrokkene uitgangspunt is, leggen de verantwoordelijkheid voor het maken van deze beoordeling bij de rechter. Ook bij de grondwetsherziening in 1983 is overwogen de rechter een dergelijke individuele beoordeling te laten maken. De grondwetgever achtte een individuele beoordeling door de rechter echter praktisch uitgesloten. Om die reden is toen aangesloten bij een objectief vast te stellen omstandigheid, door de uitsluiting te verbinden aan de ondercuratelestelling volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

De regering meent dat het overbodig is de rechter te belasten met een individuele beoordeling. Wanneer een curandus zelf aangeeft over het kiesrecht te willen beschikken, mag immers worden verondersteld dat deze ook in staat is zijn wil met betrekking tot het kiesrecht zelfstandig te bepalen. Ook bij curandi die geen behoefte hebben om deel te nemen aan de verkiezingen is een individuele beoordeling van de rechter niet noodzakelijk. Deze personen zullen immers geen gebruik maken van hun kiesrecht. Dit leidt in de praktijk tot een feitelijke selectie die rechterlijke toetsing veelal overbodig maakt. Het zou derhalve een onnodige en disproportionele belasting van de rechterlijke macht betekenen, als de rechter elke keer dat een ondercuratelestelling wordt uitgesproken deze beoordeling te moeten maken.

Bij de optie waarbij toekenning van het kiesrecht gecombineerd met een individuele beoordeling door de rechter uitgangspunt is, geldt dat momenteel onder curatele gestelden, circa 20 000, opnieuw door de rechter beoordeeld zullen moeten worden. Dit zou een aanzienlijke belasting van de rechterlijke macht met zich mee brengen. De regering acht dit onwenselijk.

Ten slotte zou ook aan een regeling waarbij derden een verzoek tot uitsluiting kunnen doen, naar het oordeel van de regering in de praktijk nauwelijks betekenis toekomen. Verzoeken tot uitsluiting van het kiesrecht wegens de onmogelijkheid de wil ten aanzien van het kiesrecht te Advies van de Kiesraad d.d. 19 juli 2004.           bepalen, zullen slechts sporadisch voorkomen. Immers, de betrokkene zelf

en zijn naaste verwanten hebben er geen belang bij een dergelijk verzoek

te doen.1

5.4. Actief en passief kiesrecht

De regering heeft overwogen of het wenselijk zou zijn een onderscheid te maken tussen het actief en het passief kiesrecht voor curandi. Dit onderscheid zou er op neerkomen dat aan onder curatele gestelden alleen het actief kiesrecht zou toekomen. Met de Kiesraad is de regering van oordeel dat een dergelijk onderscheid onwenselijk is, aangezien de kiezer zelf dient te beoordelen welke kandidaten geschikt zijn om hem te vertegenwoordigen in algemeen vertegenwoordigende organen.2 Daarnaast mag ervan worden uitgegaan dat partijen verantwoord zullen omgaan met de samenstelling van de kandidatenlijsten.

  • 6. 
    Het internationale kader

De voorgestelde wijziging van de Grondwet kan niet los worden gezien van internationale ontwikkelingen. Primair dient te worden gewezen op artikel 25 van het IVBPR. Dit artikel geeft elke burger het recht om zowel actief als passief deel te nemen aan verkiezingen van het landsbestuur. De regering onderschrijft de visie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de uitsluiting van het kiesrecht van degenen die door een onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onder curatele worden gesteld in zijn algemeenheid geen onredelijke beperking in de zin van artikel 25, aanhef en onder b, IVBPR is, maar dat uitsluiting in een concreet geval wel tot een dergelijke onredelijkheid kan leiden.3 Hieruit volgt dat aanpassing van de Grondwet op dit punt noodzakelijk is om zodoende strijdigheid met het IVBPR in een concreet geval te voorkomen.

Daarnaast wijst de regering op de aanbeveling Nr. Rec (99)4 uit 1999 van de Raad van Europa getiteld «Principles concerning the legal protection of incapable adults».4 Deze aanbeveling is tot stand gekomen na voorbereidende werkzaamheden van een expertgroep (de Group of Specialists on Incapable Adults, (CJ-S-MI))onder Nederlands voorzitterschap. De Raad van Europa constateert dat er in de tweede helft van de twintigste eeuw een grote nadruk is komen te liggen op mensenrechten en dat dit een direct effect heeft gehad op de verzorging en bescherming van personen met een gebrekkige ontwikkeling of geestelijke stoornis. Dit heeft in het bijzonder geleid tot een erkenning van het feit dat bestaande vrijheden en individuele capaciteiten zo veel mogelijk dienen te worden gerespecteerd en dat maatregelen die hun rechten onnodig beperken onverdedigbaar zijn, aldus de Raad. De aanbeveling gaat er – kort gezegd – vanuit dat de rechter een beschermingsmaatregel alleen dan dient te treffen, indien is vastgesteld dat deze noodzakelijk is. Daarbij dient hij uitdrukkelijk rekening te houden met eventueel toepasbare, minder formele oplossingen dan een door de rechter op te leggen beschermingsmaatregel. Gedacht kan worden aan zaakwaarneming, volmacht en feitelijke ondersteuning. Als een beschermingsmaatregel in een concreet geval noodzakelijk wordt geacht, dient deze in een juiste verhouding te staan met het bij de betrokkenen nog wel aanwezige vermogen om zélf beslissingen te nemen (maatwerk).

1  Zie ook Advies Kiesraad, d.d. 19 juli 2004, blz. 4.

2  Advies Kiesraad, d.d. 19 juli 2004, blz. 5.

3  ABRvS, 29 oktober 2003, AB 2003/463, m. nt PJS.

4  https://wcd.coe.int: zoeken bij Council of Ministers: Recommendations, 1999, nr. 4.

De belangrijkste uitgangspunten van de aanbeveling zijn: respect voor de menselijke waardigheid; flexibiliteit in beschermingsregimes in overeenstemming met de principes van proportionaliteit en subsidiariteit; zo veel mogelijk behoud van autonomie en – voor zover mogelijk – juridische bevoegdheid. Met betrekking tot het kiesrecht wijst de regering in het bijzonder op het derde principe van de aanbeveling. Hierin wordt expliciet

gesteld dat het instellen van een beschermingsregime niet automatisch mag leiden tot het ontvallen van het kiesrecht.

Met betrekking tot de subsidiariteit en proportionaliteit van de uitsluitings-grond volstaat de regering met de constatering dat een algehele uitslui-tingsgrond van curandi op gespannen voet staat met door de Raad geformuleerde principes.

Concluderend oordeelt de regering dat het onderhavig wetsvoorstel past binnen de kaders zoals deze internationaal zijn geformuleerd.

  • 7. 
    Overig

De regering wijst ten slotte op artikel III waarin is bepaald dat de hierboven voorstelde wijziging van de Grondwet eerst in werking treedt na vijf jaren of op een bij of krachtens de wet te bepalen eerder tijdstip. Deze bepaling is opgenomen om na de wijziging van de Grondwet de aanpassing van de Kieswet mogelijk te maken. In artikel B 5 van de Kieswet staat namelijk dezelfde uitsluitingsgrond. Indien de wijziging van de Grondwet direct in werking zou treden, ontstaat de situatie waarbij de Kieswet in strijd is met de Grondwet. Bij de wijziging van de Kieswet zal worden bepaald dat deze wijziging van de Grondwet in werking treedt op hetzelfde moment dat de wijziging van de Kieswet in werking treedt.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, J. P. Balkenende

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties A. Pechtold

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.