Voorstel van wet - Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs)

Dit voorstel van wet i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 30387 - Invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs) i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs); Voorstel van wet  
Document­datum 25-11-2005
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST92170
Kenmerk 30387, nr. 2
Van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 387

Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer invoering van leerrechten in het hoger onderwijs, herziening van de collegegeldsystematiek, invoering van het collegegeldkrediet en invoering van een nieuw aflossingssysteem (financiering in het hoger onderwijs)

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een persoonsgebonden recht op door de rijksoverheid bekostigd onderwijs in te voeren met het oog op de kwalitatieve verbetering en vergroting van de doelmatigheid van opleidingen in het hoger onderwijs;

dat het daartoe wenselijk is te komen tot invoering van leerrechten in het hoger onderwijs en de herziening van de collegegeldsystematiek;

dat het voorts wenselijk is in het hoger onderwijs een collegegeldkrediet en een nieuwaflossingssysteem in het stelsel van studiefinanciering in te voeren;

dat in verband daarmee wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en van de Wet studiefinanciering 2000 noodzakelijk is;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In onderdeel v wordt aan het slot de punt vervangen door een puntkomma.
  • 2. 
    Aan het artikel worden vijf nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:
  • w. 
    leerrecht: het persoonsgebonden recht van een student om gedurende een tijdvak van zes aaneengesloten maanden hoger onderwijs aan een bekostigde instelling voor hoger onderwijs te volgen dat uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;
  • x. 
    uitlooprecht: het persoonsgebonden recht van een student om ten vervolge op een periode waarin onderwijs is gevolgd op basis van een leerrecht, gedurende een tijdvak van zes aaneengesloten maanden hoger onderwijs te volgen dat niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;
  • y. 
    leerrecht OU: het persoonsgebonden recht van een student om een onderwijseenheid als bedoeld in artikel 7.32, derde lid, aan de Open Universiteit te volgen dat uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;
  • z. 
    collegegeld: het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid;

aa. collegegeldtijdvak: een tijdvak van zes aaneengesloten maanden.

B Artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    De eerste volzin van het eerste lid komt te luiden: De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze.
  • 2. 
    Lid 1a komt te luiden: 1a. In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend

op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

  • 3. 
    De tweede volzin van het derde lid vervalt.

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    De eerste volzin van het derde lid komt te luiden: Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten dat leerrechten of leerrechten OU aanwendt, op hun studieresultaten en op het profiel van de instelling.
  • 2. 
    Het vierde lid vervalt.

Artikel 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het opschrift komt te luiden: Bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage.
  • 2. 
    Het eerste lid vervalt.
  • 3. 
    Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

E

Artikel 2.8 vervalt.

C

D

Artikel 2.11 vervalt.

G

Het opschrift van titel 3 van hoofdstuk 2 komt te luiden: Inrichting verslag.

H

Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het opschrift komt te luiden: Inrichting verslag.
  • 2. 
    In het artikel vervalt «de begroting en».

I

In artikel 2.15, zesde lid, vervalt de zinsnede «de vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en».

Artikel 7.4b wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het tweede lid komt te luiden:
  • 2. 
    Behoudens het bepaalde in het derde tot en met achtste lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs 60 studiepunten.
  • 2. 
    Onder vernummering van het derde tot negende lid worden na het tweede lid zes nieuwe leden ingevoegd, luidende:
  • 3. 
    De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
  • 4. 
    De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.
  • 5. 
    De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practice bedraagt 120 studiepunten.
  • 6. 
    De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.
  • 7. 
    De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
  • 8. 
    De studielast van een onderwijseenheid aan de Open Universiteit bedraagt 4,28 studiepunt.

K

Artikel 7.9e vervalt. L

Artikel 7.13, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Aan het slot van onderdeel t wordt toegevoegd: en.
  • 2. 
    Aan het slot van onderdeel u wordt «, en» vervangen door een punt.

F

J

  • 3. 
    Onderdeel v vervalt. M

Titel 2a van hoofdstuk 7 vervalt. N

Artikel 7.32, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. 
    De inschrijving voor een opleiding aan een universiteit en een hogeschool geschiedt voor een periode van onbepaalde duur en eindigt in de gevallen, bedoeld in artikel 7.42.

O

Artikel 7.34 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid komt onderdeel a te luiden: a. aan het initieel onderwijs dat door de instelling wordt aangeboden,

deel te nemen, behoudens de regels die terzake in de onderwijs- en examenregeling kunnen worden gesteld, en de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.53, derde lid, of 7.56 anders te beslissen,.

  • 2. 
    De eerste volzin van het derde lid vervalt.

Artikel 7.37 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het vijfde lid, tweede volzin, het zesde lid, eerste volzin, en het zevende lid wordt «ingetrokken» telkens vervangen door: beëindigd.
  • 2. 
    In de derde volzin van het vijfde lid wordt «intrekking» vervangen door: beëindiging.

Q

Artikel 7.42 komt te luiden:

Artikel 7.42. Beëindiging inschrijving

  • 1. 
    De inschrijving voor een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs wordt op verzoek van degene die is ingeschreven, door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin de betrokkene het verzoek heeft gedaan.
  • 2. 
    De inschrijving voor een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs wordt door het instellingsbestuur beëindigd, indien de betrokkene gedurende de inschrijving de uit die inschrijving voortvloeiende verplichtingen van financiële aard niet is nagekomen en dat aan hem is toe te rekenen. Het tijdstip van beëindiging van de inschrijving is de eerste dag van de tweede maand volgende op de maand waarin het instellingsbestuur de betrokkene schriftelijk van het in de eerste volzin bedoelde feit in kennis heeft gesteld. Indien de betrokkene ten genoegen van het instellingsbestuur heeft aangetoond dat het niet nakomen van de in de eerste volzin bedoelde verplichtingen niet aan hem is toe te rekenen, wordt de inschrijving geacht niet te zijn beëindigd.
  • 3. 
    Het tijdstip van beëindiging van de inschrijving, bedoeld in artikel

P

7.8b, vijfde lid, of artikel 7.37, vijfde of zesde lid, is de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin het instellingsbestuur de betrokkene schriftelijk heeft meegedeeld dat toepassing is gegeven aan onderscheidenlijk artikel 7.8b, derde lid, of artikel 7.37, vijfde of zesde lid.

  • 4. 
    Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
  • 5. 
    Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een inschrijving is beëindigd, daarvan mededeling aan de betrokkene en de Informatie Beheer Groep.

R

Na artikel 7.42 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 1a. Leer- en uitlooprechten

Artikel 7.42a. Leer- en uitlooprechten voor opleiding of onderwijseenheid

  • 1. 
    Onverminderd artikel 7.42f beschikt een student over leer- en uitlooprechten als bedoeld in het tweede lid die voor de eerste maal voor een bacheloropleiding of voor de eerste maal voor een masteropleiding aan een bekostigde instelling voor hoger onderwijs wenst te worden ingeschreven en:
  • a. 
    die is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, of niet is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens maar onderwijs in Nederland volgt met uitzondering van een student aan de Open Universiteit, en in Nederland, de gewesten Vlaanderen en Brussel van België of een van de bondstaten Noordrijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woont,
  • b. 
    van wie het college van bestuur na verificatie van de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken student, voorzover die student niet is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens die gegevens heeft laten opnemen in het register, bedoeld in artikel 9 van de Wet verzelfstandiging Informatiseringbank, en
  • c. 
    die voldoet aan een van de volgende eisen: 1°. de Nederlandse nationaliteit bezit, 2°. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een

verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of

3°. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.

  • 2. 
    De leer- en uitlooprechten voor een opleiding omvatten:
  • a. 
    leerrechten waarvan het aantal is afgeleid van de studielast van de desbetreffende opleiding, en
  • b. 
    twee uitlooprechten.
  • 3. 
    Onverminderd artikel 7.42f beschikt een student over leerrechten OU die voor de eerste maal voor een onderwijseenheid van een bacheloropleiding of voor de eerste maal voor een onderwijseenheid van een masteropleiding aan de Open Universiteit wenst te worden ingeschreven en die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c.

Artikel 7.42b. Aantal leerrechten

  • 1. 
    Het aantal leerrechten voor een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt zes. Indien artikel 7.4a, eerste lid, tweede

en derde volzin, toepassing heeft gevonden, bedraagt het aantal leerrechten voor de desbetreffende opleiding zes, vermeerderd met het aantal dat in het besluit, bedoeld artikel 7.4a, eerste lid, tweede volzin, is bepaald.

  • 2. 
    Het aantal leerrechten voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt acht.
  • 3. 
    Het aantal leerrechten voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7.4a, tweede lid, bedraagt twee. Het aantal leerrechten voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7.4a, derde tot en met zevende lid, bedraagt een voor elke dertig studiepunten van de studielast voor die opleiding.
  • 4. 
    Het aantal leerrechten voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4b, tweede lid, bedraagt twee. Het aantal leerrechten voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4b, derde tot en met zevende lid, bedraagt een voor elke dertig studiepunten van de studielast voor die opleiding.
  • 5. 
    Het aantal leerrechten OU bedraagt:
  • a. 
    voor een bacheloropleiding tweeënveertig, en
  • b. 
    voor een masteropleiding veertien.

Artikel 7.42c. Inzet uitlooprechten

Een uitlooprecht voor een bacheloropleiding dat niet voor die opleiding is aangewend, kan worden aangewend voor een masteropleiding, mits de voor die opleiding beschikbare leerrechten zijn aangewend.

Artikel 7.42d. Aanvullende leerrechten

  • 1. 
    Voor de bezitter van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs die voor de eerste maal voor een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs wenst te worden ingeschreven, worden de voor laatstbedoelde opleiding beschikbare leerrechten uitgebreid met twee leerrechten. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de betrokkene in het bezit is van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of, aan de betrokkene de graad Bachelor is verleend dan wel de betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
  • 2. 
    De Informatie Beheer Groep kan aan degene die blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het instellingsbestuur van de instelling waaraan hij is ingeschreven als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitende examen met goed gevolg af te ronden met gebruikmaking van de voor de desbetreffende opleiding beschikbare leerrechten, in aanvulling op die leerrechten voor de desbetreffende opleiding twee leerrechten toekennen.

Artikel 7.42e. Inzet resterende leerrechten

  • 1. 
    Indien een of meer leerrechten voor een bacheloropleiding of voor een masteropleiding niet zijn aangewend en het afsluitend examen van die opleiding met goed gevolg is afgelegd, kunnen in afwijking van artikel 7.42f die leerrechten tot een maximum van twee worden aangewend voor het volgen van onderwijseenheden van een andere opleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool.
  • 2. 
    Dit artikel is niet van toepassing op studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.42g.

Artikel 7.42f. Geen aanspraak op leer- en uitlooprechten

  • 1. 
    Geen aanspraak op leer- en uitlooprechten voor een bacheloropleiding en op OU-leerrechten heeft degene op wie het tweede lid van toepassing is of:
  • a. 
    aan wie de graad Bachelor is verleend,
  • b. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs,
  • c. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs,
  • d. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd eindexamen hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs,
  • e. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleiding dat gelijk kan worden gesteld met een getuigschrift als bedoeld in onderdeel b, c of d,
  • f. 
    aan wie door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend die gelijk kan worden gesteld met de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs, of
  • g. 
    die in het bezit is van een door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs uitgereikt getuigschrift dat gelijk kan worden gesteld met een getuigschrift als bedoeld in onderdeel b, c of d.
  • 2. 
    Geen aanspraak op leer- en uitlooprechten voor een masteropleiding en op OU-leerrechten heeft degene:
  • a. 
    aan wie de graad Master is verleend,
  • b. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs,
  • c. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs,
  • d. 
    die in het bezit is van een getuigschrift van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleiding dat gelijk kan worden gesteld met een getuigschrift als bedoeld in onderdeel b of c,
  • e. 
    aan wie door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend die gelijk kan worden gesteld met de graad Master, of
  • f. 
    die in het bezit is van een door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs uitgereikt getuigschrift dat gelijk kan worden gesteld met een getuigschrift als bedoeld in onderdeel b of c.

Artikel 7.42g. Nieuwe leer- en uitlooprechten voor opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg

Artikel 7.42f is niet van toepassing op degene die voor de eerste maal voor een opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg aan een universiteit of hogeschool wenst te worden ingeschreven en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.42a, eerste lid, eerste volzin, onderdeel a, b of c, tenzij de betrokkene:

  • a. 
    een graad als bedoeld in artikel 7.10a op het gebied van onderscheidenlijk onderwijs of gezondheidszorg is verleend, of
  • b. 
    in het bezit is van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding op het gebied van onderscheidenlijk onderwijs of gezondheidszorg.

Artikel 7.42h. Nieuwe leer- en uitlooprechten i.v.m. ernstige handicap

In afwijking van artikel 7.42f kan de Informatie Beheer Groep aan degene die blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het instellingsbestuur van de instelling waaraan hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is de opleiding waarvoor hij is ingeschreven, voort te zetten, en voor een andere opleiding wenst te worden ingeschreven, een maal nieuwe leer- en uitlooprechten als bedoeld in artikel 7.42b toekennen.

Artikel 7.42i. Verbruik leer- en uitlooprechten en registratie daarvan

  • 1. 
    Indien een leerrecht of uitlooprecht wordt aangewend voor het volgen van onderwijs aan een bekostigde instelling voor hoger onderwijs, worden onderscheidenlijk het totaal aan leerrechten en het totaal aan uitlooprechten voor de desbetreffende opleiding met een verminderd.
  • 2. 
    Indien de betrokkene zich voor een andere bacheloropleiding of een andere masteropleiding laat inschrijven, wordt het totaal aan leerrechten voor die andere opleiding verminderd met het aantal leerrechten dat voor de opleiding van eerste inschrijving is aangewend.
  • 3. 
    Indien een leerrecht OU wordt aangewend voor het volgen van een onderwijseenheid aan de Open Universiteit wordt het totaal aantal leerrechten OU, bedoeld in artikel 7.42b, vijfde lid, met een verminderd.
  • 4. 
    Indien de betrokkene zich laat inschrijven voor een onderwijseenheid aan de Open Universiteit nadat hij leerrechten heeft aangewend voor een opleiding, wordt het totaal aantal leerrechten OU verminderd met het aantal leerrechten dat hij voor de opleiding van eerste inschrijving heeft ingezet, vermenigvuldigd met zeven.
  • 5. 
    Indien de betrokkene zich laat inschrijven voor een opleiding nadat hij leerrechten OU heeft ingezet, wordt het totaal aan leerrechten voor die opleiding verminderd met het aantal leerrechten OU, gedeeld door zeven en naar boven afgerond op een geheel getal.
  • 6. 
    De Informatie Beheer Groep is belast met de registratie van het verbruik van leerrechten, uitlooprechten en leerrechten OU. De registratie vormt onderdeel van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs.
  • 7. 
    De Informatie Beheer Groep doet ten minste een keer per jaar mededeling aan de betrokken studenten en aan de instellingen voor hoger onderwijs over het verbruik van leeren uitlooprechten en leerrechten OU.
  • 8. 
    De Informatie Beheer Groep doet op aanvraag van de aanstaande student mededeling aan een instelling over het aantal leerrechten, uitlooprechten en leerrechten OU waarop hij aanspraak heeft.

Artikel 7.42j. Geen verbruik van leerrechten

  • 1. 
    De student die voor een opleiding aanspraak heeft op leer- en uitlooprechten en die zich daarnaast in hetzelfde collegegeldtijdvak wil laten inschrijven voor een andere opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs of is ingeschreven aan een instelling van wetenschappelijlk onderwijs als bedoeld in artikel 16.21, verbruikt voor die tweede inschrijving geen leerrechten en is geen instelingscollegegeld verschuldigd.
  • 2. 
    Het eerste lid is niet van toepassing op studenten die beschikken over leerrechten of uitlooprechten als bedoeld in artikel 7.42g.
  • 3. 
    De student die voor een opleiding aanspraak heeft op leer- en uitlooprechten en aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs is ingeschreven en zich in hetzelfde collegegeldtijdvak wil laten inschrijven aan een Nederlande instelling voor hoger onderwijs, verbruikt voor die

tweede inschrijving geen leerrechten en is geen instellingscollegegeld verschuldigd.

  • 4. 
    Het instellingsbestuur bepaalt of een inschrijving bij een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs is aan te merken als een eerste inschrijving als bedoeld in het derde lid.
  • 5. 
    Dit artikel is niet van toepassing op de inschrijving voor een opleiding aan de Open Universiteit.

S

Artikel 7.43 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het opschrift vervalt «voor voltijdse opleidingen».
  • 2. 
    Het eerste en tweede lid worden vervangen door twee nieuwe leden, luidende:
  • 1. 
    Het collegegeld bedraagt € 760 per collegegeldtijdvak. In afwijking van de eerste volzin kan het instellingsbestuur het collegegeld voor een deeltijdse of duale opleiding lager vaststellen, mits het collegegeld ten minste gelijk is aan de helft van het in die volzin bedoelde bedrag.
  • 2. 
    Het collegegeld is verschuldigd door degene die een leerrecht of uitlooprecht aanwendt voor het volgen van een opleiding.
  • 3. 
    In het derde lid wordt «tweede lid» vervangen door: eerste lid.
  • 4. 
    In de tweede volzin van het vierde lid wordt «november» vervangen door: «juni».

T

Artikel 7.44 komt te luiden:

Artikel 7.44. Gemaximeerd collegegeld

  • 1. 
    Het gemaximeerd collegegeld bedraagt ten hoogste twee keer het bedrag van het collegegeld per collegegeldtijdvak. Het instellingsbestuur stelt het gemaximeerd collegegeld vast.
  • 2. 
    Het gemaximeerd collegegeld is verschuldigd door degene die, aansluitend aan een periode waarin hij een opleiding volgde op basis van leer- en uitlooprechten, deze opleiding voortzet gedurende ten hoogste vier tijdvakken van zes aaneengesloten maanden wat betreft de bacheloropleidingen en gedurende twee tijdvakken van zes aaneengesloten maanden wat betreft de masteropleidingen.
  • 3. 
    Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. 
    Indien het gemaximeerd collegegeld wijziging ondergaat, doet het instellingsbestuur daarvan onverwijld mededeling aan de Informatie Beheer Groep.

U

Na artikel 7.44 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.44a. Instellingscollegegeld

  • 1. 
    Het instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld voor een collegegeldtijdvak.
  • 2. 
    Het instellingscollegegeld is verschuldigd door degene die niet meer over leer- en uitlooprechten beschikt en volledig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 7.44, tweede lid.
  • 3. 
    Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. 
    Artikel 7.44, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. V Artikel 7.45 komt te luiden:

Artikel 7.45. Examengeld extraneus

  • 1. 
    Gedurende de inschrijving als extraneus voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool is examengeld verschuldigd. Het instellingsbestuur stelt het examengeld voor een tijdvak van zes aaneengesloten maanden vast.
  • 2. 
    Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

W

In artikel 7.46, eerste lid, wordt «de artikelen 7.43, eerste en tweede lid, 7.44, eerste lid, en 7.45, eerste lid» vervangen door: de artikelen 7.43, eerste lid, 7.44, eerste lid, 7.44a, eerste lid, en 7.45, eerste lid.

X

Artikel 7.47 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste lid komt te luiden:
  • 1. 
    Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:
  • a. 
    betaling voor twee collegegeldtijdvakken ineens, of
  • b. 
    betaling in maandelijkse termijnen overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten tot een bedrag van ten hoogste € 14 in rekening kunnen worden gebracht.
  • 2. 
    In het tweede lid wordt «de artikelen 7.43, tweede lid, en 7.44, eerste lid» vervangen door: de artikelen 7.44, eerste lid, en 7.44a, eerste lid.

Y

Artikel 7.48 vervalt.

Artikel 7.49 komt te luiden:

Artikel 7.49. Terugbetaling van collegegeld

  • 1. 
    Indien een student is overleden, is geen collegegeld meer verschuldigd en wordt voor elke maand van het desbetreffende collegegeldtijdvak na de maand van overlijden van de student een zesde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij een betalingsregeling als bedoeld in artikel 7.47, eerste lid, onder b, is getroffen.
  • 2. 
    Indien de inschrijving van een student wordt beëindigd, is geen collegegeld meer verschuldigd en heeft de student aanspraak op terugbetaling van collegegeld naar evenredigheid van het resterende aantal maanden van het collegegeldtijdvak, berekend vanaf de eerste maand die volgt op de maand van het beëindigen van de inschrijving, tenzij een betalingsregeling als bedoeld in artikel 7.47, eerste lid, onder b, is getroffen.
  • 3. 
    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien gemaxi-

Z

meerd collegegeld, bedoeld in artikel 7.44, of instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.44a, is verschuldigd.

  • 4. 
    Het instellingsbestuur kan regels van procedurele aard vaststellen met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

AA

Artikel 7.50 komt te luiden:

Artikel 7.50. Cursusgeld en instellingscursusgeld Open Universiteit.

  • 1. 
    Het cursusguld OU bedraagt voor een kalenderjaar een zevende van het collegegeld, afgerond op het nabij gelegen gehele getal. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit draagt zorg voor openbaarmaking van het cursusgeld OU. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door plaatsing in de Staatscourant.
  • 2. 
    Het cursusgeld OU is verschuldigd door degene die een onderwijs-eenheid van de Open Universiteit wil volgen en beschikt over een leerrecht OU.
  • 3. 
    Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast, waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het cursusgeld OU wordt getroffen, voor personen waarvan het toetsingsin-komen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, minder dan 120% van het belastbaar minimumloon bedraagt. De hoogte van de verlaging is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.
  • 4. 
    Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt voor een kalenderjaar het instellingscursusgeld OU vast. Bij de vaststelling van het bedrag houdt het instellingsbestuur rekening met de toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.
  • 5. 
    Het instellingscursusgeld OU is verschuldigd door degene die een onderwijseenheid van de Open Universiteit wil volgen en niet meer beschikt over een leerrecht OU.

BB

Artikel 7.51 komt te luiden:

Artikel 7.51. Profileringsfonds

  • 1. 
    Het instellingsbestuur treft effectieve en voldoende voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die:
  • a. 
    aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,
  • b. 
    een opleiding volgt waarvoor het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 7.4a, zevende lid, of artikel 7.4b, negende lid, en
  • c. 
    niet beschikt over leer- en uitlooprechten of geen aanspraak meer heeft op prestatiebeurs als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet studiefinanciering 2000 voor de desbetreffende opleiding.
  • 2. 
    Het instellingsbestuur treft effectieve en voldoende voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die:
  • a. 
    aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,
  • b. 
    als gevolg van door het instellingsbestuur vastgestelde bijzondere omstandigheden studievertraging heeft opgelopen, en
  • c. 
    niet beschikt over leer- en uitlooprechten of geen aanspraak meer

heeft op prestatiebeurs als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet studiefinanciering 2000 voor de desbetreffende opleiding.

Het instellingsbestuur maakt de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, onderdeel b, openbaar.

  • 3. 
    Het instellingsbestuur kan effectieve en voldoende voorzieningen treffen ter financiële ondersteuning van een student die:
  • a. 
    aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd, en
  • b. 
    niet voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 7.42a, eerste lid, onderdeel c.

CC

Artikel 7.51a vervalt.

DD

Artikel 7.52 wordt als volgt gewijzigd: 1.In het eerste lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede «, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen,».

  • 2. 
    In het vijfde lid vervalt telkens «universiteiten en hogescholen. EE

In artikel 7.61, eerste lid, vervalt onderdeel c.

FF

In de artikelen 9.8, tweede lid, onderdeel c, en 11.6, tweede lid, onderdeel c, vervalt telkens «bedoeld in artikel 2.8,».

GG

In de artikelen 9.33, onderdeel g, en 10.20, onderdeel g, wordt «vijfde lid» telkens vervangen door: tweede lid, onderdeel b,.

HH

In artikel 9.34, derde lid, onder b, wordt «alsmede inzake de begroting» vervangen door: , inzake de begroting, alsmede inzake het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.44, eerste lid, en 7.44a, eerste lid,.

II

In artikel 10.22, onder b, wordt na «de begroting,» ingevoegd: het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.44, eerste lid, en 7.44a, eerste lid,.

JJ

Artikel 15.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    De onderdelen a en b worden vervangen door een nieuw onderdeel, luidende:
  • a. 
    met toepassing van artikel 7.44a, indien het deelname aan een opleiding aan een universiteit of hogeschool betreft, of.
  • 2. 
    Onderdeel c wordt verletterd tot onderdeel b.

KK

Artikel 16.21, vierde lid, vervalt. LL

Aan hoofdstuk 18 wordt een nieuwe titel toegevoegd, luidende:

TITEL 8. WET VAN .... 2006 (STB. ...

Artikel 18.55. Overgangsbepaling leer- en uitlooprechten voor opleiding

  • 1. 
    In afwijking van artikel 7.42a, eerste lid, beschikt een student die in 2006 voor het studiejaar 2006–2007 was ingeschreven voor een bacheloropleiding, voor een masteropleiding of voor een opleiding als bedoeld in de artikel 18.15 en 18.20 aan een bekostigde instelling voor hoger onderwijs en die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in genoemd artikellid, onderdelen a, b en c, over leer- en uitlooprechten als bedoeld in artikel 7.42a, tweede lid.
  • 2. 
    De artikelen 7.42b, 7.42c, 7.42e, 7.42f en 7.42i zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18.56. Aantal leerrechten voor ongedeelde en voortgezette opleidingen

Het aantal leerrechten, bedoeld in artikel 7.42b, voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 18.15 en 18.20 bedraagt een voor elke 30 studiepunten van de studielast voor die opleiding.

Artikel 18.57. Verbruik tijdvakken bij ongedeelde en voortgezette opleidingen

  • 1. 
    Artikel 7.42i is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 18.55.
  • 2. 
    De voor de opleidingen, bedoeld in artikel 18.55, verbruikte leerrechten worden wat betreft de eerste zes leerrechten aangemerkt als leerrechten als bedoeld in artikel 7.42b, eerste lid, en wat betreft de overige leerrechten als leerrechten als bedoeld in artikel 7.42b, derde lid.

Artikel 18.58. Overgangsbepaling verzoeken

Op verzoeken om vrijstelling, vermindering en terugbetaling van collegegeld blijven de voorschriften, zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing.

Artikel 18.59. Leerrechten tweede opleiding voor ingeschrevenen in 2006–2007

  • 1. 
    Degene aan wie de graad Bachelor of de graad Master is verleend en in het studiejaar 2006–2007 voor een bacheloropleiding onderscheidenlijk een masteropleiding is ingeschreven, heeft in afwijking van artikel 7.42f aanspraak op leer- en uitlooprechten voor die opleiding.
  • 2. 
    Voor de toepassing van dit artikel worden met de graden, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de getuigschriften, bedoeld in artikel 7.42f, eerste lid, onderdelen b tot en met g, en tweede lid, onderdelen b tot en met f.

ARTIKEL II

In artikel 7.43, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt «€ 760» vervangen door de helft van het bedrag, genoemd in de Regeling vaststelling collegegeld 2007, afgerond op het nabij gelegen gehele getal.

ARTIKEL III

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 7.44 vervalt.

Artikel 7.44a wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid vervalt «en volledig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 7.44, tweede lid».
  • 2. 
    Het vierde lid komt te luiden: 4. Indien het collegegeld, bedoeld in het eerste lid, wijziging ondergaat,

doet het instellingsbestuur daarvan onverwijld mededeling aan de Informatie Beheer Groep.

C

In artikel 7.46, eerste lid, vervalt «7.44a, eerste lid,».

D

In de artikelen 7.47, tweede lid, 9.34, derde lid, onder b, en 10.22, onder b, wordt «de artikelen 7.44, eerste lid, en 7.44a, eerste lid» telkens vervangen door: artikel 7.44a, eerste lid.

E

In artikel 7.49, derde lid, vervalt «gemaximeerd collegegeld, bedoeld in artikel 7.44, of».

ARTIKEL IV

In de Wet studiefinanciering 2000 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:

collegegeldkrediet: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,

toetsingsinkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met

B

dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de artikelen 3.4 en 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,.

  • 2. 
    In de begripsomschrijving van peiljaar wordt na «aanvangt,» toegevoegd: dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van hoofdstuk 6 wordt vastgesteld,.

B

In artikel 2.3, vierde lid, vervalt «tot de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 34 jaren heeft bereikt».

C

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Aan het eerste lid wordt na «of aanvullende lening» toegevoegd: en voor studenten ook uit collegegeldkrediet.
  • 2. 
    Aan het derde lid wordt na «voor een kalendermaand» toegevoegd: en voor studenten ook op basis van het collegegeldkrediet.

D

Artikel 3.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Aan het opschrift van artikel 3.2 wordt toegevoegd: deelnemer.
  • 2. 
    Het eerste lid komt te luiden: 1. Het budget voor een deelnemer voor een kalendermaand is het totaal

van:

  • a. 
    een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,
  • b. 
    een tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld, en
  • c. 
    een reisvoorziening.
  • 3. 
    Het derde lid komt te luiden: 3. De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een

deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld.

E

Na artikel 3.2 wordt een nieuw artikel 3.3 ingevoegd, luidende:

Artikel 3.3. Samenstelling maandbudget student

  • 1. 
    Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
  • a. 
    een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, en
  • b. 
    een reisvoorziening.
  • 2. 
    Dit budget kan worden verhoogd met:
  • a. 
    een toeslag voor een partner ingevolge artikel 3.4, of
  • b. 
    een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
  • 3. 
    De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.

F Na artikel 3.16 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet

  • 1. 
    Het collegegeldkrediet is een lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
  • 2. 
    Het collegegeldkrediet voor zes aaneengesloten maanden bedraagt maximaal vijf maal het bedrag bedoeld in artikel 7.43 van de WHW.
  • 3. 
    Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt ten hoogste eenzesde deel van het door de student op grond van onderscheidenlijk de artikelen 7.43, 7.44 en 7.44a van de WHW te betalen bedrag of ten hoogste eentwaalfde deel van het per jaar door de student te betalen bedrag voor het volgen van onderwijs aan een instelling als bedoeld in artikel 2.9, 2.10 of 2.11 of aan een instelling in het buitenland.

G

In artikel 3.17, achtste lid, wordt «de artikelen 6.3 en 6.4» vervangen door: de artikelen 6.3 en 6.8 onderscheidenlijk 6.17.

H

Artikel 3.18 komt te luiden:

Artikel 3.18. Overzicht normbedragen

De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in euro’s naar de maatstaf van 1 januari 2006:

Overzicht 1. Maandbedragen

Hoger onderwijs

Beroepsonderwijs

Levensonderhoud

  • a. 
    thuiswonend
  • b. 
    uitwonend

€ 562,54 € 740,38

€ 431,30 € 609,14

Overzicht 2. Financieringsbronnen

Hoger onderwijs

Beroepsonderwijs

 

Basisbeurs (excl. toeslagen)

   
  • a. 
    thuiswonend

€ 89,24

€ 70,73

  • b. 
    uitwonend

€ 248,48

€ 229,60

Maximale aanvullende beurs / lening (of

   

veronderstelde ouderlijke bijdrage)

   
  • a. 
    thuiswonend

€ 207,28

€ 292,58

  • b. 
    uitwonend

€ 225,88

€ 311,19

Basislening

€ 266,02

€ 147,43

Toeslag partner

€ 520,14

€ 520,14

Toeslag één-oudergezin

€ 416,22

€ 416,22

I Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het opschrift komt te luiden: Vorm en duur studiefinanciering.
  • 2. 
    In het eerste lid wordt na «met uitzondering van» ingevoegd: het collegegeldkrediet,.
  • 3. 
    Het derde lid komt te luiden:
  • 3. 
    Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan

worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2006 € 796,31. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.

  • 4. 
    Toegevoegd wordt een nieuw lid, luidende:
  • 4. 
    De basislening en de aanvullende lening kunnen gedurende de periode bedoeld in het eerste lid worden verstrekt. Het collegegeldkrediet kan gedurende de periode bedoeld in het eerste en derde lid worden verstrekt.

J

Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    De eerste volzin van het tweede lid komt te luiden: Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2006 € 796,31.
  • 2. 
    Toegevoegd wordt een nieuw lid, luidende:
  • 3. 
    Gedurende de periode bedoeld in het eerst lid kan tevens collegegeldkrediet worden verstrekt.

K

Paragraaf 5.4 komt te luiden:

Paragraaf 5.4 Omzettingsprocedure bij stoppen voor1februari of1september in eerste studiejaar.

L

Na artikel 5.10 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.11. Stoppen voor 1 september

Indien een student in het studiejaar waarvoor hij na 31 januari op enig moment voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuwstudiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

M

Hoofdstuk 6 komt te luiden:

HOOFDSTUK 6. OPBOUW EN TERUGBETALING STUDIESCHULD

Paragraaf 6.1. Algemeen

Artikel 6.1. Lening

In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.

Artikel 6.2. Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld

  • 1. 
    Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.14, verplicht degene die studiefinanciering heeft

ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.

  • 2. 
    De vanaf de dertiende maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge hoofdstuk 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
  • 3. 
    Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
  • a. 
    tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, mogelijk is,
  • b. 
    of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet studerende is in de zin van deze wet, en
  • c. 
    tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
  • 4. 
    De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
  • 5. 
    Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6.11, eerste, vierde en vijfde lid, en 6.21, eerste en zevende lid, van overeenkomstige toepassing, en zijn de artikelen 6.12, 6.22 en 6.24 niet van toepassing.
  • 6. 
    Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
  • 7. 
    Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 6.3. Renteberekening

  • 1. 
    Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in artikel 6.6, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
  • 2. 
    De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest met dien verstande dat ingeval de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, de op voet van deze bepaling berekende rente wordt bijgeschreven bij de hoofdsom.
  • 3. 
    In de periode die aan de terugbetalingsperiode vooraf gaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.8 onderscheidenlijk 6.17 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van de artikelen 6.8 en 6.17 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
  • 4. 
    Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
  • 5. 
    Indien op grond van artikel 10.7, derde lid, de over een studiejaar toegekende studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm van de aan een studerende toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk is vastgesteld.
  • 6. 
    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.

Artikel 6.4. Terugbetalingsperiode

  • 1. 
    De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten.
  • 2. 
    De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
  • 3. 
    Indien de debiteur gedurende de voor hem geldende diplomatermijn beroepsonderwijs danwel diplomatermijn hoger onderwijs opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuwstuderende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten, wordt de terugbetalingsperiode geschorst. Voor debiteuren die niet op grond van respectievelijk artikel 4.9 en artikel 5.5 onder een diplomatermijn vallen geldt, in afwijking van de eerste volzin, dat de terugbetaling wordt geschorst zolang de debiteur opnieuwstudiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuwstuderende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten.
  • 4. 
    De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van de IB-Groep of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs danwel de diplomatermijn hoger onderwijs.

Artikel 6.5. Aanloopfase

  • 1. 
    De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.
  • 2. 
    Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling.

Artikel 6.6. Achterstallige schuld

  • 1. 
    Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van artikel 7.4 dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
  • 2. 
    Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
  • 3. 
    Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.9 onderscheidenlijk 6.18, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.10 onderscheidenlijk de artikelen 6.19 en 6.26, alsmede bij het teniet gaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.13 onderscheidenlijk 6.27, geen rekening gehouden.
  • 4. 
    Artikel 6.3 is niet van toepassing.

Paragraaf 6.2. Debiteuren binnenlands belastingplichtig

Artikel 6.7. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing:

  • a. 
    op debiteuren die in het peiljaar binnenlands belastingplichtig waren in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of die op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig werden aangemerkt en die na het studiejaar 2006–2007 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, en
  • b. 
    op debiteuren die een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 6.16.

Artikel 6.8. Vaststelling rentepercentage

Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 10 jaren.

Artikel 6.9. Aflosfase

  • 1. 
    De aflosfase beslaat 25 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd met het aantal jaren dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
  • 2. 
    Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.
  • 3. 
    Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de aanvraag bedoeld in het tweede lid.

Artikel 6.10. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen

  • 1. 
    Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
  • 2. 
    De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt vastgesteld op basis van de draagkracht bedoeld in artikel 6.11, derde lid.
  • 3. 
    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.

Artikel 6.11. Inkomensafhankelijke terugbetaling

  • 1. 
    Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van het toetsingsinkomen van hem en zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
  • 2. 
    Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
  • a. 
    120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner, of
  • b. 
    120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie de alleenstaande ouder-korting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of
  • c. 
    84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
  • 3. 
    De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 8% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
  • 4. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de

IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.

  • 5. 
    De artikelen 6.17, 6.18, 6.19, 6.27 en 6.28 zijn van overeenkomstige toepassing indien het voor de IB-Groep niet mogelijk is op grond van het vierde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.

Artikel 6.12. Terugval in inkomen

  • 1. 
    Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.11 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
  • a. 
    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
  • b. 
    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
  • 2. 
    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat:
  • a. 
    de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomens-schommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
  • b. 
    aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
  • 3. 
    Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de IB-Groep het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.

Artikel 6.13. Garantiebepalingen

  • 1. 
    De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
  • 2. 
    De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.

Artikel 6.14. Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening

  • 1. 
    Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
  • 2. 
    Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van de IB-Groep, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari

van dat kalenderjaar. Artikel 6.3, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.

  • 3. 
    In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door toepassing van artikel 3.27, derde lid, niet omgezet.
  • 4. 
    De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.

Paragraaf 6.3. Debiteuren die voor studiejaar 2007–2008 studiefinanciering ontvingen en debiteuren buitenland

Artikel 6.15. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing:

  • a. 
    op debiteuren die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig waren in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die niet op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig werden aangemerkt, en
  • b. 
    op debiteuren die voor het studiejaar 2007–2008 voor het eerst studiefinanciering ontvingen.

Artikel 6.16. Overstappen

  • 1. 
    Op aanvraag kan een debiteur die in het peiljaar binnenlands belastingplichtig was in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of die op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig werd aangemerkt, die voor het studiejaar 2007–2008 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie de aflosfase nog niet is aangevangen zijn schuld aflossen op grond van paragraaf 6.2.
  • 2. 
    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.

Artikel 6.17. Vaststelling rentepercentage

  • 1. 
    Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 10 jaren.
  • 2. 
    Het rentepercentage is in afwijking van het eerste lid, gelijk aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren, voor leningen van debiteuren die voor het studiejaar 2007–2008 voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
  • 3. 
    Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van het eerste lid, 1,65 procentpunt lager dan het in het tweede lid bedoelde rentepercentage.
  • 4. 
    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op debiteuren die een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 6.16.

Artikel 6.18. Aflosfase

  • 1. 
    De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 6.19, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase of zoveel minder maanden als er maandelijkse termijnen zijn berekend op grond van het tweede lid. Deze periode wordt verlengd indien artikel 6.25, tweede lid, van toepassing is.
  • 2. 
    Aan het begin van de aflosfase wordt een oorspronkelijke maande-

lijkse terugbetalingstermijn berekend door toepassing van artikel 6.19, tweede lid, onderdeel a, op basis van het bedrag aan opgebouwde studieschuld bij de start van de aanloopfase, vermeerderd met de in de aanloopfase over dat bedrag berekende rente. Daarbij wordt geen rekening gehouden met bedragen die, zonder opeisbaar te zijn, zijn terugbetaald in de aanloopfase. De duur van de aflosfase wordt berekend door het bedrag dat in de aanloopfase is terugbetaald te delen door de uitkomst van de eerste volzin. Het aldus verkregen getal wordt naar beneden afgerond en geeft aan het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen dat in de aanloopfase is terugbetaald. De aflosfase wordt verminderd met het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen.

  • 3. 
    In afwijking van het eerste en tweede lid beslaat de aflosfase voor debiteuren die niet binnenlands belastingplichtig zijn en die na het studiejaar 2006–2007 voor het eerst studiefinanciering ontvingen of die een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 6.16, 25 kalenderjaren.

Artikel 6.19. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen

  • 1. 
    Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
  • 2. 
    De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
  • a. 
    het eerste jaar van de aflosfase,
  • b. 
    het vierde jaar van de aflosfase, en
  • c. 
    ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
  • 3. 
    Onverminderd artikel 6.20, eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,-. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
  • 4. 
    Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
  • 5. 
    De debiteur kan bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
  • 6. 
    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.

Artikel 6.20. Vaststelling draagkracht debiteur

  • 1. 
    Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
  • 2. 
    De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
  • 3. 
    Indien de debiteur voor 1 oktober van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor het daaropvolgend kalenderjaar vast te stellen, betaalt hij gedurende dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien een aanvraag om draagkrachtvaststelling is ingediend na 30 september van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft doch voor 1 januari van het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft, betaalt de debiteur niet eerder dan over de maand februari van het laatstbedoelde kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien de debiteur op of na 1 januari van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor dat kalenderjaar vast te stellen, betaalt de debiteur met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij zijn aanvraag heeft ingediend, gedurende het resterende gedeelte van dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht, met

dien verstande dat in dit geval het bedrag van zijn draagkracht wordt gedeeld door 12 en daarna wordt vermenigvuldigd met het resterende aantal kalendermaanden van dat kalenderjaar.

  • 4. 
    De IB-Groep besluit op een aanvraag om draagkrachtvaststelling:
  • a. 
    indien de aanvraag is ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 januari van dat kalenderjaar,
  • b. 
    indien de aanvraag is ingediend na 30 september en vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 februari van dat kalenderjaar, en
  • c. 
    indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel b bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
  • 5. 
    Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.

Artikel 6.21. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis

  • 1. 
    Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn gecorrigeerde verzamelinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Artikel 3.9, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
  • 2. 
    Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het gecorrigeerde belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting – naast de algemene heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting maar niet de alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
  • 3. 
    Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het gecorrigeerde belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
  • 4. 
    Indien de debiteur of zijn partner een gecorrigeerd verzamelinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
  • 5. 
    Indien de debiteur en zijn partner een draagkrachtinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste draagkrachtinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
  • 6. 
    De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste

schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.

  • 7. 
    In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een draagkrachtinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
  • 8. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het gecorrigeerde verzamelinkomen of het gecorrigeerde belastbare loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen gecorrigeerde verzamelinkomen of het gecorrigeerde belastbare loon benadert.

Artikel 6.22. Terugval in inkomen

  • 1. 
    Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.21 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
  • a. 
    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
  • b. 
    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
  • 2. 
    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het gecorrigeerde verzamel-inkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat:
  • a. 
    de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomens-schommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
  • b. 
    aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
  • 3. 
    Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de IB-Groep het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.

Artikel 6.23. Andere aanpassing van draagkracht debiteur

Indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld – naast de algemene heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 6.24. Draagkracht partner van debiteur

  • 1. 
    Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen 6.20 tot en met 6.23.
  • 2. 
    Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel 6.19, tweede lid, wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.

Artikel 6.25. Op aanvraag draagkracht partner niet meetellen

  • 1. 
    Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
  • 2. 
    Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.

Artikel 6.26. Wijziging maandelijkse termijn

  • 1. 
    Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in artikel 6.19, tweede lid, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
  • 2. 
    Indien gedurende de aflosfase wijzigingen optreden in de hoogte van de oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijnen, bedoeld in artikel 6.18, tweede lid, wordt de termijn van de debiteur opnieuw vastgesteld ingevolge dat artikel met ingang van de daaropvolgende maand. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.

Artikel 6.27. Garantiebepalingen

  • 1. 
    De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
  • 2. 
    De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.

Artikel 6.28. Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening

  • 1. 
    Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
  • 2. 
    Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van de IB-Groep, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.3, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
  • 3. 
    In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door toepassing van artikel 3.27, derde lid, niet omgezet.
  • 4. 
    De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.

Paragraaf 6.4. Partner debiteur ook debiteur

Artikel 6.29. Beide partners debiteur paragraaf 6.2

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is, en op beide debiteuren paragraaf 6.2 van toepassing is, wordt:

  • a. 
    artikel 6.11, eerste en derde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen, en
  • b. 
    bij toepassing van artikel 6.10, tweede lid, het te betalen bedrag per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk.

Artikel 6.30. Beide partners debiteur paragraaf 6.3

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren paragraaf 6.3 van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is artikel 6.24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.31. Partners onderscheidenlijk debiteur paragraaf 6.2 en paragraaf 6.3

Indien op een debiteur en zijn partner de paragrafen 6.2 en 6.3 van toepassing zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, verminderd met het bedrag, bedoeld in onderscheidenlijk artikel 6.19, tweede lid en derde lid, en 6.21, zesde lid. Indien de uitkomst negatief is wordt het bedrag, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, op nihil gesteld.

N

Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid, onderdeel f, vervalt «of».
  • 2. 
    In het eerste lid, onderdeel g, wordt «.» vervangen door: , of.
  • 3. 
    Aan het eerste lid wordt na onderdeel g een onderdeel h toegevoegd, luidende:
  • h. 
    de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd.
  • 4. 
    Het tweede lid, onderdeel e, komt te luiden:
  • e. 
    geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12 onderscheidenlijk artikel 6.22, omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, en artikel 6.22, tweede lid,.
  • 5. 
    Het tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:
  • f. 
    gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12 onderscheidenlijk artikel 6.22, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede

onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, en artikel 6.22, tweede lid, of.

O

In artikel 7.4, zesde lid, wordt «artikel 6.19» vervangen door: artikel 6.14 onderscheidenlijk artikel 6.28.

P

In het opschrift van artikel 9.6 vervalt «en door ziektekostenverzekeringsinstellingen als bedoeld in artikel 3.2, vierde lid».

Q

In artikel 10.3, derde lid, wordt «artikel 3.2» vervangen door: «de artikelen 3.2 en3.3» en wordt «naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02» vervangen door: naar de maatstaf van 1 januari 2006 € 796,31.

R

Onder vernummering van sub 4 naar sub 3, vervalt in artikel 10.4, onderdeel a, sub 3.

S

De artikelen 12.1c, 12.8 en 12.14 vervallen.

ARTIKEL V

In de Wet studiefinanciering 2000 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 6.21 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid wordt «gecorrigeerde verzamelinkomen» vervangen door: «toetsingsinkomen» en de tweede en derde volzin komen te vervallen.
  • 2. 
    In het tweede en vijfde lid wordt «draagkrachtinkomen» telkens vervangen door: toetsingsinkomen.
  • 3. 
    In het vierde lid wordt «gecorrigeerd verzamelinkomen» vervangen door: toetsingsinkomen.
  • 4. 
    In het zevende lid wordt «gecorrigeerde verzamelinkomen» telkens vervangen door: toestingsinkomen.

B

In artikel 6.22, tweede lid, wordt «gecorrigeerde verzamelinkomen» vervangen door: toetsingsinkomen.

ARTIKEL VI

In de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 5.4 komt te luiden:

Artikel 5.4. Tegemoetkoming schoolkosten

De tegemoetkoming in de schoolkosten bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2006 € 648,08.

B

In artikel 11.1 wordt na «genoemd in de artikelen 2.23, tweede lid, 3.5, 4.3, 4.6,» ingevoegd: 5.4,.

ARTIKEL VII

In de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen worden in hoofdstuk 1, afdeling C, de volgende wijzigingen aangebracht:

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

A

Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid vervalt «toetsingsinkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de artikelen 3.4 en 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,».
  • 2. 
    Onder vernummering van het vierde tot derde lid vervalt het derde lid.

De onderdelen H, I en J komen te vervallen.

ARTIKEL VIII

  • 1. 
    Deze wet treedt met in werking met ingang van 1 september 2007 met uitzondering van artikel I, onderdelen B, C tot en met M, EE, FF en KK, en de artikelen III, IV, V en VI.
  • 2. 
    Artikel I, onderdelen B, D tot en met M, EE, FF en KK, treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
  • 3. 
    De artikelen I, onderdeel C, en V treden in werking met ingang van 1 januari 2008.
  • 4. 
    Artikel III treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.
  • 5. 
    De artikelen IV en VI treden in werking met ingang van het studiejaar, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000, 2007–2008.

B

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.