Brief minister met reactie op het rapport 'De vrijwillige ambtenaar van politie: perspectief voor de toekomst' van de werkgroep Bakker - Politie - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Dinsdag 12 november 2019
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

29 628

Politie

Nr. 3

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juni 2004

Medio 2000 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de werkgroep «vrijwillige politie» (hierna werkgroep Bakker genoemd) geïnstalleerd. Deze werkgroep had als opdracht aandacht te besteden aan de werving, selectie, opleiding en positie van de vrijwillige politieambtenaar. Het resultaat van deze opdracht is het rapport

«De vrijwillige ambtenaar van politie: Perspectief voor de toekomst», dat ik u bij deze aanbied1. De bevindingen van de werkgroep Bakker hebben geleid tot een aantal aanbevelingen. In de hier voor u liggende notitie is mijn reactie op de aanbevelingen van de werkgroep Bakker verwoord, waarbij ik de reactie van het Korpsbeheerdersberaad, het OM-politieberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen op het rapport van de werkgroep Bakker in mijn overwegingen heb meegenomen.

Inleidend

1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Vrijwilligers bij de politie hebben een belangrijke rol bij het vergroten van de maatschappelijke veiligheid en leefbaarheid. Door de aanwezigheid van vrijwilligers kan een breed scala aan meningen en visies uit de samenleving heel direct in de politieorganisatie doorklinken. De wisselwerking tussen maatschappij en politie, die door de inzet van vrijwilligers wordt vergroot, heeft voordelen voor beide partijen en acht ik belangrijk genoeg om ook de komende jaren aandacht aan te besteden. Ik ben daarbij van mening dat de vrijwilligers een aanvulling vormen op het reguliere personeel en niet als vervanging van regulier personeel ingezet mogen worden. Ik ben de werkgroep Bakker erkentelijk voor het rapport dat zij uitgebracht heeft over de toekomst van de vrijwillige politieambtenaar. Dit rapport heeft geleid tot nieuwe inzichten rondom het fenomeen vrijwilligers bij de politie.

Voor een heldere interpretatie van deze notitie is een begripsdefiniëring vooraf noodzakelijk. De politiekorpsen in Nederland maken namelijk

tegenwoordig vrijwel allemaal niet alleen gebruik van vrijwillige politieambtenaren, maar ook van burgers en/of politie-BOA’s. Deze begrippen worden nog al eens met elkaar vermengd. Een goed onderscheid is echter van groot belang, omdat de eisen die aan deze categorieën gesteld worden zeer verschillend zijn en bepalend zijn voor de inzet-mogelijkheden. Ik zal daarom in deze reactie de volgende begrippen gebruiken:

  • 1. 
    Vrijwillige politieambtenaar

2a. Met buitengewone opsporingsbevoegdheid 2. Volontair

2b. Zonder buitengewone opsporingsbevoegdheid

Ad 1. Een vrijwillige politieambtenaar heeft een executieve status en is opgeleid op minimaal niveau 2 (assistent politiemedewerker). Zijn status is formeel geregeld in artikel 3, eerste lid onder c, van de Politiewet 1993 en zijn rechtspositie is vastgelegd in het Besluit rechtspositie vrijwillige politie. Deze vrijwilliger wordt in de regel aangesteld in de rang van surveillant van politie. In bijzondere situaties is het bij gebleken geschiktheid bovendien mogelijk specialistische taken uit te voeren of taken op het niveau van agent.

Ad 2. Volontairs vormen binnen de korpsen een relatief nieuw fenomeen. De term en de opzet van de volontairs komen uit het korps Amsterdam-Amstelland, waar op steeds grotere schaal een match wordt gevonden tussen burgers die hun kwaliteiten willen inzetten ten behoeve van de politie en het korps dat daar een passende activiteit bij zoekt.

Ad 2a. Een Buitengewoon Opsporingsambtenaar van politie (politie-BOA) heeft algemene opsporingsbevoegdheid met de nadrukkelijke randvoorwaarde dat het gebruik van deze bevoegdheid zich dient te beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitoefening van de afgesproken functie. In de praktijk blijkt dat er momenteel diverse volontairs werken met een BOA-status. De BOA-status wordt verleend door de Minister van Justitie. Van belang voor de politie-BOA’s is dat de Minister van Justitie een heroriëntatie gestart heeft ten aanzien van diverse categorieën BOA’s. Verwacht wordt dat medio 2004 een nieuwe lijst ten aanzien van de taken van (politie-)BOA’s verschijnt.

Ad 2b. Een volontair zonder buitengewone opsporingsbevoegdheid wordt op veel plaatsen binnen het korps ingezet. Voorbeelden van activiteiten zijn hulp bij het opzetten van een internetsite of het uitdelen van folders bij een preventievoorlichting. Een volontair heeft in deze opvatting in beginsel geen of nauwelijks aanvullende opleiding nodig omdat hij ingezet wordt op basis van zijn eigen kennis en kunde.

Het rapport van de werkgroep Bakker en mijn reactie daarop richt zich op de eerste categorie, de vrijwillige politieambtenaar. Ten aanzien van de diverse aspecten van de hele tweede categorie, de volontairs, ben ik voornemens dit jaar, na consultatie van het politieveld, de vakbonden en overige belanghebbenden, een afzonderlijk standpunt in

te nemen. Hierbij zal onder andere een aantal duidelijke kaders van de werkzaamheden van volontairs aangegeven worden. Het is immers van belang dat de professionaliteit en kwaliteit van alle vrijwilligers bij de politie is gewaarborgd. Bij het opstellen van mijn standpunt zal ik ook aandacht besteden aan ontwikkelingen ten aanzien van vrijwilligers bij andere (hulpverlenings)instanties zoals brandweer, rode kruis en de landelijke vrijwilligersorganisatie. Ook de bevindingen van de werkgroep «burgers bij de politie», die in opdracht van de Raad van Hoofdcommissarissen een toolkit voor de korpsen heeft ontwikkeld met betrekking tot de inzet van volontairs, zullen hierbij worden betrokken. Tot slot zal ik stilstaan bij de specifieke wens van diverse korpsen om vrijwilligers in te zetten die, ook wanneer zij niet over een BOA-status beschikken, met een beperkte opleiding en met opsporingsbevoegdheid, ingezet kunnen worden voor executieve politietaken. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan inzet van vrijwilligers bij verkeerscontroles.

Uitgangspunt is dat ik met zo min mogelijk regels, maar met behoud van professionaliteit en kwaliteit, de inzet van vrijwilligers -waaronder volontairsals ondersteuning van en aanvullend op de reguliere politie wil stimuleren. Ik zal de Kamer over deze voornemens eind 2004 informeren.

Reactie op de aanbevelingen

Aanbeveling1van de werkgroep Bakker:

1. a. Door de rijksoverheid worden de juridische belemmeringen weggenomen die verhinderen dat vrijwillige politieambtenaren bepaalde politiefuncties–waaronder functies onder het niveau surveillant – kunnen uitoefenen; b. Geadviseerd wordt bij de evaluatie van de BOA-regeling het voorstel met betrekking tot de taakinhoud voor vrijwillige politieambtenaren te betrekken en tevens te bezien of aanpassing van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993 noodzakelijk is;

Reactie

Ik erken het belang van voldoende ontplooiingskansen, een flexibele inzet en een grotere differentiatie in functies ten aanzien van de vrijwillige ambtenaar van politie. Daarom zal ik de juridische belemmeringen zodanig opheffen dat het mogelijk wordt om vrijwillige politieambtenaren een van de rangen te verlenen, zoals vermeld in het Besluit rangen politie, artikel 1, lid 1. Op dit moment kunnen zij werkzaamheden vervullen in de rang van aspirant en surveillant van politie en bij gebleken geschiktheid tevens in de rang van agent. Ook bij het functioneren in de overige rangen geldt als uitgangspunt dat de rang van de vrijwillige politieambtenaar in gelijke relatie staat met de werkzaamheden die deze persoon uitvoert én dat de vrijwillige politieambtenaar op hetzelfde professionele niveau dient te functioneren als de reguliere ambtenaar.

De Politieonderwijsraad (POR) voert thans een onderzoek uit naar de wenselijkheid van reguliere functies op een lager niveau dan de rang van surveillant van politie. Het advies van de POR wordt in het najaar van 2004 verwacht. Eerst dan zal ik een beslissing nemen met betrekking tot functies onder het niveau van surveillant van politie.

De afronding van de BOA-evaluatie viel samen met het uitkomen van het rapport van de werkgroep Bakker waardoor bovenstaande aanbeveling, het voorstel om de taakinhoud voor vrijwillige politieambtenaren te betrekken bij de evaluatie van de BOA-regeling, niet als zodanig is meegenomen. Zoals hierboven aangegeven heeft de Minister van Justitie een

heroriëntatie gestart ten aanzien van de BOA-taken en wordt medio 2004 een nieuwe lijst van taken voor de (politie-)BOA verwacht.

Aanbeveling2van de werkgroep Bakker

2. Het LSOP wordt gevraagd voor vrijwillige politieambtenaren niet

alleen een horizontale leerroute binnen een bepaald gekozen beroepsprofiel aan vrijwillige politieambtenaren aan te bieden maar–binnen door de rijksoverheid aan te geven kaders–ook een verticale leerroute met een keuze uit de kernopgaven uit de beroepsprofielen assistent politiemedewerker, politiemedewerker en allround politiemedewerker beschikbaar te stellen;

Reactie

Afhankelijk van de wijze waarop een korps zijn vrijwillige politieambtenaar inzet kan de vrijwillige politieambtenaar die op straat werkzaam is in dezelfde situaties terecht komen als zijn reguliere collega. Welke deze situaties zijn volgt onder andere uit het Besluit taken vrijwillige ambtenaren van politie, maar volgt bijvoorbeeld ook uit de beroepsprofielen waarop vervolgens de opleidingsprofielen zijn ontwikkeld en vastgesteld. Ik blijf het daarom belangrijk vinden om voor een vrijwillige politieambtenaar minimaal de gehele opleiding op niveau 2 te verplichten. Dat betekent concreet dat de vrijwillige politieambtenaar op niveau 2 alle negen modules (verder kernopgaven genoemd) dient te volgen om als vrijwillig politieambtenaar ingezet te mogen worden. Op het moment dat de aspirant gestart is met zijn opleiding tot vrijwillig politieambtenaar mag hij in het kader van duaal leren wel als aspirant en onder begeleiding aan het werk op de onderwerpen van de gevolgde kernopgaven. Eis blijft dat hij alle negen kernopgaven afgerond moet hebben om als vrijwillig politieambtenaar ingezet te mogen worden.

De basisopleiding voor assistent politiemedewerker (niveau 2) duurt voor reguliere politiemedewerkers 1,5 jaar. Deze opleiding op niveau 2 dient de vrijwillige politieambtenaar in 3 jaar te doorlopen. Diverse korpsen hebben mij laten weten het wenselijk te vinden de termijn voor de opleiding op niveau 2 op 3,5 jaar vast te stellen. Binnen het huidige bekostigingsstelsel is er echter geen ruimte om deze termijn met een half jaar te verlengen.

Ik wil desondanks gehoor geven aan dit signaal van de korpsen door in overleg met het LSOP en het bureau Erkenning Verworven Competenties (onderdeel van het LSOP) te bezien in hoeverre maatwerk in de opleiding de opleidingsduur kan verkorten. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan meer digitale onderwijsvormen, het op basis van eerder verworven competenties verkrijgen van vrijstellingen voor bepaalde kernopgaven van niveau 2 en meer zelfstudie. Ik verwacht met deze aanpassing van de onderwijsvorm en erkenning van verworven competenties dat in de praktijk de termijn van 3 jaar beter op de praktijk zal aansluiten. Bij het volgen van de initiële opleiding op niveau 3 en 4 zal de opleidingstermijn voor vrijwillige politieambtenaren in overleg met het LSOP en het bureau Erkenning Verworven Competenties nader bekeken worden.

Wat betreft de verticale leerroute is het net als voor de reguliere agenten ook voor de vrijwillige politieambtenaren mogelijk om na het behalen van het diploma assistent politiemedewerker op niveau 2 zich in een bepaalde richting, via gehele opleidingen of losse kernopgaven, verder te bekwamen. De kosten voor gehele opleidingen kunnen worden onttrokken uit het loopbaanbudget en kosten voor losse kernopgaven uit het eigen opleidingsbudget van de korpsen. Bij gebleken geschiktheid zouden dan, zoals ik hiervoor heb aangegeven, ook taken moeten kunnen worden uitgevoerd op het niveau van brigadier. Hierbij kan desgewenst gebruik

worden gemaakt van vervolgonderwijs bij het LSOP uit het samenhangende stelsel. Op deze wijze kan betrokkene zich dus verder ontplooien en kan een eventuele vervolgopleiding worden afgestemd op de behoefte van het korps. Dit sluit aan bij de signalen uit de werkgroep Bakker en de beraden dat maatwerk in de opleiding ten gunste komt aan de aantrekkelijkheid van de inzetbaarheid van een vrijwillige politieambtenaar. Te allen tijde blijft gelden dat de vrijwillige politieambtenaar als aanvulling ingezet wordt en niet ter vervanging van zijn reguliere collega.

Aanbeveling3van de werkgroep Bakker

3.   a. De minister van BZK wordt gevraagd de opleiding tot en met het beroepsprofiel allround politiemedewerker voor vrijwillige politieambtenaren te financieren door het gehele lump sum bedrag per cursist aan het LSOP te vergoeden. De hoogte en de financieringswijze van dit bedrag moeten nader worden bezien;

b. Het onderwijs voor de kernopgaven in de resterende beroepsprofielen vanaf het beroepsprofiel politiekundige blijft onder het contractonderwijs vallen;

Reactie

Het minimale niveau waaraan een vrijwillige politieambtenaar moet voldoen is niveau 2. Vrijwillige politieambtenaren kunnen worden bekostigd uit het sterktebudget dat van rijkswege aan het LSOP wordt toegekend. De omvang van het sterktebudget is voor de periode 2004–2007 gebaseerd op een jaarlijkse instroom van 2 000 aspiranten, waaronder jaarlijks maximaal 200 vrijwillige politieambtenaren die op kwalificatieniveau 2 worden opgeleid. Dat is dus circa 10 procent van de jaarlijks te verwachten instroom. Indien gedurende de opleiding tot vrijwillige politieambtenaar een initiële opleiding wordt gevolgd op een hoger kwalificatieniveau, zal jaarlijks binnen het beschikbare financiële kader van maximaal 200 bekostigde opleidingsplaatsen op niveau 2 moeten worden bezien hoeveel ruimte hiervoor beschikbaar is.

Daarnaast geldt dat een vervolgopleiding ten behoeve van een hoger kwalificatieniveau alleen van rijkswege kan worden bekostigd uit het aan de korpsen beschikbaar gestelde loopbaanbudget. Deze systematiek geldt ook ten aanzien van vervolgopleidingen voor reguliere politieambtenaren. Zoals hiervoor al aangegeven kunnen in aanvulling op de initiële basisopleiding daarna ten behoeve van specifieke taken eventuele losse kern-opgaven in de vorm van contractonderwijs bij het LSOP worden afgenomen.

Aanbeveling4van de werkgroep Bakker

4.   Het korps bepaalt zelf welke verhouding er dient te bestaan tussen scholing en training en inzet in de politiepraktijk. De korpsen wordt geadviseerd hiervoor beleid te ontwikkelen;

Reactie

De werkgroep Bakker signaleert een zeker spanningsveld tussen de mogelijkheden om de vrijwillige politieambtenaar in de praktijk in te zetten en de inspanningen die voor het opleiden en onderhouden van diens vaardigheden noodzakelijk zijn en pleit in dit kader voor het loslaten van landelijke eisen hieromtrent. Ik vind het echter mijn verantwoordelijkheid om bepaalde minimale eisen aan kwaliteit en professionaliteit vast te stellen. Bovendien is het aantal uren dat een vrijwillige politieambtenaar ingezet wordt vele malen lager dan bij een reguliere politieambtenaar waardoor het belang van een verplichte, minimale, oefening en scholing van wezenlijk belang is. Ik houd daarom vast aan de wettelijk vastgestelde eis dat een vrijwillige politieambtenaar ten minste gemiddeld 4 uur per

maand (art. 8 besluit Rechtspositie vrijwillige politie) besteedt aan oefening en scholing. Ik vind dat daarna het bevoegde gezag in het korps zelf moet bepalen hoe de verhouding is tussen inzet en verdere oefening en scholing. De scholingseis is met name bedoeld voor de noodzakelijke theoretische informatieverstrekking, bijvoorbeeld bij wetswijzigingen.

Aanbeveling5van de werkgroep Bakker

5.   Indien de taakuitoefening dit vereist dient de vrijwillige politieambtenaar zo spoedig mogelijk te worden uitgerust met pepperspray. Met een dergelijke beslissing kan niet worden gewacht totdat de landelijke evaluatie van pepperspray is afgerond.

Reactie

Sinds 1 april 2004 is het aan vrijwillige politieambtenaren die in het bezit zijn van een geldig opleidingscertificaat voor pepperspray toegestaan de pepperspray te dragen.

Aanbeveling6van de werkgroep Bakker

6.   De korpsen wordt gevraagd een gericht tweesporen beleid te ontwikkelen. In dit beleid wordt de betrokken persoon de keuze geboden zich verder te ontwikkelen in een functie als vrijwillige politieambtenaar, of desgewenst door te stromen naar een reguliere politiefunctie

Reactie

Ik steun deze aanbeveling. De korpsen hebben zelf het beste zicht op het functioneren van de vrijwillige politieambtenaar en zijn vermogen om eventueel door te stromen naar een reguliere functie. Het ontwikkelen van een dergelijk tweesporenbeleid is een regionale aangelegenheid. Ik wil daarbij wel nadrukkelijk wijzen op de specifieke gedachten die achter de inzet van vrijwillige politieambtenaren zitten, namelijk de brugfunctie tussen maatschappij en politie én de behoefte aan meer capaciteit bij de politie. De intentie van de functie van vrijwillige politieambtenaar is niet om een kweekvijver te creëren voor de reguliere functies, maar met het in tact blijven van de verhouding tussen vrijwillige politieambtenaren en reguliere politieambtenaren is een doorstroom naar een reguliere functie een positieve bijkomstigheid.

Aanbeveling7van de werkgroep Bakker

7.   a. De banenlijn voor de politie wordt gevraagd de werving van vrijwillige politieambtenaren op dezelfde wijze te ondersteunen als voor reguliere ambtenaren geldt en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan de werving van allochtonen en vrouwen;

b. In dit verband dient tevens onderzocht te worden in hoeverre een gezamenlijke wervingsaanpak voor vrijwillige politieambtenaren en burgervrijwilligers (volontairs) kan worden ontwikkeld;

Reactie

Ik steun aanbeveling 7a. Het is een verantwoordelijkheid van het korps om vrijwillige politieambtenaren te werven, net als bij de werving van reguliere politieambtenaren. Een centrale ondersteuning van de werving leidt tot meer uniformiteit in de informatievoorziening en kan tevens schaalvoordelen met zich meebrengen. Het bureau personeelsvoorziening politie van het LSOP heeft een wervingscampagne ontwikkeld ten behoeve van de korpsen die specifiek is toegespitst op de werving van vrijwillige politieambtenaren en het verbeteren van het imago van en de bekendheid onder de burgers van de vrijwillige politieambtenaar. Met het bureau personeelsvoorziening van het LSOP zal nader overleg gevoerd

worden over specifieke wervingsmogelijkheden ten aanzien van minderheidsgroeperingen. Elke wervingscampagne, landelijk of regionaal, zal uit moeten gaan van de gestelde (beleids-)kaders met betrekking tot vrijwilligers bij de politie.

Ten aanzien van aanbeveling 7b zal ik, zoals hiervoor aangegeven, de komende periode eerst mijn standpunt bepalen met betrekking tot volontairs bij de politie. Vervolgens zal in overleg met de korpsen en het LSOP bezien worden in hoeverre het wenselijk is een gezamenlijke wervingscampagne voor vrijwillige politieambtenaren en volontairs te ontwikkelen.

Aanbeveling8van de werkgroep Bakker

8.   a. Bij een dienstverband van langer dan vijf jaar wordt de

uurvergoeding met 10% en bij een dienstverband van langer dan tien jaar met 20% verhoogd; b. Voor personen die per1januari 2003 aan deze voorwaarden voldoen, wordt geadviseerd de verhoging op die datum te doen ingaan;

Reactie

Deze aanbeveling van werkgroep Bakker neem ik niet over. De uurvergoeding betreft een zuivere onkostenvergoeding. Ik meen dat met de vergoeding de kosten die de vrijwilliger maakt genoegzaam kunnen worden bestreden. In de rechtspositie van de vrijwillige politieambtenaar is daarnaast voorzien in de mogelijkheid een bijzondere beloning toe te kennen wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting. De huidige financiële situatie van het Rijk staat het op dit moment niet toe de uurvergoeding van de vrijwillige politieambtenaren te verhogen.

Aanbeveling9van de werkgroep Bakker

9.   a. De korpsen verplichten zich ernaar te streven dat, bovenop het

aantal aan een korps toegekende BVE’s, een extra 10% van dit aantal bestaat uit de inzet van vrijwillige politieambtenaren en burgervrijwilligers. De korpsen mogen zelf bepalen in hoeverre dit percentage door vrijwillige politieambtenaren of burgers bij politie wordt ingevuld; b. Aanbevolen wordt na afronding van de werkzaamheden van de werkgroep Burgers bij de politie te onderzoeken of het percentage van 10% substantieel kan worden verhoogd;

Reactie

In de Landelijke Politiebrief 2000 was als doelstelling opgenomen om in ieder korps het aantal vrijwilligers gelijk te laten zijn aan 10% van het aantal voor dat korps beschikbare BVE’s. In de Landelijke Politiebrief 2001 is die doelstelling niet meer expliciet opgenomen en wordt aangedrongen op versteviging van de inzet van de vrijwillige politie, zonder dat een bepaald percentage wordt genoemd. De werving, selectie en begeleiding van vrijwilligers zou idealiter voort moeten komen uit een erkend eigen belang van de korpsen. Het opleggen van een verplicht percentage aan vrijwilligers is daarbij op zichzelf geen stimulerende factor, maar een verplichting van hoger hand. Op het moment dat de in deze notitie besproken voornemens ten aanzien van de vrijwillige politieambtenaren grotendeels gerealiseerd zijn, zal ik opnieuw bezien in hoeverre het vaststellen van een percentage aan vrijwilligers opportuun is.

Aanbeveling 10 van de werkgroep Bakker

10. Aanbevolen wordt bij de door BZK voorgenomen inventarisatie van de

wijze van toepassing van de Arbeidstijdenwet (ATW) bij de politie en de daarbij gesignaleerde knelpunten ook aandacht te besteden aan de vrijwillige politieambtenaar.

Reactie

Overeenkomstig de aanbeveling is bij bovenstaande inventarisatie ook de situatie van de vrijwillige politieambtenaren meegenomen. Uit de inventarisatie zijn geen specifieke problemen voor de vrijwillige politie naar voren gekomen. Wel werd aangegeven dat men in veel gevallen onvoldoende zicht heeft op de gewerkte uren in de hoofdbetrekking van de vrijwilliger, waardoor niet duidelijk is of de ATW wordt overschreden. Bezien zal worden of de door het kabinet voorgenomen vereenvoudiging van de ATW een oplossing kan bieden.

Tot slot

De werkgroep Bakker heeft met haar aanbevelingen duidelijke signalen afgegeven over de toekomst van de vrijwillige politieambtenaar en daarmee ook de mogelijkheden onder de aandacht gebracht van nieuwe vormen van vrijwilligers. Ik acht de ene vorm van vrijwilligerswerk niet meer of minder belangrijk dan de andere: mijns inziens is het de brugfunctie die het belangrijk maakt om vrijwilligers bij de politie te laten werken en in welke vorm dat uiteindelijk gebeurt is grotendeels afhankelijk van de behoeften van de korpsen en de vrijwilligers zelf. Ik ben voornemens met deze instelling te werken aan nieuw beleid waardoor er uiteindelijk, binnen landelijke afspraken over o.a. werving, selectie, opleiding en financiering, kwantitatief meer en tevens professionele vrijwilligers bij de politie werkzaam zijn.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. Remkes

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.