Brief minister inzake aansprakelijkheid ouders voor schade kinderen, voorwaarden volgen programma's i.v.m. voorlopige hechtenis - Jeugdcriminaliteit

Deze brief is onder nr. 3 toegevoegd aan dossier 28741 - Jeugdcriminaliteit.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Jeugdcriminaliteit; Brief minister inzake aansprakelijkheid ouders voor schade kinderen, voorwaarden volgen programma's i.v.m. voorlopige hechtenis 
Document­datum 20-10-2003
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST71044
Kenmerk 28741, nr. 3
Van Justitie (JUS)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

28 741

Jeugdcriminaliteit

Nr. 3

BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 2003

Op 4 september jl. vond overleg plaats met de vaste commissies voor

Justitie, BZK en VWS over, onder meer, het Actieprogramma aanpak

jeugdcriminaliteit 2003–2006 Jeugd terecht (28 741, nr. 1).

Tijdens dit overleg heb ik toegezegd:

– in een brief in te gaan op het punt van de aansprakelijkheid van ouders

voor schade toegebracht door kinderen ouder dan 16 jaar; – in een brief in te gaan op de wettelijke voorwaarden waaraan het

volgen van programma’s, in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, gebonden is.

Conform deze toezeggingen bericht ik u het volgende:

Aansprakelijkheid van ouders voor schade toegebracht door kinderen ouder dan 16 jaar

De heer Cqörüz stelt voor om ouders aansprakelijk te stellen voor schade die door kinderen tot en met 18 jaar is veroorzaakt. Op die manier zouden ouders, en niet langer de samenleving, moeten opdraaien voor de kosten veroorzaakt door vandalisten van 16 en 17 jaar. Bovendien zou hiermee het beleid gelijk worden getrokken met het beleid ten aanzien van het onderwijsrecht, dat geldt tot en met 18 jaar, en de verschaffing van kinderbijslag.

Zoals ik ook tijdens het algemeen overleg aangaf zie ik vooralsnog onvoldoende reden om de wet in deze zin aan te passen.

In het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat kinderen tot 14 jaar geheel ontslagen zijn van aansprakelijkheid. De ouders of de voogd zijn in plaats van het kind aansprakelijk (risicoaansprakelijkheid). Ten aanzien van kinderen van 14 en 15 jaar is bepaald dat zowel het kind als de ouders/voogd kunnen worden aangesproken. Op de ouders/ voogden rust dan echter geen risicoaansprakelijkheid meer, maar een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast. Ouders en voogd

zijn alleen aansprakelijk als hen kan worden verweten dat zij de gedraging van het kind niet hebben belet. Getoetst wordt of zij alles hebben gedaan hetgeen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen kon worden gevergd. Belangrijk gegeven in dit verband is dat voor een gezonde ontwikkeling van kinderen, in toenemende mate van belang is dat hen een zekere vrijheid en zelfstandigheid wordt gelaten. Vanaf 16 jaar zijn minderjarigen zelf aansprakelijk voor door hen verrichte onrechtmatige gedragingen. Eventuele schade kan op het loon of het vermogen van de jongere worden verhaald, bijvoorbeeld door daarop beslag te leggen. Indien de betrokkenen vooralsnog onvoldoende verhaal biedt, kan executie van een vonnis worden aangehouden tot men zelf inkomen verwerft. Ouders kunnen alleen worden aangesproken als hen zelf onrechtmatig handelen of nalaten kan worden verweten. Een voorbeeld is als zij toestaan dat hun minderjarig kind zonder rijbewijs met een auto aan het verkeer deelneemt.

Voor ouders van kinderen van 16 en 17 jaar geldt in het algemeen des te sterker dat niet van hen kan worden verwacht dat zij doorlopend, fysiek, toezicht houden op hun kind.

Overigens valt te betwijfelen of ouders en voogden door het verruimen van de aansprakelijkheid tot 18 jaar meer schades zullen vergoeden. Ouders en voogd behouden in beginsel een disculpatiemogelijkheid indien hen geen verwijt kan worden gemaakt dat zij de gedraging van het kind niet hebben belet. Het bewijs voor deze disculpatiemogelijkheid zal veelal niet moeilijk te leveren zijn, omdat ouders en voogden in de regel niet in de gelegenheid zijn om kinderen van die leeftijd bepaalde gedragingen te beletten. Naarmate een kind ouder is, zal het met grotere zelfstandigheid opereren en kan van de ouders in mindere mate worden verwacht dat zij het gedrag van deze kinderen controleren en sturen. Ouders die zich verantwoordelijk voelen voor eventuele schade die hun kinderen aan derden hebben berokkend, zullen die derde uiteraard zoveel mogelijk schadeloos stellen (en mogelijk ook een beroep kunnen doen op een voor hen en hun kinderen gesloten gezinsaansprakelijkheidspolis). In andere gevallen zal de schadelijdende partij in een gerechtelijke procedure (het kind en) de ouders aansprakelijk moeten stellen, met de niet te verwaarlozen kans dat uiteindelijk geoordeeld moet worden dat de ouders in dit concrete geval (en gelet op de leeftijd van het kind) de schade niet hadden kunnen voorkomen.

Vanwege deze disculpatiemogelijkheid zal het verhogen van de leeftijdsgrens in de praktijk waarschijnlijk nauwelijks leiden tot meer zaken waarin ouders de door hun kinderen veroorzaakte schade vergoeden.

Erkenning van het feit dat kinderen op de grens van meerderjarigheid met grotere zelfstandigheid aan het maatschappelijk verkeer deelnemen, betekent ook dat zij zelf in toenemende mate verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun handelen en daarmee voor eventuele schade van derden. Dat geldt zowel als zij individueel handelen als wanneer zij in een groep opereren. In het laatste geval is het niet altijd duidelijk wie precies welke schade heeft aangericht. De wet voorziet in de mogelijkheid om in dat geval alle deelnemers van de groep aansprakelijk te houden (artikel 166 van Boek 6). De wet schiet de schadelijdende partij die wordt geconfronteerd met de gevolgen van dit soort ergerniswekkende vormen van vandalisme of criminaliteit te hulp. Het principe is dat «wie erbij is» voor de schade opdraait. Voorkomen moet in ieder geval worden dat de wet de benadeelde op een weg leidt van langdurige en onzekere procedures tegen derden die zich uiteindelijk blijken te kunnen disculperen.

Het voorstel om de aansprakelijkheid van ouders te verruimen, gaat er overigens ten onrechte van uit dat schade aangericht door jongeren vanaf 16 jaar door de samenleving moet worden betaald. Weliswaar zijn

oudersniet aansprakelijk voor schade aangericht door hun kind van 16 jaar of ouder, het kindzelf is dat zoals gezegd, wel: de schade kan rechtstreeks op hem worden verhaald. Door deze jongeren in hun eigen vermogen te treffen (bij velen zeer wel mogelijk, gelet op gsm, scooter, uitgaansleven en vakanties), worden zij geconfronteerd met de gevolgen van hun eigen gedraging. Desnoods kan met de executie van het vonnis tot schadevergoeding worden gewacht totdat het kind over voldoende inkomen of vermogen beschikt.

Tot slot kan het aansprakelijk stellen van ouders als onbedoeld neveneffect hebben dat jongeren zich niet geremd voelen omdat zij toch niet zelf voor de schade hoeven op te draaien.

Ik acht het daarom beter nu niet aan de leeftijdsgrens van de aansprakelijkheid te tornen. Wel ben ik met de heer Cqörüz van mening dat ouders vaker aangesproken moeten kunnen worden op de gedragingen van hun kinderen. Momenteel bereid ik een bredere notitie voor over de (financiële) verantwoordelijkheden van ouders, met name over de mogelijkheden van het heffen van een ouderbijdrage. Daarin zal ik ook de schade-verantwoordelijkheid betrekken.

Aanpassing jeugdstrafrecht en gedragsbeïnvloedende maatregel

In de praktijk wordt een aantal knelpunten gesignaleerd bij de toepassing van interventies voor jeugdigen omdat zij niet of niet optimaal passen binnen de bestaande regelgeving, terwijl daaraan wel grote behoefte bestaat. Een voorbeeld is het opleggen van door de rechter van activiteiten die gelijken op taakstraffen, als bijzondere voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Een ander voorbeeld is de plaatsing van jongeren in internaatachtige voorzieningen, zoals Glen Mills en Den Engh, met gebruikmaking van civielrechtelijke maatregelen als reactie op hardnekkig delictgedrag.

In Jeugd terecht, het kabinetsprogramma voor de aanpak van Jeugdcriminaliteit wordt onderzoek aangekondigd naar de mogelijkheden om deze en vergelijkbare knelpunten weg te nemen door wetswijziging. Dit onderzoek vindt thans plaats. Daarbij worden twee wegen bewandeld. De eerste is het inventariseren of aanpassing (van onderdelen) van de bestaande regelgeving tot het gewenste resultaat kan leiden. De tweede is het bezien of met de introductie van een nieuwe gedragsbeïnvloedende maatregel op een goede manier aan de wensen vanuit de praktijk tegemoet kan worden gekomen. Bij de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt gedacht aan een maatregel die enerzijds als sanctie door de rechter bij eindvonnis kan worden opgelegd en anderzijds in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden toegepast en die zowel op ambulante als op intramurale basis ten uitvoer kan worden gelegd. Over de resultaten van het onderzoek en de opvattingen terzake van verschillende partijen uit het veld zal ik u in het voorjaar van 2004 berichten.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Justitie, J. P. H. Donner

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.