Brief staatssecretaris inzake aanbieding van de notitie 'Ruim Baan voor Culturele Diversiteit' - Cultuur in de multiculturele samenleving

Deze brief is onder nr. 1 toegevoegd aan dossier 26565 - Cultuur in de multiculturele samenleving.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Cultuur in de multiculturele samenleving; Brief staatssecretaris inzake aanbieding van de notitie 'Ruim Baan voor Culturele Diversiteit' 
Document­datum 25-05-1999
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST35335
Kenmerk 26565, nr. 1
Van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1998–1999

26 565

Cultuur in de multiculturele samenleving

Nr. 1

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 25 mei 1999

Bijgaand zend ik u de notitie «Ruim Baan voor Culturele Diversiteit». Deze notitie gaat in op de rol van cultuur in de multiculturele samenleving. Met het in de notitie geschetste beleid wil ik voorwaarden scheppen voor een diversere cultuur, zowel wat betreft het culturele aanbod als het publiek.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg

  • 1. 
    Inleiding                                                                                                      3 Ongewapende confrontatie tussen vele (sub)culturen                                   3 Cultuurineen multiculturele samenleving                                                      4
  • 2. 
    Cultuuraanbod: verscheiden, maar niet divers                                       6
  • 3. 
    Cultuurdeelname                                                                                       8
  • 4. 
    Ander beleid                                                                                             10 Open viziereneen breed perspectief                                                             10 Culturele bestel                                                                                                 13 Bondgenoten                                                                                                    14

Zeven actiepunten                                                                                            15

  • 1. 
    Ruimte maken                                                                                          15
  • 2. 
    Derol vandeoverheid herzien                                                              15
  • 3. 
    Culturele accommodaties beter benutten                                             16
  • 4. 
    Erfgoed anders bekijken                                                                         16
  • 5. 
    Potentiële makersenpubliek toerusten                                                17
  • 6. 
    Degevestigde culturele orde opschudden                                            18
  • 7. 
    Toegankelijkheid van instituties vergroten                                           18

Impuls-aanpak                                                                                                  19

Financiële voorzieningen voor culturele diversiteit en nieuw publieksbereik                                                                                                   20

  • 1. 
    Inleiding

Het is een veelgehoorde opvatting dat het Nederlandse cultuurbeleid «af» is. Ik ben het daar niet mee eens. Met een verfijnde subsidiesystematiek en «de overheid op afstand» gooit ons cultuurbeleid weliswaar hoge ogen in den vreemde. Maar met de diverse subculturen en de verschillende bevolkingsgroepen in ons eigen land weten we ons intussen nog steeds geen raad. Zelfgenoegzaamheid past hier dan ook niet.

Niet alleen het gesubsidieerde aanbod, maar ook de publieke belangstelling daarvoor, geven nog steeds een te eenzijdig beeld van de Nederlandse samenleving. De gesubsidieerde cultuur bedient maar een hele kleine groep mensen. Met name jongeren, migranten en minder draagkrachtigen lijken uitgesloten te worden van deelname aan de gesubsidieerde cultuur, hetzij als makers, hetzij als publiek. De belangstelling voor deze bevolkingsgroepen en hun subculturen blijft doorgaans beperkt tot mooie woorden. Het cultuurbeleid is daarbij geen uitzondering op de regel. Van Engels (1972), Brinkman (1988) en d’Ancona (1992) tot Nuis (1996) was er aandacht voor respectievelijk maatschappelijke relevantie, maatschappelijke respons, participatie en interculturaliteit. Maar het kan niemand ontgaan dat de gesubsidieerde cultuur, ondanks veel goede bedoelingen, nog steeds – en steeds meer – de trekken vertoont van een monocultuur.

Het meest urgent doet zich de situatie voor bij de allochtone bevolkingsgroepen, waar je inmiddels in termen van uitsluiting kunt spreken. Ondanks het feit dat Nederland in de afgelopen decennia ingrijpend is veranderd door aanhoudende migratiestromen, dringt hun aanwezigheid maar mondjesmaat door tot de cultuurwereld. Met het interculturele cultuurbeleid werd een nieuwe serieuze poging ondernomen om diversiteit in cultuur zichtbaarder te maken. «Interculturaliteit» betekent letterlijk: «tussen culturen». Het stelt de ontmoeting, uitwisseling en kruisbestuiving tussen culturen centraal. Maar in de praktijk werd het begrip bij de verdeling van de meerjarige subsidiegelden onbedoeld tot een instrument waardoor niet-westerse cultuuruitingen voor het merendeel buiten de boot vielen, tènzij de subsidieaanvraag duidelijk kon maken dat er daadwerkelijk van een uitwisseling met de westerse cultuur sprake was. Cultuuruitingen van culturele minderheden1 dreigden op deze wijze letterlijk van het toneel te verdwijnen.

Dit onbedoelde neveneffect van het uitgangspunt interculturaliteit maakt duidelijk dat het cultuurbeleid ten aanzien van culturele minderheden een complexe materie is. In het verleden heeft men daar al een harde dobber aan gehad en nog steeds blijft het worstelen. Het beleid wordt tot nu toe sterk bepaald door de heersende opvattingen over hoe migranten in een samenleving dienen te worden opgenomen. Ik wil dat nader toelichten.

Ongewapende confrontatie tussen vele (sub)culturen

1 Met de term «culturele minderheden» wordt bedoeld eerste en tweede generaties Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Molukkers, Indische Nederlanders, Chinezen, Zuid-Europeanen, vluchtelingen en immigranten uit diverse landen in de Derde Wereld en Oost-Europa. Ter aanduiding van mensen uit deze groepen zal ik ook de woorden «allochtoon» en «migrant» gebruiken.

Voor zover er in de afgelopen jaren cultuurbeleid voor culturele minderheden werd gevoerd, stond het nooit ver af van het minderhedenbeleid dat het ministerie van Binnenlandse Zaken voorstond. In de afgelopen jaren werd dit beleid gekarakteriseerd als integratiebeleid, algemeen achterstandsbeleid en decentraal beleid. In het cultuurbeleid leidde dit er uiteindelijk toe dat de categorale budgetten voor cultuuruitingen van minderheden bij de rijksoverheid en de cultuurfondsen grotendeels werden afgeschaft. De subsidie aan een categorale instelling als Scarabes, die zich richtte op advies en bemiddeling bij allochtoon theater, werd gestaakt. Dat gold ook voor de Multi Music Federation, die een vergelijkbare functie voor de muzieksector vervulde. Velen waren het er over eens dat een dergelijke verbijzonderde infrastructuur niet het antwoord was op de vraag hoe de participatie van culturele minderheden aan de gesubsidieerde cultuur kon worden vergroot. Maar wat dan wel? De ontmoeting en uitwisseling van culturen zou wellicht meer soelaas bieden. Daarom werden alle instellingen aangesproken op intercultura-liteit, een concept dat in feite is gebaseerd op het nu in zwang zijnde begrip «integratie». «Interculturaliteit» en «integratie» hebben als ideaal wellicht een wederkerig proces van uitwisseling en aanpassing voor ogen, maar in de praktijk gaat het vaak om een eenzijdiger proces waarbij een minderheidscultuur in de dominante meerderheidscultuur opgaat. Of dit een juiste invulling van integratie is, laat ik hier in het midden. Waar het om gaat is dat begrippen als «integratie», maar ook «sociale cohesie» nogal makkelijk van toepassing worden verklaard op cultuur. De vraag is of daarmee recht wordt gedaan aan cultuur.

De dynamische aard van cultuur verhoudt zich namelijk slecht met de laatstgenoemde concepties. Door de invloed van tijd, mensen en van andere culturen is een cultuur voortdurend aan veranderingen onderhevig. Cultuur maakt de verschillen tussen mensen, tijden en plaatsen zichtbaar en voelbaar. Eén van de pijlers van het cultuurbeleid is daarom de zorg voor die pluriformiteit, voor datgene wat mensen onderscheidt, zonder daarbij uit het oog te verliezen wat mensen bindt. Het inzetten van cultuur als sociaal bindmiddel om tot een harmonieuzere samenleving te komen doet, evenals de integratie van een minderheids-cultuur in een meerderheidscultuur, geen recht aan die verschillen. Integendeel zelfs. Uiteindelijk leidt dit door de Nederlandse consensuscultuur ingegeven streven slechts tot culturele eenheidsworst. Tot nog meer van hetzelfde. Ik roep daarbij in herinnering dat Nederland, zijnde een minderheidscultuur in Europa, zich steeds sterk heeft gemaakt voor een Europees cultuurbeleid dat de culturele verschillen tussen de verschillende lidstaten erkent. Met een zelfde urgentie zou ik ruimte willen maken voor de eigenheid van de minderheidsculturen binnen Nederland. Daarbij veronderstelt het eenzijdige integratieproces, waarbij allochtone Nederlanders iets overnemen van de Nederlandse cultuur, maar de autochtone Nederlanders andersom vrijwel niets van de allochtone culturen, een soort eenrichtingsverkeer. Dit lijkt ook niet goed samen te gaan met de aard van cultuuruitingen, die op zijn minst op tweerichtingsverkeer zijn gebaseerd en in het beste geval op een veelvoud daarvan. Cultuur is geen oplosmiddel, maar eerder een ongewapende confrontatie tussen vele subculturen. Cultuurbeleid kan en hoeft daarom geen integratiebeleid te zijn. Door de nadruk op integratie zijn de cultuuruitingen van culturele minderheden de laatste jaren min of meer «zoek gespeeld». De eigenheid van deze bevolkingsgroepen is daardoor onvoldoende terug te vinden in het gesubsidieerde culturele aanbod. Daarmee wil ik niet zeggen dat migranten «in hun eigen cultuur gelaten moeten worden»1. De arabist Brugman wijst erop dat dit de belangrijkste rechtvaardiging van de Zuid-Afrikaanse apartheid was. Die eigenheid is zeker geen synoniem voor «folklorisme» of «traditie», maar kan vele vormen aannemen.

Cultuur in een multiculturele samenleving

«Cultuur is wat mensen gemeen hebben». Dat waren de eerste woorden van de cultuurnota Pantser of ruggengraat (1996). Daarmee werd het belang van de deelname van zoveel mogelijk mensen aan cultuur aangegeven. Maar is dat wat mensen gemeen hebben ook de enige cultuur? Er is weliswaar een dominante en gemeenschappelijke cultuur in Nederland, van Ajax en André van Duin tot de soap Goede Tijden Slechte 1 J. Brugman, Het raadsel van de multicul-          Tijden. Dit is de cultuur die inderdaad veel mensen gemeen hebben en

tuur,Amsterdam: Meulenhoff, 1998.                   waar ook – veelal jonge – leden van minderheidsgroepen aan deelnemen.

Dit is ook de cultuur waar Maarten van Rossem en Gerry van der List over spreken wanneer zij zeggen dat we ons in een monoculturele samenleving bevinden. Maar het Nederlandse culturele landschap bestaat uit vele subculturen, waaronder jongerenculturen en migrantenculturen. Maar ook van bijvoorbeeld de gesubsidieerde symfonieorkesten zou je kunnen zeggen dat deze de trekken van een subcultuur vertonen. Het getuigt daarom van «arrogant universalisme»1 om de dominante cultuur tot de enige te verklaren. Gerry van der List meent dat migranten niet veel meer in de dominante cultuur hebben ingebracht dan dat we wat exotischer zijn gaan eten. Wie het culturele landschap nader onderzoekt en nieuwsgierigheid aan de dag legt voor verschillen tussen mensen en culturen kan echter een grote diversiteit aan culturen en culturele activiteiten ontdekken. De multiculturele samenleving opgevat als een – gewenst of ongewenst – toekomstperspectief, waarbij verschillende culturen gelijkwaardig naast elkaar bestaan, bestaat inderdaad (nog) niet. Het SCP-rapport 1998 constateerde dit al. Maar de multiculturele samenleving als maatschappelijke werkelijkheid, waarin mensen met verschillende culturele achtergronden met elkaar samenleven, bestaat wel degelijk. Die culturele diversiteit zie ik onvoldoende terug in het gesubsidieerde culturele aanbod en in het publiek dat daarop afkomt.

In dit land en ook in andere westerse landen maken we een hiërarchisch onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst, hoge en lage kunst en professionele en amateurkunst. Dit zijn de kaders waarbinnen we denken en handelen. De schrijver Stefan Hertmans verwoordde het in zijn lezing over «internationaal conformisme» als volgt: «Overal om me heen zie ik de westerse wereld zijn eigen gelijk «objectiveren»in de voorwerpen die hij produceert.() De vormen van de hedendaagse kunst steunen op een zichzelf eindeloos commentariërend verhaal, dat weinig ruimte laat voor het werkelijk «andere» waar het voortdurend de mond vol van heeft»2. Zonder nu een extreem cultuurrelativistisch standpunt in te nemen, wil ik dit eenzijdige perspectief toch relativeren. Want door dit perspectief ontstaan blinde vlekken.

Er is daardoor nauwelijks oog voor de culturele behoeften van groepen in de samenleving die geen deel uitmaken van de selecte subcultuur van operaliefhebbers, symfonieorkestenbezoekers en galeriehoppers. Dit potentiële publiek wordt nog te weinig gezien door cultuurmakers en culturele instellingen. De toegang tot de cultuurwereld is voor deze groepen alles behalve makkelijk. Met dat voor ogen zouden cultuurmakers en culturele instellingen met een meer naar buiten gerichte pro-actieve houding nieuwe publieksgroepen kunnen aanboren en de toegankelijkheid voor deze groepen vergroten, wat de cultuur alleen maar ten goede kan komen.

1  Ruben Gowricharn, «Assimilerende integratiekolder», in: Contrast,21-1-1999.

2  Stefan Hertmans, verkorte versie van lezing «internationaal conformisme» uit de serie «Hier gaat het over», in: Vrij Neder-land,20-2-1999.

Maar het is niet alleen dat: we zijn ook ziende blind voor de waardevolle cultuuruitingen van mensen met een niet-Nederlandse achtergrond. Allochtone jongeren kunnen profiteren van het dubbele perspectief waarover ze beschikken: aan de ene kant de cultuur uit het land waar zijzelf of hun ouders of zelfs al hun grootouders vandaan komen en aan de andere kant de Nederlandse cultuur. Zij hebben daardoor – meer dan hun autochtone leeftijdsgenoten – het vermogen om te kunnen schakelen tussen culturen – een vaardigheid die steeds belangrijker zal worden in de multiculturele samenleving van de toekomst. Anderzijds weten zij verschillende culturele invloeden te combineren. Dit is vooral zichtbaar in de popmuziek en in de literatuur waar westerse en niet-westerse elementen met elkaar mengen. In het literaire werk van Hafid Bouazza en Abdelkader Benali bijvoorbeeld. Of in de muziek van The Urban Dance Squad, Postmen en Dignity. Naast de moeilijkheden die veel allochtone jongeren ondervinden bij het creëren van een eigen plek in de Neder- landse samenleving, zie ik daarom vooral kansen voor hen. Chris Keulemans noemde jonge Marokkanen nog niet zo lang geleden de «vleugelspelers die we zelf niet meer produceren»1. Zij doorbreken volgens Keulemans de codes van de Nederlandse sportcultuur, literaire cultuur, politieke cultuur en straatcultuur. Hun aanpak is anders dan we gewend zijn. Hun culturele producten verschillen van dat wat we kennen.

De vraag is hoe we met die verschillen omgaan? Het moge uit het voorgaande duidelijk zijn dat mij in ieder geval niet zo zeer een smeltkroes voor ogen staat, waarbij al die verschillende cultuuruitingen opgaan in één gezamenlijke cultuur. Dit komt de eigenheid van deze cultuuruitingen niet ten goede en evenmin een levendig cultuurleven. Dat is namelijk gebaat bij de confrontatie en botsing tussen cultuuruitingen en het publiek. Cultuur in meer specifieke zin (cultuuruitingen) is bij uitstek het terrein waar conflicten tussen culturen op vreedzame wijze kunnen worden uitgevochten en waar mensen kunnen leren accepteren om te leven met verschillen. Cultuur als ongewapend conflict dus. Jos de Beus, hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam, stelt dat een multiculturele beschaving er alleen kan komen door openlijke confrontatie2. Migranten moeten voor hun zaak opkomen, vindt hij, maar van de autochtone bevolking mag hetzelfde worden verwacht. Cultuur is een gemeenschappelijk strijdtoneel waar vaak de eerste contacten tussen verschillende culturen plaatsvinden. Daarom hecht ik grote waarde aan de ontmoeting tussen verschillende culturen en hun publiek. Die vindt plaats in theaters, musea, galerieën, concertzalen, bibliotheken en monumenten. Deze culturele infrastructuur heeft een niet te onderschatten betekenis als knooppunt van verschillende culturen en hun publiek. Eigenheid, ontmoeting en – niet te vergeten – toegankelijkheid tot het aanbod en de instituties zijn daarom belangrijke uitgangspunten voor mijn beleid waarmee ik voorwaarden wil scheppen voor een diversere cultuur. Daar gaat deze notitie over, en over de mentaliteit die daarvoor nodig is: een houding ten opzichte van de omgeving die niet is gebaseerd op angst en vooroordelen, maar op nieuwsgierigheid naar dat wat we (nog) niet kennen. Alleen met die mentaliteit kunnen we recht doen aan verschillen en ruimte maken voor andere cultuuruitingen en een diverser samengesteld cultuurpubliek.

  • 2. 
    Cultuuraanbod: verscheiden, maar niet divers

De minister van Grote Steden- en Integratiebeleid constateerde nog niet zo lang geleden dat Nederland een immigratieland is. Door de migratiestromen maken mensen met een niet-Nederlandse achtergrond inmiddels bijna 10 procent van de Nederlandse bevolking uit. In de grote steden is zelfs zo’n 30 procent van de inwoners en vaak meer dan de helft van de jongeren van allochtone afkomst. Met de nu meer dan honderd verschillende culturen in Nederland is ook het culturele landschap veranderd. Nederland is een land van culturele migranten. Columnisten, journalisten en wetenschappelijk onderzoekers discussiëren al enige tijd over de vraag of Nederland een monoculturele samenleving is, of een multiculturele. Deze discussie is op zich zelf beschouwd een hele interessante, maar toch dreigt achter al deze woorden de maatschappelijke werkelijkheid onderbelicht te geraken en de daadkracht zoek.

1  Chris Keulemans, «Boabdil gaat naar Amerika», in: Volkskrant, 5-3-99.

2  Jos de Beus, Visies op migrantenpolitiek in Nederland:De cultus van de vermijding.

Utrecht: Forum, 1998.

Want wie het culturele landschap nauwgezet verkent, wie de wijken ingaat, kan een scala aan culturele activiteiten ontdekken. Die vinden meestal plaats in sporthallen, buurtcentra en in huiskamers. Er blijken verschillende podiumcircuits te bestaan die onderling niet met elkaar in verbinding staan, waardoor velen onwetend zijn over dit culturele aanbod. Zo is er Teatro KINA, een Turkse theatergroep die voor volle zalen speelt, maar zelden of nooit door de gevestigde podia wordt geprogrammeerd.

En Krater organiseert theatervoorstellingen in Amsterdam Zuid-Oost, maar heeft grote moeite om daar een professioneel podium voor te vinden. Turkse vedettes zingen voor uitverkochte sporthallen, waar autochtonen de weg niet naartoe weten te vinden.

Nederland wordt in den vreemde vaak geroemd vanwege de unieke verscheidenheid aan cultuuruitingen die hier bestaat. Er is een enorme variëteit aan disciplines, aan genres, scholen en stijlen. Ook regionaal geaccentueerde cultuuruitingen ontbreken niet. Verscheidenheid naar discipline, genre en regio. Die verscheidenheid is zelfs wettelijk vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid, waarin staat dat de regering zich laat leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid. Wat geïnteresseerde buitenlanders echter niet weten is dat die verscheidenheid zich beperkt tot een cultuur van veelal autochtone symfonieorkesten, dansgezelschappen, theatergroepen en musea.

Want ondanks onze grote culturele verscheidenheid nemen migranten, als publiek en als makers, nauwelijks deel aan de gesubsidieerde cultuur. De gesubsidieerde theaters, musea, orkesten en media geven geen getrouwe afspiegeling van het zo divers geworden culturele landschap. En het publiek bestaat overwegend uit autochtone Nederlanders. Musea en archieven herbergen weliswaar voorwerpen en documenten van verschillende herkomst, maar het actueel en systematisch toegankelijk maken van het erfgoed van culturele minderheden gebeurt nog maar mondjesmaat.

Maar het kan ook anders. Het impresariaat 3WF organiseert veel concerten van niet-westerse artiesten op bekende podia zoals De Melkweg, De Doelen en Vredenburg. En daar komen zowel autochtonen als mensen met een niet-Nederlandse achtergrond op af. Kulsan doet hetzelfde voor Turkse muziek. Een ander voorbeeld is het amateur popmuziekconcours de Grote Prijs van Nederland. Sinds enkele jaren heeft het een aparte categorie gemaakt voor Hip Hop en R&B, muziek die vooral bij jongeren van Surinaamse en Antilliaanse achtergrond populair is. Naast de Grote Prijs wordt door mij een aantal goede initiatieven ondersteund. Voor de podiumkunsten zijn dat bijvoorbeeld Cosmic, DNA, Artisjok 020, het Dunyafestival, Rasa, Theatergezelschap Delta, Made in da Shade en de Kunstbende. In de hedendaagse beeldende kunst speelt de Gate Foundation een stimulerende rol bij de uitwisseling tussen westerse en niet-westerse kunst. Op literair gebied zijn dat initiatieven zoals de El Hizjra Literatuurprijs, het Multi-Etnisch Podium en de toneelschrijverscursus van Cosmic en schrijversschool ’t Colofon. In de wereld van het cultureel erfgoed is het project Interculturele Museale Programma’s van de Nederlandse Museumvereniging succesvol en zijn het Tropenmuseum in Amsterdam en het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam met hun interculturele presentaties voor kinderen baanbrekend. Toch geeft dit nog geen evenwichtig beeld van de inbreng die verschillende bevolkingsgroepen zouden kunnen en willen hebben in het gesubsidieerde cultuuraanbod. Bovendien zijn zij slechts goed voor een zeer klein percentage van de meerjarige subsidies.

Bij de conservering van het cultureel erfgoed van migranten is de vraag relevant over wat voor soort erfgoed we het hebben. Dit erfgoed wordt meegebracht uit de landen van herkomst, maar het heeft zich ook ontwikkeld in het land van vestiging. Veel van dit type erfgoed wordt nog niet verzameld en bewaard. Om de (migratie)geschiedenis van verschillende bevolkingsgroepen te kunnen bewaren, zijn cultuurdragers zoals foto’s, filmbeelden, bandopnames, kleding, gebruiksvoorwerpen en interieurs van belang. Culturele instellingen zullen er daarom snel bij moeten zijn want de eerste interieurs van islamitische slagerijen en Chineze tahoebakkerijen zijn inmiddels al verdwenen.

In 2015 zal naar schatting bijna 15 procent van de bevolking bestaan uit onder meer Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Molukkers, Zuid-Europeanen, vluchtelingen en migranten uit derde-wereld landen en oost-europese landen. Een groot aantal daarvan blijft tot de eerste generatie behoren, omdat nieuwe migranten blijven komen. Daarmee hebben we ook in de toekomst te maken met mensen met een andere culturele achtergrond die een plaats in de Nederlandse samenleving proberen te vinden. Ook de cultuurwereld zal zich daar rekenschap van moeten geven, zodat deze mensen straks meer aansluiting kunnen gaan vinden bij het culturele aanbod en zodat autochtone Nederlanders ook met de cultuuruitingen van deze Nederlanders kunnen kennismaken.

  • 3. 
    Cultuurdeelname

1 H. W. Campbell, P. Q. Reinsch en P. G. P. Driessen, Etniciteit en cultuurparticipatie. Een onderzoek naar de deelname van leden van etnische minderheden in Nederland.Maarssen: Stichting Studia Interetnica, 1994.

Het belang van kunst en cultuur voor een samenleving kan niet eenduidig worden afgelezen aan kijk-, en bezoekcijfers, kassa-opbrengsten of andere kwantitieve indicatoren van succes. Maar uit die constatering mag niet de conclusie worden getrokken dat de omvang en de samenstelling van het cultuurpubliek er niet toe doet. Een aanzienlijk deel van de maatschappelijke waarde van kunst en cultuur ligt in haar vermogen verbindingen te leggen in en met die samenleving. Te vaak wordt uit het oog verloren hoezeer aanbod en publiek met elkaar zijn verbonden. Ik denk bijvoorbeeld aan een symfonieorkest dat openbare repetities houdt voor jonge mensen en aan een schouwburg die een weinig bekende Marokkaanse voorstelling durft te programmeren. Of een museum waarvan de conservatoren in staat en bereid zijn met andere ogen naar de eigen collectie te kijken en een tentoonstelling te maken die aansprekend is voor nieuwe publieksgroepen. Bij een project als «Scholen adopteren monumenten» zou voor de verandering eens een moskee centraal kunnen staan. Daarnaast zijn ook de mensen die als personeel werkzaam zijn in de culturele sector, of actief als bestuurslid, bepalend voor de maatschappelijke verankering van cultuur.

Cultuurparticipatie speelt zich in vier domeinen af: De meest opvallende vorm van cultuurdeelname is het bezoek aan voorstellingen, uitvoeringen en tentoonstellingen die in culturele accommodaties, zoals theaters, concertzalen of musea worden gehouden. Maar ook door het gebruik van audiovisuele media en het lezen van boeken, kranten en tijdschriften nemen mensen deel aan cultuur. Een derde domein is de amateuristische kunstbeoefening die zich voor een deel binnen de muren van de eigen woning afspeelt, maar ook daarbuiten, vaak in verenigingsverband. Het vrijwilligerswerk op cultureel terrein, tenslotte, is het vierde domein. Zowel in de wereld van kunsten (professioneel en amateur) als in de wereld van cultureel erfgoed (musea, monumenten, archieven, historische verenigingen en dergelijke) zijn honderdduizenden vrijwilligers werkzaam.

Uit al het onderzoek, dat zowel in Nederland als daarbuiten is uitgevoerd, blijkt dat het opleidingsniveau de meeste invloed heeft op cultuurparticipatie. Een verkennend, niet representatief, onderzoek dat in opdracht van mijn departement is uitgevoerd, maakt aannemelijk dat bij migranten, evenals bij autochtonen, het opleidingniveau van doorslaggevende betekenis is bij het bezoek aan culturele manifestaties. Hoger opgeleide migranten blijken zich daarin niet te onderscheiden van de autochtone bevolking1.

De geringe deelname aan cultuur van grote groepen uit de samenleving wordt daarom vaak verklaard met hun sociaal-economische positie. Met een lage opleiding en een laag inkomen zou men nu eenmaal met geen stok naar de voorstellingen van De Nederlandse Opera zijn te krijgen. Ik ben zo vrij daar enkele kanttekeningen bij te plaatsen. Allereerst een toelichting: de crux ligt niet zozeer bij het opleidingsniveau, maar eerder bij bepaalde culturele vaardigheden waarover men al dan niet beschikt en die sterk samenhangen met dat opleidingsniveau. En daar komt een speciale verantwoordelijkheid voor het cultuurbeleid en het onderwijsbeleid om de hoek kijken, die inmiddels via Cultuur en School en het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming serieus wordt genomen. Het gaat daarbij niet alleen om het leren waarderen van kunst en cultuur in het algemeen, maar zeker ook om het vermogen verschillende culturen en hun uitingen te kunnen waarderen Mijn tweede kanttekening is dat de sociaal-economische verklaring is gerelateerd aan het in sommige opzichten nogal eenzijdig samengestelde gesubsidieerde culturele aanbod zoals dat er sinds jaar en dag uitziet. Terecht kunnen veel bevolkingsgroepen zich afvragen wat er eigenlijk van hun gading bij zit. Bovendien gaapt er een groot gat tussen de gesubsidieerde professionele cultuur van een hoog niveau en de semiprofessionele- en amateurkunst, die vaak dichter bij de mensen staan. Ik ben ervan overtuigd dat door meer recht te doen aan de culturele diversiteit van Nederland de «ijzeren wet» met betrekking tot de relatie tussen opleiding en cultuurdeelname aanzienlijk kan worden versoepeld.

Mijn laatste opmerking is dat de verklaring zich beperkt tot de receptieve deelname aan cultuur: tot het bezoek aan musea, theaters, concerten enz. Daar waar mensen zelf cultuur maken door te zingen in een koor, door te schilderen of door een muziekinstrument te bespelen, zijn alle sociale lagen goed vertegenwoordigd. De amateurkunst, het derde domein van cultuurparticipatie, is daarmee de meest gedemocratiseerde sector in de cultuurwereld. Toch kan ik er niet omheen dat zich ook in de amateurkunstsector een opmerkelijk verschijnsel voordoet. Migranten, zeker de jongeren onder hen, zijn zeer actief als amateurkunstenaars. Zij maken echter nauwelijks gebruik van voorzieningen en subsidiegelden. Centra voor amateurkunst en kunstzinnige vorming blijken jonge migranten bovendien tien keer zo weinig te bereiken als andere jongeren1. Anders dan veel oudere amateurkunstbeoefenaars willen jongeren en migranten zich in de eerste plaats ontwikkelen en zijn ze op zoek naar eigen podia om zichzelf te presenteren. De scheidslijn tussen amateurkunst en professionele kunst wordt door hen minder hiërarchisch en scherp gelegd. Een probleem dat in dit verband ook de aandacht vraagt, is het tekort aan plaatsen (podia, centra) in de wijken waar cultuur op een professionele manier aan een groot publiek kan worden gepresenteerd. De afstand tussen de beroeps- en de amateurkunstsector wordt kleiner. De infrastructuur is daar echter nog niet voor toegerust. Dit laatste geldt overigens niet alleen voor de beroeps- en amateurkunst, maar evenzeer voor de erfgoedsector waar een grotere collectiemobiliteit gewenst is. Door het oprichten van «collectiefilialen» van grote musea in de wijken kan een flinke publieksimpuls gegeven worden.

1  F. van Wel, Jongeren over kunst en cultuur: cultuurdeelname van allochtone en autochtone jongeren,Utrecht, 1994.

2  Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Op zoek naar eigen kracht, vrijwilligerswerk en burgerschap onder minderheden, Den Haag, december 1997.

In het vierde domein van cultuurparticipatie, het vrijwilligerswerk, zijn migranten sterk ondervertegenwoordigd. Dit hangt deels samen met hun sociaal-economische positie. De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling constateerde echter dat er ook «belemmeringen zijn die samenhangen met etnische identificatie: migranten kunnen zich moeilijk vereenzelvigen met de ideële doelstellingen van het algemeen vrijwilligerswerk»2. Niettemin onttrekt veel vrijwilligerswerk dat binnen migrantengemeenschappen plaatsvindt zich aan het zicht van reguliere vrijwilligersorganisaties.

Binnen drie van de vier hiervoor beschreven cultuurdomeinen, namelijk bij het bezoek aan culturele accommodaties, amateurkunst en vrijwilligerswerk, zijn migranten ofwel slecht vertegenwoordigd of zij vinden geen aansluiting bij bestaande instituties. Alleen in het gebruik van media doen zij niet onder voor andere bevolkingsgroepen. Veel migranten zijn bovendien actief bij lokale migrantenomroepen. In mijn notitie over media- en minderheden zal ik aangeven hoe ik hun werk beter zal ondersteunen en faciliteren en op welke wijze het algemene programmaaanbod op de Nederlandse radio en televisie een multicultureler aanzien kan krijgen.

De mate waarin cultuurmakers en culturele instellingen zich inspannen om nieuwe publieksgroepen binnen te halen is mede bepalend voor de participatie van deze groepen en de maatschappelijke verankering van cultuur. Maar, zoals opgemerkt, die participatie hangt sterk samen met het culturele aanbod. Ik ben ervan overtuigd dat de geringe deelname van bepaalde bevolkingsgroepen aan de gesubsidieerde cultuur voor een belangrijk deel is te verklaren uit de eenzijdige samenstelling van het gesubsidieerde cultuuraanbod. Dat aanbod is in de afgelopen decennia – mede onder invloed van een zich sterk ontwikkelende massacultuur – steeds meer teruggedrongen op een kleiner speelveld. Dit heeft ertoe geleid dat kansen voor een groter maatschappelijk bereik onvoldoende worden opgemerkt en benut. Want ondanks het feit dat de samenstelling van de Nederlandse bevolking en de Nederlandse cultuur door migratiestromen diverser is geworden, dringt deze diversiteit tot nu toe hooguit mondjesmaat door tot het gesubsidieerde culturele aanbod. Zo blijft een groot potentieel publiek veroordeeld tot een plaatsje aan de zijlijn.

  • 4. 
    Ander beleid

Er is alle reden tot zorg over de beperkte deelname van allochtonen aan de gevestigde, gesubsidieerde cultuur. Daarbij zullen we voor ogen moeten houden dat er sprake is van een achterstandssituatie. Dit geldt voor het cultuurbeleid en de cultuurwereld, die inmiddels een behoorlijke achterstand hebben in te lopen. Maar dit geldt ook voor de culturele minderheden, die net als de arbeiderskinderen in de jaren vijftig en zestig en de meisjes in de jaren daarna maar zeer langzaam instromen in de verschillende maatschappelijke sferen. We moeten ons realiseren dat dit een maatschappelijk en langdurig proces is. Een lange adem is daarom onontbeerlijk. Tegelijkertijd kunnen we er niet omheen dat er extra inspanningen nodig zijn om de achterstand in te lopen. Cultuurbeleid kan daaraan bijdragen door kansen te scheppen en positieve impulsen te geven. Impulsen voor de ontwikkeling van kansrijke initiatieven, van potentiële talenten en van de culturele vaardigheden van het publiek. Impulsen ook voor de vergroting van de toegankelijkheid van de gesubsidieerde cultuur en de gesubsidieerde culturele instituties. Om het huidige onwenselijke tij te keren zijn naar mijn mening op twee terreinen veranderingen noodzakelijk:

Om te beginnen is een mentaliteitsveranderingnodig bij cultuurmakers, programmeurs, conservatoren, directeuren, beoordelaars, beleidsmakers en alle andere mensen op besluitvormende posities in de cultuurwereld. Maar dat is niet genoeg. Ook in de structuren van de cultuurwereld, in het culturele bestel, zullen wijzigingen en verschuivingen onvermijdelijk zijn.

Open vizier en een breed perspectief

Om de hierboven geschetste situatie waarin de Nederlandse cultuur zich nu bevindt te veranderen, is de bereidheid vereist om een open houding aan te nemen en van verschillende perspectieven gebruik te maken: een attitude die in de wereld van de cultuur vanzelfsprekend zou moeten zijn.

Bij het behoud van het cultureel erfgoed gaat het bijvoorbeeld niet alleen om ruimte maken voor het erfgoed van migranten en hun geschiedenis en het streven naar een volwaardige cultuurdeelname als producent en consument. We zullen ons ook af moeten vragen wat het betekent voor onze collectieve herinnering en ons hedendaags historisch bewustzijn. Verandert dit met de komst van migranten? Musea kunnen hun collecties en vaste opstellingen eens vanuit het perspectief van andere bevolkingsgroepen bekijken. In de opstelling en de publieksbegeleiding kan dan ook hun geschiedenis worden belicht. Herinrichting van musea, zoals gepland voor het Rijksmuseum en het Catherijneconvent, zijn bij uitstek gelegenheden om de presentatie zodanig aan te passen dat ook nieuwe Nederlanders aanknopingspunten worden geboden. Ook de doorgewinterde museumbezoeker kan daarmee nieuwe inzichten verkrijgen in de culturele diversiteit van Nederland. Een goed voorbeeld is het Amsterdams Historisch Museum. Daar worden de hoofdstedelijke migranten nu in de vaste opstelling opgenomen zodat ook hun bijdrage aan de Amsterdamse geschiedenis zichtbaar wordt gemaakt. De musea voor moderne kunst doen er eveneens goed aan zich rekenschap te geven van diversiteit in de samenleving en het internationale discours over dit onderwerp. Zo zal de internationale vierjaarlijkse manifestatie Documenta in 2002 door een Afrikaanse curator, Okwui Enwezor, worden verzorgd. Culturele instellingen zouden veel meer gebruik kunnen maken van dergelijke meervoudige perspectieven van mensen uit Nederland en uit het buitenland. Door de confrontatie tussen deze perspectieven kan een genuanceerdere beeldvorming ontstaan over inwoners en hun cultuur wier wieg zich toevallig buiten onze landsgrenzen bevond.

Daarbij zouden zij zich niet moeten beperken tot die ene hun zo bekende golflengte. Door alle kanalen open te zetten kunnen cultuurmakers en culturele instellingen communiceren met een zo breed mogelijk publiek: arm en rijk, jong en oud, man en vrouw, autochtoon en allochtoon, homoseksueel en heteroseksueel, regionaal en stedelijk. Ook de culturele accommodaties die op de een of ander manier een podium bieden voor cultuur (musea, theaters, concertzalen, netwerken, instituten, bibliotheken enz.) hebben de taak die cultuur zo goed mogelijk over het voetlicht te brengen voor een zo breed mogelijk publiek. Daarbij moet rekening worden gehouden met de verschillende culturele achtergronden van dat publiek. De Raad voor het openbaar bestuur (ROB) heeft onlangs een pleidooi gehouden voor de «sensibilisering voor culturele verschillen» binnen algemene instellingen: «Meer sensibiliteit voor culturele eigenheid van mensen uit minderheidsgroeperingen () is nodig»1. Instellingen zouden daarom volgens de Raad meer maatwerk moeten leveren, ook voor culturele minderheden. Verder constateert de ROB dat minderhedenbeleid vooral effectief kan zijn op lokaal niveau.

Een goed voorbeeld is de manier waarop concertzaal Paradiso Turkse en Marokkaanse meisjes wist binnen te halen, namelijk door op zondagmiddag voor hen te programmeren. De meisjes mochten dan van hun ouders komen en de jongens volgden daarna natuurlijk vanzelf.

Kortom, het binnenhalen van een divers publiek doet een beroep op de bereidheid om zich in anderen te verplaatsen. Het vraagt erom toenadering te zoeken in plaats van af te wachten. In Engeland is een dergelijke pro-actieve benadering al langer gangbaar. Daar schakelt men onder meer «community workers» en cultuurambassadeurs in waarbij de strikte scheiding tussen cultuur en andere segmenten van de samenleving, zoals welzijn, gezondheid en scholing wordt doorbroken. De community workers zijn afkomstig uit de verschillende gemeenschappen waar ze 1 Raad voor het openbaar bestuur, Retoriek         nauw mee verbonden zijn. Ze hebben een rol bij het binnenhalen van

en realiteit van het integratiebeleid,                    leden van hun gemeenschap als publiek en daarnaast bij de program-

Den Haag, maart 1999.                                     mering van cultureel aanbod en bij de ontwikkeling van «community arts». Ook in Nederland is op enkele plaatsen ervaring opgedaan met cultuurambassadeurs (o.a. Jongeren Uitbureau in Groningen en de Toneelschuur in Haarlem), die aangemoedigd worden om leeftijdsgenoten mee te nemen naar de voorstellingen. Het Volksbuurtmuseum in Den Haag heeft al veel ervaring opgedaan met community workers. Het inzetten van deze mensen blijkt succesvol wanneer er per bevolkingsgroep een community worker wordt ingezet die afkomstig is uit de betreffende gemeenschap. Dat betekent dat culturele instellingen op lokaal niveau een vorm van samenwerking zouden kunnen zoeken, zodat de community workers voor verschillende instellingen inzetbaar zijn. Ook blijkt een community worker meer mensen te bereiken naarmate hij/zij meer verbonden is met sociaal-cultureel werk1. Dit geeft andermaal aan hoezeer kunst en cultuur samenhangen met andere terreinen binnen de samenleving.

De open houding ten op zichte van het publiek zet echter weinig zoden aan de dijk, wanneer men niet ook met een zelfde blik naar het culturele aanbod kijkt. Wanneer het gaat om de beoordeling van de kwaliteit van dat aanbod is het van belang dat we ons bewust zijn van de verschillende perspectieven die daarop mogelijk zijn.

Allereerst is kwaliteit meer dan het oordeel van deskundigen over de artistieke kwaliteit van een kunstwerk of een gezelschap. Ook het vermogen van deze werken en makers om verbindingen te leggen met de maatschappij is onderdeel van kwaliteit.

Ten tweede is de beoordeling van kunst en cultuur mensenwerk. De samenstelling van de adviescommissies van de Raad voor Cultuur en de fondsen is op dit moment te eenzijdig. Een meer diverse samenstelling van deze commissies kan het perspectief verbreden en de deskundigheid vergroten. Daarom is het belangrijk dat bij de samenstelling van besturen, raden van toezicht en adviescommissies verder wordt gekeken dan de eigen gesloten netwerken. Dat vraagt een extra inspanning. En dat is niet zozeer een kwestie van «kunnen» maar vooral van «willen». Het Fonds voor Amateurkunst vervult op dit moment alle vacatures in haar adviescommissies door mensen met een niet-Nederlandse achtergrond en door mensen die jonger zijn dan 30.

Tenslotte zullen de mensen die kwaliteit beoordelen zich ervan bewust moeten zijn dat kwaliteit verbonden is met een context. Een westerse context in het Nederlandse geval. Het is moeilijk om kwaliteit te herkennen wanneer je niet bekend bent met bepaalde cultuuruitingen. In niet-westerse landen weet men de kwaliteit van niet-westerse cultuuruitingen heel goed te beoordelen. Door meer gebruik te maken van internationale netwerken kan wellicht gebruik worden gemaakt van deze expertise. Maar ook het opbouwen van de eigen deskundigheid op dit terrein is noodzakelijk.

1 A. de Vries, Onderzoek naar het inzetten van communityworkers voor het werven van allochtonen of jongeren binnen de sector podiumkunsten,1999.

De open houding die ik van de cultuurwereld vraag, betrek ik ook op mijzelf en mijn cultuurbeleid. De Nederlandse subsidiesystematiek met haar vierjaarlijkse cultuurnota en cultuurfondsen dient vaak als lichtend voorbeeld op internationale congressen. Maar met een verfijnd verdelingsmechanisme en een overheid die – Thorbecke indachtig – zelf geen artistiek-inhoudelijk oordeel velt, is het cultuurbeleid nog niet «af». Het cultuurbeleid van de rijksoverheid heeft een grotere verantwoordelijkheid dan het verdelen van middelen onder culturele instellingen alleen. De overheid heeft ook een verantwoordelijkheid voor het culturele bestel in Nederland. Ik heb al geconstateerd dat het huidige gesubsidieerde culturele aanbod onvoldoende recht doet aan de diversiteit aan subculturen van met name allochtonen. Er gebeurt veel, maar er zijn onvoldoende kansen voor verdere ontwikkeling.

Culturele bestel

De vraag is op welke wijze we binnen het Nederlandse bestel die kansen kunnen scheppen. Ik heb daarbij twee referentiemodellen voor ogen: het Amerikaanse verzuilingsmodel en het Nederlandse interculturali-teitsmodel.

In de Verenigde Staten is een verzuilingmodel ontstaan, waarbij elke bevolkingsgroep in staat wordt gesteld om zijn eigen cultuur te beleven. Dit heeft geleid tot een categorale infrastructuur waarbij elke bevolkingsgroep zijn eigen podia, musea enz heeft. Dat is belangrijk voor de emancipatie van die culturen, maar heeft als nadeel dat er weinig tot geen ontmoeting en uitwisseling plaatsvindt. In Nederland is gekozen voor een interculturele benadering, gericht op ontmoeting en uitwisseling van culturen. De gedachte daarachter onderschrijf ik, maar dit model heeft als nadeel dat de eigenheid van de verschillende culturen onvoldoende uit de verf komt, zoals de praktijk ook heeft uitgewezen.

Daarom kies ik voor drie uitgangspunten waarbij de positieve aspecten van de beide opties worden geïncorporeerd:

I.     Eigenheid

II.     Ontmoeting

III.    Toegankelijkheid

Dat betekent om te beginnen dat ik in mijn cultuurbeleid meer aandacht zal hebben voor de beleving van de eigen cultuur van de verschillende bevolkingsgroepen. «Eigen cultuur» moet niet statisch worden opgevat. Voor Marokkaanse jongeren ziet die er weer anders uit dan voor hun ouders. Ik doel daarom zeker niet alleen op de zogenaamde «herkomst-culturen». Waar het om gaat is dat migranten zich meer in het gesubsidieerde cultuuraanbod kunnen herkennen. Het aanbod zou voldoende ankerpunten moeten bieden om aansluiting bij te vinden. Ik zal daarom onderzoeken hoe het culturele erfgoed van deze bevolkingsgroepen kan worden bewaard en toegankelijk gemaakt. Cultuuruitingen voor en door culturele minderheden zullen beter worden ondersteund. Het gaat dan niet alleen om incidentele festivals, maar om een structurele inbedding van deze cultuuruitingen in de cultuursector. Het is daarbij niet de bedoeling om terug te keren naar een categorale infrastructuur zoals die in het verleden werd gebruikt. De verbijzondering in mijn beleid geldt de verschillende bevolkingsgroepen als makers van cultuur: individuele cultuurmakers en culturele gezelschappen. Zo zal ik van theatermakers niet verlangen dat zij interculturele voorstellingen maken. Een voorstelling zou met evenveel recht Marokkaans als Nederlands moeten kunnen zijn.

Maar de culturele accommodaties waar deze voorstellingen, tentoonstellingen en concerten te zien en te beluisteren zijn, dienen voor een breed en divers publiek toegankelijk zijn. Want de culturele infrastructuur heeft een niet te onderschatten betekenis als knooppunt van verschillende culturen en hun publiek. In theaters, musea, galerieën, concertzalen, bibliotheken en monumenten vindt de ontmoetingvan verschillende culturen en hun uitingen plaats. Doordat die cultuuruitingen zeer divers zijn en verschillende verhalen vertellen, zal er veelal eerder sprake zijn van een confrontatie of botsing dan van een neutrale ontmoeting. De programmering van een divers aanbod op deze «podia» is daarom cruciaal. Daar waar aparte podiumcircuits zijn ontstaan is het zaak deze met elkaar te verbinden. Ik heb daarbij het voornemen om met lokale partners en overheden samen te werken. Er is immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De meeste migranten wonen in de steden en ook de distributie van cultuur via de podia, musea en bibliotheken vindt op lokaal niveau plaats. Daarom is het verontrustend dat de visitatiecommissie

Grote-Stedenbeleid heeft geconstateerd dat allochtonen op lokaal niveau zijn «weggedefinieerd» uit het beleid1.

De ontmoeting tussen verschillende cultuuruitingen en hun publiek vindt ook in een internationale context plaats. Het internationale cultuurbeleid heeft daarom bijzondere aandacht voor de culturele uitwisseling tussen verschillende landen. Vooral met de belangrijkste herkomstlanden van migranten wil ik de banden aanhalen.

Het derde spoor gaat over de toegangvan verschillende bevolkingsgroepen tot culturele instellingen, gezelschappen, maar ook tot besluitvormende posities in de cultuurwereld, zoals adviescommissies en besturen. Culturele instellingen worden aangesproken op de diversiteit van hun personeel, aanbod en publiek. Voor zover dat nu al gebeurt, zijn migranten binnengehaald als schoonmaker, portier of suppoost. Ik zou ze ook graag in de culturele instellingen actief zien als musicus, acteur, regisseur, programmeur of conservator. Dit betekent dat ook de instroom en doorstroom van culturele minderheden in de (kunstvak)opleidingen zal moeten worden verbeterd.

Culturele accommodaties hebben een bijzondere rol bij het programmeren van divers aanbod en het bereiken van een breed publiek. Zowel de culturele accommodaties als andere culturele instellingen zullen zich in verband hiermee rekenschap moeten geven van de diverse doelgroepen waar dat publiek uit bestaat. Het gaat er niet om allochtonen binnen te halen, maar Surinamers, Turken, Koerden, Marokkanen, Antillianen, Somaliërs enz. Elke bevolkingsgroep vraagt om een eigen benadering. Bij de toegang tot besluitvormende posities in de cultuurwereld (personeel, besturen, adviescommissies) kan in veel gevallen niet worden volstaan met het vervullen van nieuwe vacatures door leden van andere bevolkingsgroepen en het aanspreken van andere netwerken. Waar nodig zou ook een bijdrage kunnen worden geleverd aan de ontwikkeling van (kader)personeel, bestuursleden en adviseurs. Ik denk dan aan leerplaatsen bij culturele instellingen, besturen en adviescommissies.

Op zeven manieren wil ik het bovenstaande bereiken:

  • 1. 
    Ruimte maken
  • 2. 
    De rol van de overheid herzien
  • 3. 
    Podia beter benutten
  • 4. 
    Erfgoed anders bekijken
  • 5. 
    Potentiële makers en publiek toerusten
  • 6. 
    De gevestigde culturele orde opschudden
  • 7. 
    Toegankelijkheid van de culturele instituties vergroten

Bondgenoten

Verbindingen tussen de cultuurwereld en andere delen van de samenleving zijn van groot belang voor zowel kunst en cultuur als de samenleving. Mijn beleidsvoornemens hebben hierdoor deels betrekking op andere beleidsterreinen of andere overheden. Er zijn veel partners waarmee ik zal overleggen bij de verdere beleidsontwikkeling en -uitvoering op dit terrein. Om te beginnen denk ik aan de onderwijssector. Binnen het Ministerie van OCenW liggen veel kansen voor samenwerking ter bevordering van culturele diversiteit. Het project Cultuur en School springt op dit gebied het meest in het oog, maar er zijn meer mogelijkheden om, in goede samenwerking tussen onderwijs- en cultuursector, jongeren en culturele minderheden te bereiken en toe te rusten om deel te nemen aan de cultuur.

Uiteraard denk ik ook aan andere departementen, met name BZK, 1 Groot onderhoud der steden, Eindrapport         verantwoordelijk voor het integratie- en grote-stedenbeleid, en VWS, een

van de visitatiecommissie Grote-Stedenbe-          belangrijke partner op het gebied van o.a. jeugdbeleid en in dat kader ook

leid,februari 1998.                                          betrokken bij o.a. de brede scholen en de verlengde schooldag.

Als het om jongeren en culturele minderheden gaat, zie ik een belangrijke rol voor de gemeenten weggelegd. Ik denk daarbij natuurlijk aan de grote steden (en hun stadsdelen), maar ook aan middelgrote steden en kleinere gemeenten. Culturele diversiteit speelt zich af in wijken waar gevestigde culturele instellingen nog maar mondjesmaat bekend – laat staan gevestigd – zijn. Met gemeenten wil ik bezien hoe we gezamenlijk voor een cultuurbeleid kunnen zorgen dat stimulerend is tot in de haarvaten van de multiculturele samenleving.

Als ik over bondgenoten denk, denk ik tenslotte – maar niet in de laatste plaats – aan vertegenwoordigers van culturele minderheden zelf. Aan de samenwerkende inspraakorganen van minderhedenorganisaties, maar ook aan individuele cultuurmakers, verspreiders en consumenten die banden hebben met de verschillende bevolkingsgroepen.

Zeven actiepunten

  • 1. 
    Ruimte maken

Jonge allochtone kunstenaars moeten betere kansen krijgen om via het werk dat zij maken hun eigen generatie en hun afkomst een markant gezicht en een herkenbare stem te geven – eigen symbolen en iconen te verschaffen aan de groepen waarvan zij deel uitmaken en de groeperingen waaruit zij stammen. Dat kan veel meer opleveren dan de zoveelste schakering aan het toch al zeer diverse samengestelde cultuuraanbod. Ik verwacht een welkome impuls aan de dynamiek en doorstroom in de hele culturele sector. – Aan starters en aan multiculturele initiatieven geef ik financiële prioriteit. Een gericht opdrachtenbeleid zal het aanbod ook voor allochtonen verbeteren. – Om de doorstroom – ook bij de fondsen – te verbeteren, wil ik aan de ene kant meer faciliteiten voor starters realiseren. Aan de andere kant zullen instellingen die al een subsidie ontvangen hogere drempels moeten nemen dan voorheen. In mijn Uitgangspuntenbrief zal ik dit verder uitwerken.

  • 2. 
    De rol van de overheid herzien

De houding van de overheid tegenover nieuwe cultuurmakers, de taakverdeling tussen de overheden en de breedte van het culturele domein wil ik bijstellen.

– Pro-actiefbeleid:

Als Mohammed niet naar de berg komt, komt de berg naar Mohammed. Op lokaal niveau wil ik potentieel talent en kansrijke initiatieven daarom opsporen en verder toerusten zodat ze een groter publiek kunnen bereiken. Ik overweeg om «cultuurverkenners» en «makelaars» in te zetten, die zorgen voor respectievelijk de opsporing van talent en de begeleiding en coaching van jonge en allochtone kunstenaars bij het aanvragen van subsidies. Een ontwikkelingsloket zou de fondsen voor deze kunstenaars ook toegankelijker kunnen maken. In samenhang hiermee oormerken de fondsen een deel van hun budget voor allochtonen en jongeren.

– Samenwerking met lokale overheden:

De podia vallen in veel gevallen onder verantwoordelijkheid van de lokale overheden. De meeste migranten wonen in de grote steden en de wijken spelen een cruciale rol bij het bereiken van bevolkingsgroepen. Daarom is het van belang om samen op te trekken met lokale overheden. In de cultuurconvenanten die ik met provincies en enkele steden afsluit is culturele diversiteit een belangrijk thema. Maar omdat het vooral van belang is dat dit onderwerp bij de grote steden op de agenda staat, voer ik samen met het ministerie van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties verkennende gesprekken met de gemeente Den Haag om mogelijk een pilotproject te kunnen uitvoeren in deze gemeente. Via een actieprogramma voor nieuw publieksbereik wil ik verdergaand samenwerken met de gemeenten. Voorts zal ik onderzoeken hoe aansluiting te vinden bij het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid en bij nieuwe ontwikkelingen zoals de Brede School. – Ontschotting:

Het scherpe en kunstmatige onderscheid tussen verschillende kunstdisciplines, tussen professionele kunst en amateurkunst en tussen «hoge cultuur» en «lage cultuur» zou ik verder willen doorbreken. Niet alleen professionele kunstenaars maar ook semi-professionele en amateurkunstenaars zullen meer mogelijkheden moeten krijgen om zich te ontwikkelen en te presenteren. De Mondriaan Stichting, het Fonds voor de Podiumkunsten, het Fonds voor Amateurkunst en de Stichting PodiumKunstWerk hebben daartoe het voorstel gedaan om bij wijze van experiment voor een periode van twee jaar in de vier grote steden een «initiator/ontwikkelaar» aan te stellen. Deze combinatie van «cultuurverkenner» en «makelaar» maakt het mogelijk om kansrijke initiatieven en talent op te sporen en daarnaast verbindingen te leggen met andere initiatieven en met het geld waarmee de projecten mogelijk worden gemaakt.

  • 3. 
    Culturele accommodaties beter benutten

Podia, musea, bibliotheken etc. zijn van grote betekenis als accommodaties van verschillende culturen. Ik wil de lokale podia daarom een extra impuls geven om hun programmering diverser te maken. Ik denk dan ook aan de (gemeentelijke) musea voor moderne en hedendaagse kunst. Om de toegankelijkheid voor het publiek te verbeteren en om uitwisseling van het aanbod aan te moedigen, wil ik dwarsverbanden leggen tussen het podiumcircuit van jongeren en culturele minderheden enerzijds en het gesubsidieerde circuit anderzijds. Met een andere programmering en publieksbenadering kan heel veel worden bereikt. – De podia hebben in hun programmering bijzondere aandacht voor cultureel diverse activiteiten en voor de talenten en initiatieven die de cultuurverkenners aandragen. Zij kunnen daarbij een beroep doen op extra middelen die worden ingezet om het publieksbereik te vergroten. Het maken van cultuur en de verspreiding ervan wordt zo meer met elkaar vervlochten. – Uitgangspunt daarbij is dat er geen categorale infrastructuur wordt opgezet. Daar waar aparte podiumcircuits zijn ontstaan is het zaak deze met elkaar te verbinden. Dit kan door gebruik te maken van lokale netwerken. Daarnaast zullen de extra middelen voor het nieuw publieksbereik benut kunnen worden om een diverse programmering en de doorstroom van dit aanbod naar andere podia te bewerkstelligen.

  • 4. 
    Erfgoed anders bekijken

Naar aanleiding van een initiatief van het Landelijk Overleg Minderheden wil ik onderzoeken hoe het culturele erfgoed van migranten kan worden bewaard en toegankelijk gemaakt. Bij de toegankelijkheid van dit erfgoed gaat het niet alleen om de ontsluiting ervan, maar juist ook om de vindbaarheid ervan door bijvoorbeeld een verwijs- of informatiefunctie. De bestaande collecties van musea en archieven zouden vaker vanuit het perspectief van migranten moeten worden bezien. – Onderzoek;

Met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik afgesproken een onderzoek naar het bewaren en toegankelijk maken van dit erfgoed te starten, waarbij ook landelijke koepels van migrantenorganisaties betrokken zullen worden. Het zal aansluiten bij onderzoeksprojecten die al op deelgebieden gaande zijn (NWO) en bij het project Interculturele Museale Programma’s van de Nederlandse Museum Vereniging.

– Infrastructuur:

Uitgangspunt is dat het bewaren en toegankelijk maken van dit erfgoed zoveel mogelijk binnen de bestaande infrastructuur zal plaatsvinden. Die infrastructuur heeft bovendien tot taak een knooppunt van culturen te zijn.

– Verzamelbeleid:

Meer aandacht voor het cultureel erfgoed van migranten zal ook consequenties hebben voor het verzamelbeleid van musea en archieven: De Nederlandse Museum Vereniging gaat inmiddels met het project «intercultureel verzamelen» starten. Ik zal onderzoeken welke consequenties een ander verzamelbeleid zal hebben voor het aankoopfonds.

– Tentoonstellen met frisse blik:

De reeds bestaande collectie van een museum of archief kan ook met het oog van andere bevolkingsgroepen worden bezien. Dit kan leiden tot een andere vaste opstelling van de collectie of tot deelexposities. Musea kunnen gebruik maken van community curators: samenstellers van tentoonstellingen die afkomstig zijn uit een bepaalde bevolkingsgroep. Daarom overweeg ik om gelden te oormerken bij de Mondriaan Stichting t.b.v. publieksactiviteiten voor nieuwe groepen in musea (tentoonstellingen, presentaties vaste collectie, nieuwe methoden van overdracht etc.).

  • 5. 
    Potentiële makers en publiek toerusten

De toerusting van het (toekomstige) publiek en makers (in spe) is ook van belang.

– Culturele vaardigheden worden vooral op de scholen ontwikkeld. Ik verwijs hier daarom alvast naar de Vervolgnotitie Cultuur en School van staatssecretaris Adelmund en mijzelf. In het project «Cultuur en School» ligt de nadruk op een goede aansluiting op het onderwijsprogramma. Een algemene onderwijsdoelstelling is «het leveren van een bijdrage aan het besef (bij leerlingen) te leven in een multiculturele samenleving». De aansluiting van cultuureducatieve activiteiten op deze doelstelling is nu al prioriteit in het decentrale projectenbeleid en zal ook in de komende periode een belangrijk onderdeel blijven. De andere prioriteiten zijn: erfgoed en vbo/mavo. Op deze laatste schooltypen is het percentage allochtone leerlingen aanmerkelijk hoger dan bij havo/vwo, zodat bijzondere aandacht voor deze schooltypen ook ten goede komt aan vooral de allochtone groepen; zo verwacht ik veel van de mogelijke invoering van een CKV-vak voor vbo/mavo met ingang van het schooljaar 2000/2001.

– In mijn Uitgangspuntenbrief zal ik aangeven hoe een extra impuls aan cultuureducatie bij de instellingen kan worden gegeven.

– In overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de collega’s van onderwijs op mijn departement zal ik onderzoeken in hoeverre er op dit moment ruimte is voor cultuur in het inburgeringsprogramma voor nieuwkomers. In dit programma kan cultuur juist voor nieuwkomers een belangrijke steun in de rug betekenen door aansluiting te hebben bij de eigen cultuur en kennis te maken met de nieuwe cultuur. Andersom kunnen culturele instellingen zo kennismaken met migranten.

– De aansluiting van jongeren en allochtonen bij de centra voor amateurkunst en kunstzinnige vorming wil ik verbeteren. Jongeren en allochtonen moeten daarom meer toegang krijgen tot de landelijke voorzieningen, die tot taak hebben de ontwikkeling van de amateurkunst te bevorderen.

  • 6. 
    De gevestigde culturele orde opschudden

Culturele instellingen hebben niet alleen tot taak een kwalitatief hoog aanbod te verzorgen. Zij dienen ook al het mogelijke te doen om een zo breed mogelijk publiek te bereiken. Ook in het aanbod en in de samenstelling van het bestuur en personeel van de instelling kan dit tot uiting komen.

– De instellingen stellen het in te dienen beleidsplan op volgens een door mijn departement ontwikkeld model. In dit model staat een paragraaf, waarin de instelling concreet aangeeft op welke manier in het aanbod en in de publieksbenadering rekening wordt gehouden met diversiteit. Met de rijksgesubsidieerde instellingen kunnen op dit gebied resultaatafspraken worden gemaakt. Ik overweeg om daarbij bepaalde voorschriften te hanteren naar analogie van de «programmavoorschriften» bij de landelijke publieke omroep. Ook overweeg ik om instellingen de mogelijkheid te geven voor zeer bijzondere projecten op dit terrein extra middelen te verwerven door premiëring. Instellingen zullen ook daadwerkelijk worden afgerekend op de gemaakte afspraken. – Mede op basis van het eerder genoemde model zal ik de Raad voor Cultuur niet alleen een oordeel over de artistieke kwaliteit, maar ook een advies over de diversiteit vragen. In overleg met de Raad is diversiteit inmiddels in het door mij goedgekeurde reglement van orde van de Raad voor Cultuur als aandachtspunt opgenomen. – Om nieuwe publieksgroepen te kunnen bereiken zal ik instellingen stimuleren om meer «Outreach»-activiteiten te ontplooien: Voorbeelden zijn het werken met community workers (afkomstig uit de bevolkingsgroepen die het betreft) als intermediair tussen nieuwe groepen en instellingen. Ook programmaraden waarin ervaringsdeskundigen en/of culturele minderheden zitting hebben, kunnen bijdragen aan het bereiken van deze groepen. In de Uitgangspuntenbrief zal ik een premieregeling uitwerken die dergelijke activiteiten stimuleert. – Door middel van gerichte informatievoorziening, bijvoorbeeld in de vorm van brochures of informatie op het internet, wil ik instellingen meer handvatten geven om tot een diverser bestuur, personeelsbestand, aanbod en publiek te komen. Ik zal daartoe met koepels en sectorinstituten overleggen. – In de vorm van scholing, debatten en studiedagen wil ik de deskundigheid bij de instellingen bevorderen. In het kader van de cultuurnota stel ik daarom de inschrijving open voor organisaties die vanuit een deskundige achtergrond dergelijke programma’s kunnen aanbieden. Ik zie hun plannen met belangstelling tegemoet.

  • 7. 
    Toegankelijkheid van instituties vergroten

In besturen, raden van toezicht, raden en adviescommissies zullen allochtonen en jongeren, maar ook vrouwen en mensen die buiten de Randstad wonen, beter vertegenwoordigd moeten zijn. Maar ook de zogenaamde «ervaringsdeskundigen», de mensen die zich niet beroepsmatig of anderszins in cultuuruitingen gespecialiseerd hebben, zouden meer betrokken kunnen worden bij de besluitvorming over cultuur. Bij de programmering van lokale podia zoals theaters, musea en bibliotheken kan de ervaringsdeskundige een welkom ander geluid laten horen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij Theater Zuidplein in Rotterdam. Mensen uit de wijk kunnen zo meedenken over het aanbod van hun theater. Maar ook in

1 Pamflet aangeboden aan de staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap- een andere context kan hun stem een verfrissend effect hebben. Ik denk dan aan het opnemen van ervaringsdeskundigen in adviescommissies.

– Bij de Raad voor Cultuur en zijn adviescommissies en bij de besturen van de cultuurfondsen zal ik erop toezien dat een betere vertegenwoordiging van bovengenoemde groepen gerealiseerd wordt.

– De fondsen zal ik verder vragen om hier ook bij de samenstelling van de adviescommissies rekening mee te houden.

– Waar mogelijk zal ik van mijn bevoegdheden gebruik maken om ook in andere gremia een betere representatie te bewerkstelligen.

– Via het model voor beleidsplannen zal ik instellingen vragen naar hun visie op de samenstelling van het bestuur en personeel.

– Bij kunstopleidingen in het HBO is, naast de toegankelijkheid voor diverse bevolkingsgroepen, ook de aandacht voor culturele diversiteit in het onderwijs van belang. Het is van belang dat de betreffende hogescholen in het perspectief van deze nota speciale aandacht geven aan het bevorderen van de instroom en doorstroom van allochtone studenten. Daarnaast zal ook met een scherp oog naar het onderwijsprogramma gekeken moeten worden. Veel hogescholen zijn al op de goede weg. Zo geeft de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten met het project «Versterking culturele diversiteit» in de vakinhouden meer aandacht aan mondiale ontwikkelingen in de kunst en aan de multiculturele ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving. In de nota over de herstructurering van het kunstonderwijs zal een aantal uitgewerkte voorstellen worden gedaan om een stevige volgende stap te zetten. Oogmerk is om voorstellen te doen gerelateerd aan de diverse disciplines en hun eigen karakteristieken, gericht op de verbetering van de instroom, de doorstroom en de ontwikkeling van onderwijsaanbod. Daarbij ligt het in de rede dat het Expertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs (ECHO) een stimulerende rol zal spelen.

– Opleidingen/kadertraining/in company training. Culturele instellingen, maar ook raden en adviescommissies, kunnen jonge en allochtone mensen begeleiding bieden door middel van leerplaatsen.

In de cultuurwereld is van verschillende kanten de urgentie aangegeven van een stevige impuls ten behoeve van culturele diversiteit. De Raad voor Cultuur geeft in zijn Vooradvies Cultuurnota 2001–2004 aan dat een «forse financiële investering» nodig is. In het pamflet Een stimuleringsfonds voor culturele diversiteit, the seven percent solution1 wordt voorgesteld om een stimuleringsfonds culturele diversiteit van 50 miljoen in te stellen. Deze signalen geven aan dat niet alleen de overheid, maar ook de cultuursector zelf op zoek is naar mogelijkheden om de daad bij het woord te voegen.

Impuls-aanpak

Het realiseren van de hierboven genoemde actiepunten zal een stevige inspanning vergen van de cultuursector en van Raad voor Cultuur, fondsen, ministerie en onze bondgenoten. Al die inspanningen zullen moeten worden geëntameerd en gecoördineerd. In alle sectoren moeten stimulansen worden gevoeld om de genoemde actiepunten aan te pakken. Hoe doe je zoiets?

Het is het meest verleidelijk om het oude, in de jaren zeventig wortelende, categorale beleid weer nieuw leven in te blazen. Zo ontstaat in feite een cultureel diversiteitsbeleid naasthet «gewone» cultuurbeleid. Je zou het een culturele bypass kunnen noemen. Het zal duidelijk zijn dat mij zo’n aanpak weinig aanspreekt. Het is juist mijn bedoeling dat de culturele diversiteit integraal onderdeel van het cultuurbeleid uitmaakt.

pen op 23 april 1999.

De consequentie hiervan is dat het simpelweg inrichten van een apart fonds voor culturele diversiteit geen oplossing zal bieden. Fondsen en cultuurinstellingen die zich het onderwerp in het recente verleden al hebben aangetrokken zullen het als demotiverend ervaren, terwijl instellingen die zich er nog niet mee bezighouden er een alibi in kunnen vinden om dat ook in de nabije toekomst niet te doen.

Er is echter nog een tweede gevaar: het gevaar van de devaluatie. Door bijzondere maatregelen te treffen om cultuuraanbod van en voor culturele minderheden meer ruimte te geven, kan de indruk ontstaan dat dit nodig is omdat het te weinig kwaliteit zou hebben om in het gewone, reguliere cultuurcircuit aan bod te komen. Ik vind het van groot belang dat een dergelijke indruk geen post kan vatten. Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten alle cultuuruitingen worden beoordeeld. Ook die van culturele minderheden. Waar het om gaat is dat de deskundigheid moet worden opgebouwd om dergelijke cultuuruitingen ook wezenlijk te kunnen beoordelen op hun waarde en betekenis. Dat betekent niet het verlagen van kwaliteitsnormen, maar het op een juiste en integere wijze toepassen daarvan.

In plaats van een apart fonds voor culturele diversiteit, denk ik aan een actieplan dat is opgebouwd uit impuls- en stimuleringsmaatregelen. Het is niet de bedoeling dat een nieuwe organisatie uitsluitend zelf projecten op het gebied van culturele diversiteit ondersteunt, maar er voor zorgt dat culturele instellingen, fondsen en podia/culturele accommodaties zich meer richten op dergelijke projecten. Dat heeft als belangrijke voordelen dat:

– er een garantie van een kwaliteitstoets is.

– een hefboom-effect ontstaat: stimuleringsmiddelen voor culturele diversiteit «trekken» gelden uit instellings- en fondsbegrotingen los. – het bypass-effect wordt vermeden.

Financiële voorzieningen voor culturele diversiteit en nieuw publieksbereik

In het kader van de voorbereidingen voor de Cultuurnota 2001–2004

beraad ik mij op de mogelijkheden om financiële voorzieningen te treffen ten behoeve van de in deze nota genoemde actiepunten. Ik laat mij daarbij leiden door de volgende overwegingen:

– Met de Raad voor Cultuur ben ik van mening dat, om culturele diversiteit in alle geledingen van de cultuursector te bevorderen, een forse financiële inspanningnodig is.

– Evenals de budgetten voor de sectorale cultuurfondsen, moeten budgetten voor culturele diversiteit zichtbaarworden gemaakt op de cultuurbegroting en

– Door een apart budget voor culturele diversiteit in het leven te roepen mogen bestaande cultuurfondsen niet worden ontslagen van de verplichting om in hun eigen beleid meer ruimte te maken voor culturele diversiteit. Integendeel zelfs: het budget culturele diversiteit zou bestaande fondsenkunnen premiërenvoor hun activiteiten, zodat budgetten van de cultuurfondsen worden gematched met middelen uit het budget voor culturele diversiteit.

– Bij de verdere uitwerking zal veel ruimte voor matching en

co-financiering metde convenantspartners(gemeenten en provincies) moeten worden gemaakt. Op die manier wil ik een extra stimulans geven aan de vaak al belangrijke activiteiten van gemeenten en provincies op dit gebied.

– Budgetten voor culturele diversiteit moeten niet alleen een prikkel inhouden voor bestaande culturele instellingen(opschudden geves- tigde culturele orde) maar ook toegankelijk zijn voor nieuwe cultuur-aanbieders(ruimte maken) en culturele accommodaties.

– Reeds gesubsidieerde culturele instellingen mogen een budget voor culturele diversiteit niet als makkelijk verdiend subsidie-extraatje gaan zien. Zij kunnen slechts een beroep op een dergelijk budget doen als duidelijk is dat zij zelf uit eigen middelen ruimte voor culturele diversiteit maken.

– Bij de inzet van budgetten voor culturele diversiteit zal een pro-actieve werkwijze moeten worden toegepast.

– Het budget voor culturele diversiteit is niet gebonden aan bepaalde cultuurdisciplines (ontschotting).

Voor de nieuwe Cultuurnotaperiode (2001–2004), maar wellicht al met ingang van 2000, denk ik eraan om budgetten te creëren voor de actieprogramma’s:

  • 1. 
    Culturele Diversiteit, gericht op het ondersteunen van nieuw aanbod, een andere kijk op het erfgoed, het bereiken van nieuw publiek, het toegankelijk maken en opschudden van de gevestigde culturele orde en
  • 2. 
    Nieuw publieksbereik, gericht op de versterking van de locale infrastructuur en programmering van de culturele accommodaties waar de ontmoeting tussen cultuuraanbod en publiek plaatsvindt.

Bij elkaar opgeteld zal het uiteindelijk gaan om een bedrag tussen 40 en 60 miljoen gulden. Geld, dat moet worden vrijgemaakt op de cultuur-begroting. Ik kom daar in mijn Uitgangspuntenbrief die begin juli aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, nader op terug.

Over de organisatorische structuur voor beide budgetten zal ik in de komende maanden overleg gaan voeren met de door mij genoemde bondgenoten. Ik zal vooral de convenantspartners uitnodigen met mij mee te denken over de manier waarop wij tot een gezamenlijke financiële inspanning kunnen komen. Het is mijn streven er voor te zorgen dat niet alleen op de Rijksbegroting voor cultuur, maar ook op de gemeentelijke en provinciale begrotingen meer ruimte voor culturele diversiteit wordt gemaakt. Ik hoop de Tweede Kamer over de resultaten van mijn gesprekken met de convenantspartners nog voor de Kamerbehandeling van de Uitgangspuntenbrief te kunnen berichten.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.