Behandeling van het wetsvoorstel Samenvoeging van de gemeenten Boekel, Uden en Veghel (25116) 

Deze behandeling i is onder nr. 34, pag. 2003-2017 toegevoegd aan wetsvoorstel 25116 - Samenvoeging van Boekel, Uden en Veghel i.

1.

Kerngegevens

Document­datum 16-09-1997
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer HAN6385
Kenmerk nr. 34, pag. 2003-2017
Van Staten Generaal
Originele document in PDF

2.

Tekst

Sprekers

De heer Hirsch Ballin (CDA)
De heer Wiegel (VVD)
Mevrouw Schoondergang-Horikx (GroenLinks)
De heer De Wit (SP)
De heer Staal (D66)
De heer Batenburg (AOV)
De heer Holdijk (SGP)
De heer Wöltgens (PvdA)

Aan de orde is de behandeling van: - het wetsvoorstel Samenvoeging van de gemeenten Boekel, Uden en Veghel (25116).

De beraadslaging wordt geopend.

©

E.M.H. (Ernst)  Hirsch BallinDe heer Hirsch Ballin (CDA): Mijnheer de voorzitter! Het opmerkelijkste kenmerk van dit wetsvoorstel is dat het twee gemeenten, Uden en Veghel, wil samenvoegen, met een derde, Boekel, terwijl beide zonder enige twijfel toegerust zijn om zelfstandig verder te gaan. Hun omvang en capaciteit liggen ver boven elk gebruikelijk kwantitatief criterium voor een zelfstandige gemeente. Bovendien hebben ze, afgezien van wat exercities voor de zeer lange termijn op de tekentafel, absoluut niet het vooruitzicht qua bebouwing met elkaar te vergroeien.

Waarom dan toch? Het opmerkelijkste in de verdediging van dit wetsvoorstel door het kabinet is dat de positie van de veel kleinere maar ook nog onverminderd levensvatbare gemeente Boekel wordt aangegrepen om de samenvoeging van Uden en Veghel te bewerkstelligen. Natuurlijk is dit niet het enige argument, maar al wat verder wordt aangevoerd is in feite een benadering van het gemeentewezen vanuit bestuurlijke doelstellingen in plaats van vanuit maatschappelijke behoeften. Dat laatste zou het naar het oordeel van de fractie van het CDA toch moeten zijn. Wij zien heel wel dat de andere benadering, de benadering in het wetsvoorstel, iets aantrekkelijks heeft, zeker ook voor ondernemende bestuurders die het als een uitdaging zien vorm te geven aan de zesde stedelijke concentratie in Noord-Brabant. In de planbrochure ’’Een kansrijke gemeente Uden-Veghel’’ ziet men zelfs op het gebied van de veiligheid al ’’grootstedelijke’’ problematiek opdoemen en concurreren met Eindhoven en Den Bosch, maar dat gaat wel erg snel. Hoe dan ook, met alle sympathie, ook van onze kant, voor een ondernemende instelling in het openbaar bestuur, als het gaat om het gemeentelijk bestuur willen wij uitgaan van de zich ontwikkelende maatschappelijke realiteit en niet van blauwdrukken voor tekentafelsteden.

De fractie van het CDA heeft het al op 14 juli 1993 en bij vele andere gelegenheden eerder en later geformuleerd als volgt: ’’De CDA-fractie staat op het standpunt: handhaving van een zo klein mogelijke schaal, zo groot als moet, zo klein als kan.’’ Ik citeer uit Kamerstuk 22989, nr. 292a. Bij die gelegenheid en bij vele andere gelegenheden door de jaren heen hebben wij uitgesproken dat dat ons uitgangspunt is voor de inrichting van het gemeentelijk bestuur.

De scenario’s en varianten aan het slot van het al aangehaalde plan laten een opvatting over het gemeentelijk bestuur zien die weliswaar bekoorlijk is, maar toch even onwenselijk als bekoorlijk. Natuurlijk mag men een visioen hebben – daar kunnen wij in bepaalde opzichten ook mee meevoelen – van een nieuwe kern, met gebundelde kracht, in Noordoost-Brabant, een gemeente met om te beginnen 82.000 inwoners in Noordoost-Brabant. Maar die benadering, zo’n visioen, gaat langs de burgers heen, zoals de geschiedenis van dit wetsvoorstel overduidelijk laat zien.

Bij het schetsen van dit perspectief in de pleidooien voor samenvoeging van Uden, Veghel en Boekel wordt trouwens steeds opgemerkt dat de verwezenlijking van dit visioen krachtig in de hand wordt gewerkt door de ligging van Uden en Veghel ten opzichte van auto-, water- en spoorwegen en door de aanwezigheid van ondernemers die zich daarop richten. Maar als de verhoudingen zo liggen, is het dan niet veel beter de gemeenten intact te laten, terwijl zij, zoals zij dat ook de afgelopen jaren hebben gedaan, zulk ondernemerschap ondersteunen? Dat is de visie die wij hebben, ook op de betekenis van het ondernemerschap hier. Wij zijn ons ervan bewust dat onder ondernemers in de betrokken gemeenten over dit onderwerp uiteenlopend wordt gedacht: uitgesproken voorstanders naast uitgesproken tegenstanders. Waar het ons om gaat, is dat het gemeentelijk bestuur heeft bewezen, ook in Uden en Veghel, zeer wel in staat te zijn om zo’n ondernemende ontwikkeling te ondersteunen en daarvoor vormen te vinden. Laat men dat ook in onderlinge samenwerking verder doen.

Van een organisch proces van gemeentevorming en -hervorming is bij dit wetsvoorstel geen sprake en die eis moet toch worden gesteld. De gedachte het toekomstige bestuursapparaat over maar liefst vier vestigingsplaatsen te verdelen bevestigt dat duidelijk. De staatssecretaris doet begrijpelijkerwijs niet de algemene uitspraak dat gemeenten in ons land liefst meer dan 50.000 of 75.000 inwoners zouden moeten hebben; zo’n standpunt zou in onze ogen ook onverdedigbaar zijn. Maar bij ontstentenis van een algemene argumentatie voor deze drastische schaalvergrotingsoperatie neemt de staatssecretaris wel steeds weer, en misschien wel zelfs steeds meer, haar toevlucht tot het ’’Boekel-argument’’. Van de gemeenteraad van Boekel hebben wij echter intussen een unanieme uitspraak ontvangen dat Boekel zelfstandig kan en wil blijven en indertijd slechts ’’met de rug tegen de muur’’ met een zogenaamd vrijwillig samengaan met Uden en Veghel heeft ingestemd.

In de memorie van antwoord stelt de staatssecretaris dat de vorming van ’’een krachtige regionale centrumgemeente (...) vanwege de huidige positie van Boekel noodzakelijk’’ is (Eerste-Kamerstuk 25116, nr. 275b, blz. 4). En dat wordt weer gemotiveerd met de ’’overtuiging dat een zelfstandig voortbestaan van

Boekel niet langer gewenst was, gelet op de toonzetting van de inbreng van de Eerste Kamer’’. Even afgezien van de merkwaardige woordkeus ’’inbreng van de Eerste Kamer’’, die waarschijnlijk aan het wakend oog van de stafafdeling Constitutionele zaken, wetgeving en internationale aangelegenheden is ontsnapt, is het de moeite waard terug te gaan naar de bron waarop de staatssecretaris zich kennelijk beroept, namelijk het debat over de voorgaande herindeling in dit deel van Noord-Brabant op 7 september 1993 in deze Kamer.

Staatssecretaris De Graaff-Nauta zei toen: ’’Mevrouw Ermen heeft ook nog een vraag gesteld over Boekel. Nu Boekel alleen blijft, heeft het college van GS besloten dat men de positie van Boekel opnieuw wil wegen. Dat wacht ik af. Meer kan ik er niet van zeggen.’’ (Handelingen Eerste Kamer 1992-1993, blz. 36-1608.) En dat Boekel alleen zou moeten blijven, was het gevolg van de aanneming van een amendement dat in de Tweede Kamer werd bestreden door staatssecretaris De Graaff-Nauta en door de CDA-fractie, een amendement dat Erp bij Veghel voegde in plaats van de voorgestelde combinatie met Boekel. Daarbij is, niet onbelangrijk, door in ieder geval twee van de woordvoerders die destijds dat amendement ondersteunden, gezegd dat Boekel heel wel zelfstandig kan blijven. Zowel van de zijde van de fractie van de PvdA, als van die van D66 in de Tweede Kamer, is dit bij hun steun voor dat amendement gezegd.

Terug naar wat staatssecretaris De Graaff-Nauta zei op 7 september 1993: ’’Nu Boekel alleen blijft, heeft het college van GS besloten dat men de positie van Boekel opnieuw wil wegen. Dat wacht ik af; meer kan ik er niet van zeggen.’’ Voorzichtiger kan het toch nauwelijks. Mevrouw Ermen reageerde daarop namens de fractie van de Partij van de Arbeid: ’’Ik ben tevreden met de antwoorden over Boekel en Cuijk. Ik wist wel af van de brief van de provincie over het opmaken van reserves.’’ (Blz. 36-1611.) Hoe de staatssecretaris – de staatssecretaris met wie wij vanmiddag het debat voeren, mijnheer de voorzitter – dan in gemoede kan beweren, zoals ook in de memorie van toelichting trouwens was gedaan, dat uit de opstelling van de Eerste Kamer voortvloeide dat Boekel niet langer zelfstandig kan blijven, ontgaat ons. Ook de verwijzing naar de door deze Kamer onlangs aanvaarde herindeling Vierlingsbeek/Boxmeer kan geen bruikbaar argument voor dit wetsvoorstel opleveren, nu Boekel toch 1600 inwoners meer telt dan Vierlingsbeek en het voorstel dat wij nu bespreken veel verder gaat dan de opheffing van een weliswaar vrij kleine, maar desalniettemin – en dat geldt voor Boekel nog steeds – levenskrachtige gemeente: het vergaande karakter van dit wetsvoorstel is immers gelegen in de samenvoeging van en met twee gemeenten met 35.000 respectievelijk 38.000 inwoners; minstens twee bruggen te ver dus.

Dat geldt zeker nu twee van de drie betrokken gemeenteraden hun steun aan het voorstel hebben opgezegd. Het kabinet wil de gemeenten desalniettemin houden aan de aanvankelijk, onder hoge tijdsdruk, uitgesproken steun voor de samenvoeging. Maar dat is in onze ogen een riskante benadering. Zulke besluitvormingshistorische argumenten kunnen ons niet overtuigen. Het gaat immers om de huidige en toekomstige situatie in de betrokken drie gemeenten. Dat deze gemeenten geen samenhangende gemeenschap vormen, noch zullen vormen, is kennelijk in het kabinetsbeleid niet belangrijk. In de memorie van antwoord lezen wij op blz. 5: ’’Ik ben van mening dat de gemeenten in de huidige maatschappij al lang niet meer samenvallen met gemeenschappen’’, waaronder de staatssecretaris slechts ’’woongemeenschap-pen’’ blijkt te verstaan. Het verschil in denken dat zich hier weer manifesteert is zo groot, dat ik het maar laat bij het citeren van deze openhartige mededeling van de staatssecretaris.

Wij weten dat de bestuurders die zich in Uden en Veghel met de industriële ontwikkeling van hun gemeenten bezighouden, voordeel verwachten van een samenvoeging tot een grote gemeente. Dat respecteren wij. In het bedrijfsleven is daarvoor, zoals gezegd, ook steun te vinden, naast bedenkingen bij anderen uit het bedrijfsleven. Dat heeft kennelijk veel te maken met vrees voor een gebrek aan bestuurlijke capaciteit en aan besluitvaardigheid zonder de nu voorgestelde herindeling. Niets staat er toch aan in de weg dat de gemeenten zelf hun besluitvormingsprocessen waar nodig verbeteren? In feite is dat ook al geschied, zowel in de vorm van afstemming tussen de gemeentelijke diensten als in de vorm van gestructureerde samenwerking bij promotie en acquisitie via de Bedrijfsregio Brabant-Noordoost en de BOM, de Brabantse ontwikkelingsmaatschappij. Heeft een bedrijf eenmaal de keuze voor de locatie van de vestiging of uitbreiding gemaakt, dan zijn korte lijnen van besluitvorming eerder een voordeel dan een nadeel.

Voorzitter! Een merkwaardig argument dat de staatssecretaris in de memorie van antwoord aanvoert voor het samengaan, is ten slotte de beweerde complementariteit van Uden en Veghel ten opzichte van elkaar. Als dat tot samenvoeging moet leiden, zouden nog heel wat gemeenten in Nederland op de nominatie voor samenvoeging op grond van complementariteit kunnen worden geplaatst! Wij willen het kabinet voorhouden, dat men een gemeente nu eenmaal niet kan construeren uit wat bestuurlijk als bij elkaar passend wordt gezien. Het gaat erom hoe de maatschappelijke samenhang is, hoe die wordt ervaren door de mannen en vrouwen, oud en jong, in het gebied dat daar groeit, en of er bijvoorbeeld een gemeenschappelijk centrum tot ontwikkeling komt. Hier wreekt zich weer eens de opvatting van het kabinet dat de constructie en reconstructie van gemeenten niet met het bestaan en functioneren van gemeenschappen hoeft samen te gaan.

Ook de uitwerking die is gegeven aan de beoogde nieuwe gemeente, roept bij ons veel vragen op. Een daarvan betreft de beoogde vier vestigingsplaatsen voor de diensten. Op zichzelf doet het sympathiek aan dat men de taken zo wil verdelen. Tegelijk blijkt hier nog eens uit hoe weinig gesproken kan worden van een natuurlijk samengaan en van een uit de maatschappelijke verhoudingen voortkomen van gemeenten die een nieuwe territoriale eenheid rondom een gemeenschappelijk centrum vormen. Die situatie doet zich niet voor en dat blijkt ook uit de manier waarop men het samengaan, als de eenheid tot stand zou komen, toch wil aanpakken. De verklaring voor de bereidheid tot delen is eigenlijk dat er geen echte eenheid is.

Ik heb er bewust van afgezien de historische verschillen tussen Uden en Veghel te belichten. Dat de staatsgrens eeuwenlang tussen Uden en Veghel liep, is immers voltooid verleden tijd. Er zijn gemeenten die zelfs over huidige staatsgrenzen heen een nauwe samenwerking ontwikkelen, zoals Kerkrade en Herzogenrath en Baarle-Nassau en Baarle-Hertog. Daar is echter sprake van een gemeenschappelijk centrum, gelet op de manier waarop de verhoudingen zich in die gemeenschappen hebben ontwikkeld, iets waarvan in Uden, Veghel en Boekel geen sprake is.

De CDA-fractie wil ten slotte de staatssecretaris wel uitdrukkelijk aanspreken op haar verantwoordelijkheid voor de situatie die nu is ontstaan, want dat is natuurlijk geen gemakkelijke nadat geruime tijd de betrokken gemeentebesturen zich hebben ingesteld en hebben moeten instellen op een ineenvoegen van hun taken en diensten. Als het wetsvoorstel wordt verworpen, hetgeen naar ons oordeel moet geschieden, zullen mensen die zich hebben ingespannen voor de samenvoeging en daarvoor ook in politieke zin hun nek hebben uitgestoken, het gelag betalen. Dat kan voor onze Kamer geen reden zijn om een verkeerd voorstel, een voorstel dat de afstand tussen bestuur en burger zonder dwingende noodzaak vergroot, dan maar te aanvaarden. Maar het geeft ons geen goed gevoel dat de staatssecretaris zich er zeer op beroept, dat het aanvankelijk een gezamenlijke wens van de gemeentebesturen was om deze drie gemeenten samen te voegen en dat de provincie dit voorstel nu eenmaal zo bij haar heeft ingediend. Wellicht zal de staatssecretaris, als het verloop van dit debat zal leren dat verwerping van dit voorstel in zicht komt, haar eigen politieke aandeel in de geschiedenis niet willen onderstrepen. Zij heeft er wellicht geen behoefte aan er een halszaak van te maken, maar de realiteit is dat dit voorstel en de aanvankelijke steun op lokaal en vervolgens ook provinciaal bestuurlijk niveau op minstens drie punten het rechtstreekse gevolg zijn van het kabinetsbeleid, waarop wij uiteraard de staatssecretaris mogen en moeten aanspreken.

Ten eerste is daar het dubieuze Boekel-argument, dat door de staatssecretaris, ook in haar memorie van antwoord aan deze Kamer, weer van stal is gehaald. Op dat Boekel- argument ben ik al ingegaan. Ten tweede is daar de druk die door het kabinetsbeleid bij voortduring wordt gelegd om tot vorming van grotere gemeenten over te gaan, waarbij de concurrentiepositie ten opzichte van de ene samengevoegde gemeente de volgende groep gemeenten opjaagt om dan ook maar voor een grotere schaal te kiezen. De staatssecretaris en het kabinet zouden daar iets aan kunnen doen. Zij zouden onder deze ontwikkeling een streep kunnen zetten. Dat bepleiten wij ook. Een duidelijke politieke uitspraak dat het najagen van politieke schaalvergroting voorbij is, zou bevrijdend werken in het Nederlandse openbaar bestuur! Ten derde is er de dreigende verstoring van het bestuurlijk evenwicht in het oostelijk gedeelte van Noord-Brabant door de vorming van de stadsprovincie Brabant-zuidoost, die door het kabinet wordt nagestreefd en die dus de neiging voedt tot het vormen van een bestuurlijk tegenwicht in de vorm van een grote regiogemeente. Die neiging zou kunnen worden weggenomen door uit te spreken – en bij deze gelegenheid willen wij dat doen – dat de vorming van zo’n stadsprovincie onze steun niet zal hebben.

Over een draagvlak gesproken – daar verwijst de staatssecretaris bij Uden, Boekel en Veghel steeds weer naar, zij het, helaas voor het kabinet, in de voltooid verleden tijd gezien de nadere standpunten van twee van de drie raden – als vanuit de TweedeKamerfractie van het CDA aan de regering wordt gevraagd of ’’gebrek aan draagvlak in andere Kaderwetgebieden niet een reden (was) om af te zien van de vorming van een stadsprovincie’’, is het antwoord van het kabinet bij monde van dezelfde staatssecretaris ronduit ’’nee’’. Ik verwijs naar het aanhangsel van de Handelingen van het nog lopende parlementaire jaar nr. 1532.

Uiteraard zullen wij het antwoord van de staatssecretaris aandachtig beluisteren. Wij zullen onze uiteindelijke conclusie trekken bij de stemming. Voor ons is het ontbreken van doorslaggevende argumenten voor een zo vergaande en zo weinig door de betrokkenen gedragen bestuurlijke schaalvergroting reden om nu al uit te spreken dat onze fractie zich niet kan voorstellen dat dit wetsvoorstel alsnog haar steun zal krijgen, tenzij de staatssecretaris – wij mogen die mogelijkheid uiteraard niet uitsluiten – alsnog door ons en anderen overtuigd raakt en het intrekt. Wij zien met belangstelling uit naar het verdere verloop van deze gedachtewisseling tussen Kamer en kabinet.

©

H. (Hans)  WiegelDe heer Wiegel (VVD): Voorzitter! Mijn fractie zegt de regering dank voor de memorie van antwoord, waarin de staatssecretaris het wetsvoorstel geharnast verdedigt. Op zichzelf hebben wij daar respect voor, maar wij vinden de verdediging ook een betere zaak waardig. Het is een controversieel voorstel. In de Tweede Kamer is door de heer Hoekema namens de fractie van D66 gezegd dat zijn fractie er veel hoofdbrekens over gehad heeft. Door de VVD-fractie, bij monde van de heer Remkes, is gezegd: wij zouden dit voorstel niet zelf bedacht hebben.

In mijn betoog zal ik rond een drietal hoofdpunten een aantal kanttekeningen plaatsen. Wij zijn vandaag aangeland bij de slotakte van dit stuk in vele bedrijven. In de eerste plaats zal ik iets zeggen over het doel, de reden, de ingang van het wetsvoorstel. In de tweede plaats zal ik ingaan op de bestuurlijke gang van zaken. In de derde plaats kom ik op de inhoud van het voorstel. Voordat ik kom tot een voorlopige conclusie zal ik, na de verschillende discussies die wij inmiddels met de staatssecretaris over het herindelingsbeleid hebben gehad, een algemene opmerking maken.

Ik kom bij het doel, de reden, de ingang. Vanwege de huidige positie van Boekel, de kleinste van de drie gemeenten waarover wij het hier hebben, is dit wetsvoorstel noodzakelijk, zo schrijft de regering in de memorie van antwoord. Dat standpunt ligt in de lijn van de opvatting van het provinciaal bestuur, zoals deze mij deze zomer nog eens kenbaar werd gemaakt: ’’Het ging om een oplossing voor het knelpunt Boekel, dat was overgebleven na de behandeling van het wetsvoorstel Brabant-noordoost.’’ Overigens staat in hetzelfde stuk: ’’Bij de start van de herindelingsprocedure is het niet het vooropgezette doel geweest, een voorstel te doen zoals dat thans voorligt.’’ Voor onze fractie is dat nu precies het punt.

Wij vinden het een rare ingang. Omdat Boekel een kleinere gemeente is, waarvan het provinciaal bestuur en de regering vinden dat zij niet zelfstandig kan blijven, moet worden aangekoerst op het opheffen van de stevige gemeenten Uden en Veghel, ieder met 35.000 à 40.000 inwoners, die heel wel hun taak aankunnen. Had de zelfstandige gemeente Boekel niet bestaan, was dan ook tot dit ’’vrijwillig’’ samengaan van Uden en Veghel besloten? Zouden de inwoners van Boekel door een catastrofe worden getroffen als hun gemeente in de toekomst wél zelfstandig zou blijven? In tweede termijn, als wij wat meer zicht hebben op hoe de hazen bij dit voorstel lopen, zal ik hierop terugkomen. Ik stel een derde, misschien wat retorische vraag. Zou in dit geval de bestuurlijke kwaliteit echt worden aangetast als Boekel niet zou worden opgeheven en dit voorstel niet zou doorgaan? Wij geloven daar niets van.

Ik kom dan op de procedure. De staatssecretaris heeft de geschiedenis daarvan uitvoerig geschetst in de memorie van antwoord. Overeind blijft dat, als er in eerste aanleg al sprake was van een bestuurlijk draagvlak in de drie gemeenten – de gemeente Boekel heeft op 10 juli van dit jaar, na de aanvaarding van dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer, nog eens uitgesproken dat de indertijd daar verkregen instemming er één was met de rug tegen de muur – dit draagvlak er nu niet meer is in het gebied. Een bestuurlijke autoriteit in de regio, zelf voorstander van het wetsvoorstel, liet mij onlangs weten: gaandeweg is het draagvlak ontvallen; het inmiddels vergevorderde proces tot vorming van krachtige gemeenten leeft niet langer bij de bevolking en is omgeslagen in een algehele apathie c.q. aversie. Het is niet mijn tekst; ik ben een genuanceerd mens. Het is echter wel de tekst van een van de voorstanders van dit voorstel. De conclusie is onontkoombaar: voor dit voorstel is onvoldoende draagvlak. Mijn fractie vindt dat zij het beleid met betrekking tot de organisatie van het binnenlands bestuur in ons land niet dient, als zij dat gegeven zomaar terzijde zou schuiven.

Mijn derde groep van kanttekeningen betreft de inhoud van het voorstel. De regering noemt het voorstel zelf tamelijk grootschalig. Mijn politieke vriend Remkes zei aan de overzijde: ruimtelijk en bestuurlijk zijn er geen echte knelpunten; het wetsvoorstel is niet al te sterk onderbouwd en eigenlijk te grootschalig. Het enig mogelijke knelpunt dat ik in de stukken heb kunnen constateren, is dat vanuit de provincie wordt opgemerkt dat er over tien à vijftien jaar belemmeringen voor de groei van Uden zouden zijn, met name waar het gaat om bedrijfshuisvesting. De regering sluit daarop aan door te verwijzen naar toekomstige economische ontwikkelingen langs het tracé van de A50. Toen ik dat las, schoot mij een vergelijkbare situatie dichter bij mijn huis in gedachten: de economische ontwikkeling langs het tracé van een andere autosnelweg, de A7 tussen Joure en Heerenveen. Dat zijn twee zich snel ontwikkeld hebbende gemeenten die in goede harmonie en in samenwerking de ontwikkeling van bedrijventerreinen langs die autosnelweg ter hand genomen hebben. Ze beconcurreren elkaar niet en hebben er zo voor gezorgd dat dat gebied in Friesland economisch het snelst groeiende gebied in het noorden van het land is geworden. Geen samenvoeging, maar samenwerking. Als de één een ruimtelijk knelpunt heeft, dan lost de ander het op. Zo kan het dus ook.

Ook overigens vindt mijn fractie de argumentatie inhoudelijk gezien betwistbaar. Ik wil in dit verband enkele punten aanstippen. Ik vraag mij af of het, als er in de verdere toekomst al ruimtenood zou ontstaan bij Uden, dan niet meer voor de hand ligt om naar het noordoosten van Uden te zien. Is het niet zo dat het rapport van de commissieSchampers dat ook adviseerde? Is het verder niet zo dat Uden en Veghel stedenbouwkundig altijd gescheiden zullen blijven, omdat tussen beide het landelijke Mariaheide en het natuurgebied langs de stroom van de Leigraaf ligt? Ook hier hoor ik graag een reactie op. De burgemeester van Uden heeft ons kortgeleden nog laten weten dat zijn gemeente absoluut geen ruimtegebrek heeft. Hij heeft ook geschreven dat Uden-Veghel niet zal kunnen uitgroeien tot een compacte stad. Mijn vierde punt is misschien wel het meest gevoelige punt. Hoe verhoudt de stelling van de regering dat Uden over tien à vijftien jaar knel zal komen te zitten, zich tot de tekst van het voorontwerp zoals dat een jaar geleden in Brabant ter tafel lag? Daarin stond: vanuit ruimtebehoefte bestaat er geen aanleiding om beide gemeenten samen te voegen; de gemeente Uden heeft voldoende ruimte om in de komende 25 jaar uitbreiding te realiseren. Ik ben een groot voorstander van voortschrijdend inzicht, maar dit gaat wel heel snel. Wij hebben een beetje het gevoel dat het verhaal over de ruimtenood met die stelling van een jaar terug in het hart wordt geraakt.

Voorzitter! Voordat ik kom tot mijn voorlopige conclusie en tot de afronding van mijn betoog in eerste termijn, wil ik nog een algemene opmerking maken over het herindelingsbeleid. Het zal de staatssecretaris bij de verschillende gedachtewisselingen in deze Kamer over een aantal herindelingswetsvoorstellen niet zijn ontgaan dat wij haar beleid toch te veel van grootschaligheid doordrenkt achten. Mijn fractie heeft dat doen blijken bij de herindeling rond Den Bosch, waarbij Rosmalen werd opgeheven en bij de voorstellen elders in Brabant, Zeeland en Drenthe. Laatst nog, vlak vóór de zomer, behandelden wij hier de Drentse voorstellen. Deze Kamer zat toen praktisch kamerbreed – dat staat ons, denk ik, allemaal nog wel voor de geest – op de lijn dat het gemeentelijke herindelingsbeleid minder grootschalig zou moeten worden gevoerd. Dat gold niet alleen voor het CDA, dat op dit punt ook in het verleden tamelijk terughoudend was. Het gold ook voor D66 en voor ons. Het gold ook voor de PvdA, die vroeger op een meer grootschalige toer zat. Het betoog bij de Drentse voorstellen van met name collega Linthorst was mij uit het hart gegrepen. Ook de kleinere partijen zaten en zitten, mag worden aangenomen, op dezelfde lijn. Mijn fractie heeft, ondanks haar inhoudelijke kanttekeningen, toch steeds voor de eerder hier ter tafel komende voorstellen gestemd, vanwege de voorbereidingen in de diverse provinciehuizen en ook omdat wij ons in deze Kamer over het algemeen terughoudend opstellen. In dit concrete geval is het echter – dat is onze positie in deze termijn – te veel gevraagd om voor dit wetsvoorstel te stemmen. De ingang – wat moeten wij met Boekel? – is een oneigenlijke. Het draagvlak in het gebied is onvoldoende. Het wetsvoorstel is inhoudelijk onnodig en te grootschalig. Natuurlijk wachten wij het antwoord van de regering met belangstelling af. Wij kennen het doorzettingsvermogen van de staatssecretaris, maar zij moet zich niet al te veel illusies maken.

Voorzitter: Postma

©

J.A. (Cobi)  Schoondergang-HorikxMevrouw Schoondergang-Horikx (GroenLinks): Voorzitter! Aan de orde is de ’’vrijwillige’’ samenvoeging van de gemeenten Boekel, Uden en Veghel. Eerst de vrijwilligheid.

Die vrijwilligheid speelde een belangrijke rol bij de behandeling in de Tweede Kamer. Ook in de memorie van antwoord was de teneur: wat zeuren ze nou! Ze hebben het toch zelf gewild, nu moeten ze niet terugkrabbelen. Het werd overigens wel wat netter geformuleerd.

Maar, voorzitter, is er wel sprake van vrijwilligheid? Om dat te kunnen vaststellen, is het nodig om terug te gaan naar 1993. Deze drie gemeenten worden vandaag apart behandeld, als losse eindjes van de streeksgewijze herindeling van Noord-Brabant-noordoost in 1993. Toen deelde de Tweede Kamer de gemeente Erp per amendement in bij de gemeente Veghel. Het voorstel van het kabinet was, in overeenstemming met het voorstel van de provincie, om Erp bij Boekel te voegen.

Het gevolg van dat amendement was dat Boekel zelfstandig bleef. Over die zelfstandigheid zijn in de Eerste Kamer in 1993 kritische opmerkingen gemaakt, maar niet meer dan dat. Als gevolg van die kritische houding zou de positie van Boekel opnieuw worden bekeken. Uit een brief van staatssecretaris De Graaff-Nauta, gericht aan B en W van Boekel, gedateerd 10 mei 1994, blijkt echter dat de regering zich terughoudend opstelde. Het initiatief lag bij de provincie Noord-Brabant. Uit die brief blijkt dat staatssecretaris de Graaff-Nauta een heroverweging door het provinciebestuur afwacht van de positie van Boekel, waarbij zij alle mogelijkheden openlaat, inclusief de zelfstandigheid van de gemeente Boekel. Dat is dus anders dan de memorie van antwoord suggereert. Ik citeer uit die brief: ’’Alles overwegende zal het provinciebestuur tot een voorstel komen, dat hetzij uitgaat van zelfstandigheid van Boekel, hetzij van samenvoeging van Boekel met een van de buurgemeenten.’’

Blijkens correspondentie tussen het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Boekel, onder andere een verslag van het overleg op 30 juni 1995, hanteerde het provinciebestuur het uitgangspunt dat een zelfstandig Boekel een gepasseerd station was en dat Boekel het best met Uden en/of Veghel kon worden samengevoegd. Per brief van 15 augustus 1995 werd het gemeentebestuur van Boekel uitgenodigd om uiterlijk eind september zijn keuze aan het provinciebestuur kenbaar te maken. In die brief van het provinciebestuur Noord-Brabant aan de gemeente Boekel staat: Wij zijn tot de conclusie gekomen dat een draagvlakverbreding van de gemeente Boekel in het licht van het ingezette en door het parlement breed gedragen beleid tot grootschaliger herindeling met het oog op met name een adequate taakvervulling in de toekomst noodzakelijk is. Van dat door het parlement breed gedragen beleid is in ieder geval in de Eerste Kamer geen sprake meer. Collega Wiegel heeft daar zojuist ook al op gedoeld. Verder staat er in die brief: Wij zijn van mening dat de gemeente Boekel, gelet ook op de functionele relaties en de bestaande samenwerking het best met Uden en/of Veghel kan worden samengevoegd.

Hoewel Boekel altijd op het standpunt is blijven staan dat Boekel zelfstandig moest blijven, heeft Boekel toen het initiatief genomen voor overleg met Veghel en Uden over een samengaan van die drie gemeenten. En dat is de veelbesproken vrijwilligheid. Tegen Boekel werd heel duidelijk gezegd: als jullie niet kiezen, doen wij het voor jullie; alleen mag je niet kiezen voor zelfstandigheid.

En dat brengt mij bij de inhoud van dit wetsvoorstel. Dat Boekel dat overleg is begonnen, is nog wel te begrijpen. Liever met twee dan samengevoegd worden met één van de twee, was de gedachte. Maar dat én Uden én Veghel daarin meegingen, dat zij kennelijk werden verblind door de glans van de grootte van een gemeente van 80.000 inwoners en daarvoor hun zelfstandigheid wilden inruilen, dat verbaast mijn fractie zeer. Uden is een gemeente van tegen de 40.000 inwoners. Veghel heeft er een paar duizend minder. Zouden de gemeenten misschien gedacht hebben dat zij er gezamenlijk financieel flink op vooruit zouden gaan? Dat is echter niet het geval. De besluiten in de gemeenteraden waren niet unaniem. Het waren meerderheidsbesluiten. Dus van het begin af aan waren er ook tegenstanders.

Ik vraag mij af of de discussie in de gemeenten ook is gegaan over de vraag wat voor soort gemeente men wilde zijn. Heeft men op een rijtje gezet wat het groeien naar een gemeente van een dergelijke grootte betekent voor het type gemeente dat men nu is: een landelijke gemeente? Zouden de inwoners wel een ander type gemeente willen? Zou de nieuwe grote gemeente nog wel voldoen aan de wensen en behoeften van de inwoners? Gezien de ontvangen brieven is zo’n discussie er niet geweest. Maar een dergelijke discussie is wel noodzakelijk als basis voor besluitvorming.

Nu ik met alle drie de gemeenten een gesprek heb gehad, is mij veel duidelijk geworden, maar het voorstel blijft verbazingwekkend. Temeer, omdat er geen knelpunten waren. Met dat gegeven wordt in de discussie op een bepaalde manier omgegaan. Uit de memorie van antwoord citeer ik: ’’Juist vanwege afwezigheid van gedwongen herindeling is er door de gemeentebesturen bewust van afgezien om knelpunten naar voren te schuiven.’’ Maar er waren ook geen knelpunten! Toch is er nog een gevonden. In de memorie van antwoord wordt vermeld dat bij de voorbereidingen van de gemeentelijke herindeling begin 1996 de drie gemeentebesturen zijn gestuit op een ruimtelijk knelpunt voor Uden. Die gemeente zou binnen 15 jaar te kampen krijgen met onvoldoende ruimte voor woningbouw en bedrijfslocaties. Uden heeft dit in de brief van 15 augustus ontkend en heeft dat nog eens dunnetjes overgedaan in de brief van 26 augustus. Weg knelpunt! Ook in de brief van het college van GS van Noord-Brabant van 29 mei 1997 die naar aanleiding van het debat in de Tweede Kamer op 28 mei aan staatssecretaris van de Vonder-voort is gestuurd, staan geen argumenten die samenvoeging aannemelijk maken, ondanks het uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer om de noodzaak nog eens duidelijk uiteen te zetten. Behalve een beschrijving van de gang van zaken tot dan toe wordt slechts vermeld dat deze samenvoeging een oplossing is voor het knelpunt

Boekel, dat was overgebleven na de behandeling van het wetsontwerp tot herindeling van Noord-Brabant-noordoost. Dat is volstrekt onvoldoende.

Het uitgangspunt van mijn fractie is steeds geweest dat kan worden ingestemd met gemeentelijke herindeling als er keiharde en concrete argumenten worden aangevoerd die aantonen dat schaalvergroting noodzakelijk is. Algemeenheden zijn daarvoor niet voldoende. Die concrete en keiharde argumenten zijn wij niet tegengekomen. In 1993 heeft de meerderheid van het parlement Boekel tot probleem verklaard, omdat een gemeente met minder dan 10.000 inwoners niet paste in het beeld. De reden was niet dat de gemeente Boekel niet in staat was, haar taken naar behoren uit te voeren. Deze gemeente van 80.000 inwoners moet worden gevormd omdat Boekel niet zelfstandig mag en volgens de voorstanders van dit wetsvoorstel niet zelfstandig kan blijven. Deze reden is voor mijn fractie onvoldoende. Mijn fractie ziet dan ook geen noodzaak om in deze landelijke regio tot een dergelijke schaalvergroting over te gaan.

Omdat het werkgelegenheidsargument in verband met de varkenspest wordt opgevoerd, zal ik daarop nader ingaan. De crisis in de intensieve veehouderij, veroorzaakt door de varkenspest, wordt in de memorie van antwoord aangevoerd als argument voor deze schaalvergroting. Schaalvergroting zou de regio namelijk meer mogelijkheden bieden om de onvermijdelijke gevolgen voor de werkgelegenheid het hoofd te bieden. Ook de gemeente Veghel zit op die lijn.

Mijn fractie realiseert zich dat de regio zich in een buitengewoon moeilijke positie bevindt. Het zal bekend zijn dat GroenLinks een verklaard tegenstander is van bio-industrie en dat mijn partij al jaren pleit voor een meer dier- en milieuvriendelijke veeteelt. Minder bekend is misschien dat voorgangers van GroenLinks al in 1985 in de Tweede Kamer hebben gepleit voor een grondgebonden varkenshouderij met onvermijdelijk daaraan verbonden een vermindering van de veestapel.

Door de enorme problemen die de varkenspest veroorzaakt, zo langzamerhand in het hele land, acht men nu ook in grotere kring een heroriëntatie op de veehouderij noodzakelijk en onvermijdelijk. Het gaat om een heroriëntatie in een richting die GroenLinks al jaren bepleit. Denken de staatssecretaris en de gemeente Veghel nu heus dat een net nieuw gevormde gemeente alleen door de magie van het getal betere resultaten kan bereiken dan door een gezamenlijke inspanning van de huidige gemeenten in de regio mogelijk is?

Zoals de zaken er nu voor staan, zal het lang duren voordat er sprake zal zijn van een goed functionerende gemeente. Er is immers sprake van twee grote kerngemeenten waarvan er een niet wil – Boekel wil zelfstandig blijven – en van een tiental kerkdorpen. Gemeenten die een gemeenschappelijk belang hebben en hun krachten bundelen, zullen veel meer kunnen bereiken.

Er is nog een zaak die aandacht verdient, namelijk het andere kaliber ambtenaar dat moet worden aangetrokken voor een gemeente van een dergelijke schaal. Hoe is dat te rijmen met het sociaal statuut waarin is vastgelegd dat voor alle huidige medewerkers in vaste dienst een functie in de nieuwe organisatie vastligt? Wat geldt voor ambtenaren, geldt ook voor het bestuurlijke niveau: burgemeester, gemeentesecretaris, wethouders. Ook zij dienen een andere schaal te hebben en van een ander kaliber te zijn.

De milieudeskundigheid van ambtenaren is ook een argument dat wordt gebruikt voor schaalvergroting. Er zijn grotere gemeenten dan de in dit geval beoogde die op milieugebied in regioverband met elkaar samenwerken in een projectmatige aanpak. Om op het gebied van milieudeskundigheid tegenwicht te bieden aan multinationals is ook een gemeente van 80.000 inwoners te klein. Op provinciaal niveau is beleid in de maak om op dit gebied beter samen te werken tussen gemeenten in een regio en de provincie. De betrokken gemeenten hebben alle drie een gezonde financiële huishouding. Zij hebben geen moeilijkheden op economisch gebied en ook niet op het gebied van woningbouw. Ondanks de toch wel grote cultuurverschillen was er een behoorlijke samenwerking in de voormalige regio Uden-Veghel.

Op één punt is mijn fractie het hartgrondig eens met de staatssecretaris. Na een onzekere periode van zeker tien jaar kan het de gemeente

Boekel niet worden aangedaan om haar weer in bestuurlijke onzekerheid te storten. Onze conclusie is alleen anders. Indien dit wetsvoorstel wordt afgewezen – ik hoop het van harte en uit de bijdragen die ik tot nu toe heb gehoord, mag ik opmaken dat het er naar uit begint te zien – zal de consequentie moeten zijn dat niet opnieuw de positie van Boekel ter discussie wordt gesteld. Dan zal Boekel zelfstandig moeten blijven, in ieder geval tot een volgende grootscheepse herindeling. Wanneer die dan ook moge zijn!

Voorzitter! Ik rond af. Voor dit wetsvoorstel is onvoldoende maatschappelijk draagvlak. Dat is echter niet ongebruikelijk bij gemeentelijke herindeling en in het algemeen wordt daar ook niet echt rekening mee gehouden. Er is ook onvoldoende bestuurlijk draagvlak. In Veghel is een flinke meerderheid voor samenvoeging. In Uden was eerst een flinke minderheid tegen. Dat is door de veranderde opstelling van de VVD-fractie veranderd in een meerderheid tegen. Die veranderde opstelling was weliswaar rijkelijk laat, maar wel een resultaat van voortschrijdend inzicht. En Boekel wilde altijd al zelfstandig blijven. Er is dus geen sprake meer van een voldoende bestuurlijk draagvlak.

Voorts is het heel belangrijk dat er geen knelpunten zijn. De gemeenten zijn op zichzelf sterk genoeg om toekomstige problemen het hoofd te bieden. De voorgestelde gemeente past niet in de schaal van de landelijke regio en past ook niet in het provinciale streekplan. Zij verstoort daar het evenwicht. Door de provincie is ook gesteld dat de nieuwe gemeente geen rechten kan ontlenen aan de nieuwe grootte. Gemeentelijke herindeling grijpt zeer diep in in een gemeentelijke samenleving. Daardoor worden zoveel relaties afgebroken – dat zijn de woorden van de vorige staatssecretaris De Graaff-Nauta – dat een gemeentelijke herindeling alleen moet gebeuren als de noodzaak daarvoor glashelder is. Waarom zou je in dit geval in hemelsnaam het instrument van gemeentelijke herindeling gebruiken? Vanuit een simpele vooronderstelling dat groter beter is?

Maar zelfs bij schaalvergrotingen die wel waren gebaseerd op knelpunten, is nog steeds het bewijs niet geleverd dat de nieuwe gemeente beter functioneert. Ik

verwijs naar het onderzoek van de Groningse bestuurskundige Herweyer. In dat onderzoek worden de argumenten die altijd worden aangevoerd om tot schaalvergroting over te gaan, niet bevestigd. De voordelen die aan schaalvergroting worden toegekend, zijn in de praktijk nog nooit hard gemaakt. Een ding is wel altijd duidelijk geworden, ook uit dat onderzoek van Herweyer: de afstand tussen burger en bestuur is groter geworden.

Het frappante in de discussie is dat de staatssecretaris ditmaal de voorliggende herindeling niet heeft gewild. Zij kan de afloop dan ook met een gerust hart overlaten aan de besluitvorming in deze Kamer.

Voorzitter! De VVD-fractie in Uden heeft in de regio voor de ommekeer gezorgd. Er ligt een schone taak voor de VVD-fractie in deze Kamer om nu die functie voor haar rekening te nemen. Als ik de bijdrage van collega Wiegel goed gewogen heb, denk ik niet eens dat zij daarvoor hoeft te kiezen uit twee bijna versleten gezegden. Zij kan daarvoor kiezen uit ’’beter laat dan nooit’’ of ’’beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’’.

©

J.M.A.M. (Jan) de WitDe heer De Wit (SP): Mijnheer de voorzitter! De mogelijkheden van de Eerste Kamer bij de behandeling van wetsvoorstellen zijn weliswaar beperkt doordat zij niet het recht van amendement heeft, maar de Kamer heeft in ieder geval wel het recht om een wetsvoorstel in zijn volle omvang te beoordelen en kan daarbij vanzelfsprekend acht slaan op alle relevante feiten, hoe recent die zich ook hebben voorgedaan. Eén zo’n feit is de motie die door de raad van Boekel op 10 juli van dit jaar unaniem werd aangenomen. Daarin sprak de raad uit dat Boekel zelfstandig wil blijven en dat de eerdere instemming met de ’’vrijwillige’’ samenvoeging met Uden en Veghel met de rug tegen de muur werd gegeven. Dat is dan de tweede barst in de driehoeksverhouding, nadat de raad van Uden zich al op 24 april 1997 bij meerderheid tegen de samenvoeging had uitgesproken. Daarmee is naar mijn mening – nog duidelijker dan bij de behandeling in de Tweede Kamer – de basis onder dit wetsvoorstel weggevallen.

Boekel bekent dat het onder dwang van de provincie aanvankelijk maar heeft ingestemd met haar eigen opheffing en is gaan zoeken naar een gemeente die zich over haar wilde ontfermen, maar diep in haar hart wilde Boekel ook toen al gewoon zelfstandig blijven. Uden en Veghel zagen beide wel wat in Boekel en met z’n drieën ging men vervolgens over herindeling praten, wat Uden en Veghel betreft op vrijwillige basis. Van die vrijwilligheid is nu geen sprake meer. Samenvoeging van de drie gemeenten zou op dit moment ervaren worden als dwang. Voor de SP-fractie is dat voldoende reden om tegen deze herindeling te zijn. De vraag is wat de mening van de staatssecretaris is over de motie van de gemeenteraad van Boekel en of zij haar beroep op deze Kamer nog handhaaft om met herindeling in te stemmen omdat wij het Boekel niet kunnen aandoen om haar opnieuw in een periode van onzekerheid terecht te laten komen.

Anders dan de staatssecretaris beweert, is er voor samenvoeging geen enkel draagvlak. De gemeenteraden van Uden en Boekel zijn tegen; alleen nog de Veghelse gemeenteraad is voor. Volgens een enquête uit 1991 is 93% van de Udense bevolking tegen samenvoeging, in Boekel zijn bijna 7000 inwoners voor het behoud van zelfstandigheid en in Veghel hebben ruim 4000 mensen een petitie tegen samenvoeging getekend. Het bedrijfsleven reageert verdeeld. Enkele afzonderlijke bedrijven laten weten voor herindeling te zijn, maar zowel in Uden als in Veghel laten de koepels van de plaatselijke ondernemers weten tegen samenvoeging te zijn.

Wat het draagvlak onder de burgers betreft, beroept de staatssecretaris zich op een NIPO-enquête, maar die is gehouden nadat alle relevante besluiten door de gemeenten waren genomen. Dat was dus mosterd na de maaltijd. Desondanks blijkt uit die enquête dat er meer tegenstanders dan voorstanders zijn en dat zelfs op dat moment de helft van de bevolking nog neutraal tegenover de herindeling stond. Het ontbreken van draagvlak onder de burgers is voor de SP-fractie de tweede reden om tegen herindeling te zijn.

Zijn er desondanks toch nog redenen die noodzaken tot herindeling? Er zijn vier oorspronkelijk aangevoerde argumenten:

  • 1. 
    een volwaardige positie ten opzichte van andere gemeenten, bedrijfsleven en instellingen;
  • 2. 
    een verantwoord grondgebruik en geen versnippering;
  • 3. 
    een efficiënter gebruik van voorzieningen;
  • 4. 
    een versterking van de werkgelegenheid.

Naar mijn mening gelden deze redenen voor een heleboel gemeenten, maar tonen zij niet de noodzaak van herindeling aan. Het valt op dat eigenlijk iedereen moet erkennen dat er geen knelpunten zijn, ook geen knelpunten van ruimtelijke aard. Uden en Veghel hebben ruimte genoeg om zich ieder in een eigen richting te ontwikkelen, omdat ieder zich op een apart gebied oriënteert. In de memorie van antwoord ziet de staatssecretaris toch nog een knelpunt van ruimtelijke aard en weet zij zelfs een verband te leggen met de varkenspest. In een brief van 26 augustus heeft de burgemeester van Uden erop gewezen dat de ruimtenood voor de drie gemeenten geen belangrijk punt is geweest bij de start van het (toen nog) vrijwillige herindelingsproces. Hij voegt daaraan toe dat de provincie er destijds van uit is gegaan dat Uden en Veghel de komende 25 jaar geen ruimtelijke problemen zullen kennen. Vervolgens onthult de burgemeester waar de staatssecretaris dit argument vandaan heeft, namelijk uit het discussiestuk ’’Profielschets Uden-Veghel’’, waarin door middel van een aantal modellen ruimtelijke schetsen worden gemaakt. Dat is dus geen echt knelpunt. Het feit dat er geen knelpunten zijn, is voor de SP-fractie de derde reden om tegen herindeling te zijn.

Door de voorgestelde fusie zou Uden-Veghel de vijfde grote gemeente van Noord-Brabant worden, een stad bestaande uit dertien kernen met in totaal 82.000 inwoners. De nadelen zijn duidelijk:

  • de afstand van de burger tot het bestuur wordt erg groot (het ambtelijk apparaat alleen al zou verspreid worden over vier kernen);
  • de betrokkenheid van de burger bij het bestuur neemt af;
  • de onderlinge competitie tussen de grote kernen neemt toe.

Zowel door de burgemeester van Uden alsook door de zogeheten gezamenlijke bezwaarmakers wordt steeds opgemerkt dat het gevolg van dit alles zal zijn politieke spanningen,

instabiliteit en per saldo een verlammende daadkracht. Bovendien zouden ook, zoals bij de meeste herindelingen het geval is, de kosten wel eens hoger kunnen uitvallen dan de baten. Dat is voor de SP-fractie de vierde reden om tegen de voorgenomen herindeling te zijn.

Mijnheer de voorzitter! De staatssecretaris is er naar mijn mening niet in geslaagd, tot nu toe, aan te tonen waarom sinds het wegvallen van de basis van vrijwilligheid er toch heringedeeld zou moeten worden. Wat is volgens de staatssecretaris op dit moment de meerwaarde van een herindeling? Voor de SP-fractie is de noodzaak tot samenvoeging niet aanwezig. Boekel wilde altijd al zelfstandig blijven. Uden en Veghel zijn afzonderlijk van elkaar sterk en ook groot genoeg om zelfstandig te blijven voortbestaan. De redenen die men destijds aanvoerde voor samenvoeging kunnen evengoed door middel van samenwerking tussen de drie gemeenten gerealiseerd worden. In oostelijk Zuid-Limburg, om maar wat te noemen, moet dat ook de oplossing bieden, nu de herindeling daar niet doorgaat. De staatssecretaris zou de moed moeten opbrengen om te erkennen dat er geen enkele reden is om het wetsvoorstel te handhaven. Vandaar mijn vraag of zij bereid is, het in te trekken. Niemand zal er schade door lijden, ook Veghel niet.

In zijn brief aan de Eerste Kamer van 21 augustus 1997 citeert de burgemeester van Veghel uit een boekje van de oud-commissaris van de koningin van Noord-Brabant, Van Agt, een boekje dat getiteld is ’’Kruiend ijs’’. Het citaat luidt: ’’als door een toverstaf geraakt gebeuren er wondere dingen in Brabant’’. Vasthouden aan dit wetsvoorstel door de staatssecretaris maakt dat zij de bekende tovenaarsleerling is die iets heeft opgeroepen wat hij naderhand niet meer kon stoppen, omdat hij de juiste toverformule niet kende. Gelukkig ligt dat in het geval van dit wetsvoorstel veel simpeler.

©

B. (Boele)  StaalDe heer Staal (D66): Voorzitter! Het herindelen van gemeenten is een belangrijk instrument voor een blijvend goede basis onder ons bestuurlijk stelsel. Het proces en de besluitvorming daarover zijn ook vaak een zoeken tussen lokale wensen en noodzakelijke ingrepen van bovenaf. In eerdere debatten hebben wij benadrukt dat de rol van gemeentelijke en provinciale overheid in optimaal opzicht zou moeten leiden tot een formele bezegeling vanuit regering en parlement. Dat kan ook als de regering een helder kader schept. Na enige jaren van sterk verschillende opvattingen over onder andere schaalgrootte is er ons inziens thans sprake van enig rustig vaarwater. Rustig vaarwater in die zin dat het pleidooi voor ’’Nederland verdeeld in 75 gemeenten’’ samen met het pleidooi voor ’’houden zoals het is’’ het hebben afgelegd tegen een reële en praktische visie. Een visie die zowel rekening houdt met grondslag en historie alsook met de toekomst. Grondslag en historie waarin het draait om de autonomie van gemeenten; toekomst waarin de realiteit onder ogen wordt gezien van het verschil tussen het tijdperk van de trekschuit en dat van de computer.

Dit alles leidt tot een beleid waarin er geen reëel bestaansrecht is voor de kleinste gemeenten. Dat is iets anders dan een eigen identiteit voor dorpskernen. Maar ook een beleid waarin centrumgemeenten een verantwoorde groei kunnen doormaken ten koste van aangrenzende gemeenten, klein of als het moet even groot. Kijkend naar een goede basis voor autonomie, een gezonde financiële basis en een verantwoord kostenpatroon komt men tot de visie dat zelfstandigheid te koppelen is aan een minimale schaal van 20.000 tot 30.000 inwoners, afhankelijk van de lokale situatie.

Zo, voorzitter, zou ik de stand van zaken na veel omzwervingen in ons bestuurlijke stelsel willen samenvatten. Als dit alles ook mag leiden tot de opvatting dat complexiteit van bestuur de rol van de provincie heeft doen versterken en derhalve een aanpassing van die bestuurslaag vergt in plaats van het bedenken van nieuwe bestuurslagen, zouden wij de geld- en energieverslindende discussie over het bestuurlijke stelsel kunnen afsluiten en dan zou ieder, op zijn of haar niveau, aan het besturen kunnen slaan. Dit betekent dat het herindelingsbeleid zoals ik het heb geschilderd, verder adequaat moet worden uitgevoerd. Dat doet dit kabinet en dat doet deze staatssecretaris. In het debat over

Drenthe waren complimenten van onze kant dan ook op hun plaats; ik herhaal ze graag.

Echter, voorzitter, niet zelden kent de uitvoering van dit beleid verstorende elementen. Het zou zo mooi kunnen zijn; kaders van de rijksoverheid en een goede procedure leiden tot een voldragen voorstel van de provincie dat nog slechts vraagt om formalisering. Wat daarin niet past, is de op opportunisme gebaseerde politieke deal zoals wij die jammer genoeg regelmatig aan de overzijde van het Binnenhof signaleren. Wellicht is het onderhavige voorstel een voorbeeld van de wijze waarop de Tweede Kamer zich in dergelijke gevallen uiteindelijk in de eigen staart bijt. Dat staat ons – ik heb het al eerder voorspeld – ook te wachten bij de deal over de stadsprovincies. Op een wat verder in de toekomst gelegen moment zal dit wellicht ook bovenkomen in verband met de herindelingen-Den Bosch en -Tilburg/Goirle. Opportunisme loopt het risico te worden afgestraft en dat lijkt op z’n zachtst gezegd het geval te zijn als wij de geschiedenis van dit ontwerp bezien.

Door het amendement inzake de gemeente Erp bleef Boekel ’’zwe-ven’’. Dat gevolg was, terecht, niet aanvaardbaar. Vervolgens maakte lokale eensgezindheid het mogelijk om te komen met het huidige voorstel, dat evenwel niet voortspruit uit de door mij geschetste basis voor het huidige beleid. Ik zal dit later nog toelichten. Ook bij een tot het einde toe volgehouden eensgezindheid zouden wij twijfels hebben bij dit voorstel. Dat de eensgezindheid in een zeer laat stadium werd verbroken door het de facto ontbreken van wilsovereenstemming bij één van de gemeenten, verdient allesbehalve een schoonheidsprijs. Dat onderstreep ik; het was bepaald onzorgvuldig van het gemeentebestuur van Uden. Echter, het feit ligt er en dat leidt er op z’n minst toe dat provincie en Rijk zich voortaan wel tien keer moeten bedenken alvorens weer in zo’n trein te stappen.

Wellicht moeten wij hierbij even stilstaan, nu er nog zo’n voorstel in het vooruitzicht is. Ik denk hierbij aan de dubbelstad Hengelo-Enschede. De naam ’’dubbelstad’’ alleen al, én het eerder daarvan afzien op grond van financiële redenen doen je positieve instelling tegenover de eensgezindheid geen goed. Mijn fractie doet graag de aanbeveling om een soort van voorwet te maken waarin die wilsovereenstemming wordt vastgelegd.

Dit is een eerste gevolgtrekking uit de geschetste situatie, van belang voor het algemene beleid en de uitvoering daarvan. Een tweede gevolgtrekking betreft uiteraard het onderhavige voorstel zelf. Immers, wat te doen wanneer het belangrijkste element, de wilsovereenstemming, niet deugt? Nogmaals, van een schoonheidsprijs kan geen sprake zijn, maar het feit ligt er. Voorzitter! Terecht eist de staatssecretaris op dat de procedure zorgvuldig is geweest. Dat is zo; er zijn geen formele fouten gemaakt, bezien vanuit het ARHI-oogpunt. Echter, dit levert nog geen voldoende draagvlak op terwijl dat van elementair belang is voor een voorstel dat niet past in het geheel van het bestaande beleid. De staatssecretaris zou er zélf niet mee zijn gekomen, zo mag ik toch veronderstellen.

Wat ontbreekt – ik realiseer mij dat dit wijsheid achteraf is – is gedegen raadpleging van de burgers. Natuurlijk geef ik de staatssecretaris toe, dat de gemeenteraad wordt geacht de burgers te vertegenwoordigen, maar als je niet bestaand beleid wil uitvoeren, moet de maatlat voor de democratie hoger worden gelegd. Dat wil zeggen dat een formeel democratisch ’’ja’’ te weinig is. Voorzitter! Die maatlat ligt zeker niet op de juiste hoogte wanneer een opiniepeiling onder de burgers in het voordeel van het onderhavige voorstel wordt uitgelegd door, naast een groter percentage tegenstemmers dan voorstemmers, te wijzen op de neutrale opstelling van de overige 45%. Wat dat betreft, hebben wij historisch gesproken zowel met neutraliteit alsook met het meetellen van de thuisblijvers geen goede ervaring.

Voorzitter! Veroorloof mij even dit uit zijn verband rukken van de vaderlandse geschiedenis, maar waar het mij om gaat is, dat je zo niet het ontbrekende draagvlak naar je toe kan trekken. En het zijn ook niet alleen de burgers. Duidelijk is dat het ontbreken van een draagvlak ook de lokale bestuurders en de politiek betreft. Daar ligt dan ook een belangrijk probleem.

Met recht kan worden getwijfeld aan een doelmatige uitvoering van dit wetsvoorstel. Met recht kan ook worden ingeschat, dat Veghel en

Uden als los zand met elkaar verbonden zullen zijn. Als zij elkaar feitelijk niet nodig hebben, zal de emotie van één gemeente te zijn dat niet goedmaken, zo veronderstelt de fractie van D66. Logisch in het verlengde van onze visie op herindelen is, dat dit feit alleen maar genegeerd zou kunnen worden als het voorstel voldeed aan de uitgangspunten van dat beleid. Welnu, zoals ook uit onze inbreng in de voorbereiding is gebleken, twijfelen wij daaraan in hoge mate. Ik zal dat nader toelichten.

Wij hebben gevraagd naar de technische argumenten. Zowel generieke als specifieke argumenten kunnen een rol spelen. Economie, ruimte, voorzieningen, financiën en een eventuele centrumtaak vormen daarvoor de criteria. Waar wij normaal gesproken niet twee los van elkaar gelegen gemeenten van meer dan 30.000 inwoners samenvoegen, moeten dus de specifieke argumenten de doorslag geven. Ik vermag ze niet te herkennen.

De staatssecretaris verwijst naar de milieuproblematiek. Nog afgezien van de terecht toenemende rol van de provincie op dat beleidsterrein, kan niet gezegd worden dat daar een specifiek argument ligt. Dat geldt net zo hard voor andere gemeenten. Voor wat betreft de concurrentie ten opzichte van de regio’s Arnhem/ Nijmegen en Eindhoven/Den Bosch moet ons van het hart, dat dit een vergelijking van appels met peren is. De grondversnippering is evenmin een specifiek argument. Zou dat opgeld doen, dan moeten wij het bestaande herindelingsbeleid drastisch herzien. Hetzelfde geldt voor het argument van de voorzieningen. Als al deze argumenten geen specifieke grondslag hebben, rest alleen een generieke reden. Als die argumenten een generieke reden zijn, is er een bonte, lange rij van gemeenten rijp voor herindeling.

Veghel en Uden hebben een herkenbare zelfstandigheid, waarmee zij langzaam zijn uitgegroeid tot gezonde gemeenten van meer dan 30.000 inwoners, die geografisch net zo los van elkaar staan als vele andere gemeenten die wij niet herindelen. Dat is een schaal waar je niet aan zou moeten komen, ook niet met het argument van werkgelegenheid. Ook al beconcurreren zij elkaar, van meerwaarde van een samenvoeging zou in dat opzicht alleen reëel sprake zijn als de gemeenten feitelijk met elkaar waren vergroeid.

Voorzitter! Met alle wil van de wereld kan ik geen zodanige specifieke argumenten herkennen, dat het gebrek aan wilsovereenstemming ervoor moet wijken. Ook wat betreft de vestiging van winkels en bedrijven zien wij geen situatie die vraagt om herindelen. Naar wij begrepen – ik heb het alleen van horen zeggen – heeft Uden het mooiste winkelcentrum, zelfs een trekpleister voor de Veghelse inwoner, maar geen zinnig mens ziet daar verandering in komen dankzij, of ondanks, wel of niet gemeentelijk herindelen. En dat geldt voor de meeste argumenten die ik zojuist noemde.

Veel argumenten zijn erbij gesleept, argumenten die op andere plekken, bij andere voorstellen, voor tegenovergestelde beweringen worden gebruikt. Het maakt wel veel los, getuige de bezetting van de tribunes en de hoeveelheid post die wij kregen. Het reces kon dat niet verhinderen. Ik leg dit zo uit, dat dit juist ook wat zegt over de deugdelijkheid van het voorstel, in elk geval iets over de twijfels daarbij.

Tot zover de basis van de bijdrage van D66 aan dit debat. Wat resteert is natuurlijk de vraag: wat moet er nu met het voorstel gebeuren? Allereerst moeten wij uiteraard de reactie van de staatssecretaris in eerste termijn afwachten, maar de fractie van D66 heeft meer dan grote twijfels bij dit voorstel. Natuurlijk, ik heb het al eerder gezegd, het is al erg ver in het traject. Het verdient zeker geen schoonheidsprijs, maar die tegenwerping draai ik bij voorbaat om. Wat mag je er op deze manier van verwachten als feitelijk resultaat en waarom zou je een kennelijk gemaakte fout of inschatting niet herstellen, als dat nog kan?

Van deze plaats wil ik daarbij twee opmerkingen maken, twee opmerkingen bij de dreiging die boven dit voorstel hangt. Eén betreft de provincie. Ook wij zien met lede ogen aan ten koste van welke energie dit is gegaan. Maar om te zeggen: verspild? Dat niet. Het heeft z’n nut voor de toekomst van dit soort trajecten en wellicht ook z’n nut voor de toekomst van Boekel. Bovendien zijn er belangrijker zaken niet doorgegaan, waar bovendien geen enkele les uit te trekken was. Voor wat betreft het bestuurlijk stelsel is dit iets waar wij mee zijn gaan leven, want het resultaat van al die discussies daarover, al die niet verwezenlijkte oplossingen en/of voorzieningen, heeft de kern van Thorbeckes huis overeind gehouden – sterker nog: versterkt. De provincie treft geen blaam en de staatssecretaris ook niet. Het hoort erbij. Het is onzin om daar zwaar aan te tillen, anders dan serieus te kijken naar wat het betekent voor het algemene beleid en andere concrete trajecten.

De tweede opmerking betreft de positie van de gemeente Boekel zelf. Uiteraard is, als het komt tot een afwijzing, de Eerste Kamer niet aan zet. Maar wij willen wel bij voorbaat gezegd hebben dat het alsdan zelfstandig blijven van Boekel niet het monument moet worden ter nagedachtenis aan het stranden van dit voorstel. Indien het wetsvoorstel strandt, en men even het zicht mist in het stof dat dan opwaait, dan lijkt een logische, heldere blik op de toekomst een snelle indeling van Boekel bij Veghel te zijn – een duidelijkheid die wat ons betreft snel geboden en ook snel gerealiseerd kan worden.

Maar, voorzitter, zoals ik al stelde aan het begin van mijn slot: allereerst dient nu de volle aandacht uit te gaan naar de eerste termijn van de staatssecretaris.

©

M.C. (Martin)  BatenburgDe heer Batenburg (AOV): Mijnheer de voorzitter! Als wij nu een besluit moeten nemen betreffende de samenvoeging van de gemeenten Boekel, Uden en Veghel, ben en blijf ik van mening, ook gelezen hebbende de beantwoording van mijn vragen in de memorie van antwoord van de staatssecretaris, dat het geen goede zaak is te besluiten tot samenvoeging van de betreffende gemeenten over te gaan. Op grond van door mij bestudeerde informatie ben ik tot de conclusie gekomen dat de hierna aangegeven punten doorslaggevend zijn geweest voor mijn zienswijze.

  • 1. 
    Een samenvoeging van gemeenten die niet gedragen wordt door de burgers, moet gezien worden als niet democratisch.
  • 2. 
    De afstand tussen overheid en burger wordt groter.
  • 3. 
    Schaalvergroting garandeert niet per definitie betere dienstverlening of lastenverlichting voor de burger. Gezien mijn informatie- bronnen is hieromtrent geen enkel economisch argument te ontdekken.
  • 4. 
    Machtsvorming door schaalvergroting of anderszins moet als verwerpelijk worden gekwalificeerd. Samenwerkingsvormen, zonder dat tot fusie wordt overgegaan, kunnen naar mijn oordeel de onderlinge verhoudingen intact laten en tot een beter resultaat leiden, waardoor de eigenheid van de bevolking geen geweld wordt aangedaan.

Mijn inzichten zijn gebaseerd op artikel 5 van het Europese Handvest dat zegt, dat bij ingrijpende gebiedswijzigingen de gemeenschappen dienen te worden geraadpleegd. Het AOV is van mening dat dit het democratisch recht is van de burger. Wij willen daar niet van afwijken. Uit de mij ter beschikking gestelde informatie is gebleken, dat de inspraak van de burgers onvoldoende, te laat en na de besluitvorming van de provincie op 24 mei 1996 heeft plaatsgevonden.

Tot slot blijf ik bij mijn standpunt, dat er bij gewone meerderheid wordt besloten over de toekomst van een gemeente. In de memorie van antwoord zegt de staatssecretaris dat deze vraag ook in de Tweede Kamer is gesteld. Zij is echter van mening dat voor deze besluiten geen gewogen meerderheden noodzakelijk zijn. Democratisch gezien, kan ik het met de staatssecretaris niet eens zijn.

©

G. (Gerrit)  HoldijkDe heer Holdijk (SGP): Mijnheer de voorzitter! Bij de afhandeling van de beide andere wetsvoorstellen in deze reeks tot herindeling van gemeenten in Noord-Brabant en Limburg, kort voor het zomerreces, is wel gebleken, zoals trouwens ook bij eerdere gelegenheden, dat de fracties van SGP, RPF en GPV geen dogmatische tegenstanders zijn van gemeentelijke herindelingen. Evenwel hebben onze fracties zich steeds op een kritische lijn bewogen waar het door de regering gepresenteerde voorstellen betrof. Ieder geval wensen wij op zijn eigen merites te beoordelen, zij het ook aan de hand van algemene uitgangspunten. Dat geldt ook voor de samenvoeging van Boekel, Uden en Veghel.

Voorzitter! Soms blijken onze fracties in hun beoordeling van de regeringsvoorstellen alleen of vrijwel alleen te staan. Soms verschillen wij in onze beoordeling niet zo sterk van andere fracties, maar is onze eindafweging bij de stemming een andere. Hoe het debat dit keer zal uitpakken, zal nog moeten blijken. Er willen zich in het allerlaatste stadium nog wel eens onvermoede verrassingen voordoen. Daarom zal ik straks ook met des te meer aandacht naar de staatssecretaris luisteren.

Voorzitter! Het ziet er in elk geval naar uit dat onze fractie, wat de beoordeling van dit voorstel betreft, niet alleen zal staan. Er doet zich bij dit voorstel de uitzonderlijke, misschien wel unieke, situatie voor dat het om een vrijwillige samenvoeging gaat waarbij nooit knelpunten zijn geïnventariseerd, wellicht omdat ze er niet waren. Dat laatste is, zo weet de staatssecretaris, voor onze fracties een belangrijke toetssteen. Iedereen lijkt nu een beetje in de maag te zitten met de voorgestelde herindeling, waardoor de vijfde gemeente van Brabant met 80.000 inwoners zou ontstaan. Noch de provincie, noch de staatssecretaris was waarschijnlijk zelf op het idee gekomen om een dergelijke grootschalige herindeling voor te stellen. Het idee kwam dan ook van de drie gemeenten zelf. Van die drie gemeenten liep, zo is vanmiddag al verschillende keren gememoreerd, de gemeente Boekel voorop en zij kreeg beide andere gemeenten mee. Voor ons staat echter in het geheel niet vast dat Boekel, met ruim 9000 inwoners, niet zelfstandig zou kunnen en willen voortbestaan indien men er niet op voorhand van was uitgegaan dat men in de herindelingsstorm niet staande zou kunnen blijven. Intussen is deze gedachte bevestigd door duidelijke uitspraken van de gemeente Boekel. Hoe dit zij, de samenvoeging van twee welvarende, goed gepositioneerde plattelandsgemeenten zoals Uden en Veghel, met respectievelijk 38.000 en 35.000 inwoners, ligt volgens onze maatstaven niet in de rede. Ook al is het aantal inwoners ook voor ons niet alleen beslissend, de argumenten die de staatssecretaris nu in de memorie van antwoord aan deze Kamer heeft gepresenteerd – vanmiddag zijn die stuk voor stuk genoemd – hebben onze fracties niet kunnen overtuigen. Ook bij het toetsingspunt ’’draagvlak’’ kunnen na de recente ontwikkelingen in twee van de drie gemeenten, namelijk in Boekel en Uden, grote vraagtekens worden geplaatst, ook al is ook dat aspect voor onze fracties niet doorslaggevend in alle gevallen.

Voorzitter! Op zichzelf zijn wij het in algemene zin wel met deze staatssecretaris eens, dat men niet vrijblijvend en op elk willekeurig moment zijn of haar steun kan geven aan een voorstel. Men kan namelijk niet vrijblijvend een zeer ingrijpend proces in gang zetten en de gegeven steun vervolgens in een zeer laat stadium weer intrekken. Zoiets moet in de particuliere sfeer het liefst niet voorkomen en zeker niet in de sfeer van de publieke beleids- en besluitvorming. Nochtans wil het gezegde: ’’Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’’. De staatssecretaris kan wel de stelling betrekken dat wat je gemeenschappelijk besluit alleen maar gemeenschappelijk ongedaan kan worden gemaakt, maar daarmee gaat zij in onze ogen in dit specifieke geval, waar de vrijwilligheid en de vrijewilsovereenstemming zozeer op de voorgrond staan, voorbij aan de meest essentiële grondslag van het voorstel.

Voorzitter! Ik zal de meer gedetailleerde overwegingen die de reden vormen voor onze scepsis ten aanzien van dit wetsvoorstel nu niet herhalen. Wij zullen zoals altijd met belangstelling naar de bijdrage van de staatssecretaris aan het debat luisteren, maar intussen zal haar duidelijk geworden zijn, dat zij buitengewoon zwaarwegende en overtuigende argumenten zal moeten aanvoeren, willen wij van onze scepsis worden bevrijd.

©

M.A.M. (Thijs)  WöltgensDe heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik weet niet welke dwangmatigheid mij er iedere keer toe brengt dat ik het, als ik over dit wetsvoorstel spreek, heb over Boekel, Veghel en Wiegel. Het is waarschijnlijk iets te veel eer voor de VVD-fractie van Uden om deze volstrekte identificatie tot stand te brengen, maar het geeft aan met welke politieke lading dit wetsvoorstel belast is geraakt.

Ik ben eigenlijk heel verbaasd over de inconsistentie in de Eerste Kamer. Laat ik echter beginnen met het harmonische. Ik dacht dat er in de senaat geleidelijk aan overeenstemming was ontstaan over drie elementen van het herindelings-beleid.

Het eerste element, dat ook door de heer Staal naar voren is gebracht, is dat wij het ideaal zouden vinden als het kabinet en beide Kamers zich zouden beperken tot een marginale toets van datgene wat van een zo laag mogelijk niveau naar ons toekomt. Ook mijn fractie heeft herhaaldelijk uitgesproken dat zij ervan af wil dat de staatssecretaris ingrijpt in datgene wat van de provincie komt. Wij zouden willen dat de Tweede Kamer heel marginaal optreedt ten opzichte van datgene wat bij haar terechtkomt. Voor de Eerste Kamer zou de rol nog marginaler zijn. Dat zou ideaal zijn.

Het tweede punt waarover in deze Kamer overeenstemming ontstond, is dat wij het beleidskader een te mechanistisch uitgangspunt achten voor de beoordeling van de vraag of wij wel of niet tot gemeentelijke herindeling moeten overgaan. Ook bestond in deze Kamer overeenstemming over het feit dat een gemeente als Boekel eigenlijk te klein is om volwaardig de lokale taken te kunnen uitvoeren.

Ik heb datgene wat mijn collega’s naar voren hebben gebracht, getoetst aan de gemeenschappelijke uitgangspunten. Allereerst was ik heel verbaasd over de laconieke manier waarop werd gezegd: oke´, dan blijft Boekel maar hangen. Ik zie af van de kleinschaligen, waarvoor het niet klein genoeg kan zijn, en praat over fracties die in dit opzicht tot op heden een wat meer bestuurlijke houding hebben ingenomen. Zo laconiek kunnen wij niet zijn. Het probleem is in wezen ontstaan door uitspraken van een CDA-staatssecretaris, namelijk mevrouw De Graaff-Nauta. De heer Wiegel kan niet laconiek doen, want in zijn geschiedenis – het is natuurlijk waar dat een minister iets anders is dan een senator – heeft hij een plaats van 25.000 inwoners opgeheven. Iemand die dat heeft gedaan, moet zich echt afvragen of hij een plaats van 8000 inwoners kan laten bestaan. Die plaats van 25.000 inwoners was Hoensbroek. De opheffing daarvan vond plaats anno domini 1984. De heer Staal neemt een van de problemen die door anderen gebagatelliseerd worden voor zijn rekening, namelijk dat na het eventueel verwerpen van dit wetsvoorstel toch weer nieuwe procedures op gang moeten komen.

Het beleidskader is hier kritisch besproken. Zoals ik al zei, vinden wij het te mechanistisch. Wat ik volstrekt niet kan begrijpen is dat uitgerekend de grootste critici van het beleids- kader nu plotseling de criteria van het beleidskader hanteren om te beoordelen of dit een goed of slecht wetsvoorstel is. Het wetsvoorstel moet niet aan het beleidskader worden getoetst, maar aan het eerste uitgangspunt. Ik ben het helemaal met de heer Hirsch Ballin eens dat wij heel goed moeten bekijken dat wij gemeenschappen in stand houden. Het allermooist zou het zijn als gemeenten en gemeenschappen, zoals zij door de mensen gepercipieerd worden, zouden samenvallen. Wij weten dat dat wat moeilijk is. Maar wie moet dat beoordelen? Wij? De staatssecretaris? De Tweede Kamer of de Eerste Kamer? De vraag welke bestuurlijke organisatie het best past bij de maatschappij waarin zij moet functioneren, kan het best worden beantwoord door de mensen zelf en hun gekozen vertegenwoordigers in de gemeenteraad. De drie gemeenteraden hebben herhaaldelijk, tot het laatste moment, gezegd dat zij de samenvoeging wensen en zien zitten. Zij hebben zelfs allerlei acties op gang gebracht om tot concrete vormen van samenvoeging te komen. Ik heb vanmiddag een heleboel inhoudelijke opmerkingen gehoord over de vraag of je wel 80.000 inwoners moet hebben en of Uden en Veghel wel bij elkaar passen, omdat er een weg tussendoor loopt. Wie zijn wij echter om met de gemeenteraden van Boekel, Uden en Veghel te gaan discussië-ren, terwijl zij de situatie in het gebied drie keer beter kennen dan wie dan ook van ons en zeggen dat dit de ideale vorm van samenwerking is?

De heer Hirsch Ballin (CDA): Mijnheer de voorzitter! Gelet op de uitgangspunten van de heer Wöltgens, wil ik hem uitdrukkelijk het volgende vragen. Deze geschiedenis scharniert eigenlijk helemaal om Boekel. De gemeente Boekel stelt zich nu op het standpunt dat zij zelfstandig wil blijven. Omdat de ervaring leert dat deze gemeente met 9000 inwoners dat zeer wel kan en omdat zowel mijn fractie als andere fracties hebben uitgesproken dat zij die wens willen respecteren, vraag ik de heer Wöltgens of hij ons daarin wil volgen.

De heer Wöltgens (PvdA): Daar kom ik nog op. Ik beschrijf nu de situatie waarin het wetsvoorstel bij de staatssecretaris kwam. Er bestond toen een mooie consensus tussen meerderheden van de gemeenteraden van Boekel, Uden en Veghel. Die consensus is herhaaldelijk bevestigd. Ik meen dat door eenieder die hierover het woord heeft gevoerd, erkend wordt dat de staatssecretaris buitengewoon zorgvuldig gehandeld heeft. Zij heeft niet alleen getoetst aan de ARHI, maar ook aan ons eigen uitgangspunt dat de dingen van onder moeten komen en dat wij daar niet van bovenaf in moeten gaan roeren in Den Haag. Toen de staatssecretaris met dit wetsvoorstel kwam, paste dit dus volledig in de filosofie en de consensus, zoals die zich in de Eerste Kamer hebben ontwikkeld. Ik kom dadelijk nog op de omslag waarin de mensen het argument zoeken om alsnog iets anders te vinden.

De heer De Wit (SP): Voorzitter! De heer Wöltgens gaat tot 1991 terug in de geschiedenis van de besluitvorming. Is het hem bekend dat na 1991 en specifiek in 1993 door de gemeenteraden van Uden en Veghel is besloten om te stoppen met de discussie over herindeling? Het eerste besluit daarna werd pas in de nieuwe situatie in 1995/1996 genomen.

De heer Wöltgens (PvdA): De drie gemeenteraden hadden hier echter consensus over bereikt. Ik bedoel dan de meerderheden, want er zijn natuurlijk altijd minderheden. In Uden was het de VVD-fractie die in een zeer laat stadium de omslag bewerkstelligde. Daaraan vooraf ging evenwel een consensus van mensen die de streek kennen. Zij hebben herhaaldelijk de kans gehad om, voordat het wetsvoorstel werd opgesteld, te zeggen dat bepaalde dingen hen te ver gingen. Dat zou ook niet de schoonheidsprijs hebben verdiend, maar nu is de omslag vlak voor de behandeling in de Tweede Kamer gemaakt.

Hiermee kom ik op de vraag hoe je die omslag in Uden moet beoordelen en welke consequenties je daaruit moet trekken. Ik vraag hier echt de aandacht voor van mijn collega’s. Zij weten dat ik absoluut geen voorstander ben van grootschalige herindeling; de staatssecretaris weet dat ook. Ik vraag mij af welke dienst zij aan hun eigen uitgangspunten bewijzen, als zij hier in de Eerste Kamer het verzoek van een gemeente om zich in het laatste stadium van een oorspronkelijk eensgezind proces terug te mogen trekken, gaan honoreren. Dit zal naar mijn gevoel de consequentie hebben dat er in het gebied onzekerheid blijft bestaan; ik zei dat al. Wat ik nog erger vind, is de precedentwerking die uitgaat van het honoreren van het proces dat zich daar heeft afgespeeld.

In dat verband zie ik twee elementen opduiken. In de eerste plaats kun je je heel goed voorstellen dat, als het zich op het laatste moment terugtrekken nu gehonoreerd wordt, gemeenten die zich bedreigd voelen door herindeling, tactisch gezien allerlei combinaties gaan maken, met in hun achterhoofd dat zij zich altijd nog op het laatste moment kunnen terugtrekken en dat zij intussen in ieder geval kunnen bereiken dat noch de provincie, noch de regering haar eigen zin kan doorzetten. Het tweede element dat ik in dit verband zie, vind ik nog veel ernstiger. De heren Wiegel, Staal en Hirsch Ballin zouden dit ook tot zich moeten laten doordringen; ik zou haast zeggen: als kleinschaligen onder elkaar. Wij zullen nooit meer echt geloven in processen die van onderop tot stand komen. Wij zullen altijd denken aan Uden, Veghel en Boekel. Wij zullen altijd het gevoel hebben dat er gebruik wordt gemaakt van een bepaalde tactiek om een grootschaliger voorstel te voorkomen. Het wordt dan niet meer serieus genomen. Degenen die nu nog aarzelen of zij voor of tegen zullen stemmen – ik houd het nog even op ’’aarzelen’’ om ze de kans te geven met een loyaal gebaar toch positief over het wetsvoorstel te worden – lopen het grote gevaar verantwoordelijk te worden gesteld voor het feit dat wat wij graag wilden, namelijk dat herindelingen zijn gebaseerd op vrijwilligheid en onderlinge afspraken, voor de toekomst volstrekt wordt ondermijnd door het nu honoreren van het zich op het laatste moment terugtrekken van één van de gemeenten.

De heer Wiegel (VVD): De heer Wöltgens schetst een buitengewoon traumatisch beeld, maar daar is geen enkele reden voor. Als dit wetsvoorstel wordt verworpen, dan zullen wij komende wetsvoorstellen ook gewoon op inhoudelijke gronden bekijken. Het gaat mijn fractie in eerste instantie helemaal niet om het feit dat één gemeente van mening verandert. Het gaat ons om de inhoudelijke argumenten. De inhoudelijke argumenten draaien allemaal om de vraag, of het vanwege ruimtelijke problemen noodzakelijk is om tot die samenvoeging te komen. Daarvoor is geen enkel argument aangevoerd.

De heer Wöltgens (PvdA): Mijn punt is - daarover was hier consensus ontstaan - dat wij helemaal niet inhoudelijk willen opereren als wij in staat zijn om ons procedureel te beperken tot een marginale toets en als wij de zekerheid hebben dat datgene wat in de vorm van een wetsvoorstel bij ons komt helemaal van onderop komt. Daarover bestond grote consensus. Op dat moment moet er niet meer worden gediscussieerd met de raadsleden van Veghel, met de minderheid van Uden, of met de meerderheid of de minderheid van Boekel. Dat is onze taak dan niet meer. Wij moeten constateren of er sprake is van eensgezindheid, of de mensen hun eigen situatie kennen, of zij weten wat zij al dan niet als een gemeenschap beschouwen en wat voor bestuurlijke organisatie zij willen. Dan treden wij, die het allemaal niet zo goed weten als de mensen die daar wonen, bescheiden terug. Wij gaan ons dan niet meer met de inhoud daarvan bemoeien.

Voorzitter: Korthals Altes

De heer Wiegel (VVD): Voorzitter! Dat is een hoogst merkwaardige vaststelling van zaken. Wij beoordelen in deze Kamer wetsvoorstellen. Soms praten wij heel kort over wetsvoorstellen, maar over dit wetsvoorstel is ook in de Tweede Kamer uitgebreid van gedachten gewisseld. Het is dan toch heel normaal om ook vanuit deze Kamer kanttekeningen te plaatsen? Waarvoor bestaan wij anders?

De heer Wöltgens (PvdA): Neen, de heer Wiegel zit nu toch een beetje fout. Uiteraard mag deze Kamer zich bemoeien met alle mogelijke onderwerpen die hier aan de orde komen, maar daar gaat het niet om. Ik herhaal dat in elk geval bij de grote partijen de wens bestaat om tot een procedure te komen waarbij, als men op vrijwillige basis tot overeenstemming komt over samenvoeging en bestuurlijke eenheden, zowel regering als Kamers zich beperken tot marginaal toetsen. Ik sta hier overigens niet om iemand te verbieden om niet marginaal te toetsen. Ik sta hier iets aan te prijzen wat mij buitengewoon verstandig lijkt.

De heer Wiegel (VVD): Maar de heer Wöltgens moet toch ook de actualiteit een beetje in het oog houden. Er bestaat tussen de drie gemeenten helemaal geen eensgezindheid over het vrijwillige karakter. Daar is geen sprake van!

De heer Wöltgens (PvdA): Dan komt mijn tweede punt. Eén gemeente trekt zich op het allerlaatste moment terug, althans de meerderheid slaat om. Op 10 juli jongstleden kwam er overigens nog een telegram van Boekel, maar dat was de consequentie van het voorafgaande. De vraag die zich dan voordoet, is of de Eerste Kamer dat moet honoreren. Daarbij moet zij zich uiteraard afvragen welke consequenties dat heeft. Binnenkort komt er een wetsvoorstel aan de orde met betrekking tot Horst, gelegen in Limburg. Daarbij is sprake van vrijwilligheid, ook gebaseerd op de angst dat men wel eens kan worden binnengehaald door Venlo. Daarom heeft men zich keurig aan een en ander geconformeerd. Dat wetsvoorstel komt ook bij ons terecht. Stel echter dat men van die kant denkt: het heeft zijn functie gehad, want alleen Tegelen komt nu bij Venlo. Of: het heeft zijn functie gehad, want Venlo blijft zichzelf. Of: het heeft zijn functie gehad, want wij zijn niet in het herindelingsgebied opgenomen, omdat wij ons vrijwillig hebben geconformeerd. Stel dat één van de gemeenten zich vervolgens terugtrekt. Ik vraag de heer Wiegel naar wat de consequentie moet zijn van het gedrag dat hij hier dreigt te vertonen. Hij zou dan weer moeten zeggen: inderdaad, nu het grondvlak ontvallen is aan deze samenwerking, ben ik gedwongen om tegen te stemmen. Op die manier wordt de serieusheid van het proces van onderop ondergraven.

De heer Wiegel (VVD): Onze opstelling is niet het gevolg van het feit dat men in de verschillende gemeenten van mening is veranderd. Onze opstelling ten opzichte van het wetsvoorstel wordt bepaald door het feit dat wij op inhoudelijke gronden grote bezwaren hebben tegen dit voorstel en geen enkele inhoudelijke argumentatie voor dit voorstel hebben gehoord.

De heer Wöltgens (PvdA): Dat lijkt mij een diskwalificatie van de door u zo hoog geachte collega Remkes van de overkant, die op basis van non-argumenten of gebrek aan argumentatie heeft besloten om dit wetsvoorstel te steunen.

De heer Wiegel (VVD): Ik zal straks de stemverklaring van de heer Remkes nog eens voorlezen. Dan kunt u zien dat hij ermee heeft geworsteld.

De heer Wöltgens (PvdA): Hij heeft er zeker mee geworsteld.

Mevrouw Schoondergang-Horikx

(GroenLinks): De heer Wöltgens pakt maar een klein stukje uit de geschiedenis en wel dat gedeelte dat hem het beste uitkomt. Hij benadrukt het belang van de argumentatie en van de standpuntbepaling van de mensen in de regio, die het beste weten wat er moet gebeuren. Verder haalt hij drie besluitvormingen aan. Hij vergeet echter de laatste cruciale besluitvorming van diezelfde mensen in diezelfde regio’s, namelijk dat zij ten slotte tot het standpunt zijn gekomen dat het niet meer door moet gaan. De heer Wöltgens verwijt de andere partijen dat zij alleen met minderheden hebben gepraat. Hoe komt hij erbij dat er alleen met minderheden is gesproken in die gemeenten?

De heer Wöltgens (PvdA): Ik kan mij niet herinneren dat ik dat verwijt heb gemaakt. Als u echter met minderheden heeft gepraat, moet ik u daarom prijzen.

Mevrouw Schoondergang-Horikx

(GroenLinks): Ik ga niet alleen met minderheden praten. U zei verder dat de Eerste Kamer niet meer serieus zou worden genomen.

De heer Wöltgens (PvdA): Niet de Eerste Kamer, maar het proces van onderop wordt dan niet meer serieus genomen.

Mevrouw Schoondergang-Horikx

(GroenLinks): Ik denk dat dat proces van onderop steeds serieuzer wordt. Ik denk dat dat een gevolg is van het feit dat gemeentebesturen zich wel twee of drie keer achter de oren gaan krabben voordat zij meegaan in zo’n proces van schaalvergroting. Als dat het gevolg zou zijn van het afstemmen in de Eerste Kamer, is dat meegenomen.

De heer Wöltgens (PvdA): De inschatting van de consequentie van het gedrag van de Eerste Kamer loopt kennelijk uiteen. Ik geef u op een briefje dat als u vandaag op grond van het feit dat de meerderheid in Uden is omgeslagen, dit initiatief van onderop afwijst, u nog vele keren zult worden geconfronteerd met de consequentie daarvan of wellicht helemaal niet meer, omdat niemand meer een initiatief van onderop serieus neemt. Dat is wel het ergste wat de uitkomst van dit debat zou kunnen zijn. Ik geef mijn collega’s dan ook in overweging daar nog eens goed over na te denken.

De heer De Wit (SP): Als de heer Wöltgens, zoals hij ook heeft betoogd, er voorstander van is om ook in deze situatie marginaal te toetsen, dan betekent dat hopelijk niet dat hij dat uitlegt als: wij kijken er wel even naar. Marginaal toetsen betekent dat u als medewetgever moet beoordelen of in redelijkheid hier ingestemd kan worden met een voorstel. Hij kan zich dan toch niet beperken tot wat er voor 1995 of voor juli 1997 is gebeurd?

De heer Wöltgens (PvdA): Als de drie raden in alle redelijkheid herhaaldelijk dit proces hebben gesteund en het eens waren dat deze samenvoeging gewenst was, dan mag ik toch in redelijkheid veronderstellen dat dit wetsvoorstel absoluut niet een tegendraads wetsvoorstel is en dat het past in het denken dat zich daar lange tijd heeft ontwikkeld.

De heer Hirsch Ballin (CDA): Ik wil even teruggaan naar de vraag die ik zojuist per interruptie aan de heer Wöltgens stelde en die hij toen als het ware heeft verdaagd. Inmiddels hebben wij een aantal omwentelingen door het onderwerp gehad die het misschien nodig maken om die vraag even in herinnering te roepen. De heer Wöltgens zei dat hij ons uitgangspunt deelde over de relatie tussen gemeente en gemeenschappen, zoals dat eertijds door mijn fractie is verwoord: zo klein als mogelijk, zo groot als nodig. Als je dan kijkt naar Uden, Veghel en Boekel, moet hij het dan niet met ons eens zijn dat er geen einde hoeft te worden gemaakt aan het zelfstandig bestaan van deze gemeenten?

De heer Wöltgens (PvdA): Als men een puur technische maatlat zou aanleggen, dan heeft de heer Hirsch Ballin gelijk. Het verbaast mij echter dat de heer Hirsch Ballin het in Den Haag beter denkt te weten dan de volksvertegenwoordigers in de drie gemeenten die hun gebied goed kennen en weten of hun gemeenschap ermee gediend is of niet en die zich goed gerealiseerd hebben of de harmonieën al dan niet blijven bestaan na de fusie. Deze mensen hebben er herhaaldelijk mee ingestemd dat dit de goede bestuursvorm voor hen zal zijn. Wie zijn wij dan dat wij uit gemeenschapsoverwegingen het beter zouden weten dan de mensen die deze gemeenschap zelf vormen? Dat vind ik marginaal toetsen.

De heer Hirsch Ballin (CDA): Voorzitter! Ik wil hierop even heel kort reageren. Wij zullen hierop in tweede termijn terugkomen. De heer Wöltgens kan ervan verzekerd zijn dat of ik nu hier in Den Haag ben of thuis in Brabant mijn benadering dezelfde is. Mijn benadering is er een die bij velen in de standpuntbepalingen in de gemeenteraden en daarbuiten doorklinkt. Ik dacht even dat de heer Wöltgens die ook onderschreef.

De heer Staal (D66): Voorzitter! Het heeft even geduurd, voordat ik naar de microfoon liep, maar ik had nog niet eerder het begrip denkfout in combinatie gebracht met de heer Wöltgens. Hij benadrukt zeer dat zijn vertrekpunt het standpunt van de gemeente is. Gaat hij er daarbij van uit dat er volstrekt geen kader behoeft te zijn vanuit de rijksoverheid?

De heer Wöltgens (PvdA): Ik zou mij beperken tot echt marginaal toetsen als er iets gebeurt dat dwars ingaat tegen bestaand rijksbeleid. Ik vind overigens dat dit rijksbeleid zo terughoudend mogelijk moet zijn. Je moet daarbij op zichzelf accepteren dat als men daar dwars tegen ingaat, dit van onderen opkomt. Je dient je dan zeer terughoudend op te stellen. De staatssecretaris heeft dat in dit geval ook gedaan, hoewel zij er nu op gekapitteld wordt! Zij heeft met zoveel woorden gezegd dat als zij zelf een wetsvoorstel had moeten opstellen en niet geluisterd had naar de drie gemeenteraden, er misschien wel een heel ander voorstel zou zijn gekomen. Zij heeft zich in dit geval terughoudend opgesteld en tot een marginale toets beperkt, hetgeen zeer te prijzen is.

De heer Staal (D66): Gaat de heer Wöltgens er dan niet van uit dat het kader dat de rijksoverheid zou moeten aangeven en dat het kabinet zou moeten uitzetten als beleid voor herindeling iets zegt over de omvang die nodig is om te kunnen spreken van een zelfstandige gemeente? Zelfstandigheid heeft alles te maken met het huis van Thorbecke, namelijk de autonomie van de gemeente. Als er inderdaad sprake is van een bepaalde zelfstandigheid bij zo’n 30.000 inwoners, moet je echt goede argumenten hebben om twee niet bij elkaar liggende gemeenten samen te voegen. Je kunt dan toch niet alleen op basis van die aanvankelijke wilsovereenstemming tussen gemeenteraden voortploegen als nadien iets anders blijkt? Ik vraag dit nog afgezien van het feit dat een enquête onder de burgerij meer tegenstemmers dan voorstemmers opleverde. Ik ga dan voorbij aan het feit dat 45% neutraal heeft gestemd. Je kunt dan toch niet zomaar zeggen dat de aanvankelijke wens dicterend moet zijn en dat wij niet moeten kijken naar het kader dat de regering schept?

De heer Wöltgens (PvdA): Die terloopse opmerkingen over de enquêtes bevallen mij niet helemaal. Gelukkig wordt in deze Eerste Kamer zelden of nooit de NIPO-uitslag gebruikt om te beoordelen of wij voor of tegen een wetsontwerp moeten stemmen. Daarvoor hebben wij nu eenmaal een representatieve democratie die een keer in de zoveel tijd door de kiezers wordt afgerekend. Laten wij deze vorm van democratie in hemelsnaam in ere houden en niet vervangen door NIPO-enquêtes of wat daar op lijkt. Laten wij dus niet de legitimatie van de gemeenteraden van Boekel, Uden en Veghel ondergraven door met dit soort argumenten naar voren te komen.

Het tweede punt vormde de kwestie van het beleidskader. Misschien heb ik de consensus te minimalistisch geïnterpreteerd. Naar mijn mening bestond die consensus vooral hieruit dat niet alleen wij, maar ook de heer Staal vond, gezien zijn opmerking over Boekel, dat er een minimumgrens moet zijn. Er moet een basis zijn op grond waarvan een gemeente de eigen autonome bevoegdheden op een kwalitatief goede manier kan uitoefenen. Die grens ligt boven het aantal van 8000 inwoners van Boekel. Ik kan mij niet goed voorstellen dat wij ook een bovengrens hebben vastgesteld waardoor 80.000 inwoners te veel zou zijn. Over de bovengrens bestond geen consensus. Dan blijft de vraag: moet ik mij nu verdiepen in de vraag of Veghel, Uden, enz. goed met elkaar samengaan als de betrokken volksvertegenwoordigers het er eigenlijk tot op het laatste moment over eens waren dat dat wel goed ging? Dat blijft dus mijn probleem met een aantal opmerkingen en discussiepunten die hier in de Eerste Kamer naar voren zijn gebracht.

Voorzitter! Na de beantwoording van de interrupties kan ik mijn betoog beëindigen en heb ik mijn bijdrage geleverd.

De voorzitter: U heeft inderdaad kans gezien om uw opgegeven spreektijd ruimschoots te vullen door de beantwoording van de interrupties. Die waren overigens van minderheden.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter: De verdere behandeling zal plaatsvinden na de theepauze en na afhandeling van wetsvoorstel 24577, R1562. Tijdens de theepauze zal de internetsite van deze Kamer officieel in gebruik worden genomen.

De vergadering wordt van 15.25 uur tot 15.55 uur geschorst.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.