Brief minister en staatssecretaris met het kabinetsstandpunt inzake het bestuurlijk eindperspectief van de kaderwetgebieden - Bestuurlijk eindperspectief kaderwetgebieden

Deze brief is onder nr. 1 toegevoegd aan dossier 25287 - Bestuurlijk eindperspectief kaderwetgebieden.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Bestuurlijk eindperspectief kaderwetgebieden; Brief minister en staatssecretaris met het kabinetsstandpunt inzake het bestuurlijk eindperspectief van de kaderwetgebieden 
Document­datum 27-03-1997
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST20484
Kenmerk 25287, nr. 1
Van Binnenlandse Zaken (BIZA)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1996–1997

25 287

Bestuurlijk eindperspectief kaderwetgebieden

Nr. 1

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

’s-Gravenhage, 27 maart 1997

Hierbij bieden wij u het kabinetsstandpunt inzake het bestuurlijk eindperspectief van de kaderwetgebieden aan.

In deze notitie geeft het kabinet duidelijkheid omtrent de gewenste bestuurlijke vormgeving van elk van de zeven kaderwetgebieden.

Hiermee wordt een belangrijke stap gezet in de afronding van de discussie over de vernieuwing van de bestuurlijke organisatie in de regio’s Rotterdam, Amsterdam, Haaglanden, Zuidoost-Brabant, Utrecht, Arnhem-Nijmegen en Twente.

De Minister van Binnenlandse Zaken, H. F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, A. G. M. van de Vondervoort

KABINETSSTANDPUNT BESTUURLIJK EINDPERSPECTIEF KADERWETGEBIEDEN

  • 1. 
    Inleiding

Met deze notitie «Bestuurlijk eindperspectief kaderwetgebieden» geeft het kabinet duidelijkheid over de gewenste bestuurlijke vormgeving van de zeven kaderwetgebieden. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet in de afronding van de discussie over de vernieuwing van de bestuurlijke organisatie in deze gebieden.

Nieuwe locaties voor woningbouw en bedrijfsvestiging, verkeer- en vervoersverbindingen die onvermijdbare mobiliteit beter kunnen reguleren, kwalitatieve verbetering van de leefbaarheid in binnenstedelijk gebied, onvoldoende op elkaar passen van beschikbaar werk en de kwaliteiten van werkzoekenden, dreigend isolement van kwetsbare bevolkingsgroepen, beter gebruik kunnen maken van de economische en culturele aanjaagfunctie van de steden: het waren en zijn dwingende redenen om te zoeken naar betere bestuurlijke sturingsmogelijkheden voor de ontwikkeling in een samenhangend stedelijk gebied. Daarbij gaat het er met name om of er een vorm te vinden is die daarop toegesneden is en qua takenpakket en schaal voldoende adequaat is om die ontwikkelingen in de stedelijke gebieden te kunnen begeleiden en stimuleren. Dat kan een stadsprovincie zijn, maar ook een reëel vergrote centrumgemeente. Alleen door een efficiënter, effectiever en democratischer aanpak van de grootstedelijke en regionale problemen worden deze gebieden in staat gesteld om niet alleen problemen op te lossen, maar ook om geboden kansen te benutten. De uitgangspunten vernieuwing bestuurlijke organisatie zoals neergelegd in de kabinetsnotitie van 13 maart 1995 zijn onverkort van toepassing.

In september 1995 heeft het kabinet in zijn standpunt «De vernieuwing van de bestuurlijke organisatie» en het daarbij behorende beleidskader gemeentelijke herindeling, aangegeven op welke wijze het de bestuurlijke inrichting in ons land verder wil ontwikkelen. Centraal daarbij staat de terugkeer naar de bestuurlijke hoofdstructuur van gemeente, provincie en rijk. De bestuurslagen moeten zo worden ingericht dat autonomie en integraal bestuur maximaal materieel inhoud kunnen krijgen. Dit is leidraad bij de discussie over de herverdeling van (regionale) taken, de gemeentelijke herindeling, o.a. in het kader van het C20-beleid, en de uitvoering van de Kaderwet bestuur in verandering.

In april 1996 is het kabinetsstandpunt, naar aanleiding van de gang van zaken rond de regio Rotterdam, aangevuld met de notitie «Vervolgtraject vernieuwing van de bestuurlijke organisatie». Belangrijk element uit deze notitie was het voornemen van het kabinet een externe commissie advies te vragen over de inrichting en begrenzing van een nieuw «versterkt grootstedelijk bestuur» in de regio Rotterdam. Deze commissie (de commissie Andriessen) heeft op 22 oktober 1996 haar advies «De toekomst wacht niet. Rotterdam: een werkbaar perspectief» uitgebracht. Essentie van dit advies is dat de vorming van een stadsprovincie Rotterdam in de reeks van bestuurlijke varianten de beste oplossing is. Het kabinet onderschrijft deze oplossingsrichting en heeft mede om die reden voor de regio Rotterdam een eigen traject ter voorbereiding van een stadsprovincie in gang gezet.

In het standpunt van april 1996 heeft het kabinet aangegeven ook voor de regio Amsterdam een vergelijkbaar bestuurlijk eindperspectief noodzakelijk te vinden.

Met de overige vijf kaderwetgebieden, te weten de regio’s Haaglanden, Utrecht, Zuidoost-Brabant, Arnhem-Nijmegen en Twente, zijn in november 1995 afspraken gemaakt over een vervroegde evaluatie van de Kaderwet bestuur in verandering. Een woord van dank is op zijn plaats aan de besturen van de betrokken gemeenten, regio’s en provincies. Zij zijn alle, zonder uitzondering, de gemaakte afspraken nagekomen. Ondanks de relatief korte functioneringsperiode van de ROL-besturen en onder aanzienlijke tijdsdruk zijn evaluatierapporten van hoge kwaliteit tot stand gebracht. Laatste stap in de evaluatie is een beslissing van het kabinet over het uiteindelijke bestuursmodel in de betrokken regio’s. Daarbij gaat het om de keuze voor de ontwikkeling van een stadsprovincie, of voor een aanzienlijke versterking van gemeenten, in het bijzonder de centrum-gemeente(n), door gemeentelijke herindeling, in combinatie met een herverdeling van taken, zoals die in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg tot stand is en wordt gebracht.

De evaluatierapporten bevestigen dat in elk van de kaderwetregio’s aanpassing van de bestuurlijke organisatie noodzakelijk is. Het kabinet heeft voor elk van de gebieden een afweging tussen beide alternatieven gemaakt. Zoals vastgelegd in de beleidsnotitie Vernieuwing bestuurlijke organisatie van september 1995, hanteert het kabinet het uitgangspunt dat in Nederland niet meer dan twee soorten provincies bestaan. Daarbij gaat het om de provincies zoals we die meer traditioneel in Nederland kennen en om wat nu nieuw wordt gemaakt: de stadsprovincie.

De stadsprovincie vervangt in een groot en complex stedelijk gebied de huidige provincie en een deel van het gemeentelijk bestuur. Daarenboven worden een aantal extra bevoegdheden en verantwoordelijkheden toegekend om als overheid beter te kunnen sturen en reageren op ontwikkelingen en vraagstukken die zich in de aangewezen grootstedelijke gebieden voordoen. Het takenpakket voor de stadsprovincies zal gebaseerd zijn op het advies zoals de commissie Andriessen dat uitbracht. Eventuele verschillen tussen stadsprovincies zullen uitsluitend aan de orde kunnen zijn als objectieve verschillen in omstandigheden daartoe noodzaken.

De beleidsmatige overwegingen die aan de keuze van het kabinet ten grondslag liggen zijn in deze brief opgenomen. De verschillende elementen uit het «referentiekader» (Kamerstukken II, 19 956–1996, 21 427, nr. 117), dat als nadere uitwerking van de evaluatiecriteria geldt, zijn in die overwegingen betrokken.

  • 2. 
    De regio Rotterdam

Op 22 oktober 1996 heeft de commissie Andriessen haar advies over de regio Rotterdam uitgebracht. Ten behoeve van dit advies is de commissie zorgvuldig nagegaan hoe over de urgentie van de inhoudelijke problematiek in het grootstedelijk gebied Rotterdam wordt gedacht. Het is de commissie gebleken dat er een grote mate van eensgezindheid bestaat over de noodzaak van een krachtige geïntegreerde aanpak van de sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkelingen in de regio Rotterdam. In het advies worden ter illustratie genoemd: de forse investeringen die de Rotterdamse haven moet plegen, de achterblijvende ontwikkelingen in de werkgelegenheid, de hoge werkloosheid aan met name de onderkant van de arbeidsmarkt, de verslechterde bereikbaarheid van de regio, het tekort aan betaalbare woningen en de sociale achterstand in bepaalde stadswijken. Alles overwegende komt de commissie tot het oordeel dat de vorming van een stadsprovincie Rotterdam in de reeks van bestuurlijke varianten de beste oplossing is.

Het kabinet heeft bij brief van 5 november 1996 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1996–1997, 25 096, nr. 1) een standpunt op hoofdlijnen kenbaar gemaakt. Volgens het kabinet komt de commissie Andriessen met overtuigende argumenten om snel een stadsprovincie Rotterdam in te stellen. Het kabinet heeft daarom snel werk willen maken van de voorbereiding van een interimvoorziening in de lijn die door de commissie is gesuggereerd. Dit is te meer van belang gezien de concurrentiepositie van de regio.

In het debat met de Tweede Kamer over het advies-Andriessen en de reactie van het kabinet daarop heeft een groot deel van de Tweede Kamer de urgentie onderschreven van een bestuurlijke oplossing in de regio Rotterdam. Bij motie (Kamerstukken II, 1996–1997, 25 096, nr. 2) is het kabinet verzocht om nog vóór de zomer van 1997 een tijdelijke wettelijke voorziening voor de totstandkoming van een grootstedelijk regionaal bestuur in de regio Rotterdam bij de Tweede Kamer in te dienen. Een daartoe strekkend concept-voorstel voor een Interimwet is op 13 januari 1997 voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Het advies van de Raad van State heeft het kabinet inmiddels ontvangen. Binnen enkele weken zal het kabinet het nader rapport, het voorstel voor een Interimwet stadsprovincie Rotterdam en de daarbij behorende memorie van toelichting aan de Tweede Kamer aanbieden.

Het kabinet blijft van mening dat de stadsprovincie Rotterdam een sterk takenpakket moet krijgen om de hierbovengenoemde vraagstukken adequaat aan te pakken.

Daarin past dat de stadsprovincie ook over voldoende financiële sturingsmiddelen moet beschikken.

Met de commissie Andriessen is het kabinet van mening dat de toekomstige stadsprovincie Rotterdam een krachtig provinciaal grondbeleid moet voeren. Voor het kabinet is het uitgangspunt dat voor strategische locaties (woningen, bedrijven, grootschalige voorzieningen) de verantwoordelijkheid voor het beleid en de uitvoering (inclusief een provinciaal grondbedrijf) daarvan bij de stadsprovincie berust. Vele gemeenten in de stadsregio Rotterdam, maar ook de Tweede Kamer, hebben kanttekeningen geplaatst bij het voorstel van de commissie Andriessen betreffende het grondbeleid. Met name de vraag in welke mate gemeenten nog de ruimte hebben voor eigen grondbeleid gegeven de beoogde verantwoordelijkheid van de stadsprovincie. Voor het kabinet was dit de aanleiding om een extern adviesbureau een opdracht te geven om het kabinetsstandpunt inzake het provinciaal grondbeleid nader uit te werken. Mede op basis van dit advies zal het kabinet de precieze vormgeving bepalen en dit in de Lex Specialis verwerken.

Het kabinet is tevens gevraagd duidelijkheid te scheppen over de afbakening van het grondgebied van de stadsprovincie Rotterdam. In de eerder genoemde brief van 5 november 1996 heeft het kabinet, conform het advies van de commissie Andriessen, aangegeven dat een evenwicht in de bestuurlijke balans, naast de door de commissie Andriessen gesuggereerde verschuiving in taken en bevoegdheden, mede te bereiken is door een beperkte gebiedsuitbreiding, met name de Hoeksche Waard. Het kabinet is derhalve van mening dat dit gebied onderdeel uit moet maken van de stadsprovincie Rotterdam.

Met betrekking tot de Drechtsteden is conform de wens van de Tweede Kamer in overleg met de betrokken gemeenten afgesproken dat de voor-en nadelen van samenvoeging met de stadsprovincie Rotterdam zullen worden beschreven. Toevoeging van de Drechtsteden aan de stadsprovincie Rotterdam zou alleen overwogen kunnen worden als dat een meerwaarde oplevert voor het functioneren van de stadsprovincie Rotterdam.

Ten aanzien van de indeling van Goeree-Overflakkee houdt het kabinet nadrukkelijk vast aan de eerder voorgestelde toevoeging van dit gebied aan de provincie Zeeland.

Inzake het voorstel voor een Interimwet stadsprovincie Rotterdam heeft het kabinet zich op het volgende standpunt gesteld. Het kabinet blijft het van belang vinden dat via een interimfase toegewerkt wordt naar de instelling van de stadsprovincie Rotterdam per 1 januari 2000. De aanstelling van een kwartiermaker is in deze optiek voor het kabinet noodzakelijk. De kwartiermaker bereidt onder meer de verkiezingen voor, doet voorstellen inzake de toekomstige organisatie, zet het reorganisatietraject uiteen, maakt personeelsplannen en voert overleg met de betrokkenen.

Over de kabinetsvoorstellen inzake de rechtstreekse verkiezingen van het pre-provinciaal bestuur, de overdracht van het bestuur en beheer van de Rotterdamse Haven en de overheveling van het Havenbedrijf in de interimfase zijn kritische opmerkingen geplaatst door vrijwel alle betrokken besturen in de stadsregio Rotterdam en het provinciaal bestuur van Zuid-Holland. Inmiddels is ook het advies van de Raad van State ontvangen. Gegeven deze situatie zal het kabinet zich beraden of en zo ja in welke vorm de hierbovengenoemde onderwerpen in de Interimwet aanpassing behoeven.

In de eerder genoemde motie is het kabinet tevens gevraagd de verdeling van taken en bevoegdheden tussen de stadsprovincie Rotterdam en de inliggende gemeenten te concretiseren. Het kabinet zal bij de aanbieding van de Interimwet aan de Tweede Kamer een conceptontwerp voor een Lex Specialis Rotterdam voegen.

  • 3. 
    De regio Amsterdam

In de regio Amsterdam ligt onder meer één van de twee mainports van ons land, de luchthaven Schiphol, alsmede de op één na grootste zeehaven van ons land. Zij is daarmee van essentieel belang voor de transport- en distributiefunctie van Nederland. Van bijzondere betekenis in economisch opzicht is ook de sector van zakelijke en financiële dienstverlening in de regio Amsterdam. Voor het behoud van de (inter)nationale positie van de regio Amsterdam is een optimaal vestigingsklimaat noodzakelijk, met een samenhangend, veelzijdig pakket van voorzieningen binnen de regio als geheel. In cultureel opzicht vervult de hoofdstedelijke regio een vergelijkbare toonaangevende rol. Dit draagt bij aan de attractiviteit van de regio voor investeerders en toeristen, maar ook aan de leefbaarheid en maatschappelijke samenhang binnen het gebied. Versterking van de regio in ruimtelijk en economisch opzicht zal gepaard moeten gaan met een betere omgang met en benutting van het in de regio aanwezige menselijk potentieel. De ontwikkelingen op het gebied van onder meer de werkgelegenheid, de toename van maatschappelijke tegenstellingen, gebrek aan scholing, dreigende segregatie, criminaliteit en gevoelens van onveiligheid baren zorgen. Alle functies in het gebied – wonen, werken, recreëren, infrastructuur etc. – leggen beslag op het schaarse goed ruimte. Dat vereist voortdurend een zorgvuldige afweging tussen uiteenlopende belangen als leefbaarheid, milieu en economie.

Een effectieve aanpak van de grootstedelijke en regionale opgaven in de regio Amsterdam vereist een integrale en structurele bestuurlijke aansturing op een daarbij passende schaal. Het bepalen van de meest adequate gebiedsomvang vergt een nadere kritische beoordeling omdat er geen sprake is van een volledig aaneengesloten stedelijk en economisch gebied, zoals in de regio Rotterdam het geval is. Daar tegenover staat dat in de regio Amsterdam sterke functionele samenhangen bestaan, zoals bijvoorbeeld met de mainport Schiphol, maar ook met het Noord-zeekanaalgebied. Het zeehavengebied en de daaraan gerelateerde bedrijvigheid heeft een belangrijke economische functie voor Nederland in het algemeen en de regio Amsterdam in het bijzonder. Ook op het gebied van volkshuisvesting en infrastructuur bestaan sterke relaties tussen Amsterdam en de omliggende gemeenten. Genoemde samenhangen dienen bij de voorbereiding van een beslissing over de meest adequate bestuurlijke structuur en schaal nadrukkelijk in de afweging te worden betrokken.

In de notitie «Vervolgtraject vernieuwing van de bestuurlijke organisatie» (april 1996) spreekt het kabinet uit dat een «versterkt grootstedelijk bestuur» voor de regio Amsterdam gewenst is. Een nadere verkenning naar de gebiedsomvang in relatie tot een andere verdeling van taken en bevoegdheden is hierbij echter nodig. Dat verhindert het zetten van concrete stappen in de richting van een stadsprovincie voor de regio Amsterdam op dit moment. Een verlenging van de Kaderwet ligt in de rede. Dit wordt ook ingegeven door het vitale belang van realisatie van het vastgestelde regionale beleid, zoals VINEX en verkeer en vervoer. De samenwerking «à la carte» tussen het Regionaal Orgaan Amsterdam en de provincie Noord-Holland biedt hiervoor op de langere termijn onvoldoende soelaas. Daarom is het van essentieel belang dat het Regionaal Orgaan Amsterdam op basis van de Kaderwet de taken en bevoegdheden onverkort uitvoert. De verlengingstermijn kan dan tevens worden benut voor de nadere oriëntatie op de omvang van en samenhang binnen het grondgebied.

  • 4. 
    De regio Haaglanden

De regio Haaglanden ontleent zijn identiteit niet aan één specifieke mainport activiteit. Het functioneren van het gebied vindt zijn basis in drie economische pijlers: de functie van regeringsstad, het karakter van kennisregio en het agribusiness-complex in de regio. Deze pijlers brengen een veelheid aan bedrijvigheid en andere activiteiten met zich mee. Desondanks vertoont de regio Haaglanden in zijn huidige omvang een bestuurlijk en maatschappelijk samenhangend gebied, zowel op economisch, sociaal als cultureel terrein. Zowel de samenhangen als de aanzienlijke verschillen binnen de regio vragen om een regionale aanpak. Deze is ook noodzakelijk om de gewenste en geplande toekomstige ontwikkelingen te verwezenlijken. Het gebied biedt op de langere termijn in principe voldoende ruimtelijke mogelijkheden om nieuwe ontwikkelingen te kunnen opvangen. Uiteraard zijn daarbij de relaties met omliggende gebieden punt van aandacht. Dat geldt zeker ook voor de glastuinbouw.

De grootstedelijke en regionale opgaven in het stadsgewest Haaglanden komen in hoge mate samen binnen het grondgebied van de huidige regio Haaglanden. Veel vormen van functioneel bestuur zijn ook op niveau van het huidige stadsgewest georganiseerd. Het regionaal openbaar lichaam Haaglanden heeft op dit moment ten opzichte van andere kaderwetgebieden het meest zware en brede takenpakket. De regionale en grootstedelijke opgaven in het stadsgewest Haaglanden vergen een aanpassing van de bestuurlijke structuur. Een sterke stadsprovincie kan een structurele bijdrage leveren aan het versterken van de regio en het oplossen van de regionale problemen van Haaglanden en de problematiek van de gemeente Den Haag in het bijzonder. Voorwaarde is dat die stadsprovincie strategische taken en bevoegdheden krijgt op het gebied van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, economie en milieu. Dit uitgangspunt wordt op hoofdlijnen door het algemeen bestuur van Haaglanden onderschreven.

Om een definitieve beslissing te kunnen nemen zijn voor de regio Haaglanden, evenals voor vier andere kaderwetgebieden, varianten van gemeentelijke herindeling uitgewerkt. Aan de hand daarvan kan worden bezien of dit in deze regio een alternatief kan zijn voor de instelling van een stadsprovincie. Extra complicerende factor in dit gebied is de positie van de gemeente Den Haag. Van de vier grote steden is Den Haag de meest «beklemde stad» zowel financieel als geografisch. Door alle betrokken partijen in de regio wordt deze situatie als zorgelijk erkend. Wil gemeentelijke herindeling een structurele oplossing kunnen bieden voor de problematiek in Haaglanden in het algemeen en de gemeente Den Haag in het bijzonder, dan zal deze derhalve afdoende moeten zijn.

In de provinciale notitie «Alternatieven voor de bestuurlijke ontwikkeling in Haaglanden» van november 1996 worden twee alternatieven voor wijziging van de gemeentelijke grenzen geschetst. In de eerste plaats de zogenaamde bouwlocatie-ontwikkelingsvariant, waarbij het gaat om het toevoegen van te bebouwen gebied (i.c. de VINEX-bouwlocaties Ypenburg, Leidschenveen en Wateringseveld) aan de centrumgemeente. In de tweede plaats stelt de provincie een variant voor waarbij hele gemeenten aan Den Haag worden toegevoegd opdat op termijn, indien de bouwlocaties ontwikkeld zijn, een min of meer aaneengesloten stedelijk gebied ontstaat.

Afstemming van de ruimtelijke en economische ontwikkeling van het stedelijk gebied is in deze regio noodzakelijk. De provinciale voorstellen voor gemeentelijke herindeling zijn enerzijds, bezien vanuit de noodzaak om de centrumstad een voldoende regiefunctie te geven binnen dat spectrum, beperkt. Anderzijds lijkt een gemeentelijke herindeling op een schaal waarbij meerdere gemeenten zouden worden samengevoegd met Den Haag, een te grootschalig gemeentelijk bestuur in beeld te brengen, wat op gespannen voet staat met de uitgangspunten zoals neergelegd in de beleidsnotitie van september 1995.

Deze beperkingen bij een keus voor gemeentelijke herindeling moeten wel worden gelegd naast het gegeven dat een stadsprovincie Haaglanden tot gevolg heeft dat de huidige provincie Zuid-Holland wordt omgevormd tot drie nieuwe provincies.

Uitgaande van de vorming van de stadsprovincies Rotterdam en Haaglanden zoals eerder aangegeven, zal de dan te vormen provincie Zuid-Holland het gebied omvatten van de Duin- en Bollenstreek, de Leidse regio, het Groene Hart, de Alblasserwaard, Vijfheerenlanden en de Drechtsteden.

De subregio’s van deze provincie hebben slechts beperkte interne samenhang, en voor zover die aanwezig is, wordt die in hoge mate bepaald door de ligging in de Randstad als geheel. Daar staat naast dat zo’n situatie zich eveneens in andere provincies voordoet, waarin ook vaak meerdere subregio’s herkend worden.

Qua inwonertal (circa 1,2 miljoen), aantal gemeenten (55), ontwikkelingsperspectieven en voorzieningenniveau is sprake van een voor Nederlandse verhoudingen reële provincie.

Het kabinet stelt vast dat aan beide mogelijke keuzes een aantal bijna spiegelbeeldige voor- en nadelen zijn verbonden. Omdat de inhoudelijke sturingsmogelijkheden van de stadsprovincie in de regio Haaglanden kwalitatief het beste zijn, en de nadelen verbonden aan een driedeling van Zuid-Holland binnen aanvaardbare grenzen blijven, kiest het kabinet, na ampele overweging, voor de stadsprovincie in de regio Haaglanden.

Het kabinet zal met de betrokken besturen in overleg treden ter voorbereiding van de benodigde wetgeving. Voor de overgangsperiode is verlenging van de Kaderwet noodzakelijk.

  • 5. 
    De regio Zuidoost-Brabant

De regio Zuidoost-Brabant vormt in belangrijke mate een bestuurlijke en maatschappelijke entiteit. Voor een goede beoordeling van het meest wenselijke eindperspectief is een nadere beschouwing van de samenhang in de regio zinvol. De twee centrumsteden, Eindhoven en in iets mindere mate de gemeente Helmond, vormen het stedelijk hart van de regio. Zij zijn de motor in het streven naar een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische infrastructuur van de regio als geheel. De beide steden worden omringd door een stedelijk gebied en een landelijk gebied, waarvan de belangen met name op economisch terrein overwegend parallel lopen. De regio heeft zich mede daardoor kunnen ontwikkelen tot het belangrijkste centrum in Nederland op het gebied van de kennisintensieve industrie.

De laatste decennia heeft met name de noord-westrand van het stedelijk gebied zich expansief ontwikkeld qua bedrijvigheid, werkgelegenheid en verkeersinfrastructuur. De aanwezigheid van Eindhoven Airport heeft grote aantrekkingskracht op luchthavengebonden bedrijven, goederen-distributiecentra en daaraan verwante bedrijvigheid. In de oost-zuidrand van het stedelijk gebied zijn de verstedelijkingsontwikkelingen beduidend minder expansief en de economische potenties meer bescheiden. De daar bestaande, ecologisch waardevolle, groenstructuur wordt waar mogelijk versterkt als duurzame tegenhanger voor de voortschrijdende stedelijke ontwikkelingen. Het landelijk gebied ondervindt eveneens in toenemende mate druk van oprukkende verstedelijking, recreatie en toerisme, en milieuproblematiek als gevolg van intensieve veehouderij. De (voorspelde) afname van werkgelegenheid in de landbouw legt een claim op ruimte voor het creëren van vervangende werkgelegenheid en herstructurering van de landbouw.

Voor een antwoord op de vraag of de vorming van een stadsprovincie de inhoudelijke vraagstukken effectief kan aanpakken is het van belang te kijken naar de schaal waarop deze zich voordoen. In de praktijk blijkt dat vele vormen van functioneel bestuur op het schaalniveau van Zuidoost-Brabant zijn gebundeld, c.q. geïntegreerd. Op dat niveau ligt ook het zwaartepunt van de bovenlokale problematiek, zij het dat deze bovenlokale kwesties uitsluitend de grootstedelijke ontwikkelingen betreffen. De Regioraad van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven heeft zich in meerderheid voor het alternatief van de stadsprovincie uitgesproken. Desondanks is voor deze regio in het kader van de evaluatie van de Kaderwet de versterking van de centrumgemeente(n) als serieuze optie overwogen.

Het oplossend vermogen van het alternatief gemeentelijke herindeling, in combinatie met een herverdeling van taken, is in belangrijke mate afhankelijk van de vraag of een voldoende adequate variant realiseerbaar is. Rekening houdend met de ruimtelijke-economische ontwikkelingen in de komende 25 jaar en de bestuurlijke aansturing daarvan, is de door de provincie Noord-Brabant gedane suggestie naar ons oordeel niet geheel toereikend. De provincie stelt voor de gemeenten Helmond en Mierlo, alsmede een deel van de gemeente Someren (Lungendonk) samen te voegen. De gemeente Eindhoven zou in de ogen van de provincie moeten worden uitgebreid met de gemeenten Geldrop, Nuenen c.a. en Son en Breugel. Verder wordt een samenvoeging van de gemeenten Valkens- waard en Waalre voorgesteld. De gemeenten Best en Veldhoven blijven zelfstandig.

Het voorstel voor Helmond kan als voldoende worden aangemerkt. Het ontwikkelen van een optie die recht doet aan de bovenomschreven ruimtelijk-economische ontwikkeling van Eindhoven brengt echter meer problemen met zich mee. Een extrapolatie van de ruimtelijke en economische ontwikkeling naar de toekomst zou een versterking van de gemeente Eindhoven rechtvaardigen die het provinciale voorstel overstijgt. Reeds enkel vanuit ruimtelijk oogpunt zou het provinciale voorstel moeten worden aangevuld. Gezien de aanwezige uitbreidingscapaciteit voor woningen en bedrijven in de gemeenten Best(-West) en Oirschot (locatie De Hut/Strijpse Kampen) lag een aanvullend voorstel in deze richting in de rede. Ten minste zo belangrijk als aanwezige uitbreidingscapaciteit is een beoordeling of vanuit een oogpunt van ruimtelijk beheer en vanuit de volkshuisvestingsprocessen toevoeging van grondgebied aan de gemeente Eindhoven gewenst is. De voorgestelde uitbreiding in de richting van bijvoorbeeld Nuenen c.a. zal weliswaar geen aaneengesloten bebouwd stedelijk gebied opleveren, gezien de ecologisch waardevolle tussenzone, maar wel tegemoetkomen aan de ontwikkelingsrichting van Eindhoven en Helmond.

Wanneer een herindeling in de regio Zuidoost-Brabant rondom de gemeenten Eindhoven en Helmond tot stand wordt gebracht in overeenstemming met het hierboven genoemde, zullen twee sterke steden ontstaan. De belangrijkste grootstedelijke ontwikkelingen zullen zich naar verwachting voordoen op het grondgebied van de aldus gevormde gemeenten Eindhoven c.a. en Helmond c.a. De noodzakelijke sturing in het samenhangend stedelijke gebied kan dan worden gerealiseerd.

Het kabinet is van mening dat zowel de stadsprovincie als de hierboven genoemde gemeentelijke herindeling een goede bestuurlijke oplossing bieden. Alles afwegende spreekt het kabinet een voorkeur uit voor gemeentelijke herindeling. Een effectieve aanpak van de inhoudelijke vraagstukken in de regio Zuidoost-Brabant nù en in de toekomst moet optimaal worden verzekerd. De grootstedelijke en regionale problematiek in deze regio staan nièt toe dat als resultaat van de discussie over het bestuurlijk eindperspectief niet één van beide alternatieven gerealiseerd kan worden.

Het kabinet zal met de betrokken besturen in overleg treden over de wijze waarop de herindelingsprocedure vorm kan krijgen, en gaat ervan uit dat de herindeling dan ook spoedig kan worden geëffectueerd. Ter overbrugging van de periode die nodig wordt geacht voor realisering van de uiteindelijke herindelingsvariant is verlenging van de Kaderwet noodzakelijk.

  • 6. 
    De regio Utrecht

De sterke kanten van de regio Utrecht zijn gelegen in de grote diversiteit van functies. De unieke centrale ligging en de ontsluiting bepalen voor een groot deel de kwaliteit van de regio op o.a. economisch en infrastructureel gebied. Onderbrenging in één bestuurlijk kader zou voor tenminste het stedelijk kerngebied van Utrecht wenselijk zijn, gelet op de verwevenheid van problemen, belangen en het daarvoor bestaande beleid. De ontwikkeling en uitvoering van het ruimtelijk-economisch beleid in alle sectoren vergt een krachtig en operationeel bestuur op een daarbij passende schaal. Dit bestuur moet in staat zijn de uitvoering aan te sturen en realisering ervan mogelijk maken.

Voor de vorming van een stadsprovincie is de schaal van het huidige Bestuur Regio Utrecht niet optimaal. Een dergelijk grootstedelijk bestuur zou slechts een belangrijke betekenis hebben voor het samenhangend stedelijk gebied (de «oude» RBU-gemeenten, Zeist en Driebergen-Rijsenburg). De rest van het gebied is onvoldoende betrokken bij de oplossing van de grootstedelijke problematiek. Voor die delen van het Bestuur Regio Utrecht is het instellen van een stadsprovinciaal bestuur een te zwaar middel in verhouding tot de problematiek. Daar staat tegenover dat gezien de inhoud van de problematiek in het stedelijk kerngebied de vorming van een kleinere stadsprovincie Utrecht de voorkeur zou verdienen.

Echter, een dergelijke afweging doet afbreuk aan de bestuurlijke realiteit. Een aanpassing van de schaal door de vorming van een kleinere stadsprovincie creëert problemen voor de rest van het gebied. In een dergelijke situatie zou binnen het geheel van de Randstad gekeken moeten worden naar mogelijke grenswijzigingen met de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Gelderland. Dit is om politiek-bestuurlijke redenen niet opportuun.

In de provinciale notitie «Betrokken en krachtig bestuur» wordt een aantal voorstellen en varianten voor gemeentelijke herindeling in het gehele gebied van het Bestuur Regio Utrecht aangedragen. Voor de centrumgemeente Utrecht wordt samenvoeging met Vleuten-De Meern en delen van enkele andere gemeenten voorgesteld. Ruimtelijke argumenten spelen daarbij de hoofdrol. Ook voor het landelijk gebied wordt een reeks van voorstellen gedaan waarbij de vorming van bestuurskrachtige gemeenten in het landelijk gebied en sterke randgemeenten rondom de centrumsteden de leidraad zijn.

Bij de keuze voor gemeentelijke herindeling als alternatief voor de vorming van een stadsprovincie in deze regio, zou de meest wenselijke situatie ontstaan indien het gehele stedelijk gebied in één bestuurlijke hand wordt gebracht. Dat zou de meeste zekerheid bieden voor de toekomst van bijvoorbeeld het verkeers- en vervoersbeleid en de uitvoering van het VINEX-beleid. Deze variant, die het meeste recht doet aan de problemen waarvoor de regio zich gesteld ziet, zou echter leiden tot de vorming van een zeer omvangrijke geografische gemeente. Zowel inhoudelijk als bestuurlijk heeft het kabinet die weg in het beleidskader voor gemeentelijke herindeling reeds eerder van de hand gewezen. Het kabinet kiest daar dus niet voor. Een gemeentelijke herindeling moet desondanks zoveel mogelijk het voor de stedelijke functies te ontwikkelen gebied in handen van de centrumgemeenten brengen. Ook mag de ruimtelijk-economische ontplooiing van de regio niet worden gestremd door de veelheid aan overlegpartners, of door onvoldoende mogelijkheden om tot een integrale bestuurlijke aansturing van die ontwikkelingen door de centrumgemeente te komen.

De maximale varianten van de voorstellen van de provincie Utrecht kunnen, naast noodzakelijke ruimtelijke uitbreiding van de centrumgemeente, een evenwichtige versterking van de randgemeenten en de gemeenten in het landelijk gebied met zich mee brengen. Doordat een belangrijke afname van het aantal bestuurlijke eenheden kan worden gerealiseerd, lijken deze varianten voldoende mogelijkheden te bieden om als alternatief voor centrale coördinatie door een grootstedelijk bestuur te dienen.

De provincie Utrecht voert op dit moment een procedure op grond van de Wet arhi om tot een definitief herindelingsvoorstel te komen. De procedure bevindt zich momenteel in het stadium van open overleg. Ter overbrugging van de periode die nodig wordt geacht voor realisering van de uiteindelijke herindelingsvariant is verlenging van de Kaderwet noodzakelijk.

  • 7. 
    De regio Arnhem-Nijmegen

De regio Arnhem-Nijmegen is evenals de overige Kaderwetgebieden gesteld voor een omvangrijke woningbouwopgave. Verder kampen de centrumsteden Arnhem en Nijmegen met grootstedelijke en sociale problemen. Specifiek voor de economie van de regio is het zwaartepunt in de niet-commerciële dienstverlening. Krachtige inspanningen worden nodig geacht om uitbreiding van de werkgelegenheid te combineren met een meer evenwichtige verdeling over de bedrijfstakken. Als belangrijkste speerpunten worden transport, distributie, logistiek en zakelijke dienstverlening gezien. De positie als verkeers- en vervoersknooppunt, die tevens uitbreiding van de verkeers- en vervoersinfrastructuur impliceert, wordt van groot belang geacht.

De vorming van een stadsprovincie is naar de mening van het kabinet wat oplossend vermogen en effectiviteit betreft minder geschikt voor de regio Arnhem-Nijmegen. Via de weg van gemeentelijke herindeling kan de benodigde ruimtelijke versterking van de steden Arnhem en Nijmegen vorm krijgen. Deze ruimtelijke versterking is niet beperkt tot louter uitbreidingscapaciteit voor woningbouw, maar is ook ingegeven vanuit een oogpunt van ruimtelijk beheer en van volkshuisvestingsprocessen. De grootstedelijke problematiek doet zich voornamelijk voor in de twee centrumsteden Arnhem en Nijmegen. De aanpak van die problematiek wordt in de regio een taak van die gemeenten geacht en niet van het regionaal bestuur.

De meerwaarde van een volwaardig, integraal regionaal bestuur op het schaalniveau van het Knooppunt Arnhem-Nijmegen lijkt dan ook ten aanzien van de grootstedelijke problematiek beperkt te zijn. De functionele samenhang van het gebied is relatief beperkt. Er is geen sprake van een aaneensluitend stedelijk gebied. De regionale opgaven op het terrein van de ruimtelijk-economische problematiek en de verkeers- en vervoersinfrastructuur vormen op zichzelf onvoldoende aanleiding om hiervoor een stadsprovincie in te stellen.

Een ander bezwaar tegen de vorming van een stadsprovincie is de restproblematiek die zou ontstaan. Het Knooppunt Arnhem-Nijmegen is in ruimtelijke, maar ook anderszins (economie, grootstedelijke voorzieningen) het hart van de provincie Gelderland. De vorming van een stadsprovincie in het Knooppunt Arnhem-Nijmegen zou nopen tot een bestuurlijke heroriëntatie van de andere gebieden die op voorhand in geen enkele behoefte lijkt te voorzien.

Door middel van gemeentelijke herindeling kan een belangrijk deel van de (ruimtelijke) problematiek van de beide centrumsteden, ook voor de toekomst, worden opgelost. In dat verband is voor de overgang van een deel van de gemeente Elst (de kern Lent) naar Nijmegen, in verband met de zogenaamde Waalsprong, reeds een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II, 25 169, nrs. 1–3, Wijziging van de grens tussen de gemeenten Elst en Nijmegen). De gemeente Arnhem en de provincie Gelderland zijn overeengekomen gezamenlijk te laten onderzoeken welke territoriale schaal voor Arnhem de juiste is om de komende 25 jaar de stedelijke functies in de sfeer van beheer en ontwikkeling naar behoren te kunnen vervullen. Voor Arnhem zijn verder grenscorrecties met Elst en Heteren (de zgn. Spoorsprong) gerealiseerd. In de Over-Betuwe loopt een herindelingsprocedure waarin op dit moment door gedeputeerde staten de samenvoeging tot twee sterke landelijke gemeenten wordt voorgesteld. Tevens wordt gesproken over een mogelijke herindeling van de Liemers (Duiven, Westervoort en Zevenaar). Naar ons oordeel dient de relatie Arnhem-De Liemers overigens nadrukkelijk in de beschouwingen te worden betrokken. Ook de positie van de overige randgemeenten van Arnhem dient in verband met een evenwichtige bestuurlijke indeling van het gebied nog enige aandacht te krijgen. Het is van belang dat het samenhangend stedelijk gebied rond respectievelijk Nijmegen en Arnhem onder een gemeentelijke bestuur worden gebracht, willen de beide centrumsteden in kwalitatief opzicht voldoende regiefunctie op de stedelijke ontwikkelingen kunnen genereren.

Deze initiatieven moeten tot een zodanig resultaat leiden, dat zij tezamen zullen leiden tot een sterker lokaal bestuur en een belangrijke vermindering van het aantal overlegpartners in de regio. Daarmee kan het democratisch integraal bestuur in ieder geval op de nieuwe schaal van die gemeenten worden bevorderd. Samenwerking tussen gemeenten zal daarmee niet volledig verdwijnen. Niettemin kan naar verwachting de samenwerking van de versterkte gemeenten en de provincie leiden tot meer efficiëntie en effectiviteit ten opzichte van de huidige situatie. De zware hulpstructuur in de vorm van het regionaal openbaar lichaam op basis van de Kaderwet kan daardoor op termijn verdwijnen. Ter overbrugging van de periode die nodig wordt geacht voor realisering van de uiteindelijke herindelingsvariant is verlenging van de Kaderwet noodzakelijk.

  • 8. 
    De regio Twente

De regio Twente is van oudsher een duidelijk samenhangend gebied met een relatief grote industriële traditie. De schaal van de regio lijkt goed toegesneden op het functioneren als bestuurlijke entiteit. Met name voor de ruimtelijk-economische ontwikkelingen is een sterk bevoegd gezag nodig om een samenhangende aanpak van het te voeren beleid te waarborgen. De kansen van Twente liggen onder andere in het verbeteren van haar positie als grensregio. De vorming van een stadsprovincie met het beoogde substantiële takenpakket is gezien de aard en zwaarte van de problematiek in de ogen van het kabinet echter een te zwaar middel. Naar de mening van het kabinet komt dit ook tot uitdrukking in het voorstel van de regio Twente voor het instellen van een regioprovincie. Hierin is gekozen voor een zogenaamd gemengd model, waarbij sprake is van meer gedeelde verantwoordelijkheden en complementariteit tussen gemeenten en provincie dan is voorzien bij een stadsprovincie.

Daarnaast is het kabinet van mening dat het bestuurlijk loskoppelen van de regio Twente van de rest van de provincie Overijssel zal leiden tot een zodanige restproblematiek dat het overblijvende deel van de provincie Overijssel wordt belemmerd in haar functioneren vanwege het in alle opzichten te geringe draagvlak.

Gezien de aard en zwaarte van de problematiek lijken de regionale en grootstedelijke opgaven in Twente het beste te kunnen worden aangepakt door versterking van de drie centrumsteden via gemeentelijke herindeling en de herverdeling van taken met de provincie zoals die in het kader van de takendiscussie wordt uitgewerkt. Met de uitwerking van het alternatief gemeentelijke herindeling kan in ieder geval één van de belangrijkste problemen van de regio worden opgelost, te weten de ruimtenood. Voor het gebied voert de provincie Overijssel momenteel een herindelingsprocedure. Onlangs hebben gedeputeerde staten een herindelingsplan vastgesteld dat op dit moment voor inspraak voorligt. In het plan wordt voorgesteld om de gemeenten Hengelo en Enschede te fuseren. Tevens wordt het grootste deel van de gemeente Borne aan deze dubbelstad toegevoegd. De gemeente Almelo wordt uitgebreid met de kern Wierden, het zuidelijk deel van de gemeente Vriezenveen (Aadorp) en het noordelijk deel van de gemeente Borne (Bornerbroek). Hierdoor wordt het gehele centraal stedelijk gebied ondergebracht in twee stedelijke gemeenten. In de rest van de regio worden krachtige plattelandsgemeenten voorgesteld.

Het voorstel zoals het in het herindelingsplan is vastgelegd biedt goede mogelijkheden voor de toekomstige sturingstaken in het gebied. Aan de steden wordt voldoende ruimte geboden voor woningbouw en bedrijfsterreinen in de komende 25 jaar. De voorstellen voor de rest van het gebied leiden tot zodanig versterkte bestuurseenheden dat de effectiviteit van de samenwerking in de regio wordt bevorderd. Daarom mag worden aangenomen dat na een herindeling op de schaal zoals voorzien en een herverdeling van taken, de bestuurlijke potenties van het gebied voldoende krachtig zijn om de centrale regionale regie te vervangen. Ter overbrugging van de periode die nodig wordt geacht voor realisering van de uiteindelijke herindelingsvariant is verlenging van de Kaderwet noodzakelijk.

  • 9. 
    Nadere uitwerking van het alternatief gemeentelijke herindeling in de regio’s Utrecht, Arnhem-Nijmegen en Twente

Het kabinet constateert dat de betrokken provincies in de regio’s Utrecht, Arnhem-Nijmegen en Twente, vooruitlopend op een definitieve beslissing van het kabinet, reeds een procedure in het kader van de Wet algemene regels herindeling hebben gestart. Dit zo zijnde, stelt het kabinet zich op het standpunt de resultaten van deze provinciale procedures af te wachten en te gelegener tijd te toetsen aan de uitgangspunten die het kabinet als beleidskader voor de gemeentelijke herindeling hanteert. Dan zal het kabinet ook in overleg treden met de betrokken besturen in de regio’s ter nadere uitwerking van een voor de onderscheiden regio’s passende gemeentelijke herindelingsvariant. Het kabinet gaat ervan uit dat de provincies zich ervan bewust zijn dat de aanpassing van de schaal van de centrumsteden voldoende substantieel moet zijn om ook werkelijk als alternatief voor de stadsprovincie te kunnen dienen.

  • 10. 
    Uitvoering van de Kaderwet bestuur in verandering

Het kabinet hecht grote waarde aan een adequate aanpak van de inhoudelijke vraagstukken die in de stedelijke gebieden spelen. De uitvoering van de VINEX-contracten en het regionale verkeer- en vervoersbeleid zijn daarbij met name van belang. Met het oog hierop geeft een verlenging van de bestaande ROL-regelingen in alle regio’s, met uitzondering van de regio Rotterdam, tot uiterlijk 2003 een voldoende waarborg, maar is tevens absoluut noodzakelijk. Immers, de meest betekenisvolle afspraken in het kader van de VINEX en het RVVP worden tussen nu en 2003 gerealiseerd. In het kader van het VERDI-convenant zijn afspraken gemaakt over de nieuwe taakverdeling tussen gemeenten en provincies op het terrein van verkeer en vervoer. Aanpassing van bevoegdheidsverdeling op de terreinen van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en milieu zijn in voorbereiding. Daaruit volgt welke overheden voor die taken verantwoordelijk zijn nà de verlenging van de Kaderwet. Dit is met name van belang voor die gebieden waarvoor gemeentelijke herindeling het eindperspectief vormt. Met provincies en ROL-besturen zullen afspraken worden gemaakt over hoe met elkaar om te gaan in de overgangsperiode. Overigens gaat het kabinet er vanuit dat met betrekking tot de verlengingsprocedure conform de Kaderwet wordt gehandeld.

  • 11. 
    Financiële gevolgen

In het proces van de vernieuwing van de bestuurlijke organisatie gelden op financieel gebied een aantal randvoorwaarden. Geredeneerd vanuit het uitgangspunt dat de hoofdstructuur van de overheidsorganisatie versterkt moet worden, geldt dat de drie bestuurslagen worden ondersteund en gestimuleerd vanuit een daarop toegesneden financiële basis. Deze basis wordt mede geboden door de nieuwe Financiële-verhoudingswet.

De regionale bestuursproblematiek in de zeven kaderwetgebieden heeft er toe geleid dat op grond van de Kaderwet en andere regelgeving een aantal specifieke uitkeringen rechtstreeks aan het regionaal bestuur worden uitgekeerd. Daarbij geldt primair het adagium «geld volgt taak». Gedurende de verlengingstermijn van de Kaderwet wordt in de bestaande geldstromen welke rechtstreeks worden toegedeeld aan het regionaal bestuur geen wijziging aangebracht. Beleidsinhoudelijke redenen, zoals uiteengezet in deze brief, maken dat noodzakelijk.

Bij de realisering van het alternatief gemeentelijke herindeling zullen de financiële middelen verbonden aan het taken- en bevoegdhedenpakket van het ROL-bestuur worden toegedeeld aan de besturen die nà expiratie van de Kaderwet de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het beleid zullen dragen. Overigens is het stelsel zoals opgenomen in de nieuwe Financiële-verhoudingswet zodanig opgebouwd dat het meer reorganisatie bestendig is. De financiële gevolgen in de gebieden waar herindeling het eindperspectief is, zijn derhalve naar verwachting relatief beperkt.

Bij de versterking van de bestuurlijke hoofdstructuur past het streven om in de financiële verhouding de betrokken besturen die financiële ruimte te geven die nodig is om de hen toegekende verantwoordelijkheden te kunnen dragen. Bij de vorming van de stadsprovincies is het noodzakelijk dat de stadsprovincie moet kunnen beschikken over de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering van haar bevoegdheden en sturingstaken.

Het is de ambitie van het kabinet om niet alleen tot een beter bestuur te komen, maar ook tot een doelmatiger bestuur. De vorming van een stadsprovincie in de genoemde regio’s leidt enerzijds tot slagvaardiger bestuur dat over bevoegdheden beschikt om integraal beleid te voeren en, waar mogelijk, «knopen door te hakken». Anderzijds zal de vorming van een stadsprovincie in eerste instantie extra bestuurskosten in enge zin met zich meebrengen. Inherent aan de bestuurlijke structuur is immers dat de stadsprovincie over een eigen provinciaal bestuur beschikt. Dit laat overigens onverlet dat de omvang van dat nieuwe provinciale bestuur qua aantal bestuurders niet per definitie maximaal benut behoeft te worden. Dit kan de bestuurskosten in enge zin aanmerkelijk beperken. Daarnaast zal ten gevolge van de stadsprovincievorming de bestuursdichtheid in de betrokken regio’s sterk verminderen. Een aantal van de regionale hulpstructuren wordt opgeheven en worden overgenomen door de nieuwe provincie. Hiermee treedt een belangrijke reductie in het aantal overlegpartners op. In plaats van een structuur waarbij de uitoefening van sturende taken aan de provincie, gemeenten, gemeenschappelijke regelingen, functionele bestuursorganen en deelgemeenten zijn opgedragen, komt een structuur waarbij de taken in beginsel nog slechts aan twee bestuurslagen, gemeenten en provincie, zijn opgedragen. Ook de optimalisering van de schaal van de bestuurlijke eenheden dragen bij tot een efficiënter en effectiever bestuur en tot een betere allocatie van collectieve middelen.

Eerdere globale berekeningen voor de winstmogelijkheden in de Rotterdamse regio maken de verwachting reëel dat enkele tientallen miljoenen guldens die nu worden besteed aan de organisatie van de overheid, kunnen worden omgezet in geld voor investeringen en andere maatschappelijk gewenste activiteiten in het gebied. De efficiencywinst die door de stadsprovincie kan worden behaald blijft ten gunste van het gebied.

  • 12. 
    Kabinetsbesluit

Voor het kabinet staat vast dat in ieder geval voor elk van de zeven stedelijke gebieden een adequate bestuurlijke oplossing moet worden gerealiseerd. Welke alternatieven daarvoor kunnen dienen zijn hierboven beschreven. Met inachtneming van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen besluit het kabinet als volgt:

  • 1. 
    Voor de regio Rotterdam wordt het ingezette traject voortgezet. Per 1-1-2000 wordt de stadsprovincie Rotterdam ingesteld.

Het takenpakket zal gebaseerd zijn op het advies van de commissie Andriessen.

Het grondgebied zal in beginsel de huidige regio Rotterdam omvatten en de Hoeksche Waard.

In de jaren 1998 en 1999 zal het grootstedelijk bestuur vorm krijgen op basis van de zgn. interimwet.

In deze wet wordt met name het takenpakket voor de interimperiode geregeld, evenals de kwartiermakersfunctie.

Het kabinet neemt binnenkort een nader besluit met betrekking tot de verkiezingen en de positie van de haven. Dit besluit wordt verwerkt in de interimwet zoals die binnenkort aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

  • 2. 
    Het takenpakket van de in te stellen stadsprovincies is in beginsel gelijk. Alleen op grond van objectieve verschillen in omstandigheden is aanpassing van het basisconcept mogelijk.
  • 3. 
    Voor elk van de kaderwetregio’s is verlenging van de kaderwet noodzakelijk. Het kabinet gaat er vooralsnog van uit dat deze verlenging in overleg met de regio’s tot stand kan worden gebracht.
  • 4. 
    Conform het standpunt van april 1996 is de vorming van een stadsprovincie Amsterdam op termijn de beste oplossing.
  • 5. 
    Voor de regio Haaglanden wordt de instelling van de stadsprovincie voorbereid.
  • 6. 
    Uitgaande van de vorming van de stadsprovincies Rotterdam en Haaglanden zoals eerder aangegeven, zal de dan te vormen provincie Zuid-Holland het gebied omvatten van de Duin- en Bollenstreek, de Leidse regio, het Groene Hart, de Alblasserwaard, Vijfheerenlanden en de Drechtsteden.

Goeree-Overflakkee zal conform eerdere besluitvorming in het kabinet deel gaan uitmaken van de provincie Zeeland.

  • 7. 
    Voor de regio Zuidoost-Brabant wordt een stevige herindeling ten gunste van Eindhoven conform het voorstel op pagina 7, en een herindeling ten gunste van Helmond conform het provinciaal voorstel voorbereid.
  • 8. 
    Voor de regio Utrecht besluit het kabinet tot gemeentelijke herindeling. Het provinciale voorstel samenvoeging van Utrecht, Vleuten de

Meern en delen van enkele andere gemeenten is de basis voor de definitieve vormgeving van het besluit.

  • 9. 
    De regio Arnhem-Nijmegen besluit het kabinet tot gemeentelijke herindeling.

Voor Nijmegen is dat samenvoeging met de kern Lent conform het bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp. Voor Arnhem wordt samenvoeging met gemeenten in De Liemers nadrukkelijk onderzocht. Voor de andere gemeenten in het KAN-gebied worden nadere voorstellen van het provinciebestuur gevraagd.

  • 10. 
    Voor de regio Twente besluit het kabinet tot gemeentelijke herindeling.

Voor de steden Enschede en Hengelo wordt het provinciale plan gevolgd. Dat zelfde geldt voor de gemeente Almelo.

Voor de andere gemeenten in de regio Twente worden nadere voorstellen van het provinciaal bestuur gevraagd.

Het kabinet heeft in deze brief duidelijkheid gegeven over de gewenste bestuurlijke vormgeving van de zeven kaderwetgebieden. Over de uitvoering van de in deze brief gedane voorstellen zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken met de betrokken besturen van de kaderwetgebieden, de provincies, de gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten overleg voeren.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.