Memorie van toelichting - Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Dinsdag 18 februari 2020
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1995–1996

24 760

Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

  • 1. 
    Inleiding

Dit wetsvoorstel voorziet voor jonggehandicapten en studerenden in een afzonderlijke voorziening op minimumniveau tegen de geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, gefinancierd uit de algemene middelen.

De totstandkoming van een afzonderlijke regeling voor deze categorie vloeit voort uit de kabinetsvoornemens tot versterking van de marktwerking in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op de motieven en doelstellingen van deze kabinetsvoornemens wordt ingegaan in het voorstel van Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) (Kamerstukken II, 1995/96, 24 698, nrs. 1 t/m 3).

Als gevolg van deze voornemens zal de huidige AAW haar betekenis als volksverzekering verliezen. Het zonder meer vervallen van de AAW zou tot gevolg hebben dat in ieder geval voor zelfstandigen en jonggehandicapten geen regeling tegen inkomensderving meer zou bestaan. Dit wordt ongewenst geacht. Het kabinet is van oordeel dat voor een ieder van rechtswege een regeling bij inkomensderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid moet blijven bestaan. Om die reden worden twee nieuwe regelingen voorgesteld, namelijk een verzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren (de WAZ) en een voorziening voor jonggehandicapten en studenten (Wajong). Wat betreft de regeling voor zelfstandigen wordt verwezen naar het voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorzien in een regeling voor jonggehandicapten die voorafgaand aan de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt zijn geworden. De regeling geldt ook voor studerenden die nadien tijdens de studie arbeidsongeschikt zijn geworden. Het voorliggende wetsvoorstel vormt daarmee een wettelijke voorziening tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid voor personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op een tijdstip dat zij vanwege de jeugdige leeftijd nog niet konden deelnemen aan betaalde arbeid.

Gekozen is voor een afzonderlijke wettelijke voorziening, omdat bij jonggehandicapten en studerenden, anders dan bij werknemers en zelfstandigen, geen sprake is van feitelijke inkomensderving, maar van veronderstelde inkomensderving. Financiering door betrokkenen zelf via premieheffing is bij deze categorie, anders dan bij werknemers en zelfstandigen, niet aan de orde. De voorliggende voorziening wordt gefinancierd uit de algemene middelen.

Uitgangspunt is dat aangesloten wordt bij de huidige situatie in de AAW. Dit geldt onder meer voor de voorwaarden voor het recht op uitkering, het arbeidsongeschiktheidscriterium en de duur en hoogte van de uitkering. Er bestaat individueel aanspraak op uitkering op minimumniveau, wanneer betrokkene voor de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt is geraakt en een wachttijd van 52 weken heeft doorlopen. Toekenning van de uitkering kan op zijn vroegst plaatsvinden vanaf de leeftijd van 18 jaar. Voor studerenden die tijdens de studie arbeidsongeschikt zijn geworden vindt toekenning van de uitkering op een later tijdstip plaats, nadat de wachttijd van 52 weken is verstreken. De uitkering wordt verstrekt tot de eerste dag van de maand, waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt. Er is geen toets op vermogen noch op het inkomen van de partner.

Uiteraard is van de AAW afgeweken, waar dit in verband met het gewijzigde karakter van de regeling en de doelgroep noodzakelijk bleek.

In dit wetsvoorstel wordt voor het overige de opzet en vormgeving van het wetsvoorstel WAZ gevolgd.

De uitvoering wordt, met het oog op de efficiency, opgedragen aan één bedrijfsvereniging, de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Deze bedrijfsvereniging voert thans in de meeste gevallen ook de AAW uit ten aanzien van jonggehandicapten en studerenden. In het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (wetsvoorstel Organisatiewet sociale verzekeringen) zal worden voorgesteld om de bedrijfsverenigingen van hun taak te ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen en de rechtsopvolger van het Tica worden vastgelegd. Gezien de fase waarin de voorbereidingen van dat wetsvoorstel zich thans bevinden, wordt in dit wetsvoorstel vooralsnog uitgegaan van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging als uitvoerende instantie.

Door de aansluiting bij het regime van de AAW bevat deze regeling een groot aantal bepalingen die, gelet op de kring van rechthebbenden, in de praktijk naar verwachting van beperkte betekenis zullen zijn. Gewezen kan onder meer worden op de bepalingen met betrekking tot herziening van de uitkering vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid, de bepalingen met betrekking tot maatregelen en boeten en de bepalingen met betrekking tot het recht van regres. Niettemin is het kabinet van oordeel dat genoemde bepalingen in deze regeling dienen te worden opgenomen. Voor een beperkt aantal gevallen en situaties kunnen immers genoemde bepalingen wel feitelijke betekenis hebben.

Dit wetsvoorstel regelt de arbeidsongeschiktheidsuitkering van jonggehandicapten en studerenden. In het wetsvoorstel voor de Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Invoeringswet) wordt, in samenhang met de voorgenomen intrekking van de AAW, voorzien in het uitkeringsregime van degenen zonder arbeidsverleden die thans reeds een uitkering op grond van de AAW hebben en van degenen zonder arbeidsverleden die reeds vó ór de invoering van deze wet arbeidsongeschikt zijn, maar vanwege de wachttijd van 52 weken nog geen recht op AAW-uitkering hebben. In het kader van dat wetsvoorstel wordt geregeld dat zij voortaan uitkering op grond van deze wet zullen hebben, dan wel zullen krijgen op het moment dat zij hun wachttijd hebben volgemaakt. De financiering van deze bestaande gevallen komt eveneens ten laste van de algemene middelen. In het wetsvoorstel Invoeringswet worden ook de noodzakelijke wijzigingen als gevolg van het intrekken van de AAW en het totstandkomen van de Wajong in de overige wetten geregeld. Meer technische aanpassingen zullen worden ondergebracht in een wetsvoorstel Aanpassingswet.

De opbouw van deze memorie is als volgt. In paragraaf 2 wordt eerst, voor zover relevant, ingegaan op de voorgeschiedenis van deze wet. Vervolgens wordt in paragraaf 3 aandacht besteed aan de uitgebrachte adviezen en commentaren.

In paragraaf 4 komen de hoofdlijnen van het wetsvoorstel aan de orde. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de wenselijkheid van een specifieke voorziening; de kring van rechthebbenden; recht, hoogte en duur van de uitkering en de financiering. In paragraaf 5 komt een aantal overige aspecten in verband met het recht op uitkering aan de orde. Tenslotte wordt in paragraaf 6 aandacht besteed aan een aantal bijzondere aspecten van de regeling.

  • 2. 
    Voorgeschiedenis

Thans hebben jonggehandicapten vanaf de leeftijd van 18 jaar recht op een eigen inkomen op grond van de AAW. Dit is het geval sinds de totstandkoming van de AAW in 1976. De totstandkoming van een volksverzekering in de vorm van de AAW in 1976 werd met name ingegeven door de wenselijkheid om voor zelfstandigen en jonggehandicapten tot een regeling te komen die bescherming zou bieden tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor beide groepen werd het treffen van een wettelijke regeling destijds urgent geacht. Vóór de totstandkoming van de AAW vielen jonggehandicapten onder de Tijdelijke Rijksgroepsregeling Mindervaliden, als onderdeel van de Algemene Bijstandswet. Deze regeling werd als een tijdelijke oplossing gezien, in afwachting van de ontwikkeling van de sociale verzekering betreffende het risico van arbeidsongeschiktheid.

De invoering van een volksverzekering werd in de memorie van toelichting op het toenmalige wetsvoorstel AAW gemotiveerd met de overweging dat het bij langdurige arbeidsongeschiktheid gaat om een sociaal risico. Dat sociaal risico geldt voor de gehele bevolking en dient daarom gedekt te worden door middel van een volksverzekering.

Ten aanzien van jonggehandicapten werd overwogen dat zij als gevolg van een handicap die reeds vó ór de toetreding tot het arbeidsproces is ontstaan, niet in staat zijn door het verrichten van arbeid een eigen voldoende inkomen te verwerven, terwijl voorts de mogelijkheid om een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten ontbreekt. Het werd gewenst geacht om het recht op levensontplooiing, voorzover het gaat om een recht op inkomen, voor deze groep te effectueren door middel van een sociale verzekeringswet. Overwogen werd dat het risico van inkomensderving door arbeidsongeschiktheid van een jonggehandicapte noch door de betrokkene noch door zijn ouders is te dragen en dat via een volksverzekering de gemeenschap beter in staat is haar solidariteit ten aanzien van jonggehandicapten na te komen (Kamerstukken II, 1974/75, 13 231, nr. 1–4, blz. 42 e.v.).

De AAW voorziet thans voor alle ingezetenen tot 65 jaar in een uitkering op minimumniveau tegen de gevolgen van inkomensderving vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De AAW is vooral van praktisch belang gebleken voor zelfstandigen en jonggehandicapten.

De AAW is in de loop van de tijd herhaaldelijk gewijzigd. In dit verband is van belang dat met ingang van 1980 de eis van feitelijke inkomens- derving werd ingevoerd. Voor het recht op uitkering gold voortaan de voorwaarde dat in het jaar direct voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid inkomen uit of in verband met arbeid moet zijn genoten. Bovendien werd een bepaalde minimum-inkomensderving geëist (entree-eis).

Op het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving is in de huidige AAW echter voor bepaalde groepen een uitzondering gemaakt. Dit geldt voor jonggehandicapten en zgn. «bijzondere groepen», onder wie studerenden en verzorgers van naaste verwanten. Op grond van de wet zelf worden jonggehandicapten uitgezonderd van de inkomens-dervingseis. Verder worden, op grond van het Besluit verzekerden die geacht worden voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven (Stb. 1980, 263), onder meer studerenden en verzorgers van naaste verwanten geacht inkomen te hebben verworven, waarmee zij aan de inkomensdervingseis hebben voldaan. Voor studerenden geldt daarbij als voorwaarde dat zij in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid tenminste zes maanden student waren en de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. Het werd niet gerechtvaardigd geacht de eis van feitelijke inkomensderving aan studerenden te stellen, aangezien de arbeidsongeschiktheid is ingetreden voordat sprake is van inkomensvormende arbeid en de voor arbeid beschikbare tijd volledig in beslag wordt genomen door studie.

De regeling voor verzorgers van naaste verwanten geldt alleen voor de ongehuwde, wiens voor arbeid beschikbare tijd (nagenoeg) uitsluitend in beslag wordt genomen door de oppassing en verzorging van één of meer naaste verwanten met wie hij een huishouding vormt. Het opnemen van deze categorie was het gevolg van de motie-Hermsen/Nijpels (Kamerstukken II, 1979/80, 15 700, nr. 16). Naar het oordeel van de Tweede Kamer diende de morele verplichting tot zorg voor naaste verwanten te worden gesteld boven het inkomensdervingsbeginsel.

De hoogte van de AAW-uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid, die tot uitdrukking komt in een bepaald arbeidson-geschiktheidspercentage, en van de uitkeringsgrondslag. In veel gevallen resulteert uit de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80–100%.

Aangezien de AAW een verzekering op minimumniveau is, is de uitkeringsgrondslag in beginsel gelijk aan het wettelijk minimum (jeugd) loon. Dit is de «algemene» grondslag die ook voor jonggehandicapten, studerenden en verzorgers van naaste verwanten geldt. De AAW-uitkering kan derhalve in beginsel niet meer bedragen dan 70% van het geldende minimumloon. Betrokkene kan zo nodig een aanvulling tot het relevante sociaal minimum verkrijgen via een toeslag op grond van de Toeslagenwet, voor zover de inkomenssituatie daartoe aanleiding geeft.

In het kader van het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW (Kamerstukken II, 1992/93, 22 968, nr. 3) dat op 24 december 1992 door het vorige kabinet bij de Tweede Kamer werd ingediend zijn voorstellen gepresenteerd om het inkomensdervingsbeginsel in de AAW te versterken. Daarbij werd de huidige uitzonderingspositie op de eis van feitelijke inkomensderving voor jonggehandicapten gehandhaafd. Overwogen werd dat het voor deze groep objectief te rechtvaardigen is dat recht op uitkering blijft bestaan zonder dat sprake is van feitelijke inkomensderving, aangezien betrokkenen op een tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij nog geen arbeidsinkomen hebben kunnen verwerven. In dat wetsvoorstel werd wel voorgesteld om de uitzonderingspositie voor studerenden en verzorgers van naaste verwanten te beëindigen, aangezien deze groepen, anders dan jonggehandicapten, wel de keuzemogelijkheid hebben gehad om arbeid te gaan verrichten. Handhaving van de bijzondere positie van deze groepen zou naar het oordeel van het vorige kabinet het risico met zich brengen dat ook andere groepen zonder inkomensderving met succes een beroep op de AAW zouden kunnen doen. In dat verband werd gewezen op groepen van personen die, evenals de bijzondere groepen in de AAW, vanwege particuliere omstandigheden mogelijk geen arbeid uit inkomen hebben kunnen verwerven.

Indien de particuliere omstandigheden van de bijzondere groepen in de AAW niet van principieel andere aard zouden zijn dan die van andere groepen, en de uitzonderingspositie van de bijzondere groepen in de AAW zou worden gehandhaafd, dan zou tegenover de andere groepen van personen niet meer zijn te motiveren waarom zij niet tot de kring van rechthebbenden kunnen worden gerekend. Daarbij werd met name gedacht aan schoolverlaters in de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Inmiddels is deze regeling opgeheven en zijn schoolverlaters aangewezen op de Algemene bijstandswet. Daarnaast werd gewezen op personen, voornamelijk huisvrouwen, die kinderen verzorgen. De behandeling van dat wetsvoorstel is niet verder gekomen dan tot het uitbrengen van het voorlopig verslag door de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1992/93, 22 968, nr. 5).

Het huidige kabinet acht het zeer gewenst dat het voorliggende wetsvoorstel in beginsel aansluit bij de uitgangspunten van het reeds bij de Kamer ingediende wetsvoorstel. In verband met het voornemen de AAW in te trekken verliest laatstgenoemde wet zijn betekenis. Het kabinet is dan ook voornemens om dit wetsvoorstel in te trekken.

De huidige AAW wordt gefinancierd uit premies die zijn opgenomen in het tarief eerste schijf en dus worden geïnd door de belastingdienst. De geïnde AAW-premies worden in het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aaf) gestort. Daaruit worden de AAW-uitkeringen gefinancierd.

Het aantal jonggehandicapten dat voor het bereiken van de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt was en een AAW-uitkering heeft, bedroeg eind 1994 ca. 100 000. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal jonggehandicapten dat sinds de totstandkoming van de AAW een uitkering ontving.

Tabel 1. Aantal jonggehandicapten in personen en in uitkeringsjaren, alsmede de uitkeringslasten in de periode 1976–1994

1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994

Vroeg-gehandicapten

personen(x1000) 40.9 50.2 52.8 54.7 56.7 58.9 61.5 64.3 67.1 69.6 72.2 74.7 78.0 83.0 90.5 93.4 95.1 97.1 99.8 uitk. jaren(x1000)         7.6 51.8 54.1 55.3 57.1 59.6 62.8 65.5 68.1 70.4 73.7 76.0 79.6 82.8 89.2 93.2 95.6 97.9 100.0

lasten (mln gld)                0         3         6         8 11 15 19 25 1124 1319 1318 1352 1394 1442 1598 1720 1831 1879 1898

In de tabel zijn overigens niet begrepen sociale lasten en uitvoeringskosten.

Opgemerkt wordt dat de reeks «personen» en «uitkeringsjaren» elkaar weinig ontloopt. Dit is verklaarbaar omdat de meeste jonggehandicapten volledig arbeidsongeschikt zijn. Als gevolg van nabetalingen en dergelijke kan de reeks «uitkeringsjaren» hoger uitkomen dan de reeks «personen».

Ruim 95% van de groep had een mate van arbeidsongeschiktheid tussen de 80 en 100%.

Het aantal studerenden dat recht heeft op een AAW-uitkering is niet rechtstreeks uit de statistieken af te leiden. Zij maken onderdeel uit van de bevolkingsgroep «overigen» in de AAW-registratie. Op basis van de instroom naar leeftijd is wel een schatting te maken van de omvang van deze groep.

In 1993 bedroeg de totale instroom van de groep overigen 639 personen; hiervan waren er 225 jonger dan 30 jaar. Aannemend dat dit aandeel grosso modo ongewijzigd is in andere jaren kan worden verondersteld dat ca. 35% van de totale omvang van de groep overigen uit studerenden bestaat. De totale groep studerenden omvat dan ruim 1 500 personen.

Een deel van de groep jonggehandicapten is aangewezen op verzorging en verpleging in een inrichting, bijvoorbeeld een blinden- of dovenin-stituut, een instelling voor zwakzinnigen of een gezinsvervangend tehuis. Voorzover jonggehandicapten daarop zijn aangewezen en de instelling daaronder valt, worden de kosten van verblijf vergoed op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ vergoedt alleen de kosten van verzorging, verpleging en behandeling en bijvoorbeeld geen onderwijskosten, zak- en kleedgeld en dergelijke. Er wordt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in rekening gebracht.

  • 3. 
    Adviezen

Door de SER is, naar aanleiding van een adviesaanvraag van 6 februari 1995, op 21 april 1995 advies uitgebracht over de kabinetsvoornemens inzake de WAO en AAW. Voor de hoofdlijnen van het advies terzake alsmede het commentaar daarop van het kabinet moge worden verwezen naar de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Pemba. In deze memorie wordt volstaan met een weergave van het advies van de SER, voor zover dit specifiek betrekking heeft op de voorgestelde regeling voor jonggehandicapten (hoofdstuk 5, paragraaf 2.3 en 2.4 van het advies). Naar het oordeel van de SER is het kabinetsvoornemen om een afzonderlijke regeling voor jonggehandicapten te treffen, een betrekkelijk logische maatregel om voor deze groep de gevolgen van het vervallen van de AAW ongedaan te maken. De raad wijst erop dat hij zich ook in eerdere adviezen, zoals in het Advies wijziging AAW, ABW, IOAW en IOAZ van 18 januari 1991, heeft uitgesproken voor het opnemen van deze groep in een wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij voor betrokkenen het vereiste van inkomensderving niet zou behoeven te gelden. De raad acht dit gerechtvaardigd gelet op de jeugdige leeftijd waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, waardoor zij niet in staat zijn geweest met arbeid een inkomen te verwerven.

Wat betreft studerenden heeft het kabinet de SER in de adviesaanvraag de vraag voorgelegd of deze categorie in de regeling voor jonggehandicapten kan worden ondergebracht, zonder dat dit leidt tot precedentwerking naar andere groepen. De raad geeft in zijn advies aan vooralsnog in de kabinetsvoornemens geen aanleiding te zien om zijn eerdere standpuntbepaling te wijzigen. In zijn eerdergenoemd advies van 18 januari 1991 sprak de raad zich uit voor handhaving van studerenden in de personenkring van de AAW. De SER achtte het niet gewenst aan studerenden de eis van feitelijke inkomensderving te stellen. De raad overwoog daarbij dat ook bij studerenden, net als bij jonggehandicapten, de arbeidsongeschiktheid is ontstaan voordat betrokkenen aan het arbeidsproces konden deelnemen. Van groot maatschappelijk belang acht de raad het dat jongeren voortgezet of hoger onderwijs kunnen volgen. Voorts mag worden aangenomen dat studerenden na het voltooien van hun studie aan het arbeidsproces deelnemen. In zijn advies van 21 april 1995 geeft de raad aan niet bevreesd te zijn voor precedentwerking naar andere groepen: de raad acht dit aspect niet zozeer relevant waar het gaat om de groepering van studerenden alswel ten aanzien van de categorie van verzorgers van naaste verwanten. Wat laatstgenoemde categorie betreft verwijst de SER wederom naar zijn advies van 18 januari 1991, waarin de raad aangaf dat het niet meer te rechtvaardigen is deze groep wel en andere groepen – zoals huisvrouwen die jonge kinderen verzorgen – niet tot de kring van rechthebbenden te rekenen. Voorts achtte de raad bij handhaving van deze groep in de AAW grote juridische risico’s aanwezig op het punt van ongelijke behandeling naar burgerlijke staat en van indirecte discriminatie naar geslacht.

Het kabinet vat de standpuntbepaling van de SER op als instemming met de voornemens die in dit wetsvoorstel nader worden vormgegeven. Met betrekking tot de positie van studerenden is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het bij nader inzien gewenst is om deze groep te laten vallen onder de bescherming van dit wetsvoorstel. Evenals voor jonggehandicapten, geldt voor studerenden dat zij arbeidsongeschikt kunnen raken op een leeftijd, waarop zij nog niet hebben kunnen deelnemen aan betaalde arbeid. Het opnemen van studerenden is voorts consistent met het overheidsbeleid dat er op is gericht om jongeren te laten deelnemen aan onderwijs, zowel in het belang van henzelf als van de maatschappij. Verder is van belang, zoals de SER overweegt, dat bij het opnemen van studerenden in dit wetsvoorstel niet behoeft te worden gevreesd voor precedentwerking naar andere groepen. Het kabinet voelt zich bij zijn voorstel om studerenden op te nemen in de kring van rechthebbenden, gesteund door de opvatting van de SER. Voorts wordt hierdoor tegemoet gekomen aan de kritische reactie van een grote meerderheid van de Tweede Kamer op het hiervoor gememoreerde voornemen van het vorige kabinet om deze groep niet langer tot de kring van rechthebbenden van de AAW te rekenen (Kamerstukken II, 1992/93, 22 968, nr. 5, blz. 10 e.v.).

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van 21 maart 1995 heeft de Ziekenfondsraad voorts op 22 juni 1995 commentaar geleverd over de gevolgen voor de sociale ziektekostenverzekeringen van de kabinetsvoornemens inzake versterking marktwerking in de ZW en WAO. De raad beveelt onder meer aan om de regeling voor jonggehandicapten titel voor ziekenfondsverzekering te laten zijn, indien betrokkenen een uitkering ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 45%. Een daartoe strekkende wetswijziging is opgenomen in het wetsvoorstel Invoeringswet.

Na advisering door de SER zijn de voorstellen uit de adviesaanvraag nader uitgewerkt in een aantal wetsvoorstellen. Over het onderhavige wetsvoorstel is op 17 juli 1995 technisch commentaar gevraagd aan het Tica. Aan het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) is op 17 juli 1995 verzocht om een toets te verrichten op de toezichtsaspecten van dit wetsvoorstel.

Het Tica heeft bij brief van 22 september 1995 commentaar uitgebracht. Het Tica gaat op diverse onderdelen van het wetsvoorstel in. Het Ctsv heeft op 29 september 1995 de resultaten van de verrichte toets bekend gemaakt.

De opmerkingen van het Tica en het Ctsv zijn voor zover mogelijk verwerkt. Waar dit niet het geval is, wordt hierop in de desbetreffende onderdelen van deze memorie nader ingegaan.

  • 4. 
    Hoofdlijnen wetsvoorstel

Ten aanzien van dit wetsvoorstel heeft het kabinet de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a. 
    de wenselijkheid van een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden;
  • b. 
    handhaving van recht op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
  • c. 
    financiering ten laste van de algemene middelen;
  • d. 
    uitvoering door één bedrijfsvereniging. Hierop wordt in de volgende paragrafen ingegaan.

4.1. Wenselijkheid van een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden

Ook na het vervallen van de AAW als volksverzekering blijft het naar het oordeel van het kabinet gewenst voor jonggehandicapten een wettelijke voorziening op minimumniveau tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid te handhaven. Het kabinet acht de overwegingen die met betrekking tot deze groep bij de totstandkoming van de AAW zijn aangevoerd nog steeds valide. Met name betreft dit de overweging dat het personen betreft die op een tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij nog geen inkomensvormende arbeid kunnen verwerven, terwijl zij zich tegen dit risico niet particulier kunnen verzekeren. Noch van betrokkenen zelf noch van de ouders kan worden verlangd dat zij dit risico dragen. Voorts is van belang dat in het kader van het pakket wetsvoorstellen tot versterking van de marktwerking in de WAO voor deze doelgroep geen wijziging in uitkeringspositie is beoogd. In het regeerakkoord voor de periode 1994–1998 (Kamerstukken II, 1993/94, 23 715, nr. 11) is vastgelegd dat voor jonggehandicapten op de begroting een voorziening wordt getroffen.

In het kader van de kabinetsvoorstellen met betrekking tot de WAO/AAW worden afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsregelingen voor werknemers en zelfstandigen voorgesteld en komt de AAW als bodemvoorziening te vervallen. Gelet op de wenselijkheid van een wettelijke bescherming voor jonggehandicapten tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid ligt het voor de hand dat voor jonggehandicapten eveneens een afzonderlijke regeling wordt getroffen, die ten laste komt van de algemene middelen. Anders dan werknemers en zelfstandigen hebben jonggehandicapten voor het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid niet deel kunnen nemen aan betaalde arbeid en via premieheffing kunnen bijdragen aan de financiering van een wettelijke voorziening. Er is derhalve behoefte aan een specifieke voorziening voor deze categorie, met een eigen financieringskader.

Bij de uitwerking van de kabinetsvoornemens is de vraag opgekomen of het niet gewenst zou zijn om jonggehandicapten, waarvan de financiering zou dienen te geschieden via de algemene middelen, onder te brengen in het stelsel van minimum-behoeftevoorzieningen. Dit zou, afhankelijk van de nadere vormgeving, voordelen kunnen hebben vanuit oogpunt van eenvoud van wetgeving. Van een uitwerking in deze zin is echter afgezien.

De huidige minimumbehoeftevoorzieningen die door de gemeenten worden uitgevoerd (Algemene bijstandwet (Abw), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)) worden weliswaar ook via de algemene middelen gefinancierd, maar deze regelingen kennen, wat betreft de ABW een toets op inkomen en vermogen van zowel de betrokkene als diens eventuele partner, en, wat betreft de IOAW en IOAZ, een toets op inkomen uit of in verband met arbeid van betrokkene en diens eventuele partner. De IOAZ kent naast een toets op inkomen uit of in verband met arbeid ook een toets op inkomen uit vermogen, voor zover dit een bepaald niveau (in 1995: f 202 000,–) overstijgt. Het onderbrengen van jonggehandicapten in dit regime van minimumbehoefteregelingen zou in bepaalde gevallen kunnen leiden tot een achteruitgang in sociaal beschermingsniveau, hetgeen niet is beoogd.

Ook acht het kabinet het niet wenselijk om te kiezen voor een regeling die qua karakter zou aansluiten op de Algemene nabestaandenwet (Anw), waarbij een vermogenstoets achterwege zou blijven. Het kabinet heeft er voor gekozen om de regeling voor jonggehandicapten zoals deze nu geldt in het kader van de AAW, middels de onderhavige wettelijke regeling voort te zetten.

In de lijn van het streven om gedeeltelijk arbeidsgeschikten daar waar mogelijk aan het arbeidsproces te laten deelnemen en uit oogpunt van samenhang, zou het niet passen om voor jonggehandicapten wat betreft hun (gedeeltelijke) inkomensvoorziening een regeling te treffen die buiten het kader valt van de (stimulerende) regelingen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten.

Voor jonggehandicapten wordt derhalve voorzien in een uitkeringsregeling op minimumniveau die kan doorlopen tot het 65e jaar. Het recht op uitkering is gebaseerd op individuele aanspraken, en uit dien hoofde gunstiger dan de bijstand.

Tot de kring van rechthebbenden van de onderhavige regeling behoren allereerst jonggehandicapten, die reeds bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt zijn. Dit is de hoofdgroep van de regeling. Daarnaast wordt de kring van rechthebbenden gevormd door studerenden zonder arbeidsverleden die reeds de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, maar tijdens de studie arbeidsongeschikt zijn geworden. Zoals reeds vermeld is het kabinet, mede door de adviezen van de SER en de kritische beoordeling van het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW door de Tweede Kamer, tot de conclusie gekomen dat het wenselijk en mogelijk is om studerenden onder te brengen in de onderhavige regeling, zodat ook voor hen een regeling bestaat die bescherming biedt tegen de gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook studerenden kunnen tot de categorie van jonggehandicapten worden gerekend in die zin dat zij op een tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij vanwege de studie-activiteiten niet in staat zijn geweest via arbeid te voorzien in een voldoende inkomen. Voorts zou, bij uitsluiting van studerenden van enige wettelijke regeling, afbreuk kunnen worden gedaan aan het overheidsbeleid dat er op is gericht om jongeren te laten deelnemen aan onderwijs, zowel in het belang van henzelf als van de maatschappij.

Deze doelgroepuitbreiding zou met betrekking tot andere groepen de vraag kunnen oproepen waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden worden gerekend. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de groep «schoolverlaters» die kort na hun zeventiende verjaardag of afstuderen arbeidsongeschikt zijn geworden.

Op zich is deze vraag legitiem. Het kabinet acht het evenwel ongewenst om de grenzen van de doelgroepomschrijving ten opzichte van de huidige AAW en het eerder ingediende wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW verder te verruimen omdat het dan steeds moeilijker zal worden om tegenover andere groepen (bijvoorbeeld bijstandsontvangers die evenzeer moeten solliciteren of verzorgers zonder arbeidsverleden van jonge kinderen) te motiveren waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden worden gerekend. Achter iedere grens die getrokken wordt staat een nieuwe doelgroep die tot de regeling zou willen toetreden. Het kabinet is van oordeel dat met het betrekken in de regeling van de groep studerenden een goed te onderbouwen grens wordt getrokken en dat niet verder moet worden gegaan.

In deze wet wordt aangesloten bij de omschrijving van het begrip studerende in de Wet op de studiefinanciering (WSF). Het betreft studerenden van 18 tot 27 jaar die volledig dagonderwijs volgen met een inkomensvoorziening op grond van de WSF. Hiermee is de hoofdgroep van de categorie studerenden aangeduid. Daarnaast zijn ook andere categorieën studerenden geduid.

In de definitiebepaling van het begrip «studerenden», artikel 5, tweede lid, zijn ook opgenomen studerenden die na afloop van hun studiefina-ciering door de onderwijsinstelling financieel worden ondersteund. Het betreft de studerenden die worden genoemd in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Daarnaast zijn ook studerenden van 17 jaar die studerend zijn in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en voor wie de ouders op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de AKW aanspraak kunnen maken op kinderbijslag, in de doelgroepomschrijving van deze wet opgenomen.

Ook de categorie studerenden voor wie de ouders op grond van de in artikel XII, onder a, van de wet van 21 december 1995, (Stb. 1995, nr. 691), tot nadere wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) getroffen overgangsregeling kinderbijslag ontvangen, worden aangemerkt als studerenden in de zin van artikel 5, tweede lid, van dit voorstel van wet. Dit is bepaald in één van de overgangs- en slotbepalingen van dit voorstel van wet, in artikel 75.

Voorts heeft de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) (Stb. 1995, 676) kracht van wet gekregen. Hoofdstuk III van deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Het gevolg hiervan is dat één van de beoogde doelgroepen van deze wet, studerenden in het voortgezet onderwijs niet zijnde middelbaar beroepsonderwijs, per 1 januari 1997 niet langer onder de WSF zal vallen maar onder hoofstuk III van de WTS. In verband daarmee is deze groep ook afzonderlijk geduid.

Ten slotte kunnen zonodig bij algemene maatregel van bestuur ook andere groepen studerenden worden geduid.

Aangezien het hierbij om een diversiteit van groepen gaat en het beleid ten aanzien van deze groepen sterk in beweging is, bevat het voorliggende wetsvoorstel de mogelijkheid om, naast de groepen zoals deze in de wet zijn genoemd, bij algemene maatregel van bestuur ook andere groepen voor deze regeling in aanmerking te brengen.

Betrokkenen worden overigens alleen als studerenden in aanmerking genomen wanneer zij in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid tenminste 6 maanden studerend zijn geweest. Hiermee wordt aangesloten bij het huidige regime in de AAW.

Naar het oordeel van het kabinet is het niet gewenst om de verzorgers van naaste verwanten in deze regeling onder te brengen. Anders dan jonggehandicapten hebben verzorgers van naaste verwanten wel de keuzemogelijkheid gehad om betaalde arbeid te verrichten. Naar het oordeel van het kabinet dient de keuze om naaste verwanten te verzorgen en af te zien van het verwerven van arbeidsinkomsten te worden gerespecteerd, maar behoeft een dergelijke keuze niet te worden gehonoreerd met aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsregeling. Het kabinet deelt de zienswijze van de SER dat het ten opzichte van andere categorieën, zoals met name huisvrouwen met jonge kinderen, niet te rechtvaardigen zou zijn hen in deze regeling op te nemen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW is de Tweede Kamer nader ingegaan op het voornemen van het toenmalige kabinet om verzorgers van naaste familieleden niet meer als een bijzondere groep in de AAW op te nemen (Kamerstukken II 1992/93, 22 968, nr. 5).

Uit voornoemd voorlopig verslag blijkt dat diverse fracties destijds begrip hadden voor de argumentatie om verzorgers niet meer als uitzonderingsgroep aan te merken.

Wel werd de vraag gesteld of het kabinet inzicht heeft in de maatschappelijke en financiële gevolgen indien door deze maatregelen de verzorgde intramuraal moet worden opgenomen.

Dit zou niet in overeenstemming zijn met het huidige overheidsbeleid.

Zoals dat ook in het terzake uitgebrachte SER-advies (advies van 18 januari 1991, nr. 1) is aangegeven, bestaat de groep van ongehuwd verzorgenden van naaste familieleden naar schatting uit enkele tientallen personen. Naar verwachting zullen de maatschappelijke en financië le gevolgen van de maatregelen voor deze groep beperkt van omvang zijn. In dit verband is van belang dat voor de groep ongehuwd verzorgenden een overgangsregeling is getroffen die inhoudt dat hun uitkering zal worden voortgezet.

Daarnaast is het streven van het kabinet er op gericht, om binnen de daarvoor beschikbare financiële kaders, de in de maatschappij bestaande zorgbehoefte ook extramuraal in te vullen. Over de voornemens van het kabinet met betrekking tot de thuiszorg is de Tweede Kamer op 15 april en 6 mei jl. geïnformeerd (Kamerstukken II, 1995/1996, 23 235, nrs. 11, 12). Daarnaast zijn de ontwikkelingen met betrekking tot het zogenaamde persoonsgebonden budget in deze ook van belang (Kamerstukken II, 1994/1995, 23 904 nrs. 13 en 14.

Eén van de overwegingen om verzorgers van verwanten niet meer als een afzonderlijke groep in de AAW te handhaven was het feit dat zij anders dan jonggehandicapten de keuzemogelijkheid hebben gehad om arbeid te gaan verrichten.

Voorts is het kabinet met de SER van mening dat uitgaande van het voortbestaan van de uitzonderingspositie van verzorgers er juridische risico’s bestaan in die zin dat er sprake zou kunnen zijn van discriminatie naar burgerlijke staat (ongehuwd verzorgenden) en indirecte discriminatie naar geslacht (de verzorgenden zijn veelal vrouwen).

Sommige fracties betwijfelden, blijkens eerdergenoemd voorlopig verslag, of bij verzorgers van verwanten in alle gevallen sprake is geweest van een vrije keuze. Volgens deze leden zou het in veel gevallen gaan om mensen die weinig of geen kansen hadden op de arbeidsmarkt.

Mocht dit al het geval zijn dan vormt dit naar mening van het kabinet geen reden om deze groep een uitzonderingspositie te geven ten opzichte van andere personen die ook weinig of geen kansen op de arbeidsmarkt hebben.

Een aantal fracties pleitten met het oog op het maatschapppelijk belang voor handhaving van de verzorgers van hulpbehoevende naaste verwanten als afzonderlijke groep.

Hoewel zorg voor naasten natuurlijk een maatschappelijk belang heeft, kan dit naar de mening van het kabinet, op zich geen grond vormen om voor verzorgers van naaste verwanten in de regelgeving van de sociale zekerheid een afzonderlijke regeling te creëren waarbij er vanuit wordt gegaan dat personen in plaats van aan het arbeidsproces deel te nemen zich volledig richten op de zorg van naaste familieleden. Het kabinetsbeleid is er immers op gericht dat een ieder zich middels het volgen van een (beroeps)opleiding voorbereidt op toetreding tot de arbeidsmarkt teneinde in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Overigens wil dit niet zeggen dat er bij het kabinet niet tevens aandacht bestaat voor de aspecten van zorg. Hiervoor is reeds gewezen op de ontwikkelingen met betrekking tot de thuiszorg en het persoonsgebonden budget. Voorts is in dit kader ook van belang de nota «Om de kwaliteit van arbeid en zorg; investeren in verlof» die aan de Tweede Kamer is toegezonden (Kamerstukken 1995/1996, 24 332, nrs. 1 en 2). In deze nota worden voorstellen gedaan om de combineerbaarheid van betaalde arbeid met andere verantwoordelijkheden, ondermeer zorg, te verbeteren. In een brief van 26 april 1996 heeft het kabinet voorts aangekondigd over dit onderwerp advies te zullen vragen bij de Stichting van de Arbeid en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (Kamerstukken 1995/1996, 24 332, nr. 9).

Met betrekking tot verzorgers van jonge kinderen, voornamelijk nog vrouwen, is door diverse fracties de invoering van een verzorgingsforfait, naar analogie van de Werkloosheidswet (WW), in overweging gegeven. Het kabinet acht het niet gewenst deze suggestie over te nemen.

In de eerste plaats kan het verzorgingsforfait zoals dat wordt gehanteerd in het kader van de WW niet analoog worden toegepast in de regelingen met betrekking tot arbeidsongeschiktheid omdat deze regelingen geen referteperiode kennen.

Daarnaast is van belang dat het kabinet het ongewenst acht om, zoals eerder benadrukt, de grenzen van de doelgroepomschrijving verder te verruimen omdat het dan steeds moeilijker zal worden om tegenover andere groepen te motiveren waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden worden gerekend. In paragraaf 2 is hierop uitvoerig ingegaan.

De onderhavige regeling blijft beperkt tot jonggehandicapten en studerenden die ingezetene zijn en op jeugdige leeftijd, dat wil zeggen voordat zij konden deelnemen aan inkomensvormende arbeid, arbeidsongeschikt zijn geworden. Hiermee wordt een toereikende afbakening bereikt ten opzichte van personen die in andere omstandigheden verkeren en dan arbeidsongeschikt worden, zoals verzorgers van naaste verwanten en personen die aangewezen zijn op een bijstandsuitkering. Laatstgenoemden kunnen geen aanspraak aan deze regeling ontlenen.

Evenals het geval is in de huidige AAW, is in dit wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan het begrip «ingezetene». Bezien zal worden in hoeverre het wenselijk is, mede gelet op de handhavingsaspecten, om voor jeugdige personen, die thans onder het besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1989 vallen, een regeling te treffen.

4.2. Handhaving van recht op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

4.2.1. Algemeen

In dit wetsvoorstel wordt voor wat betreft het recht op en de hoogte van de uitkering aangesloten bij de huidige AAW.

Recht op uitkering bestaat indien de arbeidsongeschiktheid is ontstaan vó ór het bereiken van de leeftijd van 17 jaar of, ingeval het een studerende betreft, tijdens de studieperiode. De uitkering wordt toegekend nadat een wachttijd van 52 weken is verstreken. Vereist is dat sprake is van arbeidsongeschiktheid, berekend naar een percentage van 25% of meer. In de wachttijdperiode zal veelal aanspraak kunnen worden gemaakt op kinderbijslag of, voor wat betreft studerenden zonder toereikende middelen, op bijstand.

De hoogte van de uitkering wordt bepaald door de mate van arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in het arbeidsongeschiktheidspercentage, en de uitkeringsgrondslag. De uitkeringsgrondslag wordt, evenals in de huidige AAW, vastgesteld op het voor de leeftijd geldende minimumloon. Het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt bepaald door een loonkundige vergelijking tussen het inkomen van een met betrokkene vergelijkbare gezonde persoon (de maatman) en de resterende verdiencapaciteit bij arbeidsongeschiktheid. Voor jonggehandicapten die voorheen geen arbeidsinkomen hebben genoten, wordt het maatmaninkomen in het algemeen bepaald op het minimumloonniveau. De resterende verdiencapaciteit wordt bepaald met toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium dat met ingang van 1 augustus 1993 op grond van de Wet TBA voor nieuwe gevallen geldt. Daarbij wordt uitgegaan van wat iemand, gelet op zijn krachten en bekwaamheden, nog wél kan. Bij de schatting van de arbeidsongeschiktheid worden functies geduid, die iemand gezien zijn krachten en bekwaamheden en los van opleiding of werkervaring, nog kan vervullen. Bij de duiding van deze functies wordt de hoogste loonwaarde in aanmerking genomen. Niet vereist is dat deze functies ook daadwerkelijk voor betrokkene voorhanden zijn. Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid blijft in deze regeling de arbeid die iemand in WSW-verband kan verrichten, net als in de huidige AAW, buiten beschouwing. Voor jonggehandicapten die veelal ernstige lichamelijke of verstandelijke beperkingen kennen zal toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium in veel gevallen – evenals nu – resulteren in een uitkering, berekend naar een percentage van 80–100%. Voor hen resulteert derhalve bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering van 70% van het bij de leeftijd behorende minimumloon.

In aansluiting bij de AAW bevat dit wetsvoorstel overeenkomstige bepalingen over onder meer de toekenning, herziening, beëindiging en heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen omvatten mede recente wijzigingen van de AAW die ertoe strekken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken kan worden toegekend of herzien. Dit is het geval wanneer de arbeidsongeschiktheid, die is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de aanvankelijk vastgestelde arbeidsongeschiktheid die al dan niet heeft geleid tot een uitkering, binnen een termijn van vijf jaar is toegenomen. Deze bepalingen zijn in overeenstemming met de desbetreffende wijzigingen van de AAW op grond van de Wet Amber.

Erkend wordt dat de praktische betekenis van de herzieningsbepalingen voor de groep jonggehandicapten beperkt is, aangezien verreweg de meeste jonggehandicapten thans een uitkering ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van 80–100%. Slechts een gering aantal ontvangt een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Voor hen kunnen deze bepalingen wel van betekenis zijn. Het zou jegens deze personen onterecht zijn om deze bepalingen niet in dit wetsvoorstel op te nemen.

In het wetsvoorstel zijn ook bepalingen opgenomen die voorzien in een herbeoordeling van het arbeidsongeschiktheidspercentage na het eerste arbeidsongeschiktheidsjaar en vervolgens, omdat de uitkering voor 3 jaar wordt toegekend, elke 3 jaar. Omdat het in verband met de orië ntatie op de arbeidsmarkt ook voor deze groep belangrijk is dat deze herbeoordelingsmomenten plaatsvinden zijn deze in het onderhavige wetsvoorstel analoog aan de AAW opgenomen.

In artikel 11, derde lid, van dit voorstel van wet wordt aan het Tijdelijk instituut voor coö rdinatie en afstemming (Tica) de mogelijkheid geboden om onder ministeriële goedkeuring ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten te bepalen dat er voor de eerste herbeoordeling geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de termijn van één jaar.

Daarnaast is in artikel 27, zevende lid, van dit voorstel van wet bepaald dat het Tica onder ministeriële goedkeuring ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten kan bepalen dat voor de herbeoordeling met het oog op voortzetting van de uitkering geen tijdvak van drie jaar – in de huidige AAW geldt nog een termijn van vijf jaar – dan wel een ander tijdvak zal gelden waarover de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.

Deze artikelen zouden toepassing kunnen vinden met betrekking tot die jonggehandicapten en studenten ten aanzien van wie een herbeoordeling nauwelijks zin heeft, zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.

Het recht op uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand waarop de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar bereikt of wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of is afgenomen tot een percentage beneden de 25%.

Indien de jonggehandicapte die een uitkering ontvangt inkomsten uit arbeid verwerft en niet vaststaat of betrokkene deze arbeid duurzaam kan blijven verrichten, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meteen aangepast, maar worden de inkomsten geanticumuleerd op de uitkering. Alsdan blijft het reeds vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van toepassing. Binnen een termijn van uiterlijk drie jaar dient te worden beoordeeld of betrokkene het werk wel aankan. Indien de jonggehandicapte na het verstrijken van deze periode deze arbeid nog steeds verricht, wordt ervan uitgegaan dat het om algemeen geaccepteerde arbeid gaat. Deze termijn van drie jaar geldt niet ten aanzien van deelname aan arbeid in WSW-arbeid. De meeste jonggehandicapten die arbeid verrichten doen dit in WSW-verband. In de AAW is bepaald dat de bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden gestort in ’s Rijks kas. Hierop wordt in dit wetsvoorstel aangesloten, zij het met enige aanpassing. Zowel het Tica als het Ctsv wijzen er op dat het onverkort handhaven van de afdracht van bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met arbeid in WSW-verband aan ’s Rijks kas zou leiden tot een kostbaar rondpompen van gelden van en naar het Rijk. Beide instanties zien hiervoor niet langer aanleiding, nu de Wajong niet uit premies wordt gefinancierd, zoals de AAW, maar uit algemene middelen.

Het kabinet deelt de visie van het Tica en het Ctsv dat het rondpompen van gelden voor zover mogelijk moet worden voorkomen. Het kabinet acht dit ook mogelijk door bij de maandelijkse toekenning van voorschotten reeds rekening te houden met het geraamde bedrag aan besparingen vanwege WSW-arbeid. Bij het bedrag van besparingen vanwege WSW-arbeid worden op grond van dit wetsvoorstel ook de over de bespaarde uitkeringen verschuldigde sociale werkgeverslasten betrokken; voor een toelichting moge worden verwezen naar paragraaf 3.10. van het wetsvoorstel Pemba. Door de voorgestelde systematiek wordt de voorschotbetaling, ter financiering van uitgaven uit hoofde van deze wet, beperkt tot een gesaldeerd bedrag (verschuldigde minus bespaarde – vanwege WSW-arbeid – bedragen). Dit is in het onderhavige wetsvoorstel tot uitdrukking gebracht. Uiteraard zullen beide geldstromen wel afzonderlijk moeten worden verantwoord in verband met de vigerende begrotingsvoorschriften. Voorts zal steeds verrekening van de geraamde en de gerealiseerde bedragen moeten plaatsvinden. Een en ander zal nader worden uitgewerkt in nadere regels op grond van artikel 74 van de Osv.

Het Tica mist in de memorie van toelichting een passage waarin wordt aangegeven waarom niet de mogelijkheid van een schatting op WSW-arbeid is overwogen.

In het wetsvoorstel is bepaald dat WSW-arbeid voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige bepaling in de AAW. Uitgangspunt is dat in principe alleen wordt gekeken naar functies in het vrije bedrijf of beroep. Indien WSW-arbeid wel bij de arbeidsongeschiktheidsschatting zou mogen worden betrokken, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat de jonggehandicapte die op basis van zijn krachten en bekwaamheden voor WSW-arbeid in aanmerking komt, vanwege de daaruit voortvloeiende verdiensten geen recht meer zou hebben op een AAW-uitkering. Dit zou een inhoudelijke wijziging betekenen ten opzichte van de huidige situatie welke niet is beoogd.

In aansluiting op zijn pleidooi om WSW-arbeid wel te laten meetellen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van deze wet, stelt het Tica voor om de bepaling dat de termijn van drie jaar niet van toepassing is op WSW-arbeid te schrappen.

Tussen de desbetreffende bepaling en het buiten beschouwing laten van WSW-arbeid bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid bestaat een nauwe samenhang. Aangezien het kabinet geen aanleiding ziet om ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsschatting wijzigingen ten opzichte van het huidige AAW-regime aan te brengen, ziet het kabinet evenmin aanleiding om bedoelde bepaling te schrappen.

4.2.2. Samenloop van uitkeringsrechten

Het Tica en het Ctsv hebben een aantal opmerkingen gemaakt over de samenloop van uitkeringsrechten.

Het Tica wijst erop dat in een aantal artikelen van de AAW thans nog de samenloop wordt geregeld tussen het recht op een AAW-uitkering en aanspraken op nabestaandenpensioen. Het Tica mist in de Wajong een regeling bij een samenloop van eventuele aanspraken op grond van de Wajong en aanspraken op grond van het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet (Anw, Kamerstukken II, 1994/95, 24 169; inmiddels Wet van 21 december 1995).

In de Wajong behoeft een dergelijke samenloopregeling ook niet te worden opgenomen. Op grond van de huidige AAW gaat het recht op nabestaandenpensioen op grond van de Algemene weduwen en wezenwet nog voor. Met de invoering van de Anw is hierin wijziging gebracht. Op grond van de Anw wordt rekening gehouden met inkomen uit of in verband met arbeid. In het Inkomensbesluit Anw wordt bepaald welk inkomen als inkomen uit of in verband met arbeid wordt beschouwd. In dat Inkomensbesluit zal worden aangegeven dat Wajong-uitkeringen als inkomen uit of in verband met arbeid worden aangemerkt. Krachtens de Anw wordt derhalve voorzien in anticumulatie van uitkeringsrechten, zodat een regeling in het kader van dit wetsvoorstel niet nodig is.

Bij het aan het Tica en Ctsv voorgelegde wetsvoorstel werd door het Tica gewezen op mogelijke ongewenste gevolgen van de voorgestelde samenloopregeling tussen de WAO en de Wajong.

Voorts gaf het Tica aan dat het ter beperking van de administratieve lasten aangewezen is dat bij samenloop tussen Wajong en WAO slechts één bedrijfsvereniging bevoegd is.

Door het Ctsv werd opgemerkt dat de voorgestelde regeling inzake samenloop met andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet (geheel) helder was. Met name wees het Ctsv op de samenloop tussen uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de Wajong. Het Ctsv gaf in overweging ook de Wajong te betrekken bij de gewenste duidelijke en bij voorkeur eenduidige wet- en regelgeving bij samenloop van uitkeringsrechten.

Het kabinet is met het Ctsv van mening dat een duidelijke en bij voorkeur eenduidige wet- en regelgeving bij samenloop van uitkeringsrechten gewenst is. Daarbij moet rekening worden gehouden met de verschillende vormen van samenloop die zich in de praktijk kunnen voordoen. Zo kan zich samenloop met een WAO-uitkering of een WAZ-uitkering voordoen. Ook bij toe- en afname van arbeidsonge- schiktheid is een heldere regelgeving nodig. Uitgangspunt is dat bij samenloop van uitkeringsrechten, waarbij een Wajong-uitkering is betrokken, geen cumulatie van uitkeringsrechten moet kunnen plaatsvinden. Daarom is als hoofdregel in het wetsvoorstel opgenomen dat bij samenloop van recht op een Wajong-uitkering met een recht op een WAZ-of WAO-uitkering laatstgenoemd recht voorgaat. De Wajong-uitkering wordt dan alleen uitbetaald voor zover het het andere uitkeringsrecht overtreft. Het uitkeringsrecht op grond van een verzekering gaat dus voor; de Wajong vormt als het ware een vangnetvoorziening. Overigens bevat dit wetsvoorstel de mogelijkheid om ten aanzien van samenloopsituaties nadere dan wel afwijkende regels te stellen, onder meer, ter voorkoming of beperking van samenloop van uitkeringsrechten dan wel een afwijkende regeling in specifieke situaties (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 50). Naar het oordeel van het kabinet leent zich uitwerking van dergelijke gedetailleerde samenloopsituaties het beste via nadere regels.

4.3. Financiering ten laste van de algemene middelen

De uitkeringslasten uit hoofde van de Wajong komen ten laste van de algemene middelen. Dit houdt in dat de financiering van het centrale fonds dat de middelen toedeelt aan de bedrijfsvereniging, die met de uitvoering van deze wet wordt belast, plaatsvindt door middel van een rijksbijdrage.

De uitkeringslasten kunnen worden gesplitst in uitkeringslasten voor jonggehandicapten en uitkeringslasten voor studerenden (zowel bestaande als nieuwe gevallen), alsmede de verzorgers van naaste verwanten die bij inwerkingtreding van deze wet reeds een AAW-uitkering ontvangen (bestaande gevallen).

Wat de groep verzorgers van naaste verwanten betreft gaat het overigens om een zeer beperkte groep.

Bij de financiële onderbouwing van het regeerakkoord is destijds op de Rijksbegroting een voorziening opgenomen; deze betrof echter alleen de lasten voor jonggehandicapten en niet voor studerenden. In de financiering van deze begrotingspost was voorzien door middel van een verhoging van het tarief eerste schijf. Mede naar aanleiding van het SER-advies is besloten de regeling uit te breiden met studerenden. Dit betekent dat de uitgaven uit hoofde van deze groep moeten worden toegevoegd aan de reeds bestaande gereserveerde middelen. Dit betreft structureel ca. 45 mln. Het gaat daarbij om een verschuiving van de AAW naar de Wajong. Voor een uitgebreid overzicht van de financiële consequenties van intrekking van wetsvoorstel 22 968, waarin was opgenomen dat studerenden niet langer een beroep op de AAW konden doen, zij verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstelInvoeringswet.

Ten laste van de rijksbegroting komen de totale kosten van de Wajong. Dit betreft niet alleen de bruto-uitkeringen, maar ook de sociale lasten en de uitvoeringskosten.

Een uitgebreid overzicht van alle gevolgen is opgenomen in het totaaloverzicht van de financiële consequenties als gevolg van het pakket maatregelen AAW/WAO in de Invoeringswet.

Ter financiering van de uitgaven uit hoofde van deze voorziening wordt een apart Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten gecreëerd dat afzonderlijk door het Tica wordt beheerd. Ten gunste van dit fonds komen onder meer de hiervoor gereserveerde Rijksmiddelen en de door de bedrijfsvereniging op de uitkering ingehouden vereveningsbijdrage. Ten laste van dit fonds komen onder meer de uitkeringen, de voorzieningen en de uitvoeringskosten. Dit Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt, door wijziging van de Osv in het kader van het wetsvoorstel

Invoeringswet Pemba, onder het bereik van die wet gebracht. Op grond van artikel 74 van de Osv zullen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden aan dit fonds plaatsvindt.

De uitkering uit hoofde van deze wet is een bruto-gekoppelde uitkering aan het minimumloon. Over de uitkering zelf zijn premies volksverzekeringen en inkomensbelasting verschuldigd, die worden geheven conform de normale systematiek. Over de huidige AAW-uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van de premies werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt ten goede aan het Aaf. Op deze wijze is het bruto-netto-traject voor niet-werknemers identiek aan dat van werknemers.

Om ook op netto-niveau gelijk uit te komen met werknemers wordt voorgesteld om het bruto-netto-traject voor de Wajong-uitkering gelijk te stellen aan dat voor werknemers door middel van introductie van een vereveningsbijdrage ter hoogte van de premies voor de werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt vervolgens volledig ten goede aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Ingeval betrokkene een uitkering op grond van de Wajong ontvangt en uit dien hoofde verplicht verzekerd is voor het ziekenfonds houdt de bedrijfsvereniging tevens de verschuldigde premie ziekenfonds in en draagt zij deze tezamen met het werkgeversdeel van de premie ziekenfonds af aan de Centrale Kas van de Ziekenfondsraad.

Het Tica stelt in zijn commentaar voor eenzelfde bevoorschottings- en afrekeningssystematiek toe te passen als thans al geldt voor het Toeslagenfonds. Het fonds vraagt voor iedere maand een voorschot aan. Het ministerie voorziet dan, indien akkoord met deze voorschotaanvraag, het fonds aan het begin van de desbetreffende maand van de benodigde middelen.

Voor de financieringssystematiek van het Wajongfonds lijkt een soortgelijke regeling het meest voor de hand liggend. Dit zal worden uitgewerkt in de eerdergenoemde regeling op grond van artikel 74 van de Osv.

Naar aanleiding van de opmerking van het Tica dat behoefte bestaat aan een nadere regeling van het geldverkeer tussen ministerie en fonds wordt opgemerkt dat artikel 74 van de Osv daartoe reeds de wettelijke basis biedt. Het ligt, zoals aangegeven, in de bedoeling om op grond daarvan regels te stellen, waarin de genoemde systematiek nader wordt uitgewerkt.

Het Tica merkt daarnaast op dat in het hem voorgelegde wetsvoorstel als een van de kostenposten van het Wajongfonds is genoemd «middelen tot vorming van een reserve». Het Tica ziet hiertoe geen aanleiding aangezien het Wajongfonds wordt gefinancierd door middel van een Rijksbijdrage en er derhalve geen noodzaak tot de vorming van een reserve aanwezig is. Immers, een reserve dient louter om de discrepantie tussen het moment van ontvangsten en uitgaven van een fonds te overbruggen. Bij een financieringssystematiek door middel van een Rijksbijdrage kunnen ontvangsten en uitgaven op elkaar worden afgestemd.

De kanttekening van het Tica is terecht. De aanvankelijk voorgestelde bepaling is geschrapt.

Hierdoor behoeft niet meer te worden ingegaan op de opmerking van het Ctsv met betrekking tot het beheer van de reserve van het Wajong-fonds.

Het Tica mist een bepaling op grond waarvan het Rijk uitdrukkelijk aansprakelijk is voor de financiering van de Wajong.

In artikel 72 van de Osv is reeds een algemene bepaling getroffen die ook voor de Wajong van belang is. Hierin is de aansprakelijkheid van het Rijk voor de betaling van uitkeringen neergelegd. Bepaald is dat het Rijk ten opzichte van de uitkeringsgerechtigde aansprakelijk is voor de betaling van de uitkering, indien de bedrijfsvereniging met betrekking tot verplichtingen ten laste van een fonds niet meer tot betaling in staat is. Aan een specifieke bepaling in de Wajong is, gegeven de regeling in de Osv, derhalve geen behoefte.

4.4. Uitvoering door é énbedrijfsvereniging

Verschilpunten ten opzichte van de huidige AAW zijn dat de nieuwe regeling exclusief voor jonggehandicapten en studerenden geldt en uit de algemene middelen wordt gefinancierd en niet langer uit premies. Voor het overige geldt dat de regeling in hoofdzaak aansluit bij de huidige AAW. Er geldt dus geen toets op inkomen (zowel het eigen inkomen als dat van de partner) en vermogen, aspecten die in de door gemeenten uitgevoerde minimumbehoefte-regelingen wél aan de orde zijn. Gelet op de kenmerken van de voorliggende regeling en de aansluiting van de regeling bij de huidige AAW, is er geen aanleiding om de uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel weg te halen bij de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging beschikt immers over de benodigde expertise en know-how met betrekking tot de claimbeoordeling en uitkeringsverstrekking, terwijl de bedrijfsvereniging ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de aan deze regeling verwante WAO en WAZ. Mede in antwoord op een vraag van het Tica waarom de uitvoering bij de bedrijfsvereniging is vastgelegd, ziet het kabinet, gelet op deze redenen, hiervoor voldoende aanleiding.

In verreweg de meeste gevallen berust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering thans bij de Nieuwe Algemene bedrijfsvereniging (NAB). Dit is het geval voor 80 000 uitkeringsgerechtigden. Ten aanzien van ca. 15 000 gevallen vindt uitvoering nu nog plaats door de BV Overheid, dit in verband met de arbeid in WSW-verband.

Gezien de beschikbare know-how en expertise, ligt het met het oog op de efficiency in de rede om de verantwoordelijkheid voor de uitvoering geheel in handen te leggen van de NAB.

De middelen worden via de begroting doorgesluisd naar een centraal fonds dat de middelen op declaratiebasis toedeelt aan de Nieuwe Algemene bedrijfsvereniging.

Het (financiële en beleids) toezicht op een doelmatige uitvoering wordt overeenkomstig de Osv uitgeoefend door het Ctsv.

In dit wetsvoorstel is geabstraheerd van de door het kabinet beoogde wijzigingen van de Osv die op hoofdlijnen zijn vastgelegd in de brief van 30 mei 1995 van het kabinet over de toekomstige uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II, 1994/1995, 24 215, nr. 1). In dit wetsvoorstel wordt niet vooruitgelopen op deze wijzigingen.

  • 5. 
    Overige aspecten in verband met het recht op uitkering

In deze paragraaf komt een aantal overige aspecten aan bod. Het betreft: – het geldend maken van het uitkeringsrecht en de betaling – de overlijdensuitkering – verzekering ziekenfonds

Het geldend maken van het uitkeringsrecht en de betaling

Wat betreft de bepalingen met betrekking tot het geldend maken van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt in beginsel aangesloten bij de huidige AAW.

De belanghebbende dient zich binnen uiterlijk vijf maanden na het bereiken van de leeftijd van 17 jaar dan wel, ingeval van een studerende, na het intreden van de arbeidsongeschiktheid te melden bij de bedrijfsvereniging.

Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering dient uiterlijk binnen 9 maanden na deze tijdstippen te zijn ingediend, zodat de bedrijfsvereniging vó ó r het einde van de wachttijd een juiste beslissing met betrekking tot toekenning van de uitkering kan nemen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend voor een periode van drie jaar. Om uitvoeringstechnische redenen is deze periode vooralsnog vastgesteld op vijf jaar. In het wetsvoorstel Invoeringswet wordt dit nader geregeld.

Naar de opvatting van het Tica leidt de voorgestelde regeling ten aanzien van melding door betrokkene en toekenning door de bedrijfsvereniging tot een onduidelijke en onnodig kostbare uitvoering. Volgens het Tica is er geen heldere redengeving voor het feit waarom met integratie in de vijfde maand moet worden begonnen en met de claimbeoordeling eerst in de negende maand. Het Tica acht het aangewezen om geen nieuwe termijn op te nemen maar qua termijnen aan te sluiten bij andere wetten.

Het ontgaat het kabinet dat de voorgestelde regeling onduidelijk en onnodig kostbaar zou zijn. De verplichting voor de betrokkene om de arbeidsongeschiktheid binnen uiterlijk vijf maanden te melden komt immers overeen met de huidige regeling (artikel 65 AAW). Het is van belang dat betrokkene ruimschoots voor het verstrijken van het wachtjaar bekend is bij de bedrijfsvereniging, omdat een verhoogde inspanning met het oog op revalidatie of reïntegratie wenselijk kan zijn. Dezelfde termijn is voor zelfstandigen opgenomen in het wetsvoorstel WAZ. Ook de verplichting voor de bedrijfsvereniging om betrokkene uiterlijk vier maanden vó ór het verstrijken van het wachtjaar te attenderen op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen sluit aan bij de huidige regeling in de AAW (artikel 24, tweede lid, onderdeel a). Ook deze termijn is in de WAZ opgenomen.

Beide termijnen sluiten derhalve aan bij de huidige regeling alsmede bij de voorgestelde termijnen in het kader van de WAZ, zodat niet gesproken kan worden van nieuwe termijnen.

Ten aanzien van het voorstel dat de bedrijfsvereniging – bij een niet-tijdige melding door betrokkene – de mogelijkheid heeft om uiterlijk drie maanden te wachten alvorens betrokkene te attenderen op het doen van een aanvraag merkt het Tica op dat dit niet als een adequate sanctie kan worden aangemerkt.

Bij dit voorstel staat, anders dan het Tica veronderstelt, niet zozeer het sanctie-karakter voorop alswel het scheppen van administratieve duidelijkheid in de situatie dat de betrokkene pas geruime tijd later dan is voorgeschreven, melding maakt van zijn arbeidsongeschiktheid. In zo’n situatie moet duidelijk zijn binnen welke termijn de bedrijfsvereniging betrokkene uiterlijk dient te attenderen op de mogelijkheden tot het doen van een aanvraag. Daarvoor is een uiterste termijn van drie maanden gegeven.

In verband met het geldend maken van het recht op uitkering kan de bedrijfsvereniging betrokkene oproepen of door deskundigen laten onderzoeken. Ook kunnen voorschriften worden gegeven in het belang van behandeling en genezing. Voorts kan de bedrijfsvereniging controlevoorschriften opstellen.

Evenals in de AAW is in deze wet een algemene inlichtingenbepaling opgenomen. Op grond van deze bepaling is de jonggehandicapte alsmede de student verplicht aan de bedrijfsvereniging op verzoek uit eigen beweging mededeling te doen van al datgene dat van invloed is op het recht op of de hoogte van de uitkering. Naast deze algemene inlichtingenbepaling is in artikel 91 van de Osv een algemene verplichting opgenomen om aan de bedrijfsvereniging inlichtingen en gegevens te verstrekken. Deze bepaling gaat ook voor jonggehandicapten en studenten gelden.

Overigens zullen verplichtingen veelal niet door de jonggehandicapte danwel de student in persoon zelf kunnen worden nagekomen. Op grond van de algemene regeling die in het Burgerlijk Wetboek is getroffen is het mogelijk dat betrokkene als handelingsonbekwaam wordt aangemerkt en dat ter behartiging van de belangen van betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger wordt aangewezen. Het spreekt voor zich dat deze alsdan de belangen en verplichtingen van de betrokkene verzorgt.

Niet-nakoming van de aan de uitkering verbonden verplichtingen, kan ertoe leiden dat de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigert. In dit wetsvoorstel wordt, evenals bij het wetsvoorstel WAZ, aangesloten bij de bepalingen in de AAW, zoals opgenomen in de wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248). Dit betekent dat ook in dit wetsvoorstel de verplichting voor de bedrijfsvereniging om in bepaalde nader omschreven situaties een maatregel of een boete op te leggen wordt ingevoerd. Een maatregel wordt opgelegd bij overtreding van bepalingen die gericht zijn op beperking van de instroom en op bevordering van de uitstroom. De boete is aan de orde in de gevallen waarin de belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van alle inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen. Voor de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan genoemde wet en de verdere uitwerking daarvan moge worden verwezen naar die wet.

Zoals eerder aangegeven, zal het praktisch effect van deze bepalingen in verband met de kring van rechthebbenden van het onderhavige wetsvoorstel beperkt zijn. In een beperkt aantal gevallen zullen deze bepalingen naar het oordeel van het kabinet niettemin noodzakelijk zijn.

Over de uitkering bestaat aanspraak op een vakantie-uitkering. Deze bedraagt 8% van het uitkeringsbedrag. De vakantie-uitkering wordt in het algemeen in de maand mei uitbetaald over de voorafgaande twaalf maanden, waarop recht op uitkering bestond. De vakantie-uitkering wordt eerder uitbetaald, indien de uitkering eerder wordt beëindigd.

De uitkering wordt verder als regel in maandtermijnen uitbetaald. De bedrijfsvereniging is bevoegd om de uitkering bij wege van voorschot uit te betalen, indien de hoogte van de uitkering nog niet vaststaat. Deze kan dan verrekend worden met de definitief vastgestelde uitkering.

Een verstrekking op grond van de wet kan van de jonggehandicapte en student worden teruggevorderd, wanneer duidelijk is dat deze onverschuldigd is betaald.

Het Tica maakt een opmerking over de voorgestelde regeling met betrekking tot de betaling aan instellingen. Deze regeling sluit aan bij het desbetreffende onderdeel van de Veegwet ( technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Stb. 1995, 691). Volgens het Tica biedt de regeling geen duide- lijkheid ten aanzien van de inrichtingen die onder deze bepaling vallen en wie bij een verschil van mening een bindende uitspraak kan doen.

Naar de opvatting van het kabinet is de voorgestelde regeling voldoende duidelijk. De term «inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen» is dermate specifiek bepaald, dat mag worden verwacht dat dit doorgaans voldoende duidelijkheid schept. Bovendien is de bedrijfsvereniging bevoegd en niet verplicht om een verzoek van een dergelijke inrichting om tot uitbetaling over te gaan in te willigen. Indien de bedrijfsvereniging twijfels heeft over de status van de instelling, mag worden aangenomen dat zij zich terdege informeert.

Verder stelt het Tica de vraag waarom in dit wetsvoorstel niet de mogelijkheid is opgenomen dat de particuliere persoon die de zorg van betrokkene op zich heeft genomen, in de gelegenheid wordt gesteld (een deel van) de uitkering te ontvangen.

Zoals in paragraaf 2.3 van de memorie van toelichting van de Veegwet (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Stb. 1995, 691) is toegelicht is een specifieke regeling niet nodig voor degenen die niet in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen zijn opgenomen en niet in staat zijn hun belangen behoorlijk waar te nemen. In dergelijke situaties kan worden aangesloten bij de algemene regeling van handelingsonbekwaamheid. Indien een curator of provisioneel bewindvoerder is benoemd, kan de uitkering aan die curator of bewindvoerder worden betaald.

Naar aanleiding van het daartoe strekkende pleidooi van het Tica zijn de desbetreffende bepalingen in de WAZ en dit wetsvoorstel op uniforme wijze geregeld.

De overlijdensuitkering

Met betrekking tot de overlijdensuitkering wordt in dit wetsvoorstel voor zover van belang aangesloten bij de wet tot wijziging van de AOW en enige andere sociale zekerheidswetten (Stb. 1995, 696). Het betreft met name de volgende voorstellen:

– verkorting van de overlijdensuitkering tot een maand.

– het niet opnemen van de slotuitkering.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de motieven en doelstellingen van deze wijzigingen moge worden verwezen naar deze wet.

Verzekering voor het ziekenfonds

Thans zijn AAW-gerechtigden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 45%, verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet. Dit is met name van belang voor zelfstandigen en jonggehandicapten. Aan de Ziekenfondsraad is advies gevraagd over de gevolgen van de kabinetsvoorstellen inzake de Ziektewet, WAO en AAW en in het bijzonder over de vraag of het maatschappelijk wenselijk moet worden geacht dat jonggehandicapten en studerenden op grond van deze wet en zelfstandigen op grond van de WAZ onder de verplichte verzekering van de Ziekenfondswet worden gebracht. Zoals in paragraaf 3 reeds aangegeven heeft de Ziekenfondsraad hiertoe positief geadviseerd. Een en ander wordt nader geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet.

  • 6. 
    Enkele bijzondere aspecten

6.1. Mogelijkheden tot arbeidsdeelname voor jonggehandicapten

Gelet op de aard van de beperkingen van jonggehandicapten zijn de mogelijkheden tot reïntegratie in veel gevallen beperkt. Dit komt ook naar voren uit het recente onderzoek Behoefte aan beroepsopleidingen voor vroeggehandicapten en arbeidsongeschikten uit januari 1995 dat in opdracht van het Ministerie van SZW is verricht en in maart 1995 naar de Tweede Kamer is gezonden.

In het rapport wordt vastgesteld dat de uitgangspositie voor toetreding tot de arbeidsmarkt slecht lijkt. Zeker waar het de gezondheidstoestand betreft hebben jonggehandicapten relatief veel beperkingen die het verwerven van een baan belemmeren. In het algemeen hebben jonggehandicapten een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Jonggehandicapten zijn in het algemeen voorts laag geschoold.

De beperkte mogelijkheden voor jonggehandicapten worden geïllus-treerd aan de hand van de volgende gegevens uit het onderzoek. Door de onderzoekers is nagegaan hoe groot de groep gehandicapten tussen de 16 en 46 jaar is, die niet werkt en geen beroepsopleiding volgt. Wat de categorie jonggehandicapten betreft gaat het hierbij om 43 000 personen, van wie 27 000 personen niet werken en geen beroepsopleiding volgen. Hiervan hebben de onderzoekers vastgesteld dat 6 000 personen gezien de gezondheidssituatie kunnen werken en een beroepsopleiding kunnen volgen. 5 000 jonggehandicapten willen ook een beroepsopleiding volgen; 2 800 personen willen naar aangepast onderwijs.

Wat betreft de mogelijkheden om de reïntegratiekansen van betrokkenen te bevorderen wordt in dit wetsvoorstel, voor zover van toepassing, aangesloten bij het huidige instrumentarium. Dit instrumentarium omvat onder meer de voorzieningen die thans op grond van de AAW kunnen worden verstrekt. Deze voorzieningen zijn nader te onderscheiden in voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid («zgn. werkvoorzieningen») en een beperkt aantal voorzieningen, strekkend tot verbetering van de levensomstandigheden (zgn. «leefvoorzieningen»). Als werkvoorzieningen worden ook beschouwd voorzieningen ten behoeve van het volgen van regulier onderwijs, zoals speciale leermiddelen en vervoer van en naar school, welke voor jonggehandicapten en studenten bij uitstek van belang kunnen zijn.

Wat betreft onderwijs aan scholen voor speciaal onderwijs, scholen van voortgezet speciaal onderwijs dan wel scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs heeft de AAW geen taak ten aanzien van voorzieningen in de school en het vervoer naar en van school. Verstrekking van voorzieningen voor deze vormen van onderwijs valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van OC&W. Voor de vergoeding van het vervoer naar en van school kan een beroep worden gedaan op de gemeente waarin de betrokken leerling woonachtig is.

Voorts is het mogelijk dat de bedrijfsvereniging met het oog op de (re)ïntegratie van de jonggehandicapte in het arbeidsproces scholingskosten vergoedt, welke onder meer kunnen bestaan uit (aangepaste) leermiddelen, reiskosten en lesgeld.

Deze voorzieningen kunnen op grond van de AAW ook vóór het bereiken van de leeftijd van 17 jaar worden verstrekt.

Het is gewenst de mogelijkheid tot het verstrekken van dergelijke onderwijsen scholingsvoorzieningen in het kader van dit wetsvoorstel te handhaven. Wanneer de jonggehandicapte dan wel studerende overigens een dienstverband met een werkgever aangaat en voor het verrichten van die arbeid nadere voorzieningen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding op de werkplek, worden deze niet verstrekt uit hoofde van het voorliggende wetsvoorstel, maar op grond van de WAO.

Wat de bevordering van de arbeidsmarktkansen van jonggehandicapten en studerenden betreft zijn uiteraard ook de generieke arbeidsmarktinstrumenten van belang.

Juist omdat deze personen voor een aanzienlijk deel zodanige beperkingen en gezondheidsproblemen hebben, dat de kans op een reguliere baan gering is, is het van groot belang dat de mogelijkheid bestaat tot werk onder aangepaste omstandigheden voor diegenen die tot arbeid in staat zijn. Deze mogelijkheid wordt geboden door de Wet sociale werkvoorziening (WSW).

Hierbij is de aanwezigheid van een aangeboren dan wel op jonge leeftijd opgelopen handicap niet zonder meer voldoende.

Indien de beperkingen van dien aard zijn, dat deze het werken op een reguliere arbeidsplaats als zodanig niet in de weg staan, kunnen de reïntegratieinstrumenten van de bedrijfsverenigingen om de arbeidsin-passing te bevorderen, dienstig zijn. De arbeidsmogelijkheden van betrokkene kunnen ook zo gering zijn, dat betrokkene niet in staat is om arbeid in WSW-verband te verrichten. In dat geval zijn andere dagactiviteiten in een dagverblijf voor gehandicapten of een activiteitencentrum voor lichamelijk gehandicapten meer aangewezen.

De sociale werkvoorziening kan voor jonggehandicapten en studerenden gezien worden als een reële mogelijkheid tot arbeidsdeelname. Dit blijkt ook uit het feit dat ca. 21 000 jonggehandicapten deelnemen aan arbeid in WSW-verband. Daarmee maakt deze categorie thans circa een kwart van de totale WSW-populatie uit.

Het verrichten van arbeid in WSW-verband biedt betrokkene de mogelijkheid om in arbeidsomstandigheden die zijn aangepast aan zijn of haar mogelijkheden en beperkingen, deel te nemen aan betaalde arbeid en daardoor een inkomen te verwerven. In een aantal gevallen is het denkbaar dat betrokkene vanuit de WSW doorstroomt naar een reguliere werkkring buiten de sociale werkvoorziening. Voor diegenen, die na een bedrijfsopleiding en werkervaring binnen de sociale werkvoorziening alsnog in staat zijn door te stromen naar een gewone werkkring buiten de sociale werkvoorziening, is de (re)ïntegratiefunctie volledig. Voor anderen die niet in staat zijn om door te stromen, zal de deelname aan WSW-arbeid een beperkte (re)ïntegratie betekenis hebben.

Daarnaast valt te wijzen op de mogelijkheden van de Jeugdwerk-garantiewet (JWG). De JWG is het sluitstuk van het activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren. Per 1 januari 1994 vallen de volgende categorieën onder de werking van de wet: werkloze jongeren tot 21 jaar en werkloze schoolverlaters tot 23 jaar. Deze jongeren moeten ten minste een halfjaar werkloos zijn.

Ook jonggehandicapten kunnen aan de JWG deelnemen. Indien zij voor minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn, is de wet zonder meer van toepassing; bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer kan een jongere ook in aanmerking komen voor een JWG-garantieplaats, indien de bedrijfsvereniging daarover positief adviseert en een passende garantieplaats beschikbaar is. In het kader van de stroomlijning van gesubsidieerde arbeid wordt overwogen om voor jongeren die geïndi-ceerd zijn voor de WSW ook de zogenoemde sluitende aanpak door middel van een directe plaatsing in de WSW toe te passen.

Tenslotte is van belang dat ook jonggehandicapten deel uitmaken van de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging. Dit vloeit voort uit artikel 16 van de Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers (WAGW). Zoals in het kader van de Wet Amber is aangekondigd is in een ministeriële regeling op grond van de WAGW nader omschreven welke categorieën onder welke voorwaarden tot de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging worden gerekend. Hierin zijn ook jonggehandicapten en studerenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering opgenomen. Voorts worden ook jonggehandicapten en studerenden zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering maar met een arbeidshandicap tot de bemiddelingspopulatie gerekend.

In zijn commentaar op dit wetsvoorstel maakt het Tica een aantal opmerkingen over de wijze waarop de voorzieningenverstrekking is geregeld.

Het Tica merkt op dat de jonggehandicapte alsmede de student voor zijn voorzieningen bij drie verschillende regelingen terecht kan. Het Tica vraagt aandacht voor de uitvoeringstechnische consequenties hiervan en wijst erop dat de kans op lacunes bij de uitvoering in de praktijk zal toenemen.

Het kabinet onderkent dat de voorgenomen intrekking van de AAW noodzaakt tot een herverkaveling van de artikelen met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen over verschillende regelingen. Hierop is in algemene zin uitgebreid ingegaan in paragraaf 2.2. van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Invoeringswet. Voor de jonggehandicapte zijn de gevolgen van de herverkaveling van de voorzieningen naar inschatting van het kabinet in de praktijk beperkt. Immers, indien de jonggehandicapte nog geen (uitzicht op) werk heeft en scholings- en onderwijsvoorzieningen aan de orde zijn, is duidelijk dat deze alleen kunnen worden verstrekt op grond van deze wet. Indien betrokkene in verband met de aanvaarding van arbeid in loondienst een werk- of scholingsvoorziening nodig heeft, zal deze verstrekt kunnen worden op grond van de WAO. Verstrekking van een scholings- of onderwijsvoorziening op grond van de WAGW is voor deze categorie niet aan de orde. Het voorstel om in de WAGW een mogelijkheid te creëren om een dergelijke voorziening toe te kennen (opgenomen in de Invoeringswet) biedt alleen een vangnetregeling voor degenen die niet onder de WAO, WAZ of Wajong vallen en is in dit verband dus niet relevant.

Voor de goede orde zij erop gewezen dat bij algemene maatregel van bestuur, voor zover nodig, nader duidelijkheid kan worden geboden over de vraag welke regeling voor betrokkene van toepassing is.

Het Tica mist tenslotte bij de voorgestelde loondervingsvergoeding en een vergoeding voor de kosten van onderhoud en huisvesting een bepaling die inhoudt dat de vergoeding en de toelage niet vatbaar zijn voor beslag.

Een dergelijke bepaling is opgenomen in het wetsvoorstel, zij het op een andere plaats. Omwille van de overzichtelijkheid zijn alle elementen uit het wetsvoorstel die niet vatbaar zijn voor beslag in één bepaling ondergebracht (artikel 58).

Zoals in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Pemba reeds is aangekondigd zal het totaal aan reïntegratiebevorderende maatregelen overigens worden gebundeld in een Wet op de Reïntegratie.

6.2. Recht van regres op degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt

In dit voorstel van wet is, evenals dit het geval is in de Algemene nabestaandenwet en het wetsvoorstel WAZ, het recht van regres opgenomen op degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt.

In het kader van het onderhavige wetgevingstraject verliest de AAW als volksverzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid zijn betekenis. Het kabinet ziet geen principiële reden om af te zien van invoering van het recht van regres in dit wetsvoorstel, zoals dit reeds bestaat in de WAO en wordt voorgesteld in het kader van het wetsvoorstel WAZ.

Waar in de regelingen voor werknemers en zelfstandigen wel de mogelijkheid van regres is opgenomen, is het niet verdedigbaar dat dit recht in de voorliggende regeling zou ontbreken. Wel onderkent het kabinet dat feitelijke toepassing van het regresrecht in het kader van deze regeling een beperkte praktische betekenis zal hebben, vanwege de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid in de meeste gevallen op zeer jeugdige leeftijd, bijvoorbeeld bij de geboorte, is ontstaan, terwijl het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst op de leeftijd van 18 jaar kan ingaan. In dergelijke gevallen ligt toepassing van het regresrecht vanwege de aard van het ontstaan van de handicap en het grote tijdsverloop niet in de rede. Anderzijds moet het niet uitgesloten worden geacht dat de arbeidsongeschiktheid op latere leeftijd, maar voor de leeftijd van 17 jaar is ontstaan door toedoen van verwijtbaar handelen van een derde die hiervoor gehouden is tot schadevergoeding. Te denken valt aan verkeersongevallen, waarbij een derde aansprakelijk is. Met het oog op dergelijke situaties moet de bedrijfsvereniging naar het oordeel van het kabinet kunnen beschikken over het recht om in voorkomende gevallen de kosten van de uitkering te verhalen op degene die door zijn onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat een persoon beroep moet doen op een uitkering.

Het regresrecht wordt in dit wetsvoorstel geregeld door in hoofdstuk IV van deze wet bepalingen op te nemen, die de relatie met het burgerlijk recht regelen en waarin aan de bedrijfsvereniging een regresrecht wordt toegekend. Inhoudelijk is de regeling gelijk aan die in de WAO, en de daarop gebaseerde jurisprudentie, en de voorgestelde regeling in het kader van de WAZ: de rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de gedupeerde krachtens deze wet heeft. Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer is dit verhaal aan een maximum gebonden. De bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat betrokkene zou kunnen vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd. Hierbij wordt uitgegaan van een netto-schadevergoeding, derhalve zonder heffing van belastingen en premies.

In aansluiting bij de Algemene nabestaandenwet en het wetsvoorstel WAZ is in dit wetsvoorstel een aanknopingspunt voor collectivering opgenomen. Daartoe kan de bedrijfsvereniging met verzekeraars overeenkomen, dat een jaarlijkse afkoopsom wordt betaald op basis van een inschatting van de schadelast.

Met de invoering van een regresrecht in deze wet is een besparing van naar schatting 5 mln. gemoeid.

Wat de voorgestelde regeling met betrekking tot het regres betreft verwijst het Tica naar zijn kanttekeningen bij het wetsvoorstel WAZ. Voor de reactie op het Tica-commentaar terzake moge ook het kabinet naar de toelichting bij dat wetsvoorstel verwijzen (paragraaf 5.2.).

6.3. Rechtsbescherming

Met betrekking tot de rechtsbescherming is aangesloten bij de hiervoor geldende bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat bij een geschil eerst een verplichte bezwaarschriftprocedure moet worden gevolgd, alvorens beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbanken. In de AAW geldt thans maar voor een beperkt aantal geschillen een verplichte bezwaarschriftprocedure. Op grond van het bepaalde in artikel IV, deel 6 Overgangs- en slotbepalingen van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie zou deze beperking op 1 januari 1997 komen te vervallen. Aangezien deze datum samenvalt met de beoogde inwerkingstredingsdatum van het wetsvoorstel, is het niet noodzakelijk in dit wetsvoorstel van de Awb afwijkende regels met betrekking tot de verplichte bezwaarschriftprocedure op te nemen.

6.4. Informatievoorziening

In het voorafgaande is aangegeven welke organen betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet. Om hun taken en bevoegdheden adequaat te kunnen uitoefenen hebben zij informatie nodig. In hoofdzaak kan worden aangesloten bij de huidige situatie.

De informatievoorziening valt uiteen in twee categorieën:

  • a. 
    informatieverplichtingen voor jonggehandicapten en studerenden
  • b. 
    beleids- en toezichtsinformatie.

a.  Informatieverplichtingen voor jonggehandicapten en studerenden

Wat betreft de vaststelling van recht en hoogte van die uitkering dient belanghebbende alle relevante informatie aan de bedrijfsvereniging te verstrekken. Vastgesteld moet onder meer worden of betrokkene voor deze wet in aanmerking komt, of sprake is van arbeidsongeschiktheid, of de wachttijd van 52 weken is verstreken, e.d. Hiervoor zijn verschillende gegevens noodzakelijk. Op de belanghebbende rust de plicht om aan de bedrijfsvereniging alle gegevens en inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor een correcte vaststelling van het recht op en de hoogte van een (eventuele) uitkering. Deze verplichting is in algemene zin geformuleerd in artikel 91 van de Osv. Daarnaast zijn in het onderhavige wetsvoorstel algemene en specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen opgenomen.

b.  Beleids- en toezichtsinformatie

Van belang zijn voorts de noodzakelijke informatiestromen vanuit de NAB in de richting van het Tica, de toezichthouder en de centrale overheid. Ook hierbij geldt dat in principe de bestaande regelingen worden overgenomen. De uitvoeringsorganisatie is verplicht om de benodigde informatie te leveren.

Het Tica is verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Om deze taken adequaat te kunnen uitvoeren zal het Tica informatie moeten verkrijgen van de NAB. De informatie die het Tica van de bedrijfsvereniging nodig heeft, betreft voornamelijk het aantal verstrekte uitkeringen, de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten.

Het Ctsv is belast met het toezicht op de uitvoering van deze wet. In verband hiermee heeft het Ctsv volume- en financiële gegevens nodig over de uitkeringsverstrekking en de lasten van de regeling. Daarnaast zal de NAB informatie dienen te verstrekken over de wijze waarop de wet wordt uitgevoerd. Het Ctsv houdt ook toezicht op de doelmatigheid van de uitvoering. Hiervoor heeft het College informatie nodig met betrekking tot de uitvoeringskosten van de regeling.

De centrale overheid heeft informatie nodig over de kosten van de regeling en om haar beleid te kunnen ontwikkelen en evalueren. De statistische beleidsinformatie zal primair worden verkregen bij het Ctsv, dat een informatietaak heeft op het terrein van de sociale verzekeringen. De informatiebehoeften van de overheid betreffen in principe alle aspecten van de wet.

In het kader van het wetsvoorstel post-nOsv zal worden voorgesteld om de informatietaak van het Ctsv over te hevelen naar de rechtsopvolger van het Tica.

Deze wordt dan verantwoordelijk voor het verzamelen en beschikbaar stellen van beleidsinformatie over de uitvoering van (onder andere) de Wajong. De consequenties van deze verandering zullen in het invoeringstraject van het wetsvoorstel post-nOsv worden meegenomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Begrip arbeidsongeschiktheid

Wat de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid betreft is in het algemeen gedeelte van deze toelichting reeds aangegeven dat het de bedoeling is om geen wijziging aan te brengen op dit punt. Daarom is het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat reeds in de AAW gold ten aanzien van jonggehandicapten, qua strekking niet aangepast.

Het arbeidsongeschiktheidsbegrip is een van de centrale begrippen uit dit wetsvoorstel. Aan de hand van de vraag of en zo ja in welke mate de jonggehandicapte als arbeidsongeschikt is aan te merken, wordt bepaald welk recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat en hoe hoog de aanspraken van de jonggehandicapte zijn. In het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat onder andere in artikel 5 van de AAW is neergelegd, wordt arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk, geformuleerd als het «als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen» (artikel 5, eerste lid). Deze zinsnede is opgenomen bij gelegenheid van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA). In het achtste lid van artikel 5 worden zwangerschap en bevalling met ziekte gelijkgesteld.

In verband met de opname in dit wetsvoorstel van dit arbeidsongeschiktheidscriterium behoeft dat laatste onderdeel nadere aandacht, aangezien ten opzichte van het AAW-criterium een tekstuele wijziging heeft plaatsgevonden.

De gelijkstelling van zwangerschap en bevalling met ziekte spoort niet met het gangbare spraakgebruik en handhaving daarvan is bovendien voor de toepassing van de relevante wetsbepaling niet nodig. Het niet handhaven van de gelijkstelling komt voorts overeen met de in de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) opgenomen bepaling, strekkend tot schrappen van de gelijkstelling. Het is evenwel geenszins de bedoeling om een persoon die als gevolg van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is uit te sluiten van uitkering op grond van deze wet. Daarom is in het eerste en tweede lid «ziekte of gebreken» aangevuld met «zwangerschap of bevalling». Daarmee wordt bereikt dat de vrouw die als gevolg van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is geworden, onder gelijke voorwaarden als personen die als gevolg van ziekte of gebreken arbeidsongeschikt zijn geworden, in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Voorts is als onderdeel van het arbeidsongeschiktheidscriterium voor het bepalen van de maatman niet gekozen voor «ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht», maar voor «ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan». Deze keuze is ingegeven door het feit dat het in de rede ligt voor jonggehandicapten uit te gaan van de plaats waar een gezonde persoon woont of in de omgeving daarvan, in plaats van de plaats waar een gezonde persoon arbeid verricht of het laatst heeft verricht.

De betekenis van het tweede en derde lid kan als volgt worden toegelicht. Als er op de dag waarop een ingezetene 17 jaar wordt of na die dag als studerende arbeidsongeschikt wordt, sprake is van bijvoorbeeld 50% arbeidsongeschiktheid en de betrokkene werkt 19 uur per week dan wordt op grond van het tweede lid bij de bepaling van het zogenoemde maatmaninkomen (soortgelijke persoon) en de resterende verdiencapaciteit uitgegaan van 19 uur per week.

Indien na verloop van tijd de arbeidsgezondheidskundige toestand van deze jonggehandicapte verbetert en hij meer uren, bijvoorbeeld 30, per week kan werken, zal de jonggehandicapte naar zijn verminderde arbeidsongeschiktheid worden beoordeeld. Zijn arbeidsongeschiktheids-percentage vermindert dan, uitgaande van de oorspronkelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Dat vloeit voort uit het derde lid. Neemt daarna de arbeidsongeschiktheid weer toe, bijvoorbeeld tot 30 uur, dan wordt bij de maatman en de resterende verdiencapaciteit niet uitgegaan van 20 uur maar van 30 uur per week.

In het vierde lid, onderdeel a, van het overeenkomstige artikel 5 van de AAW is bepaald, dat het tweede en derde lid van dat artikel 5 geen toepassing vinden indien de betrokkene gedurende de zes jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt, ingezetene is geweest. Deze bepaling is in het vierde lid van dit artikel overgenomen.

Ten aanzien van het vijfde lid van dit artikel kan worden opgemerkt dat alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden in staat is moet worden betrokken bij de vraag of en zo ja, in welke mate de jonggehandicapte arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat bij de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium uitsluitend relevant is wat de jonggehandicapte nog kan doen en niet wat hij vroeger gekund en gedaan heeft. Bij de vraag wat de jonggehandicapte nog aan arbeid kan verrichten is van belang de arbeid waartoe de jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Dat de arbeid op iemands krachten moet zijn berekend, betekent dat de belasting van de betrokken arbeid de belastbaarheid van de persoon niet te boven mag gaan. De bekwaamheden zien op de functie-eisen, zoals opleiding, ervaring en vaardigheden die voor de betrokken arbeid nodig zijn.

Overigens is de in de AAW voorkomende bepaling dat buiten beschouwing wordt gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid bij wijze van sociale werkvoorziening, in het zevende lid van dit artikel overgenomen. In principe dienen bij de beoordeling of iemand in staat is met arbeid een inkomen te verwerven functies in het vrije bedrijf in aanmerking te worden genomen. Het mede in aanmerking nemen van arbeid in de sociale werkvoorziening zou betekenen dat iemand die tot WSW-arbeid in staat is, gelet op de daaruit voortvloeiende verdiensten, geen recht op een uitkering op grond van deze wet krijgt, ook al is zijn handicap een belemmering voor het verkrijgen van passende arbeid in het vrije bedrijf. Met name voor jonggehandicapten is deze bepaling van belang. Veelal zijn zij namelijk aangewezen op arbeid in de sociale werkvoorziening. Uiteraard zullen de inkomsten uit die arbeid op grond van artikel 49 op de uitkering in mindering dienen te worden gebracht.

Het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid ligt anders wanneer op meer dan één grond arbeidsongeschiktheid ontstaat. Te denken valt daarbij onder meer aan het tezelfdertijd intreden van arbeidsongeschiktheid als jonggehandicapte en als werknemer of een volgtijdelijke samenloop van een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en een ontstaan van een recht op WAO-uitkering. Het berekenen van de resterende verdiencapaciteit zou in zo’n geval niet rechtvaardig kunnen uitwerken indien deze volledig zou worden afgemeten aan zowel de arbeid waartoe de jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden in staat is als de arbeid als werknemer. Voor situaties als deze dienen afwijkende regels te kunnen worden gesteld met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en met name de toerekening van de resterende verdiencapaciteit. Het tiende lid voorziet daarin.

Artikelen 3 en 4. Ingezetene/woonplaats

In artikel 5 is, met het oog op het in artikel 6 bedoelde recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering vastgelegd wie als jonggehandicapte kan worden beschouwd. Eén van de voorwaarden om als jonggehandicapte te worden beschouwd is het ingezetene zijn. Ook kan de duur van het ingezetene zijn van belang zijn voor het buiten aanmerking laten van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag waarop een ingezetene 17 jaar wordt of na die dag als studerende arbeidsongeschikt wordt.

Op grond van artikel 3, eerste lid, wordt onder ingezetene verstaan de natuurlijke persoon die in Nederland woont. De nationaliteit van de betrokkene speelt daarbij geen rol. In artikel 4 is aangegeven dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar een natuurlijk persoon woont. Hoewel dit veelal kan blijken uit het feit dat de betrokkene in een bevolkingsregister in Nederland ingeschreven staat, kunnen toch de feitelijke omstandigheden doorslaggevend zijn voor het antwoord op de vraag of iemand in Nederland woont en dus ingezetene is.

Zoals in § 4.1 van het algemeen deel van de toelichting reeds is gesteld, is in dit wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan het begrip «ingezetene». Dit is geregeld in artikel 3, tweede lid.

Artikel 5. Jonggehandicapte

In dit artikel is neergelegd, wie als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.

Evenals bij de AAW het geval was, wordt in artikel 5, eerste lid, als eis om als jonggehandicapte te kunnen worden aangemerkt, gesteld, dat men ingezetene is, dit wil zeggen in Nederland woont (zie de toelichting op artikel 3). Anders dan bij de AAW waarbij men vanaf het moment waarop men ingezetene is verzekerd is, is in dit wetsvoorstel bepaald dat jonggehandicapte is de ingezetene die op de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt arbeidsongeschikt is dan wel op een na het bereiken van die leeftijd gelegen dag arbeidsongeschikt wordt op een dag dat hij studerende is.

Is de ingezetene op de dag waarop hij 17 jaar wordt niet arbeidsongeschikt en wordt hij dat ook op een na die datum gelegen dag niet als hij studerende is, dan kan op grond van deze wet geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering meer ontstaan.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt, dat een ingezetene die studerende is en al vó ór de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar bereikt, arbeidsongeschikt wordt, onder onderdeel a van het eerste lid valt. Hij is dan immers reeds arbeidsongeschikt op de dag waarop hij 17 jaar wordt. Voldoet een persoon eenmaal aan de voorwaarden om als jonggehandicapte te kunnen worden aangemerkt, dan blijft hij jonggehandicapte. Aldus wordt bereikt, dat de jonggehandicapte, indien hij gedurende 52 weken, onmiddellijk volgend op de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, arbeidsongeschikt is geweest dan wel volgend op de dag waarop hij als studerende arbeidsongeschikt wordt en na afloop daarvan nog steeds arbeidsongeschikt is, op grond van artikel 6 recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook tijdens de wachttijd van 52 weken en op het moment van afloop van die wachttijd is hij dan immers jonggehandicapte. Hetzelfde geldt voor de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet ontvangt.

Ook indien na beëindiging van het recht op uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden de 25% is gedaald, recht bestaat op heropening van de uitkering (artikel 19), blijft de betrokkene een jonggehandicapte in de zin van de wet. Hierdoor kan deze persoon voor heropening van zijn uitkering in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor degene die op grond van artikel 18 binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning recht heeft op toekenning van een uitkering.

Aan het jonggehandicapt zijn is een aantal rechten en verplichtingen gekoppeld, zoals de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, toelagen en vergoedingen als bedoeld in 3 van hoofdstuk 2 van deze wet en een verplichting tot naleving van bepaalde door de bedrijfsvereniging gestelde voorschriften.

In het tweede lid is aangegeven welke personen in ieder geval als studerende worden aangemerkt. Dit zijn studerenden die volledig dagonderwijs volgen en die een inkomensvoorziening hebben op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF) (onderdeel a).

In onderdeel b worden als studerenden aangemerkt studenten die op grond van artikel 7.51, eerste lid, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) na afloop van hun studiefinanciering door de onderwijsinstelling financieel ondersteund worden.

Deze financiële ondersteuning kan door de onderwijsinstelling in bijzondere gevallen worden verleend. Van een bijzonder geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de student tijdens zijn studie door ziekte is getroffen.

Het kabinet vond het niet noodzakelijk om de categorie studenten die financiële ondersteuning ontvangen krachtens artikel 7.51, tweede lid, WHW afzonderlijk in artikel 5 op te nemen. Het betreft hier studenten die schadeloos worden gesteld voor de omzetting van voorwaardelijk beursbedragen in rentedragende lening (tempobeurs), danwel prestatiebeurs in rentedragende lening. Deze studenten hebben dus over de desbetreffende periode studiefinanciering ontvangen. Daarmee vallen ze reeds onder de reikwijdte van de Wajong.

Voorts zijn in onderdeel c als studerenden aangemerkt studerenden in het voortgezet onderwijs, niet zijnde middelbaar beroepsonderwijs. Deze personen vallen niet onder de WSF, maar ontvangen een financiële voorziening op grond van hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS).

In onderdeel d worden als studerenden aangemerkt kinderen voor wie de ouders recht op kinderbijslag hebben op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de AKW kunnen de ouders van kinderen van 16 of 17 jaar die studerend zijn in de zin van de AKW in aanmerking komen voor kinderbijslag.

In dit verband kan nog worden opgemerkt, dat bij wijze van overgangsmaatregel in artikel 75 ook als studerenden worden aangemerkt kinderen voor wie de ouders recht op kinderbijslag hebben op grond van de overgangsbepaling, neergelegd in artikel XII, onderdeel a, van de wet van 21 december 1995, Stb. 691, tot nadere wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen), hierna te noemen de Veegwet. Voor een toelichting moge worden verwezen naar de toelichting op artikel 75.

In het derde lid is bepaald, dat bij algemene maatregel van bestuur ook andere personen als studerende kunnen worden aangemerkt.

In dit kader is overigens nog van belang, dat wil een ingezetene die als studerende arbeidsongeschikt is geworden in aanmerking komen voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, hij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende moet zijn geweest. Een en ander is geregeld in artikel 6, derde lid.

Artikel 6. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

In dit artikel wordt het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld, een recht dat uitsluitend kan ontstaan als de betrokkene op grond van artikel 5, eerste lid, als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. In de toelichting op artikel 5 is reeds ingegaan op het begrip jonggehandicapte. Dit is de ingezetene die op de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar bereikt, arbeidsongeschikt is of die na die dag arbeidsongeschikt wordt en studerende is.

Is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid op de dag waarop iemand 17 jaar wordt of op een latere dag als studerende, dan kan nimmer recht meer ontstaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet.

Overigens kan iemand die als studerende arbeidsongeschikt is geworden, uitsluitend recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering doen gelden, indien hij in het jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid gedurende ten minste zes maanden studerende was in de zin van artikel 5, tweede en derde lid. Er dient dus sprake te zijn geweest van een studie van enige omvang. In de AAW kwam dit tot uiting door de bepaling in het koninklijk besluit van 28 april 1980, Stb. 263, dat een student geacht werd voor iedere maand waarin hij student was, een inkomen te hebben verworven ter grootte van 1/6 van het voor het recht op toekenning van AAW-uitkering vereiste minimuminkomen. De in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen eis dat de betrokkene in het aan de arbeidsongeschiktheid voorafgaande jaar ten minste zes maanden moet hebben gestudeerd, komt praktisch daarmee overeen.

Ook wat het tijdstip van ingang van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft is aangesloten bij hetgeen de AAW reeds regelde. Er bestaat een wachttijd van 52 weken, waarbij perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, op grond van het tweede lid dienen te worden samengeteld. Een bepaling zoals neergelegd in artikel 6, vierde lid, onderdeel b, van de AAW, inhoudende dat arbeidsongeschiktheid die bestaat voordat de jonggehandicapte 17 jaar is geworden, voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken buiten beschouwing wordt gelaten, is hier niet nodig. Op grond van het eerste lid van dit artikel dient het tijdvak van 52 weken immers onmiddellijk te volgen op de in artikel 5, eerste lid, onder a of b bedoelde dag.

De arbeidsongeschiktheid moet ook na die periode van 52 weken voortduren. In dit kader is van belang dat personen die minder dan 25% arbeidsongeschikt zijn, op grond van het vijfde lid voor de toepassing van dit artikel niet als arbeidsongeschikt worden beschouwd. De betrokkene dient derhalve gedurende de gehele wachtperiode 25% of meer arbeidsongeschikt te zijn geweest.

In beginsel zou het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen ingaan 52 weken nadat de jonggehandicapte 17 jaar is geworden. In artikel 6, negende lid, van de AAW was neergelegd, dat de AAW-uitkering niet eerder kon ingaan dan nadat de verzekerde 18 jaar is geworden. Dit geldt ook voor het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het onderhavige wetsvoorstel. De afloop van de periode van 52 weken hoeft niet altijd samen te vallen met de dag waarop de betrokkene 18 jaar wordt. De wachttijd kan, behalve op een latere dag, ook een paar dagen voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar aflopen. Evenals in de AAW, is in het zesde lid van dit artikel bepaald, dat toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet plaatsvindt vó ór de dag waarop de verzekerde 18 jaar is geworden.

Als na ommekomst van de wachttijd blijkt dat de jonggehandicapte op dat moment niet arbeidsongeschikt is, komt hij toch in aanmerking voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering als hij binnen vier weken na afloop van die periode weer arbeidsongeschikt is. Het gaat hierbij om vier onafgebroken weken.

In beginsel zou het zo kunnen zijn dat op het moment dat de verzekerde 18 jaar wordt en hij 52 weken arbeidsongeschikt is, hij zowel recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van deze wet als op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou kunnen hebben, maar daaromtrent regelt het eerste lid van artikel 50 dat voor zover recht op basis van de WAO bestaat, dat recht voorgaat. De uitkering op grond van deze wet wordt derhalve alleen uitbetaald, voorzover deze de WAO-uitkering overtreft. Uiteraard kan er ook op een later tijdstip sprake zijn van samenloop van uitkering op grond van deze wet met WAO-uit-kering. In deze situatie voorziet artikel 50 eveneens in anticumulatie.

Ingeval van samenloop met eventuele andere uitkeringen bieden het tweede en derde lid van artikel 50 de mogelijkheid terzake nadere regels te stellen.

Artikel 7. Grondslag van de uitkering

Ten aanzien van de hoogte van de uitkering is aangesloten bij artikel 10, eerste en tweede lid, van de AAW.

De grondslag bedraagt het minimumloon. Op grond van het tweede lid wordt hieronder verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantie-bijslag, gedeeld door 21,75. Indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, wordt daaronder verstaan het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.

Bij aanpassing van het bedrag van het minimumloon werkt het verhoogde bedrag als gevolg van de koppeling aan het minimumloon automatisch door in de grondslag.

Het derde lid regelt dat voor een herziening van de grondslag geen formele beschikking en een mededeling over de bezwaar- en beroepsmogelijkheden hoeft te worden afgegeven.

Artikel 8. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering

De hoogte van de uitkering is niet alleen afhankelijk van de grondslag, maar tevens van de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze wet kent, evenals de AAW, zes arbeidsongeschiktheidsklassen. Tot 25% arbeidsongeschiktheid bestaat geen recht op uitkering, gelet op het feit dat op grond van artikel 6, vijfde lid, arbeidsongeschiktheid tot dat percentage buiten beschouwing blijft. De klassen beginnen dus te lopen vanaf 25% arbeidsongeschiktheid. De maximale arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt 70% van de grondslag, bij een arbeidsongeschiktheidsper-centage van 80–100.

Indien een uitkeringsgerechtigde door bijvoorbeeld studie nieuwe bekwaamheden verwerft en met deze bekwaamheden aan de slag gaat, leidt het rekening houden met die nieuw verkregen bekwaamheden er toe dat bij de nadere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid een vergelijking wordt gemaakt met een persoon die diezelfde bekwaamheden bezit.

Zoals bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid in eerste aanleg wordt gekeken naar de krachten en bekwaamheden die de jonggehandicapte heeft voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zo is het ook van belang deze gedurende de loop van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering te bezien. Daarin wordt voorzien door herbeoordeling van de jonggehandicapte. Een scholing of opleiding kan tevens bijdragen tot verhoging van de bekwaamheden. Uiteindelijk kunnen deze zodanig zijn dat deze leiden tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke intrekking overigens niet eerder ingaat dan een jaar na afronding van die scholing of opleiding (zie artikel 17). Ingeval de jonggehandicapte een voor hem wenselijk geachte scholing of opleiding weigert te volgen of de goede afronding daarvan tegenwerkt, worden hem de bekwaamheden toegerekend als had hij de scholing of opleiding afgerond. Hij wordt alsdan in dezelfde situatie gebracht als de verzekerde die wel door middel van scholing of opleiding werkt aan verhoging of uitbreiding van zijn bekwaamheden. In de artikelen 11, vijfde lid en 17, tweede lid, wordt geregeld dat in zo’n geval de uitkering kan worden herzien of ingetrokken.

Artikel 9. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Met dit artikel wordt een tegemoetkoming geregeld voor de jonggehandicapte die extra kosten maakt in verband met oppassing en verzorging. De tegemoetkoming bestaat uit een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de grondslag. Het gaat om de jonggehandicapte die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en voorlopig blijvend hulpbehoevend is. Wordt de jonggehandicapte in deze toestand opgenomen in een inrichting en worden de kosten van verblijf in die inrichting door een verzekeraar betaald, dan geldt de verhoging van de uitkering niet.

Artikel 10. Buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid

Met het eerste lid van dit artikel wordt voor de bedrijfsvereniging de mogelijkheid geschapen om arbeidsongeschiktheid (al dan niet volledig) buiten aanmerking te laten. Het betreft hier gehele arbeidsongeschiktheid op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag. Ingeval sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op die dag geldt artikel 2, tweede lid.

Op grond van het tweede lid blijft het eerste lid buiten toepassing indien de betrokkene gedurende de zes jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag, ingezetene is geweest.

Op grond van artikel 2, tweede lid, kan de jonggehandicapte die op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, nog slechts voor zijn resterende arbeidsongeschiktheid recht krijgen op uitkering. Uit het feit dat nog slechts de resterende arbeidsongeschiktheid als basis voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering dient, vloeit voort dat alleen de mate waarin de resterende arbeidsgeschiktheid is afgenomen, bepalend is voor het vast te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage. Wanneer de resterende arbeidsgeschiktheid geheel is weggevallen is er alsdan sprake van gehele arbeidsongeschiktheid.

Artikel 11–14. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

Deze vier artikelen regelen de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze artikelen komen overeen met hetgeen in de artikelen 26 tot en met 29 van de AAW is opgenomen. Artikel 11 geeft het uitgangspunt aan. De uitkering wordt herzien wanneer de jonggehandicapte op grond van enige bepaling in deze wet voor een hogere of een lagere uitkering in aanmerking komt. Zo’n herziening kan plaatsvinden gedurende de gehele looptijd van het recht op uitkering. De bedrijfsvereniging beoordeelt in ieder geval binnen één jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of er gronden zijn tot herziening van de uitkering. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het vijfde lid van artikel 11 voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of scholing wordt herzien. Door verwijzing naar artikel 8, derde lid, wordt overigens wel bewerkstelligd dat herziening tijdens de opleiding of scholing wel mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat daarvan. Wel kan worden opgemerkt dat een herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het volgen van opleiding of scholing mogelijk blijft.

In artikel 12 worden regels gesteld ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten aanzien van de jonggehandicapte die minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 12 vindt plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd. Voorwaarde daarbij is dat de toeneming voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die welke aan de eerder toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag lag. Komt de toeneming kennelijk voort uit een andere oorzaak dan vindt geen herziening plaats. Bij het herzieningsregiem op grond van dit artikel geldt, evenals in artikel 6, tweede lid, dat arbeidsongeschiktheidsperioden die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen worden samengeteld. Artikel 13 geeft regels met betrekking tot herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die 45% of meer arbeidsongeschikt is. De regeling vervat in de artikelen 12 en 13, vindt geen toepassing bij toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of herziening. Alsdan geldt artikel 14.

Artikel 15. Herziening bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

Dit artikel komt overeen met artikel 29a van de AAW, zoals ingevoerd bij de wet tot afschaffing van de malus en bevordering reïntegratie.

Dit artikel bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Voorwaarde is dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden binnen vijf jaar na de datum van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de herziening van de uitkering en dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten grondslag lag aan de bestaande uitkering. De termijn van vijf jaar hangt samen met de plicht van de bedrijfsverenigingen om dossiers vijf jaar te bewaren. Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden opgeteld, wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt. Het, anders dan in de AAW, gekozen tijdvak van vier weken sluit aan bij de overeenkomstige tijdvakken die in deze wet zijn opgenomen.

Het kan voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat op grond van artikel 12 als op grond van dit artikel 15. Waar sprake is van zo’n samenloop van mogelijkheden wordt toepassing gegeven aan dit artikel, nu op die grond eerder recht op herziening bestaat. In verband hiermee is bepaald dat herziening op grond van dit artikel plaatsvindt in afwijking van artikel 12. Indien herziening op basis van dit artikel plaatsvindt, hoeft geen herziening op basis van artikel 12 meer plaats te vinden. Dat maakt overigens artikel 12 niet overbodig, omdat dat artikel uiteraard nog toepassing dient te vinden in gevallen waarin sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid na afloop van de in dit artikel genoemde vijf jaar.

Het kan zonder nadere voorziening ook voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat op grond van dit artikel, als op grond van artikel 13. In het kader van artikel 13 is de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet relevant, terwijl de toepassing van dat artikel niet is gebonden aan een termijn van vijf jaar. In dit geval levert toepassing van dit artikel 15 geen extra voordeel op. In verband hiermee is bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13.

Evenmin vindt dit artikel toepassing, indien recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat op grond van artikel 14, onderdeel a tot en met c. Toepassing van laatstgenoemd artikel werkt gunstiger uit dan toepassing van dit artikel, aangezien de herziening van de uitkering dan direct ingaat, in plaats van na vier weken.

Artikel 16. Overige gronden voor herziening of intrekking

Dit artikel komt overeen met het in de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) opgenomen artikel 26a van de AAW. Dit artikel laat onverlet de uit hoofde van andere bepalingen voortvloeiende herziening of intrekking. Mogelijkerwijs bestaat in een concreet geval samenloop met andere bepalingen inzake herziening of intrekking. Alsdan verdient het de voorkeur om in één beschikking ter zake de betrokken onderdelen te noemen. Dit artikel kan overigens ook ter reparatie dienen, namelijk als andere bepalingen geen volledig uitsluitsel kunnen bieden in de toepassing. Het artikel maakt geen onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de jonggehandicapte een rol speelt en gevallen waarin daarvan geen sprake is, maar het de jonggehandicapte duidelijk kon zijn dat er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval is er geen reden de jonggehandicapte extra bescherming te bieden. Het verdient overigens wel de voorkeur dat de bedrijfsvereniging in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot de herziening c.q. intrekking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet de wet zelf de verschillende gevolgen dwingend verbindt aan de omstandigheid dat de jonggehandicapte al dan niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan foutieve toekenning. Toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan er onder omstandigheden ook toe leiden dat de bedrijfsvereniging zal moeten afzien van herziening of intrekking. Het tweede lid van dit artikel geeft voor een beoordeling van de bedrijfsvereniging op dat punt de basis.

Het gaat in dit artikel niet om het opleggen van een maatregel of sanctie. Het artikel strekt uitsluitend tot correctie, tot herstel in de rechtmatige toestand. In het artikel is in het eerste lid een viertal gronden aangegeven op basis waarvan de bedrijfsvereniging tot correctie (herziening of intrekking) moet overgaan, behoudens, zoals hiervoor vermeld, in gevallen waarin het tweede lid toepassing vindt.

Artikel 17. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

Het eerste lid van dit artikel geeft een tweetal eindigingsgronden aan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. In verband met de ingang van het recht op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet op de eerste dag van de maand waarin men 65 jaar wordt, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering per diezelfde dag. De tweede grond voor eindiging van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is het einde van de arbeidsongeschiktheid, dan wel een daling van de arbeidsongeschiktheid tot beneden 25%. Anders dan bij de eerste eindigingsgrond, eindigt hierbij het recht niet op een bij deze wet vastgestelde dag, maar op een door de bedrijfsvereniging te bepalen dag. Dat zal in de praktijk de dag zijn, met ingang waarvan de bedrijfsvereniging krachtens haar beschikking van oordeel is dat de arbeidsongeschiktheid is geë indigd, dan wel tot beneden 25% is gedaald.

De ingangsdatum van de intrekking als gevolg van eindiging van de arbeidsongeschiktheid of een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 25% kan echter niet later zijn gelegen dan drie maanden na de dag waarop die intrekking is aangezegd. Deze aanzegging zal in de regel plaatsvinden bij het kenbaar maken door de bedrijfsvereniging dat er sprake van eindiging of vermindering van de arbeidsongeschiktheid is.

Het tweede lid komt overeen met hetgeen in artikel 11, vijfde lid, met betrekking tot de herziening van de uitkering is bepaald. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het tweede lid voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of scholing wordt ingetrokken. Door verwijzing naar artikel 8, derde lid, wordt overigens wel bewerkstelligd dat intrekking tijdens de opleiding of scholing wel mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat daarvan.

Ingeval verzekerde een scholing of opleiding met succes heeft afgerond en in verband hiermee tot intrekking van arbeidsongeschiktheidsuitkering zou moeten worden geconcludeerd, gaat die intrekking niet eerder in dan één jaar na voltooiing van de scholing of opleiding. Als de jonggehandicapte binnen dat jaar inkomsten is gaan verwerven, worden die inkomsten op de voet van artikel 49 op de uitkering in mindering gebracht.

Artikel 18. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

Dit artikel komt overeen met artikel 32a van de AAW, zoals ingevoerd bij de wet tot afschaffing van de malus en bevordering reïntegratie.

Dit artikel geeft aan dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken wordt toegekend wanneer opnieuw arbeidsongeschiktheid intreedt en aan twee nadere voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen een tijdvak van vijf jaar na de datum van intrekking van een eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering of na de wachttijdperiode van 52 weken, waarbij geen recht bestond op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De tweede voorwaarde is dat de ingetreden arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten grondslag lag aan de ingetrokken uitkering dan wel aan de ongeschiktheid tot werken in de wachttijdperiode van 52 weken.

Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden opgeteld, wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt.

Ook bij toepassing van dit artikel kan sprake zijn van een situatie dat eveneens recht bestaat op heropening van de uitkering op grond van artikel 19. Aangezien toepassing van laatstgenoemd artikel gunstiger uitwerkt, omdat heropening van de uitkering daarbij direct plaatsvindt in plaats van na vier weken, is in onderdeel a van het derde lid bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt, indien recht op heropening bestaat op grond van artikel 19.

Voorts vindt op grond van onderdeel b van het derde lid dit artikel geen toepassing, voor zover ten aanzien van de betrokkene artikel 29b van de Ziektewet (ZW) toepassing kan vinden. Deze laatste omschrijving omvat ook de situatie dat dat artikel daadwerkelijk toepassing vindt.

Dit onderdeel komt overeen met de in het kader van de veegwet TAV, TBA en TZ in de wet Amber aangebrachte wijziging van artikel 32a AAW.

De situatie waar het in dit geval om draait, is dat een jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest wegens einde van zijn arbeidsongeschiktheid. Vervolgens aanvaardt hij een dienstbetrekking. Valt hij binnen vijf jaar na intrekking van zijn Wajong-uitkering uit wegens arbeidsongeschiktheid, dan zou op basis van dit artikel recht bestaan op toekenning van Wajong-uitkering, terwijl betrokkene op basis van artikel 29b ZW recht op ziekengeld ter hoogte van zijn dagloon kan krijgen, althans wanneer hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn dienstbetrekking recht had op een Wajong-uitkering of de wachttijd voor die uitkering heeft doorgemaakt. In zo’n geval gaat de werking van artikel 29b ZW voor teneinde samenloop van een ZW- c.q. WAO-uitkering met een Wajong-uitkering te voorkomen.

Voorts kan, bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, de werking van dit artikel 18 ongunstig uitvallen, omdat het dagloon voor de WAO-uitkering lager is dan de grondslag van de oorspronkelijke Wajong-uitkering. Om dat te voorkomen wordt in de WAO (artikel 43a) bepaald dat het WAO-dagloon niet lager uitvalt dan de grondslag van de eerdere Wajong-uitkering.

Artikel 19. Heropening van de uitkering

In een aantal situaties bestaat, nadat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, recht op heropening van de uitkering. In alle gevallen gaat het om een heropening zonder wachttijd. In het eerste en vierde lid betreft het een heropening na intrekking van de uitkering, waarbij kan worden vermeld dat in de situatie, bedoeld in het vierde lid, de arbeidsongeschiktheid moet zijn voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die ten grondslag lag aan de ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het tweede en derde lid, gaat het om heropening van de uitkering die was ingetrokken na een daaraan voorafgaande herziening.

Artikel 20. Recht op vakantie-uitkering

In dit artikel is het recht op vakantie-uitkering neergelegd. Het recht op vakantie-uitkering bestaat over elke maand waarin recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat. Het is niet van belang over hoeveel dagen in een maand recht op uitkering bestaat, dus als een uitkeringsrecht op de tweede van een maand eindigt, bestaat ook over die maand recht op vakantie-uitkering, die uiteraard gerelateerd is aan het bedrag waarop over die maand recht bestaat.

Artikel 21. Hoogte van de vakantie-uitkering

De vakantie-uitkering bedraagt acht procent van het bedrag aan uitkering waarop in de twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei, recht bestond. Indien sprake is van samenloop van uitkering met inkomsten uit arbeid wordt een bedrag aan uitkering in aanmerking genomen, nadat verrekening met die inkomsten op basis van artikel 49 heeft plaatsgevonden. Ingeval van anticumulatie met WAO- of andere uitkeringen wordt een bedrag aan uitkering in aanmerking genomen na toepassing van artikel 50. Indien op basis van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag het percentage van de vakantie-uitkering wordt gewijzigd, wijzigt het percentage in het eerste lid overeenkomstig. Het vierde lid regelt dat voor de toekenning van de vakantie-uitkering geen formele beschikking en een mededeling over de bezwaar- en beroepsmogelijkheden hoeft te worden afgegeven.

Artikel 22. Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering

Dit artikel bepaalt dat recht op vakantie-uitkering bestaat over de overlijdensuitkering (artikel 52). De hoogte van de vakantie-uitkering over deze uitkering is gelijk aan de hoogte, genoemd in artikel 21.

Artikel 23. Voorzieningen

Op grond van dit artikel kan de bedrijfsvereniging de jonggehandicapte, alsmede de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt, in aanmerking brengen voor voorzieningen die strekken tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Deze laatsten kunnen, ondanks het feit, dat zij (nog) niet onder het in artikel 5 gehanteerde begrip «jonggehandicapte» vallen, voor voorzieningen in aanmerking komen. Ook personen die een uitkering hebben gehad kunnen als jonggehandicapte in aanmerking komen voor een voorziening.

De voorzieningen die kunnen worden verstrekt zijn in eerste instantie werkvoorzieningen. Daarnaast kunnen ook voorzieningen worden verstrekt die tevens leiden tot verbetering van zijn levensomstandigheden, maar daarbij geldt in elk geval de eis dat deze ook strekken tot verbetering van de arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen ter verbetering van de leefomstandigheden zijn beperkt tot vervoersvoorzieningen en het beschikbaar stellen van een blindengeleidehond. Op basis van het derde lid zullen regels worden gesteld omtrent de te verstrekken voorzieningen. Deze zullen in nauwe samenhang met vergelijkbare regelingen omtrent voorzieningen worden getroffen. In dit verband is ook de afbakening met regelingen op andere terreinen op basis waarvan voorzieningen kunnen worden getroffen, zoals op het terrein van de gezondheidszorg, van belang.

Artikel 24. Overeenkomstige toepassing artikel 16 op voorziening

In artikel 16 is geregeld in welke gevallen de bedrijfsvereniging de beschikking omtrent toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in elk geval herziet of intrekt. Deze gevallen gelden eveneens met betrekking tot beschikkingen inzake voorzieningen.

Artikel 25. Toelage en vergoeding

Deze bepaling is deels gelijkluidend aan artikel 58 van de AAW. Het treffen van revalidatiemaatregelen kan er toe leiden dat een jonggehandicapte geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten, waardoor zijn inkomsten geheel of gedeeltelijk wegvallen. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid compensatie voor dat inkomensverlies te verlenen. Anders dan in de AAW is de toelage gemaximeerd tot de grondslag, die de basis heeft gevormd voor de uitkering. Wel kan de bedrijfsvereniging, als het bedrag aan gederfde inkomsten meer bedraagt dan de grondslag, een hogere toelage verlenen. Voorts bestaat onder meer de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om tijdens de voorziening een vergoeding te verlenen wegens kosten van onderhoud en huisvesting.

Artikel 26. Melding gedurende wachttijd

Dit artikel beoogt de bedrijfsvereniging bijtijds op de hoogte te doen zijn van een ingetreden arbeidsongeschiktheid. Een melding dient plaats te vinden binnen vijf maanden na het intreden of de toename van de arbeidsongeschiktheid. Door een tijdige melding kan de bedrijfsvereniging zo nodig maatregelen nemen en inspanningen verrichten, gericht op revalidatie van de jonggehandicapte. Er is bij de melding nog geen sprake van een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op basis van artikel 27 dient de bedrijfsvereniging de jonggehandicapte uiterlijk vier maanden voor het tijdstip waarop de wachttijd van 52 weken verstrijkt in kennis te stellen van de mogelijkheid een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Doet de jonggehandicapte de melding niet of niet tijdig dan leidt dat er op grond van artikel 27, derde lid, toe dat de bedrijfsvereniging niet gehouden is deze kennisgeving binnen de aldaar gestelde termijn te doen.

Zijn er onderbrekingen in de arbeidsongeschiktheid van minder dan vier weken, dan tellen die op grond van het tweede lid niet mee voor het vijf-maandstijdvak. Dat lid komt overeen met hetgeen in artikel 6, tweede lid, is bepaald.

Artikel 27. Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag

Deze bepaling is overeenkomstig artikel 24 van de AAW opgesteld, met enige wijzigingen voor zover het de groep van jonggehandicapten betreft. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitsluitend op aanvraag toegekend. Die aanvraag moet worden gedaan uiterlijk binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid, dan wel uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de periode waarover de uitkering is toegekend. Het tijdvak waarover uitkering wordt toegekend is drie jaar. Evenwel zal in het invoeringstraject voorlopig een tijdvak worden gehanteerd overeenkomstig artikel XVIII van de Wet TBA. Op grond van dat artikel geldt vooralsnog een toekenning voor een periode van vijf jaar.

De bedrijfsvereniging moet de jonggehandicapte tijdig op de hoogte stellen van het feit dat hij een aanvraag om uitkering of voortzetting van de uitkering kan doen. Tijdig wil zeggen: uiterlijk vier maanden voor het einde van de wachttijd, dan wel vier maanden voor het einde van het tijdvak van drie (vijf) jaar waarover de uitkering is toegekend. Doet zij dat niet dan wordt een aanvraag beschouwd bijtijds te zijn ingediend. Doet de bedrijfsvereniging haar kennisgeving te laat dan geldt dat een aanvraag binnen vier weken daarna bijtijds is ingediend. Op grond van het derde lid geldt de kennisgevingsverplichting, zoals in het tweede lid beschreven, niet als de jonggehandicapte het ontstaan of de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid niet of niet tijdig aan de bedrijfsvereniging meldt. Deze meldingsplicht staat vermeld in artikel 26. Ingeval van niet-tijdige melding moet de bedrijfsvereniging de kennisgeving binnen drie maanden na het tijdstip van melden doen. In dit verband kan overigens worden opgemerkt, dat ook al heeft de jonggehandicapte de melding niet (tijdig) gedaan, dit geen consequenties voor hem hoeft te hebben. Het ontbreken van de melding of een niet-tijdige melding laat immers onverlet dat hij zijn aanvraag om toekenning of voortzetting nog wel binnen de op grond van het vierde lid bepaalde termijn kan indienen.

Voorts is van belang op te merken dat wanneer de bedrijfsvereniging niet binnen de wettelijk vastgelegde termijn een beschikking afgeeft over een aanvraag tot voortzetting, de uitkering doorloopt volgens de oorspronkelijke toekenning, totdat zij een nieuwe (andere) beschikking heeft getroffen. Het Tica kan ten slotte bepalen dat uitkeringen kunnen worden verstrekt over een andere periode dan de in het eerste lid bedoelde drie jaar. Te denken valt hierbij vooral aan jonggehandicapten ten aanzien van wie een herbeoordeling nauwelijks zin heeft, zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.

Artikel 28. Ingangsdatum uitkering

Als eerste dag waarop recht bestaat op een uitkering geldt de eerste dag na afloop van een tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid, doch niet eerder dan de dag, gelegen vó ór die, waarop de betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt. Op deze dag begint de uitkering te lopen. Wanneer de jonggehandicapte de uitkering te laat aanvraagt, dan heeft dat tot consequentie dat een uitkering niet eerder kan beginnen te lopen dan vanaf een jaar voorafgaande aan de aanvraag. Dat betekent dat de jonggehandicapte die meer dan een jaar na ommekomst van de wachttijd van 52 weken de uitkeringsaanvraag doet, een deel van zijn aanspraken verspeelt. Wel bestaat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om in situaties waarin toepassing van deze regel tot bijzondere hardheid zou leiden af te wijken van die regel. Een toekenning van de uitkering kan op grond van het derde lid echter niet ingaan op of na de dag waarin de jonggehandicapte 65 jaar wordt.

Artikel 29. Herziening en heropening op aanvraag of ambtshalve

Indien een jonggehandicapte van mening is dat er termen zijn voor herziening van zijn uitkering kan hij een aanvraag indienen tot herziening van zijn uitkering. In geval de bedrijfsvereniging echter een herbeoordeling wenselijk acht, dan wel op basis van artikel 11 tot een beoordeling overgaat, zal zij eigener beweging dienen te beslissen over herziening van de uitkering. In dat geval is sprake van een herziening ambtshalve. Bij heropening ligt dat evenwel anders. Een heropening volgt immers steeds na een eindiging van het recht op uitkering (zie artikel 19). Wanneer een uitkering is geëindigd is de jonggehandicapte niet meer rechtstreeks bij de bedrijfsvereniging in beeld. Alsdan is een heropening ambtshalve niet aan de orde en ligt het voor de hand om, als er na eindiging weer sprake is van arbeidsongeschiktheid, de jonggehandicapte de aanvraag om heropening te laten doen.

Artikel 30. Ingangsdatum herziening en heropening uitkering

In de artikelen 11 tot en met 15 is aangegeven welke tijdvakken gelden alvorens een herziening van de uitkering plaatsvindt. Het eerste lid van dit artikel haakt hierop aan door aan te geven dat de herziening ingaat op het moment dat de jonggehandicapte voor de herziening in aanmerking komt. Evenals bij de aanvraag om uitkering en voortzetting van uitkering, geldt dat herziening en heropening niet eerder kunnen ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag om herziening of heropening. Voor herziening die leidt tot een verlaging van de uitkering in verband met afgenomen arbeidsongeschiktheid geldt als ingangsdatum de dag die de bedrijfsvereniging aangeeft als dag waarop de arbeidsongeschiktheid is verminderd. Evenals in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, geldt ook hier dat de herziening uiterlijk ingaat drie maanden na de aanzegging daarvan. Evenals in artikel 17, vierde lid, is neergelegd met betrekking tot de intrekking van de uitkering, wordt met het vierde lid beoogd de jonggehandicapte die opleiding of scholing heeft voltooid de gelegenheid te bieden gedurende een jaar na afronding naar passend werk te zoeken. In dat jaar wordt de verzekerde niet geconfronteerd met een verlaging van zijn uitkering. De ingangsdatum van de heropening van de uitkering spreekt voor zich. Een heropening van de uitkering kan op grond van het zesde lid echter niet ingaan op of na de eerste dag van de maand waarin de jonggehandicapte 65 jaar wordt.

Artikel 31. Toekenning andere uitkeringen op aanvraag of ambtshalve

In dit artikel wordt ten aanzien van de overige uitkeringen en verstrekkingen bepaald op welke wijze deze worden verstrekt. Ten aanzien van de vakantie-uitkering is bepaald dat deze ambtshalve wordt verstrekt. Alleen wanneer de jonggehandicapte de vakantie-uitkering op een ander moment wenst te ontvangen dan de in deze wet geregelde maand mei, zal hij een aanvraag daartoe bij de bedrijfsvereniging moeten indienen (zie ook artikel 51). De wijze van toekenning van een voorziening, toelage en vergoeding spreekt voor zich.

Artikel 32. Oproep en onderzoek door of namens bedrijfsvereniging

Met de in dit artikel aan de bedrijfsvereniging toegekende bevoegdheden kan worden bewerkstelligd dat zij die gegevens verkrijgt die het mogelijk maken een oordeel te geven over het recht op uitkering, de mate van arbeidsongeschiktheid, het treffen van voorzieningen en andere met de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdende aspecten. De bevoegdheden op basis van het eerste lid kunnen worden uitgeoefend door de bedrijfsvereniging of door een door haar aangewezen deskundige. Indien de bedrijfsvereniging een onderzoek nodig oordeelt vindt dat onderzoek plaats door een door haar aangewezen deskundige. Een aangewezen deskundige kan, op grond van het derde lid, op zijn beurt andere deskundigen aanwijzen voor het oproepen, ondervragen of onderzoeken van een jonggehandicapte.

Artikel 33. Vergoeding kosten en tijdverlies

Onze Minister stelt regels vast op basis waarvan opgeroepenen en hun eventuele begeleiders kosten worden vergoed. Het orgaan dat de oproep heeft gedaan is verantwoordelijk voor de toekenning en betaling van de kosten, vermeld in dit artikel.

Artikel 34. Voorschriften van medische of administratieve aard

Ten aanzien van arbeidsongeschikten kunnen door de bedrijfsvereniging, of door de door haar aangewezen deskundige voorschriften worden gegeven, die strekken tot genezing, behandeling of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kunnen voorschriften worden gegeven omtrent inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Artikel 35. Controlevoorschriften

Gedurende de loop van het uitkeringsproces, waaronder ook begrepen de wachttijdperiode voor ingang van de uitkering, moet de bedrijfsvereniging controlevoorschriften kunnen geven om dat uitkeringsproces in goede banen te doen leiden. Zo zijn op basis van de AAW controlevoorschriften gesteld met betrekking tot vakantie van degene die arbeidsongeschikt is. Die voorschriften hebben betrekking op de verplichte melding van het voornemen vakantie te houden. Het ligt voor de hand dat op basis van dit artikel soortgeljke voorschriften zullen worden gesteld. Voorts kan de bedrijfsvereniging ook controlevoorschriften stellen in verband met de verplichting voor de jonggehandicapte informatie te verstrekken met betrekking tot het uitkeringsproces. De controlevoorschriften moeten worden goedgekeurd door het College van toezicht sociale verzekeringen. Het niet of niet behoorlijk naleven van de controlevoorschriften leidt op grond van artikel 37 tot tijdelijke of blijvende gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering of toelage.

Artikel 36. Gevolgen weigeren onderzoek

Het niet voldoen aan de verplichtingen die op grond van dit artikel worden gesteld aan de personen, genoemd in artikel 32, leidt tot een weigering van de uitkering, toelage of voorziening. Het gaat daarbij om de personen die in de wachttijd zitten, die een uitkering ontvangen of daarop aanspraak maken, alsmede de personen ten aanzien van wie een voorziening wordt getroffen of overwogen. Van belang is op te merken dat wanneer de betrokken persoon een van de relevante verplichtingen niet is nagekomen, een sanctie wordt opgelegd. De formulering op dit punt komt overeen met de in de AAW (artikel 16) gebezigde formulering. Ter zake bestaat er voor de bedrijfsvereniging geen vrijheid af te zien van het opleggen van een sanctie, zij het dat op basis van artikel 38 de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging van de betrokkene en de mate waarin de gedraging hem verweten kan worden en dat wanneer dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

De in dit artikel neergelegde sanctieplicht is overgenomen uit de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid op grond waarvan in de sociale-zekerheidswetten, waaronder ook de AAW, bepalingen zijn opgenomen onder meer omtrent administratieve sancties. De voorstellen die ter zake van de AAW zijn gedaan zijn in dit wetsvoorstel overgenomen.

De sanctie die in het eerste lid van dit artikel is opgenomen, geldt tevens in gevallen waarin sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid zelf.

Artikel 37. Gevolgen niet-naleving voorschriften

Een gelijke maatregel als omschreven in artikel 36, wordt getroffen ten aanzien van de jonggehandicapte die de voorschriften, genoemd in artikel 34 of 35 niet heeft opgevolgd. Daarnaast is nog een aantal andere omstandigheden in dit artikel opgenomen die leiden tot een maatregel. De verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen, betreft de verlening van inzage in een identiteitsdocument door de jonggehandicapte op verzoek van de bedrijfsvereniging.

De maatregel komt overeen met hetgeen in de bij de toelichting op artikel 36 genoemde wet ter zake van artikel 19 van de AAW is opgenomen.

Artikel 38. Afstemming maatregel op ernst gedraging

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20 AAW. De bedrijfsvereniging dient bij oplegging van maatregelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dat brengt mee dat de factoren in het eerste lid genoemd, moeten worden meegewogen.

Evenals bij het herzieningsartikel (artikel 16), de boete-oplegging (artikel 39) en de terugvordering (artikel 54) het geval is, stelt deze wet de verplichting daartoe voorop. Daarbij wordt echter steeds tot uitdrukking gebracht dat van een absolute verplichting geen sprake is in die zin dat om dringende redenen van uitoefening van die verplichting kan worden afgezien. De bedrijfsvereniging legt deze beslissing neer in een beschikking. Wordt voor de desbetreffende gedraging een boete opgelegd, blijft oplegging van een maatregel achterwege.

Artikel 39. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20a AAW. Wanneer de algemene verplichting tot het verschaffen van alle informatie die relevant is voor het recht op en de hoogte van de uitkering niet wordt nageleefd legt de bedrijfsvereniging een boete op. Deze verplichting geldt op grond van artikel 68 de jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger en instellingen aan wie in plaats van aan de jonggehandicapte de uitkering wordt betaald (inrichtingen en gemeenten, bedoeld in artikel 48). Van het opleggen van een boete zijn de instellingen evenwel uitgesloten. Mocht als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de instelling herziening van de uitkering noodzakelijk blijken, dan werkt dat terug naar de uitkeringsgerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Het tweede lid komt overeen met artikel 38, eerste lid. Het derde lid komt overeen met artikel 16, tweede lid, 38, tweede lid en 54, tweede lid. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de boete voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. De verplichting, in het vierde lid opgenomen, tot het verstrekken van informatie ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de boete is nodig naast de bestaande algemene informatieplicht, aangezien het hierbij niet gaat om inlichtingen met betrekking tot de uitkering. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting, wordt evenals dat bij de AAW geldt, strafbaar gesteld op grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Een en ander zal in het invoeringstraject worden geregeld.

Het strafkarakter van de boete brengt mee dat alleen de dader zelf daardoor moet worden getroffen. Een nog niet geïnde boete vervalt dan ook op grond van het vijfde lid van rechtswege bij overlijden van de dader, zonder dat daarvoor een intrekking van de boetebeschikking nodig is.

Artikel 40. Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20b AAW. Wanneer de betrokkene aan een handeling van de bedrijfsvereniging redelijkerwijs de conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden opgelegd, geldt het zwijgrecht. Doorgaans zal dat pas aan de orde zijn, wanneer kennis is gegeven van het voornemen tot boete-oplegging, hoewel dat ook eerder kan zijn, bijvoorbeeld als de betrokken jonggehandicapte of diens wettelijke vertegenwoordiger, opgeroepen voor een gesprek inzake de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking, aangeeft niet te hebben voldaan aan de hem geldende inlichtingenverplichting. In dat geval zal de bedrijfsvereniging moeten wijzen op het zwijgrecht. De cautie, dat wil zeggen het uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is uitsluitend van toepassing indien de betrokkene mondeling om informatie is gevraagd.

De bedrijfsvereniging moet de betrokkene in kennis stellen van het voornemen een boete op te leggen en de gronden waarop dat voornemen rust. In artikel 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM is het recht vastgelegd van degene tegen wie een vervolging is ingesteld, om in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de beschuldiging. Het derde lid voorziet hierin. In het vierde lid is een ruimere hoorplicht ingevoerd dan op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt. In de situatie dat betrokkene zijn zienswijze geeft (vijfde lid), moet gewaarborgd zijn dat deze de gestelde vragen volledig begrijpt en zich ook verstaanbaar kan maken. Om die reden is de zorgplicht voor de bedrijfsvereniging stringenter geformuleerd. Als redelijkerwijze kan worden aangenomen dat aan een taalhulp geen behoefte bestaat kan worden afgezien van een taalhulp. Daarbij kan worden gedacht aan een jonggehandicapte die al langere tijd een uitkering ontvangt, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend is met de in het uitkeringsproces gebezigde taal, of dat de jonggehandicapte zich ook naar de bedrijfsvereniging toe zelfstandig of met hulp heeft weten uit te drukken.

Artikel 41. Voorschriften rond boetebesluit

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20c AAW. De bedrijfsvereniging zal degene die zij een boete oplegt in haar beschikking duidelijk moeten informeren over de wijze en de termijn van betalen van de boete. Tevens zal betrokkene moeten worden meegedeeld dat hem bij niet-tijdige betaling tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 45 boven het hoofd hangt.

Op grond van het tweede lid moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een voor de betrokkene begrijpelijke taal worden meegedeeld. Dit lid komt overeen met het derde lid van het vorige artikel.

Artikel 42. Niet-oplegging van boete

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20d AAW. Hangende een onderzoek van het OM wordt de boete-oplegging opgeschort. Het tweede lid geeft, samen met het voorgestelde artikel 72, uitwerking aan het una via-beginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen (artikel 72). Aan de andere kant kan geen administratief-rechtelijke boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek van Strafrecht. Het derde lid geeft een informatieplicht ter zake aan het OM.

Artikel 43. Termijnstelling van boete

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20e AAW. Teneinde voldoende effectiviteit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat tussen de kennisgeving en de oplegging van de boete niet te veel tijd ligt. Daarom is één jaar als uiterste termijn aangehouden, te rekenen vanaf het moment dat de betrokkene op grond van artikel 40, vierde lid, in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over de voorgenomen boeteoplegging naar voren te brengen. Als aangifte is gedaan of proces-verbaal opgemaakt, begint de termijn te lopen vanaf de dag dat het OM de bedrijfsvereniging heeft meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. Uit een oogpunt van rechtszekerheid wordt een boete hoe dan ook niet opgelegd als vijf jaar na de gedraging zijn verstreken.

Artikel 44. Afwijking 8:69 Awb

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20f AAW. Aansluitend op hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld inzake de fiscale boete, waarbij de boete naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune strafrecht door de rechter kan worden verhoogd, wordt in dit artikel bepaald dat de rechter in (hoger) beroep het bedrag van de boete ten nadele van de betrokkene kan wijzigen. Uiteraard wordt deze wijziging in elk geval begrensd door de maximale hoogte van de op te leggen boete.

Artikel 45. Boetebesluit executoriale titel

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20g AAW. Het besluit tot oplegging van een boete levert een executoriale titel op die met toepassing van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan worden tenuitvoergelegd. Ten aanzien van het besluit tot terugvordering is datzelfde geregeld in artikel 55. Overigens hoeft van de executoriale kracht die een boetebesluit oplevert niet altijd onmiddellijk gebruik te worden gemaakt.

Dit artikel geeft een zekere voorkeur aan met betrekking tot de volgorde van te hanteren executie-wijzen. Voorop staat de verrekening, tussen dezelfde partijen en met uitkering of andere verstrekking op grond van deze wet, de WW, de Ziektewet, de WAO, de AAW, de Wamil of een toeslag op grond van de Toeslagenwet (tweede lid). Daarna volgt inhouding door een ander uitvoeringsorgaan met afdracht aan de boete-oplegger (derde en vierde lid; pseudo-verrekening). De derde mogelijkheid is executie met de middelen van Rv. De bepalingen zijn alle imperatief, ofschoon het wenselijk kan zijn af te wijken van de aangegeven volgorde, dan wel om tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen. Deze mogelijkheid is neergelegd in het zesde lid. Kosten voortvloeiend uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen bij niet-tijdige betaling, komen voor rekening van de betrokkene. In het achtste lid worden de artikelen 479b tot en met 497g Rv, behoudens 497e Rv, van overeenkomstige toepassing verklaard op executoriaal derdenbeslag.

Het in het negende lid bepaalde over de beslagvrije voet volgt met betrekking tot de echte verrekening al uit het eerste lid van artikel 6:135 BW en voor de tenuitvoerlegging met toepassing van Rv uit dat wetboek. Dit lid is echter nodig voor de pseudo-verrekening.

Het niet nakomen van de verplichting om informatie te verschaffen die van belang is voor de tenuitvoerlegging van de boete leidt tot verlies van de bescherming die de beslagvrije voet anders biedt.

Artikel 46. Betaalbaarstelling

De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt door de bedrijfsvereniging betaald, in principe over tijdvakken van telkens een maand. Het kan voorkomen dat de bedrijfsvereniging heeft vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, maar dat nog niet kan worden vastgesteld welk bedrag aan uitkering moet worden betaald. In verband daarmee heeft de bedrijfsvereniging de mogelijkheid om de uitkering bij wijze van voorschot te verlenen. Dit voorschot wordt dan naderhand verrekend met het definitief vastgestelde uitkeringsbedrag. In een drietal situaties gaat de bedrijfsvereniging over tot schorsing of opschorting van de betaling van de uitkering. Dat is het geval wanneer zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geen recht (meer) bestaat op uitkering, dan wel recht op een lagere uitkering of dat de jonggehandicapte een van de verplichtingen, genoemd in artikel 36, 37, of 61 niet is nagekomen. Het niet nakomen van een van die verplichtingen leidt op grond van artikel 16, wat de arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft tot herziening of intrekking.

Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de bedrijfsvereniging niet lichtvaardig kan overgaan tot schorsing of opschorting. Er moeten duidelijke aanwijzingen of gegronde vermoedens bestaan dat zich een van de omstandigheden, genoemd in dit lid, voordoet.

Overmaking van een uitkering naar het buitenland brengt meer kosten met zich dan wanneer de uitkering binnenslands wordt uitbetaald. De kosten van overmaking naar het buitenland worden dan ook in mindering gebracht op de uitkering.

De uitkeringsgerechtigde kan een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij kan die machtiging elk moment weer intrekken. In het vijfde lid is bepaald dat aan de machtiging, respectievelijk de intrekking van de machtiging zo spoedig mogelijk moet worden voldaan. In principe bij het eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.

Artikel 47. Inhouding vereveningsbijdrage

Dit artikel regelt de inhouding van de zogenoemde vereveningsbijdrage op de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet. Ten aanzien van de persoon die deze uitkering ontvangt, wordt geen premie werknemersverzekeringen geheven. In dit verband kan overigens wel worden opgemerkt dat ingeval een persoon naast een uitkering andere inkomsten verwerft, voor zijn uitkeringsdeel vereveningsbijdrage wordt ingehouden en voor zijn andere inkomsten andere regels gelden. Indien deze andere inkomsten als zelfstandige worden verworven betaalt hij daarover WAZ-premie.

Wat de vereveningsbijdrage betreft is de regeling zo dat de uitkeringsgerechtigde wat de inhouding betreft op gelijke wijze wordt behandeld als een werknemer.

Artikel 48. Betaling aan instellingen

Op grond van het eerste lid kan de bedrijfsvereniging de uitkering tot het bedrag van de eigen bijdrage in de verpleegkosten op grond van de AWBZ zonder machtiging van de jonggehandicapte betalen aan de Ziekenfondsraad.

Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om de uitkering in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, te betalen aan een inrichting waar de jonggehandicapte is opgenomen of aan de gemeente, die de desbetreffende opnamekosten betaalt. Die mogelijkheid bestaat indien de uitkeringsgerechtigde niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van de uitkering. Betaling vindt echter eerst plaats nadat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door de inrichting of de betrokken gemeente.

Voor het na toepassing van het eerste lid resterende bedrag kan het tweede lid nog toepassing vinden.

Op grond van artikel 3:41 Awb moet bekendmaking van besluiten geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Op grond van artikel 3:45 Awb moet melding worden gemaakt van de bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Vasthouden aan deze voorschriften zou in het geval dat na toepassing van het eerste lid een herzieningsbeschikking wordt getroffen, een onevenredige belasting kunnen opleveren voor de bedrijfsvereniging. Daarom is in het vierde lid van dit artikel met betrekking tot het eerste lid de toepasselijkheid van genoemde Awb-artikelen uitgesloten.

Artikel 49. Inkomsten uit arbeid tijdens uitkering

In het algemeen zal werkhervatting door de uitkeringsgerechtigde leiden tot herziening of intrekking van de uitkering. Wanneer echter geen zekerheid bestaat dat deze arbeid valt aan te merken als arbeid, genoemd in artikel 2, vijfde lid, dan kan ten aanzien van de jonggehandicapte nog geen schatting op die arbeid plaatsvinden. Alsdan wordt het uitkerings- recht niet herzien of ingetrokken, maar vindt een vermindering van het bedrag van de uitkering plaats. Deze anticumulatie vindt plaats alsof de arbeid die de jonggehandicapte aanvangt, wel algemeen geaccepteerde arbeid is. Op basis van de aldus verrichte fictieve schatting, wordt dan de uitkering verminderd met het bedrag van de inkomsten. Wanneer de inkomsten zodanig zijn dat er bij wel algemeen geaccepteerde arbeid een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% zou resteren, wordt de uitkering niet betaald. Toepassing van het eerste lid kan over maximaal drie jaar plaatsvinden. Na afloop van dat tijdvak geldt de aangevangen arbeid als arbeid in de zin van artikel 2, vijfde lid. De driejaarstermijn geldt niet ten aanzien van degene die WSW-arbeid verricht. In die gevallen worden over de gehele duur van die arbeid de inkomsten daaruit op de uitkering in mindering gebracht. Een en ander staat in het derde lid. De als gevolg daarvan niet betaalde uitkeringen komen ten gunste van ’s Rijks kas (vierde lid). Op grond van het vijfde lid worden bij ministeriële regeling regels gesteld op basis van het eerste lid. Deze regeling voorziet in elk geval in gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid, zoals uitkeringen uit hoofde van het verrichten of verricht hebben van arbeid, genoemd in het eerste lid, met inkomsten uit arbeid. Daarnaast worden gevallen aangewezen waarbij het eerste lid buiten toepassing blijft of slechts gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard. Dit kan het geval zijn als een jonggehandicapte naast uitkering op grond van deze wet ook nog een andere uitkering ontvangt. Toepassing van het eerste lid zou bij inkomsten uit arbeid ertoe leiden dat deze inkomsten in mindering moeten worden gebracht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat deze inkomsten ook op de andere uitkering in mindering worden gebracht, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Ter voorkoming van dubbele anticumulatie dienen, aangezien de situaties waarin dit zich kan voordoen niet in deze wet kunnen worden geduid, regels ter zake mogelijk te zijn. In het zesde lid wordt geregeld dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat ook bij andere arbeid dan WSW-arbeid de driejaarstermijn niet geldt. Dit lid komt overeen met artikel 33, vijfde lid, AAW.

Artikel 50. Samenloop met WAO-uitkering en andere uitkeringen

Het kan voorkomen, dat een persoon zowel recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen, als iemand van 15 of 16 jaar terzake van werkzaamheden, op grond waarvan hij WAO-verzekerd is, arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAO. Omdat hij op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is, komt hij tevens in aanmerking voor een uitkering op grond van deze wet.

Ook kan het voorkomen dat iemand na de ingangsdatum van een uitkering op grond van deze wet WSW-werkzaamheden verricht. De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet wordt dan, gelet op artikel 50, derde lid, niet ingetrokken of herzien. Wanneer de betrokkene uit WSW-arbeid arbeidsongeschikt wordt, kan hij tevens in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.

In deze gevallen dienen deze arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet te cumuleren. In verband hiermee is in het eerste lid van dit artikel bepaald, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet slechts wordt uitbetaald, voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft. In deze gevallen gaat de WAO-uitkering derhalve voor. Hetzelfde geldt in geval van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschikthheidsverzekering zelfstandigen.

Ook kan zich de situatie voordoen dat een persoon slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet. Indien hij dan zijn resterende arbeidsgeschikheid benut met WAO-verzekeringsplichtige werkzaamheden en arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAO, heeft hij tevens recht op een WAO-uitkering. Er zijn dan twee situaties denkbaar. Hij heeft geen recht op herziening (verhoging) van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of hij heeft dat recht wel. Ingeval wel recht bestaat op herziening (verhoging) van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet, ligt anticumulatie van de (verhoogde) arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet met zijn WAO-uitkering voor de hand. In het andere geval, als er er geen recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet, werkt de in dit artikel neergelegde anticumulatieregeling onredelijk uit. Uitsluitend zijn resterende arbeidsgeschiktheid is dan immers voorwerp van de WAO-verzekering, zodat zijn WAO-uitkering daarop is afgestemd. Het is niet ondenkbaar dat zich op dit punt nog andere – onvoorziene – samenloopsituaties met WAO-uitkering kunnen voordoen. In verband hiermee is in het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel bepaald, dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld met betrekking tot samenloop met WAO- of WAZ-uitkeringen.

Ook is samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet denkbaar met eventuele andere uitkeringen dan WAO- en WAZ-uitkeringen. Het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel biedt voor die samenloopgevallen eveneens de mogelijkheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen. Het derde lid komt overeen met hetgeen in artikel 43 van de AAW was bepaald, met dien verstande dat naast de niet tot uitbetaling komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en niet-betaalde vakantie-uitkeringen ook het bedrag aan premies dat de werkgever daarover verschuldigd zou zijn indien die wel zouden zijn uitbetaald, aan ’s Rijks kas dient te worden afgedragen.

Artikel 51. Betaling van vakantie-uitkering

In het eerste lid wordt aangegeven dat de vakantie-uitkering in de maand mei wordt betaald. Er wordt dan uitgekeerd het bedrag over de twaalf maanden voorafgaand aan die maand. Er zijn evenwel situaties denkbaar waarin het in de rede ligt de vakantie-uitkering op een ander tijdstip te betalen. Dit geldt allereerst wanneer een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eerder dan in mei eindigt. De bedrijfsvereniging heeft de bevoegdheid de vakantie-uitkering op een ander tijdstip uit te betalen als de verzekerde daartoe een verzoek doet. In tegenstelling tot hetgeen artikel 56 van de AAW bepaalt, zijn in dit lid alle afwijkingen ten opzichte van betaling in de maand mei opgenomen. Het treffen van een ministeriële regeling ter zake is dan niet nodig.

De overeenkomstige toepassing in het tweede lid van de artikelen 46, 48 en 52 betreft de toepasselijkheid van een aantal artikelen over de betaling. Voor zover voor de vakantie-uitkering niet anders is geregeld, gelden deze artikelen ook voor de vakantie-uitkering. Het gaat om de artikelen over de betaalbaarstelling, de uitbetaling aan instellingen en de betaling van overlijdensuitkering.

Artikel 52. Overlijdensuitkering

Op grond van dit artikel wordt na overlijden van de uitkeringsgerechtigde de arbeidsongeschiktheidsuitkering enige tijd doorbetaald. Deze doorbetaling vindt plaats in de vorm van een overlijdensuitkering. Rechthebbend ten aanzien van de overlijdensuitkering is allereerst de langstlevende echtgenoot indien de overledene niet duurzaam gescheiden leefde van de andere echtgenoot. Indien er geen langstlevende echtgenoot is, zijn rechthebbend de minderjarige wettige en natuurlijke kinderen. Indien ook die er niet zijn, zijn rechthebbend de personen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. Ten aanzien van deze laatste groep rechthebbenden kan worden opgemerkt dat deze zowel (bloed)verwanten van de overledene kunnen zijn, als ook personen kunnen zijn die geen familierechtelijke betrekkingen met de overledene hebben gehad. Genoemde volgorde is dwingend, in die zin dat als er een rechthebbende is als bedoeld in onderdeel a, er geen volgende rechthebbenden meer zijn.

Het kan zijn dat de overledene op de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt immers op de eerste dag van de maand waarin de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar bereikt. Indien de jonggehandicapte om die reden geen recht meer heeft op uitkering en hij overlijdt voor de dag waarop hij 65 jaar zou worden, wordt niettemin toch overlijdensuitkering verstrekt aan de rechthebbende(n). Dat wordt geregeld in het tweede lid, door deze persoon gelijk te stellen met een uitkeringsgerechtigde.

In het derde lid is de gelijkstelling neergelegd van niet met elkaar gehuwde personen met echtgenoten. Deze gelijkstelling komt overeen met die welke in andere sociale-verzekeringswetten is neergelegd. De voorheen in ZW, WAO en AAW bestaande uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede graad, is vervangen door een uitzondering alleen voor bloedverwanten in de eerste graad. Dat leidt ertoe dat wanneer een uitkeringsgerechtigde een gezamenlijke huishouding voert met een bloedverwant in de tweede graad, dat wil zeggen een broer of zus, dan wel een grootouder of kleinkind, en ook overigens aan de omschrijving van het vierde lid, voldoet, na zijn overlijden deze bloedverwant als echtgenoot aanspraak kan maken op overlijdensuitkering.

In het zesde lid is de hoogte van de overlijdensuitkering aangegeven. Uitgangspunt bij de berekening is de hoogte van de uitkering op de dag van overlijden. Voor degene op wie het tweede lid van toepassing is, is bepalend de uitkeringshoogte op de laatste dag van zijn uitkeringsrecht.

Gerekend vanaf de dag volgend op de dag van overlijden van de uitkeringsgerechtigde is de overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van een maand uitkering. Een voorbeeld ter verduidelijking. Een uitkeringsgerechtigde overlijdt op 10 januari. Tot en met die dag bestaat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanaf 11 januari tot en met 10 februari wordt de uitkering doorbetaald in de vorm van overlijdensuitkering. De uitkeringshoogte op 10 januari is bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering over de daarop volgende dagen in de periode van 11 januari tot en met 10 februari.

Zou de overledene in kwestie op 20 januari 65 jaar zijn geworden, dan is zijn recht op uitkering geëindigd op 31 december van het voorafgaande jaar. In dat geval is de uitkeringshoogte op 31 december bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering in de periode van 11 januari tot en met 10 februari.

Overlijdt de uitkeringsgerechtigde op een zaterdag of een zondag, dan bestaat over die dag geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Alsdan is de uitkeringshoogte op de vrijdag daaraan voorafgaand bepalend.

Met het zevende lid wordt voorkomen dat onbedoeld een voortijdig einde aan de overlijdensuitkering komt. Dat zou kunnen gebeuren in de situatie dat een jonggehandicapte op 15 januari overlijdt terwijl hij op 4 februari 65 jaar zou zijn geworden. Consequentie zou dan zijn dat met ingang van 1 februari de uitkering eindigt. Dit is ongewenst. In verband hiermee wordt in het zevende lid artikel 17, eerste lid, onderdeel a, in verband met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde buiten werking gesteld.

De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald. De

uitbetaling geschiedt eerst na een daartoe strekkend verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden. Dit is verwoord in het achtste en negende lid.

Afhankelijk van de dag van overlijden, het moment waarop de overlij-densmelding bij de bedrijfsvereniging binnenkomt en de dag waarop de reguliere uitkering wordt betaald, zal het in de praktijk vaak voorkomen dat de reguliere uitkering al over de gehele maand is betaald op het moment dat de uitkeringsgerechtigde overlijdt. Om te voorkomen dat over een bepaalde, na het overlijden gelegen periode, zowel een reguliere uitkering als een overlijdensuitkering wordt betaald, wordt in het tiende lid bepaald dat de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden gelegen dagen reeds aan de overledene was betaald.

Over het bedrag aan overlijdensuitkering bestaat recht op vakantieuitkering. Dat is neergelegd in artikel 22.

Artikel 54. Terugvordering

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48 AAW. In dit artikel is de verplichting neergelegd tot terugvordering van al hetgeen in het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald. Het gaat om een terugvordering van de persoon aan wie of de instelling waaraan de uitkering is betaald. Dat betekent een terugvordering niet alleen van de jonggehandicapte zelf, maar ook van andere instellingen die in plaats van de jonggehandicapte (een deel van de) uitkering hebben ontvangen op grond van deze wet. Een terugvordering van willekeurige derden die bijvoorbeeld als gevolg van een foutieve overboeking gelden hebben ontvangen, kan niet op de voet van dit artikel plaatsvinden. In die situatie is immers geen sprake van betaling van verstrekkingen op grond van deze wet. Alsdan zal op de voet van het BW terugvordering van onverschuldigde betaling moeten plaatsvinden.

Terugvordering vindt plaats van achteraf onverschuldigd verstrekte uitkeringen of voorzieningen als gevolg van een herzienings- of intrekkingsbeslissing, genoemd in artikel 16. Door deze beslissing komt de rechtsgrond aan een reeds verleende uitkering of voorziening geheel of gedeeltelijk te ontvallen. Het kan bij zo’n beslissing gaan om zowel de inhoudelijke aspecten van de uitkering, zoals het recht op uitkering en de verlaging van de uitkering bij wege van maatregel, als om vergissingen, zoals rekenfouten. Beide leiden tot herstel van het toekenningsbesluit. Dat op grond van het eerste lid hetgeen overigens onverschuldigd is betaald ook teruggevorderd wordt, heeft ermee te maken dat er ook terugvordering moet plaatsvinden in de gevallen dat er geen sprake is van een herzienings- of intrekkingsbeslissing. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als er een goed besluit is getroffen, doch abusievelijk een hoger bedrag wordt betaald dan het besluit vermeldt. De in het eerste lid gekozen formulering impliceert tevens dat in de gevallen waarin achteraf, als gevolg van een rechterlijke uitspraak, wijziging in het recht op uitkering optreedt terugvordering plaatsvindt.

Het tweede lid komt overeen met hetgeen in artikel 16, tweede lid, 38, tweede lid, en 39, derde lid, is bepaald. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet alleen aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat de financiële omstandigheden kan nog worden bedacht dat in het algemeen voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet (zie artikel 55, tweede lid, jo. 45, negende lid). Dringende redenen worden niet gevormd door doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting door de bedrijfsvereniging kan worden afgezien. Uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en preventieve werking is het consequent ten uitvoer leggen van deze besluiten van groot belang.

Evenals bij een besluit tot boete-oplegging is bepaald (zie artikel 41, eerste lid), zal in een terugvorderingsbesluit informatie moeten worden verstrekt over de wijze van tenuitvoerlegging van dat besluit. Het derde lid voorziet daarin.

Het vierde lid komt overeen met artikel 39, vierde lid. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting zal in het invoeringstraject strafbaar worden gesteld op grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Voorts leidt niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting tot verlies van de bescherming van de beslagvrije voet.

Artikel 55. Besluit als executoriale titel

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48a AAW. Evenals een boetebesluit (artikel 45, eerste lid), levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op.

Artikel 56. Nadere regels

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48b AAW. Evenals bij het treffen van maatregelen (artikel 38, vierde lid) en in geval van opleggen van boete, is terwille van afstemming op het concrete geval ter zake van terugvordering regelgeving nodig. In de wetgeving kan niet verder worden gegaan dan het aangeven van enkele kaders. Ten aanzien van de reikwijdte van deze gedelegeerde regelgeving kan worden verwezen naar paragraaf 10 (Nadere regelgeving) van het algemeen deel van de toelichting bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 1994–1995, 23 909), dat tot de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid heeft geleid.

Artikel 57. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen

Teneinde te bereiken dat de op basis van deze wet verleende uitkeringen zoveel mogelijk beantwoorden aan het doel waarvoor zij worden verstrekt, te weten een inkomensvoorziening, wordt in dit artikel bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de vakantie-uitkering, de voorziening, de toelage noch de vergoeding op grond van artikel 25, in eigendom kan worden overgedragen of kan worden beleend dan wel verpand. Met geen beding kan daarvan worden afgeweken. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de vakantie-uitkering en de toelage kan overigens wel beslag worden gelegd.

Artikel 58. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen

Een aantal verstrekkingen op grond van deze wet is uitgezonderd van de mogelijkheid tot beslaglegging. Dat zijn de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met hulpbehoevendheid, de voorzieningen, de vergoeding, bedoeld in artikel 25, en de overlijdensuitkering.

Gelet op het feit dat een verleende voorziening niet vatbaar is voor beslag, ligt het in de rede ook de vergoeding beslagvrij te houden. Deze vergoeding houdt namelijk rechtstreeks verband met de verstrekte voorziening. Dat geldt niet voor de toelage, bedoeld in artikel 25, die veeleer het karakter heeft van een tegemoetkoming wegens gederfde inkomsten en als zodanig overeenkomt met een uitkering, die dat karakter eveneens heeft.

Artikel 59. Samenloop aanspraken

Wanneer de arbeidsongeschiktheid van een jonggehandicapte is ontstaan door toedoen van een ander, die daarvoor naar burgerlijk recht verplicht is tot schadevergoeding, moet worden voorkomen dat langs twee wegen schadevergoeding kan worden verkregen. Met het oog daarop is in dit artikel bepaald dat de rechter die oordeelt over de schadevergoeding naar burgerlijk recht, rekening houdt met de aanspraken die de jonggehandicapte op grond van deze wet heeft.

Artikel 60. Regresrecht

In hoofdstuk 6.2 van het algemeen deel van de toelichting is ingegaan op de achtergronden van het voorstel tot uitbreiding van het regresrecht.

Over de omvang van het regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de jonggehandicapte krachtens deze wet heeft (artikel 60). Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht van de bedrijfsvereniging in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van de jonggehandicapte is dit verhaal aan een maximum gebonden. Dit wordt gedaan door een fictie op te nemen: de bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat de jonggehandicapte zou kunnen vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd.

Om de hoogte van het regres te kunnen vaststellen moet de rechter dus eerst de hoogte van de schadevergoeding van het slachtoffer vaststellen, zoals die zou zijn geweest als er geen sociale verzekeringen waren geweest. De rechter gaat er dan van uit dat in die situatie het slachtoffer een schadevergoeding ontvangen zou hebben uit een particuliere verzekering. Aangezien dergelijke uitkeringen in het algemeen niet aan de heffing van belasting en sv-premies onderworpen zijn, gaat het bij het maximaal verhaalbare bedrag om een netto bedrag. Deze systematiek is door de Hoge Raad een aantal malen bevestigd, laatstelijk bij arrest van 25 februari 1995, NJ 1995, 608 (Sterpolis/Staat).

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de bedrijfsvereniging in plaats van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vaststellen in de vorm van een jaarlijkse afkoopsom, die de totale schade als gevolg van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid weerspiegelt.

Artikel 61. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen

Dit artikel behelst de algemene verplichting tot het verstrekken van alle mededelingen die van invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte en het bedrag van de uitkering. Deze verplichting geldt allereerst de jonggehandicapte, zoals omschreven in artikel 5. Afgezien van de jonggehandicapte is diens wettelijke vertegenwoordiger mededelings-plichtig. Tot slot betreft de verplichting de instelling waaraan de WAJONG-uitkering wordt betaald op grond van artikel 48.

De inlichtingenverplichting strekt zich tevens uit over de aanspraak op vakantie-uitkering. De inlichtingenverplichting geldt tevens degene ten aanzien van wie een voorziening wordt getroffen of overwogen of aan wie een toelage of vergoeding is verleend.

Het niet- of niet behoorlijk nakomen van de verplichting voorvloeiend uit dit artikel, kan op grond van artikel 16 of 24 leiden tot herziening of intrekking van uitkering of een voorziening, en op grond van artikel 39 leiden tot een boete. Daarnaast wordt op grond van artikel 46 de betaling van uitkering geschorst of opgeschort, als de bedrijfsvereniging op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat de jonggehandicapte of diens wettelijke vertegenwoordiger de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Artikel 62. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten

De middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 64, en de uitgaven die op grond van artikel 64 moeten worden gedaan, worden ten gunste, respectievelijk ten laste gebracht van een Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Evenals dat voor andere sociale-verzekerings-fondsen geldt, zoals het Algemeen Werkloosheidsfonds, maakt dit fonds onderdeel uit van het Tica en wordt het apart beheerd en geadministreerd.

Artikel 63. Middelen tot dekking van de uitgaven

In dit artikel is bepaald, op welke wijze in de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt voorzien. Zoals in het algemeen deel van de toelichting reeds is gesteld, vindt financiering plaats ten laste van de algemene middelen. In de middelen tot dekking van de uitgaven wordt derhalve in de eerste plaats voorzien door het Rijk. Voorts wordt daarin voorzien door de vereveningsbijdragen die op grond van artikel 47 op de verstrekte uitkeringen in mindering worden gebracht, de geïnde boeten wegens niet of niet-voldoende naleving van de inlichtingenverplichting en de bedragen die de bedrijfsvereniging int door toepassing van het recht van verhaal.

Voorts is in dit kader artikel 74 van de Organisatiewet sociale verzekeringen van belang. Op grond van dat artikel worden de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden door het Rijk aan het Tica ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten plaatsvindt, bij ministeriële regeling vastgelegd. Over die regels dient overeenstemming te bestaan met de Minister van Financiën.

Artikel 64. Uitgaven ten laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten

Dit artikel somt de bedragen op die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten worden gebracht. Dat zijn in eerste instantie alle uitkeringen die op basis van deze wet worden gedaan, te weten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen in verband met bevalling, vakantie-uitkeringen en overlijdenstuitkeringen. Voorts komen voorzieningen op grond van artikel 23 en toelagen en vergoedingen op grond van artikel 25 ten laste van het fonds.

Premies die wettelijk zijn verschuldigd door de bedrijfsvereniging over de uitkering, zonder dat deze op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht, komen tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Te denken valt hierbij onder andere aan het deel van de premie op grond van de Ziekenfondswet dat de bedrijfsvereniging verschuldigd is. Toelagen door het Tica verleend op basis van artikel 66 en de kosten die uitvoering van deze wet met zich brengt komen ten slotte ook ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.

Voor de financiering van deze uitgaven dient het Tica op grond van het tweede lid ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten gelden aan de bedrijfsvereniging ter beschikking te stellen. Het derde lid geeft het Tica de bevoegdheid ter uitvoering van het eerste en tweede lid regels te stellen. Deze regels behoeven de goedkeuring van het College van toezicht sociale verzekeringen.

Artikel 65. Uitvoering door bedrijfsvereniging

Op grond van deze wet is, met het oog op de efficiency, één bedrijfsvereniging belast met de uitvoering van deze wet, te weten de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Het gaat hierbij onder meer om alle aspecten rond het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van uitkering. De Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is op grond van artikel 61, eerste lid, AAW ook thans ten aanzien van jonggehandicapten in de meeste gevallen met de uitvoering belast. Op grond van het tweede lid worden regels gesteld die voorzien in een bevoegde bedrijfsvereniging in de situatie dat een persoon aan wie reeds eerder een WAO- of WAZ-uitkering was toegekend, later tevens recht verkrijgt op toekenning van Wajong-uitkering.

Artikel 66. Verlening toelagen

Op basis van dit artikel kunnen instellingen en organisaties zich tot het Tica wenden met een verzoek om een financiële bijdrage in projecten van uiteenlopende aard. Voorbeeld daarvan kan zijn het ontwikkelen van voorzieningen voor gehandicapten. De activiteiten van deze instanties dienen behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid tot doel te hebben. Subsidie-aanvragen zullen door het Tica dan ook op basis van deze criteria getoetst.

Artikel 67. Begrip belanghebbende

Met dit artikel wordt, in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, een begrip belanghebbende gedefinieerd. Deze inperking van het begrip belanghebbende geldt uitsluitend besluiten inzake het bestaan, het voortbestaan en de mate van arbeidsongeschiktheid. Belanghebbende in deze is de jonggehandicapte wiens aanspraken deze besluiten betreft. Uitgaan van het algemene belanghebbendebegrip van de Awb zou er toe kunnen leiden dat meer personen als belanghebbend zouden kunnen worden aangemerkt in deze kwesties, die toch als overwegend privacygevoelig moeten worden beschouwd.

Artikel 68. Beslistermijnen

Ten aanzien van de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag, dan wel een beschikking ambtshalve moet worden gegeven, kunnen bij AMvB regels worden gesteld. Deze AMvB draagt een tijdelijk karakter. Bij het treffen van deze AMvB zal naar verwachting worden aangesloten bij het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten. Het gaat bij deze regels om beschikkingen die de bedrijfsvereniging geeft.

Artikel 69. Beslistermijn bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift

Met dit artikel is afgeweken van artikel 7:10 van de Awb, dat zegt dat beslissingen op bezwaar binnen zes of, als er een externe adviescommissie is ingesteld, binnen 10 weken moeten zijn genomen. Voor de bedrijfsvereniging geldt ten aanzien van beslissingen op bezwaar een termijn van dertien weken.

Artikel 70. Medische bezwaarschriftprocedure

Aangezien de beoogde datum van inwerkingtreding van deze wet – 1 januari 1997 – samenvalt met de datum waarop de verplichte bezwaarschriftprocedure integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden ingevoerd, is in dit artikel voorzien in de mogelijkheid om bij algemene maatrgel van bestuur regels te stellen met betrekking tot medische bezwaarschriftenprocedures.

Artikel 71. Beroep in cassatie

Dit artikel opent de mogelijkheid cassatieberoep in te stellen naar aanleiding van een beslissing door de bedrijfsvereniging genomen over het in artikel 3 gehanteerde begrip «ingezetene». Het ingezetene zijn is één van de voorwaarden die artikel 5 stelt om als jonggehandicapte te worden aangemerkt. Naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een beslissing over het ingezetene zijn, kan een belanghebbende beroep in cassatie instellen. Aangezien ook door de belastingdienst beschikkingen worden afgegeven ter zake van het verzekerd zijn is, om te voorkomen dat tussen de rechter in belastingzaken en de rechter in sociale-verzekeringszaken verschil van mening over de uitleg van het begrip ingezetene zou ontstaan, deze cassatiemogelijkheid opgenomen.

Artikel 72. Strafbepaling

Dit artikel komt overeen met artikel 86 van de AAW. Deze bepaling spreekt voor zich.

Artikel 73. Verval van recht tot strafvordering

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 87 AAW. Dit artikel geeft, samen met het voorgestelde artikel 42, uitwerking aan het una via-beginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen. Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek van Strafrecht.

Artikel 74. Overtredingen

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 88 AAW en behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 75. Overgangsbepaling studerende in de zin van artikel 5

In dit artikel worden als studerenden aangemerkt kinderen voor wie de ouders recht op kinderbijslag hebben op grond van artikel XII, onderdeel a, van de zogenaamde Veegwet. Bij artikel XI, onderdeel D, van deze wet is het recht op kinderbijslag voor studerende kinderen van 18 jaar en ouder afgeschaft. In artikel XII, onderdeel a, is een overgangsbepaling opgenomen inhoudende dat ouders die over het vierde kwartaal van 1995 recht hadden op kinderbijslag voor een studerend kind van 18 jaar of ouder danwel voor een studerend kind dat op 30 september 1995 17 jaar oud was, dit recht behouden tot het einde van de studie van het kind. Dit geldt alleen zolang deze kinderen dezelfde schoolsoort blijven volgen. Het wordt wenselijk geacht ook deze groep studerenden, indien onverhoopt arbeidsongeschiktheid optreedt, onder de werking van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten te brengen.

Artikel 76. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet

De Algemene termijnenwet geeft regels voor de berekening van termijnen in verband met de zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen. Op grond van die wet moet een bij wet gestelde termijn die op een van de genoemde dagen eindigt, worden verlengd tot de eerstvolgende dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag. Als erkende feestdag gelden Nieuwjaarsdag, tweede Paas- en Pinksterdag, Koninginnedag, Hemelsvaartsdag, de beide Kerstdagen en de vijfde mei. Goede Vrijdag is met deze dagen gelijkgesteld. De Algemene termijnenwet geldt onder meer niet voor termijnen, die zijn omschreven in meer dan 12 weken, drie maanden of in een of meer jaren.

Met dit artikel wordt ten aanzien van een aantal in deze wet genoemde tijdvakken, de Algemene termijnenwet buiten toepassing verklaard. Dat betreft de tijdvakken van vier weken, genoemd in de artikelen 6, tweede en vierde lid, 12, derde lid, 13, 14, eerste lid, 15, 18 en 19.

Artikel 77. Inwerkingtreding

Het voornemen bestaat om deze wet in werking te doen treden op 1 januari 1997. Op dit moment kan nog niet worden vastgesteld of alsdan alle artikelen van deze wet tegelijkertijd in werking kunnen treden. Met het oog daarop is de inwerkingtreding bepaald op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met de mogelijkheid onderdelen op verschillende tijdstippen in te laten gaan.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. L. O. Linschoten

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.