Lijst van vragen en antwoorden - Veiligheidsbeleid 1995-1998

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1995–1996

24 225

Veiligheidsbeleid 1995–1998

Nr. 3

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 8 februari 1996

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft, ter voorbereiding van een algemeen overleg over de nota veiligheidsbeleid een aantal vragen aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken voorgelegd. De vragen en de door de staatssecretaris gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, De Cloe

De griffier van de commissie, Hommes

1 Samenstelling:

Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA) voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Brinkman (CDA), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA). Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).

  • 2. 
    Hoofdlijnen van kabinetsbeleid

1

Hoe ziet de regie van lokaal, provinciaal en rijksbestuur er nu precies uit? Is dat in concrete taakvelden (verantwoordelijkheden) aan te duiden zodat ook de verantwoordelijkheden duidelijk zijn?

In paragraaf 2.2 Hoofdlijnen van beleid heeft het kabinet aangegeven dat de last van de veiligheidsproblemen niet uitsluitend op de schouders van politie, justitie en brandweer kan worden gelegd. Het veiligheidsbeleid zal onder bestuurlijke regie moeten worden gevoerd.

Onderscheidenlijk zullen gemeenteraad, provinciale staten en kabinet de bestuurlijke regie op zich moeten nemen om alle partijen die hun bijdrage kunnen leveren aan het veiligheidsbeleid bijeen te brengen. Daarbij zal die partij die vanuit de eigen verantwoordelijkheden het sterkst bij een veiligheidsprobleem betrokken is het voortouw kunnen nemen om samen met andere betrokkenen tot een oplossing te komen. Door de regierol van het openbaar bestuur is ook steeds de verantwoordelijkheid duidelijk en democratisch controleerbaar.

2 en 4

Op welke wijze worden andere gemeenten dan de grote steden betrokken bij het integraal veiligheidsbeleid en welke middelen zijn voor deze gemeenten beschikbaar?

Op welke wijze werken de beleidsuitgangspunten door naar gemeenten die niet in het grote-stedenbeleid zijn opgenomen?

De beleidsuitgangspunten van de nota zijn opgesteld voor alle gemeenten. Prioriteit is gegeven aan de aanpak van onveiligheid in de grote steden door middel van de veiligheidsafspraken die in de conve-nanten met deze steden zijn gemaakt. De ervaringen die opgedaan worden in de grote steden kunnen worden gebruikt in andere gemeenten.

Bij de ontwikkeling van het beleid is gebruik gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan in pilots die in enkele gemeenten in samenwerking met Binnenlandse Zaken zijn uitgevoerd. Het daaruit voortgekomen stappenplan integraal veiligheidsbeleid wordt nu door diverse gemeenten als leidraad genomen.

Samen met de VNG wordt onderzoek gedaan naar de stand van zaken van het gemeentelijke veiligheidsbeleid en naar de knelpunten die gemeenten daarbij ondervinden. Voorts wordt in samenwerking met de VNG en enkele kleinere gemeenten bezien hoe vorm kan worden gegeven aan een handreiking veiligheidsbeleid voor deze categorie gemeenten.

Dit mede in het licht van het feit dat de aard en omvang van veiligheidsvraagstukken in deze gemeenten van een andere orde is dan in de grote(re) gemeenten. In de voortgangsrapportage over het grote-stedenbeleid aan uw Kamer (d.d. 5 oktober 1995) is aangekondigd dat u bij een volgende voortgangsrapportage over de doorwerking naar gemeenten buiten de 19 zal worden ingelicht.

3

Is er in het kader van het grote-stedenbeleid al een doorvertaling geweest van de ervaringen van de grote steden naar de overige vijftien steden. Zo ja, kan worden aangegeven hoe die ervaringen zijn?

De doorvertaling heeft plaatsgevonden door middel van het met de vijftien steden afgesloten convenant. Uw Kamer is hierover separaat geïnformeerd in het voortgangsverslag van 5 oktober 1995.

4 Zie vraag 2.

5

In het kader van het grote-stedenbeleid vindt monitoring van het veiligheidsbeleid plaats. In welke vorm worden de effecten van het veiligheidsbeleid in de gemeenten hierbuiten onderzocht?

De monitoring van het veiligheidsbeleid in de grote steden vindt ondermeer plaats op basis van de politiemonitor. Het kabinet stimuleert de gemeenten de effecten van het eigen veiligheidsbeleid – de objectieve veiligheid en de veiligheidsbeleving – periodiek te meten. In dat verband faciliteert het ministerie van Binnenlandse Zaken gemeenten door het aanbieden van een laagdrempelige onderzoeksmethode, gebaseerd op de politiemonitor.

Daarnaast is in opdracht van de VNG en de ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie een onderzoek gestart onder alle gemeenten naar de ontwikkeling van het lokale veiligheidsbeleid.

Dit onderzoek moet inzicht geven in de wijze waarop het lokale veiligheidsbeleid vorm en inhoud wordt gegeven.

6

Op blz.4staat: «Gemeenten beschikken over de relevante diensten en instrumenten om probleemgericht en effectief veiligheidsbeleid te voeren.» Betekent dat dat er geen onveiligheid in de gemeenten bestaat? Zo neen, wat is dan precies de betekenis van de aangehaalde zin?

Nee, de aangehaalde zin geeft één van de redenen aan waarom het zwaartepunt bij het lokale bestuur ligt. Namelijk omdat gemeenten beschikken over de relevante diensten en instrumenten om probleemgericht en effectief veiligheidsbeleid te voeren.

7

Geldt de kritische noot over gebrek aan integrale aanpak en het opknippen van beleid niet ook voor het veiligheidsbeleid zelf? Hoe zijn bijvoorbeeld justitie en rechterlijke macht betrokken?

Met het in de Nota Veiligheidsbeleid voorgestelde kabinetsbeleid wordt juist een integrale benadering van veiligheidsproblemen bepleit. Daarbij zijn ook justitie en de rechtelijke macht betrokken, omdat zij bij uitstek een rol spelen als het gaat om het sluitstuk in de zogenoemde veiligheidsketen.

Op landelijk niveau is het ministerie van Justitie nauw betrokken bij de uitvoering van de in de Nota genoemde aktiviteiten. Zo zijn er in verschillende politieregio’s processen in gang gezet waarbij politie, gemeente, hulpverlening en het openbaar ministerie gezamenlijk de beleidslijnen uitzetten en concrete afspraken maken voor de uitvoering van het beleid.

8

Wat is het verschil tussen «het vergroten van de veiligheid (...) van de woon- en leefomgeving, (...)» en «het vergroten van de veiligheid op straat en in wijken (...)»? (blz. 6).

De in de inleiding van de Nota veiligheidsbeleid opgenomen samenvatting geeft op verschillende niveaus aan op welke wijze aan veiligheid aandacht kan worden besteed.

Het vergroten van veiligheid in brede zin door bestuurlijke aandacht en met doorwerking naar verschillende beleidsterreinen, kan op wijken buurtniveau leiden tot een integrale aanpak, zowel beleidsmatig als organisatorisch. Door de inzet van toezichthouders zal ook op straat- en wijkniveau direct zichtbaar worden dat de leefbaarheid en veiligheid wordt verbeterd.

9

Op blz.7van de nota staat: «(...) integraal veiligheidsbeleid, bestaande uit een combinatie van meer preventie op gemeentelijk niveau, samenwerking met maatschappelijke instellingen en strengere strafrechtelijke en bestuurlijke handhaving». Wat is precies het verschil met het systeem van bestuurlijke preventie en strafrechtelijke repressie uit de nota Samenleving en Criminaliteit, uit 1985?

Integraal Veiligheidsbeleid is breder dan criminaliteitspreventie: het integrale veiligheidsbeleid omvat niet alleen aspecten van criminaliteitspreventie, maar ook overlastbestrijding, beheersing van industriële risico’s, rampenbestrijding, brandbeheersing etc.

10

Op blz. 11 van de nota wordt gesproken van een gemeentelijk stappenplan, dat moet leiden tot lange en korte acties. Aan wat voor soort acties wordt gedacht en is daarvoor voldoende capaciteit beschikbaar?

In het Stappenplan Integrale Veiligheid (bijlage 1 bij de nota) wordt een onderscheid gemaakt tussen de ontwikkeling van acties op korte termijn en van acties op lange termijn. Bij de acties op korte termijn gaat het om het snel en efficiënt uitvoeren van een aantal direct mogelijke activiteiten, die op korte termijn zichtbare effecten opleveren. De ontwikkeling van lange termijnacties past in het kader van een meer structurele aanpak van het integraal veiligheidsbeleid waarin problemen worden teruggedrongen en voorkomen.

Naast de extra financiële middelen die het kabinet beschikbaar stelt zullen gemeenten en organisaties ook bestaande middelen en instrumenten in samenhang kunnen inzetten voor het veiligheidsbeleid.

11

Welke situaties en omstandigheden zijn bedoeld bij het begrip «potentië le onveiligheidsoorzaken»? (blz. 12).

In de nota merkt het kabinet op dat het van groot belang is ook aandacht te besteden aan toekomstige ontwikkelingen, teneinde potentiële onveiligheidsoorzaken in de kiem te smoren. Het kabinet bepleit daarmee in het algemeen alert te zijn ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen die (mede) consequenties kunnen hebben voor de veiligheid. Door veiligheid tijdig te betrekken bij de besluitvorming is het mogelijk onveiligheid te voorkomen of tenminste beter te beheersen. Daarbij heeft het kabinet geen specifieke situaties en omstandigheden voor ogen maar te denken valt aan ontwikkelingen ten aanzien van de ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer alsmede demografische ontwikkelingen.

12

Hoeveel gemeenten zijn ondersteund en gestimuleerd in de communicatie met burgers? (blz. 12 punt 3)

Goede communicatie tussen gemeente en burgers is essentieel voor het welslagen van het gemeentelijk veiligheidsbeleid. In de op verzoek van BiZa ontwikkelde en aan gemeenten aangeboden handreiking «Stappenplan Integrale Veiligheid» neemt communicatie een belangrijke plaats in. Ook in andere publicaties van het ministerie en in, door het ministerie verzorgde, presentaties wordt dit uitgedragen en worden gemeenten meer in het algemeen gestimuleerd hier nadrukkelijk aandacht aan te besteden.

13

In de nota staat dat er een aparte visie nodig is op de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende diensten zoals politie, stadswachten, particuliere veiligheidsdiensten e.d. Kan de staatssecretaris zijn visie op deze materie reeds doen toekomen en indien dit niet het geval is wanneer kan deze visie c.q. nota daarover worden verwacht? (blz.13)

In wet- en regelgeving is de formele verhouding vastgelegd tussen politie en particuliere beveiliging. Daarop aansluitend wordt u binnenkort geïnformeerd over de uitgangspunten die het kabinet hanteert bij diverse vormen van toezicht. Daarbij wordt met name ingegaan op de specifieke positie van toezichthouders die onder gezag en beheer staan van het gemeentebestuur. De Kamer kan op korte termijn een brief van het kabinet over Toezicht tegemoet zien.

14

In de nota veiligheidsbeleid staat dat de afgeronde reorganisatie van de politie zal worden gevolgd door een uitbreiding van de sterkte en door investeringen in bedrijfsvoering en kwaliteit. Betekent dit een uitbreiding van de sterkte van de politie boven het aantal extra agenten dat is afgesproken in het regeerakkoord? Kan worden aangegeven hoe deze voornemens in de praktijk vorm krijgen en op welke termijn? (blz.14)

Bij brief van 20 november 1995 met nummer EA/U3395 is uw Kamer geïnformeerd over beschikbare middelen voor de politie ten behoeve van bedrijfsvoering en voor (budgettaire) sterkte tijdens deze kabinetsperiode. Dit is reeds met uw Kamer besproken tijdens het overleg op 27 november 1995.

15

Welke conclusie trekt de regering uit het gegeven dat de geweldscriminaliteit in de kleinere gemeenten de afgelopen jaren onevenredig sterk is toegenomen?

De conclusie die de regering daaruit trekt is dat een actief veiligheidsbeleid in zowel de grotere steden als de kleinere gemeenten moet worden gestimuleerd.

16

Wat is de relatie van de stijging van de criminaliteit in de kleinere gemeenten met de gevolgen van het zogenaamde «krimpbeleid» voor die regiokorpsen, die (in hoofdzaak) het landelijk gebied bedienen?

Er is geen relatie van de stijging van de criminaliteit in de kleinere gemeenten met de gevolgen van het zogenaamde krimpbeleid voor die korpsen, die (in hoofdzaak) het landelijk gebied bedienen. In het kader van de regionale budgettoedeling worden criteria gehanteerd, die een relatie hebben met de onderlinge verschillen in werkdruk per regio. Indien de regionale werkdruk ten opzichte van de werkdruk in andere regio’s aanleiding heeft gegeven tot bijstelling van het budget in negatieve zin, beslist de regio zelf hoe hieraan binnen de regio invulling wordt gegeven. De regio bepaalt derhalve het budget ten behoeve van de landelijke gebieden van de regio.

17

Hoe is een stijging van 70% van de geweldsmisdrijven in kleinere gemeenten verdisconteerd in het veiligheidsbeleid, waar de aandacht tot nu toe steeds is uitgegaan naar de stijgingen ter zake in de grote steden?.

In het veiligheidsbeleid van het kabinet krijgen naast de grote steden ook de kleinere steden in het landelijke gebied de aandacht. Het kabinet stimuleert in dit verband in zowel de grote als in de kleinere gemeenten een actief veiligheidsbeleid.

18

Waarom wordt wel erkend dat de rijksoverheid ten aanzien van wetgeving en kaderstelling specifieke verantwoordelijkheden heeft, maar wordt daaraan in het kader van de nota geen aandacht gegeven? Betekent dit dat de regering wetswijziging, bijvoorbeeld voor het wegnemen van belemmeringen voor een integraal veiligheidsbeleid, niet nodig vindt?

Het kabinet heeft als uitgangspunt genomen dat veiligheidsbeleid vooral op gemeentelijk niveau tot uitvoering zal moeten worden gebracht. Vooralsnog gaat het kabinet er vanuit dat decentralisatie van taken tot een zodanige beleidsvrijheid leidt, dat gemeenten op een voortvarende wijze hun lokaal veiligheidsbeleid kunnen ontwikkelen en uitvoeren.

Daar waar in de praktijk blijkt dat aanpassing van wet- en regelgeving nodig is zal het kabinet daartoe initiatieven nemen. Thans wordt reeds gewerkt aan wijziging van de Gemeentewet, voor wat het effectief sluiten van drugpanden betreft. Mede naar aanleiding van de Nota kansspelen, zal de Wet op de kansspelen worden herzien.

19

Op welke wijze zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken concreet invulling geven aan zijn coö rdinerende rol ten aanzien van het veiligheidsbeleid op rijksniveau?

Op welke wijze wordt het commitment van de betrokken ministeries gewaarborgd? Heeft de staatssecretaris daartoe specifieke bevoegdheden?

Aan de coö rdinerende rol van de staatssecretaris ten aanzien van het veiligheidsbeleid is in eerste instantie vorm gegeven door het namens het kabinet uitbrengen van de nota Veiligheidsbeleid 1995–1998. Hiermee is ook voldoende commitment van de betrokken departementen verkregen.

Voor de uitvoering van de nota werkt de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken samen met collega-bewindslieden. Ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van drugoverlast geldt dat voor de ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij de uitvoering van het beleid inzake jongeren en veiligheid betreft dat naast bovengenoemde bewindspersonen ook die van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ten aanzien van maatregelen op het terrein van velige leefomgeving en risicobeheersing zijn onder meer de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en van Verkeer en Waterstaat betrokken.

De staatssecretaris heeft geen specifieke bevoegdheden. Er is ook niet gebleken dat die nodig zijn.

20

Hoe wordt op rijksniveau inhoud gegeven aan de noodzakelijke nauwe samenwerking tussenoverheid, maatschappelijke organisaties en burgers?

Het rijk stimuleert de samenwerking tussen overheid, maatschappelijke organisaties en burgers op lokaal en regionaal niveau, onder meer door handreikingen te bieden op het terrein van de organisatie en aanpak van (integraal) veiligheidsbeleid.

De samenwerking tussen overheden krijgt gestalte door afspraken met onder meer de VNG en het IPO, het korpsbeheerdersberaad en de Nederlandse Brandweer Federatie. De samenwerking met het bedrijfs- leven krijgt onder meer vorm via het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing.

21

Zijn of worden landelijke organisaties van allochtonen betrokken bij de formulering en uitvoering van het veiligheidsbeleid?

Eén van de uitgangspunten van het veiligheidsbeleid is dat veel veiligheidsproblemen alleen kunnen worden opgelost in samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, burgers en maatschappelijke organisaties. Dit geldt op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Daar waar het van toepassing is worden op rijksniveau ook landelijke organisaties van allochtonen betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het veiligheidsbeleid, ondermeer via de Landelijke Advies- en Overlegstructuur minderhedenbeleid.

22

Hoe verhoudt het in de nota geformuleerde beleid zich tot de sociale vernieuwing?

Zoals bekend is de basis voor het sociale vernieuwingsbeleid gelegd in de nota sociale vernieuwing. In deze nota en in de daaruit voortkomende Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing is in de tweede cirkel de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving centraal gesteld, naast arbeid, scholing en inkomen, en innovaties op sociaal en cultureel terrein.

In de verschillende voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer is aangegeven dat gemeenten juist in de cirkel Leefomgeving veel projecten hebben gestart om samen met maatschappelijke organisaties, politie en burgers tot een veiliger en leefbaarder situatie te komen.

Het kabinet legt met het veiligheidsbeleid nu het accent op een aantal veiligheidsvraagstukken.

23

Waarom komen onderwerpen als verkeersveiligheid, voetbalvandalisme, overvallen, niet terug in de nota?

De Nota veiligheidsbeleid bevat de hoofdlijnen van het te voeren veiligheidsbeleid. Niet alle veiligheidsvraagstukken die onderdeel zijn van het veiligheidsbeleid zijn in de nota genoemd. Met name de onderwerpen die extra aandacht vragen van het rijk en waar in het regeerakkkoord afspraken over zijn gemaakt, zijn in de nota behandeld.

24

Kan een kwantitatief en kwalitatief overzicht worden gegeven van de veiligheidsprojecten in Nederland?

In opdracht van de VNG en de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken wordt onderzoek gedaan naar de stand van zaken van het gemeentelijk veiligheidsbeleid en naar knelpunten die gemeenten daarbij ondervinden. In het onderzoek wordt gekeken naar de vormgeving en invulling van het veiligheidsbeleid, de concrete activiteiten en effecten alsmede de plaats van veiligheid in de gemeentelijke organisatie. Naar verwachting zullen de eerste uitkomsten begin 1996 beschikbaar zijn. De resultaten van dit onderzoek zullen worden opgenomen in de Integrale Veiligheidsrapportages 1996 en 1998.

25

In welk opzicht is het wegvallen van voorheen bestaande vormen van sociale verbanden en sociale controle positief te waarderen?

Met de aangehaalde passage is geenszins bedoeld dat het wegvallen van sociale verbanden positief gewaardeerd kan worden. In de passage wordt enige nuancering gegeven aan het feit dat vele maatschappelijke ontwikkelingen als wijzigingen in gezin, individualisering, veranderingen in normen en waarden alleen maar negatief zouden zijn te beoordelen.

In bovengenoemde passage wordt dat ook nader uitgewerkt met de begrippen burgerschap en zelfredzaamheid.

26

Waarom is in de nota geen aandacht besteed aan de bijzondere rol die de ouderen innemen in zaken aangaande zowel de objectieve veiligheid als de subjectieve veiligheid. Ouderen hebben meer dan andere groepen van de bevolking een bijzondere relatie hebben ten aanzien van aspecten van veiligheid. Kan een visie worden ontwikkeld op het vraagstuk ouderen en veiligheid en kan dit expliciet worden toegevoegd aan de nota Veiligheidsbeleid 1995–1998.

Het kabinet heeft in het actieplan «Ouderenbeleid 1995–1998» (Tweede Kamer, 1994–1995, 24, 319, nrs. 1 en 2) expliciete maatregelen aangekondigd waarmee een veilige woon- en leefomgeving van ouderen wordt gestimuleerd.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken subsidieert enkele pilots in gemeenten, gericht op het verlagen van onveiligheidsgevoelens van ouderen. Deze pilots leiden tot een handreiking, bestemd voor ouderen-organisaties.

27

Uitwisseling van informatie over de aanpak van knelpunten in veiligheidsprojecten tussen organisaties en instellingen kan helpen de kwaliteit van de projecten te verhogen en het draagvlak te vergroten. Hoe kan hieraan vorm worden gegeven?

Uitwisseling van informatie is van groot belang voor het vergroten van de kennis van en het inzicht in het veiligheidsbeleid. Sinds kort wordt daartoe in het blad NG-magazine van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het katern Veiligheidshalve meegezonden. Daarnaast wordt in samenwerking met de VNG een voorstel voorbereid voor een data-bank van informatie over lokale en regionale projecten. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij een bestaande data-bank.

Voorts wordt (financiële) steun gegeven aan ondermeer de Stichting Netwerk Criminaliteit en Veiligheid, waaraan functionarissen die bij gemeenten en politie betrokken zijn bij het veiligheidsbeleid, deelnemen.

28

Hoe verhoudt de nota zich tot de parlementaire enquê te op het punt van de aanpak van de georganiseerde criminaliteit?

De Nota Veiligheidsbeleid gaat met name in op veiligheidsvraagstukken die betrekking hebben op veiligheids- en leefbaarheidsaspecten. De parlementaire enquête heeft vooral betrekking op de opsporingsmethoden ten aanzien van de georganiseerde criminaliteit en is daarmee van een andere orde.

  • 3. 
    Aanpak veiligheidsvraagstukken.

3.1. Jongeren en Veiligheid

29

Is de commissie die zich gaat bezig houden met het bevorderen van de veiligheid op scholen reeds ingesteld en zo ja, wanneer kunnen wij hun aanbevelingen tegemoetzien?

Op 9 januari 1995 werd de commissie «Voorkoming en bestrijding van geweld in scholen» ingesteld. De commissie, die werd voorgezeten door staatsecretaris Netelenbos, presenteerde op 22 juni 1995 de brochure en de campagne «De veilige school». De campagne, die op 30 november 1995 is gestart met een symposium in rotterdam, is gericht op modellen en instrumenten ten behoeve van het onderwijs.

30

Wat betekent het voor het beleid ten aanzien van jongeren en veiligheid, dat daarbij de thuissituatie van groot belang is? Wordt bijvoorbeeld bevorderd, dat ouders van allochtone jongeren betrokken worden bij het onderwijs aan hun kinderen?

Jongeren die ongewenst gedrag vertonen waardoor de veiligheid van anderen in het geding komt, hebben vaak problemen op meerdere terreinen (school, vrije tijd en thuis-situatie). Bevordering van de betrokkenheid van (allochtone) ouders bij het onderwijs aan hun kinderen vormt een belangrijk element bij de aanpak van deze problemen, bijvoorbeeld in het onderwijsvoorrangsbeleid. Begin 1996 zal een campagne ouderparticipatie van start gaan die m.n. gericht is op het verbeteren van de betrokkenheid van ouders van allochtone leerlingen bij het onderwijs. Meer in het algemeen is het beleid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen er op gericht de relatie tussen school en ouders te versterken en ouders meer te betrekken bij het onderwijs (volgens de beleidsnota «De school als lerende organisatie (TK 24 248 nr. 1–2)).

Het ministerie van VWS heeft een aantal specifieke programma’s en projecten geïnitieerd voor allochtone jeugdigen van 0–18 jaar en hun ouders, die beogen uitval van jeugdigen te voorkomen. Zij worden lokaal uitgevoerd onder regie van de betreffende gemeente. Het meest bekende voorbeeld is het Opstapprogramma, waarbij ouders met hun 4–6 jarig kind gedurende twee jaar dagelijks oefeningen doen ter versterking van schoolse vaardigheden van de kinderen. Dit programma wordt inmiddels in een 100-tal gemeenten uitgevoerd.

Een ander voorbeeld is het Overstap-programma waarbij ouders van kinderen uit groep drie van het basisonderwijs thuis oefenen wat hun kinderen op school hebben geleerd bij het leesonderwijs. Ook wordt voorlichtingsmateriaal ontwikkeld ten behoeve van ouders om hen te ondersteunen bij vraagstukken van hun tieners – bijvoorbeeld ten aanzien van schoolkeuze. Via de lokale media in de grote steden worden ouders ook – in de eigen talen – gewezen op de ontwikkelingen op school.

In de beleidsnota «De school als lerende organisatie» die onlangs ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer (nr. 24 248 nrs. 1–2), wordt in het kader van een actief kwaliteitsbeleid van de scholen expliciet aan de versterking van ouderbetrokkenheid aandacht geschonken (hoofdstuk 5).

Voorts is een campagne ouderparticipatie in voorbereiding, die met name ook is gericht op het verbeteren van de betrokkenheid van ouders van allochtone leerlingen bij het onderwijs. Deze campagne zal begin 1996 worden ingezet.

31

Welke voorzieningen worden bedoeld als het gaat om het versterken van de jeugdfunctie bij de politie en het openbaar ministerie? (blz.17)

Wat de politie betreft gaat het om de toerusting van regiokorpsen op het terrein van beschikbare kennis en ervaring en om aanwezigheid van een aanspreekpunt voor «jeugdzaken» en procedure- afspraken over opvang en doorverwijzing.

De organisatorische vormgeving hiervan is een primaire verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders. Voor de versterking van de jeugdfunctie van het openbaar ministerie zal onder meer het aantal jeugdofficieren worden uitgebreid. Voor deze versterking is aan de arrondissementen een bedrag van f 3 miljoen toegekend voor 1996 en volgende jaren, in de gelden voor reorganisatie van het O.M. Hoe één en ander wordt vormgegeven is een verantwoordelijkheid van de Hoofdoffcier.

32 en 43

Waarom wordt er alleen voor de grote vier steden gesproken over een uitbreiding van de door de HALT-bureaus te behandelen delicttypen? (blz.18)

Is het kabinet voornemens om extra middelen voor de HALT-bureaus vrij te maken, gelet op de delictsuitbreiding waarvoor HALT gaat gelden? Waarom worden in dit kader alleen de vier grote steden «bediend»?

Op het ogenblik vindt onderzoek plaats naar de kosten van de HALT-bureaus. Daarbij wordt ook de relatie met de delictsuitbreiding onderzocht. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek – die worden verwacht in juli 1996 – zal worden bezien of van rijkswege extra financiële middelen beschikbaar zullen worden gesteld. De mogelijkheid tot de verwerving van extra middelen voor de HALT-bureaus in de grote steden zijn niet bepaald door de delictsuitbreiding maar door een aanzienlijke toename van het aantal HALT-afdoeningen zoals afgesproken in het convenant tussen het Rijk en de grote steden.

33, 38 en 39

Moet de nota tevens worden beschouwd als de kabinetsreactie op het advies van de commissie-Van Montfrans? Zo nee, wanneer en in welke vorm is die reactie dan te verwachten?

Op welke termijn kan worden aangevangen met de actieprogramma’s ten behoeve van jeugdcriminaliteit? (blz. 15)

Wanneer kan een «actieprogramma jeugd en veiligheid» worden verwacht? Welke relatie heeft dat programma tot deze nota? (blz. 16).

Het hoofdstuk «Jongeren en Veiligheid» uit de Nota VB is de reactie van het kabinet op het advies van de commissie Van Montfrans. Deze aanbevelingen worden bij voorrang in de grote steden uitgevoerd. Hiertoe worden door de steden actieprogramma’s jeugd en veiligheid opgesteld die in 1995 van start zijn gegaan. Binnenkort kunt u een voortgangsrapportage Jongeren en Veiligheid verwachten waarin ondermeer zal worden ingegaan op deze actieprogramma’s.

Daarnaast heeft de staatssecretaris van Justitie recent uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van het advies Van Montfrans op het beleidsterrein van Justitie.

34

Hoe verhouden de in de nota beschikbaar gestelde gelden zich tot de door de commissie-Van Montfrans terzake nodig geachte middelen?

Naast de in de Nota beschikbaar gestelde middelen (oplopend tot f 93 mln in 1999) voor uitvoering van het advies van de commissie Van

Montfrans is onder meer sprake van een uitbreiding voor politie en rechtshandhaving (oplopend tot f 35,5 mln in 1999) voor de aanpak van jeugdcriminaliteit. In totaal wordt daarmee de door de commissie Van Montfrans nodig geachte middelen (f 103,5 mln) overschreden.

35

Naar welke concrete afspraken wordt gestreefd bij de signalering en opvang van vroegtijdige uitval van jongeren? Wat zijn de extra faciliteiten voor het onderwijs?

Uitval van jeugdigen kan zich voordoen op diverse terreinen: uitval uit het gezin, uitval uit arbeid en uitval uit onderwijs. De verschillende vormen van uitval kunnen leiden tot marginalisering van jeugdigen. Het tijdig signaleren en voorkó men daarvan zijn aspecten van het preventief jeugdbeleid. In eerste instantie zijn voor het preventief jeugdbeleid lokale overheden verantwoordelijk. Op initiatief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is in 1995 een projectgroep Ontwikkeling Lokaal Preventief Jeugdbeleid geïnstalleerd, die vooral een «aanjaagfunctie» zal vervullen.

In antwoord op het eerste deel van de vraag kan worden verwezen naar de zogenaamde Regeling Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC-regeling). Volgens deze regeling worden samenwerkende gemeenten gevraagd om een sluitend plan van aanpak te formuleren voor het signaleren, registreren en teruggeleiden naar het reguliere onderwijs van voortijdige schoolverlaters (dit zijn leerlingen die het voortgezet onderwijs verlaten voordat zij een minimale beroepskwalificatie hebben behaald). Voor onderwijs worden de volgende faciliteiten beschikbaar gesteld ten behoeve van (onder meer) signalering en opvang van uitval:

– middelen in het kader van het OnderwijsVoorrangsBeleid (OVB). De onderwijsvoorrangsgebieden zetten in totaal ongeveer f 17,0 miljoen in voor het voortgezet onderwijs.

– middelen voor de Projecten Ongediplomeerde Schoolverlaters (f 1,0 miljoen) en Spijbelopvangprojecten (f 7,9 miljoen).

Deze middelen worden vanaf 1-8-1995 stapsgewijze toegevoegd aan die voor het voortgezet onderwijs in het onderwijsvoorrangsbeleid.

– middelen voor de RMC-regeling; OCW en SZW stellen tot en met1997 op jaarbasis elk 3 miljoen beschikbaar.

In totaal gaat het dus om ongeveer f 31,9 miljoen. Daarbij wordt aangetekend dat gemeenten op regionaal niveau extra middelen kunnen genereren, onder meer in het kader van convenanten sociale vernieuwing. Daarnaast bevatten de actieplannen jeugd en veiligheid in het kader van het grote stedenbeleid afspraken tussen politie, jeugdhulpverlening en scholen omtrent voorlichting, signalering en doorverwijzing.

36

Welke regiefunctie is voor de (lokale) overheid weggelegd bij een betere aanpak van de jeugddelinquentie?

De aanpak van jeugdcriminaliteit begint bij een goede preventie. In lijn met het regeringsstandpunt Regie in de Jeugdzorg (Juli 1994) heeft het lokale bestuur de regie over het preventieve jeugdbeleid. Ook ten aanzien van schooluitval, onderwijsachterstanden, en werkgelegenheids-instrumenten die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van jeugddelinquentie, hebben de gemeenten verantwoordelijkheden.

37

Welke taak heeft het basisonderwijs bij de preventie van jeugdcriminaliteit? (blz. 15).

Aandacht voor normen en waarden en het tot stand brengen van sociale binding kunnen bijdragen aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit. In het basisonderwijs wordt de aandacht voor normen en waarden reeds enige jaren gestimuleerd, onder meer in het project «De pedagogische opdracht van het onderwijs», de campagne tegen pesten in het basisonderwijs en de campagne «De veilige school».

38 Zie 33.

39 Zie 33.

40

Op wat voor soort «snelle en consequente reactie» wordt gedoeld bij de «samenwerking tussen organisaties», zoals op blz. 17 van de nota staat?

Doordat de Rijksoverheid gunstige voorwaarden schept en belemmeringen voor een meer integrale en effectieve aanpak wegneemt, zullen gemeenten, scholen en andere partijen op lokaal niveau gezamenlijk het gewenste lokale maatwerk en de gewenste samenhang tot stand kunnen brengen. Hiermee worden de voorwaarden geschapen voor een snelle en consequente reactie.

Voorbeelden van lokaal maatwerk zijn:

– als de school en het Riagg zodanige contacten onderhouden, dat signalering en diagnose in een eerder stadium plaatsvinden en hulp tot stand kan komen;

– het ingrijpen van de Leerplicht-ambtenaar als een leerling dreigt af te glijden naar schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten;

– een grotere betrokkenheid van de politie bij scholen, zoals dat bijvoorbeeld vorm krijgt bij de zogeheten «adoptie» van scholen door de politie.

41

Vallen de middelen voor uitval en jeugddelinquentie onder de post «Jeugdketen» van blz. 18 en 38. In welke verdeling over het land?

Ja. Met betrekking tot de verdeling over het land is in het convenant tussen rijk en de vier grote steden gesteld dat van het bedrag ten behoeve van jeugd en veiligheid, te weten f 244 miljoen over de periode 1996 tot en met 1999, circa f 200 miljoen voor de negentien bij het grote stedenbeleid betrokken gemeenten is bedoeld.

De TK is hierover per brief van 26 juni ingelicht.

Over de bestemming van de resterende middelen zal in 1996 een beslissing worden genomen.

42

Wat is precies de rol van de bewindslieden van OCW bij het regisseren van «een sluitend opvoedings- en opleidingstrajekt»? (blz. 17).

De rol van de bewindslieden van OCW bij het realiseren van een sluitend opvoedings- en opleidingstraject richt zich enerzijds op verbeteringen van het stelsel, anderzijds op het bevorderen van speciale zorg voor groepen die op achterstand dreigen te raken of dreigen uit te vallen. Belangrijke stelselverbeteringen in dit verband zijn in het bijzonder de invoering van de basisvorming, de introductie van arbeidsmarktgerichte leerwegen en van doorstroomprofielen in het voortgezet onderwijs. Belangrijke maatregelen gericht op specifieke problemen zijn het onderwijsvoorrangsbeleid, het beleid inzake Nederlands als tweede taal en het beleid gericht tegen voortijdig schoolverlaten.

43 Zie vraag 32.

44, 85 en 101

Op welke wijze wordt de uitbreiding van opvangvoorzieningen van daken thuisloze jongeren gefinancierd? (blz 17)

Hoe worden de opsporingsvoorzieningen voor dak- en thuisloze jongeren gefinancieerd, gelet op de voorgenomen overheveling van de gelden voor de maatschappelijke opvang uit het Fonds Sociale Vernieuwing naarhet Gemeentefonds?

Volgens de nota zullen de opvangvoorzieningen door dak- en thuisloze jongeren worden uitgebreid. Hoe wordt deze uitbreiding gefinancierd, gelet op de voorgenomen overheveling van de gelden voor maatschappelijke opvang uit het fonds sociale vernieuwing naar het gemeentefonds?

Bij de opvang van dak- en thuislozen wordt een onderscheid gemaakt tussen:

– opvang van dak- en thuisloze jongeren

– opvang van dak- en thuislozen jongeren met, als zodanig geïndi-ceerde, psychische/psychiatrische problematiek

– opvang van dak- en thuisloze volwassenen.

De overheveling van gelden voor maatschappelijke opvang van het Fonds sociale vernieuwing naar het Gemeentefonds heeft vooral betrekking op de opvangvoorzieningen van dak- en thuisloze volwassenen. Overigens zullen, na overheveling van de gelden voor de maatschappelijke opvang naar het gemeentefonds per 1 januari 1997, voor de duur van maximaal 4 jaar de betreffende gelden rechtsreeks naar de huidige centrumgemeenten worden overgemaakt.

Dit voorkomt mogelijke regionale collecteerproblemen en garandeert dat het voorzieningenniveau gelijk blijft.

Voor de opvang van dak- en thuislozen met, als zodanig geïndiceerde, psychische/psychiatrische problematiek, is in het Fonds Zorgvernieuwing Geestelijke Gezondheidszorg f 10 miljoen geoormerkt. Daarnaast kunnen gemeenten gelden in het kader van jeugd en veiligheid inzetten ten behoeve van voorzieningen voor dak- en thuisloze jongeren.

45

Moeten er–naast de uitbreiding van HALT-projecten in de grote steden – niet eveneens HALT-projecten in randgemeenten en provinciesteden worden gestart? (blz. 18)

De prioriteit die wordt gegeven aan uitbreiding van de HALT-projecten in de grote steden worden door de werkelijkheid afgedwongen; de omvang van de jeugdcriminaliteit is in de grote steden relatief groter. Overigens staat het elke gemeente vrij een HALT-bureau in het leven te roepen. Er bestaan 66 HALT-bureaus die gezamenlijk 97% van Nederland bestrijken. Nog slechts enkele gemeenten moeten zich aansluiten om de 100% dekking te halen.

3.2. Drugs en Veiligheid

46

Is de drugsproblematiek niet een zodanig thema dat het een wezenlijk onderdeel van deze nota had uit moeten maken?

De drugsproblematiek kent naast veiligheidsaspecten ook andere wezenlijke aspecten waar onder aspecten van volksgezondheid, zware georganiseerde misdaad en internationale aspecten. Het gaat bovendien om een omvangrijke en complexe aangelegenheid. Daarom heeft het

Kabinet ervoor gekozen het drugprobleem en het drugbeleid in een afzonderlijke drugnota neer te leggen.

47

In het kader van de vermindering van overlast als gevolg van druggebruik en -handel wordt gesproken over het vergroten van de capaciteit van het gevangeniswezen. Kan worden aangegeven om hoeveel extra plaatsen het gaat?

Voor een antwoord op deze vraag wordt verwezen naar wat hierover in de Drugnota wordt gezegd: Uitbreiding capaciteit voor dwang en drang projecten; 200 extra cellen met een eenvoudig regime; 500 cellen voor de detentie van verslaafden die ernstige delicten plegen (het betreft hier een andere bestemming voor reeds bestaande cellen die in overleg met het O.M. worden toebedeeld); uitbreiding drugvrije afdelingen van ongeveer 300 naar 620 plaatsen. (blz. 55 Drugnota).

48

Hoe wordt de invalshoek van deze nota verdisconteerd in de nota drugsbeleid?

Een van de hoofdthema’s van de nota drugbeleid (de Drugnota) is de aanpak van onveiligheid en drugoverlast als gevolg van druggebruik en drughandel. Een integrale aanpak staat hierbij voorop. «Om de gerezen problemen van overlast en criminaliteit het hoofd te kunnen bieden is een integrale aanpak vereist waaraan alle partijen – rijk, gemeentebesturen, openbaar ministerie, politie, reclassering, gevangeniswezen en verslavingszorg – een op elkaar afgestemde bijdrage leveren.» (Drugnota blz. 53).

49

Hoe is de verdeling van de 37 miljoen over gemeenten en instanties ter bestrijding van overlast, volgens welke criteria?

Onder de verantwoordelijkheid van de Interdepartementale Stuurgroep Vermindering Overlast (SVO) is een ad hoc werkgroep «criteria» ingesteld. Deze werkgroep heeft een aantal criteria opgesteld waaraan de door gemeenten ingediende projectplannen ter vermindering van overlast door drugverslaafden dienden te voldoen. Deze criteria zijn weergegeven in de brief van de SVO van 2 juni 1994, kenmerk GVC/ADT 94.2812.

De criteria om voor een financiële bijdrage in aanmerking te komen, hebben onder meer betrekking op de inhoud van het projectplan, de geografische spreiding van de diverse projecten, vernieuwende aspecten en de omvang van de overlastproblemen. De verdeling is conform bijgevoegd overzicht.1

50

Hoe wordt gedacht over een wettelijke regeling die het mogelijk maakt om bij structurele overlast snel over te kunnen gaan tot ontruiming van de woning?Biedt de gemeentewet hiertoe voldoende aanknopingspunten?

In de Drugnota wordt aangekondigd dat gemeenten ruimere bevoegdheden zullen krijgen om drugpanden te sluiten. Sluiting van drugpanden c.q. extreme overlast gevende woningen op basis van een APV is thans niet mogelijk omdat de schending van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 10 Grondwet die hierbij in het geding is, slechts mogelijk is op basis van een formele wet. Binnenkort wordt een wetsvoorstel die een dergelijke sluiting wel mogelijk maakt naar de Raad van State gezonden.

1 Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

51

Wordt er bij het ontwikkelen van wijkveiligheidsplannen in het kader van het drugsbeleid gedacht aan het creë eren van gebruikers(gedoog-) ruimtes, om de overlast voor buurtbewoners te verminderen? (blz 19, 20)

Over dit onderwerp zal eerst een gedachtenwisseling plaatsvinden in de Task Force Veiligheid en Verslavingszorg.

52

Wat is het relevante verschil tussen verboden directe regulering van coffeeshops en toegestane regulering via onder meer vestigingsregels?

Het direct bij wet of verordening reguleren van de «handel» in softdrugs in een coffeeshop is onmogelijk omdat deze handel bij de wet verboden is. Het vestigen van een coffeeshop (waar eventueel softdrugs verkocht gaan worden) kan, op basis van bijvoorbeeld een bestemmingsplan, een leefmilieu- en/of overlastverordening, wel gereguleerd worden.

53

Valt het door of met medewerking van de gemeente oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon die wordt belast met de exploitatie van een coffeeshop onder de toegelaten vormen van regulering van deze gelegenheden?

Het door de lokale overheid zelf verkopen van softdrugs vindt het kabinet onjuist. Het met medewerking van de gemeente gereguleerd verkopen van softdrugs zoals dit bijvoorbeeld in Bussum gebeurt is niet onjuist zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet, de gedoog-criteria en het gemeentelijk softdrugbeleid. Het Bussumse softdrugbeleid is gebaseerd op het gedogen van één coffeeshop. Deze shop wordt beheerd door een stichting welke hoegenaamd geen banden heeft met de gemeente.

3.3. Veilige leefomgeving en risicobeheersing

54

Heeft het overleg met verzekeringsmaatschappijen over mogelijkheden van premiedifferentiatie al tot resultaten geleid?

Het overleg met het Verbond van Verzekeraars over mogelijkheden van premiedifferentiatie heeft op centraal niveau nog niet tot concrete resultaten geleid. Wel is in een beperkt aantal gevallen door individuele verzekeringsmaatschappijen premiekorting verleend aan deelnemers in lokale inbraakpreventie projecten.

55

Wanneer kan een evaluatie van het bouwbesluit tegemoet worden gezien? (blz. 23)

De evaluatienota zal in maart 1996 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De evaluatienota betreft de herziene Woningwet en het vigerende Bouwbesluit.

56

Welke positie neemt de rijksoverheid nu precies in ten aanzien van veilige leefomgeving (bouwen, wijken, risicobeheersing, waar het in feite gaat om taken uit de open huishouding van de gemeenten)?

De Rijksoverheid heeft vooral een stimulerende rol waar het de vergroting van de veiligheid betreft op wijk- en buurtniveau. Daarnaast kan zij door wet- en regelgeving de gemeenten in staat stellen maatwerk te verrichten voor lokale veiligheidsproblemen.

In de voorwaardenscheppende zin kan de Rijksoverheid handreikingen bieden, waardoor gemeenten en maatschappelijke organisaties beter in staat zijn hun verantwoordelijkheden voor een grotere veiligheid in te vullen. Ten aanzien van de financiering van allerlei aktiviteiten zullen de gemeenten de reguliere middelen moeten inzetten. Het gaat vaak niet om extra middelen maar om het beter inzetten van middelen ook ten behoeve van veiligheid.

57

Welke rol kan de rijksoverheid daadwerkelijk spelen bij brandpreventie van winkelcentra en zorginstellingen, zolang het particuliere instellingen betreft? (blz. 25).

De minister van Binnenlandse Zaken heeft vanaf 1993, voor de gememoreerde gebouwen, een brandveiligheidsvisie (brandbeveiligingsconcept) laten ontwikkelen. Deze visie is gebruikt voor de in ontwikkeling zijnde Rijksbouwregelgeving «tweede fase Bouwbesluit» (gereed medio 1996), arbeidsomstandighedenwetgeving «Arbobesluit» (gereed begin 1996) en voor de aanpassing van de Model-bouwverordening (Vereniging van Nederlandse Gemeenten).

De Rijksoverheid stelt landelijk regels voor het bouwen (Bouwbesluit) en deels voor het gebruik (Arbowet) van een instelling. De gemeentelijke diensten (brandweer, bouw- en woningtoezicht) dragen zorg voor de vertaling van de door de Rijksoverheid gestelde brandpreventieve eisen naar de gebruiker van een instelling.

Het toezicht op de naleving van de door de Rijksoverheid geformuleerde brandpreventie-eisen vindt plaats door genoemde Gemeentelijke diensten en de Inspectiedienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (voorheen Arbeidsinspectie).

De Rijksoverheid maakt geen onderscheid tussen een publieke, een publiek-private en/of een private instelling voor het stellen van brand-preventieve eisen.

58

Wanneer komen de aanvullende middelen ten behoeve van het project Versterking Brandweer beschikbaar?

Bij brief van 21 juli jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over het Project Versterking Brandweer (Kamerstukken II, 1994/95, 23 804, nr. 10). Daarin is ondermeer aangegeven dat voor de kosten voor de uitvoering van de ontwerpfase (fase 1 van het project), die volgens de planning dit jaar en volgend jaar zijn beslag moet krijgen, een voorziening is getroffen. Deze kosten zullen door de regionale brandweren en de minister van Binnenlandse Zaken ieder voor de helft worden gedragen. Voor de eenmalige bijdrage aan de regio’s is op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken een totaal bedrag van f 5 miljoen beschikbaar.

De invoering en het functioneren van de versterkte brandweerorganisatie in alle regio’s (fase 2 van het project), die vanaf 1997 wordt gerealiseerd, leidt tot een uitbreiding en verzwaring van het takenpakket van de regionale brandweren. Dit zal gepaard moeten gaan met een uitbreiding van de personele capaciteit bij de regio’s (zowel kwalitatief als kwantitatief), in het bijzonder waar het gaat om het management.

Thans bestaat nog onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de structureel extra benodigde middelen bij de regio’s. Bij de uitvoering van fase 1 van het project zal hierover duidelijkheid moeten worden verkregen. In het verlengde daarvan komt ook de vraag van de bekostiging daarvan aan de orde. Nog nader moet worden bezien of naast een verhoging van de gemeentelijke bijdragen ook sprake dient te zijn van een verhoging van de Rijksbijdrage aan de regionale brandweren.

59

Wat zijn «industrië le stationaire inrichtingen»? (p. 29).

Het beleidsveld externe veiligheid richt zich op de beheersing van activiteiten die een risico voor de omgeving met zich meebrengen.

De bedoelde handreiking richt zich op de risico’s voor de omgeving van bedrijven die omgaan met gevaarlijke stoffen.

3.4 Toezicht

60

Continuïteit van veiligheidsprojecten is van groot belang voor het draagvlak bij zowel burgers, politiemensen en andere partners. In hoeverre kan worden toegezegd dat projecten die zijn geë valueerd en slagen in hun opzet ook worden gecontinueerd?

Met als uitgangspunt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het veiligheidsbeleid, kan van de rijksoverheid een faciliterende rol worden verwacht als het gaat om innoverende projecten die door gemeenten worden opgezet. Een financiële tegemoetkoming moet dan ook als een incidentele en niet als een structurele bijdrage in gemeentelijke projecten worden gezien. Het is aan de gemeenten en de desbetreffende organisaties om vó ór de start van een project aan te geven waar de structurele middelen binnen de (gemeentelijke) begroting zijn te vinden, opdat succesvolle projecten ook kunnen worden voortgezet.

61

Op een landelijk symposium van 13 september 1995 met mensen uit de praktijk van politie en hulpverlening bleek de regiefunctie in de samenwerking tussen verschillende instanties een knelpunt te zijn. In het merendeel van de projecten ontbrak een verantwoordelijke bestuurder c.q. wijkbeheerder/ buurtcoö rdinator die in staat was gemeentelijke schotten en eigen doelstellingen van instellingen te doorbreken. Hoe kan deze gang van zaken vanuit het landelijke beleid worden doorbroken?

Op veel door regio’s en gemeenten georganiseerde themabijeenkomsten wordt de boodschap uitgedragen dat het openbaar bestuur haar verantwoordelijkheid moet nemen voor de regie van het veiligheidsbeleid. Op gemeentelijk niveau zijn naast de burgemeester, als verantwoordelijke voor het openbare orde en veiligheidsbeleid, ook de andere leden van het college verantwoordelijk voor het veiligheidsbeleid.

Kenmerkend voor dit beleid is dat diverse organisaties betrokken zijn bij het oplossen van veiligheidsvraagstukken. De sturing van deze organisaties vindt veelal niet vanuit een centraal punt plaats. Zo zijn op het terrein van jongeren en veiligheid scholen, politie en jeugdhulpverlening betrokken.

Bij het gemeentebestuur ligt de regietaak om met de verschillende organisaties en instellingen afspraken te maken over samenwerking gericht op concrete resultaten.

62

Kan een actueel overzicht worden gegeven van het aantal mensen dat is aangesteld in het kader van de Melkertbanen in de veiligheidszorg?

Een belangrijke impuls voor deze vorm van toezicht is de regeling stimulering extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995, die van toepassing is voor de 19 grote steden. Per 1 november 1995 zijn in deze steden 1163 banen gecreëerd in de sfeer van toezicht en openbare veiligheid. Per 1 januari 1996 zijn daar zo’n 900 banen bijgekomen. Een deel hiervan wordt feitelijk als toezichthouder in het publiek domein ingevuld.

Uitgebreidere informatie over de stand van zaken van de 40 000 banen is u bij de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 1995, kenmerk AM/RAW/95/5924, toegezonden.

63

In verschillende steden is de begeleiding van toezichthouders/ stadswachten e.a. in handen van de politie. De verhouding in de begeleiding van functionarissen in het kader van veiligheid is er een van 1:6. In de praktijk blijkt dat deze begeleiding een taakverzwaring voor politiepersoneel betekent.

Zijn plannen ontwikkeld met het oog op de oplossing van dit nijpende probleem?

Indien de begeleiding van toezichthouders/stadswachten in handen van de politie is, bepaalt de regio de verhouding in de begeleiding van funktionarissen in het kader van veiligheid. Het gaat daarbij om begeleiding gedurende een inwerkperiode. Het ligt in de rede dat deze intensieve bemoeienis sterk afneemt naar de mate dat de betreffende toezichthouders zijn ingewerkt.

64

De capaciteit van de politië le opleidingsinstituten is, zoals het er nu naar uitziet, waarschijnlijk niet voldoende om de agenten die in het kader van het regeerakkoord waren toegezegd binnen gestelde termijn op te leiden. Is de regering bereid geld ter beschikking te stellen om extra docenten op te leiden en extra opleidingsfacaliteiten ter beschikking te stellen om de agenten versneld op te leiden?

Voor het antwoord op deze vraag zij verwezen naar de brief aan uw Kamer van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 1995 (kenmerk EA95/U3394) over veiligheid en personele sterkte van de politie en het overleg dat heeft plaatsgevonden met de vaste commissies van Binnenlandse Zaken en van Justitie van uw kamer op 27 november 1995.

65

De cultuur binnen de politie is een belemmerende factor in het laten slagen van veiligheidsprojecten. Op dit moment zijn de vaardigheden die noodzakelijk zijn in het kader van een werkelijk geïntegreerde aanpak van de veiligheid een (summier) onderdeel in de opleiding van agenten en politiesurveillanten. Bestaan er voornemens om met het LSOP afspraken te maken over aanpassing van het lesprogramma ten behoeve van de cultuurverandering?

In het algemeen kan niet worden gesteld dat de cultuur binnen de politie een belemmerende factor is in het slagen van veiligheidsprojecten. In de praktijk zijn ook vele voorbeelden te noemen waar de politie juist initiatieven heeft genomen om te komen tot een integrale aanpak van veiligheidsproblemen. Om de samenwerking op ambtelijk niveau te versterken wordt in overleg met betrokken partijen bezien op welke wijze (integraal) veiligheidsbeleid een vast onderdeel kan vormen van de opleidingen voor gemeentebestuurders en -ambtenaren en functionarissen van politie, brandweer en rechterlijke macht. De opleidingen voor agent van politie en surveillant van politie maken hier deel van uit; in overleg met het LSOP zal worden bezien bekeken wat de consequenties van het veiligheidsbeleid zullen zijn voor het lesprogramma.

66

Wat wordt gedaan om bij de opleiding van politiefunctionarissen rekening te houden met hun functioneren in teamverband met het oog op de veiligheid en leefbaarheid in een wijk of buurt?

Binnen de primaire opleiding voor agent wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden die te maken hebben met het waarborgen of herstellen van de leefbaarheid in een wijk. De politie heeft een signalerende functie in deze en dient na te gaan welke leefbaarheidsproblemen een rol spelen op lokaal niveau. Tevens zal moeten worden nagegaan hoe een preventief beleid in deze aangelegenheden gestalte kan krijgen. Een en ander komt ook in de praktijkstages aan de orde.

Al deze elementen worden in een module binnen het primaire politieonderwijs aan de orde gesteld waarbij projectmatig werken wordt onderwezen.

Daarbij komt tevens aan de orde de samenwerking met alle daarvoor in aanmerking komende instanties. Ook de samenwerkingsaspecten binnen het politie-apparaat komen in deze module aan de orde, zodat de agent niet alleen als individueel opsporingsambtenaar, maar ook als lid van een team leert op dit gebied werkzaam te zijn.

Ook binnen de basisopleiding voor politie-officier wordt in diverse vakken als criminologie en criminaliteitsbeheersing aandacht geschonken aan het onderwerp veiligheid en leefbaarheid en het functioneren hierin van de politie.

67

In de praktijk blijkt dat politiesurveillanten veelvuldig worden ingezet voor taken die door reguliere politieambtenaren moeten worden uitgevoerd. Daardoor zijn soms gevaarlijke situaties ontstaan en kon de veiligheid van politiesurveillanten niet altijd worden gewaarborgd. Wat kan worden gedaan om deze vermenging van uitvoerende taken tegen te gaan?

Er zijn geen aanwijzingen dat surveillanten van politie veelvuldig worden ingezet voor taken waar zij niet voor zijn opgeleid. Het is echter van belang dat de taken van de surveillant in overeenstemming zijn met de opleiding en taakvelden waarvoor zij zijn opgeleid en toegerust. Het is een verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder als werkgever van de surveillant hem/haar in te zetten voor de werkzaamheden waarvoor hij/zij is toegerust.

68

Hoe verhouden de taken en bevoegdheden van de regionale colleges en beheerders van de politiekorpsen zich tot de stellingname in de nota dat gemeenten zelf de afstemming van toezichtsprojecten met de politie moeten regelen? Wie heeft volgens het kabinet de regie over toezichthouders?

Het is de gemeente die het gezag en beheer heeft over de toezichthouders, niet zijnde politie. In de regeling stimulering extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995 is in dit kader opgemerkt dat het van belang is onderscheid te maken tussen enerzijds functies die het toezicht betreffen binnen instellingen zoals bijvoorbeeld in scholen en musea, en anderzijds functies die beogen de veiligheid in de publieke ruimte te vergroten, met name door het uitoefenen van preventief toezicht. Gezien de nauwe samenhang tussen de werkzaamheden van toezichthouders in de publieke ruimte en de activiteiten van de politie is het gewenst dat in het reguliere driehoeksoverleg (tussen de burgemeester, de officier van justitie van het desbetreffende arrondissement en de korpschef van het regionale politiekorps) de betrokkenheid van de politie bij de inzet van toezichthoudende functies aan de orde komt. Afstemming met de politie vindt plaats in het driehoeksoverleg.

69 en 87

Hoe worden de afspraken gewaardeerd die eind vorig jaar zijn gemaakt in een convenant tussen Raad van Hoofdcommissarissen en de Vereniging Particuliere Beveiligingsbranche? Hoe verhouden deze afspraken zich tot het voorstel van wet voor de Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus?

Hoe verhoudt het voorstel van Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus zich tot het convenant tussen de Raad vanHoofdcommissarissen en de VerenigingParticuliere Beveiligingsbranche?

Het is een goede zaak dat politie en de particuliere beveiligingsbranche afspraken met elkaar maken teneinde hun werkzaamheden beter op elkaar af te stemmen. Het convenant dat gesloten is tussen de Raad van Hoofdcommissarissen en de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties, biedt hiertoe enige praktische kaders. Het convenant kan echter nooit een grondslag bieden voor de overdracht van onderdelen van de politietaak: die is in de Politiewet 1993 exclusief opgedragen aan de politie. Ook onder het wetsvoorstel op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus blijft de scheiding tussen politie en particuliere beveiliging gehandhaafd en is het niet de bedoeling dat zij zich op elkaars terrein gaan begeven. Een vertaling van dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 5 dat zowel een verbod bevat voor bestuursorganen om beveiligingswerkzaamheden voor derden te verrichten als een verbod voor opsporingsambtenaren om werkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau en een verbod om, hetzij alleen hetzij met andere personen, een beveiligingsorganisatie in stand te houden.

70

Wil de regering in overleg met verzekeringsmaatschappijen werken aan de totstandkoming van aan bewakingsdiensten en -apparatuur te stellen kwaliteitseisen? Kan het afgeven van een keurmerk hierbij een rol spelen?

Op initiatief van overheid en verzekeraars is, in samenwerking met de beveiligingsbranche, in 1993 de Coö rdinatie Commissie Beveiliging opgericht, met als doel de krachten te bundelen bij de bevordering van de kwaliteit van beveiligingsprodukten en -diensten.

Uit deze commissie is de Stichting BORG voortgekomen, waarin het beoogde kwaliteitsniveau conform de criteria van de Raad voor de Certificatie tot stand wordt gebracht.

De Stichting BORG is per 1 december 1995 gestart met de afgifte van certificaten (keurmerken) voor technische beveiligingsbedrijven.

In 1996 zal het werkterrein worden verbreed met certificering van andere beveiligingsdisciplines, zoals particuliere alarmcentrales.

Onderzocht wordt of ook het beheer van het Politiekeurmerk «Veilig Wonen« bij de Stichting BORG kan worden ondergebracht.

71

Is de regering voornemens, teneinde de politie haar rol in het veiligheidsbeleid te laten waarmaken, extra financië le middelen vrij te maken, ten behoeve van de sterkte en uitrusting, in het bijzonder voor informatietechnologie? Is bij het opstellen van een nieuw budgetverdeel-systeem (BVS) de taak veiligheidsbeleid een factor?

Zie ook het antwoord op vraag 14. Met betrekking tot de vraag over extra financiële middelen voor informatietechnnologie verwijs ik naar de brief van de ministers van Jusititie en van Binnenlandse Zaken van 7 juli 1995, kenmerk EIB95/U9-498976/GBJ, over de Beleidsnota Politië le Informatievoorziening en met name naar hetgeen daarin op blz. 10 onder ad c. is vermeld en hetgeen met uw Kamer tijdens het overleg op 27 november 1995 is besproken. Bij de ontwikkeling van het BVS wordt aan het aspect veiligheid als taakonderdeel van de politie aandacht besteed.

72 en 98

Wat zijn precies de plannen en wat is de planning voor de sterkte-uitbreiding van de politie?

Hoeveel van de extra formatieplaatsen (beloofde 3700 inmiddels op straat werkzaam)? Hoeveel zijn dat er per regio?

De korpsbeheerders zijn primair verantwoordelijk voor het regionale sterktebeleid. De randvoorwaarde hiervoor wordt bepaald door het budget dat beschikbaar wordt gesteld. Van genoemde 3700 budget-verdeeleenheden (bve’s) zijn er 1000 bedoeld ter afronding van de herverdelingsoperatie van het voormalige sterktestelsel (PKP). Voor het overige kan verwezen worden naar het overleg met uw Kamer van 27 november 1995 en de brief die daaraan voorafgaand uw Kamer heeft bereikt.

73

Wat is precies de betekenis van het zogenaamde 40 000 banenplan voor de toezicht in de samenleving. Wat zijn de ervaringen tot nu toe met zogenaamde Melkertbanen met name in de surveillance, de beveiligingsindustrie en met stadswachten?

Het 40 000-banenplan is bedoeld voor de publieke sector. De grote steden die in aanmerking komen voor dit plan kunnen de banen invullen voor taken in de publieke sector op de terreinen toezicht, openbare veiligheid en kinderopvang. Deze banen zijn derhalve niet bedoeld voor de (particuliere) beveiligingsindustrie. Uit ervaringen met andere arbeidsmarktregelingen (werkervaringsplaatsen, banenpoolplaatsen) is bekend dat langdurig werklozen na werkervaring in de collectieve sector relatief vaak doorstromen naar de particuliere beveiligingssector.

De betekenis van het 40 000-banenplan voor het toezicht is dat dit banenplan enerzijds inhoud geeft aan de behoefte van de burger aan meer toezicht en anderzijds een belangrijke werkgelegenheidsimpuls is.

74 en 86

De subsidie aan de stichting stadswacht Nederland loopt tot en met 1997. Heeft de regering al opvattingen over het voortbestaan van deze instelling?

Kan de Stichting stadswacht Nederland voortbestaan, nu de subsidie in 1997 afloopt?

De Stichting heeft onlangs een ondernemingsplan gepresenteerd. Mede aan de hand daarvan zal in overleg met de Stichting en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de toekomstige positie van de Stichting wordt bezien.

75

Hoe verhouden stadswachten en eventuele andere toezichthouders die voor de veiligheid worden ingezet zich tot de politie? Onder wiens gezag functioneren zij? Is hierbij sprake van een formele organisatie met een eigen (structureel budget)? Zo ja, hoe wordt dat budget dan over het land (de politieregio’s) verdeeld; zo nee, hoe verloopt de toewijzing van al of niet structureel budget dan?

In de regeling stimulering extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995 (40 000-banenplan) is opgenomen dat de inzet van toezichthouders in het publiek domein in het driehoeksoverleg besproken dient te worden, in verband met de noodzakelijke afstemming met het werk van de politie. De wijze waarop daaraan invulling wordt gegeven is aan de driehoek. In de stimuleringsregeling Stadswachten 1995 is een vergelijkbare voorwaarde opgenomen.

De stadswachten en andere toezichthouders functioneren onder het gezag van de lokale overheid, door wie zij ook worden ingezet.

De politie (inclusief surveillanten van politie) wordt gefinancierd op basis van de brede doeluitkering politie. Toezichthouders buiten de politie kennen verschillende financieringsbronnen. Uit het 40 000-banenplan kunnen toezichthouders structureel worden gefinancierd. Al naar gelang hun functie zijn deze toezichthouders in dienst als «stadswacht». Tot nog toe werd de term stadswacht in het algemeen gehanteerd voor toezichthouders die zijn aangesteld op additionele basis en van wie de loonkosten door middel van werkgelegenheidsregelingen als de banenpool worden bekostigd. De stimuleringsregeling stadswachten 1995 maakt een tijdelijke financiële bijdrage aan gemeenten mogelijk die niet in aanmerking komen voor het 40 000-banenplan; deze regeling bekostigt niet de loonkosten, maar biedt een bijdrage voor de overige kosten.

76

Welke capaciteit is er beschikbaar voor de opleiding van surveillanten, welke (gedeeltelijke) opleidingen nemen regiokorpsen zelf ter hand, hoe zullen deze opleidingen nog (naar mag worden verwacht) in omvang en getal kunnen(mogen) toenemen, hoe verhouden zij zich tot de opleidingen van de LSOP, hebben deze opleidingen aldaar een geïntegreerde plaats?

Uw kamer is over dit punt separaat geïnformeerd bij brief van 3 november 1995 (veiligheid en personele sterkte politie EA95/U3394). In deze brief is aangegeven dat met het LSOP voor 1995 een budget is overeengekomen, waarmee 1115 aspiranten in opleiding kunnen worden genomen voor het einddiploma politieagent. Voor de kosten van één politieagent kunnen binnen dit budget twee surveillanten van politie worden opgeleid. Het LSOP heeft verder aangegeven dat het in staat is om gedurende een periode van vier jaar 6000 adspirant-agenten of een equivalent aan adspirant-surveillanten extra in opleiding te nemen.

77

Welke ervaringen zijn inmidels opgedaan bij het bespreken in het driehoeksoverleg van het scheppen van arbeidsplaatsen in de sfeer van toezicht?

Op dit moment wordt in de grote steden op basis van deze regeling invulling gegeven onder meer door aanstelling van toezichthouders. In 1996 zal een evaluatie-onderzoek worden gestart naar de ervaringen, inclusief de betrokkenheid van het driehoeksoverleg. Uit een evaluatieonderzoek uit 1994 naar het functioneren van stadswachten blijkt dat sprake is van een goede doorstroming van stadswachten (niet-reguliere functies, zoals banenpools) naar reguliere functies. Met de regeling stimulering stadswachten 1995 wordt dit effect eveneens beoogd. De regeling stimulering langdurig werklozen 1995 daarentegen is gericht op het scheppen van reguliere functies (40 000 banen).

78

Hoe werkt in de praktijk de relatie politie-gemeentelijke toezichthouders in verschillende organisaties? Wat zijn de kosten daarvan voor de politie? Welke werkbesparing is daar voor de politie tot nu toe uitgekomen?

De relatie politie-gemeentelijke toezichthouders is wisselend en mede afhankelijk van de precieze taak en de plaats van de toezichthouders. In het algemeen worden toezichthouders die een functie hebben in de publieke ruimte operationeel aangestuurd door de politie. In sommige gevallen begeleidt de politie de toezichthouders en is er een directe sturing. In andere gevallen vindt de begeleiding van toezichthouder en de dagelijkse aansturing binnen een eigen toezichtsorganisatie plaats, en is er uitsluitend een afspraak met de politie over de achterwacht en de opvolging van politie bij meldingen.

De kosten voor de politie hangen met het bovenstaande samen.

Enerzijds betreft dit de kosten voor de operationele aansturing van de politie; anderzijds de opvolging naar aanleiding van binnengekomen meldingen.

Gezien de nog relatief beperkte ervaringen met deze toezichthouders is de eventuele werkbesparing (nog) niet aan te geven.

Enerzijds wordt in de gemeenten geconstateerd dat toezichthouders aanvullend werken ten opzichte van de politie.

De aanwezigheid van toezichthouders werkt daarnaast preventief. Een informatief overzicht van de eerste resultaten met stadswachten wordt gegeven in het onderzoek «Stadswachten, effectiviteit, draagvlak en organisatorische aspecten» (1994).

In dat onderzoek is de werklast van de politie niet gemeten.

Wel blijkt uit het onderzoek dat stadswachten het beoogde preventieve effect hebben. Hieruit mag worden afgeleid dat de werklast van de politie per saldo zal afnemen.

79

Welke vorderingen worden gemaakt met een flexibilisering van de arbeidstijden van politie-ambtenaren, waardoor zij beter inzetbaar zullen zijn op tijdstippen waarop de veiligheid het meest bedreigd wordt?

Een verdergaande flexibilisering van de arbeidstijden van de politieambtenaren is, zoals al eerder is aangegeven, een belangrijk punt in het recente CAO-akkoord met de politie-vakorganisaties. Flexibilisering is het effect van een totaal aantal maatregelen gericht op de individuele politie-ambtenaar en de organisatie en de bedrijfsvoering van het korps zodat, meer dan nu het geval is, inzet van politie-ambtenaren kan plaatsvinden op die momenten en plaatsen waar dat het meest nodig is.

Met het bereikte akkoord met de politievak-organisaties is een eerste stap gezet in de gewenste richting. De flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden zal in de komende jaren overigens ook een belangrijk punt zijn in het overleg met de politievakorganisaties.

80 en 89

Wanneer mag een nadere herorië ntatie op de bijzondere opsporingsdiensten worden verwacht. Voor welke diensten of uit te oefenen bevoegdheden is die herorië ntatie in het licht van deze nota relevant?

Welke uitgangspunten worden gehanteerd bij de aangekondigde herorië ntatie op de bijzondere opsporingsdiensten? (blz. 32)

De relevantie van de bijzondere opsporingsdiensten in het kader van de Nota Veiligheidsbeleid, is gelegen in het feit dat niet voorbij gegaan kan worden aan de bijdrage die bijzondere opsporingsdiensten leveren aan de handhaving van de regelgeving. De onderlinge samenwerking van bijzondere opsporingsdiensten en de samenwerking van deze diensten met de reguliere politie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de integrale uitvoering van het veiligheidsbeleid. Concreet krijgt deze samenwerking al op een aantal plaatsen gestalte in de reeds in de Nota Veiligheidsbeleid genoemde handhavingsteams.

Een nadere oriëntatie op de relatie tussen de politie en de bijzondere opsporingsdiensten is gediend met een helder en duidelijk beeld van de bestaande situatie, met name de mate waarin opsporingsactiviteiten van bijzondere opsporingsdiensten zich onderscheiden van het werk van de reguliere politie. Deze vraagstelling zal in een adviesaanvraag worden voorgelegd aan de Stichting Maatschappij en Politie. Op basis van het advies van de Stichting zal worden bezien welke verdere stappen van de kant van de regering noodzakelijk zijn. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.

81

Welke strafvorderlijke bevoegdheden heeft de op blz. 29 genoemde surveillant meer dan elke andere burger?

Onderscheid moet gemaakt worden tussen de surveillant van politie en de gemeentelijke toezichthouders, zoals bedoeld in de betreffende paragraaf over toezicht in de Nota Veiligheidsbeleid.

Surveillanten van politie zijn ambtenaren die aangesteld zijn voor de uitvoering van de politietaak. Zij zijn evenals de andere executive politie-ambtenaren algemeen opsporingsambtenaar en kunnen bij de opsporing van strafbare feiten gebruik maken van de middelen die krachtens het Wetboek van strafvordering aan hen ter beschikking staan, zoals personen staande houden en aanhouden, insluiten, beslag leggen op goederen enz.

De functie van surveillant van politie kent een beperkte taakomschrijving: het gaat vooral om de lichte handhavingstaken als verkeersre-gulering, algemene surveillance. Om die reden beschikt de surveillant van politie in beginsel niet over een vuurwapen. Hij heeft een wapenstok en handboeien.

De gemeentelijke toezichthouder, bijvoorbeeld op basis van het 40 000-banenplan, heeft geen andere bevoegdheden dan die elke burger heeft: hij kan personen aanspreken op afwijkend gedrag en in het uiterste geval kan hij, ingeval er sprake is van betrappen op heterdaad, een persoon aanhouden om hem zo spoedig mogelijk over te dragen aan de politie.

82

In welke soort gevallen zijn er redenen voor uitzonderingen op het beginsel dat de politiesurveillant ongewapend is? (blz. 29).

De surveillant van politie is tijdens de uitoefening van de dienst standaard bewapend met een korte wapenstok. De surveillant van politie is in beginsel niet uitgerust met een pistool. Toestemming voor het bewapenen van een surveillant van politie met het pistool kan, blijkens de toelichting op de Bewapeningsregeling politie, bijvoorbeeld worden verleend met het oog op de uit internationale verdragen voortvloeiende vereisten die zijn gesteld met betrekking tot het bewaken van diplomatieke objecten. In 1994 is aan de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden toestemming verleend om, onder strikte voorwaarden, voor de bewaking van diplomatieke objecten surveillanten van politie uit te rusten met een pistool. Euén van de gestelde voorwaarden is dat de surveillant van politie bij verhoogde of acute dreiging terug moet treden en de bewaking aan meer gekwalificeerd personeel over moet laten. Een andere voorwaarde is dat de surveillant van politie voor wat betreft het vuurwapengebruik dient te voldoen aan de eindtermen van de basisopleiding voor agent. Met de politiebonden is destijds afgesproken dat deze inzet van surveillanten van politie na verloop van tijd geëvalueerd zal worden. Hiermee zal op korte termijn worden aangevangen. Uitgangspunt is dat de surveillant niet gewapend is. Dit, immers, heeft alles te maken met de kortdurende opleiding en de lichtere taak waar de surveillant voor wordt toegerust.

83

Wanneer kan de Kamer de nota over toezichthouders verwachten?

De Kamer wordt op korte termijn nader over toezicht geïnformeerd door middel van een brief over de uitgangspunten inzake toezicht met een bijlage waarin een overzicht van toezichtsfuncties is opgenomen.

84

Moet de taak en inzet van toezichthouders op landelijk niveau of op «driehoeksniveau» worden vastgesteld? (blz. 31).

De verantwoordelijkheid voor de taak en inzet van toezichthouders ligt bij de gemeente. In de sfeer van de openbare veiligheid en toezicht is het bij uitstek de gemeente die kan beoordelen met welke inzet van toezichthouders het grootste effect verwacht mag worden. Gezien de nauwe samenhang tussen deze werkzaamheden en activiteiten van de politie is het gewenst dat in het reguliere driehoeksoverleg van burgemeester, officier van justitie en korpschef van de politie de betrokkenheid van de politie bij de inzet van de toezichthoudende functies aan de orde komt.

85 Zie vraag 44.

86 Zie vraag 74.

87 Zie vraag 69.

88 en 90

Hoe denkt de regering over het verlenen van meerdere buitengewone opsporingsbevoegdheden aan é énbuitengewoon opsporingsambtenaar, zodat gemeenten integraal bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst kunnen hebben?

Wordt de mogelijkheid overwogen om meerdere buitengewone opsporingsbevoegdheden aan é énambtenaar te verlenen, zodat gemeenten é énof meerdere integraal bevoegdeopsporingsambtenaren in dienst kunnen hebben? (blz. 32, 33)

Het is in eerste instantie de politie die vanuit de basispolitiezorg als integraal bevoegde opsporingsambtenaar optreedt. Indien bij de gemeente de behoefte bestaat aan de inzet van een integraal bevoegde opsporingsambtenaar zal de gemeente eerst de mogelijkheden die de politie biedt moeten benutten. Daarnaast kan het gemeentebestuur buitengewoon opsporingsambtenaren aanstellen. Voor de toekenning van opsporingsbevoegdheid is de toestemming nodig van de procureur-generaal, die de gemeentelijke aanvragen op hun noodzakelijkheid toetst als het gaat om aanvragen voor algemene opsporingsbevoegdheid. Overigens zijn wij terughoudend ten aanzien van het toekennen van volledige opsporingsbevoegdheden aan buitengewoon opsporingsambtenaren. Uitgangspunt is dat buitengewoon opsporingsambtenaren slechts die bevoegdheden krijgen die zij nodig hebben voor een goede taakvervulling.

89 Zie vraag 80.

90 Zie vraag 88.

  • 4. 
    Algemene maatregelen

91

In hoeverre is de regering bereid en in staat openingen te bieden aan het lokale bestuur, het openbaar ministerie en de politie met betrekking tot de privacywetgeving (geheimhouding) in het kader van het geïnte-greerde veiligheidsbeleid, in die zin dat informatie over «clië nten» eenvoudiger kan worden uitgewisseld?

In samenwerking met Justitie, Binnenlandse Zaken en het lokale bestuur wordt gewerkt aan het ontwikkelen van een cliëntvolgsysteem voor de vroegtijdige herkenning van delinquent gedrag en een snelle en consequente reactie daarop. De spanning tussen toegankelijkheid en privacy heeft hierbij de aandacht.

92

Op7juni 1988 hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland het verdrag inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen ondertekend. Wanneer worden de in het verdrag voorzieneuitvoeringsovereenkomsten ondertekend?

Op 23 juni 1995 heeft de Ministerraad ingestemd met de ondertekening van de uitvoeringsovereenkomst inzake de vaststelling van de kosten van bijstandverlening bij rampen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Overeenkomst van 7 juni 1988 inzake wederzijdse bijstandverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen. De ondertekening kan plaatsvinden zodra ook aan Duitse zijde aan alle procedurele vereisten is voldaan. Dit zal naar verwachting op korte termijn het geval zijn.

Met betrekking tot de uitvoeringsovereenkomst inzake de vaststelling van de tarieven voor de evenredige vergoeding van de bij het gebruik van luchtvaartuigen ontstane kosten van bijstandverlening, bedoeld in artikel 9, derde lid, juncto artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Overeenkomst bevindt het ambtelijk overleg zich in een afrondend stadium.

93 en 94

Deelt de regering de opvatting dat het voor de hand had gelegen, mede gezien de gewenste bestuurlijk-preventieve rol van gemeenten, om ook de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit in de nota op te nemen? Welke initiatieven zijn, onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken, inmiddels ontplooid in het kader van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit en welke resultaten zijn hiermee behaald?

Is de regering voornemens om, in het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit, de informatieverstrekking van politie en openbaar ministerie aan het bestuur verbeteren? Is de regering bereid om de beschikbare gegevens uit het systeem Vennoot van het ministerie van Justitie, onder nader vast te stellen voorwaarden, aan gemeenten beschikbaar te stellen? Op welke termijn is het doorlichtssysteem gereed waarmee de integriteit van potentië le contractpartners van gemeenten kan worden vastgesteld?

Uit het antwoord op vraag 28 vloeit voort dat het niet voor de hand ligt aspecten van georganiseerde criminaliteit in de nota op te nemen.

In maart a.s. zal uw Kamer in een voortgangsrapportage over Integriteit Openbare Sector uitgebreider worden geïnformeerd over de bestaande initiatieven en de resultaten van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit. Enkele initiatieven en resultaten zijn de volgende:

Er is onderzoek verricht naar de wettelijke mogelijkheden om criminele organisaties uit te sluiten van overheidsopdrachten. Mede naar aanleiding daarvan wordt in overleg met de betrokken departementen bezien welke wetswijzigingen gewenst zijn.

Daarnaast wordt een wijziging van het Besluit Politieregisters voorbereid om de informatiepositie van het openbaar bestuur te versterken.

Voorts wordt op 15 februari a.s. de leidraad «bewust besturen» gepubliceerd. Deze leidraad die met medewerking van enkele gemeenten en een provincie is voorbereid biedt overheden een hulpmiddel om interne processen en procedures door te lichten.

Op dit moment worden de ervaringen geïnventariseerd die in enkele gemeenten en provincies worden opgedaan met het doorlichten van de integriteit van potentiële contractpartners. Aan de hand daarvan en aan de hand van de behoeften van de betrokken overheden wordt bezien op welke wijze algemene handreikingen voor doorlichting kunnen worden gedaan. Dit jaar zal daar duidelijkheid over moeten ontstaan.

Tevens wordt bezien in hoeverre afspraken kunnen worden gemaakt om de gegevens uit het genoemde systeem Vennoot van het ministerie van Justitie onder voorwaarden aan gemeenten beschikbaar te stellen.

95

Hoe kan worden bevorderd, dat overleg op lokaal niveau over een integraal veiligheidsbeleid niet wordt bemoeilijkt door de wijze waarop artsen en andere hulpverleners omgaan met hun beroepsgeheim? Verdient het aanbeveling hierover op landelijk niveau overleg te voeren met de KNMG?

De bestrijding van jeugddelinquentie, vandalisme en overlast vraagt om een hechte alliantie van onderwijs, jeugdhulpverlening, arbeid, sociaalcultureel werk, politie, openbaar ministerie en delinquentenzorg. Wanneer in het proces van overleg en samenwerking tussen de verschillende sectoren informatie van vertrouwelijke aard over personen wordt uitgewisseld, wordt ervan uitgegaan dat alle beroepskrachten hun eigen beroepscode hanteren, waaronder het verbod om zonder toestemming van betrokkene vertrouwelijke informatie uit te wisselen.

Anders ligt dit bij informatie die niet tot een individuele persoon herleidbaar is. Eén van de te ontwikkelen instrumenten bij de preventieve en repressieve bestrijding van jeugddelinquentie is een monitorsysteem. In enkele steden wordt thans geëxperimenteerd met informatiesystemen waarvan meerdere sectoren gebruik maken. Bij dergelijke instrumenten worden strikte regels voor het gebruik van informatie gehanteerd. De regels zijn, vanzelfsprekend, in lijn met de Wet Persoonsregistraties.

96

Wat is precies bedoeld met: «Op Rijksniveau zal de samenwerking met maatschappelijke partners in het Nationaal Platform Criminaliteitsbestrijding «verder worden ontwikkeld».»? (blz. 36)

Het onveiligheidsprobleem is in grote mate verbonden met structurele economische en sociaal-culturele veranderingen in de samenleving. Daaruit volgt dat de oplossing van het veiligheidsprobleem onmogelijk van de overheid alleen kan worden verwacht.

In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) wordt door overheid en bedrijfsleven gezamenlijk opgetrokken bij de aanpak van criminaliteitsproblemen waarvan met name het bedrijfsleven slachtoffer is.

Het NPC heeft een aantal activiteiten geformuleerd waarmee het zich bij uitstek wil gaan bezighouden. Deze zijn: beroepsmoraal en misdaadpreventie, overvalcriminaliteit, informatietechnologie en criminaliteit, autocriminaliteit en criminaliteitsvormen waarmee vooral financiële instellingen worden geconfronteerd. Sommige van die problemen kunnen met meer kans van slagen op regionaal niveau worden aangepakt. Het NPC heeft zich daarom ten doel gesteld om de samenwerking met maatschappelijke partners verder te ontwikkelen door onder meer de oprichting van regionale platforms criminaliteitsbeheersing.

97

Wordt bij veiligheidsbeleid in Europees perspectief behalve op repressie eveneens met nadruk aandacht gevraagd voor preventieve activiteiten? (blz. 37)

Inderdaad wordt ook in internationaal verband juist aandacht besteed aan de preventieve aktiviteiten. Zowel bilateraal als in het verband van de Europese Commissie wordt, ook in het kader van het URBAN-programma, gepleit voor een samenhangende aanpak van leefbaarheids- en veiligheidsproblemen.

Daartoe worden ook door de EC financiële middelen ter beschikking gesteld.

Daarnaast zijn de activiteiten van belang in het kader van de derde pijler van de Europese Unie. Op het terrein van bestrijding van racisme en xenofobie zijn mede op preventief vlak aanbevelingen opgesteld door de zogeheten commissie-Khan. Mede ter uitvoering daarvan zijn enkele conferenties met name van de politie georganiseerd.

  • 5. 
    Financiën

99

Hoeveel politiesurveillanten zijn er uit de structurele pot van 800 miljoen op straat werkzaam? Hoeveel per regio?

Welke andere toezichthouders zijn daar aan toe te voegen, weer per regio gekwantificeerd?

Surveillanten van politie worden gefinancierd uit de reguliere politiebegroting. Er worden derhalve geen surveillanten gefinancierd uit de bedoelde f 800 miljoen als onderdeel van het 40 000-banenplan. Per regio is geen overzicht beschikbaar van andere toezichthouders.

100

In hoeverre is hier van een structurele verdeling van het budget sprake, waarop de leiding van de politie-regio’s kan rekenen in de aanstelling van opgeleide toezichthouders, die passen in zowel extern te voeren beleid (in samenwerking met andere sectoren van het openbaar bestuur) als intern personeels en loopbaanbeleid?

Op basis van de regeling extra stimulering werkgelegenheid langdurig werklozen 1995 kunnen de daarin aangewezen grote steden banen creëren in de sfeer van toezicht, openbare veiligheid en kinderopvang. De financiële middelen zijn structureel aan de grote steden toegekend. In het driehoeksoverleg kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de relatie met de politie, inclusief mogelijke doorstroming van gemeentelijke toezichthouders naar de politie (bijvoorbeeld als surveillant van politie).

101 Zie vraag 44.

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.