Brief minister over beleid rondom tuinbouw n.a.v. het rapport 'Nederland Tuinbouwland' en algemeen overleg van 29 juni 1995 - Beleidsvoornemens op het gebied van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Dinsdag 20 oktober 2020
kalender

Brief minister over beleid rondom tuinbouw n.a.v. het rapport 'Nederland Tuinbouwland' en algemeen overleg van 29 juni 1995 - Beleidsvoornemens op het gebied van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1995–1996

24 140

Beleidsvoornemens op het gebied van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Nr. 15

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ’s-Gravenhage, 19 december 1995

  • 1. 
    INLEIDING

De Nederlandse tuinbouw maakt een moeilijke periode door. Hoewel het beeld er gelukkig niet één is van algehele malaise, baart de situatie zorgen. Zeker als we beseffen dat het gaat om een sector die traditioneel gewend is om te produceren in een vrije markt en sinds jaar en dag een forse bijdrage levert aan de Nederlandse economie. Zoals ik ook reeds eerder aan de Tweede Kamer heb geschreven, realiseer ik mij terdege dat momenteel veel van de sociale spankracht in de sector wordt gevraagd (brief aan VC-LNV, d.d. 21-9-1995), hetgeen mij ook gebleken is in het gesprek met tuindersvrouwen op 21 november jongstleden.

Het is niet voor niets dat in de Troonrede is aangekondigd dat de regering wil meewerken aan een plan van aktie voor de tuinbouw, gericht op verbetering van de structuur en perspectief voor de toekomst.

Vernieuwing is nodig om in een tijd van toenemende concurrentie de boot niet te missen. Voor een belangrijk deel is de sector – in brede zin – daar zelf voor verantwoordelijk. Maar ook de overheid – rijk, provincie en gemeente – heeft een verantwoordelijkheid waar het gaat om het scheppen van randvoorwaarden. Ik wil die niet ontlopen. Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik gezegd dat ik mijn beleid ten aanzien van de tuinbouw langs drie sporen vorm wil geven.

Het eerste spoor betreft dat van lastenverlichting, deregulering en innovatiebevordering zoals is ingezet in de nota Dynamiek en Vernieuwing en bedoeld om een gezond ondernemersklimaat te bevorderen. Daarin is mede begrepen het kennis- en innovatiebeleid, met de instrumenten onderwijs, voorlichting en onderzoek. In deze brief ga ik op dit spoor niet verder in. Op de vraag hoe de lastenverlichting doorwerkt in situaties waar sprake is van lage of negatieve inkomens ga ik in een aparte brief hierover aan de Tweede Kamer in.

Het tweede spoor bestaat uit de uitwerking van de aktiepunten die in mijn brief van 22 juni jongstleden zijn verwoord. Op 29 juni is deze brief in een Algemeen Overleg besproken. Toen is ook afgesproken dat ik u voor het einde van dit jaar zou informeren over de uitwerking van deze punten.

Het derde spoor vloeit voort uit de toezegging die in de Troonrede is gedaan. Zoals ik de Tweede Kamer heb toegezegd zou ik nog voor het Kerstreces een eerste reactie geven op het rapport «Nederland Tuinbouwland» waartoe LTO Nederland het initiatief heeft genomen.

Inmiddels heb ik hierover overleg met LTO en de voedingsbonden FNV/CNV gevoerd.

Deze brief, die ik u zend mede namens de Ministers van VROM, V&W, EZ en SZW, gaat over het tweede en derde spoor. Ik wil eerst ingaan op het rapport «Nederland Tuinbouwland» en vervolgens op de aktiepunten in mijn brief van 22 juni jongstleden.

  • 2. 
    RAPPORT «NEDERLAND TUINBOUWLAND»

Algemeen

Naar aanleiding van de gesprekken die ik in juni jongstleden heb gevoerd met een brede tuinbouwdelegatie heeft LTO Nederland het initiatief genomen tot het opstellen van een herstructureringsplan voor de glastuinbouw.

Het begin oktober aan mij aangeboden rapport bevat een heldere analyse van de huidige situatie, de in de komende jaren te verwachten problemen, het verwachte toekomstperspectief van de sector en van de noodzaak tot herstructurering.

Gesteld wordt dat ingrijpende maatregelen nodig zijn voor het behoud van een internationale leidende rol en een nationaal florerende sector, erkend wordt dat dit proces niet zonder pijn zal verlopen, dat naar verwachting tot het jaar 2000 30 á 40% van het huidige aantal glastuinbouwbedrijven zal beëindigen, dat veranderingen in de structuur en organisatie van de afzet door producenten- en afzetorganisaties met kracht moeten worden voortgezet.

Ik onderschrijf in grote lijnen de analyse in dit rapport en heb ook waardering voor de heldere en offensieve wijze waarop dit is verwoord.

In het perspectief van de markt ziet de sector zich gesteld voor toenemende consumenteneisen en verdergaande concentratie van steeds professioneler opererende afnemers. Daarbij komen de toegenomen concurrentie van andere aanbieders enerzijds en een aantal knelpunten in de Nederlandse voortbrengingsketen anderzijds. Dit maakt aanpassingen in de organisatie en structuur van de afzet op korte termijn noodzakelijk. In dit kader juich ik de veranderingen waarvoor Prof. Veerman onlangs voorstellen heeft geformuleerd van harte toe.

Op 13 december jongstleden heeft een overgrote meerderheid van de groenten- en fruitveilingen in Nederland zich achter dat initiatief geschaard om te kunnen komen tot één vermarktingsorganisatie voor groenten en fruit. Het nieuwe marketingbeleid behelst dat de wensen van de afnemers op het gebied van prijs, kwaliteit, kosten en service als uitgangspunt worden genomen.

Bij de realisatie hiervan is een intensieve samenwerking met de exporteurs van het grootste belang. Het gaat om het verkorten van de keten zodat er marktgericht en efficiënt gewerkt wordt.

Dit initiatief heeft mijn volle steun omdat hiermee de toekomstige positie van de Nederlandse voedingstuinbouw verbeterd kan worden.

Op basis van die analyse heb ik het overleg met LTO en de voedingsbonden gevoerd langs de lijn van de gezamenlijke doelstelling, namelijk het realiseren van een zodanige heroriëntatie en herstructurering van de sector dat over enkele jaren weer sprake is van een gezonde, slagvaardige en concurrerende glastuinbouw in Nederland.

Met LTO Nederland ben ik daarbij tot de conclusie gekomen dat het realiseren van dat doel veel belangrijker is dan het voeren van een uitgebreide discussie over bepaalde instrumenten.

Ik wil daarbij een onderscheid maken tussen hetgeen noodzakelijk is op de korte en (middel)lange termijn, en wel op basis van mijn overtuiging dat innovatie en vernieuwing in de primaire sector vooral moeten aangrijpen en plaatsvinden op het niveau van het individuele bedrijf en/of groepen van bedrijven. Dat is ook de lijn die in Dynamiek en vernieuwing wordt verwoord. Het bevorderen van een goed ondernemersklimaat, bevordering van innovatie en bevordering van de marktorië ntatie staan daarbij centraal. Uitgangspunt daarbij is mijnerzijds ook dat de sector de volle ondersteuning van de overheid verdient bij het nemen van de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de ideeën en plannen die momenteel zowel in de primaire sector als in de rest van de keten leven.

Die ondersteuning wil ik als volgt invullen.

Aanpak korte termijn

Voor de korte termijn acht ik een combinatie van flankerend beleid, aanpassing van het bestaande instrumentarium als de RROG en differentiatie van milieumaatregelen noodzakelijk.

I. Flankerend beleid

Inzet DLV en SEV

Om diverse redenen, die zowel markttechnisch van aard zijn, alsook kunnen voortkomen uit het doorvoeren van milieubeleid, worden ondernemers momenteel op indringende wijze geconfronteerd met de vraag of zij hun bedrijf wel moeten voortzetten, welke alternatieven er eventueel bij beëindiging zijn en als het bedrijf wordt voortgezet op welke wijze dat moet gebeuren.

Het beantwoorden van deze ingrijpende vragen vraagt om een goede begeleiding. Naast een doorlichting (Quick-Scan), die de positie van het bedrijf aangeeft, kan deze begeleiding, afhankelijk van de positie van het bedrijf, ook de volgende elementen bevatten:

  • Bij voortzetting van het bedrijf:
  • toekomstgerichte bedrijfsplanning
  • innovatiebegeleiding
  • Bij het beë indigen van het bedrijf:
  • beëindigingsproces
  • orië ntatie (begeleiding, verwijzing) op de nieuwe toekomst Momenteel wordt een deel van deze begeleiding aangeboden door de SEV en de DLV op basis van de afspraken, die hierover in 1993 zijn gemaakt in het kader van de extra maatregelen voor de land- en tuinbouw. Het ging daarbij om een bedrag van 10 miljoen gulden bovenop de reguliere activiteiten voor de periode 1994 – half 1996.

Voor 1996 en volgende jaren kunnen deze diensten naast hun reguliere inzet door heroverweging van hun prioriteiten meer inzet op dit vlak plegen.

De omvang van de problematiek en het aantal verzoeken om begeleiding zal op dit moment de reguliere capaciteit overstijgen. Er zal dus een extra personele inzet nodig zijn. De omvang van deze extra inzet is op voorhand moeilijk vast te stellen en kan pas bepaald worden aan de hand van een gedegen door LTO in te dienen voorstel, dat:

  • een aanpak voor de komende drie jaar beschrijft,
  • gericht is op betrokken sectoren
  • gericht is op werkgevers en werknemers
  • rekening houdt met de bovengenoemde onderdelen van begeleiding
  • aangeeft hoe het project – waar mogelijk in samenwerking met andere diensten en instellingen – uitgevoerd wordt en waarbij de capaciteit en de deskundigheid van SEV en DLV optimaal worden ingezet.

Daarbij ga ik ervan uit dat er in het voorstel voldoende aandacht wordt besteed aan het pakket van regelingen, de heroriëntatie van op continuïteit gerichte bedrijven, het zoeken van vervangende woonruimte en maatschappelijke dienstverlening, zoals verwoord in het rapport «Nederland Tuinbouwland».

Ook acht ik de bevordering van aandacht voor de sociale problematiek bij bedrijfsbeë indiging, zoals thans met name in de varkenshouderijsector gebeurt, voor de tuinbouw van groot belang.

Met LTO heb ik inmiddels afspraken gemaakt over de in te zetten gelden voor 1996. Voor de glastuinbouw heb ik voor 1996 een bedrag van f 5 mln toegezegd, in te zetten in een gezamenlijk project van SEV en DLV. Hiermee geef ik ook uitvoering aan de motie-Woltjer c.s. (24 400, XIV, nr. 29) waarin wordt gevraagd het wenselijke fusieproces van SEV en DLV te bevorderen.

Sociaalplan

LTO bepleit de opstelling van een sociaal plan voor bedrijven die al dan niet gedwongen beëindigen. De omvang van de problematiek is dermate groot dat voor de uitvoering van regelingen en voor de begeleiding van de bedrijven extra personele inzet nodig is.

Voor de beëindigende ondernemer, zijn gezinsleden en gewezen werknemers zal vervangende werkgelegenheid gevonden moeten worden. Inzet van instrumenten als her-, om- en bijscholing kan daarbij behulpzaam zijn. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de RBA’s (Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening, waarin de werkgevers, werknemers en gemeentelijke overheid zitting hebben).

Voor de werknemers zijn geen specifieke problemen te verwachten ten opzichte van vergelijkbare andere categorieën van werkzoekenden.

Bij de (gewezen) ondernemers spelen, naast het feit dat deze groep minder goed bemiddelaar is, de emotionele aspecten een grote rol.

Daarom ben ik bereid om in het kader van het sociaal plan de oprichting van enkele regionale, breedsamengestelde (werkgevers én werknemers) contact/bemiddelingsplatforms te ondersteunen. Het bedrijfsleven zal met projectmatige begeleiding van bijvoorbeeld Start het initiatief nemen voor een hiervoor op te stellen plan.

Ook de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is bereid actief mee te denken over de sociale aspecten van de herstructurering voor zover dat binnen zijn mogelijkheden ligt.

Schuldsanering

Een belangrijk onderdeel van het bedrijfsbeëindigingsproces is het komen tot een goede schuldsaneringsregeling. Wat betreft de opstelling van de overheid in dezen merk ik het volgende op.

Voor een bankschuld onder garantie van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw (BF) kan een bank in een schuldsaneringssituatie aanspraak maken op de garantie, conform de bepalingen terzake. Van rechtswege ontstaat dan een vordering van het BF op de ondernemer. Het BF is bereid op verzoek van de ondernemer een afbetalingsregeling te treffen.

De normen welke het BF daarbij hanteert zijn vergelijkbaar met de normen die worden gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van

Volkskredietbanken en bepaald over een termijn van maximaal 36 maanden. Dit ongeacht de hoogte van de schuld aan het BF.

Een dergelijke schuldsaneringsregeling wordt eveneens bij het Bijstandsbesluit Zelfstandigen toegepast. Voorwaarde is evenwel dat alle concurrente schuldeisers evenredige medewerking verlenen.

In het rapport wordt in het kader van het sociaal plan de aandacht gevestigd op nog een aantal andere punten. In bijlage 2 ga ik op deze punten kort in. Ik ga ervan uit dat de genoemde punten door de betrokken instanties (SEV, DLV, RBA) worden meegenomen in hun werkzaamheden in het kader van het flankerend beleid.

II. Problematiek bestaande glastuinbouwgebieden

Zowel de verkaveling als de infrastructuur laat in bestaande glastuinbouwgebieden te wensen over. Met LTO ben ik van mening dat de mogelijkheden moeten worden nagegaan om hierin verbetering aan te brengen. Ik denk daarbij aan een aanpak waarbij de betrokken provincie(s) het initiatief nemen om in samenwerking met onder meer de gemeenten te komen tot een infrastructuurplan voor een tuinbouwgebied.

Daarnaast wil ik komen tot een verbeterd instrument gericht op de verkaveling van o.m. het Westland.

Vernieuwing RROG-regeling

Met het huidige RROG-instrumentarium (Regeling reconstructie oude glastuinbouwgebieden) komt de verbetering van de verkaveling onvoldoende tot zijn recht, het instrument is daarvoor onvoldoende effectief. Derhalve wil ik door bijstelling danwel aanpassing van het instrument een extra impuls geven. Verkavelingsinitiatieven moeten meer kansen krijgen en dichter bij de individuele tuinder worden gebracht.

Daarom kom ik tot het volgende voorstel:

  • • 
    Een aantal tuinders met een bepaalde minimale gezamenlijke glasoppervlakte stelt gezamenlijk een herstructureringsplan op.
  • • 
    Het plan moet voldoen aan bepaalde eisen t.a.v. minimale bedrijfs-verbetering en verkaveling zoals lengte-breedte verhouding, milieuvoorzieningen, ruimtelijke reservering t.b.v. verbetering infrastructuur.
  • • 
    Eventuele differentiatie van minimumeisen per gebied gebaseerd op bijvoorbeeld een opgestelde gebiedsvisie.
  • • 
    Ten behoeve van de planvorming kan LBL ondersteuning verlenen, onder handhaving van de verantwoordelijkheid van de betrokken tuinders voor het verkavelingsplan, danwel een adviesbureau worden ingehuurd.
  • • 
    De werkwijze van het BBL met een beperkte grondvoorraad te continueren. Daarbij zal ik bezien of er behoefte bestaat aan een beperkte verruiming van die grondvoorraad.
  • • 
    Voor een goedgekeurd herstructureringsplan wordt een nader te bepalen subsidie per daadwerkelijk herverkavelde hectare glasopstand als lump sum bedrag beschikbaar gesteld.

Samen met LTO en de provincies Zuid- en Noord-Holland zal ik de komende paar maanden het voorstel nader uitwerken. Daarbij wil ik tevens de ideeën die bestaan bij het regionale Platform Ontwikkeling Glastuinbouwcomplex betrekken. Ik ben voornemens in samenhang en gelijktijdig met het uitgewerkte voorstel voor een vernieuwde regeling een besluit te nemen over de huidige RROG-regeling.

Tijdens de behandeling van de LNV-begroting 1996 heb ik toegezegd ook aandacht te geven aan de planologische aspecten van de herstructurering. Gemeenten hebben in het kader van hun bestemmingsplan de bevoegdheid en de taak om ervoor te zorgen dat leegstand van kassen niet zal leiden tot verloedering van het glastuinbouwgebied. Ongewenst gebruik kan op deze wijze worden voorkomen.

Verbetering infrastructuur

Verbetering van de infrastructuur blijft de verantwoordelijkheid van de gezamenlijke overheden. Ik heb inmiddels de provincie Zuid-Holland verzocht het initiatief te nemen voor het opstellen van een plan ter verbetering van de infrastructuur van het Westland. Hierbij zullen de betreffende gemeenten, hoogheemraadschap en de Dienst Landinrichting en Beheer Landbouwgronden van mijn departement worden betrokken. Tevens heb ik verzocht voorstellen te doen voor de financiering van deze plannen. Voor enkele andere gebieden zoals Aalsmeer e.o. ligt het eveneens voor de hand om onder meer op basis van de in de regio opgestelde gebiedsvisie te komen tot een verbeteringsplan voor de infrastructuur.

III.  Milieubeleid

Uit de LEl-DLO studie naar de financieel-economische effecten als gevolg van de lastenontwikkeling blijkt dat een fors percentage bedrijven tot het jaar 2000 zal beë indigen. Het aandeel daarvan dat kan worden toegeschreven aan extra milieulasten is in essentie niet anders dan die waarmee al rekening is gehouden (bijv. in de sfeer van overgangstermijnen) bij het opstellen van zowel het Lozingenbesluit WVO voor de glastuinbouw als de AMvB bedekte teelt Milieubeheer. Het ligt dan ook niet in de rede de desbetreffende AMvB ’s aan te passen.

Gezien de slechte economische situatie in de glastuinbouw acht ik het evenwel voorstelbaar dat souplesse wordt betracht ten aanzien van de uit de milieu-eisen voortvloeiende verplichting van kostbare investeringen door bedrijven waarvan op voorhand duidelijk is dat deze investeringen op korte termijn weer teniet worden gedaan. Ik denk dan aan bedrijven met oudere glasopstanden die binnen afzienbare tijd zullen worden afgebroken in verband met bedrijfsbeëindiging of bedrijfsvernieuwing, danwel bedrijven met concrete verplaatsingsplannen.

Deze bedrijven zullen op zo’n manier niet te maken krijgen met onevenredig hoge lasten als gevolg van milieu-investeringen en wordt er aangesloten bij het investeringsritme van deze bedrijven. Het is de verantwoordelijkheid van het desbetreffende bevoegde gezag of en, zo ja, op welke wijze zij bij het handhaven van de AMvB’s hiermee rekening willen houden. Samen met de ministers van VROM en van V&W zal ik mij bij de betreffende partijen hiervoor inzetten.

Aan de totstandkoming van een milieubeleidsoverenkomst als resultaat van een tussen bedrijfsleven en overheden tot stand te brengen Integrale Milieutaakstelling (IMT) wordt voortvarend gewerkt. Daarbij wordt tevens bezien welke functie een bedrijfsmilieuplan hierin kan vervullen. Gepland is dat zomer 1996 het convenant kan worden ondertekend. Ik zal bevorderen dat deze planning, die krap te noemen is, zal worden gehaald.

IV.  Warmte/krachtkoppeling (WKK)

Het rapport noemt een belangrijke rol voor WKK, daarbij signalerend dat de condities daarvoor minder zouden zijn dan voorheen; zo wordt gewezen op de beëindiging van de EZ-subsidies, terwijl de Landbouwschapsregeling is voortgezet. De EZ-subsidies zijn ingetrokken omdat WKK thans in veel gevallen een rendabele investering is. Bij glastuinbouw is dit afhankelijk van de bedrijfssituatie en het door het nutsbedrijf aangeboden contract. Om overcapaciteit en kostenstijging in elektriciteitsvoorziening te voorkomen is besloten tot een tijdelijke temporisering van nieuw grootschalig WKK-vermogen. Dit leidt ook tot een tijdelijke terughoudendheid in de markt ten aanzien van kleinschalige installaties. Toch zal er de komende jaren ook in de glastuinbouw aanzienlijke uitbreiding plaatsvinden van kleinschalige WKK en restwarmtebenutting; met andere woorden, de MJA loopt als gevolg van WKK-problemen geen gevaar. Ik teken daarbij aan dat een te sterke nadruk op WKK het gevaar met zich meebrengt dat andere energiebesparingsmaatregelen onderbelicht en onbenut blijven.

Ten aanzien van restwarmtebenutting lopen op dit moment een aantal initiatieven om nieuwe glastuinbouwgebieden te creëren in de buurt van potentiële warmte-aanbieders (ROCA III, Eemsmond). Deze initiatieven dienen te worden bezien als een mogelijke praktische invulling van de in de notitie voorgestelde plannen.

Tenslotte dient opgemerkt te worden dat het WKK-volume in de glastuinbouw voorloopt op het schema zoals verondersteld in de MJA over energiebesparing.

Aanpak middellange termijn

Ik ben van plan met LTO en de voedingsbonden op korte termijn te onderzoeken op welke wijze ondersteuning geboden kan worden aan de herstructurering op middellange termijn. Daarbij moet ook duidelijk worden waar het bedrijfsleven concreet behoefte aan heeft, zowel voor wat betreft subsidieregelingen voor de te plegen noodzakelijke investeringen als voor het onderzoek door DLO en praktijkonderzoek danwel een andere vorm van onderzoekfacilitering. Afhankelijk van de concrete invulling zal ik voorstellen doen voor instrumenten.

V.  Stimulering modern ondernemerschap

Een aanzienlijk percentage van de ondernemers zal op termijn het bedrijf beëindigen. De op continuïteit gerichte bedrijven moeten worden aangespoord tot vernieuwing. Vooral als het gaat om vernieuwende investeringen waarbij bedrijven hoge risico’s moeten nemen, is wellicht behoefte aan extra ondersteuning. Naast de primaire produktieschakel moet de vernieuwing ook worden opgepakt met betrekking tot afzet-struktuur en ketengericht ondernemen. De volgende uitwerking is derhalve denkbaar:

  • • 
    Het beschikbaar stellen van gelden voor de glastuinbouw op basis van het nieuwe stimuleringskader dan wel in de vorm van een apart revolving fund.
  • • 
    Bij keuze voor een revolving fund betalen succesvolle projecten terug aan het fonds; mislukte projecten hoeven niet afgelost te worden.
  • • 
    Qua behoefte aansluiten bij reeds beschikbare financiële instrumenten en faciliteiten van banken, institutionele beleggers, participatiemaatschappijen en overheden.

VI.  Vernieuwing door onderzoek

Vooruitstrevende ondernemers – in de primaire produktie en in de keten – hebben goede ideeën voor onderzoek. Binnen de huidige vormgeving van de sturing en financiering van het toegepast en strategisch onderzoek (proefstations, DLO) worden deze soms niet opgepakt.

Ook het onderzoek dient sterker dan thans gericht te worden op vernieuwing. Ik vind het van belang dat meer vernieuwend onderzoek gestart wordt waarbij de ideeën mede uit de sector zelf voortkomen. Een fundamentele bezinning op welk vernieuwend onderzoek voor de sector van belang is is noodzakelijk gezien de omslag die de sector moet maken.

Genoemde voorstellen verkeren thans nog in de fase van ideeontwikkeling. Met LTO heb ik afgesproken de ideeën in de komende paar maanden verder uit te zullen werken. Bij de verdere uitwerking acht ik de volgende punten van belang:

  • • 
    Resultaten van onderzoek moeten op de korte termijn (indien mogelijk binnen een jaar maar in maximaal enkele jaren) beschikbaar komen.
  • • 
    Het binnen de huidig beschikbare middelen creëren van een apart budget dat onafhankelijk wordt beheerd en dat buiten de bestaande programmering wordt ingevuld, dan wel inpassing in nieuwe onderzoekprogramma’s van het DLO- en proefstationsonderzoek.

VII. Ruimtelijke ordening

Het in het SGR verwoorde beleid voor de glastuinbouw is gericht op het handhaven en versterken van de nationale centra met internationale betekenis, de regionale centra met nationale betekenis en de uitbreidingsgebieden.

Uit de door het LEl-DLO uitgevoerde studie «Functioneren van glastuinbouwcentra onder stedelijke druk» is naar voren gekomen dat binnen Nederland in 2015 gesproken kan worden van één functioneel glastuinbouwcomplex met daarbinnen een aantal geografische complexen met elk hun eigen centrumfunctie. Op korte termijn zal vestiging in de Randstad (ZHG en Aalsmeer e.o.) en rondom de Randstad (Noord-Holland, Flevoland e.o.) plaatsvinden. Op lange termijn worden de voordelen van vestiging groter in de gebieden rondom de Randstad en buiten de Randstad. Ik verwacht dan ook dat de centrumfunctie zich in toenemende mate op een hoger, dat wil zeggen nationaal geografisch schaalniveau zal gaan manifesteren.

Het handhaven en versterken van de betreffende glastuinbouwcentra betekent niet dat geen enkele functieverandering mogelijk is. Wanneer er in een glastuinbouwgebied voor b.v. woningbouw of een bedrijventerrein ruimte nodig is, dan kan verplaatsing van de aanwezige glastuinbouwbedrijven naar een andere locatie binnen of aan de rand van een centrum een zodanige vernieuwingsimpuls betekenen dat per saldo van een versterking van de glastuinbouw kan worden gesproken. Opvang van enige ruimtebehoefte van de Randstad voor woningbouw in bestaande glastuinbouwcentra dient dan ook niet op voorhand te worden uitgesloten, mits de centrumfunctie niet wordt aangetast.

Naast de inzet van instrumenten, die een herstructureringsproces in bestaande glastuinbouwgebieden op gang kunnen brengen, is er het overloopbeleid. In dat kader onderzoeken VROM en LNV of, en zo ja, welke stimulerende maatregelen genomen kunnen worden, in aanvulling op het reeds bestaande beleid uit VINEX en SGR, om verplaatsing van glastuinbouwbedrijven naar elders te bevorderen.

Aan de Tweede Kamer is in april 1995 deze toezegging door de minister van VROM mede namens mij gedaan.

In dit onderzoek wordt o.a. aandacht besteed aan de vraag naar en aanbod van vervangende tuinbouwgrond op nationaal en regionaal niveau.

De in VINEX weergegeven verstedelijkingsbehoefte voor de periode 1995 tot en met 2004 wordt thans aan de hand van uitvoeringsconve-nanten gerealiseerd. Waar tevens glastuinbouw in het geding is wordt in overleg tussen de betrokken overheden en de glastuinders voorzien in een plan voor de verwerving en hervestiging van de glastuinbouwbedrijven die als gevolg van verstedelijking moeten wijken.

Inmiddels is bij de voorbereidingen van de Actualisering VINEX duidelijk geworden dat tot 2005–2010 slechts in zeer beperkte mate glastuinbouwgrond nodig is voor woningbouw. Voor de herstructurering van de glastuinbouwsector zal wel ruimte nodig zijn. Voor deze ruimtebehoefte is op nationaal niveau in het SGR voldoende hervestigingsruimte geboden.

Niettemin kunnen er op regionaal niveau en in de tijd gezien zich wel ruimtelijke knelpunten gaan voordoen. Met name in de Randstad kan dat het geval zijn. Bovengenoemd onderzoek wordt uitgevoerd om juist deze toekomstige ruimtelijke knelpunten voor te blijven. Samen met de minister van VROM zal ik in voorjaar 1996 over de resultaten van dit onderzoek aan de Tweede kamer rapporteren.

Conclusie

Alles overziende ben ik van mening dat voor de herstructurering en heroriëntatie met de bovengenoemde voorstellen een adequaat stelsel van instrumenten kan worden ontwikkeld om een bijdrage te leveren aan het weer gezond, slagvaardig en concurrerend maken van de glastuinbouw. Op dit moment bestaat er mijns inziens dan ook geen behoefte aan het ontwikkelen van zware en dwingende instrumenten zoals grondbank, voorkeursrecht en lex specialis. Voor enige achtergrondinformatie over deze laatste instrumenten verwijs ik naar bijlage 1.

  • 3. 
    ACTIEPUNTEN NAAR AANLEIDING VAN OVERLEG D.D. 29 JUNI 1995

In het Algemeen Overleg op 29 juni jongstleden heb ik aangegeven in de komende periode een aantal actiepunten nader uit te werken en de Kamer te informeren over het resultaat daarvan.

Over twee daarvan bent u reeds geïnformeerd. Op 21 september heb ik u geïnformeerd over de financië le, de (sociaal-)economische en marktsituatie in de tuinbouw op basis van een door een gemengde werkgroep opgesteld monitorrapport (brief aan VC-LNV, d.d. 21-9-1995).

Voorts heb ik op 5 oktober jongstleden het rapport aan de Kamer gezonden over het onderzoek dat door LEl-DLO is verricht naar de financieel-economische effecten van lastenverlichtingen, (verplichte) milieu-investeringen en overige lastenverzwaringen (brief aan VC-LNV, d.d. 5-10-1995).

Onderstaand ga ik nader in op de overige actiepunten.

  • a. 
    EU-Structuurbeleid

Uit informatie van de landbouwattache´’s blijkt, dat de meeste lidstaten van de Europese Unie geen specifieke investeringssteunregeling voor de tuinbouw kennen. Evenals in Nederland, maakt investeringssteun aan de tuinbouw deel uit van een algemene investeringssteunregeling voor de land- en tuinbouw. Deze algemene regelingen zijn een nationale uitwerking van de Europese kaderregeling landbouwstructuurbeleid.

De investeringssteun die individuele tuinbouwbedrijven genieten is dan ook relatief gering.

Over het algemeen kan worden opgemerkt dat, met uitzondering van de landen Italie¨, Spanje en Portugal, het aandeel van de aanvragen uit de tuinbouw voor investeringssteun in het totaal gering is. Bijvoorbeeld in Frankrijk is 5% van de aanvragen voor investeringssteun afkomstig van tuinbouw- en fruitteeltbedrijven.

Italie¨, Spanje en Portugal kennen op landelijk dan wel regionaal niveau substantiële specifieke uitwerkingen van de algemene steunregeling richting de tuinbouwsector.

In Portugal is in het kader van het programma voor de modernisering van de landbouw voor de primaire tuinbouwsector (groenten, fruit,

pootaardappelen en bloemen) een bedrag van 540 miljoen gulden begroot in de periode 1994–1999, waarvan 400 miljoen gulden (75%) wordt gecofinancierd uit het EOGFL. De steun wordt gegeven voor onder andere aanplant van fruitbomen, verbetering van de citrusgaarden, mechanisatie, verbetering van de bedrijfsstructuur, materiaal ter bescherming tegen nachtvorst, start bloemenproduktie in de openlucht en in kassen en milieuvriendelijke maatregelen. Omgerekend per jaar bedraagt de steun aan de tuinbouwsector 90 miljoen gulden.

Van Italië is op dit moment nog geen helder overzicht, op welke wijze de nationale algemene investeringssteunregeling voor de land- en tuinbouw specifiek wordt ingevuld voor de tuinbouw. Dit wordt veroorzaakt door het feit, dat de opstelling van steunprogramma’s in Italië voor de land- en tuinbouw vooral een aangelegenheid is van de regio’s en de lokale overheden en de operationalisering van de zogenaamde doelstelling 1 programma’s (Zuid Italie¨) nog niet is afgerond. Echter gelet op het feit, dat Italië van oudsher een belangrijke producent is van tuinbouwprodukten is de verwachting dat een belangrijk deel van de algemene investeringssteunregeling gericht is op de tuinbouw.

In Spanje is op nationaal niveau geen speciaal steunprogramma voor de tuinbouw. Het steunprogramma voor de tomatensector, dat begin dit jaar werd aangekondigd, en dat door Spanje op 7 oktober 1994 aan de Europese Commissie is voorgelegd, is door de Commissie afgewezen op grond van de bestaande communautaire regelgeving op het gebied van de landbouwstructuur.

Op regionaal niveau echter is in bepaalde «tuinbouw» gewesten de algemene investeringssteunregeling voor de land- en tuinbouw met name toegespitst op de tuinbouw. Het betreft de gewesten Almeria, Murcia en de Canarische eilanden. De tuinbouw in Spanje is met name in deze regio’s geconcentreerd.

Indien een maximale schatting gemaakt wordt van de totale bijdrage aan de tuinbouw met name in deze regio’s in het kader van de Europese programma’s, waaronder verbetering infrastructuur, irrigatie, vestigings-steun jonge agrariërs en investeringssteun, dan betreft het een aan de tuinbouw toe te rekenen bedrag van ongeveer 270 miljoen gulden in de periode 1994–1999. Oftewel een bedrag van ongeveer 45 miljoen gulden per jaar.

Gelet op de hoogte van de voorgenoemde bedragen, die zijn begroot voor investeringssteun voor de tuinbouw voor de periode 1994–1999 kan gesteld worden dat deze relatief gering zijn. Bijvoorbeeld in het gewest Almeria (Spanje) was de produktiewaarde van de tuinbouw verleden jaar ruim 1 miljard gulden. De verstrekte subsidie aan de tuinbouw in deze regio was hoogstens 2% van dit bedrag. Voorts wordt in Spanje de investeringssteun met name verstrekt op basis van rentesubsidies. Het rentepercentage in Spanje ligt op dit moment rond de 11%.

Er zijn op dit moment bij mijn departement geen aanwijzingen, dat in andere lidstaten onjuist gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden, die de Europese kaderregeling landbouwstructuurbeleid biedt voor de periode 1994–1999. Wij blijven de ontwikkelingen in de andere lidstaten kritisch volgen.

  • b. 
    Agromonetaire compensatie

Voor wat betreft de agromonetaire compensatie dient onderscheid gemaakt te worden in:

– Inkomenscompensatie in verband met lagere groene koers.

– Inkomenscompensatie in verband met lagere marktkoersen in andere lidstaten.

  • 1. 
    Inkomenscompensatie in verband met lagere groene koers

Ter compensatie van de verlaging van de landbouwomrekeningskoers stelt de EU aan Nederland een bedrag ter beschikking van maximaal 108,8 mln gld in het eerste jaar. De verlaging van de landbouw-omrekeningskoers heeft met name inkomenseffecten bij de zware marktordeningsprodukten. Het gaat hierbij om sectoren als melk, rundvlees, granen en suiker.

Zoals bij de begrotingsbehandeling is aangegeven heeft de regering het voornemen om in het eerste jaar het compensatiebedrag in deze sectoren individueel uit te keren.

In het tweede en derde jaar streef ik naar compensatie van de land- en tuinbouw in de sfeer van collectieve en/of structuurmaatregelen. Dat laat onverlet dat ik over de uiteindelijke besteding eerst overleg met de sector zal plegen en – vanzelfsprekend – de Kamer zal informeren. Alvorens de compensatiemaatregelen in werking kunnen treden moet nog goedkeuring van de EU-commissie worden verkregen.

  • 2. 
    Inkomenscompensatie in verband met lagere marktkoersen andere lidstaten

Voor Nederland is deze vorm van inkomenscompensatie niet aan de orde. Alle sectoren in de Nederlandse economie moeten leven met de realiteit van fluctuerende koersen van valuta. Voor de land- en tuinbouw wordt hierop geen uitzondering gemaakt. Een beroep op de algemene middelen hiervoor is niet te verantwoorden, conform mijn betoog tijdens het A.O. van 14 december jongstleden.

Overigens heeft een sterke gulden niet alleen nadelen maar leidt ook tot onder andere een lagere inflatie (geringere stijging loonkosten) en een lagere rentestand (van belang bij investeringen).

  • c. 
    Handelsverkeer met derde landen

De produkten uit de glastuinbouw kennen veelal lichte marktordeningen, met name voor de produkten van de sierteeltsector is de bescherming tegen invoer uit derde landen beperkt. Op dit moment voert de EU onderhandelingen met een aantal derde landen over verbetering van de markttoegang in het kader van vrijhandelsaccoorden. Ik vind het hierbij van groot belang dat in deze accoorden gestreefd wordt naar wederkerigheid, dat wil zeggen wederzijdse verbetering van de markttoegang.

Dit principe heb ik meermalen bepleit tijdens de Landbouwraad en bij Landbouwcommissaris Fischler, mede met het oog op de belangen van de Nederlandse tuinbouwsector. Een betere toegang tot de markten van derde landen is voor de hele, sterk op export gerichte Nederlandse agrarische sector van uitermate groot belang.

Bij het verlenen van grotere markttoegang tot de EU markt speelt de marktsituatie van de specifieke sectoren een rol in de besluitvorming.

Hoewel Nederland terughoudendheid betracht wat betreft het zich verzetten tegen grotere markttoegang, kunnen zich situaties voordoen waarbij de marktsituatie in een bepaalde sector noopt tot voorzichtigheid.

Mede daarom heeft de Nederlandse regering zich – met succes verzet tegen vergroting van de markttoegang voor tomaten uit Marokko in de voor onze telers gevoelige maand april.

Specifiek voor de sierteeltsector heb ik gepleit voor het instellen van een EU-promotiefonds voor sierteeltprodukten. In het kader van de onderhandelingen met Marokko heeft de Commissie toegezegd te zullen komen met voorstellen voor een promotiefonds.

Inmiddels heeft de Europese Commissie een voorstel aan de Raad in voorbereiding.

  • d. 
    Hervorming marktordening groenten en fruit

De voorstellen van de Commissie inzake de herziening van de marktordening groenten en fruit zijn in de Landbouwraad van 22/23 oktober en 30 november jongstleden aan de orde geweest. Conform de toezegging van Minister Atienza aan mij in juni jongstleden heeft het Spaanse voorzitterschap van dit dossier snel werk gemaakt.

Nederland heeft aangegeven de voorstellen in grote lijnen te kunnen onderschrijven. Ook het Nederlandse bedrijfsleven kan zich daarin goed vinden. De voorstellen worden op het niveau van de Raadswerkgroep met de lidstaten in detail besproken. Gezien het ontbreken van het advies van het Europese parlement en de voortgang in de discussie heeft het Spaanse voorzitterschap besloten dit dossier niet meer in dit halfjaar af te ronden, maar te streven naar een conclusie op hoofdlijnen en afronding van het dossier in het begin van het Italiaanse voorzitterschap.

Ik zal ook in het komende halfjaar tijdens het Italiaanse voorzitterschap de voortgang in dit dossier nauwlettend volgen.

  • e. 
    Versnelling harmonisatie EU bestrijdingsmiddelenbeleid

Het bedrijfsleven heeft mij gewezen op het belang van een snelle harmonisatie van het EU bestrijdingsmiddelenbeleid. Hoewel ik ook het belang van een snelle harmonisatie binnen de Europese Unie onderschrijf, moeten we de huidige stand van zaken met betrekking tot de implementatie van EU-richtlijn 91/414 i betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen als vastgesteld uitgangspunt houden.

Versnelling van de harmonisatie is in de Europese context niet realistisch.

Er is een duidelijk tijdpad in deze richtlijn vastgelegd, opdat voor het jaar 2003 zo’n 800 werkzame stoffen worden beoordeeld. Afspraken over de harmonisatie binnen de EU en het te volgen traject zijn moeizaam tot stand gekomen. Nederland zal er wel alles aan doen om het vastgestelde tijdpad ook daadwerkelijk te realiseren. Tot op heden verloopt de voortgang van de implementatie conform het vastgestelde tijdpad.

  • f. 
    Kleine toepassingen van bestrijdingsmiddelen

Zowel overheid als bedrijfsleven hebben belang bij een breed middelenpakket. In dit verband is het van belang dat de problemen met betrekking tot kleine toepassingen worden opgelost. Kleine toepassingen vormen thans mede een bron van illegaal gebruik, zijn van belang om de diversiteit aan gewassen groot te houden en spelen een rol bij duurzame gewasbescherming. Hiervoor loopt thans een gezamenlijk project met het relevante bedrijfsleven.

Er zijn op dit moment de volgende aandachtspunten te onderscheiden:

  • • 
    Financiën: Er zijn middelen nodig om toelatingsaanvragen van kleine toepassingen te financieren (kosten voor dossiervorming en aanvraagkosten). Het landbouwbedrijfsleven ontwikkelt momenteel voorstellen voor de vorming van een fonds. Er vanuit gaande dat het bedrijfsleven zich conformeert aan haar toezeggingen ten aanzien van fondsvorming ben ik bereid dit fonds secretariële ondersteuning te geven middels een voorziening op de Plantenziektenkundige Dienst (PD).
  • • 
    Toelatingsbeleid: De huidige regelgeving biedt mogelijkheden om een deel van de problemen op te lossen. Hierbij denk ik aan het aanvragen door derden van uitbreiding van bestaande toelatingen, het afzien van de eis voor deugdelijkheidsonderzoek en het toelaten op basis van wederzijdse erkenning op basis van de Europese harmonisatierichtlijn.

Ik zal hiertoe zo nodig richtlijnen opstellen voor het CTB. Daarnaast kan het nodig blijken het toelatingsbeleid op een aantal punten aan te passen om optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van wederzijdse erkenning.

  • • 
    Landbouwbedrijfsleven informeren en stimuleren:

Het genoemde project werkt aan een wegwijzer om er voor te zorgen dat het bedrijfsleven meer inzicht krijgt in specifieke kleine toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen waarvoor een toelating wenselijk is en in de mogelijkheden om een toelating te verkrijgen. De uitvoering hiervan kan worden ondersteund vanuit de genoemde voorziening bij de PD.

  • g. 
    Kennis en vernieuwing: praktijkonderzoek

Ter uitwerking van de contourennota’s voor het praktijkonderzoek zullen op korte termijn gemengde werkgroepen van mijn departement en het bedrijfsleven worden gevormd om de relevante aspecten van de verdere ontwikkeling van het praktijkonderzoek aan te pakken. In het kader van de contourennota’s is onder andere afgesproken te werken aan verdere concentratie, verzelfstandiging, programmatische sturing en financiering en om voor de duur van een kabinetsperiode harde afspraken te maken m.b.t. het financieringsniveau. Voor een deel van het plantaardig praktijkonderzoek zal begin januari definitieve besluitvorming plaats vinden met betrekking tot locaties en de financiering hiervan.

  • 4. 
    VERVOLG

Over de noodzaak van een heroriëntatie en herstructurering van de glastuinbouw bestaat brede overeenstemming. Dit vereist een eveneens brede aanpak.

Centraal staat daarbij de vraag hoe de problemen, waar we het gezamenlijk over eens zijn, effectief kunnen worden aangepakt.

Ik ben bereid aan zo’n brede aanpak bij te dragen en heb daarvoor een aantal bouwstenen aangedragen. Ik wil de komende tijd met het bedrijfsleven kijken hoe dit concreet invulling kan krijgen. Daarbij ga ik er van uit dat ook het bedrijfsleven zelf individuele bedrijven, groepen van bedrijven, de kolom concretiseert hoe aan de eigen verantwoordelijkheid invulling wordt gegeven. Uit tal van (regionale) initiatieven en initiatieven uit de kolom blijkt overigens dat hier hard aan wordt gewerkt. Voorts ga ik ervan uit dat ook de andere overheden bereid zijn een bijdrage te leveren. Te denken valt aan provincies en gemeenten die via hun ruimtelijk instrumentarium ontwikkelingen kunnen sturen, maar ook aan waterschappen in verband met hun bevoegdheid op het gebied van waterkwaliteitsbeheer. Met de betrokken instanties zal nader overleg worden gevoerd.

Het is een gezamenlijk belang om de vaart erin te houden. Ik streef ernaar de Kamer volgend voorjaar te informeren over de meer concrete uitwerking van:

  • • 
    inzet SEV en DLV;
  • • 
    het sociaal plan;
  • • 
    de vernieuwing van de RROG;
  • • 
    een voorstel voor vernieuwing door onderzoek;
  • • 
    de stimulering van modern ondernemerschap;
  • • 
    gemaakte afspraken met provincies, gemeenten en waterschappen. Daarbij zal ik de Kamer ook informeren over de financiële gevolgen.

Ten aanzien van de zaken die op het Europese vlak spelen zal de Kamer in het kader van het reguliere overleg over eventuele ontwikkelingen op de hoogte worden gehouden. Dat geldt zowel voor de onderwerpen die in deze brief zijn genoemd, als voor wat betreft onderwerpen waarbij dat niet het geval is, maar wel degelijk de belangen van de Nederlandse tuinbouwsector in het geding zijn. Bij dit laatste denk ik onder meer aan het nitraatdossier (nitraatnormen voor sla), waarover de Commissie op korte termijn nieuwe voorstellen zal doen. Ik ga er van uit dat deze voorstellen in voldoende mate tegemoet komen aan de teeltsituatie in de Noordwest-Europese lidstaten.

Over de situatie in de tuinbouw hebben mij de afgelopen zomer vele brieven bereikt. Daarin werd naast de onderwerpen die in deze brief aan de orde komen vaak de aandacht gevraagd voor de specifieke omstandigheden waarin het bedrijf, de ondernemer en de gezinnen verkeren.

In deze tijd wordt zeer veel van de sociale spankracht van de mensen en de bedrijven in de sector gevraagd.

Ik ben van mening dat de activiteiten waaraan we nu gezamenlijk gaan werken, op een adequate manier bijdragen aan de oplossing van de moeilijke situatie.

Tot slot wil ik een opmerking maken over de verhouding tussen werkgevers en werknemers in de tuinbouwsector. Ik acht het van groot belang voor de herstructurering van deze sector dat werkgevers en werknemers op korte termijn toenadering zoeken, zodat daadwerkelijk sprake kan zijn van een brede aanpak van de onderhavige problematiek.

Bundeling van de bij werkgevers en werknemers aanwezige kennis en ervaring is van groot belang voor de toekomst van de tuinbouwsector.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen

BIJLAGE1                                              OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN GRONDBANK,

VOORKEURSRECHT EN LEX SPECIALIS

Inleiding

Zoals reeds in de brief genoemd is sprake van een heldere analyse in de inleidende hoofdstukken van het rapport. Over deze analyse ben ik het eens met LTO.

Om de geschetste problemen en ontwikkelingen het hoofd te bieden wordt vervolgens gepleit voor een forse en meer dwingende aanpak van de gebieds- en bedrijfsstructuur. Het daarvoor geschetste beleidskader spreekt over verplichte / dwingende instrumenten als voorkeursrecht bij grondverwerving, onteigeningstitel bij bestemmingswijziging en het instellen van een herstructureringswet (lex specialis). Het realiseren van zo’n beleidskader is een taak van de overheid en zal hoge bestuurlijke lasten met zich meebrengen. Wat betreft de rol van het bedrijfsleven in de verdeling van de financiële lasten – die hoog zullen zijn – is het rapport onduidelijk.

Grondbank

LTO stelt voor om te komen tot de instelling van een «grondbank». (Bedoeld is hier het instrument bekend als grondvoorraad in landinrichtingsprojecten, niet te verwarren met het grondbankinstrument waarbij op erfpachtbasis gronden door de overheid werden uitgegeven ten behoeve van bijvoorbeeld bedrijfsvergroting).

Aangezien het in de voorstellen behalve om grond gaat om bijbehorende kassen en woonhuizen, moet rekening worden gehouden met aanzienlijke verliezen die met dit instrument zullen worden geleden.

Kassen en huizen zullen veelal ten behoeve van de herstructurering moeten worden gesloopt of tijdens het beheer snel economisch verouderd raken. Ook de prijsontwikkeling van kasgronden is zeker op lange termijn een onzekere factor.

Het rendement van het grondbankinstrument zou in gunstige zin beïnvloed kunnen worden door bijvoorbeeld winst op grond ten behoeve van woningbouw. Dergelijke speculatieve handelingen met grond in overheidshanden roepen weerstand op. Tenslotte moet niet worden uitgesloten dat een grondbank met een dwingend karakter prijsopdrijvend zal werken; normale bancaire risico’s zullen daarmee ten dele op de grondbank worden afgewenteld.

Overigens levert in landinrichtingsprojecten het aanhouden van een grondvoorraad door het Bureau Beheer Landbouwgronden een grote bijdrage aan de doelstellingen van het plan. Het is een soort «smeerolie».

Op basis van een concreet plan hanteert BBL een selectief aankoopbeleid.

Dit instrument bewijst thans zijn nut ook in RROG-gebieden. Ook daar is het instrument gekoppeld aan een concreet plan, waardoor een aantal nadelen wegvalt.

Voorkeursrecht

Teneinde zoveel mogelijk gronden in te zetten voor de herstructurering van de glastuinbouw zou tevens een voorkeursrecht voor grondverwerving moeten gelden. Op grond van de Wet Agrarisch Grondverkeer (WAG) is toepassing van voorkeursrecht in principe mogelijk, doch slechts dan wanneer gemeenschapsbelangen in botsing komen met particuliere belangen met als gevolg prijsopdrijving.

Toepassing is slechts mogelijk ten aanzien van gronden welke volgens de in de wet geregelde procedure zijn aangewezen.

Het WAG-instrument heeft tot nu toe geen toepassing gevonden omdat de relatie tussen doel en middel ontbrak. In geval van woningbouwlocaties staat de gemeenten de Wet Voorkeursrecht Gemeenten ter beschikking; de werkingssfeer van deze wet wordt thans uitgebreid.

Waar het gaat om toekomstige bouwlocaties is de effectiviteit van voorkeursrecht hoogst onzeker omdat er geen aanbiedingsplicht is. In elke situatie – ook bij niet-agrarische bestemmingen – zal bij uitoefening van het voorkeursrecht de geldende marktprijs moeten worden betaald.

Een voorkeursrecht is een zeer zwaar en dwingend instrument, dat ingrijpt in de vrije grondmarkt en niet adequaat is voor het realiseren van de geformuleerde herstructureringsdoelstellingen.

Lex specialis

Het herstructureringsrapport spreekt voorts over de noodzaak van een nieuwe herstructureringswet, een Lex Specialis, waarbij verwezen wordt naar de Reconstructiewet Midden-Delfland en de Herstructureringswet Oost-Groningse en Gronings-Drentse Veenkolonieën. Deze beide wetten zijn echter tot stand gekomen in de tijd dat de ruilverkavelingswet nog niet van kracht was.

De huidige Landinrichtingswet biedt zeer ruime wettelijke mogelijkheden, inclusief de onteigeningstitel. De samenhang tussen de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Landinrichtingswet is wettelijk verankerd. Ook andere dan bijvoorbeeld landbouwkundige bestemmingen die in de WRO zijn vastgelegd kunnen met landinrichting worden gerealiseerd. Het bestaande wettelijke instrumentarium biedt op zichzelf voldoende mogelijkheden.

BIJLAGE 2                                              REACTIE OP ENKELE PUNTEN GENOEMD IN HET SOCIAAL PLAN

VAN HET LTO-RAPPORT: «NEDERLAND TUINBOUWLAND»

Resultaten:

1.  Aanpassen Bijstandsbesluit Zelfstandigen

De afwijzing van bedrijfskapitaal, wanneer de partner structureel een inkomen van enige betekenis heeft van buiten het bedrijf en het verplicht meetekenen voor hoofdelijke aansprakelijkheid door de echtgenote bij huwelijkse voorwaarden zijn in het besluit gebaseerd op het feit dat er bijstand nodig is voor de betrokken leefeenheid en niet voor de individuele ondernemer. Bij de ABW wordt met huwelijkse voorwaarden geen rekening gehouden.

Per 1 januari 1996 zal beëindigende bedrijven desgevraagd een periode van ten hoogste 24 maanden voor de afbouw van het bedrijf worden geboden in plaats van de huidige 12 maanden.

2.  Afhandeling BZ-aanvragen

Bij de Dienst Uitvoering Regelingen is men zeer alert op een verhoogd aantal aanvragen.

Zonodig wordt extra capaciteit ingezet om de behandelingstermijn van maximaal 8 weken niet te overschrijden. Per 1 januari 1996 kunnen B&W ook andere organisaties vragen rapport op te stellen. De gemeentelijke commissies zijn dan ook niet meer voorgeschreven, zodat B&W eventueel direct een besluit kunnen nemen.

3.  Aanpassing IOAZ regeling

Om voor de IOAZ, bij jonger dan 55 jaar, in aanmerking te komen, moet men recht hebben op een AAW uitkering van minder dan 80%. Als door herkeuring het recht op de AAW uitkering vervalt, heeft betrokkene de mogelijkheid om door het verrichten van arbeid in het bestaan te voorzien en komt men dus niet meer in aanmerking voor IOAZ. Deze benadering geldt voor alle zelfstandigen. Er is geen reden om hier voor de landbouw vanaf te wijken.

De leeftijd van 55 jaar in de IOAZ is gekoppeld aan een soortgelijke regeling voor werknemers, de lOAW. Verlagen van de leeftijdsgrens moet dan ook hier plaatsvinden. Dit legt een groot beslag op de algemene middelen en druist ook in tegen de beleidslijn om oudere personen langer in het arbeidsproces te houden.

4.  Structuurbeleid

Directe inkomensondersteuning uit de EU structuurfondsen is niet mogelijk, compensatie wel als sprake is van aangewezen gebieden met een natuurlijke handicap. Voor de glastuinbouw is dat niet aan de orde. De gebieden met ontwikkelingsachterstand, dan wel een eenzijdige structuur met een relatief laag inkomen uit de landbouw, zijn voor de periode 1994–1999 vastgelegd. Nagegaan zou kunnen worden of er mogelijkheden zijn voor een volgende periode.

5.  AAW/Nieuwe Wet Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen/gevolgen schattingsproblematiek

Het Kabinet heeft twee voornemens op dit gebied, waarvan de richting door LTO Nederland wordt onderschreven:

  • 1. 
    Bestaande gevallen bij herschatting niet in de bijstand laten komen maar, net als bij de werknemers, in de verlengde WW regeling.
  • 2. 
    Gedeeltelijk arbeidsongeschikten (minder dan 80%), ook zelfstandigen, in aanmerking laten komen voor inkomenssuppletie voor een periode van vier jaar.

Hierover is een ontwerp AMvB om uitvoeringstechnisch advies naar het Tica gestuurd.

Hierin staan de volgende voorstellen:

  • • 
    de inkomenssuppletie is maximaal 20% van de theoretische inverdiencapaciteit.
  • • 
    de inkomenssuppletie mag samen met de arbeidsongeschiktsheiduit-kering en het inkomen uit bedrijf/beroep nooit meer bedragen dan het maat-maninkomen.
  • • 
    de suppletie wordt voor maximaal 4 jaar toegekend.
  • • 
    het recht op suppletie wordt gedurende vier jaar afgebouwd in vier gelijke stappen.

Wat betreft de uitvoering is gekozen voor een constructie waarbij de bedrijfsvereniging bevoegd is een inkomenssuppletie toe te kennen. Het ligt in de bedoeling in de WAZ eenzelfde suppletieregeling op te nemen.

6. BF garantie bij financiering liquiditeitstekort bijzondere omstandigheden

Voor het financieren van liquiditeitstekorten biedt de BZ meer faciliteiten onder soepeler voorwaarden. Bij het onderbrengen van deze mogelijkheid in de BF regeling zou bij BZ aanvragen eerst de BF mogelijkheid benut moeten worden. Gemiddeld zal dit voor de sector niet gunstig uitvallen.

 
 
 

2.

Meer informatie

 

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.