Brief minister over uitspraken in een interview over het Nederlandse drugsbeleid - Drugbeleid

Deze brief is onder nr. 1 toegevoegd aan dossier 24077 - Drugbeleid.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Drugbeleid; Brief minister over uitspraken in een interview over het Nederlandse drugsbeleid 
Document­datum 31-01-1995
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST6480
Kenmerk 24077, nr. 1
Van Justitie (JUS)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1994–1995

24 077

Drugbeleid

Nr. 1

BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

’s-Gravenhage, 31 januari 1995

Naar aanleiding van de vragen gesteld door de leden van uw Kamer Van de Camp, Rouvoet en Schutte tijdens de regeling van werkzaamheden op 24 januari jongstleden (zie bijlage) over drugbeleid deel ik u het volgende mee.

Zoals wij reeds bij verscheidene gelegenheden in uw Kamer hebben aangegeven zijn mijn ambtgenote van VWS en ik bezig met de voorbereiding van een nota over het drugbeleid aan uw Kamer, die wij voornemens zijn in mei namens het kabinet aan u toe te sturen. Dit voornemen heeft mijn collega van VWS uitgesproken tijdens de behandeling van haar begroting in december vorig jaar en ik heb dat nogmaals bevestigd tijdens de behandeling van mijn begroting in de Eerste Kamer.

Alhoewel wij ons realiseren dat er momenteel bij iedereen grote behoefte bestaat aan een duidelijke visie van het kabinet, benadruk ik nogmaals dat een verantwoorde voorbereiding hiervan de nodige tijd vergt. Dit heeft te maken met het feit dat naast het verzamelen van gegevens en het evalueren van het huidige beleid, ook de verschillende mogelijkheden voor vernieuwing van het beleid geïnventariseerd en beoordeeld moeten worden op hun consequenties. Tijdens het door de leden van uw kamer gememoreerde interview heb ik met mijn opmerkingen over mogelijke wijzigingen in het softdrugbeleid niet meer en niet minder beoogd te zeggen, dan dat gelet op de u bekende huidige inconsistentie voor het beleid nadere regulering van het softdrugbeleid één van die beleidsopties is die op haar consequenties wordt beoordeeld en dat de uitkomst van deze beoordeling in de nota aan uw Kamer zal worden opgenomen.

In het interview heb ik ook al aangegeven dat wij hiertoe scenariostudies zullen uitvoeren. Dit houdt kort gezegd in dat enkele beleidsopties worden uitgewerkt en dat bezien wordt wat de positieve en negatieve effecten van deze opties zullen zijn. Aan de hand hiervan zal een kabinetsstandpunt worden geformuleerd waarover wij uiteraard met Uw Kamer

S–OO S-RW

zullen spreken. Ook de mening van de landen om ons speelt bij het te formuleren kabinetsstandpunt een belangrijke rol.

De veronderstelling van de geachte afgevaardigde, de heer Van de Camp, dat ik een fundamentele keuze op deze wijze openbaar heb willen maken, berust dan ook op een misverstand. Op dit moment acht ik het niet mogelijk een keuze te maken aangezien er nog te veel onduidelijkheid heerst over de mogelijke effecten van bepaalde keuzes. Ondertussen wordt met het drugbeleid voortgegaan op de huidige weg en zullen de thans voorliggende meest concrete problemen, zo adequaat mogelijk worden opgelost binnen de huidige wet- en regelgeving.

In antwoord op de vraag over hoe zich een eventuele regulering van het softdrugbeleid verhoudt tot de opvatting dat de overlast veroorzaakt door de handel in softdrugs onaanvaardbaar is geworden, deel ik u mee dat ook deze opvatting net als alle andere opvattingen en adviezen over het drugbeleid van verschillende commissies en groeperingen worden bestudeerd en worden betrokken bij het opstellen van eerder genoemde nota. Voorts willen mijn collega van VWS en ik ons uitdrukkelijk laten informeren door bij de praktijk betrokkenen. U kunt er dan ook van uitgaan dat ook de opvattingen van de hoofdcommissarissen van politie bij de voorbereiding van de nota worden betrokken. In dat kader neem ik aan dat daarbij de notitie van de heer Wiarda, die naar ik heb begrepen geschreven is voor intern politieberaad, een rol zal spelen. Van het bestaan van de nota was ik tot het moment van het kranteartikel niet op de hoogte.

Tot slot wil ik nog even ingaan op de vraag naar aanleiding van het overleg met het buitenland. Tijdens verschillende gelegenheden heb ik met enkele van mijn collega’s in het buitenland gesproken over het Nederlandse drugbeleid. Ook wordt er een actief voorlichtingsbeleid in het buitenland gevoerd over ons huidige beleid aangezien het belang van een goede weergave door het kabinet wordt onderkend. Ik heb in mijn interview dan ook expliciet gesteld dat de uiteindelijk te maken beleidskeuze zodanig zal worden geformuleerd dat het beleid ook aan het buitenland uit te leggen is.

Ik vertrouw er op u hiermee op dit moment naar behoren te hebben geïnformeerd.

De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

Bijlage 2                                                  Aan de Minister van Justitie

’s-Gravenhage, 24 januari 1995

Hierbij zend ik u het stenografisch verslag van het ordedebat van heden toe.

Met de brief breng ik het verzoek van de heer Van de Camp over en vraag u mij te willen berichten of u aan dit verlangen kunt voldoen.

Met vriendelijke groet, W. J. Deetman

De voorzitter: Het woord is aan de heer Van de Camp.

De heer Van de Camp (CDA): Mijnheer de voorzitter! Afgelopen zaterdag heeft de minister van Justitie in de Volkskrant een op z’n zachtst gezegd opmerkelijk interview gegeven over het te voeren drugsbeleid, in het bijzonder over de aanvoer van verdovende middelen naar coffeeshops. De minister slalomde vaardig langs de beladen termen «legalisering» en «liberalisering» om vervolgens uit de komen bij de term «reguleren». Als eenvoudig jurist vraag ik mij af, wat de minister nu precies bij die term voor ogen staat.

Uit het interview leid ik af dat de kabinetsnota over het drugsbeleid inmiddels zo ver is gevorderd dat de minister deze fundamentele keuze nu al openbaar wil maken. De nota kan blijkbaar spoedig aan de Kamer worden voorgelegd en wij verzoeken de regering dan ook om dit te doen. Om er zeker van te zijn dat de Kamer snel weet waar zij aan toe is, verzoek ik het kabinet in een brief het standpunt van de minister toe te lichten.

In deze brief zouden naar ons oordeel de volgende vragen aan de orde moeten komen. Worden de opvattingen van de minister onderschreven door de ministerraad, in het bijzonder door de minister van VWS? Wat verstaat het kabinet onder «reguleren»? En hoe verhoudt deze liberalisering zich tot de steeds breder levende opvatting dat de overlast door de omvang van de handel in softdrugs onaanvaardbaar is geworden? Ik denk hierbij met name aan het duidelijke advies van de commissie-Blok, een commissie die samengesteld is uit de leden van het openbaar ministerie.

Voorzitter! Vervolgens nog enkele vragen naar aanleiding van de uitgelekte, sterk politiek getinte notitie van de Utrechtse hoofdcommissaris Wiarda. Wie heeft opdracht gegeven tot het opstellen van deze notitie? Welke rol speelt deze bij de voorbereiding van de nota van het kabinet? En is er in de notitie van de heer Wiarda sprake van uitbreiding van de verstrekking van harddrugs?

Tot slot zou de CDA-fractie in de brief opgenomen willen zien, op welke wijze de minister overleg heeft gevoerd met haar Europese collega’s. Is dit overleg reeds afgerond? En hoe verhoudt de uitspraak van minister Sorgdrager in de Volkskrant van afgelopen zaterdag zich tot de geruststellende woorden tot de Franse minister Pasqua naar aanleiding van zijn oppositie tegen het bestaande beleid?

De heer De Graaf (D66): Voorzitter! Het is een ieder bekend dat de ministers van Justitie en Volksgezondheid bezig zijn met de voorbereiding van een drugsnota. In dat kader zijn er in de afgelopen weken van verschillende kanten gedachten geopperd, ook door mijn fractie, die betrokken kunnen worden bij de voorbereiding van die nota. Ik meen dat de heer Van de Camp in de pers heeft aangegeven dat hij het allemaal voorbarig vond en dat hij rustig op de nota wilde wachten. Het verbaast mij dan ook hogelijk dat hij nu direct tekst en uitleg wil hebben, als de minister in reactie op suggesties aangeeft dat het beleid inderdaad inconsistenties bevat en de regering erover nadenkt, hoe die er uitgehaald zouden kunnen worden. Het lijkt mij verstandig om de nota af te wachten die over twee à drie maanden zal verschijnen. Het is beter om de regering een paar weekjes extra te geven om een goed afgewogen verhaal op te stellen dan de minister nu met spoed te ontbieden om haar te laten aangeven, wat zij precies met bepaalde termen heeft bedoeld.

Als ik de heer Van de Camp goed begrijp, zouden de ministers in hun brief ook nog moeten ingaan op uitlatingen van een hoofdcommissaris. Ik heb er geen behoefte aan, die woorden een extra dimensie te geven door de ministers te verzoeken, precies uit te leggen wat hij daarmee bedoelt. Hoofdcommissarissen zijn vrij om gedachten naar voren te brengen, maar wij oordelen op basis van de voorstellen van de ministers.

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de voorzitter! Wij weten allen dat wij over enige tijd een nota kunnen verwachten van beide bewindslieden die met het drugsbeleid te maken heeft. De heer De Graaf spreekt van twee à drie maanden; ik weet het niet, hij kan het weten. In normale gevallen zouden wij daar nog wel even op kunnen wachten, maar de minister van Justitie, direct betrokken bij de voorbereiding van deze nota, heeft er een aantal opmerkelijke uitspraken over gedaan. Ik vindt het dan ook terecht dat de heer Van de Camp vraagt om in het licht van de te verwachten nota met name over die uitspraken duidelijkheid te verschaffen.

Voorzitter! Ik zou aan de vragen van de heer Van de Camp nog de vraag willen toevoegen, waarom de minister het opportuun vond om op dit moment die uitspraken te doen. Je bent immers niet verplicht om een inhoudelijk antwoord te geven op vragen van journalisten. De minister had kunnen volstaan met een verwijzing van de komende nota, zoals verleden week bij de begrotingsbehandeling in de Eerste Kamer, toen er ook vragen over die nota werden gesteld. Waarom heeft zij dan de pers antwoorden gegeven die zij de Eerste Kamer onthouden heeft? En hoe is dit te rijmen met de zorgvuldigheid die ook een minister van Justitie in acht dient te nemen met het oog op de effecten in het buitenland? Zij wil niet spreken van legalisering, omdat zij bang is dat haar woorden dan in het buitenland verkeerd begrepen worden. Welnu, gelet op de reacties tot nu toe denk ik dat zij toch het omgekeerde heeft bereikt van wat zij heeft beoogd, want er is in het buitenland op ’n minst een indruk ontstaan die wij niet graag gewekt zien.

Mevrouw Dijksman (PvdA): Voorzitter! Ik heb niet zo’n behoefte aan een debat over een notitie die er nog niet is. Het is dapper van de minister dat zij het heeft aangedurfd om de discussie aan te zwengelen over het beleid ten aanzien van drugs in coffeeshops en de aanvoer van softdrugs naar Nederland. Ik meen dat de heer Stoffelen van de PvdA eerder heeft aangegeven dat het hypocriet is om de voordeur van de coffeeshops open te houden en de achterdeur gesloten. De discussie daarover moet ook gevoerd worden.

Het is een beetje van de gekke dat de heer Van de Camp hier nu zoveel vragen heeft gesteld. Hij kan hierover beter schriftelijke vragen aan de minister stellen.

De PvdA-fractie wil ook graag wachten op de behandeling in de Kamer van de notitie van de minister.

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! Uit de uitlatingen van de minister van Justitie heb ik opgemaakt dat wij het over één ding eens zijn, namelijk dat het gedoogbeleid voor coffeeshops op zijn grens is gestuit. Wij verschillen evenwel in ernstige mate over de consequenties daarvan en de volgende stappen die gezet moeten worden.

Ik steun het verzoek van collega Van de Camp graag voor een brief van de minister waarin zij nader ingaat op haar uitlatingen.

Collega de Graaf vraagt zich af of het niet beter is om te wachten op de notitie van de minister, opdat wij een afgewogen oordeel krijgen. Ik had ook graag dat de regering deze weg had gevolgd. Nu dit punt door de media in discussie is gebracht, lijkt het mij goed dat de Kamer precies weet waar zij over spreekt en dat zij haar zegje kan doen, vooruitlopend op de desbetreffende notitie.

Ik wil graag dat de minister in die brief ook ingaat op het reguleren van de markt voor softdrugs via de coffeeshops. Daarbij kan zij aangeven welke mogelijkheden zij ziet om de harddrugs dan geheel buiten beschouwing te laten. Ik verwijs naar de opmerkingen hierover van de Belgische minister. Hij voorziet namelijk ook ernstige problemen in dit opzicht.

De voorzitter : Ik stel voor, het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar de minister van Justitie.

Daartoe wordt besloten.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.