Cijfers kabinet-Lubbers I (1982-1986) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 18 juli 2019
kalender
Met dank overgenomen van Parlement.com.

Het kabinet-Lubbers I†i stond bekend om zijn 'no nonsense' beleid. De nieuwe premier sloeg een andere koers in dan zijn voorganger Van Agt†i. De ontsporing van de overheidsfinanciŽn werd tot 1985 succesvol gekeerd. Een aantrekkende wereldeconomie en loonmatiging na de ondertekening van het Akkoord van Wassenaar zorgden voor economisch herstel uit een diepe recessie.

Geleidelijk ging het beter met de werkgelegenheid. Het werkloosheidsprobleem werd echter voor een belangrijk deel weggedefinieerd. Werknemers belandden niet alleen massaal in werkloosheidsuitkeringen, maar ook in de VUT en de WAO. Afremming van het arbeidsaanbod en het bevorderen van een cultuur van minder werken zou de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat op lange termijn ondermijnen.

1.

Algemeen beeld

Bij het aantreden van het kabinet-Lubbers I verkeerde de conjunctuur op een dieptepunt. Tijdens de regeerperiode van het kabinet begonnen zowel de wereldeconomie als de Nederlandse economie zich te herstellen. Een strakkere koppeling van de gulden aan de Duitse mark en het stringente monetaire beleid van de Bundesbank zorgden ervoor dat de inflatie daalde van 6% in 1982 naar 0,2% in 1986. Ook de loonmatiging zorgde voor een afnemende impuls voor de inflatie. Andersom zorgde de verminderde inflatie ervoor dat de looneisen beperkt konden blijven.

2.

Akkoord van Wassenaar

De beŽdiging van het kabinet vond plaats op 4 november 1982. Binnen enkele weken was er een belangrijke meevaller. Op 24 november 1982 sloten de werkgevers- en werknemerscentrales in de Stichting van de Arbeid†i een historisch akkoord. Mede uit angst voor een loonmaatregel van het kabinet maakten de sociale partners in het Akkoord van Wassenaar afspraken over loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting.

Hoewel arbeidstijdverkorting later als een achterhaalde vorm van werkgelegenheidsbeleid werd beschouwd en het niet onwaarschijnlijk is dat uiteindelijk, onder druk van de hoge werkloosheid, sowieso loonmatiging zou optreden, versnelde het akkoord de creatie van een belangrijke voorwaarde voor economisch herstel.

De contractloonstijging in de marktsector van 7,6% in 1982 was in 1984 gedaald naar 1,2%. De gemiddelde contractloonstijging in de jaren 1982-1986 was 3,4%. Onder het kabinet-Biesheuvel†i was die nog 12,3%, ten tijde van het kabinet-Den Uyl†i 11,1% en onder het kabinet-Van Agt I†i, II†i en III†i bij elkaar 6,0%.

3.

Gevolgen voor de arbeidsmarkt

De werkloosheid bereikte in 1983 nog een piek van 9,0% (het hoogste niveau in de periode 1971-2017), maar toen zette de omslag in. Geholpen door een aantrekkende wereldeconomie was er in 1984 voor het eerst sinds 1980 weer een bescheiden groei van de werkgelegenheid. De economie groeide in 1984 met 3,0%. De werkloosheid bleef hoog, maar begon te dalen.

Het economisch herstel kon niet verhelpen dat grote aantallen mensen afhankelijk waren geworden van een uitkering. Tussen 1982 en 1986 steeg het aantal werkloosheids- en bijstandsuitkeringen met 161 duizend. De i/a-ratio bereikte in 1984 een piek van 76,3%, het hoogste niveau in de periode 1971-2017.

De werkloosheidscijfers waren geflatteerd omdat veel problemen op de arbeidsmarkt werden weggedefinieerd. Deze ontwikkeling was al een aantal jaren aan de gang, maar nam onder het kabinet-Lubbers I steeds vastere vorm aan. De verborgen werkloosheid was hoog.

Het kabinet bereidde een stelselherziening in de sociale zekerheid voor, maar die kwam pas onder het volgende kabinet tot stand.

Het Akkoord van Wassenaar dwong werknemers tot arbeidstijdverkorting. De groei van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zette gestaag door. Voor zover oudere werknemers niet in de WW (of vervolguitkeringen daarop) of de WAO terecht kwamen, belandden ze in groten getale in de VUT.

Er was een soort stilzwijgende overeenstemming ontstaan tussen politiek en sociale partners waarin korter werken, vervroegd pensioen en 'je laten afkeuren' bij dreigende werkloosheid of in geval van een arbeidsconflict als vanzelfsprekend werden beschouwd. Werknemers gingen (langdurige) uitkeringen, arbeidstijdverkorting en de VUT zien als verworven rechten. Zo werd de groei van het arbeidsaanbod afgeremd. Op korte termijn hield dit de werkloosheidscijfers optisch binnen de perken. Het voorkwam sociale onrust.

Voor de lange termijn was het ongunstig. Er ontstond, ondanks bezuinigingen op de uitkeringen, een cultuur van minder werken. Deze maakte de verzorgingsstaat uiteindelijk duurder en minder betaalbaar. PotentiŽle en oudere werknemers werden massaal afgeschreven en buiten de arbeidsmarkt geplaatst. Op langere termijn leidde dat tot minder loonmatiging en hogere belastingen en premies, en dus tot hogere werkloosheid en minder economische groei. Bovendien zou het jaren kosten om de ontstane cultuur te doorbreken.

4.

OverheidsfinanciŽn

Het kabinet voerde flinke bezuinigingen door om de overheidsfinanciŽn te saneren. Daarbij werd onder meer gekort op uitkeringen en ambtenarensalarissen. Ook sectoren als volksgezondheid, onderwijs en welzijn moesten inleveren. In 1984 daalde het percentage bruto collectieve uitgaven voor het eerst sinds 1973.

De snelle groei van het EMU-tekort (van 0,7% BBP in 1977 naar 5,9% in 1982) werd, ondanks het stijgende aantal uitkeringen, vrijwel meteen tot stilstand gebracht. Het EMU-tekort daalde naar 3,4% in 1985, om in (het verkiezingsjaar) 1986 weer te stijgen naar 4,4%. Hoewel de toenemende verslechtering van de overheidsfinanciŽn in de jaren 1982-1985 succesvol werd gekeerd, zorgden de aanhoudend hoge tekorten voor een snel oplopende staatsschuld.

De EMU-schuld steeg van 1982-1986 met 16,5%-punt. Alleen het kabinet-Balkenende IV†i moest later, als gevolg van de kredietcrisis, een schuldstijging in dezelfde orde van grootte noteren. De hoge staatsschuld zadelde de overheid op met toenemende aflossings- en rente-uitgaven.


5.

Kerncijfers

Mutatie (%), tenzij anders vermeld

1982

1983

1984

1985

1986

Gem.

Verschil 1986-1982

BBP (niveau, mrd Ä)

186,3

192,7

203,2

210,0

217,1

201,9

30,8

BBP

-1,3

2,0

3,0

2,7

2,8

1,8

4,1

Arbeidsproductiviteit bedrijven (per uur) (%)

0,6

4,6

3,1

2,5

1,3

2,4

0,7

Relevante wereldhandel

1,6

2,1

6,8

2,3

4,2

3,4

2,6

Wereldhandelsvolume

-0,8

1,3

8,8

3,0

3,3

3,1

4,1

Wereldeconomie

0,7

2,7

4,6

3,8

3,6

3,1

2,9

6.

OverheidsfinanciŽn

% BBP

1982

1983

1984

1985

1986

Gem.

Verschil 1986-1982

EMU-saldo

-5,9

-5,2

-5,0

-3,4

-4,4

-4,8

1,5

EMU-schuld

53,0

59,1

62,6

68,0

69,5

62,4

16,5

Bruto collectieve uitgaven

59,8

60,4

59,2

58,7

58,6

59,3

-1,2

Collectieve lasten

41,3

42,1

40,4

40,7

41,0

41,1

-0,3

7.

Lonen en prijzen

%, tenzij anders vermeld

1982

1983

1984

1985

1986

Gem.

Verschil 1986-1982

Inflatie (hicp) (%)

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

Inflatie (CPI) (%)

6,0

2,8

3,3

2,3

0,2

2,9

-5,8

Arbeidsinkomensquote

77,5

76,2

72,6

72,9

74,7

74,8

-2,8

Olieprijs (USD/vat)

32,6

29,1

28,1

27,1

13,7

26,1

-18,9

Contractloonmutatie marktsector

7,6

3,3

1,2

3,0

2,1

3,4

-5,5

8.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (1)

Dzd, tenzij anders vermeld

1982

1983

1984

1985

1986

Gem.

Verschil 1986-1982

Werkloosheid (%)

7,4

9,0

8,8

8,2

7,5

8,2

0,1

Werkloosheid (personen)

459

564

556

519

484

516,4

25,0

Groei werkgelegenheid (uren) (%)

-2,0

-2,2

0,4

0,5

1,7

-0,3

3,7

Werkloosheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

352

369

314

266

231

306,4

-121,0

Bijstand (WWB/IOAW/IOAZ) (personen)

301

402

515

572

583

474,6

282,0

Werkloosheids- + bijstandsuitkeringen

653

771

829

838

814

781,0

161,0

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

651

666

685

703

718

684,3

67,3

Uitkeringen ziekte (uitkeringsjaren)

259

247

249

244

262

252,2

2,8

9.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (2)

%

1982

1983

1984

1985

1986

Gem.

Verschil 1986-1982

i/a-ratio

70,5

74,5

76,3

76,2

75,7

74,7

5,2

Bruto participatiegraad 20-64 jaar

57,0

57,3

56,8

56,8

57,7

57,1

0,7

Bruto participatiegraad 15-74

59,5

59,7

59,2

59,0

59,1

59,3

-0,4

Netto participatiegraad 15-74

55,1

54,3

54,0

54,2

54,7

54,5

-0,4


Meer over