Kabinet-Thorbecke I (1849-1853) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Zondag 18 augustus 2019
kalender
Met dank overgenomen van Parlement.com.

'Wacht op onze daden!'. Met die woorden introduceerde Thorbecke i in november 1849 zijn kabinet. Hoewel het kabinet ook nederlagen leed, wist het veel bepalingen van de herziene Grondwet i in zogenaamde 'organieke wetten' uit te werken. Het kabinet bracht onder meer de Gemeentewet, de Provinciale Wet, de Kieswet en de Wet op het recht van enquête tot stand. Daarnaast werden op economisch gebied allerlei maatregelen genomen om de handel te liberaliseren. De doorvoerrechten en vrijwel alle tollen op de Rijn en de IJssel werden afgeschaft.

Het op 1 november 1849 aangetreden kabinet werd gedomineerd door de liberaal Thorbecke. Daarnaast zaten er echter ook meer gematigde personen in, zoals minister van Justitie Nedermeijer ridder van Rosenthal en minister van Koloniën Pahud. In 1852 werd zelfs een uitgesproken conservatief, baron Forstner van Dambenoy, minister van Oorlog. Het kabinet telde één katholieke liberaal, Van Sonsbeeck.

Het kabinet kwam ten val na de Aprilbeweging i; het protestantse protest tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (de organisatie van de RK-kerk) in Nederland. Op 19 april 1853 trad het kabinet-Van Hall/Donker Curtius i aan.

1.

Formatie

Na de val van het kabinet-De Kempenaer vroeg de koning aan Lightenvelt en Donker Curtius ('Licht' en 'Donker') het zittende kabinet te reconstrueren. De koning had een persoonlijke afkeer van Thorbecke en wilde hem buiten het kabinet houden. Donker vond dat Thorbecke wel in het kabinet moest worden opgenomen.

De pogingen van Lightenvelt en Donker hadden geen succes. Met machtiging van de koning vroeg Donker hierop aan Thorbecke en het gematigd liberale Kamerlid Nedermeijer om een kabinet te formeren. Zij kregen de opdracht dus niet direct van de koning. Thorbecke en Nedermeijer slaagden erin een overwegend liberale ministersploeg samen te stellen.

De kandidaten voor Oorlog en Marine werden door de koning echter afgewezen. Bovendien wilde de koning door middel van een vragenlijst van Thorbecke weten wat het programma van het kabinet was. Thorbecke weigerde hieraan te voldoen.

De koning vroeg vervolgens Kamervoorzitter Van Goltstein i als formateur, maar deze gaf de opdracht vrijwel direct terug. Daarop vroeg de koning toch maar weer aan Thorbecke om formateur te worden. Er kwam nu snel een kabinet, met daarin op Marine en Oorlog ministers die wel voor de koning aanvaardbaar waren.

 
datum wat wie tot en met dagen
20 september 1849 benoeming (in)formateur i D. Donker Curtius en L.A. Lightenvelt 26 oktober 1849 37
27 oktober 1849 benoeming (in)formateur i J.Th.H. Nedermeijer ridder van Rosenthal en J.R. Thorbecke 29 oktober 1849 3
1 november 1849 beëdiging nieuwe bewindslieden Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk 16 april 1853 1262
17 april 1853 kabinet demissionair   18 april 1853 2
19 april 1853 ontslag verleend Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk    

2.

Samenstelling kabinet

Buitenlandse Zaken
minister: Mr. H. van Sonsbeeck (liberaal) (1 november 1849 - 16 oktober 1852)
minister: Mr. J.P.P. baron van Zuylen van Nijevelt (liberaal) (16 oktober 1852 - 19 april 1853)

Justitie
minister: Mr. J.Th.H. Nedermeijer ridder van Rosenthal (moderaat) (1 november 1849 - 15 juli 1852)
minister: Mr. M.P.H. Strens (liberaal) (15 juli 1852 - 19 april 1853)

Binnenlandse Zaken
minister: Dr.Mr. J.R. Thorbecke (liberaal)

Financiën
minister: Mr. P.Ph. van Bosse (liberaal)

Oorlog
minister: Jhr. J.Th. van Spengler (technocraat) (1 november 1849 - 15 juli 1852)
minister: H.F.Ch. baron Forstner van Dambenoy (conservatief) (15 juli 1852 - 19 april 1853)

Marine
minister: E. Lucas (technocraat) (1 november 1849 - 20 april 1851)
minister a.i.: Jhr. J.Th. van Spengler (technocraat) (20 april 1851 - 1 november 1851)
minister: J. Enslie (technocraat) (1 november 1851 - 19 april 1853)

Koloniën
minister: Ch.F. Pahud (technocraat)

Zaken der Rooms-Katholieke Eredienst
minister a.i.: Mr. H. van Sonsbeeck (liberaal) (1 november 1849 - 16 oktober 1852)
minister: Mr. M.P.H. Strens (liberaal) (16 oktober 1852 - 19 april 1853)

Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke
minister: Mr. J.Th.H. Nedermeijer ridder van Rosenthal (moderaat) (1 november 1849 - 15 juli 1852)
minister: Mr. P.Ph. van Bosse (liberaal) (15 juli 1852 - 19 april 1853)

3.

Mutaties

Nadat de Tweede Kamer in 1851 een voorstel van minister Lucas van Marine tot herstel van de schipsluis bij de marinehaven van Den Helder had bestreden, trad de minister af. Ook de Koning was niet erg ingenomen met zijn beleid. Een andere marineofficier, Enslie, volgde hem op.

In augustus 1852 verwierp de Tweede Kamer met algemene stemmen een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag met Frankrijk dat het kopiëren van wetenschappelijke en letterkundige werken moest tegengaan. Minister Van So9nsbeeck trad toen af. Het liberale Tweede Kamerlid Baron van Zuylen van Nijevelt volgde hem op.

De minister van Justitie, Nedermeijer, vertrok in 1852, omdat de Tweede Kamer niet kon instemmen met zijn Wet op de rechterlijke organisatie. Eerder was zijn wetsvoorstel inzake het recht van vereniging en vergadering al verworpen. Nedermeijer werd opgevolgd door het katholiek-liberale Kamerlid Strens.

4.

Wetgeving

De belangrijkste door het kabinet tot stand gebrachte wettelijke regelingen waren:

  • Kieswet (1850)

    Deze wet gaf uitwerking aan de bepalingen van de herziene Grondwet. De Tweede Kamerleden werden via een districtenstelsel voor zes jaar gekozen, waarbij de helft om de drie jaar aftreedt. Het land werd in 38 kiesdistricten verdeeld, waarvan 11 met één en 26 met twee afgevaardigden. Amsterdam koos vijf afgevaardigden. Wijziging van de districtsindeling moest iedere vijf jaar bij wet geschieden. Ook het kiesrecht voor Provinciale Staten en gemeenteraden werd door deze wet geregeld.

  • Provinciale Wet (1850)

    Deze regelde het bestuur in de provincies. Provinciale Staten worden via een districtenstelsel voor zes jaar (waarbij de helft iedere drie jaar aftreedt) direct gekozen op basis van censuskiesrecht. Uit het midden van Provinciale Staten wordt het college van Gedeputeerde Staten gekozen. In plaats van Gouverneurs komen er door de Kroon benoemde Commissarissen des Konings. De Commissaris is voorzitter van Provinciale en Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd college stemrecht.

  • Wet op het Nederlanderschap (1850)

    Deze wet bepaalde dat burgers door geboorte uit in op het grondgebied van het Rijk in Europa gevestigde ouders het Nederlanderschap verkrijgen. Naturalisatie was mogelijk bij wet. Door het aannemen van naturalisatie in een vreemd land of vijfjarig verblijf in een vreemd land met het oogmerk om niet terug te keren, ging het Nederlanderschap verloren.

  • Wet op de parlementaire enquête (1850)

    Deze wet bepaalt hoe een parlementaire enquête (onderzoek) kan worden ingesteld, hoe de oproeping van getuigen moest plaatsvinden, op welke wijze de verhoren moeten geschieden en welke straffen er staan op weigering te verschijnen. Ministers konden niet worden verhoord. De verhoren dienden in het Kamergebouw plaats te vinden.

  • Muntwet (1850), waarbij de zilveren standaard werd ingevoerd (het stelsel van stuivers, dubbeltjes, kwartjes, halve guldens, guldens en rijksdaalders).
  • Gemeentewet (1851)

    Met de wet verviel het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten en de Friese grietenijen werden eveneens gemeenten. De grenzen van de gemeenten en de vereniging en splitsing vindt bij wet plaats. Aan het hoofd van de gemeente komt de rechtstreeks gekozen gemeenteraad, waarvan de leden voor zes jaar worden gekozen op basis van censuskiesrecht. De voor zes jaar door de Kroon benoemde burgemeester werd voorzitter van de raad en van het dagelijks bestuur, het college van burgemeester en wethouders. De gemeenten zijn deels autonoom en hebben deels taken van zelfbestuur: zij voeren mede het rijksbeleid uit. Iedere gemeente heeft een eigen gemeentelijke politie.

  • Onteigeningswet (1851). Onteigening moet bij wet geschieden onder verklaring dat onteigening ten algemene nutte strekt en met globale aanduiding van de werkzaamheden.
  • Scheepvaartwetten (1852)

    Dit zijn de wetten inzake de regeling van de belangen der Nederlandse scheepvaart, tot afschaffing van de regten van doorvoer, en tot staking van de heffing der scheepvaartsregten op den Rijn en IJsel, alsmede tot wijziging van de wet uit 1819 inzake zeebrieven en Turksche paspoorten. Daarbij werden de doorvoer- en scheepvaartrechten en vrijwel alle Rijn- en IJsseltollen afgeschaft en werd het verlenen van zeebrieven aan in het buitenland gebouwde schepen verboden.

  • Postwet (1852). Deze wet verleende de Staat het monopolie bij de post en maakte frankering met postzegels mogelijk.