75 jaar geleden: het progressieve kabinet-Schermerhorn

Met dank overgenomen van Parlement.com.

PDC, juni 2020

 
V.l.n.r. De Booy, Beel, Logemann, Van Schaik, Mansholt, Lieftinck, Vos, Schermerhorn, Kolfschoten, Drees, Meynen, Van Kleffens, Ringers en Van Roijen.
V.l.n.r. De Booy, Beel, Logemann, Van Schaik, Mansholt, Lieftinck, Vos, Schermerhorn, Kolfschoten, Drees, Meynen, Van Kleffens, Ringers en Van Roijen.

Op 25 juni 1945 trad het kabinet-Schermerhorn aan. In 1935 was er na een crisis in het tweede kabinet-Colijn i voor het eerst serieuze kans op een kabinet van christelijke partijen en sociaaldemocraten. Vier jaar later was het zo ver, toen de SDAP i twee ministers leverde aan het noodkabinet-De Geer i. Pas in het eerste naoorlogse kabinet, het kabinet-Schermerhorn/Drees, zouden progressieve (centrumlinkse) ministers echter domineren.

Vanwege de enorme problemen die bestonden in het berooide en gehavende Nederland (waarbij ook nog eens de onafhankelijkheidsstrijd in Nederlands-Indië kwam), werd dat kabinet-Schermerhorn niet in alle opzichten een succes. Toch was sprake van een definitieve koerswijziging in de Nederlandse politiek. De vooroorlogse christelijke coalitie keerde niet terug.

In de periode 1918-1940 nam 'centrumlinks' slechts zes jaar deel aan kabinetten (in 1933-1937 de VDB i en in 1939-1940 SDAP en VDB). Tussen 1945 en 2020 zou de PvdA bijna 40 jaar in kabinetten vertegenwoordigd zijn.

1.

'Bij uiterste noodzaak'

Aan het begin van de twintigste eeuw werd de Nederlandse politiek volledig gedomineerd door de antithese. Dat was een door ARP-leider Abraham Kuyper i geïntroduceerd begrip, dat aangaf dat er in de politiek een scheiding bestond tussen 'gelovigen' en 'ongelovigen', ofwel tussen christelijke partijen (ARP, CHU i, Katholieken i, samen 'de coalitie') en niet-christelijke partijen (liberalen, vrijzinnig-democraten en SDAP).

Deze rechts-links-tegenstelling (rechts=christelijk, links=niet-christelijk) kwam vooral tot uiting bij verkiezingen en bij de kabinetsvorming. Er was steeds sprake van een rechts of van een links kabinet; samenwerking tussen partijen van links en rechts kwam niet voor.

De groei van de SDAP betekende echter dat het voor liberalen of voor de rechtse partijen moeilijker werd alleen een meerderheid te verwerven. In 1918 wilden sommige leiders van rechts (onder andere Colijn i) vorming van een 'gemengd' kabinet. De katholieken wezen samenwerking met de SDAP echter af, vanwege de maatschappijvisie van die partij.

Toen er in 1925 een breuk was ontstaan in de rechtse coalitie wees de katholiek voorman Nolens i vorming van een kabinet van RKSP, SDAP en VDB af. Hij stelde toen dat alleen 'in uiterste noodzaak' zou worden samengewerkt met de SDAP.

2.

Kabinetscrisis in 1935

In 1933 werd door Colijn een gemengd kabinet van rechts en links gevormd. Vanwege de ernstige economische crisis werd een brede basis wenselijk geacht. In het crisiskabinet-Colijn namen ook ministers van VDB (Oud i en Marchant i) en van de Liberalen (Kalff i) zitting.

In de katholieke Tweede Kamerfractie, die onder leiding stond van oud-minister Aalberse, i ontstond steeds meer onvrede over het bezuinigingsbeleid ('aanpassing') van het kabinet. De katholieken, inclusief minister Steenberghe die in mei 1935 aftrad, wilden dat de overheid een actiever economisch beleid zou voeren, door bijvoorbeeld het opzetten van werklozenprojecten.

Tijdens een debat over een wetsvoorstel waarin allerlei bezuinigingen werden geregeld ('het bezuinigingsontwerp'), uitte Aalberse ernstige kritiek op het kabinetsbeleid. Minister-president Colijn nodigde de katholieken daarop uit hun vertrouwen in het kabinetsbeleid uit te spreken. Toen Aalberse dat weigerde bood het kabinet zijn ontslag aan.

3.

Regeringsdeelname SDAP?

Aalberse werd na het uitbreken van de crisis tot formateur benoemd. Hij stuurde aan op een combinatie van RKSP en SDAP met nog een derde partij. Voor een kabinet van enkel katholieken en sociaaldemocraten (rooms-rood) voelden de katholieken niet. Daarom werden onder meer CHU en VDB uitgenodigd om ook toe te treden tot die combinatie.

De VDB van minister van Financiën Oud was echter tegen wijziging van het financieel-economische beleid en wees samenwerking met SDAP en RKSP af. De poging van Aalberse was daarmee mislukte. Uiteindelijk kwam er een nieuw kabinet-Colijn i, dat vrijwel de zelfde samenstelling had als het afgetreden tweede kabinet-Colijn.

In 1937 streefde de nieuwe katholieke voorman Goseling i (die Aalberse was opgevolgd toen die in 1936 Kamervoorzitter was geworden) naar herstel van de rechtse coalitie. In het vierde kabinet-Colijn i keerden VDB en Liberalen daarom niet terug.

Toen dat kabinet in 1939 viel en een poging van Colijn om voldoende steun te krijgen voor een protestants-liberaal minderheidskabinet (het vijfde kabinet-Colijn) was mislukt, was de situatie van 'uiterste noodzaak' aangebroken. De SDAP was bovendien sinds 1934 een gematigder koers gaan varen, waarbij onder meer defensie-uitgaven en het koningshuis werden geaccepteerd.

Tot het tweede kabinet-De Geer traden in 1939 SDAP-leider Albarda i en Tweede Kamerlid Van den Tempel i toe als eerste sociaaldemocratische ministers.

4.

Formatie kabinet-Schermerhorn/Drees

Tijdens de oorlog had zich bij veel politieke leiders, maar ook bij koningin Wilhelmina, de gedachte ontwikkeld dat het politieke bestel moest worden vernieuwd. De oude scheiding tussen 'links en rechts' moest worden doorbroken (er werd daarom van 'doorbraakgedachte i' gesproken). Aanhangers van die beweging zouden de Nederlandse Volksbeweging (NVB) oprichten.

Na de bevrijding in mei 1945 werd een kabinet gevormd door de vrijzinnig-democraat Schermerhorn i en de sociaaldemocraat Drees i. Schermerhorn werd één van de leidende figuren van de NVB, Drees was de belangrijkste voorman van de oude SDAP, maar hij stond open voor partijvernieuwing.

Schermerhorn en Drees wilden een breed samengesteld kabinet, waarin alle partijen vertegenwoordigd zouden zijn. Met de ARP - tegenstander van partijvernieuwing - ontstond echter een conflict over de wijze waarop vacatures die tijdens de oorlog waren ontstaan, moesten worden opgevuld. Er kwam wel één ARP-minister, maar die trad niet namens zijn partij op.

De belangrijkste ministers in het kabinet waren, naast Schermerhorn en Drees, de econoom Piet Lieftinck i, die minister van Financiën werd en de sociaaldemocraat Hein Vos i die op Handel en Nijverheid kwam. Vos was in de jaren dertig één van de architecten geweest van het 'Plan van de Arbeid', een plan van SDAP en NVV om de economische crisis te bestrijden.

Belangrijk waren ook de posten van Binnenlandse Zaken en Justitie vanwege de zuivering en berechting van 'foute' Nederlanders en vanwege het herstel van de bestuurlijke instellingen. Op Binnenlandse Zaken kwam Beel i en op Justitie Kolfschoten i, beiden behoorden tot de katholieke partij.

5.

Samenstelling

progressief

Schermerhorn, minister-president en Algemene Oorlogsvoering

Drees, vicepremier en Sociale Zaken

Vos, Handel en Nijverheid

Mansholt, Landbouw, Voedselvoorziening en Visserij

Lieftinck, Financiën

Logemann, Overzeese Gebiedsdelen

Van der Leeuw, Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

Van Roijen, zonder portefeuille, plaatsvervanger op Buitenlandse Zaken

rechts

Beel, Binnenlandse Zaken

Kolfschoten, Justitie

Van Schaik, Verkeer en Energie

Meynen, Oorlog

neutraal

Van Kleffens, Buitenlandse Zaken

Ringers, Openbare Werken en Wederopbouw

De Booy, Marine

6.

'Herstel en vernieuwing'.

Er is geen kabinet geweest dat voor zulke enorme problemen stond als het kabinet-Schermerhorn. Om enkele zaken te noemen: de economie lag grotendeels plat, er was schaarste aan alles (ook aan voedsel), er was woningnood, de overheid had een enorme schuld, terugkerende gevangenen uit Duitse kampen moesten worden opgevangen, 'foute' Nederlanders dienden opgesloten en bestraft te worden, bestuur en democratie moesten worden hersteld.

En dan was er ook nog een oorlog gaande in Azië. Toen die oorlog met Japan was beëindigd, ontstond er een gewapend conflict in Nederlands-Indië met naar onafhankelijkheid strevende nationalisten.

Het kabinet pakte voortvarend de problemen aan. Vooral minister Lieftinck liet zich gelden door een krachtdadige geldzuivering, waarbij alle Nederlanders hun oude guldens moesten inleveren en een week van een tientje moesten leven. Minister Vos stelde een Centraal Planbureau in, om de overheid meer grip op de economie te geven. Minister Mansholt zorgde voor herstel van de voedselvoorziening.

Er kwam echter ook kritiek op het beleid van het kabinet. De plannen voor vorming van een nationale omroep van minister Van der Leeuw strandden, het uitblijven van verkiezingen werd bekritiseerd en de instelling van een regeringsvoorlichtingsdienst werd gezien als staatspropaganda. Ook de strijd in Nederlands-Indië was omstreden.

Inmiddels was in februari 1946 de Partij van de Arbeid (PvdA) ontstaan, waarin SDAP, VDB en CDU i waren opgegaan. Ook enkele christelijke politici en partijlozen traden toe. Alle progressieve ministers uit het kabinet waren lid van de PvdA geworden en stonden in mei 1946 kandidaat bij de Tweede Kamerverkiezingen.

Bij die verkiezingen was de PvdA de grote verliezer. De doorbraak van confessionelen naar een brede progressieve volkspartij mislukte dan ook grotendeels. De oude rechtse partijen keerden terug, zij het dat de RKSP was omgevormd naar Katholieke Volkspartij (KVP).

7.

'Uiterste noodzaak na 1945'?

Ondanks het verlies bleef de PvdA in 1946 regeringspartij. Samen met de KVP trad zij toe tot het kabinet-Beel. De KVP'er Beel was premier en Drees opnieuw vicepremier. Er werd wel gesproken van 'het nieuwe bestand'. Pas in 1958 zou er een einde komen aan die - soms moeizame - samenwerking van KVP en PvdA. Vanaf 1948 zouden overigens ook andere partijen (VVD, CHU, ARP) deel uitmaken van het kabinet.

De Amsterdamse politicoloog Hans Daudt stelde in 1980 dat de leer van de 'uiterste noodzaak' ook na 1945 had gegolden. Deelname van de sociaaldemocraten aan het kabinet werd door de KVP van Romme i noodzakelijk geacht vanwege de sociale rust en om te verhinderen dat de PvdA een te linkse koers zou gaan varen. Toen in 1958 de wederopbouw was voltooid en sociale rust ook zonder PvdA mogelijk was, was het voor 'rechts' niet langer nodig om de PvdA als regeringspartij te handhaven.

In haar proefschrift "Alleen bij uiterste noodzaak? De rooms-rode samenwerking en het einde van de brede basis 1948-1958" (Amsterdam, 1986) bestreed Anneke Visser deze theorie. Zij stelde dat er niet alleen sprake was van onwil bij rechts, maar dat het na 12 jaar logisch was dat er een andere (centrumrechtse) coalitie kwam. Bovendien was het niet zo dat de PvdA alleen maar een gewillig 'slachtoffer' was, maar ook zelf doelbewust soms voor de oppositie koos.

 

Meer over