Verordening 2011/1168 - Wijziging van Verordening 2007/2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de EU

1.

Wettekst

22.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/1

 

VERORDENING (EU) Nr. 1168/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 74 en artikel 77, lid 2, onder b) en d),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Het blijft een belangrijke beleidsdoelstelling van de Europese Unie om op basis van mensenrechten, solidariteit en verantwoordelijkheid een toekomstgericht en integraal Europees migratiebeleid te ontwikkelen, in het bijzonder voor de lidstaten die onder specifieke en onevenredige druk staan.

 

(2)

Het beleid van de Unie op het gebied van de buitengrenzen beoogt door middel van een geïntegreerd grensbeheer te zorgen voor een hoog en uniform niveau van controle en bewaking, hetgeen een noodzakelijk uitvloeisel is van het vrije verkeer van personen in de Unie en een wezenlijk onderdeel van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Daartoe wordt het opstellen van gemeenschappelijke regels inzake normen en procedures voor de controle en de bewaking van de buitengrenzen overwogen.

 

(3)

Voor een efficiënte tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke regels inzake normen en procedures voor de controle en de bewaking van de buitengrenzen is meer coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten nodig.

 

(4)

Efficiënt beheer van de buitengrenzen middels controles en bewaking helpt de illegale immigratie en de mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te beperken.

 

(5)

Grenstoezicht aan de buitengrenzen is niet alleen in het belang van de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar in dat van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft.

 

(6)

In 2004 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan Verordening (EG) nr. 2007/2004 van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (3) (FRONTEX) (hierna: „het agentschap”), dat in mei 2005 operationeel werd. Verordening (EG) nr. 2007/2004 werd in 2007 gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle-grensinterventieteams (4).

 

(7)

Verdere uitbreiding van de rol van het agentschap sluit aan bij het doel van de Unie een beleid te ontwikkelen ter geleidelijke invoering van het concept „geïntegreerd grensbeheer”. Het agentschap moet de lidstaten binnen de grenzen van zijn mandaat steunen bij de tenuitvoerlegging van dit concept zoals dat is omschreven in de conclusies van de Raad inzake geïntegreerd grensbeheer van 4 en 5 december 2006.

 

(8)

Het door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 goedgekeurde meerjarenprogramma voor een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger (het programma van Stockholm) roept op om de rol van het agentschap bij het beheer van de buitengrenzen te verduidelijken en uit te breiden.

 

(9)

Het mandaat van het agentschap dient dan ook te worden herzien om met name de operationele capaciteit van het agentschap te vergroten, en daarbij te waarborgen dat alle getroffen maatregelen evenredig zijn aan de doelstellingen, doeltreffend zijn en de grondrechten en rechten van vluchtelingen en asielzoekers ten volle eerbiedigen, met inbegrip van het verbod op refoulement.

 

(10)

De huidige mogelijkheden om de lidstaten effectief te ondersteunen bij de operationele aspecten van het beheer van de buitengrenzen moeten worden versterkt wat betreft de beschikbare technische middelen. Het agentschap moet de coördinatie van gezamenlijke operaties of proefprojecten voldoende nauwkeurig kunnen plannen.

 

(11)

Een voorschrift betreffende de minimaal door het agentschap en/of, verplicht, door de lidstaten op de grondslag van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten beschikbaar te stellen technische uitrusting zal in hoge mate bijdragen tot verbetering van de planning en uitvoering van de door het agentschap gecoördineerde overwogen operaties.

 

(12)

Het agentschap dient lijsten te beheren van technische uitrusting die lidstaten of het agentschap in eigendom hebben en van uitrusting die lidstaten en agentschap in mede-eigendom hebben, door in een gezamenlijk bestand van technische uitrusting gecentraliseerde registers aan te leggen en bij te houden. Dit bestand dient het minimumaantal categorieën technische uitrusting te bevatten die het agentschap nodig heeft om zijn activiteiten te kunnen uitvoeren.

 

(13)

Om te waarborgen dat de operaties doeltreffend verlopen, dient het agentschap teams van grenswachten op te richten. De lidstaten leveren een bijdrage tot deze teams door een passend aantal bekwame grenswachten beschikbaar te stellen voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met uitzonderlijke situaties waardoor het uitvoeren van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt.

 

(14)

Het agentschap moet aan deze teams grenswachten kunnen toevoegen die door de lidstaten als nationale deskundigen bij het agentschap zijn gedetacheerd op een semipermanente basis; voor deze grenswachten dient bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden hetzelfde wettelijke kader te gelden als voor de uitgezonden functionarissen die rechtstreeks door de lidstaten aan deze teams worden toegevoegd. Het agentschap dient zijn interne regels inzake gedetacheerde nationale deskundigen in die zin aan te passen dat de ontvangende staat de grenswachten tijdens gezamenlijke operaties en proefprojecten rechtstreeks instructies kan geven.

 

(15)

Een vastomlijnd operationeel plan, met een evaluatieregeling en een verplichting om incidenten te melden, dat vóór het begin van gezamenlijke operaties of proefprojecten wordt overeengekomen door het agentschap en de ontvangende lidstaat, in overleg met de deelnemende lidstaten, zal de doelstelling van deze verordening veel dichterbij brengen met een harmonieuzer modus operandi wat betreft de coördinatie van gezamenlijke operaties en proefprojecten.

 

(16)

De regeling voor incidentenmelding dient door het agentschap te worden gebruikt om aan de relevante nationale openbare autoriteiten en zijn raad van bestuur („de raad van bestuur”) alle gegevens door te geven over geloofwaardige aantijgingen van inbreuken, in het bijzonder, op Verordening (EG) nr. 2007/2004 of de Schengengrenscode vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5), met inbegrip van de grondrechten, gedurende gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle interventies.

 

(17)

Risicoanalyse is van groot belang gebleken voor het uitvoeren van operaties aan de buitengrenzen. De kwaliteit hiervan dient te worden verbeterd door een methode toe te voegen ter beoordeling van het vermogen van de lidstaten in de toekomst het hoofd te bieden aan uitdagingen, onder meer bestaande en toekomstige gevaren en druk aan de buitengrenzen. Deze evaluaties dienen het Schengenevaluatiemechanisme echter onverlet te laten.

 

(18)

Het agentschap moet op Europees niveau voorzien in opleiding, onder meer op het gebied van de grondrechten, toegang tot internationale bescherming en toegang tot asielprocedures, voor opleiders van nationale grenswachten van de lidstaten en in bijscholing en studiebijeenkomsten voor functionarissen van de bevoegde nationale diensten met betrekking tot controle en bewaking van de buitengrenzen en verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn. Het agentschap kan in samenwerking met de lidstaten opleidingsactiviteiten, onder meer een uitwisselingsprogramma, organiseren op hun grondgebied. De lidstaten dienen de resultaten van het werk van het agentschap te integreren in de nationale opleidingsprogramma's van hun grenswachten.

 

(19)

Het agentschap dient de voor zijn werkterrein relevante ontwikkelingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek te volgen en hiertoe bij te dragen, en deze informatie door te geven aan de Commissie en de lidstaten.

 

(20)

In de meeste lidstaten vallen de operationele aspecten van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen. Aangezien het een duidelijke meerwaarde heeft om deze taken op het niveau van de Unie uit te voeren, moet het agentschap, geheel in overeenstemming met het terugkeerbeleid van de Unie, zorgen voor het coördineren of het organiseren van gezamenlijke terugkeeroperaties van de lidstaten, optimale werkwijzen vaststellen voor het verkrijgen van reisdocumenten en een gedragscode opstellen die dient te gelden tijdens de verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn. Er dienen geen financiële middelen van de Unie beschikbaar te worden gesteld voor activiteiten of operaties waarvan de uitvoering niet in overeenstemming is met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest van de grondrechten”).

 

(21)

Voor het verrichten van zijn opdracht en voor zover dat voor de uitvoering van zijn taken nodig is, kan het agentschap met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en andere agentschappen en organen van de Unie, de bevoegde autoriteiten van derde landen en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). Het agentschap moet de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid van de Unie inzake externe betrekkingen vergemakkelijken.

 

(22)

Het wordt steeds belangrijker om op het gebied van zaken die onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallen met derde landen samen te werken. Voor solide samenwerking met relevante derde landen moet het agentschap technischebijstandsprojecten kunnen lanceren en financieren en in samenwerking met de bevoegde instanties in die landen verbindingsfunctionarissen in derde landen kunnen inzetten. Het agentschap moet waarnemers uit derde landen kunnen uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, na in de nodige opleiding te hebben voorzien. Het aangaan van samenwerking met derde landen is ook van betekenis voor de bevordering van normen van de Unie voor grensbeheer, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

 

(23)

Teneinde open en transparante arbeidsvoorwaarden en gelijke behandeling van personeel te waarborgen, moeten zowel op het personeel als op de uitvoerend directeur van het agentschap het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, zoals neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (6) van toepassing zijn, met inbegrip van de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht.

 

(24)

Voorts moet de raad van bestuur specifieke bepalingen vaststellen om het mogelijk te maken dat nationale deskundigen van de lidstaten bij het agentschap worden gedetacheerd. In deze bepalingen dient onder meer te worden gespecificeerd dat gedetacheerde nationale grenswachten die worden ingezet in het kader van gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle interventies moeten worden beschouwd als uitgezonden functionarissen met de dienovereenkomstige taken en bevoegdheden.

 

(25)

Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het agentschap. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming dient dan ook te waken over de verwerking van persoonsgegevens door het agentschap en het recht te hebben om van het agentschap toegang te krijgen tot alle informatie die voor zijn onderzoek nodig is.

 

(26)

Voor zover de lidstaten persoonsgegevens verwerken, is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (8), onverkort van toepassing.

 

(27)

Bij het verzorgen van het operationele beheer van de IT-systemen moet het agentschap Europese en internationale normen, onder meer met betrekking tot gegevensbescherming, toepassen en de strengste professionele vereisten in acht nemen.

 

(28)

Verordening (EG) nr. 2007/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

 

(29)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het bijzonder zijn erkend in het VWEU en het Handvest van de grondrechten, in het bijzonder het recht op menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel, het beginsel van non-refoulement, het non-discriminatiebeginsel, de rechten van het kind, en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. De lidstaten moeten deze verordening toepassen in overeenstemming met deze rechten en beginselen. Gebruik van geweld moet overeenkomen met het nationale recht van de ontvangende lidstaat, met inbegrip van de beginselen van noodzaak en proportionaliteit.

 

(30)

De tenuitvoerlegging van deze verordening dient de rechten of verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen onverlet te laten.

 

(31)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk bijdragen tot de totstandbrenging van een geïntegreerd beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

 

(32)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (9), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst (10). De delegaties van de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen dienen bijgevolg als leden van de raad van bestuur deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

 

(33)

Wat Zwitserland betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (11), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (12). Bijgevolg dient de delegatie van de Zwitserse Bondsstaat als lid van de raad van bestuur deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

 

(34)

Wat Liechtenstein betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (13), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EG (14) van de Raad. Bijgevolg dient de delegatie van het Vorstendom Liechtenstein als lid van de raad van bestuur deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

 

(35)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening, of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

 

(36)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (15). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

 

(37)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (16). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

 

(38)

Het agentschap dient de organisatie te vergemakkelijken van operationele acties, waarbij de lidstaten gebruik kunnen maken van de deskundigheid en faciliteiten die Ierland en het Verenigd Koninkrijk eventueel bereid zijn aan te bieden, overeenkomstig nadere voorwaarden die per geval door de raad van bestuur worden vastgelegd. Daartoe dienen vertegenwoordigers van Ierland en het Verenigd Koninkrijk voor alle vergaderingen van de raad van bestuur te worden uitgenodigd, zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de besprekingen ter voorbereiding van dergelijke operationele acties.

 

(39)

Er bestaat een controverse tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk over de afbakening van de grenzen van Gibraltar.

 

(40)

De opschorting van de toepasbaarheid van deze verordening op de grenzen van Gibraltar betekent niet dat de respectieve standpunten van de betrokken staten gewijzigd zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Verordening (EG) nr. 2007/2004 wordt als volgt gewijzigd:

 

1)

In artikel 1 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

„2.   Niettegenstaande het feit dat de verantwoordelijkheid voor de controle en bewaking van de buitengrenzen bij de lidstaten berust, vergemakkelijkt het agentschap, als orgaan van de Unie zoals bedoeld in artikel 15 en in overeenstemming met artikel 19 van deze verordening, de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, in het bijzonder de Schengengrenscode vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 562/2006 (17), en maakt het deze effectiever. Hiertoe coördineert het de acties van de lidstaten ter uitvoering van deze maatregelen; aldus draagt het bij tot een doelmatig, hoog en uniform niveau van de controle van personen en van de bewaking van de buitengrenzen van de lidstaten.

Het agentschap vervult zijn taken met inachtneming van het relevante recht van de Unie, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest van de grondrechten”), het relevante internationale recht, waaronder het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 („het Verdrag van Geneve”) betreffende de status van vluchtelingen, de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en de grondrechten, en rekening houdend met de verslagen van het in artikel 26 bis van deze verordening bedoelde raadgevend forum.

  • 3. 
    Eveneens voorziet het agentschap de Commissie en de lidstaten van de nodige technische ondersteuning en kennis op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en bevordert de solidariteit tussen de lidstaten, met de nadruk op die lidstaten die onder specifieke en onevenredige druk staan.
 

2)

Artikel 1 bis wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„1 bis.   „Europese grenswachtteams”: voor de toepassing van artikel 3, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 8 en artikel 17, teams die worden ingezet tijdens gezamenlijke operaties en proefprojecten; voor de toepassing van de artikelen 8 bis tot en met 8 octies, teams die kunnen worden ingezet voor snelle interventies aan de grenzen („snelle interventies”) in de zin van verordening (EG) nr. 863/2007 (18) en voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder e bis) en g), en artikel 5, teams die kunnen worden ingezet tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle interventies;

 

b)

punt 2 wordt vervangen door:

 

„2.

 

c)

de punten 4 en 5 worden vervangen door:

„4.   „teamleden”: grenswachten van lidstaten die deel uitmaken van de Europese grenswachtteams en die geen grenswacht zijn van de ontvangende lidstaat;

  • 5. 
    „verzoekende lidstaat”: een lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten het agentschap verzoeken om op zijn grondgebied teams voor snelle interventies in te zetten;”.
 

3)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de punten c) en d) worden vervangen door:

 

„c)

risicoanalyses uitvoeren, waaronder een inschatting van de capaciteit van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en druk aan de buitengrenzen;

 

d)

bijdragen aan de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek dat relevant is voor de controle en de bewaking van de buitengrenzen;”;

 

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

 

„d bis)

de lidstaten bijstaan in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;”;

 

iii)

punt e) wordt vervangen door:

 

„e)

de lidstaten bijstaan in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen, in het bijzonder indien zij onder specifieke en onevenredige druk staan;”;

 

iv)

het volgende punt wordt toegevoegd:

 

„e bis)

het opzetten van Europese grenswachtteams die worden ingezet tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle interventies;”;

 

v)

de punten f) en g) worden vervangen door:

 

„f)

de lidstaten de nodige ondersteuning bieden, waaronder het op verzoek coördineren of organiseren van gezamenlijke terugkeeroperaties;

 

g)

het inzetten van grenswachten van de Europese grenswachtteams in de lidstaten in het kader van gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle interventies overeenkomstig Verordening (EG) nr. 863/2007;”;

 

vi)

onderstaande punten worden toegevoegd:

 

„h)

het ontwikkelen en beheren, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001, van informatiesystemen waarmee informatie over nieuwe risico's aan de buitengrenzen snel en betrouwbaar kan worden uitgewisseld, waaronder het bij Beschikking 2005/267/EG (19) van de Raad opgerichte informatie- en coördinatienetwerk;

 

i)

de nodige steun verlenen voor de ontwikkeling en het beheer van een Europees grensbewakingssysteem en zo nodig voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke structuur voor informatie-uitwisseling, met inbegrip van interoperabiliteit tussen systemen.

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„1 bis.   Overeenkomstig het recht van de Unie en het internationale recht mogen personen niet ontscheept worden in, of op een andere wijze worden overgedragen aan de autoriteiten van een land in strijd met het beginsel van non-refoulement of waar zij het risico lopen te worden uitgezet of teruggeleid naar een ander land in strijd met genoemd beginsel. In overeenstemming met het recht van de Unie en het internationale recht wordt voorzien in de bijzondere behoeften van kinderen, slachtoffers van mensenhandel, personen die medische bijstand behoeven, personen die internationale bescherming behoeven en andere kwetsbare personen.”;

 

c)

in lid 2 wordt de laatste alinea vervangen door:

„Zij brengen aan het agentschap verslag uit over die operationele aangelegenheden in verband waarmee aan de buitengrenzen wordt samengewerkt buiten het kader van het agentschap. De uitvoerend directeur van het agentschap („(„de uitvoerend directeur”) informeert de raad van bestuur van het agentschap („de raad van bestuur”) geregeld over die aangelegenheden en ten minste eenmaal per jaar.”.

 

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 2 bis

Gedragscode

Het agentschap stelt een gedragscode op die van toepassing is op alle door het agentschap gecoördineerde operaties, en ontwikkelt deze verder. In de gedragscode worden voor alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het agentschap geldende procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtstaat en eerbiediging van de grondrechten met bijzondere focus op niet-begeleide minderjarigen en kwetsbare personen, alsook op personen die verzoeken om internationale bescherming.

Het agentschap stelt de gedragscode op in samenwerking met het in artikel 26 bis bedoelde raadgevend forum.”.

 

5)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Gezamenlijke operaties en proefprojecten aan de buitengrenzen

  • 1. 
    De door de lidstaten ingediende voorstellen voor gezamenlijke operaties en proefprojecten worden door het agentschap geëvalueerd, goedgekeurd en gecoördineerd, met inbegrip van de verzoeken van de lidstaten die verband houden met omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vergen, in het bijzonder in geval van specifieke en onevenredige druk.

Het agentschap kan zelf gezamenlijke operaties en proefprojecten initiëren en uitvoeren in samenwerking met de betrokken lidstaten en in overeenstemming met de ontvangende lidstaten.

Het agentschap kan ook besluiten zijn technische uitrusting ter beschikking te stellen van lidstaten die aan gezamenlijke operaties of proefprojecten deelnemen.

Aan gezamenlijke operaties en proefprojecten dient een grondige risicoanalyse vooraf te gaan.

1 bis.   Het agentschap kan, na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, gezamenlijke operaties en proefprojecten stopzetten, wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van deze gezamenlijke operaties of proefprojecten.

Lidstaten die deelnemen aan een gezamenlijke operatie of een proefproject kunnen het agentschap verzoeken die gezamenlijke operatie of dat proefproject te beëindigen.

De lidstaat van herkomst voorziet overeenkomstig zijn nationale recht in de nodige tucht- of andere maatregelen, in geval tijdens een gezamenlijke operatie of een proefproject de grondrechten worden geschonden of de verplichtingen op het gebied van internationale bescherming niet worden geëerbiedigd.

De uitvoerend directeur schort gezamenlijke operaties en proefprojecten geheel of ten dele op of zet ze geheel of ten dele stop, wanneer hij van oordeel is dat dergelijke inbreuken ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren.

1 ter.   Het agentschap vormt overeenkomstig artikel 3 ter een gezamenlijk bestand van grenswachten, de zogeheten Europese grenswachtteams, voor eventuele inzet bij de in lid 1 bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten. Het beslist over de inzet van personele middelen en technische uitrusting overeenkomstig de artikelen 3 bis en 7.

  • 2. 
    Het agentschap kan voor de praktische organisatie van gezamenlijke operaties en proefprojecten via zijn in artikel 16 bedoelde gespecialiseerde bijkantoren optreden.
  • 3. 
    Het agentschap evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en proefprojecten en geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van deze operaties en projecten door aan de raad van bestuur, vergezeld van de opmerkingen van de in artikel 26 bis bedoelde grondrechtenfunctionaris. Het agentschap maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige gezamenlijke operaties en proefprojecten; deze analyse wordt in het in artikel 20, lid 2, onder b), bedoelde algemene verslag opgenomen.
  • 4. 
    De in lid 1 bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten worden door het agentschap gefinancierd of medegefinancierd via subsidies die overeenkomstig de voor het agentschap geldende financiële regels uit zijn begroting worden toegekend.
  • 5. 
    De leden 1 bis en 4 zijn ook van toepassing op snelle interventies.”.
 

6)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 3 bis

Organisatorische aspecten van gezamenlijke operaties en proefprojecten

  • 1. 
    De uitvoerend directeur stelt een operationeel plan op voor de in artikel 3, lid 1 bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten. De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen in overleg met de lidstaten die deelnemen aan een gezamenlijke operatie of een proefproject het operationele plan vast waarin de organisatorische aspecten tijdig vóór de geplande aanvang van de gezamenlijke operatie of het proefproject worden opgenomen.

Het operationele plan omvat alle aspecten die voor de uitvoering van de gezamenlijke operatie of het proefproject nodig worden geacht, met inbegrip van:

 

a)

een beschrijving van de situatie, met modus operandi en doelstellingen van de inzet, inclusief het operationele doel;

 

b)

de te verwachten duur van de gezamenlijke operatie of het proefproject;

 

c)

het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie of het proefproject zal plaatsvinden;

 

d)

een beschrijving van de taken en speciale instructies voor de uitgezonden functionarissen, onder meer over de vraag welke gegevensbanken in de ontvangende lidstaat door de teamleden mogen worden geraadpleegd en welke dienstwapens, munitie en uitrusting zij daar mogen hebben;

 

e)

de samenstelling van de teams van uitgezonden functionarissen en de inzet van ander relevant personeel;

 

f)

voorschriften inzake bevelvoering en aansturing, waaronder de naam en rang van de grenswachten van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de uitgezonden functionarissen en het agentschap, in het bijzonder van de grenswachten die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren, alsook de plaats van de uitgezonden functionarissen in de bevelstructuur;

 

g)

de bij de gezamenlijke operatie of het proefproject in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;

 

h)

nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties;

 

i)

een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 3;

 

j)

voor operaties op zee, specifieke informatie betreffende toepassing van de desbetreffende jurisdictie en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie of het proefproject plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het internationale recht en het recht van de Unie inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping;

 

k)

voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere agentschappen en organen van de Unie of internationale organisaties.

  • 2. 
    Voor wijzigingen of aanpassingen van het operationele plan is de instemming van de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat vereist. Het agentschap dient onmiddellijk een kopie van het gewijzigde of aangepaste operationele plan toe te zenden aan de deelnemende lidstaten.
  • 3. 
    Het agentschap zorgt in het kader van zijn coördinerende taken voor de operationele tenuitvoerlegging van alle organisatorische aspecten, waaronder de aanwezigheid van een personeelslid van het agentschap tijdens de in dit artikel bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten.

Artikel 3 ter

Samenstelling en inzet van Europese grenswachtteams

  • 1. 
    Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden over de profielen en het totale aantal van de grenswachten die aan de Europese grenswachtteams ter beschikking dienen te worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele navolgende wijzigingen in de profielen en in het totale aantal. Via een nationaal bestand, opgebouwd op basis van de verschillende vastgestelde profielen, dragen de lidstaten bij tot de Europese grenswachtteams door grenswachten aan te wijzen die beantwoorden aan de verlangde profielen.
  • 2. 
    De bijdrage van de lidstaten betreffende het inzetten van hun grenswachten voor specifieke gezamenlijke operaties en proefprojecten in het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachten voor inzet ter beschikking op verzoek van het agentschap, tenzij de lidstaten geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie die de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang brengt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 45 dagen voor de gewenste inzet ingediend. De autonomie van de lidstaat van herkomst wat betreft de selectie van het personeel en de duur van de inzet ervan blijft onverlet.
  • 3. 
    Ook het agentschap draagt tot de Europese grenswachtteams bij met bekwame grenswachten, die krachtens artikel 17, lid 5, door de lidstaten gedetacheerd zijn als nationale deskundigen. De bijdrage van de lidstaten betreffende de detachering van hun grenswachten bij het agentschap voor het komende jaar, wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het agentschap en de lidstaten.

Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachten ter beschikking voor detachering, tenzij dit de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang zou brengen. In dergelijke situaties kunnen de lidstaten hun gedetacheerde grenswachten terugroepen.

Deze detacheringen hebben een maximale duur van zes maanden per periode van twaalf maanden. De gedetacheerde grenswachten worden in het kader van deze verordening beschouwd als uitgezonden functionarissen en hebben de in artikel 10 bedoelde taken en bevoegdheden. De lidstaat die de betrokken grenswachten heeft gedetacheerd, wordt beschouwd als „lidstaat van herkomst” als bepaald in artikel 1 bis, punt 3, voor de toepassing van de artikelen 3 quater, 10 en 10 ter. Ander tijdelijk personeel van het agentschap, dat niet gekwalificeerd is om grenscontroletaken te verrichten, wordt bij gezamenlijke operaties en proefprojecten alleen ingezet voor coördinatietaken.

  • 4. 
    De leden van de Europese grenswachtteams eerbiedigen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden ten volle de grondrechten, waaronder de toegang tot asielprocedures, en de menselijke waardigheid. De bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden genomen maatregelen staan in verhouding tot de met die maatregelen beoogde doelstellingen. Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen zij niemand discrimineren op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.
  • 5. 
    Overeenkomstig artikel 8 octies, benoemt het agentschap voor elke operatie en elk proefproject waarbij leden van de Europese grenswachtteams worden ingezet een coördinerend functionaris.

De coördinerend functionaris bevordert de samenwerking en de coördinatie tussen de ontvangende en de deelnemende lidstaten.

  • 6. 
    Het agentschap draagt de kosten die door de lidstaten worden gemaakt om ingevolge lid 1 van dit artikel hun grenswachten ter beschikking te stellen voor de Europese grenswachtteams overeenkomstig artikel 8 nonies.
  • 7. 
    Het agentschap deelt elk jaar aan het Europees Parlement mede hoeveel grenswachten elke lidstaat overeenkomstig dit artikel beschikbaar heeft gesteld voor de Europese grenswachtteams.

Artikel 3 quater

Instructies aan de Europese grenswachtteams

  • 1. 
    Tijdens de inzet van de Europese grenswachtteams geeft de ontvangende lidstaat instructies aan de teams volgens het in artikel 3 bis, lid 1, bedoelde operationele plan.
  • 2. 
    Via zijn coördinerend functionaris, zoals bedoeld in artikel 3 ter, lid 5, kan het agentschap de ontvangende lidstaat zijn visie geven op de in lid 1 bedoelde instructies. De ontvangende lidstaat houdt daar in dat geval rekening mee.
  • 3. 
    Overeenkomstig artikel 8 octies verstrekt de ontvangende lidstaat de coördinerend functionaris alle nodige bijstand, met inbegrip van de volledige toegang tot de Europese grenswachtteams te allen tijde gedurende de gehele periode waarin deze worden ingezet.
  • 4. 
    De leden van de Europese grenswachtteams blijven bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst.”.
 

7)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Risicoanalyse

Het agentschap ontwikkelt een gemeenschappelijk model voor geïntegreerde risicoanalyse en past dit toe.

Het agentschap bereidt algemene en specifieke risicoanalyses voor die bij de Raad en de Commissie worden ingediend.

Met het oog op risicoanalyses kan het agentschap, na voorafgaande raadpleging van de betrokken lidstaten, een inschatting maken van hun capaciteit om het hoofd te bieden aan nieuwe uitdagingen, waaronder bestaande en toekomstige dreigingen en druk aan de buitengrenzen van de lidstaten; zulks geldt in het bijzonder ten aanzien van lidstaten die onder specifieke en onevenredige druk staan. Het agentschap kan daartoe de uitrusting en de middelen van de lidstaten op het gebied van grenstoezicht inschatten. De inschatting geschiedt op basis van door de betrokken lidstaten verstrekte informatie en de verslagen en resultaten van gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies en andere activiteiten van het agentschap. Deze inschattingen laten het Schengenevaluatiemechanisme onverlet.

De resultaten van deze inschattingen worden voorgelegd aan de raad van bestuur.

Voor de toepassing van dit artikel voorzien de lidstaten het agentschap van alle nodige informatie over de situatie en eventuele dreigingen aan de buitengrenzen.

Het agentschap verwerkt bij de ontwikkeling van de gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten de resultaten van het in artikel 5 bedoelde gemeenschappelijke model voor geïntegreerde risicoanalyse.”.

 

8)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Het agentschap verstrekt grenswachten van de Europese grenswachtteams de voor hun taken en bevoegdheden relevante vervolgopleiding. Het organiseert ook regelmatig oefeningen met deze grenswachten volgens de in het jaarlijkse werkprogramma van het agentschap bedoelde planning voor vervolgopleiding en oefening.

Het agentschap neemt eveneens de nodige initiatieven om ervoor te zorgen dat alle grenswachten en het overige personeel van de lidstaten dat deelneemt aan de Europese grenswachtteams, evenals het personeel van het agentschap, voordat zij deelnemen aan de door het agentschap georganiseerde operationele activiteiten, opleiding hebben ontvangen betreffende het recht van de Unie en het internationale recht ter zake, waaronder de grondrechten en toegang tot internationale bescherming, alsook richtsnoeren voor het identificeren van personen die verzoeken om bescherming en hen te verwijzen naar de desbetreffende faciliteiten.

Het agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten vast, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau voor opleiders van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer inzake de grondrechten, de toegang tot internationale bescherming en het relevante zeerecht.

Het agentschap stelt de gemeenschappelijke basisinhoud op na raadpleging van het in artikel 26 bis bedoelde raadgevend forum.

De lidstaten nemen de gemeenschappelijke basisinhoud op in de opleiding van hun nationale grenswachten.”;

 

b)

na de laatste alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

„Het agentschap stelt een uitwisselingsprogramma op dat de grenswachten die deelnemen aan de Europese grenswachtteams in staat stelt door samenwerking met grenswachten in een andere lidstaat dan hun eigen lidstaat kennis of specifieke deskundigheid te verwerven van ervaringen en goede werkmethoden in het buitenland.”.

 

9)

De artikelen 6 en 7 worden vervangen door:

„Artikel 6

Aandacht voor en bijdrage aan onderzoek

Het agentschap besteedt proactief aandacht aan en draagt proactief bij aan de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek dat relevant is voor de controle en de bewaking van de buitengrenzen en geeft deze informatie door aan de Commissie en de lidstaten.

Artikel 7

Technische uitrusting

  • 1. 
    Het agentschap kan, zelf of in mede-eigendom met een lidstaat, technische uitrusting voor controle aan de buitengrenzen, die wordt ingezet voor gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies, gezamenlijke terugkeeroperaties of projecten voor technische bijstand, aanschaffen of leasen overeenkomstig de voor het agentschap geldende financiële regels. Aan elke aanschaf of leasing van uitrusting die aanzienlijke kosten meebrengt voor het agentschap, gaat een grondige behoeften- en kosten-batenanalyse vooraf. De uitgaven hiervoor worden opgenomen in de begroting van het agentschap die door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 29, lid 9, wordt vastgesteld. Als het agentschap belangrijke technische uitrusting, zoals patrouillevaartuigen voor gebruik op volle zee en in kustwateren of patrouillevoertuigen, aanschaft of least, gelden de volgende voorwaarden:
 

a)

in het geval van aanschaf en mede-eigendom spreekt het agentschap formeel met één lidstaat af dat deze laatste zorgt voor de registratie van de uitrusting overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die lidstaat;

 

b)

in het geval van leasing dient de uitrusting in een lidstaat geregistreerd te zijn.

Op basis van een door het agentschap opgestelde modelovereenkomst maken de lidstaat van registratie en het agentschap afspraken over de voorwaarden om de perioden te garanderen dat de activa in mede-eigendom volledig aan het agentschap ter beschikking staan, en over de gebruiksvoorwaarden van de uitrusting.

De lidstaat van registratie of de leverancier van de technische uitrusting zorgt voor de deskundigen en technici die nodig zijn om de technische uitrusting rechtsgeldig en veilig in te zetten.

  • 2. 
    Het agentschap zorgt voor het opzetten en bijhouden van centrale registers van uitrusting in een bestand van aan de lidstaten of het agentschap en van aan de lidstaten en het agentschap gezamenlijk toebehorende technische uitrusting voor buitengrenscontroledoeleinden. Het bestand van technische uitrusting bevat een minimale hoeveelheid van elk type technische uitrusting als bedoeld in lid 5 van dit artikel. De technische uitrusting die in het bestand van technische uitrusting is opgenomen wordt ingezet bij de in de artikelen 3, 8 bis en 9 bedoelde activiteiten.
  • 3. 
    De lidstaten dragen bij tot het in lid 2 bedoelde bestand van technische uitrusting. De bijdrage van de lidstaten aan het bestand en aan de inzet van technische uitrusting voor specifieke operaties, wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten en voor zover het gaat om de minimale hoeveelheid technische uitrusting voor een bepaald jaar, stellen de lidstaten hun technische uitrusting op verzoek van het agentschap ter beschikking voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie die de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang brengt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 45 dagen vóór de gewenste inzet ingediend. De bijdragen aan het bestand van technische uitrusting worden jaarlijks opnieuw beoordeeld.
  • 4. 
    Het agentschap houdt de registers van het bestand van technische uitrusting als volgt bij:
 

a)

indeling naar type uitrusting en naar type operatie;

 

b)

indeling naar eigenaar (lidstaat, agentschap, andere);

 

c)

totale hoeveelheden van de vereiste uitrusting;

 

d)

eventueel vereist personeel;

 

e)

overige informatie, zoals registratiegegevens, vereisten op het gebied van transport en onderhoud, toepasselijke nationale exportregelingen, technische instructies, of overige informatie die van belang is voor het correct gebruik van de uitrusting.

  • 5. 
    Het agentschap financiert de inzet van de technische uitrusting die deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid technische uitrusting die een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar beschikbaar moet stellen. De inzet van technische uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid technische uitrusting wordt tot maximaal 100 % van de in aanmerking komende uitgaven door het agentschap meegefinancierd, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden waarin de lidstaten die deze technische uitrusting inzetten, zich bevinden.

De regels betreffende de technische uitrusting, met inbegrip van de vereiste totale minimale hoeveelheden per type technische uitrusting, de voorwaarden voor inzet en de vergoeding van kosten worden jaarlijks overeenkomstig artikel 24 op voorstel van de uitvoerend directeur vastgesteld door de raad van bestuur. Om budgettaire redenen dient de raad van bestuur dit besluit jaarlijks uiterlijk op 31 maart te nemen.

In overeenstemming met zijn behoeften stelt het agentschap de minimale hoeveelheid technische uitrusting voor die het nodig heeft, in het bijzonder voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies en gezamenlijke terugkeeroperaties, overeenkomstig het werkprogramma voor het betrokken jaar.

Indien de minimale hoeveelheid technische uitrusting niet blijkt te volstaan om het voor gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies of gezamenlijke terugkeeroperaties overeengekomen operationele plan uit te voeren, wordt die hoeveelheid door het agentschap aangepast op basis van een verantwoorde behoeftestelling en een overeenkomst met de lidstaten.

  • 6. 
    Het agentschap brengt maandelijks aan de raad van bestuur verslag uit over de samenstelling en de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van het bestand van technische uitrusting. Als de in lid 5 bedoelde minimale hoeveelheid technische uitrusting niet wordt bereikt, stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur hiervan onverwijld in kennis. De raad van bestuur beslist op korte termijn aan welke zaken bij de inzet van de technische uitrusting prioriteit moet worden gegeven en neemt passende maatregelen om de gesignaleerde tekortkomingen te verhelpen. De raad van bestuur brengt de Commissie op de hoogte van de gesignaleerde tekortkomingen en de getroffen maatregelen. Vervolgens legt de Commissie de zaak samen met haar eigen beoordeling voor aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 7. 
    Het agentschap deelt elk jaar aan het Europees Parlement mede hoeveel technische uitrusting elke lidstaat overeenkomstig dit artikel ter beschikking heeft gesteld voor het bestand van technische uitrusting.”.
 

10)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 komt als volgt te luiden:

„1.   Onverminderd artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) kunnen één of meer lidstaten die bij de nakoming van hun verplichtingen inzake controle en bewaking van de buitengrenzen onder specifieke en onevenredige druk staan en worden geconfronteerd met omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vergen, het agentschap om bijstand verzoeken. Het agentschap organiseert overeenkomstig artikel 3 passende technische en operationele bijstand aan de verzoekende lidstaat of lidstaten.”;

 

b)

in lid 2 wordt het volgende punt ingevoegd:

 

„c)

grenswachten van de Europese grenswachtteams inzetten.”;

 

c)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   Het agentschap kan technische uitrusting voor controles en bewaking van de buitengrenzen aanschaffen die door zijn deskundigen en in het kader van snelle interventies wordt gebruikt voor de duur ervan.”.

 

11)

Artikel 8 bis wordt vervangen door:

„Artikel 8 bis

Snelle interventies

Op verzoek van een lidstaat die plotseling te maken krijgt met een situatie van uitzonderlijke druk, in het bijzonder de toestroom op bepaalde punten aan de buitengrenzen van grote aantallen onderdanen van derde landen die trachten illegaal het grondgebied van de lidstaat binnen te komen, kan het agentschap voor een beperkte periode zo lang dat nodig is één of meer Europese grenswachtteams („team(s)” of „snelle-grensinterventieteams”) inzetten op het grondgebied van de verzoekende lidstaat, overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 863/2007.”.

 

12)

Artikel 8 quinquies, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   Indien de uitvoerend directeur beslist één of meer teams in te zetten, stelt het agentschap samen met de verzoekende lidstaat onmiddellijk en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen na de datum van de beslissing een operationeel plan op overeenkomstig artikel 8 sexies.”.

 

13)

Artikel 8 sexies, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

Punten e), f) en g) worden vervangen door:

 

„e)

de samenstelling van de teams en de inzet van ander relevant personeel;

 

f)

voorschriften inzake bevelvoering en aansturing, waaronder de naam en rang van de grenswachten van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de teams, in het bijzonder van de grenswachten die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren over de teams, alsook de plaats van de teams in de bevelstructuur;

 

g)

de met de teams in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;”;

 

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

 

„h)

nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties;

 

i)

een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 3;

 

j)

voor operaties op zee, specifieke informatie betreffende de toepassing van de desbetreffende jurisdictie en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het internationale recht en het recht van de Unie inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping;

 

k)

modaliteiten voor samenwerking met derde landen, andere agentschappen en organen van de Unie of internationale organisaties.”.

 

14)

In artikel 8 nonies, lid 1, komt de aanhef als volgt te luiden:

„1.   Het agentschap draagt het volledige bedrag van de volgende kosten die door de lidstaten worden gemaakt om hun grenswachten ter beschikking te stellen in het kader van de in artikel 3, lid 1 ter, artikel 8 bis en artikel 8 quater bedoelde activiteiten:”.

 

15)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Samenwerking inzake terugkeer

  • 1. 
    Afhankelijk van het terugkeerbeleid van de Unie, met name Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (20), en zonder terugkeerbesluiten inhoudelijk te beoordelen, verleent het agentschap de nodige bijstand en zorgt het op verzoek van de deelnemende lidstaten voor de coördinatie of de organisatie van gezamenlijke terugkeeroperaties van lidstaten, onder meer door voor dergelijke operaties vliegtuigen te huren. Het agentschap financiert (mee) de in dit lid bedoelde operaties en projecten via subsidies die overeenkomstig de voor het agentschap geldende financiële regels uit zijn begroting worden toegekend. Het agentschap kan ook financiële middelen van de Unie gebruiken die op het gebied van terugkeer beschikbaar zijn. Het agentschap zorgt ervoor dat bij subsidieovereenkomsten met lidstaten de onverkorte inachtneming van het Handvest van de grondrechten als voorwaarde geldt voor financiële steun.

1 bis.   Het agentschap ontwikkelt een gedragscode voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal aanwezig zijn; deze code geldt tijdens alle door het agentschap gecoördineerde gezamenlijke terugkeeroperaties en beschrijft gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures die de organisatie van gezamenlijke terugkeeroperaties moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer verloopt op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten, en meer bepaald van het beginsel van de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

1 ter.   In de gedragscode wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem op te zetten voor het toezicht op gedwongen terugkeer en op de in artikel 26 bis, lid 1, van deze verordening bedoelde strategie inzake grondrechten. Het toezicht op gezamenlijke terugkeeroperaties moet op de grondslag van objectieve en heldere normen worden uitgeoefend en dient de hele gezamenlijke terugkeeroperatie te bestrijken, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de repatrianten in het land van terugkeer.

1 quater.   De lidstaten stellen het agentschap regelmatig op de hoogte van hun behoefte aan hulp of coördinatie door het agentschap. Het agentschap stelt een voortschrijdend operationeel plan op om de lidstaten die daarom verzoeken de nodige operationele bijstand te verlenen, waaronder de in artikel 7, lid 1, bedoelde technische uitrusting. De raad van bestuur beslist overeenkomstig artikel 24 over een voorstel van de uitvoerend directeur over de inhoud en modus operandi van het voor voortdurende aanpassing vatbare operationele plan.

  • 2. 
    Het agentschap werkt samen met de bevoegde autoriteiten van de in artikel 14 bedoelde derde landen, en stelt optimale werkwijzen vast voor het verkrijgen van reisdocumenten en de terugkeer van illegaal aanwezige onderdanen van derde landen.
 

16)

Artikel 10, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden nemen de uitgezonden functionarissen het recht van de Unie en het internationale recht in acht en leven ze de grondrechten en het nationale recht van de ontvangende lidstaat na.”.

 

17)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Systemen voor informatie-uitwisseling

Het agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de in artikel 13 bedoelde agentschappen van de Unie, te vergemakkelijken. Het zet een informatiesysteem op voor de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens met deze actoren en het maakt van dit systeem gebruik; het betreft o.m. de in de artikelen 11 bis, 11 ter en 11 quater bedoelde persoonsgegevens.

Het agentschap kan alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter vergemakkelijking van de uitwisseling van voor zijn taak belangrijke gegevens met het Verenigd Koninkrijk en Ierland, indien deze gegevens betrekking hebben op activiteiten waaraan deze landen overeenkomstig artikel 12 en artikel 20, lid 5, deelnemen.”.

 

18)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Gegevensbescherming

Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de verwerking van gegevens door het agentschap.

De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 door het agentschap, onder meer betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van het agentschap. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Onverminderd de artikelen 11 ter en 11 quater kan het agentschap voor administratieve doelen persoonsgegevens verwerken.

Artikel 11 ter

Verwerking van persoonsgegevens in het kader van gezamenlijke terugkeeroperaties

  • 1. 
    In het kader van zijn taken de in artikel 9 bedoelde gezamenlijke terugkeeroperaties van lidstaten te organiseren en te coördineren, kan het agentschap persoonlijke gegevens verwerken van personen die aan dit soort gezamenlijke terugkeeroperaties worden onderworpen.
  • 2. 
    Bij de verwerking van dergelijke persoonsgegevens worden de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid bij de verwerking van deze persoonsgegevens nageleefd. Met name wordt de verwerking strikt beperkt tot de persoonsgegevens die vereist zijn met het oog op de gezamenlijke terugkeeroperatie.
  • 3. 
    Persoonsgegevens worden gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld is verwezenlijkt, en niet later dan tien dagen na het einde van de gezamenlijke terugkeeroperatie.
  • 4. 
    Wanneer de persoonsgegevens niet door een lidstaat aan de vervoerder worden overgedragen, kan het agentschap deze gegevens doorsturen.
  • 5. 
    Dit artikel wordt toegepast overeenkomstig de in artikel 11 bis bedoelde maatregelen.

Artikel 11 quater

Verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle interventies.

  • 1. 
    Onverminderd de bevoegdheid van lidstaten in het kader van gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle interventies persoonsgegevens te verzamelen, en met inachtneming van de in de leden 2 en 3 uiteengezette beperkingen, kan het agentschap door de lidstaten in het kader van dergelijke operationele werkzaamheden verzamelde en aan het agentschap doorgestuurde gegevens verder verwerken om bij te dragen tot de veiligheid van de buitengrenzen van de lidstaten.
  • 2. 
    Deze verdere verwerking van persoonsgegevens door het agentschap blijft beperkt tot persoonsgegevens van personen die door de bevoegde instanties van de lidstaten op redelijke gronden worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende criminele activiteiten, het mogelijk maken van illegale migratieactiviteiten of activiteiten in verband met mensenhandel, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, onder a) en b) van Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (21).
  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde persoonsgegevens worden door het agentschap uitsluitend verder verwerkt voor de volgende doelen:
 

a)

de doorzending per geval naar Europol of naar andere wethandhavingsagentschappen van de Unie, overeenkomstig artikel 13,

 

b)

het gebruik voor de opstelling van in artikel 4 bedoelde risicoanalyses. In de uitkomsten van de risicoanalyses worden de gegevens geanonimiseerd.

  • 4. 
    De persoonsgegevens worden gewist zodra zij zijn doorgezonden naar Europol of andere agentschappen van de Unie of wanneer zij gebruikt zijn voor de opstelling van de in artikel 4 bedoelde risicoanalyses. De opslagtermijn overschrijdt in geen enkel geval drie maanden na de datum waarop de gegevens zijn verzameld.
  • 5. 
    Bij de verwerking van deze persoonsgegevens worden de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid nageleefd. De persoonsgegevens worden door het agentschap niet gebruikt voor naspeuringen die onder verantwoordelijkheid blijven vallen van de bevoegde instanties van de lidstaten.

De verwerking wordt vooral strikt beperkt tot de persoonsgegevens die vereist zijn met het oog op de in lid 3 bedoelde doelen.

  • 6. 
    Onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001 is verdere overdracht of andere uitwisseling van door het agentschap verwerkte persoonsgegevens aan derde landen of andere derden niet toegestaan.
  • 7. 
    Dit artikel wordt toegepast overeenkomstig de in artikel 11 bis bedoelde maatregelen.

Artikel 11 quinquies

Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet-gerubriceerde gevoelige gegevens

  • 1. 
    Het agentschap past de veiligheidsvoorschriften van de Commissie toe, als vastgesteld in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (22). Die voorschriften gelden onder meer voor de uitwisseling, de verwerking en de opslag van gerubriceerde gegevens.
  • 2. 
    Het agentschap past tevens de veiligheidsbeginselen betreffende de behandeling van niet-gerubriceerde gevoelige gegevens toe, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit bedoeld in lid 1 van dit artikel en door de Commissie ten uitvoer worden gelegd. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van die veiligheidsbeginselen.
 

19)

De artikelen 13 en 14 worden vervangen door:

„Artikel 13

Samenwerking met agentschappen en organen van de Unie, en internationale organisaties

Het agentschap kan met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten („het Bureau voor de grondrechten”, andere agentschappen en organen van de Unie, en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in het kader van met deze organen gemaakte werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het VWEU en de bepalingen over de bevoegdheid van die organen. Het agentschap houdt het Europees Parlement van deze regelingen in elk geval op de hoogte.

Verdere overdracht of andere uitwisseling van door het agentschap verwerkte persoonsgegevens aan andere agentschappen of organen van de Unie worden afhankelijk gesteld van specifieke werkafspraken over de uitwisseling van persoonsgegevens en van voorafgaande toestemming door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Ook kan het agentschap met instemming van de betrokken lidstaat of lidstaten waarnemers van agentschappen en organen van de Unie of van internationale organisaties uitnodigen om deel te nemen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot betere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van die activiteiten. De deelneming van deze waarnemers aan de in de artikelen 4 en 5 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de betrokken lidstaat of lidstaten, de deelneming aan de in artikel 3 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de ontvangende lidstaat. Het in artikel 3 bis, lid 1, genoemde operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelneming van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het agentschap.

Artikel 14

Vergemakkelijking van operationele samenwerking met derde landen en samenwerking met bevoegde autoriteiten van derde landen

  • 1. 
    Voor de aangelegenheden die door zijn activiteiten worden bestreken en voor zover nodig voor de uitvoering van zijn taken, vergemakkelijkt het agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Unie, onder meer wat betreft mensenrechten.

Het agentschap en de lidstaten nemen normen en maatstaven in acht die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Uniewetgeving zijn vastgelegd, ook wanneer de operaties in het kader van samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvinden.

Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt ook tot bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

  • 2. 
    Het agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het VWEU. Die werkafspraken houden louter verband met het beheer van de operationele samenwerking.
  • 3. 
    Het agentschap kan zijn verbindingsfunctionarissen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken in derde landen optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de krachtens Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (23), opgezette plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van verbindingsfunctionarissen van de lidstaten. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale maatstaven inzake mensenrechten. Hun inzet wordt door de raad van bestuur goedgekeurd. In het kader van het beleid inzake de externe betrekkingen van de Unie moet bij de inzet prioriteit worden gegeven aan de derde landen die volgens risicoanalyses een land van herkomst of doorreis zijn bij illegale migratie. Op basis van wederkerigheid kan het agentschap, voor een beperkte periode, ook verbindingsfunctionarissen ontvangen die door die derde landen zijn ter beschikking gesteld. De raad van bestuur stelt overeenkomstig artikel 24 jaarlijks de lijst met prioriteiten vast op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.
  • 4. 
    De taken van de verbindingsfunctionarissen van het agentschap omvatten, met inachtneming van het recht van de Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contact met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij aangewezen zijn, teneinde bij te dragen tot de preventie en bestrijding van illegale immigratie en tot de terugkeer van illegale migranten.
  • 5. 
    Het agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten die het beleid inzake externe betrekkingen van de Unie ondersteunen. Het kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van zaken waarop deze verordening betrekking heeft.
  • 6. 
    Het agentschap kan eveneens, met instemming van de betrokken lidstaat of lidstaten, waarnemers van derde landen uitnodigen om deel te nemen aan zijn in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot een betere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten. De deelneming van deze waarnemers aan de in de artikelen 4 en 5 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de betrokken lidstaat of lidstaten, de deelneming aan de in artikel 3 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de ontvangende lidstaat. Het in artikel 3 bis, lid 1, genoemde operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelneming van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het agentschap.
  • 7. 
    Bij het sluiten van bilaterale overeenkomsten met derde landen zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten zo nodig bepalingen opnemen over de rol en de bevoegdheden van het agentschap, in het bijzonder wat betreft de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door leden van de teams die het agentschap inzet gedurende de in artikel 3 bedoelde gezamenlijke operaties of proefprojecten.
  • 8. 
    Voor de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde activiteiten is vooraf advies van de Commissie vereist; het Europees Parlement wordt van die activiteiten zo spoedig mogelijk volledig op de hoogte gesteld.
 

20)

In artikel 15 wordt de eerste alinea vervangen door:

„Het agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.”.

 

21)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

Zetelovereenkomst

De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van het agentschap in de lidstaat waar de zetel is gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen installaties, alsook de specifieke voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, het personeel van het agentschap en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het agentschap en de lidstaat waarin het agentschap zijn zetel heeft. De zetelovereenkomst wordt gesloten nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd. De lidstaat waar het agentschap zijn zetel heeft, dient de gunstigst mogelijke voorwaarden voor de goede werking van het agentschap te bieden, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.”.

 

22)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   Voor de toepassing van artikel 3 ter, lid 5, kan als coördinerend functionaris in de zin van artikel 8 octies alleen een personeelslid van het agentschap worden aangewezen, voor wie het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie of titel II van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie geldt. Voor de toepassing van artikel 3 ter, lid 3, kunnen alleen door een lidstaat bij het agentschap gedetacheerde nationale deskundigen worden aangewezen voor toewijzing aan de Europese grenswachtteams. Het agentschap wijst de nationale deskundigen aan die overeenkomstig voornoemd artikel aan de Europese grenswachtteams worden toegewezen.”;

 

b)

de volgende leden worden toegevoegd:

„4.   De raad van bestuur stelt in overeenstemming met de Commissie de nodige uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

  • 5. 
    De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen op grond waarvan nationale deskundigen uit de lidstaten bij het agentschap kunnen worden gedetacheerd. Deze bepalingen houden rekening met de vereisten van artikel 3 ter, lid 3, en in het bijzonder met het feit dat de betrokkenen als uitgezonden functionarissen worden beschouwd en de in artikel 10 bedoelde taken en bevoegdheden hebben. Zij bevatten eveneens bepalingen inzake de voorwaarden voor inzet.”.
 

23)

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

punt h) wordt vervangen door:

 

„h)

bepaalt de organisatorische structuur van het agentschap en stelt het personeelsbeleid van het agentschap vast, met name het meerjarige personeelsbeleidsplan. Overeenkomstig de betrokken bepalingen in Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 betreffende de financiële kaderregeling van de organen, zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (24) wordt het meerjarige personeelsbeleidsplan ingediend bij de Commissie en, na een gunstig advies van de Commissie, bij de begrotingsautoriteit;

 

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

 

„i)

stelt het meerjarenplan van het agentschap vast, met een beschrijving van de langetermijnstrategie voor de toekomstige activiteiten van het agentschap.”;

 

b)

lid 4 komt als volgt te luiden:

„4.   De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de ontwikkeling van het operationele beheer van de buitengrenzen, waaronder onderzoeksactiviteiten zoals omschreven in artikel 6.”.

 

24)

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1, laatste zin, komt als volgt te luiden:

„Deze ambtstermijn kan worden verlengd.”;

 

b)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   De landen die betrokken zijn bij uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis nemen deel in het agentschap. Zij hebben ieder één vertegenwoordiger en één plaatsvervanger in de raad van bestuur. Krachtens de desbetreffende bepalingen van hun associatieovereenkomsten zijn er regelingen uitgewerkt die de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van deze landen aan het werk van het agentschap vastleggen, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van financiële bijdragen en personeel.”.

 

25)

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 2 komt als volgt te luiden:

„2.   Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken om verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken heeft uitgevoerd, in het bijzonder over tenuitvoerlegging van en toezicht op de grondrechtenstrategie, het algemene verslag van het agentschap over het voorafgaande jaar, het werkprogramma voor het komende jaar en het in artikel 20, lid 2), onder i), bedoelde meerjarenplan van het Agentschap.”;

 

b)

in lid 3, wordt het volgende punt toegevoegd:

 

„g)

hij waarborgt de tenuitvoerlegging van de in de artikelen 3 bis en 8 sexies bedoelde operationele plannen.”.

 

26)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 26 bis

Grondrechtenstrategie

  • 1. 
    Het agentschap stelt zijn Grondrechtenstrategie op, werkt die nader uit en past die toe. Het agentschap voert een doeltreffend mechanisme in om erop toe te zien dat bij alle activiteiten van het agentschap de grondrechten worden geëerbiedigd.
  • 2. 
    Het agentschap richt een adviesforum op dat de uitvoerend directeur en de raad van bestuur bijstaat op het gebied van grondrechten. Het agentschap verzoekt het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten, het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere betrokken organisaties om aan het adviesforum deel te nemen. Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur over de samenstelling en de werkmethoden van het adviesforum en over de wijze waarop aan het forum informatie wordt toegezonden.

Het adviesforum wordt geraadpleegd over de verdere ontwikkelingen en uitvoering van de Grondrechtenstrategie, de gedragscode en de gemeenschappelijke basisinhoud.

Het adviesforum stelt een jaarverslag van zijn activiteiten op. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

  • 3. 
    De raad van bestuur stelt een grondrechtenfunctionaris aan; deze beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten. Hij is onafhankelijk in de uitvoering van zijn taken als grondrechtenfunctionaris en rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur en het adviesforum. Hij brengt regelmatig verslag uit en draagt aldus bij tot het mechanisme voor toezicht op grondrechten.
  • 4. 
    De grondrechtenfunctionaris en het adviesforum hebben voor alle activiteiten van het agentschap toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van grondrechten.”.
 

27)

Aan artikel 33 worden de volgende leden toegevoegd:

„2 bis.   In het kader van de eerste evaluatie na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1168/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot 25 oktober 2011 wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (25) wordt eveneens geanalyseerd of het nodig is de coördinatie van het beheer van de buitengrenzen van de lidstaten nog verder op te voeren, met inbegrip van de haalbaarheid van de oprichting van een Europees systeem van grenswachten.

2 ter.   De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest van de grondrechten bij de toepassing van de verordening werd nageleefd.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 25 oktober 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • J. 
    BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

  • M. 
    DOWGIELEWICZ
 

  • (2) 
    Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 oktober 2011.
  • Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1).”.
  • Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle-grensinterventieteams (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 30).”;
  • Beschikking 2005/267/EG van de Raad van 16 maart 2005 betreffende de totstandbrenging van een beveiligd op internet gebaseerde informatie- en coördinatienetwerk voor de migratiebeheersdiensten van de lidstaten (PB L 83 van 1.4.2005, blz. 48).”;
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.