Richtlijn 2009/83 - Wijziging van bepaalde bijlagen bij Richtlijn 2006/48/EG wat een aantal technische voorschriften inzake risicobeheer betreft

1.

Wettekst

28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/14

 

RICHTLIJN 2009/83/EG VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2009

tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad wat een aantal technische voorschriften inzake risicobeheer betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (1), en met name op artikel 150, lid 1, onder l),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Om ervoor te zorgen dat Richtlijn 2006/48/EG overal in de Europese Unie op coherente wijze ten uitvoer wordt gelegd en wordt toegepast, hebben de Commissie en het Comité van Europese bankentoezichthouders in 2006 een werkgroep (Capital Requirements Directive Transposition Group — CRDTG) opgericht, die werd belast met de taak de met de tenuitvoerlegging en toepassing van de richtlijn verband houdende problemen te bespreken en op te lossen. Volgens de CRDTG dienen bepaalde technische voorschriften die in de bijlagen V, VI, VII, VIII, IX, X en XII van Richtlijn 2006/48/EG zijn vervat, nader te worden gespecificeerd teneinde een convergente toepassing ervan te waarborgen. Bovendien stroken sommige voorschriften niet met de goede risicomanagementpraktijken van kredietinstellingen. Het verdient daarom aanbeveling deze voorschriften aan te passen.

 

(2)

Ter wille van de totstandbrenging van de interne markt dient duidelijkheid te worden verschaft over de manieren waarop een kredietinstelling kan aantonen dat haar balans gekenmerkt wordt door een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico aan derden. Het verdient tevens aanbeveling de omrekeningsfactor voor door kredietinstellingen aan buitenbalansvehikels toegekende liquiditeitsfaciliteiten te verhogen.

 

(3)

Richtlijn 2006/48/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

 

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het bankwezen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

 

1)

Bijlage V, punt 8, komt als volgt te luiden:

 

„8.

De risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen als investeerder, initiator of sponsor optreden, worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende gedragslijnen en procedures. Deze gedragslijnen en procedures zorgen er met name voor dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicobeheer ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.”.

 

2)

Bijlage VI, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 29, eerste alinea, komt als volgt te luiden:

 

„29.

Aan vorderingen op instellingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 4 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.”;

 

b)

punt 31, eerste alinea, komt als volgt te luiden:

 

„31.

Aan vorderingen op instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 5 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.”;

 

c)

punt 14 komt als volgt te luiden:

 

d)

punt 73, eerste alinea, komt als volgt te luiden:

 

„73.

Aan vorderingen op instellingen waarop de punten 29 tot en met 32 van toepassing zijn, en aan vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.”;

 

e)

het volgende punt 90 wordt toegevoegd:

 

„90.

Bij lease-overeenkomsten is de waarde van de post gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. Minimumleasebetalingen zijn de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen, alsmede alle gunstige koopopties (dit zijn opties die naar alle waarschijnlijkheid worden uitgeoefend). Ook alle gegarandeerde restwaarden die voldoen aan de reeks voorwaarden in bijlage VIII, deel 1, punten 26, 27 en 28, met betrekking tot de toelating van protectiegevers alsmede de minimumvereisten voor de erkenning van andere soorten garanties in bijlage VIII, deel 2, punten 14 tot en met 19, zijn in de minimumleasebetalingen inbegrepen. Deze vorderingen worden overeenkomstig artikel 79 in de desbetreffende categorie ondergebracht. Wanneer de vordering een restwaarde van geleasd onroerend goed is, worden de risicogewogen posten als volgt berekend: 1/t * 100 % * waarde van de post, waarbij t gelijk is aan 1 of de op het dichtstbijzijnde gehele getal afgeronde resterende duur van de lease-overeenkomst, al naargelang welke van beide getallen het hoogst is.”.

 

3)

Bijlage VII, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 25 komt als volgt te luiden:

 

„25.

De risicogewogen post is het potentiële verlies op de posities in aandelen van de kredietinstelling dat is bepaald aan de hand van interne VAR (value-at-risk)-modellen met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 % van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen en een passend risicovrij percentage berekend over een lange steekproefperiode, vermenigvuldigd met 12,5. Op het niveau van de aandelenportefeuille mag de risicogewogen post niet minder zijn dan de som van de bij de PD/LGD-benadering vereiste minimale risicogewogen post en de overeenkomstige verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5, en berekend op basis van de in deel 2, punt 24, onder a), genoemde PD-waarde en de bijbehorende, in deel 2, punten 25 en 26, genoemde LGD- waarden.”;

 

b)

punt 27 komt als volgt te luiden:

 

„27.

De risicogewogen posten worden berekend volgens de onderstaande formule:

 
 

Risicogewogen post = 100 % * waarde van de post,

 
 

behalve wanneer het gaat om een restwaarde van geleasd onroerend goed, in welk geval de risicogewogen post als volgt wordt berekend:

 
 

1/t * 100 % * waarde van de post,

 
 

waarbij t gelijk is aan 1 of de op het dichtstbijzijnde gehele getal afgeronde resterende duur van de lease-overeenkomst, al naargelang welk van beide getallen het hoogst is.”.

 

4)

Bijlage VII, deel 2, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 13, onder c), komt als volgt te luiden:

 

„c)

Voor vorderingen die ontstaan uit hoofde van transacties met betrekking tot volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage IV en van volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 10 dagen. Voor repo’s of opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt.”;

 

b)

de aanhef van punt 14 komt als volgt te luiden:

 

„14.

In afwijking van punt 13, onder a), b), c), d) en e), is M ten minste gelijk aan één dag voor:”.

 

5)

Bijlage VII, deel 4, punt 96, komt als volgt te luiden:

 

„96.

De in de punten 97 tot en met 104 gestelde eisen gelden niet voor garanties verstrekt door instellingen, centrale overheden en centrale banken, alsook door ondernemingen die voldoen aan de in bijlage VIII, deel 1, punt 26, onder g), gestelde eisen, mits de kredietinstelling toestemming heeft gekregen om de regels van de artikelen 78 tot en met 83 toe te passen op vorderingen op dergelijke entiteiten. In dat geval zijn de vereisten van de artikelen 90 tot en met 93 van toepassing.”.

 

6)

Bijlage VIII, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in punt 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Indien de instelling voor collectieve belegging niet alleen mag beleggen in instrumenten die overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, kunnen de rechten van deelneming ter waarde van de in aanmerking komende activa als zekerheden worden aangemerkt in de veronderstelling dat de ICB tot de toegestane grens in niet in aanmerking komende activa heeft belegd. In de gevallen waarin niet in aanmerking komende activa als gevolg van uit eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een negatieve waarde kunnen hebben, berekent de kredietinstelling de totale waarde van de niet in aanmerking komende activa en vermindert zij de waarde van de in aanmerking komende activa met de waarde van de niet in aanmerking komende activa indien laatstgenoemde waarde in totaal negatief is.”;

 

b)

in punt 11 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Indien de instelling voor collectieve belegging niet alleen mag beleggen in instrumenten die overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, en in de onder a) van dit punt bedoelde instrumenten, kunnen de rechten van deelneming ter waarde van de in aanmerking komende activa als zekerheden worden aangemerkt in de veronderstelling dat de ICB tot de toegestane grens in niet in aanmerking komende activa heeft belegd. In de gevallen waarin niet in aanmerking komende activa als gevolg van uit eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een negatieve waarde kunnen hebben, berekent de kredietinstelling de totale waarde van de niet in aanmerking komende activa en vermindert zij de waarde van de in aanmerking komende activa met de waarde van de niet in aanmerking komende activa indien laatstgenoemde waarde in totaal negatief is.”.

 

7)

Bijlage VIII, deel 2, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 13 komt als volgt te luiden:

 

„13.

Aan de leningverstrekkende kredietinstelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten worden pas in aanmerking genomen als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

 

a)

de levensverzekeringsovereenkomst is openlijk in pand gegeven of overgedragen aan de leningverstrekkende kredietinstelling;

 

b)

de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, is in kennis gesteld van de pandgeving of overdracht en mag als gevolg daarvan niet tot uikering van de onder de overeenkomst te betalen bedragen overgaan zonder de toestemming van de leningverstrekkende kredietinstelling;

 

c)

de leningverstrekkende kredietinstelling heeft het recht de overeenkomst op te zeggen en de afkoopwaarde te ontvangen ingeval de leningnemer in gebreke blijft;

 

d)

de leningverstrekkende kredietinstelling wordt in kennis gesteld wanneer de verzekeringnemer nalaat betalingen onder de overeenkomst te verrichten;

 

e)

de kredietprotectie geldt voor de gehele looptijd van de lening; indien dit niet mogelijk is omdat de verzekeringsovereenkomst reeds voor de kredietovereenkomst afloopt, moet de kredietinstelling erop toezien dat het uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende bedrag tot het einde van de looptijd van de kredietovereenkomst de kredietinstelling als zekerheid dient;

 

f)

de pandgeving of de overdracht is juridisch rechtsgeldig en afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante jurisdicties;

 

g)

de afkoopwaarde wordt aangegeven door de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, en is niet verminderbaar;

 

h)

de afkoopwaarde wordt zo spoedig mogelijk betaald indien daarom wordt verzocht;

 

i)

er kan niet om betaling van de afkoopwaarde worden verzocht zonder de toestemming van de kredietinstelling;

 

j)

de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, valt onder Richtlijn 2002/83/EG en Richtlijn 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) of staat onder toezicht van een bevoegde autoriteit van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast.

 

b)

de aanhef van punt 16 komt als volgt te luiden:

 

„16.

Wanneer een vordering wordt beschermd door een garantie met een tegengarantie van een centrale overheid of een centrale bank, van een regionale of lagere overheid of een publiekrechtelijk lichaam indien de schuldvorderingen op deze overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als schuldvorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn, van een multilaterale ontwikkelingsbank of een internationale organisatie waaraan overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend, of van een publiekrechtelijk lichaam indien de schuldvorderingen op dat lichaam overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als schuldvorderingen op kredietinstellingen, mag de vordering worden behandeld als een vordering die wordt beschermd door een garantie die door het lichaam in kwestie is verstrekt, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:”.

 

8)

Bijlage VIII, deel 3, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 24 komt als volgt te luiden:

 

„24.

De eenvoudige benadering van financiële zekerheden mag slechts worden toegepast indien de risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden berekend. Een kredietinstelling mag niet zowel de eenvoudige benadering van financiële zekerheden als de uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepassen, behalve voor de toepassing van artikel 85, lid 1, en artikel 89, lid 1. Kredietinstellingen tonen aan de bevoegde autoriteiten aan dat een dergelijke uitzonderlijke toepassing van beide methoden niet selectief plaatsvindt met de bedoeling lagere minimumkapitaalvereisten te bewerkstelligen en evenmin tot toezicht- en regelgevingsarbitrage leidt.”;

 

b)

punt 26 komt als volgt te luiden:

 

„26.

Het risicogewicht dat overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 zou worden toegekend indien de kredietgever een rechtstreekse positie in het zekerheidsinstrument had, wordt toegekend aan die gedeelten van de waarden van de post die door de marktwaarde van erkende zekerheden zijn gedekt. Te dien einde wordt de waarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 78, lid 1, vermelde waarde. Het risicogewicht van het door zekerheden gedekte gedeelte bedraagt ten minste 20 %, behalve in de in de punten 27, 28 en 29 gespecificeerde gevallen. Aan het resterende gedeelte van de vordering wordt het risicogewicht toegekend dat overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 van toepassing zou zijn op een niet-gedekte vordering op de tegenpartij.”;

 

c)

in punt 33 komt de definitie van de variabele „E” als volgt te luiden:

„E de waarde van de post is zoals deze overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 dan wel de artikelen 84 tot en met 89, naargelang van het geval, zou worden vastgesteld indien de positie niet door zekerheden was gedekt. Te dien einde wordt, voor kredietinstellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83, de waarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 78, lid 1, vermelde waarde, en wordt voor kredietinstellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89, de waarde van de in bijlage VII, deel 3, punten 9, 10 en 11, vermelde posten berekend met gebruikmaking van een conversiefactor van 100 % in plaats van in die punten vermelde conversiefactoren of percentages.”;

 

d)

in punt 69 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Te dien einde wordt de waarde van de in bijlage VII, deel 3, punten 9, 10 en 11, vermelde posten berekend met gebruikmaking van een conversiefactor of percentage van 100 % in plaats van in die punten vermelde conversiefactoren of percentages.”;

 

e)

punt 75 komt als volgt te luiden:

 

„75.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 73 geboden mogelijkheid gebruikmaken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan de risicogewichten die in het kader van de in punt 73 beschreven behandeling geoorloofd zijn, toe te kennen aan vorderingen die gedekt zijn door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat bevindt, mits aan de in die lidstaat toepasselijke voorwaarden wordt voldaan.”;

 

f)

punt 80 komt als volgt te luiden:

 

„80.

Wanneer aan de in deel 2, punt 13, gestelde voorwaarden is voldaan, wordt het deel van de vordering dat door de actuele afkoopwaarde van kredietprotectie als bedoeld in deel 1, punt 24, wordt gedekt, als volgt behandeld:

 

a)

ofwel worden daarop de in punt 80 bis gespecificeerde risicogewichten toegepast wanneer de vordering onder de artikelen 78 tot en met 83 valt;

 

b)

ofwel wordt er een LGD van 40 % aan toegekend wanneer de vordering valt onder de artikelen 84 tot en met 89 maar niet onder de eigen LGD-ramingen van de kredietinstelling.

In geval van een valutamismatch wordt de actuele afkoopwaarde verminderd in overeenstemming met punt 84, waarbij de waarde van de kredietprotectie de actuele afkoopwaarde van de levensverzekeringsovereenkomst is.”;

 

g)

na punt 80 wordt het volgende nieuwe punt 80 bis ingevoegd:

 

„80 bis

Voor de toepassing van punt 80, onder a), worden de volgende risicogewichten toegekend, waarbij wordt uitgegaan van het risicogewicht dat wordt toegekend aan een preferente niet-gedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten:

 

a)

een risicogewicht van 20 % wanneer aan een preferente niet-gedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een risicogewicht van 20 % wordt toegekend;

 

b)

een risicogewicht van 35 % wanneer aan een preferente niet-gedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een risicogewicht van 50 % wordt toegekend;

 

c)

een risicogewicht van 70 % wanneer aan een preferente niet-gedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een risicogewicht van 100 % wordt toegekend;

 

d)

een risicogewicht van 150 % wanneer aan een preferente niet-gedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een risicogewicht van 150 % wordt toegekend.”;

 

h)

punt 87 komt als volgt te luiden:

 

„87.

Voor de toepassing van artikel 80 is g het risicogewicht dat moet worden toegekend aan een vordering waarvan de waarde van de post (E) volledig gedekt wordt door niet-volgestorte protectie (GA), waarbij:

 
 

E de waarde van de post is als bedoeld in artikel 78; te dien einde wordt de waarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 78, lid 1, vermelde waarde;

 
 

g het risicogewicht is van vorderingen op de protectiegever zoals aangegeven in de artikelen 78 tot en met 83, en

 
 

GA de waarde is van G* als berekend overeenkomstig punt 84 en nader gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil als beschreven in deel 4.”;

 

i)

in punt 88 komt de definitie van de variabele „E” als volgt te luiden:

„E de waarde van de post is als bedoeld in artikel 78. Te dien einde wordt de waarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 78, lid 1, vermelde waarde;”;

 

j)

de punten 90, 91 en 92 komen als volgt te luiden:

 

„90.

Wat het gedekte gedeelte van de waarde van de post (E) (op basis van de gecorrigeerde waarde van de kredietprotectie GA) betreft, kan de voor de toepassing van bijlage VII, deel 2, te ramen PD de PD van de protectiegever zijn, of een PD tussen die van de leningnemer en die van de garantiegever indien volledige vervanging niet gerechtvaardigd wordt geacht. In het geval van achtergestelde vorderingen en niet-achtergestelde, niet-volgestorte protectie mag voor de toepassing van bijlage VII, deel 2, de LGD worden gebruikt die van toepassing is op niet-achtergestelde schuldvorderingen.

 

91.

Voor een eventueel ongedekt gedeelte van de waarde van de post (E) is de PD die van de leningnemer en is de LGD die van de onderliggende vordering.

 

92.

GA is de waarde van G* als berekend overeenkomstig punt 84, nader gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil als beschreven in deel 4. E is de waarde van de post als bedoeld in bijlage VII, deel 3. Te dien einde wordt de waarde van de in bijlage VII, deel 3, punten 9, 10 en 11, vermelde posten berekend met gebruikmaking van een conversiefactor of percentage van 100 % in plaats van in die punten vermelde conversiefactoren of percentages.”.

 

9)

Bijlage IX, deel 2, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 1 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de aanhef komt als volgt te luiden:

 

„1.

De initiërende kredietinstelling van een traditionele securitisatie mag gesecuritiseerde vorderingen buiten de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten houden indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

 

a)

een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde vorderingen verbonden kredietrisico is geacht te zijn overgedragen aan derden;

 

b)

de initiërende kredietinstelling past een risicogewicht van 1 250 % toe op alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of trekt deze securitisatieposities af van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 57, onder r).”;

 

ii)

na de aanhef worden de volgende punten 1 bis tot en met 1 quinquies ingevoegd:

 

„1 bis.

Tenzij de bevoegde autoriteit in een specifiek geval besluit dat de eventuele vermindering van de risicogewogen posten die de initiërende kredietinstelling door de betrokken securitisatie zou bewerkstelligen niet gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, wordt in de volgende gevallen aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen:

 

a)

de risicogewogen posten van de mezzanine securitisatieposities die de initiërende kredietinstelling in deze securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine securitisatieposities;

 

b)

ingeval er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine securitisatieposities bestaan en de initiator kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen, houdt de initiërende kredietinstelling niet meer dan 20 % van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn.

 

1 ter.

Voor de toepassing van punt 1 bis worden onder mezzanine securitisatieposities securitisatieposities verstaan waarop een risicogewicht van minder dan 1 250 % van toepassing is en die van een lagere rangorde zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie welke overeenkomstig deel 3 is ondergebracht in:

 

a)

kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie waarop deel 4, punten 6 tot en met 36, van toepassing zijn, of

 

b)

kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie waarop deel 4, punten 37 tot en met 76, van toepassing zijn.

 

1 quater.

Bij wijze van alternatief voor de punten 1 bis en 1 ter mag worden aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen indien de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat er bij een kredietinstelling gedragslijnen en methodologieën bestaan die garanderen dat de eventuele vermindering van kapitaalvereisten die de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. De bevoegde autoriteit is daar pas van overtuigd indien de initiërende kredietinstelling kan aantonen dat een dergelijke overdracht van kredietrisico aan derden ook wordt erkend voor de doeleinden van het interne risicobeheer en de interne kapitaalallocatie van de kredietinstelling.

 

1 quinquies.

Benevens de punten 1 tot en met 1 quater is aan alle volgende voorwaarden voldaan:”;

 

b)

punt 2 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de aanhef komt als volgt te luiden:

 

„2.

Een initiërende kredietinstelling van een synthetische securitisatie mag risicogewogen posten, en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde vorderingen berekenen overeenkomstig de punten 3 en 4 indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

 

a)

een aanzienlijk deel van het kredietrisico is geacht te zijn overgedragen aan derden via ofwel volgestorte, ofwel niet-volgestorte kredietprotectie;

 

b)

de initiërende kredietinstelling past een risicogewicht van 1 250 % toe op alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of trekt deze securitisatieposities af van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 57, onder r).”;

 

ii)

na de aanhef worden de volgende punten 2 bis tot en met 2 quinquies ingevoegd:

 

„2 bis.

Tenzij de bevoegde autoriteit per geval besluit dat de eventuele vermindering van de risicogewogen posten die de initiërende kredietinstelling door de betrokken securitisatie zou bewerkstelligen niet gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, wordt aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

 

a)

de risicogewogen posten van de mezzanine securitisatieposities die de initiërende kredietinstelling in deze securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine securitisatieposities;

 

b)

ingeval er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine securitisatieposities bestaan en de initiator kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen, houdt de initiërende kredietinstelling niet meer dan 20 % van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn.

 

2 ter.

Voor de toepassing van punt 2 bis worden onder mezzanine securitisatieposities securitisatieposities verstaan waarop een risicogewicht van minder dan 1 250 % van toepassing is en die van een lagere rangorde zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie welke overeenkomstig deel 3 is ondergebracht in:

 

a)

kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie waarop deel 4, punten 6 tot en met 36, van toepassing zijn, of

 

b)

kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie waarop deel 4, punten 37 tot en met 76, van toepassing zijn.

 

2 quater.

Bij wijze van alternatief voor de punten 2 bis en 2 ter mag worden aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen indien de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat er bij een kredietinstelling gedragslijnen en methodologieën bestaan die garanderen dat de eventuele vermindering van kapitaalvereisten die de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. De bevoegde autoriteit is daar pas van overtuigd indien de initiërende kredietinstelling kan aantonen dat een dergelijke overdracht van kredietrisico aan derden ook wordt erkend voor de doeleinden van het interne risicobeheer en de interne kapitaalallocatie van de kredietinstelling.

 

2 quinquies.

Voorts voldoet de overdracht aan de volgende voorwaarden:”.

 

10)

Bijlage IX, deel 4, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de aanhef van punt 13 komt als volgt te luiden:

„Wanneer aan de hiernavolgende voorwaarden is voldaan mag, om de waarde van een liquiditeitsfaciliteit te bepalen, op de nominale waarde ervan een omrekeningsfactor van 50 % worden toegepast:”;

 

b)

de punten 2.4.2 en 14 worden geschrapt;

 

c)

punt 48 wordt geschrapt;

 

d)

de punten 3.5.1 en 56 worden geschrapt.

 

11)

Bijlage X, deel 2, punt 1, komt als volgt te luiden:

 

„1.

Het kapitaalvereiste voor het operationele risico wordt berekend als het gemiddelde over drie jaar van de jaarlijkse totalen van de kapitaalvereisten per in tabel 2 bedoelde business lines. In ieder gegeven jaar mogen negatieve kapitaalvereisten in een business line (ten gevolge van negatieve bruto-inkomsten) onbeperkt met positieve kapitaalvereisten in andere business lines worden gesaldeerd. Indien de geaccumuleerde kapitaalvereisten voor alle business lines in een gegeven jaar echter negatief zijn, wordt de bijdrage voor dat jaar aan de noemer op nul vastgesteld.”.

 

12)

Bijlage X, deel 3, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 14 komt als volgt te luiden:

 

„14.

Kredietinstellingen kunnen hun historische interne verliesgegevens opsplitsen volgens de business lines als omschreven in deel 2 en de soorten gebeurtenissen als omschreven in deel 5, en deze gegevens op verzoek aan de bevoegde autoriteiten verstrekken. Verliesgebeurtenissen die een negatief effect op de gehele instelling hebben, mogen wegens uitzonderlijke omstandigheden in een extra business line „ondernemingsaangelegenheden” worden ondergebracht. Er moeten schriftelijk vastgelegde, objectieve criteria zijn voor de toewijzing van verliezen aan de gespecificeerde business lines en soorten gebeurtenissen. De uit het operationele risico voortvloeiende verliezen die verband houden met kredietrisico en die tot dusverre gewoonlijk in de interne databanken voor kredietrisico werden opgenomen, moeten in de databanken voor operationeel risico worden geregistreerd en afzonderlijk worden geïdentificeerd. Deze verliezen vallen niet onder het kapitaalvereiste voor het operationele risico zolang zij met het oog op de berekening van de minimumkapitaalvereisten als kredietrisico worden behandeld. De uit het operationele risico voortvloeiende verliezen die verband houden met marktrisico’s worden ondergebracht bij het kapitaalvereiste voor het operationele risico.”;

 

b)

punt 29 komt als volgt te luiden:

 

„29.

De vermindering van het kapitaalvereiste als gevolg van de inaanmerkingneming van verzekering en van andere mechanismen van risico-overdracht bedraagt ten hoogste 20 % van het kapitaalvereiste voor het operationele risico, alvorens met eventuele risicoverminderingstechnieken rekening wordt gehouden.”.

 

13)

In bijlage XII, deel 2, punt 10, worden de volgende punten d) en e) toegevoegd:

 

„d)

de hoogste, de laagste en de gemiddelde waarde van de dagelijkse metingen van de value-at-risk (VAR) over de verslagperiode en de VAR-meting aan het einde van de periode;

 

e)

een vergelijking tussen de dagelijkse VAR-metingen aan het einde van de dag en de eendaagse veranderingen in de waarde van de portefeuille aan het einde van de volgende werkdag, samen met een analyse van alle aanzienlijke overschrijdingen tijdens de verslagperiode.”.

 

14)

bijlage XII, deel 3, punt 3, komt als volgt te luiden:

 

„3.

De kredietinstellingen die gebruikmaken van de in artikel 105 bedoelde benadering voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het operationele risico geven een beschrijving van het gebruik van verzekering en van andere mechanismen van risico-overdracht ter vermindering van dit risico.”.

Artikel 2

  • 1. 
    De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 31 december 2010.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  • 2. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2009.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie

 

 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.