Toelichting bij COM(2023)614 - Nationale hervormingsprogramma 2023 van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Letland

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

Aanbeveling voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over het nationale hervormingsprogramma 2023 van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Letland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid1, en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden2, en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

1.

Overwegende hetgeen volgt:


Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad3, waarbij de herstel- en veerkrachtfaciliteit werd ingesteld, is op 19 februari 2021 in werking getreden. De herstel- en veerkrachtfaciliteit biedt de lidstaten financiële ondersteuning voor de uitvoering van hervormingen en investeringen, die worden gerealiseerd met budgettaire stimulansen door de EU. In overeenstemming met de prioriteiten van het Europees Semester draagt zij bij tot economisch en sociaal herstel en de uitvoering van duurzame hervormingen en investeringen, met name om de groene en de digitale transitie te stimuleren en de economieën van de lidstaten veerkrachtiger te maken. Zij helpt ook de overheidsfinanciën te versterken en de groei en werkgelegenheid op middellange en lange termijn te stimuleren, de territoriale cohesie binnen de EU te verbeteren en de verdere uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten te ondersteunen. De maximale financiële bijdrage per lidstaat in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit is op 30 juni 2022 bijgewerkt, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2021/241.

(2) Op 22 november 2022 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse duurzamegroeianalyse 20234 en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2023 voor coördinatie van het economisch beleid. De Europese Raad heeft op 23 maart 2023 zijn goedkeuring gehecht aan de prioriteiten van de analyse rond de vier dimensies van concurrerende duurzaamheid. Op 22 november 2022 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag 2023 aangenomen, waarin zij Letland identificeert als een van de lidstaten die door onevenwichtigheden geraakt kan zijn of het risico loopt daardoor geraakt te worden, en waarvoor een diepgaande evaluatie nodig zou zijn. Op 24 februari 2023 heeft de Commissie ook een advies vastgesteld over het ontwerpbegrotingsplan 2023 van Letland. De Commissie heeft ook een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone vastgesteld, waar de Europese Raad op 23 mei 2023 zijn goedkeuring aan heeft gehecht en die de Raad op 16 mei 2023 heeft vastgesteld, alsook het voorstel voor het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2023 waarin de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten wordt geanalyseerd, dat de Raad op 13 maart 2023 heeft vastgesteld.

Hoewel de economieën in de EU blijk geven van opvallende veerkracht, blijft de geopolitieke context een negatief effect hebben. Aangezien de EU resoluut achter Oekraïne staat, is de economische en sociale beleidsagenda van de EU erop gericht om op korte termijn de negatieve gevolgen van energieschokken voor zowel kwetsbare huishoudens als bedrijven te beperken en op middellange termijn de inspanningen met het oog op de verwezenlijking van de groene en de digitale transitie, de ondersteuning van duurzame en inclusieve groei, de bewaking van de macro-economische stabiliteit en de vergroting van de veerkracht vol te houden. De agenda is ook sterk gericht op het vergroten van het concurrentievermogen en de productiviteit van de EU.

(4) Op 1 februari 2023 heeft de Commissie een mededeling uitgebracht met de titel “Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk”5 om het concurrentievermogen van de nettonulindustrie van de EU te versterken en de snelle transitie naar klimaatneutraliteit te bevorderen. Het plan vormt een aanvulling op de lopende inspanningen in het kader van de Europese Green Deal en REPowerEU. Het heeft tot doel een omgeving te scheppen die gunstiger is voor het opschalen van de capaciteit van de EU om de nettonultechnologieën en -producten te fabriceren die nodig zijn om de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU te halen, en de toegang tot relevante kritieke grondstoffen te waarborgen, onder meer door de aanvoer te diversifiëren, geologische hulpbronnen in de lidstaten naar behoren te exploiteren en grondstoffen zoveel mogelijk te recyclen. Het plan is gebaseerd op vier pijlers: een voorspelbaar en vereenvoudigd regelgevingskader, versnelde toegang tot financiering, het verbeteren van vaardigheden, en open handel voor veerkrachtige toeleveringsketens. Op 16 maart 2023 heeft de Commissie ook een mededeling gepubliceerd met de titel “Concurrentievermogen van de EU op lange termijn: blik op de periode na 2030”6, die is gestructureerd rond negen elkaar versterkende aanjagers, met als doel te werken aan een groeibevorderend regelgevingskader. In de mededeling worden beleidsprioriteiten vastgesteld die bedoeld zijn om actief te zorgen voor structurele verbeteringen, gerichte investeringen en regelgevingsmaatregelen voor het concurrentievermogen van de EU en haar lidstaten op lange termijn. Onderstaande aanbevelingen dragen bij tot de verwezenlijking van deze prioriteiten.

In 2023 blijft het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid evolueren in overeenstemming met de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De volledige uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen blijft essentieel voor de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten in het kader van het Europees Semester, aangezien de plannen betrekking hebben op alle of een aanzienlijk deel van de relevante landspecifieke aanbevelingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan. De landspecifieke aanbevelingen 2019, 2020 en 2022 blijven ook relevant voor herstel- en veerkrachtplannen die worden herzien, bijgewerkt of gewijzigd overeenkomstig de artikelen 14, 18 en 21 van Verordening (EU) 2021/241.

De REPowerEU-verordening7, die op 27 februari 2023 is vastgesteld, heeft tot doel de afhankelijkheid van de EU van de invoer van Russische fossiele brandstoffen snel af te bouwen. Dit zal bijdragen tot energiezekerheid en de diversificatie van de energievoorziening van de EU en tegelijkertijd het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, de opslagcapaciteit voor energie en de energie-efficiëntie vergroten. De verordening stelt de lidstaten in staat een nieuw REPowerEU-hoofdstuk toe te voegen aan hun nationale herstel- en veerkrachtplannen om belangrijke hervormingen en investeringen te financieren die de REPowerEU-doelstellingen helpen verwezenlijken. Deze plannen stimuleren ook het concurrentievermogen van de nettonulindustrie van de EU zoals uiteengezet in het industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk, en gaan in op de energiegerelateerde landspecifieke aanbevelingen die in 2022 en, indien van toepassing, in 2023 aan de lidstaten zijn gedaan. Met de REPowerEU-verordening wordt een nieuwe categorie niet-terugbetaalbare financiële steun ingevoerd die ter beschikking van de lidstaten wordt gesteld voor de financiering van nieuwe energiegerelateerde hervormingen en investeringen in het kader van hun herstel- en veerkrachtplannen.

Op 8 maart 2023 heeft de Commissie een mededeling aangenomen met richtsnoeren voor het begrotingsbeleid voor 2024, die erop gericht is de voorbereiding van de stabiliteits- en convergentieprogramma’s van de lidstaten te ondersteunen en aldus de beleidscoördinatie te versterken8. De Commissie heeft eraan herinnerd dat de algemene ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact eind 2023 wordt gedeactiveerd. Zij heeft verzocht om een begrotingsbeleid in 2023-24 dat de houdbaarheid van de schuld op middellange termijn waarborgt en de potentiële groei op duurzame wijze verhoogt. De lidstaten is verzocht in hun stabiliteits- en convergentieprogramma’s 2023 uiteen te zetten hoe hun begrotingsplannen ervoor zullen zorgen dat de tekortreferentiewaarde van 3 % van het bbp wordt nageleefd en de schuld voortdurend op plausibele wijze wordt teruggedrongen, of dat de schuld op middellange termijn op een prudent niveau wordt gehouden. De Commissie heeft de lidstaten verzocht de nationale begrotingsmaatregelen die zijn ingevoerd om huishoudens en bedrijven te beschermen tegen de energieprijsschok, geleidelijk af te schaffen, te beginnen met de minst gerichte maatregelen. Zij heeft erop gewezen dat indien de steunmaatregelen zouden moeten worden verlengd vanwege de hernieuwde druk van de energieprijzen, de lidstaten dergelijke maatregelen veel beter moeten richten op kwetsbare huishoudens en ondernemingen dan in het verleden. De Commissie heeft voorgesteld de begrotingsaanbevelingen te kwantificeren, te differentiëren en te formuleren op basis van de netto primaire uitgaven, zoals voorgesteld in haar mededeling over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance9. Zij heeft aanbevolen dat alle lidstaten nationaal gefinancierde investeringen blijven beschermen en zorgen voor een doeltreffend gebruik van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, met name in het licht van de doelstellingen met betrekking tot de groene en de digitale transitie en veerkracht. De Commissie heeft aangegeven dat zij de Raad zal voorstellen om in het voorjaar van 2024 een op een tekort gebaseerde buitensporigtekortprocedure in te stellen op basis van de begrotingsresultaten voor 2023, in overeenstemming met de bestaande wettelijke bepalingen.

Op 26 april 2023 heeft de Commissie wetgevingsvoorstellen gepresenteerd om een uitgebreide hervorming van de EU-regels inzake economische governance uit te voeren. De voorstellen moeten vooral de overheidsschuld houdbaarder maken en tegelijkertijd duurzame en inclusieve groei bevorderen in alle lidstaten via hervormingen en investeringen. De voorstellen beogen de lidstaten meer controle te geven wat het ontwerpen van hun middellangetermijnplannen betreft, maar tuigen ook een strengere handhavingsregeling op om ervoor te zorgen dat de lidstaten de verbintenissen die zij in hun begrotingsplannen voor de middellange termijn aangaan, ook daadwerkelijk nakomen. De doelstelling is om de wetgevingswerkzaamheden in 2023 af te ronden.

Op 30 april 2021 heeft Letland zijn nationale herstel- en veerkrachtplan bij de Commissie ingediend, overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) 2021/241. Krachtens artikel 19 van Verordening (EU) 2021/241 heeft de Commissie de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en samenhang van het herstel- en veerkrachtplan beoordeeld overeenkomstig de beoordelingsrichtsnoeren van bijlage V bij die verordening. Op 13 juli 2021 heeft de Raad zijn besluit betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Letland aangenomen10. De vrijgave van tranches is afhankelijk van een besluit van de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 5, van Verordening (EU) 2021/241 houdende dat Letland de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen die in het uitvoeringsbesluit van de Raad zijn vastgelegd, op bevredigende wijze heeft verwezenlijkt. Onder bevredigende verwezenlijking wordt begrepen dat de verwezenlijking van eerdere mijlpalen en streefdoelen niet is teruggedraaid.

Letland heeft op 25 april 2023 zijn nationaal hervormingsprogramma 2023 ingediend en op 17 april 2023 zijn stabiliteitsprogramma 2023, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze samen geëvalueerd. Overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) 2021/241 weerspiegelt het nationale hervormingsprogramma 2023 ook de halfjaarlijkse verslaglegging van Letland over de vorderingen bij de verwezenlijking van zijn herstel- en veerkrachtplan.

De Commissie heeft op 24 mei 2023 het landverslag 2023 voor Letland11 gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Letland heeft geboekt bij de uitvoering van de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen die de Raad tussen 2019 en 2022 heeft vastgesteld en werd de balans opgemaakt van de uitvoering door Letland van het herstel- en veerkrachtplan. Op basis van deze analyse werden in het landverslag lacunes vastgesteld met betrekking tot de uitdagingen die niet of slechts gedeeltelijk worden aangepakt in het herstel- en veerkrachtplan, alsook nieuwe en opkomende uitdagingen. Ook werd de vooruitgang beoordeeld die Letland heeft geboekt bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en bij de verwezenlijking van de kerndoelen van de EU inzake werkgelegenheid, vaardigheden en armoedebestrijding, alsook bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN.

De Commissie heeft op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 met betrekking tot Letland een diepgaande evaluatie verricht en de resultaten ervan bekendgemaakt op 24 mei 202312. Zij heeft geconcludeerd dat Letland niet wordt geconfronteerd met macro-economische onevenwichtigheden. Met name de kwetsbaarheden in verband met externe leningen en huisvesting blijven gering; risico's voor het concurrentievermogen zijn zeker aanwezig, maar lijken in het algemeen in de nabije toekomst binnen de perken te blijven. De recente toename van het tekort op de lopende rekening was aanzienlijk, maar verwacht wordt dat het tekort dit jaar en verder in 2024 aanzienlijk zal afnemen. De netto internationale investeringspositie van Letland, die het afgelopen decennium aanzienlijk is verbeterd, zal naar verwachting grotendeels stabiel blijven. Niettemin dreigen de inflatie en de loondruk, indien deze aanhouden, het concurrentievermogen van Letland te schaden, vooral omdat de kerninflatie ruim boven het gemiddelde van het eurogebied ligt. Hoewel de huizenprijzen recentelijk sterk zijn gestegen, lijkt de overwaardering van de huizenprijzen niet substantieel te zijn. Bovendien vertraagde de stijging van de huizenprijzen eind 2022, was de hypothecaire kredietverlening zwak en is de schuldenlast van huishoudens beperkt en dalend in verhouding tot het inkomen van huishoudens. Letland staat voor belangrijke structurele economische uitdagingen in verband met het dalende arbeidsaanbod, dat heeft bijgedragen tot snelle stijgingen van de loonkosten per eenheid product en waardoor het concurrentievermogen op middellange termijn dreigt te worden geschaad. Het beleidskader is over het algemeen gunstig, hoewel enkele extra inspanningen zouden kunnen helpen om de risico's van de vastgestelde kwetsbaarheden aan te pakken. Beleidsmaatregelen om het concurrentievermogen te waarborgen, waaronder maatregelen ter verhoging van de kwaliteit en de kwantiteit van het arbeidsaanbod, zouden in dat verband belangrijk zijn. Een verkorting van de bouwvergunningsprocedure zou het woningaanbod helpen ondersteunen en de situatie op de woningmarkt verbeteren.

Op basis van door Eurostat gevalideerde gegevens13 is het overheidstekort van Letland afgenomen van 7,1 % van het bbp in 2021 tot 4,4 % in 2022, terwijl de bruto-overheidsschuld is gedaald van 43,7 % van het bbp eind 2021 tot 40,8 % eind 2022. Op 24 mei 2023 heeft de Commissie een verslag uitgebracht op grond van artikel 126, lid 3, VWEU14; in het verslag werd de begrotingssituatie van Letland besproken aangezien het overheidstekort in 2022 de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp overschreed. In het verslag wordt geconcludeerd dat niet aan het tekortcriterium was voldaan. In overeenstemming met de mededeling van 8 maart 202315 heeft de Commissie niet voorgesteld om in het voorjaar van 2023 nieuwe buitensporigtekortprocedures in te leiden; de Commissie heeft daarop verklaard dat zij de Raad zou voorstellen om in het voorjaar van 2024 een op een tekort gebaseerde buitensporigtekortprocedure in te leiden op basis van de begrotingsresultaten voor 2023. Letland moet hiermee rekening houden bij de uitvoering van zijn begroting voor 2023 en bij de opstelling van het ontwerpbegrotingsplan voor 2024.

Het overheidssaldo is beïnvloed door de fiscale beleidsmaatregelen die zijn genomen om de economische en sociale gevolgen van de stijging van de energieprijzen te verzachten. In 2022 omvatten dergelijke uitgavenverhogende maatregelen kostencompensatie voor verwarming (op basis van de gebruikte energiebron) en verlaging van de elektriciteitsrekeningen voor huishoudens; maandelijkse uitkeringen aan kwetsbare huishoudens en gezinnen met kinderen en een vervroegde indexering van de pensioenen; subsidies voor energie-intensieve bedrijven en compensatie voor de stijging van de elektriciteitskosten voor bedrijven. De Commissie raamt de netto begrotingskosten van deze maatregelen op 1,5 % van het bbp in 2022. Het overheidssaldo is ook beïnvloed door de begrotingsuitgaven voor de tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne, die in 2022 op 0,2 % van het bbp worden geschat. Tegelijkertijd zijn de geraamde kosten van de tijdelijke noodmaatregelen in verband met COVID-19 gedaald van 5,0 % in 2021 tot 1,2 % van het bbp in 2022.

Op 18 juni 2021 heeft de Raad Letland aanbevolen16 om in 2022 een ondersteunende begrotingskoers aan te houden, met inbegrip van de impuls van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en nationaal gefinancierde investeringen in stand te houden. De Raad heeft Letland ook aanbevolen om de groei van nationaal gefinancierde lopende uitgaven onder controle te houden.

Volgens de ramingen van de Commissie was de begrotingskoers17 in 2022 neutraal met 0,0 % van het bbp, wat passend was in een context van hoge inflatie. Zoals aanbevolen door de Raad is Letland het herstel blijven steunen met investeringen die door de herstel- en veerkrachtfaciliteit werden gefinancierd. De met subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen gefinancierde uitgaven bedroegen 1,1 % van het bbp in 2022 (1,3 % van het bbp in 2021). Wegens capaciteitsknelpunten en een stijging van de bouwprijzen werden sommige investeringen die in 2022 met subsidies van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen werden gefinancierd, uitgesteld, hetgeen tot de geringe daling van de uitgaven heeft geleid. De nationaal gefinancierde investeringen leverden een contractieve bijdrage van 1,2 procentpunt aan de begrotingskoers18. Letland heeft derhalve de nationaal gefinancierde investeringen niet in stand gehouden, hetgeen niet overeenstemde met de aanbeveling van de Raad. Tegelijkertijd heeft de groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven (ongerekend nieuwe maatregelen aan de ontvangstenzijde) een contractieve bijdrage aan de begrotingskoers van 0,3 procentpunt geleverd. Letland heeft dus de groei van de nationaal gefinancierde lopende uitgaven onder controle gehouden.

Het macro-economische scenario in het stabiliteitsprogramma dat aan de begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is voor 2023 en daarna voorzichtig. De regering gaat ervan uit dat het reële bbp in 2023 zal stagneren en in 2024 met 2,0 % zal groeien. In vergelijking daarmee gaan de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie uit van een hogere reële bbp-groei van 1,4 % in 2023 en 2,8 % in 2024, als gevolg van de verwerking van nieuwe gegevens in vergelijking met het stabiliteitsprogramma, namelijk herzieningen van de bbp-groei in 2022 en de voorlopige raming voor het eerste kwartaal van 2023, die beide de bbp-groei hoger doen uitkomen dan eerder werd verwacht. In nominale termen ligt de bbp-groei in beide prognoses echter dichter bij elkaar: in het stabiliteitsprogramma wordt voor 2023 en 2024 een groei van respectievelijk 11,7 % en 5,5 % verwacht, terwijl de Commissie voor de respectieve jaren een groei van 10,5 % en 5,6 % voorspelt.

In het stabiliteitsprogramma 2023 verwacht de regering dat de overheidstekort zal afnemen naar 4,0 % van het bbp in 2023. De aanpassing van het tekort in 2023 weerspiegelt voornamelijk de ontwikkeling van de uitgaven. Naar verwachting wordt het tekort deels verminderd door de uitfasering van de meeste steunmaatregelen in verband met pandemie en de eenmalige uitgave in 2022 voor de aanleg van een nationale gasreserve wordt niet voorzien voor 2023. Deze besparingen zullen gedeeltelijk worden gecompenseerd door in het begrotingsbudget voor 2023 opgenomen maatregelen aan de uitgavenzijde, zoals een loonsverhoging voor overheidsdiensten en medisch personeel, hogere lopende uitgaven voor gezondheidszorg, wetenschap, onderzoek en hoger onderwijs, alsook een aanzienlijk pakket overheidsinvesteringen voor defensie en binnenlandse veiligheid. Bovendien worden hogere uitgaven verwacht voor pensioenen en uitkeringen als gevolg van hogere indexeringscoëfficiënten. Volgens het programma zal de overheidsschuldquote naar verwachting afnemen van 40,8 % van het bbp eind 2022 tot 39,6 % eind 2023. In de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie wordt voor 2023 van een overheidstekort van 3,8 % van het bbp uitgegaan. Dit is in overeenstemming met het tekort dat in het stabiliteitsprogramma wordt voorspeld. In de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie wordt gerekend op een iets hogere overheidsschuldquote van 39,8 % tegen eind 2023.

(19) Het overheidssaldo in 2023 wordt naar verwachting nog steeds beïnvloed door de maatregelen die zijn genomen om de economische en sociale gevolgen van de stijging van de energieprijzen te verzachten. Het betreft hoofdzakelijk uit maatregelen uit 2022 die zijn verlengd. De netto begrotingskosten van de steunmaatregelen worden in de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie geraamd op 1,0 % van het bbp in 202319. De meeste maatregelen in 2023 lijken niet gericht op de meest kwetsbare huishoudens of bedrijven en behouden de prijsprikkel niet volledig om de vraag naar energie te verminderen en de energie-efficiëntie te verhogen. Bijgevolg wordt het bedrag van de gerichte steunmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de naleving van de aanbeveling voor 2023, in de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie geraamd op 0,1 % van het bbp in 2023 (tegenover 0,5 % van het bbp in 2022). De begrotingskosten voor tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne zullen naar verwachting met 0,1 procentpunt van het bbp stijgen in vergelijking met 2022. Ten slotte zal het overheidssaldo in 2023 naar verwachting profiteren van de uitfasering van de tijdelijke noodmaatregelen in verband met COVID-19 ten belope van 1,2 % van het bbp.

Op 12 juli 2022 heeft de Raad aanbevolen20 dat Letland actie onderneemt om er in 2023 voor te zorgen dat de groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven in overeenstemming is met een algemeen neutrale beleidskoers21, rekening houdend met de aanhoudende tijdelijke en gerichte steun aan huishoudens en bedrijven die het meest kwetsbaar zijn voor stijgingen van de energieprijzen en aan mensen die Oekraïne ontvluchten. Letland moet klaarstaan om de lopende uitgaven aan te passen aan de veranderende situatie. Letland is ook aanbevolen te voorzien in meer overheidsinvesteringen voor de groene en de digitale transitie en voor energiezekerheid, met inachtneming van het REPowerEU-initiatief, onder meer door gebruik te maken van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere Uniefondsen.

In 2023 zal de begrotingskoers volgens de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie expansief zijn (-0,9 % van het bbp), tegen een achtergrond van hoge inflatie. Dit volgt een neutrale begrotingskoers in 2022 (0,0 % van het bbp). Verwacht wordt dat de groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven (ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde) in 2023 een expansieve bijdrage van 0,5 % van het bbp aan de begrotingskoers zal leveren. Dit omvat de verminderde kosten van de gerichte steunmaatregelen voor huishoudens en bedrijven die het kwetsbaarst zijn voor energieprijsstijgingen met 0,4 % van het bbp. Hierbij is ook rekening gehouden met hogere kosten voor het bieden van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit Oekraïne (ten belope van 0,1 % van het bbp). De expansieve bijdrage van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven is dus niet toe te schrijven aan de gerichte steun aan huishoudens en bedrijven die het kwetsbaarst zijn voor stijgingen van de energieprijzen, en aan mensen die Oekraïne ontvluchten. De expansieve groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven (ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde) is het gevolg van in het begrotingsbudget voor 2023 opgenomen maatregelen aan de uitgavenzijde, zoals loonsverhogingen voor overheids- en medisch personeel, extra lopende uitgaven ter financiering van oncologie, wetenschap en onderzoek en andere discretionaire lopende uitgaven voor de nationale overheid, alsook hogere uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Kortom, de verwachte groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven is niet in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad. De met subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen gefinancierde uitgaven zullen in 2023 naar verwachting 2,2 % van het bbp bedragen, terwijl nationaal gefinancierde investeringen naar verwachting een expansieve bijdrage van 1,0 procentpunt aan de begrotingskoers zullen leveren22. Letland is daarom van plan aanvullende investeringen te financieren via de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, en er wordt verwacht dat nationaal gefinancierde investeringen worden gehandhaafd. Het land is voornemens overheidsinvesteringen voor de groene en digitale transitie en voor energiezekerheid te financieren, zoals de aankoop van elektrische voertuigen voor het openbaar vervoer, de verbetering van de energie-efficiëntie van appartementsgebouwen en bedrijfspanden, de modernisering van de elektriciteitstransmissie- en -distributienetwerken, de versterking van het reactievermogen van reddingsdiensten, de centralisering van digitale bestuursplatforms en -systemen in de overheidssector, de ontwikkeling van digitale vaardigheden en de digitalisering van processen in bedrijven, de ontwikkeling van breedbandinfrastructuur en de bevordering van digitalisering in de onderwijssector, die grotendeels worden gefinancierd door de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen.

Volgens het stabiliteitsprogramma wordt verwacht dat het overheidstekort zal dalen tot 2,5 % van het bbp in 2024. De afname in 2024 is voornamelijk het gevolg van de uitfasering van steunmaatregelen om het effect van de hoge energieprijzen te verzachten en de afwezigheid van lopende uitgaven in verband met de COVID-19-pandemie en de afronding in 2023 van investeringen ter ondersteuning van het herstellen van de pandemie. In het programma wordt verwacht dat de overheidsschuldquote iets zal toenemen tot 39,7 % tegen eind 2024. Op basis van de op de afsluitdatum van de prognoses bekende beleidsmaatregelen wordt in de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie uitgegaan van een overheidstekort van 2,7 % van het bbp in 2024. Dit is in overeenstemming met het tekort dat in het programma wordt voorspeld. In de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie wordt gerekend op een iets hogere overheidsschuldquote van 40,5 % tegen eind 2024, voornamelijk vanwege het lagere nominaal bbp.

In het stabiliteitsprogramma wordt uitgegaan van de uitfasering van alle energiesteunmaatregelen in 2024. De Commissie gaat er ook vanuit dat alle energiesteunmaatregelen in 2024 worden afgeschaft. Dit is wel afhankelijk van de aanname dat de energieprijzen niet opnieuw zullen stijgen.

Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad roept op tot een jaarlijkse verbetering van het structurele begrotingssaldo in de richting van de middellangetermijndoelstelling met 0,5 % van het bbp als benchmark23. Rekening houdend met de budgettaire houdbaarheid24 en met de noodzaak het tekort terug te dringen tot onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp, zou een verbetering van het structurele saldo met ten minste 0,5 % van het bbp voor 2024 passend zijn. Voor het waarborgen van een dergelijke verbetering mag de groei van de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven25 in 2024 niet meer dan 3,0 % bedragen, zoals in deze aanbeveling wordt aangegeven. Dit zal ook bijdragen tot een vermindering van de kerninflatie, die ver boven het gemiddelde van de eurozone ligt en die, indien zij aanhoudt, tot een verlies aan concurrentievermogen kan leiden. Tegelijkertijd moeten de resterende energiesteunmaatregelen (momenteel door de Commissie geraamd op 1,0 % van het bbp in 2023) worden afgebouwd, afhankelijk van de ontwikkelingen op de energiemarkt en beginnend met de minst gerichte maatregelen, en moeten de daarmee samenhangende besparingen worden gebruikt om het overheidstekort te verminderen. Op basis van ramingen van de Commissie zou dit leiden tot een groei van de netto primaire uitgaven die onder het aanbevolen maximale groeipercentage voor 2024 ligt. Bovendien is de groei van de netto nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven in 2023 volgens de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie niet in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad. Indien dit wordt bevestigd, zou een lagere groei van de netto primaire uitgaven in 2024 passend zijn.

Uitgaande van ongewijzigd beleid wordt in de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie verwacht dat de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven in 2024 met 1,3 % zullen stijgen, wat onder het aanbevolen groeipercentage ligt.

Volgens het programma zullen de overheidsinvesteringen toenemen van 5,5 % van het bbp in 2023 tot 6,1 % van het bbp in 2024. Dit weerspiegelt zowel hogere nationaal gefinancierde investeringen als hogere door de EU gefinancierde investeringen, waaronder via de herstel- en veerkrachtfaciliteit.

Het stabiliteitsprogramma schetst een begrotingstraject voor de middellange termijn tot 2026. Volgens het programma wordt verwacht dat het overheidstekort zal dalen tot 2,2 % van het bbp in 2025 en tot 0,7 % in 2026. Daarom zal het gepland overheidstekort afnemen tot onder 3 % van het bbp in 2024 en binnen de looptijd van het programma onder de 3 % van het bbp blijven. Volgens het programma zal de overheidsschuldquote naar verwachting afnemen van 39,7 % van het bbp eind 2024 tot 38,9 % eind 2026.

De belastinginkomsten van Letland als een aandeel van het bbp liggen aanzienlijk onder het EU-gemiddelde. Dit beperkt de levering van openbare diensten, met name op het gebied van gezondheidszorg en sociale bescherming. Kapitaal en onroerend goed zijn relatief onderbelast in vergelijking met het EU-gemiddelde en bieden potentieel om de belastinginkomsten te verhogen. Bovendien int Letland relatief weinig belastinginkomsten uit de belasting op arbeid, ondanks relatief hoge belastingtarieven. Dit suggereert dat voortdurende inspanningen nodig zijn om de naleving van de belastingplicht te verbeteren en de schaduweconomie aan te pakken. Armoede en ongelijkheid blijven op een hoog niveau, met name als gevolg van lage uitgaven voor sociale bescherming. De adequaatheid van het sociale vangnet is verbeterd, maar het risico op armoede of sociale uitsluiting blijft hoog, met name voor de meest kwetsbaren. Het risico op armoede of sociale uitsluiting op oudere leeftijd is het hoogst in de EU (45,9 % vergeleken met 19,5 % in de EU in 2021) en blijft ook zeer hoog voor mensen met een handicap (41,2 % versus 29,7 % in de EU in 2021). De toegang tot en de kwaliteit van individuele, op behoeften gebaseerde maatschappelijke dienstverlening blijft een uitdaging vanwege het tekort aan en de hoge werkdruk van maatschappelijk werkers en de verschillen tussen gemeenten. Het langdurige zorgsysteem is versnipperd, met beperkte vooruitgang in de transitie van institutionele zorg naar thuiszorg en gemeenschapsgerichte diensten. De adequaatheid en beschikbaarheid van sociale huisvesting is beperkt als gevolg van onvoldoende langetermijnfinanciering. De overheidsbestedingen voor gezondheidszorg als percentage van het bbp zijn laag in vergelijking met het EU-gemiddelde, en in de begrotingsplannen voor de middellange termijn wordt verwacht dat deze zullen dalen, namelijk van 5,6 % van het bbp in 2022 tot 3,6 % in 2026 volgens het stabiliteitsprogramma 2023. Dit is ook aanzienlijk minder dan de vereiste overheidsfinanciering voor gezondheidszorg van 6 % van het bbp tegen 2027, zoals aangegeven in de richtsnoeren voor het volksgezondheidsbeleid 2021-2027. Hoewel de afname voornamelijk wordt veroorzaakt door de geleidelijke afbouw van tijdelijke COVID-19-steun, zijn er ook onvoldoende plannen voor de duurzame financiering van de gezondheidszorg. Daarnaast kampt Letland met een tekort aan personeel in de gezondheidszorg, met name aan verpleegkundigen. Derhalve is de tijdige en gelijke toegang tot gezondheidszorg beperkt.

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, punt b), van en criterium 2.2 van bijlage V bij Verordening (EU) 2021/241 bevat het herstel- en veerkrachtplan een uitgebreide reeks elkaar versterkende hervormingen en investeringen die uiterlijk in 2026 moeten zijn uitgevoerd. Letland heeft goede vooruitgang geboekt bij de uitvoering van zijn herstel- en veerkrachtplan. Letland heeft één betalingsaanvraag ingediend, die overeenkomt met 9 mijlpalen en resulteert in een totale uitbetaling van 201 miljoen EUR. Als gevolg van objectieve omstandigheden in verband met stijgingen van de prijzen van energie en bouwmaterialen en beperkingen in de toeleveringsketen als gevolg van de agressie van Rusland tegen Oekraïne, is Letland voornemens wijzigingen in het plan in te dienen, evenals een REPowerEU-hoofdstuk om het koolstofvrij maken van de economie te versnellen en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. De snelle opname van het nieuwe REPowerEU-hoofdstuk in het herstel- en veerkrachtplan maakt de financiering mogelijk van aanvullende hervormingen en investeringen ter ondersteuning van de strategische doelstellingen van Letland op het gebied van energie en de groene transitie. De systematische en effectieve betrokkenheid van lokale en regionale autoriteiten, sociale partners en andere relevante belanghebbenden blijft belangrijk voor de succesvolle uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, alsook ander economisch en werkgelegenheidsbeleid dat verder gaat dan het plan, om te zorgen voor een breed draagvlak voor de algehele beleidsagenda.

(30) De Commissie heeft in 2022 alle programmadocumenten betreffende het cohesiebeleid van Letland goedgekeurd. Het is van cruciaal belang om de cohesiebeleidsprogramma’s in aanvulling op en in synergie met het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van het REPowerEU-hoofdstuk, snel uit te voeren om de groene en de digitale transitie te verwezenlijken, de economische en sociale veerkracht te vergroten en een evenwichtige territoriale ontwikkeling in Letland tot stand te brengen.

Naast de economische en sociale uitdagingen die in het herstel- en veerkrachtplan aan bod komen, wordt Letland geconfronteerd met uitdagingen in verband met de toegang tot financiering, energie en de groene transitie.

De kredietstroom van de particuliere sector bedroeg in 2021 1 % van het bbp, wat aanzienlijk lager was dan het groeipercentage van de economie. Dit leidt tot een verdere vermindering van de schuld in de particuliere sector, die tot de laagste in de EU behoort. Deze zwakke kredietgroei weerspiegelt tot op zekere hoogte de zwakke vraag, maar wordt ook beïnvloed door een aantal uitdagingen aan de aanbodzijde. Vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen is het lastig om krediet te krijgen. Dit komt deels door hun hogere kredietrisico, maar ook door de hoge kredietkosten en administratieve rompslomp. Verder zorgt de slechte liquiditeit van de activa die beschikbaar zijn als onderpand, ervoor dat het bijzonder moeilijk is om krediet te verkrijgen buiten de omgeving van Riga. Dit vormt een ernstige belemmering, zowel voor hypotheekleningen als voor leningen aan ondernemingen. Op beleidsniveau zijn vooral inspanningen geleverd voor het ondersteunen van kredietverlening door deze te combineren met overheidssubsidies. Dit brengt echter aanzienlijke kosten voor de overheidsbegroting met zich mee en vormt dus geen duurzame manier om kredietverlening te stimuleren. Om de beperkingen van het kredietaanbod te versoepelen, zijn algemene verbeteringen inzake transparantie van en vertrouwen in het ondernemingsklimaat nodig, waaronder het verkleinen van de schaduweconomie. Bovendien zou het verbeteren van het insolventieproces om een hoog tempo van bedrijfsherstructureringen en mogelijk hogere terugvorderingspercentages van leningen te bereiken, de gepercipieerde risico's van banken verminderen en de kredietverlening stimuleren. Gerichte krediet- en garantieregelingen kunnen de liquiditeitsrisico’s voor banken helpen te verkleinen wanneer zij onderpand aanvaarden op relatief illiquide markten. Regelingen met overheidskredieten voor strategisch belangrijke investeringsgebieden, zoals de groene transitie en regionale ontwikkeling, kunnen effectieve concurrentie op de bankmarkt doen toenemen, of een lacune op de markt dichten wanneer bankfinanciering te duur of niet beschikbaar is. Daarnaast zijn regelingen met overheidsgaranties en -kredieten een veel kostenefficiëntere manier om particuliere leningen te stimuleren dan subsidieregelingen. Naast de belemmeringen voor bankkrediet, is de Letse markt inzake alternatieve financieringsbronnen onderontwikkeld, wat potentieel biedt om de toegang van ondernemingen tot financiering te verbeteren.

(33) Letland heeft zijn onafhankelijkheid van Russisch gas verzekerd na het besluit van het parlement in juli 2022 om vanaf 1 januari 2023 geen Russisch aardgas meer te kopen. Binnenlandse gasleveranciers hebben alternatieve bronnen van aardgas kunnen vinden dankzij de invoer van vloeibaar aardgas (lng) uit de Litouwse terminal voor vloeibaar aardgas in Klaipėda en de nieuwe Finse terminal voor vloeibaar aardgas in Inkoo. De huidige situatie heeft de noodzaak aangetoond om de langzame uitrol van installaties voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te versnellen. Letland heeft een van de hoogste aandelen hernieuwbare energie in de EU, hoewel dit aandeel tussen 2020 en 2021 stagneerde. Letland zou er baat bij hebben zijn inspanningen voor de invoering van wind- en zonne-energie te versnellen, omdat dit de meest haalbare langetermijnoplossing is om het aandeel van hernieuwbare energiebronnen te vergroten. Het herstel- en veerkrachtplan van Letland omvat reeds maatregelen om regelgevingsobstakels voor de invoering van windenergie op land weg te nemen. Er kan echter nog meer worden gedaan om de inzet van hernieuwbare energie voor elektriciteitsopwekking, verwarming en koeling te versnellen. Dit zou inhouden dat het elektriciteitsnet wordt gemoderniseerd, dat gedecentraliseerde hernieuwbare elektriciteitsopwekking en flexibiliteit van het elektriciteitssysteem (vraagsturing en opslag) worden bevorderd, dat de procedures voor het verlenen van vergunningen verder worden verbeterd en dat een juridisch kader en stimulansen ter bevordering van energiegemeenschappen worden ingesteld. De voltooiing van de synchronisatie van Letland met het stroomnet van de EU zou de transmissiecapaciteit vergroten, zodat een toenemend aandeel van hernieuwbare energiebronnen op land en op zee in het net kan worden geïntegreerd. Het Letse stroomnet blijft, net als dat van andere Baltische lidstaten, kwetsbaar omdat het gesynchroniseerd is met het BRELL-net (Belarus, Rusland, Estland, Litouwen en Letland). De regionale synchronisatie van het elektriciteitsnet met de rest van de EU vordert, maar moet nog worden voltooid. Daarvoor moet worden samengewerkt met Estland en Litouwen. Het verbruik van aardgas in Letland is in de periode tussen augustus 2022 en maart 2023 met 30 % gedaald ten opzichte van het gemiddelde gasverbruik in dezelfde periode in de voorgaande 5 jaar, meer dan het reductiestreefdoel van 15 %. Letland kan doorgaan met de inspanningen om de vraag naar gas tijdelijk te verminderen tot en met 31 maart 202426.

Letland moet zijn inspanningen opvoeren om de energie-efficiëntiemaatregelen voor het koolstofvrij maken van zijn gebouwenbestand, vervoer en industrie op te schalen, en nieuwe financierings- en steunmaatregelen instellen om de renovatiedoelstellingen van zijn langetermijnrenovatiestrategie te halen.

Het tekort aan arbeidskrachten en vaardigheden in sectoren en beroepen die van essentieel belang zijn voor de groene transitie, waaronder de productie, de implementatie en het onderhoud van nettonultechnologieën, leiden tot knelpunten in de transitie naar een nettonuleconomie. Hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstelsels die inspelen op veranderende behoeften op de arbeidsmarkt en gerichte bij- en omscholingsmaatregelen zijn van cruciaal belang om tekorten aan vaardigheden aan te pakken en arbeidsintegratie en -verschuivingen te bevorderen. Om het onbenutte arbeidsaanbod te ontsluiten, moeten deze maatregelen toegankelijk zijn, met name voor personen en in de sectoren en regio’s waarvoor de gevolgen van de groene transitie het grootst zijn. In 2022 werd in een tekort aan arbeidskrachten gerapporteerd voor 25 van 436 beroepen waarvoor specifieke vaardigheden of kennis voor de groene transitie vereist zijn, waaronder elektriciens en werktuigbouwkundigen. Het tekort aan arbeidskrachten werd genoemd als een factor die de productie in de industrie en de bouw beperkt.

In het licht van deze beoordeling van de Commissie heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2022 onderzocht en zijn advies27 daarover is in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

Aangezien de economieën van de lidstaten van de eurozone in hoge mate met elkaar zijn verweven en zij collectief bijdragen aan de werking van de economische en monetaire unie, heeft de Raad de lidstaten van de eurozone aanbevolen actie te ondernemen, onder meer via hun herstel- en veerkrachtplannen, teneinde i) de houdbaarheid van de schuldpositie in stand te houden en af te zien van generieke steun voor de geaggregeerde vraag in 2023, gerichtere begrotingsmaatregelen te nemen om de impact van de hoge energieprijzen te verlichten en na te denken over passende manieren om de steun af te bouwen naarmate de druk van de energieprijzen afneemt; ii) hoge overheidsinvesteringen te handhaven en particuliere investeringen te bevorderen om de groene en de digitale transitie te ondersteunen; (iii) loonontwikkelingen te ondersteunen die het verlies aan koopkracht verzachten en tegelijkertijd tweederonde-effecten op de inflatie beperken, actief arbeidsmarktbeleid verder verbeteren en tekorten aan vaardigheden tegengaan; iv) het ondernemingsklimaat te verbeteren en ervoor te zorgen dat energiesteun aan bedrijven kosteneffectief en tijdelijk is, gericht is op levensvatbare bedrijven en stimulansen voor de groene transitie handhaaft, en v) de macrofinanciële stabiliteit in stand te houden en risico’s te monitoren en tegelijkertijd te blijven werken aan de voltooiing van de bankenunie. Voor Letland dragen de aanbevelingen 1, 2, 3 en 4 bij tot de uitvoering van de eerste, tweede, derde en vierde aanbeveling voor de eurozone.

2.

BEVEELT AAN dat Letland in 2023 en 2024 de volgende actie onderneemt:


1. De geldende energiesteunmaatregelen tegen eind 2023 afbouwen en de gerelateerde besparingen gebruiken om het overheidstekort te verminderen. Indien nieuwe energieprijsstijgingen steunmaatregelen noodzakelijk maken, ervoor zorgen dat deze gericht zijn op de bescherming van kwetsbare huishoudens en bedrijven, fiscaal betaalbaar zijn en stimulansen voor energiebesparing in stand houden.

Zorgen voor een prudent begrotingsbeleid, met name door de nominale stijging van de nationaal gefinancierde netto primaire uitgaven in 2024 te beperken tot maximaal 3,0 %.

Nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen in stand houden en zorgen voor een effectieve absorptie van subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, met name om de groene en digitale transitie te bevorderen.

Voor de periode na 2024 blijven streven naar een begrotingsstrategie op middellange termijn van geleidelijke en duurzame consolidatie, gecombineerd met investeringen en hervormingen die bevorderlijk zijn voor een hogere duurzame groei, teneinde een prudente begrotingspositie op middellange termijn te bereiken.

Belastingheffing uitbreiden, onder meer voor eigendom en kapitaal, en de toereikendheid van de gezondheidszorg en de sociale bescherming versterken.

2. Doorgaan met de gestage uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan en spoedig het REPowerEU-hoofdstuk afronden, zodat snel met de uitvoering ervan kan worden begonnen. Doorgaan met de snelle uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's, in nauwe complementariteit en synergie met het herstel- en veerkrachtplan.

3. De toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen verbeteren via openbare garantie- en kredietregelingen om investeringen van strategisch belang te bevorderen, in het bijzonder op het gebied van de groene transitie en regionale ontwikkeling.

4. De algemene afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen door de inzet van hernieuwbare energiebronnen te versnellen, met name windenergie op land en op zee en zonne-energie, en de energie-efficiëntiemaatregelen te versterken, bijvoorbeeld door nieuwe financierings- en steunmaatregelen om de doelstellingen van de langetermijnrenovatiestrategie te behalen. Zorgen voor voldoende capaciteit van de interconnecties om de continuïteit van de energievoorziening te vergroten en de synchronisatie met het stroomnet van de EU voort te zetten. de beleidsinspanningen op te voeren die gericht zijn op het voorzien in en verwerven van de vaardigheden die nodig zijn voor de groene transitie.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

1PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

2PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

3Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

4COM(2022) 780 final.

5COM(2023) 62 final.

6COM(2023) 168 final.

7Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG (PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1).

8COM(2023) 141 final.

9COM(2022) 583 final.

10Uitvoeringsbesluit van de Raad van 13 juli 2021 betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Letland (ST 10157/21; ST 10157/21 ADD 1; ST 10157/21 ADD 1 COR 1).

11SWD(2023) 614 final.

12SWD(2023) 636 final.

13Eurostat-Euro Indicators, 47/2023, 21.4.2023

14COM(2023) 631 final, 24.05.2023.

15COM(2023) 141 final, 8.3.2023.

16Aanbeveling van de Raad van 18 juni 2021 met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2021 van Letland, PB C 304 van 29.07.2021, blz. 63.

17De begrotingskoers wordt gemeten als de verandering in de primaire uitgaven (ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde), met uitsluiting van aan de COVID-19-crisis gerelateerde tijdelijke noodmaatregelen maar met inbegrip van uitgaven die worden gefinancierd met niet-terugbetaalbare steun (subsidies) van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, ten opzichte van de potentiële groei op middellange termijn. Raadpleeg voor meer details Vak 1 in de Fiscale statistische tabellen.


18Deze contractieve bijdrage is met name het gevolg van lagere uitgaven voor investeringsprojecten die met EU-middelen worden medegefinancierd en die ook van invloed waren op de nationale medefinancieringsontwikkelingen (voornamelijk op het niveau van de lokale overheid), alsook van de overdracht van militair materieel naar Oekraïne, die als een negatieve bruto-investering in vaste activa wordt geboekt, gecompenseerd door een kapitaaloverdracht.

Tegelijkertijd hebben andere nationaal gefinancierde kapitaaluitgaven een expansieve bijdrage van 1,7 procentpunt van het bbp geleverd. De stijging van de overige kapitaaluitgaven wordt grotendeels verklaard door twee factoren: de aanleg van aardgasreserves voor de continuïteit van de nationale energievoorziening en de levering van militair materieel aan Oekraïne.

19Dit cijfer geeft het niveau weer van de jaarlijkse begrotingskosten van die maatregelen, waaronder lopende ontvangsten en uitgaven, alsmede eventuele kapitaaluitgaven.

20Aanbeveling van de Raad van 12 juli 2022 over het nationale hervormingsprogramma van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2022 van Letland, PB C 334 van 01.09.2022, blz. 112.

21Volgens de voorjaarsprognoses 2023 van de Commissie wordt de potentiële productiegroei op middellange termijn (10-jaarsgemiddelde) van Letland, die wordt gebruikt als maatstaf voor de begrotingskoers, geraamd op 11,5 % in nominale termen.

22De overige nationaal gefinancierde kapitaaluitgaven zullen naar verwachting een contractieve bijdrage van 1,7 procentpunt van het bbp leveren omdat in de Commissieprognoses voor 2023 de aanleg van aardgasreserves voor de continuïteit van de energievoorziening en militaire bijstand aan Oekraïne niet zijn opgenomen.

23Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad, dat ook een aanpassing van meer dan 0,5 % van het bbp voorschrijft voor lidstaten met een overheidsschuld van meer dan 60 % van het bbp of met meer uitgesproken risico's voor de houdbaarheid van de schuld.

24De Commissie heeft geraamd dat Letland een gemiddelde jaarlijkse stijging van het structurele primaire saldo als percentage van het bbp van 0,0 procentpunt nodig zou hebben om ervoor te zorgen dat de overheidsschuld op middellange termijn op een prudent niveau wordt gehouden. Deze raming was gebaseerd op de najaarsprognoses 2022 van de Commissie. Het uitgangspunt voor deze schatting was het geraamde overheidstekort en de overheidsschuld voor 2024, waarbij werd aangenomen dat de energiesteunmaatregelen in 2024 zouden worden ingetrokken.

25De netto primaire uitgaven worden gedefinieerd als nationaal gefinancierde uitgaven exclusief discretionaire inkomstenmaatregelen en exclusief rente-uitgaven en conjuncturele werkloosheidsuitgaven.

26Verordening (EU) 2022/1369 van de Raad en Verordening (EU) 2023/706 van de Raad.

27Op grond van artikel 5, lid 2, en artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad.

NL NL