Toelichting bij COM(2019)614 - Standpunt EU in het Gemengd Comité voor de CETA met betrekking tot de goedkeuring van de lijst van arbiters overeenkomstig artikel 29.8 van de overeenkomst - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Woensdag 27 januari 2021
kalender

Toelichting bij COM(2019)614 - Standpunt EU in het Gemengd Comité voor de CETA met betrekking tot de goedkeuring van de lijst van arbiters overeenkomstig artikel 29.8 van de overeenkomst

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het namens de Unie in het Gemengd Comité voor de CETA in te nemen standpunt met betrekking tot de goedkeuring van de lijst van arbiters als bedoeld in hoofdstuk 29 van de overeenkomst.

2. Achtergrond van het voorstel

De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”), is op 30 oktober 2016 ondertekend. Overeenkomstig Besluit (EU) 2017/38 van de Raad worden bepaalde onderdelen van de overeenkomst sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

Bij artikel 26.1 van de overeenkomst wordt het Gemengd Comité voor de CETA opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van beide partijen. Het Gemengd Comité voor de CETA is bevoegd in onderlinge overeenstemming besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden.

Hoofdstuk 29 bestrijkt alle geschillen over de interpretatie of toepassing van de bepalingen van de overeenkomst, tenzij in de overeenkomst anders is bepaald.

Overeenkomstig artikel 29.8, lid 1, stelt het Gemengd Comité voor de CETA een lijst op van ten minste 15 personen die bereid en in staat zijn om als arbiter op te treden voor geschillen in het kader van hoofdstuk 29 (“de beoogde handeling”). Die lijst bestaat uit drie sublijsten: een sublijst voor elke partij en een sublijst van personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die voor het voorzitterschap in aanmerking komen.

3. Namens de Unie in te nemen standpunt

De partijen hebben gezamenlijk een ontwerplijst opgesteld van arbiters die voldoen aan de vereisten van artikel 29.8.

Het besluit tot opstelling van deze lijst van arbiters had door het Gemengd Comité voor de CETA bij zijn eerste bijeenkomst moeten worden genomen; het moet thans zo spoedig mogelijk worden genomen om volledig uitvoering te geven aan hoofdstuk 29 van de overeenkomst over geschillenbeslechting.

4. Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 1 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité voor de CETA is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds.

De beoogde handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst volkenrechtelijk bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de gemeenschappelijke handelspolitiek.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207 VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207 VWEU, in combinatie met artikel 218, lid 9, VWEU.