Toelichting bij COM(2009)648 - Sluiting van de samenwerkingsovereenkomst met Liechtenstein ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden en tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Achtergrond

Op 10 december 2008 heeft de Commissie een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, goedgekeurd alsook een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden i.

Dit voorstel werd goedgekeurd na de machtiging van de Raad op 7 november 2006.

1.

2. Doel van het gewijzigde voorstel


Overeenkomstig de conclusies van de ECOFIN-Raad van 10 februari 2009 wordt van Liechtenstein verwacht dat het in de overeenkomst met de Europese Unie op zijn minst verplichtingen opneemt die een vergelijkbare reikwijdte hebben als de verplichtingen waarover het met derde landen tot overeenstemming is gekomen. De Raad machtigde de Commissie ook om de tekst zodanig te wijzigen dat effectieve administratieve bijstand en toegang tot informatie met betrekking tot alle vormen van beleggingen, met name stichtingen en trusts, zouden worden gegarandeerd.

Liechtenstein, daarin gevolgd door andere landen, heeft een officiële verklaring laten uitgaan, waarin het de OESO-norm voor samenwerking zoals vervat in artikel 26 van het modelverdrag inzake belasting naar inkomen en vermogen van 2005 erkent. Overeenkomstig de conclusies van de G20 van 2 april 2009 is het opnemen van de OESO-normen een logische stap. De conclusies van de Raad moeten derhalve in dat licht worden geïnterpreteerd. De toepassing van die norm mag niet beperkt blijven tot gevallen van belastingfraude en - ontduiking, maar moet gelden voor alle uitwisselingen van inlichtingen, ook voor samenwerking inzake belastingen.

Daarom heeft de Commissie in 2009 in nauw contact met de Raad, met name via de werkzaamheden die worden verricht in de Groep EVA en de Groep belastingvraagstukken (directe belastingen), met Liechtenstein onderhandeld over verscheidene kwesties, waaronder:

- de algemene werkingssfeer van de overeenkomst moet worden uitgebreid zodat daaronder ook samenwerking inzake belastingen overeenkomstig de OESO-norm van artikel 26 valt;

- de algemene werkingssfeer moet worden uitgebreid zodat de OESO-normen eronder vallen, door te specificeren dat bijstand op verzoek via de uitwisseling van inlichtingen ook betrekking heeft op inlichtingen die normaliter van belang zijn voor de vaststelling, heffing, invordering en inning van belastingen, de terugvordering en tenuitvoerlegging van uit belastingen voortvloeiende schuldvorderingen of opsporing of vervolging in belastingzaken;

- belastingontwijking, met inbegrip van het niet-indienen van een wettelijk verplichte belastingaangifte, moet onder deze regeling vallen en er moet worden verduidelijkt wat wordt bedoeld met belastingfraude en belastingontwijking, met name om de reikwijdte van bijstand betreffende opsporing te bepalen;

- het ontwerp van herziene overeenkomst moet ook beter de exacte bewoordingen van de OESO-norm van artikel 26 weergeven wat de grenzen aan de uitwisseling van inlichtingen betreft;

- om de volledige toepassing van de OESO-norm van artikel 26 van het modelverdrag te waarborgen, lijkt het noodzakelijk om te bepalen over welke bevoegdheden de overheid van een aangezochte partner beschikt; de partijen moeten er met name voor zorgen dat hun overheden over de bevoegdheid beschikken om inlichtingen te verkrijgen en te verstrekken die bij banken, partnerschappen, vennootschappen, trusts en stichtingen berusten, met name over eigendom en begunstigden, teneinde deze inlichtingen op verzoek te verstrekken;

- de overeenkomst moet worden herzien om het gemengd comité een aanvullende taak te geven op het gebied van toezicht en evaluatie;

- de vorm en de inhoud van verzoeken om bijstand moeten worden gespecificeerd om er een beschrijving in op te nemen van de inhoud van het verzoek om bijstand die de bepalingen weergeeft waarover Liechtenstein recentelijk met derde landen een overeenkomst bereikte;

- de overeenkomst moet snel kunnen worden uitgevoerd en voorzien in een gedifferentieerde regeling met de voorlopige toepassing van bepaalde bevoegdheden van de Unie, namelijk met betrekking tot de traditionele eigen middelen en bepaalde aspecten van de bepalingen over uitwisseling van inlichtingen.

In de context van deze onderhandelingen heeft het Vorstendom Liechtenstein voornamelijk de volgende kwesties ter sprake gebracht:

- de context van de overeenkomst wordt voor Liechtenstein gekenmerkt door zijn lidmaatschap van de EER en daarom ook door zijn deelname aan de vrijheden van de interne markt en door de door hem ondertekende overeenkomsten betreffende deelname aan het Schengenacquis en het Dublinacquis;

- gelijke behandeling en non-discriminatie zijn grondbeginselen en moeten als zodanig door alle lidstaten worden toegepast in hun relaties met Liechtenstein; het is ook een doelstelling voor Liechtenstein om gelijke behandeling en non-discriminatie te bereiken ten aanzien van de andere Europese landen en de verplichtingen tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken krachtens deze overeenkomst;

- Liechtenstein behoudt de mogelijkheid om met afzonderlijke lidstaten binnen hun bevoegdheid aanvullende bilaterale samenwerkingsovereenkomsten in belastingzaken te sluiten. Met sommige lidstaten werden reeds dergelijke overeenkomsten gesloten.

De Commissie heeft over haar onderhandelingen met Liechtenstein regelmatig voortgangsverslagen opgesteld voor de Raad .

Op 9 juni 2009 heeft de Raad er onder verwijzing naar de conclusies van de Raad van 10 februari 2009 bij de Commissie op aangedrongen snel het onderhandelingsresultaat over de overeenkomt inzake fraudebestrijding met Liechtenstein te presenteren en er nota van genomen dat de Commissie onderhandelingsrichtsnoeren zal voorleggen voor overeenkomsten inzake fraudebestrijding met Monaco, Andorra, San Marino en Zwitserland.

De discussies in de werkgroepen van de Raad (Groep EVA en Groep belastingvraagstukken - directe belastingen) hebben bijgedragen tot het opstellen van een informeel herzien ontwerp; de Commissie heeft zoveel mogelijk de verzoeken van de lidstaten in de tekst opgenomen en rekening gehouden met de bezwaren van de lidstaten. Dit ontwerp werd op 8 en 14 oktober 2009 voor bespreking aan het COROPER voorgelegd.

Op de ECOFIN-Raad van 20 oktober besloot de Raad dat hij deze kwestie in december opnieuw zou behandelen.

In het gewijzigde voorstel wordt met deze recente ontwikkelingen rekening gehouden. Bovendien wordt daarin ook rekening gehouden met de nieuwe bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name wat de rechtsgrondslagen betreft.

Deze overeenkomst moet als model dienen voor onderhandelingen over fraudebestrijdingsovereenkomsten met derde landen.

2.

3. Wijzigingen


- Opschrift van de overeenkomst en artikel 1 - 'Voorwerp'

Het opschrift en dit artikel zijn gewijzigd om het voorwerp van de overeenkomst uit te breiden (waaronder ook bijstand in de vorm van uitwisseling van inlichtingen valt die normaliter van belang zijn voor de vaststelling, heffing, invordering en inning van belastingen).

- Artikel 2 – “Werkingssfeer”

Dit artikel is gewijzigd om de werkingssfeer van deze overeenkomst uit te breiden. Daartoe werd artikel 2, lid 1, punt c), toegevoegd om rekening te houden met de conclusies van de Raad van 10 februari 2009 en de verbintenis van Liechtenstein van 12 maart 2009 om de OESO-norm voor de uitwisseling van inlichtingen over te nemen (artikel 26 van het modelverdrag inzake belasting naar inkomen en vermogen).

Voorts zijn in artikel 2, lid 1, punt a), de termen “alle betrokken” geschrapt voor “partijen”, aangezien die geen toegevoegde hebben en in artikel 2, lid 1, punten b), e) en f), is de term “frauduleuze” geschrapt.

In artikel 2, lid 4, punt e), werd een nieuwe definitie van directe belastingen opgenomen; deze definitie is in overeenstemming met de definitie van artikel 3 van de OESO-modelovereenkomst betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.

Artikel 2, lid 4, punt b), en artikel 2, lid 4, punt d), zijn gewijzigd zodat ook het achterwege laten van correcte aangiften en het ontduiken van douanerechten en indirecte belastingen eronder vallen overeenkomstig de definitie in artikel 2, lid 4, punt f), betreffende gedragingen die strijdig zijn met de wetgeving inzake directe belastingen.

In artikel 2, lid 4, onder g) is een aanvullende definitie van het begrip 'personen' opgenomen. Onder deze definitie valt ook de definitie die het Zweedse voorzitterschap heeft voorgesteld in het compromis voor de ontwerp-richtlijn betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen.

In artikel 2 werd ook een nieuw lid 5 opgenomen om te preciseren dat inlichtingen worden uitgewisseld ongeacht de vraag of de persoon op wie de inlichtingen betrekking hebben, of bij wie de inlichtingen berusten, zijn woonplaats op het grondgebied van een partij heeft en om te preciseren wat onder de autoriteiten van de partijen moet worden verstaan. Dit is in overeenstemming met artikel 2 van de OESO-modelovereenkomst betreffende de uitwisseling van belastinggegevens en met de verplichtingen waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 2 van de overeenkomst VS/Liechtenstein i).

Ten slotte is voorzien in de niet-nakoming van een wettelijke verplichting om een belastingaangifte in te dienen (artikel 2, lid 4, punt f), onder vi).

- Artikel 3 - “Minder belangrijke gevallen”

Dit artikel werd gewijzigd om de drempel te schrappen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken.

- Artikel 4 - “Openbare orde”

Dit artikel is niet gewijzigd. Er zij echter op gewezen dat deze bepaling zeer restrictief moet worden geïnterpreteerd om wezenlijke belangen van een partij te vrijwaren. Het mag niet zodanig worden geïnterpreteerd dat daardoor de goede werking van de overeenkomst kan worden verhinderd.

- Artikel 5 - “Verstrekken van inlichtingen en bewijzen”

Artikel 5, lid 2, punt b), is gewijzigd om de verwijzing naar artikel 2, lid 1, punt c), toe te voegen.

- Artikel 6 - “Geheimhouding”

Dit artikel is niet gewijzigd. Deze bepaling moet worden gelezen in het licht van artikel 21 betreffende het gebruik van inlichtingen.

- Artikel 7 - “Verhouding tot andere overeenkomsten”

Dit artikel is gewijzigd om duidelijk te maken dat de overeenkomst moet worden uitgelegd als houdende minimumregels en dat bilaterale overeenkomsten (maar ook regelingen) verder mogen gaan dan dit minimum voor zover deze verdergaande samenwerking tot gevolg hebben op het gebied van administratieve bijstand.

- Artikel 8 – “Omvang van de administratieve bijstand”

Dit artikel is gewijzigd om expliciet de administratieve samenwerking via de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de onder de overeenkomst vallende belastingen te vermelden.

- Artikel 9 - “Verjaring”

De laatste zin werd toegevoegd om te preciseren dat het verstrijken van een verjaringstermijn voor belastingen in de aangezochte partij niet belet dat de aangezochte partij gevraagde inlichtingen verkrijgt of verstrekt. Dit is in overeenstemming met de verplichtingen waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 7, lid 5, van de overeenkomst VS/Liechtenstein).

- Artikel 10 - “Bevoegdheden”

Overeenkomstig de conclusies van de Raad van februari 2009 werd dit artikel herzien om dezelfde soort verplichtingen te omvatten als die waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 5, lid 6) en om het in overeenstemming te brengen met de OESO-modelovereenkomst van 2002 betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.

Er werden twee voetnoten toegevoegd om aan te geven dat inrichtingen en stichtingen in het Duits vertaald worden als 'Anstalten' en 'Stiftungen'.

Er wordt een link gelegd met de nieuwe definitie van het begrip 'personen' in artikel 2, lid 4, punt g).

- Artikel 11 - “Grenzen aan de uitwisseling van inlichtingen”

Dit artikel is gewijzigd om ten volle rekening te houden met de OESO-norm van artikel 26 (lid 2). Het is ook gewijzigd om te specificeren dat een verzoek om inlichtingen niet mag worden afgewezen op grond van het feit dat de aan het verzoek ten grondslag liggende belastingschuld door de belastingplichtige wordt aangevochten (nieuw lid 3) overeenkomstig de verplichtingen waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 7, lid 3, van de overeenkomst VS/Liechtenstein).

- Artikel 12- “Kosten en verplichting de gebruikelijke bronnen van inlichtingen te benutten”

Het eerste lid is vervangen door een nieuwe bepaling betreffende de kosten, die in overeenstemming is met de OESO-modelovereenkomst van 2002 betreffende de uitwisseling van belastinggegevens (artikel 9, dat bepaalt: “Over de toewijzing van de kosten van het verlenen van bijstand wordt door de overeenkomstsluitende partijen overeenstemming bereikt”, en het commentaar daarbij).

In het tweede lid betreffende de verplichting om eerst de gebruikelijke bronnen te benutten, werd een uitzondering toegevoegd voor het geval waarin het benutten van die middelen onevenredige problemen zou veroorzaken.

- Artikel 14 - “Verzoek om inlichtingen”

De nieuwe bewoordingen van dit artikel zijn in overeenstemming met de verplichtingen waarover Liechtenstein het met de Verenigde Staten eens is geworden (artikel 5 van de overeenkomst VS/Liechtenstein) waarvoor is teruggegrepen naar de OESO-modelovereenkomst van 2002 betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.

- Artikel 18 bis - “Aanwezigheid van gemachtigde ambtenaren van de autoriteit van de verzoekende partij met betrekking tot belastingsamenwerking”

Deze nieuwe bepalingen betreffende samenwerking in belastingzaken zijn toegevoegd als gevolg van de uitbreiding van de werkingssfeer van de overeenkomst (nieuw artikel 2, lid 1, punt c)). Dit ligt in de lijn van de OESO-modelovereenkomst van 2002 betreffende de uitwisseling van belastinggegevens (artikel 6 en commentaar, met name de paragrafen 66 tot 70) en voor deze bepaling werd teruggegrepen naar de verplichtingen waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 6 van de overeenkomst VS/Liechtenstein).

- Artikel 20 bis – “Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand in belastingzaken”

Overeenkomstig de conclusies van de Raad van februari 2009 werd dit artikel herzien om dezelfde soort verplichtingen te omvatten als die waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 5, lid 2, van de overeenkomst VS/Liechtenstein).

Dit artikel moet worden geïnterpreteerd in het licht van de gemeenschappelijke verklaring over deze bepaling, met name wanneer de identiteit van de rekeninghouder onbekend is.

- Artikel 21 - “Gebruik van informatie”

Dit artikel is niet gewijzigd. Er zij echter opgemerkt dat onder de in dit artikel bedoelde gerechtelijke procedures zowel civiele als strafrechtelijke procedures worden bedoeld.

- Artikel 24 - “Invordering”

Naast de in de toelichting bij de oorspronkelijke voorstellen van 10 december 2008 gegeven uitleg, moet ook worden opgemerkt dat de bepaling van artikel 24, lid 2, aanvullende vereisten uit het nationale recht zo nodig onverlet laat.

- Artikel 25 - “Verhouding tot andere overeenkomsten”

Zoals uiteengezet onder artikel 7 wordt ook dit artikel gewijzigd om aanvullend duidelijk te maken dat de bepalingen van titel III uitgebreidere samenwerking op grond van andere instrumenten, met name bilaterale overeenkomsten, niet in de weg staan.

- Artikel 31 - “Huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen”

Dit artikel is niet gewijzigd. Er zij echter opgemerkt dat de lijst met voorwaarden voor de inwilligbaarheid van verzoeken waarin dit artikel voorziet, exhaustief is.

- Artikel 32 - “Verzoek om financiële en bankgegevens”

Artikel 32, lid 5, werd geherformuleerd om beter de OESO-norm weer te geven. In dit lid wordt onder “partij” aangezochte partij verstaan.

Naast de in de toelichting bij de oorspronkelijke voorstellen van 10 december 2008 gegeven uitleg, moet ook worden opgemerkt dat de beperkingen van het afwijzen van een verzoek om inlichtingen niet verschillend mogen zijn voor administratieve bijstand en voor wederzijdse rechtshulp.

- Artikel 33 - “Gecontroleerde aflevering”

Dit artikel is niet gewijzigd. Er zij echter opgemerkt dat deze bepaling in het licht van artikel 8, lid 2, moet worden gelezen.

- Artikel 38 - “Gemengd comité”

Artikel 38, leden 1 en 2, zijn licht gewijzigd, met name om te verduidelijken dat de besluiten, die met eenparigheid van stemmen moeten worden genomen, niet alleen besluiten zijn waarin een ander artikel van de overeenkomst voorziet, maar ook besluiten die praktische regelingen voor de toepassing van de overeenkomst behelzen.

In artikel 38, lid 2, wordt gespecificeerd wat met 'alle partijen' wordt bedoeld.

- Artikel 41 - “Inwerkingtreding”

Gelet op het precedent met de Zwitserse Bondsstaat is een bepaling toegevoegd waardoor een aantal specifieke bepalingen van de overeenkomst (titel I en titel II voor zover zij betrekking hebben op uitwisseling van inlichtingen en wederzijdse rechtshulp met betrekking tot fraude en andere illegale activiteiten ter zake van de traditionele eigen middelen en de communautaire fondsen) van toepassing zijn zodra de partijen de overeenkomst hebben ondertekend en het Vorstendom Liechtenstein kennis heeft gegeven van zijn ratificatie-instrument.

De rechtsorde van de Unie staat een dergelijke voorlopige toepassing toe.

"Traditionele eigen middelen" moet worden uitgelegd in het licht van het Besluit van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen i (dit begrip omvat de lijst in artikel 2, lid 1, punt a), maar niet de btw).

- Artikel 43 - “Temporele werkingssfeer”

Dit artikel is gewijzigd om de regels inzake de temporele toepassing te specificeren in verband met de bijstand in de vorm van uitwisseling van inlichtingen met het oog op de vaststelling, heffing, invordering en inning van directe en indirecte belastingen (nieuw artikel 2, lid 1, punt c)).

Voor de bewoordingen van artikel 43, punt c), is teruggegrepen naar artikel 15 van de OESO-modelovereenkomst van 2002 betreffende de uitwisseling van belastinggegevens. Deze nieuwe bepaling heeft tot doel een tijdelijke toepassingsregeling vast te stellen die verenigbaar is met de behoefte aan een voorspelbaar rechtskader voor bestaande klantenrelaties. Mocht de overeenkomst vóór eind 2009 worden ondertekend, dan zou 2010 het eerste betrokken belastingjaar zijn en zou de eerste op dat specifieke belastingjaar gebaseerde uitwisseling van inlichtingen in 2011 worden verricht.

3.

4. Conclusie


De Commissie wijzigt haar voorstel als volgt: