Toelichting bij COM(2015)452 - EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU betreffende procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

1.1.Motivering en doel van het voorstel

• Vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst

De Europese Commissie heeft op 13 mei 2015 een brede Europese migratieagenda 1 gepresenteerd. De agenda schetst, in aanvulling op de onmiddellijke maatregelen die de Commissie kort daarna heeft voorgesteld in reactie op de crisis in het Middellandse Zeegebied, verdere initiatieven die moeten worden genomen om structurele oplossingen te bieden met het oog op een in alle aspecten beter beheer van migratie. Als onderdeel van de onderzochte structurele initiatieven en in het licht van de huidige ongekende druk op de asielstelsels van de lidstaten heeft de Commissie de noodzaak benadrukt van een meer doeltreffende aanpak van misbruik en haar voornemen bekendgemaakt om de bepalingen inzake veilige landen van herkomst van Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna 'Richtlijn 2013/32/EU') te versterken ter ondersteuning van een snelle behandeling van asielverzoeken van personen uit landen die als veilig zijn aangemerkt. Zoals benadrukt door de Europese Raad in zijn conclusies van 25 en 26 juni 2015 moet hiervoor onder meer een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst worden vastgesteld.

Richtlijn 2013/32/EU biedt lidstaten de mogelijkheid specifieke procedurele regels toe te passen, met name versnelde procedures en grensprocedures, wanneer de verzoeker onderdaan is van een land (of een staatloze persoon met betrekking tot een derde land waar deze vroeger gewoonlijk verbleef) dat door het nationale recht als veilig land van herkomst is aangemerkt en daarnaast ook voor de asielzoeker in het licht van zijn of haar bijzondere omstandigheden als veilig kan worden beschouwd. Slechts enkele lidstaten hebben een nationale lijst van veilige landen van herkomst vastgesteld. Bovendien vertonen deze nationale lijsten een aantal verschillen, die het gevolg kunnen zijn van verschillen in de beoordeling van de veiligheid van bepaalde derde landen of van verschillen in de aard van de stromen van onderdanen van derde landen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd.

2.

In bijlage I bij Richtlijn 2013/32/EU zijn in de volgende bewoordingen gemeenschappelijke criteria vastgelegd voor het aanmerken van derde landen als veilige landen van herkomst:


"Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU 2 , noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

3.

Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:


a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;

c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève;

1.

d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden."


Op dit moment voorziet het recht van de Unie niet in een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. Dit voorstel is bedoeld om, op basis van de gemeenschappelijke criteria van Richtlijn 2013/32/EU, een dergelijke gemeenschappelijke EU-lijst vast te stellen, aangezien dit de toepassing door alle lidstaten van de procedures waarbij het begrip 'veilig land van herkomst' een rol speelt, zal vergemakkelijken, en beoogt zo de algemene efficiëntie van hun asielstelsels bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die waarschijnlijk ongegrond zijn, te verhogen. Een gemeenschappelijke EU-lijst zal ook de bestaande verschillen tussen lidstaten met betrekking tot hun nationale lijsten van veilige landen van herkomst verkleinen en zo de convergentie in de procedures bevorderen en het ontstaan van secundaire stromen van personen die om internationale bescherming verzoeken, ontmoedigen.

• Derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst moeten worden opgenomen

Op basis van alle relevante informatie waarover zij beschikt, met name verslagen van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en informatie van de lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO, European Asylum Support Office), de Raad van Europa, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR, United Nations High Commissioner for Refugees) en andere relevante internationale organisaties, is de Europese Commissie tot de conclusie gekomen dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo* 3 , Montenegro, Servië en Turkije veilige landen van herkomst zijn in de zin van Richtlijn 2013/32/EU en moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

De Europese Commissie gebruikte met name verslagen van de EDEO, waaronder speciale landenspecifieke verslagen van 31 augustus en 1 september 2015, informatie van de lidstaten, onder meer over de nationale wetgeving rond de aanmerking van veilige landen van herkomst, informatie van het EASO, waaronder schriftelijke verslagen en de resultaten van een op 2 september 2015 gehouden coördinatievergadering met deskundigen van de lidstaten inzake veilige landen van herkomst, en tevens openbaar beschikbare informatie van de Raad van Europa, de UNHCR en andere relevante internationale organisaties.

In Albanië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Geïsoleerde gevallen van bloedwraak, huiselijk geweld en discriminatie of geweld tegen personen die tot etnische minderheden of kwetsbare groepen behoren, zoals Roma, Balkan-Egyptenaren en leden van de LHBTI-gemeenschap 4 , komen in individuele gevallen nog steeds voor. Omdat Albanië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vier van de in totaal 150 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 7,8 % (1040) van de asielaanvragen van burgers van Albanië gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Albanië als veilig land van herkomst aangemerkt. Albanië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Albanië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Bosnië en Herzegovina bepaalt de grondwet de wijze waarop de verschillende bevolkingsgroepen van het land de macht onderling delen. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen op etnische of religieuze gronden of omwille van hun politieke overtuiging en tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals leden van de LHBTI-gemeenschap, journalisten en kinderen, komt in individuele gevallen nog steeds voor. Omdat Bosnië en Herzegovina is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vijf van de in totaal 1196 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 4,6 % (330) van de asielaanvragen van burgers van Bosnië en Herzegovina gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Bosnië en Herzegovina als veilig land van herkomst aangemerkt. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Bosnië en Herzegovina een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Geïsoleerde gevallen van discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals kinderen, personen met een handicap, Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komen nog steeds voor. Omdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in zes van de in totaal 502 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 0,9 % (70) van de asielaanvragen van burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië gegrond was. Ten minste zeven lidstaten hebben de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië als veilig land van herkomst aangemerkt. De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Kosovo* vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Het feit dat Kosovo* geen partij is bij relevante internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten, zoals het EVRM, vloeit voort uit het ontbreken van een internationale consensus over zijn status als soevereine staat. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals vrouwen, leden van de LHBTI-gemeenschap en personen die deel uitmaken van etnische minderheden, met inbegrip van etnische Serviërs, komt in individuele gevallen nog steeds voor. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 6,3 % (830) van de asielaanvragen van burgers van Kosovo* gegrond was. Ten minste zes lidstaten hebben Kosovo* als veilig land van herkomst aangemerkt. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Kosovo* een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Montenegro vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, journalisten, Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komt nog steeds voor. Omdat Montenegro is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in één van de in totaal 447 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 3,0 % (40) van de asielaanvragen van burgers van Montenegro gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Montenegro als veilig land van herkomst aangemerkt. Montenegro is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Montenegro een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Servië vormt de grondwet de basis voor zelfbestuur van minderheden op het gebied van onderwijs, taalgebruik, informatie en cultuur. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie van personen uit kwetsbare groepen, zoals etnische minderheden, waaronder etnische Albanezen, religieuze minderheden, waaronder moslims, en tegen Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komt nog steeds voor. Omdat Servië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 16 van de in totaal 11 490 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 1,8 % (400) van de asielaanvragen van burgers van Servië gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Servië als veilig land van herkomst aangemerkt. Servië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Servië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Turkije vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie en schendingen van de mensenrechten van personen uit kwetsbare groepen, zoals minderheden, waaronder etnische Koerden, journalisten en leden van de LHBTI-gemeenschap, komen nog steeds voor. Omdat Turkije is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 94 van de in totaal 2899 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 23,1 % (310) van de asielaanvragen van burgers van Turkije gegrond was. Eén lidstaat heeft Turkije als veilig land van herkomst aangemerkt. Turkije is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Turkije een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

Dit voorstel moet worden gezien als een eerste stap naar het vaststellen van een algemene gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie. Dit betekent dat de Commissie kan voorstellen andere derde landen in de gemeenschappelijke EU-lijst op te nemen als die voldoen aan de criteria om als veilig te worden aangemerkt, na goedkeuring door het Europees Parlement en de Raad. Daarbij zal prioriteit worden gegeven aan derde landen waaruit een significant aantal verzoekers om internationale bescherming in de EU afkomstig is, zoals Bangladesh, Pakistan en Senegal.

Zoals aangegeven in dit voorstel zal de Commissie, als de verordening door het Europees Parlement en de Raad wordt vastgesteld, na een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding ervan een verslag indienen over de mogelijkheid van verdere harmonisatiestappen die nationale lijsten van veilige landen van herkomst in de toekomst overbodig zouden kunnen maken.

1.2.Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel is in overeenstemming met de gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming die zijn vastgesteld in Richtlijn 2013/32/EU en met de andere instrumenten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel.

1.3.Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorstel om een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst vast te stellen en, in het bijzonder, daar derde landen in op te nemen die door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat zijn aangewezen, is in overeenstemming met het uitbreidingsbeleid van de Unie. Toen Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat werden aangewezen, was het oordeel dat zij voldeden aan de criteria die door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 waren vastgesteld met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen; zij moeten aan deze criteria blijven voldoen om in aanmerking te komen voor lidmaatschap. De geboekte vooruitgang ten aanzien van de politieke en economische criteria en de mate van aanpassing aan het acquis wordt elk jaar in het jaarlijkse voortgangsverslag van de Europese Commissie geëvalueerd. Het huidige voorstel om Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te nemen, heeft geen implicaties voor de komende jaarlijkse voortgangsverslagen die door de Europese Commissie met betrekking tot elk van deze derde landen zullen worden voorgelegd.

2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN

In zijn conclusies van 25 en 26 juni 2015 refereerde de Europese Raad, in verband met de noodzaak tot een snellere behandeling van asielaanvragen, aan het voornemen van de Commissie om de bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU inzake veilige landen van herkomst te versterken, onder meer door de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

De Raad Justitie en Binnenlandse Zaken heeft in zijn conclusies van 20 juli 2015 de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst met instemming ontvangen. De Raad tekende aan "wat de landen van de Westelijke Balkan betreft, dat deze landen opgenomen zijn in het merendeel van de nationale lijsten van veilige landen van herkomst, dat de Europese Raad herhaaldelijk heeft gewezen op het Europees perspectief van deze landen, en dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië zijn verplaatst naar de lijst van landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van de visumplicht met ingang van 19 december 2009, respectievelijk 15 december 2010. Bovendien lag in 2014 het gemiddelde EU-percentage ingewilligde asielverzoeken voor de landen van de Westelijke Balkan veeleer laag. Dit wijst erop dat de landen van de Westelijke Balkan door alle lidstaten als veilige landen van herkomst kunnen worden beschouwd."

Nadat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken zijn conclusies had bekendgemaakt, organiseerde het EASO op 2 september 2015 een vergadering van deskundigen met de lidstaten, waar er een brede consensus over werd bereikt dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo*, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië als veilige landen van herkomst in de zin van Richtlijn 2013/32/EU moeten worden beschouwd.

3. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT, EVENREDIGHEID, GRONDRECHTEN

3.1.Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 78, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de rechtsgrondslag vormt voor maatregelen met betrekking tot gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van de uniforme status voor asiel en subsidiaire bescherming. Het voorstel is gericht op het vaststellen van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU en tot wijziging van deze richtlijn, die was vastgesteld op basis van artikel 78, lid 2, onder d), VWEU.

3.2.Subsidiariteit

Titel V van het VWEU over de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht verleent de Europese Unie bepaalde bevoegdheden op dit gebied. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te weten indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Europese Unie kunnen worden verwezenlijkt.

Het voorstel heeft betrekking op het vaststellen van een gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie, zodat het gebruik door alle lidstaten van de procedures waarbij het begrip 'veilig land van herkomst' een rol speelt, wordt vereenvoudigd. Het voorstel is ook bedoeld om een aantal bestaande verschillen tussen lidstaten met betrekking tot hun nationale lijsten van veilige landen van herkomst aan te pakken, die tot gevolg hebben dat verzoekers om internationale bescherming uit dezelfde derde landen in de lidstaten niet altijd aan dezelfde procedures worden onderworpen. De algemene doelstelling van de voorgestelde actie wordt niet voldoende door de lidstaten verwezenlijkt en kan derhalve beter worden verwezenlijkt door de Europese Unie.

3.3.Evenredigheid

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen van het bestaande rechtskader niet verder dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. De gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst wordt vastgesteld in overeenstemming met de criteria voor de aanmerking van veilige landen van herkomst uit Richtlijn 2013/32/EU, en de landen op de gemeenschappelijke lijst zullen regelmatig opnieuw worden beoordeeld. Wat de voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2013/32/EU betreft: deze blijven beperkt tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat de bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU over de toepassing van het begrip 'veilig land van herkomst' ook van toepassing zijn op de derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zijn opgenomen.

3.4.Keuze van het instrument

De keuze van een verordening voor de vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst is gerechtvaardigd door de aard van een dergelijke gemeenschappelijke lijst, die op het niveau van de Unie wordt vastgesteld en rechtstreeks toepasselijk moet zijn in de rechtsstelsels van de lidstaten.

3.5.Grondrechten

Dit voorstel is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen zoals vastgelegd in het Handvest, met inbegrip van het recht op asiel en bescherming tegen refoulement, zoals bepaald in de artikelen 18 en 19 van het Handvest.

Er wordt met name aan herinnerd dat, overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU, de omstandigheid dat een derde land deel uitmaakt van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst geen absolute waarborg kan vormen voor de veiligheid van de onderdanen van dat land en daarom een passende individuele beoordeling van hun verzoeken om internationale bescherming niet overbodig maakt. Er wordt ook aan herinnerd dat, wanneer een verzoeker geldige redenen aanvoert om het land in zijn bijzondere omstandigheden als niet-veilig te beschouwen, de aanmerking van het land als veilig land niet langer als voor hem ter zake doende kan worden beschouwd.

De derde landen waarvan wordt voorgesteld deze in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te nemen, voldoen aan de in Richtlijn 2013/32/EU vastgestelde voorwaarden om als veilig te worden aangemerkt. Dit betekent dat, op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er in deze landen algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU en zal naar verwachting geen gevolgen hebben voor de begroting van de lidstaten.

5. OVERIGE ELEMENTEN

5.1.Regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het voorstel voorziet erin dat de mogelijkheid om in de toekomst verdere harmonisatiestappen te nemen die ertoe zouden kunnen leiden dat nationale lijsten van veilige landen van herkomst niet meer nodig zijn, na een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening op basis van een door de Commissie opgesteld verslag in overweging moet worden genomen.

5.2.Artikelsgewijze toelichting

Dit voorstel voor een verordening behelst het vaststellen van een gemeenschappelijke EU-lijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2013/32/EU. Het voorstel behelst tevens een wijziging van Richtlijn 2013/32 om mogelijk te maken dat de bepalingen inzake veilige landen van herkomst van deze richtlijn ook van toepassing zijn op derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst zijn opgenomen.

De gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst moet als bijlage I bij de voorgestelde verordening worden opgenomen. Derde landen die in deze bijlage worden opgenomen, moeten voldoen aan de voorwaarden in bijlage I bij Richtlijn 2013/32/EU voor de aanmerking van veilige landen van herkomst. De Commissie is van oordeel dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo*, Montenegro, Servië en Turkije aan deze voorwaarden voldoen en, als eerste stap, in de gemeenschappelijke EU-lijst moeten worden opgenomen.

In het voorstel is de Commissie ertoe verplicht de situatie in de derde landen op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst regelmatig te evalueren en zich daarbij te baseren op een reeks informatiebronnen, waaronder met name regelmatige verslagen van de EDEO en informatie van de lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

Het voorstel voorziet erin dat elke wijziging van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld. In geval van een plotselinge verslechtering van de situatie in een derde land op deze lijst is de Commissie echter gemachtigd tot het vaststellen van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 290 VWEU om de vermelding van dat derde land tijdelijk, voor een termijn van een jaar, van de lijst te schorsen indien zij op basis van een onderbouwde beoordeling meent dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden om dat derde land als veilig land van herkomst te beschouwen. De Commissie kan de schorsing verlengen met een termijn van hoogstens één jaar, wanneer zij een wijziging van de verordening heeft voorgesteld om dit derde land van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te schrappen. Het voorstel bevat gedetailleerde bepalingen over de voorwaarden voor de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie, onder meer met betrekking tot de looptijd, de mogelijkheid voor het Europees Parlement en de Raad om de bevoegdheid op elk moment in te trekken, de verplichting van de Commissie om het Europees Parlement en de Raad te informeren over de vaststelling van gedelegeerde handelingen en het feit dat de gedelegeerde handelingen pas in werking kunnen treden als door geen van beide instellingen binnen één maand na deze kennisgeving bezwaar is aangetekend.