Toelichting bij COM(2011)276 - Onderlinge erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel maakt deel uit van een wetgevingspakket waarmee wordt beoogd de rechtspositie van slachtoffers in de EU te verbeteren. Tot dit pakket behoren tevens de volgende andere onderdelen: een mededeling over de verbetering van de rechtspositie van slachtoffers in de EU en een richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten en de bescherming van slachtoffers van misdrijven en voor slachtofferhulp. Dit voorstel, dat betrekking heeft op beschermingsbevelen die in burgerlijke zaken zijn gegeven, is een aanvulling op een initiatief dat een aantal lidstaten in september 2009 hebben genomen voor een richtlijn betreffende het Europees beschermingsbevel[1], dat de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in strafzaken moet verzekeren.

De Europese Unie heeft zichzelf ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, waarvan het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties in de Unie de hoeksteen vormt.

In het programma van Stockholm (2010-2014)[2] en het actieplan van de Commissie ter uitvoering daarvan wordt erkend dat verdere stappen moeten worden ondernomen om de behoeften van de slachtoffers van misdrijven centraal te stellen in onze rechtsstelsels. Slachtoffers worden hoog op de EU-agenda geplaatst en er wordt uiting gegeven aan het vaste voornemen om te komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde benadering van slachtoffers, in overeenstemming met de conclusies van de Raad JBZ van oktober 2009[3].

Ten aanzien van de rechten van slachtoffers in strafprocedures heeft de Europese Unie reeds actie ondernomen door middel van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure. Hoewel met betrekking tot de rechten van slachtoffers stappen vooruit zijn gezet, zijn de doelstellingen van het kaderbesluit van de Raad nog niet ten volle gerealiseerd.

Het Europees Parlement heeft de Raad tevens opgeroepen om een alomvattend rechtskader aan te nemen dat slachtoffers van misdrijven de breedst mogelijke bescherming biedt[4]. In zijn resolutie van 26 november 2009[5] over de uitbanning van geweld tegen vrouwen dringt het Europees Parlement er bij de lidstaten op aan hun nationale wetgeving en beleid ter bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen aan te scherpen en actie te ondernemen om de oorzaken van geweld tegen vrouwen aan te pakken, met name door middel van preventiemaatregelen, en verzoekt het de Unie om het recht op bijstand, bescherming en steun te waarborgen voor alle geweldslachtoffers.

In een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moeten slachtoffers van (onder meer huiselijk) geweld of personen van wie de lichamelijke en/of psychische integriteit of vrijheid wordt bedreigd en die in een lidstaat in aanmerking komen voor een beschermingsmaatregel, in de andere lidstaten aanspraak kunnen maken op hetzelfde niveau van bescherming wanneer zij verhuizen of reizen, zonder dat zij daarvoor dure en tijdrovende procedures moeten doorlopen. Daarmee wordt tevens tegemoetgekomen aan de oproep die de Commissie in haar verslag over het EU-burgerschap van 27 oktober 2010[6] heeft gedaan om de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers verder weg te nemen.

In september 2009 hebben twaalf lidstaten een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees beschermingsbevel[7]. Tijdens de onderhandelingen is gebleken dat het mechanisme dat wordt gehanteerd in dit instrument, dat gebaseerd is op artikel 82 VWEU betreffende de wederzijdse erkenning in strafzaken, niet strookt met de ambitieuze norm inzake wederzijdse erkenning die, op grond van artikel 81 VWEU, reeds is bereikt op civiel gebied. Met het huidige voorstel wordt dan ook beoogd te voorzien in een rechtsinstrument voor de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen die zijn genomen in strafzaken, waarbij wordt gewaarborgd dat alle in een lidstaat genomen beschermingsmaatregelen in aanmerking komen voor de toepassing van een efficiënt mechanisme waardoor het vrije verkeer ervan in de gehele Unie wordt verzekerd.

1.

2. RAADPLEGING EN EFFECTBEOORDELING


Tijdens de bespreking van het initiatief van de lidstaten voor een Europees beschermingsbevel, waaraan ook een effectbeoordeling was gekoppeld, kwam aan het licht dat er behoefte was aan een voorstel als het onderhavige, dat uitsluitend van toepassing is op beschermingsbevelen die in burgerlijke zaken zijn gegeven. Om nader te onderzoeken in hoeverre er behoefte is aan dit voorstel en hoe het moet worden opgezet, is de Commissie daarenboven te rade gegaan bij lidstaten, andere instellingen en deskundigen met diverse achtergronden.

Eerst belegde de Commissie op 25 mei 2010 een bijeenkomst met deskundigen, waarbij eens te meer bleek dat er in vele lidstaten civielrechtelijke beschermingsmaatregelen bestaan, waarvan de wederzijdse erkenning dient te gebeuren volgens de in burgerlijke zaken gangbare normen en niet volgens de zwaardere procedures die gebruikelijk zijn in strafzaken.

De Europese Commissie heeft tevens een externe studie laten uitvoeren die samen met de effectbeoordeling inzicht moet geven in de behoeften van slachtoffers van misdrijven, in de maatregelen die kunnen worden genomen om daaraan tegemoet te komen, en in de effecten van alle mogelijke opties[8]. Als onderdeel van de voorbereiding van de effectbeoordeling heeft de Commissie tussen 15 juli 2010 en 30 september 2010 een openbare raadpleging gehouden, waaraan zowel het brede publiek als niet-gouvernementele en gouvernementele organisaties konden deelnemen en waarin werd gevraagd welke stappen de Commissie moest ondernemen om de situatie van de slachtoffers van misdrijven te verbeteren, onder meer op het gebied van beschermingsbevelen.

Daarnaast werd opdracht gegeven voor een studie om na te gaan wat mogelijk was met betrekking tot het specifieke doel te voorkomen dat de door een beschermingsbevel verkregen bescherming verloren gaat wanneer een beschermde persoon naar een andere lidstaat reist of verhuist[9].

2.

3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL 3.1. Rechtsgrondslag


Dit voorstel is gebaseerd op artikel 81, lid 2, onder a), e) en f), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Luidens artikel 81 ontwikkelt de Unie een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten omvatten.

Met het oog daarop stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt, maatregelen vast die onder meer de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan omvatten.

Samenvatting van de voorgestelde actie



Om de slachtoffers van geweld, in het bijzonder huiselijk geweld, stalking en geweld tegen kinderen, te beschermen, voorzien de nationale wettelijke regels van de lidstaten in de mogelijkheid tijdelijke en preventieve maatregelen ter bescherming van een persoon te nemen wanneer er een ernstig risico bestaat dat de lichamelijke en/of psychische integriteit of de vrijheid van de betrokkene in het gedrang komt. De beschermingsmaatregelen worden door een rechtsprekende of andere autoriteit gelast op verzoek van de persoon die in gevaar is. Vaak worden zij bevolen zonder dat de persoon van wie de dreiging uitgaat wordt gedagvaard, met name in spoedeisende gevallen ("ex parte" procedures). De beschermingsmaatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een verbod om dichter dan een bepaalde afstand bij de beschermde persoon in de buurt te komen of om op bepaalde plaatsen te komen waar de beschermde persoon woont of geregeld komt. Een kenmerk van veel beschermingsmaatregelen is dat de overheid niet actief optreedt om de naleving ervan af te dwingen: door een overtreding van het verbod stelt de persoon van wie het gevaar uitgaat zich rechtstreeks bloot aan een sanctie, vaak zelfs een strafsanctie.

Ten gevolge van de uitbreiding van het vrije verkeer verhuizen of reizen steeds meer mensen naar het buitenland. Bijgevolg is het van het grootste belang ervoor te zorgen dat de tijdelijke bescherming die in een lidstaat wordt geboden, ook gehandhaafd blijft wanneer de betrokkene naar een andere lidstaat reist of verhuist, zonder dat deze daarvoor een tijdrovende procedure moet doorlopen. De civielrechtelijke samenwerking is ontwikkeld in het kader van de totstandbrenging van een interne markt in Europa en is gebaseerd op het beginsel van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen. Deze wederzijdse erkenning is geleidelijk verbeterd door de controlemaatregelen voor in den vreemde gegeven beslissingen in de Unie te versoepelen. Dit voorstel voert een snel en efficiënt mechanisme in om ervoor te zorgen dat de lidstaat waarheen de persoon die in gevaar is verhuist, zonder verdere formaliteiten de beschermingsmaatregel erkent die door de eerste lidstaat is gelast. Wat de instrumenten voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken betreft, voert dit voorstel een gestandaardiseerd certificaat in dat alle informatie bevat die voor de erkenning en, in voorkomend geval, de tenuitvoerlegging van belang is. Er zal derhalve door de bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat, ambtshalve dan wel op verzoek van de beschermde persoon, een certificaat worden afgegeven, dat de betrokkene vervolgens aan de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat kan overhandigen. De bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat stellen de persoon van wie de dreiging uitgaat in kennis van de geografische uitbreiding van de buitenlandse beschermingsmaatregel en van de op overtreding ervan toepasselijke sancties, en zien in voorkomend geval toe op de tenuitvoerlegging ervan.

Om te komen tot een snel, goedkoop en efficiënt mechanisme voor het verkeer van beschermingsmaatregelen in de Europese Unie, is gekozen voor de benadering die ook ten grondslag ligt aan Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ("Brussel II‑bis")[10], met name de artikelen 41 en 42 daarvan. Er is ook inspiratie gehaald uit het voorstel van de Commissie voor een herschikking van Verordening (EG) nr. 44/2001 ("Brussel I")[11]. Het voorstel voorziet in de afschaffing van alle intermediaire procedures en er worden geen weigeringsgronden voorgesteld, behalve indien er een niet-verenigbare beslissing bestaat in de lidstaat van erkenning.

Automatische erkenning is eveneens van toepassing wanneer de lidstaat van erkenning en/of tenuitvoerlegging zelf geen beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken kent. Dit is immers een basisprincipe van de wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken: het feit dat de lidstaat waar de erkenning en/of tenuitvoerlegging wordt gevraagd in zijn interne recht niet in een dergelijke maatregel voorziet, mag geen afbreuk doen aan het feit dat hij verplicht is de door een andere lidstaat genomen maatregel te erkennen en in voorkomend geval ten uitvoer te leggen. De aard van de autoriteit die de beschermingsmaatregelen heeft uitgevaardigd (burgerlijke rechter, burgemeester, strafrechter) is in dit opzicht niet relevant.

Aan de afschaffing van de intermediaire procedures worden waarborgen op het gebied van de grondrechten verbonden:

– de autoriteit van de eerste lidstaat die wordt verzocht het certificaat af te geven, moet nagaan of het recht op een eerlijk proces, inzonderheid het recht op verdediging, van de persoon van wie de dreiging uitgaat in acht is genomen. Indien die rechten niet gewaarborgd waren, kan geen certificaat worden afgegeven;

– in geval van opschorting of intrekking van de beschermingsmaatregel door de eerste lidstaat moet de bevoegde autoriteit van de tweede lidstaat op verzoek van de persoon van wie de dreiging uitgaat de erkenning en, in voorkomend geval, de tenuitvoerlegging opschorten dan wel intrekken;

– de bevoegde autoriteiten van beide lidstaten moeten de persoon van wie de dreiging uitgaat en de beschermde persoon in kennis stellen van alle informatie betreffende de afgifte, erkenning, eventuele tenuitvoerlegging en sancties, opschorting of intrekking van de beschermingsmaatregel.

Al die waarborgen moeten de zekerheid bieden dat de grondrechten en beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geëerbiedigd worden, terwijl toch de tijd en kosten van een exequaturprocedure worden uitgespaard.

Dit voorstel laat de strafsancties die lidstaten eventueel op inbreuken op een beschermingsmaatregel hebben gesteld, onverlet. Dat blijft een zaak van het nationale recht van elke lidstaat.

3.

3.3. Analyse van de belangrijkste artikelen


Dit voorstel is een instrument voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken en volgt dan ook de logica van de bestaande EU-instrumenten op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, waarop het in grote trekken geïnspireerd is. Vele artikelen zijn identiek aan of lijken op de overeenkomstige artikelen in die wetgeving.

4.

Artikel 1 - Toepassingsgebied


Sommige beschermingsmaatregelen vallen reeds onder de toepassing van de verordeningen Brussel I[12] en Brussel II bis, en het is bijgevolg belangrijk de verhouding tussen dit voorstel en die verordeningen duidelijk te maken.

Deze verordening stelt bijzondere regels vast voor beschermingsmaatregelen. Overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel heeft ze derhalve voorrang op de algemene regels die in Brussel I zijn vastgelegd.

De zaken liggen anders bij Verordening Brussel II-bis, die ten doel heeft alle procedures met betrekking tot een bepaalde echtscheiding of scheiding van tafel en bed te centraliseren. Dit voorstel mag de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen die in die verordening zijn neergelegd niet op losse schroeven zetten door de mogelijkheid te bieden zich tot een rechter in een andere lidstaat te wenden met betrekking tot de beschermingsmaatregelen die in het kader van de lopende procedure zijn genomen. Om die reden blijft Verordening Brussel II-bis gelden voor alle beschermingsmaatregelen die binnen haar toepassingsgebied vallen. Beschermingsmaatregelen die niet onder de toepassing van Brussel II-bis vallen, bv. beschermingsmaatregelen ten aanzien van een niet-gehuwd paar, partners van hetzelfde geslacht of buren, vallen daarentegen onder dit voorstel.

Artikel 2 – Definities

Beschermingsmaatregelen – In de definitie van het begrip 'beschermingsmaatregel' ligt de nadruk op het preventieve en tijdelijke karakter van dergelijke maatregelen, die in een lidstaat worden genomen om een persoon te beschermen wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de fysieke en/of psychische integriteit of vrijheid van de betrokkene wordt bedreigd. Een 'beschermingsmaatregel' kan worden genomen in het kader van een 'ex parte'-procedure (waarbij de persoon van wie de dreiging uitgaat niet wordt gedaagd) of een procedure op tegenspraak.

Autoriteit – De term 'autoriteit' wordt ruim gedefinieerd om elke instantie te omvatten waaraan een lidstaat een bevoegdheid heeft toegekend voor zaken die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Het begrip omvat derhalve niet alleen rechterlijke instanties maar ook administratieve en andere autoriteiten die op grond van het nationale recht van een lidstaat bevoegd zijn voor zaken die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

5.

Artikel 3 - Rechtsmacht


De regels inzake rechtsmacht moeten in hoge mate voorspelbaar zijn. Daarom zijn zij gebaseerd op het beginsel dat de bevoegdheid berust bij de autoriteiten van de lidstaat waar de fysieke en/of psychische integriteit van een persoon wordt bedreigd en waar een persoon bescherming nodig heeft. Hoewel dit over het algemeen samenvalt met de gewone verblijfplaats van de persoon die behoefte heeft aan bescherming, is dit niet noodzakelijk het geval, met name wanneer de betrokkene voor een bepaalde, relatief korte periode naar het buitenland verhuist, bv. om studieredenen.

6.

Artikel 4 - Erkenning


Dit artikel is geïnspireerd op andere instrumenten voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken, met name op het voorstel voor een herschikking van Brussel I en Brussel II bis, meer bepaald de bepalingen betreffende het omgangsrecht en de terugkeer van een kind. Intermediaire procedures zijn niet nodig: de erkenning gebeurt automatisch.

Artikel 5 – Certificaat

De bedreigde persoon heeft het certificaat nodig om zich in een andere lidstaat op de beschermingsmaatregel te beroepen. Hierbij is de logica achter de artikelen 41 en 42 van Brussel II-bis gevolgd, die betrekking hebben op beslissingen over het omgangsrecht of de terugkeer van een kind.

Het certificaat wordt, ambtshalve dan wel op verzoek van de beschermde persoon, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst met behulp van het standaardformulier dat in de bijlage bij deze verordening is opgenomen. Vervolgens dient de partij die zich in een andere lidstaat op de maatregel wil beroepen het certificaat aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat te bezorgen. Het certificaat bevat alle informatie die van belang is voor de erkenning en/of tenuitvoerlegging van de buitenlandse beschermingsmaatregel, met name een beschrijving van de beschermingsmaatregel die op zodanige wijze is geformuleerd dat de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat die kunnen erkennen en, in voorkomend geval, volgens hun nationale recht ten uitvoer kunnen leggen. Een concrete verwijzing naar het nationale recht (d.w.z. naar artikel X van wet Y) in plaats van een beschrijving van de maatregel, of naar welomschreven plaatsen (d.w.z. een concreet adres) in plaats van een algemene verwijzing naar de woonplaats of werkplek, hoeft derhalve niet in het certificaat te worden opgenomen.

De bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat kunnen verzoeken om een transliteratie of vertaling van de inhoud van het certificaat, d.w.z. van de beschrijving van de maatregel.

Artikel 8 – Aanpassing

Dit artikel betreft het geval dat een buitenlandse beschermingsmaatregel niet bekend is in het nationale recht van de tweede lidstaat. De bevoegde autoriteit in die lidstaat zal bijgevolg, voor zover mogelijk, de beschermingsmaatregel moeten omzetten in een tot de eigen rechtsorde behorende maatregel waaraan soortgelijke gevolgen verbonden zijn en die soortgelijke doeleinden en belangen nastreeft. Een dergelijke aanpassing is een gangbare praktijk bij instrumenten voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken.

Artikel 9 – Tenuitvoerlegging van bepaalde beschermingsmaatregelen

Volgens het nationale recht moeten de bevoegde autoriteiten zeer zelden actief optreden om beschermingsmaatregelen ten uitvoer te leggen.

In die gevallen zal de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de regels moeten toepassen die volgens haar eigen nationale recht gelden voor soortgelijke beschermingsmaatregelen, zonder dat een bijzondere procedure moet worden gevolgd.

Artikel 10 – Waarborgen inzake de grondrechten

De bescherming van de grondrechten van het individu is met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nog een grotere prioriteit geworden voor de EU: het EU-Handvest is in rechte bindend geworden voor de Unie en de EU zal weldra toetreden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). In verband met slachtoffers is een hele reeks grondrechten relevant: menselijke waardigheid, recht op leven, recht op integriteit van de persoon, recht op vrijheid en veiligheid, eerbied voor het privéleven en voor het familie- en gezinsleven, bescherming van persoonsgegevens, recht op eigendom, vrij verkeer en vrije keuze van verblijfplaats, gelijkheid voor de wet, rechten van het kind, rechten van ouderen, integratie van personen met een handicap, recht op een doeltreffende voorziening in rechte en ten slotte het vermoeden van onschuld en het recht op verdediging.

Zoals in de aan dit voorstel gehechte effectbeoordeling is aangegeven en conform de strategie van de Unie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie[13], zijn alle elementen van de verordening in overeenstemming met de in het Handvest vastgestelde rechten, en met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals gewaarborgd in artikel 47.

De afschaffing van alle intermediaire formaliteiten voor de erkenning en, in voorkomend geval, de tenuitvoerlegging in de tweede lidstaat van een in de eerste lidstaat genomen beschermingsmaatregel moet vergezeld gaan van waarborgen met betrekking tot de grondrechten. Dit artikel vormt een stevige waarborg, aangezien het certificaat niet kan worden afgegeven wanneer het recht op een eerlijk proces van de persoon van wie de dreiging uitgaat, niet is gewaarborgd.

Artikel 12 – Weigering, opschorting en intrekking van erkenning of tenuitvoerlegging

De erkenning en in voorkomend geval de tenuitvoerlegging van in een lidstaat genomen beschermingsmaatregelen dienen gebaseerd te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven. In overeenstemming met dit beginsel wordt slechts één grond tot weigering voorgesteld. In het belang van een harmonieuze rechtsbedeling moet de mogelijkheid van onverenigbare beslissingen tot een minimum worden beperkt. Daarom kan de bevoegde autoriteit in de lidstaat van erkenning op verzoek van de persoon van wie de dreiging uitgaat, de erkenning van de door het gerecht van herkomst genomen beschermingsmaatregel weigeren indien die onverenigbaar is met een beslissing die in de lidstaat van erkenning is gegeven.

Het is belangrijk te garanderen dat, wanneer een beschermingsmaatregel in de lidstaat van herkomst wordt opgeschort of ingetrokken, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van erkenning eveneens de erkenning en, in voorkomend geval, de tenuitvoerlegging van de beschermingsmaatregel opschort c.q. intrekt. De persoon van wie de dreiging uitgaat, moet de aanvraag daartoe indienen. Een standaardaanvraagformulier daarvoor is opgenomen in de bijlage bij het voorstel.

7.

Artikel 13 - Kennisgeving


Zoals bij andere instrumenten voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken voorziet dit artikel in een basisharmonisatie van de minimumnormen ten aanzien van de noodzaak om de persoon van wie de dreiging uitgaat alsook de beschermde persoon in kennis te stellen van alle mogelijke informatie in verband met de uitvaardiging, de erkenning, de eventuele tenuitvoerlegging en bestraffing, de opschorting of intrekking van de beschermingsmaatregel in de eerste lidstaat. In lid 2 wordt dezelfde verplichting ook ingevoerd voor de tweede lidstaat. Dit vormt een garantie voor de inachtneming van de grondrechten zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Subsidiariteit en evenredigheid



Wegens het transnationale karakter van het onderwerp kan het doel van het voorstel niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat iemand de bescherming die hij heeft gekregen niet verliest wanneer hij naar het buitenland verhuist of op reis gaat. Het mechanisme van deze verordening, dat erin bestaat alle intermediaire procedures af te schaffen door het gebruik van een gestandaardiseerd en meertalig certificaat, kan niet door de lidstaten alleen tot stand worden gebracht. Alleen wetgeving op Europees niveau kan gelijke voorwaarden scheppen. Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

Het voorstel is eveneens in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het is beperkt tot het minimum dat vereist is om de doelstelling op Europees niveau te verwezenlijken, en gaat niet verder dan wat daartoe nodig is.