Toelichting bij COM(2002)23 - Europees Spoorwegbureau

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

dossier COM(2002)23 - Europees Spoorwegbureau.
bron COM(2002)23 NLEN
datum 23-01-2002
1. Inleiding

De vorming van de interne markt in de spoorwegsector is nog maar zeer onlangs op gang gekomen. In de Richtlijnen 2001/12/13/14/EG is bepaald dat in maart 2003 een gemeenschappelijk kader tot stand dient te zijn gekomen voor toegang tot de spoorweginfrastructuur, vergunningen en veiligheidscertificaten, de verdeling van capaciteit over de infrastructuur en de tarieven voor het gebruik van die infrastructuur. In dit nieuwe kader zal het internationale goederenvervoer met ingang van maart 2003 worden opengesteld voor concurrentie.

Om deze geïntegreerde spoorwegomgeving daadwerkelijk tot stand te brengen, is het noodzakelijk gebleken om technische voorschriften en normen op te stellen. De spoorwegsector kenmerkte zich namelijk door het ontbreken van internationale technische overheidsvoorschriften. In elke lidstaat zijn normen en procedures opgesteld, veelal rechtstreeks door de spoorwegondernemingen zelf. Deze ondernemingen zijn gaan samenwerken in het kader van de UIC. Door die samenwerking kon wel een minimumpakket van voorschriften worden opgesteld, maar het is gebleken dat op basis van dat pakket een werkelijke convergentie van de diverse nationale systemen niet mogelijk is.

Voor de vorming van een geïntegreerde spoorwegomgeving op Europees niveau dient de overheid dus net als voor de andere economische sectoren gemeenschappelijke en gecontroleerde technische voorschriften op te stellen.

In een eerste fase heeft de Gemeenschap een kader ontwikkeld waarmee geleidelijk interoperabiliteitsnormen kunnen vastgesteld voor spoorwegsystemen (Richtlijn 96/48/EG en 2001/16/EG).

In het kader van het tweede pakket maatregelen voor de spoorwegsector wordt voorgesteld om ook veiligheidsaspecten op te nemen in deze benadering, en met het oog daarop nieuwe onderwerpen toe te voegen aan de werkzaamheden op het gebied van interoperabiliteit en het geheel in een nieuw, helder en samenhangend kader te plaatsen.

Voor de uitvoering van deze werkzaamheden en de voorbereiding van de verschillende voorstellen dient een evenwicht te worden gevonden tussen enerzijds de overheid, waarop democratische controle mogelijk dient te zijn, en anderzijds de marktpartijen, waarvan de deskundigheid in dit proces een centrale rol vervult. Dit evenwicht, dat binnen de lidstaten niet overal in dezelfde mate bestaat, dient ook op Europees niveau te worden gewaarborgd. Met het oog daarop is het noodzakelijk om op communautair niveau bij de overheid een kenniscentrum op te richten om het proces te begeleiden.

Gelet op de vereiste specialisatie en deskundigheid is het niet voor de hand liggend dat de diensten van de Commissie hierbij rechtstreeks betrokken zijn. Het Witboek over Europese governance i stelt dat de Commissie zich dient te concentreren op de haar in de Verdragen opgedragen taken en dient te voorkomen dat middelen worden ingezet voor al te technische activiteiten. Dit werd ook aanbevolen door een in opdracht van het directoraat-generaal Energie en Vervoer uitgevoerde studie naar de uitbesteding van bepaalde taken, waarin met name de opstelling van technische normen in de spoorwegsector werd onderzocht.

Derhalve is gebleken dat een bureau het meest geschikte instrument is om deze technische werkzaamheden uit te voeren in samenwerking met deskundigen uit de sector. Opgemerkt dient te worden dat deze oplossing al vanaf 1996 wordt voorgesteld i en werd aanbevolen in de door de Commissie uitgevoerde NERA-studie naar de veiligheid op het spoor i. Dit werd onderschreven in het Witboek getiteld "Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen i" van september 2001.

Bij de ontwikkeling van dit voorstel kon gebruik worden gemaakt van de plannen voor een bureau op het gebied van de scheepvaart i en de luchtvaart i en van de discussiedocumenten van de Commissie met betrekking tot governance.

In het Witboek over Europese governance werden namelijk de voorwaarden omschreven waaraan dient te worden voldaan bij de oprichting van bureaus op het niveau van de EU. Ook is daarin aangegeven dat het op grond van de verdragen is toegestaan om bepaalde verantwoordelijkheden rechtstreeks te delegeren aan bureaus. Hierbij dient echter het evenwicht tussen de bevoegdheden van de instellingen te worden geëerbiedigd en geen inbreuk te worden gemaakt op hun respectieve taken en rollen. In dit verband dient te worden voldaan aan twee voorwaarden:

- "Aan de organen kan de bevoegdheid worden toegekend om op specifieke terreinen individuele beslissingen te nemen, maar zij kunnen geen algemene regelgeving vaststellen. Beslissingsbevoegdheid kan met name worden toegekend op gebieden waarop het openbaar belang overheerst en de uit te voeren taken een bijzondere technische deskundigheid vereisen;

- Aan de organen kan geen verantwoordelijkheid worden toegekend op gebieden waarop de Commissie uit hoofde van het Verdrag een rechtstreekse beslissingsbevoegdheid heeft (bijvoorbeeld op het gebied van het mededingingsbeleid).

- Aan de organen kan geen beslissingsbevoegdheid worden toegekend op gebieden waarop zij eventueel moeten bemiddelen bij conflicten tussen openbare belangen, politieke bevoegdheid moeten uitoefenen of complexe economische ramingen moeten verrichten.

- De organen moeten worden onderworpen aan een doeltreffend controlesysteem." i

De afbakening van de bevoegdheden van het Spoorwegbureau waarvan de oprichting wordt voorgesteld in de navolgende verordening, alsmede zijn institutionele organisatie zijn dus rechtstreeks gebaseerd op de richtsnoeren van het Witboek.

1.

2. Het Europese Spoorwegbureau voor veiligheid en interoperabiliteit


2.

2.1. Doelstelling


De verordening beoogt de oprichting van een Europees Spoorwegbureau voor veiligheid en interoperabiliteit.

3.

2.2. Het Bureau


4.

2.2.1. Taken


Het Bureau zal een integraal onderdeel vormen van het communautaire stelsel. Het zal fungeren als de technische instantie die de Gemeenschap de middelen levert die noodzakelijk zijn om op het gebied van interoperabiliteit en spoorwegveiligheid doelmatig te kunnen handelen. Een nader uitgewerkte beschrijving van de taken van het Bureau is opgenomen in de toelichting onder 5.

5.

2.2.2. Werking


a) Beheersorganen

Om het Bureau goed te laten functioneren, dient zijn uitvoerend directeur te beschikken over een zo groot mogelijke onafhankelijkheid en flexibiliteit ten aanzien van de interne organisatie van het Bureau. Voorts zal de uitvoerend directeur ook worden belast met de voorbereiding en de uitvoering van de begroting en van het werkprogramma van het Bureau, alsmede met personele aangelegenheden.

Teneinde de uitvoerend directeur de benodigde legitimiteit te verschaffen, verdient het de voorkeur hem op voordracht van de Commissie te laten benoemen door de raad van beheer.

Er zal een raad van beheer worden ingesteld als toezichthoudend orgaan van het Bureau. Deze raad zal enerzijds bestaan uit zes door de Commissie benoemde vertegenwoordigers en zes door de Raad benoemde vertegenwoordigers, en anderzijds uit drie op grond van hun deskundigheid in de sector benoemde deskundigen zonder stemrecht. Dit voorstel voor de samenstelling is in overeenstemming met de richtsnoeren van het Witboek over governance i van 25 juli 2001. De raad van beheer stelt het aan het begin van het boekjaar het werkprogramma, het jaarverslag en de begroting van het Bureau vast en past de begroting aan op basis van de ontvangen bijdragen en vergoedingen.

Een volledige beschrijving van de bevoegdheden van de uitvoerend directeur en van de raad van beheer is opgenomen in de toelichting onder 5.

6.

b) Personeel


Met het oog op de uitvoering van bovengenoemde taken dient het Bureau te beschikken over voldoende en hooggekwalificeerd personeel. Naar schatting zal de personeelsbezetting een honderdtal personen omvatten.

Het ambtenarenstatuut van de Europese Gemeenschappen en de regeling voor overige personeelsleden is van toepassing op het personeel van het Bureau. Naar verwachting zal slechts een klein aantal personen door de instellingen van de Gemeenschap worden gedetacheerd. De overige personeelsleden zullen worden geworven op basis van hun ervaring en verdienste. Hoewel beschikt dient te kunnen worden over een voldoende grote en stabiele personeelsbezetting, zal het personeel in dienst worden genomen op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten met een looptijd van ten hoogste vijf jaar, om een onafgebroken doorstroming te waarborgen van personeel met een goede kennis van de technologische ontwikkelingen. Daarbij dient voorkomen te worden dat de opgedane ervaring verloren gaat.

7.

c) Begroting


Het Bureau dient te kunnen beschikken over een budget dat toereikend is om personeel op basis van het bovenstaande in dienst te kunnen nemen, alle opgedragen taken uit te kunnen voeren en om het Bureau naar behoren te kunnen laten functioneren. Voor het eerste jaar zal de jaarbegroting naar schatting circa 5 miljoen EUR belopen. Dat bedrag kan vervolgens oplopen tot 14,5 mln EUR wanneer het Bureau volledig operationeel is.

Het budget van het Bureau wordt hoofdzakelijk gefourneerd in de vorm van een subsidie van de Gemeenschap. Het Bureau kan vergoedingen innen voor zijn publicaties, opleidingen of overige diensten. Het bedrag van deze vergoedingen zal echter in verhouding tot de totale begroting van het Bureau bescheiden van omvang blijven.

De Gemeenschap besteedt jaarlijks circa 2600 M EUR aan de financiering van spoorwegprojecten (TEN, Cohesiefonds, Structuurfondsen, ISPA, Onderzoek e.d.). De jaarlijkse begroting van het Bureau beloopt minder dan 0,6% van dit bedrag en zal een veel doelmatiger gebruik mogelijk maken van communautaire middelen voor de ontwikkeling van de spoorwegsector. De begroting van het Bureau beloopt minder dan 0,04% van de uitgaven van de lidstaten voor de spoorwegsector (circa 35 miljard EUR per jaar).

8.

d) Vestigingsplaats


Het Bureau dient te worden gevestigd op een geschikte plaats van waaruit het werkrelaties kan opzetten met de betrokken instellingen van de Gemeenschap en waar het eenvoudig vergaderingen kan uitschrijven voor deskundigen uit de lidstaten. De Commissie zal een of meer mogelijke vestigingsplaatsen voorstellen aan de bevoegde overheden en daarbij rekening houden met deze eisen en met de bij haar kandidaat gestelde plaatsten. De bevoegde overheden dienen de vestigingsplaats uiterlijk zes maanden na de vaststelling van de verordening op basis van dit voorstel te bepalen.

9.

e) Transparantie


Het Bureau dient de voorschriften vast te stellen die het zal hanteren met betrekking tot de transparantie en de toegang tot documenten, een en ander overeenkomstig de beschikkingen van het Europees Parlement en de Raad, in het kader van artikel 255 van het EG-Verdrag.

10.

3. Keuze van de rechtsgrond


De rechtsgrond van de voorgestelde verordening is artikel 71, lid 1, hetgeen in overeenstemming is met de doelstelling van het voorstel en met alle wetgeving die tot op heden op spoorweggebied met name ten aanzien van de veiligheid is voorgesteld of vastgesteld, met uitzondering van de richtlijnen betreffende de interoperabiliteit die zijn vastgesteld op basis van artikel 156.

11.

4. Verantwoording van de voorgestelde maatregel


Wat zijn de doelstellingen van de beoogde maatregel, gelet op de verplichtingen van de Gemeenschap en wat is de communautaire dimensie van het probleem (hoeveel lidstaten zijn er bijvoorbeeld bij betrokken en wat is de huidige oplossing*)

Het Verdrag voorziet in de totstandkoming van een gemeenschappelijk vervoersbeleid. Voorbeelden van maatregelen die kunnen worden overwogen om dit beleid uit te voeren, zijn bepalingen die de vaststelling beogen van gemeenschappelijke voorschriften voor het internationale vervoer en bepalingen op grond waarvan de veiligheid in het vervoer kan worden vergroot, een en ander als omschreven in artikel 71, lid 1. Met de oprichting van het Bureau kan een bijdrage worden geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid door het bevorderen van de totstandkoming van een spoorwegruimte zonder technische belemmeringen en met een hoge mate van veiligheid.

12.

Is uitsluitend de Gemeenschap verantwoordelijk voor de beoogde maatregel of wordt deze verantwoordelijkheid gedeeld met de lidstaten*


Het Bureau zal zich bezighouden met aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheden van de Gemeenschap, omdat het een bijdrage zal leveren aan de tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Gemeenschap. Tevens zal het Bureau zorgen voor permanente contacten tussen de nationale overheden die belast zijn met de veiligheid op het spoor en de interoperabiliteit en zal het gebruik maken van de ervaring van deze overheden om zijn taken naar behoren uit te voeren.

13.

Wat is de meest doelmatige oplossing, gelet op de middelen van de Gemeenschap en van de lidstaten*


Het opstellen van gemeenschappelijke voorschriften voor interoperabiliteit en spoorwegveiligheid kan uitsluitend op communautair niveau plaatsvinden. Aangezien het hier gaat om een bijzonder gespecialiseerde technische taak op een gebied waarop de technologie zich onafgebroken ontwikkelt, is niet een instantie met algemene bevoegdheden zoals de Commissie, maar een gespecialiseerd bureau de meest geschikte oplossing.

14.

Wat is concreet de toegevoegde waarde van de door de Gemeenschap beoogde maatregel en wat zouden de gevolgen zijn indien die maatregel niet werd genomen*


De achteruitgang van de spoorwegsector en het onvermogen van deze sector om marktaandelen terug te winnen, is grotendeels te wijten aan de sterke groei van onverenigbare nationale voorschriften. De oprichting van het Bureau is een van de instrumenten die bijdragen aan de totstandkoming van een geïntegreerde en concurrerende spoorwegomgeving.

Wanneer op dit gebied niet snel en doortastend maatregelen worden genomen, kan de achteruitgang van de spoorwegsector niet tot stilstand worden gebracht, met name waar het gaat om het goederenvervoer, terwijl ontwikkeling van deze vervoersmodaliteit noodzakelijk is om duurzame mobiliteit mogelijk te maken.

15.

In welke vorm (aanbevelingen, financiële steun, verordeningen, wederzijdse erkenning) kan de Gemeenschap maatregelen treffen*


De verordening is het enige middel om het door de maatregel beoogde doel te bereiken. Voorts wordt de oprichting van een bureau in de Gemeenschap doorgaans geregeld bij verordening.

Is uniforme wetgeving noodzakelijk of kan worden volstaan met het vaststellen van een richtlijn waarin de algemene doelstellingen worden vastgesteld terwijl de wijze van uitvoering aan de lidstaten wordt overgelaten*

Zoals aangegeven in het voorgaande punt, wordt de keuze voor een type juridisch instrument bepaald door de aard van het doel van de maatregel.

16.

5. Toelichting


Hoofdstuk 1: uitgangspunten

Artikel 1

Dit artikel voorziet in de oprichting van het Bureau en omschrijft zijn doelstellingen als zijnde het verlenen van bijstand op technisch gebied aan de Commissie teneinde het niveau van interoperabiliteit en veiligheid van het Europese spoorwegsysteem te vergroten. Bij alle taken die door het Bureau worden uitgevoerd, dient rekening te worden gehouden met het proces van uitbreiding en met de spoorverbindingen met derde landen.

17.

Artikel 2


In dit artikel wordt de aard omschreven van de documenten die het Bureau opstelt. Daarbij wordt bepaald dat het gaat om aanbevelingen of om adviezen. Dit artikel impliceert dat het Bureau geen autonome beslissingsbevoegdheid heeft en dat zijn bevoegdheid zich beperkt tot de uitvoering van technische werkzaamheden voor de Commissie en de lidstaten.

18.

Artikel 3


Dit artikel beschrijft het uitgangspunt van deelname van beroepsbeoefenaren uit de sector aan de werkzaamheden die door het Bureau worden verricht en geeft nadere bijzonderheden daaromtrent.

19.

Artikel 4


In dit artikel wordt bepaald dat in het Comité voor de sociale dialoog met de sociale partners overleg dient te worden gevoerd over de werkzaamheden van het Bureau die hen rechtstreeks aangaan.

20.

Artikel 5


In dit artikel wordt bepaald dat met de gebruikers en de klanten van het goederenvervoer overleg dient te worden gevoerd over de werkzaamheden van het Bureau die hen rechtstreeks aangaan.

21.

Hoofdstuk 2: veiligheid


Artikel 6

In artikel 5 van de richtlijn betreffende de spoorwegveiligheid wordt bepaald dat Gemeenschappelijke Veiligheidsdoelstellingen en Gemeenschappelijke Veiligheidsmethoden dienen te worden ontwikkeld. Het Bureau wordt belast met de aansturing van de technische uitwerking van deze documenten.

22.

Artikel 7


In artikel 14 van de richtlijn betreffende spoorwegveiligheid wordt bepaald dat een geharmoniseerde structuur voor veiligheidscertificaten dient te worden ontwikkeld. Het Bureau wordt belast met de ontwikkeling van een geharmoniseerd formaat voor veiligheidscertificaten en voor het aanvragen van veiligheidscertificaten.

23.

Artikel 8


Dit artikel houdt verband met artikel 8 van de ontwerp-richtlijn betreffende de spoorwegveiligheid en het onderzoek van nieuwe nationale veiligheidsmaatregelen. De technische rol van het Bureau bij dit onderzoek wordt nader omschreven.

Op verzoek van de Commissie onderzoekt het Bureau de desbetreffende maatregelen en brengt het een advies aan de Commissie uit.

24.

Artikel 9


Dit artikel houdt verband met artikel 6 van de ontwerp-richtlijn betreffende de spoorwegveiligheid en beschrijft de rol van het Bureau bij het onderzoek van prestaties op het gebied van de spoorwegveiligheid.

Het Bureau wordt belast met de vaststelling van gemeenschappelijke indicatoren en met het verzamelen en verwerken van de beschikbare gegevens. Om een zo groot mogelijke transparantie te waarborgen, brengt het Bureau om de twee jaar een verslag uit betreffende de veiligheidsprestaties van de spoorwegsector. Met het oog op de uitvoering van deze taken werkt het Bureau samen met EUROSTAT.

25.

Artikel 10


De verlening van toegangsrechten voor het internationale goederenvervoer en het verkeer van marktpartijen buiten de lidstaat waarin zij zijn gevestigd, dient te worden gewaarborgd door de marktregulerende instanties die zijn ingesteld bij Richtlijn 2001/14/EG. Deze richtlijn voorziet evenals Richtlijn 2001/12/EG in de instelling van een Comité met bevoegdheden voor alle problemen op het gebied van de toegang tot de infrastructuur.

Deze marktregulerende instrumenten zijn bedoeld noch toegerust om zelf een oordeel te kunnen geven over technische aangelegenheden die verband houden met de veiligheid. Deze veiligheidsaspecten kunnen echter aan de orde komen in door deze comités behandelde gevallen.

Het is derhalve van groot belang dat de nationale marktregulerende instanties alsmede bovengenoemde comités onafhankelijk technisch advies kunnen vragen. Het Bureau brengt dergelijke technische adviezen binnen twee maanden uit.

Met het oog op de transparantie wordt van het advies van het Bureau een versie openbaar gemaakt waaruit vertrouwelijke handelsgegevens zijn weggelaten.

26.

Artikel 11


In het kader van de openstelling van de markt is het van belang dat bijvoorbeeld vergunningen, die overal in de Unie geldig zijn, en veiligheidscertificaten voor alle belanghebbenden rechtstreeks en op eenvoudige en transparantie wijze toegankelijk zijn. Daarbij dienen de vertrouwelijke aard van handelsinformatie en intellectuele eigendomsrechten te worden geëerbiedigd.

Dit is van bijzonder groot belang voor de nationale overheden die indien nodig dienen te kunnen controleren of op hun grondgebied werkzame partijen aan de voorschriften voldoen.

Daarom wordt het Bureau belast met het verzamelen en ontsluiten voor het publiek van alle relevante documenten door middel van een website. Met het oog daarop brengt het Bureau een netwerk tot stand waarbij de instanties zijn aangesloten die belast zijn met de afgifte van de desbetreffende documenten, alsmede de betrokken instanties uit de lidstaten.

27.

Hoofdstuk 3: interoperabiliteit


Artikel 12

Het Bureau is het belangrijkste instrument voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG betreffende de spoorweginteroperabiliteit. Daartoe begeleidt het de technische werkzaamheden ter voorbereiding van de Technische Specificaties voor Interoperabiliteit. Bij de uitvoering van deze taak verzekert het zich ervan dat rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en dat wordt voldaan aan de overige Europese normen.

In de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG betreffende de interoperabiliteit wordt bepaald dat de lidstaten instanties aanwijzen die worden belast met de beoordeling van de overeenstemming of van de geschiktheid voor gebruik van onderdelen en met de keuring van subsystemen met het oog op de afgifte van de EG-verklaring. Het is van wezenlijk belang dat deze instanties werken volgens een gemeenschappelijke benadering en gemeenschappelijke methoden en dat zij hun ervaringen uitwisselen. Tevens is het van belang dat deze instanties kennis dragen van de ontwikkelingen van de interoperabiliteit en dat zij omgekeerd de eventuele problemen kunnen melden die verband houden met de toepassing van bepaalde specificaties. Het Bureau wordt derhalve belast met de organisatie van de samenwerking tussen de aangemelde instanties.

28.

Artikel 13


In bepaalde gevallen kan het wenselijk zijn dat een onpartijdige beoordeling plaatsvindt van de kwaliteit van het werk van de aangemelde instanties. De lidstaat die een vergunning heeft afgegeven, is in eerste instantie bevoegd tot uitvoeren van deze controles en draagt daarvoor de verantwoordelijkheid. Niettemin kan het Bureau in individuele gevallen overgaan tot een rechtstreekse extra inspectie van een aangemelde instantie. In dat geval beschikt het jegens de geïnspecteerde instantie niet over bevoegdheden maar stelt het een rapport op voor de Commissie, die de zaak aanhangig kan maken bij het Comité van vertegenwoordigers van de lidstaten dat is omschreven in de interoperabiliteitsrichtlijnen.

29.

Artikel 14


Een onafgebroken monitoring van de vooruitgang die wordt geboekt op het gebied van interoperabiliteit is onmisbaar. Het Bureau voert deze monitoring uit en stelt elke twee jaar een rapport op.

30.

Artikel 15


Om de samenhang van het beleid van de Unie op vervoersgebied te waarborgen, dient het zeker te zijn dat door de Gemeenschap gesubsidieerde infrastructuurprojecten vanuit technisch oogpunt voldoen aan de voorschriften en de doelstellingen van interoperabiliteit. Op verzoek van de Commissie treedt het Bureau op als technisch beoordelaar van deze projecten.

31.

Artikel 16


Dit artikel heeft betrekking op de ontwikkeling van een certificeringssysteem voor onderhoudswerkplaatsen. Om lege ritten te beperken en de onderhoudskosten terug te dringen, dienen eigenaren en gebruikers van rollend spoorwegmaterieel onderhoudswerkzaamheden te kunnen laten uitvoeren op de plaats waar het materieel zich bevindt, en dus in sommige gevallen buiten de lidstaat waar dat materieel is geregistreerd. Daartoe dienen zij ervan verzekerd te zijn dat de onderhoudswerkzaamheden vanuit een oogpunt van kwaliteit en veiligheid naar behoren worden uitgevoerd. Er dient derhalve een Europees certificeringssysteem voor werkplaatsen te worden ingevoerd. Het Bureau wordt belast met de voorbereidende technische werkzaamheden en met de formulering van aanbevelingen.

32.

Artikel 17


De beroepskwalificatie van treinbestuurders verschilt momenteel aanzienlijk per lidstaat en wordt grotendeels door de spoorwegondernemingen zelf bepaald. Met het oog op de totstandkoming van interoperabiliteit, maar ook om vrij verkeer van werknemers in deze sector mogelijk te maken, is het noodzakelijk om voor de opleidingssystemen geleidelijk gemeenschappelijke en erkende onderdelen te omschrijven. Dit belangrijke werk van inventarisatie, analyse en gemeenschappelijke toepassing van opleidingssystemen en diploma's zal door het Bureau in overleg met de sociale partners worden verricht. Het Bureau dient samen met de betrokken partijen een systeem uit te werken voor accreditering van opleidingsinstituten en diploma's van bestuurders en zorg te dragen voor erkenning daarvan overal in de Gemeenschap. Het Bureau doet hieromtrent aanbevelingen. Bovendien zal het Bureau op verzoek van het Europees Parlement i ook worden belast met de bevordering van de uitwisseling van personeel (met name bestuurders) tussen lidstaten.

33.

Artikel 18


Voor het grensoverschrijdende verkeer van een aantal exploitanten op een open netwerk is een gemeenschappelijk registratie- en inschrijvingssysteem van het materieel nodig. Aan de hand van een dergelijk systeem kunnen nationale overheden en infrastructuurbeheerders nagaan of het materieel aan de voorschriften voldoet en hebben zij toegang tot de gegevens die verband houden met dat materieel (eigenaren, datum van in gebruikname en verantwoordelijke daarvoor, technische eigenschappen, staat van onderhoud e.d.).

Dit systeem behoeft niet op een centrale plaats te worden ingericht. Door middel van een gemeenschappelijk formaat en een koppeling van gegevensbestanden dient het materieel echter eenvoudig te kunnen worden geïdentificeerd en dienen de bijbehorende gegevens op eenvoudige wijze te kunnen worden geraadpleegd.

Het Bureau wordt belast met de uitwerking van een gemeenschappelijk formaat voor de registratie en de inschrijving van rollend materieel. Het doet een aanbeveling aan de Commissie, die een besluit neemt overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 96/48/EG en artikel 14 van Richtlijn 2001/16/EG.

34.

Artikel 19


In het kader van de openstelling van de markten is het van belang dat documenten inzake de overeenstemming van materieel voor alle belanghebbenden rechtstreeks en op eenvoudige en transparantie wijze toegankelijk zijn. Daarbij dienen de vertrouwelijke aard van handelsinformatie en intellectuele eigendomsrechten te worden geëerbiedigd. Dit is van bijzonder groot belang voor de nationale overheden, die in voorkomende gevallen dienen te kunnen controleren of op hun grondgebied rijdend rollend materieel aan de voorschriften voldoet.

Daarom wordt het Bureau belast met het bijhouden van een openbare lijst van alle relevante documenten. Met het oog daarop brengt het Bureau een netwerk tot stand waarbij de instanties zijn aangesloten die zijn belast met de afgifte van de desbetreffende documenten, alsmede de betrokken instanties uit de lidstaten.

35.

Hoofdstuk 4: studies en bevordering van innovatie


Artikel 20

In dit artikel wordt bepaald dat het Bureau studies kan doen verrichten indien dat voor de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk is.

36.

Artikel 21


Op grond van dit Artikel kan het Bureau innovatie bevorderen op het gebied van veiligheid en spoorweginteroperabiliteit, met name waar het gaat om het gebruik van nieuwe technologieën.

37.

Hoofdstuk 5: interne organisatie en werking


Artikel 22

In dit artikel wordt bepaald dat het Bureau een instelling van de Gemeenschap is en dat het in alle lidstaten over de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid beschikt. De bevoegde overheden dienen de vestigingsplaats van het Bureau uiterlijk zes maanden na de vaststelling van de verordening op voorstel van de Commissie te bepalen. Het Bureau wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

38.

Artikel 23


Hierin wordt vastgelegd dat het Bureau evenals de Gemeenschap de voorrechten en immuniteiten zal genieten die zijn vastgelegd in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

39.

Artikel 24


Het ambtenarenstatuut van de Europese Gemeenschappen zal van toepassing zijn op het personeel van het Bureau. Slechts een klein aantal personen zal door de instellingen van de Gemeenschap worden gedetacheerd. Het grootste deel van het personeel zal op een tijdelijke arbeidsovereenkomst worden geworven op basis van de vereiste deskundigheid en ervaring. Er dient een goede doorstroming van deskundigheid tussen het Bureau, de nationale overheden en de spoorwegsector te worden gewaarborgd, om te kunnen beschikken over deskundigen met kennis van de laatste technologische ontwikkelingen. Daarom zullen de arbeidsovereenkomsten van het personeel van het Bureau (met uitzondering van die van de uitvoerend directeur, zie artikel 26) in geen geval voor een duur van meer dan vijf jaar worden afgesloten.

40.

Artikel 25


In dit artikel worden de functie en de taken van de algemeen directeur omschreven. Deze dient in geen geval gevolg te geven aan aanwijzingen van regeringen of andere organisaties. Hij dient echter wel gevolg te geven aan alle aanwijzingen of verzoeken om bijstand van de Commissie. De uitvoerend directeur fungeert tevens als beheerder van het Bureau en is uit dien hoofde belast met de voorbereiding en de uitvoering van de begroting en het werkprogramma, alsmede met alle personele aangelegenheden.

41.

Artikel 26


In dit artikel worden voorschriften gegeven voor benoemingen binnen het Bureau.

42.

Artikel 27


Om rechtstreekse democratische controle mogelijk te maken, kan het Europees Parlement in aanvulling op zijn bevoegdheden met betrekking tot de begroting de uitvoerend directeur van het Bureau horen naar aanleiding van de presentatie van het jaarverslag of op enig ander moment.

43.

Artikel 28


In artikel 27 worden de bevoegdheden van de raad van beheer geregeld. Deze raad benoemt de uitvoerend directeur en is beslissingsbevoegd voor de vaststelling van het huishoudelijk reglement, de begroting, het werkprogramma en het jaarverslag. Voorts dient de raad erop toe te zien dat het Bureau bij zijn werkzaamheden de vereiste transparantie en onpartijdigheid in acht neemt.

44.

Artikel 29


In dit artikel wordt bepaald dat de raad van beheer bestaat uit zes door de Raad benoemde vertegenwoordigers van de lidstaten, zes vertegenwoordigers van de Commissie en drie onafhankelijke leden die door de Commissie worden gekozen op grond van hun deskundigheid ter zake.

De samenstelling van de raad van beheer vloeit enerzijds voort uit het beginsel van de scheiding van de uitvoerende en de wetgevende macht. Het Europees Parlement, dat zijn onafhankelijke democratische controlefunctie dient te behouden, kan niet worden betrokken bij de besluiten van de raad van beheer van een Bureau dat deel uitmaakt van een uitvoerende macht die het dient te controleren. Anderzijds is de samenstelling van de raad van beheer een gevolg van het beginsel van de gelijkheid van de uitvoerende machten op communautair niveau.

Om de raad van beheer zijn taken doelmatig en verantwoordelijk te laten uitoefenen, is het van wezenlijk belang dat de raad bestaat uit een beperkt aantal leden.

45.

Artikel 30


In dit artikel wordt bepaald dat de raad van beheer uit zijn midden een voorzitter en een vice-voorzitter kiest. Hun zittingstermijn wordt bepaald op drie jaar en zij kunnen eenmaal worden herkozen.

46.

Artikel 31


Dit artikel regelt aangelegenheden met betrekking tot gewone en buitengewone vergaderingen van de raad van beheer en bepaalt met name dat deze vergaderingen worden gehouden in aanwezigheid van de uitvoerend directeur.

47.

Artikel 32


De besluiten van de raad van beheer worden genomen met een tweederde meerderheid van het aantal leden, waarbij elk der leden over een stem beschikt, met uitzondering van de drie deskundigen, die geen stemrecht hebben.

48.

Artikel 33


In dit artikel wordt omschreven onder welke omstandigheden de medewerkers van het Bureau in de lidstaten bezoeken kunnen afleggen met het oog op de uitvoering van de hen opgedragen taken.

49.

Artikel 34


De regeling voor de contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid van het Bureau komt overeen met de regeling die op de Gemeenschap van toepassing is op grond van artikel 288 van het Verdrag.

50.

Artikel 35


De werktalen van het Bureau zijn de talen die in de spoorwegsector het meest worden gebruikt. Dat zijn meer in het bijzonder de werktalen die thans worden gebruikt in het kader van de werkzaamheden op het gebied interoperabiliteit. Derhalve wordt voorgesteld om deze talen om redenen van doelmatigheid ook te gebruiken voor de interne werkzaamheden van het Bureau.

51.

Artikel 36


In dit artikel wordt bepaald dat deelname aan het Bureau openstaat voor Europese landen die met de Gemeenschap overeenkomsten hebben gesloten betreffende de aanneming en tenuitvoerlegging door deze landen van de wetgeving van de Gemeenschap op het gebied waarop deze verordening betrekking heeft.

52.

Artikel 37


In dit artikel wordt bepaald dat het Bureau verordening (EG) 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie toepast.

53.

Hoofdstuk 6: financiële bepalingen


Artikel 38

De middelen voor de begroting van het Bureau worden hoofdzakelijk gefourneerd in de vorm van een subsidie van de Gemeenschap. Voor door het Bureau verrichte diensten (publicaties, opleidingen e.d.) kunnen vergoedingen worden geïnd. Tevens kan een bijdrage worden gedaan door derde landen die op grond van artikel 36 deelnemen aan de werkzaamheden van het Bureau.

Het Bureau dient te kunnen beschikken over een budget dat toereikend is om zijn personeel op bovenomschreven wijze in dienst te kunnen nemen, zijn taken uit te kunnen voeren en het Bureau flexibel en doelmatig te kunnen laten functioneren.

De uitvoerend directeur dient een voorontwerp voor de begroting op te stellen, dat dient te worden goedgekeurd door de raad van beheer en uiteindelijk aan de Commissie wordt gezonden, die op haar beurt de procedure vervolgt in overeenstemming met de gebruikelijke begrotingsvoorschriften.

54.

Artikel 39


In dit artikel wordt bepaald dat de algemeen directeur wordt belast met de uitvoering van de begroting. De financiële controle wordt verricht door de financieel controleur van de Commissie. De Rekenkamer onderzoekt de jaarrekening van het Bureau en publiceert een jaarverslag. Het Europees Parlement verleent de uitvoerend directeur van het Bureau op aanbeveling van de raad van beheer decharge voor de uitvoering van de begroting.

55.

Artikel 40


In dit artikel wordt bepaald dat na goedkeuring door de Commissie en een advies van de Rekenkamer door de raad van beheer een financieel reglement zal worden vastgesteld om het Bureau te ondersteunen bij de voorbereiding en de uitvoering van de begroting.

56.

Artikel 41


Alle geldende communautaire bepalingen op het gebied van de bestrijding van fraude zijn van toepassing op het Bureau, zijn medewerkers en zijn eventuele contractanten.

57.

Hoofdstuk 7: algemene bepalingen en slotbepalingen


Artikel 42

In dit artikel wordt bepaald dat de omvang van de werkzaamheden van het Bureau over een periode van twee jaar geleidelijk zal worden uitgebreid.

58.

Artikel 43


In dit artikel wordt bepaald dat binnen vijf jaar na de oprichting van het Bureau de Commissie een onafhankelijke evaluatie van de toepassing van deze verordening zal uitvoeren.

59.

Artikel 44


In dit artikel wordt de datum van het van kracht worden van de verordening bepaald.

60.

6. Slotbepalingen


Bij dit voorstel wordt een financieel memorandum gevoegd. Er is geen effectbeoordelingsformulier vanwege het feit dat het voorstel geen gevolgen voor ondernemingen heeft.