Artikelen bij COM(1999)565 - Instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


HOOFDSTUK I - ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 - Doel

Het doel van deze richtlijn is erin gelegen in de lidstaten eenieder ongeacht ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, op het stuk van toegang tot werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van promotiekansen, beroepsopleiding, arbeidsvoorwaarden en lidmaatschap van bepaalde organisaties, het beginsel van gelijke behandeling toe te passen.
1. Voor de doeleinden van deze richtlijn betekent het beginsel van gelijke behandeling dat er tussen personen wegens ook maar één van de in artikel 1 genoemde gronden geen enkele vorm van directe of indirecte discriminatie mag bestaan.

2. Voor de doeleinden van lid 1 is er:

a) 'directe discriminatie', wanneer iemand wegens één van de in artikel 1 genoemde gronden ongunstiger dan een ander wordt, is of zou worden behandeld;

b) 'indirecte discriminatie', wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling of praktijk of een ogenschijnlijk neutraal criterium een schadelijke weerslag heeft op een persoon of op personen op wie een in artikel 1 genoemde grond van toepassing is, tenzij die bepaling of praktijk of dat criterium objectief door een legitiem doel wordt gerechtvaardigd en de middelen om dat doel te verwezenlijken, gepast en nodig zijn.

3. Seksuele intimidatie van een persoon welke verband houdt met een van de in artikel 1 genoemde discriminatieredenen en die tot doel of tot gevolg heeft een intimiderende, vijandige, agressieve of storende omgeving te creëren, wordt als discriminatie in de zin van lid 1 beschouwd.

4. Teneinde de naleving van het beginsel van gelijke behandeling voor gehandicapten te waarborgen, worden waar nodig, redelijke maatregelen genomen om die personen de mogelijkheid te verschaffen toegang tot werk te hebben, in werk te participeren en daarin bevorderd te worden, tenzij dit vereiste onbillijke gevolgen meebrengt.

Artikel 3 - Materiële werkingssfeer

Deze richtlijn is van toepassing:

a) op de voorwaarden voor toegang tot werkgelegenheid, tot als zelfstandige uitgeoefende activiteiten en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de sector of tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen;

b) op de toegang tot alle vormen en alle niveaus van beroepsoriëntatie, beroepsopleiding, hogere beroepsopleiding en omscholing;

c) op werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en salariëring;

d) op het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een organisatie van werknemers of werkgevers of enige andere organisatie waarvan de leden een specifiek beroep uitoefenen, en op de voordelen welke door die organisaties worden geboden.

Artikel 4 - Wezenlijke beroepskwalificaties

1. In afwijking van artikel 2, leden 1 en 2, mogen lidstaten bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een in artikel 1 genoemde discriminatiegrond berust geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de bepaalde beroepsactiviteiten of wegens de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijke beroepskwalificatie vormt.

2. Lidstaten mogen bepalen dat, in het geval van publieke of particuliere organisaties die zich rechtstreeks en hoofdzakelijk op het gebied van het geven van begeleiding op het stuk van religie of geloof bewegen in verband met onderwijs, informatie en de uiting van overtuigingen, en voor de specifieke beroepsactiviteiten binnen deze organisaties die rechtstreeks en hoofdzakelijk met dit doel verband houden, een verschil in behandeling dat op een met religie of geloof verband houdend kenmerk berust, geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk vanwege de aard van deze activiteiten een wezenlijke beroepskwalificatie vormt.

Artikel 5 - Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op leeftijdsgronden

In afwijking van artikel 2, lid 2, punt a), vormen in het bijzonder de volgende verschillen in behandeling geen directe discriminatie op leeftijdsgronden indien zij objectief en redelijk door een legitiem doel worden gerechtvaardigd en voor de verwezenlijking van dat doel gepast en nodig zijn:

a) het verbod op de toegang tot werk of de vaststelling van bijzondere arbeidsvoorwaarden ter bescherming van jongeren en van oudere werknemers;

b) de vaststelling van een minimumleeftijd als een voorwaarde om voor pensionering of invaliditeitsuitkeringen in aanmerking te komen;

c) de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers voor het recht op pensionering of op invaliditeitsuitkeringen op grond van lichamelijke of geestelijke beroepsvereisten;

d) de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving welke is gebaseerd op de opleidingeisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren;

e) de vaststelling van vereisten betreffende de duur van de beroepservaring;

f) de vaststelling van leeftijdsgrenzen die voor de verwezenlijking van legitieme arbeidsmarktdoelstellingen gepast en nodig zijn.

Artikel 6 - Positieve acties

Deze richtlijn geldt onverminderd het recht van de lidstaten om voor personen waarop enigerlei in artikel 1 genoemde discriminatiegrond van toepassing is, maatregelen te handhaven of vast te stellen die bedoeld zijn om nadelen te voorkomen of om deze te compenseren.

Artikel 7 - Minimumvereisten

1. De lidstaten mogen bepalingen invoeren of handhaven die voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

2. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn vormt in geen enkele omstandigheid een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van bescherming tegen discriminatie op de door de richtlijn bestreken terreinen.

HOOFDSTUK II - RECHTSMIDDELEN EN RECHTSHANDHAVING

Artikel 8 - Verdediging van rechten

1. De lidstaten dragen ervoor zorg dat voor eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de richtlijn benadeeld voelt, toegang openstaat tot gerechtelijke en/of administratieve procedures voor de rechtshandhaving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de arbeidsverhouding.

2. De lidstaten dragen ervoor zorg dat verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen ten behoeve van de klager of klaagster met zijn, respectievelijk haar toestemming daarvoor met het oog op de handhaving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen.

Artikel 9 - Bewijslast

1. De lidstaten nemen, in overeenstemming met hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor zorg te dragen dat, indien personen die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld voelen, aan de rechter of een andere bevoegde autoriteit feiten voorleggen die doen vermoeden dat er directe of indirecte discriminatie is geweest, de verweerder dient te bewijzen dat er op het beginsel van gelijke behandeling geen inbreuk is gemaakt.

2. Lid 1 belet de lidstaten niet voor de eiser gunstiger regels in te voeren.

3. Lid 1 is niet van toepassing op strafrechtelijke procedures, tenzij de lidstaten anders bepalen.

4. De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing op alle gerechtelijke procedures overeenkomstig artikel 8, lid 2.

Artikel 10 - Slachtoffering

De lidstaten nemen in hun nationale wetgeving de nodige maatregelen op ter bescherming van werknemers tegen ontslag of andere nadelige behandeling door de werkgever als reactie op een klacht binnen de onderneming of op enige, op het doen naleven van het beginsel van gelijke behandeling gerichte gerechtelijke procedure.

Artikel 11 - Verspreiding van informatie

1. De lidstaten dragen ervoor zorg dat instellingen voor beroepsopleiding en onderwijs adequate informatie over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen verkrijgen en dat die informatie voldoende verspreiding op de werkplek krijgt.

2. De lidstaten dragen ervoor zorg ervoor dat de bevoegde overheidsinstanties op gepaste wijze over alle uit hoofde van deze richtlijn genomen nationale maatregelen worden ingelicht.

Artikel 12 - Sociale dialoog

1. De lidstaten nemen passende maatregelen ter bevordering van de sociale dialoog tussen werkgevers en werknemers teneinde gelijke behandeling te bevorderen, door toe te zien op de werkplekpraktijk, door collectieve overeenkomsten, gedragscodes, onderzoek en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken.

2. De lidstaten moedigen de werkgevers en werknemers aan om op het geëigende niveau, waaronder dat van de onderneming, overeenkomsten te sluiten die antidiscriminatieregels behelzen op de in artikel 3 genoemde gebieden die binnen de werkingssfeer van collectieve onderhandelingen vallen. Deze overeenkomsten moeten de onderhavige richtlijn en de relevante nationale maatregelen eerbiedigen.

HOOFDSTUK III - SLOTBEPALINGEN

Artikel 13 - Naleving van de richtlijn De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor zorg te dragen dat

a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft.

b) alle met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijnde bepalingen in collectieve overeenkomsten, in individuele arbeidsovereenkomsten, in arbeidsreglementen van ondernemingen of in regels die de onafhankelijke beroepsactiviteiten, beroepen of werkgevers- en werknemersorganisaties beheersen, nietig worden verklaard of worden gewijzigd.

Artikel 14 - Sancties

De lidstaten stellen het stelsel van sancties, van toepassing op overtredingen van de bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn opgestelde nationale bepalingen vast en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de daadwerkelijke toepassing van deze sancties te verzekeren. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 15 genoemde datum van de desbetreffende bepalingen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen ervan zo spoedig mogelijk mee.

Artikel 15 - Tenuitvoerlegging

De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op 31 december 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 16 - Verslag

De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk twee jaar na de in artikel 15, eerste alinea, genoemde datum alle dienstige gegevens om haar in staat te stellen een verslag aan het Europees Parlement en aan de Raad over de toepassing van deze richtlijn op te stellen.

Artikel 17 - Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 18 - Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.