Artikelen bij COM(2024)130 - Vorderingen met de uitvoering van artikel 6 van het Uniemechanisme voor civiele bescherming (Besluit nr. 1313/2013/EU) Rampenrisicopreventie en -beheersing in Europa

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


1. INLEIDING

We bevinden ons momenteel in een geheel nieuw rampenrisicolandschap. De wereld heeft al een aantal jaar te kampen met ongekend hoge temperaturen en een groot aantal verwoestende rampen. Het Europese continent en zijn buurlanden werden getroffen door catastrofale hittegolven, natuurbranden, droogte en overstromingen. Als gevolg van de onverwacht snelle ontwikkelingen op het gebied van klimaatverandering is de kans zeer groot dat extreme weersomstandigheden en bedreigingen voor mensenlevens en bestaansmiddelen in de toekomst zullen blijven toenemen. Daarnaast vormen de verslechterende mondiale veiligheidssituatie en de combinatie van andere bedreigingen en schokkende gebeurtenissen, waaronder bedreigingen van de gezondheid en hybride dreigingen, aardbevingen en verstoringen van kritieke infrastructuur, toenemende risico’s voor de Europese samenleving.

In artikel 196 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie de samenwerking tussen de lidstaten moet bevorderen om zodoende te komen tot een grotere doeltreffendheid van de systemen ter voorkoming van en bescherming tegen natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen. Het optreden van de EU moet bijgevolg acties op nationaal niveau op het gebied van preventie, paraatheid en respons ondersteunen en aanvullen. In 2001 heeft de EU een communautair mechanisme voor civiele bescherming ingesteld, gericht op samenwerking tussen de EU-lidstaten op het gebied van rampenrespons. Sindsdien coördineert de Europese Commissie de wederzijdse steun tussen de lidstaten. In 2013 is het besluit betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM)1 vastgesteld, dat tot doel heeft deze werkzaamheden te consolideren en de paraatheid in noodsituaties op alle niveaus te vergroten. Wanneer een crisis, van welke aard dan ook, de capaciteit van een bepaald land overstijgt, vormt dit mechanisme de operationele ruggengraat van de collectieve respons van Europa, zowel binnen de EU (met inbegrip van de ultraperifere gebieden) als buiten de EU. Het 24/7 operationele Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) heeft grote en zeer uiteenlopende — en soms gelijktijdige — responsoperaties in noodsituaties mogelijk gemaakt (bv. bij natuurbranden, overstromingen, pandemieën en ontheemding).

Zoals vermeld in de mededeling van de Commissie “Managing climate risks — protecting people and prosperity”2, zullen klimaatrisico’s de komende decennia blijven toenemen, liggen de gemiddelde temperaturen wereldwijd al bijna 1,5 °C hoger dan de pre-industriële niveaus en gaat de opwarming in Europa twee keer zo snel als in de rest van de wereld. De noodzaak om de volledige rampenrisicobeheersingscyclus – van risicobeoordeling en anticiperende maatregelen tot preventie en paraatheid en tot slot respons en herstel – verder te versterken, was nog nooit zo dringend.

De vraag om bijstand in het kader van het UCPM is in de afgelopen tien jaar drastisch toegenomen.

Figuur 1. Aantal verzoeken via het UCPM van de EU-lidstaten en de deelnemende landen bij overstijging van de nationale responscapaciteit. *In 2022 heeft Oekraïne 126 verzoeken om bijstand ingediend bij het ERCC en in 2023 nog eens 50, nadat het kort voor de aanvang van de Russische invasie het UCPM had geactiveerd. Bron: ERCC, januari 2024.

Al meer dan twee decennia lang heeft dit mechanisme bovendien de werkzaamheden van de lidstaten op het gebied van rampenpreventie en -paraatheid ondersteund en aangevuld. Gezien de toenemende risico’s en uitdagingen op het gebied van rampenbeheersing is het van cruciaal belang een doeltreffende en coherente aanpak ten aanzien van rampenrisicobeheersing te hanteren, met passende aandacht voor preventie, overeenkomstig artikel 6 van het UCPM-besluit. Dit artikel voorziet in een algemeen kader betreffende rampenpreventie, om het beschermingsniveau te verhogen, de rampbestendigheid te vergroten en een preventiecultuur te bevorderen, rekening houdend met de vermoedelijke gevolgen van de klimaatverandering.

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt g), van het UCPM-besluit moet de Commissie periodiek verslag uitbrengen over de vorderingen met de uitvoering van artikel 6. Dit eerste verslag aan het Europees Parlement en de Raad heeft betrekking op de vorderingen met de uitvoering van artikel 63 en bevat aanbevelingen voor een “toekomstbestendige” rampenrisicobeheersing. Een ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie4 voorziet in gedetailleerdere informatie over de toepassing van artikel 6 en de analyse van de Commissie van de door de lidstaten en deelnemende landen uitgebrachte samenvattende verslagen inzake rampenrisicobeheersing die tussen eind 2020 en september 2022 zijn ingediend.


2. VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 6 GETROFFEN MAATREGELEN

Artikel 6 is gericht op risicobeheersing en heeft algemeen tot doel een effectieve en coherente aanpak ten aanzien van de preventie van en paraatheid voor rampen te bevorderen. Dit artikel is sinds 2013 tweemaal herzien5. In dit onderdeel wordt een overzicht gegeven van de bepalingen van het artikel en de door de Commissie, de lidstaten en de deelnemende landen getroffen maatregelen voor de toepassing van deze bepalingen. Daarnaast bevat het een aantal aanbevelingen voor toekomstige maatregelen.

Verdere ontwikkeling op nationaal niveau van doeltreffende en coherente praktijken betreffende risicobeheersing (artikel 6, lid 1, punten a) tot en met d), en artikel 6, lid 3)

Volgens artikel 6, lid 1, punten a) tot en met d), moeten de lidstaten en deelnemende landen6 op nationaal of passend subnationaal niveau risicobeoordelingen en beoordelingen van hun risicobeheersingsvermogen opstellen. De landen moeten om de drie jaar een samenvatting van de relevante onderdelen van deze beoordeling aan de Commissie ter beschikking stellen. Daarnaast schrijft dit artikel voor dat de landen hun nationale rampenrisicobeheersingsplanning verder moeten uitwerken.

Voor de verslagperioden 2015 en 2018 hebben de landen verslagen betreffende nationale risicobeoordelingen met de Commissie gedeeld. Daarnaast hebben zij in 2017 nationale verslagen over risicobeheersingsvermogen bij de Commissie ingediend. De bevindingen van de in 2015 en 2018 ingediende verslagen werden gepresenteerd in het tweede en derde verslag, getiteld Overview of natural and man-made disaster risks the EU may face” (Overzicht van de risico’s van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen waarmee de EU kan worden geconfronteerd)7.

Volgens artikel 6, lid 3, moet de Commissie samen met de lidstaten en deelnemende landen zorgen voor de nadere uitwerking van richtsnoeren om de indiening van samenvattende verslagen betreffende risicobeoordelingen en beoordelingen van het risicobeheersingsvermogen te vergemakkelijken8. Volgens artikel 6, lid 1, punt d), moeten landen bovendien verslag uitbrengen over risico’s met grensoverschrijdende gevolgen en weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen.

De Commissie heeft samen met de landen richtsnoeren voor verslaglegging inzake rampenrisicobeheer opgesteld. Deze richtsnoeren zijn in 2019 uitgebracht9. 32 van de 33 landen hebben overeenkomstig deze richtsnoeren voor de eerste uiterste verslagleggingstermijn (eind 2020) verslagen ingediend10. De bevindingen in de verslagen zijn uiteengezet in afdeling 3.

Collegiale toetsing — bevordering van het nationale risicobeheersingsvermogen (artikel 6, lid 1, punt e))

Het kader voor collegiale toetsing is een instrument voor het bevorderen van wederzijdse kennisuitwisseling tussen de landen met het oog op het vergroten van de preventie- en paraatheidscapaciteit. Collegiale toetsingen zijn vrijwillig van aard en worden uitgevoerd door nationale deskundigen uit de lidstaten en de deelnemende landen die de nationale praktijken van het aan collegiale toetsing onderworpen land nauwgezet toetsen.

Zestien landen hebben ervoor gekozen zich aan collegiale toetsing te onderwerpen, waaronder acht huidige EU-lidstaten, drie deelnemende landen en verschillende derde landen11. In 2020 heeft de Commissie een aangescherpt en flexibeler kader voor collegiale toetsing ingevoerd. Met het oog op de heftige natuurbrandenseizoenen in de afgelopen jaren heeft de Commissie daarnaast in 2023 een gericht kader voor collegiale toetsing met betrekking tot de preventie van natuurbranden tot stand gebracht. Het aangescherpte kader voor collegiale toetsing vormt een aanvulling op de versterkte responscapaciteit op EU-niveau in de vorm van rescEU-capaciteit. In 2024 worden er drie gerichte collegiale toetsingen met betrekking tot de preventie van natuurbranden uitgevoerd in Griekenland, Italië en de deelstaat Brandenburg (Duitsland).

Bevordering van het inzicht in het begrip “rampen” door een beter inzicht in rampzalige gebeurtenissen te creëren (artikel 6, lid 1, punt f))

Het UCPM-besluit is ook in 2021 gewijzigd door de toevoeging van artikel 6, lid 1, punt f), waarin wordt gesteld dat lidstaten en deelnemende landen de verzameling van gegevens over rampenschade moeten verbeteren met het oog op het opstellen van empirisch onderbouwde scenario’s.

De Commissie heeft een Risk Data Hub12 ontwikkeld voor het verzamelen van gegevens over rampenrisico’s, met inbegrip van gegevens over rampenschade van landen en andere actoren. Uit de analyse van de nationale praktijken betreffende de verzameling van gegevens over rampenschade, zoals vastgelegd in de samenvattende verslagen betreffende risicobeheer, blijkt dat er nog altijd veel tekortkomingen zijn13.

Mechanismen voor het versterken van preventie en paraatheid (artikel 6, leden 2 en 4)

Artikel 6, lid 2, voorziet in specifieke overlegmechanismen om te komen tot betere passende preventie- en paraatheidsplanning en -coördinatie tussen de lidstaten en deelnemende landen die blootstaan aan gelijkaardige soorten rampen.

Dit mechanisme voor overleg met bepaalde landen over specifieke risico’s is tot dusver niet ingezet, aangezien de voorkeur uitgaat naar regelmatige en inclusieve uitwisselingen inzake rampenrisico’s met alle landen. Voorbeelden van dergelijke inclusieve overleggen over specifieke risico’s zijn bijeenkomsten over geleerde lessen en paraatheid bij natuurbrandenseizoenen, uitwisselingen over de ontwikkeling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en bijeenkomsten over rampenpreventie met deskundigen van de landen.

Artikel 6, lid 4, voorziet in een specifiek mechanisme voor het versterken van het preventie- en paraatheidsniveau van lidstaten die via het UCPM herhaaldelijk om dezelfde soort bijstand voor dezelfde soort ramp verzoeken. In het geval van drie verzoeken om bijstand in drie opeenvolgende jaren voor dezelfde soort ramp moet de Commissie een zorgvuldige analyse van de redenen en omstandigheden van de activering van het mechanisme uitvoeren. Op basis van de resultaten van deze analyse kan de Commissie voorstellen een deskundigenteam ter plaatse in te zetten, advies verlenen of aanbevelingen formuleren. Zij kan ook besluiten dat dergelijke maatregelen niet nodig zijn.

Dit criterium heeft tot doel te waarborgen dat landen hun preventieactiviteiten opvoeren overeenkomstig de intensiteit van het risico.

De Commissie voert momenteel een zorgvuldige analyse uit van de redenen en omstandigheden van de tussen 2019 en 2023 ontvangen verzoeken om bijstand voor dezelfde soort ramp, om te beoordelen of aan de voorwaarden van de toepassing van het in artikel 6, lid 4, bedoelde mechanisme is voldaan.

Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid (artikel 6, lid 5)

De Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid zijn toegevoegd als artikel 6, lid 5, van de herziening van het UCPM-besluit van 2021. Dit betreft niet-bindende doelstellingen op het gebied van civiele bescherming die van strategisch belang zijn voor het vergroten van de veerkracht van de EU, haar lidstaten en de deelnemende landen, met het oog op het creëren van een gemeenschappelijke basis voor het beter beheersen van de risico’s van rampen met grensoverschrijdende gevolgen in meerdere landen.

De Commissie heeft de eerste Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid in samenwerking met de lidstaten en de deelnemende landen ontwikkeld en in februari 2023 vastgesteld14. Deze doelstellingen versterken de cyclus preventie-paraatheid-respons bij rampen en worden momenteel door de Commissie en lidstaten uitgevoerd.

In het licht van bovenstaande ontwikkelingen worden de volgende aanbevelingen gedaan voor de verdere toepassing van artikel 6:

De Commissie zal:

- zich blijven inzetten voor de toepassing van het kader voor collegiale toetsing als instrument om landen in staat te stellen hun risicobeheersingsvermogen te beoordelen, om te waarborgen dat zij een doeltreffende en coherente aanpak hanteren ten aanzien van de preventie van en paraatheid voor rampen;
- een zorgvuldige analyse uitvoeren van de redenen en omstandigheden van de activeringen van het mechanisme voor dezelfde soort rampen, om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de toepassing van het in artikel 6, lid 4, bedoelde mechanisme is voldaan;
- met regelmaat de redenen en omstandigheden van activeringen voor dezelfde soort gevaar analyseren, met als doel de lidstaten en deelnemende staten te steunen bij hun inspanningen om hun preventie- en paraatheidsniveau te versterken.


De Commissie moet, samen met de lidstaten en deelnemende landen:

- de richtsnoeren inzake de indiening van de samenvattende verslagen betreffende risicobeheersing herzien, om de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid voor de volgende verslagleggingscyclus op te nemen en manieren te vinden om het verslagleggingsproces te stroomlijnen;
- maatregelen nemen om te waarborgen dat de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid worden gerealiseerd;
- maatregelen nemen om de stelselmatige verzameling van gegevens over rampenschade te bevorderen.


3. BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN BETREFFENDE RAMPENRISICOBEHEERSING EN -PREVENTIE

De Commissie heeft de belangrijkste bevindingen betreffende rampenrisicobeheersing en -preventie vastgesteld op basis van de analyse van de door de lidstaten en deelnemende landen uitgebrachte samenvattende verslagen die bij de Commissie zijn ingediend15. Voor zover van toepassing zijn deze gebaseerd op de bevindingen uit de eerdere door landen ingediende nationale risicobeoordelingen uit hoofde van artikel 6 (2015, 2018)16. Het ondersteunende werkdocument van de diensten van de Commissie17 bevat nadere details over de bevindingen in deze verslagen18.

O vereenkomstig artikel 6, lid 1, punt d), moeten de nationale verslagen inzake rampenrisicobeheersing om de drie jaar bij de Commissie worden ingediend. Het verslagleggingspercentage is sinds 2013 relatief stabiel en hoog, maar niet optimaal. In 2015 heeft de Commissie overeenkomstig de uiterste termijn 31 (van de 34) verslagen ontvangen, in 2018 30 (van de 34), en in 2020 32 (van de 33)19.

Figuur 2. De UCPM-indicator20 voor het monitoren, evalueren en herzien van de toepassing van de UCPM-wetgeving heeft overeenkomstig artikel 6 betrekking op het volgen van devooruitgang in de implementatie van het rampenpreventiekader, die wordt afgemeten aan het aantal lidstaten dat de in artikel 6, lid 1, punt d), bedoelde informatie ter beschikking van de Commissie heeft gesteld”.

De volgende onderdelen bieden een overzicht van de belangrijkste bevindingen op basis van de analyse van de Commissie van de 24 punten over risicobeoordeling (punten 1-8), beoordeling van het risicobeheersingsvermogen (punten 9-20) en prioritaire paraatheids- en preventiemaatregelen (punten 21-24) overeenkomstig de richtsnoeren voor verslaglegging.

Deze bevindingen zijn samengevat aan de hand van acht verschillende componenten van rampenrisicobeheersing die de basis vormen voor de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid. Op basis van deze bevindingen worden in dit verslag aanbevelingen gedaan voor het aanpakken van lacunes en tekortkomingen en voor het bevorderen van rampenrisicobeheersing en een preventiecultuur.

4.1 Inzicht in en anticiperen op risico’s

A. Vaststelling van de belangrijkste rampenrisico’s21

De belangrijkste zorgwekkende risico’s die sinds 2015 het meest zijn vermeld, zijn bevestigd. Voor bijna twee derde van de lidstaten en deelnemende landen bestaan de belangrijkste risico’s van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen in overstromingen, extreme weersomstandigheden, bedreigingen van de menselijke gezondheid, pandemieën, droogte en natuurbranden. De meest voorkomende door de mens veroorzaakte risico’s of technologische risico’s zijn nucleaire en radiologische dreigingen, industriële risico’s en verstoringen van de kritieke infrastructuur.


Figuur 3. Aantal landen dat een specifiek rampenrisico als relevant heeft aangemerkt in de verslagen van 2015, 2018 en 2020. Bronnen: verslagen 2015 (Overzicht 2017), verslagen 2018 (Overzicht 2020), verslagen 2020 (samenvattende verslagen inzake rampenrisicobeheersing, P3).

In heel Europa is sprake van een groeiende bezorgdheid ten aanzien van bepaalde rampenrisico’s. De zorgen over het risico op droogte zijn het meest toegenomen. In vergelijking met 2015 was in 2020 het aantal EU-lidstaten dat droogte als een relevant risico beschouwde, verdubbeld. Daarnaast zijn de zorgen toegenomen over het risico van radiologische en nucleaire ongevallen, de risico’s voor de menselijke gezondheid, cyberdreigingen, tsunami’s en migratiebewegingen, risico’s met betrekking tot vaste massa (aardverschuivingen, vallend gesteente en bodemverzakking), geopolitieke en maatschappelijke risico’s, vervoersgerelateerde risico’s en milieu- en chemische risico’s22.

De meeste landen vermelden inmiddels, naast opkomende risico’s, ook weinig waarschijnlijke rampenrisico’s met desalniettemin zeer ernstige gevolgen. Sinds 2019 moeten landen ook weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen (HILP, “high-impact low probability”) vaststellen. De gemelde HILP-risico’s verschillen per land. Gezien de mogelijk zeer ernstige gevolgen ervan zijn de meest voorkomende vastgestelde HILP-risico’s nucleaire/radiologische dreigingen, industriële risico’s en aardbevingen. Daarnaast stelt twee derde van de landen ook opkomende risico’s vast (onlangs vastgestelde dreigingen of gevaren, of bekende risico’s die mettertijd naar verwachting zullen toenemen). De meest voorkomende vastgestelde opkomende risico’s zijn extreme weersomstandigheden, overstromingen, natuurbranden, pandemieën, politieke en geopolitieke risico’s, cyberrisico’s en verstoringen van de kritieke infrastructuur. De opkomst van een bepaald risico kan een teken zijn van een versterking van bepaalde oorzaken, bijvoorbeeld met betrekking tot de klimaatverandering of toegenomen kwetsbaarheden. Deze opkomst kan ook het gevolg zijn van veranderde risicopercepties en risicobeoordelingsbenaderingen. Daarnaast is het van belang alert te zijn met betrekking tot risico’s die door slechts een klein aantal landen zijn vastgesteld. Zo maakt een klein aantal landen melding van zonnestormen, die tot ernstige verstoringen van IT-systemen kunnen leiden, alsook bepaalde milieu- en chemische risico’s, waaronder nieuwe invasieve soorten en biodiversiteitsverlies.

Slechts een klein aantal landen heeft verslag uitgebracht over complexe interacties tussen risico’s van “natuurrampen” en “door de mens veroorzaakte rampen” door in hun risicobeoordelingen rekening te houden met complexe, gecombineerde en watervaleffecten. Bijna alle landen hebben verslag uitgebracht over een verscheidenheid aan “natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen”. Een groot aantal landen besteedt ook aandacht aan de gevolgen en watervaleffecten voor de samenleving, in de zin dat zij risico’s hebben gemeld met betrekking tot een breed scala aan verstoorde kritieke diensten of voorzieningsverstoringen, bijvoorbeeld met betrekking tot de energie- en watervoorziening en financiële systemen. Niet alle landen verwijzen expliciet naar een analyse van de interactie tussen dergelijke risico’s, met name waar het complexe en gecombineerde effecten betreft, alsook watervaleffecten.

De landen richten zich met name op kortetermijnrisico’s; de schaal en omvang van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en milieudegradatie vereisen echter een scherpere focus op langetermijnrisico’s in het kader van de risicobeoordelingen. De landen vermelden met eerder acute (kortetermijn)risico’s, zoals overstromingen, natuurbranden en extreme weersomstandigheden, dan chronische (langetermijn)risico’s23. Zo heeft slechts een klein aantal kuststaten melding gemaakt van een toegenomen kwetsbaarheid van kustgemeenschappen of -infrastructuur als gevolg van een stijging van de zeespiegel of kusterosie, die in combinatie met hevigere stormvloeden aan de kust tot verhoogde overstromingsrisico’s aan de kust zal leiden. Acute watergerelateerde gevaren (overstromingen, droogte, extreme neerslag) worden het meest genoemd als klimaatgerelateerde risico’s, maar ook gevaren met betrekking tot temperaturen (natuurbranden, hittegolven), wind (stormen) en vaste massa (aardverschuivingen) worden genoemd. Waar het de secundaire effecten van de klimaatverandering betreft, heeft ongeveer de helft van de landen verslag uitgebracht over risico’s voor de menselijke gezondheid (bv. epidemieën en pandemieën), en een paar landen over de toegenomen gevaren in verband met vectorziekten als gevolg van de klimaatverandering. Ongeveer een derde van de landen verwees naar verschillende vormen van verstoringen van de toeleveringsketen. Een paar landen verwezen naar de gevolgen voor specifieke economische sectoren, zoals de landbouw, de energiesector, de bosbouw, de veehouderij, de watersector, de visserij, de gezondheidszorg en de vervoerssector.

Hoewel het toekomstbestendig maken van risicobeoordelingen een grondigere analyse van de onderliggende oorzaken van het rampenrisico en de mogelijke interacties ervan vereist, heeft slechts een klein aantal landen verslag uitgebracht over andere “dynamische” risicobepalende factoren dan de klimaatverandering. De belangrijkste gemelde oorzaken die van invloed zijn op gevaren, kwetsbaarheid en blootstelling aan risico’s, betreffen onder meer de klimaatverandering, waarvan de gevolgen goed gedocumenteerd zijn. Slechts een klein aantal landen verwijst naar andere oorzaken, zoals verstedelijking, demografische ontwikkelingen en milieudegradatie. Deze landen maken ook melding van globalisering en internationale en geopolitieke ontwikkelingen, naast ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie en digitalisering.

B. Nationale methoden en praktijken inzake risicobeoordeling24

De nationale methoden voor het vaststellen en beoordelen van risico’s variëren waar het de uitgebreidheid ervan betreft. Meer samenhang en consistentie zouden het gemakkelijker maken om verslagen tussen landen en risicobeoordelingen op Europees niveau met elkaar te vergelijken, voortbouwend op een solide reeks nationale risicobeoordelingen.

Inzicht in de toekomst vereist inzicht in het verleden. Nationale praktijken voor het verzamelen van gegevens over de gevolgen van rampen uit het verleden zijn echter niet stelselmatig en zijn zeer onvolledig. Het verzamelen van gegevens over rampenschade is van essentieel belang om de ontwikkeling van empirisch onderbouwde scenario’s te waarborgen en kwantitatieve risicoanalyse te verbeteren. Uit nationale verslagen blijkt echter dat de verzameling van gegevens over rampenschade in bijna alle landen sterk gefragmenteerd en ongestructureerd is, en dat slechts één land een coherente aanpak op nationaal niveau hanteert. Geen enkel land verwijst naar de rapportage van risicogegevens aan de Risk Data Hub van de Europese Commissie25, een gegeven dat nader moet worden onderzocht.

De methoden voor risicovaststelling en -analyse verschillen per land en per soort risico. Ongeveer een derde van de landen hanteert een scenario waarin wordt uitgegaan van één risico, en maakt minder vaak gebruik van een multirisicoscenario. Slechts een klein aantal landen heeft informatie verstrekt over de door hen toegepaste criteria voor het vaststellen van weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen. Landen gebruiken bovendien verschillende systemen voor het indelen van risico’s. Hoewel rampenrisico’s van natuurrampen redelijk duidelijk worden ingedeeld, varieert de indeling van door de mens veroorzaakte risico’s en technologische en maatschappelijke risico’s in hogere mate. Slechts een handvol landen maakt melding van een tijdshorizon voor de scenario’s. Dit maakt het minder inzichtelijk op welke wijze en in welke mate rekening wordt gehouden met belangrijke oorzakelijke factoren, zoals klimaatverandering.

Sommige verslagen bevatten voorbeelden van scenario-ontwikkeling en andere verwijzen naar klimaatscenario’s, zoals vastgesteld door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering. Hierbij wordt echter geen consistente aanpak gehanteerd, met een mogelijke onderschatting van de risico’s tot gevolg. Een toelichting op de onzekerheden is van belang met het oog op de transparantie van de aan de risicoanalyse inherente onzekerheden, bijvoorbeeld waar het de beperkingen van de gebruikte gegevens en modellen betreft. Iets meer dan een kwart van de landen geeft aan rekening te houden met onzekerheden. De toepassing van het voorzorgsbeginsel kan helpen bij het onderbouwen van de beoordeling van een potentieel ernstig rampenrisico waarvan de waarschijnlijkheid niet nauwkeurig kan worden vastgesteld; minder dan een kwart van de landen gaf echter aan met dit aspect rekening te houden.

Er worden uiteenlopende methoden gebruikt voor de vaststelling van het risiconiveau. Wanneer een risico niet met behulp van een waarschijnlijkheids- en kwantitatieve methode kan worden beoordeeld, worden er andere kwalitatieve benaderingen gebruikt. Ongeveer de helft van de landen heeft semikwantitatieve benaderingen of kwalitatieve benaderingen toegepast om de ernst van de gevolgen te bepalen. Waar het de gevolgen betreft, blijkt dat minder dan de helft van de landen rekening houdt met gevolgen voor de mens, gevolgen voor de economie, gevolgen voor het milieu en gevolgen op politiek/maatschappelijk gebied. Een paar landen hebben echter verslag uitgebracht over goede voorbeelden van een breder scala aan gevolgen, zoals maatschappelijke en financiële gevolgen of gevolgen voor de kritieke infrastructuur. Meer dan twee derde van de landen heeft met behulp van een risicomatrix het belang van elk risico aangegeven26.

Niet alle landen maken melding van mechanismen voor regelmatige evaluatie, hoewel dergelijke evaluaties van de risicobeoordelingen nodig zijn om de veranderingen in het risicolandschap in kaart te brengen. Sommige landen geven aan met regelmaat risicobeoordelingen uit te voeren, over het algemeen om de drie jaar. In sommige landen worden de evaluaties in gang gezet naar aanleiding van specifieke rampen of actualiseringen van risicospecifieke beoordelingen27; weer andere landen houden continu toezicht op de ontwikkelingen met betrekking tot het risicolandschap. In sommige landen is de frequentie van de evaluaties van de risicobeoordelingen wettelijk vastgelegd.

De publieke beschikbaarheid van de bevindingen van de risicobeoordelingen is fragmentarisch. Publieke transparantie helpt het risicobewustzijn te vergroten en stimuleert maatregelen voor het waarborgen van een gedegen rampbestendigheid. Slechts de helft van de landen stelt de risicobeoordelingen echter ter beschikking van het publiek, en een kwart voorziet in links naar openbaar beschikbare risicokaarten. De meeste landen verstrekken informatie over praktijken betreffende het in kaart brengen van risico’s. Het merendeel van de opgestelde risicokaarten28 heeft betrekking op overstromingen, gevolgd door natuurbranden, aardbevingen en nucleaire/radiologische dreigingen. De risicokaarten bevatten geen informatie over grensoverschrijdende risico’s.

Er zijn enkele goede voorbeelden gegeven van betrokkenheid van belangrijke belanghebbenden bij het opstellen van risicobeoordelingen. In de meeste landen zijn governancekaders voor risicobeoordeling vastgelegd in de nationale wetgeving. Deze staan meestal onder leiding van ministeries of agentschappen die verantwoordelijk zijn voor civiele bescherming. De groepen belanghebbenden kunnen onder meer bestaan uit een brede waaier van instanties uit gespecialiseerde sectoren op nationaal en subnationaal niveau (bijvoorbeeld kritieke infrastructuur en vervoer), de academische wereld (bijvoorbeeld exploitanten van kritieke infrastructuur) en het maatschappelijk middenveld. Het risicobeoordelingsproces zelf speelt een uiterst belangrijke rol bij het vergroten van het risicobewustzijn onder belangrijke maatschappelijke actoren. In sommige gevallen lijkt het echter alsof het risicobeoordelingsproces inzake civiele bescherming in verband met de UCPM-verplichtingen een op zichzelf staand proces is.

In het licht van bovenstaande worden de volgende aanbevelingen inzake inzicht in en anticiperen op risico’s voorgesteld.

De Commissie moet, samen met de lidstaten en deelnemende landen:

- het werkdocument van de diensten van de Commissie “Risk Assessment and Mapping Guidelines for Disaster Management” uit 201029 herzien, met als doel anticiperende risicobeoordelingsprocessen op nationaal niveau verder uit te bouwen en tot maximale synergieën te komen met de uit hoofde van andere onderdelen van de EU-wetgeving vereiste risicobeoordelingsprocessen (bv. met betrekking tot kritieke infrastructuur, gezondheidszorg, klimaat en beheersing van overstromingsrisico’s);
- de uitwisseling van kennis tussen landen en deskundigen bevorderen, onder meer via het kennisnetwerk, met het oog op het verder verbeteren van de risicobeoordelingspraktijken.


De lidstaten en deelnemende landen wordt gevraagd om:

- de uitwisseling en samenwerking inzake het vaststellen van en anticiperen op risico’s op te schroeven, onder meer waar het weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen en opkomende risico’s betreft;
- de beoordelingsprocedures inzake rampenrisico’s aan te scherpen om beter te kunnen anticiperen op de gevolgen van chronische (langetermijn)risico’s, bijvoorbeeld met betrekking tot klimaatverandering en geopolitieke risico’s, en deze gevolgen beter te kunnen beperken, naast de gevolgen van acute (kortetermijn)risico’s;
- tot maximale synergieën te komen met de uit hoofde van EU-wetgeving op andere beleidsterreinen vereiste risicobeoordelingsprocessen (bv. met betrekking tot kritieke infrastructuur, gezondheidszorg, overstromingsrisico’s, klimaatbeleid);
- de stelselmatige verzameling van gegevens over verliezen en schade als gevolg van rampen uit het verleden te verbeteren, om tot een beter inzicht in toekomstige risico’s te komen, en deze gegevens beschikbaar te stellen via de Risk Data Hub.


4.2 Bevordering van rampenrisicobeheersing

C. Rampenrisicobeheersingsplanning30

Drie kwart van de lidstaten en deelnemende landen geeft aan uitgebreide rechtskaders voor rampenrisicobeheersing te hanteren. Deze kaders zijn vaak aangevuld met wetgeving tot vaststelling van subnationale en sectorale verantwoordelijkheden. Uit de verslagen blijkt dat specifieke kaders voor rampenrisicobeheersing (bv. wetgeving inzake civiele bescherming) worden aangevuld met andere wetgeving, waaronder sectorale of subnationale wetgeving. Iets minder dan de helft van de landen geeft bovendien aan zachte wetgevings- en beleidsmaatregelen toe te passen ter aanvulling van de rechtskaders. Voor de meeste landen geldt dat de belangrijkste wetgeving inzake civiele bescherming ook betrekking heeft op de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen, alsook andere fasen van rampenrisicobeheersing.

In alle landen worden rampenrisico’s op nationaal niveau beheerd, in meerdere of mindere mate met betrokkenheid van regionale en lokale instanties. De meeste landen geven aan verschillende mechanismen voor verticale samenwerking tussen nationale en subnationale instanties te hanteren, alsook mechanismen voor horizontale afstemming met de doeltreffende betrokkenheid van een breed scala aan belanghebbenden die betrokken zijn bij rampenrisicobeheersing. De ministeries en instanties die zich met civiele bescherming bezighouden, zijn de hoofdverantwoordelijken voor het uitvoeren van risicobeoordelingen. Slechts een derde van de landen geeft aan dat zij een breed scala aan andere instanties die verantwoordelijk zijn voor andere beleidsterreinen, of belanghebbenden uit de particuliere sector, bij het proces betrekken. Een brede sectorale betrokkenheid bij het proces kan het risicobewustzijn echter vergroten en het proces ten goede komen.

In twee derde van de landen zorgen de overheidsinstanties met verantwoordelijkheid voor civiele bescherming voor de afstemming van het proces van risicobeoordeling, paraatheid en respons. Ongeveer een derde van de landen geeft aan dat actoren van andere sectorale instanties en de particuliere sector verantwoordelijk zijn voor verschillende vormen van preventie (bijvoorbeeld de ministeries van milieu, energie, economische zaken, volksgezondheid, landbouw en bosbouw). Voorbeelden van organen uit de particuliere sector die verantwoordelijk zijn voor specifieke vormen van preventie, zijn organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van risico’s van industriële ongevallen en nucleaire veiligheid.

Meer dan een derde van de landen geeft aan over een document voor rampenrisicobeheersingsplanning te beschikken. Ongeveer een kwart van de landen maakt melding van een uitgebreide nationale strategie betreffende rampenbeheersing of veiligheid, in welke vorm dan ook31. De meeste landen geven aan ook preventie- en paraatheidsmaatregelen te hanteren voor de door hen vastgestelde grensoverschrijdende risico’s en de weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen (HILP-risico’s), maar geen enkel land heeft maatregelen getroffen om alle vastgestelde HILP-risico’s te ondervangen. De maatregelen zijn voornamelijk gericht op paraatheid, bijvoorbeeld in de vorm van systemen voor vroegtijdige waarschuwing. Er wordt minder melding gemaakt van de toepassing van preventiemaatregelen. Zo geeft slechts een klein aantal landen aan preventiemaatregelen toe te passen met betrekking tot landgebruik en ruimtelijke ordening met het oog op de beheersing van overstromingsrisico’s, industriële risico’s, risico’s op aardbevingen en vulkanische activiteit.

Hoewel de meeste landen aangeven bepaalde preventie- en paraatheidsmaatregelen te hanteren, verstrekken zij slechts beperkte informatie over de wijze waarop prioriteit aan deze maatregelen is toegekend en wanneer ze zullen worden toegepast. Nationale verslagen spelen een fundamentele rol bij het verstrekken van informatie over risicovaststelling en vormen daarmee de basis voor beslissingen om in preventie te investeren. Risicobeheersing omvat ook het prioriteren, plannen en financieren van paraatheids- en preventiemaatregelen en het identificeren van de leidende instanties. Hoewel landen melding maken van maatregelen voor grensoverschrijdende risico’s en weinig waarschijnlijke risico’s met ernstige gevolgen, verstrekken zeer weinig landen een tijdpad voor de toepassing van de maatregelen en de daarmee verband houdende financieringsregelingen.

D. Grensoverschrijdende risicobeheersing32

Alle lidstaten en deelnemende landen moeten stelselmatig belangrijke risico’s van grensoverschrijdende aard vaststellen. Dit is van essentieel belang voor het beheersen van risico’s tussen Europese landen die in hoge mate onderling met elkaar zijn verbonden. De meest genoemde grensoverschrijdende risico’s zijn nucleaire en radiologische ongevallen, overstromingen, natuurbranden en pandemieën/epidemieën. De landen werd voor het eerst gevraagd procedures en maatregelen op grensoverschrijdend, interregionaal en internationaal niveau vast te stellen, alsook maatregelen voor het aanpakken van grensoverschrijdende risico’s. De verslagen bieden inzicht in de beheersing van risico’s, onder meer waar het grensoverschrijdende samenwerking betreft voor het beheersen van grensoverschrijdende risico’s en risico’s met grensoverschrijdende gevolgen.

Hoewel in de landenverslagen prioriteit wordt gegeven aan procedures en maatregelen om de vastgestelde risico’s te beheersen, lijkt er sprake te zijn van lacunes bij de uitvoering of verslaglegging met betrekking tot deze procedures en maatregelen. De meeste gemelde grensoverschrijdende maatregelen hebben betrekking op nucleaire en radiologische dreigingen, overstromingen, industriële ongevallen, natuurbranden en verstoringen van de infrastructuur. Ongeveer 70 % van de landen die bepaalde grensoverschrijdende risico’s vaststellen, verstrekt ook informatie over maatregelen om die grensoverschrijdende risico’s te beheersen. Geen enkel land maakt melding van maatregelen voor het beheersen van alle grensoverschrijdende risico’s die het heeft vastgesteld. Grensoverschrijdende samenwerking is met name gericht op paraatheid en in mindere mate op preventie en grensoverschrijdende risicobeoordelingen. De meest genoemde grensoverschrijdende maatregelen zijn “niet-structurele” maatregelen, zoals training en voorlichting, systemen voor vroegtijdige waarschuwing en bewustmaking van het publiek.

Er is op grote schaal verslag uitgebracht over internationale en Europese kaders. Sommige landen verwijzen naar belangrijke sectorale EU-wetgeving die grensoverschrijdende samenwerking bevordert voor het beheersen van een aantal risico’s, met name met betrekking tot overstromingen33, zware industriële ongevallen34 en kritieke infrastructuur35. Landen maken voorts melding van een breed scala aan grensoverschrijdende samenwerking in internationale processen of organisaties, zoals het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering (UNDRR), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), waar ongeveer een derde van de landen naar verwijst. Slechts een paar landen verwijzen naar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) of naar macroregionale kaders of organisaties (bv. de regio van de Donau of de Zwarte Zee). Een derde van de landen merkt op dat het UCPM op zich al bevorderlijk is voor grensoverschrijdende samenwerking. In grensregio’s wordt melding gemaakt van enkele voorbeelden van bilaterale samenwerking, bijvoorbeeld met betrekking tot vroegtijdige waarschuwingen en kennisgeving van dreigende rampen, samenwerking op het gebied van risicobeoordelingen en paraatheidsprotocollen, informatie-uitwisseling over vroegtijdige waarschuwingen en de daaropvolgende respons.

E. Risicobewustmaking en waarschuwingssystemen36

Niet alle lidstaten en deelnemende landen brengen grondig verslag uit over het risicobewustzijn, ook al kunnen de negatieve gevolgen van rampen worden verminderd door de bevolking voor te bereiden op hoe ze moeten handelen in geval van een noodsituatie. Ongeveer driekwart van de landen maakt melding van enkele door de civiele-beschermingsautoriteiten en andere belangrijke instanties uitgevoerde activiteiten die gericht zijn op het verstrekken van informatie over rampenrisico’s en het vergroten van het risicobewustzijn onder de bevolking, maar hierover is weinig specifieke informatie beschikbaar. Outreachcampagnes maken gebruik van verschillende communicatiemiddelen (televisie- en radioreclame, sociale media, korte animatiefilms, folders en brochures) en webpagina’s met informatie over risico’s. Er wordt een aantal goede voorbeelden van voorlichtingscampagnes genoemd.

Om het algemene risicobewustzijn te vergroten, informeren landen het publiek over de risico’s, maar slechts de helft van hen geeft aan over openbaar beschikbare risicobeoordelingen te beschikken. Regelmatig terugkerende risicobewustmakingscampagnes hebben vaak betrekking op alle aspecten van bestendigheid en zelfbescherming in verband met risico’s en noodsituaties, maar slechts een klein aantal landen deelt details over deze campagnestrategieën. De specifieke campagnes die het meest worden vermeld, zijn bewustmakingscampagnes met betrekking tot overstromingen en natuurbranden. Een derde van de landen geeft aan dat de onderwijsstelsels belangrijke kanalen zijn om het risicobewustzijn te vergroten.

Het waarschuwen van de bevolking speelt een cruciale rol in het kader van nood- en crisiscommunicatie, maar slechts iets meer dan de helft van de landen geeft aan verschillende manieren te gebruiken om de bevolking in geval van een noodsituatie te waarschuwen. Voorbeelden van hiervoor gebruikte instrumenten zijn sirenes, mobieletelefoonberichten, speciale smartphone-apps en het gebruik van traditionele media (radio/televisie). De mogelijkheid om vroegtijdig te waarschuwen en de doorlooptijd die aan de bevolking en de verantwoordelijke autoriteiten kan worden gegeven om in actie te komen, zijn afhankelijk van het soort rampenrisico. Sommige landen verwijzen naar de uitvoering van EU-wetgeving die tegen 2022 openbare waarschuwingen door mobiele telefoons verplicht37.

Bij het beheersen van risico’s is het van essentieel belang tegemoet te komen aan de behoeften van kwetsbare groepen. Slechts een klein aantal landen geeft echter aan dergelijke werkzaamheden uit te voeren. Een handvol landen geeft aan richtsnoeren te hanteren met betrekking tot de manier waarop in een noodsituatie rekening moet worden gehouden met de behoeften van personen met een handicap en andere kwetsbare groepen. Een klein aantal landen geeft aan specifieke op risicobewustmaking gerichte initiatieven voor kwetsbare groepen uit te voeren.

F. Systemen voor vroegtijdige waarschuwing en responscapaciteit

De vroegtijdige vaststelling van dreigende rampen is van cruciaal belang voor het beperken van negatieve gevolgen. De meeste lidstaten en deelnemende landen geven aan hiervoor systemen te hanteren. Slechts ongeveer de helft van de landen die bepaalde risico’s als relevant aanmerken, melden echter dat zij beschikken over systemen voor vroegtijdige waarschuwing voor die risico’s. Er worden systemen voor vroegtijdige waarschuwing toegepast voor een breed scala aan rampen, met name met betrekking tot natuurrampen, waarbij extreme weersomstandigheden en overstromingen het meest worden genoemd, gevolgd door aardbevingen en natuurbranden. Waar het technologische risico’s betreft, wordt het meest melding gemaakt van systemen voor vroegtijdige waarschuwing bij nucleaire en radiologische ongevallen, gevolgd door systemen voor vroegtijdige waarschuwing bij cyberrisico’s, verstoringen van de kritieke infrastructuur en industriële ongevallen. Het is dan ook van belang in realtime toezicht te houden op de factoren die hierbij een rol spelen (zoals droge vegetatie die het risico op natuurbranden doet toenemen, verzadigde grond die het risico op overstromingen doet toenemen, seismische bewegingen en de verspreiding van virusziekten).

Hoewel een groot aantal landen gebruikmaakt van internationale of Europese systemen voor vroegtijdige waarschuwing, met name met betrekking tot de risico’s van seismische bewegingen, het toezicht op nucleaire en radiologische dreigingen en bedreigingen van de gezondheid, vermeldt slechts een klein aantal landen de diensten van Copernicus. Landen geven een aantal voorbeelden van gerichte grensoverschrijdende systemen voor vroegtijdige waarschuwing, met inbegrip van kennisgeving van rampen. Gemeld wordt dat actoren uit de particuliere sector verantwoordelijk zijn voor het monitoren, opsporen en voorspellen van risico’s met betrekking tot hun economische activiteiten.

Het is van essentieel belang dat actoren uit de publieke en particuliere sector die verantwoordelijk zijn voor het reageren op noodgevallen, goed zijn voorbereid en goed zijn uitgerust. Slechts een klein aantal landen geeft echter aan over kritieke infrastructuur voor respons in noodsituaties te beschikken. In het licht van het veranderende risicolandschap met steeds ernstigere klimaatgerelateerde gevaren, waaronder overstromingen en natuurbranden, moeten landen hun nationale responscapaciteit opvoeren. Ongeveer de helft van de landen geeft aan over systemen te beschikken om te waarborgen dat de desbetreffende middelen op passende wijze worden onderhouden. Er is beperkt informatie verstrekt over specifieke responscapaciteit met betrekking tot natuurbranden, overstromingen, CBRN38 en noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid.

In het licht van bovenstaande worden de volgende aanbevelingen inzake bevordering van rampenrisicobeheersing voorgesteld.

De Commissie moet, samen met de lidstaten en deelnemende landen:

- de uitwisseling van goede praktijken tussen landen en deskundigen verder bevorderen, onder meer via het kennisnetwerk, met als doel de planningsinstrumenten en besluitvormingsstructuren te verbeteren ter ondersteuning van een doeltreffend risicobeheer39;
- de pan-Europese systemen en diensten voor vroegtijdige waarschuwing verder verbeteren. Indien van toepassing moet meer gebruik worden gemaakt van bepaalde instrumenten, zoals de “dienst van Copernicus voor het beheer van noodsituaties” en de 24/7 operationele wetenschappelijke dienst voor verslaglegging bij noodsituaties van de raadgevende wetenschappelijke en technische faciliteit, die zowel natuurrampen als nucleaire en radiologische gevaren bestrijkt.

De lidstaten en deelnemende landen wordt gevraagd om:

- een maatschappijbrede aanpak te hanteren tijdens alle fasen van rampenrisicobeheersing, met betrokkenheid van alle belanghebbenden: openbare instellingen, academische en onderzoeksinstellingen, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en gemeenschappen40;
- het beheer van rampenrisico’s te versterken, onder meer in de vorm van maatregelen voor het beheer van belangrijke risico’s met grensoverschrijdende effecten en risico’s in verband met rampen met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen in meerdere landen;
- systemen voor vroegtijdige waarschuwing voor relevante risico’s verder te ontwikkelen en waar mogelijk gebruik te maken van de door de EU ontwikkelde grensoverschrijdende systemen, zoals het Europees waarschuwingssysteem voor overstromingen van Copernicus, het Europees Bosbrandinformatiesysteem en het Europees Waarnemingscentrum voor droogte;
- op nationaal niveau krachtigere maatregelen te bevorderen om bij de beheersing van risico’s rekening te kunnen houden met de behoeften van kwetsbare mensen.


4.3 Integratie van en investeren in rampbestendigheid

G. Sectoroverschrijdende rampenrisicobeheersing41

Er zijn goede voorbeelden genoemd over de wijze waarop rampenrisicobeheersing wordt uitgevoerd in het kader van ander beleid dan civiele bescherming en door andere relevante overheidsdiensten en -organen. Met het oog op het bereiken van maatschappijbrede bestendigheid zijn er echter nog altijd verbeteringen op het gebied van sectoroverschrijdende risicobeheersing nodig. Nationale verslagen bevatten goede voorbeelden van mechanismen voor horizontale afstemming waarbij nationale bestuursstructuren in alle fasen van de rampenrisicobeheersingscyclus organen uit verschillende sectoren betrekken, met name overheidsinstanties, de particuliere sector, lokale overheden, het maatschappelijk middenveld, en academische en onderzoeksinstellingen. Aangezien er sprake is van een aantal lacunes in de verslaglegging over horizontale en sectoroverschrijdende afstemming en er zeer weinig alomvattende risicobeheersingsstrategieën worden vermeld, kan er meer worden gedaan om instrumenten voor rampenrisicobeheersing beter onder de aandacht te brengen, door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat risicobeoordelingen ook relevant zijn voor andere sectoren.

Ook ander EU-beleid draagt bij tot rampbestendigheid. Er moeten met regelmaat nieuwe, op EU-niveau ontwikkelde beleidsinstrumenten in het kader van de rampenrisicobeheersing worden opgenomen, met inbegrip van de instrumenten die in het kader van de Europese Green Deal zijn ontwikkeld42. Sommige landen brengen verslag uit over andere EU-beleidslijnen en -wetten die de rampbestendigheid en grensoverschrijdende samenwerking ten goede komen, onder meer waar het kritieke infrastructuur, cyberveiligheid, aanpassing aan de klimaatverandering, droogte- en overstromingsrisicobeheer, industriële ongevallen en samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid betreft. Uit deze voorbeelden blijkt dat rampenrisicobeheersing coherent moet zijn en moet streven naar synergieën met andere beleidsmaatregelen, met name op het gebied van klimaatverandering, de bescherming van kritieke infrastructuur en duurzaam financieringsbeleid.

Hoewel rampenrisico’s verder gaan dan de klimaatgerelateerde gevaren, en maatregelen voor adaptatie aan klimaatverandering veel gebieden bestrijken die verder gaan dan rampenrisicobeheersing, zijn de synergieën tussen de twee processen aanzienlijk. Twee derde van de landen geeft aan op nationaal niveau over adaptatieplannen te beschikken. Voorbeelden van gebieden die zowel rampenrisicobeheersing als maatregelen voor adaptatie aan klimaatverandering betreffen, zijn het monitoren, verzamelen en verwerken van informatie en gegevens over klimaatgerelateerde rampenrisico’s. Om synergieën mogelijk te maken en onderschatting van rampenrisico’s te voorkomen, is het bovendien van essentieel belang dat rampenrisicobeoordelingen ook klimaatveranderingsprognoses en -scenario’s omvatten.

Verstoringen van kritieke infrastructuur vormen een belangrijk onderdeel van de belangrijkste rampenrisico’s, met name verstoring van energienetwerken, waterdiensten, telecommunicatie, vervoersnetwerken, financiële structuren, voedselvoorziening en gezondheidszorg. Het risico dat deze verstoringen naar andere sectoren doorsijpelen, is groot. Bepaalde vormen van maritieme kritieke infrastructuur, waaronder havens, kunnen kwetsbaarder worden door de gevolgen van de klimaatverandering, met name de stijging van de zeespiegel. Iets meer dan de helft van de landen geeft aan beleid te voeren voor de bescherming van kritieke infrastructuur. Een derde van de landen geeft aan specifieke maatregelen te hanteren, zoals planning op het gebied van civiele bescherming, risico- en dreigingsbeoordelingen en -analyses, samenwerking tussen autoriteiten en exploitanten, procedurele en technische aspecten, en risicospecifieke maatregelen.


Het beleid inzake duurzame financiering biedt mogelijkheden voor klimaatadaptatie en risicopreventiemaatregelen. Rampenverzekeringen ter ondersteuning van het herstel na een ramp kunnen ook een rol spelen bij het stimuleren van preventie en “betere wederopbouw”. Een paar landen noemen in hun nationale verslagen de particuliere sector als financieringsbron van verzekeringen op het gebied van rampenrisico’s. Uit een enquête over rampenverzekeringen onder nationale deskundigen op het gebied van rampenpreventie blijkt dat de verzekeringen in de lidstaten een grote verscheidenheid aan natuurrampen dekken. Er is desalniettemin sprake van een aanzienlijke lacune op het gebied van klimaatbescherming als gevolg van verschillende obstakels, zoals de kosten van verzekeringen, beperkende voorwaarden, plafonds voor compensatie en een gebrek aan in gebieden met een hoog risico beschikbare verzekeringen43.


H. Nationale publieke en particuliere financieringsmechanismen44

Investeringen in rampenrisicobeheersing vereisen voldoende financiering. Een krachtige nationale overheidsfinanciering moet zowel respons op als herstel van toenemende klimaateffecten mogelijk maken, alsook paraatheids-, preventie- en klimaatadaptatiemaatregelen. Een groot aantal verslagen bevat voorbeelden van nationale mechanismen voor financiering in verband met rampenrisico’s. Dit betreft onder meer reserves voor onvoorziene uitgaven of specifieke rampenfondsen (die in enkele landen beschikbaar zijn) en de overdracht van financiële risico’s van rampen met de hulp van particuliere actoren, met name in de vorm van rampenverzekeringen. Iets meer dan de helft van de landen vermeldt flexibele begrotingsvoorzieningen in de vorm van in de begroting opgenomen reserves en noodfondsen om rekening te kunnen houden met noodsituaties. Slechts een klein aantal landen geeft aan over specifieke financiering voor preventie te beschikken, waarmee ze tegemoetkomen aan de groeiende behoefte aan investeringen in preventie om verliezen te beperken door middel van versterkte bestendigheid. Er zijn meer landen die aangeven dat er begrotingen beschikbaar zijn voor paraatheid en respons in noodsituaties45.


Hoewel er EU-financiering voor rampenrisicobeheer beschikbaar is, onder meer voor preventie, is het gemelde gebruik ervan beperkt. Hoewel twee derde van de landen melding maakt van een aantal EU-middelen, is de verslaglegging erover coherent noch alomvattend. Zo noemt slechts circa een kwart van de landen het gebruik van middelen in het kader van de structuur- en cohesiefondsen (2014-2020), hoewel ongeveer twee derde van de EU-lidstaten deze middelen heeft gebruikt voor uitgaven ten behoeve van rampenrisicobeheersing46.

Voor elk land is de goedkeuring van uitgaven ten behoeve van rampenrisicobeheersing in het kader van het cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2021-2027 afhankelijk van de indiening van de uit hoofde van artikel 6 vereiste verslagen (randvoorwaarden47). De samenvattende verslagen inzake rampenrisicobeheersing bevatten de belangrijkste risico’s die relevant zijn voor het desbetreffende land, maar er is slechts zeer beperkte informatie verstrekt over financieringsbronnen, prioritering en tijdschema’s voor de uitvoering van dergelijke maatregelen. De Commissie heeft daarom gebruikgemaakt van bijkomende en aanvullende door de lidstaten verstrekte informatiebronnen, zoals aanpassingsstrategieën en andere nationale planningsinstrumenten en -strategieën, om na te gaan of de EU-lidstaten deze voorwaarden voor toegang tot financiering uit het EU-cohesiebeleid naleven.

In het licht van bovenstaande worden de volgende aanbevelingen inzake integratie van en investering in rampbestendigheid voorgesteld.

De Commissie zal:

- de lidstaten en de deelnemende landen aanmoedigen om stelselmatiger gebruik te maken van de EU-middelen die beschikbaar zijn voor investeringen in preventie, paraatheid en aanpassing aan de klimaatverandering;
- opties overwegen voor een krachtigere sectoroverschrijdende aanpak om rampenrisicopreventie te stimuleren in belangrijke beleidsmaatregelen en fondsen.

De lidstaten en deelnemende landen wordt gevraagd om:

- rekening te houden met het feit dat sectoroverschrijdende strategieën voor rampenrisicobeheersing noodzakelijk zijn om de nationale financieringsmogelijkheden voor rampenrisico’s verder te ontwikkelen, ook ten behoeve van preventie;
- in overweging te nemen de financiering voor rampenrisicobeheersing en aanpassing aan de klimaatverandering in de huidige programmeringsperioden te verhogen.


4. VORDERINGEN MET BETREKKING TOT HET EU-RECHTSKADER VOOR RAMPBESTENDIGHEID

Een breed scala aan sectorale wetgeving en beleidsmaatregelen van de EU draagt bij tot de versterking van de rampbestendigheid. Het wettelijke kader en het beleidskader voor rampenrisicobeheersing gaan verder dan civiele bescherming. Dit was reeds vermeld in de bijlage bij de richtsnoeren voor verslaglegging inzake rampenrisicobeheer 2019, waarin wordt verwezen naar het EU-beleid dat meerdere aspecten van rampenrisicobeheer bestrijkt. Sinds december 2019 heeft de EU haar beleid en rechtskader verder ontwikkeld in verband met de Europese Green Deal, de maatregelen die zijn genomen om de COVID-19-pandemie aan te pakken en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. Voorbeelden van recentere ontwikkelingen die meer aandacht verdienen bij de inspanningen om de preventie en paraatheid in de lidstaten en, indien van toepassing, de deelnemende landen te bevorderen, zijn onder meer:

- De EU-klimaatwet48, die onder meer de doelstellingen inzake aanpassing aan de klimaatverandering omvat. De klimaatrisicobeoordeling van de EU (EU Climate Risk Assessment, Eucra)49, een [uit te brengen] verslag van het Europees Milieuagentschap, moet als basis dienen voor toekomstige klimaat- en rampenrisicobeoordelingen. Informatie over de belangrijkste klimaatgerelateerde gevaren en effecten die door landen in de samenvattende verslagen inzake rampenrisicobeheersing zijn vermeld, is als bijdrage voor de Eucra gebruikt.

- De richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten50 heeft betrekking op paraatheid, respons en internationale samenwerking in een breder scala van sectoren die overeenkomstig de risicobeoordeling uit hoofde van artikel 6 als kwetsbaar zijn aangemerkt. Dit betreft ook overheidsinstanties die bijvoorbeeld belast zijn met civiele bescherming. De EU-lidstaten moeten risicobeoordelingen uitvoeren, rekening houdend met de risicobeoordelingen in het kader van het UCPM. Ook exploitanten van kritieke entiteiten moeten risicobeoordelingen ontwikkelen en preventie- en beschermingsmaatregelen uitvoeren. De richtlijn51 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie voorziet in een mechanisme voor crisisbeheersing op het gebied van cyberbeveiliging, in volledige samenhang met horizontale en sectorale mechanismen, waaronder het UCPM. De richtlijn schrijft de uitvoering voor van gecoördineerde beoordelingen van veiligheidsrisico’s ten aanzien van kritieke toeleveringsketens.

- De uitvoering van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water is belangrijk voor de beheersing van rampenrisico’s52. Bepaalde onderdelen van de waterwetgeving van de EU zijn gewijzigd of toegevoegd om aspecten op het gebied van rampbestendigheid aan te pakken, met name risico’s in de drinkwatervoorzieningsketen en de toegang tot veilig drinkwater53 en hergebruik van afvalwater voor de landbouwsector, om de toenemende waterschaarste en droogte aan te pakken54.

- De EU-bosstrategie voor 203055 is gericht op de totstandkoming van veerkrachtigere bossen en een goed beheer van gebieden met een verhoogd risico op branden. In de strategie wordt gepleit voor landschapsbeheer en -planning, herstel van ecosystemen, het beheer van brandstoffen in de vorm van begroeiing met het oog op begrazing en gecontroleerde branden, en voor een geïntegreerde beheersing van risico’s op natuurbranden waarbij de op alle relevante beleidsterreinen beschikbare expertise en middelen worden betrokken.

- De paraatheid met betrekking tot toekomstige pandemieën en andere bedreigingen van de gezondheid die op Unieniveau aandacht vereisen, is toegenomen door de vaststelling van de Europese gezondheidsunie en de oprichting van de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA).

- Het Europees wetboek voor elektronische communicatie schrijft voor dat de lidstaten uiterlijk in 2022 publieke waarschuwingssystemen opzetten om de bevolking via mobiele telefoons te waarschuwen56.

- De taxonomie voor duurzame investeringen57 kan ertoe bijdragen dat particuliere financiering wordt aangetrokken voor bewustmakings- en aanpassingsmaatregelen voor rampenrisico’s voor een breed scala aan economische activiteiten. In de EU-strategie voor duurzame financiering58 wordt in het licht van klimaatgerelateerde risico’s gepleit voor een verhoging van de klimaatrisicogeletterdheid van financiële actoren, om meer inzicht te krijgen in investeringen met een hoog risico. Bewustmakingsactiviteiten op het gebied van rampenrisico’s kunnen bijdragen tot dergelijke geletterdheid.

- Er is EU-financiering voor rampenrisicobeheersing beschikbaar vanuit verschillende EU-instrumenten, zoals de fondsen voor het cohesiebeleid, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en de herstel- en veerkrachtfaciliteit. Van 2021 tot 2027 bedraagt het totale bedrag aan EU-steun voor rampenrisicobeheersing en aanpassing aan de klimaatverandering in het kader van deze drie instrumenten bijna 26 miljard EUR. Ook het Horizon Europa-programma voor onderzoek en innovatie ondersteunt de beheersing van rampenrisico’s. Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie dekt bovendien tot op zekere hoogte schade door rampen. Aangezien de economische schade als gevolg van rampen in Europa toeneemt, moet worden overwogen dit fonds verder te versterken.

- De lidstaten hebben de beschikking over op maat gemaakte technische expertise via het instrument voor technische ondersteuning van de Europese Commissie (TSI). Dit instrument kan de lidstaten helpen bij het ontwerpen en doorvoeren van hervormingen, onder meer op het gebied van rampenrisicobeheersing59. In het kader van het UCPM worden ook technische bijstand, projecten op nationaal niveau en grensoverschrijdende projecten ter versterking van het rampenrisicobeheer ondersteund60.

- In het kader van de hervorming van de economische governance heeft de Commissie actief samengewerkt met belanghebbenden (ministeries van Financiën van de lidstaten, onafhankelijke begrotingsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties en verzekeraars) over de wijze waarop de budgettaire kosten van klimaatverandering in de nationale begrotingskaders kunnen worden weerspiegeld. De herziening van de belangrijkste concepten van de financiering van rampenrisico’s, door de lidstaten verstrekt bewijsmateriaal en de belangrijkste elementen van een strategie betreffende de financiering van rampenrisico’s om de budgettaire kosten van klimaatrampen te beperken, hebben tot doel het bewustzijn te vergroten en de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen61.

Voor doeltreffende en samenhangende sectoroverschrijdende risicobeheersing moet rekening worden gehouden met zowel deze als toekomstige ontwikkelingen in het veranderende beleid met betrekking tot het rampenrisicolandschap. In de tussentijdse evaluatie van het kader van Sendai62 werd opgemerkt dat een groot aantal beleidsmaatregelen bijdraagt tot rampenrisicovermindering, zoals beheersing van risico’s op overstromingen en droogte in het kader van het waterbeleid, cyberveiligheidsbeleid, bosbouw- en biodiversiteitsbeleid, gezondheidsbeleid en onderzoek en instrumenten voor rampenrisicobeheer, zoals aardobservatie.

5. DE ROUTE RICHTING EEN RAMPBESTENDIG EUROPA

Rampenrisicobeheersing komt de samenleving als geheel ten goede en speelt een cruciale rol bij de totstandbrenging van veerkrachtige samenlevingen. De vele levens die in de afgelopen jaren verloren zijn gegaan als gevolg van rampen in de vorm van extreme weersomstandigheden, herinneren ons eraan dat preventie, hoe snel de respons ook is, op de lange termijn de grootste voordelen zal opleveren. Het voorkomen van en voorbereiden op de volgende ramp is van essentieel belang als we onze samenleving, de natuur en ons cultureel erfgoed willen beschermen. Civiele bescherming is geen op zichzelf staand proces; het is van essentieel belang om in alle sectoren samen te werken in alle fasen van de rampenrisicobeheersingscyclus.

Het UCPM is opgericht om een EU-kader voor bijstand te creëren om te kunnen reageren op rampen wanneer de nationale responscapaciteit wordt overstegen. In de loop der jaren hebben herzieningen van het UCPM geleid tot uitbreiding van dit kader, dat daardoor inmiddels verder gaat dan rampenrespons en een breder spectrum van rampenparaatheid en -preventie bestrijkt. Artikel 6 voorziet in een kader voor risicobeheersing. Uit dit verslag blijkt dat er weliswaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt, maar dat er nog altijd ruimte is voor meer maatregelen op verschillende niveaus.

Het belang van rampenpreventie en risicobeheersingsmaatregelen op EU- en nationaal niveau is in het kader van de in februari 2023 vastgestelde Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid toegenomen, en de doelstellingen vereisen een ambitieuze gemeenschappelijke agenda voor de toekomst. In overeenstemming met de maatregelen in de mededeling over de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid zijn in dit verslag een aantal aanvullende maatregelen en aanbevelingen vastgesteld die nodig zijn om deze doelstellingen in de UCPM-landen te verwezenlijken. De Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid vormen een concrete bijdrage vanuit de gemeenschap voor civiele bescherming om onze algehele weerbaarheid tegen rampen in Europa op te bouwen. De lidstaten en de deelnemende landen worden verzocht maatregelen te nemen om deze doelstellingen uit te voeren en vooruitgang te boeken, onder meer in het kader van de verschillende activiteiten uit hoofde van artikel 6.

De schade door rampzalige gebeurtenissen neemt enorm toe, maar ons algehele vermogen om dergelijke schokken op te vangen en te herstellen, is beperkt. Er zijn daarom meer en betere investeringen in preventie nodig in de vorm van een EU-brede aanpak. Naarmate het rampenrisicolandschap zich blijft ontwikkelen en we geconfronteerd worden met de gevolgen van de klimaatverandering, zal de Commissie zich blijven inzetten om de weerbaarheid van de EU tegen toekomstige risico’s verder te versterken.


1 Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming, zoals gewijzigd, PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924, hierna “het UCPM-besluit” genoemd. Het UCPM wordt gevormd door de 27 lidstaten en 10 deelnemende landen (IJsland, Montenegro, Noord-Macedonië, Noorwegen, Servië en Turkije; Albanië, Bosnië en Herzegovina hebben zich in 2022 aangesloten; de Republiek Moldavië en Oekraïne in 2023).

2 COM(2024) 91 final van 12.3.2024.

3 Artikel 5, lid 1, punt g), van het UCPM-besluit luidt als volgt: de Commissie moet “met inachtneming van de in artikel 6, lid 1, punt d), vastgestelde termijnen periodiek verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de vorderingen met de uitvoering van artikel 6”.

4 SWD(2024) 130 final van 12.3.2024.

5 Wijzigingsbesluiten: Besluit (EU) 2019/420 (PB L 77 van 20.3.2019, blz. 1); Verordening (EU) 2021/836 (PB L 77 van 26.5.2021, blz. 1).

6 Overeenkomstig artikel 28, lid 1, punt a), van het UCPM nemen de deelnemende landen deel aan de activiteiten uit hoofde van het Uniemechanisme overeenkomstig de doelstellingen, vereisten, criteria, procedures en termijnen waarin het besluit voorziet. In het kader van dit verslag worden zowel EU-lidstaten als deelnemende landen hierna “landen” genoemd, tenzij zij nader zijn gespecificeerd als EU-lidstaten of deelnemende landen.

7 SWD(2017) 176 final van 23.5.2017; SWD(2020) 330 final van 30.11.2020.

8 De verslagen moeten uiterlijk eind december 2020 worden ingediend en nadien om de drie jaar.

9 KENNISGEVING VAN DE COMMISSIE Richtsnoeren voor verslaglegging inzake rampenrisicobeheer, artikel 6, lid 1, punt d), van Besluit nr. 1313/2013/EU (2019/C 428/07). PB C 428 van 20.12.2019, blz. 8. In deze richtsnoeren wordt onder meer verwezen naar een werkdocument van de diensten van de Commissie, “Risk Assessment and Mapping Guidelines for Disaster Management” (Richtsnoeren voor het beoordelen en in kaart brengen van risico’s met het oog op rampenbeheersing, SEC(2010) 1626 van 21.12.2010).

10 IJsland heeft geen verslag ingediend overeenkomstig de uiterste termijn voor 2020. Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Moldavië en Oekraïne waren in 2020 nog geen deelnemende landen en waren dan ook niet gehouden aan de verslagleggingsvoorschriften.

11 BG, CY, EE, FI, MN, MT, PL, PT, RO, RS, TR, alsook Georgië, Tunesië, Algerije en de Republiek Moldavië en het VK (destijds als EU-lidstaat).

12 Risk Data Hub van het kenniscentrum op het gebied van rampenrisicobeheer (Disaster Risk Management Knowledge Centre, DRMKC) (europa.eu).

13 Zie hoofdstuk 3.

14 Aanbeveling betreffende de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid, PB C 56 van 15.2.2023, blz. 1. Mededeling over de “EU-doelstellingen inzake rampbestendigheid: samenwerken om toekomstige noodsituaties aan te pakken”, COM(2023) 61 final van 8.2.2023.

15 Wanneer in dit verslag wordt verwezen naar nationale verslagen en bevindingen, gaat het om verslagen die uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt d), bij de Commissie zijn ingediend door de 27 EU-lidstaten en de zes landen die eind december 2020 deelnemende landen waren (IJsland, Montenegro, Noord-Macedonië, Noorwegen, Servië en Turkije).

16 Overeenkomstig de eerdere verslagen met overzichten van de risico’s, SWD(2017) 176 final; SWD(2020) 330 final.

17 Zie hierboven.

18 Op het moment van publicatie van dit verslag was de verslagleggingstermijn voor 2023 nog niet verstreken en waren de ingediende verslagen nog niet geanalyseerd. De bevindingen zijn niet per definitie gebaseerd op recente ontwikkelingen op nationaal niveau.

19 Er zijn geen verslagen ingediend door Montenegro, Noord-Macedonië en Turkije (overeenkomstig de uiterste termijn voor 2015), Letland, Malta, Montenegro, Turkije (overeenkomstig de uiterste termijn voor 2018) en IJsland (overeenkomstig de uiterste termijn voor 2020).

20 Artikel 3, lid 2, punt a) (UCPM).

21 Werkdocument van de diensten van de Commissie, punten P3 en P4.

22 Zie bijlage II bij het ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie en het verslag “Overview of natural and man-made disaster risks that the EU may face”, SWD(2020) 3030 final, figuur 21.

23 Classificatie uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1208 van de Commissie van 7 augustus 2020 betreffende de structuur, de indeling, de indieningsprocedure en de beoordeling van de informatie die door de lidstaten is verstrekt op grond van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 749/2014 van de Commissie, PB L 278 van 26.8.2020, blz.1.

24 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 18.

25 Risk Data Hub van het kenniscentrum op het gebied van rampenrisicobeheersing (Disaster Risk Management Knowledge Centre, DRMKC):

https://drmkc.jrc.ec.europa.eu/risk-data-hub.

26 Richtsnoeren voor verslaglegging, P5, C 428 van 20.12.2019, blz. 8 e.v.

27 Richtlijn 2007/60/EG vereist regelmatige voorlopige overstromingsrisicobeoordelingen en overstromingsrisicobeheerplannen; uit hoofde van Richtlijn 2000/60/EG moeten stroomgebiedbeheerplannen bovendien om de zes jaar worden geactualiseerd.

28 Hoewel Richtlijn 2007/60/EG over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 186) voorschrijft dat alle EU-lidstaten overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten moeten opstellen, hebben niet alle lidstaten de beschikbaarheid van deze kaarten opgenomen in de samenvattende verslagen inzake rampenrisicobeheersing.

29 Werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2010) 1626 final van 21.12.2010).

30 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten P3, P13, P15, P16, P21 en P22.

31 Landen zijn niet verplicht de Commissie van risicobeheersingsplannen te voorzien of hier samenvattende informatie over te verstrekken. Het was dan ook niet mogelijk een uitgebreide beoordeling van de vorderingen betreffende “doorgaan met het ontwikkelen en verfijnen van rampenrisicobeheersingsplanning op nationaal of passend subnationaal niveau” uit te voeren.

32 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten 3, 13, 16, 21 en 22.

33 PB L 288 van 6.11.2007, blz. 186.

34 Richtlijn 2012/18/EU, PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1.

35 Richtlijn (EU) 2022/2557. PB L 333 van 27.12.2022, blz. 164.

36 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten 8, 17, 19 en 20.

37 Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.

38 Chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair.

39 Overeenkomstig de aanbevelingen en follow-upmaatregelen naar aanleiding van de workshop van 5-6 juli 2023 over civiele bescherming onder het Spaanse voorzitterschap, getiteld “Strengthening Governance for Disaster Risk Management in Europe”.

40 Zie hierboven.

41 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten 2, 3, 4, 12, 13, 14, 15 en 16.

42 De bijlage bij de richtsnoeren voor verslaglegging geeft een overzicht van het beleidslandschap van vóór de Europese Green Deal.

43 “Climate protection gap”, SWD(2021) 123 final van 27.5.2021.

44 Ondersteunend werkdocument van de diensten van de Commissie, punten 8, 17, 19 en 20.

45 SWD(2021) 123 final van 27.5.2021 “Closing the climate protection gap — Scoping policy and data gap”.

46 Achttien van de huidige EU-lidstaten hebben middelen in het kader van de structuur- en cohesiefondsen gebruikt voor rampenrisicobeheersing (2014-2020).

47 Om de lidstaten in staat te stellen toegang te krijgen tot de middelen in het kader van het EU-cohesiebeleid, worden in Verordening (EU) 2021/1060, bijlage IV (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159), de voorwaarden vastgesteld die verband houden met de naleving door de EU-lidstaten van het EU-recht. Waar het rampenrisicobeheersing betreft, hebben deze voorwaarden onder meer betrekking op de indiening van de uit hoofde van artikel 6 vereiste verslagen en het verstrekken van informatie betreffende risicovaststelling, het prioriteren van maatregelen, financieringsmechanismen en planning.

48 Europese klimaatwet (europa.eu) PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.

49 https://climate-adapt.eea.europa.eu/en/eu-adaptation-policy/key-eu-actions/climate_risk_assessment/index_html/.

50 PB L 333 van 27.12.2022, blz. 164.

51 PB L 333 van 27.12.2022, blz. 80.

52 Richtlijn 2007/60/EG en Richtlijn 2000/60/EG. Implementation Reports — Europese Commissie (europa.eu).

53 Richtlijn (EU) 2020/2184, PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1.

54 Verordening (EU) 2020/741. PB L 177 van 5.6.2020, blz. 32.

55 COM(2021) 572 final.

56 PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.

57 Verordening (EU) 2020/852. PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

58 COM(2021) 390 final.

59 Instrument voor technische ondersteuning (TSI) (europa.eu).

60 Prevention and Preparedness Projects in Civil Protection — Europese Commissie (europa.eu).

61 Disaster Risk Financing: Main Concepts and Evidence from EU Member States (europa.eu), 2021 and Disaster Risk Financing: Limiting the Fiscal Cost of Disasters (europa.eu), (2022).

62 SWD(2023) 151 final.

NL NL